← Nederland

Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (Drenthe)

Kort samengevat

Deze verordening regelt diverse aspecten van de fysieke leefomgeving in de provincie Drenthe, met een focus op algemene begrippen, inspraakprocedures en ruimtelijk omgevingsbeleid. Het definieert belangrijke termen die gebruikt worden in de provinciale regelgeving.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Inhoud Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: boorput: met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering; dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een waterschap in de provincie Drenthe; evaluatieverslag: het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; gedeputeerde staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe; gewasbeschermingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; grond- of funderingswerken: een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies; insteek van het oppervlaktewater: de lijn waar talud en maaiveld elkaar ontmoeten; nader onderzoek: het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wet bodembescherming; nazorgplan: het nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming; peilbesluit: een besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet; projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet; regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet; regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening; schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen; saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; waterleidingmaatschappij: een bedrijf dat grond- of oppervlaktewater wint met het doel dit te gebruiken voor de bereiding van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening; achtergrondwaarde, baggerspecie, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse wonen, kwaliteitsklasse A en werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit. Hoofdstuk 2 Inspraak Artikel 2.1 Algemene Inspraakverordening Bij wijzigingen van deze verordening wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe toegepast. Hoofdstuk 3 Ruimtelijk omgevingsbeleid Titel 3.1 Algemeen Paragraaf 3.1.1 Begripsbepalingen Artikel 3.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bedrijvenregio: de binnen Drenthe bestaande regio’s Groningen – Assen (in Drenthe: gemeenten Assen, Noordenveld, Tynaarlo), en Zuid-Drenthe (gemeenten Meppel, Hoogeveen, De Wolden, Coevorden, Emmen); bedrijventerrein: cluster van aaneengesloten percelen met een minimumoppervlakte van ten minste 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van terreinen voor agrarische doeleinden en terreinen voor afvalstort; beeldkwaliteitsplan: plan dat eisen en aanbevelingen bevat met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied en met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, met het oogmerk de kwaliteit van die ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast en dat juridisch deel uitmaakt van het ruimtelijk plan waarop het betrekking heeft; bestaande bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden op grond van een verleende bouw- of omgevingsvergunning, met uitzondering van bebouwing die gebouwd is zonder bouw- of omgevingsvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van genoemde planvormen; bestaand gebruik: gebruik van grond en bebouwing dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestond, met uitzondering van gebruik dat op dat tijdstip in strijd was met het geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan; bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; bouwlaag: het gedeelte van een bouwwerk tussen twee vloeren in, met uitzondering van het souterrain en de zolder met dien verstande dat bij bouwen de bouwlaag de verdieping is waarmee een bouwwerk wordt verhoogd; complex van recreatiewoningen: een terrein of een plaats van enige omvang, al dan niet geheel of gedeeltelijk met gemeenschappelijke voorzieningen ingericht en blijkens die inrichting en juridische bestemming bedoeld om meerdere recreatiewoningen te plaatsen of geplaatst te houden en bedrijfsmatig te exploiteren; ecologische hoofdstructuur: stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot veiligstelling van ecosystemen met daarbij behorende soorten; gemeentelijke werklocatievisie: een beleidsdocument van een gemeente waarin - op basis van een analyse tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale werklocatie(

  1. s)in de desbetreffende gemeente en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen; grondgebonden agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden; informatiewaarde: de betekenis van een kernkwaliteit als bron van kennis over het verleden; intensieve veehouderij: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee , pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkveehouderij en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet; kernwinkelgebied: het aaneengesloten gebied in het bestaand stedelijk gebied dat als het belangrijkste winkelcentrum kan worden aangemerkt, zowel wat betreft aantal winkels als winkelassortiment; kernkwaliteiten: de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe voor wat betreft: 1. archeologie; 2. aardkundige waarden; 3. cultuurhistorie; 4. landschap; 5. rust; 6. natuur; kernwaarde bedrijvigheid: de economische dynamiek binnen of in de directe omgeving van het plangebied voor zover deze zich vertaalt in een bijdrage aan de vitaliteit, waaronder mede begrepen de werkgelegenheid; ladder voor duurzame verstedelijking: een methode om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik bij het inpassen van ruimtebehoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening; landgoed: een landschappelijk ontwikkeld gebied met 1 wooneenheid, eventueel in combinatie met ondergeschikte functies, die het voornamelijk door architectonische verbintenis met een landgoedontwerp allure en uitstraling verkrijgt, waarbij geldt dat: 1. het landgoed minimaal 5 hectare nieuw bos bevat; 2. het landgoed past in het bosclusteringsgebied zoals aangegeven in de paragraaf 4.3.3 van de Omgevingsvisie; 3. het landgoed openbaar toegankelijk is; 4 het landgoed een ecologische, economische en esthetische eenheid vormt, en; 5. het landgoed past in het aanwezige landschap en houdt rekening met de cultuurhistorie en bodemgesteldheid; landschappelijk inpassingsplan: juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt; locatie voor kantoren: perceel of cluster van aaneengesloten percelen waarop gebouwen gerealiseerd dan wel te realiseren zijn met een minimale bruto vloeroppervlakte van 3.000 m2 uitsluitend of hoofdzakelijk voor kantoren en daarbij behorende voorzieningen; lokale werklocatie: een bedrijventerrein dat: 1. plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig
  2. is)vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties; 2. bedrijven huisvest die kleinschalig zijn; 3. plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving; 4. geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3.1 volgens VNG-uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering'), waarbij geldt dat op basis van duidelijke gemotiveerd uitzonderingsbeleid de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk is; maatschappelijk belang: een belang dat educatief, sociaal-medisch, sociaaleconomisch, sociaal-cultureel, recreatief of levensbeschouwelijk van aard is, de duurzaamheid bevordert, dan wel gerelateerd is aan sport of aan openbare dienstverlening; multifunctionele gebieden: gebieden waar meerdere provinciale functies en ambities samenkomen en waarbij geen duidelijke hoofdfunctie valt te onderscheiden waarbij het gaat om combinaties van landbouw, natuur, water, recreatie en landschap; neventak: activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van de agrarische hoofdactiviteit behoren en die op basis van de standaardopbrengst (SO) norm daaraan ondergeschikt zijn; omgevingsvisie: de Omgevingsvisie Drenthe, zoals vastgesteld door Provinciale Staten; permanente bewoning: gebruik van een recreatiewoning als feitelijk hoofdverblijf; recreatiewoning: woning ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf; regionale werklocatie: een bedrijventerrein of locatie voor kantoren die plaats biedt aan bedrijven met een bovenlokale oriëntatie, zowel qua arbeidsmarkt als qua toelevering- en afnemersrelaties, en die is gelegen in een bedrijvenregio dan wel het VAM/MERA-terrein te Wijster betreft; regionale werklocatievisie: een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale werklocatie(
  3. s)en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen; regionale woonvisie: een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een woonregio afstemming plaatsvindt over minimaal de onderwerpen demografie, ontwikkelingen op de woningmarkt, invulling van de ruimtevraag (bundelingsbeleid, zorgvuldig ruimtegebruik en de kernenstructuur), doelgroepenbenadering (kwalitatieve afstemming) en monitoring (uitvoering en effecten van de regionale woonvisie) omvat en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen; robuust systeem: een systeem is robuust als een verstoring door een ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor het functioneren van het systeem als zodanig en het gaat om stedelijke netwerken, watersysteem, landbouw of natuur; rood-voor-groen regeling: regeling waarbij nieuwe bebouwing gekoppeld is aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige kwaliteiten van natuur, water of landschap of de recreatieve mogelijkheden van omgeving, waartoe mede het in de Omgevingsvisie bepaalde voor landgoederen wordt gerekend; ruimtelijk plan: in deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder ruimtelijk plan verstaan: 1. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de wet; 2. een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet; 3. een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de wet; 4. een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 5. een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet; ruimte-voor-ruimte regeling: regeling ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied door het verwijderen van landschapsontsierende agrarische bedrijfsgebouwen, die geen agrarische functie meer hebben en waarvoor ter compensatie van de sloop een of meerdere woning(
  4. en)mag (mogen) worden gebouwd; vrijkomende agrarische bebouwing: bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door (gedeeltelijke) beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor invulling met een niet-agrarische functie, dan wel gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een voormalige overeenkomstige bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn geweest, maar inmiddels een niet-agrarische functie hebben; weidewinkel: een solitaire, los van het bestaand stedelijk gebied gelegen, winkelvestiging of cluster van vestigingen; werklocatie: bedrijventerrein of een locatie voor kantoren; wezenlijke kenmerken en waarden: aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden met een bestemming natuur, tevens potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities, voor zover deze natuurwaarden en condities in het licht van de internationale biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn; windturbine: door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit; woonregio: binnen Drenthe bestaan de woonregio's Noord-Drenthe (gemeenten Aa en Hunze, Assen, Noordenveld, Tynaarlo en Midden-Drenthe), Zuidoost-Drenthe (gemeenten Borger-Odoorn, Coevorden en Emmen) en Zuidwest-Drenthe (gemeenten Hoogeveen, De Wolden, Meppel en Westerveld). Paragraaf 3.1.2 commissie Leefomgeving (cieL) Artikel 3.2 Instelling commissie Leefomgeving 1. Er is een commissie Leefomgeving, hierna te noemen de commissie. 2. De commissie vervult de advies- en overlegtaken inzake het provinciaal beleid zoals bepaald in artikel 2.41 van de Wet milieubeheer en artikel 9.1 Wet ruimtelijke ordening. 3. De commissie is bevoegd het provinciebestuur uit eigen beweging van advies te dienen over algemene vraagstukken betreffende het provinciaal omgevingsbeleid. Artikel 3.3 samenstelling commissie Leefomgeving 1. In de commissie hebben naast de voorzitter maximaal 6 leden zitting. 2. Leden van provinciale staten, leden van Gedeputeerde Staten, ambtenaren en arbeidscontractanten van de provincie Drenthe kunnen geen lid zijn van de commissie. Artikel 3.4 Ondersteuning commissie Leefomgeving 1. Gedeputeerde Staten voorzien in het secretariaat van de commissie. 2. De commissie kan zich doen bijstaan door deskundigen. Artikel 3.5 Benoemingen commissie Leefomgeving Provinciale Staten benoemen op voordracht van Gedeputeerde Staten de voorzitter en de leden van de commissie voor een periode van 2 jaar. Artikel 3.6 Openbaarheid vergaderingen commissie Leefomgeving 1. De vergaderingen van de commissie zijn openbaar. 2. Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen waarin de in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur genoemde belangen op de in dat artikel bedoelde wijze kunnen worden geschaad. Titel 3.2 Ruimtelijke Kwaliteit Paragraaf 3.2.1 Kernkwaliteiten Artikel 3.7 Werken met kernkwaliteiten 1. Als kernkwaliteiten worden aangewezen de thema’s en gebieden zoals die zijn neergelegd op de bij deze verordening behorende kaarten D4 t/m D9 waarbij voor de kaart D7 (Kernkwaliteit landschap) geldt dat van een provinciaal belang alleen sprake is in de situaties zoals in de Omgevingsvisie (hoofdstuk 4) omschreven. 2. Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn: a. wordt in het ruimtelijk plan uiteengezet dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform het provinciaal beleid en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de Omgevingsvisie; b. maakt het desbetreffende ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die deze kernkwaliteiten significant aantasten. Artikel 3.8 Werken met kernwaarde bedrijvigheid Als bij een ruimtelijk plan de kernwaarde bedrijvigheid is betrokken, wordt in dat ruimtelijk plan uiteengezet dat met het plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken aspecten van de kernwaarde bedrijvigheid. Artikel 3.9 Verhouding kernkwaliteiten en kernwaarde bedrijvigheid Voor zover kernkwaliteiten en kernwaarde bedrijvigheid in een ruimtelijk plan niet kunnen samengaan: a. wordt in dat plan onderbouwd in hoeverre behoud of ontwikkeling van kernkwaliteiten niet kan samengaan met behoud of ontwikkeling van de kernwaarde bedrijvigheid; b. wordt tussen behoud of ontwikkeling van kernkwaliteiten en behoud of ontwikkeling van de kernwaarde bedrijvigheid een zorgvuldige afweging gemaakt, en; c. voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, wordt de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk of mogelijk veilig gesteld, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet of de in het betreffende beleidsveld geldende onderzoeksnormen. Artikel 3.10 Kernkwaliteiten ondergeschikt in landbouwgebied plus Artikel 3.7 is niet van toepassing binnen gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart D11b zijn aangeduid als “Landbouwgebied Plus”, voor zover de gemeente in een ruimtelijk plan zorgvuldig onderbouwt dat: a. de ontwikkeling van Robuuste landbouw, nieuwe intensieve veehouderij als gevolg van verplaatsing uitgezonderd, niet kan samengaan met de bij het plan betrokken kernkwaliteiten en; b. voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk veilig gesteld wordt, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet of de in het betreffende beleidsveld geldende onderzoeksnormen. Artikel 3.11 Uitzondering afwijking 3.10 De in artikel 3.10 vervatte uitzondering voor intensieve veehouderijen geldt niet wanneer in hetzelfde ruimtelijk plan sprake is van het beëindigen dan wel het samenvoegen van een of meer bestaande intensieve veehouderijen welke is gekoppeld aan de uitbreiding van de desbetreffende bestaande intensieve veehouderij. Artikel 3.12 Spanning tussen kernkwaliteiten onderling Artikel 3.7 is niet van toepassing voor zover de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan aantoont dat het niet mogelijk is een of meerdere van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten in het plan met elkaar te verenigen op een manier die aan behoud en ontwikkeling van ieder van die kernkwaliteiten afzonderlijk ten goede komt, mits: a. de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan tussen die kernkwaliteiten een zorgvuldige planologische afweging maakt en; b. voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk veilig gesteld wordt, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet of de in het betreffende beleidsveld geldende onderzoeksnormen. Artikel 3.13 Wijzigingsbevoegdheid kernkwaliteitenkaart Gedeputeerde Staten kunnen de bij deze verordening behorende kaarten D4 t/m D9 met Kernkwaliteiten wijzigen: a. op grond van feitelijke informatie die nader inzicht verschaft in de waarden of verwachtingen (archeologische) die op de kaart zijn vastgelegd en die tot een correctie van die kaart noopt of; b. om de kaart aan te passen aan de feitelijke situatie die ontstaat doordat de onder artikel 3.9, 3.10 of 3.12 beschreven situatie zich voordoet op het moment dat het desbetreffende ruimtelijk plan onherroepelijk is geworden. Paragraaf 3.2.2 Milieu- en leefomgevingskwaliteit Artikel 3.14 Milieu en externe veiligheidsaspecten Voor zover bij een ruimtelijk plan milieueffecten en externe veiligheidseffecten aan de orde zijn, wordt in dat ruimtelijk plan verantwoord op welke wijze deze aspecten in het ontwerpen en inrichten van de fysieke leefomgeving van het plangebied vertaald zijn. Het vorenstaande is van toepassing op: a. milieuaspecten voor zover opgenomen op de bij deze verordening behorende kaart D12 met: i. bedrijventerreinen voor milieucategorie 4 en hoger; ii. bodem (spoedlocaties); iii. geluid (geluidzoneringen, verkeerslawaai, geluidsportcentra); iv. licht (provinciale wegen) en; b. aspecten van externe veiligheid zoals verwoord in de Omgevingsvisie. Paragraaf 3.2.3 Zorgvuldig ruimtegebruik (Ladder voor duurzame verstedelijking) Artikel 3.15 Toepassen ladder voor duurzame verstedelijking 1. Een ruimtelijk plan kan slechts in ruimtevragende ontwikkelingen voorzien op het gebied van woon-werklocaties, verblijfsrecreatie, detailhandel en infrastructuur indien uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit op basis van de Ladder voor duurzame verstedelijking gerechtvaardigd is. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing, waaronder in ieder geval begrepen agrarische bebouwing, bebouwing voor natuurbeheer, voor waterbeheer, voor veiligheid en hulpdiensten de opsporing en winning van delfstoffen als aardgas en aardolie of voor de levering van gas, water of elektriciteit. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op ontwikkelingen die vallen onder een Rood-voor-groen dan wel ruimte-voor-ruimte regeling. Titel 3.3 Bruisend Drenthe Paragraaf 3.3.1 Algemene bepalingen Artikel 3.16 Aanwijzing bestaand stedelijk gebied 1. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangewezen het gebied dat als zodanig staat aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart D1 “Bestaand stedelijk gebied”. 2. Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing zoals is aangegeven op de in het eerste lid bedoelde kaart wijzigen wanneer via onherroepelijk geworden ruimtelijke plannen of een inpassingsplan nieuwe bebouwingsmogelijkheden zijn gecreëerd en voorts ter correctie van feitelijke onjuistheden. Artikel 3.17 Basisbepalingen Bruisend Drenthe In een ruimtelijk plan wordt uiteengezet hoe de met het plan beoogde ontwikkelingen passen binnen het ontwikkelingsperspectief - voor zover van provinciaal belang - dat in de Omgevingsvisie voor het desbetreffende gebied is neergelegd. Paragraaf 3.3.2 Thematische bepalingen Artikel 3.18 Ondergrond 1. In een ruimtelijk plan waarin realisering van woonwijken, bedrijventerreinen en/of glastuinbouw is voorzien, wordt aangegeven hoe dat plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor bodemenergie. 2. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van afvalstoffen in de ondergrond, met uitzondering van de mogelijkheid tot de injectie van formatiewater uit gas- en oliewinning. 3. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van gevaarlijk of radioactief afval in de ondergrond. 4. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de injectie van CO2 in aquifers. 5. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe voor de injectie van CO2 in 'lege' gasvelden met als oogmerk permanente opslag tenzij deze ontwikkelingen in overeenstemming zijn met hetgeen daarover is opgenomen in de door provinciale staten vastgestelde Structuurvisie ondergrond. 6. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die de winning van aardgas en aardolie aantoonbaar kunnen belemmeren. Artikel 3.19 Agrarische bedrijvigheid Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op locaties die op de bij deze verordening behorende kaart D11a zijn aangeduid als ”Landbouwgebied”, voorziet niet in ontwikkelingen die een structureel negatief effect op het functioneren van de agrarische sector in het gebied hebben. Artikel 3.20 Grondgebonden agrarisch bedrijf 1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat op de bij deze verordening opgenomen kaart D11a als “Bouwvlak grondgebonden agrarisch bedrijf” is aangeduid, kent aan een grondgebonden agrarisch bedrijf een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare toe, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan in een groter bouwvlak voorzien, mits deze ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en sleuf- en mestsilo's alsmede mestplaten in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een agrarisch bedrijf betekent. Artikel 3.21 Intensieve veehouderij 1. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwvestiging van intensieve veehouderijen en evenmin in het omschakelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij. Dit geldt niet voor agrarische bedrijven waar door toepassing van de neventakbepaling, planologische gezien de intensieve veehouderij niet meer als neventak kan worden beschouwd. Peildatum voor deze bepaling ligt op 20 augustus 2014. 2. Een ruimtelijk plan staat aan een intensieve veehouderij een bouwvlak toe met een omvang van maximaal 1,5 hectare, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan, waarbij geldt dat de bedrijfsbebouwing – de bedrijfswoning uitgezonderd – uit 1 bouwlaag bestaat. 3. Een ruimtelijk plan kan, onverlet de randvoorwaarden uit het tweede lid van dit artikel, het bouwvlak voor een intensieve veehouderij vergroten tot maximaal 2 hectare, mits dit samengaat met winst voor het milieu en de landschappelijke inpassing berust op een landschappelijk inpassingsplan. 4. In afwijking van het tweede en derde lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en sleuf- en mestsilo's alsmede mestplaten ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent. 5. Een ruimtelijk plan kan voorzien in verplaatsing van intensieve veehouderijen naar de op kaart D11b aangegeven als “Landbouwgebieden plus” in het geval sprake is van sanering, samenvoeging of het oplossen van een knelpunt binnen Drenthe, waarbij geldt dat: a. het bouwvlak voor een intensieve veehouderij maximaal 1,5 hectare bedraagt, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan; b. het bouwvlak, onverlet de randvoorwaarden uit sub a van dit artikellid, voor een intensieve veehouderij bij maatwerk en landschappelijke inpassing blijkens een landschappelijk inpassingsplan tot maximaal 2 hectare kan worden vergroot; c. de bedrijfsbebouwing uit 1 bouwlaag bestaat. 6. In afwijking van het vijfde lid, onder a en b, kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en sleuf- en mestsilo's alsmede mestplaten in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent. Artikel 3.22 Overige agrarische activiteiten 1. Een ruimtelijk plan kan voorzien in de nieuwvestiging van glastuinbouw als de locatie is opgenomen op de in de bij deze verordening opgenomen kaart D11b benoemde glastuinbouwlocaties in de gemeente Emmen. 2. Een ruimtelijk plan kan, onverminderd het gestelde in artikel 3.25, negende lid, voorzien in alternatieve gebruiksmogelijkheden voor vrijkomende agrarische bebouwing als in dat ruimtelijk plan wordt aangetoond dat: a. de nieuwe activiteit aan de in de Omgevingsvisie aan het desbetreffende gebied toegekende hoofdfunctie niet schaadt; b. de nieuwe bedrijfsactiviteit niet milieubelastend van aard is; en c. de woonfunctie van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing gehandhaafd blijft. 3. Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in realisering van vergistingsinstallaties bij agrarische bedrijven wanneer uit het ruimtelijk plan blijkt dat die ontwikkeling zich positief verhoudt tot het 'Beleidskader Co-Vergisting'. Artikel 3.23 Ruimte-voor-ruimte regeling 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied, niet gelegen binnen het Bestaand Stedelijk Gebied, kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig is. 2. De ruimte-voor-ruimte regeling wordt vormgegeven met inachtneming van het volgende: a. toepassing van de regeling is alleen mogelijk voor agrarische bedrijfsbebouwing die op 2 juni 2010 al aanwezig was; b. de randvoorwaarde dat de sloopnorm voor 1 compensatiewoning 750 m2 en 2.000 m2 voor 2 compensatiewoningen aan agrarisch bedrijfsbebouwing bedraagt; c. een beperkte afwijking van de onder b genoemde randvoorwaarde is mogelijk mits sprake is van een extra kwaliteitsslag; d. in het ruimtelijk plan mag de mogelijkheid worden geboden tot het samenvoegen van agrarische bebouwing op meerdere percelen (saldering) om te kunnen komen tot de sloopnorm van 750 m2 of tot 2.000 m2; e. randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de compensatiewoning worden vastgelegd; f. de randvoorwaarde dat bouw van een compensatiewoning niet plaatsvindt in gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) met de functie 'Natuur' en 'Beekdalen' zijn aangeduid, tenzij: i. zich geen situatie voordoet zoals verwoord in artikel 3.35, eerste lid; ii. wordt voldaan aan het geen is opgenomen in artikel 3.36, tweede lid, onder c. Artikel 3.24 Woningbouw 1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied kan alleen voorzien in nieuwe woningbouw indien deze woningbouw past binnen de afspraken die de woonregio en de provincie hebben gemaakt over de woningbouwprogrammering en het gestelde in de regionale woonvisie en als in het desbetreffende ruimtelijk plan wordt onderbouwd dat deze regionale woonvisie voldoende actueel is. 2. Incidentele bouwmogelijkheden buiten het bestaand stedelijk gebied zijn mogelijk in bepaalde gevallen zoals bedrijfswoningen, een tweede woning bij een agrarisch bedrijf, recreatiewoningen, het splitsten van boerderijen in twee of meer woningen en nieuwbouw die past binnen de kaders van de provinciale rood-voor-groen dan wel de ruimte-voor-ruimte regeling. Artikel 3.25 Bedrijvigheid 1. Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in nieuwe regionale werklocaties of uitbreiding van een bestaande regionale werklocatie indien dit past in een regionale werklocatievisie, dan wel in een gemeentelijke werklocatievisie mits deze regionaal is afgestemd, en indien in het desbetreffende ruimtelijk plan wordt onderbouwd dat deze werklocatievisie voldoende actueel is. 2. Een ruimtelijk plan dat niet betrekking heeft op het bestaand stedelijk gebied van de plaatsen Hoogeveen, Emmen, Meppel, Assen en Coevorden kan alleen voorzien in nieuwe of uitbreiding van lokale werklocaties wanneer het desbetreffende ruimtelijk plan vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan en wanneer de locatie wordt bestemd voor kleinschalige en lokaal georiënteerde bedrijvigheid. 3. Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen met betrekking tot de mogelijkheid dat een ruimtelijk plan voorziet in vestiging of significante uitbreiding van een solitair buiten bestaand stedelijk gebied gelegen regionaal georiënteerd bedrijf. Deze regels hebben geen betrekking op bedrijven binnen de sector recreatie en toerisme en overige functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijvigheid. 4. Een ruimtelijk plan voorziet alleen in de vestiging van nieuwe bedrijven voor zover deze niet volgens de VNG systematiek 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' zouden vallen in de milieucategorieën 4, 5 en 6, tenzij op regionale werklocaties. 5. In afwijking van het vierde lid kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe bedrijvigheid die volgens de VNG systematiek 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' valt in de categorie 4 voor zover dit gebeurt via door de betreffende gemeente vastgesteld uitzonderingsbeleid. 6. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwe locaties voor detailhandel, voor zover deze ten koste gaan van het bestaande kernwinkelgebied. 7. In afwijking van het zesde lid kan een ruimtelijk plan in perifere detailhandel op een werklocatie voorzien wanneer dit in de toelichting daarop wordt gemotiveerd vanuit een integrale visie op de (boven)lokale (of regionale) detailhandelsstructuur en het bepaalde in het zesde lid voldoende wordt gewaarborgd. 8. Een ruimtelijk plan voorziet niet in de mogelijkheid tot het realiseren van weidewinkels. 9. Een ruimtelijk plan dat voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe werklocatie dient vergezeld te gaan van een beeldkwaliteitsplan dat juridisch is verbonden aan het desbetreffende ruimtelijke plan. Artikel 3.26 Mobiliteit Ruimtelijke plannen met nieuwe woningbouwlocaties, voorzieningen, kantoren, dagrecreatieve voorzieningen of bedrijven, die verkeersbewegingen kunnen veroorzaken die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur, geven in de plantoelichting inzicht in: a. de afstemming tussen bereikbaarheidseisen van functies en ontsluitingskwaliteiten van locaties; b. de mogelijkheden van bestaande verkeers- en vervoersvoorzieningen om de extra mobiliteit veilig en adequaat op te vangen; c. het al of niet noodzakelijk zijn van nieuwe verkeers- en vervoersvoorzieningen; d. de effecten op het openbaar vervoer netwerk. Artikel 3.27 Verblijfsrecreatie 1. Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in nieuwe verblijfsrecreatie voor zover deze niet wordt gesitueerd binnen de op de bij deze verordening behorende kaart D3 (Ecologische Hoofdstructuur) aangegeven begrenzingen en in een gebied dat op de bij deze verordening behorende kaart D11b als “Landbouwgebied plus” is aangeduid. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe verblijfsrecreatie wanneer het gaat om ver-/uitplaatsing van bestaande bedrijven uit kwetsbare gebieden als het desbetreffende ruimtelijk plan voorziet in een locatie aan de rand van natuurgebieden. 3. Een ruimtelijk plan kent geen gebruiksbepalingen die permanente bewoning van recreatieverblijven toestaan. Artikel 3.28 Afwijking verblijfsrecreatie 1. In afwijking van het gestelde in het derde lid van artikel 3.27 kan een ruimtelijk plan gebruiksbepalingen bevatten die permanente bewoning van recreatieverblijven toestaat wanneer: a. is voldaan aan de voorwaarden die het Rijk in het Besluit omgevingsrecht (Bor) heeft opgenomen om aan gemeenten de mogelijkheid te geven tot legalisatie van de onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen via het verlenen van een omgevingsvergunning; b. de legalisatie betrekking heeft op complexen en niet op losse recreatieverblijven; c. het recreatiecomplex deel uitmaakt van dan wel aansluit op bestaand stedelijk gebied; d. de legalisatie past binnen het woonplan van de desbetreffende gemeente, en; e. de integratie met het naastgelegen bestaand stedelijk gebied blijkens het ruimtelijk plan een blijvende ruimtelijke kwaliteitsslag oplevert. 2. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ter uitvoering of afwijking van het gestelde in het eerste lid onder b, c, d of e, voor de situatie waarin een ruimtelijk plan voorziet in permanente bewoning van recreatiewoningen. Artikel 3.29 Windenergie Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in de toepassing van windenergie indien dit geschiedt via realisering van windturbineparken in gebieden die als 'Windenergie (zoekgebied)' zijn aangeduid op de bij deze verordening behorende kaart D13 (Zoekgebied grootschalige windenergie) en wanneer: a. het vermogen van een windturbine ten minste 3 MW bedraagt; b. windturbines ten minste in een cluster van 5 worden gerealiseerd; c. in het ruimtelijk plan wordt aangetoond dat rekening is gehouden met laagvliegroutes en laagvlieggebieden, en; d. voldaan wordt aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 3.31 (radioastronomie) van dit hoofdstuk van de verordening. Artikel 3.29a Kleine installaties In afwijking van artikel 3.29 kan een ruimtelijk plan wanneer het gaat om kleine installaties voorzien in de toepassing van windenergie binnen en buiten de zoekgebieden als bedoeld in artikel 3.29 wanneer: a. uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap; b. in het ruimtelijk plan wordt aangetoond dat rekening is gehouden met laagvliegroutes en laagvlieggebieden, en; c. wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 3.31 (radioastronomie) van dit hoofdstuk. Artikel 3.30 Zonne-energie Een ruimtelijk plan kan voorzien in de realisatie van zonne-akkers mits de realisatie voldoet aan de door provinciale staten vastgestelde en in de Omgevingsvisie opgenomen “zonneladder” en de ter uitvoering daarvan door gedeputeerde staten vastgestelde “Beleidskader Zonne-akkers”. Artikel 3.31 Radioastronomie 1. Een ruimtelijk plan kan, voor zover deze gebieden bestrijkt die op de bij deze verordening behorende kaart D10 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone I', alleen voorzien in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden. 2. Een ruimtelijk plan kan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op de bij deze verordening behorende kaart D10 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone II', alleen voorzien in bedrijfsvestiging, -uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden. Artikel 3.32 Nationaal Landschap Drentsche Aa Als Nationaal Landschap Drentsche Aa wordt aangewezen het gebied dat valt binnen de begrenzing Nationaal Landschap Drentsche Aa zoals dat staat aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart D2 (Nationaal Landschap Drentsche Aa). Artikel 3.33 Afwijking Nationaal Landschap Drentsche Aa 1. Een ruimtelijk plan, voor zover dit plan betrekking heeft op een gebied dat onderdeel uitmaakt van het Nationaal Landschap Drentsche Aa, kan alleen voorzien in ruimtelijke ontwikkelingen voor zover deze bijdragen aan het behoud en het versterken van en niet in strijd zijn met de doelstellingen, kwaliteiten en kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa zoals deze zijn opgenomen in de Landschapsvisie Drentsche Aa of het BIO-plan Drentsche Aa 2.0 (2012 - 2020). 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan in ruimtelijke ontwikkelingen voorzien wanneer in het desbetreffende ruimtelijk plan wordt aangetoond dat: a. er sprake is van een groot maatschappelijk belang; b. er geen reële andere mogelijkheden zijn; c. de nadelige effecten op het behoud of de versterking van de kwaliteiten kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa als bedoeld in het eerste lid waar mogelijk worden gemitigeerd en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij: i. de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de kenmerken en kwaliteiten; en ii. de compensatie plaatsvindt: - aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij het aangetaste gebied; - door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; of - op financiële wijze; en d. de aard van de effectbeperkende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied en de compensatie duurzaam zijn verzekerd. Artikel 3.34 Ecologische Hoofdstructuur 1. De gronden aangeduid op kaart D3 (Ecologische Hoofdstructuur) vormen de Ecologische Hoofdstructuur waarvoor geldt dat: a. een ruimtelijk plan, indien het een bestemmingsplan betreft voor gronden die in het Natuurbeheerplan zijn begrensd als nieuwe of bestaande natuur, een wijzigingsbevoegdheid bevat die bepaalt dat burgemeester en wethouders een bestemming kunnen wijzigen in een natuur- of bosbestemming vanaf het moment dat: i. eigenaren van de desbetreffende gronden daarom verzoeken; ii. de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie; of iii. gedeputeerde staten besluiten dat zij provinciale staten zullen verzoeken om het besluit tot het verzoek tot onteigening aan de Kroon, als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet, te nemen en dat ter voorbereiding van dit besluit van provinciale staten, gedeputeerde staten een kopie van hun besluit hiertoe aan burgemeester en wethouders zenden met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan; b. een ruimtelijk plan, indien het een bestemmingsplan betreft, geen bestemmingen en regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van de Ecologische Hoofdstructuur significant aantasten. 2. In aanvulling op het eerste lid beschrijft de toelichting van het ruimtelijk plan: a. de wezenlijke kenmerken en waarden van het desbetreffende deel van de Ecologische Hoofdstructuur, zoals aangegeven in het Natuurbeheerplan; b. hoe de wezenlijke kenmerken en waarden worden beschermd; en c. hoe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden worden voorkomen. 3. Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur wijzigen: a. ten behoeve van een verbetering van de samenhang of de planologische inpassing van de Ecologische Hoofdstructuur; b. ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling; of c. ten behoeve van de krachtens artikel 3.35 gestelde regels. 4. Een wijziging als bedoeld in het derde lid is mogelijk voor zover: a. de wezenlijke kenmerken en waarden van de Ecologische Hoofdstructuur worden behouden; en b. de oppervlakte van de Ecologische Hoofdstructuur ten minste gelijk blijft. 5. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in het tweede lid om deze nader te specificeren of aan te vullen in het belang van de instandhouding en verdere ontwikkeling van de natuurdoelen van de Ecologische Hoofdstructuur. Artikel 3.35 Afwijking Ecologische Hoofdstructuur 1. In afwijking van artikel 3.34, eerste en tweede lid, kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten voor zover: a. er sprake is van een groot maatschappelijk belang; b. er geen reële andere mogelijkheden zijn; en c. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd waarbij; i. de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke waarden en kenmerken; en ii. de compensatie plaatsvindt: - in de Ecologische Hoofdstructuur wanneer deze gronden beleidsmatig niet zijn aangeduid als natuur, inclusief nieuwe natuur; - aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij de Ecologische Hoofdstructuur; - door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; of - op financiële wijze. 2. In aanvulling op het eerste lid kan het ruimtelijk plan hier alleen in voorzien indien in het ruimtelijk plan wordt opgenomen: a. op welke wijze schade aan de Ecologische Hoofdstructuur zoveel mogelijk wordt voorkomen en resterende schade wordt gecompenseerd; b. hoe wordt geborgd dat de maatregelen ten behoeve van de compensatie als bedoeld onder het eerste lid, onder c, sub 1, daadwerkelijk wordt uitgevoerd en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd. 3. Een ruimtelijk plan kan tevens in afwijking van artikel 3.34, eerste en tweede lid, een activiteit of een combinatie van activiteiten mogelijk maken indien uit een in een provinciale of intergemeentelijke structuurvisie neergelegde gebiedsvisie blijkt dat die activiteit of combinatie van activiteiten mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van de ecologische hoofdstructuur per saldo te verbeteren, waarbij in samenhang met een of meer andere ruimtelijke plannen die eveneens behoren tot de desbetreffende structuurvisie: a. de kwaliteit van de ecologische hoofdstructuur verbetert, waarbij de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur niet afneemt; b. het areaal van de ecologische hoofdstructuur wordt vergroot, ter compensatie van het gebied dat door de ontwikkeling verloren gaat, indien daarmee een beter functionerende ecologische hoofdstructuur ontstaat, en; c. in dat ruimtelijk plan verantwoord wordt waaruit de aard, wijze en het tijdstip van realisatie van de kwaliteits- of kwantiteitswinst bestaat. Artikel 3.36 Water 1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart D14 (Beekdal en bergingsgebied) zijn aangeduid als "Beekdal", voorziet voor de desbetreffende gebieden niet in nieuwe kapitaalintensieve functies. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan in nieuwe kapitaalintensieve functies voorzien wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van een zwaarwegende maatschappelijk belang; b. er zijn geen reële alternatieven; c. de functie vormt op die locatie geen feitelijke belemmering om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem te vergroten; en d. het negatieve effect op het watersysteem wordt in het desbetreffende ruimtelijke plan gecompenseerd. 3. Een ruimtelijk plan dat gebied bestrijkt dat op de bij deze verordening behorende kaart D14 (Beekdal en bergingsgebied) is aangeduid als "Bergingsgebied", strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. 4. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebied dat een grondwaterwinningfunctie heeft, strekt mede tot bescherming van die functie als grondwaterwingebied. Artikel 3.37 Provinciale wegen 1. Een ruimtelijk plan maakt binnen een zone van 400 meter aan weerszijden van een op de bij deze verordening behorende kaart A aangegeven provinciale weg geen handelingen, activiteiten of bestemmingen mogelijk die strijdig zijn met het meest doelmatige en efficiënte huidige of toekomstige gebruik van deze wegen. 2. De in het eerste lid genoemde zone wordt gemeten vanaf de hart van de weg. Titel 3.4 Tegemoetkoming in schade Artikel 3.38 Aanwijzing adviseur(
  5. s)1. Gedeputeerde Staten kunnen 1 of 3 adviseurs voor de voorbereiding van een besluit inzake toekenning van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aanwijzen. 2. Indien Gedeputeerde Staten 3 adviseurs aanwijzen, vormen deze 3 adviseurs een schadebeoordelingscommissie. In dat geval wijzen Gedeputeerde Staten eveneens de voorzitter van genoemde commissie aan. 3. De aan te wijzen adviseurs mogen niet uit anderen hoofde verbonden zijn met belangen van de provincie of van een andere belanghebbende. Gedeputeerde Staten waken tegen de schijn van belangenverstrengeling. 4. Aan te wijzen adviseurs zijn op grond van opleiding, kennis en ervaring gekwalificeerd om te adviseren over een besluit inzake de toekenning van een tegemoetkoming in schade. 5. Het voornemen tot de aanwijzing van de adviseur of de adviseurs wordt bekendgemaakt aan de aanvrager en aan andere belanghebbenden. Binnen 2 weken na de bekendmaking kunnen de aanvrager en de andere belanghebbenden hun zienswijzen schriftelijk aan Gedeputeerde Staten kenbaar maken. 6. Indien Gedeputeerde Staten na ontvangst van een zienswijze hun voornemen herzien, zijn de leden 2 tot en met 5 van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.39 Werkwijze één adviseur 1. De adviseur hoort de aanvrager, de eventueel betrokken bestuursorganen en in voorkomend geval de belanghebbende, bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, over de aanvraag. 2. De adviseur bepaalt de dag, tijd en plaats van de hoorzitting en bepaalt tevens de wijze waarop deze zal plaatsvinden. 3. De adviseur draagt er zorg voor dat van de hoorzitting een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het definitieve rapport met bevindingen en advies. 4. Alvorens de adviseur zijn advies uitbrengt, dient hij de aanvrager en in voorkomend geval de belanghebbende als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de Wet ruimtelijke ordening, gedurende 6 weken in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op het verslag van de hoorzitting en op het ontwerpadvies. 5. Gedeputeerde Staten voegen een afschrift van het advies bij hun besluit op de aanvraag. Artikel 3.40 Werkwijze schadebeoordelingscommissie Indien een aanvraag wordt voorgelegd aan een schadebeoordelingscommissie is het gestelde in artikel 3.39 van overeenkomstige toepassing. Titel 3.5 Slotbepalingen Artikel 3.41 Overgangsbepaling De bepalingen van dit hoofdstuk in deze verordening zijn niet van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht, vrijstellings- dan wel ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat vóór 14 april 2011 als ontwerp ter inzage heeft gelegen. Artikel 3.42 Aanpassingstermijn bestemmingsplan, beheersverordening In afwijking van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt het tijdstip waarop een ruimtelijk plan in overeenstemming met dit hoofdstuk moet zijn vastgesteld, gesteld op het tijdstip bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Hoofdstuk 4 Gereserveerd Hoofdstuk 5 Bodemenergie Paragraaf 5.1 Algemeen Artikel 5.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bodemenergie-systeem: een verzamelnaam van systemen en technieken die de bodem of ondergrond gebruiken als thermische energiebron of buffer; doelmatig gebruik van bodemenergie: het optimaal gebruik maken van de potentie van de bodem om energie te leveren. Daarbij gaat het enerzijds om een zo goed mogelijk rendement van een systeem op een bepaalde locatie waarbij een goed ontwerp en goed beheer bepalend zijn en anderzijds om de totale energieproductie van meerdere systemen in een gebied. Bij dit laatste gaat het in praktische zin om het voorkomen van negatieve interferentie en om een optimale onderlinge ordening van bodemenergiesystemen; doelmatig gebruik van de bodem: het zodanig gebruiken van de bodem dat dit leidt tot een minimale verandering van de bodem, naar efficiënt ruimtegebruik, het behoud of de verbetering van de huidige kwaliteit en kwantiteit en het voorkomen dat andere belangrijke functies in het geding komen; geothermie-systeem: een bodemenergie-systeem waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte ten behoeve van de verwarming van ruimten in bouwwerken of processen door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen ondiepe geothermiesystemen (tot maximaal 500 meter beneden maaiveld) en diepe geothermiesystemen (dieper dan 500 meter beneden maaiveld); gesloten WKO-systeem: installatie waarmee, zonder grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van bijbehorende warmtepomp, circulatiepompen en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig; open WKO-systeem: installatie waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik (geheel of deels) in de bodem terug te brengen, met inbegrip van bijbehorende bronpompen, warmtewisselaar en, voor zover aanwezig, warmtepomp en regeneratievoorziening; oranje gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid; rood gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid; temperatuur opslag-systeem: een bodemenergie-systeem waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem of de ondergrond voor de (tijdelijke) opslag van (rest)warmte ten behoeve van de verwarming van ruimten in bouwwerken of processen. Er zijn drie typen te onderscheiden: Lage temperatuuropslag (LTO:tot 30 °C) Middelhoge (MTO: 30-60 °C) en Hoge temperatuuropslag (HTO: 60-90 °C); Warmte Koude Opslag-systeem: een bodemenergiesysteem dat kan bestaan uit een open of een gesloten systeem; zone 1: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen het maaiveld en een diepte van 25 m beneden maaiveld; zone 2: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen een diepte van 25 m beneden maaiveld en een diepte van 500 m beneden maaiveld. Paragraaf 5.2 Gebieden Artikel 5.2 Aanwijzing rode en oranje gebieden 1. Als rode gebieden worden aangewezen de gebieden die als gebieden ter bescherming van het grondwater zijn aangewezen in hoofdstuk 7 en als zodanig staan aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten C1 en C2. 2. Als oranje gebieden worden in het kader van dit hoofdstuk aangewezen de intrekgebieden van de openbare grondwaterwinningen die als oranje gebieden staan aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten C1 en C2. Deze gebieden worden aangewezen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning. Paragraaf 5.3 Doelstellingen De toepassing van dit hoofdstuk is gericht op het zodanig reguleren en sturen van de aanleg van Bodemenergie-systemen dat hiermee een bijdrage wordt geleverd aan een duurzame energieopwekking. Tevens is het gericht op het stimuleren dat Bodemenergie op een zodanige wijze wordt aangelegd dat rekening wordt gehouden met de onderlinge relatie van deze systemen (doelmatig gebruik van bodemenergie) en andere (toekomstige) belangen die spelen in de bodem of de ondergrond (doelmatig gebruik van de bodem). Artikel 5.3 Doelstellingen Paragraaf 5.4 Warmte- en koude opslag Artikel 5.4 Gesloten WKO-systemen buiten inrichting 1. Het is verboden om in een gesloten WKO-systeem buiten een inrichting dat is gelegen binnen een oranje gebied een ander koelmedium toe te passen dan water van minimaal drinkwaterkwaliteit. 2. Het is verboden om in zone 2 buiten een inrichting een gesloten WKO-systeem aan te leggen door middel van een methode waarbij het systeem in de bodem wordt gedrukt. Artikel 5.5 Gesloten WKO-systemen binnen vergunningvrije inrichting 1. Het is verboden om in een gesloten WKO-systeem binnen een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist dat is gelegen binnen een oranje gebied een ander koelmedium toe te passen dan water van minimaal drinkwaterkwaliteit. 2. Het is verboden om in zone 2 binnen een inrichting een gesloten WKO-systeem aan te leggen door middel van een methode waarbij het systeem in de bodem wordt gedrukt. Artikel 5.6 Instructies voor omgevingsvergunning binnen inrichtingen 1. Indien een gesloten WKO-systeem aanwezig is of wordt aangelegd binnen een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht die is gelegen binnen een oranje gebied, verbindt het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning in ieder geval het voorschrift dat er geen ander koelmedium in het WKO-systeem mag worden toegepast dan water van minimaal drinkwaterkwaliteit. 2. Indien een gesloten WKO-systeem wordt aangelegd binnen een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht binnen zone 2, verbindt het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning in ieder geval het voorschrift dat het WKO-systeem niet mag worden aangelegd door middel van een methode waarbij het systeem in de bodem wordt gedrukt. Paragraaf 5.5 Temperatuuropslag Artikel 5.7 Verbod temperatuuropslag 1. Het is verboden een Temperatuur Opslag-systeem voor middelhoge of hoge temperatuur te hebben of te installeren op een zodanige wijze dat de warmte word toegevoegd op een diepte die is gelegen boven de zone “Formatie van Breda” zoals deze is aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart C3. 2. Het is verboden een Temperatuur Opslag-systeem voor lage temperatuur te hebben of te installeren in zone 2. Paragraaf 5.6 Geothermie-systemen Artikel 5.8 Verbod ondiepe geothermie Het is verboden een ondiep Geothermie-systeem te hebben of te installeren op een zodanige wijze dat grondwater wordt onttrokken of retourwater wordt teruggebracht op een diepte die is gelegen boven de zone “Formatie van Breda” zoals deze is aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart C3. Paragraaf 5.7 Vergunning Artikel 5.9 Weigeringsgronden vergunning Een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 6.22 van de Waterwet, geweigerd: a. voor zover de verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 5.3; b. indien de realisatie van een bodemenergie-systeem in strijd is met de doelstellingen op grond waarvan het oranjegebied is aangewezen; c. indien het bodemenergie-systeem thermische of hydrologische effecten veroorzaakt in een rood gebied. Artikel 5.10 Intrekking vergunning Gedeputeerde Staten kunnen de vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet, onverminderd het bepaalde in artikel 6.22, derde lid, van de Waterwet, geheel of gedeeltelijk intrekken indien zich omstandigheden en feiten voordoen waardoor de handeling of handelingen waarvoor de vergunning is verleend niet langer toelaatbaar worden geacht met het oog op het belang waarmee deze regeling is opgesteld. Artikel 5.11 Overgangsbepaling De bepalingen uit dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op bodemenergiesystemen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk reeds aanwezig waren. Hoofdstuk 6 Bodemsanering Artikel 6.1 Meldingen en aanvragen 1. De melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid en derde lid, van de Wet bodembescherming, het rapport van het nader onderzoek, het saneringsplan, het plan gebiedsgerichte aanpak, een melding van wijziging van het saneringsplan, een melding van wijziging van het plan gebiedsgerichte aanpak, het evaluatieverslag en het nazorgplan worden met de daarbij behorende stukken in drievoud bij Gedeputeerde Staten ingediend, waarbij gebruik wordt gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier. 2. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot gegevens die moeten worden vermeld bij de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, en derde lid, van de Wet bodembescherming, in het rapport van het nader onderzoek, in het saneringsplan, bij een melding van wijziging van het saneringsplan, in het evaluatieverslag en in het nazorgplan. Artikel 6.2 Evaluatieverslag Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk 13 weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan Gedeputeerde Staten aan. Artikel 6.3 Projectgroep Indien Gedeputeerde Staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Artikel 6.4 Taak en samenstelling projectgroep 1. De projectgroep als bedoeld in artikel 6.3 organiseert en begeleidt de uitvoering van het in artikel 48 van de Wet bodembescherming bedoelde nader onderzoek en saneringsonderzoek, respectievelijk de in dat artikel bedoelde sanering. 2. Een projectgroep bestaat ten minste uit: a. een vertegenwoordiger van gedeputeerde staten; b. een vertegenwoordiger van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen het geval van verontreiniging is gelegen; c. voor zover mogelijk een vertegenwoordiger van de ingezetenen van de betrokken gemeente en van andere belanghebbenden bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval. Hoofdstuk 7 Gebieden Titel 7.1 Aanwijzing gebieden Artikel 7.1 Aanwijzing gebieden ter bescherming van het grondwater 1. Als gebieden ter bijzondere bescherming van het grondwater met het oog op de winning van grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening worden aangewezen de gebieden die als gebieden ter bescherming van het grondwater zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart A. 2. Een gebied ter bescherming van het grondwater kan bestaan uit de volgende zones: a. waterwingebied; b. grondwaterbeschermingsgebied; c. verbodszone diepe boringen; d. grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa. 3. In de gebieden ter bescherming van het grondwater gelden de in titel 7.3 opgenomen regels voor zover dat voor de verschillende zones is aangegeven. Artikel 7.2 Aanwijzing stiltgebieden Als gebieden ter voorkoming of beperking van geluidhinder worden aangewezen de gebieden die als stiltegebieden zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart A. In deze gebieden gelden de in titel 7.4 opgenomen regels. Titel 7.2 Zorgplicht Artikel 7.3 Zorgplichtbepaling 1. Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 7.1 is aangewezen kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 2. In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater behoort tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten, terstond Gedeputeerde Staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf informeert. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: a. voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is; b. met betrekking tot inrichtingen tenzij in deze verordening anders is bepaald. Titel 7.3 Grondwaterbescherming Paragraaf 7.3.1 Bevoegdheid Artikel 7.4 Bevoegd gezag Waar in titel 7.3 sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld: a. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag; b. in alle andere gevallen: gedeputeerde staten. Paragraaf 7.3.2 Waterwingebieden Artikel 7.5 Inrichtingen in waterwingebieden 1. Het is verboden in een waterwingebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien het in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 7.6 Activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden 1. Het is in waterwingebieden verboden: a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen; b. een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; c. grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt; d. handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd; e. een lozing in de bodem uit te voeren. 2. Onder schadelijke stoffen worden in elk geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet en gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. 3. Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputten, grond- en funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as. 4. Het in het eerste lid onder a, b en c gestelde verbod geldt niet voor: a. het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; b. het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding; c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; d. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een ongeopende verpakking; e. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een afgesloten verpakking en beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; f. het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit; g. het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien de desbetreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening of als de activiteit of gedraging is opgenomen in een beheerplan als bedoeld in artikel 7.7. Artikel 7.7 Beheerplannen 1. De waterleidingmaatschappij stelt, voor de bij haar in gebruik zijnde waterwingebieden, beheerplannen op waarin is aangegeven op welke wijze de waterwingebieden zijn of worden ingericht en beheerd en op welke wijze de bodem en het grondwater worden beschermd met het oog op de waterwinning. In de beheerplannen kan worden aangegeven welke activiteiten en handelingen als bedoeld in artikel 7.6 in het voor dat gebied opgestelde beheerplan naar de mening van de waterleidingmaatschappij in dat gebied toegestaan zijn. 2. Het in het eerste lid bedoelde beheerplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten. Paragraaf 7.3.3 Grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 7.8 Inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een of meer van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage I. Artikel 7.9 Boorputten en grond- of funderingswerken 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben. Het verbod geldt niet voor: a. boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; b. het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming; c. tijdelijke bronbemaling; d. veedrinkputten die niet dieper gaan dan 10 meter beneden maaiveld. 2. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden grond- of funderingswerken sonderingen dan wel een methode waarbij een bodemenergiesysteem in de bodem wordt gedrukt uit te voeren of te hebben op een diepte van 3 m of meer onder het maaiveld. Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften: a. bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd, wordt het bodemprofiel aangevuld tot ten minste 3 m onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken; b. voor het inbrengen van palen: indien uitsluitend gebruikgemaakt wordt van: 1) grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 2) in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken; of 3) schroefpalen. 3. Van het voornemen tot het oprichten van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerken, waarbij toepassing wordt gegeven aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing. Artikel 7.10 Buisleidingen Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgasleiding bestemd voor het plaatselijke transport van en naar particulieren en bedrijven), olie of chemicaliën, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen. Artikel 7.11 Gebouwen, wegen en andere verhardingen 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water van gebouwen en verhardingen op of in de bodem te lozen. Het verbod geldt niet voor oppervlakkige infiltraties: a. ten aanzien van gebouwen: indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen en afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem; b. ten aanzien van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem. 2. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen. 3. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, anders dan voor privégebruik, aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding. 4. Van het voornemen tot het lozen van afstromend water op of in de bodem als bedoeld in het eerste lid, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing. Artikel 7.12 Begraafplaatsen Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of uitstrooiveld, als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben. Artikel 7.13 Warmtetoevoeging en -onttrekking Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd. Artikel 7.14 IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie 1. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied IBC-bouwstof toe te passen. 2. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie: a. op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie: i. de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel; ii. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; b. in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie: i. de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel; ii. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; c. bij toepassing in een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de desbetreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie: i. bij een toepassing op of in de bodem de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt; ii. bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt; d. voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen: op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen. 4. Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder c, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. De melding bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing. Paragraaf 7.3.4 Verbodszone diepe boringen Artikel 7.15 Reikwijdte en diepte verbodszone diepe boringen 1. De artikelen 7.9, 7.11, tweede lid, en 7.13 zijn van toepassing in verbodszones diepe boringen, met dien verstande dat in die artikelen voor "grondwaterbeschermingsgebied" wordt gelezen: verbodszone diepe boringen. 2. De in het eerste lid van toepassing verklaarde verboden gelden niet indien de activiteiten of handelingen waarop deze verboden betrekking hebben niet dieper gaan dan de voor die zone geldende en op kaart A aangegeven maximale diepte. Paragraaf 7.3.5 Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa Artikel 7.16 Verbod vullen en spoelen spuitmachines Het is verboden om vanuit de op kaart A als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa aangegeven waterlopen oppervlaktewater in te nemen bestemd voor het (rechtstreeks) vullen en spoelen van machines voor het verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 7.17 Spuitvrije zones Drentsche Aa 1. Het is verboden om binnen een afstand van 4 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater van de waterlopen als bedoeld in artikel 7.16 gewasbeschermingsmiddelen toe te passen of te laten toepassen. 2. Het verbod in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op het gebruik van op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden toegelaten gewasbeschermingsmiddelen door middel van de pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring en jacobskruiskruid op gronden in gebruik als grasland, wegbermen, plantsoenranden en/of bermen langs spoorwegen. Paragraaf 7.3.6 Aanduiding gebieden Artikel 7.18 Bebording 1. De waterleidingmaatschappij moet de grondwaterbeschermingsgebieden en de waterwingebieden aanduiden door middel van borden, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld. 2. De borden met het opschrift "grondwaterbeschermingsgebied" respectievelijk "waterwingebied" worden geplaatst langs alle verharde en onverharde openbare wegen die de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk de waterwingebieden doorkruisen c.q. daaraan grenzen en wel bij de buitenste grens van de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk waterwingebieden. Paragraaf 7.3.7 Overige bepalingen Artikel 7.19 Relatienotagebied Deze titel is niet van toepassing op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer. Artikel 7.20 Meldingen 1. Indien in deze titel het doen van een melding is voorgeschreven, wordt in de melding aangegeven: a. de naam en het adres van degene die de melding doet; b. de dagtekening; c. een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft; d. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden; e. op welke wijze aan de bodembeschermende voorschriften wordt voldaan. 2. De melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag uiterlijk 9 weken voordat tot de handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgaan. 3. Het bevoegd gezag bevestigt de ontvangst van de melding en stuurt onverwijld een afschrift van de melding aan de waterleidingmaatschappij. De waterleidingmaatschappij geeft uiterlijk binnen 6 weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft. 4. De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal 2 weken van tevoren schriftelijk aan het bevoegd gezag gemeld. 5. Indien de voorgenomen toepassing niet binnen 6 maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde melding is aangevangen, dient opnieuw een melding te worden gedaan. Artikel 7.21 Ontheffingen 1. Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen van de in de artikelen 7.6, 7.9, 7.10 voor zover sprake is van transport van niet verontreinigd aardgas, 7.11 en 7.14 opgenomen verboden. Aan de ontheffing worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden. 2. De aanvrager vermeldt in de aanvraag om ontheffing het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend. 3. Het bevoegd gezag stelt de waterleidingmaatschappij in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om ontheffing. Artikel 7.22 Overgangsrecht Het verbod genoemd in de artikelen 7.5, 7.8, 7.9, eerste en tweede lid, 7.10, 7.12 en 7.13 is niet van toepassing op een inrichting of een activiteit die is opgericht of al werd uitgevoerd voor de inwerkingtreding van die artikelen. Titel 7.4 Stilte Paragraaf 7.4.1 Begripsbepalingen Artikel 7.23 Begrippen In deze titel wordt verstaan onder: a. een geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder; b. openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip "wegen", met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers en fietsers. Paragraaf 7.4.2 Verbodsbepalingen Artikel 7.24 Grootschalig evenement Het is verboden in een stiltegebied een grootschalig evenement te houden of te organiseren waarbij gebruik wordt gemaakt van: a. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen; b. een modelvliegtuig, modelboot, of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; c. een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan geluidversterker. Artikel 7.25 Motorvoertuig of bromfiets buiten openbare weg Het is verboden in een stiltegebied zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Artikel 7.26 Toertocht motorvoertuigen of bromfietsen Het is verboden in een stiltegebied een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen. Paragraaf 7.4.3 Vrijstellingen en ontheffingen Artikel 7.27 Vrijstelling stiltegebied De verboden in artikelen 7.25 en 7.26 gelden niet voor zover deze betrekking hebben op: a. een motorvoertuig of bromfiets dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin-, bosbouw of vervening of ten behoeve van het onderhoud van het stiltegebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies; b. motorvoertuigen en bromfietsen voor zover sprake is van elektrische aandrijving. Artikel 7.28 Ontheffing stiltegebied 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 7.24, onder a en c, opgenomen verbod. 2. Indien er gelet op het belang waarom de stiltegebieden zijn aangewezen redelijkerwijs geen zienswijzen zijn te verwachten, kunnen gedeputeerde staten besluiten afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing te verklaren. Paragraaf 7.4.4 Aanduiding gebieden Artikel 7.29 Bebording stiltegebied Gedeputeerde Staten duiden een stiltegebied aan door middel van borden. Hoofdstuk 8 Ontgrondingen Artikel 8.1 Vrijstellingen 1. Het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet geldt niet voor de hierna genoemde werkzaamheden, die zijn of omvatten: a. het aanleggen, onderhouden en verwijderen van waterstaatswerken door of op last van Rijk, waterschap of provincie, het uitvoeren van door het bevoegde gezag goedgekeurde bodemsaneringen en het uitvoeren van werken door of op last van de provincie Drenthe; b. het aanleggen en wijzigen van watergangen, deel uitmakend van een stelsel van waterlopen, voor zover deze een bovenbreedte van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m en een diepte van niet meer dan 3 m beneden het maaiveld ter plaatse hebben of zullen verkrijgen; c. het delven, openen en ruimen van graven, het leggen, onderhouden en opruimen van buisleidingen en kabels met toebehoren, het plaatsen, aanbrengen, oprichten, wijzigen, onderhouden en opruimen van bouwwerken en hun funderingen, beplantingen, palen en andere in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen en het doen van grondboringen en sonderingen; d. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van tuinen, vijvers, putten, reservoirs en bassins, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd op erven bij woningen of bedrijven, de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven en er niet meer dan 1.000 m3 bodemmateriaal wordt ontgraven; e. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van mestbassins, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; f. het aanleggen en wijzigen van poelen of andere waterpartijen ten behoeve van natuurontwikkeling met een oppervlakte, binnen de insteek van de ontgraving van maximaal 150 m2, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; g. het aanleggen, onderhouden en wijzigen van openbare werken zoals, wegen, waterkeringen, spoorwegen, vliegvelden, industrieterreinen, bouwterreinen, sport- en recreatieterreinen, plantsoenen, parken, vijvers en andere waterpartijen, mits: i. de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld, dan wel bij bestaande waterpartijen 3 m beneden het vlak dat wordt gevormd door denkbeeldige horizontale lijnen die het maaiveld ter plaatse van de tegenover elkaar liggende oevers met elkaar verbinden, ongemoeid blijven; ii. de hoogteligging van de terreinen na beëindiging van de werkzaamheden, behoudens ter plaatse van waterpartijen, met niet meer dan 1,5 m zal zijn verminderd, en; iii. de werken plaatshebben ter uitvoering van een geldend bestemmingsplan of krachtens een op grond van dat geldende bestemmingsplan ter uitvoering van het werk noodzakelijke omgevingsvergunning; h. het oprichten en veranderen van een inrichting, waarvoor krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vergunning is verleend voor het op of in de bodem brengen van afvalstoffen of voor het opslaan van bodemmateriaal, mits de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; i. het verrichten van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op ontgrondingen die geheel of gedeeltelijk het winnen van bodemmateriaal tot doel hebben, met uitzondering van ontgrondingen voor zover die bestaan uit de werkzaamheden genoemd in het eerste lid, onder d, e en h. 3. Het verbod van artikel 3, eerste lid van de Ontgrondingenwet geldt eveneens niet voor: a. werkzaamheden aan en in gronden, gebezigd voor de uitoefening van een land-, tuin- of bosbouwbedrijf, mits: i. deze werkzaamheden uitsluitend geschieden ten dienste van het bedrijf en de daartoe behorende gronden; ii. er geen archeologische of aardkundige waarden worden aangetast; iii. de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden niet wordt verminderd; iv. de grondlagen dieper dan 2 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; v. de werkzaamheden niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan; vi. er geen afvoer van bodemmateriaal plaatsheeft voor gebruik buiten het bedrijf waartoe de gronden behoren, en; vii. de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen; b. werkzaamheden verricht door of in opdracht van natuurterreinbeherende instanties aan en in gronden die door deze instanties worden beheerd, mits: i. er geen archeologische of aardkundige waarden worden aangetast; ii. de werkzaamheden niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan; iii. de werkzaamheden zijn gericht op behoud of ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden; iv. de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden met niet meer dan 0,5 m zal zijn verminderd; v. er geen afvoer van ander dan humeus bodemmateriaal plaatsheeft, en; vi. de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen. Artikel 8.2 Meldingen Degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren als bedoeld in artikel 8.1, waarbij 1.000 m3 of meer bodemmateriaal wordt afgevoerd of in depot gezet, meldt dit uiterlijk 4 weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan Gedeputeerde Staten met gebruikmaking van een door hen vastgesteld formulier. Bij de melding worden de gegevens verstrekt die op het meldingsformulier worden gevraagd. Artikel 8.3 Vergunningen 1. Een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning wordt met gebruikmaking van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier ingediend, vergezeld van de op grond van het aanvraagformulier verlangde gegevens en bescheiden. 2. Een aanvraag tot intrekking van een vergunning bevat een aanduiding van de vergunning waarop de aanvraag betrekking heeft en de reden van de aanvraag. 3. Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het eerste lid buiten behandeling laten indien de aanvrager geen eigenaar is van alle onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft en hij geen verklaring van toestemming van de eigenaar overlegt. Artikel 8.4 Aanwijzen adviseurs Gedeputeerde Staten kunnen bestuursorganen, instanties en organisaties aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking betreffende het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning, of die op een andere wijze worden betrokken bij de voorbereiding van zodanige beschikking. Artikel 8.5 Eenvoudige procedure 1. Gedeputeerde Staten kunnen artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van de Ontgrondingenwet buiten toepassing laten, indien de aanvraag als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, of de ambtshalve te geven beschikking, betrekking heeft op een ontgronding van geringe omvang of op een geringe uitbreiding van een ontgronding waarvoor reeds vergunning is verleend, indien andere belangen hierbij niet of nauwelijks zijn betrokken. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van een vergunning betreffende verlenging van de geldigheidstermijn, de tenaamstelling, de in de vergunningsvoorschriften genoemde zekerheidstelling en wijziging van ondergeschikte betekenis van vergunningsvoorschriften. 3. Het eerste lid is eveneens van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder. Hoofdstuk 9 Vaarverbod Drentsche Aa Artikel 9.1 Aanwijzing gebied Als gebied Vaarverbod Drentsche Aa wordt ter bijzondere bescherming van natuur en landschap aangewezen het gebied dat op de bij deze verordening behorende kaart A is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa. In het gebied Vaarverbod Drentsche Aa gelden de in de artikelen 9.2, 9.3, 9.4 en 9.5 opgenomen regels. Artikel 9.2 Vaarverbod Het is verboden in een waterloop te varen of een vaartuig te leggen, te laten drijven of te laten liggen. Artikel 9.3 Uitzondering op het vaarverbod Het verbod als bedoeld in artikel 9.2 geldt niet voor zover het betrekking heeft op een vaartuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het onderhoud van de waterloop en het aangrenzende gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies. Artikel 9.4 Ontheffing 1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 9.2 gestelde verbod; 2. Een ontheffing kan alleen worden verleend voor zover deze betrekking heeft op het verrichten van onderzoek. Artikel 9.5 Bebording Staatsbosbeheer duidt de waterlopen, waarvoor het in artikel 9.2 bedoelde verbod geldt, aan door middel van borden. Hoofdstuk 10 Water Paragraaf 10.1 Normen Artikel 10.1 Aanwijzen regionale waterkeringen Als regionale keringen gelden de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart A. Artikel 10.2 Veiligheidsnorm 1. Op de bij deze verordening behorende kaart A is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren. 2. Indien een regionale waterkering is gelegen in meer dan 1 provincie, kunnen Gedeputeerde Staten van die provincies besluiten, dat het toezicht op die waterkering wordt uitgeoefend door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen. Artikel 10.3 Regionale verdringingsreeks 1. In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. onttrekking voor proces- en gietwater; b. doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt; c. beregening van akker- en tuinbouwgewassen, waarvoor in het tweede lid, onder b, een uitzondering wordt gemaakt. 2. In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de artikel 2.1, eerste lid, onder 4°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. doorspoeling van stedelijk en landelijk gebied ter voorkoming van botulisme en blauwalgen, ingeval sprake is van een risico voor de volksgezondheid; b. beregening van akker- en tuinbouwgewassen, sportvelden en greens; c. doorspoeling tegen verzilting en verontreiniging ten behoeve van beregening akker- en tuinbouw; d. peilhandhaving klei- en zandgebieden; e. peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur; f. beregening gras/mais; g. afvoer voor visintrek; h. doorspoeling tegen botulisme en blauwalgen voor zover de volksgezondheid niet in het geding is; i. het onnodig verlies van water tijdens het schutten van schepen. Artikel 10.4 Afwijking watersysteemTwentekanalen/Overijsselse Vecht 1. In afwijking van hetgeen is opgenomen in artikel 10.3, eerste lid, wordt in geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort bij het beheer binnen het watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht zoals is aangegeven op de in bijlage III opgenomen kaart, bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. onttrekking voor proces- en gietwater; b. doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt; c. beregening van kapitaalintensieve gewassen. 2. In afwijking van hetgeen is opgenomen in artikel 10.3, tweede lid, wordt in geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort bij het beheer binnen het watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht zoals is aangegeven op de in bijlage IV opgenomen kaart, bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 4°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. doorspoelen in geval van (de kans
  6. op)acuut risico voor de volksgezondheid; b. scheepvaart; c. peilhandhaving en beregening ten behoeve van akkerbouw; d. beregening gras/maïs; e. peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur; f. doorspoeling ten behoeve van aquatische ecologie (KRW). Artikel 10.5 Normen waterkwantiteit 1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, een gemiddelde overstromingskans van eens in de 100 jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van eens in de 10 jaar. 2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, een gemiddelde overstromingskans van niet vaker dan: a. eens in de 50 jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; b. eens in de 25 jaar voor akkerbouw, waarbij 1% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; c. eens in de 10 jaar voor grasland, niet zijnde natuur, waarbij 5% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben. 3. Op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart B is voor verschillende te onderscheiden gebieden de norm aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht. 4. Voor de teelt van mais en roulerende teelten (bollen en dergelijke) geldt voor de in het tweede lid bedoelde overstromingskans dat wordt aangesloten bij de gemiddelde overstromingskans voor het overwegende grondgebruik in de directe omgeving. 5. Gedeputeerde Staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. 6. De bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voldoen uiterlijk in 2015 voor de eerste keer aan de in het eerste en tweede lid opgenomen normen. Zo nodig kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van het dagelijks bestuur ontheffing van deze termijn verlenen. Paragraaf 10.2 Toedeling beheer en vaarwegenbeheer Artikel 10.6 Begripsomschrijvingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. lijst A: de in de bij deze verordening behorende bijlage II opgenomen lijst van vaarwegen in beheer bij de provincie Drenthe; b. lijst B: de in de bij deze verordening behorende bijlage II opgenomen lijst van binnen de provincie gelegen vaarwegen in beheer bij andere overheidslichamen, het Rijk uitgezonderd; c. minimaal benodigde vaarwegdiepte: de vaarwegdiepte op basis van de scheepstype indeling conform CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd met de benodigde kielspeling; d. schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet; e. vaarweg: elk binnen de provincie gelegen oppervlaktewaterlichaam dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B; f. vaarwegbeheer: de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken; g. vaarwegbeheerder: het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of lijst B; h. werk: elk kunstwerk of ander bouwwerk, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen. Artikel 10.7 Toedeling beheer vaarwegen In lijst A en lijst B is aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van het Rijk, is belast met het vaarwegbeheer. Artikel 10.8 Belangenbescherming 1. Deze titel en de daarop berustende bepalingen hebben tot doel: a. regels te stellen in het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken; b. aanvullende regels te stellen in het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen. 2. Deze titel kan mede strekken ter bescherming van ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen. Artikel 10.9 Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud 1. Gedeputeerde Staten kunnen de minimaal benodigde vaarwegdiepten wijzigen van de vaarwegen op de lijsten A en B; 2. De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de minimaal benodigde vaarwegdiepten, vastgesteld krachtens het eerste lid. Artikel 10.10 Afmetingen scheepvaart Gedeputeerde Staten kunnen voor de scheepvaart regels stellen voor de lengte, breedte en diepgang. Artikel 10.11 Bedieningstijden van bruggen en sluizen 1. Gedeputeerde Staten stellen de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de vaarwegen op de lijsten A en B. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor spoorbruggen en voor bruggen en sluizen in beheer bij het Rijk. 3. De beheerders van de bruggen en sluizen dragen er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tijden. Artikel 10.12 Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer Het besluit van een vaarwegbeheerder tot het blijvend geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het openbaar verkeer van een vaarweg van lijst B voor alle schepen, behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. Artikel 10.13 Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken Het is verboden: a. het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij vaarwegen te belemmeren; b. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarweg in gevaar te brengen; c. vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg te brengen, dan wel vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken. Artikel 10.14 verboden met ontheffingsmogelijkheid voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken a. Het is verboden om: i. zodanig te handelen of na te laten dat aan vaarwegen schade wordt of kan worden toegebracht; ii. zodanig te handelen of na te laten dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van vaarwegen in de ruimste zin wordt of kan worden belet; iii. veranderingen aan te brengen aan de vaarweg; iv. enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een afstand van tien meter landinwaarts van de vaarweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn; v. onverminderd het bepaalde in artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement, een waterweg te gebruiken voor het houden van wedstrijden of evenementen; b. De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten vaarwegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die vaarwegen in het geding is; c. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen van het eerste lid, indien de belangen bedoeld in artikel 10.10 zich daartegen niet verzetten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden; d. Een ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien: i. de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend; ii. de ontheffing gedurende twee jaar niet is gebruikt; iii. gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de houder verstrekte onjuiste gegevens; iv. de in het derde lid bedoelde voorschriften of beperkingen niet of niet voldoende worden nageleefd. Artikel 10.15 Provinciaal belang Het in de artikelen 10.13 en 10.14 opgenomen verbod geldt niet voor handelingen die worden uitgevoerd in het belang van een goed provinciaal vaarwegenbeheer. Artikel 10.16 Aanwijzing andere ligplaats Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheer een andere ligplaats innemen indien onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt. Artikel 10.17 Procedurebesluit Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 10.9, eerste lid, artikel 10.11, eerste lid, artikel 10.12 en artikel 10.14, derde lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Paragraaf 10.3 Regionaal waterplan en beheerplannen Artikel 10.18 Voorbereiding regionaal waterplan Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 10.19 Uitwerking regionaal waterplan 1. In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels. 2. Het besluit van Gedeputeerde Staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan. Artikel 10.20 Inhoud beheerplan Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de Waterwet, ten minste: a. het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen; b. de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren; c. een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode. Artikel 10.21 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan Het dagelijks bestuur informeert Gedeputeerde Staten ten minste eenmaal per jaar over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen. Paragraaf 10.4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken Artikel 10.22 Legger waterstaatswerken 1. Op grond van artikel 5.1, derde lid, van de Waterwet, geldt in het geval van meanderen van een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor in de legger wordt opgenomen ten minste de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel. 2. Op de overzichtskaart bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet is ten aanzien van de primaire- en regionale waterkeringen tevens aangegeven het profiel van vrije ruimte inhoudende de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering. 3. In afwijking van artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, wordt in het geval van bergingsgebieden in de legger alleen opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen. 4. Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan. 5. Gedeputeerde Staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet met betrekking tot vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen. Artikel 10.23 Opstellen peilbesluiten Het algemeen bestuur van een waterschap stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die deel uitmaken van provinciegrensoverschrijdende peilvakken waarvoor een door de provincie Groningen, Overijssel of Friesland opgestelde verplichting geldt als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwet. Artikel 10.24 Projectprocedure voor waterstaatswerken Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen kunnen, mede op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap, paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op: a. projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen; b. projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen. Paragraaf 10.5 Handelingen in watersystemen Artikel 10.25 Grondwaterregister 1. Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van water uit een grondwaterlichaam en infiltraties in een grondwaterlichaam worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van het tweede lid en artikel 10.27, eerste lid worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt. 2. Het dagelijks bestuur van de waterschappen verstrekt aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of infiltratie plaatsvindt de gegevens die door toepassing van artikel 10.27, derde lid worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt. 3. Het dagelijks bestuur maakt voor de uitvoering van het gestelde in het vorige lid gebruik van het Landelijk Grondwaterregister (LGR) zoals dat is ondergebracht bij TNO/DINO. 4. De in het tweede lid bedoelde gegevens, meldingen en vergunningen worden door het dagelijks bestuur binnen 3 maanden nadat deze door hen zijn ontvangen dan wel zijn verleend, verstrekt aan gedeputeerde staten. Artikel 10.26 Registratieplicht 1. Degene die water onttrekt aan of infiltreert als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet is verplicht: a. de onttrekking op te geven aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies, waarin de onttrekking geschiedt; b. de hoeveelheden water die worden onttrokken, te meten en daarvan aantekening te houden; c. telkenmale in de maand januari of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen 1 maand na die beëindiging, aan Gedeputeerde Staten van de provincie of provincies, waarin de onttrekking geschiedt, opgave te verstrekken van de in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar per kwartaal onttrokken hoeveelheden water; d. bij de onder c bedoelde opgave kennis te geven van wijzigingen die zich in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de bij de opgave, als bedoeld onder a, verstrekte gegevens. 2. Gedeputeerde Staten kunnen, nadere regels stellen omtrent de wijze van meting en registratie. 3. Het algemeen bestuur van de waterschappen regelt bij verordening dat ten minste degene die meer dan 10 m3 water per uur of meer dan 5.000 m3 water per kwartaal onttrekt uit een grondwaterlichaam en degene die water infiltreert in een grondwaterlichaam voor andere doeleinden of in kleinere hoeveelheden dan genoemd in het eerste lid, de gegevens bedoeld in het eerste lid verstrekt aan het dagelijks bestuur. Artikel 10.27 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister 1. Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting en/of infiltratie die niet ingevolge artikel 10.26 is opgegeven, ambtshalve in het register, genoemd in artikel 10.25, inschrijven. 2. Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen. Artikel 10.28 Onttrekking van grondwater en infiltratie van water 1. Bij het beslissen op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet houden Gedeputeerde Staten in ieder geval rekening met: a. de thermische en hydrologische effecten op de omgeving; b. de (micro)biologische of chemische veranderingen van de grondwaterkwaliteit. 2. Een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet wordt door Gedeputeerde Staten niet verleend indien: a. er geen sprake is van een hoogwaardige toepassing van het opgepompte water; b. er door het verlenen van de vergunning strijd ontstaat met de belangen van andere reeds verleende vergunningen en toekomstige belangen; c. bij infiltratie deze niet plaatsvindt in dezelfde diepte als waar het grondwater wordt onttrokken; d. voor een industriële onttrekking of de aanleg van een bodemenergiesysteem de locatie van de boring is gelegen binnen een gebied als bedoeld in artikel 7.1. Paragraaf 10.6 Financiële bepalingen grondwater Artikel 10.29 Instelling commissie van deskundigen Gedeputeerde Staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet. Artikel 10.30 Procedure advies 1. Gedeputeerde Staten kunnen een verzoek als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet in handen van de commissie van deskundigen stellen. Indien zij de commissie een verzoek voorleggen, zenden zij daarvan een afschrift aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten. Zij doen daarvan mededeling aan de verzoeker en, in geval het verzoek verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur. 2. De commissie van deskundigen brengt zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak. 3. De commissie van deskundigen zendt het ontwerp van haar advies toe aan degene op wiens verzoek zij een onderzoek heeft ingesteld en aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders. Artikel 10.31 Indienen zienswijzen 1. Gedurende 6 weken na de verzending van het ontwerpadvies kunnen de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.30, derde lid, schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen bij de commissie van deskundigen. De commissie stelt degenen die een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid hun zienswijze in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor een of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen. 2. Van hetgeen op de zitting, bedoeld in het eerste lid, naar voren wordt gebracht wordt een verslag gemaakt. 3. Indien zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies al dan niet gewijzigd vast en zendt dat gelijktijdig met het verslag van de hoorzitting en haar beschouwingen omtrent de zienswijzen toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.30, derde lid. 4. Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies binnen 4 weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, vast en zendt dat toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.30, derde lid. 5. De in het derde en vierde lid genoemde stukken worden tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten en, in geval het verzoek, bedoeld in 7.14, eerste lid, van de Waterwet, verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur. Hoofdstuk 11 Gereserveerd Hoofdstuk 12 Wegen Paragraaf 12.1 Algemene bepalingen Artikel 12.1 Definitie In dit hoofdstuk wordt verstaan onder wegen: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet, met inbegrip van verhardingen, bermen, glooiingen en bermsloten, met alle bijbehorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen. Artikel 12.2 Toepassing 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op wegen in beheer bij de provincie Drenthe en tevens op situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is. 2. Op de bij deze verordening behorende kaart A zijn deze wegen aangegeven. Paragraaf 12.2 Bepalingen inzake instandhouding en dergelijke Artikel 12.3 Bescherming 1. Dit hoofdstuk kan mede strekken ter bescherming van ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen. 2. Gedeputeerde Staten kunnen ten behoeve van de in het eerste lid genoemde belangen nadere regels stellen. 3. De geboden en verboden worden voor zover noodzakelijk aangegeven door middel van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Artikel 12.4 Dijken 1. Provinciale Staten stellen de afmetingen vast van de dijken met een waterkerende functie. 2. Gedeputeerde Staten dragen zorg voor de handhaving van deze afmetingen. Paragraaf 12.3 Gebods- en verbodsbepalingen Artikel 12.5 Bevoegd gezag Waar in dit hoofdstuk sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld: 1. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 12.8 van deze verordening: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag. 2. in alle andere gevallen: Gedeputeerde Staten Artikel 12.6 Verboden handelen of nalaten 1. Het is verboden zodanig te handelen of na te laten: a. dat aan wegen schade wordt of kan worden toegebracht; b. dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van wegen in de ruimste zin wordt of kan worden belemmerd of belet. 2. De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is. Artikel 12.7 Verboden werk of beplanting 1. Het is verboden enig werk aan te brengen, te hebben of te wijzigen, beplantingen aan te brengen of te hebben binnen een dusdanige afstand uit de grens van de weg, indien daardoor het vrije zicht op de weg zodanig wordt belemmerd dat daardoor de verkeersveiligheid in het gedrang komt of kan komen. 2. De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is. Artikel 12.8 Verbod handelen zonder omgevingsvergunning Als verbod om te handelen zonder omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden aangemerkt de verboden als bedoeld in artikel 12.7 voor zover er sprake is van: a. het aanleggen van een weg of veranderingen te brengen in de aanleg van een weg; b. het maken van een uitweg of deze te veranderen; c. het als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met b

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.