← Nederland

Leidraad invordering GBTwente 2024 (Gemeenschappelijke Regeling Gemeentelijk Belastingkantoor Twente)

Kort samengevat

Deze leidraad beschrijft de regels en procedures voor de invordering van belastingen door GBTwente, met aanpassingen die per 1 januari 2024 of 1 juli 2024 zijn ingegaan. Het doel is om het invorderingsproces te stroomlijnen en aan te passen aan de huidige praktijk.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Leidraad invordering GBTwente 2024Voorstel voor het dagelijks bestuur van GBTwente Van De secretaris van GBTwente Vergaderdatum 25 oktober 2024 Onderwerp Vaststellen leidraad invordering GBTwente Voorstel Vaststellen van de leidraad invordering GBTwente 2024 met terugwerkende kracht vanaf in beginsel 1 januari 2024, tenzij in het overzicht van de wijzigingen staat aangegeven dat het betreffende artikel een andere ingangsdatum heeft. Toelichting De leidraad invordering GBTwente 2024 is in mei 2024 in z’n geheel doorgenomen en aangepast naar het huidige invorderingsproces. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de Model Leidraad Invordering van de VNG. Bij sommige artikelen wordt door GBTwente echter maatwerk verleend, zoals bijvoorbeeld bij het artikel over de betalingsherinnering (artikel 10.4). Een overzicht van de wijzigingen treft u aan in de bijlage. De voorgestelde wijzigingen van de VNG per 1 mei 2024 en per 1 juli 2024 zijn eveneens meegenomen bij deze aanpassingen. Bijlage

  1. Overzicht wijzigingen;
  2. Leidraad invordering GBTwente
  3. Besluit Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Gemeentelijk Belastingkantoor Twente stelt de Leidraad invordering GBTwente 2024 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 vast, tenzij in het overzicht van de wijzigingen staat aangegeven dat het betreffende artikel een andere ingangsdatum heeft. OndertekeningSecretaris,De heer J.A.G. Cloosterman………………………………….Voorzitter, Mevrouw E. Zinkweg-Ankone…………………………………….Bijlage1overzicht wijzigingen Bestaande tekst Nieuwe tekst Korte toelichting 1.12 Bewaren invorderingsbescheiden (1.1.11) De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard. De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. 1.1.11 Bewaren invorderingsbescheiden De invorderingsambtenaar bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende zeven jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard. De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste zeven jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste zeven jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Termijn is aangepast naar drie jaar i.p.v. zeven jaar conform de Model Leidraad Invordering. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  4. 5.1 Tijdstip betaling (7.1) Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de bankrekening van GBTwente. Bij betaling bij een bank of betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of pin-transactie. Bij rechtstreekse betaling aan GBTwente door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling; Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik. - Ten kantore van GBTwente is geen contante betaling mogelijk. Wel is contante betaling mogelijk aan het kasloket van de gemeente zelf. - Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling. - Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van betaling. 7.1 Tijdstip betaling - Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van GBTwente; Bij betaling bij een bank of betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of pin-transactie. Bij rechtstreekse betaling aan de gemeente of GBTwente door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling; - Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de invorderingsambtenaar constateert dat sprake is van misbruik; - Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling; - Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van betaling. Toegevoegd: ten kantore van GBTwente is geen betaling mogelijk. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  5. 5.2 De afboeking van de betaling (7.2) Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven, worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen. Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen), worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken. De ontvanger stuurt de belastingschuldige geen kennisgeving en/of specificatie (mededeling afboeking) om hem op de hoogte te brengen van de verwerking van de ongerichte betaling. De afboeking van de betaling Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen: - Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt in overeenstemming met de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen; - Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslag, op de aanslag waarbij de belastingschuldige het meeste belang heeft c.q. op de meest bezwarende aanslag, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken; - Als de invorderingsambtenaar ook de invordering van gemeentelijke belastingen ten behoeve van een andere gemeente uitvoert, is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verdeling van de gelden naar rato van de grootte van de belastingschuld plaatsvindt. Bij geen op aanslag gerichte betaling dienen we conform de oude leidraad ponds ponds gewijs te verdelen. Dat doen we niet uit praktisch oogpunt. In dat geval zouden we namelijk verplicht zijn een afboekbeschikking te versturen om te vermelden hoe we de betaling hebben afgeboekt. Dit doen we niet. Daarom is deze passage ter vervanging opgenomen. We hebben nu vastgelegd hoe we het daadwerkelijk uitvoeren. Dit is vrij in te vullen. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  6. 7.2 Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan (8.2) De wijze van bekendmaking van de belastingaanslag, bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wet, is ter beoordeling van de ontvanger. Bij deze beoordeling kunnen onder andere de volgende factoren een rol spelen: - het recht waarnaar de rechtspersoon is opgericht; - het belang van een snelle bekendmaking in verband met vrees voor onverhaalbaarheid. 8.2 Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan Als een rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan, is de wijze van bekendmaking van de belastingaanslag ter beoordeling aan de ontvanger. Bij deze beoordeling kunnen onder andere de volgende factoren een rol spelen: - het recht waarnaar de rechtspersoon is opgericht; - het belang van een snelle bekendmaking in verband met de vrees voor onverhaalbaarheid. Wijziging conform Model leidraad invordering met terugwerkende kracht vanaf 01-07-2024 10.4 Betalingsherinnering (11.5) Van toepassing voor de verschuldigde belastingen van de gemeente Almelo, Bronckhorst. Enschede, Hengelo en Twenterand: Als de belastingschuldige na de vervaldatum van de betaaltermijn(en) van het belastingaanslagbiljet, de verschuldigde belasting niet volledig heeft voldaan zal, ongeacht de hoogte van het verschuldigde bedrag, zonder voorafgaande betalingsherinnering of waarschuwing, een aanmaning tot betaling worden verstuurd. Van toepassing voor de verschuldigde belastingen van de gemeente Berkelland, Borne, Haaksbergen, Losser en Oldenzaal: Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger de belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden. Voor de belastingschuldige die wel het bedrag van de belasting betaalt maar niet de in rekening gebrachte invorderingsrente, wordt tot het versturen van een aanmaning overgegaan. Alleen als het niet aan de belastingschuldige is te verwijten dat niet tijdig is voldaan wordt het bedrag aan in rekening gebrachte invorderingsrente en/of vervolgingskosten buiten invordering gelaten. 11.5 Betalingsherinnering GBTwente maakt geen gebruik van een schriftelijke (kostenloze) betalingsherinnering. Aangepast naar de huidige werkwijze. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  7. 12.3 Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder (13.2) Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv. Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal bereiken. Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van GBTwente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. 13.2 Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv. Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal bereiken. Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de invorderingsambtenaar van een andere gemeente. Adres van GBTwente i.p.v. de gemeente. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  8. 13.5.2 Bankbeslag en energietoeslag (14.4.1b) Als de ontvanger bankbeslag legt ten laste van een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Pw, een energietoeslag heeft ontvangen, geldt het volgende. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de ontvanger het door de bank op het bankbeslag afgedragen bedrag terug, tot maximaal het bedrag ter hoogte van het na de laatste eindafrekening van de energiekosten ontvangen toeslag (dit bedrag moet namelijk worden aangewend voor de eerstvolgende eindafrekening van de energiekosten). 14.4.1b Bankbeslag en energietoeslag Als de ontvanger bankbeslag legt ten laste van een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Participatiewet, een energietoeslag heeft ontvangen, geldt het volgende. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de ontvanger het door de bank op het bankbeslag afgedragen bedrag terug, tot maximaal het bedrag van de ontvangen energietoeslag. Tekstueel concreter toegelicht. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  9. 13.5.9 Toepassing 5%-regeling (14.4.5c) De ontvanger past de zogeheten 5% regeling, bedoeld in artikel 475dc Rv, in beginsel niet toe bij het leggen van derdenbeslag. De ontvanger past die regeling alleen toe als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de wet en artikel 19.1.7 of als de ontvanger van mening is dat de belangen van GBTwente worden geschaad als hij de 5%-regeling niet toepast. 14.4.5c Toepassing 5%-regeling Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. Nieuw toegevoegd om de mogelijkheid op grond van artikel 475 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering te creëren. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  10. 15.1.6 Doorbreken beslagverboden en vordering (19.1.6) Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het vereenvoudigd beslag op vorderingen van de belastingschuldige op derden) bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te negeren. De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding van het bijzondere karakter daarvan. De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een tiende deel van het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor beslag. De ontvanger zal de zogeheten 5% regeling niet gelijktijdig toepassen met de regeling, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet. 19.1.6 Doorbreken beslagverboden en vordering Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het vereenvoudigd beslag op vorderingen van de belastingschuldige op derden) bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te negeren. Van deze mogelijkheid maakt de invorderingsambtenaar alleen gebruik als de belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een notoire wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid, van de wet. De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding van het bijzondere karakter daarvan. De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een tiende deel van het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor beslag. Wijziging conform de Model leidraad invordering met terugwerkende kracht vanaf 01-07-
  11. 15.1.7 Toepassing 5%-regeling (19.1.6a) De ontvanger past de zogeheten 5%-regeling, bedoeld in artikel 475dc Rv, in beginsel niet toe bij het doen van een vordering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet. De ontvanger past die regeling alleen toe als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de wet en artikel 19.1.7 of als hij van mening is dat de belangen van GBTwente worden geschaad als hij de 5%-regeling niet toepast. 19.1.6a Toepassing 5%-regeling Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. Nieuw toegevoegd om de mogelijkheid op grond van artikel 475 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering te creëren. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  12. 15.6 Vordering en energietoeslag (19.6) Als de ontvanger bij een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Pw, een energietoeslag heeft ontvangen, een overheidsvordering doet of een betalingsvordering doet, geldt het volgende. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de ontvanger het daarop afgedragen bedrag terug, tot maximaal het na de laatste eindafrekening van de energiekosten ontvangen toeslag (dit bedrag moet namelijk worden aangewend voor de eerstvolgende eindafrekening van de energiekosten). 19.6 Vordering en energietoeslag Als de ontvanger bij een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Participatiewet, een energietoeslag heeft ontvangen, een overheidsvordering doet of een betalingsvordering doet, geldt het volgende. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de ontvanger het daarop afgedragen bedrag terug, tot maximaal het bedrag van de ontvangen energietoeslag. Tekstueel concreter toegelicht. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  13. 17.3 Reikwijdte van de verrekening (24.3) Ondanks het feit dat de wet én de Gemw daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te betalen bedragen niet automatisch verrekend met aanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Dit laat onverlet dat de ontvanger bevoegd is om in gevallen binnen de betalingstermijn te verrekenen. Als sprake is van automatische incassobetaling zal de ontvanger altijd tot verrekening overgaan. 24.3 Reikwijdte van de verrekening Uit te betalen bedragen worden ook automatisch verrekend met aanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen, kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen. Grotendeels de tekst van de Model Leidraad invordering weer overgenomen. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  14. 18.1.13 Verzoekschriften aan andere instellingen (25.1.15) De ontvanger houdt de invordering aan als een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college of de (gemeentelijke) Ombudsman tot op dat verzoekschrift is beslist. Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente c.q. GBTwente worden geschaad, kan de ontvanger, na voorafgaande toestemming van het college, toch invorderingsmaatregelen treffen. Verzoekschriften aan andere instellingen De invorderingsambtenaar houdt de invordering aan als een verzoekschrift is ingediend bij het college van burgemeester en wethouders en/of de gemeenteraad van de deelnemende gemeente, de Overijsselse of Nationale ombudsman. Als naar het oordeel van de invorderingsambtenaar aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad, kan de invorderingsambtenaar na voorafgaande toestemming van het dagelijks bestuur toch invorderingsmaatregelen treffen. Wijziging conform Model leidraad invordering met terugwerkende kracht vanaf 01-07-
  15. 18.5.1 Duur betalingsregeling particulieren (25.5.1) De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een periode van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat. Als voor de belastingschuld waarvoor om uitstel van betaling wordt verzocht, al uitstel van betaling op grond van artikel 25.5.3 (nr. in koptekst van deze leidraad) is genoten, is de maximale looptijd van de betalingsregeling twaalf maanden, gerekend vanaf de datum waarop de betalingsregeling op grond van artikel 25.5.3 (nr. in koptekst van deze leidraad) is toegekend. Slechts als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan hij de belastingschuldige een langere termijn gunnen dan twaalf maanden. Indien uit het verzoek om uitstel blijkt dat de belastingschuldige over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Artikel 26.1.2 (nr. in koptekst van deze leidraad) is in deze situatie niet van toepassing indien en voor zover de belastingschuldige gebruik maakt van het daartoe ingestelde verzoekformulier voor uitstel van betaling en hij dit formulier volledig invult. 25.5.1 Duur betalingsregeling particulieren De invorderingsambtenaar verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een periode van ten hoogste tien maanden, te rekenen vanaf de dagtekening van de aanslag. Slechts als er volgens de invorderingsambtenaar bijzondere omstandigheden zijn, kan hij de belastingschuldige een langere termijn gunnen dan tien maanden. Duur van 10 maanden gewijzigd in 12 maanden conform Model Leidraad Invordering + nadere toelichting. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  16. 18.5.3 Kort uitstel particulieren (25.5.3) Op schriftelijk of telefonisch verzoek kan zonder nader onderzoek een betalingsregeling worden getroffen met een looptijd tot maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag, als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: a. De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan € 20.
  17. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend; b. Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend; c. De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor een dwangbevel met bevel tot betaling is betekend. 25.5.3 Kort uitstel particulieren Op schriftelijk verzoek kan zonder nader onderzoek een betalingsregeling worden getroffen met een looptijd tot maximaal tien maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag, als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: a. De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan € 20.
  18. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend; b. Gereserveerd; c. Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend; d. Gereserveerd; e. De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor een hernieuwd bevel van betaling is betekend door de belastingdeurwaarder; f. Belastingschuldige heeft opgaaf gedaan van uitkering- of werkgeversgegevens. Telefonisch verzoek is ook mogelijk conform Model Leidraad Invordering. Termijn betalingsregeling verkort naar maximaal vier maanden i.p.v. 10 maanden conform Model Leidraad Invordering. Voorwaarde c: dwangbevel i.p.v. hernieuwd bevel. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  19. 18.5.7 Correctie vaststellen nettowoonlasten (25.5.6a) Bij het vaststellen van de nettowoonlasten, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling, vermindert de ontvanger het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met € 37,
  20. 25.5.6a - Nieuw toegevoegd conform Model Leidraad Invordering met terugwerkende kracht vanaf 01-05-
  21. 18.6.1 Duur betalingsregeling ondernemers (25.6.1) Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden. De betalingsregeling heeft een looptijd van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat. Als voor de belastingschuld waarvoor om uitstel van betaling wordt verzocht, al uitstel van betaling op grond van artikel 25.6.2d (nr. in koptekst van deze leidraad) is genoten, is de maximale looptijd van de betalingsregeling twaalf maanden, gerekend vanaf de datum waarop de betalingsregeling op grond van artikel 25.6.2d (nr. in koptekst van deze leidraad) is toegekend. 25.6.1 Duur betalingsregeling ondernemers Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de invorderingsambtenaar rekening met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden. De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van tien maanden niet te boven gaan, gerekend vanaf de (laatste) vervaldag van de belastingaanslag. Looptijd betalingsregeling 12 maanden i.p.v. 10 maanden conform de Model Leidraad Invordering. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  22. 19.1.3 Kwijtschelding van betaalde belastingschulden (26.1.1) De ontvanger verleent ook kwijtschelding van belastingaanslagen die al zijn betaald, als aan de volgende voorwaarden is voldaan: - De belastingschuldige dient het verzoek om kwijtschelding in binnen drie maanden nadat de (laatste) betaling op de belastingaanslag heeft plaatsgevonden; - De belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daar eerder om had verzocht. Als de ontvanger het verzoek voor toewijst, verleent de ontvanger kwijtschelding voor het nog te betalen belastingbedrag en voor het bedrag dat op de belastingaanslag in de periode van drie maanden voorafgaand aan de datum van indiening van het verzoekschrift is voldaan. 26.1.1 Kwijtschelding van betaalde belastingschulden De invorderingsambtenaar verleent ook kwijtschelding van bedragen die op belastingaanslagen zijn betaald, als aan de volgende voorwaarden is voldaan: de belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daar eerder om had verzocht en de belastingaanslag is opgelegd in het kalenderjaar waarin het verzoek om kwijtschelding is ontvangen. voor zover de aanslag is opgelegd in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het verzoek om kwijtschelding is ontvangen, wordt uitsluitend kwijtschelding verleend voor hetgeen nog niet op de aanslag is betaald. Eerste alinea: Wijziging conform de Model Leidraad Invordering. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  23. 19.1.4 Het indienen van een verzoek om kwijtschelding (26.1.2) Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend bij de ontvanger op een daartoe ingesteld verzoekformulier. Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar dit niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het verzoek niet als zodanig in behandeling. De ontvanger stelt de belastingschuldige in dat geval in de gelegenheid het verzoek alsnog binnen twee weken op het daartoe bestemde formulier in te dienen. In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als de belastingschuldige het formulier niet terugzendt, wijst de ontvanger het verzoek af. 26.1.2 Het indienen van een verzoek om kwijtschelding Het verzoek om kwijtschelding dient binnen twee maanden na dagtekening van de aanslag te zijn ingediend bij de invorderingsambtenaar op een daartoe ingesteld verzoekformulier. Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar dit niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de invorderingsambtenaar het verzoek niet als zodanig in behandeling. De ontvanger stelt de belastingschuldige in dat geval in de gelegenheid het verzoek alsnog binnen twee weken op het daartoe bestemde formulier in te dienen. In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als de belastingschuldige het formulier niet terugzendt, wijst de invorderingsambtenaar het verzoek af. Binnen twee maanden verwijderd uit de tekst conform Model Leidraad Invordering. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  24. 19.1.12 Verzoekschriften aan andere instellingen (26.1.11) De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij het college, de raad of de (gemeentelijke) Ombudsman tot op dat verzoekschrift is beslist. Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van GBTwente worden geschaad, kan de ontvanger, na voorafgaande toestemming van het college, toch invorderingsmaatregelen treffen. 26.1.11 Verzoekschriften aan andere instellingen De invorderingsambtenaar houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij het college van burgemeester en wethouders en/of de gemeenteraad van de deelnemende gemeente, de Provinciale of Nationale ombudsman. Als naar het oordeel van de invorderingsambtenaar aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad, kan de invorderingsambtenaar na voorafgaande toestemming van het dagelijks bestuur toch invorderingsmaatregelen treffen. Wijziging conform Model leidraad invordering met terugwerkende kracht vanaf 01-07-
  25. 19.2.2 Het bezit van een motorvoertuig en kwijtschelding particulieren (26.2.3) De waarde van een motorvoertuig (auto, motorfiets, scooter) wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 3.350 of minder. Onder waarde wordt verstaan de prijs die de auto- of motorhandel bereid is te betalen bij inkoop zonder gelijktijdige verkoop van een ander motorvoertuig. Voor de bepaling van de waarde van een auto wordt zoveel als mogelijk de veilingwaarde (executiewaarde) aan de hand van de koerslijst van de ANWB gehanteerd. Deze richtprijs geeft een indicatie van het bod dat de belastingschuldige kan verwachten als hij de auto aanbiedt via een (online) veiling. Uitgaande van een schadevrije auto in een goede conditie is dit een normaal bod. Voor motorfietsen bestaat geen motorfietskoerslijst met veilingwaarde, zoals dat voor auto's bestaat. De waarde van een motofiets wordt vastgesteld aan de hand van een indicatie vanuit de markt. Als de waarde meer dan € 3.350 bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op het motorvoertuig voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht. Een passend motorvoertuig wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als de belastingschuldige aan de ontvanger aannemelijk maakt dat het motorvoertuig absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige als bedoeld in artikel 3 Pw, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald. Toetsing van de onmisbaarheid voor de uitoefening van het beroep in beginsel aan de hand van een werkgeversverklaring. Toetsing van de onmisbaarheid in verband met ziekte of invaliditeit in beginsel aan de hand van een kopie van de invalidenparkeerkaart en/of een kopie van een beschikking over kilometervergoeding en/of overeenkomst met de bedrijfsvereniging en/of een verklaring van een arts (niet zijnde de huisarts of behandelend specialist). De onmisbaarheid kan ook aannemelijk worden gemaakt door het feit dat de auto niet met eigen middelen is voldaan maar is betaald/gefinancierd/geleased door de Gemeentelijke Sociale Dienst of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. 26.2.3 Motorvoertuig en kwijtschelding particulieren De waarde van een motorvoertuig wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 3.350 of minder. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op het motorvoertuig voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht. Een motorvoertuig wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als de belastingschuldige aan de invorderingsambtenaar - zo nodig na een verzoek daartoe - aannemelijk kan maken dat dat motorvoertuig absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit het motorvoertuig in beginsel zou kunnen worden betaald. Wijziging conform de Model Leidraad Invordering + toelichting hierop. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  26. 19.2.7 Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren (26.2.10) Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen aanwezig zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet worden beoordeeld in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende is om de belastingaanslag te voldoen. De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van zijn echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. De vaststelling van het totale netto besteedbaar inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht. Bij het vaststellen van de nettowoonlasten, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling, vermindert de ontvanger het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met € 37,
  27. De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, voor schulden van de belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die betrekking hebben op de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen en de betalingscapaciteit van de echtgenoot van belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voor zover een door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan buiten de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval het normbedrag voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder (zie artikel 16 van de regeling). 26.2.10 Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen aanwezig zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet worden beoordeeld in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende is om de belastingaanslag te voldoen. De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van zijn echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. De vaststelling van het totale netto besteedbaar inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht. De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, voor schulden van de belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die betrekking hebben op de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen en de betalingscapaciteit van de echtgenoot van belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voor zover een door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan buiten de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval het normbedrag voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder (zie artikel 16 van de regeling). Conform Model Leidraad Invordering met terugwerkende kracht vanaf 01-05-
  28. 19.2.9 Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren (26.2.12) Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS VO-18+). Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt voor zover van toepassing rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de één-oudertoeslag. De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair bedrag. A. Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 86 (01-01-2024). B. Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 66 (01-01-2024) en met het bedrag aan onderwijsretributie. Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals hiervoor berekend onder A en B. Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen inkomsten uitstijgen boven de voor het desbetreffende huishoudtype maximaal geldende kosten van bestaan wordt om de betalingscapaciteit te kunnen berekenen de navolgende formules gebruikt: Formule 1: (P + Q) – R – S = X In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de eigen inkomsten wordt aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de kwijtschelding geldende normbudget voor levensonderhoud. Het in mindering te brengen bedrag van de daadwerkelijk ontvangen lening van de IB-groep wordt aangeduid met S. De uitkomst van deze berekening wordt aangegeven met X, met dien verstande dat X altijd tenminste nul bedraagt. Formule 2: X + Y = T In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan inkomsten van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het resultaat van de berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is het inkomen (T). Dit inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het netto-besteedbaar inkomen te kunnen berekenen en de betalingscapaciteit. In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing. 26.2.12 Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS VO-18+ ). Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt voor zover van toepassing rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de één-oudertoeslag. De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair bedrag. A. Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot €
  29. B. Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 60 en met het bedrag aan onderwijsretributie. Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals hiervoor berekend onder A en B. Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen inkomsten uitstijgen boven de voor het desbetreffende huishoudtype maximaal geldende kosten van bestaan wordt om de betalingscapaciteit te kunnen berekenen de navolgende formules gebruikt: Formule 1: (P + Q) – R – S = X In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de eigen inkomsten wordt aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de kwijtschelding geldende normbudget voor levensonderhoud. Het in mindering te brengen bedrag van de daadwerkelijk ontvangen lening van de IB-groep wordt aangeduid met S. De uitkomst van deze berekening wordt aangegeven met X, met dien verstande dat X altijd tenminste nul bedraagt. Formule 2: X + Y = T In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan inkomsten van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het resultaat van de berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is het inkomen (T). Dit inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het netto-besteedbaar inkomen te kunnen berekenen en de betalingscapaciteit. In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is wat in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing. Bedragen zijn aangepast conform Model Leidraad Invordering. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  30. 19.2.16 Normpremie zorgverzekering begrepen in de bijstandsuitkering (26.2.19) De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 42 (01-01-2024) per maand en voor echtgenoten € 95 (01-01-2024) per maand. 26.2.19 Normpremie zorgverzekering begrepen in de bijstandsuitkering De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 3 per maand en voor echtgenoten € 50 per maand. Tarieven aangepast conform Model Leidraad Invordering. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  31. 19.3 Kwijtschelding van privébelastingen belastingen voor ondernemers (26.3) Voor natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen, is voor bepaalde gemeentelijke belastingen die geen verband houden met de uitoefening van dat bedrijf of beroep, de kwijtscheldingsbepalingen van natuurlijke personen van overeenkomstige toepassing. De beoordeling vind plaats op basis van de betalingscapaciteit en het aanwezige vermogen voor natuurlijke personen met inkomen uit loon, uitkering etc. Dit in plaats van het zogenoemde (algemene) crediteurenakkoord c.q. saneringsakkoord. Bij de beoordeling van het netto-inkomen wordt uitgegaan van de aangifte inkomstenbelasting/pvv van het kalenderjaar waarin het verzoek om kwijtschelding is ingediend. Bij de beoordeling van het vermogen (aan de hand van de verlies- en winstrekening) wordt het noodzakelijke bedrijfsvermogen buiten beschouwing gelaten. 26.3 - Toelichting toegevoegd. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  32. 19.4.3 Beroepsfase kwijtschelding (26.4.3) Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen 14 dagen (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht. 26.4.3 Beroepsfase kwijtschelding Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, verzoekt de invorderingsambtenaar de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De invorderingsambtenaar wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht. Redelijke termijn is aangepast naar 14 dagen. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  33. 26.4.7 Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag (73.4.7) Als de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van de vordering van een derde als zogenoemde steunvordering, doet hij dit alleen als de derde schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben. 73.4.7 Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag Vervallen. Wijziging conform Model Leidraad Invordering. Wijziging met terugwerkende kracht vanaf 01-01-
  34. Bijlage2Leidraad invordering 2024 GBTwente Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (GBTwente) Versie 25-10-2024 INHOUD
  35. Opzet, afkortingen, definities, algemene uitgangspunten en toepassingsgebied 10 1.
  36. Opzet (Inleiding - nieuw/ aanvullend) 10 1.
  37. Lijst met gebruikte afkortingen (1.1.1) 10 1.
  38. Definities (1.1.2) 11 1.
  39. Aansprakelijkgestelden en andere derden (1.1.4) 11 1.
  40. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur (1.1.5) 12 1.
  41. Toepassing artikel 4:84 Awb (1.1.5a) 13 1.
  42. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen (1.1.6) 13 1.
  43. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven (1.1.7) 13 1.
  44. Voor de invordering minder geschikte dagen (1.1.8) 13 1.
  45. Binnenkomst van bescheiden (1.1.9) 14 1.
  46. Positie belastingdeurwaarder (1.1.10) 14 1.
  47. Bewaren invorderingsbescheiden (1.1.11) 15 1.
  48. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen (1.1.12) 15 1.
  49. Informatieplicht (1.1.13) 15 1.
  50. Diplomatieke status (1.1.14) 16 1.
  51. Toepassingsgebied van deze beleidsregels (1.2) 16 1.
  52. Begrip woonplaats (2.1) 16
  53. Bevoegdheden ontvanger (artikel 3) 16 2.
  54. Fiscale en civiele bevoegdheden (3.1) 16 2.
  55. Conservatoir beslag (3.2) 17 2.2.
  56. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering (3.2.1) 17 2.2.
  57. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag (3.2.2) 17 2.
  58. Gerechtelijke procedures – toestemming (3.3) 17
  59. Bevoegdheid belastingdeurwaarder (artikel 4) 18
  60. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet (artikel 6) 18
  61. Betaling en afboeking (artikel 7) 18 5.
  62. Tijdstip betaling (7.1) 19 5.
  63. De afboeking van de betaling (7.2) 19 5.
  64. Teveelbetaling (7.3) 19 5.
  65. Rente en kosten bij afboeking betalingen (7.4) 19 5.
  66. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen (7.5) 20 5.
  67. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden (7.7) 20 5.
  68. Betaling bij vergissing (7.8) 20 5.
  69. Geen mededeling verwerking financiële mutatie (Mededeling afboeking betaling 7.9) 20
  70. Uitbetaling van belastingbedragen (artikel 7a) 21
  71. Bekendmaking aanslag (artikel 8) 21 7.
  72. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties (8.1) 22 7.
  73. Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan (8.2) 22 7.
  74. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet (8.3) 22 7.
  75. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag (8.4) 22
  76. Betalingstermijnen (artikel 9) 22 8.
  77. Dagtekening aanslagbiljet (9.4) 23 8.
  78. Begrippen bij betalingstermijnen (9.5) 23 8.
  79. Verzuim ontvanger bij uitbetaling (9.6) 23 8.
  80. Automatische incasso (9.8) 23
  81. Versnelde invordering (artikel 10) 24 9.
  82. Reikwijdte versnelde invordering (10.1) 24 9.
  83. Vrees voor verduistering en versnelde invordering (10.2) 24 9.
  84. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering (10.3) 25 9.
  85. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering (10.4) 25 9.
  86. Beslag en versnelde invordering (10.5) 25 9.
  87. Verkoop namens derden en versnelde invordering (10.6) 25 9.
  88. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering (10.7) 25
  89. Aanmaning (artikel 11) 26 10.
  90. De geadresseerde van de aanmaning (11.1) 26 10.
  91. Aanmaning ten onrechte verzonden (11.2) 26 10.
  92. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning (11.4) 26 10.
  93. Betalingsherinnering (11.5) 27 10.
  94. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg (11.6) 27
  95. Dwangbevel (artikel 12) 27 11.
  96. Onderwerp van het dwangbevel (12.1) 27 11.
  97. Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel (12.2) 28
  98. Betekening van het dwangbevel (artikel 13) 28 12.
  99. Betekening dwangbevel per post (13.1) 28 12.
  100. Adressering van per post betekende dwangbevelen (13.1.1) 29 12.
  101. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder (13.2) 29 12.
  102. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel (13.3) 29
  103. Tenuitvoerlegging van het dwangbevel (artikel 14) 30 13.
  104. Algemene regels over tenuitvoerleggingregelen (14.1) 30 13.1.
  105. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging (14.1.2) 30 13.1.
  106. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden (14.1.3) 30 13.1.
  107. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden (14.1.7) 31 13.1.
  108. Opheffing beslag tegen betaling door een derde (14.1.8) 31 13.1.
  109. Opschorten van de executie (14.1.9) 31 13.1.
  110. Strafrechtelijk beslag (14.1.12) 31 13.1.
  111. Invordering en ontnemingswetgeving (14.1.13) 31 13.
  112. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn (14.2) 32 13.2.
  113. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken (14.2.1) 32 13.2.
  114. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken (14.2.2) 32 13.2.
  115. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken (14.2.3) 32 13.2.
  116. Omvang van het beslag op roerende zaken (14.2.4) 32 13.2.
  117. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken (14.2.6) 33 13.2.
  118. Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken (14.2.7) 33 13.2.
  119. Beslag roerende zaken bij derden (14.2.8) 33 13.2.
  120. Wegvoeren van beslagen zaken (14.2.9) 34 13.2.
  121. Afsluiting en beslag roerende zaken (14.2.11) 34 13.2.
  122. Bewaarder en beslag roerende zaken (14.2.12) 34 13.2.
  123. Executoriale verkoop computerapparatuur (14.2.13) 35 13.2.
  124. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken (14.2.14) 35 13.2.
  125. Beslag op illegale zaken (14.2.15) 35 13.2.
  126. Bieden voor rekening van GBTwente en beslag roerende zaken (14.2.16) 36 13.2.
  127. Opheffing van het beslag op roerende zaken (14.2.17) 36 13.2.
  128. Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken (14.2.18) 36 13.2.
  129. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken (14.2.19) 36 13.2.
  130. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken (14.2.20) 37 13.
  131. Administratief beslag op motorrijtuigen en aanhangwagens (14.2a) 37 13.
  132. Beslag op onroerende zaken (14.3) 37 13.4.
  133. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken (14.3.1) 37 13.4.
  134. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken (14.3.2) 37 13.4.
  135. Verhuurde of verpachte onroerende zaken (14.3.3) 37 13.4.
  136. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken (14.3.4) 38 13.4.
  137. Opheffing van het beslag onroerende zaken (14.3.5) 38 13.
  138. Beslag onder derden (14.4) 38 13.5.
  139. Beslag op vordering van een derde (14.4.1) 38 13.5.
  140. Bankbeslag en energietoeslag (14.4.1b) 38 13.5.
  141. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 (14.4.2) 39 13.5.
  142. Roerende zaken bij derden (14.4.3) 39 13.5.
  143. Plaats beslaglegging en derdenbeslag (14.4.4) 39 13.5.
  144. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt (14.4.5) 39 13.5.
  145. Derdenbeslag en kosten van levensonderhoud (14.4.5a) 39 13.5.
  146. Vrij te laten bedrag en beslag onder derden bij geen adres in Nederland (14.4.5b) 40 13.5.
  147. Toepassing 5%-regeling (14.4.5c) 40 13.5.
  148. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente (14.4.9) 40 13.5.
  149. Retentierecht en derdenbeslag (14.4.10) 41 13.5.
  150. Opheffing van het derdenbeslag (14.4.11) 41 13.5.
  151. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag (14.4.12) 41 13.5.
  152. Derdenbeslag onder de gemeente, de Staat, de ontvanger of een openbaar lichaam en het doen van verklaring (14.4.13) 41 13.
  153. Beslag op schepen (14.5) 41 13.6.
  154. Beletten van het vertrek van het schip (14.5.1) 41 13.6.
  155. De executie van schepen (14.5.2) 42 13.6.
  156. Afgelasting van de verkoop van een schip (14.5.3) 42 13.6.
  157. Deskundige hulp en beslag op schepen (14.5.4) 42 13.6.
  158. Opheffing van het beslag op schepen (14.5.5) 42
  159. Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel (artikel 17) 43
  160. Doen van een vordering (artikel 19) 43 15.
  161. Vordering algemeen (19.1) 43 15.1.
  162. Bekendmaking vordering (19.1.1) 43 15.1.
  163. Voldoen aan de vordering (19.1.2) 44 15.1.
  164. Niet voldoen aan de vordering (19.1.3) 44 15.1.
  165. Intrekken van een vordering (19.1.4) 44 15.1.
  166. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering (19.1.5) 44 15.1.
  167. Doorbreken beslagverboden en vordering (19.1.6) 44 15.1.
  168. Toepassing 5%-regeling (19.1.6a) 45 15.1.
  169. Notoire wanbetaler en vordering (19.1.7) 45 15.1.
  170. Vordering ten laste van de echtgenoot (19.1.8) 45 15.
  171. De faillissementsvordering (19.2) 45 15.2.
  172. Aan te melden schulden in faillissement (19.2.1) 45 15.2.
  173. Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in faillissement (19.2.2) 46 15.2.
  174. Opkomen in faillissement (19.2.3) 46 15.
  175. Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen (19.3) 46 15.3.
  176. Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen (19.3.1) 46 15.3.
  177. Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen (19.3.2) 47 15.3.
  178. Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen (19.3.3) 47 15.3.
  179. Beslagvrije voet voor belastingschuldige zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland (19.3.4) 47 15.3.
  180. Belastingschuldige woont in buitenland en beslagvrije voet (19.3.5) 47 15.3.
  181. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm (19.3.7) 48 15.3.
  182. Toepassing beslagvrije voet bij AOW-gerechtigden (19.3.9) 48 15.
  183. De overheidsvordering (19.4) 48 15.
  184. Vrij te laten bedrag en betalingsvordering bij geen adres in Nederland (19.5) 49 15.
  185. Vordering en energietoeslag (19.6) 49
  186. Derden die de eigendom pretenderen van inbeslaggenomen zaken (Bodemrecht artikel 22) 49 16.
  187. Algemeen (Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht - 22.1) 49 16.
  188. Overbetekening (Bodembeslag) aan derde van het beslag (22.3) 50 16.
  189. Verzet en beroep door derde tegen beslag (22.8) 50
  190. Verrekening (artikel 24) 52 17.
  191. Wanneer verrekening (24.1) 52 17.
  192. Betwiste schuld en verrekening (24.2) 52 17.
  193. Reikwijdte van de verrekening (24.3) 52 17.
  194. Bekendmaking verrekening (24.4) 53 17.
  195. Instemmingsregeling bij cessie en verpanding (24.6) 53 17.5.
  196. Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding (24.6.1) 53 17.5.
  197. Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen (24.6.2) 53 17.5.
  198. Instemming of weigering met een cessie of verpanding (24.6.3) 53 17.5.
  199. Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb (24.6.4) 54 17.5.
  200. Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding (24.6.5) 54 17.5.
  201. Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding (24.6.6) 54
  202. Uitstel van betaling (artikel 25) 55 18.
  203. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid (25.1) 55 18.1.
  204. Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om uitstel (25.1.1) 55 18.1.
  205. Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling (25.1.2) 55 18.1.
  206. Redenen afwijzing verzoek om uitstel (25.1.3) 55 18.1.
  207. Redenen beëindigen uitstel (25.1.4) 56 18.1.
  208. Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn (25.1.5) 56 18.1.
  209. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel (25.1.6) 56 18.1.
  210. Geen invordering tijdens verleend uitstel (25.1.7) 57 18.1.
  211. Na (afwijzen) uitstel veertien dagen wachttijd (25.1.8) 57 18.1.
  212. Zekerheid bij uitstel (25.1.13) 57 18.1.
  213. Tijdstip indiening verzoek om uitstel (25.1.14) 57 18.1.
  214. Verzoekschriften aan andere instellingen (25.1.15) 58 18.
  215. Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag (25.2) 58 18.2.
  216. Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag (25.2.1) 58 18.2.
  217. Bezwaar- en beroepschrift geldt niet automatisch als verzoek om uitstel (25.2.2) 58 18.2.
  218. Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift (25.2.2a) 58 18.2.
  219. Nadere gegevens (25.2.2b) 59 18.2.
  220. De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling (25.2.3) 59 18.2.
  221. Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar (25.2.5) 59 18.2.
  222. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld (25.2.6) 59 18.2.
  223. Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar (25.2.7) 60 18.2.
  224. Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel (25.2.7a) 60 18.2.
  225. Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag (25.2.8) 60 18.2.
  226. Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag (25.2.9) 61 18.
  227. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag (25.3) 61 18.3.
  228. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragen (25.3.1) 61 18.3.
  229. Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel (25.3.2) 61 18.3.
  230. Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag (25.3.3) 61 18.3.
  231. Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag (25.3.4) 62 18.
  232. Uitstel in verband met betalingsproblemen (25.4) 62 18.4.
  233. Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen (25.4.1) 62 18.4.
  234. Verrekening tijdens een betalingsregeling (25.4.3) 62 18.4.
  235. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance (25.4.4) 62 18.
  236. Betalingsregeling voor particulieren (25.5) 63 18.5.
  237. Duur betalingsregeling particulieren (25.5.1) 63 18.5.
  238. Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren (25.5.2) 63 18.5.
  239. Kort uitstel particulieren (25.5.3) 64 18.5.
  240. Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren (25.5.4) 64 18.5.
  241. Vermogen en betalingsregeling particulieren (25.5.5) 64 18.5.
  242. Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren (25.5.6) 64 18.5.
  243. Correctie vaststellen nettowoonlasten (25.5.6a) 65 18.5.
  244. Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven (25.5.7) 65 18.5.
  245. Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden (25.5.8) 65 18.5.
  246. Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten (25.5.9) 65 18.5.
  247. Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor (25.5.10) 65 18.5.
  248. Betalingsregeling langer dan twaalf maanden (25.5.11) 66 18.
  249. Betalingsregeling voor ondernemers (25.6) 66 18.6.
  250. Duur betalingsregeling ondernemers (25.6.1) 66 18.6.
  251. Voorwaarden betalingsregeling ondernemers (25.6.2) 66 18.6.
  252. Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers (25.6.2a) 66 18.6.
  253. Verklaring derde deskundige (25.6.2b) 67 18.6.
  254. Kort uitstel van betaling voor ondernemers (25.6.2d) 67 18.6.
  255. Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers (25.6.3) 68 18.6.
  256. Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie (25.6.4) 68 18.
  257. Administratief beroep (25.7) 68 18.7.
  258. Toetsing uitstelbeschikking door het college (25.7.1) 68 18.7.
  259. Beroepsfase uitstel (25.7.2) 68 18.7.
  260. Beslissing college op beroepschrift bij uitstel (25.7.3) 68 18.7.
  261. Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel (25.7.4) 68 18.7.
  262. Beroep, bezwaar, of nieuw verzoek om uitstel van betaling bij de ontvanger (25.7.5) 69
  263. Kwijtschelding van belastingen (artikel 26) 69 19.
  264. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid (26.1) 69 19.1.
  265. Verruiming ten opzichte van de landelijke regeling (Nieuw/ aanvullend) 69 19.1.
  266. Geautomatiseerde toets kwijtschelding (26.7) 70 19.1.
  267. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden (26.1.1) 70 19.1.
  268. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding (26.1.2) 71 19.1.
  269. Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding (26.1.3) 71 19.1.
  270. Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding (26.1.4) 71 19.1.
  271. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden (26.1.5) 71 19.1.
  272. Na afwijzen kwijtschelding veertien dagen wachttijd bij voortzetting invordering (26.1.7) 72 19.1.
  273. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding (26.1.8) 72 19.1.
  274. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend (26.1.9) 72 19.1.
  275. Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding (26.1.10) 74 19.1.
  276. Verzoekschriften aan andere instellingen (26.1.11) 74 19.
  277. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren (26.2) 74 19.2.
  278. Vermogen en kwijtschelding particulieren (26.2.1) 74 19.2.
  279. Het bezit van een motorvoertuig en kwijtschelding particulieren (26.2.3) 74 19.2.
  280. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren (26.2.4) 75 19.2.
  281. De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren (26.2.5) 75 19.2.
  282. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren (26.2.6) 76 19.2.
  283. Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren (26.2.7) 76 19.2.
  284. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren (26.2.10) 76 19.2.
  285. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren (26.2.11) 77 19.2.
  286. Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren (26.2.12) 77 19.2.
  287. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren (26.2.13) 78 19.2.
  288. Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor particulieren (26.2.13a) 79 19.2.
  289. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren (26.2.14) 79 19.2.
  290. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden (26.2.15) 79 19.2.
  291. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren (26.2.16) 79 19.2.
  292. Kwijtschelding tijdens WSNP (26.2.17) 79 19.2.
  293. Normpremie zorgverzekering begrepen in de bijstandsuitkering (26.2.19) 80 19.2.
  294. Onderhoud gezinsleden in het buitenland (26.2.20) 80 19.
  295. Kwijtschelding van privébelastingen belastingen voor ondernemers (26.3) 80 19.3.
  296. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord (26.3.1) 80 19.3.
  297. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers (26.3.2) 81 19.3.
  298. Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord (26.3.3) 81 19.3.
  299. Toepassingsbereik saneringsakkoord (26.3.4) 81 19.3.
  300. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord (26.3.6) 82 19.3.
  301. Rente en kosten en saneringsakkoord (26.3.7) 82 19.3.
  302. Speciale crediteuren en saneringsakkoord (26.3.8) 82 19.3.
  303. Betaling bedrag saneringsakkoord (26.3.9) 83 19.
  304. Administratief beroep (26.4) 83 19.4.
  305. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding (26.4.1) 83 19.4.
  306. Herhaald verzoek om kwijtschelding (26.4.2) 84 19.4.
  307. Beroepsfase kwijtschelding (26.4.3) 84 19.4.
  308. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding (26.4.4) 84 19.4.
  309. Beslissing college op beroep bij kwijtschelding (26.4.5) 84 19.4.
  310. Invordering tijdens administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding en ambtshalve behandeling beroepschrift (26.4.6) 84 19.4.
  311. Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding (26.4.7) 85 19.
  312. Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding (26.6) 85
  313. Verjaring (artikel 27) 86 20.
  314. Versnelde invordering en verjaring (27.1) 86 20.
  315. Aansprakelijkgestelden en verjaring (27.2) 86 20.
  316. Stuiting van de verjaring (27.3) 86 20.
  317. Schorsing van de verjaring (27.4) 86 20.
  318. Afstand van verjaring (27.5) 86 20.
  319. Rente en kosten en verjaring (27.6) 87 20.
  320. Na verjaring geen civiele invordering (27.7) 87 20.
  321. Verjaring van belastingteruggaven (artikel 27.8) 87
  322. Invorderingsrente (artikel 28) 87 21.
  323. Algemene uitgangspunten invorderingsrente (nieuw/aanvullend) 87 21.
  324. Correctie berekende invorderingsrente (28.2) 88 21.
  325. Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente (28.3) 88 21.
  326. Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk (28.6) 88 21.
  327. Beschikking invorderingsrente (artikel 30) 88
  328. Aansprakelijkheid (artikel
  329. 33 en 48) 89 22.
  330. Aansprakelijkheid (32.1) 89 22.
  331. Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen

(33). 89 23. Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling (artikel 49) 90 23.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete (49.1) 91 23.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente (49.2) 91 23.3. De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn (49.3) 91 23.4. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden (49.5) 91 23.5. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige (49.6) 92 23.6. Volgorde van aansprakelijk stellen (49.7) 92 23.7. Uitstel in verband met bezwaar tegen een beschikking aansprakelijkstelling (49.8.1) 92 23.8. Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid (artikel 51) 92 23.9. Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling (artikel 52.1 Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling) 93 23.10. Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding (artikel 53) 93 23.11. Mededeling en betaling teruggaaf aan de aansprakelijkgestelde (artikel 54) 93 24. Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde (artikel 58, 60 en 61) 93 24.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure (58.1) 94 24.2. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie (60.1) 94 24.3. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen (60.2) 94 24.4. Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen (61.1) 94 25. Geheimhoudingsplicht (artikel 67) 95 26. Insolventieprocedures (artikel 73) 95 26.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures (73.1) 95 26.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement (73.1.1) 95 26.1.2. Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement (73.1.2) 96 26.1.3. Boedelschulden (73.1.3) 96 26.1.4. Proceskostengarantie (73.1.4) 96 26.1.5. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP (73.1.8) 97 26.1.6. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP (73.1.9) 97 26.2. Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering (73.2) 97 26.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP (73.2.1) 97 26.2.2. De WSNP is beëindigd met een schone lei (73.2.2) 97 26.2.3. De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken (73.2.3) 98 26.2.4. De WSNP is tussentijds beëindigd (73.2.4) 98 26.3. Insolventieprocedure en surseance (73.3) 98 26.3.1. WHOA-akkoord, Geldend beleid bij aangeboden akkoord ( (73.3a1) 98 26.3.2. Voorwaarden WHOA-akkoord (73.3a2) 98 26.3.3. Gevolgen toetreding WHOA-akkoord bij instemming (73.3a.3) 99 26.3.4. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord zonder instemming (73.3a.4) 99 26.4. Insolventieprocedure en faillissement (73.4) 100 26.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen (73.4.1) 100 26.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag (73.4.2) 100 26.4.3. Particulieren en faillissement (73.4.3) 100 26.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag (73.4.4) 100 26.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter (73.4.5) 101 26.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag (73.4.6) 101 26.4.7. Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag (73.4.7) 101 26.4.8. Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag (73.4.8) 101 26.4.9. Verzet tegen faillietverklaring (73.4.9) 101 26.4.10. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement (73.4.11) 102 26.4.11. Opkomen in faillissement (73.4.12) 102 26.4.12. Na de toepassing van het faillissement (73.4.14) 102 26.4.13. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure (73.4.15) 102 26.4.14. Omzetting faillissement in WSNP (73.4.16) 102 26.5. Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten (73.5) 103 26.5.1. Voorwaarden voor MSNP (73.5.1) 103 26.5.2. Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen (73.5.3) 104 26.5.3. Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP (73.5.4) 105 26.5.4. Intrekken uitstel gedurende MSNP (73.5.5) 105 26.5.5. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP (73.5.6) 105 26.5.6. Na de toepassing van de MSNP (73.5.7) 106 26.6. Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten (artikel 73.5a) 106 26.7. Insolventieprocedures en akkoorden (73.6) 106 26.7.1. Buitengerechtelijk akkoord (73.6.1) 106 26.7.2. Betaling bedrag saneringsakkoord (73.6.2a) 107 26.7.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord (73.6.3) 107 26.7.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord (73.6.4) 108 26.7.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord (73.6.5) 108 26.7.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord (73.6.6) 108 26.7.7. Gevolgen dwangakkoord (73.6.8) 108 26.7.8. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord (73.6.9) 109 26.8. Wettelijk breed moratorium (73.7) 109 27. Kosten van vervolging (artikel 75) 109 27.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten (75.1) 110 27.2. Aan derden toekomende bedragen (75.2) 110 27.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten (75.3) 110 27.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar (75.4) 110 27.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten (75.5) 111 27.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten (75.6) 111 27.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten (75.7) 112 27.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten (75.8) 112 27.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten (75.9) 112 27.10. Geen kwijtschelding van vervolgingskosten (75.10) 112 27.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel (75.11) 113 -0-0-0-0-0-0-0-0- 1. Opzet, afkortingen, definities, algemene uitgangspunten en toepassingsgebied 1.1. Opzet (Inleiding - nieuw/ aanvullend) Het fiscale invorderingsproces wordt beheerst door de Invorderingswet 1990. De "Leidraad Invordering" is een richtlijn die wordt gebruikt bij het invorderen van belastingschulden. Het biedt beleidsregels en richtlijnen van de invorderingsambtenaar over hoe wordt omgegaan met het innen van belastingen en het invorderingsproces. In deze Leidraad invordering gemeentelijke belastingen is voor de indeling zo veel mogelijk aangesloten bij Leidraad Invordering 2008 (hierna: Rijksleidraad) en de model-Leidraad Invordering van de VNG. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen verwijderd (vaak met een specifiek rijksbelastingkarakter), toegevoegd of aangepast aan de gemeentelijke situatie c.q. die van GBTwente. Deze Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen bevat enkel beleidsregels. Werkinstructies en teksten die terug te vinden zijn in wet- en regelgeving zijn niet opgenomen De kop- en subteksten van de artikelen worden afgesloten met het artikelnummer uit de Rijksleidraad en de model-leidraad Invordering van de VNG. Dit is gedaan om wijzigingen van genoemde leidraden eenvoudig te kunnen actualiseren in deze leidraad-invordering-op-maat. Als in de subteksten wordt verwezen naar een bepaling in deze leidraad, dan geldt de nummering in de koptekst (het artikelnummer uit de Rijksleidraad). Vanwege de leesbaarheid wordt in deze leidraad het wettelijk begrip ‘ontvanger’ in plaats van de benaming ‘gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen’ gebruikt. Om dezelfde reden wordt in deze leidraad het wettelijk begrip ‘inspecteur’ gebruikt in plaats van de benaming ‘gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen’. In de andere gevallen is gekozen voor de directe vertaling van (Rijks)belastingfunctionarissen naar de lokale benamingen. 1.2. Lijst met gebruikte afkortingen (1.1.1) Awb Algemene wet bestuursrecht Awir Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen BW Burgerlijk Wetboek FW Faillissementswet GBTwente Het gemeentelijk belastingkantoor voor de gemeente Almelo, Berkelland, Borne, Bronckhorst, Enschede, Haaksbergen, Hengelo, Losser, Oldenzaal en Twenterand (de Gemeenschappelijke Regeling Gemeentelijk Belastingkantoor Twente). Gemw Gemeentewet MSNP Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen Rv Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Sr Wetboek van Strafrecht Sv Wetboek van Strafvordering UWV Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen WHOA Wet homologatie onderhands akkoord WSF Wet Studiefinanciering 2000 WSNP Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen Pw Participatiewet UR IW Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 1.3. Definities (1.1.2) - belasting(
  1. en)belastingen die door GBTwente worden geheven; - belastingdeurwaarder de door het dagelijks bestuur aangewezen (onbezoldigd) ambtenaar van GBTwente als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub d, van de Gemeentewet, dan wel een als belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet; - college het dagelijks bestuur van GBTwente (of college van burgemeester en wethouders van de gemeente); - echtgenoot de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Pw; - hoger beroep hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep in cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld, cassatieberoep; - inspecteur de door het dagelijks bestuur van GBTwente (of college van burgemeester en wethouders van de gemeente) aangewezen ambtenaar van GBTwente - als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub a, Gemw - bevoegd tot het heffen van belastingen, en tot de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken. - ondernemer de belastingschuldige die een onderneming drijft of zelfstandig een beroep uitoefent; - ontvanger de door het dagelijks bestuur van GBTwente (of college van burgemeester en wethouders van de gemeente) aangewezen ambtenaar van GBTwente - als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub b, Gemw - bevoegd tot invordering van belastingen; - particulier de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt; - regeling (
  2. de)de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (UR IW); - wet (
  3. de)de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990). Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde verstaan als de wet daaronder verstaat. 1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden (1.1.4) De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te beperken. 1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur (1.1.5) In de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming met de Awb, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet. Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de we, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb). Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb). Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen: – bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet; – bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet; – bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. – bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet; – bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoel in artikel 63b van de wet. Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan GBTwente aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de ontvanger de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderings-maatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt. 1.6. Toepassing artikel 4:84 Awb (1.1.5a) Artikel 4:84 Awb is van overeenkomstige toepassing bij de invordering van rijksbelastingen. Op grond hiervan is het onder omstandigheden mogelijk om af te wijken van beleidsregels zoals die zijn opgenomen in een beleidsbesluit dat van toepassing is voor de praktijk van de ontvanger, zoals deze leidraad. Afwijking van beleidsregels is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben, die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de beleidsregels dienen. Toepassing van artikel 4:84 Awb zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden waardoor onverkorte toepassing van de beleidsregels onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb. 1.7. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen (1.1.6) Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor GBTwente de voorkeur. 1.8. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven (1.1.7) Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan 50 werknemers, dan vraagt hij daartoe toestemming van het college. Onder een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep. Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel onwetend blijven. De ontvanger vraagt altijd toestemming als: - met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf wordt beoogd; - door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd; - derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag op roerende zaken; - de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen over openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die schuldeiser. 1.9. Voor de invordering minder geschikte dagen (1.1.8) De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid van de wet terstond invordert. Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name: - de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, de vijfde mei en de Goede Vrijdag, alle met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daaropvolgende dag; - regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daaropvolgende dag; - de dagen tussen de beide Kerstdagen en Nieuwjaarsdag. 1.10. Binnenkomst van bescheiden (1.1.9) Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij GBTwente. Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden. 1.11. Positie belastingdeurwaarder (1.1.10) Belastingdeurwaarder is de door het dagelijks bestuur van GBTwente (of college van burgemeester en wethouders van de gemeente) aangewezen (onbezoldigd) ambtenaar van GBTwente als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub d, Gemw dan wel een als belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger). Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen dient. Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen. Op grond van artikel 9:1 Awb heeft eenieder het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich tegenover hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is. 1.12. Bewaren invorderingsbescheiden (1.1.11) De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard. De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. 1.13. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen (1.1.12) Op verzoek van de belanghebbende of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af over het betalingsgedrag van de belanghebbende. De verklaring ziet op formele belastingschulden of andere vorderingen ten name van de belanghebbende waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen op het moment van afgifte van de verklaring. De verklaring biedt geen garantie dat de materieel verschuldigde belastingen tot het moment van afgifte van de verklaring volledig zijn voldaan. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden – voor wat betreft de invordering – geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden. De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belanghebbende of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belanghebbende blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is. 1.14. Informatieplicht (1.1.13) De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald binnen de betalingstermijn(
  4. en)die voor de belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt. De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen. 1.15. Diplomatieke status (1.1.14) De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Kabinet en Protocol, Postbus 20061, 2500 EB ’s-Gravenhage. 1.16. Toepassingsgebied van deze beleidsregels (1.2) Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is op de wet. De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb (zie ook 1.1.5 - nr. in koptekst - van deze leidraad). 1.17. Begrip woonplaats (2.1) De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud. Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de ontvanger aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de gemeentelijke verordening op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan. 2. Bevoegdheden ontvanger (artikel 3) In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger; - het leggen van conservatoir beslag; - het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures; 2.1. Fiscale en civiele bevoegdheden (3.1) De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken. De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. 2.2. Conservatoir beslag (3.2) Om de rechten van GBTwente veilig te stellen heeft de ontvanger naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de ontvanger. 2.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering (3.2.1) Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de ontvanger niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet. 2.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag (3.2.2) Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de ontvanger slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid Rv. 2.3. Gerechtelijke procedures – toestemming (3.3) In gerechtelijke procedures voor de burgerlijke rechter waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het college. Het voorgaande geldt niet voor: - verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; - kantonzaken; - verzoekschriftprocedures; - procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid, of artikel 708, tweede lid, Rv. In afwijking van de vorige volzin geldt voor in hoger beroep te voeren zaken dat altijd toestemming van het college nodig is. 3. Bevoegdheid belastingdeurwaarder (artikel 4) De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 4:124 van de Awb gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. Bescherming. Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. Legitimatie. Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden. 4. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet (artikel 6) Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. 5. Betaling en afboeking (artikel 7) In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - het tijdstip van de betaling; - de afboeking van de betaling; - teveelbetalingen; - het rekenen van rente en kosten bij afboeking; - het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen; - de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete; - de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden; - betaling bij vergissing; - het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een betaling 5.1. Tijdstip betaling (7.1) Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de bankrekening van GBTwente. Bij betaling bij een bank of betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of pin-transactie. Bij rechtstreekse betaling aan GBTwente door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling; Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik. - Ten kantore van GBTwente is geen contante betaling mogelijk. Wel is contante betaling mogelijk aan het kasloket van de gemeente zelf. - Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling. - Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van betaling. 5.2. De afboeking van de betaling (7.2) Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven, worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen. Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen), worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken. De ontvanger stuurt de belastingschuldige geen kennisgeving en/of specificatie (mededeling afboeking) om hem op de hoogte te brengen van de verwerking van de ongerichte betaling. 5.3. Teveelbetaling (7.3) Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld. 5.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen (7.4) Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. 5.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen (7.5) Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. 5.6. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden (7.7) Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening zijn gebracht. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag - waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing is - echter met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde. 5.7. Betaling bij vergissing (7.8) Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht. Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan. 5.8. Geen mededeling verwerking financiële mutatie (Mededeling afboeking betaling 7.9) De ontvanger stuurt de belastingschuldige geen kennisgevingen en/of specificaties (hierna: mededeling afboeking) om hem op de hoogte te brengen van financiële mutaties (bijv. betaling, kwijtschelding, verrekening, vermindering) op de belastingaanslag. Een mededeling afboeking blijft ook achterwege indien betaling plaatsvindt op grond van een machtiging tot automatische afschrijving (automatische incasso). 6. Uitbetaling van belastingbedragen (artikel 7a) De ontvanger stelt als voorwaarde voor uitbetalingen aan de belastingschuldige dat de bankrekening op naam van de belastingschuldige staat. Een zogenoemde en/of-rekening die mede op naam van de belastingschuldige is gesteld, wordt aangemerkt als een rekening op naam van de belastingschuldige. De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op het verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de ontvanger bekende bankrekeningnummer, geldt dit ook als aanwijzing. Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander bankrekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld bankrekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen. Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden. Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen, dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt gerestitueerd. In afwijking van de vorige volzin vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats als de belastingschuldige aantoont dat: - hij tijdig vóór de uitbetaling bij de ontvanger heeft aangegeven dat de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet geschieden, en - hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de uitbetaling heeft plaatsvonden, geblokkeerd is. Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus te veel betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking. Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld over de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald. 7. Bekendmaking aanslag (artikel 8) In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties; - bekendmaking van de aanslag aan een rechtspersoon die (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan; - de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet; - het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen. 7.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties (8.1) De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien verstande dat: - aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de curator worden gezonden; - ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een boedelschuld vormt; - als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft opgeleverd; - aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. 7.2. Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan (8.2) De wijze van bekendmaking van de belastingaanslag, bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wet, is ter beoordeling van de ontvanger. Bij deze beoordeling kunnen onder andere de volgende factoren een rol spelen: - het recht waarnaar de rechtspersoon is opgericht; - het belang van een snelle bekendmaking in verband met vrees voor onverhaalbaarheid. 7.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet (8.3) De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd. 7.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag (8.4) Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk termijn te voldoen. 8. Betalingstermijnen (artikel 9) In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de dagtekening van het aanslagbiljet; - het begrip maand bij betalingstermijnen; - verzuim ontvanger bij uitbetaling; - regeling betalingstermijnen; - automatische incasso. 8.1. Dagtekening aanslagbiljet (9.4) De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast. 8.2. Begrippen bij betalingstermijnen (9.5) Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is gesteld op zes weken, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van een maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op 12 december. Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en de betalingstermijn van zes weken op 11 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 10 april. Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij een betalingstermijn van een maand) op de dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt de termijn dus op 15 april. Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt de termijn op 26 april. 8.3. Verzuim ontvanger bij uitbetaling (9.6) Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder het begrip ‘invorderen van belasting’ mede verstaan het betalen van een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel 9, eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de ontvanger niet in verzuim is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaats vindt. 8.4. Automatische incasso (9.8) Voor bepaalde belastingaanslagen kan onder voorwaarden een betalingsincasso worden afgegeven. Hiervoor heeft GBTwente een incassoreglement vastgesteld. Dit reglement is verkrijgbaar bij de ontvanger. 9. Versnelde invordering (artikel 10) 9.1. Reikwijdte versnelde invordering (10.1) Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is - deelt de ontvanger de belastingschuldige schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van direct contact met de belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend - maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) - vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt - als sprake is van direct contact met laatstgenoemde - eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen. Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(
  5. en)die normaal zou(den) gelden. 9.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering (10.2) Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt. 9.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering (10.3) Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de ontvanger - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland bevinden. 9.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering (10.4) Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zich geen reden voor de ontvanger om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. 9.5. Beslag en versnelde invordering (10.5) Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige - waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen - dadelijk en ineens invorderbaar. 9.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering (10.6) Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van
  6. de)executoriale verkoop, zodat de ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben. 9.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering (10.7) De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt. Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken. 10. Aanmaning (artikel 11) In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de geadresseerde van de aanmaning; - als de aanmaning ten onrechte is verzonden; - het achterwege laten van tussentijdse vervolging; - de gedeeltelijke voldoening na aanmaning; - de betalingsherinnering; - de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg. 10.1. De geadresseerde van de aanmaning (11.1) De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is verzonden of uitgereikt. Verzending via de post en als de belastingschuldige toestemming heeft verleend via de berichtenbox op MijnOverheid. Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet zetten voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt de ontvanger alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke vertegenwoordiger. Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat de nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk. 10.2. Aanmaning ten onrechte verzonden (11.2) Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd. Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die de rechten van GBTwente veiligstellen. 10.3. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning (11.4) Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan. 10.4. Betalingsherinnering (11.5) Van toepassing voor de verschuldigde belastingen van de gemeente Almelo, Bronckhorst. Enschede, Hengelo en Twenterand: Als de belastingschuldige na de vervaldatum van de betaaltermijn(
  7. en)van het belastingaanslagbiljet, de verschuldigde belasting niet volledig heeft voldaan zal, ongeacht de hoogte van het verschuldigde bedrag, zonder voorafgaande betalingsherinnering of waarschuwing, een aanmaning tot betaling worden verstuurd. Van toepassing voor de verschuldigde belastingen van de gemeente Berkelland, Borne, Haaksbergen, Losser en Oldenzaal: Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger de belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden. Voor de belastingschuldige die wel het bedrag van de belasting betaalt maar niet de in rekening gebrachte invorderingsrente, wordt tot het versturen van een aanmaning overgegaan. Alleen als het niet aan de belastingschuldige is te verwijten dat niet tijdig is voldaan wordt het bedrag aan in rekening gebrachte invorderingsrente en/of vervolgingskosten buiten invordering gelaten. 10.5. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg (11.6) Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel verzendt de ontvanger eerst een aanmaning. De ontvanger verzendt echter geen aanmaning als al conservatoir beslag is gelegd. 11. Dwangbevel (artikel 12) In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - het onderwerp van het dwangbevel; - tegen wie een dwangbevel wordt verleend. 11.1. Onderwerp van het dwangbevel (12.1) De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen en beschikkingen. Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de ontvanger een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden. De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met: - de inmiddels gedane betalingen; - verleende verminderingen; - bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is verleend. 11.2. Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel (12.2) De ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolgers. Als de ontvanger het dwangbevel verleent tegen een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit gebeurt. Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking. Als de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen. Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de gezamenlijke erfgenamen. Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking. 12. Betekening van het dwangbevel (artikel 13) In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de betekening van het dwangbevel per post; - de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder; - bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel. 12.1. Betekening dwangbevel per post (13.1) De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter verzending aanbieden van het afschrift aan PostNL. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen. 12.2. Adressering van per post betekende dwangbevelen (13.1.1) Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie van GBTwente bekende adres van de belastingschuldige. Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de basisregistratie personen is geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de basisregistratie personen - bijvoorbeeld een postbusadres - kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres. Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en de belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden. Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als betekend. Dit is niet het geval als de belastings

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.