Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2005 (Overijssel)
Waar gaat deze regeling over?
Dit besluit regelt de uitvoering van subsidies die door Gedeputeerde Staten van Overijssel worden verstrekt, met uitzondering van subsidies voor openbaar vervoer. Het beschrijft de verschillende subsidievormen en de bijbehorende voorwaarden.
Voor wie: Organisaties die subsidie aanvragen bij Gedeputeerde Staten van Overijssel; Gedeputeerde Staten van Overijssel als verstrekker van subsidies.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Overige wetgeving
- Artikelen
- 287
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De definities van termen zoals cofinanciering, prestatiesubsidie en stimuleringssubsidie.
- De toepasselijkheid van het besluit op subsidies van Gedeputeerde Staten.
- De soorten subsidies die Gedeputeerde Staten kunnen verstrekken (prestatiesubsidie en stimuleringssubsidie).
- De voorwaarden voor subsidiabele kosten en de verplichtingen voor subsidieontvangers.
Voor wie geldt deze regeling?
- Organisaties die subsidie aanvragen bij Gedeputeerde Staten van Overijssel.
- Gedeputeerde Staten van Overijssel als verstrekker van subsidies.
Wat zijn de kernpunten?
- Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als prestatiesubsidie of als stimuleringssubsidie.
- Kosten die een aanvrager kan terugvorderen op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of een andere voorziening, zijn niet subsidiabel.
- De stimuleringssubsidie bedraagt ten hoogste € 30.000,--.
- Een aanvraag om stimuleringssubsidie kan gedurende het gehele jaar worden ingediend en Gedeputeerde Staten beslissen hierover binnen acht weken.
Overige wetgeving
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (287)
- Artikel 1.1 Begripsbepalingen
- Artikel 1.2 Toepassingsbereik
- Artikel 1.3 Subsidievormen
- Artikel 1.4 Subsidiabele kosten
- Artikel 1.5 Subsidieverplichtingen
- Artikel 1.6 Hoogte stimuleringssubsidie
- Artikel 1.7 Indieningstermijn aanvraag om stimuleringssubsidie
- Artikel 1.8 Gegevens en bescheiden bij aanvraag stimuleringssubsidie
- Artikel 1.9 Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie
- Artikel 1.10 Indieningstermijn aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
- Artikel 1.11 Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
- Artikel 1.12 Subsidieverplichtingen
- Artikel 1.13 Beslistermijn verlening prestatiesubsidie
- Artikel 1.14 Voorschotverlening
- Artikel 1.15 Indieningstermijn aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
- Artikel 1.16 Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
- Artikel 1.17 Accountantsverklaring
- Artikel 1.18 Lagere vaststelling
- Artikel 4:46
- Artikel 1.19 Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie
- Artikel 1.20 Toepasselijkheid andere bepalingen
- Artikel 1.21 Egalisatiereserve
- Artikel 1.22 Uitbreiding accountantscontrole
- Artikel 1.23 Voorschotverlening
- Artikel 2.1 Criterium
- Artikel 2.2 Prestatiesubsidie
- Artikel 2.3 Subsidieplafond
- Artikel 2.4 Grondslag subsidie
- Artikel 2.5 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 2.6 Wijze van behandeling van aanvragen
- Artikel 2.7 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 2.8 Criterium
- Artikel 2.9 Prestatiesubsidie
- Artikel 2.10 Subsidieplafond
- Artikel 2.11 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 2.12 Wijze van behandeling van aanvragen
- Artikel 2.13 Voorschotverlening
- Artikel 2.14 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 2.15 Criterium
- Artikel 2.16 Prestatiesubsidie
- Artikel 2.17 Subsidieplafond
- Artikel 2.18 Grondslag subsidie
- Artikel 2.19 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 2.20 Voorschotverlening
- Artikel 3.1 Prestatiesubsidie
- Artikel 3.2 Criteria
- Artikel 3.3 Indieningtermijn aanvraag
- Artikel 3.4 Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening
- Artikel 3.5 Subsidieplafond
- Artikel 3.6 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 3.7 Beslistermijn
- Artikel 3.8 Verlening van voorschot
- Artikel 3.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger
- Artikel 3.10 Rapportage
- Artikel 3.11 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 3.12 Terugvordering
- Artikel 3.13 Vervreemding
- Artikel 3.14 Criteria
- Artikel 3.15 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.16 Indieningstermijn
- Artikel 3.17 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 3.18 Prestatiesubsidie
- Artikel 3.19 Criteria
- Artikel 3.20 Grondslag subsidie
- Artikel 3.21 Indieningstermijn
- Artikel 3.22 Aanvullende stukken bij een aanvraag
- Artikel 3.23 Subsidieplafond
- Artikel 3.24 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 3.25 Advies
- Artikel 3.26 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 3.27 Vaststelling van de subsidie
- Artikel 3.28 Intrekken of wijzigen subsidieverlening
- Artikel 3.29 Criteria
- Artikel 3.30 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.31 Wijze van behandeling van aanvragen
- Artikel 3.32 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 3.33 Voorschotverlening
- Artikel 3.34 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 3.35 Niet-subsidiabele kosten
- Artikel 3.36 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 3.37 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.38 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 3.39 Criteria
- Artikel 3.40 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.40a Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
- Artikel 3.41 Criteria
- Artikel 3.42 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.43 Criteria
- Artikel 3.44 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.45 Verbod vervreemding
- Artikel 3.46 Prestatiesubsidie
- Artikel 3.47 Criteria
- Artikel 3.48 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.49 Indieningstermijn
- Artikel 3.50 Stukken bij de aanvraag
- Artikel 3.51 Subsidieplafond
- Artikel 3.52 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 3.53 Criteria
- Artikel 3.54 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 4.1 Staatssteun en landbouwbedrijven
- Artikel 4.2 Subsidievorm
- Artikel 4.3 Criteria
- Artikel 4.4 Grondslag subsidie
- Artikel 4.5 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 4.6 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 4.7 Subsidieplafond
- Artikel 4.8 Criteria
- Artikel 4.9 Grondslag subsidie
- Artikel 4.10 Grondslag voor subsidie aan landbouwbedrijven
- Artikel 4.11 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 4.12 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 4.13 Subsidieplafond
- Artikel 4.14 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 4.15 Voorschotverlening
- Artikel 4.16 Vervreemding
- Artikel 4.17 Criteria
- Artikel 4.18 Grondslag subsidie
- Artikel 4.19 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 4.20 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 4.21 Subsidieplafond
- Artikel 4.22 Toestemming vervreemding
- Artikel 4.23 Voorschotverlening
- Artikel 4.24 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 4.25 Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 4.26 Criteria
- Artikel 4.27 Grondslag subsidie
- Artikel 4.28 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 4.29 Subsidieplafond
- Artikel 4.30 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 4.31 Vaststelling subsidie
- Artikel 4.32 Verplichting subsidie-ontvanger
- Artikel 4.33 Voorschotverlening
- Artikel 4.34 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 4.35 Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 4.36 Beslistermijn subsidievaststelling
- Artikel 4.37 Criteria
- Artikel 4.38 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 4.39 Indieningstermijn
- Artikel 4.40 Aanvullende stukken
- Artikel 4.41 Subsidieplafond
- Artikel 4.43 Wijze van behandeling van aanvragen
- Artikel 4.44 Voorschotverlening
- Artikel 4.45 Accountantsverklaring
- Artikel 4.46 Criteria
- Artikel 4.47 Grondslag subsidie
- Artikel 4.48 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 4.49 Subsidieplafond
- Artikel 4.50 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 4.51 Verplichting van de subsidieontvanger
- Artikel 5.1 Criteria
- Artikel 5.2 Prestatiesubsidie
- Artikel 5.3 Grondslag subsidie
- Artikel 5.4 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 5.5 Subsidieplafond
- Artikel 5.6 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 5.7 Begripsbepalingen
- Artikel 5.8 Criteria
- Artikel 5.9 Reserve ISV
- Artikel 5.10 Prestatiesubsidie
- Artikel 5.11 Grondslag subsidie en subsidieplafond
- Artikel 5.12 Beslistermijn subsidieverlening projectgemeente
- Artikel 5.13 Begripsbepaling
- Artikel 5.14 Criteria
- Artikel 5.15 Prestatiesubsidie
- Artikel 5.16 Grondslag subsidie
- Artikel 5.17 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 5.18 Aanvullende stukken
- Artikel 5.19 Subsidieplafond
- Artikel 5.20 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 5.21 Adviescommissie
- Artikel 5.22 Verplichtingen subsidieontvanger
- Artikel 5.23 Voorschotverlening
- Artikel 5.24 Indieningstermijn aanvraag om subsidievaststelling
- Artikel 5.25 Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 5.26 Criteria
- Artikel 5.27 Prestatiesubsidie
- Artikel 5.28 Indieningstermijn aanvraag subsidieverlening
- Artikel 5.29 Subsidie voor landbouwbedrijven
- Artikel 5.30 Subsidieplafond
- Artikel 5.31 Wijze van behandeling van aanvragen
- Artikel 5.32 Voorschotverlening
- Artikel 5.33 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 5.34 Criteria
- Artikel 5.35 Prestatiesubsidie
- Artikel 5.36 Grondslag subsidie
- Artikel 5.37 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 5.38 Subsidieplafond
- Artikel 5.39 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 5.40 Voorschotverlening
- Artikel 5.41 Accountantsverklaring
- Artikel 5.42 Criteria
- Artikel 5.43 Keuze subsidievorm
- Artikel 5.44 Grondslag subsidie
- Artikel 5.45 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 5.46 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 5.47 Subsidieplafond
- Artikel 5.48 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 5.49 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 6.1 Criteria
- Artikel 6.2 Prestatiesubsidie
- Artikel 6.3 Grondslag subsidie
- Artikel 6.4 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 6.5 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 6.6 Subsidieplafond
- Artikel 6.7 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 6.8 Verplichtingen subsidieontvanger
- Artikel 6.9 Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 6.10 Criteria
- Artikel 6.11 Prestatiesubsidie
- Artikel 6.12 Grondslag subsidie
- Artikel 6.13 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 6.14 Subsidieplafond
- Artikel 6.15 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 6.16 Weigeringsgronden
- Artikel 6.17 Begripsbepalingen
- Artikel 6.18 Criteria
- Artikel 6.19 Prestatiesubsidie
- Artikel 6.20 Grondslag subsidie
- Artikel 6.21 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 6.22 Subsidieplafond
- Artikel 6.23 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 7.1 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 7.2 Subsidievorm
- Artikel 7.3 Niet-subsidiabele kosten
- Artikel 7.4 Indieningstermijn
- Artikel 7.5 Subsidieplafond
- Artikel 7.6 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 7.7 Beslistermijn verlening prestatiesubsidies
- Artikel 7.8 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 7.9 Voorschotverlening
- Artikel 7.10 Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies
- Artikel 7.11 Begripsbepaling
- Artikel 7.12 Criteria
- Artikel 7.13 Subsidiabele kosten
- Artikel 7.14 Adviescommissie
- Artikel 7.15 Criteria
- Artikel 7.16 Adviescommissie
- Artikel 7.17 Begripsbepalingen
- Artikel 7.18 Criteria
- Artikel 7.19 Grondslag subsidie
- Artikel 7.20 Aanvullende stukken bij aanvragen
- Artikel 7.21 Adviescommissie
- Artikel 7.22 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 7.23 Criteria
- Artikel 7.24 Grondslag subsidie
- Artikel 7.25 Vaststelling subsidie
- Artikel 7.26 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 7.27 Begripsbepalingen
- Artikel 7.28 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 7.29 Criteria
- Artikel 7.30 Grondslag subsidie
- Artikel 7.31 Bijzondere begripsbepalingen
- Artikel 7.32 Criteria
- Artikel 7.33 Grondslag subsidie
- Artikel 7.34 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 7.35 Criteria
- Artikel 7.36 Grondslag subsidie
- Artikel 7.37 Begripsbepalingen
- Artikel 7.38 Criteria
- Artikel 7.39 Grondslag subsidie
- Artikel 7.40 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 7.41 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 7.42 Begripsbepalingen
- Artikel 7.43 Subsidievorm
- Artikel 7.44 Criteria
- Artikel 7.45 Grondslag subsidie
- Artikel 7.46 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 7.47 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 7.48 Beslistermijn
- Artikel 7.49 Begripsbepaling
- Artikel 7.50 Criteria voor subsidiëring
- Artikel 7.51 Grondslag subsidie
- Artikel 7.52 Begripsbepalingen
- Artikel 7.53 Beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 niet van toepassing
- Artikel 7.54 Criteria
- Artikel 7.55 Grondslag subsidie
- Artikel 7.56 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 7.57 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 7.58 Verzekeringen en administratie
- Artikel 7.59 Verslag van de prestaties
- Artikel 7.60 Verslag van de kosten
- Artikel 7.61 Reserveringen en vermogensvorming
- Artikel 7.62 Lagere vaststelling
- Artikel 7.63 Overgangsregeling
- Artikel 8.1 Onvoorziene omstandigheden
- Artikel 8.2 Inwerkingtreding
- Artikel 8.3 Citeertitel
Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2005Hoofdstuk 1. Algemeen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: a. de verordening: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005; b. Awb: de Algemene wet bestuursrecht; c. cofinanciering: ten minste één andere partij dan de aanvrager en de provincie draagt bij in de kosten van de gesubsidieerde activiteit; d. prestatiesubsidie: de subsidie, waarbij de subsidieontvanger ten aanzien van de te subsidiëren activiteiten óf wordt gestuurd op prestaties, óf op een combinatie van prestaties, bedrijfsvoering of middelen; e. stimuleringssubsidie: de subsidie die aan het bestaan van een organisatie bijdraagt of bepaalde activiteiten aanmoedigt of ondersteunt; f. subsidietijdvak: een aaneengesloten periode waarvoor een subsidieplafond of deelplafond is vastgesteld; g. bovengemeentelijk: de activiteiten vinden plaats in ten minste twee gemeenten; h. regionaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste drie gemeenten; i. provinciaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste zestien gemeenten.
Artikel 1.2Toepassingsbereik
1 [Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 2 van de verordening. De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit Usb van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made’ en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure. Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etcetera.] Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer.
Artikel 1.3Subsidievormen
2[Toelichting: In het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties is gedachtegoed ontwikkeld over de wijze waarop de provincie om wil gaan met organisaties waaraan zij subsidie verstrekt. Dit heeft geresulteerd in verschillende sturingsmodellen; te weten het stimuleringsmodel aan de ene kant en het (vergelijkend) prestatiemodel en het directief model aan de andere kant. Het directief model is een opschaling van het prestatiemodel. Dit betekent dat bij dat sturingsmodel niet alleen gestuurd wordt op prestaties maar ook op bedrijfsvoering en/of middelen. Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren, waarbij een boekjaar gelijk staat aan een kalenderjaar.
Deze bepaling is een uitwerking van de artikelen 4:32 en 4:67 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat meerjarige subsidies kunnen worden verstrekt. Wordt een meerjarige subsidie verstrekt dan moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:34 Awb biedt om bij de subsidieverlening een begrotingsvoorbehoud te maken. Dit is de oplossing voor het probleem dat het bij meerjarige subsidies onvermijdelijk is om subsidies te verlenen ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde begroting. Door een begrotingsvoorbehoud te maken, kunnen Gedeputeerde Staten op de subsidieverlening terugkomen. Een begrotingsvoorbehoud is een aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden opschortende of ontbindende voorwaarde.
De keuze voor de soort voorwaarde is afhankelijk van de vraag of al voor de vaststelling of goedkeuring van de begroting voorschotten moeten worden uitbetaald. Is dat het geval dan moet gekozen worden voor de vorm van de ontbindende voorwaarde. Willen Gedeputeerde Staten het begrotingsvoorbehoud inroepen en daadwerkelijk terugkomen op de subsidieverlening dan moet dat binnen de in de Awb genoemde termijn expliciet gebeuren. De leden 4 en 5 van artikel 4:34 Awb geven aan op welke wijze dat moet gebeuren. Als een subsidie wordt verstrekt voor een periode van drie jaar of langer voor steeds min of meer dezelfde activiteiten is het van belang te weten dat de subsidie dan niet zonder meer kan worden beëindigd (artikel 4:51 Awb).] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als prestatiesubsidie of als stimuleringssubsidie.
Artikel 1.4Subsidiabele kosten
3 [Toelichting: De Wet op het BTW-compensatiefonds stelt overheden in staat om in rekening gebrachte BTW voor een groot deel te compenseren. In relatie daarmee is op de algemene uitkeringen gekort. De bedoeling is dat deze korting door de ontvangsten uit het BTW-compensatiefonds gecompenseerd worden. De vraag of overheden taken in eigen beheer uitvoeren of uitbesteden wordt dan niet meer beïnvloed door de kosten van BTW. Ook gemeenten die van de provincie subsidie ontvangen kunnen een beroep doen op het BTW-compensatiefonds, maar ook andere organisaties, indien zij op gelijke voet als de overheid opereren. Het is uiteraard niet de bedoeling dat terugvorderbare bedragen ook nog eens gesubsidieerd worden. Om dat duidelijk te markeren is deze bepaling opgenomen, waarin dat gedeelte niet-subsidiabel verklaard wordt. De bepaling is algemeen geredigeerd, zodat alle potentiële terugvorderbare BTW eronder valt. Met de bepaling wordt de verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk terugvorderen bij de subsidieontvanger gelegd. Er is geen sprake van een (verkapte) vermindering van subsidies. Ook onder werking van de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was verrekenbare BTW niet subsidiabel. ] De kosten van activiteiten zijn niet subsidiabel voorzover deze door de aanvrager van een subsidie kunnen worden teruggevorderd op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of op grond van enige andere voorziening.
Artikel 1.5Subsidieverplichtingen
4[Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De categorieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.5 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken. ] Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten bekend wordt gemaakt dat de provincie Overijssel daarvoor subsidie heeft verstrekt.
Paragraaf 2. Stimuleringssubsidie
Artikel 1.6Hoogte stimuleringssubsidie
5[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb).] De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000,--.
Artikel 1.7Indieningstermijn aanvraag om stimuleringssubsidie
6[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb).] Een aanvraag om stimuleringssubsidie kan gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Artikel 1.8Gegevens en bescheiden bij aanvraag stimuleringssubsidie
7[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb).] De aanvrager van een stimuleringssubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval: a. de statuten in het geval de aanvrager een rechtspersoon is, voorzover deze niet al eerder zijn overgelegd; b. een werkplan met of een verslag van de activiteiten die de aanvrager gebruikelijk uitvoert om haar doel te bereiken.
Artikel 1.9Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie
8[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb). ] Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidievaststelling binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
Paragraaf 3. Prestatiesubsidie
Subparagraaf 3.1. Niet per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies
Artikel 1.10Indieningstermijn aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
9 [Toelichting: Met het verstrekken van subsidie via het prestatiemodel wordt de gedachtegang uit het Onderhandelingsakkoord en de statenmotie van juni 2004 (ingediend bij de Perspectievennota 2005) tot uitdrukking gebracht. “Met maatschappelijke organisaties en instellingen willen wij outputgerichte prestatieafspraken maken, die volstrekt recht doen aan ieders verantwoordelijkheid en het maatschappelijke resultaat dat wij willen bereiken.” Subsidieverstrekking wordt gestuurd op rendement. Daarbij hoort per definitie verantwoording achteraf. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoording zich richt op de geleverde prestaties en activiteiten en de manier waarop die aansluiten bij het provinciaal beleid. Dat kan ook, omdat vooraf (bij subsidieverlening) afspraken tussen subsidieontvanger en provincie zijn gemaakt over wat en waaraan de subsidieontvanger bij gaat dragen en wat zij daarvoor gaat doen. Daarbij wordt tevens bepaald waarover en hoe en wat de mate van verantwoording nadien moet zijn. De uitwerking van het prestatiemodel biedt ruimte om flexibel en naar instelling gedifferentieerd om te kunnen gaan met het concretiseren van prestaties en daarmee met de verantwoording achteraf. ] Een aanvraag om prestatiesubsidie wordt ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak of het boekjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
Artikel 1.11Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
In artikel 5, tweede lid van de verordening is geregeld dat onze provinciale regels wijken voor de kaderregelingen of richtsnoeren van de commissie, zodat wordt voorkomen dat een situatie ontstaat waarin de samenloop van EG-regels en provinciale regels ertoe leidt dat helemaal geen subsidie kan worden verleend. Aangezien het ‘de minimis’-bedrag per onderneming geldt, kan zonder medewerking van de aanvrager niet worden vastgesteld of sprake is van ‘de minimis’-steun. In het tweede lid is daarom bepaald dat op de aanvrager de verplichting rust melding te maken van eerdere subsidies of andere steunmaatregelen. Gedeputeerde Staten zullen de aanvragers hierbij hulp bieden in de vorm van een modelverklaring bij het aanvraagformulier.
Met deze verklaring wordt ook zeker gesteld dat de subsidie achteraf kan worden gewijzigd, indien na de subsidieverlening blijkt dat de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (toch) niet van toepassing was. Zie de artikelen 4:48, eerste lid, onder c en 4:49, eerste lid, onder b Awb].
Artikel 1.12Subsidieverplichtingen
12 [Toelichting: De situatie kan zich voordoen dat wij subsidie willen verlenen, waarbij wij alleen op prestaties willen sturen en de subsidieontvanger die prestaties naar genoegen realiseert. In dit artikel wordt geregeld dat wij de subsidieontvanger kunnen verplichten een positief exploitatieresultaat uit te geven binnen dezelfde doelstelling als waarvoor subsidie wordt verstrekt.] Indien het bedrag van de subsidie niet afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, kunnen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger een eventueel positief exploitatieresultaat besteedt in het verlengde van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend.
Artikel 1.13Beslistermijn verlening prestatiesubsidie
13 [Toelichting: In dit artikel staat het uitgangspunt vermeld dat de beslistermijn van dertien weken begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aanvraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behandeling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb).] Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag om prestatiesubsidie, tenzij een uiterste termijn voor de indiening van de aanvraag geldt. De termijn van dertien weken begint in dat geval op de dag, nadat die uiterste termijn is verstreken.
Artikel 1.14Voorschotverlening
14 [Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.14. ] Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.
Artikel 1.15Indieningstermijn aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
De subsidieontvanger dient binnen vier maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in.
Artikel 1.16Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
15 [Toelichting: De in dit artikel genoemde documenten zijn de verantwoordingsvarianten van de documenten genoemd in artikel 1.11, eerste lid. Als onderbouwing van het financiële verslag kunnen deugdelijke kopieën van facturen, bankafschriften, kwitanties en overige betalingsbewijzen gelden] 1. De aanvrager van een prestatiesubsidie overlegt bij de aanvraag een verslag van de geleverde (deel)prestaties en de kosten daarvan.
Artikel 1.17Accountantsverklaring
Artikel 1.18Lagere vaststelling
18 [Toelichting: In een situatie dat binnen een prestatiesubsidie de kosten een rol spelen bij de hoogte van de subsidie, is het niet gewenst dat de subsidieontvanger ‘winst’ maakt op een activiteit.
Artikel 4:46
Awb bepaalt daarom onder meer dat subsidie lager kan worden vastgesteld als de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden. In aanvulling daarop bepaalt artikel 1.18 dat subsidie ten opzichte van de subsidieverlening lager vastgesteld wordt als de gesubsidieerde activiteiten meer opbrengen of minder kosten dan van te voren begroot. De subsidieontvanger zou anders immers gemeenschapsgeld overhouden (‘ongerechtvaardigde verrijking’). Aan de andere kant is het niet zo dat wij het subsidiebedrag verhogen als de gesubsidieerde activiteiten minder opbrengen of meer kosten dan van te voren begroot. Dit risico is voor rekening van de subsidieontvanger.Als de werkelijke kosten van activiteiten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, dan worden op grond van artikel 4:46, derde lid Awb, overigens ook kosten die redelijkerwijze als niet noodzakelijk kunnen worden beschouwd, niet in aanmerking genomen Dat betekent dat ook bij verlening de aanvraag moet worden ‘gecorrigeerd’ voor kosten die bij vaststelling als redelijkerwijs niet noodzakelijk zullen worden beschouwd. De oude subsidieregelingen kenden een aantal bepalingen waarin situaties werden geschetst waarin sprake is van redelijkerwijs niet noodzakelijke kosten (artikelen 18 en 19 van de Algemene subsidieverordening 1997). Die situaties zullen wij in ieder geval blijven hanteren bij het beoordelen van de aanvraag tot vaststelling. Het gaat dan om: · lasten die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht waarvoor op de begroting van de subsidieontvanger voor dat jaar geen post is opgenomen, of· lasten zonder noodzaak tot een onevenredig hoog bedrag die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht, of· lasten die in de exploitatierekening zijn opgenomen met het kennelijke doel van kapitaal- of reservevorming. ] Voorzover het exploitatieresultaat bepalend is voor het bedrag van de subsidie en de activiteiten meer opbrengsten genereren danwel de kosten daarvan lager zijn dan begroot, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld.
Artikel 1.19Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent vaststelling van de prestatiesubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
Subparagraaf 3.2. Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen
Artikel 1.20Toepasselijkheid andere bepalingen
Enkele bepalingen gelden echter pas als dat uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Het betreft de artikelen: - 4:64, derde lid (vrijstelling/ontheffing accountantsverklaring bij aanvraag); - 4:68 (definitie boekjaar); - 4:71 (rechtshandelingen waarvoor voorafgaande toestemming van Gedeputeerde Staten - 4:72 (egalisatiereserve); - 4:77 (inhoud financieel verslag als subsidieontvanger in overwegende mate zijn inkomsten ontleent aan de subsidie); - 4:78, vijfde lid (vrijstelling/ontheffing accountantscontrole); - 4:79, eerste en tweede lid (uitbreiding accountantscontrole tot naleving subsidieverplichtingen) Awb. In de volgende twee artikelen worden de artikelen 4:72 en 4:79, eerste en tweede lid Awb, uitgewerkt.
De overige onderwerpen kunnen indien gewenst in de hoofdstukken 2 t/m 7 of in een beschikking tot subsidieverlening worden uitgewerkt. ] 2. De artikelen 1.13 en 1.19 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing.3. Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten, overeenkomstig artikel 4:79 Awb, bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. 20[Toelichting: Dit lid maakt het mogelijk om bij subsidieverlening aan de accountant van de subsidieontvanger tevens de taak te geven controle uit te oefenen op de naleving van de subsidieverplichtingen. Wordt dit toegepast dan zal daarbij een aanwijzing moeten worden gegeven over de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole. Omdat accountants werken conform de richtlijnen voor de accountantscontrole sluiten wij voor het voorschrijven van het soort onderzoek daarbij aan. De richtlijnen onderscheiden de beoordelingsopdracht (over de betrouwbaarheid van stukken) en de controleopdracht (over de getrouwheid van stukken).]
Artikel 1.18Lagere vaststelling
21 [Toelichting: In een situatie dat binnen een prestatiesubsidie de kosten een rol spelen bij de hoogte van de subsidie, is het niet gewenst dat de subsidieontvanger ‘winst’ maakt op een activiteit.
Artikel 4:46
Awb bepaalt daarom onder meer dat subsidie lager kan worden vastgesteld als de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden. In aanvulling daarop bepaalt artikel 1.18 dat subsidie ten opzichte van de subsidieverlening lager vastgesteld wordt als de gesubsidieerde activiteiten meer opbrengen of minder kosten dan van te voren begroot. De subsidieontvanger zou anders immers gemeenschapsgeld overhouden (‘ongerechtvaardigde verrijking’). Aan de andere kant is het niet zo dat wij het subsidiebedrag verhogen als de gesubsidieerde activiteiten minder opbrengen of meer kosten dan van te voren begroot. Dit risico is voor rekening van de subsidieontvanger.Als de werkelijke kosten van activiteiten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, dan worden op grond van artikel 4:46, derde lid Awb, overigens ook kosten die redelijkerwijze als niet noodzakelijk kunnen worden beschouwd, niet in aanmerking genomen Dat betekent dat ook bij verlening de aanvraag moet worden ‘gecorrigeerd’ voor kosten die bij vaststelling als redelijkerwijs niet noodzakelijk zullen worden beschouwd. De oude subsidieregelingen kenden een aantal bepalingen waarin situaties werden geschetst waarin sprake is van redelijkerwijs niet noodzakelijke kosten (artikelen 18 en 19 van de Algemene subsidieverordening 1997). Die situaties zullen wij in ieder geval blijven hanteren bij het beoordelen van de aanvraag tot vaststelling. Het gaat dan om: · lasten die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht waarvoor op de begroting van de subsidieontvanger voor dat jaar geen post is opgenomen, of· lasten zonder noodzaak tot een onevenredig hoog bedrag die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht, of· lasten die in de exploitatierekening zijn opgenomen met het kennelijke doel van kapitaal- of reservevorming. ] Voorzover het exploitatieresultaat bepalend is voor het bedrag van de subsidie en de activiteiten meer opbrengsten genereren danwel de kosten daarvan lager zijn dan begroot, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld.
Artikel 1.19Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent vaststelling van de prestatiesubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
Subparagraaf 3.2. Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen
Artikel 1.20Toepasselijkheid andere bepalingen
Enkele bepalingen gelden echter pas als dat uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Het betreft de artikelen: - 4:64, derde lid (vrijstelling/ontheffing accountantsverklaring bij aanvraag); - 4:68 (definitie boekjaar); - 4:71 (rechtshandelingen waarvoor voorafgaande toestemming van Gedeputeerde Staten - 4:72 (egalisatiereserve); - 4:77 (inhoud financieel verslag als subsidieontvanger in overwegende mate zijn inkomsten ontleent aan de subsidie); - 4:78, vijfde lid (vrijstelling/ontheffing accountantscontrole); - 4:79, eerste en tweede lid (uitbreiding accountantscontrole tot naleving subsidieverplichtingen) Awb. In de volgende twee artikelen worden de artikelen 4:72 en 4:79, eerste en tweede lid Awb, uitgewerkt.
De overige onderwerpen kunnen indien gewenst in de hoofdstukken 2 t/m 7 of in een beschikking tot subsidieverlening worden uitgewerkt. ] 2. De artikelen 1.13 en 1.19 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.21Egalisatiereserve
23 [Toelichting: Een egalisatiereserve werkt als buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar, zodat een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden kan worden bereikt. Gelet op artikel 4:72, tweede lid van de wet, komt het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. Tot de werkelijke kosten worden niet gerekend niet-toegestane reserveringen en dotaties aan voorzieningen. Bij de vaststelling van de egalisatiereserve worden, naast de subsidie-inkomsten, ook alle inkomsten betrokken die mede ten doel hebben bij te dragen aan het realiseren van de prestatieafspraken met Gedeputeerde Staten.
Te denken valt onder meer aan eigen bijdragen van afnemers van producten, incidentele en structurele subsidies van derden en sponsorbijdragen. Inkomsten van derden ten behoeve van niet-gesubsidieerde activiteiten worden buiten beschouwing gelaten. In de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was gelet op artikel 4:71, eerste lid, onder g Awb, opgenomen dat de subsidieontvanger toestemming nodig heeft van Gedeputeerde Staten voor het vormen van andere reserves en voorzieningen dan een egalisatiereserve. In de subsidiepraktijk werd zo’n verzoek om toestemming echter vrijwel nooit gedaan, terwijl er wel reserves en voorzieningen werden aangelegd. Omdat het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving regels geven voor het hanteren van reserves en voorzieningen, waaraan subsidieontvangers toch al moeten voldoen, is de toestemmingsverplichting niet in dit uitvoeringsbesluit opgenomen.] 1. Tenzij Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening anders bepalen, vormt de subsidieontvanger een egalisatiereserve overeenkomstig artikel 4:72 Awb.
Artikel 1.22Uitbreiding accountantscontrole
24 [Toelichting: zie toelichting op artikel 1.17, derde lid.] Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 4:79 Awb is van toepassing.
Artikel 1.23Voorschotverlening
Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen Bestuurlijke Aangelegenheden
Paragraaf 1. Integrale veiligheid
Artikel 2.1Criterium
Een aanvraag voor veiligheidssubsidie moet voldoen aan het volgende criterium: het project of de activiteit moet concrete meetbare resultaten opleveren met betrekking tot de doelstelling van het provinciale veiligheidsbeleid.
Artikel 2.2Prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten verstrekken veiligheidssubsidie in de vorm van een prestatiesubsidie.
Artikel 2.3Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 2.4Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt tot minste € 10.000,-- en ten hoogste 50% van de project- of activiteitkosten met een maximum van € 40.000,-- per project of activiteit.
Artikel 2.5Indieningstermijn aanvraag
In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van het kalenderjaar.
Artikel 2.6Wijze van behandeling van aanvragen
Artikel 2.7Verplichting subsidieontvanger
De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie.
Paragraaf 2. Jeugd en veiligheid
Artikel 2.8Criterium
Een subsidieaanvraag voor jeugd en veiligheid moet voldoen aan de volgende criteria: a. het project draagt aantoonbaar bij aan de realisatie van het provinciale veiligheidsbeleid in het algemeen en aan het provinciale jeugd en veiligheidsbeleid in het bijzonder; b. de aanvraag is afkomstig van een gemeente of privaatrechtelijke rechtspersoon in de provincie Overijssel, die vanuit een non-profittaak betrokken is bij de uitvoering van het jeugd en veiligheidsbeleid.
Artikel 2.9Prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten verstrekken veiligheidssubsidie in de vorm van een prestatiesubsidie.
Artikel 2.10Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 2.11Indieningstermijn aanvraag
In afwijking van artikel 1.10 kan de subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.
Artikel 2.12Wijze van behandeling van aanvragen
Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
Artikel 2.13Voorschotverlening
In afwijking van artikel 1.14 verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening een voorschot van 80% van de verleende subsidie.
Artikel 2.14Verplichting subsidieontvanger
De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie.
Paragraaf 3. Samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland)
Artikel 2.15Criterium
Een aanvraag voor een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) moet voldoen aan het volgende criterium: het project of de activiteit moet concreet bijdragen aan de uitwisseling van kennis en ervaring of onderdeel zijn van bredere activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.
Artikel 2.16Prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten verstrekken een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) in de vorm van een prestatiesubsidie.
Artikel 2.17Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 2.18Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt maximaal € 400,-- per persoon die deelneemt aan een kennisuitwisselingsproject of op jaarbasis € 700,-- voor activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.
Artikel 2.19Indieningstermijn aanvraag
In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.
Artikel 2.20Voorschotverlening
Gedeputeerde Staten verstrekken de aanvrager bij hun besluit tot subsidieverlening in afwijking van artikel 1.14 ambtshalve een voorschot van 90% van de verleende subsidie.
Hoofdstuk 3. Bijzondere bepalingen Economie, Milieu en Toerisme
25[Toelichting: In het Bestuursakkoord 1999-2003 hebben Gedeputeerde Staten de ambitie uitgesproken om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie. In het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+ wordt dit nader uitgewerkt. De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor het beleid gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijssels Midden- en Kleinbedrijf. De beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB werkt dit beleid verder uit. In dit hoofdstuk geven wij in de volgende paragrafen subsidiëringsmogelijkheden aan: • in paragraaf 1 subsidies voor Europese programma's; • in paragraaf 2 subsidies voor bedrijvigheid en werkgelegenheid; • in paragraaf 3 subsidies voor het programma Leren voor duurzame ontwikkeling, vermindering van afvalstoffen en schoner produceren.
Europese programma's Doelstelling 2 en LEADER+ De subparagraaf Doelstelling 2 en LEADER+ betreft subsidiebepalingen voor de besteding van de Europese, rijks- en provinciale cofinancieringsmiddelen bij de Europese programma’s Doelstelling 2 en LEADER+. Doelstelling 2 is een programma, dat op grond van artikel 4 van Verordening (EG) 1260/1999 en Verordening (EG) 1783/1999 door de Europese Commissie voor Oost-Nederland is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Het provinciebestuur van Overijssel onderscheidt hierin drie deelprogramma’s: a. Doelstelling 2-programma Plattelandsontwikkeling voor de regio’s Salland, Twente, Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek; b. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 2 voor de regio Twente; c. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 5B Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek.
LEADER+ is een programma voor Oost-Nederland dat op basis van artikel 20 van Verordening (EG) 1260/1999 en Mededeling van de Europese Commissie 2000/C 139 door de Europese Commissie is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Gedeputeerde Staten hebben gekozen voor één regeling die de wettelijke basis biedt voor de subsidiëring van activiteiten die bijdragen ontvangen uit één van de Europese Structuurfondsen en uit provinciale of rijksmiddelen. Hiermee wordt bereikt dat de subsidieontvanger voor het hele subsidiebedrag aan dezelfde voorwaarden en verplichtingen moet voldoen, ongeacht de herkomst van (een deel van) de subsidie. Uiteraard geldt hierbij dat zowel aan communautaire als aan nationale en provinciale regelgeving moet worden voldaan.
De bedoelde Europese en rijkscofinancieringsmiddelen worden aan Overijssel verstrekt voor de uitvoering van die Europese programma’s, waarvoor de provincie Overijssel door het Rijk in de periode 2000-2006 als betalingsautoriteit is aangewezen. Het Doelstelling 2-programma is opgenomen in het Enkelvoudig Programmeringsdocument voor Oost-Nederland (EPD Oost).Na consultatie van diverse betrokken partijen biedt het programma een vertaling van en nadere invulling aan de regels van de Europese Unie voor de besteding van middelen. De beleidsprioriteiten van de Europese Unie houden onder meer in, dat subsidiëring alleen mogelijk is binnen vooraf geselecteerde en op kaart vastgelegde regio’s. Deze regio’s kampen in vergelijking met andere regio’s in de Europese Unie met vormen van (sociaal-economische) achterstand en/of probleemsituaties.
Het LEADER+-programma is eveneens na consultatie van diverse lokale betrokken partijen totstandgekomen. Het programma is een uitwerking van Richtlijnen van de Europese Unie en de Mededeling betreffende LEADER+ van de Europese Commissie. In tegenstelling tot het Doelstelling 2-programma zijn de betrokken plattelandsgebieden geselecteerd door een selectiecommissie, op kaart vastgelegd en daarna door Gedeputeerde Staten vastgesteld. De Doelstelling 2- en LEADER+-programma’s bestrijken ook delen van de provincies Gelderland en Utrecht. Beide programma’s zijn in nauw overleg met het provinciaal bestuur van Gelderland en Utrecht totstandgekomen. Regelgeving van de Europese Unie De criteria op grond waarvan een gebied voor Europese subsidie in aanmerking kan komen, de te financieren prioriteiten, de hoogte van de subsidie en andere uitvoeringsbepalingen zijn neergelegd in Europese regelgeving.
Hieronder vallen o.a.: • het Europees Verdrag; • meerdere Europese verordeningen; • de programmadocumenten en -complementen van Doelstelling 2 en LEADERr+; • De ontwikkelingsplannen van de plaatselijke groepen. Met name de volgende Europese verordeningen zijn van belang in de relatie tussen de provincie Overijssel en de subsidieontvanger: Verordening (EG) nrs: • 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (Pb L 161); • 1783/1999 van de Raad van 12 juli 1999 met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Pb L 213); • 1159/2000 van de Commissie van 30 mei 2000 inzake door de lidstaten uit te voeren voorlichtings- en publiciteitsacties met betrekking tot de bijstandsverlening uit de structuurfondsen (Pb L 130); • 448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van uitgaven voor door de structuurfondsen mede gefinancierde verrichtingen (Pb L 193); • 438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 63); • 448/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de procedure inzake financiële correcties betreffende uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 64);
Daarnaast is van belang de mededeling van de Commissie aan de Lidstaten van 14 april 2000 tot vaststelling van de richtsnoeren voor het communautaire initiatief voor plattelandsontwikkeling (LEADER+) (Pb 2000/C139). Staatssteun Op grond van het Europese recht mag er geen sprake zijn van verboden staatssteun. Deze bepaling is vastgelegd in artikel 87 van het Europees verdrag. Samengevat komt het erop neer dat steun aan bepaalde ondernemingen de mededinging niet mag verstoren, voorzover de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Als een onderneming wordt beschouwd: “Iedere eenheid die economische activiteiten ontplooit, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.” (Höfner-arrest).
Op het verbod van staatssteun zijn enkele uitzonderingen van toepassing.
Artikel 87, tweede en derde lid van het Europees Verdrag geven de belangrijkste uitzonderingen. Daarnaast heeft de Europese Commissie enkele vrijstellingsverordeningen vastgesteld en in enkele beschikkingen aangegeven dat in sommige gevallen staatssteun onder bepaalde voorwaarden is toegestaan. De meest bekende vrijstellingsverordening is de zogenaamde ‘De minimis’-regeling. (Vo (EG) nr. 69/2001). Deze regel houdt in dat individuele bedrijfssteun is vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie indien wordt voldaan aan de voorwaarde, dat de steun over drie aaneengesloten jaren in totaal maximaal € 100.000,-- mag bedragen. Iedere subsidieaanvrager moet in het aanvraagformulier opgeven hoeveel steun hij/zij in de afgelopen drie jaren heeft ontvangen.
Op 23 december 2003 heeft de Europese Commissie de Landbouwverordening vastgesteld (Vo (EG) nr. 1/2004). Deze vrijstellingsverordening is specifiek van toepassing op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten. Alle steun aan landbouwbedrijven moeten aan deze regeling worden getoetst. Iedere subsidieaanvraag wordt door de provincie getoetst op verboden staatssteun. Indien blijkt dat er sprake is van verboden staatssteun, waarvoor de uitzonderingen niet van toepassing zijn, is subsidieverlening niet toegestaan. De aanvraag kan echter ter beoordeling aan de Europese Commissie worden voorgelegd. Aanvraagformulier Voor de indiening van een verzoek om Europese subsidies wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier.
Het formulier is enerzijds het document waarin de aanvragers hun gegevens moeten invullen, anderzijds geeft het aan hoe Gedeputeerde Staten met verschillende aspecten van de subsidieverstrekking omgaan. De Toelichting per kostencategorie van de projectbegroting wordt hierin uitgebreid belicht. Plattelandsontwikkeling U dient de bepalingen in deze subparagraaf te lezen in samenhang met de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij d.d. 14 mei 2002 (Staatscourant nr. 91 d.d. 16 mei 2002). Aanvragen om subsidie worden ingediend bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten brengen over de aanvragen een positief of negatief advies uit aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Tevens zijn Gedeputeerde Staten bevoegd een provinciale cofinancieringsbijdrage ter beschikking te stellen. Vervolgens neemt de minister het besluit tot subsidieverlening. De beschikking tot subsidieverlening door de minister heeft betrekking op de Europese, rijks- en provinciale bijdrage. De controle op de uitvoering van projecten en eventuele juridische procedures tegen beschikkingen worden door de minister uitgevoerd. Bedrijvigheid en werkgelegenheid Arbeidsplaatsenpremie De Arbeidsplaatsenpremie (in afkorting APR II) is gericht op de ontwikkeling van de dienstensector en op het versterken van kennis en hoogwaardige technologische en innovatieve industriële en dienstverlenende sectoren. De APR II wordt gefinancierd vanuit het Enkelvoudig Programmeringsdocument Oost-Nederland (EPD).
Het Ministerie van Economische Zaken heeft het voorbehoud gemaakt dat regionale steuninstrumenten niet mogen worden gebruikt om uitruil van arbeidsplaatsen en/of bedrijfsverplaatsing tussen de verschillende ‘steunkaartgebieden’ in Nederland te stimuleren. Dit betekent dat voor het verplaatsen van een onderneming vanuit de overige steunkaartgebieden in Nederland naar Overijssel geen subsidie wordt verleend. Daarnaast wensen wij bedrijfsverplaatsingen binnen de provincie Overijssel, tenzij om redenen van externe veiligheid (zie subparagraaf 2.2) niet te subsidiëren. Indien de verplaatsing gepaard gaat met een uitbreiding, komt het uitbreidingsdeel eventueel voor subsidie in aanmerking. De hiervoor genoemde steunkaartgebieden in Nederland zijn: Provincie Groningen: Appingedam, Delfzijl, Eemsmond, Groningen, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Menterwolde, Slochteren, Veendam, Vlagtwedde (bedrijventerrein Groningen-Zuid Oost), Winschoten.
Provincie Friesland: Bolsward, Franekeradeel, Harlingen, Heerenveen, Leeuwarden, Menaldumadeel, Opsterland, Skarsterland, Smallingerland, Sneek, Weststellingwerf (bedrijventerrein Wolvega-Oostflank). Provincie Drenthe: Assen, Coevorden, Emmen, Hoogeveen, Meppel, Middelveld (bedrijventerrein Tweesporenland), Noordenveld, Zuidlaren. Provincie Limburg: Beek, Born, Echt, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maasbracht, Nuth, Roermond, Sittard, Susteren. Provincie Flevoland: Lelystad en Urk.]
Paragraaf 1. Europese programma’s
Artikel 3.1Prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies bedoeld in deze paragraaf in de vorm van een prestatiesubsidie.
Subparagraaf 1.1. Doelstelling 2 en LEADER+
Artikel 3.2Criteria
Artikel 3.3Indieningtermijn aanvraag
Artikel 3.4Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening
In aanvulling op artikel 1.11 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens: a. documenten waaruit blijkt dat de bekostiging van de medefinanciers is verzekerd; b. een financiële uitgavenplanning in perioden van vier maanden; c. de benodigde vergunningen; het ontbreken van de vergunningen staat niet in de weg aan het afgeven van een advies door de plaatselijke groep/stuurgroep; d. alle stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Europese subsidies.
Artikel 3.5Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen twee keer per jaar een subsidieplafond vast.
Artikel 3.6Wijze van behandeling van de aanvragen
Artikel 3.7Beslistermijn
In afwijking van artikel 1.13 beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken na ontvangst van het advies van de desbetreffende stuurgroep of plaatselijk groepen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd.
Artikel 3.8Verlening van voorschot
Artikel 3.9Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 3.10Rapportage
Artikel 3.11Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
In afwijking van artikel 1.15 dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij Gedeputeerde Staten bij de subsidieverlening een andere termijn hebben aangegeven.
Artikel 3.12Terugvordering
Indien de bijdrage(n) uit de Europese middelen of de bijdrage uit de provinciale of rijksmiddelen als gevolg van een beslissing van de Commissie moet(en) worden aangepast, kunnen Gedeputeerde Staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen en het eventueel betaalde terugvorderen.
Artikel 3.13Vervreemding
Indien de subsidieontvanger de met de subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na subsidievaststelling wenst te vervreemden of aan derden ter beschikking te stellen, dient hij hiertoe een verzoek bij Gedeputeerde Staten in.
Subparagraaf 1.2. Plattelandsontwikkeling
Artikel 3.14Criteria
Een aanvraag om subsidie voor projecten die de leefbaarheid van het platteland van de provincie Overijssel verhogen, moet voldoen aan de criteria als bedoeld in artikel 4 van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies.
Artikel 3.15Grondslag voor de subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de som van de totale communautaire en nationale bijdrage, als bedoeld in artikel 1, onder m en n, van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies.
Artikel 3.16Indieningstermijn
In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag worden ingediend gedurende de door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor de provincie Overijssel vastgestelde aanvraagperiode bedoeld in artikel 3 van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies.
Artikel 3.17Wijze van behandeling van de aanvragen
Paragraaf 2. Bedrijvigheid en Werkgelegenheid
Artikel 3.18Prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies bedoeld in deze paragraaf in de vorm van een prestatiesubsidie.
Subparagraaf 2.1. Arbeidsplaatsenpremie
Artikel 3.19Criteria
26 [Toelichting: Voor subsidie komen in aanmerking die projecten, die worden uitgevoerd door een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon. Publiekrechtelijke rechtspersonen, bij voorbeeld gemeente- of waterschapsbesturen, zijn uitgesloten van subsidiëring. Een project dat wordt uitgevoerd door een privaatrechtelijke rechtspersoon waarvan de aandelen geheel of gedeeltelijk in bezit zijn van een publiekrechtelijke rechtspersoon, kan in aanmerking komen voor subsidie.] 1. Een privaatrechtelijke rechtspersoon die arbeidsplaatsen inricht bij een vestigingsproject of een uitbreidingsproject in de gemeente of delen van de gemeente Almelo, Borne, Enschede, Hardenberg, Hengelo, Oldenzaal of Steenwijk kan arbeidsplaatsenpremie aanvragen.
Indien een onderneming, al dan niet uit faillissement, door een andere eigenaar wordt voortgezet of wordt ingebracht in een andere rechtspersoon, is er geen sprake van het stichten van een onderneming. In de beoordeling van een mogelijke aanvraag wordt onder meer betrokken in hoeverre de duurzame bedrijfsuitrusting, het personeel, de voorraden, de orderportefeuille en het klantenbestand worden overgenomen, alsmede de activiteiten onder dezelfde handelsnaam worden voortgezet. Een uitbreidingsproject is een project dat uitbreiding beoogt van het aantal arbeidsplaatsen van een stuwende onderneming, een hoofdkantoor of een laboratorium in de in artikel 3.20, eerste lid, genoemde gemeente. Bij het uitbreidingscriterium worden als meetmomenten gehanteerd de indieningdatum van de aanvraag en de indieningdatum van de aanvraag om vaststelling van de subsidie.
Hierbij worden voor wat betreft het eerste meetmoment alle arbeidsplaatsen meegeteld die binnen de onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort, aanwezig zijn, in genoemde gemeenten. Onder het begrip arbeidsplaats verstaan wij een permanent bezette en tot volledige dagtaak omgerekende formatieve eenheid op jaarbasis, gebaseerd op een arbeidsovereenkomst voor een aaneengesloten periode van minimaal 12 maanden. Bij de omrekening tot volledige dagtaak wordt rekening gehouden met de in de CAO vermelde werkweek. Niet in aanmerking komen arbeidsplaatsen die worden vervuld door middel van uitzendkrachten of zgn. nul-urencontracten. Arbeidsplaatsen waarbij sprake is van detachering worden eveneens niet in aanmerking genomen.] de projectkosten bedragen in het geval van een vestigingsproject minimaal € 150.000,-- en in het geval van een uitbreidingsproject minimaal € 500.000,--; 28[Toelichting: De projectkosten zijn van belang omdat de uitbreiding van arbeidsplaatsen gepaard gaat met investeringen in vaste activa. Overigens zijn deze projectkosten alleen van belang voor de bepaling van het minimumbedrag. Om deze reden wordt als investeringskosten ook in aanmerking genomen de contante waarde van de huurtermijnen ingeval een pand wordt gehuurd. Hierbij wordt alleen de vaste huurperiode in aanmerking genomen die in de huurovereenkomst wordt genoemd.] de uit hoofde van deze regeling verleende subsidie cumuleert niet met door het Rijk en de Europese Unie verstrekte subsidies in het kader van regionaal beleid ten behoeve van investeringen door ondernemers; 29[Toelichting: Cumulatie van subsidie uit hoofde van deze regeling en (bijvoorbeeld) subsidie door het Ministerie van Economische Zaken op grond van het Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten 2000, is niet toegestaan.] de projectkosten worden in redelijke mate met eigen middelen gefinancierd. Hierbij wordt een norm gehanteerd van 25% van de projectkosten; de onderneming zal naar verwachting blijven voortbestaan nadat de ondernemingsactiviteiten, na de uitvoering van het project, zijn begonnen; 30[Toelichting: Voorkomen moet worden dat subsidie wordt verleend aan een bedrijf dat, naar verwachting, na realisatie van het project niet levensvatbaar blijkt te zijn. De levensvatbaarheid wordt op het moment van indiening van de aanvraag onder andere beoordeeld aan de hand van de verwachte verhouding tussen eigen en vreemd vermogen in de onderneming na realisatie van het project.] de betrokken sector van het bedrijfsleven verzet zich niet tegen het project; 31[Toelichting: Indien de gewenste structuur van de betrokken sector van het bedrijfsleven zich tegen het project verzet bijvoorbeeld indien in de betrokken sector sprake is van aantoonbare overcapaciteit, kan de aanvraag worden afgewezen.]
vestiging of uitbreiding van een complex van vakantiewoningen of vakantieappartementen maakt geen deel uit van het project.
Artikel 3.20Grondslag subsidie
Vestigingsproject: het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen wordt bepaald op het moment van indienen van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie. Alle arbeidsplaatsen die op dat moment voldoen aan het criterium, worden in aanmerking genomen. Vervolgens worden van deze arbeidsplaatsen de loonkosten berekend voorzover deze loonkosten zijn betaald op het moment van indienen van de aanvraag tot vaststelling. Dit betekent dat indien een arbeidsplaats wordt vervuld één maand voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling, van deze arbeidsplaats slechts de loonkosten gedurende één maand worden meegenomen. Uitbreidingsproject: de toename van het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen wordt bepaald als het verschil in arbeidsplaatsen tussen de twee meetmomenten.
Indien de toename voldoet aan het criterium, vindt de berekening van de subsidiegrondslag verder plaats op dezelfde wijze als vermeld onder vestigingsproject. In beide gevallen kan overigens nog wel een correctie plaatsvinden op grond van artikel 3.21, derde lid. Het aangaan van mondelinge arbeidsovereenkomsten, alsmede arbeidsovereenkomsten met ontbindende danwel opschortende voorwaarden, wordt voor de arbeidsplaatsenpremie in het algemeen aangemerkt als het aangaan van verplichtingen. Indien de datum van deze arbeidsovereenkomsten is gelegen vóór de datum van de indiening van de aanvraag tellen deze niet mee als arbeidsplaats.] 2. Het maximale subsidiebedrag wordt verlaagd indien de normen van de Europese Commissie daartoe aanleiding geven.
Artikel 3.21Indieningstermijn
37 [Toelichting: De datum waarop de subsidieaanvraag moet zijn ingediend houdt verband met de looptijd van het programma. Beschikkingen aan individuele projectuitvoerders kunnen voor het Regionaal Bedrijventerrein Twente worden verstrekt tot 31 december 2006. Gedeputeerde Staten hebben voor de behandeling van een subsidieaanvraag een redelijke termijn nodig vandaar dat de indieningstermijn gesteld is op 1 oktober 2006.] In afwijking van artikel 1.10 moet een subsidieaanvraag die betrekking heeft op het Regionaal Bedrijventerrein Twente (RBT) worden ingediend vóór 1 oktober 2006.
Artikel 3.22Aanvullende stukken bij een aanvraag
In aanvulling op artikel 1.11 overlegt de aanvrager bij de subsidieaanvraag tevens de bijlagen zoals aangegeven in het aanvraagformulier.
Artikel 3.23Subsidieplafond
38[Toelichting: Jaarlijks stellen Gedeputeerde Staten het beschikbare budget vast. Hierbij hebben Gedeputeerde Staten de mogelijkheid het budget naar werkingsgebied en naar aard van het project (vestigings- of uitbreidingsproject) te verdelen. Het werkingsgebied van de APR II is immers verdeeld over drie verschillende Europese Programma’s: • Doelstelling 2 Uitfasering: gemeenten Almelo, Hengelo, Enschede, Oldenzaal, Borne; • Doelstelling 2 Platteland: Regionaal Bedrijventerrein Twente; • Doelstelling 5b Uitfasering: Steenwijk en Hardenberg (gedeeltelijk). Daarnaast worden projecten in het gedeelte van Hardenberg dat niet valt onder Doelstelling 5b Phasing Out gefinancierd uit andere middelen.] Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Het subsidieplafond kan worden onderverdeeld in deelplafonds voor de diverse werkingsgebieden en voor vestigings- respectievelijk uitbreidingsprojecten.
Artikel 3.24Wijze van behandeling van de aanvragen
Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
Artikel 3.25Advies
39 [Toelichting: Het is van belang dat de gemeente waar het project wordt gerealiseerd, betrokken wordt bij een subsidieaanvraag, zodat alle elementen die van belang zijn bij de beoordeling van het project kunnen worden meegenomen. Bovendien wordt een deel van de subsidie gefinancierd door de gemeente. Vandaar dat de betrokken gemeente om advies wordt gevraagd voordat over het project wordt beslist.] 1. Een subsidieaanvraag wordt, onmiddellijk na ontvangst, om schriftelijk advies voorgelegd aan het gemeentebestuur in de gemeente waar het project wordt gerealiseerd.
Artikel 3.26Verplichting subsidieontvanger
40 [Toelichting: De hierin opgenomen verplichting houdt verband met de eis van de Europese Commissie, zoals geformuleerd in de richtsnoeren voor regionale steun, dat de arbeidsplaatsen gedurende een periode van minimaal vijf jaar behouden moeten blijven voor de regio. De subsidieontvanger dient de provincie Overijssel dan ook onverwijld in kennis te stellen van elk voornemen om arbeidsplaatsen af te stoten of te laten vervallen. Op basis daarvan kan de provincie bepalen welk deel van de vastgestelde en uitbetaalde subsidie door de subsidieontvanger moet worden terugbetaald.] De met de verleende subsidie te realiseren arbeidsplaatsen blijven in ieder geval gedurende vijf jaar na de indiening van de subsidieaanvraag in stand.
Artikel 3.27Vaststelling van de subsidie
41[Toelichting: Het gaat bij subsidieverlening niet alleen om de intentie arbeidsplaatsen te creëren maar ook om de daadwerkelijke inzet daarvan. Alleen dan kan de doelstelling van de regeling, het stimuleren van het creëren van extra arbeidsplaatsen in de stuwende sectoren van de regionale economie, worden gerealiseerd. Het is de bedoeling de beschikbare subsidies te gebruiken voor projecten die op korte termijn een impuls geven aan de sociale economische ontwikkeling van de regio. Een verzoek om vaststelling moet worden ingediend vóór 1 november van het jaar volgend op het jaar dat de subsidieaanvraag is ingediend. Deze datum houdt eveneens verband met de afrekentermijnen met de Europese Unie. De provincie dient de middelen die aan haar in het kader van deze APR II worden toegekend binnen 24 maanden na de toekenning af te rekenen. Om de individuele projecten tijdig af te kunnen wikkelen is gekozen voor de datum van 1 november.] 1. Na de uitvoering van het project, maar in ieder geval vóór 1 november van het jaar na de indiening van de subsidieaanvraag, dient een aanvraag tot vaststelling van de subsidie te worden ingediend.
Artikel 3.28Intrekken of wijzigen subsidieverlening
Gedeputeerde Staten kunnen de beschikking tot subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien: a. de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen in de onderneming gezien de rentabiliteit en de aard van de onderneming niet aanvaardbaar is of indien gerede twijfel bestaat omtrent het voortbestaan van de onderneming, of b. aan de subsidieontvanger surseance van betaling is verleend of de subsidieontvanger failliet is verklaard.
Subparagraaf 2.2. Bedrijfsverplaatsingen
Artikel 3.29Criteria
42[Toelichting: Met het verplaatsen van een bedrijf dat een extern veiligheidsrisico vormt, wordt beoogd dat de kans zo klein mogelijk wordt gehouden dat mensen in de omgeving van een bedrijf overlijden tengevolge van een ongeval in dat bedrijf. De sanering door verplaatsing houdt dan in: beëindiging van de activiteiten van de inrichting op de saneringslocatie gevolgd door hervatting daarvan elders binnen Overijssel, teneinde het externe veiligheidsrisico op de saneringslocatie tot een verwaarloosaar niveau terug te brengen. De vermenigvuldiging van de-kans-op maal het effect (overlijden) wordt aangeduid met het begrip risico. Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats, namelijk de kans per jaar dat iemand die onafgebroken en onbeschermd daar zou verblijven, overlijdt.
Hierbij is niet van belang of op die plaats werkelijk iemand aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Een plaatsgebonden risico van 10-6 betekent dat een omwonende van bijvoorbeeld een chloorfabriek een kans van één op een miljoen heeft om als gevolg van een ramp te overlijden. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour) rond een bedrijf of – zoals in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer genoemd – de inrichting. Dit ‘risico’ is één van de mogelijke maten voor de zgn. ‘externe veiligheid’ van een bedrijf, de mate waarin processen en vooral calamiteiten binnen een bedrijf naar buiten toe risico’s vormen.
Het begrip dat hierbij ook wordt gebruikt, is de ‘letaliteitsafstand’. Het provinciebestuur zal een aanvraag in behandeling nemen, als verplaatsing wordt beoogd voor een inrichting die een extern veiligheidsrisico vormt. Het externe veiligheidsrisico wordt dan berekend als plaatsgebonden risico buiten de grens van de inrichting, dat tussen de 10-5 per jaar contour en 10-8 per jaar contour ligt en/of binnen de maximale 1% letaliteitsafstand. De maximale 1% letaliteitafstand is de afstand vanaf de grens van een inrichting, een transportroute of een buisleiding, waarbinnen als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding, de kans op overlijden van aanwezige personen als gevolg van een explosie, brand of het vrijkomen en blootgesteld worden aan toxische stoffen, hitte of drukbelasting, bij atmosfeerstabiliteitsklasse F 1,5 volgens Pasquill, 1% of hoger is.
Binnen de definitie van 1% letaliteitsafstand vallen toxiciteit, hittebelasting en drukbelasting. Indien een letaal (of dodelijk) effect kan optreden door een stof die directe vergiftiging veroorzaakt is sprake van toxiciteit. Treedt schade op bij korte blootstelling aan de stralingeffecten bij een brand dan is er sprake van hittebelasting. Een explosie heeft (piek)overdruk tot gevolg. Door de drukbelasting kan fragmentatie ontstaan van de omhulling, glasbreuk of schade door brokstukken. Daardoor kunnen dodelijke slachtoffers vallen. De letaliteitsafstand wordt berekend volgens de rekenmethode van de Commissie Preventie van Rampen (CPR-richtlijn) of op basis van het (nog in werking te treden) Registratiebesluit risicosituaties gevaarlijke stoffen.] 1. Een gemeentebestuur binnen de provincie Overijssel kan subsidie aanvragen in de kosten van het verplaatsen van een bedrijf dat een veiligheidsrisico vormt voor de leefomgeving uit het fonds bedrijfsverplaatsingen Overijssel 2004.
Artikel 3.30Grondslag voor de subsidie
Artikel 3.31Wijze van behandeling van aanvragen
Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen die voldoen aan de in artikel 3.29 genoemde criteria in de volgorde van ontvangst waarbij zij rekening houden met de volledigheid van de aanvraag.
Artikel 3.32Aanvullende stukken bij de aanvraag
In aanvulling op artikel 1.11 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens: a. een verklaring van de houder van de inrichtingsvergunning, waarin deze zich bereid verklaart om een verzoek tot intrekking van de milieuvergunning in te dienen, danwel mededeling te doen dat niet langer gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de artikelen 8.40 en 8.41 van de Wet milieubeheer bieden voor het uitvoeren van bedrijfsactiviteiten op de saneringslocatie; b. een gespecificeerde raming van de verwervings- en/of verwijderingskosten van de sanering door verplaatsing, waaruit het nettotekort blijkt, onderbouwd door een onafhankelijk taxatierapport van de saneringslocatie en de zich daarop bevindende gebouwen; c. de opbouw en samenstelling van de gemeentelijke bijdrage; d. een gespecificeerde raming van vergoedingen, opbrengsten of andere inkomsten, die het gemeentebestuur of de houder van de inrichtingsvergunning verkrijgen voor de sanering door verplaatsing, medeblijkend uit de gemeentelijke grondexploitatie van de herontwikkeling; e. afschrift van het besluit dat het gemeentebestuur een bestemmingsplanherziening heeft gestart voor de saneringslocatie opdat niet opnieuw activiteiten kunnen plaatsvinden die een extern veiligheidsrisico veroorzaken.
Artikel 3.33Voorschotverlening
In afwijking van artikel 1.14 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van maximaal 50% van de verleende subsidie, zodra het gemeentebestuur schriftelijk heeft bericht dat de uitvoering van het project is gestart.
Subparagraaf 2.3. In actie voor werkgelegenheid
Artikel 3.34Subsidiabele activiteiten
46[Toelichting: Dit artikel is bedoeld als vangnet voor de beleidslijnen binnen het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief. Wanneer Gedeputeerde Staten van oordeel zijn, dat de te subsidiëren activiteit niet wordt beoogd onder de hierna volgende subparagrafen 3.4 tot en met 3.7, maar wel past binnen het MEUP, dan kunnen gedeputeerde staten een aanvraag honoreren. Overigens beoogt het provinciebestuur met het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel (MEUP) uitdrukkelijk een verbinding te leggen met andere beleidsvelden die kunnen bijdragen aan het thema. Bij voorbeeld met cultuur, zorg, wonen, platteland. Deze integraliteit willen wij bij de uitvoering vasthouden.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de thema’s van het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel ‘In actie voor werkgelegenheid’.
Artikel 3.35Niet-subsidiabele kosten
Ten aanzien van de subparagrafen 3.4 tot en met 3.7 worden als niet subsidiabele kosten aangemerkt: a. interne kosten; b. dat deel van de kosten dat niet noodzakelijk is voor de realisatie van de activiteit; c. verrekenbare heffingen, belastingen of lasten; d. rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; e. afschrijvingskosten; f. kosten van aankoop van gebouwen en/of grond; g. kosten van planschade; h. kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering; i. winstopslagen bij transacties binnen een groep van ondernemingen; j. kosten van planschade Subparagraaf 2.4. Ruimte voor ondernemen: de toegankelijkheid en verbetering van de bedrijfsomgeving
Artikel 3.36Subsidiabele activiteiten
47[Toelichting: Een korte toelichting op de gebruikte begrippen. Een masterplan is een plan waarin op basis van kansen- en knelpuntenanalyse is vastgelegd (a) hoe kansrijk de herstructurering voor het betrokken bedrijventerrein is, (b) hoe betrokken ondernemers en overheden gezamenlijk de aanpak van de herstructurering vorm willen geven, (c) hoe daarvoor de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden verdeeld en (d) op basis waarvan besluiten daartoe kunnen worden genomen. Parkmanagement is het in een publiek-private samenwerking sturen van vorm, voorzieningen en beheer van een bedrijventerrein, met als doel het structureel op peil houden van het gewenste kwaliteitsniveau van de bedrijfsomgeving.
Parkmanagement geeft sturing aan de inrichting en het beheer van het (bebouwde) terrein, de initiatie en de exploitatie van zowel collectieve als individuele voorzieningen en diensten. Daarnaast analyseert en organiseert parkmanagement samenwerkingsmogelijkheden, met als doel het verkrijgen en behouden van een hoog kwaliteitsniveau van zowel de openbare als de private ruimte. Innovatie is broodnodig Programmaplan Kennispark Twente Of een activiteit subsidiabel is of niet hangt ervan af of de activiteit past binnen het kader van het Programmaplan Kennispark Twente. Dit plan is opvraagbaar bij het Europaloket van de provincie Overijssel. Actieprogramma Breedband 2005-2007 Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel willen het gebruik van breedband voor ondernemers, instellingen en burgers bevorderen.
Het actieprogramma is samen met de vijf grote gemeenten en de Stichting Breedband Twente vormgegeven. Breedband is de infrastructuur die geschikt is voor: • beeld- en geluidstoepassingen van een goede kwaliteit; • het uitwisselen van omvangrijke gegevensbestanden; • waarvan de verbinding continu beschikbaar is; • tenminste een capaciteit van 10 Mbps ondersteunt en • toekomstvast is in die zin dat hogere capaciteiten later tegen relatief geringe kosten realiseerbaar zijn. Breedbanddiensten betreffen de toepassingen die de afnemer innovatieve elektronische (communicatie)diensten bieden en die gebruikmaken van breedbandinfrastructuur. Met het Actieprogramma Breedband wil het provinciebestuur uiterlijk in 2007 de volgende ambities bereiken: 1. de stedelijke netwerken Netwerkstad Twente, Stedendriehoek en Zwolle-Kampen zijn onderling door middel van een open glasvezelinfrastructuur ontsloten.
Daarmee is een open ‘backbone’ glasvezelring in Overijssel gerealiseerd. Hierop worden Triple diensten (Telefonie, RTV, Internet) aangeboden. Er is sprake van kostenreductie. Op die interstedelijke glasvezelring zijn minimaal vijf plattelandskernen aangesloten; provincie maakt zich sterk voor de interstedelijke verbindingen, de grote steden voor de glasvezelinfrastructuur in de stad; 2. alle uitvoerende instellingen met een provinciale meerjarige prestatiesubsidie, de vijf steden en de provincie hebben op basis van een visie op hun dienstverlening en bedrijfsvoering/exploitatie een besluit genomen over gebruik van en dienstenontwikkeling over breedbandinternet; 3. binnen twee jaar na 2004 vinden diverse experimenten met breedbanddienstenontwikkeling in de zorgsector, de cultuur-/bibliotheeksector, de overheidsdienstverlening en het onderwijs plaats.
Deze experimenten zijn na afronding zelfstandig exploitabel. Provincie en gemeenten maken zich sterk voor actieve participatie en investeringen van het bedrijfsleven Binnen het actieprogramma Breedband passen drie soorten van acties: A. Vraagbundeling De realisatie van een open glasvezelring tussen de vijf grote steden in Overijssel in 2007 bereiken we allereerst door vraagbundeling in de grote steden. De vraagbundeling vindt plaats op lokaal niveau. Op deze schaal is er inzicht in de vraag van instellingen en bedrijven naar breedband vereisende toepassingen. Vanuit de bundeling van de vraag ontstaan businesscases die voor partijen in de markt economisch exploitabel zijn. Door van één, open netwerk gebruik te maken kan bespaard worden op telefonie en datacommunicatie en wordt een interessante markt voor nieuwe dienstenaanbieders ontwikkeld.
De realisatie van de glasvezelring tussen de steden draagt ook bij aan de ontsluiting van het platteland. B. Elektronische dienstverlening De vijf grote gemeenten en de provincie investeren in publieke elektronische dienstverlening via internet op basis van een individueel door de Colleges van Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten bepaald ambitieniveau gebaseerd op het programma ‘De andere overheid’. Accenten in de samenwerking worden gelegd bij: • het raadplegen van tot dusver minimaal ontsloten publieke informatie bijvoorbeeld beeldarchieven; • het bevorderen van één-loket-initiatieven zodat dienstverlening naar burgers en bedrijven voor het grootste gedeelte elektronisch wordt; • het gebruikmaken van internet als het gaat om burgerraadplegingen, interactieve beleidsvorming en politieke communicatie met burgers en organisaties.
C. Stimuleren breedbanddiensten Het gebruik van breedbandinternet willen wij stimuleren door ontwikkeling en toepassing van breedbanddiensten. In de periode 2005-2007 stimuleren we de ontwikkeling van breedbanddiensten door goede voorbeeldprojecten te ondersteunen. Deze projecten moeten in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden: • de dienst vergroot de toegang en het gebruik van het breedbandnetwerk; • de dienst heeft een demonstratie-effect naar andere instellingen en bedrijven; • de dienst wordt na opstartfase zelfstandig geëxploiteerd en is dan toepasbaar voor meer partijen dan alleen de projectindieners; • de dienst draagt bij aan de doelstellingen die binnen diverse beleidsterreinen zijn verwoord in het provinciaal Onderhandelingsakkoord ‘Ruimte voor actie’ 2003-2007; • bij de ontwikkeling en productie van de dienst is actieve participatie van het bedrijfsleven vereist.] 1. Binnen het thema Ruimte voor ondernemen kan subsidie worden gevraagd voor: het opstellen van masterplannen voor een duurzame herstructurering van bedrijventerreinen; activiteiten gericht op verduurzaming van bedrijventerreinen, zoals parkmanagement, zorgvuldig ruimtegebruik, veiligheid, energie, hergebruik van afvalstoffen en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen; strategische planvorming ten aanzien van bovenregionale bedrijventerreinen; strategische planvorming ten aanzien van ontwikkeling van bedrijfsverzamelgebouwen; strategische planvorming met betrekking tot multimodaal goederen- en personenvervoer; de uitvoering van herstructurering van bestaande bedrijventerreinen.
Artikel 3.37Grondslag voor de subsidie
Artikel 3.38Aanvullende stukken bij de aanvraag
In aanvulling op artikel 1.11 overlegt de aanvrager voor uitvoering van herstructurering van bestaande bedrijventerreinen bij de aanvraag tevens: a. een door het gemeentebestuur vastgesteld masterplan; b. een draagvlakverklaring; c. een plan van aanpak hoe na afloop van het herstructureringsproject het bereikte kwaliteitsniveau van het bedrijventerrein wordt gewaarborgd.
Subparagraaf 2.5. Innovatie is broodnodig
Artikel 3.39Criteria
48[Toelichting: Een korte toelichting op de gebruikte begrippen. Tot de categorie stuwende ondernemingen rekenen wij ondernemingen die naar hun aard niet aan een vestigingsplaats zijn gebonden. Voor deze ondernemingen bestaat een keuze tussen een aantal reële vestigingsplaatsen. Van de onderneming dient een stimulerende werking uit te gaan op de economische ontwikkeling van Overijssel en minstens de helft van de omzet dient te worden gerealiseerd buiten de provincie Overijssel. Stuwende ondernemingen onderscheiden zich van verzorgende ondernemingen. Bij verzorgende ondernemingen wordt de plaats van vestiging voor een belangrijk deel bepaald door de nabijheid van de klantenkring. Deze ondernemingen vallen buiten de werkingssfeer van de regeling. Tot de verzorgende ondernemingen kunnen in zijn algemeenheid worden gerekend (niet limitatief): • gezondheids- en veterinaire diensten; • bouw- en installatiebedrijven; • tussenpersonen in de handel m.u.v. landelijk werkende distributiecentra; • detailhandel m.u.v. postorderbedrijven; • restaurants en café’s; • (sociaal-)culturele instellingen; • reparatiebedrijven voor gebruiksgoederen; • onderwijsinstellingen m.u.v. bedrijven voor schriftelijk onderwijs; • exploitatie van en handel in onroerend goed; • persbureaus; • bankfilialen; • vestigingen van vrije beroepen; • uitzendbureaus. Indien bovengenoemde bedrijven wel voldoen aan de criteria van het begrip stuwend kunnen zij uiteraard een beroep doen op de regeling.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen voor de volgende activiteiten:
Onderzoekprojecten die het innovatievermogen van ondernemingen vergroten;
Ontwikkelprojecten die het innovatievermogen van ondernemingen vergroten;
Activiteiten die beogen het innovatievermogen van ondernemingen te vergroten en clusters en netwerken te professionaliseren;
Activiteiten die zijn omschreven in het Programmaplan Kennispark Twente;
Activiteiten die vallen binnen het kader van het Actieprogramma Breedband Overijssel 2005-2007.
De activiteit moet bijdragen aan besparing van energie en verminderen milieudruk;
Er moet zicht zijn op een commerciële toepassing van de innovatie;
De activiteiten hebben geen betrekking op de sectoren dienstverlening of toerisme.
De minimale kosten van een project bedragen € 2.500,--.
Artikel 3.40Grondslag voor de subsidie
Artikel 3.40aGegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
Voor subsidies als bedoeld in artikel 3.39 lid 1 sub a en b zijn artikwel 1.16 lid 2 en artikel 1.17 niet van toepassing.
Subparagraaf 2.6. Arbeidsmarkt en onderwijs
Artikel 3.41Criteria
Artikel 3.42Grondslag voor de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.
Subparagraaf 2.7. Kwaliteitsimpuls recreatie en toerisme
Artikel 3.43Criteria
49[Toelichting: Onder toeristisch-recreatieve infrastructuur wordt verstaan de gerealiseerde dagrecreatieparken het Hulsbeek, het Rutbeek, het Arboretum Poort-Bulten, het Lageveld, de Wythmenerplas en de gerealiseerde recreatieve fietspaden op het provinciale Raamplan fietspaden. Verder de gerealiseerde subsidiabele recreatieve infrastructuur van de Regio IJssel-Vecht, de Regio Twente, de Recreatiegemeenschap Salland en het Waterschap Reest en Wieden. Dus inclusief de onderhoudskosten van de LAW’s, LF’s en het provinciale paardrijroute- en kanoroutenetwerk. Onder routestructuren worden verstaan de routestructuren voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen. Recreatieve fietspaden zijn die fietspaden die als zodanig zijn opgenomen op het provinciale Raamplan fietspaden.
Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes e.d. Voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen geldt dat de subsidie is gebaseerd op het principe van 50% provinciale bijdrage in het niet door derden gedekte deel van de subsidiabele investeringskosten. Van de subsidieaanvrager wordt verlangd dat een maximale inspanning wordt verricht om subsidie van derden (bijvoorbeeld Rijk of EU) te verkrijgen. Bij subsidies voor het beheer en het onderhoud van de recreatieve openbare infrastructuur geldt het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Een en ander op basis van de in het verleden gemaakte afspraken tussen de provincie en projectpartners.
Duurzame ontwikkeling Leren voor Duurzame Ontwikkeling Rijk en decentrale overheden zijn in het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling overeengekomen, dat zij gezamenlijk uitvoering aan dit programma zullen gaan geven. De provincie Overijssel heeft het beleid vastgelegd in het Provinciaal Ambitiestatement Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007 (PAS). In dit kader kunnen Gedeputeerde Staten subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Het provinciebestuur is voor het ontvangen van de rijksbijdrage gebonden aan de voorwaarden van het landelijke uitvoeringskader.] 1. Binnen het thema Kwaliteitsimpuls recreatie en toerisme kan subsidie worden aangevraagd voor: activiteiten die de promotie en marketing van recreatief en toeristisch Overijssel stimuleren; activiteiten die het innovatief vermogen van ondernemers stimuleren; activiteiten om de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur te verbeteren en in stand te houden.
Artikel 3.44Grondslag voor de subsidie
Artikel 3.45Verbod vervreemding
Paragraaf 3. Duurzame ontwikkeling
Artikel 3.46Prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies bedoeld in deze paragraaf in de vorm van een prestatiesubsidie.
Subparagraaf 3.1. Leren voor duurzame ontwikkeling
Artikel 3.47Criteria
50[Toelichting: Het PAS geeft dwingend richting aan de besteding van de subsidie. De provincie Overijssel geeft daarmee uitvoering aan het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007, zoals dat is overeengekomen tussen de Ministeries van LNV, VROM, BuZa/OS, OCW, het IPO en de UvW. In het eerste lid van artikel 3.47 geven wij aan, wie een aanvraag kan indienen. Gemeente- of waterschapsbesturen – meestal het College van Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap – of van een organisatie of instelling met rechtspersoonlijkheid (vereniging of stichting) die activiteiten uitvoert in Overijssel. Dit betekent dat ook rechtspersonen van buiten de provincie een ontvankelijke aanvraag kunnen indienen. Soms zal met de provincies Drenthe en Gelderland afstemming nodig zijn voor aanvragen van de waterschapsbesturen. Afhankelijk van de beoogde doelgroep en het betrokken deel van het waterschapsgebied zullen aanvragen bij beide betrokken provincies en in goede afstemming tussen de betrokken colleges van Gedeputeerde Staten worden behandeld. In het tweede lid van artikel 3.47 is de eis opgenomen van ‘additionaliteit’. Dat wil zeggen dat wij de verwachting hebben dat men ten behoeve van Leren voor duurzame ontwikkeling een extra inspanning levert.] 1. Besturen van gemeenten, waterschappen of andere instellingen of organisaties met rechtspersoonlijkheid die zich (mede) ten doel stellen om in Overijssel activiteiten op het gebied van het Provinciaal AmbitieStatement Leren voor duurzame ontwikkeling (PAS) uit te voeren, kunnen subsidie aanvragen voor activiteiten die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het PAS.
Artikel 3.48Grondslag voor de subsidie
51 [Toelichting: De aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting waarbij men zelf een belangrijk deel van de kosten draagt. Deze eigen bijdrage kan ook uit sponsoring of andere wervingsacties worden verkregen. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten het provinciale subsidiepercentage verhogen. Dit geldt voor projecten die van bijzonder belang zijn voor het realiseren van het PAS, en die zonder een hogere bijdrage niet zouden kunnen worden uitgevoerd.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort, dat wordt vastgesteld door de baten van de activiteiten op de kosten van de activiteiten in mindering te brengen.
Artikel 3.49Indieningstermijn
In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag waarop in de eerste respectievelijk tweede helft van een kalenderjaar wordt beslist, ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van dat kalenderjaar.
Artikel 3.50Stukken bij de aanvraag
52[Toelichting: In artikel 3.50 staan de eisen vermeld waaraan een aanvraag moet voldoen. Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART’ is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen uit het PAS en tijdgebonden. De projectaanvrager moet in beginsel met andere partijen samenwerken. De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij een consortium van ten minste drie partijen is gevormd, waarbij een van de partijen als formele aanvrager (penvoerder) optreedt. De overdraagbaarheid van het project (aanpak en resultaten) vraagt bewust de aandacht van de uitvoerders; zij moeten daarvoor middelen in de projectbegroting opnemen.] In het prestatieplan als bedoeld in artikel 1.11 zijn de volgende elementen opgenomen: a. de doelgroep(en) waarop de activiteiten zijn gericht, rekening houdend met de prioritaire groepen zoals in het PAS aangegeven; b. de beoogde resultaten en effecten in meetbare termen en hoe de indicatoren daarvan worden gemeten; c. de leerprocessen die in de activiteit zijn opgenomen; d. de dimensies van duurzaamheid die in de activiteit betrokken zijn; dit moeten er ten minste drie zijn; e. de wijze waarop de activiteit in samenwerking met andere organisaties, instellingen en/of personen wordt uitgevoerd; f. de aanvang en duur van de activiteiten, waarbij de afronding met inbegrip van de projectevaluatie vóór 31 december 2007 ligt; g. de wijze waarop de aanpak en de resultaten van de activiteit voor derden beschikbaar gemaakt worden.
Artikel 3.51Subsidieplafond
53[Toelichting: Het artikel voorziet erin dat eventueel nog niet tot besteding gekomen middelen uit het eerste deel van het jaar, wellicht aangevuld met middelen die vrijkomen als een subsidievaststelling lager uitvalt dan het toegezegde maximale subsidiebedrag, kunnen worden verwerkt in een gewijzigd vastgesteld en bekendgemaakt subsidieplafond. Daarmee kan optimaal uitvoeringsgericht gewerkt worden.] Gedeputeerde Staten kunnen na 1 oktober van enig jaar besluiten om voor de resterende periode van het jaar het subsidieplafond danwel deelplafonds bij deze paragraaf opnieuw vast te stellen, rekening houdend met het bedrag dat nog niet tot besteding is gekomen. Indien zij hiertoe overgaan, maken Gedeputeerde Staten dit vóór 15 oktober van het kalenderjaar bekend.
Artikel 3.52Wijze van behandeling van de aanvragen
54[Toelichting: Per jaar worden twee tranches van subsidieverlening voorzien. De provincie verwacht dat per tranche een beperkt aantal aanvragen kunnen worden gehonoreerd. De Uitvoeringsregeling stelt geen minimum- of maximumbedrag per project. Na het verstrijken van de indieningdatum worden de ingediende aanvragen gelegd naast de geformuleerde criteria, en bepalen gedeputeerde staten een ordening naar de mate waarin projecten aan het realiseren van de ambities van het PAS bijdragen.] 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde.
Subparagraaf 3.2. Vermindering afvalstoffen en Schoner Produceren