← Nederland

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2005 (Overijssel)

In het kort

Dit besluit regelt de uitvoering van subsidies die door Gedeputeerde Staten van Overijssel worden verstrekt, met uitzondering van subsidies voor openbaar vervoer. Het beschrijft de verschillende subsidievormen en de bijbehorende voorwaarden.

Wat het regelt

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2005Hoofdstuk 1. Algemeen Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: a. de verordening: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005; b. Awb: de Algemene wet bestuursrecht; c. cofinanciering: ten minste één andere partij dan de aanvrager en de provincie draagt bij in de kosten van de gesubsidieerde activiteit; d. prestatiesubsidie: de subsidie, waarbij de subsidieontvanger ten aanzien van de te subsidiëren activiteiten óf wordt gestuurd op prestaties, óf op een combinatie van prestaties, bedrijfsvoering of middelen; e. stimuleringssubsidie: de subsidie die aan het bestaan van een organisatie bijdraagt of bepaalde activiteiten aanmoedigt of ondersteunt; f. subsidietijdvak: een aaneengesloten periode waarvoor een subsidieplafond of deelplafond is vastgesteld; g. bovengemeentelijk: de activiteiten vinden plaats in ten minste twee gemeenten; h. regionaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste drie gemeenten; i. provinciaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste zestien gemeenten. Artikel 1.2. Toepassingsbereik 1 [Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 2 van de verordening. De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit Usb van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made’ en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure. Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etcetera.] Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer. Artikel 1.3. Subsidievormen 2[Toelichting: In het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties is gedachtegoed ontwikkeld over de wijze waarop de provincie om wil gaan met organisaties waaraan zij subsidie verstrekt. Dit heeft geresul­teerd in verschillende sturingsmodellen; te weten het stimuleringsmodel aan de ene kant en het (vergelijkend) prestatiemodel en het directief model aan de andere kant. Het directief model is een opschaling van het prestatiemodel. Dit betekent dat bij dat sturingsmodel niet alleen gestuurd wordt op prestaties maar ook op bedrijfsvoering en/of middelen. Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boek­jaren, waarbij een boekjaar gelijk staat aan een kalenderjaar. Deze bepaling is een uitwerking van de artikelen 4:32 en 4:67 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat meerjarige subsidies kunnen worden verstrekt. Wordt een meerjarige subsidie verstrekt dan moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:34 Awb biedt om bij de subsidieverlening een begrotingsvoorbehoud te maken. Dit is de oplossing voor het probleem dat het bij meerjarige subsidies onvermijdelijk is om subsidies te ver­lenen ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde begroting. Door een begrotings­voorbehoud te maken, kunnen Gedeputeerde Staten op de subsidieverlening terugkomen. Een begrotingsvoorbehoud is een aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden opschortende of ontbindende voorwaarde. De keuze voor de soort voorwaarde is afhankelijk van de vraag of al voor de vaststelling of goedkeuring van de begroting voorschotten moeten worden uitbetaald. Is dat het geval dan moet gekozen worden voor de vorm van de ontbindende voorwaarde. Willen Gedeputeerde Staten het begrotingsvoorbehoud inroepen en daadwerkelijk terugkomen op de subsidieverlening dan moet dat binnen de in de Awb genoemde termijn expliciet gebeuren. De leden 4 en 5 van artikel 4:34 Awb geven aan op welke wijze dat moet gebeuren. Als een subsidie wordt verstrekt voor een periode van drie jaar of langer voor steeds min of meer dezelfde activiteiten is het van belang te weten dat de subsidie dan niet zonder meer kan worden beëindigd (artikel 4:51 Awb).] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als prestatiesubsidie of als stimuleringssubsidie. 2. Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren. Artikel 1.4. Subsidiabele kosten 3 [Toelichting: De Wet op het BTW-compensatiefonds stelt overheden in staat om in rekening gebrachte BTW voor een groot deel te compenseren. In relatie daarmee is op de algemene uitkeringen gekort. De bedoeling is dat deze korting door de ontvangsten uit het BTW-compensatiefonds gecompenseerd worden. De vraag of overheden taken in eigen beheer uitvoeren of uitbesteden wordt dan niet meer beïnvloed door de kosten van BTW. Ook gemeenten die van de provincie subsidie ontvangen kunnen een beroep doen op het BTW-compensatiefonds, maar ook andere organisaties, indien zij op gelijke voet als de overheid opereren. Het is uiteraard niet de bedoeling dat terugvorderbare bedragen ook nog eens gesubsidieerd worden. Om dat duidelijk te markeren is deze bepaling opgenomen, waarin dat gedeelte niet-subsidia­bel verklaard wordt. De bepaling is algemeen geredigeerd, zodat alle potentiële terugvorderbare BTW eronder valt. Met de bepaling wordt de verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk terugvorderen bij de subsidieontvanger gelegd. Er is geen sprake van een (verkapte) vermindering van subsidies. Ook onder werking van de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was verrekenbare BTW niet subsidiabel. ] De kosten van activiteiten zijn niet subsidiabel voorzover deze door de aanvrager van een subsidie kunnen worden teruggevorderd op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of op grond van enige andere voorziening. Artikel 1.5. Subsidieverplichtingen 4[Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De catego­rieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.5 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken. ] Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten bekend wordt gemaakt dat de provincie Overijssel daarvoor subsidie heeft verstrekt. Paragraaf 2. Stimuleringssubsidie Artikel 1.6. Hoogte stimuleringssubsidie 5[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb).] De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000,--. Artikel 1.7. Indieningstermijn aanvraag om stimuleringssubsidie 6[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb).] Een aanvraag om stimuleringssubsidie kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. Artikel 1.8. Gegevens en bescheiden bij aanvraag stimuleringssubsidie 7[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb).] De aanvrager van een stimuleringssubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval: a. de statuten in het geval de aanvrager een rechtspersoon is, voorzover deze niet al eerder zijn overgelegd; b. een werkplan met of een verslag van de activiteiten die de aanvrager gebruikelijk uitvoert om haar doel te bereiken. Artikel 1.9. Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie 8[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb). ] Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidievaststelling binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Paragraaf 3. Prestatiesubsidie Subparagraaf 3.1. Niet per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies Artikel 1.10. Indieningstermijn aanvraag tot verlening prestatiesubsidie 9 [Toelichting: Met het verstrekken van subsidie via het prestatiemodel wordt de gedachtegang uit het Onder­handelingsakkoord en de statenmotie van juni 2004 (ingediend bij de Perspectievennota 2005) tot uitdrukking gebracht. “Met maatschappelijke organisaties en instellingen willen wij outputgerichte prestatieafspraken maken, die volstrekt recht doen aan ieders verantwoordelijkheid en het maat­schappelijke resultaat dat wij willen bereiken.” Subsidieverstrekking wordt gestuurd op rendement. Daarbij hoort per definitie verantwoording achteraf. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoording zich richt op de geleverde prestaties en activiteiten en de manier waarop die aansluiten bij het provinciaal beleid. Dat kan ook, omdat vooraf (bij subsidieverlening) afspraken tussen subsidie­ontvanger en provincie zijn gemaakt over wat en waaraan de subsidieontvanger bij gaat dragen en wat zij daarvoor gaat doen. Daarbij wordt tevens bepaald waarover en hoe en wat de mate van verantwoording nadien moet zijn. De uitwerking van het prestatiemodel biedt ruimte om flexibel en naar instelling gedifferentieerd om te kunnen gaan met het concretiseren van prestaties en daarmee met de verantwoording achteraf. ] Een aanvraag om prestatiesubsidie wordt ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak of het boekjaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel 1.11. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening prestatiesubsidie 1. De aanvrager van een prestatiesubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval: 10[Toelichting: In dit artikellid wordt de aanzet gegeven voor het opschalen van prestatiesubsidie naar een prestatiesubsidie met directieve elementen, waarbij in grotere mate wordt gestuurd op bedrijfsvoering en/of middelen. Vaak zijn de statuten en het prestatieplan voldoende om een aanvraag te kunnen beoordelen. Het kan echter ook voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende documenten worden gevraagd. In de hoofdstukken 2 t/m 7 van dit uitvoeringsbesluit zal dan ten aanzien van diverse subsi­dies verdergaande opschaling plaatsvinden. Vanuit het gedachtegoed van het project Stroom­lijning en sturing subsidierelaties zijn overwegingen om hiertoe over te gaan het financiële en juridische risico voor de provincie, de kenmerken en eigenschappen van de subsidieontvanger, contextvariabelen waaronder de maatschappelijke aandacht en het op doelgerichte en doel­matige wijze inzetten van de middelen door de provincie. ] de statuten voorzover deze niet al eerder zijn overgelegd, tenzij de aanvrager een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon is; een plan van de te leveren (deel)prestaties waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee na te streven effecten die bijdragen aan het realiseren van de provinciale beleidsdoelstellingen, alsmede de hoogte van de gevraagde subsidie en de onderbouwing daarvan; een begroting voorzover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd. 2. De aanvrager die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, maakt bij de aanvraag melding van subsidies of andere vormen van staatssteun die de subsidieontvanger, alsmede het eventuele moederconcern en/of dochters van de onderneming of het eventuele moederconcern hebben ontvangen in de drie jaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag. Tevens wordt melding gemaakt van eventuele andere aanvragen die in behandeling zijn op het moment van de aanvraag voor subsidie op grond van dit uitvoeringsbesluit.11[Toelichting: Indien de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (steun aan een onderneming die een waarde van € 100.000,-- in drie jaar niet overstijgt hoeft niet te worden gemeld bij de commissie) niet van toepassing is, zal het concrete subsidiebesluit aan de Europese Commissie moeten worden voorgelegd. In artikel 5, tweede lid van de verordening is geregeld dat onze provinciale regels wijken voor de kaderregelingen of richtsnoeren van de commissie, zodat wordt voorkomen dat een situatie ontstaat waarin de samenloop van EG-regels en provinciale regels ertoe leidt dat helemaal geen subsidie kan worden verleend. Aangezien het ‘de minimis’-bedrag per onder­neming geldt, kan zonder medewerking van de aanvrager niet worden vastgesteld of sprake is van ‘de minimis’-steun. In het tweede lid is daarom bepaald dat op de aanvrager de verplich­ting rust melding te maken van eerdere subsidies of andere steunmaatregelen. Gedeputeerde Staten zullen de aanvragers hierbij hulp bieden in de vorm van een modelverklaring bij het aanvraagformulier. Met deze verklaring wordt ook zeker gesteld dat de subsidie achteraf kan worden gewijzigd, indien na de subsidieverlening blijkt dat de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (toch) niet van toepassing was. Zie de artikelen 4:48, eerste lid, onder c en 4:49, eerste lid, onder b Awb]. Artikel 1.12. Subsidieverplichtingen 12 [Toelichting: De situatie kan zich voordoen dat wij subsidie willen verlenen, waarbij wij alleen op prestaties willen sturen en de subsidieontvanger die prestaties naar genoegen realiseert. In dit artikel wordt geregeld dat wij de subsidieontvanger kunnen verplichten een positief exploitatieresultaat uit te geven binnen dezelfde doelstelling als waarvoor subsidie wordt verstrekt.] Indien het bedrag van de subsidie niet afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, kunnen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger een eventueel positief exploitatieresultaat besteedt in het verlengde van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend. Artikel 1.13. Beslistermijn verlening prestatiesubsidie 13 [Toelichting: In dit artikel staat het uitgangspunt vermeld dat de beslistermijn van dertien weken begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aan­vraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behan­deling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de ge­legenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb).] Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag om prestatiesubsidie, tenzij een uiterste termijn voor de indiening van de aanvraag geldt. De termijn van dertien weken begint in dat geval op de dag, nadat die uiterste termijn is verstreken. Artikel 1.14. Voorschotverlening 14 [Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.14. ] Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag. Artikel 1.15. Indieningstermijn aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie De subsidieontvanger dient binnen vier maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in. Artikel 1.16. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie 15 [Toelichting: De in dit artikel genoemde documenten zijn de verantwoordingsvarianten van de documenten genoemd in artikel 1.11, eerste lid. Als onderbouwing van het financiële verslag kunnen deugdelijke kopieën van facturen, bankafschriften, kwitanties en overige betalingsbewijzen gelden] 1. De aanvrager van een prestatiesubsidie overlegt bij de aanvraag een verslag van de geleverde (deel)prestaties en de kosten daarvan. 2. Indien de werkelijke kosten van de activiteiten van belang zijn voor het bepalen van het subsidiebedrag overlegt de aanvrager tevens een financieel verslag of de jaarrekening als bedoeld in artikel 2:361 van het Burgerlijk Wetboek, mits daaruit de financiële status blijkt van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend. Artikel 1.17. Accountantsverklaring 1. De aanvrager die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, overlegt bij de aanvraag tevens een accountantsverklaring ten aanzien van het financiële verslag of de jaarrekening, indien artikel 1.16, tweede lid, van toepassing is én de verleende subsidie € 25.000,-- of meer bedraagt.16[Toelichting: Dit artikel verplicht de subsidieontvanger in bepaalde gevallen tot het laten verrichten van een accountantscontrole. Voor publiekrechtelijke rechtspersonen wordt een uitzondering gemaakt voor het overleggen van een accountantsverklaring in verband met het verplichte accoun­tantsonderzoek op basis van de Provincie- of Gemeentewet en het Besluit accountantscontrole provincies en gemeenten.] 2. De accountantsverklaring betreft een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag c.q. de jaarrekening.17[Toelichting: De verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag c.q. de jaarrekening behelst de uitslag van het onderzoek of het financiële verslag c.q. de jaarrekening voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen en of het prestatieverslag, voorzover hij dat kan beoordelen, daarmee verenigbaar is.] Artikel 1.18. Lagere vaststelling 18 [Toelichting: In een situatie dat binnen een prestatiesubsidie de kosten een rol spelen bij de hoogte van de subsidie, is het niet gewenst dat de subsidieontvanger ‘winst’ maakt op een activiteit. Artikel 4:46 Awb bepaalt daarom onder meer dat subsidie lager kan worden vastgesteld als de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden. In aanvulling daarop bepaalt artikel 1.18 dat subsidie ten opzichte van de subsidieverlening lager vastgesteld wordt als de gesubsidieerde activiteiten meer opbrengen of minder kosten dan van te voren begroot. De subsidieontvanger zou anders immers gemeenschapsgeld overhouden (‘ongerechtvaardigde verrijking’). Aan de andere kant is het niet zo dat wij het subsidiebedrag verhogen als de gesubsidieerde activiteiten minder opbrengen of meer kosten dan van te voren begroot. Dit risico is voor rekening van de subsidieontvanger.Als de werkelijke kosten van activiteiten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, dan worden op grond van artikel 4:46, derde lid Awb, overigens ook kosten die redelijkerwijze als niet nood­zakelijk kunnen worden beschouwd, niet in aanmerking genomen. Dat betekent dat ook bij verlening de aanvraag moet worden ‘gecorrigeerd’ voor kosten die bij vaststelling als redelijkerwijs niet noodzakelijk zullen worden beschouwd. De oude subsidieregelingen kenden een aantal bepalingen waarin situaties werden geschetst waarin sprake is van redelijkerwijs niet noodzakelijke kosten (artikelen 18 en 19 van de Algemene subsidie­verordening 1997). Die situaties zullen wij in ieder geval blijven hanteren bij het beoordelen van de aanvraag tot vaststelling. Het gaat dan om: · lasten die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht waarvoor op de begroting van de subsidieontvanger voor dat jaar geen post is opgenomen, of· lasten zonder noodzaak tot een onevenredig hoog bedrag die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht, of· lasten die in de exploitatierekening zijn opgenomen met het kennelijke doel van kapitaal- of reservevorming. ] Voorzover het exploitatieresultaat bepalend is voor het bedrag van de subsidie en de activiteiten meer opbrengsten genereren danwel de kosten daarvan lager zijn dan begroot, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld. Artikel 1.19. Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie Gedeputeerde Staten beslissen omtrent vaststelling van de prestatiesubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Subparagraaf 3.2. Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen Artikel 1.20. Toepasselijkheid andere bepalingen 1. Afdeling 4.2.8 Awb is van toepassing op door Gedeputeerde Staten per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen, waarbij in de wetstekst voor de begrippen activiteiten en activiteitenplan prestaties respectievelijk prestatieplan moet worden gelezen. 19[Toelichting: Dit artikel regelt dat de artikelen 4:60 t/m 4:80 Awb van toepassing zijn op per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen. Deze artikelen zijn een uitwerking van en een aanvulling op de andere bepalingen van de subsidietitel. Steeds zijn naast afdeling 4.2.8 Awb ook die andere bepalingen van toepassing. Het gros van de bepalingen van afdeling 4.2.8 Awb geeft Gedeputeerde Staten rechtstreeks bepaalde bevoegdheden en legt subsidieontvangers rechtstreeks bepaalde verplichtingen op. Enkele bepalingen gelden echter pas als dat uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Het betreft de artikelen: - 4:64, derde lid (vrijstelling/ontheffing accountantsverklaring bij aanvraag); - 4:68 (definitie boekjaar); - 4:71 (rechtshandelingen waarvoor voorafgaande toestemming van Gedeputeerde Staten - 4:72 (egalisatiereserve); - 4:77 (inhoud financieel verslag als subsidieontvanger in overwegende mate zijn inkomsten ontleent aan de subsidie); - 4:78, vijfde lid (vrijstelling/ontheffing accountantscontrole); - 4:79, eerste en tweede lid (uitbreiding accountantscontrole tot naleving subsidieverplich­tingen) Awb. In de volgende twee artikelen worden de artikelen 4:72 en 4:79, eerste en tweede lid Awb, uitgewerkt. De overige onderwerpen kunnen indien gewenst in de hoofdstukken 2 t/m 7 of in een beschikking tot subsidieverlening worden uitgewerkt. ] 2. De artikelen 1.13 en 1.19 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing.3. Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten, overeenkomstig artikel 4:79 Awb, bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. 20[Toelichting: Dit lid maakt het mogelijk om bij subsidieverlening aan de accountant van de subsidie­ontvanger tevens de taak te geven controle uit te oefenen op de naleving van de subsidie­verplichtingen. Wordt dit toegepast dan zal daarbij een aanwijzing moeten worden gegeven over de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole. Omdat accountants werken conform de richtlijnen voor de accountantscontrole sluiten wij voor het voorschrijven van het soort onderzoek daarbij aan. De richtlijnen onderscheiden de beoordelingsopdracht (over de betrouwbaarheid van stukken) en de controleopdracht (over de getrouwheid van stukken).] Artikel 1.18. Lagere vaststelling 21 [Toelichting: In een situatie dat binnen een prestatiesubsidie de kosten een rol spelen bij de hoogte van de subsidie, is het niet gewenst dat de subsidieontvanger ‘winst’ maakt op een activiteit. Artikel 4:46 Awb bepaalt daarom onder meer dat subsidie lager kan worden vastgesteld als de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden. In aanvulling daarop bepaalt artikel 1.18 dat subsidie ten opzichte van de subsidieverlening lager vastgesteld wordt als de gesubsidieerde activiteiten meer opbrengen of minder kosten dan van te voren begroot. De subsidieontvanger zou anders immers gemeenschapsgeld overhouden (‘ongerechtvaardigde verrijking’). Aan de andere kant is het niet zo dat wij het subsidiebedrag verhogen als de gesubsidieerde activiteiten minder opbrengen of meer kosten dan van te voren begroot. Dit risico is voor rekening van de subsidieontvanger.Als de werkelijke kosten van activiteiten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, dan worden op grond van artikel 4:46, derde lid Awb, overigens ook kosten die redelijkerwijze als niet nood­zakelijk kunnen worden beschouwd, niet in aanmerking genomen. Dat betekent dat ook bij verlening de aanvraag moet worden ‘gecorrigeerd’ voor kosten die bij vaststelling als redelijkerwijs niet noodzakelijk zullen worden beschouwd. De oude subsidieregelingen kenden een aantal bepalingen waarin situaties werden geschetst waarin sprake is van redelijkerwijs niet noodzakelijke kosten (artikelen 18 en 19 van de Algemene subsidie­verordening 1997). Die situaties zullen wij in ieder geval blijven hanteren bij het beoordelen van de aanvraag tot vaststelling. Het gaat dan om: · lasten die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht waarvoor op de begroting van de subsidieontvanger voor dat jaar geen post is opgenomen, of· lasten zonder noodzaak tot een onevenredig hoog bedrag die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht, of· lasten die in de exploitatierekening zijn opgenomen met het kennelijke doel van kapitaal- of reservevorming. ] Voorzover het exploitatieresultaat bepalend is voor het bedrag van de subsidie en de activiteiten meer opbrengsten genereren danwel de kosten daarvan lager zijn dan begroot, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld. Artikel 1.19. Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie Gedeputeerde Staten beslissen omtrent vaststelling van de prestatiesubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Subparagraaf 3.2. Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen Artikel 1.20. Toepasselijkheid andere bepalingen 1. Afdeling 4.2.8 Awb is van toepassing op door Gedeputeerde Staten per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen, waarbij in de wetstekst voor de begrippen activiteiten en activiteitenplan prestaties respectievelijk prestatieplan moet worden gelezen. 22[Toelichting: Dit artikel regelt dat de artikelen 4:60 t/m 4:80 Awb van toepassing zijn op per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen. Deze artikelen zijn een uitwerking van en een aanvulling op de andere bepalingen van de subsidietitel. Steeds zijn naast afdeling 4.2.8 Awb ook die andere bepalingen van toepassing. Het gros van de bepalingen van afdeling 4.2.8 Awb geeft Gedeputeerde Staten rechtstreeks bepaalde bevoegdheden en legt subsidieontvangers rechtstreeks bepaalde verplichtingen op. Enkele bepalingen gelden echter pas als dat uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Het betreft de artikelen: - 4:64, derde lid (vrijstelling/ontheffing accountantsverklaring bij aanvraag); - 4:68 (definitie boekjaar); - 4:71 (rechtshandelingen waarvoor voorafgaande toestemming van Gedeputeerde Staten - 4:72 (egalisatiereserve); - 4:77 (inhoud financieel verslag als subsidieontvanger in overwegende mate zijn inkomsten ontleent aan de subsidie); - 4:78, vijfde lid (vrijstelling/ontheffing accountantscontrole); - 4:79, eerste en tweede lid (uitbreiding accountantscontrole tot naleving subsidieverplich­tingen) Awb. In de volgende twee artikelen worden de artikelen 4:72 en 4:79, eerste en tweede lid Awb, uitgewerkt. De overige onderwerpen kunnen indien gewenst in de hoofdstukken 2 t/m 7 of in een beschikking tot subsidieverlening worden uitgewerkt. ] 2. De artikelen 1.13 en 1.19 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 1.21. Egalisatiereserve 23 [Toelichting: Een egalisatiereserve werkt als buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar, zodat een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden kan worden bereikt. Gelet op artikel 4:72, tweede lid van de wet, komt het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. Tot de werkelijke kosten worden niet gerekend niet-toegestane reser­veringen en dotaties aan voorzieningen. Bij de vaststelling van de egalisatiereserve worden, naast de subsidie-inkomsten, ook alle inkomsten betrokken die mede ten doel hebben bij te dragen aan het realiseren van de prestatieafspraken met Gedeputeerde Staten. Te denken valt onder meer aan eigen bijdragen van afnemers van producten, incidentele en structurele subsidies van derden en sponsorbijdragen. Inkomsten van derden ten behoeve van niet-gesubsidieerde activiteiten worden buiten beschouwing gelaten. In de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was gelet op artikel 4:71, eerste lid, onder g Awb, opgenomen dat de subsidieontvanger toestemming nodig heeft van Gedeputeerde Staten voor het vormen van andere reserves en voorzieningen dan een egalisatiereserve. In de subsidiepraktijk werd zo’n verzoek om toestemming echter vrijwel nooit gedaan, terwijl er wel reserves en voor­zieningen werden aangelegd. Omdat het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslag­geving regels geven voor het hanteren van reserves en voorzieningen, waaraan subsidieontvangers toch al moeten voldoen, is de toestemmingsverplichting niet in dit uitvoeringsbesluit opgenomen.] 1. Tenzij Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening anders bepalen, vormt de subsidieontvanger een egalisatiereserve overeenkomstig artikel 4:72 Awb. 2. Per 31 december van enig subsidietijdvak mag de stand van de egalisatiereserve niet meer bedragen dan tien procent van de in het betreffende tijdvak verleende subsidie en de daarmee samenhangende inkomsten. 3. Het bedrag waarmee de egalisatiereserve wordt overschreden, wordt in mindering gebracht op de vast te stellen subsidie over het in het tweede lid bedoelde subsidietijdvak. Artikel 1.22. Uitbreiding accountantscontrole 24 [Toelichting: zie toelichting op artikel 1.17, derde lid.] Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 4:79 Awb is van toepassing. Artikel 1.23. Voorschotverlening 1. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag. 2. De voorschotten worden per midden van de maand beschikbaar gesteld. Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen Bestuurlijke Aangelegenheden Paragraaf 1. Integrale veiligheid Artikel 2.1. Criterium Een aanvraag voor veiligheidssubsidie moet voldoen aan het volgende criterium: het project of de activiteit moet concrete meetbare resultaten opleveren met betrekking tot de doelstelling van het provinciale veiligheidsbeleid. Artikel 2.2. Prestatiesubsidie Gedeputeerde Staten verstrekken veiligheidssubsidie in de vorm van een prestatiesubsidie. Artikel 2.3. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 2.4. Grondslag subsidie De subsidie bedraagt tot minste € 10.000,-- en ten hoogste 50% van de project- of activiteitkosten met een maximum van € 40.000,-- per project of activiteit. Artikel 2.5. Indieningstermijn aanvraag In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van het kalenderjaar. Artikel 2.6. Wijze van behandeling van aanvragen 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan het in artikel 2.1 genoemde criterium, in een prioriteitsvolgorde waarbij rekening wordt gehouden met de volgende aspecten: deelname van meerdere partijen; activiteiten die gericht zijn op een bredere toepassing en implementatie van vernieuwende en/of succesvolle aanpak van onveiligheid; bij voorkeur dient het project binnen één jaar na subsidietoekenning gerealiseerd te zijn en bij voorkeur dient het project bovengemeentelijk te worden uitgevoerd. 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren. 3. Indien Gedeputeerde Staten van hun bevoegdheid in het vorige lid gebruikmaken, maken zij deze criteria bekend gelijktijdig met de bekendmaking van het subsidieplafond. 4. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voorzover het beschikbare bedrag zulks toestaat. Artikel 2.7. Verplichting subsidieontvanger De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie. Paragraaf 2. Jeugd en veiligheid Artikel 2.8. Criterium Een subsidieaanvraag voor jeugd en veiligheid moet voldoen aan de volgende criteria: a. het project draagt aantoonbaar bij aan de realisatie van het provinciale veiligheidsbeleid in het algemeen en aan het provinciale jeugd en veiligheidsbeleid in het bijzonder; b. de aanvraag is afkomstig van een gemeente of privaatrechtelijke rechtspersoon in de provincie Overijssel, die vanuit een non-profittaak betrokken is bij de uitvoering van het jeugd en veiligheidsbeleid. Artikel 2.9. Prestatiesubsidie Gedeputeerde Staten verstrekken veiligheidssubsidie in de vorm van een prestatiesubsidie. Artikel 2.10. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 2.11. Indieningstermijn aanvraag In afwijking van artikel 1.10 kan de subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend. Artikel 2.12. Wijze van behandeling van aanvragen Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt. Artikel 2.13. Voorschotverlening In afwijking van artikel 1.14 verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening een voorschot van 80% van de verleende subsidie. Artikel 2.14. Verplichting subsidieontvanger De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie. Paragraaf 3. Samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) Artikel 2.15. Criterium Een aanvraag voor een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) moet voldoen aan het volgende criterium: het project of de activiteit moet concreet bijdragen aan de uitwisseling van kennis en ervaring of onderdeel zijn van bredere activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening. Artikel 2.16. Prestatiesubsidie Gedeputeerde Staten verstrekken een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) in de vorm van een prestatiesubsidie. Artikel 2.17. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 2.18. Grondslag subsidie De subsidie bedraagt maximaal € 400,-- per persoon die deelneemt aan een kennisuitwisselingsproject of op jaarbasis € 700,-- voor activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening. Artikel 2.19. Indieningstermijn aanvraag In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend. Artikel 2.20. Voorschotverlening Gedeputeerde Staten verstrekken de aanvrager bij hun besluit tot subsidieverlening in afwijking van artikel 1.14 ambtshalve een voorschot van 90% van de verleende subsidie. Hoofdstuk 3. Bijzondere bepalingen Economie, Milieu en Toerisme 25[Toelichting: In het Bestuursakkoord 1999-2003 hebben Gedeputeerde Staten de ambitie uitgesproken om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie. In het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+ wordt dit nader uitgewerkt. De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor het beleid gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijssels Midden- en Kleinbedrijf. De beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB werkt dit beleid verder uit. In dit hoofdstuk geven wij in de volgende paragrafen subsidiëringsmogelijkheden aan: • in paragraaf 1 subsidies voor Europese programma's; • in paragraaf 2 subsidies voor bedrijvigheid en werkgelegenheid; • in paragraaf 3 subsidies voor het programma Leren voor duurzame ontwikkeling, vermindering van afvalstoffen en schoner produceren. Europese programma's Doelstelling 2 en LEADER+ De subparagraaf Doelstelling 2 en LEADER+ betreft subsidiebepalingen voor de besteding van de Europese, rijks- en provinciale cofinancieringsmiddelen bij de Europese programma’s Doelstelling 2 en LEADER+. Doelstelling 2 is een programma, dat op grond van artikel 4 van Verordening (EG) 1260/1999 en Verordening (EG) 1783/1999 door de Europese Commissie voor Oost-Nederland is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Het provinciebestuur van Overijssel onderscheidt hierin drie deelprogramma’s: a. Doelstelling 2-programma Plattelandsontwikkeling voor de regio’s Salland, Twente, Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek; b. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 2 voor de regio Twente; c. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 5B Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek. LEADER+ is een programma voor Oost-Nederland dat op basis van artikel 20 van Verordening (EG) 1260/1999 en Mededeling van de Europese Commissie 2000/C 139 door de Europese Commissie is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Gedeputeerde Staten hebben gekozen voor één regeling die de wettelijke basis biedt voor de subsidiëring van activiteiten die bijdragen ontvangen uit één van de Europese Structuurfondsen en uit provinciale of rijksmiddelen. Hiermee wordt bereikt dat de subsidieontvanger voor het hele subsidiebedrag aan dezelfde voorwaarden en verplichtingen moet voldoen, ongeacht de herkomst van (een deel van) de subsidie. Uiteraard geldt hierbij dat zowel aan communautaire als aan nationale en provinciale regelgeving moet worden voldaan. De bedoelde Europese en rijkscofinancieringsmiddelen worden aan Overijssel verstrekt voor de uitvoering van die Europese programma’s, waarvoor de provincie Overijssel door het Rijk in de periode 2000-2006 als betalingsautoriteit is aangewezen. Het Doelstelling 2-programma is opgenomen in het Enkelvoudig Programmeringsdocument voor Oost-Nederland (EPD Oost).Na consultatie van diverse betrokken partijen biedt het programma een vertaling van en nadere invulling aan de regels van de Europese Unie voor de besteding van middelen. De beleidsprioriteiten van de Europese Unie houden onder meer in, dat subsidiëring alleen mogelijk is binnen vooraf geselecteerde en op kaart vastgelegde regio’s. Deze regio’s kampen in vergelijking met andere regio’s in de Europese Unie met vormen van (sociaal-economische) achterstand en/of probleemsituaties. Het LEADER+-programma is eveneens na consultatie van diverse lokale betrokken partijen totstandgekomen. Het programma is een uitwerking van Richtlijnen van de Europese Unie en de Mededeling betreffende LEADER+ van de Europese Commissie. In tegenstelling tot het Doelstelling 2-programma zijn de betrokken plattelandsgebieden geselecteerd door een selectiecommissie, op kaart vastgelegd en daarna door Gedeputeerde Staten vastgesteld. De Doelstelling 2- en LEADER+-programma’s bestrijken ook delen van de provincies Gelderland en Utrecht. Beide programma’s zijn in nauw overleg met het provinciaal bestuur van Gelderland en Utrecht totstandgekomen. Regelgeving van de Europese Unie De criteria op grond waarvan een gebied voor Europese subsidie in aanmerking kan komen, de te financieren prioriteiten, de hoogte van de subsidie en andere uitvoeringsbepalingen zijn neergelegd in Europese regelgeving. Hieronder vallen o.a.: • het Europees Verdrag; • meerdere Europese verordeningen; • de programmadocumenten en -complementen van Doelstelling 2 en LEADERr+; • De ontwikkelingsplannen van de plaatselijke groepen. Met name de volgende Europese verordeningen zijn van belang in de relatie tussen de provincie Overijssel en de subsidieontvanger: Verordening (EG) nrs: • 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (Pb L 161); • 1783/1999 van de Raad van 12 juli 1999 met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Pb L 213); • 1159/2000 van de Commissie van 30 mei 2000 inzake door de lidstaten uit te voeren voorlichtings- en publiciteitsacties met betrekking tot de bijstandsverlening uit de structuurfondsen (Pb L 130); • 448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van uitgaven voor door de structuurfondsen mede gefinancierde verrichtingen (Pb L 193); • 438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 63); • 448/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de procedure inzake financiële correcties betreffende uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 64); Daarnaast is van belang de mededeling van de Commissie aan de Lidstaten van 14 april 2000 tot vaststelling van de richtsnoeren voor het communautaire initiatief voor plattelandsontwikkeling (LEADER+) (Pb 2000/C139). Staatssteun Op grond van het Europese recht mag er geen sprake zijn van verboden staatssteun. Deze bepaling is vastgelegd in artikel 87 van het Europees verdrag. Samengevat komt het erop neer dat steun aan bepaalde ondernemingen de mededinging niet mag verstoren, voorzover de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Als een onderneming wordt beschouwd: “Iedere eenheid die economische activiteiten ontplooit, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.” (Höfner-arrest). Op het verbod van staatssteun zijn enkele uitzonderingen van toepassing. Artikel 87, tweede en derde lid van het Europees Verdrag geven de belangrijkste uitzonderingen. Daarnaast heeft de Europese Commissie enkele vrijstellingsverordeningen vastgesteld en in enkele beschikkingen aangegeven dat in sommige gevallen staatssteun onder bepaalde voorwaarden is toegestaan. De meest bekende vrijstellingsverordening is de zogenaamde ‘De minimis’-regeling. (Vo (EG) nr. 69/2001). Deze regel houdt in dat individuele bedrijfssteun is vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie indien wordt voldaan aan de voorwaarde, dat de steun over drie aaneengesloten jaren in totaal maximaal € 100.000,-- mag bedragen. Iedere subsidieaanvrager moet in het aanvraagformulier opgeven hoeveel steun hij/zij in de afgelopen drie jaren heeft ontvangen. Op 23 december 2003 heeft de Europese Commissie de Landbouwverordening vastgesteld (Vo (EG) nr. 1/2004). Deze vrijstellingsverordening is specifiek van toepassing op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten. Alle steun aan landbouwbedrijven moeten aan deze regeling worden getoetst. Iedere subsidieaanvraag wordt door de provincie getoetst op verboden staatssteun. Indien blijkt dat er sprake is van verboden staatssteun, waarvoor de uitzonderingen niet van toepassing zijn, is subsidieverlening niet toegestaan. De aanvraag kan echter ter beoordeling aan de Europese Commissie worden voorgelegd. Aanvraagformulier Voor de indiening van een verzoek om Europese subsidies wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Het formulier is enerzijds het document waarin de aanvragers hun gegevens moeten invullen, anderzijds geeft het aan hoe Gedeputeerde Staten met verschillende aspecten van de subsidieverstrekking omgaan. De Toelichting per kostencategorie van de projectbegroting wordt hierin uitgebreid belicht. Plattelandsontwikkeling U dient de bepalingen in deze subparagraaf te lezen in samenhang met de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij d.d. 14 mei 2002 (Staatscourant nr. 91 d.d. 16 mei 2002). Aanvragen om subsidie worden ingediend bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten brengen over de aanvragen een positief of negatief advies uit aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Tevens zijn Gedeputeerde Staten bevoegd een provinciale cofinancieringsbijdrage ter beschikking te stellen. Vervolgens neemt de minister het besluit tot subsidieverlening. De beschikking tot subsidieverlening door de minister heeft betrekking op de Europese, rijks- en provinciale bijdrage. De controle op de uitvoering van projecten en eventuele juridische procedures tegen beschikkingen worden door de minister uitgevoerd. Bedrijvigheid en werkgelegenheid Arbeidsplaatsenpremie De Arbeidsplaatsenpremie (in afkorting APR II) is gericht op de ontwikkeling van de dienstensector en op het versterken van kennis en hoogwaardige technologische en innovatieve industriële en dienstverlenende sectoren. De APR II wordt gefinancierd vanuit het Enkelvoudig Programmeringsdocument Oost-Nederland (EPD). Het Ministerie van Economische Zaken heeft het voorbehoud gemaakt dat regionale steuninstrumenten niet mogen worden gebruikt om uitruil van arbeidsplaatsen en/of bedrijfsverplaatsing tussen de verschillende ‘steunkaartgebieden’ in Nederland te stimuleren. Dit betekent dat voor het verplaatsen van een onderneming vanuit de overige steunkaartgebieden in Nederland naar Overijssel geen subsidie wordt verleend. Daarnaast wensen wij bedrijfsverplaatsingen binnen de provincie Overijssel, tenzij om redenen van externe veiligheid (zie subparagraaf 2.2) niet te subsidiëren. Indien de verplaatsing gepaard gaat met een uitbreiding, komt het uitbreidingsdeel eventueel voor subsidie in aanmerking. De hiervoor genoemde steunkaartgebieden in Nederland zijn: Provincie Groningen: Appingedam, Delfzijl, Eemsmond, Groningen, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Menterwolde, Slochteren, Veendam, Vlagtwedde (bedrijventerrein Groningen-Zuid Oost), Winschoten. Provincie Friesland: Bolsward, Franekeradeel, Harlingen, Heerenveen, Leeuwarden, Menaldumadeel, Opsterland, Skarsterland, Smallingerland, Sneek, Weststellingwerf (bedrijventerrein Wolvega-Oostflank). Provincie Drenthe: Assen, Coevorden, Emmen, Hoogeveen, Meppel, Middelveld (bedrijventerrein Tweesporenland), Noordenveld, Zuidlaren. Provincie Limburg: Beek, Born, Echt, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maasbracht, Nuth, Roermond, Sittard, Susteren. Provincie Flevoland: Lelystad en Urk.] Paragraaf 1. Europese programma’s Artikel 3.1. Prestatiesubsidie Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies bedoeld in deze paragraaf in de vorm van een prestatiesubsidie. Subparagraaf 1.1. Doelstelling 2 en LEADER+ Artikel 3.2. Criteria 1. Subsidie kan worden verleend aan projecten die voldoen aan de criteria uit het Enkelvoudig Programmeringsdocument voor Oost-Nederland 2000-2006 (Doelstelling 2) zoals vastgesteld door de Europese Commissie op 6 augustus 2001. Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten minder bedragen dan € 50.000,--. 2. Subsidie kan worden verleend aan projecten die voldoen aan de criteria uit het Programma LEADER+ Oost-Nederland voor de periode 2000-2006 (LEADER+) zoals vastgesteld door de Europese Commissie op 30 juli 2001. Artikel 3.3. Indieningtermijn aanvraag 1. In afwijking van artikel 1.10 wordt de aanvraag vóór 1 november of 1 mei ingediend. Gedeputeerde Staten kunnen andere data vaststellen voor het indienen van een aanvraag. 2. Een subsidieaanvraag kan worden ingediend voor activiteiten die reeds zijn gestart, voorzover deze activiteiten niet vóór het besluit tot subsidieverlening van Gedeputeerde Staten zijn afgerond. 3. Gedeputeerde Staten kunnen van het bepaalde in het tweede lid afwijken indien de activiteiten zijn afgerond na de datum waarop de programma’s Doelstelling 2 en LEADER+ door de Europese Commissie zijn goedgekeurd. Artikel 3.4. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening In aanvulling op artikel 1.11 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens: a. documenten waaruit blijkt dat de bekostiging van de medefinanciers is verzekerd; b. een financiële uitgavenplanning in perioden van vier maanden; c. de benodigde vergunningen; het ontbreken van de vergunningen staat niet in de weg aan het afgeven van een advies door de plaatselijke groep/stuurgroep; d. alle stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Europese subsidies. Artikel 3.5. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen twee keer per jaar een subsidieplafond vast. Artikel 3.6. Wijze van behandeling van de aanvragen 1. Een aanvraag om subsidie wordt overeenkomstig de Administratieve Organisatie van de in deze paragraaf genoemde Europese programma’s behandeld. Hierbij wordt bij de subsidieverlening voorrang gegeven aan activiteiten die: de gelijkheid van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt bevorderen, of de kwaliteit van het milieu bevorderen door: • het ontwikkelen van milieutechnologie, of • het verminderen van de negatieve gevolgen van economische investeringen voor het milieu, of • het verbeteren of herbestemmen van de functie van gebieden, of passen binnen een strategische (gebieds)visie, of worden gedragen door de relevante lokale of regionale autoriteiten, instanties of sociaal-economische partners, of kunnen leiden tot substantiële private investeringen. 2. Bij de weging van aanvragen in het kader van het Doelstelling 2-programma spelen de volgende factoren een rol: de financiële eisen; met name de financiële dekking in verhouding tot de Europese bijdrage; de beleidsinhoudelijke eisen van organen van de Europese Unie; de bijdrage aan de indicatoren. 3. Bij de weging van aanvragen in het kader van het LEADER+-programma spelen de volgende factoren een rol: de mate waarin een bijdrage wordt geleverd aan de inhoudelijke doelstelling van het programma en het ontwikkelingsplan; financiële dekking in verhouding tot de Europese bijdrage de mate van: • innovativiteit; • draagvlak voortkomend uit de ‘van onderop totstandkoming’; • het voorbeeldkarakter; kosteneffectiviteit, de verhouding tussen de inzet van middelen van de Europese Unie en de inhoudelijke bijdrage aan het programma; de mate waarin het project, danwel de effecten van het project na afloop van de subsidieverlening zullen worden voortgezet, danwel voortduren; de mate waarin het project voorziet in de behoefte van, danwel de vraag uit het desbetreffende gebied. Artikel 3.7. Beslistermijn In afwijking van artikel 1.13 beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken na ontvangst van het advies van de desbetreffende stuurgroep of plaatselijk groepen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd. Artikel 3.8. Verlening van voorschot 1. In afwijking van artikel 1.14 wordt bij de beschikking tot subsidieverlening een initiële bijdrage van 5% van de subsidie overgemaakt. Voor projecten met een maximale subsidieverlening van € 100.000,-- wordt de initiële bijdrage verhoogd tot 20% van de subsidie. 2. Nadien zal, op basis van de voortgangsrapportage, naar rato van de aangetoonde gemaakte en betaalde kosten tot maximaal 90% van het budgettotaal worden uitbetaald. In bijzondere gevallen zal, ter beoordeling van Gedeputeerde Staten, de maximale bevoorschotting kunnen worden verhoogd tot 100% van het budgettotaal. Artikel 3.9. Verplichtingen van de subsidieontvanger 1. De activiteiten dienen binnen twee maanden na de subsidieverlening te zijn gestart, in die zin dat de subsidieontvanger daadwerkelijk uitgaven ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten verricht. 2. De activiteiten dienen te zijn uitgevoerd uiterlijk binnen 24 maanden na de subsidieverlening. 3. De activiteiten dienen overeenkomstig de aanvraag en de daarbij behorende financiële planning te worden uitgevoerd. 4. De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren op grond waarvan adequate tussentijdse rapportages kunnen worden opgesteld en tevens controles kunnen worden uitgevoerd door personen die door Gedeputeerde Staten zijn aangewezen, danwel door controleurs die bij of krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap hiertoe bevoegd zijn. 5. Indien een subsidieontvanger wenst over te gaan tot het verstrekken van een opdracht dient te worden gehandeld overeenkomstig het door de provincie Overijssel vastgestelde aanbestedingsbeleid (vastgesteld door Gedeputeerde Staten d.d. 10 december 2002, kenmerk BA/2002/3475); boven de daarvoor geldende drempelwaarden dient overeenkomstig het Europees aanbestedingsbeleid te worden gehandeld. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen van het provinciaal aanbestedingsbeleid gemotiveerd afwijken. Dit is slechts mogelijk indien partijen op basis van aan te tonen marktconforme prijzen de opdracht uitvoeren. Artikel 3.10. Rapportage 1. De subsidieontvanger rapporteert schriftelijk drie keer per jaar aan Gedeputeerde Staten over de inhoudelijke en financiële voortgang van de activiteiten. Deze rapportages worden overgelegd binnen twee weken na 1 januari, 1 mei en 1 september van het desbetreffende jaar en hebben betrekking op de aan die datum voorafgaande periode van vier maanden. Bij deze rapportages worden tevens overgelegd de boekingsbescheiden over die periode en een overzicht van de in die periode voldane facturen. 2. De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten over alle feiten en omstandigheden, waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij invloed kunnen hebben op het voortbestaan van het recht op subsidie, alsmede van een verzoek aan de rechtbank tot verlening van surseance van betaling of tot faillietverklaring van de ontvanger. Artikel 3.11. Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling In afwijking van artikel 1.15 dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij Gedeputeerde Staten bij de subsidieverlening een andere termijn hebben aangegeven. Artikel 3.12. Terugvordering Indien de bijdrage(

  1. n)uit de Europese middelen of de bijdrage uit de provinciale of rijksmiddelen als gevolg van een beslissing van de Commissie moet(
  2. en)worden aangepast, kunnen Gedeputeerde Staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen en het eventueel betaalde terugvorderen. Artikel 3.13. Vervreemding Indien de subsidieontvanger de met de subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na subsidievaststelling wenst te vervreemden of aan derden ter beschikking te stellen, dient hij hiertoe een verzoek bij Gedeputeerde Staten in. Subparagraaf 1.2. Plattelandsontwikkeling Artikel 3.14. Criteria Een aanvraag om subsidie voor projecten die de leefbaarheid van het platteland van de provincie Overijssel verhogen, moet voldoen aan de criteria als bedoeld in artikel 4 van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies. Artikel 3.15. Grondslag voor de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de som van de totale communautaire en nationale bijdrage, als bedoeld in artikel 1, onder m en n, van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies. Artikel 3.16. Indieningstermijn In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag worden ingediend gedurende de door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor de provincie Overijssel vastgestelde aanvraagperiode bedoeld in artikel 3 van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies. Artikel 3.17. Wijze van behandeling van de aanvragen 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. 2. Gedeputeerde Staten verlenen de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voorzover het beschikbare bedrag zulks toelaat. Paragraaf 2. Bedrijvigheid en Werkgelegenheid Artikel 3.18. Prestatiesubsidie Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies bedoeld in deze paragraaf in de vorm van een prestatiesubsidie. Subparagraaf 2.1. Arbeidsplaatsenpremie Artikel 3.19. Criteria 26 [Toelichting: Voor subsidie komen in aanmerking die projecten, die worden uitgevoerd door een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon. Publiekrechtelijke rechtspersonen, bij voorbeeld gemeente- of waterschapsbesturen, zijn uitgesloten van subsidiëring. Een project dat wordt uitgevoerd door een privaatrechtelijke rechtspersoon waarvan de aandelen geheel of gedeeltelijk in bezit zijn van een publiekrechtelijke rechtspersoon, kan in aanmerking komen voor subsidie.] 1. Een privaatrechtelijke rechtspersoon die arbeidsplaatsen inricht bij een vestigingsproject of een uitbreidingsproject in de gemeente of delen van de gemeente Almelo, Borne, Enschede, Hardenberg, Hengelo, Oldenzaal of Steenwijk kan arbeidsplaatsenpremie aanvragen. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: het aantal als gevolg van het project gecreëerde arbeidsplaatsen bedraagt in het geval van een vestigingsproject minimaal 25. Voor een uitbreidingsproject geldt dat het aantal arbeidsplaatsen toeneemt met minimaal 50 en met minimaal 30% van het aantal, binnen de onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort, aanwezige arbeidsplaatsen op het moment van het indienen van de aanvraag; 27[Toelichting: Een vestigingsproject is een project dat de oprichting beoogt van een stuwende onderneming, een hoofdkantoor of een laboratorium of de verplaatsing van buiten Overijssel of van buiten de door de Europese Commissie goedgekeurde steunkaartgebieden in Nederland, naar de in artikel 3.20, eerste lid, genoemde gemeente. Indien een onderneming, al dan niet uit faillissement, door een andere eigenaar wordt voortgezet of wordt ingebracht in een andere rechtspersoon, is er geen sprake van het stichten van een onderneming. In de beoordeling van een mogelijke aanvraag wordt onder meer betrokken in hoeverre de duurzame bedrijfsuitrusting, het personeel, de voorraden, de orderportefeuille en het klantenbestand worden overgenomen, alsmede de activiteiten onder dezelfde handelsnaam worden voortgezet. Een uitbreidingsproject is een project dat uitbreiding beoogt van het aantal arbeidsplaatsen van een stuwende onderneming, een hoofdkantoor of een laboratorium in de in artikel 3.20, eerste lid, genoemde gemeente. Bij het uitbreidingscriterium worden als meetmomenten gehanteerd de indieningdatum van de aanvraag en de indieningdatum van de aanvraag om vaststelling van de subsidie. Hierbij worden voor wat betreft het eerste meetmoment alle arbeidsplaatsen meegeteld die binnen de onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort, aanwezig zijn, in genoemde gemeenten. Onder het begrip arbeidsplaats verstaan wij een permanent bezette en tot volledige dagtaak omgerekende formatieve eenheid op jaarbasis, gebaseerd op een arbeidsovereenkomst voor een aaneengesloten periode van minimaal 12 maanden. Bij de omrekening tot volledige dagtaak wordt rekening gehouden met de in de CAO vermelde werkweek. Niet in aanmerking komen arbeidsplaatsen die worden vervuld door middel van uitzendkrachten of zgn. nul-urencontracten. Arbeidsplaatsen waarbij sprake is van detachering worden eveneens niet in aanmerking genomen.] de projectkosten bedragen in het geval van een vestigingsproject minimaal € 150.000,-- en in het geval van een uitbreidingsproject minimaal € 500.000,--; 28[Toelichting: De projectkosten zijn van belang omdat de uitbreiding van arbeidsplaatsen gepaard gaat met investeringen in vaste activa. Overigens zijn deze projectkosten alleen van belang voor de bepaling van het minimumbedrag. Om deze reden wordt als investeringskosten ook in aanmerking genomen de contante waarde van de huurtermijnen ingeval een pand wordt gehuurd. Hierbij wordt alleen de vaste huurperiode in aanmerking genomen die in de huurovereenkomst wordt genoemd.] de uit hoofde van deze regeling verleende subsidie cumuleert niet met door het Rijk en de Europese Unie verstrekte subsidies in het kader van regionaal beleid ten behoeve van investeringen door ondernemers; 29[Toelichting: Cumulatie van subsidie uit hoofde van deze regeling en (bijvoorbeeld) subsidie door het Ministerie van Economische Zaken op grond van het Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten 2000, is niet toegestaan.] de projectkosten worden in redelijke mate met eigen middelen gefinancierd. Hierbij wordt een norm gehanteerd van 25% van de projectkosten; de onderneming zal naar verwachting blijven voortbestaan nadat de ondernemingsactiviteiten, na de uitvoering van het project, zijn begonnen; 30[Toelichting: Voorkomen moet worden dat subsidie wordt verleend aan een bedrijf dat, naar verwachting, na realisatie van het project niet levensvatbaar blijkt te zijn. De levensvatbaarheid wordt op het moment van indiening van de aanvraag onder andere beoordeeld aan de hand van de verwachte verhouding tussen eigen en vreemd vermogen in de onderneming na realisatie van het project.] de betrokken sector van het bedrijfsleven verzet zich niet tegen het project; 31[Toelichting: Indien de gewenste structuur van de betrokken sector van het bedrijfsleven zich tegen het project verzet bijvoorbeeld indien in de betrokken sector sprake is van aantoonbare overcapaciteit, kan de aanvraag worden afgewezen.] vestiging of uitbreiding van een complex van vakantiewoningen of vakantieappartementen maakt geen deel uit van het project. 3. De in het eerste lid genoemde delen van gemeenten betreffen de gebieden in de gemeenten Borne en Enschede die zijn aangewezen in de uitfasering van het Doelstelling 2-programma alsmede het Regionaal Bedrijventerrein Twente (RBT). Hierbij worden de gemeentegrenzen in acht genomen zoals deze golden per 1 januari 2000. 4. Gedeputeerde Staten kunnen de hardheidsclausule van toepassing verklaren op voorwaarde dat het gemeentebestuur van de gemeente waar het project wordt gerealiseerd hiermee instemt. 32[Toelichting: Het gaat bij het hanteren van de hardheidsclausule om projecten die van eminent belang zijn voor de regionale economie maar niet geheel aan de omschrijving van een vestigings- of uitbreidingsproject voldoen. Een voorbeeld: een bedrijf voldoet bij aanvraag net niet aan de vereiste minimale 25 arbeidsplaatsen, maar het is duidelijk dat het op termijn zeer hard zal groeien en van groot belang worden voor de economie van Overijssel. Een tweede voorbeeld: een bedrijf voldoet bij aanvraag net niet aan de eisen voor een uitbreidingsproject maar neemt veel arbeidsplaatsen over van een bedrijf dat failliet gaat of vertrekt uit de provincie, zodat met subsidiëring arbeidsplaatsen niet verloren gaan voor Overijssel. De instemming van de gemeente waar het project wordt gerealiseerd, is cruciaal bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderingsgeval.] 5. Uitgesloten van subsidie zijn ondernemingen: in de toeristische sector; waarvoor een vergunning moet worden verleend op grond van de Wet personenvervoer; van openbaar nut; behorende tot de door de Europese Commissie uitgesloten sectoren. 33[Toelichting: Aanvullend op de Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen heeft de Europese Commissie bepaald dat ondernemingen van subsidiëring zijn uitgesloten die behoren tot de volgende sectoren: a. sectoren van de productie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten zoals bedoeld in bijlage 1 van het EG-verdrag; b. sectoren van de productie, de verwerking en de afzet van visserij- of aquacultuurproducten zoals bedoeld in bijlage 1 van het EG-verdrag; c. de vervoerssector; d. de ijzer- en staalindustrie, bedoeld in de Beschikking nr. 2496/96/EGKS van de Europese Commissie van 18 december 1996 houdende communautaire regels voor steun aan de ijzer- en staalindustrie (PbEG 1997, L218) en de Kaderregeling voor bepaalde, niet onder het EGKS-verdrag vallende staalsectoren (PbEG 1988, C320); e. de kolensector, bedoeld in de Beschikking nr. 3632/93/EGKS van de Commissie van 28 december 1993 tot vaststelling van een communautaire regeling voor de steunmaatregelen van de lidstaten ten behoeve van de kolenindustrie (PbEG 1993, L329) en de Beschikking nr. 341/94/EGKS van de Commissie van 8 februari 1994 houdende toepassing van Beschikking nr. 3632/93/EGKS tot vaststelling van een communautaire regeling voor steunmaatregelen van de lidstaten ten behoeve van de kolenindustrie (PbEG 1994, L49); f. de scheepsbouw, bedoeld in Verordening (EG) nr. 1540/98 van de Raad van 29 juni 1998 betreffende steunverlening aan de scheepsbouw (PbEG 1998, L202); g. de synthetische-vezelsector, bedoeld in de Kaderregeling voor steunmaatregelen in de sector synthetische vezels (96/C 94/07) en de uitbreiding ervan (PbEG 1999, C24); h. de automobielindustrie, bedoeld in de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun aan de automobielindustrie (PbEG 1997, C279).] Artikel 3.20. Grondslag subsidie 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 15% van de gemaakte en betaalde subsidiabele loonkosten van het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen gedurende een periode van maximaal twee jaren met een maximum van € 4.000,-- per gecreëerde arbeidsplaats. 34[Toelichting: Onder loonkosten verstaan wij: het brutojaarloon volgens kolom 14 van de loonstaat, verhoogd met de op basis van de CAO wettelijk verschuldigde werkgeverslasten. De regionale steun voor Twente mag volgens de normen van de Europese Commissie niet meer bedragen dan 15% bruto. De normen van de Europese Commissie zijn vastgelegd in de Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (PbEG 1998, C74). Om budgettaire redenen is het daarnaast gewenst het maximale bedrag per arbeidsplaats af te toppen op € 4.000,--. ]35[Toelichting: De wijze waarop de subsidiegrondslag wordt berekend geschiedt als volgt. Vestigingsproject: het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen wordt bepaald op het moment van indienen van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie. Alle arbeidsplaatsen die op dat moment voldoen aan het criterium, worden in aanmerking genomen. Vervolgens worden van deze arbeidsplaatsen de loonkosten berekend voorzover deze loonkosten zijn betaald op het moment van indienen van de aanvraag tot vaststelling. Dit betekent dat indien een arbeidsplaats wordt vervuld één maand voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling, van deze arbeidsplaats slechts de loonkosten gedurende één maand worden meegenomen. Uitbreidingsproject: de toename van het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen wordt bepaald als het verschil in arbeidsplaatsen tussen de twee meetmomenten. Indien de toename voldoet aan het criterium, vindt de berekening van de subsidiegrondslag verder plaats op dezelfde wijze als vermeld onder vestigingsproject. In beide gevallen kan overigens nog wel een correctie plaatsvinden op grond van artikel 3.21, derde lid. Het aangaan van mondelinge arbeidsovereenkomsten, alsmede arbeidsovereenkomsten met ontbindende danwel opschortende voorwaarden, wordt voor de arbeidsplaatsenpremie in het algemeen aangemerkt als het aangaan van verplichtingen. Indien de datum van deze arbeidsovereenkomsten is gelegen vóór de datum van de indiening van de aanvraag tellen deze niet mee als arbeidsplaats.] 2. Het maximale subsidiebedrag wordt verlaagd indien de normen van de Europese Commissie daartoe aanleiding geven. 3. De loonkosten die verband houden met arbeidsplaatsen waarvoor arbeidsovereenkomsten zijn gesloten vóór de indiening van de aanvraag behoren niet tot de subsidiabele loonkosten. 4. De subsidiabele loonkosten worden recht evenredig verlaagd, indien gedurende het tijdvak gelegen tussen één jaar voor de indiening van de aanvraag en een jaar na de indiening van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie, binnen de onderneming van de aanvrager of binnen de groep waartoe de onderneming behoort, arbeidsplaatsen zijn of komen te vervallen. Deze vermindering wordt alleen toegepast voor het vervallen van arbeidsplaatsen in Overijssel of in de door de Europese Commissie goedgekeurde steunkaartgebieden in Nederland. 36[Toelichting: Deze bepaling heeft betrekking op situaties waarin (nagenoeg) gelijktijdig met de uitvoering van het project het aantal arbeidsplaatsen wordt verminderd, bijvoorbeeld door het opheffen van bestaande arbeidsplaatsen bij realisering van nieuwe gesubsidieerde arbeidsplaatsen. Het positieve effect van de subsidie op de regionale economie wordt als gevolg van het opheffen van die arbeidsplaatsen per saldo minder. De subsidiabele loonkosten worden dan ook zodanig verminderd dat het subsidiebedrag meer in overeenstemming is met het netto effect van de investering. Daarbij wordt gekeken naar het opheffen van arbeidsplaatsen binnen de onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort, in de rest van Overijssel en in de overige gemeenten van de steunkaartgebieden. Detachering van personeel bij andere bedrijven en het op non-actief stellen van personeel vallen eveneens onder het opheffen van arbeidsplaatsen.] Artikel 3.21. Indieningstermijn 37 [Toelichting: De datum waarop de subsidieaanvraag moet zijn ingediend houdt verband met de looptijd van het programma. Beschikkingen aan individuele projectuitvoerders kunnen voor het Regionaal Bedrijventerrein Twente worden verstrekt tot 31 december 2006. Gedeputeerde Staten hebben voor de behandeling van een subsidieaanvraag een redelijke termijn nodig vandaar dat de indieningstermijn gesteld is op 1 oktober 2006.] In afwijking van artikel 1.10 moet een subsidieaanvraag die betrekking heeft op het Regionaal Bedrijventerrein Twente (RBT) worden ingediend vóór 1 oktober 2006. Artikel 3.22. Aanvullende stukken bij een aanvraag In aanvulling op artikel 1.11 overlegt de aanvrager bij de subsidieaanvraag tevens de bijlagen zoals aangegeven in het aanvraagformulier. Artikel 3.23. Subsidieplafond 38[Toelichting: Jaarlijks stellen Gedeputeerde Staten het beschikbare budget vast. Hierbij hebben Gedeputeerde Staten de mogelijkheid het budget naar werkingsgebied en naar aard van het project (vestigings- of uitbreidingsproject) te verdelen. Het werkingsgebied van de APR II is immers verdeeld over drie verschillende Europese Programma’s: • Doelstelling 2 Uitfasering: gemeenten Almelo, Hengelo, Enschede, Oldenzaal, Borne; • Doelstelling 2 Platteland: Regionaal Bedrijventerrein Twente; • Doelstelling 5b Uitfasering: Steenwijk en Hardenberg (gedeeltelijk). Daarnaast worden projecten in het gedeelte van Hardenberg dat niet valt onder Doelstelling 5b Phasing Out gefinancierd uit andere middelen.] Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Het subsidieplafond kan worden onderverdeeld in deelplafonds voor de diverse werkingsgebieden en voor vestigings- respectievelijk uitbreidingsprojecten. Artikel 3.24. Wijze van behandeling van de aanvragen Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt. Artikel 3.25. Advies 39 [Toelichting: Het is van belang dat de gemeente waar het project wordt gerealiseerd, betrokken wordt bij een subsidieaanvraag, zodat alle elementen die van belang zijn bij de beoordeling van het project kunnen worden meegenomen. Bovendien wordt een deel van de subsidie gefinancierd door de gemeente. Vandaar dat de betrokken gemeente om advies wordt gevraagd voordat over het project wordt beslist.] 1. Een subsidieaanvraag wordt, onmiddellijk na ontvangst, om schriftelijk advies voorgelegd aan het gemeentebestuur in de gemeente waar het project wordt gerealiseerd. 2. Bij de in het eerste lid genoemde adviesaanvraag wordt de termijn waarbinnen het gemeentebestuur het advies aan Gedeputeerde Staten moet uitbrengen, bepaald. 3. Indien binnen de in het tweede lid genoemde termijn geen advies van het gemeentebestuur is ontvangen beslissen Gedeputeerde Staten over de subsidieaanvraag. Artikel 3.26. Verplichting subsidieontvanger 40 [Toelichting: De hierin opgenomen verplichting houdt verband met de eis van de Europese Commissie, zoals geformuleerd in de richtsnoeren voor regionale steun, dat de arbeidsplaatsen gedurende een periode van minimaal vijf jaar behouden moeten blijven voor de regio. De subsidieontvanger dient de provincie Overijssel dan ook onverwijld in kennis te stellen van elk voornemen om arbeidsplaatsen af te stoten of te laten vervallen. Op basis daarvan kan de provincie bepalen welk deel van de vastgestelde en uitbetaalde subsidie door de subsidieontvanger moet worden terugbetaald.] De met de verleende subsidie te realiseren arbeidsplaatsen blijven in ieder geval gedurende vijf jaar na de indiening van de subsidieaanvraag in stand. Artikel 3.27. Vaststelling van de subsidie 41[Toelichting: Het gaat bij subsidieverlening niet alleen om de intentie arbeidsplaatsen te creëren maar ook om de daadwerkelijke inzet daarvan. Alleen dan kan de doelstelling van de regeling, het stimuleren van het creëren van extra arbeidsplaatsen in de stuwende sectoren van de regionale economie, worden gerealiseerd. Het is de bedoeling de beschikbare subsidies te gebruiken voor projecten die op korte termijn een impuls geven aan de sociale economische ontwikkeling van de regio. Een verzoek om vaststelling moet worden ingediend vóór 1 november van het jaar volgend op het jaar dat de subsidieaanvraag is ingediend. Deze datum houdt eveneens verband met de afrekentermijnen met de Europese Unie. De provincie dient de middelen die aan haar in het kader van deze APR II worden toegekend binnen 24 maanden na de toekenning af te rekenen. Om de individuele projecten tijdig af te kunnen wikkelen is gekozen voor de datum van 1 november.] 1. Na de uitvoering van het project, maar in ieder geval vóór 1 november van het jaar na de indiening van de subsidieaanvraag, dient een aanvraag tot vaststelling van de subsidie te worden ingediend. 2. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt ingediend op een daartoe vastgesteld formulier. Het formulier vermeldt welke bijlagen daarbij dienen te worden meegezonden. 3. Gedeputeerde Staten stellen de subsidie vast op basis van de ten behoeve van de uitvoering van het project gemaakte en betaalde loonkosten die op eenduidige wijze uit de administratie van de onderneming zijn af te leiden, alsmede op basis van het aantal daadwerkelijk gecreëerde arbeidsplaatsen. 4. Het vastgestelde subsidiebedrag is niet hoger dan het bedrag zoals genoemd in de beschikking tot subsidieverlening of niet hoger dan het bedrag dat op grond van de normen van de Europese Commissie is toegestaan. Artikel 3.28. Intrekken of wijzigen subsidieverlening Gedeputeerde Staten kunnen de beschikking tot subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien: a. de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen in de onderneming gezien de rentabiliteit en de aard van de onderneming niet aanvaardbaar is of indien gerede twijfel bestaat omtrent het voortbestaan van de onderneming, of b. aan de subsidieontvanger surseance van betaling is verleend of de subsidieontvanger failliet is verklaard. Subparagraaf 2.2. Bedrijfsverplaatsingen Artikel 3.29. Criteria 42[Toelichting: Met het verplaatsen van een bedrijf dat een extern veiligheidsrisico vormt, wordt beoogd dat de kans zo klein mogelijk wordt gehouden dat mensen in de omgeving van een bedrijf overlijden tengevolge van een ongeval in dat bedrijf. De sanering door verplaatsing houdt dan in: beëindiging van de activiteiten van de inrichting op de saneringslocatie gevolgd door hervatting daarvan elders binnen Overijssel, teneinde het externe veiligheidsrisico op de saneringslocatie tot een verwaarloosaar niveau terug te brengen. De vermenigvuldiging van de-kans-op maal het effect (overlijden) wordt aangeduid met het begrip risico. Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats, namelijk de kans per jaar dat iemand die onafgebroken en onbeschermd daar zou verblijven, overlijdt. Hierbij is niet van belang of op die plaats werkelijk iemand aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Een plaatsgebonden risico van 10-6 betekent dat een omwonende van bijvoorbeeld een chloorfabriek een kans van één op een miljoen heeft om als gevolg van een ramp te overlijden. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour) rond een bedrijf of – zoals in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer genoemd – de inrichting. Dit ‘risico’ is één van de mogelijke maten voor de zgn. ‘externe veiligheid’ van een bedrijf, de mate waarin processen en vooral calamiteiten binnen een bedrijf naar buiten toe risico’s vormen. Het begrip dat hierbij ook wordt gebruikt, is de ‘letaliteitsafstand’. Het provinciebestuur zal een aanvraag in behandeling nemen, als verplaatsing wordt beoogd voor een inrichting die een extern veiligheidsrisico vormt. Het externe veiligheidsrisico wordt dan berekend als plaatsgebonden risico buiten de grens van de inrichting, dat tussen de 10-5 per jaar contour en 10-8 per jaar contour ligt en/of binnen de maximale 1% letaliteitsafstand. De maximale 1% letaliteitafstand is de afstand vanaf de grens van een inrichting, een transportroute of een buisleiding, waarbinnen als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding, de kans op overlijden van aanwezige personen als gevolg van een explosie, brand of het vrijkomen en blootgesteld worden aan toxische stoffen, hitte of drukbelasting, bij atmosfeerstabiliteitsklasse F 1,5 volgens Pasquill, 1% of hoger is. Binnen de definitie van 1% letaliteitsafstand vallen toxiciteit, hittebelasting en drukbelasting. Indien een letaal (of dodelijk) effect kan optreden door een stof die directe vergiftiging veroorzaakt is sprake van toxiciteit. Treedt schade op bij korte blootstelling aan de stralingeffecten bij een brand dan is er sprake van hittebelasting. Een explosie heeft (piek)overdruk tot gevolg. Door de drukbelasting kan fragmentatie ontstaan van de omhulling, glasbreuk of schade door brokstukken. Daardoor kunnen dodelijke slachtoffers vallen. De letaliteitsafstand wordt berekend volgens de rekenmethode van de Commissie Preventie van Rampen (CPR-richtlijn) of op basis van het (nog in werking te treden) Registratiebesluit risicosituaties gevaarlijke stoffen.] 1. Een gemeentebestuur binnen de provincie Overijssel kan subsidie aanvragen in de kosten van het verplaatsen van een bedrijf dat een veiligheidsrisico vormt voor de leefomgeving uit het fonds bedrijfsverplaatsingen Overijssel 2004. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: doel van de activiteit is sanering door verplaatsing van een inrichting die ter plaatse een extern veiligheidsrisico veroorzaakt door bedrijfsprocessen of door transporten van of naar die inrichting; reductie tot een verwaarloosbaar risiconiveau van de inrichting is niet door actualisering van de milieuvergunning te realiseren; 43[Toelichting: Een verwaarloosbaar niveau van een risico is het niveau van een plaatsgebonden risico buiten de grens van de inrichting, dat lager is dan 10-8.] de aanvrager heeft geen betrekking op een inrichting die in aanmerking komt voor de schadevergoedingsregeling voor LPG-tankstations, het Besluit Beleidsregels compensatie meldingplichtige vuurwerkbedrijven of de schadevergoedingsregeling van de Wet milieubeheer; 44[Toelichting: Voor de sanering van LPG-tankstations geldt een schadevergoeding die is gebaseerd op artikel 15.20 van de Wet milieubeheer. De criteria voor schadevergoedingen staan in de circulaire die de minister van VROM op 22 mei 2003 aan gemeenten en provincies heeft gestuurd met de spelregels voor de toekenning van een schadevergoeding aan LPG-tankstations die moeten worden gesaneerd. Het betreft de circulaire Toepassing van de circulaire schadevergoeding Wet milieubeheer in verband met sanering LPG-tankstations' (brief VROM d.d. 22 mei 2003, kenmerk EV/2003.036534). Het Besluit Beleidsregels compensatie meldingsplichtige vuurwerkbedrijven is op 24 april 2002 gepubliceerd in de Staatscourant (nr. 79). Met de schadevergoedingsregeling van de Wet milieubeheer wordt artikel 15.20 tot en met artikel 15.23 van de Wet milieubeheer bedoeld.] de koopprijs van de saneringslocatie inclusief de zich daarop bevindende gebouwen wordt door middel van een onafhankelijk taxatierapport marktconform vastgesteld; de sanering door verplaatsing wordt binnen één jaar na verlening van de subsidie in uitvoering genomen en voltooid binnen drie jaar na verlening van de subsidie. In bijzondere omstandigheden kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van het gemeentebestuur de genoemde termijnen verlengen; 45[Toelichting: Onder ‘voltooid’ wordt verstaan dat conform het activiteitenplan het extern veiligheidsrisico op de saneringslocatie tot een verwaarloosbaar niveau is teruggebracht.] het gemeentebestuur draagt ten minste hetzelfde bedrag bij als de door de provincie Overijssel verleende subsidie. Artikel 3.30. Grondslag voor de subsidie 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van het nettotekort met een maximum van € 250.000,-- per te saneren inrichting. 2. Subsidie wordt voorts uitsluitend verstrekt ter dekking van de kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het tot stand brengen van de sanering. 3. Niet subsidiabel zijn de kosten voor: ureninzet van personen in dienst van bestuursorganen of bedrijven, die voor meer dan de helft door de overheid worden gefinancierd, ten behoeve van voorbereiding, administratie en begeleiding van de activiteiten; verrekenbare omzetbelasting en andere verrekenbare heffingen, belastingen of lasten; bodemsanering voorzover verhaal op de vervuiler en/of aanspraak op fondsen bedoeld voor bodemsaneringactiviteiten mogelijk is; rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; extern projectmanagement; activiteiten die kunnen worden gedekt uit de inkomsten die met deze activiteiten verband houden; activiteiten die worden verricht ter voldoening aan enige wettelijke verplichting. Artikel 3.31. Wijze van behandeling van aanvragen Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen die voldoen aan de in artikel 3.29 genoemde criteria in de volgorde van ontvangst waarbij zij rekening houden met de volledigheid van de aanvraag. Artikel 3.32. Aanvullende stukken bij de aanvraag In aanvulling op artikel 1.11 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens: a. een verklaring van de houder van de inrichtingsvergunning, waarin deze zich bereid verklaart om een verzoek tot intrekking van de milieuvergunning in te dienen, danwel mededeling te doen dat niet langer gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de artikelen 8.40 en 8.41 van de Wet milieubeheer bieden voor het uitvoeren van bedrijfsactiviteiten op de saneringslocatie; b. een gespecificeerde raming van de verwervings- en/of verwijderingskosten van de sanering door verplaatsing, waaruit het nettotekort blijkt, onderbouwd door een onafhankelijk taxatierapport van de saneringslocatie en de zich daarop bevindende gebouwen; c. de opbouw en samenstelling van de gemeentelijke bijdrage; d. een gespecificeerde raming van vergoedingen, opbrengsten of andere inkomsten, die het gemeentebestuur of de houder van de inrichtingsvergunning verkrijgen voor de sanering door verplaatsing, medeblijkend uit de gemeentelijke grondexploitatie van de herontwikkeling; e. afschrift van het besluit dat het gemeentebestuur een bestemmingsplanherziening heeft gestart voor de saneringslocatie opdat niet opnieuw activiteiten kunnen plaatsvinden die een extern veiligheidsrisico veroorzaken. Artikel 3.33. Voorschotverlening In afwijking van artikel 1.14 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van maximaal 50% van de verleende subsidie, zodra het gemeentebestuur schriftelijk heeft bericht dat de uitvoering van het project is gestart. Subparagraaf 2.3. In actie voor werkgelegenheid Artikel 3.34. Subsidiabele activiteiten 46[Toelichting: Dit artikel is bedoeld als vangnet voor de beleidslijnen binnen het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief. Wanneer Gedeputeerde Staten van oordeel zijn, dat de te subsidiëren activiteit niet wordt beoogd onder de hierna volgende subparagrafen 3.4 tot en met 3.7, maar wel past binnen het MEUP, dan kunnen gedeputeerde staten een aanvraag honoreren. Overigens beoogt het provinciebestuur met het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel (MEUP) uitdrukkelijk een verbinding te leggen met andere beleidsvelden die kunnen bijdragen aan het thema. Bij voorbeeld met cultuur, zorg, wonen, platteland. Deze integraliteit willen wij bij de uitvoering vasthouden.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de thema’s van het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel ‘In actie voor werkgelegenheid’. Artikel 3.35. Niet-subsidiabele kosten Ten aanzien van de subparagrafen 3.4 tot en met 3.7 worden als niet subsidiabele kosten aangemerkt: a. interne kosten; b. dat deel van de kosten dat niet noodzakelijk is voor de realisatie van de activiteit; c. verrekenbare heffingen, belastingen of lasten; d. rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; e. afschrijvingskosten; f. kosten van aankoop van gebouwen en/of grond; g. kosten van planschade; h. kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering; i. winstopslagen bij transacties binnen een groep van ondernemingen; j. kosten van planschade Subparagraaf 2.4. Ruimte voor ondernemen: de toegankelijkheid en verbetering van de bedrijfsomgeving Artikel 3.36. Subsidiabele activiteiten 47[Toelichting: Een korte toelichting op de gebruikte begrippen. Een masterplan is een plan waarin op basis van kansen- en knelpuntenanalyse is vastgelegd (
  3. a)hoe kansrijk de herstructurering voor het betrokken bedrijventerrein is, (
  4. b)hoe betrokken ondernemers en overheden gezamenlijk de aanpak van de herstructurering vorm willen geven, (
  5. c)hoe daarvoor de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden verdeeld en (
  6. d)op basis waarvan besluiten daartoe kunnen worden genomen. Parkmanagement is het in een publiek-private samenwerking sturen van vorm, voorzieningen en beheer van een bedrijventerrein, met als doel het structureel op peil houden van het gewenste kwaliteitsniveau van de bedrijfsomgeving. Parkmanagement geeft sturing aan de inrichting en het beheer van het (bebouwde) terrein, de initiatie en de exploitatie van zowel collectieve als individuele voorzieningen en diensten. Daarnaast analyseert en organiseert parkmanagement samenwerkingsmogelijkheden, met als doel het verkrijgen en behouden van een hoog kwaliteitsniveau van zowel de openbare als de private ruimte. Innovatie is broodnodig Programmaplan Kennispark Twente Of een activiteit subsidiabel is of niet hangt ervan af of de activiteit past binnen het kader van het Programmaplan Kennispark Twente. Dit plan is opvraagbaar bij het Europaloket van de provincie Overijssel. Actieprogramma Breedband 2005-2007 Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel willen het gebruik van breedband voor ondernemers, instellingen en burgers bevorderen. Het actieprogramma is samen met de vijf grote gemeenten en de Stichting Breedband Twente vormgegeven. Breedband is de infrastructuur die geschikt is voor: • beeld- en geluidstoepassingen van een goede kwaliteit; • het uitwisselen van omvangrijke gegevensbestanden; • waarvan de verbinding continu beschikbaar is; • tenminste een capaciteit van 10 Mbps ondersteunt en • toekomstvast is in die zin dat hogere capaciteiten later tegen relatief geringe kosten realiseerbaar zijn. Breedbanddiensten betreffen de toepassingen die de afnemer innovatieve elektronische (communicatie)diensten bieden en die gebruikmaken van breedbandinfrastructuur. Met het Actieprogramma Breedband wil het provinciebestuur uiterlijk in 2007 de volgende ambities bereiken: 1. de stedelijke netwerken Netwerkstad Twente, Stedendriehoek en Zwolle-Kampen zijn onderling door middel van een open glasvezelinfrastructuur ontsloten. Daarmee is een open ‘backbone’ glasvezelring in Overijssel gerealiseerd. Hierop worden Triple diensten (Telefonie, RTV, Internet) aangeboden. Er is sprake van kostenreductie. Op die interstedelijke glasvezelring zijn minimaal vijf plattelandskernen aangesloten; provincie maakt zich sterk voor de interstedelijke verbindingen, de grote steden voor de glasvezelinfrastructuur in de stad; 2. alle uitvoerende instellingen met een provinciale meerjarige prestatiesubsidie, de vijf steden en de provincie hebben op basis van een visie op hun dienstverlening en bedrijfsvoering/exploitatie een besluit genomen over gebruik van en dienstenontwikkeling over breedbandinternet; 3. binnen twee jaar na 2004 vinden diverse experimenten met breedbanddienstenontwikkeling in de zorgsector, de cultuur-/bibliotheeksector, de overheidsdienstverlening en het onderwijs plaats. Deze experimenten zijn na afronding zelfstandig exploitabel. Provincie en gemeenten maken zich sterk voor actieve participatie en investeringen van het bedrijfsleven Binnen het actieprogramma Breedband passen drie soorten van acties: A. Vraagbundeling De realisatie van een open glasvezelring tussen de vijf grote steden in Overijssel in 2007 bereiken we allereerst door vraagbundeling in de grote steden. De vraagbundeling vindt plaats op lokaal niveau. Op deze schaal is er inzicht in de vraag van instellingen en bedrijven naar breedband vereisende toepassingen. Vanuit de bundeling van de vraag ontstaan businesscases die voor partijen in de markt economisch exploitabel zijn. Door van één, open netwerk gebruik te maken kan bespaard worden op telefonie en datacommunicatie en wordt een interessante markt voor nieuwe dienstenaanbieders ontwikkeld. De realisatie van de glasvezelring tussen de steden draagt ook bij aan de ontsluiting van het platteland. B. Elektronische dienstverlening De vijf grote gemeenten en de provincie investeren in publieke elektronische dienstverlening via internet op basis van een individueel door de Colleges van Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten bepaald ambitieniveau gebaseerd op het programma ‘De andere overheid’. Accenten in de samenwerking worden gelegd bij: • het raadplegen van tot dusver minimaal ontsloten publieke informatie bijvoorbeeld beeldarchieven; • het bevorderen van één-loket-initiatieven zodat dienstverlening naar burgers en bedrijven voor het grootste gedeelte elektronisch wordt; • het gebruikmaken van internet als het gaat om burgerraadplegingen, interactieve beleidsvorming en politieke communicatie met burgers en organisaties. C. Stimuleren breedbanddiensten Het gebruik van breedbandinternet willen wij stimuleren door ontwikkeling en toepassing van breedbanddiensten. In de periode 2005-2007 stimuleren we de ontwikkeling van breedbanddiensten door goede voorbeeldprojecten te ondersteunen. Deze projecten moeten in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden: • de dienst vergroot de toegang en het gebruik van het breedbandnetwerk; • de dienst heeft een demonstratie-effect naar andere instellingen en bedrijven; • de dienst wordt na opstartfase zelfstandig geëxploiteerd en is dan toepasbaar voor meer partijen dan alleen de projectindieners; • de dienst draagt bij aan de doelstellingen die binnen diverse beleidsterreinen zijn verwoord in het provinciaal Onderhandelingsakkoord ‘Ruimte voor actie’ 2003-2007; • bij de ontwikkeling en productie van de dienst is actieve participatie van het bedrijfsleven vereist.] 1. Binnen het thema Ruimte voor ondernemen kan subsidie worden gevraagd voor: het opstellen van masterplannen voor een duurzame herstructurering van bedrijventerreinen; activiteiten gericht op verduurzaming van bedrijventerreinen, zoals parkmanagement, zorgvuldig ruimtegebruik, veiligheid, energie, hergebruik van afvalstoffen en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen; strategische planvorming ten aanzien van bovenregionale bedrijventerreinen; strategische planvorming ten aanzien van ontwikkeling van bedrijfsverzamelgebouwen; strategische planvorming met betrekking tot multimodaal goederen- en personenvervoer; de uitvoering van herstructurering van bestaande bedrijventerreinen. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan het criterium dat de subsidieontvanger zelf voor minimaal 20% bijdraagt in de totale subsidiabele kosten. 3. In aanvulling op het tweede lid moet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in het eerste lid, onder f (herstructurering bedrijventerreinen), voldoen aan de volgende criteria: het herstructureringsproject betreft een bedrijventerrein ouder dan tien jaar, gemeten vanaf het moment van vaststelling door de Gemeenteraad van het bestemmingsplan van het betreffende bedrijventerrein, niet zijnde een bedrijventerrein dat door het Ministerie van Economische Zaken is aangewezen als TOP-project; het herstructureringsproject moet minstens vijf hectare bruto omvatten; het herstructureringsproject levert in elk geval een verbetering op van de inrichting en ruimtegebruik van het bedrijventerrein; de financiering van het herstructureringsproject is na de verlening van de subsidie sluitend; het door het herstructureringsproject bereikte kwaliteitsniveau van het bedrijventerrein blijft ook na afloop van de subsidieperiode in stand. Artikel 3.37. Grondslag voor de subsidie 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,--. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie als bedoeld in artikel 3.36, eerste lid onder f., maximaal € 500.000,--. 3. In aanvulling op artikel 3.35 worden ten aanzien van de subsidie als bedoeld in artikel 3.36, eerste lid, onder b, de kosten, die worden gemaakt voor delen van het terrein die de bestemming van bedrijventerrein verliezen, eveneens als niet-subsidiabel aangemerkt. Artikel 3.38. Aanvullende stukken bij de aanvraag In aanvulling op artikel 1.11 overlegt de aanvrager voor uitvoering van herstructurering van bestaande bedrijventerreinen bij de aanvraag tevens: a. een door het gemeentebestuur vastgesteld masterplan; b. een draagvlakverklaring; c. een plan van aanpak hoe na afloop van het herstructureringsproject het bereikte kwaliteitsniveau van het bedrijventerrein wordt gewaarborgd. Subparagraaf 2.5. Innovatie is broodnodig Artikel 3.39. Criteria 48[Toelichting: Een korte toelichting op de gebruikte begrippen. Tot de categorie stuwende ondernemingen rekenen wij ondernemingen die naar hun aard niet aan een vestigingsplaats zijn gebonden. Voor deze ondernemingen bestaat een keuze tussen een aantal reële vestigingsplaatsen. Van de onderneming dient een stimulerende werking uit te gaan op de economische ontwikkeling van Overijssel en minstens de helft van de omzet dient te worden gerealiseerd buiten de provincie Overijssel. Stuwende ondernemingen onderscheiden zich van verzorgende ondernemingen. Bij verzorgende ondernemingen wordt de plaats van vestiging voor een belangrijk deel bepaald door de nabijheid van de klantenkring. Deze ondernemingen vallen buiten de werkingssfeer van de regeling. Tot de verzorgende ondernemingen kunnen in zijn algemeenheid worden gerekend (niet limitatief): • gezondheids- en veterinaire diensten; • bouw- en installatiebedrijven; • tussenpersonen in de handel m.u.v. landelijk werkende distributiecentra; • detailhandel m.u.v. postorderbedrijven; • restaurants en café’s; • (sociaal-)culturele instellingen; • reparatiebedrijven voor gebruiksgoederen; • onderwijsinstellingen m.u.v. bedrijven voor schriftelijk onderwijs; • exploitatie van en handel in onroerend goed; • persbureaus; • bankfilialen; • vestigingen van vrije beroepen; • uitzendbureaus. Indien bovengenoemde bedrijven wel voldoen aan de criteria van het begrip stuwend kunnen zij uiteraard een beroep doen op de regeling.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen voor de volgende activiteiten: Onderzoekprojecten die het innovatievermogen van ondernemingen vergroten; Ontwikkelprojecten die het innovatievermogen van ondernemingen vergroten; Activiteiten die beogen het innovatievermogen van ondernemingen te vergroten en clusters en netwerken te professionaliseren; Activiteiten die zijn omschreven in het Programmaplan Kennispark Twente; Activiteiten die vallen binnen het kader van het Actieprogramma Breedband Overijssel 2005-2007. 2. Voor alle activiteiten bedoeld in lid 1 gelden de volgende eisen: De activiteit moet bijdragen aan besparing van energie en verminderen milieudruk; Er moet zicht zijn op een commerciële toepassing van de innovatie; De activiteiten hebben geen betrekking op de sectoren dienstverlening of toerisme. 3. Voor onderzoekprojecten als bedoeld in lid 1 sub a gelden de volgende aanvullende eisen: per kalenderjaar en per ondernemer worden maximaal twee aanvragen gehonoreerd; het project is niet gericht op directe prodcutontwikkeling;er wordt zoveel mogelijk gebruikgemaakt van bestaande infrastructuur; De minimale kosten van een project bedragen € 2.500,--. 4. Voor ontwikkelprojecten als bedoeld in lid 1 sub b gelden de volgende aanvullende eisen: per kalenderjaar en per ondernemer wordt maximaal een aanvraag gehonoreerd; het project is niet gericht op directe productontwikkeling; de minimale kosten van een project bedragen € 20.000,--. 5. Activiteiten als bedoeld in lid 1 sub c komen alleen voor subsidie in aanmerking als sprake is van samenwerking door of voor minimaal vijf MKB-bedrijven. 6. Voor activiteiten als bedoeld in lid 1 sub e gelden de volgende aanvullende eisen: er is sprake van scheiding van infrastructuur en diensten om een open glasvezelinfrastructuur te creëren; er wordt zoveel mogelijk gebruikgemaakt van bestaande infrastructuur; de breedbanddienst vergroot de toegang en het gebruik van het breedbandnetwerk; de breedbanddienst heeft een demonstratie-effect naar andere instellingen en bedrijven; de exploitatie van de breedbanddienst moet voor minimaal drie jaar zijn gewaarborgd en de dienst is toepasbaar voor meer partijen dan alleen de projectindieners; de breedbanddienst draagt bij aan de doelstellingen die binnen diverse beleidsterreinen zijn verwoord in het provinciale Onderhandelingsakkoord 'Ruimte voor actie' 2003-2007; bij de ontwikkeling en productie van de breedbanddiensty is actieve participatie van het bedrijfsleven vereist. Artikel 3.40. Grondslag voor de subsidie 1. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.39 lid 1 sub a bedraagt de subsidie maximaal 40% van de kosten met een maximum van € 10.000,--. 2. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.39 lid 1 sub b bedraagt de subsidie maximaal 40% van de kosten met een maximum van € 30.000,--. 3. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.39 lid 1 sub c en sub e bedraagt de subsidie maximaal 50% van de kosten. 4. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.39 lid 1 sub d (Kennispark Twente) bedraagt de subsidie minimaal € 10.000,-- en maximaal € 500.000,--. Artikel 3.40a Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie Voor subsidies als bedoeld in artikel 3.39 lid 1 sub a en b zijn artikwel 1.16 lid 2 en artikel 1.17 niet van toepassing. Subparagraaf 2.6. Arbeidsmarkt en onderwijs Artikel 3.41. Criteria 1. Binnen het thema Arbeidsmarkt en onderwijs kan subsidie worden aangevraagd voor: activiteiten die de samenwerking tussen arbeidsmarktpartijen bevorderen en transparantie van de arbeidsmarkt vergroten; activiteiten die de aansluiting tussen arbeidsmarkt en onderwijs verbeteren. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de activiteit wordt bij voorkeur in samenwerkingsprojecten gerealiseerd; de activiteit is gericht op het bevorderen van een betere aansluiting tussen vraag en aanbod van arbeid; de activiteit is gericht op het verhogen van de arbeidsparticipatie, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen op de regionale arbeidsmarkt; de activiteit is voorwaardenscheppend. Artikel 3.42. Grondslag voor de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. Subparagraaf 2.7. Kwaliteitsimpuls recreatie en toerisme Artikel 3.43. Criteria 49[Toelichting: Onder toeristisch-recreatieve infrastructuur wordt verstaan de gerealiseerde dagrecreatieparken het Hulsbeek, het Rutbeek, het Arboretum Poort-Bulten, het Lageveld, de Wythmenerplas en de gerealiseerde recreatieve fietspaden op het provinciale Raamplan fietspaden. Verder de gerealiseerde subsidiabele recreatieve infrastructuur van de Regio IJssel-Vecht, de Regio Twente, de Recreatiegemeenschap Salland en het Waterschap Reest en Wieden. Dus inclusief de onderhoudskosten van de LAW’s, LF’s en het provinciale paardrijroute- en kanoroutenetwerk. Onder routestructuren worden verstaan de routestructuren voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen. Recreatieve fietspaden zijn die fietspaden die als zodanig zijn opgenomen op het provinciale Raamplan fietspaden. Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes e.d. Voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen geldt dat de subsidie is gebaseerd op het principe van 50% provinciale bijdrage in het niet door derden gedekte deel van de subsidiabele investeringskosten. Van de subsidieaanvrager wordt verlangd dat een maximale inspanning wordt verricht om subsidie van derden (bijvoorbeeld Rijk of EU) te verkrijgen. Bij subsidies voor het beheer en het onderhoud van de recreatieve openbare infrastructuur geldt het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Een en ander op basis van de in het verleden gemaakte afspraken tussen de provincie en projectpartners. Duurzame ontwikkeling Leren voor Duurzame Ontwikkeling Rijk en decentrale overheden zijn in het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling overeengekomen, dat zij gezamenlijk uitvoering aan dit programma zullen gaan geven. De provincie Overijssel heeft het beleid vastgelegd in het Provinciaal Ambitiestatement Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007 (PAS). In dit kader kunnen Gedeputeerde Staten subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Het provinciebestuur is voor het ontvangen van de rijksbijdrage gebonden aan de voorwaarden van het landelijke uitvoeringskader.] 1. Binnen het thema Kwaliteitsimpuls recreatie en toerisme kan subsidie worden aangevraagd voor: activiteiten die de promotie en marketing van recreatief en toeristisch Overijssel stimuleren; activiteiten die het innovatief vermogen van ondernemers stimuleren; activiteiten om de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur te verbeteren en in stand te houden. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd; de activiteit is nieuw voor Overijssel; de activiteit is bovengemeentelijk gericht. 3. De criteria als bedoeld in het tweede lid, onder b en c, gelden niet voor de subsidies voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur. In plaats daarvan moet een subsidieaanvraag eveneens voldoen aan het criterium dat deze werken vóór 1 januari 1998 tot stand gebracht moeten zijn. 4. In aanvulling op het eerste en tweede lid moet een aanvraag voor het onderdeel beheer en onderhoud van openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur en voorzieningen eveneens voldoen aan het criterium dat de aanvraag wordt gedaan door een gemeentebestuur of een samenwerkingsverband van gemeenten in Overijssel. Artikel 3.44. Grondslag voor de subsidie 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele investeringskosten. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidies voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen, alsmede voor het beheer en het onderhoud van de recreatieve openbare infrastructuur, ten hoogste 50% van de subsidiabele investeringskosten. 3. De subsidiabele investeringskosten bedragen ten minste € 10.000,--. 4. In aanvulling op artikel 3.35 worden de kosten van ‘Onvoorzien’ boven het maximum van 5% van de totale subsidiabel gestelde investeringskosten als niet-subsidiabel aangemerkt. Hierbij is tevens een absoluut maximum van € 10.000,-- van toepassing. Deze aanvulling is niet van toepassing op het beheer en het onderhoud van de recreatieve openbare infrastructuur. Artikel 3.45. Verbod vervreemding 1. Gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de uit te voeren werken zijn opgeleverd, behoudt de subsidieontvanger de onroerende zaak waarop de werken worden uitgevoerd in eigendom of erfpacht, danwel het recht van opstal. 2. Het eerste lid geldt niet voor de subsidies verleend voor het beheer van en het onderhoud aan de recreatieve openbare infrastructuur. 3. Gedurende deze termijn van vijf jaar mag aan de onroerende zaken of werken geen andere bestemming worden gegeven dan die welke zij hadden ten tijde van de subsidieverlening. Door middel van een voorafgaande schriftelijke toestemming kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken. Paragraaf 3. Duurzame ontwikkeling Artikel 3.46. Prestatiesubsidie Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies bedoeld in deze paragraaf in de vorm van een prestatiesubsidie. Subparagraaf 3.1. Leren voor duurzame ontwikkeling Artikel 3.47. Criteria 50[Toelichting: Het PAS geeft dwingend richting aan de besteding van de subsidie. De provincie Overijssel geeft daarmee uitvoering aan het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007, zoals dat is overeengekomen tussen de Ministeries van LNV, VROM, BuZa/OS, OCW, het IPO en de UvW. In het eerste lid van artikel 3.47 geven wij aan, wie een aanvraag kan indienen. Gemeente- of waterschapsbesturen – meestal het College van Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap – of van een organisatie of instelling met rechtspersoonlijkheid (vereniging of stichting) die activiteiten uitvoert in Overijssel. Dit betekent dat ook rechtspersonen van buiten de provincie een ontvankelijke aanvraag kunnen indienen. Soms zal met de provincies Drenthe en Gelderland afstemming nodig zijn voor aanvragen van de waterschapsbesturen. Afhankelijk van de beoogde doelgroep en het betrokken deel van het waterschapsgebied zullen aanvragen bij beide betrokken provincies en in goede afstemming tussen de betrokken colleges van Gedeputeerde Staten worden behandeld. In het tweede lid van artikel 3.47 is de eis opgenomen van ‘additionaliteit’. Dat wil zeggen dat wij de verwachting hebben dat men ten behoeve van Leren voor duurzame ontwikkeling een extra inspanning levert.] 1. Besturen van gemeenten, waterschappen of andere instellingen of organisaties met rechtspersoonlijkheid die zich (mede) ten doel stellen om in Overijssel activiteiten op het gebied van het Provinciaal AmbitieStatement Leren voor duurzame ontwikkeling (PAS) uit te voeren, kunnen subsidie aanvragen voor activiteiten die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het PAS. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de activiteiten behoren niet tot het werk van de aanvrager dat op andere wijze wordt gefinancierd; de aanvrager heeft geen winstoogmerk met de activiteiten; de aanvrager bestemt voor verbreiding van de leerervaringen, ten minste 5% van de totale lasten; de aanvrager toont aan dat de financiële opzet sluitend is indien de gevraagde provinciale subsidie wordt toegekend. Artikel 3.48. Grondslag voor de subsidie 51 [Toelichting: De aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting waarbij men zelf een belangrijk deel van de kosten draagt. Deze eigen bijdrage kan ook uit sponsoring of andere wervingsacties worden verkregen. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten het provinciale subsidiepercentage verhogen. Dit geldt voor projecten die van bijzonder belang zijn voor het realiseren van het PAS, en die zonder een hogere bijdrage niet zouden kunnen worden uitgevoerd.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort, dat wordt vastgesteld door de baten van de activiteiten op de kosten van de activiteiten in mindering te brengen. 2. Gedeputeerde Staten kunnen posten van de begroting voor de activiteiten buiten beschouwing laten indien zij van mening zijn dat deze niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de activiteiten. Artikel 3.49. Indieningstermijn In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag waarop in de eerste respectievelijk tweede helft van een kalenderjaar wordt beslist, ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van dat kalenderjaar. Artikel 3.50. Stukken bij de aanvraag 52[Toelichting: In artikel 3.50 staan de eisen vermeld waaraan een aanvraag moet voldoen. Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART’ is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen uit het PAS en tijdgebonden. De projectaanvrager moet in beginsel met andere partijen samenwerken. De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij een consortium van ten minste drie partijen is gevormd, waarbij een van de partijen als formele aanvrager (penvoerder) optreedt. De overdraagbaarheid van het project (aanpak en resultaten) vraagt bewust de aandacht van de uitvoerders; zij moeten daarvoor middelen in de projectbegroting opnemen.] In het prestatieplan als bedoeld in artikel 1.11 zijn de volgende elementen opgenomen: a. de doelgroep(
  7. en)waarop de activiteiten zijn gericht, rekening houdend met de prioritaire groepen zoals in het PAS aangegeven; b. de beoogde resultaten en effecten in meetbare termen en hoe de indicatoren daarvan worden gemeten; c. de leerprocessen die in de activiteit zijn opgenomen; d. de dimensies van duurzaamheid die in de activiteit betrokken zijn; dit moeten er ten minste drie zijn; e. de wijze waarop de activiteit in samenwerking met andere organisaties, instellingen en/of personen wordt uitgevoerd; f. de aanvang en duur van de activiteiten, waarbij de afronding met inbegrip van de projectevaluatie vóór 31 december 2007 ligt; g. de wijze waarop de aanpak en de resultaten van de activiteit voor derden beschikbaar gemaakt worden. Artikel 3.51. Subsidieplafond 53[Toelichting: Het artikel voorziet erin dat eventueel nog niet tot besteding gekomen middelen uit het eerste deel van het jaar, wellicht aangevuld met middelen die vrijkomen als een subsidievaststelling lager uitvalt dan het toegezegde maximale subsidiebedrag, kunnen worden verwerkt in een gewijzigd vastgesteld en bekendgemaakt subsidieplafond. Daarmee kan optimaal uitvoeringsgericht gewerkt worden.] Gedeputeerde Staten kunnen na 1 oktober van enig jaar besluiten om voor de resterende periode van het jaar het subsidieplafond danwel deelplafonds bij deze paragraaf opnieuw vast te stellen, rekening houdend met het bedrag dat nog niet tot besteding is gekomen. Indien zij hiertoe overgaan, maken Gedeputeerde Staten dit vóór 15 oktober van het kalenderjaar bekend. Artikel 3.52. Wijze van behandeling van de aanvragen 54[Toelichting: Per jaar worden twee tranches van subsidieverlening voorzien. De provincie verwacht dat per tranche een beperkt aantal aanvragen kunnen worden gehonoreerd. De Uitvoeringsregeling stelt geen minimum- of maximumbedrag per project. Na het verstrijken van de indieningdatum worden de ingediende aanvragen gelegd naast de geformuleerde criteria, en bepalen gedeputeerde staten een ordening naar de mate waarin projecten aan het realiseren van de ambities van het PAS bijdragen.] 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. 2. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voorzover het beschikbare bedrag dit toestaat. Subparagraaf 3.2. Vermindering afvalstoffen en Schoner Produceren Artikel 3.53. Criteria 1. Subsidie kan worden gevraagd voor: een activiteit met een experimenteel of innovatief karakter die tot doel heeft of ertoe kan leiden dat de hoeveelheid huishoudelijk afval vermindert of op een hoogwaardiger wijze wordt verwerkt, of een activiteit die past binnen het beleidskader als vastgelegd in de beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB. 55[Toelichting: Bij te subsidiëren activiteiten onder sub a gaat het om projecten gericht op de uitvoering van het huishoudelijk afvalstoffenbeleid. Vooral activiteiten die gericht zijn op het bereiken van een hogere trede op de zogenaamde Ladder van Lansink komen voor subsidiëring in aanmerking. Het hoogst op de ladder van Lansink staat preventie (voorkomen) van afvalstoffen. Daarna komt hergebruik, verbranden en als laatste storten van afval. Bij activiteiten onder sub b gaat het om projecten ter stimulering van preventie van bedrijfsafvalstoffen. Het gaat hierbij om het ondersteunen van projecten die passen binnen de notitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.] 2. Een subsidieaanvraag heeft geen betrekking op individuele bedrijfssteun. 3. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: er vindt nulmeting en eindmeting plaats naar de bereikte milieueffecten; hierover wordt gerapporteerd; voor de voorgenomen activiteit is niet eerder een subsidie ontvangen op basis van deze paragraaf van het Uitvoeringsbesluit; de activiteit wordt kosteneffectief uitgevoerd; kennisoverdracht van relevante resultaten is mogelijk; de activiteit voorziet in een behoefte van de doelgroep(
  8. en)van het project; de activiteit is gericht op het bevorderen van een zo efficiënt mogelijk gebruik van afvalstoffen, water en energie bij het industriële MKB. Artikel 3.54. Grondslag voor de subsidie 56[Toelichting: Het in het eerste lid genoemde maximumbedrag per project geldt voor projecten ter stimulering van de uitvoering van het huishoudelijke afvalstoffenbeleid. De hoogte van het maximumbedrag heeft te maken met de omvang van de subsidiepot. Het in het tweede lid genoemde maximumbedrag per project geldt voor projecten die passen binnen de notitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.