← Nederland

Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel 2016 (Overijssel)

In het kort

Deze regeling beschrijft de subsidiemogelijkheden voor het behoud en de ontwikkeling van natuur- en landschapsbeheer in Overijssel, met een focus op een collectieve aanpak voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Het doel is het versterken van de natuur en het realiseren van internationale natuurdoelen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel 2016Algemene toelichting Toelichting behorende bij de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer (SRNL) Overijssel. Aanleiding Per 1 januari 2016 gaat het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) 2016 in. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het huidige SNL hebben betrekking op het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer 2016 gaat uit van een collectieve aanpak en de inzet van agrarisch natuur- en landschapsbeheer op de meest kansrijke gebieden. Agrarische collectieven vragen de subsidie aan; boeren vragen dus niet meer individueel subsidie aan voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Beleidskader Het rijk zet zich in voor versterking van de natuur en een effectieve invulling van de internationale natuurdoelen. Uitgangspunt daarbij is het instandhouden en bevorderen van plant- en diersoorten, van natuurlijke habitats met internationale betekenis, van ecologisch gezonde watersystemen en een schoon milieu. Provinciaal beleid natuur en landschap De provincie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid. Zij treedt op als gebiedsregisseur in het landelijk gebied en brengt de partijen bij elkaar die zorgen voor de uitvoering van het natuur- en landschapsbeheer. De provincie bepaalt ook waar zij welke doelen wil realiseren en welke financiële middelen zij hiervoor inzet. Zij legt deze doelen en middelen onder andere vast in het provinciale Natuurbeheerplan. Hierin staat in welke gebieden natuur-, agromilieu- en klimaatdiensten ingezet kunnen worden. De provincie houdt bij de uitvoering van het natuurbeleid rekening met beleidsdoelen van andere overheden en activiteiten in het landelijk gebied, zoals het waterbeleid, recreatiebeleid, economisch en milieubeleid, zodat synergie kan worden bereikt. Via het SNL 2016 verleent de provincie subsidie voor het behoud en de ontwikkeling van (agrarische) natuurgebieden en landschappen. De natuurkwaliteit staat hierbij centraal. Algemene uitgangspunten SNL In de Strategische Visie SNL die is vastgesteld tussen overheden en beheerders van gronden, zijn de volgende uitgangspunten bepaald: Uniformiteit in twaalf provincies (het is een landelijk stelsel met provinciale specificaties). De provincies stellen doelen en kaders en regisseren overleg (sturing op hoofdlijnen). Alle partijen die landschap en (agrarische) natuurgebieden beheren en kunnen bijdragen aan natuurkwaliteitsdoelstellingen stemmen met elkaar af en werken met elkaar samen. Uitgangspunt is een gebiedsgerichte benadering. Dat betekent dat rekening wordt gehouden met regionale verschillen in het landschap, wat leidt tot regionaal maatwerk. Er wordt afgestemd met waterschappen over de realisatie en financiering van kwalitatieve en kwantitatieve waterdoelen. De beheerders van gronden worden afgerekend op uitgevoerd beheer. Het stelsel is robuust: beleidswijzigingen zijn eenvoudig in te passen. Met het SNL krijgen beheerders van gronden meer verantwoordelijkheid voor en vertrouwen in de uitvoering. Het SNL past binnen de regels van staatssteun en POP. Europa stelt regels voor staatssteun en controleert op de inzet van POP-gelden. In het SNL zijn de regels zoveel mogelijk beperkt tot het voldoen aan de Europese eisen. Uitgangspunten van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer (SRNL) zijn: De juridische basis voor subsidieverlening is zo simpel mogelijk; Er zijn geen dubbelingen met de Algemene wet bestuursrecht (Awb); Subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (agrarische collectieven) en voor natuurbeheer (natuurbeheerders); Onderscheid tussen gecertificeerde en niet-gecertificeerde natuurbeheerders voor natuurbeheer; Uniformiteit in de twaalf provincies. Index Natuur en Landschap De Index Natuur en Landschap is een gemeenschappelijke, landelijk uniforme "natuurtaal" die de typen natuur, landschap en agrarische natuur in Nederland beschrijft. De Index onderscheidt twee niveaus: natuurtypen (voor de sturing en verantwoording op landelijk niveau), en beheertypen (voor de operationele aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau). Voor het natuurbeheer vormen de beheertypen de basis voor afspraken over doelen en middelen tussen provincie en natuurbeheerder. Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer kunnen zowel afspraken worden gemaakt op het niveau van natuurtypen als op het niveau van beheertypen. Catalogus groen blauwe diensten De Catalogus groen blauwe diensten is een overzicht van de maximale vergoedingen die Nederlandse overheden mogen geven aan grondeigenaren of beheerders van gronden die een Groenblauwe dienst (agrarische) natuur en landschap, cultuurhistorie, recreatie of waterbeheer) leveren. In de Catalogus zijn alle beheeractiviteiten beschreven waarvoor provincies in het SNL subsidie verstrekken. Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn de beheeractiviteiten samengevat in een koppeltabel die aangeeft welke beheeractiviteiten binnen een leefgebied of onderdeel daarvan kunnen worden vergoed met medefinanciering vanuit Europa. Natuurbeheerplan Het Natuurbeheerplan beschrijft de beleidsdoelen en subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. De provincie geeft subsidie voor een aanzienlijk deel van de kosten voor ontwikkeling en beheer van natuur en landschap. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor de aanvraag van deze subsidies; het geeft de kaders aan waaraan een aanvraag moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Voor het agrarisch natuurbeheer zijn de beleidsdoelen biodiversiteit en water gekoppeld aan de agrarische leefgebieden. Begrenzing op de kaart in het Natuurbeheerplan gebeurt op basis van natuurtypen (=leefgebied) met daaronder een of meerdere beheertypen. In de tekst van het Natuurbeheerplan bepaalt de provincie welke doelsoorten waar beschermd moeten worden en welk beheer daarvoor ingezet kan worden. Ook kunnen er instapeisen worden geformuleerd per beheertype. Beheertypenkaart en ambitiekaart kern van het Natuurbeheerplan De beheertypenkaart geeft alle bestaande, beheerwaardige (agrarische) natuur en landschap weer. Deze kaart vormt ook de basis voor het verlenen van beheersubsidies. Voor een deel van de natuurgebieden en agrarische gebieden met specifieke natuurwaarden bestaat een ambitie om het huidige gebruik of het beheer te veranderen. Dit ligt vast op de ambitiekaart. Openstellingsbesluit: subsidiemogelijkheden en -budget De provincie geeft de subsidiemogelijkheden jaarlijks aan op de kaarten in het Natuurbeheerplan. In het provinciale openstellingsbesluit staat of de subsidie wordt opengesteld en hoeveel subsidie beschikbaar is (in subsidieplafonds per natuurtype, leefgebied of onderdeel daarvan, al dan niet onderverdeeld naar regio's). Certificering Natuurbeheerders en agrarische collectieven kunnen een verklaring van de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer krijgen waarmee wordt ingestemd met de manier waarop deze beheerders de kwaliteitseisen voor het uitvoeren van beheer, de organisatie en de administratie garanderen. Dit wordt een (natuur)certificaat genoemd. Vertrouwen in de beheerder staat hierbij centraal. Om voor een certificaat in aanmerking te komen, stelt de natuurbeheerder respectievelijk het agrarisch collectief een Kwaliteitshandboek op dat gebaseerd is op een Programma van Eisen. De Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer verstrekt, namens de provincies, de certificaten na beoordeling van het kwaliteitshandboek en voert audits uit bij de gecertificeerden om de kwaliteitsbewaking in de praktijk te toetsen. Monitoring Natuurkwaliteit Er wordt jaarlijks veel geïnvesteerd in (agrarisch) natuurbeheer. Om vast te stellen of de afgesproken doelen voor in stand houden van soorten worden gehaald of dat de uitvoering bijgesteld moeten worden, hebben Rijk, provincies en beheerders van gronden een uniforme werkwijze ontwikkeld, de Werkwijze Monitoring Beoordeling Natuurnetwerk - Natura 2000/PAS. Hiermee kan worden gestuurd op de ambities voor het Natuurnetwerk Nederland en een vitaal platteland, op beheerprestaties en op een effectieve inzet van middelen. Voor het agrarisch natuurbeheer is deze werkwijze nog in ontwikkeling. Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer 2016 § 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. Awb: Algemene wet bestuursrecht; b. [vervallen]; c. beheeractiviteit: activiteit uit de koppeltabel; d. beheerfunctie: functie van een cluster van beheeractiviteiten; 1Toelichting: Binnen een beheerfunctie zijn diverse beheeractiviteiten samengevoegd, waarna wordt gesproken van een cluster. Die clustering heeft plaatsgevonden vanuit het achterliggende doel van die beheerfunctie. In de koppeltabel (zie daarvoor artikel 3.11 onder

  1. c)is terug te vinden dat clustering heeft plaatsgevonden vanuit de volgende beheerfuncties:- Creëren fourageergebied- Creëren nat biotoop- Verschralen- Optimaliseren broed- en opgroeimogelijkheden- Optimaliseren nestbescherming- Optimaliseren voortplantingsmogelijkheden- Waterberging- Bufferzone- Verbeteren waterkwaliteit- Vernatting- Water vasthouden e. certificaat: namens Gedeputeerde Staten door de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer afgegeven certificaat, waarmee wordt gewaarborgd dat een natuurbeheerder of agrarisch collectief voldoet aan bepaalde beheereisen en het beheer op de afgesproken manier uitvoert; f. koppeltabel: in bijlage 3 opgenomen overzicht van de subsidiabele beheeractiviteiten en maximale vergoedingen; g. gescheperde schaapskudde: rondtrekkende schaapskudde die niet permanent op een plaats graast en die gehoed wordt door een herder met een of meer honden; h. knooppuntennetwerk: bij de stichting landelijk Fietsplatform of stichting Wandelnetwerk geregistreerd routenetwerk voor fietsen of wandelen bestaande uit genummerde knooppunten en bewegwijzering tussen de knooppunten; i. landbouwactiviteit: landbouwactiviteit als bedoeld en omschreven in de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB; j. landbouwer: natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan wel een groep van natuurlijke personen of rechtspersonen die, een landbouwactiviteit uitoefent op landbouwgrond; k.landbouwgrond: landbouwareaal als bedoeld en omschreven in artikel 2, onder f, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, plus eventuele landschapselementen of watergangen; l. landelijke fietsroutes: bij de stichting landelijk Fietsplatform geregistreerde landelijke fietsroutes en ANWB-bewegwijzerde routes als onderdeel van een landelijk fietsroutenetwerk; m. landelijke wandelroutes: bij de stichting Wandelnetwerk geregistreerde Lange Afstand Wandelpaden en Streekpaden als onderdeel van een landelijk wandelroutenetwerk; n. landschapsbeheertype: in bijlage 1 opgenomen en nader beschreven beheertype; o. landschapselement: in bijlage 1 opgenomen en nader beschreven element; p. leefgebied: in het natuurbeheerplan begrensde landbouwgronden waarop planten of dieren voorkomen die bepaalde eisen stellen aan de inrichting en het gebruik van hun omgeving of waarop het voorkomen van zulke planten of dieren wordt nagestreefd; q. monitoringstoeslag: extra vergoeding voor het uitvoeren van metingen en het vastleggen van de ontwikkelingen op het natuurterrein of de landbouwgrond met uitzondering van metingen in het kader van natuur- en landschapsbeheer, vermeerderd met de opslag voor de prijsstijging; r. monitoringsprogramma: door Gedeputeerde Staten vastgesteld meerjarig programma van metingen om de effecten van maatregelen en ingrepen te kunnen volgen vanuit vastgestelde beleidsdoelen en beleidstaken; s. natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 waarin op basis van een afgestemde ambitie de overeengekomen doelen op het gebied van natuur- en landschapsbeheer en agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn vastgelegd; t. natuurbeheertype: in bijlage 2 opgenomen en nader beschreven beheertype; u. natuurterrein: binnen de provincie gelegen grond met als hoofdfunctie natuur die in het natuurbeheerplan is begrensd, alsmede gronden waarvoor een subsidie functieverandering is verstrekt als bedoeld in de provinciale Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap; v. opslag voor de prijsstijging: op de consumentenprijsindex gebaseerde opslag van de subsidie om de kostenstijging gedurende de looptijd van de beschikking te compenseren; w. openstellingsbijdrage: extra vergoeding voor het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein of het houden van toezicht op een natuurterrein, vermeerderd met de opslag voor de prijsstijging; x. schapentoeslag: extra vergoeding voor het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen ten behoeve van de inzet van gescheperde schaapskuddes, vermeerderd met de opslag voor de prijsstijging; y. tarief: tarief voor de in artikel 2.2 genoemde subsidiabele activiteiten, vermeerderd met de opslag voor de prijsstijging; z. transactiekosten: kosten zoals bedoeld in artikel 2 sub e van Verordening (EU) nummer 1305/2013; aa. vaartoeslag: extra vergoeding voor het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt, vermeerderd met de opslag voor de prijsstijging; bb. Verordening (EU) nr. 640/2014: Gedelegeerde verordening van de Europese Commissie van tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden; cc. Verordening (EU) nr. 809/2014: Uitvoeringsverordening van de Europese Commissie tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden. Artikel 1.2 Openstelling 2[Toelichting: In de openstelling worden de subsidieplafonds vastgesteld en bekendgemaakt. Daarbij is het mogelijk om een deelplafond vast te stellen, specifiek voor bepaalde doelgroepen, onderdelen van het natuurbeheerplan of leefgebied.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen een of meerdere keren per jaar een openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van subsidies op grond van deze regeling. 2. In het openstellingsbesluit, bedoeld in het eerste lid, geven Gedeputeerde Staten nadere invulling aan: de doelgroep; de onderdelen van het natuurbeheerplan waarvoor subsidie kan worden aangevraagd; het subsidieplafond en de wijze van verdeling; de periode van openstelling; de tarieven voor de subsidie natuur- en landschapsbeheer; de normbedragen voor de subsidie natuur- en landschapsbeheer. Artikel 1.3 Natuurbeheerplan 1. Gedeputeerde Staten stellen het natuurbeheerplan vast. 2. Als onderdeel van het natuurbeheerplan stellen Gedeputeerde Staten in ieder geval een elektronische kaart met topografische ondergrond vast, waarop is aangeduid: voor welke natuurterreinen een subsidie natuur- en landschapsbeheer kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding: °. welk natuurbeheertype in stand kan worden gehouden; °. welke landschapsbeheertypen in stand kunnen worden gehouden; °. of het natuurterrein in aanmerking komt voor een vaar- of schapentoeslag; voor welk leefgebied, of onderdeel van een leefgebied een subsidie agrarisch natuur- en landschapsbeheer kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding: °. open akkerland; °. open grasland; °. droge dooradering; °. natte dooradering; °. categorie water. Artikel 1.4 Vereisten subsidieaanvraag Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten: a. een subsidieaanvraag wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten; b. een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier. Artikel 1.5 Bevoegdheid en beslistermijn subsidieverlening 1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie natuur- en landschapsbeheer of agrarisch natuur- en landschapsbeheer verstrekken. 2. Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om subsidie binnen dertien weken na afloop van de aanvraagperiode. 3. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste dertien weken worden verdaagd. Artikel 1.6 Verplichtingen algemeen De subsidieontvanger is verplicht de administratie en de daartoe behorende bescheiden die betrekking hebben op de verstrekte subsidie ten minste gedurende een periode van vijf jaar na vaststelling van de desbetreffende subsidie te bewaren. Artikel 1.7 Toezicht 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze regeling zijn belast de bij besluit van Gedeputeerde Staten aan te wijzen personen. 2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad. Artikel 1.8 Certificering 1. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten tot afgifte van de volgende certificaten: natuurbeheer; samenwerkingsverband natuurbeheer; collectief agrarisch natuurbeheer. 2. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om de in het eerste lid genoemde certificaten te schorsen of in te trekken. 3. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot het aanvragen, schorsen en intrekken van certificaten. Artikel 1.9 Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd voor zover voor het natuurterrein of het gedeelte van het leefgebied waarvoor subsidie is aangevraagd, al op grond van deze of enige andere regeling een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer. § 2 Natuur- en landschapsbeheer Artikel 2.1 Doelgroep 3[Toelichting: Een eigenaar die de grond in erfpacht heeft gegeven, zal geen subsidie meer kunnen aanvragen omdat hij slechts het bloot eigendom heeft en geen zeggenschap meer heeft over het grondgebruik en het beheer. Wel kunnen de genoemde gerechtigden die hun grond in pacht uitgeven subsidie aanvragen en ontvangen zolang ze de pacht zo hebben vorm gegeven dat de zeggenschap over het beheer nog bij hen ligt. Pachters komen niet in aanmerking voor een subsidie natuurbeheer.] 1. Subsidie kan worden aangevraagd door: natuurlijke personen, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; privaatrechtelijke rechtspersonen en Staatsbosbeheer, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b; rechtspersonen die volgens een door Gedeputeerde Staten te bepalen model een overeenkomst zijn aangegaan met natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b. 2. Onverminderd het eerste lid en in afwijking van artikel 2.3 kan subsidie worden aangevraagd door gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen, voor zover deze voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd, subsidie ontvangen op basis van de Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel of de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel, waarbij: de periode waarvoor de subsidie overeenkomstig de Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel of de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel wordt verstrekt op of na 31 december 2015 eindigt, en de subsidie natuurbeheer die op grond van de onderhavige regeling kan worden verstrekt niet later ingaat dan 1 januari van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin de in onderdeel a bedoelde subsidie eindigt. Artikel 2.2. Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor: a. het beheer van natuurbeheertypen; b. het beheer van landschapsbeheertypen. Artikel 2.3 Weigeringsgronden 1. Subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien: de subsidieaanvrager een rechtspersoon is die waterwinning als doelstelling heeft; de subsidieaanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is die kennelijk is opgericht ten behoeve van het beheer van grond of water, waarvan de eigendom geheel of gedeeltelijk berust bij de rechtspersoon, bedoeld onder a of een publiekrechtelijke rechtspersoon; de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01), of jegens wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard; de subsidieaanvrager het natuurterrein waarop de subsidieaanvraag ziet heeft verkregen van: °. een gemeente; °. een samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen; °. het Rijksvastgoed- en ontwikkelbedrijf van het ministerie van Financiën; °. een waterschap; of, °. een waterleidingmaatschappij. 2. In afwijking van het eerste lid, onder d, kan subsidie worden verstrekt, indien het natuurterrein waarop de subsidieaanvraag ziet is aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan worden aangevraagd in het natuurbeheerplan. Artikel 2.4 Subsidievereisten 4[Toelichting: Sinds 2012 vindt een herziening van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) plaats om te komen tot:1 Een efficiënter subsidieaanvraagproces en daarmee lagere uitvoeringskosten;2 Kwalitatief beter beheer; 3 Meer samenwerking in het gebied;4 Een eenvoudige uitvoering van het SNL. Voor particuliere beheerders heeft onderzoek tot de conclusie geleid dat de subsidieverlening SNL aan particuliere beheerders efficiënter kan door gebruik te maken van collectieven, die de aanvragen op gewenst kwaliteitsniveau opstellen. Eerste lid, onderdeel c en d, minimum en certificaat. Tweede lidVanaf 2016 geldt daarom dat de aanvraag een minimumaantal hectaren betreft. De aanvrager dient te beschikken over een certificaat natuurbeheer of een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer. Daarnaast is het mogelijk dat een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, of een andere rechtspersoon, die zelf niet beschikt over een groepscertificaat subsidie aanvraagt. Dan geldt de eis dat de eigenaren of erfpachters van de natuurterreinen waar het beheer wordt uitgevoerd elk afzonderlijk over een individueel certificaat beschikken. Op deze wijze kan het collectief beheer op twee manieren vorm krijgen: 1 beheerders kunnen aansluiten bij een subsidieaanvrager die beschikt over een groepscertificaat natuurbeheer;2 beheerders met een individueel certificaat kunnen aansluiten bij een subsidieaanvrager die niet over een groepscertificaat beschikt.Beheerders die zelfstandig een aanvraag willen doen, kunnen dat doen als zij voldoen aan de minimale omvang genoemd in artikel 2.4 en over een individueel certificaat beschikken. Door deze wijziging is altijd sprake van certificering. Het gaat dan hetzij om de aanvrager, hetzij om de beheerder die zeggenschap heeft over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De subsidieaanvrager is de partij aan wie de subsidie wordt verleend. Zij is voor de subsidieverstrekker het aanspreekpunt. De doorbetaling van subsidiebedragen aan de personen die het beheer uitvoeren, is een zaak tussen subsidieontvanger en beheerders.] 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten: de activiteiten vinden plaats op een natuurterrein dat is aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan worden aangevraagd in het natuurbeheerplan; de activiteiten zijn gericht op de instandhouding van het natuurbeheertype of landschapsbeheertype; de activiteiten zijn gericht op een beheer van minimaal 75 hectare; de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a en b, beschikt over een individueel certificaat of een groepscertificaat; de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c en d, beschikt over een groepscertificaat, of de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a of b, die het beheer uitvoeren beschikken elk afzonderlijk over een individueel certificaat; de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder d, dient bij de subsidieaanvraag afschriften in van de in dat artikel genoemde overeenkomst die hij heeft gesloten met de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a of b, die het beheer uitvoeren. 2. De schapentoeslag, monitoringstoeslag of openstellingsbijdrage kan slechts worden verstrekt in aanvulling op de subsidie die de subsidieontvanger ontvangt voor het beheer van natuurbeheertypen; 3.De openstellingsbijdrage kan slechts worden verstrekt voor zover het natuurterrein niet ingevolge artikel 2.9, vierde lid, is vrijgesteld van de openstellingsplicht. 4. De vaartoeslag wordt slechts verstrekt in aanvulling op de subsidie die de subsidieontvanger ontvangt voor het beheer van natuurbeheertypen; 5. De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een kaart waarop de buitengrenzen van de natuurterreinen zijn aangegeven. 6.Indien een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c of d, niet beschikt over een groepscertificaat, gaat de aanvraag vergezeld van de individuele certificaten, of afschriften van de aanvragen daartoe, van de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a of b, die het beheer uitvoeren. 7. Indien een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a of b, niet beschikt over een individueel certificaat, gaat de aanvraag vergezeld van een afschrift van de aanvraag daartoe. Artikel 2.5 Subsidiabele kosten 1. De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: kosten voor het beheer van een natuurterrein; kosten voor de inzet van gescheperde schaapskuddes op een natuurterrein; kosten voor monitoring; kosten ten behoeve van het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein of het houden van toezicht op een natuurterrein; kosten die verband houden met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt. 2. Gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen komen niet in aanmerking voor de kosten, bedoeld in het eerste lid, onder d. 3. Subsidiabel gestelde kosten zijn slechts subsidiabel indien de activiteiten zijn verricht nadat de aanvraag om subsidie is ingediend. 4. Bij een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c en d, die niet beschikt over een groepscertificaat, zijn de activiteiten van een natuurlijk persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a of b, die het beheer uitvoert niet subsidiabel indien deze niet langer over een individueel certificaat beschikt. 5[Toelichting: Bij een niet-gecertificeerde subsidieontvanger waarvan de eigenaren of erfpachters van de natuurterreinen waar het beheer wordt uitgevoerd over een individueel certificaat dienen te beschikken, geldt het volgende. De kosten zijn slechts subsidiabel als degenen die over een certificaat dienen te beschikken daar ook over beschikken. Indien het certificaat van één van hen wordt ingetrokken, zijn de kosten die voor het desbetreffende beheer worden gemaakt vanaf dat moment niet meer subsidiabel.] 5.Indien een aangevraagd individueel certificaat als bedoeld in artikel 2.4, zesde of zevende lid, niet is afgegeven binnen negen maanden na het einde van de periode van openstelling als bedoeld artikel 1.2, tweede lid onder d, zijn de activiteiten die de desbetreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon heeft verricht niet subsidiabel. 6. Kosten zijn slechts subsidiabel indien zij zijn gemaakt nadat de aanvraag om subsidie is ingediend. Artikel 2.6 Subsidiehoogte 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.2, wordt bepaald door het aantal hectares van het desbetreffende natuurbeheertype, en het aantal hectares, meters of stuks van het desbetreffende landschapsbeheertype, te vermenigvuldigen met het tarief vermenigvuldigd met zes jaar. 2. Indien van toepassing wordt het tarief, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met: het normbedrag voor monitoring per natuurbeheertype, vermenigvuldigd met het aantal hectares; het normbedrag voor de openstellingsbijdrage, vermenigvuldigd met het aantal hectares; het normbedrag voor de schapentoeslag, vermenigvuldigd met het aantal hectares. 3. Het tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met het normbedrag voor de vaartoeslag, vermenigvuldigd met het aantal hectares vermenigvuldigd met zes jaar. 6[Toelichting: De vaartoeslag wordt ambtshalve verstrekt. Voor de andere toeslagen geldt dat deze op aanvraag worden verstrekt. Om dit onderscheid te benadrukken, is het tweede lid gesplitst in een tweede lid en een derde lid.] 4. Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 1.200, wordt de subsidie niet verstrekt. Artikel 2.7 Verdeelcriteria 1. Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen. 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst. 3. Indien het subsidieplafond op enige dag wordt bereikt, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting. Artikel 2.8 Subsidieverlening 1. De subsidie, bedoeld in artikel 2.2, wordt verleend voor een periode van zes aaneengesloten jaren, welke periode steeds begint op 1 januari. 2. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie verlenen onder de opschortende voorwaarde dat binnen drie maanden na de datum van bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb tot stand komt. Artikel 2.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger 1. Onverminderd artikel 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: het verrichten van al het beheer dat noodzakelijk is voor de instandhouding van de natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen en geen handelingen te verrichten of te gedogen die afbreuk doen aan de instandhouding daarvan; er voor zorgdragen dat door of vanwege Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd op het desbetreffende natuurterrein; indien de subsidieontvanger een vergoeding ontvangt als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder c, wordt de monitoring verricht overeenkomstig het monitoringsprogramma van de provincie; het van zonsopgang tot zonsondergang kosteloos openstellen en toegankelijk houden van het desbetreffende natuurterrein op ten minste 358 dagen per jaar; ervoor zorg te dragen dat namens Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorwaarden; voor de gehele duur van de subsidie over een individueel certificaat of groepscertificaat te beschikken. 2. Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger die een toeslag ontvangt als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder d, de volgende verplichtingen: het natuurterrein is voldoende toegankelijk en bevat voldoende wegen, vaarwegen en paden, die recreatief gebruik mogelijk maken; 7[Toelichting: Er wordt belang gehecht aan de recreatieve openstelling van natuurterreinen. Daarom bevat het tweede lid verplichtingen ten behoeve van landelijke wandelpaden, fietsroutes en knooppuntennetwerken. Van subsidieontvangers wordt niet alleen gevraagd om het natuurterrein open te stellen voor publiek, maar ook om desgevraagd medewerking te verlenen aan bewegwijzering van wandel- en fietsroutes. Als een natuurterrein om de in het vierde lid genoemde redenen niet kan worden opengesteld, dan is dat gedeelte vrijgesteld van openstelling.Een terrein is toegankelijk (oftewel begaanbaar) als er in het terrein gelopen, gefietst of gevaren kan worden zonder dat er gevaarlijke situaties (bijvoorbeeld bij moerassen en trilvenen) ontstaan.Een terrein is bereikbaar als het te bereiken is vanaf de openbare weg, of via een aangrenzend opengesteld terrein.] de wegen, vaarwegen en paden als bedoeld onder a, worden onderhouden; de subsidieontvanger verleent medewerking aan de markering en beheer van routes voor wandelen en fietsen in het kader van de landelijke wandelroutes, landelijke fietsroutes en knooppuntennetwerken voor wandelen en fietsen. 8[Toelichting: Er wordt belang gehecht aan de recreatieve openstelling van natuurterreinen. Daarom bevat het tweede lid verplichtingen ten behoeve van landelijke wandelpaden, fietsroutes en knooppuntennetwerken. Van subsidieontvangers wordt niet alleen gevraagd om het natuurterrein open te stellen voor publiek, maar ook om desgevraagd medewerking te verlenen aan bewegwijzering van wandel- en fietsroutes. Als een natuurterrein om de in het vierde lid genoemde redenen niet kan worden opengesteld, dan is dat gedeelte vrijgesteld van openstelling.Een terrein is toegankelijk (oftewel begaanbaar) als er in het terrein gelopen, gefietst of gevaren kan worden zonder dat er gevaarlijke situaties (bijvoorbeeld bij moerassen en trilvenen) ontstaan.Een terrein is bereikbaar als het te bereiken is vanaf de openbare weg, of via een aangrenzend opengesteld terrein.] 3. Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger die een toeslag ontvangt als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder b, de volgende verplichtingen: bij het in standhouden van het op het natuurterrein aanwezig natuurbeheertype wordt gebruik gemaakt van een of meerdere gescheperde schaapskuddes; het gebruik van een of meerdere gescheperde schaapskuddes strekt zich uit over de gehele oppervlakte waarvoor de toeslag door Gedeputeerde Staten wordt verstrekt. 4. De subsidieontvanger is vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onder d, indien: sluiting nodig is bij of krachtens de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 of de Wet natuurbescherming; het terrein naar zijn aard buiten machte van de subsidieontvanger niet toegankelijk is; er bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk is tot een maximum van een hectare of het terrein vrijgesteld is op grond van het natuurbeheerplan. 5. Indien de subsidieontvanger niet kan voldoen aan een of meerdere verplichtingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, doet hij daar een keer per jaar uiterlijk op 1 november melding van. Artikel 2.10 Verplichtingen van de niet-gecertificeerde subsidieontvanger [vervallen] Artikel 2.11 Verplichtingen van de gecertificeerde subsidieontvanger [vervallen] Artikel 2.12 Bevoorschotting en betaling 1. Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot op het verleende subsidiebedrag. 2. Gedeputeerde Staten nemen binnen tien weken na afloop van ieder kalenderjaar een beslissing tot voorschotverlening. 3. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste tien weken worden verdaagd. 4. Het voorschot op het verleende subsidiebedrag wordt in vijf gelijke termijnen betaald, steeds binnen zes weken na afloop van de beslissing, bedoeld in het tweede of derde lid, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald. Artikel 2.13 Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting areaal 9[Toelichting: Een uitbreidingsaanvraag is een verzoek tot uitbreiding van de zesjarige subsidiebeschikking. Als hiervoor budget wordt opengesteld, kan de subsidieontvanger jaarlijks een uitbreidingsaanvraag indienen voor de resterende looptijd van de oorspronkelijke zesjarige subsidiebeschikking. De uitbreidingsaanvraag moet passen binnen het natuurbeheerplan dat op het moment van het indienen van de uitbreidingsaanvraag geldt. De uitbreidingsaanvraag doorloopt dezelfde beoordelingsprocedure als nieuwe aanvragen. Hierbij geldt dat de minimumomvang in hectaren uit artikel 2.4 niet geldt bij de uitbreidingsaanvraag. De uitbreidingsaanvraag dient wel te leiden tot een verhoging van het totale subsidiebedrag van minimaal € 1.200.] 1. De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar, gericht op vergroting van het areaal. 2. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om, overeenkomstig de aanvraag bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen voor de resterende looptijd van de subsidie, indien: de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 2.4, uitgezonderd het eerste lid onder c, en die wijziging leidt in de resterende looptijd van de verlening tot een verhoging van het subsidiebedrag van minimaal € 1.200. 3. De hoogte van de wijziging van de subsidie wordt bepaald op basis van het tarief en de toeslagen die van toepassing waren ten tijde van het nemen van de beschikking tot subsidieverlening. 4. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten af te wijken van het derde lid. Artikel 2.14 Subsidievaststelling 1. Gedeputeerde Staten stellen binnen dertien weken na afloop van de zes aaneengesloten beheerjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, de subsidie ambtshalve vast. 2. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste dertien weken worden verdaagd. 3. Het restant bedrag wordt uitbetaald binnen zes weken na de subsidievaststelling. § 3 Agrarisch natuur- en landschapsbeheer 10[Toelichting: De agrarische gebieden rondom de natuurgebieden vormen een belangrijke schakel in het realiseren van de natuurdoelen vanwege de bufferfunctie die zij vervullen. Daarnaast zijn er veel soorten die hun leefgebied in het agrarisch gebied hebben. Om dit beter op elkaar aan te sluiten, is een effectiever en efficiënter agrarisch natuur- en landschapsbeheer nodig. Het agrarisch natuur- en landschapsbeheer is gericht op het creëren van positieve omstandigheden voor biodiversiteit, waterkwaliteit en -kwantiteit. Bovendien heeft het beheer een duidelijke meerwaarde voor natuur, landschap, water en agrarisch ondernemerschap. Het nieuwe agrarisch natuurbeheer is het resultaat van een integrale toepassing in de streek.Het maatschappelijk draagvlak en de beleefbaarheid en leefbaarheid van het platteland wordt vergroot, mede door aan te sluiten bij praktijk, omstandigheden en ervaring van ondernemers.] Artikel 3.1 Doelgroep 11[Toelichting: Vanaf 2016 vragen gecertificeerde agrarische collectieven subsidie aan voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer, zij zijn de begunstigde van de subsidie. Een agrarisch collectief is een samenwerkingsverband in een bepaald gebied dat bestaat uit agrariërs en andere grondgebruikers in dat gebied die zich vrijwillig hebben verenigd voor het uitvoeren van agrarisch natuur- en landschapsbeheer.Voor deze subsidie komen alleen agrarische collectieven in aanmerking, die een SNL-certificaat bezitten.Bepaald is dat enkel een vereniging subsidie kan aanvragen. Een coöperatie is op grond van het Burgerlijk Wetboek een bijzondere vorm van een vereniging en wordt op grond van de regeling derhalve ook als een vereniging aangemerkt.De keuze voor een vereniging vloeit voort uit de Brusselse eis dat subsidie alleen mogelijk is aan landbouwers en groepen van landbouwers of andere grondgebruikers. Uit die eis volgt dat er een directe relatie moet zijn tussen de "groep" die aanvraagt en landbouwers of grondgebruikers daarachter. De vereniging is de enige rechtsvorm die deze relatie zichtbaar maakt. Vanuit controleerbaarheid is volledige rechtsbevoegdheid nodig. ] Subsidie kan worden aangevraagd door een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond. Artikel 3.2 Subsidiabele activiteiten 12[Toelichting: Uitgangspunt van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb2016) is een leefgebiedenbenadering: het creëren en in stand houden van een leefgebied voor een soort of groep van soorten die vergelijkbare beheeractiviteiten vragen in een bepaald gebied. Er zijn vier agrarische leefgebieden en één categorie voor water. De vier leefgebieden komen overeen met de agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap: open grasland, open akkerland, natte dooradering en droge dooradering.De beheeractiviteiten die samen nodig zijn voor het behoud of de versterking van een leefgebied zijn gebundeld in ‘clusters van beheeractiviteiten'. Per cluster worden ook de beheerfuncties aangegeven, bijvoorbeeld het creëren van foerageergebieden, of het verschralen of optimaliseren van voortplantingsmogelijkheden. Voor de categorie water gelden andere beheerfuncties, zoals waterberging of bufferzones. In afspraken met haar leden clustert het agrarisch collectief de beheeractiviteiten tot beheerpakketten.] Subsidie kan worden verstrekt voor een project met beheeractiviteiten gericht op behoud en versterking van een leefgebied. Artikel 3.3 Weigeringsgronden 13[Toelichting: Vervallen] [vervallen] Artikel 3.4 Subsidievereisten 14[Toelichting: Vanaf 2016 is bij het agrarisch natuur- en landschapsbeheer sprake van een projectsubsidie voor het beheer gedurende zes jaar. Een gebiedsaanvraag moet voldoen aan alle opgesomde vereisten. Een agrarisch collectief kan bijvoorbeeld een gebiedsaanvraag doen voor drie verschillende leefgebieden of drie onderdelen van een leefgebied. De gebiedsaanvraag wordt dan voor ieder van die drie leefgebieden apart getoetst aan de subsidievereisten. Daarmee kan het voorkomen, dat de gebiedsaanvraag enkel voor twee leefgebieden of onderdelen voldoet en voor een leefgebied of onderdeel niet. Het onderdeel van de gebiedsaanvraag dat dan op dat ene leefgebied ziet wordt afgewezen en het agrarisch collectief ontvangt enkel voor de twee leefgebieden die wel voldoen aan de vereisten een subsidie.De zesjarige subsidie wordt in de aanvraagperiode voor het SNL aangevraagd via een gebiedsaanvraag. Deze aanvraag is gebaseerd op een samenhangend ecologisch effectief en efficiënt beheerplan. In aanloop naar het insturen van de gebiedsaanvraag bespreekt het agrarisch collectief de concept-gebiedsaanvraag met de provincie om eventuele knelpunten of provinciale afwegingen af te stemmen.] 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de aanvrager beschikt over een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer; het project voldoet aan de beoordelingscriteria voor gebiedsaanvragen zoals die in het natuurbeheerplan in paragraaf 4.5 zijn opgenomen, inclusief de daarbij aangeduide kaarten; aan het project ligt een gebiedsaanvraag ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: °. het minimum en maximum aantal hectares waarvoor per leefgebied, of onderdeel van het leefgebied beheeractiviteiten worden uitgevoerd, waarbij het maximum aantal hectares niet meer dan 15% meer mag zijn dan het minimum aantal hectares; 15[Toelichting: Bij de gebiedsaanvraag is het noodzakelijk het minimum aantal hectares (bijv. per leefgebied) te benoemen, waaronder de uiteindelijke betaalaanvragen niet uit mogen komen. Het maximum aantal hectares mag 15% hoger zijn dan het minimum. De begroting van de subsidiabele kosten is voor het maximum aantal hectares, want bij de betaalaanvraag wordt getoetst hoeveel hectares daadwerkelijk zijn beheerd en of de vergoeding van het gevoerde beheer niet het maximum bedrag in de Catalogus Groenblauwe Diensten overschrijdt (staatssteuntoets).] °. per leefgebied, of onderdeel van het leefgebied een projectomschrijving op het niveau van beheerfunctie of cluster van beheeractiviteiten, een en ander afhankelijk van het gekozen abstractieniveau voor de beoordelingscriteria voor gebiedscriteria in het natuurbeheerplan; 16[Toelichting: De beheeractiviteiten die nodig zijn voor het behoud of de versterking van een leefgebied zijn gebundeld in ‘clusters van beheeractiviteiten'. Per cluster van beheeractiviteiten wordt ook de beheerfunctie aangegeven, bijvoorbeeld: broedmogelijkheden, opgroeimogelijkheden, foerageren en nat biotoop. Voor de categorie water gelden aanvullende beheerfuncties. Binnen elk cluster van beheeractiviteiten dragen beheerpakketten, combinaties van beheeractiviteiten en eventueel aanvullende voorwaarden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer op een bepaald perceel, bij aan de realisatie van de beheerfunctie van het cluster van beheeractiviteiten.] °. de te realiseren doelen; °. een berekening van de kosten voor het uit voeren van het project, gesplitst naar leefgebied of onderdeel van het leefgebied. 2. Indien een aanvrager niet beschikt over een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, kan hij in afwijking van het eerste lid, onder a, in de aanvraagperiode 2015 voor beheerjaar 2016 voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking komen, indien de aanvrager een aanvraag tot een certificaat heeft ingediend. 17[Toelichting: Duidelijk is dat voor de eerste aanvraagperiode onder deze regeling in 2015, voor start op 1 januari 2016, het niet mogelijk is om voor alle collectieven voor 1 juni al een certificaat af te geven. Daarom is in het tweede lid op het vereiste uit het eerste lid een uitzondering gemaakt. Voor de eerste aanvraagperiode is het voldoende dat op het moment van aanvragen van subsidie, tevens een aanvraag voor een certificaat is ingediend. In artikel 3.11 onder l is vastgelegd dat het collectief als subsidieontvanger voor de gehele subsidieperiode moet beschikken over een certificaat. De subsidieperiode begint conform artikel 3.10 op 1 januari. Hieruit volgt dat het collectief voor de eerste aanvraagperiode daarom tot 1 januari de tijd heeft om het certificaat uiteindelijk te verkrijgen.] Artikel 3.5 Subsidiabele kosten 18[Toelichting: Onderdeel a en b zijn de kosten die rechtstreeks met het verrichten respectievelijk leveren van de dienst te maken hebben. Onderdeel c benoemt transactiekosten. Dit zijn kosten die niet direct met de uitvoering van de dienst te maken hebben, maar kosten verbonden aan het vervullen van de randvoorwaarden zodat de dienst daadwerkelijk uitgevoerd kan worden. Denk aan kosten voor administratie, ureninzet om de aanvraag te kunnen doen etc. Hierbij wordt uitgegaan van maximaal 20% transactiekosten en streefpercentage van 15%.] De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: a. kosten voor het uitvoeren van beheeractiviteiten; b. gederfde inkomsten voor het uitvoeren van beheeractiviteiten; c. transactiekosten. Artikel 3.6 Niet subsidiabele kosten [Vervallen] Artikel 3.7 Subsidiehoogte 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt bepaald door het maximum aantal hectares per leefgebied dat voldoet aan de subsidievereisten zoals opgenomen in artikel 3.4 te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, vermenigvuldigd met zes. 2. De gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald door de begrote kosten per leefgebied, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder c, vierde onderdeel, te delen door zes en daarna te delen door het maximum aantal hectares dat voor dat leefgebied is aangevraagd. 3. Indien toepassing van het eerste tot en met tweede lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 50.000,--, wordt de subsidie niet verstrekt. 19[Toelichting: In dit lid 3 wordt de ondergrens voor het te subsidiëren bedrag geregeld. Elke provincie kan hier een eigen ondergrens bepalen. SCAN adviseert daarvoor een minimaal bedrag van € 50.000.] Artikel 3.8 Verdeelcriteria 20[Toelichting: In dit artikel is geregeld hoe het beschikbare geld verdeeld wordt over de ingekomen aanvragen die volledig zijn en aan de vereisten van artikel 3.4 voldoen.Als er voor een gebied meerdere aanvragen binnenkomen, worden die aanvragen onderling gewogen.In het tweede lid is beschreven hoe de aanvragen onderling worden gewogen. Alle aanvragen worden onderling gewogen op basis van de beoordelingscriteria en van punten voorzien. De aanvraag met de meeste punten gaat voor, totdat het geld verdeeld is.] 1. Indien binnen de aanvraagperiode meerdere volledige subsidieaanvragen voor dezelfde locatie binnen een leefgebied zijn ingediend, wordt een aanvraag geselecteerd door te bepalen welke aanvraag het meest ecologisch effectief wordt uitgevoerd. 2. Na toepassing van het eerste lid maken Gedeputeerde Staten, indien de binnen de aanvraagperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de dekkingsgraad, zijnde de verhouding van het aantal hectares beheer dat is aangevraagd tot het totaal aantal hectares leefgebied waarop dat gedeelte van de aanvraag ziet, te waarderen met maximaal 50 punten; de kwaliteit van beheer, zijnde: °. variatie in beheer, te waarderen met maximaal 40 punten; °. intensiteit van beheer, te onderscheiden in: het aantal verschillende vormen van beheer dat is aangevraagd, te waarderen met maximaal 20 punten; de zwaarte van het aangevraagde beheer, te waarderen met maximaal 20 punten; 3. Indien een onderdeel van de aanvraag minder dan 20 punten scoort, wordt dat gedeelte van de aanvraag geweigerd. 4. Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de rangschikking van die aanvragen bepaald door de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, waarbij de aanvraag met de laagste gemiddelde kosten het hoogst wordt gerangschikt. 5. Indien toepassing van het tweede en vierde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plek worden gerangschikt, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting. Artikel 3.9 Externe adviescommissie Gedeputeerde Staten kunnen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 voor advies over artikel 3.8 voorleggen aan een adviescommissie. Artikel 3.10 Subsidieverlening De subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt verleend voor een periode van zes aaneengesloten kalenderjaren, welke periode steeds begint op 1 januari. Artikel 3.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen: a. uitvoering vindt plaats in leefgebieden; b. de subsidieontvanger doet uiterlijk op 15 december voorafgaand aan het beheerjaar per leefgebied of onderdeel van een leefgebied waarvoor is beschikt een opgave van de beheeractiviteiten op perceelsniveau in het daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen systeem; c. de gekozen beheeractiviteit of combinatie van beheeractiviteiten past bij de beheerfunctie of het cluster van beheeractiviteiten zoals beschikt en het bijhorende leefgebied zoals aangewezen in het natuurbeheerplan; d.wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden, en wijzigingen als bedoeld in onderdeel e, worden door de subsidieontvanger gemeld aan Gedeputeerde Staten door die wijzigingen binnen de termijnen, genoemd in bijlage 5 onder 1, tweede kolom, door te voeren via het onder b bedoelde systeem. De wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden, kunnen tot uiterlijk 30 september van het lopende beheerjaar worden doorgevoerd; 21[Toelichting: Tijdens het beheerjaar kan blijken dat het beheerplan voor dat jaar niet helemaal uitvoerbaar blijkt of niet klopt. Bij het beheer dat gericht is op specifieke doelsoorten is het bijvoorbeeld van belang de beheeractiviteiten (zoals uitgesteld maaien) aan te passen aan de aanwezigheid van jonge dieren. Ook kunnen vogels op een ander perceel gaan zitten dan dat in het beheerplan is opgenomen, waardoor het beheer verlegd moet worden. Deze wijzigingen zijn toegestaan en moeten direct in het systeem vastgelegd worden. Tot het indienen van het jaarlijks betaalverzoek uiterlijk op 15 mei kan, als hiervoor een ecologische reden is, de locatie van het beheer verplaatst worden naar meer effectieve percelen. Nadat het betaalverzoek is ingediend, kunnen beheerlocaties niet meer wijzigen. Wel kan tot 30 september het beheer op een perceel wijzigen, bijvoorbeeld vanwege het uitvliegen van kuikens.] e.wijzigingen bestaande uit het toevoegen van percelen met de daarbij horende uit te voeren beheeractiviteit worden door de subsidieontvanger in het lopende beheerjaar doorgevoerd via het in onderdeel b bedoelde systeem. De subsidieontvanger voert deze wijzigingen uiterlijk door op de laatste dag waarop de Gecombineerde data inwinning kan worden ingediend; f. wijzigingen bestaande uit het terugtrekken van percelen met de daarbij horende beheeractiviteit zijn mogelijk tot en met 30 september, via het in onderdeel b bedoelde systeem, tenzij artikel 3, tweede lid van Verordening (EU) nr. 809/2014 zich tegen de wijziging verzet; g. de subsidieontvanger dient ieder kalenderjaar in de periode waarin de Gecombineerde data inwinning wordt ingediend een betaalverzoek in voor dat kalenderjaar. De subsidieontvanger dient deze aanvraag in via een door Gedeputeerde Staten beschikbaar gesteld formulier; 22[Toelichting: De subsidieontvanger vraagt in de zesjarige subsidieperiode jaarlijks uitbetaling aan voor alle percelen waarop zij beheer uitvoert volgens de subsidiebeschikking. Hiermee wordt het maximaal te betalen subsidiebedrag vastgelegd (het aantal hectares uit de gebiedsaanvraag vermenigvuldigd met het gemiddelde bedrag per hectare).] h. de subsidieontvanger dient uiterlijk 1 oktober van ieder kalenderjaar een verantwoording in waarin is beschreven: 23[Toelichting: Uiterlijk 1 oktober dient de subsidieontvanger jaarlijks de verantwoording van het betaalverzoek in. In de verantwoording wordt op perceelsniveau vastgelegd welk beheer is uitgevoerd (de locatie en de beheeractiviteit per oppervlakte). Samen met de actuele veldgegevens wordt dit gebruikt als basis voor het jaarlijkse evaluatiegesprek met de provincie. De verantwoording van het betaalverzoek is de basis voor de hoogte van de betaling die steeds na afloop van een beheerjaar wordt uitgekeerd. Bij het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer 2016 hoeft dus niet jaarlijks een kostenoverzicht te worden ingediend. Bepaald wordt of de beheeractiviteiten in het beheerplan volgens de Catalogus Groenblauwe Diensten, eventueel na correcties en sancties, gelijk of hoger zijn dan het maximaal uit te betalen bedrag. De subsidieontvanger krijgt het bedrag dat vermeld is in de betaalaanvraag uitbetaald als aan de subsidiebeschikking wordt voldaan en het maximumbedrag dat volgt uit de eerdergenoemde berekening niet wordt overschreden.] °. welke activiteiten als bedoeld onder b, daadwerkelijk zijn uitgevoerd; °. welke wijzigingen als bedoeld onder d, e en f hebben plaatsgevonden en waarom; i.[vervallen] j. de subsidieontvanger beschikt voor de gehele duur van de subsidie over een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer; k. de subsidieontvanger draagt er zorg voor dat er door of vanwege Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorwaarden; l. de subsidieontvanger verleent medewerking aan een toezichthouder als bedoeld in artikel 1.7 om toezicht te houden op de naleving van de subsidieverplichtingen en verleent een toezichthouder ongehinderd toegang tot percelen; m. de subsidieontvanger draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd in het desbetreffende leefgebied; n.de in bijlage 5 onder 2 genoemde activiteiten worden binnen de termijnen genoemd in bijlage 5 onder 2, tweede kolom door de subsidieontvanger gemeld via het onder b bedoelde systeem; 24[Toelichting: Vervallen] o.[Vervallen] p. indien op een perceel meerdere activiteiten worden uitgevoerd, dan dienen al deze activiteiten in het onder b bedoelde systeem te worden opgenomen onder één en hetzelfde leefgebied en beheerfunctie; q. de subsidieontvanger verleent medewerking aan een auditor van de Auditdienst Rijk van het ministerie van Financiën, voor zover dit nodig is ter uitvoering van de gegevensgerichte toetsing als bedoeld in artikel 7, derde lid van Verordening (EU) nr. 908/2014, en verleent die auditor ongehinderd toegang tot percelen. Artikel 3.12 Bevoorschotting en betaling 1.Gedeputeerde Staten verstrekken na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren een voorschot op het verleende subsidiebedrag, naar aanleiding van het ingediende betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onder g, en de verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onder h. 2. Gedeputeerde Staten nemen binnen tien weken na afloop van ieder kalenderjaar een beslissing tot voorschotverlening. 3. De beslissing, bedoeld in het tweede lid, kan eenmaal met ten hoogste tien weken worden verdaagd. 4.Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt steeds betaald binnen zes weken na afloop van de beslissing, bedoeld in het tweede of derde lid. 5. De hoogte van het voorschot wordt bepaald door het totaal aantal hectares opgegeven in het betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onder g, en waarvoor daadwerkelijk beheeractiviteiten zijn uitgevoerd, per leefgebied te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid. 6. Als het bedrag, bedoeld in het vijfde lid, hoger is dan het totaal bedrag dat voor de uitgevoerde beheeractiviteiten op grond van de vergoeding in bijlage 4 maximaal mag worden vergoed, geldt voor de berekening van het voorschot dit maximum bedrag. 7. Het uitrijden van ruige stalmest is ten hoogste subsidiabel voor éénmaal de oppervlakte van het betreffende perceel, ook al maakt de subsidieontvanger in een kalenderjaar meerdere keren melding van het uitrijden van ruige stalmest op dat perceel. Artikel 3.13 Wijziging subsidieverlening 25[Toelichting: Een uitbreidingsaanvraag is een verzoek tot uitbreiding van de zesjarige subsidiebeschikking. Als hiervoor budget wordt opengesteld, kan het agrarisch collectief jaarlijks een uitbreidingsaanvraag indienen voor de resterende looptijd van de oorspronkelijke zesjarige subsidiebeschikking. De uitbreidingsaanvraag moet de oorspronkelijke aanvraag versterken en passen binnen het natuurbeheerplan dat op het moment van het indienen van de uitbreidingsaanvraag geldt. De uitbreidingsaanvraag doorloopt dezelfde beoordelingsprocedure als nieuwe aanvragen.] 1. De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar. 2. Onder wijziging van de beschikking tot subsidieverlening wordt verstaan: vergroting van de minimum en maximum oppervlakte van het leefgebied of onderdeel van het leefgebied waarvoor reeds een beschikking is afgegeven, of uitbreiding van de bestaande beschikking met een nieuw leefgebied of een onderdeel daarvan, of aanpassing van de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, of een combinatie van een vergroting, zoals bedoeld onder a, met een aanpassing zoals bedoeld onder c, of een combinatie van een uitbreiding, zoals bedoeld onder b, met een aanpassing zoals bedoeld onder c. 3. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om, overeenkomstig de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen voor de resterende looptijd van de subsidie indien: de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 3.4, en die wijziging leidt tot een verhoging van minimaal € 1.200. 4. In afwijking van de gegevens zoals bedoeld in artikel 3.4, eerste lid onder c ten 4°, dient de subsidieontvanger een berekening in van de kosten voor het uitvoeren van het project gedurende de na wijziging resterende looptijd van de subsidie, gesplitst naar leefgebied of onderdeel van het leefgebied. 5. De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de gemiddelde kosten per hectare leefgebied. De gemiddelde kosten per hectare leefgebied worden bepaald door per leefgebied de kosten voor het uitvoeren van het project in de resterende looptijd te delen door het aantal jaren waarvoor de subsidieverlening na de wijziging nog loopt. Dit bedrag wordt gedeeld door het maximum aantal hectares waarvoor de subsidieverlening na de wijziging geldt. Het aldus berekende bedrag geldt met ingang van het kalenderjaar waarin de wijziging van kracht wordt voor de resterende looptijd van de subsidie bedoeld in artikel 3.10. 6. In afwijking van het bepaalde in het derde lid geldt dat de aanvraag in de situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a, voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 3.4, eerste lid, sub a, sub b en sub c ten 1º en 4º. Artikel 3.14 Subsidievaststelling 26[Toelichting: Aan het einde van de zesjarige subsidieperiode wordt de afrondende subsidiebeschikking vastgesteld op basis van de jaarlijkse beschikkingen op het betaalverzoek, uitgebreid met de laatste beoordeling van het betaalverzoek. De vaststelling wordt getoetst aan de subsidiebeschikking. ] 1.Gedeputeerde Staten stellen binnen dertien weken na afloop van de zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, de subsidie ambtshalve vast, naar aanleiding van het door de subsidieontvanger in het zesde en laatste kalenderjaar ingediende betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onder g, en de verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onder h. 2. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste dertien weken worden verdaagd. 3.Het restant bedrag wordt binnen zes weken na afloop van de beslissing, bedoeld in het eerste of tweede lid, uitbetaald. 4. De hoogte van het restant bedrag wordt bepaald door het totaal aantal hectares opgegeven in het betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onder g, en waarvoor daadwerkelijk beheeractiviteiten zijn uitgevoerd, per leefgebied te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid. 5. Als het bedrag, bedoeld in het vierde lid, hoger is dan het totaal bedrag dat voor de uitgevoerde beheeractiviteiten op grond van de vergoeding in bijlage 4 maximaal mag worden vergoed, geldt voor de berekening van het restant bedrag dit maximum bedrag. Artikel 3.15 Verlagen subsidies 27[Toelichting: Artikel 35 van verordening (EU) nummer 640/2014 bepaalt dat het bevoegd gezag een sanctiebeleid moet opstellen. Daarin wordt aangegeven hoe de provincie omgaat met de situatie dat de subsidieontvanger niet aan haar verplichtingen voldoet.] 1. Ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 640/2014 verlagen Gedeputeerde Staten de verleende of vastgestelde subsidie indien er onregelmatigheden zijn geconstateerd bij de uitvoering van controles als bedoeld in artikel 28 en 37 van Verordening (EU) nr. 809/2014. 2. Indien een landbouwer, of andere grondgebruiker van landbouwgrond, die ten behoeve van de subsidieontvanger beheeractiviteiten uitvoert, subsidieverplichtingen, de baseline of randvoorwaarden schendt, wordt de schending toegerekend aan de subsidieontvanger. Artikel 3.16 Overgangsbepalingen Voor het kalenderjaar 2016 verlenen Gedeputeerde Staten tot en met 15 januari 2016 uitstel van de verplichting, bedoeld in artikel 3.11, onderdeel b. §4Natura 2000-gebieden De Wieden en Weerribben Artikel4.1Subsidiabele activiteiten 28 [Toelichting: Er is voor gekozen deze specifieke bepalingen voor de Natura 2000 gebieden De Wieden en Weerribben op te nemen in een aparte paragraaf van deze Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer 2016. Hiermee wordt de afzonderlijke “Subsidieregeling natuur en landschapsbeheer binnen de Natura 2000 gebieden de Wieden en de Weerribben” opgeheven. Dat komt de overzichtelijkheid ten goede. Doel van deze paragraaf is het creëren van de mogelijkheid voor het aanvragen van subsidievoor natuurbeheer door pachters van natuurgronden, naast de eigenaar. De regeling beperkt de werkingssfeer tot de Natura 2000 gebieden De Wieden en Weerribben. Met name de instandhouding van de natuurbeheertypen die in dit gebied zijn aangewezen (van open water tot en met veenmosrietland), vragen een aanmerkelijke extra beheerinspanning van de pachters. Hun bedrijfsinkomsten uit de rietoogst staan niet in verhouding tot de beheerkosten van deze natuurtypen in onderlinge samenhang en variatie. De provincie heeft een verplichting om de natuur in stand te houden overeenkomstig het aanwijzingsbesluit van deze natuurgebieden voor zover dat in haar vermogen ligt. Zowel de provincie als de eigenaar hebben dus belang bij een goed beheer, ook op verpachte gronden. De subsidieregeling geeft expliciet erkenning aan deze reeds lang bestaande situatie in het gebied. Het begrip ‘afwijking' in het eerste lid van dit artikel is gebruikt als een juridische term in het kader van de tekst van deze paragraaf en slaat niet op de materiele situatie voor de pachters: die blijft voor en na 2011 gelijk (zie de toelichting bij artikel 5.1 lid 2).] 1. Gedeputeerde Staten kunnen aanvullend op en in afwijking van de bepalingen uit paragraaf 1 en 2 subsidie verstrekken voor het natuur- en landschapsbeheer binnen de Natura 2000 gebieden De Wieden en Weerribben. 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder pachter: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een natuurterrein exploiteert binnen de Natura 2000 gebieden De Wieden en Weerribben, krachtens een door de grondkamer goedgekeurd pachtcontract. Artikel4.2Criteria Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: er is voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen paragraaf 1 en 2, voorzover daarvan in deze paragraaf niet wordt afgeweken. in afwijking van artikel 2.1 kan subsidie worden aangevraagd door een pachter. 29 [Toelichting: Deze paragraaf beoogt formeel te regelen wat materieel al bestaande praktijk is. De doorbetaling van subsidie door de eigenaar aan de pachter is alleen in de natuurgebieden De Wieden en Weerribben bestaand gebruik. Door de gegroeide vervlechting van gebruik en eigendom, het moeilijk toegankelijke gebied (wetland) en de complexiteit van het beheer van de diverse in elkaar overlopende natuurtypen wensen eigenaar, pachter en overheid deze situatie te continueren en ook formele zekerheid te bieden.] in aanvulling op artikel 2.1 voldoet de aanvraag tot subsidie aan de volgende criteria: de eigenaar en de pachter dienen hun aanvraag gebundeld in; de eigenaar als bedoeld onder a dient meer dan 75 hectare grond binnen het Natura 2000-gebied De Wieden of Weerribben in beheer te hebben; de eigenaar als bedoeld onder a dient te beschikken over een certificaat. 30 [Toelichting: De gezamenlijke provincies zijn met het rijk bij het akkoord decentralisatie natuur in 2011 overeengekomen dat het beheer sober en efficient wordt uitgevoerd. Het streven naar een beperkt aantal subsidiegerechtigden is één van de afgesproken maatregelen. Voor het natuurbeheer op gronden met een agrarische bestemming is een bundeling in grote collectieven gerealiseerd; voor het natuurbeheer van gronden met een natuurbestemming (Natuurnetwerk, Natura-2000) wordt daaraan gewerkt. Het ligt voor de hand om ook voor een uitbreiding van de kring van subsidiegerechtigden met orde van grootte van 300 potentiele deelnemers een zo efficient mogelijke procesgang te ontwerpen. Dat is de achtergrond van de in dit artikellid opgenomen voorwaarden. Een andere, even belangrijke, reden is dat de aanvragen van eigenaar en pachters in onderling verband (ligging, oppervlakte, beheertype van een perceel) getoetst moeten worden. Dat maakt het wenselijk dat eigenaar en pachter van een perceel hun subsidieaanvraag bundelen en op hetzelfde moment indienen en dat Gedeputeerde Staten zo nodig nadere beheervoorschriften kunnen geven in de subsidiebeschikking als de afstemming van de werkzaamheden tussen eigenaar en pachter daarom vraagt (onderdeel a). In overleg met de betrokkenen is niet gekozen voor een collectief van pachters. Het vormen van een collectief vraagt een aanzienlijke extra inspanning (en dito kosten) van de pachters, terwijl de verhouding tussen een pachterscollectief en de (mogelijk meerdere) betrokken eigenaren ingewikkeld is. Een praktische vorm van bundeling van (zelfstandige) aanvragen heeft daarom de voorkeur. Het staat de pachters vrij voor het bundelen van hun aanvragen gebruik te maken van een administratiekantoor of penvoerder. Het is denkbaar dat ook kleine eigenaren hun grond of een deel daarvan verpacht hebben. Het provinciale beleid is er op gericht voor deze eigenaren (of een samenwerking van eigenaren) een ondergrens van 75 ha in te voeren om voor subsidie in aanmerking te komen. Het ligt voor de hand om deze ondergrens ook te hanteren voor hun pachters (onderdeel b).] Artikel4.3Grondslag subsidie 31 [Toelichting: Nu zowel eigenaren als pachters een zelfstandig recht op beheersubsidie hebben, moet op basis van hun werkzaamheden worden bepaald welk deel van de subsidie aan ieder van hen toekomt. De werkzaamheden van de pachter hebben betrekking op de directe jaarlijkse werkzaamheden op de aan hen in gebruik gegeven percelen, zoals maaien, snijden en zo nodig afvoeren van riet (deels in de winterperiode, deels ’s zomers) en verwijderen van ongewenste vegetatie. De basis hiervoor vormen de Standaard Kostprijs berekeningen (SKP) behorend bij het Stelsel Natuur- en Landschapsbeheer. De werkzaamheden van de eigenaar hebben betrekking op het lange-termijnbeheer voor de instandhouding van het natuurgebied als geheel, zoals bedoeld in art. 2.9 sub 1a van de SNL2016 (in het gebied Weerribben-Wieden heeft dat vooral verband met het instandhouden van de natuursuccessie en als gevolg daarvan de verscheidenheid van beheertypen). Verder is het de eigenaar die zorgt voor de infrastructuur: onderhoud van wegen en sloten (onderhoud van ontsluitingswegen, bruggen, duikers, stuwen, enz.)zoals genoemd in de SKP. De eigenaar is gecertificeerd natuurbeheerder en aanspreekbaar op de kwaliteit van de natuur in het gebied als geheel. Ten slotte levert de eigenaar de gegevens voor het jaarlijks geactualiseerde provinciale natuurbeheerplan en is daarvoor ook de gesprekspartner van de provincie. De verdeling van de subsidie over eigenaar en pachters is gebaseerd op een gemiddelde van de kosten (gemiddeld in de tijd en over alle beheertypen). De toeslagen voor monitoring en recreatieve ontsluiting gaan naar de eigenaar. Voor percelen waarvoor de pachter geen subsidie aanvraagt maar wel het beheer voert of toestaat dat de eigenaar dat doet, gaat de volledige subsidie naar de eigenaar.] 1. Voor de subsidieaanvragers als bedoeld in artikel 4.2 sub b bedraagt de hoogte van de subsidie 80% van het op basis van artikel 2.6, lid 1, bepaalde bedrag. 2. In afwijking van artikel 2.6 lid 1 bedraagt de hoogte van de subsidie voor de eigenaar 20% vanhet op basis van artikel 2.6, lid 1 bepaalde bedrag en eventueel verhoogd met het onder artikel 2.6, lid 2, bepaalde bedrag. Artikel4.4Verplichtingen subsidieontvanger Gedeputeerde Staten kunnen bij de toekenning van subsidie nadere beheervoorschriften geven ter afstemming van de werkzaamheden van eigenaar en pachter. Artikel4.5Wijziging subsidieverlening 32 [Toelichting: Dit artikellid regelt dat ook aanvragen van pachters tot wijziging van de subsidiebeschikking vanwege uitbreiding van areaal (artikel 2.13) samen met de eigenaar ingediend moeten worden. Ook de subsidie voor de eigenaar wijzigt daardoor immers.] Voor de toepassing van artikel 2.13 is voor de pachter het bepaalde in artikel 4.2 sub c onder a van overeenkomstige toepassing. § 5 Slotbepalingen. Artikel 5.1 Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. 2. In afwijking van het eerste lid werkt paragraaf 4 terug tot 31 december 2010 voor het Natura 2000 gebied De Wieden en tot 31 december 2013 voor het Natura 2000 gebied Weerribben. Bijdragen die pachters over de jaren 2011 tot 2017 of 2014 tot 2017 op aanvraag hebben ontvangen van Natuurmonumenten respectievelijk Staatsbosbeheer, worden geacht als subsidie te zijn verleend door de provincie. 33 [Toelichting: Zoals aangegeven in het algemene deel van de toelichting geeft deze paragraaf expliciet erkenning aan de reeds lang bestaande feitelijke situatie in het gebied. De in het jaar 2000 in werking getreden rijksregeling voorzag in een recht op subsidie ook voor de pachter. In 2004 is deze rijksregeling gewijzigd en is het recht van de pachters geschrapt. In de praktijk hebben sindsdien de beide grote terreinbeherende organisaties de pachters hiervoor gecompenseerd: Natuurmonumenten door een deel van de subsidie door te betalen aan hun pachters; Staatsbosbeheer door middel van een “Reparatieregeling” van de minister van Landbouw en Visserij. In 2011 is een nieuw subsidiestelsel in werking getreden (SNL) onder verantwoordelijkheid van de provincies. Sinds 2014 kan ook SBB SNL-subsidie aanvragen bij de provincie. Onder de werking van de SNL is de bestaande praktijk van 2004 tot 2011 doorgezet dat de terreinbeheerder een deel van de subsidie doorbetaalt aan de pachter. Nu de provincie deze bestaande praktijk wil formaliseren ligt het voor de hand dat te doen vanaf het moment dat de provincie daarvoor de verantwoordelijkheid op zich nam (de invoering van de nieuwe regeling SNL in 2011). Materieel verandert daardoor de situatie niet. De regeling bepaalt dat bijdragen die pachters over de jaren 2011 tot 2017 of 2014 tot 2017 op aanvraag hebben ontvangen van Natuurmonumenten respectievelijk Staatsbosbeheer, worden geacht als subsidie te zijn verleend door de provincie. Voor enkele pachters die wél het beheer hebben gedaan, maar in de afgelopen 2 jaar niet of niet volledig hun deel van de subsidie hebben ontvangen van Staatsbosbeheer, zal alsnog uitbetaling plaatsvinden, en zal in formele zin teruggevorderd worden bij de eigenaar.] Artikel 5.2 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel 2016. Bijlage 1Index Natuur en Landschap Onderdeel landschapsbeheertypen Leeswijzer Systematiek In het kader van de vereenvoudiging en transparantie van het Stelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) is een systematiek ontwikkeld die aansluit op de systematiek van de onderdelen Natuur en Agrarisch: L = Landschap L01 = landschapselemententypen L01.01 = landschapsbeheertypen L01.01.01 = pakket L.01.01.01a = pakketvariant Binnen het onderdeel Landschap zijn er 4 natuurtypen vastgesteld met daaronder 20 beheertypen. De beheertypen zijn vervolgens verder uitgesplitst in verschillende pakketten die het mogelijk maakt om ook op agrarische grond beheersubsidie aan te kunnen vragen voor landschapsbeheer. Uitgangspunten van de typologie zijn: Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en regionaal niveau. Natuurtypen zijn bruikbaar om afspraken op het gebied van landschapsbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu op elkaar af te stemmen zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden. Natuurbeheertypen zijn bruikbaar voor het typeren van een doelstelling van grote gebieden. Zowel natuurlijke landschappen als groene cultuurhistorische elementen zijn geïntegreerd in de natuurtypen. De indeling in natuurtypen zowel gebaseerd op abiotische als op biotische condities en op cultuurhistorie. Beheertypen zijn bedoeld voor de classificering en indeling van het beheer. Beheertypen kunnen (op regionaal niveau) beschouwd worden als eenheden met een kleine variatie in natuurwaarde en abiotische randvoorwaarden. Beheertypen zijn geschikt om zowel actuele situaties als doelen mee te beschrijven. Binnen een beheertype is sprake van een vergelijkbaar beheer en vergelijkbare kosten (koppeling doelen en middelen). Pakketten zijn bedoeld voor de aansturing van het agrarisch natuurbeheer. Pakketten zijn bruikbaar voor het typeren van de doelstelling op perceelsniveau. De indeling in pakketten is met name gebaseerd op een plaatsing in het ruimtelijk kader (als rand of vlak), beheercyclus, variatie in dichtheden en hydrologische toestand. Van alle landschapselemententypen is een algemene beschrijving opgenomen. De algemene beschrijving geeft een indruk van het voorkomen en geografische verspreiding van de beheertypen, de kenmerkende natuurwaarden en belangrijkste abiotische en ruimtelijke condities. Ook van alle landschapsbeheertypen is een algemene beschrijving opgenomen die samen met de afbakening de basis vormt voor de classificering van de beheertypen. Daarnaast zijn de afbakeningen met name gebaseerd op de minimale oppervlakte en/of afmeting in het kader van ecologische en financiële haalbaarheid van de vergoedingen. In de landschapsbeheertypen staat ook aangegeven dat vanwege de cofinanciering bij agrarisch landschapsbeheer aan bepaalde (beheer)eisen voldaan moet worden wil men in aanmerking komen voor een vergoeding voor het beheer. De algemene beheereisen vormen de basis van het (agrarisch landschaps)beheer, die verder aangevuld wordt met de onder de pakketten weergegeven specifieke beheereisen. L01 Groenblauwe landschapselementen Algemene beschrijving In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse landschapselementen verschenen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie was vaak meerledig: zo dienden dergelijke landschapselementen als perceelsscheiding, veekering of drinkwatervoorziening voor het vee maar ze leverden ook gebruikshout op. Door de komst van prikkeldraad, de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers en hectares van deze elementen verdwenen. Deze landschapselementen vertegenwoordigen vaak een hoge natuurwaarde, doordat veel dieren en planten er beschutting, dekking en voedsel vinden. De lijnvormige landschapelementen worden gebruikt als migratieroute door veel zoogdieren als vleermuizen en das. De blauwe landschapselementen dienen als voortplantingsplaats van amfibieën en insecten. Veel vogels vinden nestgelegenheid in de dichtte begroeiing of juist in de ontstane holtes als gevolg van het intensieve beheer dat bij deze landschapelementen plaatsvindt. Planten en insecten profiteren optimaal van de vele microklimaten die de landschapelementen bieden. Beheertypen Dit natuurtype omvat de volgende beheertypen: L01.01 Poel en klein historisch water L01.02 Houtwal en houtsingel L01.03 Elzensingel L01.04 Bossingel en bosje L01.05 Knip- en scheerheg L01.06 Struweelhaag L01.07 Laan L01.08 Knotboom L01.09 Hoogstamboomgaard L01.10 Struweelrand L01.11 Hakhoutbosje L01.12 Griendje L01.13 Bomenrij en solitaire boom L01.14 Rietzoom en klein rietperceel L01.15 Natuurvriendelijke oever L01.01 Poel en klein historisch water Algemene beschrijving Poelen zijn natuurlijke of gegraven laagtes, gemaakt om over water voor vee te kunnen beschikken. Andere al dan niet gegraven kleine wateren met een historische betekenis zijn bijvoorbeeld voorraadbassins voor bluswater, visvijvers, schapenwasplaatsen, pingoruïnes en veenputten. Vaak vervulden poelen meerdere functies. De mens heeft altijd water nodig gehad en daarvoor zijn zowel bestaande natuurlijke wateren als zelf gegraven laagtes gebruikt. Ook uit de middeleeuwen zijn putten en kuilen bekend. Tot op de dag van vandaag worden poelen gegraven en gebruikt. Poelen en kleine wateren in het landschap kunnen dus al eeuwen oud zijn, alhoewel sommige van zeer recente datum zijn, denk aan nieuw gegraven amfibieënpoelen. Het beheertype Poel en klein historisch water is te vinden in heel Nederland. Er zijn diverse vormen bekend. In het waterrijke West-Nederland dienden de sloten veelal als veedrinkplek en waren poelen dan ook minder noodzakelijk. In dit gebied vinden we de veenputten die door het kleinschalig afgraven van veen zijn ontstaan. Als drinkplaats voor vee zijn poelen daar te vinden waar ander drinkwater niet voorhanden was. Vooral in Oost- en Zuid-Nederland zijn poelen veel voorkomende landschapselementen. In de kustgebieden zijn poelen aangelegd om in zoet water te voorzien in een zilte omgeving. Deze poelen werden dan in een kunstmatige verhoging gegraven. Dit zijn de zogenaamde hollestelles. Deze zijn vooral in Zeeland te vinden en liggen vaak buitendijks. Wateren die als bluswater dienden zijn veel nabij boerderijen en nederzettingen te vinden. Visvijvers komen vooral veel in Brabant en Zuid-Limburg voor. Het is belangrijk de historische contouren/vormen te behouden, zeker bij de visvijvers. Openheid rondom (een deel van) de poel kan de zichtbaarheid en beleefbaarheid vergroten en is van belang om een goed voortplantingsbiotoop voor amfibieën te behouden. In het verleden was zeker bij veedrinkpoelen het element bereikbaar voor vee en dus in ieder geval deels onbegroeid. Vaak stonden er wel enkele bomen bij een poel voor schaduw voor de dieren en tegen verdamping. Soms kennen poelen gemetselde randen, zoals uit Zuid-Limburg bekend is. Poelen zijn van groot belang als voortplantingsbiotoop voor amfibieën en libellen in het cultuurlandschap. Afbakening Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied. Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are. In Zuid-Limburg heeft een voortplantingspoel voor amfibieën een oppervlakte van minimaal 0,2 are. Vijvers die een onderdeel zijn van een park- of tuinaanleg vallen niet onder dit beheertype, maar onder beheertype Historische tuin. Wateren die onder N06.05 ‘Zuur ven of Hoogveenven’ of N06.06 ‘Zwakgebufferd ven’ vallen horen niet tot dit beheertype. Sloten behoren niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen Minimaal de helft van het natte oppervlakte van de poel bestaat in de lente uit open water. Voor behoud van voldoende open water wordt het element periodiek opgeschoond. Incidenteel mag het element in de zomerperiode droogvallen; Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als veedrinkpoel wordt voorkomen. Bij het gebruik als veedrinkpoel is minimaal de helft van de oeverlengte uitgerasterd; Maximaal 25% van de oeverlengte is begroeid met inheemse bomen en/of struiken; Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden; Er mogen geen vissen of andere dieren (zoals eenden en ganzen) worden uitgezet of gekweekt; Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; Maai- en schoningswerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 september en 15 oktober. Beheerpakketten L01.01.00 Poel en klein historisch water - gemiddeld L01.01.01a Oppervlakte poel < 175 m2 L01.01.01b Oppervlakte poel > 175 m2 L01.02 Houtwal en houtsingel Algemene beschrijving Houtwallen en houtsingels komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten zoals; graften, grubben, dykswâlen, schurvelingen of houtkaden. Houtwallen komen vooral voor in cultuurlandschappen in het Zandgebied, Heuvelland en het Duingebied. Lijnvormige landschapselementen met wallichaam in het laagveengebied worden houtkade genoemd. Ook de begroeiing op graften en holle wegen in Zuid-Limburg valt onder dit type. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Afbakening Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd. De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.03 Elzensingel. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen. Tenminste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet; Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt; Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; Het wallichaam wordt in stand gehouden als het element daarvan is voorzien; Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid. Beheerpakketten L01.02.00 Houtwal en houtsingel – gemiddeld L01.02.01 Houtsingel en houtwal Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van eenmaal per 6-15 jaar. L01.02.02 Hoge houtwal Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 21-25 jaar. Tussentijds mogen overhangende takken gesnoeid worden; Het wallichaam is minimaal 0,8 meter hoog en de kruidachtige vegetatie van de steile walkanten mag gemaaid worden; Aan de voet van het wallichaam ligt een greppel die in stand wordt gehouden. L01.02.03 Holle weg en graft Element is gelegen op talud van holle weg of graft in Zuid-Limburg.. Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van minimaal eenmaal per 15 jaar. L01.03 Elzensingel Algemene beschrijving Elzensingels zijn lijnvormige landschapselementen die bestaan uit een enkele rij zwarte elzen, en vaak langs slootkanten staan. Deze elzensingels komen vooral voor in het laagveen-, zand- of rivierengebied en zijn zeer kenmerkend voor de Friese Wouden en komen in verscheidene andere delen van Nederland voor, zoals het Groninger Westerkwartier, de Gelderse Vallei, Midden-Brabant en de gebieden rond Staphorst en Vriezeveen. Elzensingels zijn van belang voor schuilmogelijkheden voor fauna in het cultuurlandschap. Afbakening Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten éénrijig landschapselement dat grotendeels bestaat uit Zwarte els en als hakhout wordt beheerd. Een elzensingel is minimaal 25 meter lang. Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.13 Bomenrij/solitaire boom. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen 75% van lengte van het element wordt als hakhout beheerd; Het hakhout wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-21 jaar. Tussentijds mogen overhangende takken worden gesnoeid; Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden; Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Beheerpakketten L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld L01.03.01a Bedekking elzensingel 30-50% L01.03.01b Bedekking elzensingel 50%-75% L01.03.01c Bedekking elzensingel > 75% L01.04 Bossingel en bosje (vervallen) Algemene beschrijving Een bossingel of een bosje zijn houtopstanden die vroeger vaak aangeplant en beheerd werden als hakhout, maar doorgeschoten zijn. Ze komen in veel gebieden in Nederland voor. Ook de meer recentere landinrichtingsbosjes en kleine bosjes die geen hakhoutbeheer gekend hebben behoren tot dit type. Afbakening Een bossingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken. Een bossingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. Een bosje is een vrijliggend vlakvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken. Een bosje is minimaal 2,0 are en maximaal 1 hectare groot. Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen Het element wordt als bos met hoog opgaande bomen beheerd; Het element wordt periodiek gedund en overhangende takken kunnen het gehele jaar worden gesnoeid; Randen van het element kunnen als hakhout beheerd worden; Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt; Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; Dunningswerkzaamheden en het eventueel terugzetten van hakhout worden alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Beheerpakket L01.04.01 Bossingel en bosje L01.05 Knip- of scheerheg Algemene beschrijving Heggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Waar in natte delen van Nederland sloten als eigendoms- of perceelscheiding dienden, werden in drogere delen veelal heggen gebruikt. De doornige meidoorn kon daarnaast ook nog een veekerende functie hebben. Ook op landgoederen en forten is het gebruik van meidoornhagen bekend. De introductie van het prikkeldraad rond 1900 heeft gezorgd voor het verdwijnen van veel heggen. Heggen komen in heel Nederland voor, maar zijn vooral te vinden rondom dorpen en boerderijen. In Zuid-Limburg is de knip- en scheerheg ook een karakteristiek landschapselement in het landelijke gebied. Door het regelmatig knippen heeft de heg een strak en recht uiterlijk. Heggen zijn van belang als leefgebied en migratieroute. Daarnaast bieden heggen schuilmogelijkheden voor de fauna in het cultuurlandschap. Afbakening Een knip- of scheerheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren. Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang. Een knip- of scheerheg kan periodiek gevlochten worden. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen Snoeimateriaal mag blijven liggen voor zover dat het element of de ondergroei niet schaadt; Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element; Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart. Beheerpakketten L01.05.00 Knip- of scheerheg – gemiddeld L01.05.01a Knip- en scheerheg; jaarlijks scheren of knippen De heg wordt eenmaal per jaar op minimaal 0,8 meter hoogte aan alle zijden geknipt of geschoren. L01.05.01b Knip- en scheerheg; eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen De heg bestaat voor meer dan 50% uit meidoorn en wordt om de 2-3 jaar aan alle zijden geknipt of geschoren. Na het knippen/scheren heeft de heg een hoogte van tenminste 1 meter en een breedte van minimaal 0,8 meter. L01.06 Struweelhaag Algemene beschrijving In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse lijnvormige landschapselementen verschenen met houtige gewassen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie van dergelijke landschapselementen was perceelsscheiding en veekering. Door de komst van prikkeldraad en de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers van deze elementen verdwenen. Struweelhagen komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten. Karakteristieke heggenlandschappen zijn terug te vinden langs de grote rivieren Maas en IJssel, in Zuid-Beveland en op Walcheren. Deze landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Het verschil met een knip- of scheerheg is dat een struweelhaag minder frequent wordt gesnoeid en daardoor meer en breder uitgroeit. Soms is er sprake van speciale beheervormen zoals bij vlechtheggen. Struweelhagen vormen een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Afbakening Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang. Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het beheertype L01.05 Knip- of scheerheg. Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen Het snoeien kan gecombineerd worden met het vlechten van de haag; Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden, behoudens bij het vlechten van de haag; Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid; Indien snoeiwerkzaamheden machinaal worden uitgevoerd, wordt geen klepelmaaier gebruikt. Beheerpakketten L01.06.00 Struweelhaag – gemiddeld L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar Het element kan vrij uitgroeien en wordt 1 maal per 5 tot 7 jaar aan drie zijden gesnoeid. Na het snoeien heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,8 meter; L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus > 12 jaar Het element kan vrij uitgroeien en wordt 1 maal per 12 tot 25 jaar afgezet; L01.07 Laan Algemene beschrijving Lanen zijn wegen die aan beide zijde met een of meerdere rijen bomen zijn beplant. Lanen vormen sinds de 17e eeuw belangrijke dragers van landgoederen en buitenplaatsen. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen weersinvloeden en voor de houtproductie. Lanen blijven populair in de diverse tuinstijlen. Nog altijd worden nieuwe lanen aangelegd. Lanen komen voor in heel Nederland, vaak op en rond landgoederen. Soms herinneren lanen aan vroegere landgoederen op die locatie. Lanen zijn belangrijke onderdelen van landgoederen en geven vaak de structuur aan. Niet zelden bevindt zich het landhuis aan het eind van een laan, of biedt een laan een ver zicht naar een markant punt in de omgeving. Zeker oudere lanen met markante bomen kunnen zeer indrukwekkende landschapselementen zijn. Lanen zijn van belang voor aan oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen. Verder zijn ze van belang voor op bomen groeiende mossen en korstmossen en oude lanen waar jaarlijks weinig strooisel blijft liggen zijn van groot belang voor zeldzame mycorhizapaddestoelen. Afbakening Een laan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen bomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als laan. Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig plantverband. Onder dit beheertype vallen ook dijken met een weg, bovenop de kruin van de dijk, die aan beide zijden met bomen is beplant. Een laan is minimaal 50 meter lang. Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.13 Bomenrij/solitaire boom. Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen De bomen worden periodiek gesnoeid; Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element; Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; De bomen mogen niet beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart. Beheerpakketten L01.07.00 Laan- gemiddeld L01.07.01a Gemiddelde stamdiameter bomen < 20 cm L01.07.01b Gemiddelde stamdiameter bomen 20-60 cm L01.07.01c Gemiddelde stamdiameter bomen > 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en element wordt als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element. L01.08 Knotboom Algemene beschrijving Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam, waarbij periodiek de boven op die stam groeiende takken (of pruik) worden geoogst. Door die oogst ontstaat er op deze hoogte een vergroeiing van de stam: de knot. De knotboom levert gemakkelijk oogstbaar hout op dat op een plaats groeit waar het vee er niet bij kan. Knoteiken worden traditioneel een keer in de zeven tot acht jaar geknot. Bij knotessen gebeurde dat eens in de vijf tot zes jaar en knotwilgen en knotpopulieren worden meestal eens in de vier jaar geknot. Al van voor het begin van onze jaartelling zijn er vermeldingen bekend van knotbomen. Het gaat dan om de soorten wilg, populier, es, els, eik en haagbeuk. Knotessen, knothaagbeuken en knoteiken kunnen bijzonder oud worden. Ook wilgen en bijvoorbeeld populieren worden als knotboom veel ouder dan wanneer ze vrijuit groeien. Voor grote delen van vooral Laag Nederland is de knotwilg een zeer kenmerkend landschapselement. Utrecht en Zuid-Holland zijn de provincies met de meeste knotbomen, geschat wordt dat het alleen daar al om honderdduizenden exemplaren gaat. Andere knotboomrijke gebieden zijn Zuid-Limburg, de Achterhoek, de Liemers, het gebied van de grote rivieren en Zeeuws-Vlaanderen. Het silhouet van knotbomen is uit veel regio's bekend. Per gebied verschillen echter wel de boomsoorten die ervoor worden gebruikt. In het oosten van het land staan knoteiken, essen en wilgen in houtwallen en als overstaanders in heggen. Maar ze zijn daar en in het zuiden ook te vinden in graften, langs holle wegen en terras- en bosranden. Ze komen zelfs midden in bossen voor als markering van vroegere hakhoutpercelen. Knotelzen staan vaak op armere gronden, ze zijn vooral kenmerkend voor akkerranden in landschappen met kampontginningen, slagenlandschappen en esdorpenlandschappen. Ze kwamen vroeger op veel plaatsen in Nederland voor, langs slootkanten als geknotte elzenhagen, maar ook in rijen tussen akkers en weilanden. In laagveengebieden en langs rivieren en dijken staan verschillende wilgen- en populierensoorten, maar daar en vooral in het laagveengebied worden ook gewone essen gebruikt. De bodem heeft daar weinig draagkracht en essen kunnen geknot veel ouder worden dan doorgroeiende essen. Knotbomen bieden broedgelegenheid aan diverse vogels, waaronder de Steenuil en Wilde eend. Vooral oude knotbomen kunnen zeldzame hierop groeiende mossen en korstmossen herbergen. Afbakening Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot). Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepen. Een kleine groep bestaat uit maximaal 20 bomen. Vlakvormige elementen met knotbomen, behoudens kleine groepen, horen niet tot dit beheertype maar kunnen mogelijk gerangschikt worden onder het beheertype L01.12 Hakhoutbosje of L01.13 Griendje mits voldaan wordt aan de eisen van deze beheertypen. Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen Knotwilgen, -elzen, -essen en -populieren –worden in een cyclus van éénmaal per 3-8 jaar geknot. Knoteiken en -haagbeuken worden geknot in een cyclus van minimaal eenmaal per 15 jaar; Er mag geen snoeihout verbrandt worden in de directe omgeving van de knotboom; De boom mag niet beschadigd worden door vee. Knotwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Beheerpakketten L01.08.00 Knotboom - gemiddeld L01.08.01a Gemiddelde stamdiameter knotboom < 20 cm L01.08.01b Gemiddelde stamdiameter knotboom 20-60 cm L01.08.01c Gemiddelde stamdiameter knotboom > 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit meerdere knotbomen bestaat wordt het element als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element. L01.09 Hoogstamboomgaard Algemene beschrijving Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruitrassen of notenbomen. Hoogstamboomgaarden zijn al bekend uit de middeleeuwen bij kloosters en kastelen, zowel voor eigen gebruik als handel. Ook bij boerderijen komen boomgaarden dan ook al eeuwen voor en sommige locaties kunnen heel oud zijn. De bomen zelf worden vaak niet ouder dan honderd jaar. De stijgende prijzen voor fruit zorgden voor een ware explosie van het aantal boomgaarden tussen 1850 en 1900. Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen veel hoogstammen voor de efficiëntere teelt in eerst half- en vervolgens laagstammen. Rooipremies hebben in het hele land veel hoogstamboomgaarden doen verdwijnen. In Zeeland speelde de overstromingen tijdens de Tweede Wereldoorlog en in 1953 een belangrijke rol in het afnemen van de hoogstammen in deze provincie. Inmiddels worden er uit landschappelijke en ecologische motieven weer hoogstambomen aangeplant, maar de oppervlakte is nog maar een fractie van de oppervlakte die kort na de Tweede Wereldoorlog bestond. Overal in Nederland komen hoogstamboomgaarden voor, vooral als onderdeel van het boerenerf. Ook bij landgoederen en buitenplaatsen waren vaak (grootschalige) boomgaarden te vinden. Niet overal in Nederland komen hoogstamboomgaarden evenveel voor. Vooral in de traditionele fruitgebieden, zoals Zuid-Limburg en het rivierengebied liggen nu nog veel restanten van oude boomgaarden. In het Hollands-Utrechtse veenweidegebied komen nog veel boomgaarden bij boerderijen voor. Hier is door afzetting van rivierklei een geschikte groeiplaats ontstaan. In noord- en oost Nederland op het zand zijn hoogstamboomgaarden relatief schaars. Boomgaarden zijn dikwijls verbonden aan boerderijen. Enkele grotere complexen horen bij landgoederen en buitenplaatsen of dateren uit de tijd van de grote groei (1850-1900). Boomgaarden worden vaak door een heg, haag of sloot afgescheiden van de omgeving. De ondergrond van de hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland: de hoogte van de stammen zorgden er immers voor dat het vee geen fruit kon eten! In het rivierengebied komen oude boomgaarden op de kleigronden voor, in Zuid-Limburg is er vaak een relatie met de dorpen. Naast hun functie voor fruitproductie hebben hoogstamboomgaarden ook een belangrijke landschappelijke betekenis en vormen ze het leefgebied voor diverse diersoorten zoals bijvoorbeeld steenuil. In oude boomgaarden groeien vaak ook bijzondere zeldzame fruitrassen en in de ondergroei van de hoogstammen handhaaft zich vaak een soortenrijke kruidenvegetatie. Afbakening Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,5 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per hectare. Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten. Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen Indien het appel of peer betreft wordt de boom tenminste éénmaal per 2 jaar gesnoeid. Andere soorten enkel vormsnoei indien nodig; De grasvegetatie wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd of de grasvegetatie wordt beweid; Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van de bomen of versnipperd hout verwerkt worden in de boomgaard; Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en Brandnetel in het element gebruikt worden; De hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Jonge bomen zijn voorzien van een boomkorf; Bemesten en bekalken van de boomgaard is toegestaan. Bij bemesten van de boomgaard worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd; Snoeiwerkzaamheden kunnen gedurende het gehele jaar worden verricht. Beheerpakket L01.09.01 Hoogstamboomgaard L01.10 Struweelrand Algemene beschrijving Struweelranden kunnen zich ontwikkelen vanuit een extensief beheerde situatie, of aangeplant worden. Afhankelijk van het beheer kunnen randen ontstaan die gedomineerd worden door ruigtekruiden, struiken of een combinatie van beide. Kenmerk van een struweelrand is dat deze zowel vrijliggend, als aansluitend aan een ander element kan liggen. Struweelranden kunnen daarmee dienen als overgangsgebied tussen agrarisch gebruikte percelen en bossen, en zijn in die vorm vooral te beschouwen als een naar voren geschoven bosrand. Met een gunstige ligging kunnen struweelranden bijdragen aan een warmer microklimaat, en zijn dan vooral van belang voor insecten, amfibieën en reptielen. Wanneer dat microklimaat ontbreekt, kunnen struweelraden vooral van belang zijn voor broedvogels en planten van een meer extensief beheer. Afbakening Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen. De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door inheemse bomen en/of struiken. De struweelrand kan langs een bosrand of een landschapselement liggen maar ook vrij in het veld, bijvoorbeeld langs een perceelsrand. Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen Periodiek wordt de begroeiing gemaaid en/of afgezet; 50% van de oppervlakte van de rand bestaande uit een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden mag periodiek gemaaid worden met een cyclus van maximaal éénmaal per 5 jaar. Het maaisel wordt afgevoerd; Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt; Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling en de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en Brandnetel, en meststoffen in het element gebruikt worden. Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee; Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 15 juli en 15 maart en het afzetten van struweel wordt alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart. Beheerpakketten L01.10.01 Struweelrand L01.11 Hakhoutbosje Algemene beschrijving Boeren hebben al eeuwenlang behoefte aan hout voor allerlei doeleinden. Het kan hierbij gaan om brandhout, staken voor de groentetuin of hout voor gereedschapsstelen. Dit soort bosjes wordt in de volksmond ook wel geriefhoutbosje genoemd. In de loop der tijd zijn deze bosjes vaak in onbruik geraakt omdat er steeds minder behoefte aan het hout kwam. Ook werden in sommige regio’s deze bosjes gebruikt om aan ziekten doodgegaan vee te dumpen. Afbakening Een hakhoutbos(
  2. je)is een vrijliggend vlakvormig landschapselement, met inheemse bomen en/of struiken dat als hakhout wordt beheerd. Een hakhoutbosje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot. Kleine vrijliggende bosjes zonder hakhoutbeheer of met een zeer beperkte vorm van hakhoutbeheer behoren tot het beheertype L01.04 Bossingel en Bosje Subsidievoorwaarden Binnen natuurterreinen dient de beheerder het landschapstype in stand te houden om voor beheersubsidie SNL in aanmerking te komen. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. In agrarisch gebied hebben landschapselementen een aantal verplichte beheereisen, die de basis voor de vergoeding vormen. Deze moeten dus uitgevoerd worden. Beheereisen Minimaal 80% van de oppervlakte van het bosje wordt als hakhout beheerd; Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6 - 25 jaar; Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt; Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden ; Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element. Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid. Beheerpakketten L01.11.01a Droog hakhoutbosje (zomereik, wintereik, berk en haagbeuk dominant) L01.11.01b Vochtig en nat hakhoutbosje (zwarte els en/of gewone es dominant) L01.12 Griendje Algemene beschrijving In bepaalde delen van het land, was het verbouwen van wilgen lange tijd vrij gebruikelijk in vooral moerassige streken. Deze wilgen werden op enige tientallen centimeters boven de grond afgezet in een 4-6 jarige cyclus. Het hier vanaf komend hout (vaak wilgentenen genoemd) werd o.a. gebruikt als rijshout ter bescherming van waterkeringen. Deze wilgengrienden zijn ook nu nog in het landschap terug te vinden en het eraf komend hout wordt nog steeds gebruikt voor rijshout, maar kent inmiddels ook moderner toepassingen als tuinschermen etc. Vooral de oude wilgengrienden hebben vaak een rijke ondergroei van hogere planten, varens en mossen. Faunistisch zijn ze van belang als schuilplaats voor kleine zoogdieren en broedgebied voor zangvogels. Ook reeën vinden een geschikte schuilgelegenheid in wilgengrienden. Afbakening Een griendje is een vrijliggend vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten dat als hakhout wordt beheerd. Het griendje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot. Grienden die machinaal gemaaid worden behoren niet tot dit type. Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen Het element bestaat uit inheemse wilgensoorten en wordt geheel als hakhout beheerd en afgezet in een cyclus van tenminste éénmaal per 5 jaar; Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt; Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid. Beheerpakket L01.12.01 Griendje L01.13 Bomenrij en solitaire boom Algemene beschrijving Bomenrijen komen in heel Nederland voor en zijn vaak zeer bepalende elementen in het landschap, met een grote verscheidenheid aan vormen. Op de zandgronden komen bomenrijen voor langs perceelsgrenzen en langs paden. In het zeekleigebied zijn bomenrijen vaak terug te vinden op de slapende dijken. Ze kunnen bestaan uit één of meerdere boomsoorten, vrij in het veld staan of langs een watergang, schouwpad, weg of anderszins. In deze vorm hebben bomenrijen niet alleen een landschappelijke waarde maar ook waarde als broedgebied voor vogels, of als ecologische corridor, bijvoorbeeld voor vleermuizen. Solitaire bomen zijn eveneens zeer kenmerkend voor het landschap, en vanuit die optiek waardevol om te behouden. Afbakening Een bomenrij/solitaire boom is een vrijliggend landschapselement van inheemse loofbomen dat niet kan worden gerangschikt onder andere beheertypes van deze index. Bedoeld worden solitaire bomen of bomen in een groep of rij staande op of langs landbouwgrond. Bomen die een onderdeel vormen van een ander beheertype van deze index of deel uitmaken van een bomenrij als bedoeld in dit beheertype kunnen niet als solitaire boom of verzameling van solitaire bomen aangevraagd worden. De bomenrij is minimaal 50 meter lang en bestaat uit minimaal 8 bomen per 100 meter. Vlakvormige boomweides behoren niet tot dit beheertype. Solitaire knotbomen of een rij knotbomen behoren tot het beheertype L01.08 Knotboom. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype Subsidieverplichtingen Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen De bomen worden periodiek gesnoeid. Jonge bomen gemiddeld eenmaal per 5 jaar en oudere bomen gemiddeld eenmaal per 10 jaar. Bij oudere bomen kan het snoeien zich beperken tot het verwijderen van dood hout; Na het snoeien beslaat de blijvende kroon altijd minimaal tweederde deel van de totale lengte van de boom; Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van het element; Ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) in het element mogen middels een stobbenbehandeling bestreden worden; De bomen mogen niet beschadigd worden door vee. Jonge bomen in een weiland (boomdijk) zijn voorzien van een boomkorf of zijn uitgerasterd; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart. Beheerpakketten L01.13.01 Bomenrij en solitaire boom De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit meerdere bomen bestaat wordt het element als geheel in een van d

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.