Obsah (5)
Artikel 1Artikel 2Artikel 3Artikel 4Artikel 5Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1
.1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond; gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; openbaar water: ieder water dat al dan niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk is; rechthebbende: de rechthebbende krachtens burgerlijk recht met inbegrip van degene die feitelijke macht uitoefent over een zaak; reclame: het in het openbaar aanprijzen van of de aandacht vestigen op diensten, goederen, activiteiten of namen met het doel een commercieel belang te dienen. stadsdeel: één van de delen van de gemeente Amsterdam zoals bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de stadsdelen; vaartuig:elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water, alsmede drijvende werktuigen zoals kranen, werkeilanden, baggermolens, pontons en ander materieel van soortgelijke aard; voertuig: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, wagens,aanhangwagens en opleggers, met uitzondering van trams en treinen en met uitzondering van kinderwagens, kruiwagens en dergelijke kleine voertuigen; de voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten, alsmede de -al dan niet met enige beperking- voor publiek toegankelijke parkeerterreinen en parkeergebouwen; -al dan niet met enige beperking- voor publiek toegankelijke stegen, pleinen, open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten, veerponten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; voor publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor publiek toegankelijke -al dan niet afsluitbare- stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht is bevoegd zijn afgesloten; zaak: ieder voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object. Paragraaf 2 Algemene bepalingen over vergunningen en ontheffingen Artikel 1.2 Aanvraag Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruik gemaakt van een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld aanvraagformulier. Artikel 1.3 Behandeling van een aanvraag Voor het in behandeling nemen van een aanvraag zijn leges verschuldigd als bedoeld in de vigerende Legesverordening. Artikel 1.4 Beslistermijn
- Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag binnen acht weken na de dag van ontvangst daarvan.
- Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Artikel 1.5 Algemene weigeringsgronden
- Het bevoegde bestuursorgaan kan een vergunning of ontheffing weigeren ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of de ontheffing is vereist.
- Het bevoegde bestuursorgaan kan een vergunning of ontheffing weigeren als aannemelijk is dat de feitelijke toestand niet in overeenstemming zal zijn met hetgeen in de aanvraag is vermeld. Artikel 1.6 Voorschriften en beperkingen
- Het bevoegde bestuursorgaan kan aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of de ontheffing is vereist.
- Het is de houder van een vergunning of een ontheffing verboden om te handelen in strijd met de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen. Artikel 1.7 Algemene gronden voor wijziging of intrekking Het bevoegde bestuursorgaan kan een vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken als: ter verkrijging van de vergunning of ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. dit vanwege veranderde wetgeving of gewijzigde omstandigheden of inzichten noodzakelijk is in het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of de ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nagekomen; d. de houder geen gebruik maakt van de vergunning of ontheffing binnen de daarin genoemde termijn of bij ontbreken daarvan binnen een redelijke termijn; e. de houder of diens rechtsopvolger hierom vraagt; f. dit noodzakelijk is ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of de ontheffing is vereist of g. de vergunning of ontheffing is gegeven in strijd met een wettelijk voorschrift. Artikel 1.8 Toonplicht De houder van een vergunning of een ontheffing geeft deze op eerste vordering van een toezichthouder of opsporingsambtenaar ter inzage af. Artikel 1.9 Overdraagbaarheid De vergunning of ontheffing is niet overdraagbaar. Paragraaf 3 Overige verplichtingen Artikel 1.10 Schriftelijke mededeling Als bij of krachtens deze verordening van een voornemen of een handeling mededeling moet worden gedaan gebeurt dat schriftelijk. Hoofdstuk 2 Orde en veiligheid
Artikel 2
.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk dan wel in de aangegeven artikelen wordt verstaan onder: evenement als bedoeld in de artikelen 2.40 tot en met 2.46: het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg of het openbaar water met een openbaar dan wel besloten karakter, met uitzondering van: een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties; b. een optocht als bedoeld in artikel 2.34; c. een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.37; d. markten als bedoeld in de Verordening op de straathandel; evenemententerrein: de ruimte die in de evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daar naar te kijken of er aan deel te nemen; harddrugs: de middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet en de daarbijbehorende lijst; samenscholing: het groepsgewijs bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen, kwade bedoelingen hebben of bedreigend overkomen; handelaar als bedoeld in de artikelen 2.28 tot en met 2.30: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; ongeregelde zaken: zaken die wegens hun aard of uitvoering, hun herkomst of de staat waarin zij verkeren, niet tot de algemeen gangbare zaken kunnen worden gerekend; verkoopregister: het register dat bestemd is voor het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde zaken door de handelaar. Paragraaf 2 Openbare orde, overlast en veiligheid Artikel 2.2 Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en samenkomsten
- Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing of in groepsverband dan wel afzonderlijk onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.
- Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig een zaak bij zich te hebben waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de orde te verstoren dan wel schade aan zaken of letsel aan personen toe te brengen.
- Degene die op of aan de weg bij een gebeurtenis die tot toeloop van publiek aanleiding geeft of bij enig voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan aanwezig is dan wel zich in de richting van die gebeurtenis of dat voorval begeeft, vervolgt op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg in de aangegeven richting.
- De verboden gelden niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2.3 Plaatsen van zaken bij samenkomsten Het is verboden bij openbare samenkomsten en vermakelijkheden op door de burgemeester aangewezen tijden en plaatsen zaken op of aan de weg te plaatsen of te hebben. Artikel 2.4 Betreden van afzettingen Het is verboden zich te begeven op terreinen, wegen of weggedeelten die door het bevoegde bestuursorgaan zijn afgezet vanwege de openbare orde of veiligheid, de verkeersveiligheid of een ander algemeen belang. Artikel 2.5 Messen en steekwapens
- Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben.
- Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt mits deze zaken zodanig zijn ingepakt dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik. Artikel 2.6 Aanwijzing veiligheidsrisicogebied De burgemeester kan bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, wegen en daaraan gelegen voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2.7 Openlijk gebruik en handel
- Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig harddrugs te gebruiken of voor dat gebruik één of meer hulpmiddelen openlijk voorhanden te hebben.
- Het is verboden zich op of aan de weg op te houden als aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden.
- De verboden gelden niet voor middelen of activiteiten die van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd in het belang van de volksgezondheid, in het bijzonder de preventie of de bestrijding van drugsverslaving, of de hulpverlening aan verslaafden. Artikel 2.8 Aanwijzing overlastgebied
- De burgemeester kan een gebied aanwijzen als overlastgebied als daar naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde.
- Het is verboden zich in een overlastgebied op te houden in een groep van meer dan vier personen als dit leidt tot verstoring van de openbare orde.
- De burgemeester trekt de aanwijzing in zodra de openbare orde in het overlastgebied naar zijn oordeel voldoende is hersteld. Artikel 2.9 Verblijfsverbod
- Degene die in een op grond van artikel 2.8, eerste lid, aangewezen overlastgebied: artikel 2.2, eerste lid; b. artikel 2.5, eerste lid; c. artikel 2.7, eerste of tweede lid; d. artikel 2.8, tweede lid; e. artikel 2.12, eerste lid; f. artikel 2.18, eerste lid g. artikel 2.21 overtreedt of h. harddrugs koopt, verkoopt of openlijk voorhanden heeft; i. geweldsdelicten pleegt of diefstallen uit auto’s op of aan de weg pleegt of j. openlijk wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft, is verplicht zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van 24 uur niet meer te bevinden, wanneer de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.
- De verplichting om zich onmiddellijk uit een overlastgebied te verwijderen en zich daar niet meer te bevinden geldt, wanneer de burgemeester een daartoe strekkend bevel heeft gegeven: voor de duur van 14 dagen, als aan de betrokkene voor dat overlastgebied binnen een periode van zes maanden drie maal een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven; b. voor de duur van een maand, als de betrokkene in dat overlastgebied binnen een jaar nadat hem een bevel als bedoeld in onderdeel a is gegeven, opnieuw een van de in het eerste lid genoemde gedragingen pleegt; c. voor de duur van drie maanden, als de betrokkene in dat overlastgebied binnen een jaar nadat hem een bevel als bedoeld in onderdeel b is gegeven, opnieuw een van de in het eerste lid genoemde gedragingen pleegt; d. voor de duur van drie maanden, als de betrokkene in dat overlastgebied binnen een jaar nadat hem een bevel als bedoeld in onderdeel c is gegeven, opnieuw een van de in het eerste lid genoemde gedragingen pleegt. Artikel 2.10 Sluiting gebouw
- De burgemeester kan de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar: is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; b. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; c. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; d. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of e. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
- De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.
- De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.
- De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.
- Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen.
- Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden.
- Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf. Artikel 2.11 Sluiting verkoopinrichting
- De burgemeester kan in het belang van de openbare orde voor ten hoogste vier weken de sluiting bevelen van een verkoopinrichting van waaruit voorwerpen worden verkocht die als hulpmiddel dienen voor het gebruik van of de handel in harddrugs.
- Het eerste lid is niet van toepassing op voorzieningen waar met toestemming van de overheid in het kader van de drugshulpverlening of de bestrijding van aids hulpmiddelen voor het gebruik van harddrugs worden verkocht of verstrekt. Artikel 2.12 Werven van klanten voor prostitutie
- Het is verboden zich op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw op te houden met het kennelijke doel om klanten te werven voor prostitutie.
- Het is verboden vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw klanten die zich op of aan de weg bevinden te werven voor prostitutie.
- Het verbod van het tweede lid is niet van toepassing op een prostituee die werkzaam is in een raamprostitutiebedrijf waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid.
- Het is een prostituee verboden een passant hinderlijk te bejegenen of zich aan de passant op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam, in de toegang tot het raamprostitutiebedrijf, of op de weg op te houden. Artikel 2.13 Verbodsbepalingen prostituanten
- Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw gebruik te maken van de diensten van een prostituee dan wel op enigerlei wijze in te gaan op voorstellen, in welke vorm dan ook, om van die diensten gebruik te maken.
- Onder ingaan op voorstellen als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het laten instappen of meerijden van een prostituee in of op een voertuig.
- Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet in een prostitutiebedrijf waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid. Artikel 2.14 Aanwijzing tippelzone
- De artikelen 2.12 eerste lid en 2.13 eerste lid zijn niet van toepassing op door het college aangewezen wegen gedurende de daarbij vastgestelde tijden.
- Het college kan bepalen dat niet meer dan een door hem vastgesteld aantal prostituees tegelijkertijd op de ingevolge het eerste lid aangewezen wegen werkzaam mag zijn.
- De uitzondering van het eerste lid geldt niet voor prostituees die minderjarig zijn of die in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde prostitutie bedrijven. Artikel 2.15 Handhaving tippelzone
- Een ambtenaar van politie kan een persoon die zich op de krachtens artikel 2.14 eerste lid, aangewezen wegen bevindt, in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersvrijheid of de verkeersveiligheid, de gezondheid of de zedelijkheid bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen.
- De burgemeester kan met het oog op de in het eerste lid bedoelde belangen een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven, verbieden om zich gedurende een termijn van maximaal drie maanden te bevinden op de krachtens artikel 2.14, eerste lid aangewezen wegen.
- De burgemeester kan het in het tweede lid bedoelde verbod beperken als dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene naar zijn oordeel noodzakelijk is.
- Het is verboden te handelen in strijd met een bevel als bedoeld in het eerste of tweede lid. Artikel 2.16 Ondersteuning prostitutie tippelzone
- Het is verboden op of aan de krachtens artikel 2.14, eerste lid aangewezen wegen de op prostitutie gerichte activiteiten te ondersteunen.
- Onder ondersteunen wordt in ieder geval verstaan het aan een prostituee aanbieden of overhandigen van geld, alcoholhoudende drank of middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of het in ontvangst nemen van geld van de prostituee. Paragraaf 3 Hinderlijk gedrag Artikel 2.17 Hinderlijk gebruik van drank of softdrugs
- Het is verboden op of aan de weg, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.
- Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten alcoholhoudende drank te nuttigen of bij zich te hebben in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke.
- Het in het tweede lid bedoelde verbod geldt niet op een terras als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid onder t
- De burgemeester kan plaatsen en tijden aanwijzen waarop het in het tweede lid bedoelde verbod niet geldt.
- Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben.
- In dit artikel wordt verstaan onder softdrugs: de middelen, bedoeld in lijst II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet. Artikel 2.18 Hinderlijk gedrag in of bij gebouwen
- Het is anderen dan de bewoners of gebruikers van een gebouw of vaartuig verboden: zonder redelijk doel tegen een deur, raam of vensterbank te leunen of zich anderszins hinderlijk op te houden in de onmiddellijke omgeving van dat gebouw of vaartuig; b. zonder redelijk doel of op voor anderen kennelijk hinderlijke wijze zich op te houden in de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimten van dat gebouw.
- Het is verboden zonder redelijk doel of op voor anderen kennelijk hinderlijke wijze zich op te houden in of bij een portiek, een portaal, een telefooncel, een parkeergarage of een soortgelijke, voor publiek toegankelijke ruimte dan wel deze ruimte te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij is bestemd. Artikel 2.19 Spelen om geld op de weg
- Het is verboden op of aan de weg met kaarten, geld, dobbelstenen of andere voorwerpen om geld te spelen of deze activiteiten te ondersteunen.
- Degene die het verbod binnen een jaar twee keer overtreedt is verplicht zich onmiddellijk van de door de burgemeester aangewezen wegen te verwijderen en zich daar niet meer te bevinden wanneer de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.
- Het bevel bevat het tijdvak waarvoor dit geldt met een maximum van twee weken. Artikel 2.20 Slapen op of aan de weg
- Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg of het openbaar water een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
- Het verbod geldt niet voor een woonboot als bedoeld in de Verordening op de haven en het binnenwater. Artikel 2.21 Bedelarij Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen. Artikel 2.22 Openbare fietsverkoop
- Het is verboden op of aan de weg fietsen of onderdelen van fietsen te koop aan te bieden, te verkopen of te kopen.
- Het verbod geldt niet voor bedrijfsmatige handel in fietsen.
- De burgemeester kan wegen en tijden aanwijzen waarop het verbod niet geldt. Artikel 2.23 Veerponten
- Het is verboden gebruik te maken van veerponten en daarop aanwezige voorzieningen en installaties op zodanige wijze dat de orde, de rust, de veiligheid of een goede bedrijfsgang wordt of kan worden verstoord.
- Het verbod geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door of krachtens de Wet personenvervoer
- Paragraaf 4 Preventie Artikel 2.24 Cameratoezicht
- De burgemeester kan besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als dat naar zijn oordeel noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde.
- De burgemeester wijst de openbare plaats of plaatsen aan waar het cameratoezicht wordt uitgeoefend. Artikel 2.25 Bescherming van de privacy
- Het is verboden bewakingsapparatuur te gebruiken wanneer daarmee personen kunnen worden waargenomen in een ander gebouw, vaartuig of besloten erf dan waar de bewakingsapparatuur staat opgesteld.
- Het is verboden zich op of aan de weg op te houden met de kennelijke bedoeling personen die zich op of aan de weg of in een gebouw of vaartuig bevinden te bespieden. Artikel 2.26 Nachtregister
- In dit artikel wordt verstaan onder inrichting: elke ruimte waarin bij wijze van uitoefening van beroep of bedrijf aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt gegeven.
- Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie daarvan staakt, doet hiervan zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen veertien dagen, mededeling aan de burgemeester.
- De exploitant van een inrichting houdt een register bij als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, volgens een door de burgemeester vastgesteld model.
- Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt alsmede de kampeerder doet onmiddellijk bij aankomst aan de exploitant volledig en naar waarheid opgave van zijn naam, adres, woonplaats, nationaliteit, geboortedatum, geboorteplaats, beroep of betrekking, dag van aankomst en dag van vertrek. Artikel 2.27 Vervoer inbrekerswerktuigen
- Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg een werktuig, gereedschap of andere zaak te vervoeren of bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
- Het is verboden op de weg in de nabijheid van een winkel een tas of een andere zaak te vervoeren of bij zich te hebben, die er kennelijk toe dient om het plegen van diefstal uit winkels te vergemakkelijken.
- De verboden gelden niet als aanstonds aannemelijk is dat de in het eerste en tweede lid bedoelde zaken niet bestemd zijn voor de daar bedoelde handelingen. Artikel 2.28 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
- De handelaar houdt van alle gebruikte of ongeregelde zaken die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, aantekening in een doorlopend verkoopregister, volgens een door de burgemeester vastgesteld model.
- In het verkoopregister vermeldt hij onmiddellijk na de verkoop of overdracht: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot de zaak; b. de datum van de verkoop of overdracht van de zaak; c. een omschrijving van de zaak, daaronder begrepen - voor zover mogelijk - de soort, het merk en het nummer van de zaak; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van de zaak en e. de naam en het adres van degene die de zaak heeft verkregen. Artikel 2.29 Verplichtingen van de handelaar
- De handelaar die overeenkomstig artikel 437ter, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht aan de burgemeester of een door de burgemeester aangewezen ambtenaar mededeling doet dat hij van het opkopen zijn beroep of gewoonte maakt, doet tevens mededeling van zijn woonadres en het adres van elke ruimte die hij voor de uitoefening van zijn onderneming gebruikt en levert een pasfoto van zichzelf in.
- De handelaar doet aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaar zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen veertien dagen mededeling van een verandering in zijn woonadres of het adres van een ruimte die hij voor de uitoefening van zijn onderneming gebruikt.
- De handelaar heeft aan de hoofdingang van de ruimte waar zijn onderneming is gevestigd een kenteken waarop de naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn aangebracht.
- De handelaar die een zaak kan verwerven waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, stelt hiervan onmiddellijk de in het eerste lid bedoelde ambtenaar of de chef van het dichtstbijzijnde wijkteam van de politie in kennis.
- De handelaar die ophoudt van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, doet hiervan aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaar hiervan zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen veertien dagen mededeling. Artikel 2.30 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
- Het is de handelaar en een voor hem handelend persoon verboden een door opkoop verworven zaak gedurende de eerste drie dagen dat die onder hem is, over te dragen of daaraan een wijziging aan te brengen, behalve als deze wijziging geen invloed heeft op de herkenbaarheid van de zaak.
- De burgemeester kan ten aanzien van een door hem aangewezen handelaar of een voor hem handelend persoon voor de duur van uiterlijk één jaar de in het eerste lid bedoelde termijn tot maximaal veertien dagen verlengen. Artikel 2.31 Handel in horecabedrijven
- Het is de exploitant en de leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2 verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf een zaak verwerft, overdraagt of daartoe voorhanden heeft.
- Het verbod geldt niet als in het horecabedrijf een openbare verkoping of een veiling plaatsvindt. Paragraaf 5 Manifestaties, optochten, voetbalwedstrijden en evenementen Artikel 2.32 Openbare manifestaties
- In dit artikel wordt verstaan onder openbare plaats: een plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.
- De organisator van een betoging, vergadering of samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op een openbare plaats stelt ten minste 24 uur vóór de aanvang de burgemeester schriftelijk in kennis van het houden daarvan.
- Het tweede lid geldt niet als sprake is van een openbare manifestatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de Wet openbare manifestaties.
- Als de organisator wegens bijzondere omstandigheden niet in staat is te voldoen aan de in het tweede lid genoemde termijn stelt hij de burgemeester zo spoedig mogelijk mondeling in kennis van het houden van de manifestatie.
- Als zich naar het oordeel van de burgemeester geen bijzondere omstandigheden voordoen is de kennisgeving als bedoeld in het vierde lid in strijd met het tweede lid.
- De zaterdag, de zondag of een algemeen erkende feestdag in de zin van artikel 3 van de Algemene termijnenwet worden niet meegerekend bij de bepaling van de in het tweede lid bedoelde termijn. Artikel 2.33 Kennisgeving manifestatie
- Bij de kennisgeving wordt gebruik gemaakt van een door de burgemeester vastgesteld formulier waarop in ieder geval opgave wordt gedaan van: de naam, het adres en het telefoonnummer van de organisator; b. de datum en de route; c. de aard van de openbare manifestatie; d. de plaats en het tijdstip van het begin en het einde van de manifestatie; e. het verwachte aantal deelnemers en f. de door de organisator te nemen maatregelen om een ordelijk verloop van de manifestatie te waarborgen.
- De organisator ontvangt een bewijs van de kennisgeving en van het tijdstip waarop deze is gedaan. Artikel 2.34 Kennisgeving optocht
- De organisator van een optocht, niet zijnde een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties, stelt ten minste drie weken vóór de aanvang van de optocht de burgemeester van het houden daarvan in kennis.
- Artikel 2.33, eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
- De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten. Artikel 2.35 Voorschriften optocht De burgemeester kan voorschriften geven in het belang van de afwikkeling van het verkeer, de veiligheid van personen en zaken, het voorkomen van hinder voor anderen dan de deelnemers aan de optocht en het voorkomen van strafbare feiten. Artikel 2.36 Verboden optocht
- De burgemeester kan de optocht verbieden als naar zijn oordeel onevenredige aantasting van de in artikel 2.35 genoemde belangen niet kan worden voorkomen.
- Het is verboden een optocht te houden, te leiden of daaraan deel te nemen als: de kennisgeving niet is gedaan overeenkomstig artikel 2.34, eerste en tweede lid; b. wordt afgeweken van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens; c. in strijd wordt gehandeld met de door de burgemeester gegeven voorschriften of d. de burgemeester de optocht heeft verboden. Artikel 2.37 Kennisgeving voetbalwedstrijden
- De organisator van een voetbalwedstrijd in het betaald voetbal stelt tenminste vier weken vóór de speeldatum de burgemeester in kennis van het houden van de wedstrijd.
- Als de organisator, gelet op het tijdstip waarop de speeldatum wordt vastgesteld, niet in staat is te voldoen aan de in het eerste lid genoemde termijn, stelt hij de burgemeester van het houden van de wedstrijd in kennis onmiddellijk nadat de speeldatum is vastgesteld, maar niet later dan één week voordat de wedstrijd wordt gehouden.
- Bij de kennisgeving wordt gebruik gemaakt van een door de burgemeester vastgesteld formulier waarop in ieder geval opgave wordt gedaan van: de plaats waar en het tijdstip waarop de wedstrijd wordt gehouden; b. het verwachte aantal toeschouwers en c. de mogelijkerwijs te verwachten wanordelijkheden en de maatregelen die de organisator neemt om deze te voorkomen. Artikel 2.38 Voorschriften voetbalwedstrijd De burgemeester kan voorschriften geven in het belang van de openbare orde en veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en het voorkomen van ernstige hinder voor de toeschouwers en andere personen. Artikel 2.39 Verboden voetbalwedstrijd
- De burgemeester kan de wedstrijd verbieden als naar zijn oordeel onevenredige aantasting van de in artikel 2.38 genoemde belangen niet kan worden voorkomen.
- Het is verboden een voetbalwedstrijd te houden als: de kennisgeving niet is gedaan overeenkomstig artikel 2.37, eerste tot en met derde lid; b. wordt afgeweken van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens; c. in strijd wordt gehandeld met de door de burgemeester gegeven voorschriften of d. de burgemeester de wedstrijd heeft verboden. Artikel 2.40 Vergunningplicht evenement
- Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te houden.
- De aanvraag voor een vergunning wordt ingediend uiterlijk acht weken voor de datum van aanvang van het evenement.
- De burgemeester kan in verband met de voorbereidingstijd van het evenement van deze termijn afwijken of voor bijzondere, periodiek terugkerende evenementen afzonderlijk bepalen op welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend. Artikel 2.41 Uitzondering vergunningplicht voor eendaagse evenementen
- Artikel 2.40, eerste lid geldt niet voor eendaagse evenementen mits: het aantal bezoekers op enig moment niet meer bedraagt dan 100 personen; b. het evenement wordt gehouden tussen 09.00 en 23.00 uur; c. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer of het scheepvaartverkeer; d. het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden; e. ten hoogste twee kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object; f. op de weg geen alcoholhoudende drank bedrijfsmatig wordt verstrekt en geen etenswaren of andere goederen te koop worden aangeboden;g. het evenement geen commercieel karakter heeft en h. sprake is van een aanwijsbare organisator.
- De organisator van het evenement als bedoeld in het eerste lid stelt de burgemeester tenminste twee weken voorafgaand aan het evenement van het houden daarvan in kennis. Hij maakt hierbij gebruik van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
- In afwijking van het tweede lid geldt voor een evenement op het openbaar water een termijn van tenminste zes weken.
- De burgemeester kan voorschriften stellen met het oog op een ordelijk en veilig verloop van een evenement als bedoeld in het eerste lid en met het oog op het voorkomen van hinder voor derden.
- De burgemeester kan het evenement verbieden in het belang van de openbare orde, de gezondheid of de veiligheid, in geval van uitvoering van werkzaamheden in de openbare ruimte en in verband met de overige belangen die worden genoemd in artikel 2.
- De burgemeester kan gebieden en periodes aanwijzen waarvoor beperkingen worden gesteld aan het aantal te houden evenementen.
- Het is verboden een evenement te houden of hieraan deel te nemen als: geen kennisgeving is gedaan overeenkomstig het tweede lid; b. wordt afgeweken van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens; c. in strijd wordt gehandeld met de door de burgemeester gegeven voorschriften zoals bedoeld in het vierde lid; d. het evenement in strijd is met een aanwijzing door de burgemeester op grond van het zesde lid of e. de burgemeester het evenement heeft verboden. Artikel 2.42 Uitzondering vergunningplicht op aangewezen plaatsen
- De burgemeester kan plaatsen aanwijzen waarvoor het in artikel 2.40, eerste lid genoemde verbod niet geldt.
- Op een aangewezen plaats is artikel 2.41 van overeenkomstige toepassing met uitzondering van het eerste en derde lid. Artikel 2.43 Bijzondere weigeringsgronden De burgemeester kan de vergunning weigeren als naar zijn oordeel: het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de veiligheid, de brandveiligheid of voor het ontstaan van wanordelijkheden; b. een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is; c. het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de plaats op waar het wordt gehouden; d. het evenement een onevenredig groot beslag legt op de beschikbare ruimte of tijd dan wel de inzet van hulpdiensten; e. het evenement een belemmering vormt voor het verkeer of het scheepvaartverkeer; f. van het evenement een onevenredige belasting voor het woon- of leefklimaat in de omgeving te verwachten is; g. het evenement verontreiniging tot gevolg heeft, afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de omgeving dan wel schade toebrengt aan groenvoorzieningen of voorzieningen van openbaar nut; h. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement, gelet op de hiervoor genoemde belangen of i. de organisator onvoldoende waarborgen biedt om schade aan het milieu als gevolg van het evenement te voorkomen of te beperken. Artikel 2.44 Vergunningvoorschriften
- De burgemeester kan aan de vergunning bedoeld in artikel 2.40, eerste lid voorschriften en beperkingen verbinden ter bescherming van de in artikel 2.43 genoemde belangen.
- De burgemeester kan in het belang van de naleving van deze voorschriften bepalen dat een borgsom wordt betaald voordat het evenement wordt gehouden.
- De burgemeester kan de organisator of degene die feitelijk leiding geeft aan het evenement bevelen maatregelen te nemen ter bescherming van de in artikel 2.43 genoemde belangen, dan wel hem bevelen het evenement onmiddellijk te beëindigen.
- Het is verboden te handelen in strijd met een bevel als bedoeld in het derde lid. Artikel 2.45 Samenloop
- Voor het verrichten van activiteiten op het evenemententerrein die op grond van een gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, is geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten in de evenementenvergunning van de organisator zijn vermeld.
- Het is aan anderen dan de vergunninghouder verboden de in het eerste lid bedoelde activiteiten te verrichten, tenzij zij zich bij overeenkomst jegens hem hebben verplicht de aan zijn evenementenvergunning verbonden voorschriften en beperkingen na te leven. Artikel 2.46 Behoud privaatrechtelijke bevoegdheden De voorgaande artikelen laten onverlet de bevoegdheid van de gemeente om voor het gebruik van gemeentegrond of openbaar water als evenemententerrein een overeenkomst te sluiten. Hierin kunnen bedingen zijn opgenomen die zien op de in art. 2.43 genoemde belangen. Artikel 2.47 Evenementen in gebouwen
- Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in een gebouw of vaartuig een voor publiek toegankelijk evenement te houden of te laten houden.
- Het verbod geldt niet voor: manifestaties in de zin van de Wet openbare manifestaties; b. bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover deze worden gehouden in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt; c. sportwedstrijden en d. activiteiten in horecabedrijven die in de uitoefening van het bedrijf gebruikelijk zijn.
- Artikel 2.43 is van overeenkomstige toepassing.
- De burgemeester kan categorieën van voor het publiek toegankelijke evenementen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid genoemde verbod niet geldt. Artikel 2.48 Verbod ordeverstorend gedrag Het is verboden de openbare orde te verstoren bij een evenement, een optocht, of een voetbalwedstrijd als bedoeld in dit hoofdstuk. Paragraaf 6 Uitoefenen beroep op de weg Artikel 2.49 Straatartiest en muziek
- Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen en tijden op of aan de weg als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.
- Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester op andere dan krachtens het eerste lid aangewezen wegen en tijden als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.
- Het tweede lid geldt niet als: met ten hoogste zes personen wordt opgetreden; b. geen draaiorgels, geluidversterkende apparatuur of slaginstrumenten, zoals trommels, bongo's en dergelijke worden gebruikt; c. het optreden niet langer duurt dan een half uur en d. het optreden niet plaatsvindt tussen 23.00 uur en 9.00 uur.
- Artikel 2.43 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.50 Diensten op of aan de weg
- Het is verboden op of aan de weg of het openbaar water tegen betaling diensten aan te bieden of te verlenen voor een werkzaamheid, zoals schoenpoetser, gids, portrettist, fotograaf, bewaker van voertuigen of andere zaken, reiniger van auto's of b. het werven van klanten voor bedrijven zoals rondvaartrederijen, hotels, horeca-bedrijven en prostitutiebedrijven.
- Het is verboden op of aan de weg of het openbaar water plaatsbewijzen voor een evenement te koop aan te bieden of daartoe in voorraad te hebben behalve in de daarvoor bestemde en bij het evenement behorende ruimte.
- Het is verboden op door het college aangewezen wegen zich op of aan de weg op te houden met het kennelijke doel anderen te bewegen een abonnement te nemen op een krant, blad of andere publicatie, een steunverklaring te geven, om lid of donateur te worden van een organisatie of om deel te nemen aan een onderzoek of enquête.
- Het college kan van deze verboden ontheffing verlenen. Artikel 2.51 Personenvervoer
- Het is verboden zonder vergunning van het college als ondernemer met een voertuig tegen betaling personenvervoer aan te bieden.
- Het verbod geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet personenvervoer.
- Het college kan de vergunning weigeren of intrekken als het vervoer: gevaar oplevert voor de veiligheid van de passagiers, de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer; b. hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat; c. een nadelige invloed heeft op het milieu; d. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte of e. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien daarvan.
- Het is verboden om personenvervoer als bedoeld in het eerste lid aan te bieden op door het college aangewezen wegen. Artikel 2.52 Inzamelingen van geld of zaken
- Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of zaken te houden of daarvoor een intekenlijst aan te bieden.
- Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of zaken bij het aanbieden van diensten of zaken, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
- Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring wordt gehouden.
- Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het verbod ten behoeve van inzamelingen die worden gehouden door daarbij aangewezen instellingen. Artikel 2.53 Beperking aanbieden van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
- Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder het publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.
- Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
- Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. Hoofdstuk 3 Exploitatie van bedrijven
Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen 1.
Algemene begripsomschrijvingen. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. bedrijf: horecabedrijven, prostitutiebedrijven, escortbedrijven, seksinrichtingen, sekswinkels en speelgelegenheden; b. bezoekers van een bedrijf: degenen die niet zijn: de leden van het gezin of de huishouding van de exploitant alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen van wie de aanwezigheid in het bedrijf wegens dringende reden noodzakelijk is; c. exploitant: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd; d. leidinggevende: de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een bedrijf alsmede de bestuurder van de rechtspersoon voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd. Artikel 3.1.2 Bijzondere begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. alcoholverstrekkend bedrijf: een horecabedrijf waar alcoholhoudende drank voor directe consumptie wordt verstrekt; b. alcoholvrij bedrijf: een horecabedrijf waar alcoholvrije drank of eetwaren voor directe consumptie worden verstrekt; c. avondzaak: een alcoholverstrekkend horecabedrijf waarvoor de openingstijden gelden zoals vermeld in artikel 3.12 onder b; d. besloten prostitutiebedrijf: een prostitutiebedrijf dat niet is een raamprostitutiebedrijf of een prostitutiehotel; e. dagzaak: een alcoholverstrekkend horecabedrijf waarvoor de openingstijden gelden zoals vermeld in artikel 3.12 onder a; f. escortbedrijf: een ruimte of plek waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is bemiddeld wordt in prostitutie, die op een andere plaats wordt bedreven dan waar de bemiddeling plaatsvindt; g. horecabedrijf: de voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of eetwaren voor directe consumptie worden bereid of verstrekt; tot een horecabedrijf worden ook gerekend een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden; h. nachtzaak: een alcoholverstrekkend horecabedrijf waarvoor de openingstijden gelden zoals vermeld in artikel 3.12 onder c en dat hoofdzakelijk in gebruik of bestemd is voor het bieden van dansgelegenheid; i. prostituee: degene die prostitutie bedrijft; j. prostitutie: het zich beschikbaar stellen om tegen vergoeding seksuele handelingen met een ander te verrichten; k. prostitutiebedrijf: een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, gelegenheid wordt gegeven tot prostitutie; l. prostitutiehotel: een prostitutiebedrijf waar kamers ter beschikking worden gesteld aan prostituees die hun klanten elders hebben geworven; m. raamprostitutiebedrijf: een prostitutiebedrijf waar het werven van klanten gebeurt door prostituees die zichtbaar zijn vanaf de weg; n. seksautomatenhal: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar door middel van één of meer automaten voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven; o. seksbioscoop: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur; p. seksinrichting: een seksautomatenhal, seksbioscoop of sekstheater; q. sekstheater: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar ook anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven; r. sekswinkel: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk zaken van erotisch-pornografische aard aan particulieren worden verkocht of verhuurd; s. serre: een binnen de besloten ruimte van een horecabedrijf liggend deel dat is gelegen op de weg en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt; t. speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen en verloren; u. terras: een buiten de besloten ruimte liggend deel van een horecabedrijf waar zitgelegenheid wordt geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt; v. weekeinde: de nacht van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag. Paragraaf 2 Algemene bepalingen over bedrijven Artikel 3.2 Bevoegde bestuursorgaan Als een bedrijf niet in een voor publiek toegankelijk gebouw is gevestigd, worden de in dit hoofdstuk aan de burgemeester toegekende bevoegdheden uitgeoefend door het college. Artikel 3.3 Algemene weigeringsgrond Het bevoegde bestuursorgaan weigert de vergunning voor een bedrijf als de exploitatie daarvan in strijd is met een bestemmingsplan of een projectbesluit. Artikel 3.4 Toonplicht vergunning De leidinggevende geeft de vergunning op eerste vordering van een toezichthouder of opsporingsambtenaar ter inzage af. Artikel 3.5 Overdraagbaarheid vergunning Een vergunning voor een bedrijf als bedoeld in dit hoofdstuk is gebonden aan het bedrijf waarvoor zij is verleend. Artikel 3.6 Looptijd vergunning Een vergunning vervalt drie jaar na de datum van inwerkingtreding tenzij door de burgemeester een andere looptijd is vastgesteld. Artikel 3.7 Beëindiging exploitatie bedrijf
- Als hij de exploitatie van een bedrijf beëindigt doet de exploitant hiervan binnen twee weken na de beëindiging mededeling aan het bevoegde bestuursorgaan.
- Bij ontvangst van deze mededeling vervalt de vergunning, tenzij hierbij wordt aangegeven dat de exploitatie door een ander wordt voortgezet en een aanvraag voor een nieuwe vergunning binnen vier weken na de mededeling wordt ingediend.
- Behoudens het geval dat zwaarwegende feiten of omstandigheden zich daartegen verzetten, blijft de vergunning in dat geval van kracht, totdat op de aanvraag een besluit is genomen.
- Als de exploitant geen mededeling doet als bedoeld in het eerste of het tweede lid, vervalt de vergunning binnen twee weken na de feitelijke beëindiging van de exploitatie. Paragraaf 3 Horecabedrijven Artikel 3.8 Exploitatie van een horecabedrijf
- Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.
- De burgemeester merkt een alcoholverstrekkend bedrijf in de vergunning aan als een dagzaak, een avondzaak of een nachtzaak.
- De burgemeester kan een alcoholverstrekkend bedrijf dat niet hoofdzakelijk in gebruik of bestemd is voor het bieden van dansgelegenheid aanmerken als nachtzaak.
- Het is verboden vanuit de gevel van een gebouw op of aan de weg of op of aan het openbare water eetwaren en dranken te verkopen. Artikel 3.9 Uitzondering vergunningplicht Artikel 3.8, eerste lid geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten horecabedrijven. Artikel 3.10 Eisen aan de exploitant en de leidinggevende van een alcoholvrij bedrijf
- De exploitant en de leidinggevende: staan niet onder curatele of bewind en b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag.
- De leidinggevende heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Artikel 3.11 Bijzondere weigeringsgronden
- De burgemeester weigert de vergunning als de exploitant of de leidinggevende van een alcoholvrij bedrijf niet voldoet aan de in artikel 3.10 gestelde eisen.
- De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.
- Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen; b. de aard van het horecabedrijf; c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat; d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende. Artikel 3.12 Openingstijden alcoholverstrekkende bedrijven Het is verboden een alcoholverstrekkend bedrijf voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan: a. van 07.00 tot 01.00 uur en in het weekeinde van 07.00 tot 03.00 uur als het bedrijf een dagzaak is; b. van 09.00 tot 03.00 uur en in het weekeinde van 09.00 tot 04.00 uur als het bedrijf een avondzaak is; c. van 09.00 tot 04.00 uur en in het weekeinde van 09.00 tot 05.00 uur als het bedrijf een nachtzaak is. Artikel 3.13 Openingstijden alcoholvrije bedrijven Het is verboden een alcoholvrij bedrijf voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan: a. van 07.00 tot 03.00 uur en in het weekeinde van 07.00 tot 04.00 uur als het bedrijf in het stadsdeel Centrum is gelegen; b. van 07.00 tot 01.00 uur en in het weekeinde van 07.00 tot 03.00 uur als het bedrijf buiten het stadsdeel Centrum is gelegen. Artikel 3.14 Openingstijden terrassen
- Het is verboden een terras voor bezoekers geopend te hebben of daarop bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan in de exploitatievergunning staan aangegeven.
- De burgemeester geeft in de exploitatievergunning voor een terras als tijdstip uiterlijk 01.00 uur en in het weekend uiterlijk 02.00 uur aan. Artikel 3.15 Afwijkende openingstijden
- De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat de openingstijden van het horecabedrijf beperken.
- De burgemeester kan gebieden aanwijzen waarin de in artikel 3.12 respectievelijk artikel 3.13 onder a genoemde openingstijden met een uur respectievelijk twee uur worden verlengd.
- De burgemeester kan als er naar zijn oordeel van bijzondere omstandigheden sprake is de openingstijden verruimen, met dien verstande dat een maximum geldt van vijfmaal per horecabedrijf per jaar. Artikel 3.16 Verplichtingen van de exploitant en de leidinggevende
- De exploitant en de leidinggevende brengen de door de burgemeester vastgestelde openingstijdenkaart zodanig in het bedrijf aan dat deze altijd van buitenaf duidelijk zichtbaar is.
- Het is verboden een alcoholvrij bedrijf voor het publiek geopend te hebben als de exploitant of de leidinggevende die als zodanig op de exploitatievergunning staat vermeld niet in het bedrijf aanwezig is.
- De exploitant en de leidinggevende doen wat nodig is voor een goede gang van zaken in het horecabedrijf en in de directe omgeving daarvan. Artikel 3.17 Terrassen
- Als een vergunningaanvraag tevens betrekking heeft op de exploitatie van één of meer terrassen beslist de burgemeester, voorzover deze terrassen zich op de weg bevinden, ook over de ingebruikneming van de weg ten behoeve van het terras, dit in afwijking van het bepaalde in artikel 4.
- van deze verordening.
- Onverminderd het bepaalde in artikel 3.11, tweede lid kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de weg weigeren als: het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg of c. het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. Artikel 3.18 Verbod terras Het is verboden een terras te exploiteren: a. op of aan wegen die door de burgemeester met het oog op de belangen die zijn genoemd in artikel 3.11, tweede lid zijn aangewezen en b. op of aan wegen die door het college met het oog op de belangen genoemd in artikel 3.17, tweede lid zijn aangewezen. Artikel 3.19 Terrasseizoen
- Het is verboden een terras te exploiteren buiten de periode van 1 maart tot 1 november.
- De burgemeester kan stadsdelen aanwijzen waar dit verbod niet van toepassing is. Artikel 3.20 Verwijdering terras of serre Als naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan verwijdering van een terras of een serre noodzakelijk is, zorgt de exploitant of de leidinggevende onmiddellijk of binnen de daartoe gestelde termijn voor verwijdering. Artikel 3.21 Gebruik terras Het is verboden dranken of eetwaren voor directe consumptie te verstrekken: a. buiten dat deel van de weg dat volgens de vergunning als terras mag worden geëxploiteerd; b. aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras aanwezige zitplaatsen. Artikel 3.22 Voorkomen van ongewenste mededinging
- Voorschriften of beperkingen die uit een oogpunt van ongewenste mededinging worden verbonden aan een vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet bepalen uitsluitend dat: van de vergunning uitsluitend gebruik mag worden gemaakt één uur vóór, tijdens en één uur na de activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard; b. de vergunning niet geldt tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen en c. het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard niet openlijk mag worden aangeprezen.
- Het college kan met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard tot ten hoogste driemaal per kalenderjaar ontheffing verlenen van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onder a en b. Artikel 3.23 Beperking verstrekking alcoholhoudende drank
- Het is verboden sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een bedrijf of een onderdeel daarvan: waar uitsluitend of in hoofdzaak kleine eetwaren worden verkocht; b. dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een jeugdorganisatie of -instelling; c. dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een sportorganisatie of -instelling; d, dat in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoerbedrijf of e. waar onderwijs wordt gegeven.
- De burgemeester kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel 3.24 Bijzondere gronden voor wijziging of intrekking De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als: a. de exploitant of leidinggevende het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde overtreedt; b. aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bij activiteiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid van deze verordening of bij andere activiteiten in of vanuit het horecabedrijf die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf dan wel als naar zijn oordeel de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid onder b, een dergelijk gevaar of een dergelijke bedreiging vormen. Artikel 3.25 Sluiting horecabedrijf De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid en de gezondheid tijdelijk de sluiting van één of meer horecabedrijven bevelen. Artikel 3.26 Verplichtingen van de bezoekers
- Het is de bezoeker van een horecabedrijf verboden zich daarin te bevinden buiten de vastgestelde openingstijden.
- Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. Paragraaf 4 Prostitutie, seksinrichtingen en sekswinkels Paragraaf 4.1 Prostitutiebedrijven Artikel 3.27 Exploitatie van een prostitutiebedrijf
- Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een prostitutiebedrijf te exploiteren.
- Het is verboden een prostitutiehotel te exploiteren. Artikel 3.28 Aanvraag vergunning besloten prostitutiebedrijf
- Bij het indienen van een aanvraag om een vergunning voor een besloten prostitutiebedrijf wordt naast het aanvraagformulier ook een bedrijfsplan overgelegd, waarin in ieder geval staan beschreven: het bedrijfsbeleid ten aanzien van de hygiëne, gezondheid en arbeidsomstandigheden van de prostituees; b. de maatregelen die waarborgen dat de prostituees niet worden gedwongen tot prostitutie, tot prostitutie zonder condoom, tot gebruik van drugs of tot het nuttigen van alcoholhoudende dranken en c. de geneeskundige zorg en voorlichting op het gebied van het voorkomen van beroepsgerelateerde ziektes ten behoeve van de prostituees.
- Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van hetgeen ter bescherming van de in het eerste lid onder a, genoemde belangen in het bedrijfsplan wordt opgenomen.
- Als de exploitant het bedrijfsplan wil wijzigen, doet hij van de wijziging vooraf mededeling aan de burgemeester; de mededeling wordt als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt. Artikel 3.29 Eisen aan de exploitant en de leidinggevende
- De exploitant en de leidinggevende: a. staan niet onder curatele of bewind en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
- Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen onder slecht levensgedrag als bedoeld in het eerste lid onder b wordt verstaan.
- Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot andere dan de in het eerste lid bedoelde eisen aan de exploitant en leidinggevende. Artikel 3.30 Bijzondere weigeringsgronden
- De burgemeester weigert een vergunning als: a. de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.29 gestelde eisen; b. het prostitutiebedrijf niet in een gebouw wordt gevestigd; c. het prostitutiebedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet is verleend; d, een geschiktheidsverklaring als bedoeld in hoofdstuk 6A van de Bouwverordening ontbreekt of e, voor zover het een raamprostitutiebedrijf betreft, dit prostitutiebedrijf is gelegen buiten een door de burgemeester voor deze prostitutiebedrijven aangewezen gebied.
- De burgemeester kan een vergunning weigeren als: naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het prostitutiebedrijf of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het prostitutiebedrijf; naar zijn oordeel onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant of de leidinggevende de in artikel 3.32 bedoelde verplichtingen zal naleven; naar zijn oordeel het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.28 onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de in het besloten prostitutiebedrijf werkzame prostituees of niet voldoet aan de nadere regels als bedoeld in 3.28, tweede lid; d. een eerdere vergunning voor de exploitatie van het prostitutiebedrijf is ingetrokken of het prostitutiebedrijf met toepassing van artikel 2.10 of artikel 3.35 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten of e. in het prostitutiebedrijf een escortbedrijf is gevestigd waarvan een eerdere vergunning is ingetrokken of dat met toepassing van artikel 2.10 of artikel 3.44 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten.
- Bij de toepassing van de in het tweede lid, onder a, genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en de wijk waarin het prostitutiebedrijf is gelegen of zal zijn gelegen; b. de aard van het prostitutiebedrijf en de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse blootstaat en c. met bijzondere gebruiksfuncties in de omgeving van het prostitutiebedrijf die zich niet verdragen met de aanwezigheid van het prostitutiebedrijf. Artikel 3.31 Leidinggevende Als de exploitant niet alleen voor het toezicht in het prostitutiebedrijf zorgt dan wel daarvoor niet of in onvoldoende mate kan zorgen, dan wordt op de vergunning vermeld wie leidinggevende is in het bedrijf. Artikel 3.32 Verplichtingen van de exploitant en de leidinggevende
- De exploitant en de leidinggevende zorgen ervoor dat in het prostitutiebedrijf: a. ten aanzien van prostituees geen strafbare feiten plaatsvinden als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht; b. uitsluitend prostituees werkzaam zijn die in het bezit zijn van een geldige verblijfstitel dan wel voor wie de exploitant beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen en c. klanten niet het slachtoffer kunnen worden van strafbare feiten zoals beroving, diefstal,oplichting of vergelijkbare strafbare feiten.
- De exploitant van een besloten prostitutiebedrijf doet wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.
- De exploitant van een raamprostitutiebedrijf ziet er op toe dat de in zijn prostitutiebedrijf werkzame prostituees geen ernstige overlast voor de omgeving veroorzaken, het bepaalde in artikel 2.12, vierde lid niet overtreden en de openbare orde niet verstoren.
- De exploitant doet onmiddellijk mededeling aan de burgemeester als er een wijziging van leidinggevenden plaatsvindt. Artikel 3.33 Openingstijden prostitutiebedrijf
- De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de veiligheid of ter voorkoming of beperking van overlast de openingstijden van een prostitutiebedrijf beperken.
- Het is verboden om een prostitutiebedrijf voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten buiten de vastgestelde openingstijden.
- Het is de bezoeker van een prostitutiebedrijf verboden zich daarin te bevinden buiten de vastgestelde openingstijden. Artikel 3.34 Bijzondere gronden voor intrekking De burgemeester kan een vergunning voor een prostitutiebedrijf intrekken als: een minderjarige prostituee of een prostituee zonder geldige verblijfstitel wordt aangetroffen; b. het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.28 onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de prostituees of niet voldoet aan de nadere regels als bedoeld in artikel 3.28, tweede lid; c. in het prostitutiebedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de orde of veiligheid in of om het prostitutiebedrijf; d. de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van het prostitutiebedrijf wordt verstoord of benadeeld; e. de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.29 gestelde eisen; f. de exploitant of leidinggevende het in artikel 3.32 en 3.33 bepaalde niet of onvoldoende nakomt; g. in strijd wordt gehandeld met hetgeen de exploitant in het bedrijfsplan heeft opgenomen; h. in strijd wordt gehandeld met door het college gestelde nadere regels als bedoeld in artikel 3.36; i. de exploitant of de leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt of j. in het prostitutiebedrijf een escortbedrijf is gevestigd waarvan de vergunning is ingetrokken dan wel dat met toepassing van artikel 2.10 of artikel 3.44 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten. Artikel 3.35 Sluiting prostitutiebedrijf
- De burgemeester kan de sluiting van een prostitutiebedrijf bevelen als het belang van de bescherming van de prostituees, de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid dat naar zijn oordeel vereist.
- De burgemeester trekt het bevel tot sluiting in als naar zijn oordeel geen van de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting vereist. Artikel 3.36 Nadere regels
- Het college kan voor de verschillende categorieën prostitutiebedrijven nadere regels stellen in het belang van de vrijheid, de veiligheid, de gezondheid of de arbeidsomstandigheden van de prostituees, de volksgezondheid, het voorkomen van strafbare feiten, het voorkomen of beperken van overlast of het voorkomen van aantasting van het woon- en leefklimaat.
- De burgemeester kan van één of meer vereisten van deze nadere regels ontheffing verlenen. Paragraaf 4.2 Escortbedrijven Artikel 3.37 Exploitatie van een escortbedrijf
- Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een escortbedrijf te exploiteren.
- De burgemeester verleent uitsluitend vergunning voor een escortbedrijf dat naar zijn oordeel voldoende aan een vast adres is gebonden. Artikel 3.38 Aanvraag vergunning escortbedrijf
- Bij het indienen van een aanvraag om een vergunning voor een escortbedrijf wordt naast het aanvraagformulier ook een bedrijfsplan overgelegd, waarin in ieder geval staan beschreven: de maatregelen die waarborgen dat de prostituees niet worden gedwongen tot prostitutie, tot prostitutie zonder condoom, tot gebruik van drugs of tot het nuttigen van alcoholhoudende dranken; b. de geneeskundige zorg en voorlichting op het gebied van het voorkomen van beroepsgerelateerde ziektes ten behoeve van de prostituees en c. de maatregelen waarmee de veiligheid van de prostituees wordt gewaarborgd.
- De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van hetgeen in het bedrijfsplan wordt opgenomen.
- Als de exploitant het bedrijfsplan wil wijzigen, doet hij van de wijziging vooraf mededeling aan de burgemeester; de mededeling wordt als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt. Artikel 3.39 Overdraagbaarheid vergunning Een vergunning voor een escortbedrijf is gebonden aan het adres waarvoor zij is verleend. Artikel 3.40 Eisen aan de exploitant en de leidinggevende De exploitant en de leidinggevende: staan niet onder curatele of bewind en zijn niet uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Artikel 3.41 Bijzondere weigeringsgronden
- De burgemeester weigert een vergunning als: het escortbedrijf wordt gevestigd in een voor het publiek toegankelijk gebouw, behalve wanneer het een prostitutiebedrijf betreft en hij daarvoor op grond van artikel 3.27 eerste lid en vergunning heeft verleend; b. het escortbedrijf wordt gevestigd in een prostitutiebedrijf dat met toepassing van artikel 2.10 of artikel 3.35 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten; c. het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet is verleend; d. het escortbedrijf wordt gevestigd in een vaartuig waarvoor de benodigde vergunning ingevolge de Verordening op de haven en het binnenwater niet is verleend of e. de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 3.40 gestelde eisen.
- De burgemeester kan een vergunning weigeren als: naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het escortbedrijf of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het escortbedrijf; naar zijn oordeel onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant of de leidinggevende de in artikel 3.42 bedoelde verplichtingen zal naleven; c. naar zijn oordeel het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.38 onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de prostituees; d. een eerdere vergunning voor de exploitatie van een escortbedrijf of een prostitutiebedrijf is geweigerd of ingetrokken of e. op grond van andere feiten en omstandigheden onvoldoende vaststaat dat het bepaalde in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht niet zal worden overtreden. Artikel 3.42 Verplichtingen van de exploitant en de leidinggevende
- De exploitant van een escortbedrijf doet wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het escortbedrijf.
- De exploitant laat als leidinggevende van het bedrijf optreden degene die als zodanig in de vergunning staat vermeld.
- De exploitant en de leidinggevende zorgen ervoor dat dagelijks een actuele bedrijfsadministratie wordt bijgehouden, dat deze in het escortbedrijf aanwezig is en dat deze op eerste vordering van een toezichthouder of opsporingsambtenaar ter inzage wordt afgegeven.
- De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van hetgeen in de bedrijfsadministratie wordt opgenomen. Artikel 3.43 Bijzondere gronden voor intrekking
- De burgemeester trekt de vergunning voor het escortbedrijf in als: het escortbedrijf is gevestigd in een prostitutiebedrijf waarvan de vergunning op grond van artikel 3.34 is ingetrokken of dat met toepassing van artikel 2.10 of artikel 3.35 van deze verordening dan wel artikel 13b Opiumwet is gesloten; b. in de uitoefening van het escortbedrijf artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is overtreden; c. het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.38 onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de prostituees of d. de exploitant of de leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 3.40 gestelde eisen.
- De burgemeester kan de vergunning voor het escortbedrijf intrekken als: in strijd wordt gehandeld met hetgeen de exploitant in het bedrijfsplan heeft opge-nomen; b. in de uitoefening van het escortbedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de openbare orde of veiligheid; c. bij het escortbedrijf een prostituee zonder geldige verblijfstitel werkzaam is; d. de openbare orde of veiligheid of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van het escortbedrijf wordt verstoord of benadeeld; e. de exploitant of de leidinggevende het in artikel 3.42 bepaalde niet of onvoldoende nakomt; f. het escortbedrijf wordt uitgeoefend vanuit een voor het publiek toegankelijk gebouw dat niet is een prostitutiebedrijf waarvoor op grond van artikel 3.27, eerste lid een vergunning is verleend; g. de exploitant of de leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; h. een andere vergunning voor een escortbedrijf van de exploitant op grond van het eerste of het tweede lid, onderdeel a tot en met g, wordt ingetrokken of i. een andere vergunning voor een escortbedrijf van de exploitant door het bevoegde bestuursorgaan van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon dan de gemeente Amsterdam is ingetrokken. Artikel 3.44 Sluiting escortbedrijf
- De burgemeester kan de sluiting van een escortbedrijf bevelen als het belang van de bescherming van de prostituees, de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid dat naar zijn oordeel vereist, tenzij het escortbedrijf is gevestigd in een woning.
- De burgemeester trekt het bevel tot sluiting in als naar zijn oordeel geen van de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting vereist. Paragraaf 4.3 Seksinrichtingen en sekswinkels Artikel 3.45 Exploitatie van een seksinrichting Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een seksinrichting te exploiteren. Artikel 3.46 Eisen aan de exploitant en de leidinggevende De exploitant en de leidinggevende: staan niet onder curatele of bewind en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Artikel 3.47 Bijzondere weigeringsgronden
- De burgemeester weigert een vergunning voor een seksinrichting als: de vestiging van de seksinrichting geschiedt in een woonruimte waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking is verleend als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet of b. de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 3.46 gestelde eisen.
- De burgemeester kan een vergunning voor een seksinrichting weigeren als: naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting; een eerdere vergunning voor de exploitatie van de seksinrichting is ingetrokken of de seksinrichting met toepassing van artikel 2.10 van deze verordening of artikel 13b van de Opiumwet is gesloten of c. naar zijn oordeel onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant of de leidinggevende het in artikel 3.48 en 3.49 bepaalde zal naleven. Artikel 3.48 Verbod op prostitutie of escort in seksinrichting Het is de exploitant en de leidinggevende van een seksinrichting verboden toe te laten dat in de seksinrichting prostitutie of escort wordt bedreven. Artikel 3.49 Verbod minderjarige of illegale werknemers Het is de exploitant en de leidinggevende van een seksinrichting verboden om in de seksinrichting minderjarige personen werkzaam te laten zijn of personen die niet beschikken over een geldige verblijfstitel dan wel personen voor wie de exploitant niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel 3.50 Bijzondere gronden voor intrekking De burgemeester kan een vergunning voor een seksinrichting intrekken als: in de seksinrichting strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in of om de seksinrichting; b. het woon- en leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting; c. de exploitant of de leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 3.46, onder a of b gestelde eisen of d. de exploitant of de leidinggevende het in artikel 3.48 of 3.49 bepaalde niet of onvoldoende nakomt. Artikel 3.51 Sekswinkels
- Het is de exploitant van een sekswinkel verboden daarin of daarop zaken, opschriften, aankondigingen of gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen, als de burgemeester aan de exploitant heeft meegedeeld dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen de openbare orde of het woon- of leefklimaat in gevaar brengt.
- Het verbod geldt niet voor het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van zaken, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen die dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Paragraaf 5 Speelgelegenheden Artikel 3.52 Exploitatie van een speelgelegenheid Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren. Artikel 3.53 Uitzondering vergunningplicht Artikel 3.52 geldt niet voor: speelcasino’s waarvoor op grond van artikel 27h van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist; b. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30b van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist; c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, waar gelegenheid wordt gegeven te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen of waar gelegenheid wordt gegeven tot de in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen omschreven handeling en d. de door de burgemeester aangewezen categorieën speelgelegenheden. Artikel 3.54 Aanvraag vergunning speelgelegenheid
- Bij een aanvraag om een vergunning wordt naast het aanvraagformulier ook een bedrijfsplan overgelegd, waarin in ieder geval staat beschreven welk spel in de speelgelegenheid wordt beoefend en op welke wijze de bedrijfsactiviteiten worden gefinancierd.
- Als de exploitant het bedrijfsplan wil wijzigen, doet hij van de wijziging vooraf mededeling aan de burgemeester; deze mededeling wordt als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt. Artikel 3.55 Eisen aan de exploitant en de leidinggevende De exploitant en de leidinggevende: staan niet onder curatele of bewind en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Artikel 3.56 Bijzondere weigeringsgronden
- De burgemeester weigert een vergunning als: de speelgelegenheid wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking is verleend als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet; b. de speelgelegenheid niet in een gebouw wordt gevestigd of c. de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 3.55 gestelde eisen.
- De burgemeester kan een vergunning weigeren als: naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de speelgelegenheid; b. een eerdere vergunning voor de exploitatie van de speelgelegenheid is ingetrokken of de speelgelegenheid met toepassing van artikel 2.10 of artikel 3.60 van deze verordening dan wel van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten; c. naar zijn oordeel het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.54 onvoldoende garanties geeft dat het in de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden of d. naar zijn oordeel op grond van andere feiten en omstandigheden onvoldoende aannemelijk is dat het bepaalde in de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden. Artikel 3.57 Verplichtingen van de exploitant en leidinggevende
- De exploitant en de leidinggevende doen wat nodig is voor een goede gang van zaken in de speelgelegenheid en in de directe omgeving daarvan.
- Het is verboden een speelgelegenheid voor het publiek geopend te houden als de exploitant of de leidinggevende die als zodanig op de vergunning staat vermeld niet in de speelgelegenheid aanwezig is. Artikel 3.58 Openingstijden speelgelegenheden
- De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de veiligheid of ter voorkoming of beperking van overlast de openingstijden van een speelgelegenheid beperken.
- Het is verboden om een speelgelegenheid voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten buiten de vastgestelde openingstijden.
- Het is de bezoeker van een speelgelegenheid verboden in de speelgelegenheid aanwezig te zijn buiten de vastgestelde openingstijden. Artikel 3.59 Bijzondere gronden voor intrekking De burgemeester kan de vergunning intrekken als: het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden; b. in de speelgelegenheid strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of de orde in of om de speelgelegenheid; c. het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.54 onvoldoende garanties geeft dat de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden; d. in strijd wordt gehandeld met hetgeen de exploitant in het bedrijfsplan heeft opgenomen; e. de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de speelgelegenheid wordt verstoord of benadeeld; f. de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 3.55, onder a en b gestelde eisen; g. de exploitant of leidinggevende het in artikel 3.57 bepaalde niet of onvoldoende nakomt of h. de exploitant of leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt. Artikel 3.60 Sluiting speelgelegenheid
- De burgemeester kan de sluiting van een speelgelegenheid bevelen als het belang van de openbare orde en veiligheid dat naar zijn oordeel vereist.
- De burgemeester trekt het bevel tot sluiting in als naar zijn oordeel het in het eerste lid genoemde belang voortzetting van de sluiting niet langer vereist Hoofdstuk 4 Gebruik openbare ruimte
Artikel 4
.1 Begripsomschrijvingen In paragraaf 6 wordt verstaan onder: parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen; b. voertuig: voertuig als bedoeld in artikel 1.1.8 met uitzondering van fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen; c. weg: de weg als bedoeld in artikel 1.1.9 onder a. Paragraaf 2 Voorwerpen Artikel 4.2 Vastmaken van voorwerpen
- Het is verboden voorwerpen aan te brengen boven of over de weg of vast te maken aan bomen of aan objecten die zijn bestemd voor of gebruikt worden ten behoeve van de openbare dienst.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel 4.3 Voorwerpen en stoffen op, aan, in of boven de weg
- Het is verboden zonder vergunning van het college voorwerpen op, aan, in of boven de weg te plaatsen, aan te brengen, te hebben of te storten.
- Het verbod geldt niet voor: het uitsteken van vlaggen, wimpels of vlaggenstokken mits zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of zaken en niet voor reclame worden gebruikt; b. zaken waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard of waarop de artikelen 4.7 en 4.8 van toepassing zijn; c. voertuigen, met inbegrip van kinderwagens, kruiwagens en dergelijke kleine voertuigen; d. staanplaatsen en marktplaatsen als bedoeld in de Verordening op de straathandel; e. terrassen als bedoeld in artikel 3.1.2; f. reclame als bedoeld in artikel 1.1.5; g. zaken die kortstondig op de weg worden geplaatst en noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden, met inbegrip van laden en lossen, mits degene die de werkzaamheden verricht ervoor zorgt dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan de zaken van de weg worden verwijderd en de weg wordt gereinigd.
- Het verbod geldt niet voorzover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Telecommunicatiewet en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Artikel 4.4 Bijzondere weigeringsgronden
- Het college kan de vergunning weigeren als het beoogde gebruik: schade kan toebrengen aan de weg, een belemmering kan opleveren voor het gebruik daarvan of een belemmering kan opleveren voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. gevaar, hinder of verontreiniging voor de omgeving kan veroorzaken of c. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.
- De in het eerste lid, onder c, genoemde weigeringsgrond geldt niet voor bouwwerken. Artikel 4.5 Uitzondering vergunningplicht
- Het college kan categorieën voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod van artikel 4.3, eerste lid niet geldt.
- Het college kan nadere regels stellen voor een veilig en doelmatig gebruik van de openbare ruimte ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde categorieën.
- Het college kan wegen en weggedeelten aanwijzen waar het plaatsen van voorwerpen zoals bedoeld in het eerste lid niet of slechts beperkt is toegestaan.
- Het is verboden een voorwerp als bedoeld in het eerste lid op de weg te plaatsen als in strijd wordt gehandeld met de nadere regels als bedoeld in het tweede lid of met een aanwijzing als bedoeld in het derde lid. Artikel 4.6 Schade en hinder door voorwerpen Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben als deze door hun omvang, vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade kunnen toebrengen aan de weg, gevaar kunnen opleveren voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg of in ernstige mate afbreuk doen aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte. Paragraaf 3 Plakken en kladden Artikel 4.7 Plakken en kladden
- Het is verboden op de weg of op een zaak: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding op welke wijze dan ook aan te brengen of aan te laten brengen of b. met kalk, krijt, teer, een kleur- of verfstof of op andere wijze een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of aan te laten brengen.
- Het verbod geldt niet als: gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift; b. gehandeld wordt door of met schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of de zaak mits die toestemming vooraf is verleend en op eerste vordering kan worden getoond aan een toezichthouder of een opsporingsambtenaar of c. het aanbrengen of laten aanbrengen geschiedt op een plaats die vanaf de weg niet zichtbaar is. Artikel 4.8 Aanplakobjecten
- Het college kan aanplakobjecten aanwijzen die uitsluitend bestemd zijn voor het aanbrengen van meningsuitingen die geen reclame zijn.
- Het verbod van artikel 4.7, eerste lid geldt niet wanneer gebruik wordt gemaakt van een aangewezen aanplakobject.
- Het college wijst in het belang van de vrijheid van meningsuiting een minimumaantal aanplakobjecten aan. Als het college geen minimumaantal heeft aangewezen dan wel als er minder aanplakobjecten aanwezig zijn dan het college heeft aangewezen is het verbod van artikel 4.7, eerste lid niet van toepassing in het betreffende gebied ten aanzien van meningsuitingen die geen reclame zijn.
- Het college kan voor het gebruik van de aangewezen aanplakobjecten nadere regels stellen mits deze geen betrekking hebben op de inhoud van de meningsuiting. Artikel 4.9 Aanplakgereedschap
- Het is verboden: met een aanplakbiljet, plakmiddel of plakgereedschap op de weg te zijn of b. tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg te zijn met teer, krijt, kalk of een kleur- of verfstof.
- Het verbod geldt niet als aannemelijk is dat deze voorwerpen of stoffen niet gebruikt of bestemd zijn voor handelingen die op grond van artikel 4.7 verboden zijn. Paragraaf 4 Reclame Artikel 4.10 Reclame op onroerende zaken
- In dit artikel wordt onder reclame verstaan: het aanprijzen van of de aandacht vestigen op diensten, goederen, activiteiten, doelstellingen of namen.
- Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden deze zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of te laten gebruiken voor het maken van reclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor publiek toegankelijke plaats zichtbaar is en die niet toelaatbaar is.
- Reclame is niet toelaatbaar als deze naar het oordeel van het college: ontsierend is voor het stadsbeeld of afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte; b. de veiligheid van het verkeer in gevaar kan brengen of c. onevenredige hinder kan veroorzaken voor de omgeving.
- Reclame wordt geacht toelaatbaar te zijn als: de rechthebbende met inachtneming van de vereisten als bedoeld in het vijfde lid mededeling heeft gedaan aan het college van het voornemen tot het aanbrengen van reclame en b. voorzover het gaat om reclame als bedoeld in het derde lid, onder a, het college niet binnen vijf weken na de dag van ontvangst van deze mededeling aan de melder heeft bekendgemaakt dat de reclame niet toelaatbaar is dan wel slechts toelaatbaar is voor een beperkte termijn.
- Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de toepassing van het derde lid, onder a en stelt voorts de vereisten vast waaraan de mededeling als bedoeld in het vierde lid, onder a, moet voldoen.
- Voordat het college beslist op een mededeling als bedoeld in het vierde lid legt het deze zo spoedig mogelijk voor aan een commissie van onafhankelijke deskundigen die schriftelijk en binnen twee weken advies geeft.
- Het college kan het vragen van advies als bedoeld in het zesde lid achterwege laten als de nadere regels als bedoeld in het vijfde lid afdoende in het geval voorzien.
- Het derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.
- In een geval als bedoeld in het achtste lid merkt het college een mededeling als bedoeld in het vierde lid aan als een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet dan wel artikel 11 van de Monumentenwet. Artikel 4.11 Reclame op of aan de weg
- Het is verboden met een bord, doek of met enig ander middel of voorwerp of met een voertuig of vaartuig, uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt of bestemd voor het maken van reclame, op of aan de weg of het openbaar water reclame te maken.
- Het verbod geldt niet: voor het gebruik van categorieën voorwerpen die op grond van artikel 4.5 door het college zijn aangewezen. b. als artikel 4.10 van toepassing is; c. als artikel 4.12, eerste lid van toepassing is; d. als artikel 4.26 van toepassing is; e. voor het gebruik van objecten die bij de gemeente in beheer zijn en waarvoor met de gemeente over het gebruik van die objecten voor reclame een overeenkomst is aangegaan.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel 4.12 Verspreiden voorwerpen voor reclamedoeleinden
- Het is verboden voor reclamedoeleinden op of aan de weg voorwerpen onder het publiek te verspreiden of te laten verspreiden.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Paragraaf 5 Werkzaamheden Artikel 4.13 Werkzaamheden op of in de weg
- Het is verboden op of in de weg werkzaamheden of onderzoekingen te verrichten aan leiding- en kabelnetten met toebehoren of de wegbedekking op te breken of te beschadigen.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
- Het verbod geldt niet voorzover: in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of b. degene die de werkzaamheden verricht of zijn opdrachtgever beschikt over een instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de Telecommunicatieverordening. Artikel 4.14 Beplantingen
- Het is verboden op of in de weg beplanting aan te brengen tenzij hiervoor een overeenkomst met de gemeente is gesloten.
- De rechthebbende op beplanting die het uitzicht voor het verkeer belemmert, de veiligheid in gevaar brengt of de bediening, de bereikbaarheid of de zichtbaarheid van brandkranen of afsluiters belemmert, brengt deze beplanting terug tot de door het college aangegeven afmetingen. Artikel 4.15 Gedoogplicht ten behoeve van de openbare dienst
- De rechthebbende op een zaak die is gelegen aan de weg of het openbaar water staat toe dat op, aan of in die zaak een voorwerp of teken wordt aangebracht ten behoeve van de openbare dienst.
- Het eerste lid geldt niet voorzover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatwet
- Artikel 4.16 Gedenktekens
- Het is verboden zich te bevinden op of tegen een gedenkteken dat op of aan de weg staat of daarop of daartegen een voorwerp te zetten.
- Het verbod geldt niet voorzover: in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet openbare manifestaties of b. sprake is van een huldiging, herdenking of een evenement waarvoor vergunning is verleend. Artikel 4.17 Verontreiniging van de weg en het water
- Het is verboden de weg te verontreinigen.
- Het verbod geldt niet: voorzover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of b. als de verontreiniging het redelijkerwijs niet te voorkomen gevolg is van werkzaamheden.
- Degene die de in het tweede lid, onder b bedoelde werkzaamheden verricht, reinigt de weg onmiddellijk na het beëindigen van de werkzaamheden of zoveel eerder als een toezichthouder dat vordert.
- Het is verboden zaken die een hinderlijke stank verspreiden, het water kunnen verontreinigen of verondiepen, voor de gezondheid schadelijk kunnen zijn of die blijven drijven, rechtstreeks in het openbaar water te deponeren dan wel zodanig te plaatsen dat deze in het openbaar water kunnen komen.
- Het vierde lid geldt niet voorzover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Plassenverordening Noord-Holland, de Verordening bescherming bodem- en grondwateren Noord-Holland of de Verordening verontreiniging oppervlaktewateren Noord-Holland.
- Het is verboden zaken te vervoeren dan wel te laden of te lossen, te hijsen of te vieren zonder zodanige voorzieningen te hebben getroffen dat wordt voorkomen dat de lucht, het water of de weg wordt verontreinigd.
- Het zesde lid geldt niet voorzover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer. Artikel 4.18 Openbare ijsvlakten Het is verboden een voor het publiek toegankelijke ijsvlakte te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of voor het schaatsen minder bruikbaar te maken. Artikel 4.19 Bestrijding van gladheid
- Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te storten of te laten vloeien.
- Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
- Paragraaf 6 Parkeerexcessen Artikel 4.20 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke
- Het is degene die er zijn beroep dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, herstellen, slopen, verhuren, verhandelen of te gebruiken voor het geven van rijlessen verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren in elkaars nabijheid of b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel 4.21 Te koop aanbieden van voertuigen
- Het is verboden op of aan de weg een voertuig te parkeren of te laten staan met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen in de nabijheid van een ander met hetzelfde doel geplaatst voertuig.
- Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel dit te koop aan te bieden of te verhandelen.
- Het college kan van deze verboden ontheffing verlenen. Artikel 4.22 Wrakken
- Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te plaatsen of te hebben.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer. Artikel 4.23 Parkeren van reclamevoertuigen
- Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een reclameaanduiding op of aan de weg te parkeren met het kennelijke doel daarmee reclame te maken.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel 4.24 Parkeren van grote voertuigen
- Het is verboden een voertuig dat, de lading meegerekend, een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren: tussen 06:00 uur en 22:00 uur op een door het college aangewezen plaats waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente of b. op de weg bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw hinderlijk wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
- Het in het eerste lid onder b bedoelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden die de aanwezigheid van het voertuig nodig maken.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel 4.25 Caravans en dergelijke
- Het is verboden een voertuig dat hoofdzakelijk voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan drie achtereenvolgende dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking te parkeren op of aan de weg.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de provinciale landschapsverordening. Artikel 4.26 Blokkeren van parkeerruimte Het is verboden op de weg parkeerruimte te blokkeren met het kennelijke doel deze te reserveren. Artikel 4.27 Parkeren van fietsen en bromfietsen
- Het is verboden een fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig te parkeren als daardoor: op een voetpad of trottoir de doorgang wordt gehinderd of belemmerd; b. de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd; c. schade ontstaat of d. voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of het gehandicaptenvoertuig staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd.
- Het is verboden: een fiets of bromfiets te parkeren in door het college daarvoor aangewezen parkeervoorzieningen, langer dan een door het college te bepalen periode; b. fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeren op of aan de weg te laten staan. Hoofdstuk 5 Milieu
Artikel 5
.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: consumentenvuurwerk: vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is; b. explosieven: explosieven als bedoeld in artikel 1 onder d van de Wet Explosieven voor Civiel Gebruik; c. groenvoorziening: bij de gemeente in onderhoud zijnde groenvoorzieningen zoals parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken, vijvers, bossen, of andere natuurterreinen; d. kort aanlijnen: aanlijnen van een dier met een deugdelijke lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter; e. muilkorf: een muilkorf die is vervaardigd van stevige kunststof of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. Paragraaf 2 Vuurwerk en explosieven Artikel 5.2 Vergunning ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
- Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening van een bedrijf of een nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor dit doel aanwezig te hebben.
- Het college kan een vergunning weigeren in het belang van de openbare orde en ter voorkoming of beperking van overlast. Artikel 5.3 Gebruik van consumentenvuurwerk
- Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te gebruiken als dit gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
- Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken in de directe omgeving van een inrichting waarin dieren worden verzorgd of opgevangen.
- Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
- De verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 5.4 Gebruik van explosieven
- Het is verboden zonder vergunning van het college explosieven te gebruiken.
- Het college kan een vergunning weigeren in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 157 of artikel 158 van het Wetboek van Strafrecht. Paragraaf 3 Hinder Artikel 5.5 Geluidhinder
- Het is verboden toestellen, geluidsapparaten of machines in werking te hebben of daarmee, of anderszins handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving hinder wordt veroorzaakt of toe te laten dat deze handelingen worden verricht.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Woningwet, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet of de provinciale milieuverordening. Artikel 5.6 Buiten toepassing laten van geluid- en lichthindervoorschriften
- In dit artikel wordt verstaan onder: a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; b. inrichting: een inrichting type A of type B, als bedoel in het Besluit.
- De waarden als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit zijn voor inrichtingen voor horeca-, sport- en recreatieactiviteiten niet van toepassing: a. op Koninginnedag; b. op ten hoogste negen dagen die per kalenderjaar door de burgemeester in verband met de viering van bepaalde festiviteiten in elk stadsdeelgebied kunnen worden aangewezen; c. op ten hoogste twee dagen of delen van dagen die per kalenderjaar door de burgemeester ten behoeve van incidentele festiviteiten of activiteiten binnen een inrichting voor horeca-activiteiten kunnen worden aangewezen; d. op ten hoogste twaalf dagen of delen van dagen die per kalenderjaar door de burgemeester ten behoeve van incidentele festiviteiten of activiteiten binnen een inrichting voor sport- of recreatieactiviteiten kunnen worden aangewezen.
- Het eerste lid van artikel 4.113 van het Besluit is niet van toepassing: in de gevallen genoemd in het tweede lid onder a en b en b. op ten hoogste twaalf dagen of delen van dagen die per kalenderjaar door de burgemeester ten behoeve van incidentele festiviteiten en activiteiten binnen een inrichting voor sportactiviteiten kunnen worden aangewezen. Artikel 5.7 Hinder door motorvoertuigen en bromfietsen
- Het is verboden zonder noodzaak met een motorvoertuig of een bromfiets hinder te veroorzaken.
- Het is verboden zonder noodzaak de motor van een motorvoertuig in werking te hebben.
- Het is verboden een motorvoertuig op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor zonder noodzaak hinder wordt veroorzaakt.
- De verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Wegenverkeerswet. Artikel 5.8 Wedstrijden
- Het is verboden met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd te houden, te doen houden of daaraan deel te nemen dan wel ter voorbereiding van een wedstrijd een trainings- of proefrit te houden, te doen houden of daaraan deel te nemen.
- Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod niet geldt. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze plaatsen in het belang van het voorkomen of beperken van overlast, in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden en in het belang van de veiligheid van de deelnemers of van het publiek.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wegenverkeerswet, de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Paragraaf 4 Groen Artikel 5.9 Openbare groenvoorzieningen
- Het is in voor publiek toegankelijke groenvoorzieningen verboden zich te bevinden buiten de wegen als bedoeld in artikel 1.1.9 onder a, paden of andere voor gebruik aangewezen plaatsen zoals lig- of speelweiden.
- Als het college in het belang van de instandhouding van een voor publiek toegankelijke groenvoorziening deze of een gedeelte daarvan heeft aangewezen is het verboden zich daarin te bevinden.
- Het is in voor publiek toegankelijke groenvoorzieningen verboden met een voertuig te rijden of een voertuig te laten stilstaan buiten de wegen en paden.
- Het is verboden schade toe te brengen aan voor publiek toegankelijke groenvoorzieningen.
- Het college kan van de verboden in het eerste, tweede en derde lid ontheffing verlenen. Artikel 5.10 Bestrijding iepziekte
- Als zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever is de rechthebbende, als hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen een termijn van tien werkdagen: de iepen te vellen; b. de iepen met inbegrip van het resterende stamdeel direct en ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen of c. de niet-ontbaste iepen of delen daarvan te versnipperen.
- Het is verboden gevelde niet-ontbaste iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren tenzij het gaat om versnipperd iepenhout. Artikel 5.11 Doen van natuurlijke behoefte
- Het is verboden op of aan de weg buiten een urinoir of andere toiletgelegenheid datgene te verrichten waarvoor een toiletgelegenheid is bestemd.
- Het is verboden een urinoir of andere toiletgelegenheid te gebruiken voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bestemd. Paragraaf 5 Dieren Artikel 5.12 Verontreiniging door honden
- De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond zich niet van uitwerpselen ontdoet als deze zich op of aan de weg bevindt.
- Het eerste lid geldt niet: op door het college aangewezen plaatsen of b. als de eigenaar of houder van een hond ervoor zorgt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
- De eigenaar of houder van een hond die zich met de hond op of aan de weg bevindt heeft een doeltreffend hulpmiddel bij zich dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen.
- Het college stelt de eisen vast waaraan een doeltreffend hulpmiddel voldoet.
- De eigenaar of houder van een hond die zich met de hond op of aan de weg bevindt, laat dit hulpmiddel op eerste vordering zien aan een toezichthouder. Artikel 5.13 Aanlijngebod en hondenpenning
- Het is de eigenaar of houder verboden zich met een hond op of aan de weg te bevinden als deze niet is aangelijnd.
- Het is de eigenaar of houder verboden zich met een hond op of aan de weg te bevinden als deze niet op duidelijk zichtbare wijze aan de hals de penning draagt die voor de hond op grond van de geldende verordening betreffende hondenbelasting is verstrekt.
- Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod van het eerste lid niet geldt.
- De verboden gelden niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel 5.14 Verboden plaatsen voor honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze uit te laten op een voor publiek toegankelijke kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats. Artikel 5.15 Gevaarlijke of hinderlijke honden
- Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze uit te laten op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd als het college aan hem heeft bekendgemaakt dat het de hond gevaarlijk of hinderlijk acht en in verband met het gedrag van de hond noodzakelijk acht dat deze kort is aangelijnd of b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf als het college aan hem heeft bekendgemaakt dat het de hond gevaarlijk of hinderlijk acht en in verband met het gedrag van de hond noodzakelijk acht dat deze kort is aangelijnd en een muilkorf draagt.
- Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren. Artikel 5.16 Duiven
- Het is verboden op of aan de weg duivenvoer te verkopen.
- Het verbod is niet van toepassing op door het college ingestelde markten gedurende de voor die markten aangewezen dagen en uren.
- Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
- De Verordening op de straathandel is niet van toepassing als een ontheffing is verleend. Artikel 5.17 Geluidhinder door dieren Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier voorkomt dat dit voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Hoofdstuk 6 Handhaving Artikel 6.1 Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.6 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met een geldboete van de tweede categorie: 1.8, 1.9, 2.2 eerste lid, 2.2 tweede lid, 2.2 derde lid, 2.3, 2.4, 2.5 eerste lid, 2.7 eerste lid, 2.7 tweede lid, 2.8 tweede lid, 2.9 eerste lid, 2.9 tweede lid, 2.10 vierde lid, 2.10 vijfde lid, 2.10 zesde lid, 2,12 eerste lid, 2,12 tweede lid, 2,12 vierde lid, 2.13 eerste lid, 2.15 vierde lid, 2.16 eerste lid, 2.17 eerste lid, 2.17 tweede lid, 2.17 vijfde lid, 2.18 eerste lid, 2.18 tweede lid, 2.19 eerste lid, 2.19 tweede lid, 2.20 eerste lid, 2.21, 2.22 eerste lid, 2.23 eerste lid, 2.25 eerste lid, 2.25 tweede lid, 2.26 derde lid, 2.26 vierde lid, 2.27 eerste lid, 2.27 tweede lid, 2.31 eerste lid, 2.36 tweede lid, 2.39 tweede lid, 2.40 eerste lid, 2.41 zevende lid, 2.44 vierde lid, 2.45 tweede lid, 2.47 eerste lid, 2.48, 2.49 eerste lid, 2.49 tweede lid, 2.50 eerste lid, 2.50 tweede lid, 2.50 derde lid, 2.51 eerste lid, 2.51 vierde lid, 2.52 eerste lid, 2.53 eerste lid, 3.4, 3.5, 3.8 eerste lid, 3.12, 3.13, 3.14 eerste lid, 3.16 tweede lid, 3.18, 3.19 eerste lid, 3.20, 3.21, 3.26, 3.27, 3.32 eerste lid, 3.32, derde lid, 3.33 tweede lid, 3.33 derde lid, 3.37 eerste lid, 3.39, 3.42, 3.45, 3.48, 3.49, 3.51 eerste lid, 3.52, 3.57 tweede lid, 3.58 tweede lid, 3.58 derde lid, 4.2 eerste lid, 4.3 eerste lid, 4.5 vierde lid, 4.6, 4.7 eerste lid, 4.9 eerste lid, 4.10 tweede lid, 4.11 eerste lid, 4.12 eerste lid, 4.13 eerste lid, 4.14 eerste lid, 4.16 eerste lid, 4.17 eerste lid, 4.17 vierde lid, 4.17 zesde lid, 4.18, 4.19 eerste lid, 4.20 eerste lid, 4.21 eerste lid, 4.21 tweede lid, 4.22 eerste lid, 4.23 eerste lid, 4.24 eerste lid, 4.25 eerste lid, 4.26, 4.27, 5.2 eerste lid, 5.3 eerste lid, 5.3 tweede lid, 5.3 derde lid, 5.4 eerste lid, 5.5 eerste lid, 5.7 eerste lid, 5.7 tweede lid, 5.7 derde lid, 5.8 eerste lid, 5.9 eerste lid, 5.9 tweede lid, 5.9 derde lid, 5.9 vierde lid, 5.10, 5.11, 5.12 eerste lid, 5.12 vijfde lid, 5.13 eerste lid, 5.13 tweede lid, 5.14, 5.15 eerste lid, 5.16 eerste lid, 5.
- Artikel 6.2 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aangewezen personen of categorieën van personen. Artikel 6.3 Binnentreden woningen
- Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
- Het eerste lid geldt niet voor zover het binnentreden nodig is in verband met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van het bepaalde in de artikelen 2.28, 2.29 en 2.
- Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 7.1 Intrekking De Algemene Plaatselijke Verordening 1994 wordt ingetrokken. Artikel 7.2 Overgangsrecht
- Vergunningen, ontheffingen en andere besluiten op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994 blijven ook na de inwerkingtreding van deze verordening gelden, hetzij tot het einde van hun looptijd, hetzij tot het tijdstip dat zij met toepassing van deze verordening worden gewijzigd of ingetrokken.
- Op aanvragen om een vergunning, ontheffing of een ander besluit op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.
- Besluiten ter uitvoering of handhaving van bepalingen van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994, worden geacht te zijn genomen ter uitvoering of handhaving van deze verordening.
- Op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.
- De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 7.1 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op basis van die verordening vastgestelde nadere regels, beleidsregels, aanwijzingsbesluiten, mandaatbesluiten en delegatiebesluiten, als de rechtsgrond waarop die besluiten zijn gebaseerd ook is opgenomen in deze verordening. Artikel 7.3 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 november
- Artikel 7.4 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
- Toelichting Algemene inleiding De Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) is de opvolger van de APV 1994, vastgesteld op 30 november 1994 (Gemeenteblad 1994, afd. 3, volgnr. 140) en nadien vele malen gewijzigd. Omdat de talloze aanpassingen van de APV ten koste zijn gegaan van de samenhang, de logica en de bruikbaarheid van de verordening is een grote herziening nodig geweest. De nieuwe verordening is aangepast aan relevante jurisprudentie, in juridisch-technisch en taalkundig opzicht gemoderniseerd en vereenvoudigd door het schrappen van onnodige regels. Tegelijk is het nodig gebleken om voor een aantal onderwerpen nieuwe regels in te voeren. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de leesbaarheid en de toegankelijkheid van de verordening te vergroten. De indeling en systematiek van de verordening zijn ingrijpend gewijzigd om deze doelstellingen te realiseren. Indeling en systematiek Gekozen is voor een indeling waarin samenhangende onderwerpen zo veel mogelijk bij elkaar zijn gebracht. Hoewel bij iedere keuze kanttekeningen zijn te plaatsen komen de gemaakte keuzes de logica en bruikbaarheid van de verordening ten goede. De verordening begint met een hoofdstuk met algemene bepalingen gevolgd door vier inhoudelijke hoofdstukken die elk een inhoudelijk hoofdthema behandelen, namelijk orde en veiligheid, exploitatie van bedrijven, gebruik van de openbare ruimte en milieu. De verordening besluit met een hoofdstuk over handhaving en met een hoofdstuk slotbepalingen. De verordening heeft een gelaagde opbouw. Het eerste hoofdstuk bevat bepalingen van algemene strekking die gelden voor de hele verordening: de daarin opgenomen begrips-omschrijvingen zijn dus van toepassing op alle andere plaatsen waar ze voorkomen. Dit is ook het geval met de andere bepalingen zoals bijvoorbeeld over het indienen van een vergunning, de algemene weigerings- en intrekkingsgronden en de toonplicht. Die gelaagdheid wordt gecontinueerd in de thematische hoofdstukken. Voorafgaande aan de inhoudelijke bepalingen in de verschillende thematische hoofd-stukken zijn bepalingen opgenomen waarin begripsomschrijvingen staan die alleen in dat hoofdstuk van toepassing zijn. Daarnaast komt het in een enkel geval voor dat in een afzonderlijk artikel een begripsomschrijving is opgenomen die alleen in dat artikel voorkomt. Verder bevat bijvoorbeeld het derde hoofdstuk een aantal bepalingen van algemene aard over vergunningen voor het exploiteren van bedrijven zoals een algemene weigerings-grond. Bij de verschillende paragrafen worden vervolgens nog bijzondere weigerings-gronden genoemd die alleen van toepassing zijn voor het in die paragraaf behandelde onderwerp. Bij het gebruik van de APV is het dus zaak om naast het toepassen van een bepaald artikel ook de algemene bepalingen aan het begin van het hoofdstuk én van hoofdstuk 1 er op na te slaan omdat algemene en bijzondere bepalingen elkaar aanvullen. De artikelen worden numeriek aangeduid: artikel 4.2, eerste lid bijvoorbeeld betekent hoofdstuk 4, artikel 2, eerste lid. Reikwijdte en inhoud De APV behoort tot de belangrijkste verordeningen in Amsterdam. Dat wordt niet alleen bepaald door de relatief grote omvang en het grote aantal verschillende onderwerpen die er in worden geregeld maar ook door het belang van die onderwerpen voor de orde en veiligheid in de stad, de zedelijkheid, het woon- en leefklimaat, het toezicht op de voor publiek toegankelijke gebouwen, het gebruik van de openbare ruimte en voor de leefomgeving in het algemeen. De APV regelt de onderwerpen die tot het gemeentelijke publieke domein kunnen worden gerekend voor zover deze niet nader zijn uitgewerkt in bijzondere verordeningen zoals de Verordening op de straathandel, de Afvalstoffenverordening en de Verordening op de haven en het binnenwater. De APV is daarmee bij uitstek een verordening die de gemeenteraad op basis van artikel 149 Gemeentewet in het belang van de gemeente kan maken. Het grootste deel van de bepalingen in de APV berust op de autonome bevoegdheid van artikel 149 Gemeentewet. Een beperkt aantal bepalingen vloeit voort uit medebewinds-taken, verplicht of facultatief. Voorbeelden zijn onder andere de artikelen ter regulering van prostitutie (hoofdstuk 2), ter voorkoming van ongewenste mededinging door bedrijven die niet in de eerste plaats op de exploitatie van een horecabedrijf zijn gericht (zie hoofdstuk 3) en bepalingen in aanvulling op het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (zie hoofdstuk 5). In de APV wordt op een aantal plaatsen verwezen naar hogere regelgeving. Door het opnemen van afbakeningsbepalingen is aangegeven dat de betreffende APV-bepaling alleen beoogt dat te regelen wat niet reeds in hogere regelgeving is geregeld. Afbakening naar andere gemeentelijke regelgeving is niet aangegeven omdat er van wordt uitgegaan dat bijzondere regelgeving in het algemeen prevaleert boven algemene regelgeving (“lex specialis prerogat lex generalis”). Toedelen bevoegdheden De Gemeentewet bevat de basis voor het toedelen van bevoegdheden aan gemeente-lijke bestuursorganen. Voor uitvoerende taken zijn dat het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. De burgemeester heeft op grond van de wet bijzondere bevoegdheden als het gaat om openbare orde en veiligheid en het toezicht op voor publiek toegankelijke gebouwen (artikelen 172 en 174 Gemeentewet). De burgemeestersbevoegdheden komen met name in het tweede en derde hoofdstuk aan de orde. Daarbij is er consequent voor gezorgd om bevoegdheden bij de burge-meester te leggen zodra het gaat om de taken die tot zijn verantwoordelijkheid