← Nederland

Leidraad invordering 2019 (Hof van Twente)

Kort gezegd

Deze leidraad beschrijft de regels en procedures voor de invordering van gemeentelijke belastingen door de gemeente Hof van Twente in 2019. Het legt uit hoe de gemeente omgaat met betalingen, aanmaningen, dwangbevelen en beslaglegging.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Leidraad invordering 2019Burgemeester en wethouders van gemeente Hof van Twente; gelet op het bepaalde in Gemeentewet, Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, Invorderings-wet 1990, Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, Algemene Wet bestuursrecht en de geldende verordening kwijtschelding van de Gemeente Hof van Twente; besluiten: vast te stellen de navolgende leidraad invordering gemeentelijke belastingen gemeente hof van twente 2019 (leidraad invordering 2019) Inhoudsopgave Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied 16 1.1 Inleiding 16 1.1.1 Lijst met gebruikte afkortingen 16 1.1.2 Definities 16 1.1.3 Reikwijdte beleidsvoorschriften 17 1.1.4 Aansprakelijkgestelden en andere derden 17 1.1.5 Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur 17 1.1.6 Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen 18 1.1.7 Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven 18 1.1.8 Voor de invordering minder geschikte dagen 18 1.1.9 Binnenkomst van bescheiden 19 1.1.10 Positie belastingdeurwaarder 19 1.1.11 Bewaren invorderingsbescheiden 19 1.1.12 Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen 20 1.1.13 Informatieplicht 20 1.1.14 Diplomatieke status 20 1.2 Toepassingsgebied 20 Artikel 2 Begrippen 20 2.1 Woonplaats 20 Artikel 3 Bevoegdheden invorderingsambtenaar 21 3.1 Fiscale en civiele bevoegdheden 21 3.2 Conservatoir beslag 21 3.2.1 Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering 21 3.2.2 Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag 21 3.3 Gerechtelijke procedures - toestemming 21 3.3.1 Juridische bijstand 21 3.3.2 Toestemming 22 3.4 Rijksadvocaat 22 Artikel 3a 22 Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder 22 4.1 Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder 22 4.2 Bescherming 22 4.3 Legitimatie 22 Artikel 5 22 Artikel 6 Reikwijdte van de wet 23 6.1 Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet 23 Artikel 7 Betaling en afboeking 23 7.1 Tijdstip betaling 23 7.2 De afboeking van de betaling 24 7.3 Teveelbetaling 24 7.4 Rente en kosten bij afboeking betalingen 24 7.5 Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen 24 7.6 Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend 24 7.7 Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden 24 7.8 Betaling bij vergissing 25 7.9 Mededeling afboeking betaling 25 7.10 Betaling van kleine bedragen 25 7.11 Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement 25 Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven 25 7a.1 Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling 25 7a.2 Controle van een aangewezen bankrekening op de tenaamstelling 26 7a.3 Uitbetalingsfouten 26 Artikel 7b Cessie- en verpandingsverbod uitbetalingen inkomstenbelasting 26 Artikel 8 Bekendmaking aanslag 26 8.1 Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties 26 8.2 Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan 27 8.3 Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet 27 8.4 Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag 27 Artikel 9 Betalingstermijnen 27 9.1 Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen 27 9.2 Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven 27 9.3 Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn 27 9.4 Dagtekening aanslagbiljet 28 9.5 Begrippen bij betalingstermijnen 28 9.6 Verzuim invorderingsambtenaar bij uitbetaling 28 9.7 Regeling betalingstermijnen 28 9.8 Automatische incasso 28 9.8.1 Begripsbepalingen 28 9.8.2 Aanvang automatische incasso 29 9.8.3 Termijnen en termijnbedragen 29 9.8.4 Beëindigen van de automatische incasso 30 9.8.5 Gevolgen van de beëindiging van de automatische incasso 30 Artikel 10 Versnelde invordering 30 10.1 Reikwijdte versnelde invordering 31 10.2 Vrees voor verduistering en versnelde invordering 31 10.3 Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering 32 10.4 Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering 32 10.5 Beslag en versnelde invordering 32 10.6 Verkoop namens derden en versnelde invordering 32 10.7 Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering 32 Artikel 11 Aanmaning 32 11.1 De geadresseerde van de aanmaning 33 11.2 Aanmaning ten onrechte verzonden 33 11.3 Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning 33 11.4 Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning 33 11.5 Betalingsherinnering 33 11.6 Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg 33 Artikel 12 Dwangbevel 34 12.1 Onderwerp van het dwangbevel 34 12.2 Tegen wie verleent de invorderingsambtenaar een dwangbevel 34 Artikel 13 Betekening van het dwangbevel 34 13.1 Betekening dwangbevel per post 35 13.1.1 Adressering van per post betekende dwangbevelen 35 13.2 Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder 35 13.3 Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel 35 Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel 35 14.1 Tenuitvoerlegging algemeen7 36 14.1.1 Keuze van invorderingsmaatregelen 36 14.1.2 Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging 36 14.1.3 Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden 37 14.1.4 Volgorde van uitwinning bij beslag 37 14.1.5 Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken 37 14.1.6 Beslaglegging voor vordering van derden 37 14.1.7 Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan 37 14.1.8 Opheffing beslag tegen betaling door een derde 37 14.1.9 Opschorten van de executie 37 14.1.10 Onderhandse verkoop 38 14.1.11 Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop 38 14.1.12 Strafrechtelijk beslag 38 14.1.13 Invordering en ontnemingswetgeving 38 14.2 Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 38 14.2.1 Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken 38 14.2.2 Domiciliekeuze en beslag roerende zaken 39 14.2.3 Aanbod van betaling en beslag roerende zaken 39 14.2.4 Omvang van het beslag op roerende zaken 39 14.2.5 Beslag op roerende zaken van derden 39 14.2.6 Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken 39 14.2.7 Voldoening zekerheidsschuld door invorderingsambtenaar en beslag roerende zaken 39 14.2.8 Beslag roerende zaken bij derden 40 14.2.9 Wegvoeren van beslagen zaken 40 14.2.10 Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware 40 14.2.11 Afsluiting en beslag roerende zaken 40 14.2.12 Bewaarder en beslag roerende zaken 41 14.2.13 Executoriale verkoop computerapparatuur 41 14.2.14 Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken 41 14.2.15 Beslag op illegale zaken 42 14.2.16 Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken 42 14.2.17 Opheffing van het beslag op roerende zaken 42 14.2.18 Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken 42 14.2.19 Proces-verbaal van verkoop roerende zaken 42 14.2.20 Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken 42 14.2.21 Relaas van onttrekking 43 14.3 Beslag op onroerende zaken 43 14.3.1 Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken 43 14.3.2 Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken 43 14.3.3 Verhuurde of verpachte onroerende zaken 43 14.3.4 Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken 43 14.3.5 Opheffing van het beslag onroerende zaken 43 14.4 Beslag onder derden 43 14.4.1 Beslag op vordering van een derde 43 14.4.2 Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 44 14.4.3 Roerende zaken bij derden 44 14.4.4 Plaats beslaglegging en derdenbeslag 44 14.4.5 Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt 44 14.4.5 a Derdenbeslag en kosten van levensonderhoud 44 14.4.6 Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring 45 14.4.7 Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring 45 14.4.8 Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag 45 14.4.9 Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente 45 14.4.10 Retentierecht en derdenbeslag 45 14.4.11 Opheffing van het derdenbeslag 46 14.4.12 Onverschuldigde betaling en derdenbeslag 46 14.4.13 Derdenbeslag onder de gemeente of de invorderingsambtenaar en het doen van verklaring 46 14.4.14 Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf 46 14.5 Beslag op schepen 46 14.5.1 Beletten van het vertrek van het schip 46 14.5.2 De executie van schepen 46 14.5.3 Afgelasting van de verkoop van een schip 47 14.5.4 Deskundige hulp en beslag op schepen 47 14.5.5 Opheffing van het beslag op schepen 47 Artikel 15 47 Artikel 16 Doorlopend beslag 47 16.1 Voor 1 januari 2011 gelegde derdenbeslagen 47 Artikel 17 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel 47 17.1 Aanhouden tenuitvoerlegging bij verzet 48 17.2 Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering 48 Artikel 18 48 Artikel 19 Doen van een vordering 48 19.1 Vordering algemeen 48 19.1.1 Bekendmaking vordering 48 19.1.2 Voldoen aan de vordering 49 19.1.3 Niet voldoen aan de vordering 49 19.1.4 Intrekken van een vordering 49 19.1.5 Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering ..49 19.1.6 Doorbreken beslagverboden en vordering 49 19.1.7 Notoire wanbetaler en vordering 49 19.1.8 Vordering ten laste van de echtgenoot 50 19.2 De faillissementsvordering 50 19.2.1 Aan te melden schulden in faillissement 50 19.2.2 Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn 50 19.2.3 Opkomen in faillissement 50 19.3 Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen 51 19.3.1 Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen 51 19.3.2 Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen 51 19.3.3 Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen 51 19.3.3 a (Vervallen) 51 19.3.4 Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet 51 19.3.5 Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke uitkering 52 19.3.6 Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet 52 19.3.7 Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm 52 19.3.8 Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf 52 19.4 Beslagvrije voet en overheidsvordering 52 Artikel 20 Lijfsdwang 53 Artikel 21 Voorrecht rijksbelastingen 53 Artikel 22 Bodemrecht 53 22.1 Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht 53 22.2 Bodemrecht en bestuurlijke boeten 53 22.3 Overbetekening bodembeslag 53 22.4 Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement 54 22.5 Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 54 22.6 Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 54 22.7 Bodemrecht en voorrang 54 22.8 Verzet en beroep 54 22.8.1 Verzet artikel 435, derde lid, Rv tegen bodembeslag 54 22.8.2 Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv inzake bodembeslag 54 22.8.3 Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen bodembeslag 54 22.8.4 Beroepschrift ex artikel 22 van de wet 54 22.8.5 Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet 55 22.8.6 Taak van de invorderingsambtenaar met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet 55 22.8.7 Beslissing college op het beroepschrift tegen een bodembeslag 55 22.8.8 Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag 55 22.8.9 Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag 56 22.8.10 Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet 56 22.8.11 Beëindiging operationele lease-overeenkomst 56 22.8.12 Executie en bodemrecht 56 Artikel 22bis Mededeling 56 Artikel 22a en artikel 23 56 Artikel 23a 56 Artikel 24 Verrekening 56 24.1 Wanneer verrekening 56 24.1.1 Verrekening voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije voet 57 24.2 Betwiste schuld en verrekening 57 24.3 Reikwijdte van de verrekening 57 24.4 Bekendmaking verrekening 57 24.5 Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting 57 24.6 Instemmingsregeling bij cessie en verpanding 57 24.6.1 Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding 57 24.6.2 Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen 57 24.6.3 Instemming of weigering met een cessie of verpanding 58 24.6.4 Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb 58 24.6.5 Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding 58 24.6.6 Houding invorderingsambtenaar bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding 58 Artikel 25 Uitstel van betaling 59 25.1 Algemene uitgangspunten uitstelbeleid 59 25.1.1 Houding van de invorderingsambtenaar tijdens behandeling verzoek om uitstel 59 25.1.2 Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling 59 25.1.3 Redenen afwijzing verzoek om uitstel 59 25.1.4 Redenen beëindigen uitstel 60 25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn 60 25.1.6 Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel 60 25.1.7 Geen invordering tijdens verleend uitstel 60 25.1.8 Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd 61 25.1.9 Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag 61 25.1.10 Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten 61 25.1.11 Uitstel voor een bestuurlijke boete 61 25.1.12 Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen 61 25.1.13 Zekerheid bij uitstel 61 25.1.14 Tijdstip indiening verzoek om uitstel 61 25.1.15 Verzoekschriften aan andere instellingen 62 25.2 Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag 62 25.2.1 Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag 62 25.2.2 Bezwaarschrift geldt als verzoek om uitstel; beroepschrift niet 62 25.2.2a Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift 62 25.2.2 b Nadere gegevens 62 25.2.3 De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling 63 25.2.4 Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure 63 25.2.5 Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar 63 25.2.6 Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld 63 25.2.7 Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar 63 25.2.7 a Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel 64 25.2.8 Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag 64 25.2.9 Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag 64 25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 64 25.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragen 64 25.3.2 Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel 65 25.3.3 Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag 65 25.3.4 Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 65 25.4 Uitstel in verband met betalingsproblemen 65 25.4.1 Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen 65 25.4.2 Uitstel en motorrijtuigenbelasting 65 25.4.3 Verrekening tijdens een betalingsregeling 66 25.4.4 Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance 66 25.4.5 Uitstel van betaling erfbelasting bij verkrijging eigen woning door broers of zussen van de erflater 66 25.5 Betalingsregeling voor particulieren 66 25.5.1 Duur betalingsregeling particulieren 66 25.5.2 Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren 66 25.5.3 Kort uitstel particulieren 67 25.5.4 Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren 67 25.5.5 Vermogen en betalingsregeling particulieren 67 25.5.6 Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren 67 25.5.7 Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven 68 25.5.8 Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden 68 25.5.9 Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten 68 25.5.10 Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor 68 25.5.11 Betalingsregeling langer dan twaalf maanden 68 25.6 Betalingsregeling voor ondernemers 69 25.6.1. Duur betalingsregeling ondernemers 69 25.6.2 Voorwaarden betalingsregeling ondernemers 69 25.6.2a Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers 69 25.6.2b Verklaring derde deskundige 69 25.6.2c Geen uitstel voor ondernemers in verband met betalingsproblemen als al kort uitstel is verleend 69 25.6.2 d Kort uitstel van betaling voor ondernemers 70 25.6.3 Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers 70 25.6.4 Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie 70 25.7 Administratief beroep 70 25.7.1 Toetsing uitstelbeschikking door het college 70 25.7.2 Beroepsfase uitstel 70 25.7.3 Beslissing college op beroepschrift bij uitstel 70 25.7.4 Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel 71 25.7.5 Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de invorderingsambtenaar 71 Artikel 25aUitstel van betaling exitheffingen inkomstenbelasting 71 25a.1 Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake van exitheffingen 71 Artikel 25bUitstel van betaling exitheffingen vennootschapsbelasting 71 25b.1 Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake van exitheffingen 71 Artikel 26 Kwijtschelding van belastingen 71 26.1 Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid 72 26.1.1 Kwijtschelding van betaalde belastingschulden 72 26.1.2 Het indienen van een verzoek om kwijtschelding 72 26.1.3 Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding 73 26.1.4 Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding 73 26.1.5 Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden 73 26.1.6 Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding 73 26.1.7 Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij voortzetting invordering 73 26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding 74 26.1.9 Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend 74 26.1.10 Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding 75 26.1.11 Verzoekschriften aan andere instellingen 75 26.2 Kwijtschelding van belastingen voor particulieren 76 26.2.1 Vermogen en kwijtschelding particulieren 76 26.2.2 De inboedel en kwijtschelding particulieren 76 26.2.3 De auto en kwijtschelding particulieren 76 26.2.4 Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren 76 26.2.5 De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren 76 26.2.6 Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren 77 26.2.7 Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren 77 26.2.8 (Vervallen) 77 26.2.9 (Vervallen) 77 26.2.10 Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren 77 26.2.11 Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren 78 26.2.12 Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren 78 26.2.13 Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren ...79 26.2.13a Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor particulieren 79 26.2.14 Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren 79 26.2.15 Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden 79 26.2.16 Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren 79 26.2.17 Kwijtschelding tijdens WSNP 79 26.2.18 (Vervallen) 80 26.2.19 Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de bijstandsuitkering 80 26.2.20 Onderhoud gezinsleden in het buitenland 80 26.2.21 Netto kosten kinderopvang 80 26.3 Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers 80 26.3.1 Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord 80 26.3.2 Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers 81 26.3.3 Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord 81 26.3.4 Toepassingsbereik saneringsakkoord 81 26.3.5 Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord 81 26.3.6 Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord 81 26.3.7 Rente en kosten en saneringsakkoord 81 26.3.8 Speciale crediteuren en saneringsakkoord 82 26.3.9 Betaling bedrag saneringsakkoord 82 26.4 Administratief beroep 83 26.4.1 Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding ..83 26.4.2 Herhaald verzoek om kwijtschelding 83 26.4.3 Beroepsfase kwijtschelding 83 26.4.4 Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding 83 26.4.5 Beslissing college op beroep bij kwijtschelding 83 26.4.6 Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding ..84 26.4.7 Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding 84 26.5 Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding 84 26.5.1 Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding 84 26.6 Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding 84 26.7 Geautomatiseerde kwijtschelding 85 Artikel 27 Verjaring 85 27.1 Versnelde invordering en verjaring 85 27.2 Aansprakelijkgestelden en verjaring 85 27.3 Stuiting van de verjaring 86 27.4 Schorsing van de verjaring 86 27.5 Afstand van verjaring 86 27.6 Rente en kosten en verjaring 86 27.7 Na verjaring geen civiele invordering 86 Artikel 27.8 Verjaring van belastingteruggaven 86 Artikel 27a Betalingskorting 86 Artikel 28 Invorderingsrente 86 28.1 Cheque buitenland en invorderingsrente 86 28.2 Correctie berekende invorderingsrente 87 28.3 Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente 87 28.4 (Vervallen) 87 28.5 (Vervallen) 87 28.6 Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk 87 28.7 (Vervallen) 87 28.8 Drempelbedrag 87 28a en artikel 28b 87 28c 87 Artikel 29 87 Artikel 30 Beschikking betalingskorting en invorderingsrente 87 30.1 Beschikking terugnemen betalingskorting 88 30.2 Verzoek tot vermindering rente is bezwaar 88 30.3 Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie 88 30.4 Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling 88 30.5 Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting 88 Artikel 31 en artikel 31a 88 Artikel 32 Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheids-bepalingen 88 32.1 Keuze aansprakelijkheid 88 32.2 Gemeenschapsschulden 89 Artikel 33 Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen 89 33.1 Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid 89 33.2 Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid 89 33.3 Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid 89 33.4 Vereffenaar bij aansprakelijkheid 89 33.5 (Vervallen) 90 33.6 Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid 90 33.7 Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers 90 Artikel 33a. Aansprakelijkheid van begunstigden 90 Artikel 34 tot en met 47 90 Artikel 48 Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen 90 48.1 Beneficiaire aanvaarding 90 48.2 Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege 91 Artikel 48a Aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde bedragen inkomstenbelasting of omzetbelasting 91 Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling 91 49.1 Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete 91 49.2 Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente 91 49.2 a Vooraankondiging aansprakelijkstelling 92 49.3 De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn 92 49.3.1 Wanneer in gebreke 92 49.3.2 In gebreke zijn en versnelde invordering 92 49.3.3 In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’...92 49.4 Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid 92 49.5 Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden 92 49.6 Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige 92 49.7 Volgorde van aansprakelijk stellen 93 49.8 Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling 93 49.8.1 Bezwaar en uitstel van betaling 93 49.8.2 (Vervallen) 93 49.9 (Vervallen) 93 Artikel 51 Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid 93 51.1 Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar 93 Artikel 52 Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling 93 52.1 Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling 93 Artikel 53 Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding 94 53.1 Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld 94 53.2 Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid 94 Artikel 54 Mededeling aan de aansprakelijkgestelde 94 54.1 Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling 94 Artikel 55 tot en met 57 94 Artikel 58 Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde 95 58.1 Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure 95 58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden 95 58.3 Invorderingsonderzoek tijdens faillissement 95 Artikel 59 Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde 95 Artikel 60 Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen 95 60.1 Redelijke termijn voor verstrekken van informatie 96 60.2 Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen 96 Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatie-verplichtingen 96 61.1 Niet van de administratie gescheiden (beroeps-)vertrouwelijke gegevens 96 Artikel 62 Informatieverplichtingen van de administratieplichtige 96 Artikel 62bis 97 Artikel 62a 97 Artikel 63 tot en met 63ab 97 Artikel 63b Bestuurlijke boeten 97 63b.1 Algemene uitgangspunten 97 63b.2 Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen 97 63b.3 Verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt 98 Artikel 63c en 64 98 Artikel 65 Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf 98 65.1 Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf 98 Artikel 65a en artikel 66 98 Artikel 67 Geheimhoudingsplicht 98 67.1 Bekendmaking aan de belastingschuldige 99 67.2 Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering 99 67.3 Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen 99 Artikel 67a 99 Artikel 68 tot en met 72 99 Artikel 73 Insolventieprocedures 99 73.1 Algemene uitgangspunten insolventieprocedures 99 73.1.1 Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement 99 73.1.2 Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement ..100 73.1.3 Boedelschulden 100 73.1.4 Proceskostengarantie 100 73.1.5 Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator 100 73.1.6 Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP 100 73.1.7 Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 100 73.1.8 Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP 100 73.1.9 Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP 101 73.1.10 Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en WSNP 101 73.1.11 Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement 101 73.1.12 Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement 101 73.2 Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering 101 73.2.1 Kwijtschelding tijdens WSNP 101 73.2.2 De WSNP is beëindigd met een schone lei 101 73.2.3 De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken 102 73.2.4 De WSNP is tussentijds beëindigd 102 73.3 Insolventieprocedure en surseance 102 73.3.1 Uitstel en surseance 102 73.3.2 Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surseance 102 73.4 Insolventieprocedure en faillissement 102 73.4.1 Faillissementsaanvraag: algemeen 102 73.4.2 Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag 102 73.4.3 Particulieren en faillissement 102 73.4.4 Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag 103 73.4.5 Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter 103 73.4.6 Toestemming voor faillissementsaanvraag 103 73.4.7 Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag 103 73.4.8 Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag 103 73.4.9 Verzet tegen faillietverklaring 104 73.4.10 Beroep op regresrecht in faillissement 104 73.4.11 Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement 104 73.4.12 Opkomen in faillissement 104 73.4.13 Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 104 73.4.14 Na de toepassing van het faillissement 104 73.4.15 Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure 104 73.4.16 Omzetting faillissement in WSNP 104 73.5 Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten 105 73.5.1 Voorwaarden voor MSNP 105 73.5.2 (vervallen) 106 73.5.3 Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen 106 73.5.4 Houding invorderingsambtenaar tijdens uitstel MSNP 106 73.5.5 Intrekken uitstel gedurende MSNP 106 73.5.6 De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP 107 73.5.7 Na de toepassing van de MSNP 107 Artikel 73.5a Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten 107 73.6 Insolventieprocedures en akkoorden 108 73.6.1 Buitengerechtelijk akkoord 108 73.6.2 Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord 108 73.6.2 a Betaling bedrag saneringsakkoord 108 73.6.3 Gevolgen buitengerechtelijk akkoord 108 73.6.4 Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord 109 73.6.5 Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord 109 73.6.6 Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord 109 73.6.7 Schuldig nalatig en (buiten)gerechtelijk akkoord 109 73.6.8 Gevolgen dwangakkoord 109 73.6.9 Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord 109 73.7 Wettelijk breed moratorium 109 Artikel 74 Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten 110 Artikel 75 Kosten van vervolging 110 75.1 Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten 110 75.2 Aan derden toekomende bedragen 110 75.3 Rechtsmiddelen en vervolgingskosten 111 75.4 Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar 111 75.5 Niet in rekening brengen van vervolgingskosten 111 75.6 Onverschuldigdheid van vervolgingskosten 111 75.7 Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten 112 75.8 Versnelde invordering en vervolgingskosten 112 75.9 Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten 112 75.10 Geen kwijtschelding van vervolgingskosten 112 75.11 Limitering betekeningskosten dwangbevel 113 Artikel 76 tot en met 79 113 Artikel 80 Invordering, Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen 113 80.1 Tenuitvoerlegging termijndwangbevel 113 80.2 Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen 113 Artikel1Inleiding en toepassingsgebied Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in artikel 1 van de Invorderingswet 1990. 1.1Inleiding Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk1 (hierna: Rijksleidraad) bevat de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen. Bij de opmaak van de gemeentelijke leidraad is aansluiting gezocht bij de Rijksleidraad. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen toegevoegd of aangepast aan de gemeentelijke situatie. Lijst met gebruikte afkortingen Afkorting Omschrijving Awb Algemene wet bestuursrecht Awir Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen BW Burgerlijk Wetboek FW Faillissementswet MSNP minnelijke schuldsanering natuurlijke personen Pw Participatiewet Rv Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Sr Wetboek van Strafrecht Sv Wetboek van Strafvordering WSF Wet Studiefinanciering 2000 WSNP wettelijke schuldsanering natuurlijke personen 1.1.2Definities - belasting(en): belastingen die door de gemeente worden geheven; - belastingdeurwaarder: de daartoe door het college aangewezen gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet; - besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990; - college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente; - echtgenoot: de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Pw; - hoger beroep: hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep in cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld, cassatieberoep; - heffingsambtenaar: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de heffingsambtenaar; - ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of zelfstandig een beroep uitoefent; - invorderingsambtenaar: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de invorderingsambtenaar; - particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt; - regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; - wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990). - Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde verstaan als de wet daaronder verstaat; - gemeente: de Gemeente Hof van Twente. 1.1.3Reikwijdte beleidsvoorschriften Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 1.1.4Aansprakelijkgestelden en andere derden De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te beperken. 1.1.5Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur In de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet. Het uitgangspunt met betreking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de beslistermijn op verzoek tot kwijtschelding. Op een verzoek om kwijtschelding, dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, neemt de invorderingsambtenaar, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een beslissing in het kalenderjaar waarin het verzoek is ontvangen. Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet4, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb). Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van maximaal [zes] weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb). Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 Awb)5. Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen: - bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet; - bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet; - bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. - bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet; - bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoel in artikel 63b van de wet. Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient. Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb. Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de invorderingsambtenaar bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de invorderingsambtenaar de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de invorderingsambtenaar voor een dergelijke aanslag geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten die de invorderingsambtenaar bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt. 1.1.6Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de voorkeur. 1.1.7Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven Als de invorderingsambtenaar invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftig werknemers, dan vraagt hij daartoe toestemming van het college. Onder een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep. Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de invorderingsambtenaar op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel onwetend blijven. De invorderingsambtenaar vraagt altijd toestemming als: - met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf wordt beoogd; - door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd; - derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag; - de invorderingsambtenaar aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die schuldeiser. 1.1.8Voor de invordering minder geschikte dagen De invorderingsambtenaar zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de invorderingsambtenaar een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid van de wet terstond invordert. Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name: - de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koni wordt gevierd, de vijfde mei en de Goede Vrijdag, alle met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag; - regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daaropvolgende dag; - de dagen tussen de beide Kerstdagen en Nieuwjaarsdag. 1.1.9Binnenkomst van bescheiden Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij de gemeente. Als de invorderingsambtenaar in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden. 1.1.10Positie belastingdeurwaarder Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen ambtenaar van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de gemeente aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de invorderingsambtenaar). Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen dient. Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van de invorderingsambtenaar. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de invorderingsambtenaar heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen. Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de invorderingsambtenaar in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is. 1.1.11Bewaren invorderingsbescheiden De invorderingsambtenaar bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard. De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. 1.1.12Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de invorderingsambtenaar een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen. Tevens verklaart de invorderingsambtenaar desgevraagd dat zich in het verleden - voor wat betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de invorderingsambtenaar nadere bijzonderheden vermelden. De invorderingsambtenaar zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de invorderingsambtenaar zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is. 1.1.13Informatieplicht De invorderingsambtenaar maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald binnen de betalingstermijn(

  1. en)die voor de belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt. De invorderingsambtenaar kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen. 1.1.14Diplomatieke status De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De invorderingsambtenaar richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot: Ministerie van Buitenlandse Zaken Directie Kabinet en Protocol Postbus 20061 2500 EB 's-Gravenhage 1.2Toepassingsgebied Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is op de wet. De invorderingsambtenaar handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit fiscaal bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad). Artikel2Begrippen In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het begrip 'woonplaats'. 2.1Woonplaats De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud. Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de invorderingsambtenaar aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de gemeentelijke verordening op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan. Artikel3Bevoegdheden invorderingsambtenaar Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden van de invorderingsambtenaar. De invorderingsambtenaar treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte op (artikel 3, tweede lid). De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. Dat het bestuursorgaan ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden beschikt die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft is thans geregeld in artikel 4:124 Awb). In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de fiscale en civiele bevoegdheden van de invorderingsambtenaar; - het leggen van conservatoir beslag; - het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures; - de Rijksadvocaat. 3.1Fiscale en civiele bevoegdheden De invorderingsambtenaar beschikt op grond van de wet over diverse specifieke bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de invorderingsambtenaar zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken. De invorderingsambtenaar is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de invorderingsambtenaar het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. 3.2Conservatoir beslag Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de invorderingsambtenaar naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de invorderingsambtenaar. 3.2.1Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de invorderingsambtenaar niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet. 3.2.2Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de invorderingsambtenaar slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid Rv. 3.3Gerechtelijke procedures - toestemming 3.3.1 Juridische bijstand Op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet treedt de invorderingsambtenaar zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: - beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR; - hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR; - (hoger) beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen; - kantonzaken; - kort gedingprocedures, indien de invorderingsambtenaar gedaagde is. 3.3.2Toestemming In gerechtelijke procedures voor de burgerlijke rechter waarin de invorderingsambtenaar als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het college. Het voorgaande geldt niet voor: - verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; - kantonzaken; - verzoekschriftprocedures; - procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid, of artikel 708, tweede lid, Rv. In afwijking van de vorige volzin geldt voor in hoger beroep te voeren zaken dat altijd toestemming van het college nodig is. 3.4Rijksadvocaat Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. Artikel3a Er zijn in deze leidraad op artikel 3a van de wet geen beleidsregels gemaakt. Artikel4Bevoegdheid belastingdeurwaarder Artikel 4 van de wet bepaalt dat voor het verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een invorderingsambtenaar voor de invordering van (rijks) belastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder bevoegd is. In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de reikwijdte van die bevoegdheid. 4.1Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de invorderingsambtenaar. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de invorderingsambtenaar op grond van artikel 4:124 van de Awb gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de invorderingsambtenaar zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. 4.2Bescherming Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. 4.3Legitimatie Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden. Artikel5 Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. Artikel6Reikwijdte van de wet Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is op: - de rente; - de kosten. In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over rente en kosten. 6.1Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Artikel7Betaling en afboeking Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van betalingen plaats moet vinden: - Lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen achtereenvolgens gebeurt aan de kosten, de betalingskorting, de rente en de belastingaanslag; - Lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende componenten van de belastingaanslag plaatsvindt; In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - het tijdstip van de betaling; - de afboeking van de betaling; - teveelbetalingen; - het rekenen van rente en kosten bij afboeking; - het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen; - de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete; - de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden; - betaling bij vergissing; - het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een betaling; - betaling van kleine bedragen; - ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en faillissement. 7.1Tijdstip betaling - Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de gemeente. Bij betaling bij een bank of betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of pin-transactie. Bij rechtstreekse betaling aan de gemeente door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling. Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de invorderingsambtenaar constateert dat sprake is van misbruik. - Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling. - -Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van betaling.] 7.2De afboeking van de betaling Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen: - Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen; - Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken; - Als de invorderingsambtenaar ook de invordering van gemeentelijke belastingen ten behoeve van een andere gemeente uitvoert, is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verdeling van de gelden naar rato van de grootte van de belastingschuld plaatsvindt. 7.3Teveelbetaling Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld. 7.4Rente en kosten bij afboeking betalingen Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. 7.5Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. 7.6Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep). Als echter - ondanks dit uitstel - zoveel wordt betaald dat er na afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke boete is afgeboekt en de bestuurlijke boete wordt alsnog aangevochten, dan blijven de afboekingen gehandhaafd. 7.7Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening zijn gebracht. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag - waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing is - echter met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde. 7.8Betaling bij vergissing Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht. Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de invorderingsambtenaar wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan. Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan niet plaats. 7.9Mededeling afboeking betaling De invorderingsambtenaar stelt de belastingschuldige niet van iedere afboeking van een betaling schriftelijk op de hoogte, ook niet als het een slotbetaling betreft op een belastingaanslag waarbij geen kosten en rente worden afgeboekt. Een kennisgeving blijft achterwege als betaling plaatsvindt op grond van een machtiging tot automatische afschrijving en daarbij geen vervolgingskosten worden afgeboekt. 7.10Betaling van kleine bedragen Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door invorderingsambtenaar aangemerkt wordt als nodeloze overlast. In dat geval treedt hij in contact met de belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen. 7.11Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van de uitdelingslijst, met in achtneming van artikel 7.2 van deze leidraad. Artikel7aUitbetaling van belastingteruggaven Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de invorderingsambtenaar bedragen uitbetaalt. Op grond van artikel 4:89, eerste lid, Awb dient een schuldenaar te betalen op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening. Het komt in de praktijk echter regelmatig voor dat een belastingschuldige aan wie de invorderingsambtenaar een bedrag moet betalen, geen bankrekening(nummer) heeft aangewezen waarop de betaling moet plaatsvinden. Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, regelt artikel 7a van de wet dat de invorderingsambtenaar betaalt op een bankrekening die op naam van de belastingschuldige staat. In aansluiting op artikel 4:89 Awb en artikel 7a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling; - uitbetalingsfouten. 7a.1Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op het verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de Gemeente bekende bankrekeningnummer door de gemeente, geldt dit ook als aanwijzing. Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander bankrekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld bankrekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere aangiften of verzoeken. Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden. 7a.2Controle van een aangewezen bankrekening op de tenaamstelling Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 7a.3Uitbetalingsfouten Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen, dan moet de invorderingsambtenaar in beginsel opnieuw uitbetalen. De invorderingsambtenaar verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt gerestitueerd. In afwijking van de vorige volzin vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats als de belastingschuldige aantoont dat: - hij tijdig vóór de uitbetaling bij de invorderingsambtenaar heeft aangegeven dat de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet geschieden, en - hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de uitbetaling heeft plaatsvonden, geblokkeerd is. Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de invorderingsambtenaar het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking. Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De invorderingsambtenaar beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald. Artikel7bCessie- en verpandingsverbod uitbetalingen inkomstenbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. Artikel8Bekendmaking aanslag Artikel 8 van de wet regelt dat de invorderingsambtenaar de belastingaanslag bekend maakt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. De belastingschuldige is de belastingaanslag in zijn geheel verschuldigd. In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties; - bekendmaking van de aanslag aan een rechtspersoon die (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan; - de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet; - het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen. 8.1Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien verstande dat: - aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de curator worden gezonden; - ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een boedelschuld vormt; - als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft opgeleverd; - aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. 8.2Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan Als een rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan, is de wijze van bekendmaking van de belastingaanslag ter beoordeling aan de ontvanger. Bij deze beoordeling kunnen onder andere de volgende factoren een rol spelen: - het recht waarnaar de rechtspersoon is opgericht; - het belang van een snelle bekendmaking in verband met vrees voor onverhaalbaarheid. 8.3Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd. 8.4Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk termijn te voldoen. Artikel9Betalingstermijnen Artikel 9 van de wet regelt binnen welke betalingstermijnen belastingaanslagen moeten worden betaald. In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige aanslagen; - de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven; - de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn; - de dagtekening van het aanslagbiljet; - het begrip maand bij betalingstermijnen; - verzuim invorderingsambtenaar bij uitbetaling; - regeling betalingstermijnen; - automatische incasso. 9.1Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 9.2Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 9.3Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 9.4Dagtekening aanslagbiljet De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast. 9.5Begrippen bij betalingstermijnen Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op één maand of is gesteld op zes weken, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van één maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op 12 december. Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en de betalingstermijn van zes weken op 11 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 10 april. Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij een betalingstermijn van een maand) op de dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt de termijn dus op 15 april. Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt de termijn op 26 april. 9.6Verzuim invorderingsambtenaar bij uitbetaling Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel 9, eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de invorderingsambtenaar niet in verzuim is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaats vindt. 9.7Regeling betalingstermijnen De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(
  2. en)in de belastingverordening geregeld. Is in de belastingverordening niets geregeld, dan zijn de betalingstermijnen uit de wet van toepassing. In aansluiting op artikel 9, tiende lid, van de wet wordt de Algemene Termijnenwet in beide gevallen niet van toepassing verklaard. Op elke belastingaanslag wordt (worden) de betalingstermijn(
  3. en)aangegeven. Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag (of het evenredige deel ervan bij meerdere termijnen) hebben betaald. 9.8Automatische incasso Onder de hierna bepaalde voorwaarden: het incassoreglement (9.8.1 tot en met 9.8.5) en voor bepaalde belastingaanslagen is het mogelijk de aanslag(
  4. en)te voldoen via een automatische incasso. De mogelijkheid tot automatische incasso is vastgelegd in de belastingverordening. Bij automatische incasso wordt de belastingschuldige (een) afwijkende, ruimere, betalingstermijn(
  5. en)toegestaan. 9.8.1Begripsbepalingen In dit incassoreglement wordt verstaan onder: a. Belastingjaar: tijdvak van 1 januari tot en met 31 december van een kalenderjaar waarover de gemeentelijke belastingen worden geheven. b. Verzoeker: degene die incassant toestemming geeft van zijn of haar rekening de belastingschuld af te schrijven. c. Belastingschuld: het totale bedrag dat verschuldigd is aan gemeentelijke belastingen/heffingen. d. Incassant: de door het college van burgemeester en wethouders op voet van artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet als invorderingsambtenaar aangewezen functionaris. e. Rekening: de bank- of girorekening van degene die machtiging tot automatische incasso heeft afgegeven. f. Gecombineerde aanslag: een in artikel 239 van de Gemeentewet toegestane vorm van heffen, waarbij een verzameling van aanslagen van verschillende heffingen voor dezelfde belastingplichtige op een (gecombineerd) aanslagbiljet wordt verenigd. De gecombineerde aanslag heeft één aanslagbiljetnummer. 9.8.2Aanvang automatische incasso 1. Aan de incassant kan toestemming worden gegeven om door middel van automatische incasso de belastingschuld van de rekening af te schrijven. 2. De machtiging tot automatische incasso kan alleen schriftelijk, of via elektronische weg indien en voor zover de incassant daar uitdrukkelijk de mogelijkheid toe heeft geboden en enkel op de wijze die incassant aangeeft, door middel van het inzenden van een machtigingsformulier, waarvan het model door de incassant is bepaald, worden verleend. 3. De verzoeker vult op het machtigingsformulier het IBAN rekeningnummer in. Als dat IBAN rekeningnummer later wijzigt, deelt verzoeker dat onverwijld, schriftelijk, mede aan incassant, zodat de automatisch incasso via de nieuwe rekening kan doorlopen. 4. De afgegeven machtiging blijft tot wederopzegging gelden. 5. Verzoeker is verplicht zorg te dragen voor voldoende saldo op de rekening zodat de automatische incasso tijdig en volledig kan plaats vinden. 6. Incassant kan de deelname aan de automatische incasso weigeren, indien er omstandigheden worden geconstateerd of vermoed die het regelmatig verloop van de termijnbetalingen belemmeren of zouden kunnen belemmeren. 7. Deelname aan automatische incasso is alleen mogelijk op de manier waarop dit in de betreffende belastingverordening wordt aangegeven. 9.8.3Termijnen en termijnbedragen 1. De in de belastingverordening genoemde termijnen en termijnbedragen zijn van overeenkomstige toepassing. De automatische incasso zal plaats vinden op of omstreeks de laatste dag van de maand. 2. Indien een machtiging tot automatische incasso wordt verstrekt wanneer reeds één of meer termijnen voor automatische incasso verstreken zijn, doch één of meer termijnen voor automatische incasso nog wel resteren, zal, in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden, de afschrijving plaats vinden in even zoveel termijnen als er nog open staan. Indien alle termijnen reeds verstreken zijn zal de automatische incasso eerst in werking treden indien een aanslag opgelegd wordt waarvoor wel termijnen voor automatische incasso resteren. 3. Indien een termijnbedrag door verzoeker wordt teruggeboekt of een termijn niet kon worden geïncasseerd zal het bedrag dat niet geïncasseerd kon worden, verrekend worden met het resterend aantal termijnen. 4. Indien de automatische incasso plaats vindt met toepassing van lid 4 zal het bedrag dat aan het einde van elke nog openstaande termijn automatisch geïncasseerd worden. De belastingschuld zal gedeeld worden door de nog openstaande termijnen. 5. Het termijnbedrag wordt altijd afgerond op eurocenten. 6. De procedure van automatisch incasso verloopt separaat per afzonderlijk (gecombineerde) aanslagbiljet. 9.8.4Beëindigen van de automatische incasso 1. Het intrekken van de machtiging tot automatische incasso kan alleen schriftelijk, of via elektronische weg indien en voor zover de incassant daar uitdrukkelijk de mogelijkheid toe heeft geboden en enkel op de wijze die incassant aangeeft, door middel van het inzenden van een intrekkingsformulier, waarvan het model door de incassant is bepaald, geschieden. 2. De in het eerste lid bedoelde intrekkingsformulier wordt op het eerste verzoek van verzoeker kosteloos aan hem toegezonden. 3. De automatische incasso kan door incassant ook worden beëindigd: a. indien de automatische incasso gedurende twee pogingen niet slaagt; b. indien de automatische incasso gedurende de eerste poging niet slaagt en aannemelijk is dat een volgende incasso ook niet zal slagen, waaronder in ieder geval wordt verstaan het geval waarin blijkt dat de verstrekte machtiging betreft een niet-bestaand rekeningnummer, een geblokkeerd rekeningnummer of een beëindigd rekeningnummer; c. indien de belastingplichtige aangeeft het niet met de afschrijving eens te zijn en een terugboeking heeft gedaan; d. indien de belastingplichtige surséance van betaling heeft aangevraagd, in staat van faillissement is gesteld, naar het buitenland vertrekt of dreigt te vertrekken, of indien er anderszins omstandigheden worden geconstateerd die een regelmatig verloop van de incasso zouden kunnen belemmeren. 4. Indien verzoeker overlijdt of verhuist of in zijn huwelijk een echtscheiding wordt uitgesproken of een door hem aangegane samenlevingsovereenkomst wordt ontbonden, beëindigt dat de automatische incasso niet. 9.8.5Gevolgen van de beëindiging van de automatische incasso 1. Indien de automatische incasso door verzoeker, door incassant of van rechtswege wordt beëindigd vervallen de resterende incassotermijnen. Verzoeker valt dan terug naar de in de verordening genoemde betaaltermijnen. Indien alle betaaltermijnen reeds verstreken zijn is verzoeker tevens invorderingsrente verschuldigd vanaf de vervaldatum. 2. De beëindiging van de automatische incasso, om welke reden dan ook, is een grond waarop incassant aan verzoeker deelname aan betaling per automatische incasso met betrekking tot reeds bestaande of toekomstige belastingschuld kan ontzeggen. Artikel10 Versnelde invordering Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft een limitatieve opsomming van bijzondere situaties waarin de invorderingsambtenaar met doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen. Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet bevatten uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze versnelde invordering. In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de reikwijdte van de versnelde invordering; - de vrees voor verduistering; - het metterwoon verlaten van Nederland; - geen vaste woonplaats in Nederland; - als er al beslag ligt; - de verkoop namens derden; - de vordering ex artikel 19. 10.1Reikwijdte versnelde invordering Als de invorderingsambtenaar het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de invorderings- ambtenaar op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is - deelt de invorderings- ambtenaar de belastingschuldige schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsproce- dure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van direct contact met de belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend - maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) - vermeldt de invorderingsambtenaar op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt - als sprake is van direct contact met laatstgenoemde - eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen. Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden de feiten en omstandig- heden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de invorderingsambtenaar in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(
  6. en)die normaal zou(den) gelden. 10.2Vrees voor verduistering en versnelde invordering Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake, als de invorderings- ambtenaar aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belasting- schuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de invorderingsambtenaar moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt. Als echter verduistering wordt gevreesd van goederen die daadwerkelijk eigendom zijn van de belastingschuldige, dan kan daarnaast ook versneld beslag worden gelegd op bodemzaken. 10.3Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering Naast het redelijke vermoeden van de invorderingsambtenaar dat de belastingschuldige van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de invorderingsambtenaar - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland bevinden. 10.4Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zich geen reden voor de invorderingsambtenaar om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie bestaan waarin de invorderingsambtenaar er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. 10.5Beslag en versnelde invordering Nadat de invorderingsambtenaar verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige - waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen - dadelijk en ineens invorderbaar. 10.6Verkoop namens derden en versnelde invordering Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van
  7. de)executoriale verkoop, zodat de invorderingsambtenaar op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben. 10.7Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering De invorderingsambtenaar mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt. Als de invorderingsambtenaar met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken. Artikel11Aanmaning Artikel 11 van de wet regelt dat als een belastingaanslag niet binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, de invorderingsambtenaar overgaat tot vervolging van de belastingschuldige door de verzending van een aanmaning. In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de geadresseerde van de aanmaning; - als de aanmaning ten onrechte is verzonden; - het achterwege laten van tussentijdse vervolging; - de gedeeltelijke voldoening na aanmaning; - de betalingsherinnering; - de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg. 11.1De geadresseerde van de aanmaning De invorderingsambtenaar zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is verzonden of uitgereikt. Als naderhand blijkt dat de invorderingsambtenaar de vervolging voort moet zetten voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt de invorderingsambtenaar alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke vertegenwoordiger. Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de invorderingsambtenaar de aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. 11.2Aanmaning ten onrechte verzonden Als een belanghebbende zich tot de invorderingsambtenaar wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd. Als de invorderingsambtenaar concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die de rechten van de gemeente veilig stellen. 11.3Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning Vervolging - niet zijn de de eindvervolging-blijft in het algemeen achterwege als het achterstallige bedrag: 1. kleiner is dan een tiende deel van de (verlaagde) belastingaanslag; en 2. minder bedraagt dan € 2000. De invorderingsambtenaar kan zich in bijzondere gevallen gerechtigd achten de tussentijdse vervolging achterwege te laten, ook al valt het bedrag buiten de gestelde grenzen. Een tussentijdse vervolging die terecht is aangevangen, wordt ook na de verzending van de aanmaning voortgezet. 11.4Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan. 11.5Betalingsherinnering Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de invorderingsambtenaar de belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden. Een betalingsherinnering wordt verzonden indien belastingschuldige in de laatste 36 maanden geen aanmaningen tot betaling zijn toegezonden, gerekend vanaf het moment dat aankondigingen voor aanmaning tot betaling worden vervaardigd,. Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als deze niet of niet tijdig tot algehele voldoening van de belastingschuld leidt, verzendt de invorderingsambtenaar een aanmaning. 11.6Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg Als de invorderingsambtenaar invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de invorderingsambtenaar over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel verzendt de invorderingsambtenaar eerst een aanmaning. De invorderingsambtenaar verzendt echter geen aanmaning als reeds conservatoir beslag is gelegd. Artikel12Dwangbevel Artikel 12 van de wet bepaalt dat de invordering van de belastingaanslag kan geschieden bij een door de invorderingsambtenaar uit te vaardigen dwangbevel. Op grond van dit dwangbevel kan de invorderingsambtenaar overgaan tot invordering van de belastingaanslag. In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - het onderwerp van het dwangbevel; - tegen wie een dwangbevel wordt verleend. 12.1Onderwerp van het dwangbevel De invorderingsambtenaar vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen en beschikkingen. Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de invorderingsambtenaar een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden. De invorderingsambtenaar vermindert het bedrag van een dwangbevel met: - de inmiddels gedane betalingen; - verleende verminderingen; - bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is verleend. 12.2Tegen wie verleent de invorderingsambtenaar een dwangbevel De invorderingsambtenaar verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolgers. Als de invorderingsambtenaar het dwangbevel verleent tegen een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit gebeurt. Als de invorderingsambtenaar bekend is met de minderjarigheid of curatele van een belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking. Als de invorderingsambtenaar hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen. Als de invorderingsambtenaar een belastingschuld van een overledene moet verhalen op diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de gezamenlijke erfgenamen. Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan vermeldt de invorderingsambtenaar alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel. De invorderingsambtenaar brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking. Artikel13Betekening van het dwangbevel In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het dwangbevel beschreven.6 Het dwangbevel vermeldt expliciet dat de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet kan komen. Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door middel van betekening. De betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling kan plaatsvinden: - door de belastingdeurwaarder; - per post door de invorderingsambtenaar. In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de betekening van het dwangbevel per post; - de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder; - bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel. 13.1Betekening dwangbevel per post De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen door de invorderingsambtenaar van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de invorderingsambtenaar ter verzending aanbieden van het afschrift aan PostNL. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. De invorderingsambtenaar maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen. 13.1.1Adressering van per post betekende dwangbevelen Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie van de gemeente bekende adres van de belastingschuldige. Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de basisregistratie personen is geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de basisregistratie personen - bijvoorbeeld een postbusadres - kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres. Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en de belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden. Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als betekend. Dit is niet het geval als de belastingschuldige bijzondere omstandigheden aannemelijk kan maken op grond waarvan moet worden aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt. 13.2Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv. Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal bereiken. Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de invorderingsambtenaar van een andere gemeente. 13.3Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan. Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie. Artikel14Tenuitvoerlegging van het dwangbevel Artikel 14 van de wet gaat over de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de algemene regels over tenuitvoerlegging; - beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn; - beslag op onroerende zaken; - beslag onder derden; - beslag op schepen. 14.1Tenuitvoerlegging algemeen7 Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan de belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen (zie artikel 4:116 Awb). Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder een hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaat (artikel 14, eerste lid van de wet). Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt conform artikel 47 Rv - dat wil zeggen door achterlating van het bevel in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel - gaat de belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging (artikel 14, eerste lid van de wet). In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een hernieuwd bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats te vinden als het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, terstond ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 14, tweede lid, van de wet). 14.1.1Keuze van invorderingsmaatregelen De tenuitvoerlegging gebeurt op de voet van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat toelaat de verschillende mogelijkheden van tenuitvoerlegging tegelijkertijd te benutten. 14.1.2Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaar- heid vermeden. Ook wordt de nodige soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te nemen. In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt, als hij vermoedt dat de invorderingsambtenaar de beslagopdracht niet zou hebben gegeven als alle omstandig- heden bekend waren geweest. Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling inmiddels heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25.1.15 of 26.1.11 van deze leidraad, en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist. Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd, overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag. Voorwaarde is dan wel dat met de afdoening - gelet op de omstandigheden - naar het oordeel van de invorderingsambtenaar akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen in het in deze leidraad geformuleerde beleid. 14.1.3Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken. Als alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, kan de rechtbank de termijn van drie maanden verlengen. Als de nalatenschap wordt vereffend, kan de invorderingsambtenaar gedurende de vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen. 14.1.4Volgorde van uitwinning bij beslag Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 14.1.5Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 14.1.6Beslaglegging voor vordering van derden Als de invorderingsambtenaar voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij ook over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke rangorde, waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de executiewaarde van de inbeslaggenomen zaken. 14.1.7Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden De invorderingsambtenaar kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan. De invorderingsambtenaar heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald of aan die voorwaarden is voldaan. 14.1.8Opheffing beslag tegen betaling door een derde Als de invorderingsambtenaar van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing van het beslag, dan kan de invorderingsambtenaar hieraan zijn medewerking verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige; 2. Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie; 3. De belangen van de gemeente worden niet geschaad. De invorderingsambtenaar houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal zoeken, en hij kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden. 14.1.9Opschorten van de executie De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop plaats, tenzij de invorderingsambtenaar ervan overtuigd is dat betaling van de belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval kan de invorderingsambtenaar besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal) maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is gelegd. Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de invorderingsambtenaar en de belastingschuldige is verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen uitstel van betaling in, in de zin van artikel 25 van de wet. 14.1.10Onderhandse verkoop Als een onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken naar verwachting aanzienlijk meer oplevert dan de verwachte opbrengst bij openbare verkoop, vraagt de invorderingsambtenaar de belastingschuldige om instemming met de onderhandse verkoop. Indien de belastingschuldige zijn instemming niet verleent en daarbij geen redelijk belang heeft, kan de invorderingsambtenaar besluiten over te gaan tot onderhandse verkoop. De invorderingsambtenaar gaat allereerst na of het bod afkomstig is van een onafhankelijke derde. Als de koopsom direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige komt, gaat de invorderingsambtenaar niet akkoord met een onderhandse verkoop. Daarnaast houdt de invorderingsambtenaar rekening met de gerechtvaardigde belangen van eventuele derde rechthebbenden die zich bij hem bekend hebben gemaakt. De invorderingsambtenaar stelt deze derden in de gelegenheid om een bedrag aan te bieden ter opheffing van het beslag. De invorderingsambtenaar heft het beslag niet op wanneer het aangeboden bedrag direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige afkomstig is. Onderhandse verkoop vindt niet plaats als hierdoor de belangen van de gemeente worden geschaad. 14.1.11Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop De invorderingsambtenaar kan de mogelijkheid hebben om te kiezen tussen: a. een aangeboden bedrag ter opheffing van het beslag als bedoeld in artikel 14.1.8 van deze leidraad; b. een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 14.1.10 van deze leidraad. De invorderingsambtenaar geeft dan in het algemeen de voorkeur aan opheffing van het beslag; voorwaarde is dat de hierdoor verkregen opbrengst niet lager is dan die van een onderhandse verkoop. 14.1.12Strafrechtelijk beslag Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex artikel 94 Sv rust - dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader van een ontnemingsmaatregel - dan wordt het beslag dat de belastingdeurwaarder heeft gelegd pas vervolgd nadat het strafrechtelijke beslag is opgeheven. Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan het fiscale beslag blijven liggen. 14.1.13Invordering en ontnemingswetgeving De gemeente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen. In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de invorderingsambtenaar terughoudend op. Dit houdt in dat de invorderingsambtenaar in beginsel niet direct overgaat tot uitwinning van een reeds gelegd beslag tenzij hiermee de belangen van de gemeente worden geschaad. 14.2Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 14.2.1Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden met gebruikmaking van artikel 444 Rv, dan blijft deze wijze van tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege. De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer op het woonadres zal vervoegen. Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze handelwijze verzet. 14.2.2Domiciliekeuze en beslag roerende zaken Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een ander Gemeente dan het kantoor waar bij de betekening van het dwangbevel domicilie is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie gekozen ten kantore van de gemeente waar de belastingdeurwaarder die het beslag legt zijn standplaats heeft. 14.2.3Aanbod van betaling en beslag roerende zaken Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de deurwaarder deze betaling. Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de belastingschuldige wordt gelaten. 14.2.4Omvang van het beslag op roerende zaken Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als - naar het oordeel van de belastingdeurwaarder - ruimschoots voldoende is voor dekking van de openstaande schuld inclusief rente en kosten. 14.2.5Beslag op roerende zaken van derden Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 14.2.6Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te dienen bij het college op grond van artikel 22, eerste lid van de wet en eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv. Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en vaststaat dat de invorderingsambtenaar zijn verhaalsrecht niet kan effectueren, blijft inbeslagname achterwege. 14.2.7Voldoening zekerheidsschuld door invorderingsambtenaar en beslag roerende zaken De invorderingsambtenaar kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan een derde op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van verrekening met de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de volgende zaken aantreft: - zaken die niet onder het bodemrecht vallen; en - eigendom zijn van een derde; en - strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop, eigendomsvoorbehoud); en - waarop de invorderingsambtenaar zich na voldoening van die schuld zou kunnen verhalen. De invorderingsambtenaar maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop deze derde een retentierecht heeft. 14.2.8Beslag roerende zaken bij derden Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden, verhaalt de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door het leggen van een beslag op roerende zaken. De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden leggen als: - de derde geen medewerking verleent aan het leggen van een beslag roerende zaken; - het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de zaken zelf te zien, dan wel te inventariseren; - de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv, voordat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten. Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval binnen drie dagen na de beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv. Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel 461d Rv. 14.2.9Wegvoeren van beslagen zaken Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten. Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als bedoeld in Rv. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de invorderingsambtenaar niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag genomen zaken. Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd. Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruik gemaakt: - als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet kan worden ingevorderd; en - de invorderingsambtenaar na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht. Het wegvoeren van zaken , waaronder motorrijtuigen naar aanleiding van een actie op grond van artikel 18 van de wet, gebeurt niet door de belastingdeurwaarder dan na daartoe verkregen toestemming van de invorderingsambtenaar van de gemeente. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de invorderingsambtenaar of van een andere door hem daartoe aangewezen functionaris. Bij het in beslag nemen van een voertuig is het aan de belastingdeurwaarder ter keuze om een wielklem, of een ander middel, aan te brengen ter zekerheid tegen verduistering. 14.2.10Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 14.2.11Afsluiting en beslag roerende zaken De deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte overgaan waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken zich bevinden, als: - de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 van deze leidraad; en - de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer hoge kosten kunnen worden afgevoerd. Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden overgegaan. Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van de invorderingsambtenaar. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de invorderingsambtenaar of van een andere door de invorderingsambtenaar daartoe aangewezen functionaris. 14.2.12Bewaarder en beslag roerende zaken Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden weggevoerd of op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad afsluiting plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het bewaarderschap met betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal dat in de betreffende situaties moet worden opgemaakt. Als een ambtenaar van de gemeente als bewaarder wordt aangesteld, is dit zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de ambtenaar die tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding gegeven. De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de beslagen zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden vervoerd of opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of economisch bederf minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken onder normale omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen maatregelen en de daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot de aard en de waarde van de desbetreffende zaken. Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder aangesteld: - als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het bewaarderschap verbonden taken uit te oefenen; - als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het bewaarderschap niet uitdrukkelijk te worden ontnomen; - als een ambtenaar van de gemeente tot bewaarder is aangesteld en deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te (kunnen) hebben bij het beslag. Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend geval kan dit bij deurwaardersexploot. 14.2.13Executoriale verkoop computerapparatuur Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De belastingdeurwaarder moet - voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan - nagaan of deze apparatuur nog de zogenoemde 'software' bevat (bestanden, programma's en dergelijke). Als dat het geval is, dan moet de belastingschuldige de mogelijkheid worden geboden om die software te verwijderen en een back-up te maken. 14.2.14Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken De invorderingsambtenaar moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de Waarborgwet 1986 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen - al dan niet met het vereiste stempelteken - moet de invorderingsambtenaar aangifte doen zoals artikel 46 van de Waarborgwet 1986 dat voorschrijft. 14.2.15Beslag op illegale zaken Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 14.1.12 van deze leidraad. Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde zaken worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan moet de invorderingsambtenaar contact opnemen met het college voordat maatregelen worden getroffen om tot executoriale verkoop van de inbeslaggenomen zaken over te gaan. 14.2.16Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de invorderingsambtenaar een andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die met de verkoop belast is, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. Daarnaast kan de invorderingsambtenaar de belastingdeurwaarder opdracht geven om de executie plaats te laten vinden via internetveiling. De regels hiervoor dienen openbaar gemaakt te worden. 14.2.17Opheffing van het beslag op roerende zaken Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de invorderingsambtenaar dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt. Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in artikel 445 Rv wordt altijd kenbaar gemaakt bij deurwaardersexploot. 14.2.18Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken De invorderingsambtenaar verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt afgeboekt, worden eerst de kosten van de executie verrekend. De invorderingsambtenaar boekt de opbrengst van de executie vervolgens af met inachtneming van het bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad. Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, dan wordt zoveel mogelijk getracht in der minne overeenstemming te bereiken over de toedeling van de netto- executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan zijn de artikelen 481 Rv en volgende van toepassing. 14.2.19Proces-verbaal van verkoop roerende zaken Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de kopers onleesbaar zijn gemaakt. 14.2.20Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de invorderingsambtenaar vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de invorderingsambtenaar deze informatie tenzij het belang van de invordering zich daartegen verzet. 14.2.21Relaas van onttrekking Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken (artikel 198 Sr) kan van dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De invorderingsambtenaar beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan de officier van justitie. 14.3Beslag op onroerende zaken 14.3.1 Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken Indien het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om in bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe verkregen toestemming van de invorderingsambtenaar. Het bepaalde in artikel 14.2.9 is van overeenkomstige toepassing. 14.3.2Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken Als de invorderingsambtenaar voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan. In gevallen waarin de invorderingsambtenaar zelf de eerste beslaglegger is, gaat hij altijd tot beslaglegging over voor vorderingen van derden waarvan de invordering aan hem is opgedragen. 14.3.3Verhuurde of verpachte onroerende zaken De invorderingsambtenaar die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en tevens de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel mogelijk een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Er wordt in zo’n geval dus niet gehandeld als bedoeld in artikel 507, derde lid, Rv. 14.3.4Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken De invorderingsambtenaar vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden die op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg over de inhoud van deze voorwaarden. In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat de kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort - als de koopprijs niet toereikend mocht zijn - door de executant zal worden aangezuiverd. 14.3.5Opheffing van het beslag onroerende zaken Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag aan de huurder of pachter is betekend, ontvangt deze ook een schriftelijke mededeling. Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders en - indien van toepassing - aan de bewaarder. 14.4Beslag onder derden 14.4.1 Beslag op vordering van een derde In de artikelen 475 en volgende Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt dat - na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring - de derde geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen. De invorderingsambtenaar stelt de derde hiervan op de hoogte. Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander - bijvoorbeeld door een bank - wordt geadministreerd. In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de derde-beslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan degene aan wie de vordering formeel toebehoort binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, moet de invorderingsambtenaar zoveel mogelijk aangeven op welke gronden hij de vordering die op naam van die ander is geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige. 14.4.2Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de invorderingsambtenaar voor het doen van een vordering. 14.4.3Roerende zaken bij derden Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 14.2.8 van deze leidraad. 14.4.4Plaats beslaglegging en derdenbeslag Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht geschonken. De situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor heeft en een of meerdere bijkantoren. In dat geval legt

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.