Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022De raad van de gemeente Lansingerland; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 oktober 2022, gelet op artikel 121; artikel 122; artikel 147; artikel 149; artikel 150 Gemeentewet; artikel 2.1.3; artikel 2.1.4; artikel 2.1.4a; artikel 2.1.6; artikel 2.3.6, lid 4; artikel 2.6.6., lid 1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; artikel 2.9; artikel 2.10; artikel 2.12; artikel 8.1.1, lid 3 Jeugdwet; artikel 6, lid 2; artikel 8; artikel 8a; artikel 8b; artikel 10b; artikel 47 Participatiewet; artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; artikel 4a, lid 3 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; Artikel 3.8; artikel 5.4 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; gezien de brief van de Adviesraad Sociaal Domein Lansingerland van 8 september 2022, Besluit vast te stellen de: Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Paragraaf1.1Definities Artikel1.1.1Begrippen wetgever De in deze verordening opgenomen begrippen kennen, tenzij uit deze verordening het tegendeel blijkt, dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel1.1.2Begrippen verordening In deze verordening wordt verstaan onder: Deskundig advies: advies van een professional die, al dan niet in teamverband, beschikt over specifieke deskundigheid; Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland; Gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Lansingerland; Inwoner: iemand die zijn hoofdverblijf in Lansingerland heeft, of een jeugdige die als inwoner kan worden beschouwd op grond van het woonplaatsbeginsel in artikel 1.1 van de Jeugdwet; Ondersteuningsvraag: de behoefte van een inwoner aan maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, een uitkering met bemiddeling naar werk of inkomensondersteuning en/of schuldhulpverlening; Pgb: persoonsgebonden budget; Raad: gemeenteraad; Toegangspartij: een door de gemeente gecontracteerde partij die namens de gemeente een onderzoek kan verrichten. Paragraaf1.2Toepassingsbereik Artikel1.2.1Sociaal Domein Deze verordening stelt regels met betrekking tot de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel1.2.2Beschermd wonen en maatschappelijke opvang De in deze verordening opgenomen regels zijn niet van toepassing op de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Voor deze voorzieningen gelden de regels van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018 zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam op 14 december 2017 (gmb-2018-24161) en laatstelijk gewijzigd op 11 april 2019 (gmb-2019-100435). Artikel1.2.3Strijd met de wet Indien de uitvoering van een bepaling van deze verordening in voorkomende gevallen in strijd is met de wet, dan geldt de bepaling uit deze verordening in dat geval niet. Artikel1.2.4Klachtenreglement Al het handelen van medewerkers van de gemeente in het kader van uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de gemeentelijke regelgeving zoals omschreven in deze verordening valt onder het geldende gemeentelijk klachtenreglement. Hoofdstuk2.Toegang Paragraaf2.1Melding Artikel2.1.1Verzoek tot ondersteuning 1.Inwoners kunnen hun ondersteuningsvraag op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, werk, inkomen of schulden alleen –niet bij een andere organisatie- vormvrij (schriftelijk, digitaal, telefonisch en fysiek) stellen bij de gemeente. 2.In afwijking van het eerste lid kunnen inwoners met een ondersteuningsvraag op het gebied van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp hun ondersteuningsvraag ook vormvrij (schriftelijk, digitaal, telefonisch en fysiek) stellen bij een door de gemeente aangewezen toegangspartij. 3.In afwijking van het eerste lid kunnen inwoners met een ondersteuningsvraag op het gebied van jeugdhulp hun ondersteuningsvraag ook stellen bij een (jeugd) arts. 4.Een derde kan een ondersteuningsvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid ook namens een inwoner stellen. Deze derde moet dan wel in staat zijn de belangen van de inwoner te behartigen en bevoegd zijn om de inwoner te vertegenwoordigen. Artikel2.1.2Bevestiging en afspraak 1.De gemeente of de toegangspartij bevestigt de ontvangst van de ondersteuningsvraag schriftelijk. 2.De gemeente of de toegangspartij maakt na het versturen van de bevestiging een afspraak voor een gesprek als start van het onderzoek. Het doel van het gesprek is om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de hulpvraag van de inwoner, de persoonlijke situatie van de inwoner en het resultaat dat de inwoner wil bereiken. 3.De gemeente of de toegangspartij wijst de inwoner in de uitnodiging voorafgaande aan het gesprek op de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. 4.De gemeente of de toegangspartij wijst de inwoner in de uitnodiging voorafgaand aan het gesprek op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan of familiegroepsplan. 5.De gemeente of de toegangspartij wijst de inwoner in de uitnodiging op de mogelijkheid om iemand uit zijn eigen netwerk mee te nemen naar het gesprek die hem onafhankelijk kan ondersteunen. Paragraaf2.2Onderzoek Artikel2.2.1Voorbereiding 1.De gemeente of de toegangspartij maakt ter voorbereiding op het gesprek een dossier aan. 2.De gemeente of de toegangspartij vraagt ter voorbereiding op het gesprek aan de inwoner om aan te geven welke stappen hij zelf heeft gezet om zijn ondersteuningsvraag op te lossen. 3.De gemeente of de toegangspartij vraagt als dat nodig is aanvullende stukken op ter voorbereiding op het gesprek en biedt daarvoor een redelijke termijn. 4.Uitsluitend de gemeente kan in het kader van een zorgvuldige voorbereiding op het gesprek gebruik maken van de bevoegdheid om van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de inwoner en zijn situatie ten behoeve van het onderzoek te verzamelen. Artikel2.2.2Inlichtingenplicht 1.Bij het onderzoek stelt de gemeente of de toegangspartij de identiteit van de inwoner vast aan de hand van een identiteitsbewijs dat voldoet aan de wettelijke eisen. 2.De inwoner of zijn vertegenwoordiger geeft de gemeente of de toegangspartij de informatie en de stukken die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Artikel2.2.3Onderzoek feiten en af te wegen belangen 1.De gemeente of de toegangspartij onderzoekt tijdens het gesprek op basis van de ondersteuningsvraag in samenspraak met de inwoner dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger: de ondersteuningsbehoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner; de problemen, beperkingen en/of stoornissen van de inwoner; de aard en omvang van de ondersteuning die de inwoner nodig heeft; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden van de inwoner, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk en/of voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; of en in hoeverre de inzet van een individuele voorziening noodzakelijk en passend is om het gewenste resultaat te bereiken. 2.In het gesprek is ook aandacht voor de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger(
- s)van de inwoner. 3.Het gesprek vindt afhankelijk van de ondersteuningsvraag telefonisch, op kantoor of bij de inwoner thuis plaats. 4.Indien de inwoner voorafgaand aan het gesprek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan of familiegroepsplan, dan betrekt de gemeente of de toegangspartij dit plan bij het gesprek. 5.De gemeente kan, indien zij dat gelet op de ondersteuningsvraag noodzakelijk acht voor het opstellen van een ondersteuningsplan, voorafgaand of na het gesprek, deskundig advies inwinnen. 6.Indien de gemeente gebruik maakt van de in het vijfde lid genoemde mogelijkheid dan informeert zij de inwoner hier schriftelijk over. Artikel2.2.4Informatieverstrekking 1.De gemeente of de toegangspartij informeert de inwoner over de mogelijkheden om in plaats van zorg in natura gemotiveerd te kiezen voor de verstrekking van een pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. 2.De gemeente of de toegangspartij informeert de inwoner over de bijdrage in de kosten die de inwoner verschuldigd zal zijn en de wijze waarop deze bijdrage wordt geïnd bij maatschappelijke ondersteuning. Artikel2.2.5Het ondersteuningsplan 1.De gemeente of de toegangspartij legt het resultaat en de uitkomsten van het gesprek/onderzoek vast in een ondersteuningsplan. De inwoner krijgt dit ondersteuningsplan binnen de in het gesprek afgesproken termijn toegestuurd. 2.Als de gemeente of de toegangspartij meer informatie nodig heeft, waardoor het ondersteuningsplan niet binnen de afgesproken termijn kan worden toegestuurd, dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd. 3.In het ondersteuningsplan staat beschreven wat er is besproken, welk effect de inwoner wil bereiken, hoe dat bereikt zou kunnen worden en welke rol de gemeente daarbij zou kunnen spelen. In het plan is rekening gehouden met de afstemming van het totaal van de voorzieningen. 4.Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd. Artikel2.2.6Gegevensdeling 1.Indien de gemeente het noodzakelijk acht voor het realiseren van een integrale oplossing voor de ondersteuningsvraag van de inwoner dan wordt alleen de daarvoor noodzakelijke informatie uit het onderzoek gedeeld en/of besproken binnen de gemeente en/of met andere betrokken organisaties, zodat er een gezamenlijk op de behoefte van de inwoner afgestemd ondersteuningsaanbod kan worden gerealiseerd. 2.Het delen van informatie als bedoeld in het eerste lid vindt niet eerder plaats dan nadat met de inwoner is besproken met welk doel, welke informatie, met wie moet worden uitgewisseld en de inwoner de kans heeft gekregen zijn zienswijze hierover kenbaar te maken, tenzij de gemeente van oordeel is dat zwaarwegende belangen zich tegen het vooraf bespreken van de voorgenomen informatiedeling verzetten. 3.Informatie uit het onderzoek die betrekking heeft op (signalen van) strafbare feiten/fraude wordt door de gemeente altijd gedeeld met de relevante interne en/of externe instanties. 4.Voordat de informatie feitelijk wordt gedeeld wordt hiervan een rapport opgemaakt waarin de argumenten om tot informatiedeling over te gaan worden vastgelegd. Paragraaf2.3Aanvraag Artikel2.3.1De aanvraag voor een individuele voorziening 1.De inwoner kan een aanvraag voor een individuele voorziening voor maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, werk, inkomen of schulden alleen met een door de gemeente vastgesteld aanvraagformulier schriftelijk of digitaal indienen bij de gemeente. 2.Een aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning kan niet eerder worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd en er een volledig en actueel ondersteuningsplan is opgesteld. 3.Indien het onderzoek niet binnen de gestelde termijn van zes weken is uitgevoerd, heeft de inwoner de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor maatschappelijke ondersteuning terwijl het onderzoek nog niet is afgerond. 4.Een aanvraag voor een individuele voorziening voor inkomen door een jongere kan niet eerder worden gedaan dan nadat de zoektermijn van 4 weken is verstreken, tenzij bijzondere omstandigheden dit volgens de gemeente rechtvaardigen. 5.In afwijking van het eerste lid kan de gemeente een ondertekend ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2.2.5 als een complete aanvraag voor een individuele voorziening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp beschouwen als dit uit het ondersteuningsplan blijkt. Voorwaarde hiervoor is wel dat het gesprek niet langer dan drie maanden geleden heeft plaatsgevonden. 6.In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag voor een individuele voorziening op het gebied van schulden ook mondeling worden ingediend tijdens het gesprek naar aanleiding van de melding. Artikel2.3.2De beoordeling van de aanvraag 1.De gemeente betrekt de resultaten van het onderzoek als bedoeld in paragraaf 2.2 bij de beoordeling van de aanvraag. 2.Als het onderzoek als bedoeld in het eerste lid nog niet heeft plaatsgevonden, omdat de inwoner direct een aanvraag heeft ingediend, dan wordt dit onderzoek alsnog uitgevoerd. 3.Om te bepalen of de gemeente een individuele voorziening toekent volgt zij de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt de hulpvraag vast; Stap 2: De gemeente stelt de problemen, beperkingen en/of stoornissen vast; Stap 3: De gemeente stelt de aard en omvang van de hulp die de inwoner nodig heeft vast; Stap 4: De gemeente stelt vast wat de inwoner zelf, al dan niet met gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk en/of voorliggende (algemene) voorzieningen, kan doen; Stap 5: De gemeente stelt vast of en in hoeverre een individuele voorziening noodzakelijk en passend is om het gewenste resultaat te bereiken. 4.Afhankelijk van de aard en omvang van de ondersteuningsvraag kan de gemeente een (of meerdere) deskundige(
- n)om advies vragen als zij dit noodzakelijk acht voor het beoordelen van de aanvraag. 5.Indien de gemeente gebruik maakt van de in het vierde lid genoemde mogelijkheid dan informeert zij de inwoner hier schriftelijk over. Paragraaf2.4besluit Artikel2.4.1Beslistermijn 1.De gemeente neemt haar besluit op een aanvraag om een individuele voorziening zo snel mogelijk, maar in elk geval: binnen de wettelijke termijn van 8 weken wanneer het gaat om een aanvraag om jeugdhulp, werk, inkomen of schulden; of binnen de wettelijke termijn van 2 weken wanneer het gaat om een aanvraag om maatschappelijke ondersteuning. 2.De gemeente kan afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn door gebruik te maken van haar bevoegdheid de beslistermijn op te schorten indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:15 Awb. 3.De gemeente kan afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn door gebruik te maken van haar bevoegdheid de beslistermijn te verlengen indien voorzienbaar is dat niet tijdig een besluit genomen kan worden onder vermelding van een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wel genomen kan worden. Artikel2.4.2Motivering Het besluit wordt gemotiveerd per brief aan de inwoner bekend gemaakt. Artikel2.4.3Afwijking procedure 1.In spoedeisende gevallen biedt de gemeente zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening ten behoeve van jeugdhulp, of vraagt de gemeente een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. 2.In spoedeisende gevallen biedt de gemeente zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening ten behoeve van maatschappelijke ondersteuning. De gemeente verstrekt de opdracht tot inzet van een dergelijke voorziening uiterlijk binnen vijf werkdagen aan de aanbieder. 3.In spoedeisende gevallen biedt de gemeente zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, een passende tijdelijke voorziening ten behoeve van inkomen in de vorm van een voorschot. 4.Als een inwoner voor jeugdhulp door een arts, een Gecertificeerde Instelling of de reclassering is verwezen naar een door de gemeente gecontracteerde aanbieder zorgt de gemeente er in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen procedure voor dat deze jeugdhulp wordt verstrekt. Wanneer de inzet door een Gecertificeerde Instelling of de reclassering is bepaald wordt er geen beschikking afgegeven. 5.De gemeente kan, met het oog op een efficiënte besluitvorming, afwijken van de onderzoeksprocedure zoals opgenomen in dit hoofdstuk indien de situatie voldoende duidelijk is om een gemotiveerd besluit te nemen. Hoofdstuk3.Adviesraad Sociaal Domein Paragraaf3.1Algemeen Artikel3.1.1Adviesraad Sociaal Domein 1.De gemeente heeft, in het belang van haar goed functioneren, een adviesraad voor het voeren van overleg met- en de vertegenwoordiging van haar inwoners. 2.De adviesraad draagt de naam: Adviesraad Sociaal Domein Lansingerland. Artikel3.1.2Taken 1.De adviesraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor het gemeentelijke sociaal domein dat de gemeente gevraagd en ongevraagd advies geeft op het gebied van de beleidsterreinen behorende bij de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanpalende wet- en regelgeving. 2.De adviesraad heeft als taak om: de gemeente vanuit de belangen en ervaringen van de verschillende doelgroepen te informeren en te adviseren over het gevoerde en nog te vormen beleid in het sociaal domein en de gemeente een onafhankelijke visie te bieden, gestoeld op de kennis en ervaring die vertegenwoordigd zijn in de adviesraad; en alert te zijn op ontwikkelingen en knelpunten in het sociaal domein en in dat kader een actieve relatie te onderhouden met de diverse organisaties en doelgroepen in het sociaal domein. 3.De adviesraad is niet bevoegd te adviseren over individuele klachten, bezwaarschriften en/of andere zaken die betrekking hebben op individuele burgers, tenzij deze een algemeen signaal representeren. 4.De adviesraad stelt een huishoudelijk reglement vast waarin het praktisch functioneren wordt geregeld. Paragraaf3.2Leden Artikel3.2.1Samenstelling adviesraad 1.De adviesraad bestaat uit gemiddeld twaalf (kandidaat)leden en een voorzitter. 2.De adviesraad heeft een dagelijks bestuur dat bestaat uit een voorzitter, een secretaris en een penningmeester. 3.Leden moeten kennis, ervaring, affiniteit en/of betrokkenheid hebben met één of meer onderdelen (zoals doelgroepen en beleidsterreinen) op het gebied van het sociaal domein en moeten gezamenlijk alle onderdelen van het sociaal domein kunnen vertegenwoordigen. 4.Leden zijn inwoner van de gemeente Lansingerland. 5.Leden nemen zitting in de adviesraad op persoonlijke titel en niet als vertegenwoordiger van een organisatie. 6.Leden moeten in staat zijn om onafhankelijk te adviseren zonder een eigen en/of organisatiebelang. 7.Het lidmaatschap van de adviesraad is onverenigbaar met het lidmaatschap van de gemeenteraad, de commissies van de gemeenteraad, of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland. Artikel3.2.2Benoeming 1.Werving van nieuwe leden vindt plaats door de adviesraad. 2.De leden van de adviesraad en de voorzitter worden na een openbare sollicitatieprocedure en op voordracht van de adviesraad benoemd door de gemeente. Het dagelijks bestuur van de adviesraad motiveert de voordracht van kandidaat-leden aan de gemeente. 3.Wanneer de gemeente besluit de benoeming van een voorgedragen lid van de adviesraad niet over te nemen, zal zij dit schriftelijk motiveren aan het dagelijks bestuur van de adviesraad. 4.Leden kunnen op twee momenten per jaar benoemd worden, te weten op 1 januari en op 1 juli van elk kalenderjaar. 5.De adviesraad draagt een kandidaat uiterlijk een maand voor de beoogde benoemingsdatum voor. 6.De zittingsduur van de leden bedraagt 4 jaar. Een lid kan slechts keer worden herbenoemd voor een periode van 4 jaar. Artikel3.2.3Aftreden 1.Het lidmaatschap van de adviesraad eindigt: op eigen verzoek; bij verhuizing buiten de gemeente Lansingerland; bij overlijden; na het verstrijken van de zittingsduur van de periode van 4 jaar behoudens herbenoeming; bij toetreding tot de gemeenteraad en/of toetreding tot de commissie als (plaatsvervangend) commissielid, of het college van burgemeester en wethouders dan wel wanneer het lid niet (meer) in staat is om onafhankelijk te adviseren zonder een eigen en/of organisatiebelang; of na een ontslagbesluit van de gemeente. 2.Bij beëindiging van een lidmaatschap informeert de adviesraad schriftelijk de gemeente. 3.Bij disfunctioneren of langdurig ziekteverzuim van een van de leden kan het dagelijks bestuur van de adviesraad een voorstel doen bij de gemeente om het lidmaatschap van het lid op te zeggen. 4.De adviesraad draagt zorg voor een rooster van aftreden. Dit rooster is zodanig dat er voldoende basiskennis geborgd blijft om de continuïteit van het functioneren van de adviesraad te waarborgen. Dit rooster van aftreden wordt opgenomen in het huishoudelijk reglement. Paragraaf3.3Werkwijze Artikel3.3.1Openbaarheid vergaderingen 1.De adviesraad vergadert in principe minimaal zes keer per jaar. De vergaderingen van de adviesraad zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer tenminste drie van de aanwezige leden daarom verzoeken of de voorzitter dit als nodig oordeelt. De adviesraad besluit vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 2.Het dagelijks bestuur van de adviesraad vergadert in principe minimaal zes keer per jaar. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar. 3.Ten minste twee maal per jaar vindt een overlegvergadering plaats met de portefeuillehouder(
- s)van het sociaal domein. Deze overlegvergadering wordt voorgezeten door de voorzitter van de adviesraad. Artikel3.3.2Advisering 1.De gemeente voorziet de adviesraad van alle gemeentelijke informatie die nodig is voor zijn functioneren en betrekt de adviesraad in een vroegtijdig stadium bij de ontwikkeling van nieuw beleid. 2.De gemeente kan onderwerpen middels een schriftelijke adviesaanvraag voorleggen aan de adviesraad. In de aanvraag wordt expliciet vermeld over welke punten advies wordt gevraagd. 3.De adviesraad brengt binnen drie weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk advies uit aan de gemeente. Deze termijn kan worden verlengd, in overleg met de betrokken ambtenaar, tot zes weken indien het gaat om een beleidsvraag van grotere omvang, complex beleid en/of nieuw beleid. 4.Voorafgaande aan het uitbrengen van het advies kan (op verzoek van de adviesraad) de betrokken ambtenaar toelichting geven over lopend beleid, de invloed van nieuw (rijks)beleid en/of over plannen van de gemeente op het gebied van het sociaal domein. 5.De gemeente geeft binnen een redelijke termijn een schriftelijke reactie aan de adviesraad op een aan de gemeente uitgebracht advies. 6.Indien de gemeente het advies van de adviesraad niet overneemt, deelt de gemeente dat schriftelijk en gemotiveerd mee aan de adviesraad. Wanneer het een voorstel aan de gemeenteraad betreft, neemt de gemeente deze afwijking en motivatie op in het raadsvoorstel. Artikel3.3.3Geheimhouding 1.De gemeente verstrekt de adviesraad informatie onder de verplichting tot geheimhouding. 2.De verplichting tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de adviesraad. 3.De verplichting tot geheimhouding eindigt in ieder geval wanneer de betreffende informatie openbaar wordt gemaakt. Artikel3.3.4Budget en faciliteiten 1.Voor het uitvoeren van de taken van de adviesraad vraagt de adviesraad subsidie aan bij de gemeente. De subsidie is bedoeld voor: het faciliteren van de adviesfunctie; de kosten van deskundigheidsbevordering; de kosten voor onderzoek en raadpleging; en het inhuren van secretariële ondersteuning en/of verslaglegging. 2.De subsidie is inclusief de vacatiegelden van de leden, welke door de penningmeester aan de leden wordt uitbetaald. 3.Over de besteding van de subsidie als bedoeld in het eerste lid onder a t/m d wordt jaarlijks door de adviesraad voor 1 juni verantwoording afgelegd in een financieel jaarverslag. In het jaarverslag wordt tevens aandacht besteed aan het functioneren van de adviesraad. 4.Vergaderzalen in het gemeentehuis worden kosteloos ter beschikking gesteld voor vergaderingen van de adviesraad binnen de gebruikelijke openingstijden van het gemeentehuis. 5.Indien er subsidiegeld overblijft wordt dit teruggevorderd door de gemeente, of verrekend met de subsidie van het daaropvolgende jaar. Artikel3.3.5Slotbepalingen 1.Wijziging of intrekking van deze verordening kan alleen nadat de adviesraad daarover advies heeft gegeven. 2.In gevallen waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de gemeente, na daartoe advies te hebben ingewonnen van de adviesraad. 3.Opheffing van de adviesraad kan alleen door een besluit van de gemeente, na het horen van de adviesraad. Hoofdstuk4.Maatschappelijke ondersteuning Paragraaf4.1Procedure Artikel4.1.1Melding Een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.1.1. Artikel4.1.2Onderzoek 1.Het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015 wordt uitgevoerd op de manier zoals beschreven in paragraaf 2.2. 2.De gemeente is ook bevoegd om onderzoek te doen naar de mogelijke beschikbaarheid van gebruikelijke hulp door huisgenoten en daarvoor huisgenoten van de inwoner uit te nodigen of te laten onderzoeken door een (of meerdere) deskundige(n), voor zover dit noodzakelijk is voor de vaststelling van het recht op een maatwerkvoorziening. 3.Als de inwoner aangeeft een Pgb te willen ontvangen dan is de gemeente ook bevoegd om onderzoek te doen naar de beoogde ondersteuningsverlener/leverancier. 4.Als de inwoner een derde als Pgb-beheerder wil machtigen, dan zal de gemeente deze Pgb-beheerder in het onderzoek betrekken en daarmee minstens eenmaal een gesprek voeren voordat over het verzoek tot verstrekking van een voorziening in de vorm van een Pgb wordt beslist. Artikel4.1.3Aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 Wmo 2015, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1. Artikel4.1.4Beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; welke leverancier de ondersteuning zal leveren; hoe de voorziening verstrekt wordt en wat hierbij van de inwoner wordt verwacht; de kostprijs van de voorziening; en of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; wie de ondersteuningsverlener is die de ondersteuning zal leveren; de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget; en of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. 4.Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde maatwerkvoorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een pgb, dan bevat de beschikking de grond(
- en)waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd. Artikel4.1.5Afwijking procedure De gemeente kan op basis van artikel 2.4.3 afwijken van de in deze paragraaf beschreven procedure. Paragraaf4.2Kwaliteit en veiligheid Artikel4.2.1Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.De voorzieningen die worden ingezet voor maatschappelijke ondersteuning moeten van goede kwaliteit zijn. Daarom moet er in elk geval voldaan worden aan de volgende eisen: voldoende deskundigheid bij de ondersteuningsverleners; afstemming van de ondersteuning op de persoonlijke situatie van de inwoner; afstemming van de ondersteuning op andere vormen van zorg en hulp; en handelen in overeenstemming met de professionele standaard door ondersteuningsverleners tijdens hun werkzaamheden. 2.De gemeente kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks klantervaringsonderzoek en het zo nodig ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 4.Voor de kwaliteitseisen op begeleiding, dagbesteding en hulp bij het huishouden, hanteren we de kwaliteitseisen van GGD Haaglanden, zoals vastgelegd in Kwaliteitsstandaard Wmo (herziene versie december 2019). GGD Haaglanden voert het toezicht op de kwaliteitseisen van deze voorzieningen uit. Artikel4.2.2Veiligheidseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Voor de veiligheid van de inwoner dienen ondersteuningsverleners te beschikken over de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en te voldoen aan de wettelijke eisen. Zij dienen te beschikken over een gelet op de beperkingen en ondersteuningsbehoefte relevante opleiding en een recente VOG. Ook dient men als professional verzekerd te zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid. 2.De gemeente werkt de in het eerste lid bedoelde eisen verder uit in haar beleid en in de contracten met leveranciers. Artikel4.2.3Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; kosten voor bijscholing van personeel; de marktprijs van de voorziening; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; instructie over het gebruik van de voorziening; onderhoud van de voorziening, en verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden. Artikel4.2.4Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.De gemeente treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en heeft daartoe een toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 Wmo 2015 aangewezen. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthouder. 3.De toezichthouder doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert de gemeente over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Paragraaf4.3Voorwaarden maatwerkvoorziening Artikel4.3.1Beschikbare maatwerkvoorzieningen De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: Huishoudelijke hulp; Begeleiding individueel; Begeleiding groep; Vervoersvoorzieningen; Woonvoorzieningen; en Hulpmiddelen. Artikel4.3.2Uitgangspunten 1.Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid of participatie: ter compensatie van de beperkingen, chronische, psychische, fysieke of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de inwoner niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de inwoner deze beperkingen niet zelf kan verminderen of wegnemen; als de maatwerkvoorziening, rekening houdend met de uitkomsten van het in het hoofdstuk twee bedoelde onderzoek, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 2.Maatwerkvoorzieningen die worden verstrekt dienen de goedkoopst passende maatwerkvoorziening(
- en)te zijn en zijn niet bedoeld om de inwoner in een gunstigere situatie te plaatsen dan wanneer hij geen beperkingen, chronische, psychische, fysieke of psychosociale problemen zou hebben. 3.Maatwerkvoorzieningen die worden verstrekt dienen veilig te zijn voor de inwoner en zijn omgeving en mogen niet anti-revaliderend werken. 4.Met de maatwerkvoorziening(
- en)wordt de inwoner in staat gesteld tot een aanvaardbaar niveau van maatschappelijke participatie. 5.Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor de periode die noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken. Artikel4.3.3Weigeringsgronden 1.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: als de hulpvrager geen inwoner is van de gemeente Lansingerland; voor zover de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; voor zover voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, waardoor sprake is van een voorliggende voorziening; voor zover voor de noodzaak tot ondersteuning in redelijkheid aanspraak kan worden gemaakt, of had kunnen worden gemaakt, op een uitkering door een letselschadeverzekeraar; voor zover de inwoner de beperking weg kan nemen met een voorziening die in de reguliere handel vrij verkrijgbaar is, niet speciaal voor mensen met een beperking is ontworpen en niet aanzienlijk duurder is dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel (passend in een normaal aanschaffingspatroon bij een gelijke financiële positie) en daarmee voor de inwoner algemeen gebruikelijk is om over te (kunnen) beschikken; als het een voorziening betreft waarover de inwoner al beschikt vóór de melding tenzij er alsnog een melding is gedaan binnen 42 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorzieningen redelijkerwijs nog is vast te stellen; als er geen langdurige noodzaak voor het verstrekken van de voorziening aanwezig is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding; voor zover de inwoner met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; als de gevraagde voorziening al eerder op grond van de Wmo 2015 of een andere wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de afschrijftermijn nog niet verstreken is, tenzij de inwoner hiervan geen verwijt kan worden gemaakt; als een inwoner zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen; of als de inwoner of een derde niet of onvoldoende meewerkt aan het onderzoek als bedoeld in artikel 4.1.2 terwijl deze medewerking noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op de voorziening. 2.In aanvulling op de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden wordt geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening verstrekt: voor zover de woning in slechte staat verkeert of de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; als de inwoner daar niet zijn (toekomstig) hoofdverblijf heeft, tenzij het gaat om het bezoekbaar maken van de echtelijke woning of het ouderlijk huis van een inwoner die in een Wlz instelling zijn hoofdverblijf heeft en de inwoner deze woning voor een lange periode frequent zal gaan bezoeken, de persoonlijke verzorging van de inwoner is geregeld en de aanpassing(
- en)bouwtechnisch eenvoudig zijn te realiseren; voor hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatie-woningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting voor een andere woning; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan voorzieningen ten behoeve van de toegankelijkheid van deze ruimte; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; of als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door de gemeente. 3.Als er meerdere adequate voorzieningen zijn waarmee inwoner in zijn vervoersbehoefte kan voorzien, dan ligt het primaat bij de collectieve vervoersvoorziening. Paragraaf4.4Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget Artikel4.4.1Verzoek 1.Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb dient de inwoner bij de aanvraag om een maatwerkvoorziening tevens een pgb plan en als de voorzienig bestaat uit een dienst tevens een recente VOG van de directe zorgverlener(s), in te dienen. 2.Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie in de vorm van een dienst dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend, inclusief een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn en een toelichting daarop. Artikel4.4.2Pgb plan 1.Om voor een pgb in aanmerking te komen dient de inwoner in een pgb-plan toe te lichten dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb aantoonbaar tot een goede, doelmatige en effectieve ondersteuning leidt. De inwoner maakt hiermee een bewuste keuze voor het pgb. 2.Het pgb plan bevat in elk geval de volgende punten: de reden waarom de inwoner in aanmerking wil komen voor een pgb; een beschrijving van de ondersteuning of voorziening die de inwoner in wil kopen; de naam van de beoogde ondersteuningsverlener of aanbieder; een toelichting op de keuze voor deze aanbieder en/of ondersteuningsverlener; de kosten die de leverancier/ondersteuningsverlener in rekening brengt, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; de wijze waarop de inwoner, conform het model van de SVB, een contract aangaat met de Pgb-aanbieder; de wijze waarop de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; de wijze waarop de ondersteuningsverlener wordt aangestuurd in de praktijk; de wijze waarop de zorg wordt gecontroleerd; de wijze waarop een juiste administratie wordt bijgehouden; hoe omgegaan wordt met geconstateerde onjuistheden; en hoe de continuïteit van de ondersteuning is gewaarborgd op het moment dat er zich een calamiteit voordoet. 3.In aanvulling op het tweede lid bevat het pgb plan in elk geval de volgende punten indien aanspraak wordt gemaakt op het formele pgb-tarief: Een uitdraai uit het handelsregister van de leverancier; en Een bewijs van verzekering tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid van de leverancier. Artikel4.4.3Beheer 1.Om in aanmerking te komen voor een Pgb dient de inwoner in staat te zijn de taken als budgethouder op zich te nemen. Dit betekent dat hij: In staat is aan te geven welke ondersteuning hij nodig heeft aan de ondersteuningsverlener/ leverancier; Geen problematische schulden heeft; Geen ernstige verslavingsproblematiek heeft; Geen verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een cognitieve stoornis heeft; Geen aangetoonde fraude heeft gepleegd in de afgelopen vier jaar; en De Nederlandse taal in woord en geschrift voldoende beheerst. 2.Indien de inwoner niet over de in het eerste lid genoemde vaardigheden beschikt dan kan iemand uit het netwerk van de inwoner het beheer van het pgb op zich nemen. Dit kan een wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde zijn. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde voorwaarden dient deze persoon: Een recente VOG te overleggen; Regelmatig een bezoek aan de inwoner te brengen en zo de ondersteuning ter plekke te controleren (er moet sprake zijn van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd); In staat te zijn tot communicatie met de inwoner; Geen financiële vordering op de inwoner te hebben; en Niet dezelfde persoon te zijn als de beoogde ondersteuningsverlener en geen nauwe band hebben met de beoogd ondersteuningsverlener waardoor er een belangenconflict zou kunnen optreden. 3.Een inwoner krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om iemand uit zijn netwerk als bedoeld in het tweede lid aan te dragen. Indien geen geschikte derde wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb worden afgewezen. Artikel4.4.4Uitgangspunten vaststellen Pgb budget 1.Het tarief voor een pgb: Is voor een dienst gebaseerd op de frequentie van de in te zetten ondersteuning en/of het resultaat, en hangt af van de ondersteuningsverlener. Er wordt rekening gehouden met een verschil tussen formele inzet (gediplomeerd en beroepsmatig) en informele inzet (uit het netwerk van de inwoner); Is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen; en Bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura. 2.In het geval de maatwerkvoorziening een hulpmiddel betreft wordt het bedrag aangevuld met een bedrag voor het onderhoud gedurende de duur van de verstrekking. 3.De hoogte van het pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten. Artikel4.4.5Hoogte Pgb budget 1.Hulpverleners die als niet-professioneel worden aangemerkt en mensen uit het sociaal netwerk krijgen het volgende informele tarief: Individuele begeleiding: € 13,00 per uur; Kortdurend verblijf: maximaal € 32,00 per etmaal (tegemoetkoming in de kosten); Hulp bij het huishouden: € 13,00 per uur. 2.De bedragen voor een pgb voor een hulpmiddel worden bepaald als tegenwaarde van het hulpmiddel dat de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als het in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. 3.Het pgb voor een sportrolstoel of andere sportvoorziening is mede bestemd als tegemoetkoming in aanschaf, het onderhoud, de reparaties en de aanpassingen van de voorziening voor een periode van 3 jaar en bedraagt maximaal € 3.146. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 4.Het pgb voor een verhuizing bedraagt maximaal € 2.706. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 5.Het pgb dat maximaal verstrekt wordt voor het toegankelijk maken van een woning (bezoekbaar maken) bedraagt € 2.967. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 6.Het pgb bedraagt voor een vervoersvoorziening maximaal: Taxikostenvergoeding € 2.016 per jaar; Rolstoeltaxikostenvergoeding € 2.486 per jaar. Tenzij de aanvrager aantoont dat dit niet kostendekkend is. 7.Het pgb voor noodzakelijke aanpassingen en in aanmerking komende kosten voor een eigen auto, of wanneer het een minderjarige betreft de auto van zijn ouder, bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. 8.Het Pgb voor een woonvoorziening in de vorm van een woningsanering welke blijkens een medisch advies noodzakelijk is wegens huisstof- of huismijtallergie, astma of chronische bronchitis, bedraagt maximaal de goedkoopst adequaatste optie uit de Nibud prijzenlijst. Artikel4.4.6Niet in het tarief 1.De gemeente verstrekt geen Pgb voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het Pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de Pgb-beheerder. 2.Het Pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. Artikel4.4.7Gebruik pgb 1.Een Pgb moet door de inwoner binnen drie maanden na toekenning worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt, tenzij hier in de beschikking een andere termijn voor wordt vastgesteld. 2.Het is niet toegestaan om minder uren zorg in te kopen omdat de zorgverlener een hoger uurtarief hanteert. 3.Tenzij het gaat om een incidenteel Pgb, wordt het Pgb verstrekt via de SVB. De zorgverlener kan de kosten declareren bij de SVB, nadat deze zijn goedgekeurd door de beheerder. Artikel4.4.8Zorgplan 1.Een inwoner die ervoor kiest om een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst door middel van een Pgb te verzilveren moet binnen drie maanden na toekenning een zorgplan inleveren dat hij samen met de ondersteuningsverlener heeft opgesteld. De inwoner en zijn ondersteuningsverlener tonen hiermee aan dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht wordt verstrekt. 2.Het zorgplan bevat in elk geval de volgende punten: welke leverancier de zorg gaat verlenen; wie de directe ondersteuningsverlener(
- s)is; wat de deskundigheid is van de directe ondersteuningsverlener(s); wie de directe ondersteuningsverlener(
- s)kan vervangen bij afwezigheid; welke doelen behaald moeten worden; welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; de prognose; waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden. 3.De inwoner en de ondersteuningsverlener zorgen voor een periodieke evaluatie van het zorgplan en zorgen dat het plan, door het bijhouden en vastleggen van wijzigingen, actueel blijft. Artikel4.4.9Weigering pgb 1.De gemeente wijst het verzoek om een pgb af als: De ondersteuning die de inwoner met het Pgb wenst in te kopen naar het oordeel van de gemeente niet van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het Pgb plan en een eventueel zorgplan. Daarnaast dient de uitvoerder van de ondersteuning te beschikken over een adequate zorgopleiding en een recente VOG; Niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; Het beheer niet voldoende is geborgd; of Er druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 2.Een Pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van de gemeente wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Pgb. Het niet voldoen aan de voorwaarden heeft tot gevolg dat de gemeente de aanvraag van de inwoner voor ondersteuning in de vorm van een Pgb afwijst. Artikel4.4.10Opschorting betaling uit het pgb 1.De gemeente kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2.De gemeente stelt de inwoner aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Paragraaf4.5Bijdrage in de kosten Artikel4.5.1Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Inwoners die woonachtig zijn in de zelfstandige woningen van woonzorglocatie Laurens Huize Sint Petrus zijn een bijdrage in de kosten van maximaal € 19,00 per maand verschuldigd voor huishoudelijke ondersteuning. Artikel4.5.2Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1.Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik kan maken of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2.De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand per huishouden, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wmo 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 3.Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, bestaande uit een opstaptarief van € 0,96 (per enkele reis) en een bedrag van € 0,14 per kilometer. 4.In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage in de kosten verschuldigd in de volgende situaties: Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(
- e)al een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor beschermd wonen of op grond van het Besluit langdurige zorg; Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(
- e)gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft; Als de inwoner gehuwd is en hij of zijn echtgeno(o)t(
- e)de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; Als het een maatwerkvoorziening voor een minderjarige inwoner betreft tot het achttiende levensjaar; Als het een maatwerkvoorziening rolstoel betreft; Als het een maatwerkvoorziening verhuiskostenvergoeding betreft; Als het een maatwerkvoorziening onderhoud en reparatie van een voorziening betreft; Als het een maatwerkvoorziening arbeidsmatige dagbesteding betreft voor inwoners met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staan voor een beschutte werkplek; of Als de inwoner langer dan één kalendermaand is opgenomen in een tijdelijke instelling; Als de aanbieder de maatwerkvoorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren. 5.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is bepaald door de contractuele afspraken tussen de gemeente en de aanbieder. 6.De kostprijs van een Pgb is gelijk aan het budget dat beschikbaar is gesteld. Paragraaf4.6Waardering en ondersteuning van mantelzorgers Artikel4.6.1Waardering mantelzorgers 1.De gemeente zorgt jaarlijks voor een blijk van waardering voor mantelzorgers. 2.Het blijk van waardering wordt door de gemeente bepaald na overleg met het steunpunt mantelzorg en dient te passen binnen het daarvoor verstrekte budget. 3.De gemeente kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze waarop zorg wordt gedragen voor de blijk van waardering voor mantelzorgers in de gemeente en hoe hier een beroep op kan worden gedaan. Artikel4.6.2Ondersteuning mantelzorgers 1.De gemeente zorgt voor de ondersteuning van mantelzorgers ter voorkoming van overbelasting door advies, ondersteunende diensten, respijtzorg en emotionele steun. 2.De gemeente kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de ondersteuning van mantelzorgers in de gemeente. Paragraaf4.7Klachten en medezeggenschap Artikel4.7.1Klachtregeling 1.Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel4.7.2Medezeggenschap 1.Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Paragraaf4.8Nadere uitwerking Artikel4.8.1Nadere regels stellen 1.In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de gemeente op basis van de individuele situatie. 2.De gemeente kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit hoofdstuk. Hoofdstuk5.Jeugdhulp Paragraaf5.1Procedure Artikel5.1.1Melding en aanvraag 1.Een melding om in aanmerking te komen voor jeugdhulp, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.1.1. 2.Een aanvraag om in aanmerking te komen voor jeugdhulp, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1. 3.De gemeente kan in het dringende belang van de inwoner besluiten om ambtshalve een jeugdhulp-voorziening te verstrekken als en voor zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de inwoner een aanvraag wordt ingediend. 4.Als de aanvraag betrekking heeft op een inwoner die jonger is dan 12 jaren, of die ouder is dan 12 jaren en niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, dan wordt de aanvraag ingediend door diens wettelijke vertegenwoordiger. Artikel5.1.2Onderzoek 1.Het onderzoek volgens artikel 2.3 van de Jeugdwet wordt uitgevoerd op de manier zoals beschreven in paragraaf 2.2. 2.De gemeente is ook bevoegd om onderzoek te doen naar de eigen mogelijkheden van de ouders van de inwoner door hen uit te nodigen of te laten onderzoeken door een (of meerdere) deskundige(n), voor zover dit noodzakelijk is voor de vaststelling van het recht op jeugdhulp. 3.Als de inwoner aangeeft een Pgb te willen ontvangen dan is de gemeente ook bevoegd om onderzoek te doen naar de beoogde ondersteuningsverlener/leverancier. 4.Als de inwoner een derde als Pgb-beheerder wil machtigen, dan zal de gemeente deze Pgb-beheerder in het onderzoek betrekken en daarmee minstens eenmaal een gesprek voeren voordat over het verzoek tot verstrekking van een voorziening in de vorm van een Pgb wordt beslist. Artikel5.1.3Beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een jeugdhulpvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2.Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: welke jeugdhulpvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; welke leverancier de hulp zal leveren; en hoe de hulp verstrekt wordt en wat hierbij van de inwoner wordt verwacht. 3.Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; wie de jeugdhulpverlener is die de ondersteuning zal leveren; de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; en de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget. 4.Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde jeugdhulpvoorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een pgb, dan bevat de beschikking de grond(
- en)waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd. Artikel5.1.4Alternatieve route 1.De gemeente zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.De gemeente zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 3.De gemeente informeert huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen welke jeugdhulp bij welke aanbieder gecontracteerd is dan wel waar deze informatie beschikbaar is. 4.Als de inwoner of zijn ouders na een verwijzing door huisarts, medisch specialist of jeugdarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente een contract of subsidierelatie heeft, vergoedt de gemeente deze andere keuze niet. De inwoner kan wel een Pgb aanvragen. 5.De verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts is maximaal 1 jaar geldig. Artikel5.1.5Afwijking procedure De gemeente kan op basis van artikel 2.4.3 afwijken van de in deze paragraaf beschreven procedure. Paragraaf5.2Kwaliteit en veiligheid Artikel5.2.1Kwaliteitseisen jeugdhulp 1.De voorzieningen die worden ingezet voor het bieden van jeugdhulp moeten van goede kwaliteit zijn. Daarom moet er in elk geval voldaan worden aan de volgende eisen: voldoende deskundigheid bij de hulpverleners; afstemming van de ondersteuning op de persoonlijke situatie van de inwoner en het gezin; afstemming van de ondersteuning op andere vormen van zorg en ondersteuning; en handelen in overeenstemming met de professionele standaard door de jeugdhulpverleners tijdens hun werkzaamheden. 2.De gemeente kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van jeugdhulp. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden en de verantwoordelijkheid van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks klantervaringsonderzoek en het zo nodig ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel5.2.2Veiligheidseisen jeugdhulp 1.Voor de veiligheid van de inwoner dienen jeugdhulpverleners te voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. Zij dienen te beschikken over een gelet op de hulpvraag adequate zorgopleiding en een recente VOG. Ook dient men als professional verzekerd te zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid en te beschikken over een SKJ-registratie of BIG-registratie. 2.De gemeente werkt de in het eerste lid bedoelde eisen verder uit in haar beleid en in de contracten met leveranciers. Artikel5.2.3Verhouding prijs en kwaliteit levering jeugdhulp door derden De gemeente houdt in het belang van een goede prijskwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; kosten voor bijscholing van het personeel; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst. Artikel5.2.4Klachtregeling De gemeente ziet er op toe dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken en ziet toe op de wijze van naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klanttevredenheid onderzoek. Artikel5.2.5Vertrouwenspersoon 1.De gemeente zorgt ervoor dat inwoners, conform artikel 2.5 van de Jeugdwet, een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2.De gemeente wijst inwoners erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon (Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg). Paragraaf5.3Voorwaarden jeugdhulpvoorziening Artikel5.3.1Vormen van jeugdhulp 1.De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: preventieve diensten ten behoeve van opgroeien en opvoeden, zoals: informatie, advies en training jeugdgezondheidszorg opvoedondersteuning lichte ambulante jeugd- en opvoedhulp 2.De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: GGZ Basis Diagnose en behandeling ernstig enkelvoudige dyslexie Begeleiding Ambulant Behandeling Groep Behandeling Individueel Dagbesteding Kortdurend Verblijf Vervoer Pleegzorg Opname Gesloten Jeugdhulp Opname met behandeling Gedwongen opname Langdurig verblijf Gezinshuis Langdurig Verblijf Training Zelfstandig Wonen Langdurig verblijf Open Residentieel Steun, hulp of behandeling Ambulante hulpverlening in thuissituatie Crisishulp Laag frequente medicatie controle Onderwijszorgarrangement Pak je kans Artikel5.3.2Toegang algemene voorziening Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek als bedoeld in artikel 2.2.3. Artikel5.3.3Uitgangspunten individuele voorzieningen De gemeente verleent een individuele voorziening binnen een arrangement van één of meerdere van de volgende resultaatgebieden: ondersteunen van het sociaal en persoonlijk functioneren; herstel, vermindering, stabilisatie stoornis bij de inwoner; opvoeding, versterken mogelijkheden ouders. De gemeente zet de volgende ondersteuningselementen in wanneer deze aanvullend nodig zijn om de in het eerste lid genoemde resultaten te bereiken: vervangende opvoeding; dagbehandeling of dagbesteding; De gemeente kan daarnaast zorgdragen voor een individuele voorziening in de vorm van een vervoersvoorziening voor het vervoer van een inwoner van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. De gemeente stelt de omvang van de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en de ondersteuningselementen, bedoeld in het tweede lid, vast in de intensiteitstreden “beperkt”, “midden” of “intensief”, dan wel een combinatie daarvan, afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de inwoner. De voorzieningen die worden verstrekt dienen veilig te zijn voor de inwoner en zijn omgeving en mogen de gezonde ontwikkeling niet belemmeren. Zij zijn afgestemd op de individuele, reële behoefte van de inwoner en de eventuele andere voorzieningen waarover de inwoner beschikt of kan beschikken. De voorziening wordt verstrekt voor de periode die nodig is om het gewenste resultaat te bereiken en voor zolang de inwoner valt onder de doelgroep van de Jeugdwet. Artikel5.3.4Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten: het krijgen of behouden van structuur of regie; het aanleren van praktische vaardigheden; het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; het aanleren van sociale vaardigheden; het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; en/of het leren omgaan met zijn beperkingen. Artikel5.3.5Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatiestoornis jeugdige Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatie stoornis inwoner, als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is: het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de inwoner in één of meerdere domeinen zoals gezin en vrije tijd; en/of het verlagen van recidiverisico. Artikel5.3.6Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders, als zijn ouders, afgemeten aan één of meerdere van de volgende aspecten, ondersteuning bij hun opvoedingsvaardigheden nodig hebben bij: het te allen tijde kunnen waarborgen van de veiligheid van de inwoner; het stimuleren van de sociale en emotionele ontwikkeling van de jeugdige in de zin van het voorkomen van emotionele verwaarlozing; het kunnen omgaan met de specifieke kenmerken die horen bij de stoornis, ontwikkelingsstoornis of gedragsproblemen van de inwoner; het kunnen aanpassen van het opvoedersgedrag bij de ontwikkelingsleeftijd van de inwoner; het aandacht kunnen hebben en kunnen zorgdragen voor de gezondheid van de inwoner; het kunnen zorgdragen voor deelname van de inwoner aan onderwijs of vormen van daghulp; en/of het kunnen ontwikkelen van een voor de inwoner steunend netwerk. Artikel5.3.7Algemene criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen 1.Geen individuele voorziening wordt verstrekt: als de hulpvrager volgens het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet geen recht heeft op jeugdhulp van de gemeente Lansingerland; voor zover de inwoner en/of zijn ouders op eigen kracht, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de hulpvraag kan wegnemen; voor zover voor de hulpvraag een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat en/of afgesloten aanvullende verzekering, waardoor sprake is van een voorliggende voorziening; als het een jeugdhulpvoorziening betreft waarover de inwoner al beschikt vóór de aanvraag, tenzij er alsnog een aanvraag is gedaan binnen 30 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorzieningen redelijkerwijs nog is vast te stellen; voor zover de inwoner met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; en/of als de inwoner of een derde niet of onvoldoende meewerkt aan het onderzoek als bedoeld in artikel 4.1.2 terwijl deze medewerking noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op de voorziening. 2.Bij de beoordeling van de eigen kracht als bedoeld in het eerste lid onder b neemt de gemeente de primaire verantwoordelijkheid van ouders om hun kind de noodzakelijke jeugdhulp te bieden tot uitgangspunt. Dit betekent dat er alleen een individuele voorziening wordt verstrekt als ouders niet over de noodzakelijke competenties beschikken om de inwoner de benodigde jeugdhulp te kunnen bieden of hier vanwege overbelasting (tijdelijk) niet toe in staat zijn. Artikel5.3.8Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding jeugdige In aanvulling op de in artikel 5.3.7 genoemde criteria geldt dat vervangende opvoeding alleen kan worden ingezet als gedurende een behandelingssituatie hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de inwoner; de inwoner vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; de noodzakelijke hulp aan de inwoner kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; en/of vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de inwoner op. Artikel5.3.9Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagbehandeling of dagbesteding In aanvulling op de in artikel 5.3.7 genoemde criteria geldt dat ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding alleen kan worden ingezet als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: vanwege een beperking of stoornis is het voor de inwoner niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; de inwoner heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; de inwoner is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur. Artikel5.3.10Aanvullende criteria individuele voorziening vaktherapie 1.In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt geen individuele voorziening in de vorm van vaktherapie verstrekt als: De vaktherapie geen onderdeel uitmaakt van een concreet behandeltraject; De vaktherapeut niet is geregistreerd bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB); of Er meer dan 12 sessies van maximaal 1 uur worden ingezet. 2.De gemeente kan in individuele situaties gemotiveerd afwijken van het in het eerste lid onder c genoemde aantal sessies en/of de duur daarvan, indien dit noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken en er geen alternatieve mogelijkheden zijn om te komen tot effectieve jeugdhulp. 3.De gemeente hanteert voor vaktherapie een maximumtarief van € 80,00 per uur, waarbij maximaal 25% aan indirect cliëntgebonden tijd mag worden gedeclareerd. Artikel5.3.11Aanvullende criteria individuele voorziening dierentherapie 1.In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt geen individuele voorziening in de vorm van dierentherapie verstrekt als: De dierentherapie niet wordt uitgevoerd in combinatie met een behandeling of begeleiding; De uitvoerende hulpverlener niet BIG- of SKJ-geregistreerd is; De aanbieder niet beschikt over een keurmerk; of De inzet van dieren niet is onderbouwd in een resultaatgericht hulpverleningsplan. 2.De gemeente hanteert voor dierentherapie hetzelfde tarief als het tarief dat voor de passende behandeling of begeleiding zonder de ondersteunende inzet van een dier zou gelden. Artikel5.3.12Zeventien en een half-jarigen De gemeente kan aan een inwoner die de leeftijd van achttien jaar bijna heeft bereikt en die naar verwachting een voortdurende behoefte aan ondersteuning zal hebben na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, vanuit de jeugdwet een individuele voorziening aanbieden die in het kader van de Wmo 2015 als maatwerkvoorziening is ingekocht. In dat geval vindt er afstemming met een Wmo-consulent plaats, die beoordeelt of de maatwerkvoorziening na het bereiken van achttienjarige leeftijd kan worden verstrekt vanuit de Wmo 2015 en zal tevens een Wmo-indicatie worden afgeven voor na het achttiende levensjaar. Paragraaf5.4Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget Artikel5.4.1Verzoek 1.Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb dient de inwoner of zijn ouders bij de aanvraag om een jeugdhulpvoorziening tevens een pgb plan en een recente VOG van de directe hulpverlener(s), in te dienen. 2.Om in aanmerking te kunnen komen voor een Pgb voor dyslexiezorg dient het protocol voor dyslexie op correcte wijze te zijn gevolgd. 3.Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend, inclusief een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn en een toelichting daarop. Artikel5.4.2Pgb plan 1.Om voor een pgb in aanmerking te komen dient de inwoner of zijn ouders in een pgb-plan toe te lichten dat een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb aantoonbaar tot een goede, doelmatige en effectieve hulp leidt die beter is dan wat de gemeente door middel van zorg in natura kan bieden. De inwoner maakt hiermee een bewuste keuze voor het pgb. 2.Het pgb plan bevat in elk geval de volgende punten: de reden waarom de inwoner of zijn ouders het zorg in natura aanbod van de gemeente niet passend vindt en hij in aanmerking wil komen voor een pgb; een beschrijving van de hulp of voorziening die de inwoner of zijn ouders in wil kopen; de naam van de beoogde hulpverlener of aanbieder; een toelichting op de keuze voor deze aanbieder en/of hulpverlener; de kosten die de leverancier/hulpverlener in rekening brengt, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; de wijze waarop de inwoner of zijn ouders, conform het model van de SVB, een contract aangaat met de Pgb-aanbieder; de wijze waarop de kwaliteit van de hulp is gewaarborgd; de wijze waarop de hulpverlener wordt aangestuurd in de praktijk; de wijze waarop de hulp wordt gecontroleerd; de wijze waarop een juiste administratie wordt bijgehouden; hoe omgegaan wordt met geconstateerde onjuistheden; en hoe de continuïteit van de jeugdhulp is gewaarborgd op het moment dat er zich een calamiteit voordoet. 3.In aanvulling op het tweede lid bevat het pgb plan in elk geval de volgende punten indien aanspraak wordt gemaakt op het formele pgb-tarief voor de inhuur van een professional: Een uitdraai uit het handelsregister van de leverancier; en Bewijs van verzekering tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid van de leverancier. Artikel5.4.3Beheer 1.Om in aanmerking te komen voor een Pgb dient de inwoner of zijn ouder(
- s)in staat te zijn de taken als budgethouder op zich te nemen. Dit betekent dat hij: In staat is aan te geven welke hulp hij nodig heeft aan de hulpverlener/leverancier; Geen problematische schulden heeft; Geen ernstige verslavingsproblematiek heeft; Geen aanmerkelijke verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een blijvende cognitieve stoornis heeft; Geen aangetoonde fraude heeft gepleegd in de afgelopen vier jaar; en De Nederlandse taal in woord en geschrift voldoende beheerst. 2.Indien de inwoner of zijn ouders niet over de in het eerste lid genoemde vaardigheden beschikt dan kan iemand uit het netwerk van de inwoner het beheer van het pgb op zich nemen. Dit kan een wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde zijn. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde voorwaarden dient deze persoon: Een recente VOG te overleggen; Regelmatig een bezoek aan de inwoner te brengen en zo de ondersteuning ter plekke te controleren (er moet sprake zijn van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd); In staat te zijn tot communicatie met de inwoner en zijn ouders; en Niet dezelfde persoon te zijn als de beoogde hulpverlener en geen nauwe band hebben met de beoogd hulpverlener waardoor er een belangenconflict zou kunnen optreden. 3.Een inwoner of zijn ouders krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om iemand uit zijn netwerk als bedoeld in het tweede lid aan te dragen. Indien geen geschikte derde wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb worden afgewezen. Artikel5.4.4Hoogte Persoonsgebonden budget 1.De hoogte van een pgb: wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner of zijn ouders opgesteld Pgb plan; wordt berekend op basis van een tarief of prijs: waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de inwoner of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de inwoner of zijn ouders de jeugdhulp willen betrekken; en bedraagt het formele tarief voor jeugdhulp verleend door een professional die niet behoort tot het sociaal netwerk niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura; of bedraagt het informele tarief voor jeugdhulp verleend door een persoon die niet kan worden aangemerkt als een professional en/of door een persoon uit het sociale netwerk € 13,00 per uur voor begeleiding ambulant, € 35,00 per dagdeel voor kortdurend verblijf en € 125,00 per etmaal voor kortdurend verblijf. 2.Tot het sociale netwerk van de inwoner of zijn ouders behoren in elk geval bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad. Artikel5.4.5Niet in het tarief 1.De gemeente verstrekt geen Pgb voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het Pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de Pgb-beheerder. 2.Het Pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. Artikel5.4.6Gebruik pgb 1.Een Pgb moet door de inwoner of zijn ouders binnen drie maanden na toekenning worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt, tenzij hier in de beschikking een andere termijn voor wordt vastgesteld. 2.Het is niet toegestaan om minder uren zorg in te kopen omdat de hulpverlener een hoger uurtarief hanteert. Artikel5.4.7Zorgplan 1.Een inwoner of zijn ouders die ervoor kiest om een jeugdhulpvoorziening in de vorm van een dienst door middel van een Pgb te verzilveren moet binnen drie maanden na toekenning een zorgplan inleveren dat hij samen met de ondersteuningsverlener heeft opgesteld. De inwoner of zijn ouders en zijn hulpverlener tonen hiermee aan dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht wordt verstrekt. 2.Het zorgplan bevat in elk geval de volgende punten: welke leverancier de hulp gaat verlenen; wie de directe hulpverlener(
- s)is; wat de deskundigheid is van de directe hulpverlener(s); indien van toepassing het SKJ of BIG registratienummer van de hulpverlener(s); wie de directe hulpverlener(
- s)kan vervangen bij afwezigheid; welke doelen behaald moeten worden; welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; de prognose; waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden. 3.De inwoner en de ondersteuningsverlener zorgen voor een periodieke evaluatie van het zorgplan en zorgen dat het plan, door het bijhouden en vastleggen van wijzigingen, actueel blijft. Artikel5.4.8Weigering pgb 1.De gemeente wijst het verzoek om een pgb af als: De hulp die de inwoner of zijn ouders met het Pgb wenst in te kopen naar het oordeel van de gemeente niet van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het zorgplan. Daarnaast dient de uitvoerder van de hulp te beschikken over een recente VOG en om in aanmerking te komen voor het professionele tarief ook over een adequate zorgopleiding en een SKJ of BIG registratie; Niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; Het om GGZ-behandeling gaat en de inwoner of zijn ouders een hulpverlener uit het eigen sociale netwerk in willen zetten; Het beheer niet voldoende is geborgd; of Er druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 2.Een Pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van de gemeente wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Pgb. Het niet voldoen aan de voorwaarden heeft tot gevolg dat de gemeente de aanvraag van de cliënt voor ondersteuning in de vorm van een Pgb afwijst. 3.In afwijking van het tweede lid kan de gemeente in een individuele situatie gemotiveerd afwijken van de eis dat de professionele hulpverlener over SKJ of BIG registratie moet beschikken. Artikel5.4.9Opschorting betaling uit het pgb 1.De gemeente kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2.De gemeente stelt de inwoner of zijn ouders aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Paragraaf5.5Nadere uitwerking Artikel5.5.1Nadere regels stellen 1.In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de gemeente op basis van de individuele situatie. 2.De gemeente kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit hoofdstuk. Hoofdstuk6.Werk en re-integratie Paragraaf6.1Algemene bepalingen Artikel6.1.1Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen een half jaar; korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen een half jaar. Artikel6.1.2Afwegingskader 1.De gemeente kan de voorziening bedoeld in artikelen 6.2.1, 6.2.3, 6.2.4, 6.2.8 en 6.2.10 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2.De gemeente kan de voorzieningen bedoeld in de artikelen 6.2.1, 6.2.2, 6.2.4, 6.2.5, 6.2.6, 6.2.7, 6.2.8 en 6.2.9 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3.De gemeente houdt bij het aanbieden van de in paragraaf 6.2 opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. 4.De gemeente kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze paragraaf genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, onder 2 van de Participatiewet; naar het oordeel van de gemeente de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van de gemeente niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze paragraaf worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 5.De gemeente stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, de gemeente in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in dit onderdeel geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel6.1.3Budget- en subsidieplafonds 1.De gemeente kan in beleidsregels een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen die in paragraaf 6.2 worden genoemd. 2.De gemeente kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. 3.Een door de gemeente ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 4.De mogelijkheden genoemd in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de voorziening als bedoeld in artikel 6.1.9. Paragraaf6.2Voorzieningen Artikel6.2.1Werkstage 1.De gemeente kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze behoort tot de doelgroep. 2.Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.De gemeente plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4.In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: het doel van de werkstage, en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel6.2.2Sociale activering 1.De gemeente kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2.De gemeente stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. Artikel6.2.3Detacheringsbaan 1.De gemeente kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3.Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel6.2.4Scholing en training 1.De gemeente kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholings- of trainingstraject aanbieden. 2.Een scholing- of trainingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: De ingezette scholing of training moet resulteren in een reële verhoging van de kansen op de arbeidsmarkt; De scholing of training is noodzakelijk om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; en Scholing of training wordt niet ingezet indien een persoon in het jaar voorafgaand aan het verzoek om scholing of training al met succes een beroepsgerichte scholing heeft afgerond. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, sub a, van de Participatiewet. Artikel6.2.5Participatieplaats 1.De gemeente kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2.De gemeente zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door de gemeente, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3.De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet bedraagt € 100,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel6.2.6Beschut werk 1.De gemeente biedt, volgens artikel 10b, eerste lid van de Participatiewet, de voorziening beschut werk aan een persoon uit de doelgroep aan die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 2.De gemeente wint advies in bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen voor de beoordeling of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, tenzij die persoon zelf al het advies heeft aangevraagd. 3.Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet de gemeente onder andere de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 4.De gemeente stelt het aantal plekken voor beschut werk beschikbaar conform het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. De gemeente stelt niet meer plekken voor beschut werk beschikbaar dan het minimum aantal in het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. 5.De gemeente biedt de voorziening beschut werk aan personen met een indicatie beschut werk op volgorde van de datum van de indicatie beschut werk. 6.De gemeente bepaalt welke voorzieningen worden aangeboden aan personen met een indicatie beschut werk wanneer het aantal beschikbare beschutte werkplekken in een jaar reeds is vervuld. 7.Tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking op een beschutte werkplek, kan de gemeente aan personen uit de doelgroep een werkstage aanbieden zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Artikel6.2.7Ondersteuning bij leer-werktraject De gemeente kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie de gemeente van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel6.2.8Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan de gemeente persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van tijdelijke, langdurige of structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. Artikel6.2.9Proefplaatsing 1.Personen kunnen met behoud van uitkering bij wijze van proef werkervaring opdoen bij een werkgever die beoogt om, aansluitend aan de proefplaatsing, de persoon een arbeidsovereenkomst aan te bieden. 2.De duur van de proefplaatsing bedraagt maximaal één maand en kan ten hoogste één keer worden verlengd. Artikel6.2.10Financiële ondersteuning 1.De gemeente kan in bijzondere situaties aan een bijstands- of uitkeringsgerechtigde een voorziening in de vorm van een gerichte tegemoetkoming in specifieke kosten in het kader van een re-integratie-traject die praktische belemmeringen verwijderen verstrekken, indien aannemelijk is dat dit zal leiden tot duurzame uitstroom uit de uitkering. 2.Bij het al dan niet overgaan tot het verstrekken van deze voorziening wordt de situatie van de persoon integraal bekeken, waarbij in elk geval de vaardigheden van de persoon, de getoonde motivatie van de persoon, de (eventuele) bijdrage van de persoon en/of zijn netwerk en de hoogte van de kosten worden betrokken. Artikel6.2.11Werkgeverscheque 1.De gemeente kan een vergoeding in de vorm van een werkgeverscheque verstrekken aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een werknemer met een afstand tot de arbeidsmarkt en die niet direct bemiddelbaar is. 2.De werkgeverscheque wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. 3.De werkgeverscheque wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. 4.De gemeente legt de hoogte van de werkgeverscheque en verdere voorwaarden vast in beleidsregels. Artikel6.2.12Uitstroompremie 1.De gemeente kan op verzoek eenmalig een uitstroompremie van € 500,00 toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene bijstand. 2.Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering aangewezen is of is geweest. 3.Onder duurzaam in de zin van het eerste lid wordt verstaan een dienstverband van tenminste zes aaneengesloten maanden waaruit tenminste een inkomen wordt ontvangen waardoor geen recht meer bestaat op een bijstandsuitkering. 4.Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt binnen drie maanden nadat is voldaan aan de voorwaarden ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1. Artikel6.2.13Hardheidsclausule Indien hiervoor gegronde redenen zijn, kan de gemeente ten gunste van een persoon uit de doelgroep afwijken van de bepalingen in deze paragraaf. Paragraaf6.3Tegenprestatie Artikel6.3.1Inhoud van een tegenprestatie 1.De gemeente kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument; worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en niet leiden tot verdringing. 2.De gemeente stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden de gemeente in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel6.3.2Het opdragen van een tegenprestatie 1.De gemeente kan een persoon met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen. 2.De gemeente kan een persoon met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen 3.Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de volgende factoren: de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een persoon; de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de persoon moeten in aanmerking worden genomen. Artikel6.3.3Duur en omvang van een tegenprestatie 1.De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 13 weken. 2.De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20 uur per week. 3.De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts twee keer worden opgedragen. 4.De gemeente kan met verwijzing naar artikel 6.3.2, derde lid, ook besluiten geen tegenprestatie op te leggen. Artikel6.3.4Geen werkzaamheden voorhanden 1.De gemeente draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. 2.Indien de gemeente geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt de gemeente binnen vier maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. Paragraaf6.4Loonkostensubsidie Artikel6.4.1Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort 1.De gemeente kan vaststellen of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2.Hierbij neemt de gemeente de volgende criteria in acht: een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; of als bedoeld in 10d, tweede lid van de Participatiewet die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3.Voorafgaand aan de vaststelling zoals bedoeld in het eerste lid, kan de gemeente een loonwaardemeting uitvoeren. 4.De gemeente kan een derde inschakelen die de gemeente adviseert met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Deze derde neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Artikel6.4.2Vaststelling loonwaarde 1.De gemeente maakt bij het vaststellen van de loonwaarde gebruik van een inzichtelijke loonwaardemethodiek die in elk geval voldoet aan de volgende criteria: de loonwaarde wordt berekend op basis van gegevens die zijn verkregen van de werkgever en de werknemer zelf; en het instrument genereert een goed leesbare rapportage waarin ten minste de volgende gegevens zijn opgenomen: onderbouwing van de loonwaarde; begeleidingsbehoefte van de werknemer; inzicht in inzetbaarheid op taken; aanvullingen gedaan door de loonwaardespecialist. 2.De gemeente kan een derde inschakelen die de gemeente adviseert met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Deze derde neemt daarbij de in de in het eerste lid genoemde methode in acht. Hoofdstuk7.Inkomen Paragraaf7.1Individuele inkomenstoeslag Artikel7.1.1Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, lid 1 van de Participatiewet, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1. Artikel7.1.2Langdurig laag inkomen en vermogen 1.Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 36, lid 1 Participatiewet als zijn inkomen gedurende de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) niet hoger was dan 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm en zijn vermogen gedurende deze periode niet hoger was dan de toepasselijke vermogensgrens. Onder inkomen wordt verstaan, inkomen zoals bedoeld in de Participatiewet en inkomen uit algemene bijstand. 2.In afwijking van het eerste lid kan de individuele inkomenstoeslag ook worden verstrekt indien er sprake is van een incidentele overschrijding van de inkomensgrens van maximaal € 150,00 gedurende maximaal 2 maanden en/of er sprake is van een marginale overschrijding van de inkomensgrens met enkele eurocenten. Artikel7.1.3Hoogte individuele inkomenstoeslag 1.Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: € 402,00 voor een alleenstaande; € 510,00 voor een alleenstaande ouder; € 571,00 voor gehuwden; 2.Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) bepalend. Paragraaf7.2Individuele studietoeslag Artikel7.2.1Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, lid 1 Participatiewet, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1. Artikel7.2.2Eenmaal per studiejaar individuele studietoeslag verlenen Een inwoner kan eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Artikel7.2.3Hoogte individuele studietoeslag De hoogte van de individuele studietoeslag is afhankelijk van de leeftijd van de inwoner en bedraagt: € 300,00 netto per maand voor een inwoner van 21 jaar en ouder; € 240,00 netto per maand voor een inwoner van 20 jaar; € 180,00 netto per maand voor een inwoner van 19 jaar; € 150,00 netto per maand voor een inwoner van 18 jaar. Artikel7.2.4Betaling individuele studietoeslag Een individuele studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald. Paragraaf7.3Afstemming, verlaging en weigering Artikel7.3.1Horen 1.Voordat een verlaging van de (bijstands)uitkering wordt opgelegd of de uitkering blijvend of tijdelijk wordt geweigerd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn mening in een gesprek naar voren te brengen. 2.Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn mening naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; de gemeente het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; belanghebbende er voor kiest zijn mening schriftelijk naar voren te brengen; of belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel7.3.2Afzien van verlaging 1.De gemeente ziet af van een verlaging als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of de gedraging betrekking heeft op het niet nakomen van een arbeidsverplichting en die verplichting inmiddels weer volledig wordt nagekomen; of de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door de gemeente heeft plaatsgevonden. 2.De gemeente kan (gedeeltelijk) afzien van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Artikel7.3.3Beschikking 1.Het besluit tot het opleggen of het afzien van het opleggen van een verlaging van de (bijstands)uitkering of het blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering wordt door toezending van een besluit aan de belanghebbende(
- n)bekend gemaakt. 2.In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de (bijstands)uitkering worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging; de duur van de verlaging; het bedrag of percentage waarmee de (bijstands)uitkering wordt verlaagd; en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. 3.In het besluit tot het afzien van een verlaging van de (bijstands)uitkering als bedoeld in artikel 7.3.2 worden in ieder geval vermeld: de reden op grond waarvan normaalgesproken een verlaging zou zijn opgelegd; de duur van de verlaging die normaalgesproken zou zijn opgelegd; het bedrag of percentage waarmee normaalgesproken de (bijstands)uitkering zou zijn verlaagd; en de bijzondere reden waarom daar in dit geval van af wordt gezien. 4.In het besluit tot het (gedeeltelijk) blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering wordt in ieder geval vermeld waarom de uitkering tijdelijk of blijvend wordt geweigerd en waarom de gemeente niet vindt dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Artikel7.3.4Ingangsdatum en periode van een verlaging 1.Een verlaging wordt toegepast op de (bijstands)uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende hoogte van de (bijstands)uitkering. 2.Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de (bijstands)uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken of als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald. 3.Als een verlaging niet of niet geheel kan worden opgelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de (bijstands)uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog beoordeeld op grond van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als de belanghebbende binnen de termijn als bedoeld in artikel 7.3.2, eerste lid, sub c, opnieuw een (bijstands)uitkering ontvangt. Artikel7.3.5Berekeningsgrondslag 1.Een verlaging wordt berekend over: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, sub c, van de Participatiewet verminderd met de in aanmerking te nemen middelen; of de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen; 2.In aanvulling op het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet; of de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3.Bij toepassing van het tweede lid, sub a, wordt de verlaging berekend over de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag van de uitkering inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand. 4.Bij toepassing van het tweede lid, sub b, wordt de verlaging berekend over de verleende bijzondere bijstand. Artikel7.3.6Consequenties schenden geüniformeerde verplichtingen Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstand gedurende één maand. Deze verlaging wordt in één keer verrekend. Artikel7.3.7Niet geüniformeerde verplichtingen 1.Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17, tweede lid, 55, 56a, tweede lid en 57 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; het niet meewerken aan het in naam van de inwoner door de gemeente verrichten van betalingen van huur, gas water en stroom en de verplichte zorgverzekering uit de toegekende bijstand, zoals bepaald in artikel 56a, tweede lid van de Participatiewet. tweede categorie: het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatie-wet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. derde categorie: het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsverplichting uit artikel 17, tweede lid van de Participatiewet; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen of het meewerken aan een onderzoek hiernaar als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet; Het niet of onvoldoende meewerken aan het verrichten van rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onder a van de Participatiewet. Vierde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. 2.Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. derde categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13, tweede lid van de Wet inkomensvoorziening ouder en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 13, tweede lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren; Het niet of onvoldoende meewerken aan een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld een groepsworkshop of een werkervaringsplaats. vierde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. Het niet of onvoldoende nalaten van hetgeen de inschakeling in de arbeid belemmert als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel7.3.8Consequenties schenden niet geüniformeerde verplichtingen De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de 7.3.7, wordt vastgesteld op: 10% gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; 30% gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; 50% gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie; 100% gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie. Artikel7.3.9Consequenties tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid IOAW of artikel 20, eerste lid IOAZ wordt afgestemd op het netto benadelingsbedrag. 2.De verlaging wordt vastgesteld op: 30% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand als het benadelingsbedrag niet is vast te stellen; 30% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 2.000,-; 50% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-; 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of hoger. 100% van de (bijstands)uitkering van de eerste volledige kalendermaand na toekenning van de uitkering, als een belanghebbende direct voorafgaand aan de aanvraag verwijtbaar werkloos is geworden. 3.In aanvulling op het eerste lid kan bijstand worden verschaft in de vorm van een lening i.p.v. om niet als de belanghebbende voorafgaand aan de algemene bijstand middelen tot zijn beschikking had waarmee in het levensonderhoud kon worden voorzien als belanghebbende deze middelen niet bovenmatig had besteed. Onder bovenmatig wordt verstaan meer uitgeven dan vaste lasten en redelijkerwijs op grond van NIBUD-normen aan levensonderhoud kan worden besteed en als blijkt dat belanghebbende geen inspanningen heeft verricht de lasten op een lager niveau te brengen teneinde een beroep op bijstand te voorkomen. Artikel7.3.10Consequenties zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van die wet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van die wet kan een verlaging worden opgelegd van: 60% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van verbaal geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen; 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen. Artikel7.3.11Consequenties niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door de gemeente opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: 20% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 20% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 40% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. Artikel7.3.12Samenloop van gedragingen 1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze paragraaf of artikel 18, vierde lid, of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Is sprake van een geüniformeerde gedraging dan gaat deze voor. 2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze paragraaf of artikel 18, vierde lid, of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. 3.Als de gemeente de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze paragraaf tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. Artikel7.3.13Recidive 1.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstand gedurende twee maanden. 2.Als een belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een niet-geüniformeerde gedraging als bedoeld in deze paragraaf opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld. 3.Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee toepassing is gegeven aan het tweede lid opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt het verlagingspercentage, in aanvulling op het tweede lid, verdubbeld tot maximaal 100 %. 4.Als bij een gedraging in verband met dringende redenen is afgezien van het opleggen van een verlaging dan wordt deze gedraging in het kader van de recidivebeoordeling gezien als een gedraging waarvoor een verlaging is opgelegd. Hoofdstuk8.Toezicht en bestrijding van misbruik Paragraaf8.1Maatschappelijke ondersteuning Artikel8.1.1Toezicht rechtmatigheid De op grond van artikel 6.1 van de Wmo 2015 aangewezen toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Wmo 2015 aan de gemeente. Artikel8.1.2Handhaving rechtmatigheid 1.De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Wmo 2015 en verantwoordt dit jaarlijks aan de raad. 2.Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Wmo 2015 wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein. 3.Indien een voorziening door het niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van de zorgaanbieder teruggeëist. 4.Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie. 5. Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de inwoner waarbij sprake is van opzet dan kan het ten onrechte verstrekte van de inwoner worden teruggevorderd. Paragraaf8.2Jeugdhulp Artikel8.2.1Inlichtingenplicht 1.De inwoner of zijn ouders doen aan de gemeente op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing tot toekenning van een individuele voorziening. 2.De in het eerste lid genoemde verplichting geldt niet als zich een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid van de Jeugdwet voordoet. Artikel8.2.2Toezicht rechtmatigheid 1.Gelet op artikel 2.9, aanhef en onder d van de Jeugdwet wijst de gemeente een toezichthouder aan zoals bedoeld in artikel 5:11 van de Awb. 2.De toezichthouder wordt belast met het toezicht op de Jeugdwet ter voorkoming en bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet. 3.De toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Jeugdwet aan de gemeente. Artikel8.2.3Handhaving rechtmatigheid 1.De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet en verantwoordt dit jaarlijks aan de raad. 2.Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Jeugdwet wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein. 3.De gemeente kan een eerdere beslissing tot het toekennen van een individuele voorziening herzien of intrekken als: de inwoner of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de inwoner of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen; de individuele voorziening niet meer toereikend is te achten; de inwoner of zijn ouders niet (langer) voldoen aan de voorwaarden voor de individuele voorziening; of de inwoner of zijn ouders de individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor deze bestemd is. 4.Indien een voorziening door het niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van zorgaanbieder teruggeëist. 5.Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie. 6.Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de inwoner of zijn ouders waarbij sprake is van opzet dan kan het ten onrechte verstrekte van de inwoner of zijn ouders worden teruggevorderd. Paragraaf8.3Werk en inkomen Artikel8.3.1Toezicht rechtmatigheid De op grond van artikel 76a van de Participatiewet, artikel 53 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en artikel 53 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen aangewezen toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongev