← Nederland

Bouwverordening Gemeente Utrecht (Utrecht (Utr))

Kort samengevat

Deze bouwverordening regelt de regels voor bouwen, slopen en het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in de gemeente Utrecht. Het doel is om de veiligheid, gezondheid en leefbaarheid te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Hoofdstuk1Inleidende bepalingen BOUWVERORDENING GEMEENTE UTRECHT 10e Supplement Gemeente Utrecht (13e Wijziging VNG) zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 21 januari 1993, aangevuld met raadsbesluit

Artikel2

.6.9Aanwezigheid van

Artikel2

.6.10Kwaliteit van

Artikel2

.6.11Gelijkwaardigheid Vervallen Artikel2.6.12Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten Vervallen Paragraaf7aansluitplicht op de nutsvoorzieningen Artikel2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: indien het bouwwerk op ten hoogste 50 meter afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 meter van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het betreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 meter. Artikel2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare-distributienet voor elektriciteit: indien het bouwwerk op ten hoogste 100 meter afstand van de dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a. bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het betreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 meter. Artikel2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare-distributienet voor aardgas: indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a. bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het betreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid: voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd; voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet). Artikel2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 1.De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid: in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.

  1. Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten ruisen; of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater, fecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen. 3.Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft. 4.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is: voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn gelegen; voor agrarische bedrijven. Artikel2.7.5aansluiting anders dan aan de openbare riolering 1.Indien de in de artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort; leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen p een rottingput. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is. Artikel2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen 1.Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt. 2.De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de buitenriolering. 3.In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingsputten voorkomen. 4.Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave
  2. 5.Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer van afvalwater, fecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm. 6.Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage
  3. Artikel2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. Hoofdstuk3De melding Artikel3.1De wijze van melden Vervallen Artikel3.2Welstandscriteria Vervallen Hoofdstuk4Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruik-neming van een bouwwerk Artikel4.1Intrekking omgevingsvergunning voor het bouwen bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden Vervallen Artikel4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: de omgevingsvergunning voor het bouwen; andere toestemmingen; het bouwveiligheidsplan; een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Artikel4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie Vervallen Artikel4.4Het uitzetten van de bouw Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend mag –onverminderd het in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde– niet worden begonnen alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: het straatpeil is aangegeven; de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet Artikel4.5Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden 1.Het bouwtoezicht dient –voor zover het betreft bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen– tenminste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld: de aanvang der werkzaamheden, ontgravingswerkzaamheden daaronder begrepen; de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen; de aanvang van de grondverbeteringswerkzaamheden. 2.Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden gesteld van het storten van beton. 3.De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. Artikel4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. Artikel4.7Bemalen van bouwputten Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt. Artikel4.8Veiligheid op het bouwterrein 1.Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers. 2.Op een terrein, waarop een bouw– of grondwerk wordt uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt -rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen-: de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is; machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld; 3.Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven bemalingspompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd. 4.Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn. Artikel4.9afscheiding van het bouwterrein 1.Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is. 2.De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd. 3.Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht. Artikel4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder 1.Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren. 2.Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt. 3.Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden. 4.Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te gebruiken krachtwerktuig: uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden gebruikt. 5.Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is. Artikel4.11Bouwafval 1.Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de volgende fracties: de als gevaarlijke afvalstoffen van hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9) steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; overig afval. 2.Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden. 3.Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag Artikel4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden 1.Van het gereedkomen: van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil; van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de thermische isolatie in andere besloten constructies moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld. 2.Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving. 3.Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. 4.Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld. 5.De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. Artikel4.13Melden van werken bij lage temperaturen 1.Indien bij temperaturen beneden 2°C beton-, metsel- of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht tenminste twee dagen vóór het begin van het betreffende werk in kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van: het niet verwerken van bevroren materialen; het verkrijgen van een goede binding en verharding; de bescherming van het betreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2°C is. 2.De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden. Artikel4.14Verbod tot ingebruikneming Na de bouw van een bouwwerk, waarvoor een bouwvergunning ex artikel 46 Woningwet (oud), dan wel een omgevingsvergunning is verleend, is het verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de volgende omstandigheden zich voordoet: het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht; er is niet gebouwd overeenkomstig de omgevingsvergunning, dan wel de bouwvergunning ex art.46 Woningwet (oud). Artikel4.15Verbod te bouwen als bouw is stilgelegd Vervallen Hoofdstuk5Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte Paragraaf1Staat van open erven en terreinen Artikel5.1.1Staat van onderhoud van open erven en terreinen 1.Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden. 2.Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van: drassigheid; stank; verontreiniging; aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte; aanwezigheid van begroeiing. Artikel5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.Brandblusvoorzieningen 1.Indien de toegang van een woongebouw meer dan 15 meter en die van een niet-woongebouw meer dan 40 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen. 2.Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de betreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: een breedte hebben van tenminste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van tenminste 4,2 m; zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van tenminste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en op doeltreffende wijze kunnen afwateren. 3.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. 4.Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen. 5.Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. Artikel5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten 1.Tussen de toegang van enerzijds a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. 2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: c. ten minste 1,10 meter breed moeten zijn; en d. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 meter; en e. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit. Paragraaf2Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen Artikel5.2.1Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en

Artikel5

.2.2Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen niet zijnde woningen, woon-gebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen Vervallen Artikel5.2.3Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard Vervallen Artikel5.2.4Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen Vervallen Artikel5.2.5Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen Vervallen Paragraaf3Aansluiting op de nutsvoorzieningen Artikel5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het betreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. Artikel5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare-distributienet voor elektriciteit: indien het bouwwerk op ten hoogste 100 meter afstand van de dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a. bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het betreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 meter. Artikel5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: indien het bouwwerk op ten hoogste 40 meter afstand van de dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a. bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het betreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 meter. Niet van toepassing is voorgaande eis op,: woningen waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is; woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; woningen die niet worden verhuurd; woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingsnet. Artikel5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 1.De in artikelen 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool. 2.Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 meter van een openbaar riool zijn gelegen; voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd; op agrarische bedrijven waarin de fecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende ruimte mestkelder gier- of beerput aanwezig is. Artikel5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen: voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingsput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn, tenzij de fecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt; voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingsput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën, alsmede overstorten van rottingsputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen op een rottingsput. Artikel5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid. Artikel5.4.1Preventie Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. Hoofdstuk6Brandveiliggebruik Vervallen Hoofdstuk7Overige gebruiksbepalingen Paragraaf1Overbevolking Artikel7.1.1Overbevolking van woningen, woonwagens en woonketen Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met dien verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten minste 12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn. Artikel7.1.2Overbevolking van woningen, woonwagens Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte. Paragraaf2Staken van het gebruik Artikel7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: bouwvalligheid van het bouwwerk; bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk. Artikel7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne Indien tengevolge van het niet functioneren –hieronder begrepen het afgesloten zijn– van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken. Artikel7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagen Vervallen Paragraaf3Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel7.3.1Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in afwijking van de bestemming Zie toelichting en zie hieronder artikel 352 Utrechtse Bouwverordening (Gemeenteblad van Utrecht 1990, nr. 10). De tekst van artikel 352 van de Utrechtse Bouwverordening 1990 Artikel 352 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in afwijking van de bestemming

  1. Zolang bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als uitbreidingsplan of als voorschriften ex artikel 43 van de Woningwet 1901, hetzij vóór, hetzij na inwerkingtreding van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 286 van 1962) geen voorschriften zijn gegeven omtrent het gebruik van de in die plannen of voorschriften begrepen bouwwerken, open erven of terreinen en geen aanpassing aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft plaats gevonden, is het verboden die bouwwerken, open erven of terreinen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de uit dat plan of die voorschriften voortvloeiende bestemming, nadat de bij het bestemmingsplan aangegeven bestemming is verwezenlijkt.
  2. Het is verboden niet in een bestemmingsplan begrepen bouwwerken en hun aanhorigheden te gebruiken in strijd met de bestemming, die zij blijkens hun constructie dan wel inrichting hebben.
  3. Niet van toepassing is het bepaalde in het eerste en tweede lid voor een gebruik dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet onwettig was en zolang in dat gebruik geen wijziging wordt gebracht.
  4. Vrijstelling kan worden verleend van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Artikel7.3.1ABepaling aantal personen nachtverblijf In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op vijf. Artikel7.3.2Hinder Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein; instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt. Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is. Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel7.4.1Preventie 1.Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. 2.Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken. Paragraaf5Watergebruik Artikel7.5.1Verboden gebruik van water Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken. Paragraaf6Installaties Artikel7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. Hoofdstuk8Slopen Paragraaf1Omgevingsvergunning voor het slopen Artikel8.1.1Omgevingsvergunningvoor het slopen 1.Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag. 2.De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3 , tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid. 3.het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen slechts voorschriften over: de veiligheid tijdens het slopen; de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, tenminste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval. het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd. 4.De voorschriften over het sloopafval als bedoeld in het derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden. 5.De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45 van de Woningwet. Artikel8.1.2Aanvraag sloopvergunning Vervallen Artikel8.1.3In behandeling nemen Vervallen Artikel8.1.4Termijn van beslissing Vervallen Artikel8.1.5.Samenloop van slopen en bouwen Vervallen Artikel8.1.6Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien: de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend of nog niet is aangevraagd; een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend of nog niet is aangevraagd; een vergunning als bedoeld in artikel 30 of 33 van de Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is vereist en deze niet is verleend. Artikel8.1.7Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien: de vergunning is verleend ten gevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens; binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de werkzaamheden is gemaakt; tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen. Paragraaf2Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen Artikel8.2.1Sloopmelding 1.In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van: geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt; asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt; mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen een omgevingsvergunning voor het slopen is vereist. Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of logiesverblijf. 2.Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 3.De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in enkelvoud worden ingediend. 4.De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld. 5.In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het gebruik van het bouwwerk. 6.Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld. 7.Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan. 8.Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest. 9.De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het tweede lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht ter zake van de afvoer van asbest bevattende vloerbedekking alsmede van andere afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de in de gemeente geldende voorschriften in acht te nemen. 10.Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop vrijkomt is niet toegestaan. 11.Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen. Artikel8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van: geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen; rem- en frictiematerialen; pakkingen uit verbrandingsmotoren; pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt. Paragraaf3Verplichtingen tijdens het slopen Artikel8.3.1Veiligheid op sloopterrein Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein. Artikel8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden Op het sloopterrein moet de een omgevingsvergunning voor het slopen of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven. Artikel8.3.3Plichten van de houder van de een omgevingsvergunning voor het slopen 1.De houder van de vergunning moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf. 2.De houder van de vergunning moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren. 3.De houder van de vergunning stelt ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden. 4.De houder van de vergunning stuurt binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit
  5. Artikel8.3.4Plichten van degene die sloopt 1.Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht. 2.Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden. Artikel8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest 1.Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt. 2.Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen. Artikel8.3.6Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen Vervallen Paragraaf4Vrij slopen Artikel8.4.1Sloopafval algemeen 1.Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient tenminste te worden gescheiden in de navolgende fracties: de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9); steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips; bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; met PAKS verontreinigde materialen; asfalt; dakgrind; overig afval. 2.Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden. Hoofdstuk9Welstand* * Het in onderstaande artikelen gehanteerde begrip welstandscommissie heeft betrekking op zowel de Commissie Welstand en Monumenten Oost als de Commissie Welstand en Monumenten West. Artikel9.1De advisering door de welstandscommissie 1.De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 2.Dienaangaande winnen daarnaast burgemeester en wethouders in ieder geval advies in bij de welstandscommissie over aanschrijvingen bij ernstige ontsiering (voor overige taken zie Bijlage 9, Reglement van orde). 3.De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria (zie verder Bijlage 9, Reglement van orde). Artikel9.2Samenstelling van de welstandscommissie 1.De Commissie Welstand en Monumenten Oost en de Commissie Welstand en Monumenten West bestaan beide tenminste uit een voorzitter en zes leden, waarvan tenminste vijf leden bij voorkeur deskundig zijn op het gebied van: - architectuur - planologie/stedenbouw - omgevingsontwerp/landschapsarchitectuur - bouwhistorie/architectuurhistorie/kunsthistorie - monumenten/restauratietechniek 2.Voor de voorzitter en leden kunnen twee plaatsvervangende leden benoemd worden die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. 3.De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste vier leden aanwezig zijn en waarvan tenminste drie leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. 4.De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. 5.De welstandscommissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris of diens plaatsvervanger. 6.De voorzitter, de secretaris en diens plaatsvervanger dienen deskundig te zijn op tenminste een van de in het eerste lid genoemde vakgebieden. 7.In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders als bedoeld in het eerste lid zitting hebben. 8.Minimaal twee leden, waaronder de voorzitter, dienen zowel in de Commissie Welstand en Monumenten Oost als de Commissie Welstand en Monument West zitting te hebben. Ook dient dezelfde ambtelijk secretaris beide welstandscommissies bij te staan. 9.Als ambtelijk adviseur wordt aan de welstandscommissie toegevoegd de directeur van Stadsontwikkeling. Deze kan zich laten vervangen. Artikel9.3Benoeming en zittingsduur 1.De voorzitter en de overige leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. Bij de benoemingsvoorstellen voor leden wordt ernaar gestreefd dat de commissies zowel wat architectonische/esthetische deskundigheid als wat deskundigheid over de monumentenzorg betreft, zo breed mogelijk zijn samengesteld. 2.De benoemingsvoorstellen voor de in het eerste lid genoemde functies worden aan burgemeester en wethouders uitgebracht door de directeur van Stadsontwikkeling. Over zijn/haar voorstellen hoort hij/zij van tevoren de welstandscommissie. De commissie Stad en Ruimte wordt vooraf geïnformeerd over de benoemingsvoorstellen. 3.De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar. 4.Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als Bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorafgaande leden, nadere benoemingsprocedures. Artikel9.4Jaarlijkse verantwoording 1.De Welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin tenminste aan de orde komt: - op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; - de werkwijze van de welstandscommissie; - op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; - de aard van de beoordeelde plannen; - de bijzondere objecten. 2.De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel9.5Termijn van advisering 1.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 2.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreftuit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 3.Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wat algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel9.6Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1.De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en/of via internet, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders –al dan niet op verzoek van de aanvrager– een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2.Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. 3.In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. 4.Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht (zie verder Bijlage 9, Reglement van orde). Artikel9.7Afdoening bij mandaat 1.De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden/voorzitter adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld (inzake machtiging: zie verder Bijlage 9, Reglement van orde, artikel 8). 2.In elk geval van twijfel legt gemandateerde het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie. 3.Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het bevoegd gezag –al dan niet op verzoek van de aanvrager– een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. Artikel9.8Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1.De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk (zie verder Bijlage 9, Reglement van orde). 2.Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel9.9Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken 1.Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: op het voornemen inspraak is verleend; het advies van de welstandscommissie is ingewonnen. 2.De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening. Hoofdstuk10Overige administratieve bepalingen Artikel10.1De aanvraag om woonvergunning Vervallen Artikel10.2De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen Vervallen Artikel10.3Overdragen vergunningen Vervallen Artikel10.4Overdragen mededeling Vervallen Artikel10.5Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen Vervallen Artikel10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening –of in de bij deze verordening behorende bijlagen– wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Hoofdstuk11Handhaving Artikel11.1Stilleggen van de bouw Vervallen Artikel11.2Overtreding van het verbod tot ingebruikneming Vervallen Artikel11.3Stilleggen van het slopen Vervallen Artikel11.4Onderzoek naar een gebrek Vervallen Hoofdstuk12Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel12.1Strafbare feiten Vervallen Artikel12.2Overgangsbepaling bodemonderzoek Indien ten behoeve van de bouw van een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij het bevoegd gezag van mening is dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien. Artikel12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 4 7, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld. Artikel12.4Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning Vervallen Artikel12.5Overgangsbepaling sloopmelding Vervallen Artikel12.6Slotbepaling Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die waarop zij is afgekondigd. Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen: de Bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 16 juli 1970 (Gedr. Verz. 1970, laatstelijk gewijzigd en aangevuld bij raadsbesluit van 22 februari 1990, Gedr. Verz. nr. 10) en alle daarin aangebrachte wijzigingen, met uitzondering van Hoofdstuk 4, afdeling A, de paragrafen 1 en 2 voor wat betreft de artikelen 287 t/m 290 en van Hoofdstuk 7, artikel
  6. Deze verordening kan worden aangehaald als: Bouwverordening. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 21 januari
  7. De secretaris, De burgemeester, Drs. A. Vermeulen Mr. I.W. Opstelten Afkondiging van de verordening is geschied op 3 februari 1993, zodat deze verordening in werking is getreden op 6 februari
  8. Publicatie van de tweede wijziging is geschied op 17 juli 1996, zodat deze in werking is getreden op 25 juli
  9. De derde wijziging is in werking getreden op 6 februari
  10. De vierde wijziging is in werking getreden op 1 juli
  11. De vijfde wijziging is in werking getreden op 1 juli
  12. De zesde wijziging is in werking getreden op 24 maart
  13. De zevende wijziging is in werking getreden op 22 maart
  14. De achtste wijziging is in werking getreden op 4 oktober
  15. De negende wijziging is in werking getreden op 22 oktober 2009 De tiende wijziging is in werking getreden op 25 november 2010 BIJLAGEN BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2010, NR. 101 Bijlagen 1 t/m 6 VERVALLEN Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: NEN 7002, uitgave 1968, ‘Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen’ (met correctieblad d.d. december 1979); NEN 7003, uitgave 1968, ‘Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen’ (met correctieblad d.d. december 1979); NEN 7013, uitgave 1980, ‘Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen’; NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, ‘Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel
  16. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem’. (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig); NEN-EN 295-1, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 – Deel
  17. Eisen’ (Engelstalig); NEN-EN 295-2, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 – Deel
  18. Kwaliteitscontrole en monstername’ (Engelstalig); NEN-EN 295-3, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval – Deel
  19. Beproevingsmethoden’ (Engelstalig). Bijlage 8 VERVALLEN Bijlage 9 Reglement van de orde van de welstandscommissie* Het in onderstaande artikelen gehanteerde begrip welstandscommissie heeft betrekking op zowel de Commissie Welstand en Monumenten Oost als de Commissie Welstand en Monumenten West. Bureau CWM= Bureau Commissie Welstand en Monumenten, ambtelijk secretariaat Artikel 1 Naast de taken die voortvloeien uit de Woningwet en in artikel 9.1 van de Bouwverordening genoemd is de welstandscommissie met de volgende overige taken belast: De geïntegreerde commissies welstand en monumenten adviseren burgemeester en wethouders over zaken die krachtens de monumentenverordening aan hen worden voorgelegd (zaken welke op de monumenten of beschermde stads- en dorpsgezichten betrekking hebben). De welstandscommissie heeft het recht desgewenst eigener beweging aan burgemeester en wethouders van haar inzichten te doen blijken in aangelegenheden, die het stadsbeeld, het welstandstoezicht of de monumentenzorg betreffen. Tot het nemen van zelfstandige beschikkingen, welke de gemeente binden, is noch de welstandscommissie, noch haar leden, noch het Bureau CWM** bevoegd. advisering over aanvragen omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot monumenten en bouwwerken in gebieden waar de leefmilieuverordening van toepassing is; advisering met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte; advisering met betrekking tot reclameaanvragen; advisering met betrekking tot beleidsvoorstellen, ontwerpen van bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en stadsvernieuwingsplannen, dan wel andersoortige regelingen, welke invloed uitoefenen of uit kunnen oefenen op het stadsbeeld of op de monumentale waarden. Artikel 2 Bij het beoordelen van een om advies in handen van de welstandscommissie gesteld plan, voorstel of beleidsvoornemen wordt onderzocht of dit mede in verband met de omgeving en rekening houdend met de belangen van betrokken partijen, uit een welstands- of monumentaal oogpunt al of niet aanvaardbaar is. Indien bij een door het gemeentebestuur vastgestelde verordening, beleidsnota of (concept) Stedenbouwkundig Programma van Eisen op het terrein van de welstands- en monumentenzorg criteria zijn gegeven houdt de welstandscommissie daarmee bij haar beoordeling rekening. Door de juridische integratie van de welstands- en monumentencommissie, heeft de commissie de bevoegdheid te adviseren op grond van de Monumentenwet en de Woningwet. De commissie brengt een integraal advies uit, waarin echter een duidelijke scheiding is aangebracht tussen het welstands-advies en het advies ten aanzien van de monumentenvergunning. Artikel 3 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met betrekking tot de termijnen waarbinnen moet worden geadviseerd nadere regelen te stellen. Het schriftelijke advies moet in ieder geval bevatten: een aanduiding van het adres dan wel het gebied waarop het advies betrekking heeft; het oordeel van de welstandscommissie; een opgave van de eventuele bedenkingen onder vermelding of en zo ja, op welke wijze door verbetering daaraan kan worden tegemoet gekomen. Adviezen van de welstandscommissie worden bij meerderheid van stemmen vastgesteld. In het schriftelijk advies dient te worden aangegeven of tot het advies unaniem is besloten. Bij afwezigheid van unanimiteit dient het standpunt, ingenomen door een minderheid van de welstandscommissie bestaande uit twee of meer leden, afzonderlijk in het advies te worden vermeld voorzien van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en de leden die het minderheidsstandpunt hebben ingenomen. Bij een afwijkend standpunt ingenomen door slechts één lid van de welstandscommissie kan dit lid vorderen dat zulks in het advies wordt aangetekend. Een negatief advies dient gemotiveerd te worden. Een positief advies behoeft geen nadere motivering. Indien er een bezwaar- en/of beroepsprocedure volgt naar aanleiding van een positief advies dan zal achteraf en met terugwerkende kracht het advies alsnog worden gemotiveerd. Bij staking van stemmen, beslist de stem van de voorzitter. Hiervan wordt bij het uitbrengen van het advies mededeling gedaan. De ambtelijke adviseurs en de medewerkers van het Bureau CWM hebben een adviserende stem. Artikel 4 Van het in de vergaderingen van de welstandscommissie verhandelde worden notulen bijgehouden. De adviezen van de welstandscommissie worden in de notulen opgenomen. Deze notulen worden door de voorzitter en de secretaris gewaarmerkt. De vastgestelde notulen worden onverwijld toegezonden aan burgemeester en wethouders en de directeur van StadsOntwikkeling. De vastgestelde notulen dan wel een uittreksel daaruit worden verder aan andere personen of rechtspersonen verstrekt indien daarom wordt verzocht. De goedgekeurde notulen zijn openbaar. Artikel 5 Indien de welstandscommissie een negatief advies heeft gegeven, onthouden de leden en de plaatsvervangende leden zich van het aanvaarden van een opdracht tot verbetering van het ontwerp, waarop het advies betrekking had, of tot vervaardiging van een nieuw ontwerp in de plaats daarvan. Indien één der leden of plaatsvervangende leden een opdracht tot het maken van een ontwerp voor een werk heeft aanvaard, zodanig ontwerp voorbereid heeft, of heeft doen voorbereiden, mag dit lid niet deelnemen aan de opstelling van het advies omtrent dat ontwerp. Artikel 6 Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het welstandsadvies indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Burgemeester en wethouders kunnen op basis van artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht en op advies van de welstandscommissie afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Dit kan onder andere gebeuren bij plannen die niet voldoen aan deze welstandscriteria maar wel aan redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders kunnen, op basis van artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet, de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen ondanks strijdigheid van dat plan met redelijke eisen van welstand, indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Indien burgemeester en wethouders afwijken van het welstandsadvies wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Burgemeester en wethouders kunnen bij twijfel (of bijvoorbeeld op instigatie van de (ambtelijke) bezwaarschriftencommissie) bij een andere welstandscommissie, gelieerd aan een andere stad of provincie, een second opinion aanvragen, te coördineren door de Federatie Welstand. Artikel 7 Tijdens de vergadering van de welstandscommissie draagt de (uitvoerend) secretaris er zorg voor dat door hem/haar voldoende vakinhoudelijke ondersteuning op het terrein van de welstand als het terrein van de monumentenzorg wordt geleverd. De welstandscommissie kan door bemiddeling van de secretaris aan StadsOntwikkeling verzoeken te bevorderen dat bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen, een omgevingsvergunning voor het slopen, monumenten-, en reclamevergunningen nadere gegevens worden overlegd ten aanzien van de soort, de bewerking en de kleur van de materialen, zowel van het betrokken project als van het omringende gebouwde gebied, alsmede dat maquettes, perspectief-, plattegronden-, detail-, doorsnede en andere tekeningen op een door haar te bepalen schaal worden overlegd en foto’s van de bestaande situatie worden getoond. De welstandscommissie kan voorts door bemiddeling van de secretaris aan StadsOntwikkeling verzoeken te bevorderen dat met betrekking tot ontwerpen van bestemmings- en stadsvernieuwingsplannen, of andersoortige stedenbouwkundige ontwerpen alle voor haar advisering noodzakelijke gegevens, stukken, tekeningen en maquettes worden verstrekt. De welstandscommissie kan tenslotte door bemiddeling van de secretaris aan alle andere gemeentelijke ambtelijke organen verzoeken te bevorderen dat met betrekking tot plannen die onder verantwoordelijkheid staan van die organen alle voor haar advisering noodzakelijke gegevens, stukken, tekeningen en maquettes worden verstrekt. De welstandscommissie stelt een onderzoek ter plaatse in, indien zij bij de beoordeling van een bouwplan van oordeel is dat dit onderzoek redelijkerwijs voor de vervulling van haar taak nodig is. Indien de welstandscommissie voor de advisering over een bepaalde zaak aanvullende niet-ambtelijke deskundigheid behoeft kan zij burgemeester en wethouders gemotiveerd verzoeken deskundigen op te roepen om de commissie bij te staan en zo nodig daartoe de vergadering bij te wonen gedurende een door burgemeester en wethouders te bepalen aantal uren. Artikel 8 De welstandscommissie kan één of meerdere leden dan wel de secretaris machtigen om over zaken van beperkte omvang positieve preadviezen op te stellen die door de welstandscommissie aan de hand van een planlijst worden bekrachtigd. Tenzij de welstandscommissie anders besluit wordt de (uitvoerend) secretaris gemachtigd namens de welstandscommissie vooroverleg te voeren met opdrachtgevers en/of ontwerpers en derden/ belanghebbenden. De welstandscommissie kan ook één of meerdere leden machtigen namens de commissie dat vooroverleg te voeren. De welstandscommissie kan ook één of meerdere leden dan wel de secretaris machtigen namens de commissie deel te nemen in project- of beleidsontwikkelingsteams, jury’s dan wel andersoortige werkgroepen en rechtspersonen, een en ander voorzover de werkzaamheden verband houden met het werkterrein van de commissie. De welstandscommissie kan één of meerdere leden dan wel de secretaris machtigen om de aanvraag af te handelen in lijn met het verstrekte commissieadvies. In elk geval van twijfel wordt het plan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie.
  20. De welstandscommissie kan één of meerdere leden, dan wel de secretaris machtigen om revisievoorstellen van beperkte omvang op eerder goedgekeurde aanvragen af te handelen. In elk geval van twijfel wordt het plan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie.
  21. De welstandscommissie kan met betrekking tot de machtigingen bedoeld in dit artikel richtlijnen geven waaraan de gemachtigden gehouden zijn te voldoen. Artikel 9 De welstandscommissie vergadert in principe eenmaal per veertien dagen op een vaste door haar te bepalen dag. De welstandscommissie vergadert verder zo dikwijls dit naar het oordeel van de voorzitter in verband met de te behandelen zaken noodzakelijk is, of zulks door tenminste drie leden onder opgaaf van redenen wordt verzocht. De oproeping tot de vergadering van de welstandscommissie geschiedt door de voorzitter, met dien verstande dat elk lid, spoedeisende gevallen uitgezonderd, tenminste drie werkdagen voor de vergaderdatum daarvan kennis heeft kunnen nemen. Een lid dat verhinderd is een vergadering bij te wonen doet daarvan tijdig mededeling aan de secretaris. Bij verhindering van de voorzitter wordt zijn plaats ingenomen door de plaatsvervangend voorzitter. Bij verhindering van meerdere leden, anders dan de voorzitter, kunnen (indien benoemd) één of meerdere plaatsvervangende leden opgeroepen worden. Artikel 10 De vergaderingen van de welstandscommissie zijn openbaar (zie Bouwverordening Hoofdstuk 9, artikel 9.6). Belangstellenden kunnen de vergaderingen van de welstandscommissie bijwonen op de publieke tribune. De voorzitter en de secretaris dragen ervoor zorg dat de openbare vergaderingen voldoende bekend gemaakt worden. De bekendmaking houdt tenminste in het tijdstip, de plaats en de agendapunten voor zover bekend, van de vergadering. Om aanvragers en belanghebbenden de gelegenheid tot inspreken te geven, dienen deze gegevens minimaal drie werkdagen voor de openbare vergadering inzichtelijk te zijn. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in de openbaarheid. Daarvan kan afgeweken worden indien: belanghebbenden een beroep doen op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn/haar recht staat openbaarheid te weigeren; burgemeester en wethouders een verzoek doen tot niet-openbare behandeling waaraan klemmende redenen ten grondslag liggen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur. De leden, de medewerkers van het Bureau CWM en indien aanwezig de ambtelijke adviseurs, zijn gehouden geheimhouding te betrachten omtrent het verhandelde in besloten vergaderingen, tenzij burgemeester en wethouders besluiten de geheimhouding op te heffen. De welstandscommissie dient de aanvrager en/of ontwerper van de omgevingsvergunning voor het bouwen in persoon of bij gemachtigde de gelegenheid te bieden toelichting te geven aan de commissie. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht bij openbare vergaderingen. De voorzitter en/of de (uitvoerend) secretaris bepalen in overleg met inspreker het tijdstip en de gelegenheid waarop inspreker de commissie zijn/haar standpunt kan toelichten. Aanvragers en belanghebbenden kunnen via het Bureau CWM ook hun toelichting op schrift aanleveren. Bij de behandeling van het betreffende agendapunt in de vergadering zal deze door het Bureau CWM ingebracht worden. De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgelegd. De welstandscommissie, gemandateerde commissieleden of medewerkers van het Bureau CWM zijn niet verplicht tot openbaarheid bij een formeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan. De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de (korte) bouwplanprocedure vooroverleg stimulering verdient. Artikel 11 De voorzitter, leden en de plaatsvervangende leden van de welstandscommissie, worden voor een periode van drie jaar benoemd en zijn als voorzitter, als lid of als plaatsvervangend lid onmiddellijk herbenoembaar voor nog één zittingsperiode van drie jaar. Een lid en een plaatsvervangend lid dat aftreedt of ontslag neemt, blijft lid of plaatsvervangend lid totdat zijn opvolger de benoeming heeft aanvaard, waarbij ernaar gestreefd wordt dat deze periode niet langer dan een half jaar duurt. Aftredende en plaatsvervangende leden zijn, behoudens de mogelijkheid tot een éénmalige herbenoeming, eerst na zes jaar weer herbenoembaar. De leden en de plaatsvervangende leden van de welstandscommissie, alsmede niet-ambtelijke deskundigen ontvangen voor het bijwonen van de vergadering, alsmede voor het namens de commissie verrichten van werkzaamheden een door burgemeester en wethouders nader vast te stellen vergoeding op uurbasis. Reiskosten worden vergoed op basis van kosten van openbaar vervoer 1ste klas, dan wel op basis van kilometervergoeding. Artikel 12 Op grond van een raadsbesluit kan voor een groot bouwkundig project, stadsdeel en/of stadsuitbreiding op het grondgebied van Utrecht een extra welstandskamer/-team worden opgericht, die voor het betreffende bouwkundige project, stadsdeel en/of de stadsuitbreiding de werkzaamheden van de commissie overneemt. Voor de welstandskamer/-team dienen aparte leden op voorstel van burgemeester en wethouders door de gemeenteraad benoemd te worden. De voorzitter en ambtelijk secretaris van een der beide welstandscommissies fungeren als voorzitter respectievelijke secretaris. Bij behandeling van monumenten zal ter advisering een deskundige op het gebied van monumentenzorg ofwel uit de welstandscommissie gevraagd worden de betreffende vergadering bij te wonen ofwel –afhankelijk van het karakter van grondgebied– structureel benoemd worden. De welstandskamer/-team wordt in haar werkzaamheden bijgestaan door het Bureau CWM. De artikelen in hoofdstuk 9 van de Bouwverord

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.