Leidraad Invordering Gemeentelijke Belastingen GBTwente 2023 Leidraad Invordering Gemeentelijke Belastingen GBT 2023 1 Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied 11 1.1. Inleiding 11 1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen 11 1.1.2. Definities 11 1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften 12 1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden 12 1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur 12 1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen 13 1.1.7. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven 13 1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen 13 1.1.9. Binnenkomst van bescheiden 14 1.1.10. Positie belastingdeurwaarder 14 1.1.11. Bewaren invorderingsbescheiden 15 1.1.12. Verklaring betreffende nakoming fiscale verplichtingen 15 1.1.13. Informatieplicht 15 1.1.14. Diplomatieke status 15 1.2. Toepassingsgebied 15 Artikel 2 Begrippen 16 2.1. Woonplaats 16 Artikel 3 Bevoegdheden invorderingsambtenaar 17 3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden 17 3.2. Conservatoir beslag 17 3.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering 17 3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag 17 3.3. Gerechtelijke procedures - toestemming 18 3.3.1 Juridische bijstand 18 3.3.2 Toestemming 18 3.4. Rijksadvocaat 18 3.5. Faillissementsaanvraag 18 Artikel 3a Bevoegdheden invorderingsambtenaar - strafbeschikking 19 Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder 20 4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder 20 4.2. Bescherming 20 4.3. Legitimatie 20 Artikel 5 Bevoegdheid ressort 21 Artikel 6 Reikwijdte van de wet 22 6.1. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet 22 Artikel 7 Betaling en afboeking 23 7.1. Tijdstip betaling 23 7.2. De afboeking van de betaling 23 7.3. Teveelbetaling 24 7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen 24 7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen 24 7.6. Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend 24 7.7. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden 24 7.8. Betaling bij vergissing 24 7.9. Mededeling afboeking betaling 25 7.10. Betaling van kleine bedragen 25 7.11. Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement 25 Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven 26 7a.1. Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling 26 7a.2. 26 7a.3. Uitbetalingsfouten 26 Artikel 8 Bekendmaking aanslag 28 8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties 28 8.2. Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan 28 8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet 28 8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag 28 Artikel 9 Betalingstermijnen 29 9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen 29 9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven 29 9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn 29 9.4. Dagtekening aanslagbiljet 29 9.5. Begrippen bij betalingstermijnen 29 9.6. Verzuim invorderingsambtenaar bij uitbetaling 30 9.7. Regeling betalingstermijnen 30 9.8. Automatische incasso 30 Artikel 10 Versnelde invordering 31 10.1. Reikwijdte versnelde invordering 31 10.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering 32 10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering 32 10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering 32 10.5. Beslag en versnelde invordering 32 10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering 32 10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering 33 Artikel 11 Aanmaning 34 11.1. De geadresseerde van de aanmaning 34 11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden 34 11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning 34 11.4. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning 34 11.5. Betalingsherinnering 34 11.6. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg 35 Artikel 12 Dwangbevel 36 12.1. Onderwerp van het dwangbevel 36 12.2. Tegen wie verleent de invorderingsambtenaar een dwangbevel 36 Artikel 13 Betekening van het dwangbevel 37 13.1. Betekening dwangbevel per post 37 13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen 37 13.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder 38 13.3. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel 38 Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel 39 14.1. Tenuitvoerlegging algemeen 39 14.1.1. Vervallen 39 14.1.2. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging 39 14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden 40 14.1.4. Volgorde van uitwinning bij beslag 40 14.1.5. Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken 40 14.1.6. Beslaglegging voor vordering van derden 40 14.1.7. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden 40 14.1.8. Opheffing beslag tegen betaling door een derde 40 14.1.9. Opschorten van de executie 40 14.1.10. Vervallen 41 14.1.11. Vervallen 41 14.1.12. Strafrechtelijk beslag 41 14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving 41 14.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 41 14.2.1. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken 41 14.2.2. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken 41 14.2.3. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken 42 14.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken 42 14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden 42 14.2.6. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken 42 14.2.7. Voldoening zekerheidsschuld door invorderingsambtenaar en beslag roerende zaken 42 14.2.8. Beslag roerende zaken bij derden 43 14.2.9. Wegvoeren van beslagen zaken 43 14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken 44 14.2.11. Afsluiting en beslag roerende zaken 44 14.2.12. Bewaarder en beslag roerende zaken 44 14.2.13. Executoriale verkoop computerapparatuur 45 14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken 45 14.2.15. Beslag op illegale zaken 45 14.2.16. Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken 45 14.2.17. Opheffing van het beslag op roerende zaken 45 14.2.18. Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken 45 14.2.19. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken 46 14.2.20. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken 46 14.2.21 Relaas van onttrekking 46 14.2a. Administratief beslag op motorrijtuigen en aanhangwagens 46 14.3. Beslag op onroerende zaken 46 14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken 46 14.3.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken 46 14.3.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken 47 14.3.4. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken 47 14.3.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken 47 14.4. Beslag onder derden 47 14.4.1. Beslag op vordering van een derde 47 14.4.1a. Geen beslag op coronabonus zorgprofessional 47 14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 48 14.4.3. Roerende zaken bij derden 48 14.4.4. Plaats beslaglegging en derdenbeslag 48 14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt 48 14.4.5a Derdenbeslag en kosten van levensonderhoud 48 14.4.5b. Vrij te laten bedrag en beslag onder derden bij geen adres in Nederland 49 14.4.5c. Toepassing 5%-regeling 49 14.4.6. Vervallen 49 14.4.7. Vervallen 49 14.4.8. Vervallen 49 14.4.9. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente 49 14.4.10. Retentierecht en derdenbeslag 49 14.4.11. Opheffing van het derdenbeslag 50 14.4.12. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag 50 14.4.14. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf 50 14.5. Beslag op schepen 50 14.5.1. Beletten van het vertrek van het schip 50 14.5.2. De executie van schepen 51 14.5.3. Afgelasting van de verkoop van een schip 51 14.5.4. Deskundige hulp en beslag op schepen 51 14.5.5. Opheffing van het beslag op schepen 51 Artikel 15 Versnelde uitvaardiging en tenuitvoerlegging 52 Artikel 16 Doorlopend beslag 52 16.1 Voor 1 januari 2014 gelegde derdenbeslagen 52 Artikel 17 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel 53 17.2. Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering 53 Artikel 18 ANPR-acties 54 Artikel 19 Doen van een vordering 55 19.1. Vordering algemeen 55 19.1.1. Bekendmaking vordering 55 19.1.2. Voldoen aan de vordering 55 19.1.3. Niet voldoen aan de vordering 55 19.1.4. Intrekken van een vordering 56 19.1.5. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering 56 19.1.6. Doorbreken beslagverboden en vordering 56 19.1.6a. Toepassing 5%-regeling 56 19.1.6b. Geen vordering voor corona bonus zorgprofessional 56 19.1.7. Notoire wanbetaler en vordering 56 19.1.8. Vordering ten laste van de echtgenoot Als de echtgenoot van de belastingschuldige recht heeft op gelden, penningen of een vordering heeft op een derde die in de huwelijksgemeenschap vallen, dan kan de invorderingsambtenaar een vordering ten laste van de echtgenoot doen. Als de vordering ziet op een belastingschuld die niet tot de gemeenschap behoort, beperkt de invorderingsambtenaar zijn vordering tot de helft van het voor beslag vatbare deel van de vordering op de derde. Deze beperking geldt niet als de echtgenoot instemt met verhaal op het geheel. 57 19.2. De faillissementsvordering 57 19.2.1. Aan te melden schulden in faillissement 57 19.2.2. Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn boedelschulden in faillissement 57 19.2.3. Opkomen in faillissement 58 19.3. Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen 58 19.3.1. Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen 58 19.3.2. Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen 58 19.3.3. Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen 58 19.3.4. Beslagvrije voet voor belastingschuldige zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland 59 19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslagvrije voet 59 19.3.6. Vervallen 59 19.3.7. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm 59 19.3.8. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf 60 Artikel 20 Lijfsdwang 61 Artikel 21 Voorrecht rijksbelastingen 61 Artikel 22 Bodemrecht 62 22.1. Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht 62 22.2. Bodemrecht en bestuurlijke boeten 62 22.3. Overbetekening bodembeslag 62 22.4. Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement 63 22.5. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 63 22.6. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 63 22.7. Bodemrecht en voorrang 63 22.8. Verzet en beroep 63 22.8.1. Verzet artikel 435, derde lid, Rv tegen bodembeslag 63 22.8.2. Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv inzake bodembeslag 63 22.8.3. Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen bodembeslag 63 22.8.4. Beroepschrift ex artikel 22 van de wet 64 22.8.5. Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet 64 22.8.6. Taak van de invorderingsambtenaar met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet 64 22.8.7. Beslissing dagelijks bestuur op het beroepschrift tegen een bodembeslag 64 22.8.8. Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag 65 22.8.9. Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag 65 22.8.10. Vervallen 65 22.8.11. Vervallen 65 22.8.12. Vervallen 65 22.9. Terughoudend beleid bij reëel eigendom derde 65 Artikel 22a en artikel 23 65 Artikel 23a 65 Artikel 24 Verrekening 66 24.1. Wanneer verrekening 66 24.1.1. Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 66 24.2. Betwiste schuld en verrekening 66 24.3. Reikwijdte van de verrekening 66 24.4. Bekendmaking verrekening 67 24.5. Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting 67 24.6. Instemmingsregeling bij cessie en verpanding 67 24.6.1. Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding 67 24.6.2. Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen 67 24.6.3. Instemming of weigering met een cessie of verpanding 67 24.6.4. Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb 68 24.6.5. Bekendmaking beschikking dagelijks bestuur bij cessie of verpanding 68 24.6.6. Houding invorderingsambtenaar bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding 68 Artikel 25 Uitstel van betaling 69 25.1. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid 69 25.1.1. Houding van de invorderingsambtenaar tijdens behandeling verzoek om uitstel 69 25.1.2. Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling 69 25.1.3. Redenen afwijzing verzoek om uitstel 69 25.1.4. Redenen beëindigen uitstel 70 25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn 70 25.1.6. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel 70 25.1.7. Geen invordering tijdens verleend uitstel 71 25.1.8. Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd 71 25.1.9. Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag 71 25.1.10. Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten 71 25.1.11. Uitstel voor een bestuurlijke boete 71 25.1.12. Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen 72 vervallen 72 25.1.13. Zekerheid bij uitstel 72 25.1.14. Tijdstip indiening verzoek om uitstel 72 25.1.15. Verzoekschriften aan andere instellingen 72 25.2. Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag 72 25.2.1. Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag 72 25.2.2. Bezwaar- en beroepschrift gelden niet als verzoek om uitstel 73 25.2.2.A. Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift 73 25.2.2.B. Nadere gegevens 73 25.2.3. De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling 74 25.2.4. Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure 74 25.2.5. Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar 74 25.2.6. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld 74 25.2.7. Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar 74 25.2.8. Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag 75 25.2.9. Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag 75 25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 75 25.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragen 75 25.3.2. Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstelBij het verzoek om uitstel moet een berekening van het uit te betalen bedrag zijn gevoegd. Als dit ontbreekt of onvoldoende is gemotiveerd, geeft de invorderingsambtenaar de belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand om alsnog zijn verzoek (nader) te motiveren. De termijn begint te lopen vanaf de dagtekening van de kennisgeving van de ontvanger dat de belastingschuldige zijn verzoek (nader) moet motiveren. De invordering wordt voor die termijn geschorst. 75 25.3.3. Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag 76 25.3.4. Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 76 25.4. Uitstel in verband met betalingsproblemen 76 25.4.1. Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen 76 25.4.2. Uitstel en motorrijtuigenbelasting 76 25.4.3. Verrekening tijdens een betalingsregeling 76 25.4.4. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surséance 76 25.5. Betalingsregeling voor particulieren 77 25.5.1. Duur betalingsregeling particulieren 77 25.5.2. Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren 77 25.5.3. Kort uitstel particulieren 78 25.5.4. Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren 78 25.5.5. Vermogen en betalingsregeling particulieren 78 25.5.6. Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren 78 25.5.7. Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven 79 25.5.8. Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden 79 25.5.9. Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten 79 25.5.10. Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor 79 25.5.11. Betalingsregeling langer dan tien maanden 79 25.6. Betalingsregeling voor ondernemers 80 25.6.1. Duur betalingsregeling ondernemers 80 25.6.2. Voorwaarden betalingsregeling ondernemers 80 25.6.3. Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers 81 25.6.4. Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie 81 25.7. Administratief beroep 81 25.7.1. Toetsing uitstelbeschikking door het dagelijks bestuur 81 25.7.2. Beroepsfase uitstel 82 25.7.3. Beslissing dagelijks bestuur op beroepschrift bij uitstel 82 25.7.4. Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel 82 25.7.5. Beroep, bezwaar, of nieuw verzoek om uitstel van betaling bij de ontvanger 82 Artikel 26 Kwijtschelding van belastingen 84 26.1. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid 84 26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden 84 26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding 85 26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding 85 26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding 85 26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden 85 26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding 86 26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij voortzetting invordering 86 26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding 86 26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend 86 26.1.10. Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding 88 26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen 88 26.2. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren 88 26.2.1. Vermogen en kwijtschelding particulieren 88 26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren 88 26.2.3. Motorvoertuig en kwijtschelding particulieren 88 26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren 89 26.2.5. De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren 89 26.2.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren 89 26.2.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren 89 26.2.8. vervallen 90 26.2.9. vervallen 90 26.2.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren 90 26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren 90 26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren 90 26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren 91 26.2.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren 92 26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden 92 26.2.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren 92 26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP 92 26.2.18. vervallen 92 26.2.19. Normpremie zorgverzekering begrepen in de bijstandsuitkering 92 26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland 93 26.3. Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers 93 26.3.2. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers 93 26.3.3. Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord 94 26.3.4. Toepassingsbereik saneringsakkoord 94 26.3.5. Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord 94 26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord 94 26.3.7. Rente en kosten en saneringsakkoord 94 26.3.8. Speciale crediteuren en saneringsakkoord 94 26.4. Administratief beroep 96 26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding 96 26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding 96 26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding 96 26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding 96 26.4.5. Beslissing college op beroep bij kwijtschelding 96 26.4.6. Invordering tijdens administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding en ambtshalve behandeling beroepschrift 96 26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding 97 26.5. Vervallen 97 26.6. Geautomatiseerde kwijtschelding 97 Artikel 27 Verjaring 98 27.1. Versnelde invordering en verjaring 98 27.2. Aansprakelijkgestelden en verjaring 98 27.3. Stuiting van de verjaring 98 27.4. Schorsing van de verjaring 98 27.5. Afstand van verjaring 99 27.6. Rente en kosten en verjaring 99 27.7. Na verjaring geen civiele invordering 99 Artikel 27a Betalingskorting 100 Artikel 28 Invorderingsrente 101 28.1. Cheque buitenland en invorderingsrente 101 28.2. Correctie berekende invorderingsrente 101 28.3. Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente 101 28.4. vervallen 101 28.5. vervallen 101 28.6. Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk 102 28.7. Verminderingen en toepassing artikel 28, zesde lid, van de wet 102 28.8. Drempelbedrag 102 Artikel 29 Rentepercentage 103 Artikel 30 Beschikking betalingskorting en invorderingsrente 104 30.1. Beschikking terugnemen betalingskorting 104 30.2. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar 104 30.3. Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie 104 30.4. Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling 104 30.5. Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting 104 Artikel 31 en artikel 31a Afwijkingen betalingskorting en invorderingsrente 105 Artikel 32 Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen 106 32.1. Keuze aansprakelijkheid 106 32.2. Vervallen 106 Artikel 33 Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen 107 33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid 107 33.2. Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid 107 33.3. Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid 107 33.4. Vereffenaar bij aansprakelijkheid 107 33.6. Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid 108 33a. Aansprakelijkheid van begunstigden 108 Artikel 34 tot en met 47 Specifieke aansprakelijkheidbepalingen voor Rijksbelastingen 109 Artikel 48 Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen 110 48.1. Beneficiaire aanvaarding 110 48.2. Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege 110 Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling 111 49.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete 111 49.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente 111 49.3. De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn 112 49.3.1. Wanneer in gebreke 112 49.3.2. In gebreke zijn en versnelde invordering 112 49.3.3. In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’ 112 49.4. Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid 112 49.5. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden 112 49.6. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige 112 49.7. Volgorde van aansprakelijk stellen 113 49.8. Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling 113 49.8.1. Uitstel in verband met bezwaar tegen een beschikking aansprakelijkstelling 113 49.8.2. [vervallen] 113 49.9. Vervallen 113 Artikel 51 Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid 114 51.1. Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar 114 Artikel 52 Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling 115 52.1. Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling 115 Artikel 53 Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding 116 53.1. Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld 116 Artikel 54 Mededeling aan de aansprakelijkgestelde 117 54.1. Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling 117 Artikel 55 tot en met 57 Keten- en bestuurdersaansprakelijkheid 118 Artikel 58 Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde 119 58.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure 119 58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden 119 Artikel 59 Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde 120 Artikel 60 Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen 121 60.1. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie 121 60.2. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen 121 Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen 122 61.1. Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke gegevens 122 Artikel 62 Informatieverplichtingen van de administratieplichtige 123 Artikel 62a Onrechtmatig opgelegde verplichting 124 Artikel 63 en 63ab Beroep op geheimhouding en verplichtingen tegenover invorderingsambtenaar en medewerker invordering 125 Artikel 63b Bestuurlijke boeten 126 63b.1. Algemene uitgangspunten 126 63b.2. Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen 126 63b.3. Verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt 126 Artikel 63c Wijziging maximale hoogte verzuimboete 127 Artikel 64 Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf 128 Artikel 65 Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf 129 65.1. Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf 129 Artikel 65a en artikel 66 Misdrijven en overtredingen 130 Artikel 67 Geheimhoudingsplicht 131 67.1. Bekendmaking aan de belastingschuldige 131 67.2 Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering 131 67.3. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen 131 Artikel 68 tot en met 72 Keuze woonplaats bij de invordering van Rijksbelastingen, bodemrecht en slotbepalingen 132 Artikel 73 Insolventieprocedures 133 73.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures 133 73.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement 133 73.1.2 Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement 133 73.1.3. Boedelschulden 133 73.1.4. Proceskostengarantie 133 73.1.5. Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator 134 73.1.6. Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP 134 73.1.7. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 134 73.1.8. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP 134 73.1.9. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP 134 73.1.10. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en WSNP 134 73.1.11. Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement 134 73.1.12. Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement 134 73.2. Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering 135 73.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP 135 73.2.2. De WSNP is beëindigd met een schone lei. 135 73.3. Insolventieprocedure en surseance 136 73.3.1. Uitstel en surseance 136 73.3.2. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surseance 136 73.3a. WHOA-akkoord 136 73.3a.1. Geldend beleid bij aangeboden WHOA-akkoord 136 73.3a.2. Voorwaarden WHOA-akkoord 136 73.3a.3. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord bij instemming 137 73.3a.4. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord zonder instemming 137 73.4. Insolventieprocedure en faillissement 137 73.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen 137 73.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag 137 73.4.3. Particulieren en faillissement 137 73.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag 138 73.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter 138 73.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag 138 73.4.7. Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag 138 73.4.8. Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag 138 73.4.9. Verzet tegen faillietverklaring 139 73.4.10. Beroep op regresrecht in faillissement 139 73.4.11. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement 139 73.4.12. Opkomen in faillissement 139 73.4.13. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 139 73.4.14. Na de toepassing van het faillissement 139 73.4.15. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure 139 73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP 140 73.5. Insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten 140 73.5.1. Voorwaarden voor MSNP 140 73.5.2. Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP 141 73.5.3. Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen 141 73.5.4. Houding invorderingsambtenaar tijdens uitstel MSNP 142 73.5.5. Intrekken uitstel gedurende MSNP 142 73.5.6. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP 142 73.5.7 Na de toepassing van de MSNP 143 73.5a Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten 143 Algemeen 143 73.6. Insolventieprocedures en akkoorden 144 73.6.1. Buitengerechtelijk akkoord 144 73.6.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord 144 73.6.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord 145 73.6.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord 145 73.6.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord 145 73.6.8. Gevolgen dwangakkoord 145 73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord 146 Artikel 74 Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten 147 Artikel 75 Kosten van vervolging 148 75.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten 148 75.2. Aan derden toekomende bedragen 148 75.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten 149 75.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar 149 75.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten 149 75.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten 149 75.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten 150 75.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten 150 75.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten 151 75.10. Kwijtschelding van vervolgingskosten 151 75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel 151 Artikel 76 tot en met 79 Douane en invordering, motorrijtuigenbelasting, internationale invordering en invordering Awir 152 Artikel 80 Invordering, Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen 153 80.1. Tenuitvoerlegging termijndwangbevel 153 80.2. Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen 153 Artikel1Inleiding en toepassingsgebied Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering Gemeentelijke Belastingen van het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (hierna GBT) en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in artikel 1 van de Invorderingswet 1990. 1.1. Inleiding Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk (hierna: Rijksleidraad) en de Model-leidraad Invordering Gemeentelijke Belastingen van de VNG bevat deze leidraad enkel beleidsregels. Bij de opmaak van deze leidraad is aansluiting gezocht bij de Model-leidraad van de VNG. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen toegevoegd of aangepast aan de specifieke situatie bij het GBT. 1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen Afkorting Omschrijving ..................... ...................................... Awb Algemene wet bestuursrecht Awir Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen BW Burgerlijk Wetboek FW Faillissementswet MSNP minnelijke schuldsanering natuurlijke personen Rv Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Sr Wetboek van Strafrecht Sv WHOA Wetboek van Strafvordering Wet homologatie onderhands akkoord WSF Wet Studiefinanciering 2000 WSNP wettelijke schuldsanering natuurlijke personen Pw Participatiewet 1.1.2. Definities - belasting(en): belastingen die door de gemeente worden geheven; - belastingdeurwaarder: de daartoe door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar bedoeld in artikel 232, vierde lid, onderdeel d, van de Gemeentewet; - besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990; - dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente; - echtgenoot: de echtgenoot bedoeld in artikel 3 van de Pw; - hoger beroep: hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep in cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld, cassatieberoep; - GBTwente: Gemeentelijk Belastingkantoor Twente; - heffingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de heffingsambtenaar; - invorderingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 232, vierde lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de invorderingsambtenaar; - ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of zelfstandig een beroep uitoefent; - particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt; - regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; - wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990). Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde verstaan als de wet daaronder verstaat. 1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten. 1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te beperken. 1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur In de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2., de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet. Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb). Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb). Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen: – bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet; – bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet; en/of – bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen; en – bezwaarschriften tegen voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in de regeling; – bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet; – bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoel in artikel 63b van de wet. Een andere bepaling uit de Awb die van overeenkomstige toepassing is bij invordering is artikel 4:84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient. Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb. Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de invorderingsambtenaar bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan de Belastingdienst aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de invorderingsambtenaar de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaan-slag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnover-schrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de invorderingsambtenaar voor een dergelijke aanslag geen invorderings-maatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten die de invorderingsambtenaar bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt. 1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de voorkeur. 1.1.7. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven Als de invorderingsambtenaar invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftig werknemers, dan vraagt hij daartoe toestemming van het dagelijks bestuur. Onder een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep. Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de invorderingsambtenaar op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel onwetend blijven. De invorderingsambtenaar vraagt altijd toestemming als: - met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf wordt beoogd; - door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd; - derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag; - de invorderingsambtenaar aan een schuldeiser zodanige inlichtingen over openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die schuldeiser. 1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen De invorderingsambtenaar zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de invorderingsambtenaar een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid van de wet terstond invordert. Voor invordering minder geschikte dagen zijn vooral: - de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, de vijfde mei en de Goede Vrijdag, alle met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag; - regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag; - de dagen tussen beide Kerstdagen en Nieuwjaarsdag. 1.1.9. Binnenkomst van bescheiden Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij de gemeente. Als de invorderingsambtenaar in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden. 1.1.10. Positie belastingdeurwaarder Belastingdeurwaarder is een door of namens het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de gemeente aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de invorderingsambtenaar). Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen dient. Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om wat hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van de invorderingsambtenaar. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de invorderingsambtenaar heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen. Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich tegen hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de invorderingsambtenaar in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is. 1.1.11. Bewaren invorderingsbescheiden De invorderingsambtenaar bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende zeven jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard. De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste zeven jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste zeven jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. 1.1.12. Verklaring betreffende nakoming fiscale verplichtingen Op verzoek van de belanghebbende of zijn gemachtigde geeft de invorderingsambtenaar een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere vorderingen op zijn naam openstaan waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen. Tevens verklaart de invorderingsambtenaar desgevraagd dat zich in het verleden - voor wat betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de invorderingsambtenaar nadere bijzonderheden vermelden. De invorderingsambtenaar zendt de verklaring aan het adres van de belanghebbende of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belanghebbende blijft achterwege, tenzij de invorderingsambtenaar zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is. 1.1.13. Informatieplicht De invorderingsambtenaar maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald binnen de betalingstermijn(
- en)die voor de belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt. De invorderingsambtenaar kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen. 1.1.14. Diplomatieke status De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De invorderingsambtenaar richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot: Ministerie van Buitenlandse Zaken Directie Kabinet en Protocol Postbus 20061 2500 EB ’s-Gravenhage 1.2. Toepassingsgebied Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is op de wet. De invorderingsambtenaar handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit fiscaal bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad). Artikel2Begrippen In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het begrip 'woonplaats'. 2.1. Woonplaats De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud. Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de invorderingsambtenaar aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de gemeentelijke verordening op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan. Artikel3Bevoegdheden invorderingsambtenaar Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden van de invorderingsambtenaar. De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. De invorderingsambtenaar treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte op. In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de fiscale en civiele bevoegdheden van de invorderingsambtenaar; - het leggen van conservatoir beslag; - het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures; - de Rijksadvocaat. - Faillissementsaanvraag 3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden De invorderingsambtenaar beschikt op grond van de wet over diverse specifieke bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de invorderingsambtenaar zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken. De invorderingsambtenaar is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de invorderingsambtenaar het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. 3.2. Conservatoir beslag Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de invorderingsambtenaar naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de invorderingsambtenaar. 3.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de invorderingsambtenaar niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet. 3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de invorderingsambtenaar slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid Rv. 3.3. Gerechtelijke procedures - toestemming 3.3.1 Juridische bijstand Op grond van artikel 3, derde lid, van de wet treedt de invorderingsambtenaar zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: - beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR; - hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR; - (hoger) beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen; - kantonzaken; - kort gedingprocedures, indien de invorderingsambtenaar gedaagde is. 3.3.2 Toestemming In gerechtelijke procedures voor de burgerlijke rechter waarin de invorderingsambtenaar als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het dagelijks bestuur. Het voorgaande geldt niet voor: - verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; - kantonzaken; - verzoekschriftprocedures; - procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid, Rv of artikel 708, tweede lid, Rv. In afwijking van de vorige volzin geldt voor in hoger beroep te voeren zaken dat altijd toestemming van het dagelijks bestuur nodig is. 3.4. Rijksadvocaat Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten. 3.5. Faillissementsaanvraag Bij een faillissementsaanvraag wordt vooraf toestemming gevraagd aan het dagelijks bestuur. Dit geldt ook bij een eventuele steunvordering voor het aanvragen van een faillissement. Artikel 3a Bevoegdheden invorderingsambtenaar - strafbeschikking Er zijn in deze leidraad op artikel 3a van de wet geen beleidsregels gemaakt. Artikel4Bevoegdheid belastingdeurwaarder Artikel 4 van de wet bepaalt dat voor het verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een invorderingsambtenaar voor de invordering van (rijks) belastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder bevoegd is. In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de reikwijdte van die bevoegdheid. 4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de invorderingsambtenaar. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de invorderingsambtenaar op grond van artikel 4:124 van de Awb gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de invorderingsambtenaar zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. 4.2. Bescherming Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. 4.3. Legitimatie Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder zich op verzoek legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden. Artikel5Bevoegdheid ressort Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten. Artikel6Reikwijdte van de wet Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is op: - de rente; - de kosten. In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over rente en kosten. 6.1. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Artikel7Betaling en afboeking Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van betalingen plaats moet vinden: - Lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen achtereenvolgens gebeurt aan de kosten, de betalingskorting, de rente en de belastingaanslag; - Lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende componenten van de belastingaanslag plaatsvindt; In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - het tijdstip van de betaling; - de afboeking van de betaling; - teveelbetalingen; - het rekenen van rente en kosten bij afboeking; - het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen; - de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete; - de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden; - betaling bij vergissing; - het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een betaling. - betaling van kleine bedragen; - ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en faillissement. 7.1. Tijdstip betaling - Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van het GBT; - Bij betaling bij een bank of betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of pin-transactie. - Bij rechtstreekse betaling aan de gemeente of het GBT door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling; - Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de invorderingsambtenaar constateert dat sprake is van misbruik; - Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling; - Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van betaling. 7.2. De afboeking van de betaling Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen: - Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt in overeenstemming met de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen; - Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslag, op de aanslag waarbij de belastingschuldige het meeste belang heeft c.q. op de meest bezwarende aanslag, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken; - Als de invorderingsambtenaar ook de invordering van gemeentelijke belastingen ten behoeve van een andere gemeente uitvoert, is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verdeling van de gelden naar rato van de grootte van de belastingschuld plaatsvindt. 7.3. Teveelbetaling Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld. 7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. 7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. 7.6. Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep). Als echter - ondanks dit uitstel - zoveel wordt betaald dat er na afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke boete is afgeboekt en de bestuurlijke boete wordt alsnog aangevochten, dan blijven de afboekingen gehandhaafd. 7.7. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening zijn gebracht. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag - waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing is - echter met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde. 7.8. Betaling bij vergissing Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht. Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de invorderingsambtenaar wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan. Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan niet plaats. 7.9. Mededeling afboeking betaling De invorderingsambtenaar stelt de belastingschuldige alleen dan schriftelijk op de hoogte van de afboeking van een betaling, wanneer invorderingsrente in rekening is gebracht en bij verrekening met andere openstaande aanslagen van dezelfde belastingschuldige. Een kennisgeving blijft ook achterwege als betaling plaatsvindt op grond van een machtiging tot automatische afschrijving en daarbij geen vervolgingskosten worden afgeboekt. 7.10. Betaling van kleine bedragen Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door invorderingsambtenaar aangemerkt wordt als nodeloze overlast. In dat geval treedt hij in contact met de belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen. 7.11. Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt in overeenstemming met de gegevens van de uitdelingslijst, met in achtneming van artikel 7.2 van deze leidraad. Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de invorderingsambtenaar bedragen uitbetaalt. Uitbetaling vindt primair plaats door bijschrijving op een daartoe door de belastingschuldige aangewezen bankrekening bestemd voor girale betaling. Het maakt daarbij niet uit of bedoelde bankrekening op naam staat van de belastingschuldige of van een andere persoon. In gevallen waarbij deze aanwijzing door de belastingschuldige niet heeft plaatsgevonden, kan uitbetaling van het uit te betalen bedrag plaatsvinden door bijschrijving op een bankrekening bestemd voor girale betaling, die op naam staat van de belastingschuldige. In aansluiting op artikel 4:89 van de Awb en artikel 7a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de aanwijzing van het bankrekeningnummer voor uitbetaling; - uitbetalingsfouten. 7a.1. Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling Uitbetalingen van bedragen ten gevolge van teveel betaalde belasting worden gerestitueerd naar het bankrekeningnummer waar de oorspronkelijke betaling van is gedaan. Aanwijzing door belanghebbende moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling bankrekening kan worden gehouden. 7a.2. Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 7a.3. Uitbetalingsfouten Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen, dan moet de invorderingsambtenaar in beginsel opnieuw uitbetalen. De invorderingsambtenaar verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt gerestitueerd. In afwijking van de vorige volzin vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats als de belastingschuldige aantoont dat: - hij tijdig vóór de uitbetaling bij de invorderingsambtenaar heeft aangegeven dat de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet geschieden, en - hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de uitbetaling heeft plaatsvonden, geblokkeerd is. Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de invorderingsambtenaar het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking. Uitbetalingfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de belastingschuldige, blijven voor diens bankrekening. De invorderingsambtenaar beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld over de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald. Artikel 7b Cessie- en verpandingsverbod uitbetalingen inkomstenbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. Artikel8Bekendmaking aanslag Artikel 8 van de wet regelt dat de invorderingsambtenaar de belastingaanslag bekend maakt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. De belastingschuldige is de belastingaanslag in zijn geheel verschuldigd. In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties; - bekendmaking van de aanslag aan een rechtspersoon die (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan; - de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet; - het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen. 8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien verstande dat: - aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de curator worden gezonden; - ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een boedelschuld vormt; - als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft opgeleverd; - aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. 8.2. Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan Als een rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan, is de wijze van bekendmaking van de belastingaanslag ter beoordeling aan de ontvanger. Bij deze beoordeling kunnen onder andere de volgende factoren een rol spelen: - het recht waarnaar de rechtspersoon is opgericht; - het belang van een snelle bekendmaking in verband met de vrees voor onverhaalbaarheid. 8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van wat materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd. 8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk termijn te voldoen. Artikel9Betalingstermijnen Artikel 9 van de wet regelt binnen welke betalingstermijnen belastingaanslagen moeten worden betaald. In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige aanslagen; - de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven; - de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn; - de dagtekening van het aanslagbiljet; - het begrip maand bij betalingstermijnen; - verzuim invorderingsambtenaar bij uitbetaling; - regeling betalingstermijnen; - automatische incasso. 9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(
- en)in de belastingverordening geregeld. Is in de belastingverordening niets geregeld, dan zijn de betalingstermijnen uit de wet van toepassing. In aansluiting op artikel 9, tiende lid, van de wet wordt de Algemene Termijnenwet in beide gevallen niet van toepassing verklaard. Op elke voorlopige aanslag wordt (worden) de betalingstermijn(
- en)aangegeven. Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag (of het evenredige deel ervan bij meerdere termijnen) hebben betaald. 9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten. 9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten. 9.4. Dagtekening aanslagbiljet De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast. 9.5. Begrippen bij betalingstermijnen Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is gesteld op zes weken, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van een maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op 12 december. Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en de betalingstermijn van zes weken op 11 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 10 april. Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij een betalingstermijn van een maand) op de dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt de termijn dus op 15 april. Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt de termijn op 26 april. 9.6. Verzuim invorderingsambtenaar bij uitbetaling Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel 9, eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de invorderingsambtenaar niet in verzuim is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaats vindt. 9.7. Regeling betalingstermijnen De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(
- en)in de belastingverordening geregeld. Is in de belastingverordening niets geregeld, dan zijn de betalingstermijnen uit de wet van toepassing. In aansluiting op artikel 9, tiende lid, van de wet wordt de Algemene Termijnenwet in beide gevallen niet van toepassing verklaard. Op elke belastingaanslag wordt (worden) de betalingstermijn(
- en)aangegeven. Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag (of het evenredige deel ervan bij meerdere termijnen) hebben betaald. 9.8. Automatische incasso Onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde belastingaanslagen is het mogelijk de aanslag(
- en)te voldoen via een automatische incasso. Hiervoor is een incassoreglement vastgesteld. Dit reglement is te raadplegen op de website van het GBT: www.gbtwente.nl Artikel10Versnelde invordering Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft een limitatieve opsomming van bijzondere situaties waarin de invorderingsambtenaar met doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen. Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet bevatten uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze versnelde invordering. In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de reikwijdte van de versnelde invordering; - de vrees voor verduistering; - het metterwoon verlaten van Nederland; - geen vaste woonplaats in Nederland; - als er al beslag ligt; - de verkoop namens derden; - de vordering ex artikel 19. 10.1. Reikwijdte versnelde invordering Als de invorderingsambtenaar het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de invorderingsambtenaar op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is - deelt de invorderingsambtenaar de belastingschuldige schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van direct contact met de belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend - maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) - vermeldt de invorderingsambtenaar op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt - als sprake is van direct contact met laatstgenoemde - eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen. Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de invorderingsambtenaar in een dergelijke situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(
- en)die normaal zou(den) gelden. 10.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake, als de invorderingsambtenaar aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de invorderingsambtenaar moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt. 10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering Naast het redelijke vermoeden van de invorderingsambtenaar dat de belastingschuldige van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de invorderingsambtenaar - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland bevinden. 10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zich geen reden voor de invorderingsambtenaar om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie bestaan waarin de invorderingsambtenaar er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. 10.5. Beslag en versnelde invordering Nadat de invorderingsambtenaar verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige – waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen – dadelijk en ineens invorderbaar. 10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van
- de)executoriale verkoop, zodat de invorderingsambtenaar op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben. 10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering De invorderingsambtenaar mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt. Als de invorderingsambtenaar met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken. Artikel11Aanmaning Artikel 11 van de wet regelt dat als een belastingaanslag niet binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, de invorderingsambtenaar overgaat tot vervolging van de belastingschuldige door de verzending van een aanmaning. In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de geadresseerde van de aanmaning; - als de aanmaning ten onrechte is verzonden; - het achterwege laten van tussentijdse vervolging; - de gedeeltelijke voldoening na aanmaning; - de betalingsherinnering; - de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg. 11.1. De geadresseerde van de aanmaning De invorderingsambtenaar zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is verzonden of uitgereikt. Als naderhand blijkt dat de invorderingsambtenaar de vervolging voort moet zetten voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt de invorderingsambtenaar alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke vertegenwoordiger. Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de invorderingsambtenaar de aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de invorderingsambtenaar weet dat de nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk. 11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden Als een belanghebbende zich tot de invorderingsambtenaar wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd. Als de invorderingsambtenaar concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die de rechten van de gemeente veilig stellen. 11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning Tussentijdse vervolging wordt door het GBT niet toegepast. 11.4. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan. 11.5. Betalingsherinnering Het GBT maakt geen gebruik van een schriftelijke (kostenloze) betalingsherinnering. 11.6. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg Als de invorderingsambtenaar invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de invorderingsambtenaar over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel verzendt de invorderingsambtenaar eerst een aanmaning. De invorderingsambtenaar verzendt echter geen aanmaning als al conservatoir beslag is gelegd. Artikel12Dwangbevel Artikel 12 van de wet bepaalt dat de invorderingsambtenaar een dwangbevel kan uitvaardigen als de belastingschuldige in gebreke blijft de belastingaanslag te betalen. Op grond van dit dwangbevel kan de invorderingsambtenaar overgaan tot invordering van de belastingaanslag. In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - het onderwerp van het dwangbevel; - tegen wie een dwangbevel wordt verleend. 12.1. Onderwerp van het dwangbevel De invorderingsambtenaar vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen en beschikkingen. Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de invorderingsambtenaar een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden. De invorderingsambtenaar vermindert het bedrag van een dwangbevel met: - de inmiddels gedane betalingen; - verleende verminderingen; - bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is verleend. 12.2. Tegen wie verleent de invorderingsambtenaar een dwangbevel De invorderingsambtenaar verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolgers. Als de invorderingsambtenaar het dwangbevel verleent tegen een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit gebeurt. Als de invorderingsambtenaar bekend is met de minderjarigheid of curatele van een belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking. Als de invorderingsambtenaar hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen. Als de invorderingsambtenaar een belastingschuld van een overledene moet verhalen op diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de gezamenlijke erfgenamen. Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan vermeldt de invorderingsambtenaar alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel. De invorderingsambtenaar brengt daarbij echter niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking. Artikel13Betekening van het dwangbevel In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het dwangbevel beschreven. Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door middel van betekening. De betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling kan plaatsvinden: - door de belastingdeurwaarder; - via Mijn Overheid - per post door de invorderingsambtenaar. In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de betekening van het dwangbevel; - de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder; - bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel. 13.1. Betekening dwangbevel per post De betekening van het dwangbevel vindt plaats via Mijn Overheid, dan wel per post. De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen door de invorderingsambtenaar van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de invorderingsambtenaar ter verzending aanbieden van het afschrift aan PostNL. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. De invorderingsambtenaar maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen. 13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie van de gemeente bekende adres van de belastingschuldige. Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de basisregistratie personen is geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de basisregistratie personen - bijvoorbeeld een postbusadres - kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres. Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en de belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden. Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als betekend. Dit is niet het geval als de belastingschuldige bijzondere omstandigheden aannemelijk kan maken op grond waarvan moet worden aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt. 13.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv. Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal bereiken. Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de invorderingsambtenaar van een andere gemeente. 13.3. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan. Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie. Artikel14Tenuitvoerlegging van het dwangbevel Artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet gaan over de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de algemene regels over tenuitvoerlegging; - beslag op roerende zaken die geen registergoederen; - beslag op onroerende zaken; - beslag onder derden; - beslag op schepen. 14.1. Tenuitvoerlegging algemeen Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan de belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen (zie artikel 4:116 van de Awb). Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder een hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaat (artikel 14, eerste lid van de wet). Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt conform artikel 47 Rv - dat wil zeggen door achterlating van het bevel in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel - gaat de belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging (artikel 14, eerste lid van de wet). In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een hernieuwd bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats te vinden als het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, terstond ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 14, tweede lid, van de wet). 14.1.1. Vervallen 14.1.2. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de nodige soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te nemen. In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt, als hij vermoedt dat de invorderingsambtenaar de beslagopdracht niet zou hebben gegeven als alle omstandigheden bekend waren geweest. Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling inmiddels heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25.1.15 of 26.1.11 van deze leidraad, en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist. Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd, overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag. Voorwaarde is dan wel dat met de afdoening - gelet op de omstandigheden - naar het oordeel van de invorderingsambtenaar akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen in het in deze leidraad geformuleerde beleid. 14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken, tenzij hiermee de belangen van de gemeente worden geschaad. Hierbij is het niet van belang of de erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. 14.1.4. Volgorde van uitwinning bij beslag Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten. 14.1.5. Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten. 14.1.6. Beslaglegging voor vordering van derden Als de invorderingsambtenaar voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij ook over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke rangorde, waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de executiewaarde van de inbeslaggenomen zaken. 14.1.7. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden De invorderingsambtenaar kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan. De invorderingsambtenaar heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald of aan die voorwaarden is voldaan. 14.1.8. Opheffing beslag tegen betaling door een derde Als de invorderingsambtenaar van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing van het beslag, dan kan de invorderingsambtenaar hieraan zijn medewerking verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige; 2. Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie; 3. De belangen van de gemeente worden niet geschaad. De invorderingsambtenaar houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal zoeken, en hij kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden. 14.1.9. Opschorten van de executie De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop plaats, tenzij de invorderingsambtenaar ervan overtuigd is dat betaling van de belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval kan de invorderingsambtenaar besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal) maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is gelegd. Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de invorderingsambtenaar en de belastingschuldige is verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen uitstel van betaling in, in de zin van artikel 25 van de wet. 14.1.10. Vervallen 14.1.11. Vervallen 14.1.12. Strafrechtelijk beslag Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex artikel 94 Sv rust - dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader van een ontnemingsmaatregel - dan wordt het beslag dat de belastingdeurwaarder heeft gelegd pas vervolgd nadat het strafrechtelijke beslag is opgeheven. Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan het fiscale beslag blijven liggen. 14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving De gemeente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen. In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de invorderingsambtenaar terughoudend op. Dit houdt in dat de invorderingsambtenaar in beginsel niet direct overgaat tot uitwinning van een reeds gelegd beslag tenzij hiermee de belangen van de gemeente worden geschaad. 14.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 14.2.1. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden met gebruikmaking van artikel 444 Rv, dan blijft deze wijze van tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege. De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer op het woonadres zal vervoegen. Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze handelwijze verzet. 14.2.2. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een ander Gemeente dan het kantoor waar bij de betekening van het dwangbevel domicilie is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie gekozen ten kantore van de gemeente waar de belastingdeurwaarder die het beslag legt zijn standplaats heeft. 14.2.3. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de deurwaarder deze betaling. Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de belastingschuldige wordt gelaten. 14.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken 1. Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als, naar het oordeel van de belastingdeurwaarder, in elk geval nodig is voor dekking van de openstaande schuld inclusief rente en kosten. 2. Gezien het bepaalde in artikel 441, derde lid, Rv, wordt geen beslag gelegd op zaken indien redelijkerwijs voorzienbaar is dat de opbrengst die gerealiseerd kan worden door het verhaal op die zaken aanmerkelijk minder bedraagt dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie. De belastingdeurwaarder kan wel beslag leggen op deze zaken als de belastingschuldige door het beslag en de executie niet op onevenredig zware wijze in zijn belangen wordt getroffen. Daarvan is sprake als het aannemelijk is dat het onbetaald blijven van de belastingschulden waarvoor beslag wordt gelegd, te wijten is aan onwil van de belastingschuldige of als het aannemelijk is dat door de executoriale verkoop van de betreffende zaken kan worden voorkomen dat belastingschulden verder oplopen. 14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten. 14.2.6. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te dienen bij het dagelijks bestuur op grond van artikel 22, eerste lid van de wet en eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv. Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en vaststaat dat de invorderingsambtenaar zijn verhaalsrecht niet kan effectueren, blijft inbeslagname achterwege. 14.2.7. Voldoening zekerheidsschuld door invorderingsambtenaar en beslag roerende zaken De invorderingsambtenaar kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan een derde op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van verrekening met de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de volgende zaken aantreft: - zaken die niet onder het bodemrecht vallen; en - eigendom zijn van een derde; en - strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop, eigendomsvoorbehoud); en - waarop de invorderingsambtenaar zich na voldoening van die schuld zou kunnen verhalen. De invorderingsambtenaar maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop deze derde een retentierecht heeft. 14.2.8. Beslag roerende zaken bij derden Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden, verhaalt de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door het leggen van een beslag op roerende zaken. De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden leggen als: - de derde geen medewerking verleent aan het leggen van een beslag roerende zaken; - het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de zaken zelf te zien, dan wel te inventariseren; - de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv, voordat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten. Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval een formulier als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv, binnen drie dagen nadat de derde zich erop heeft beroepen dat hij het beslag niet behoeft te dulden. Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel 461d Rv. 14.2.9. Wegvoeren van beslagen zaken Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten. Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als bedoeld in Rv. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de invorderingsambtenaar niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag genomen zaken. Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd. Bijvoorbeeld als de belastingdeurwaarder administratief beslag als bedoeld in artikel 442, eerste lid, Rv, heeft gelegd op een motorrijtuig of een aanhangwagen, en de geëxecuteerde het motorrijtuig of de aanhangwagen niet heeft ingeleverd, nadat de belastingdeurwaarder hem daartoe twee keer in de gelegenheid heeft gesteld. Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruik gemaakt: - als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet kan worden ingevorderd en; - de invorderingsambtenaar na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht. Het wegvoeren van zaken gebeurt niet door de belastingdeurwaarder dan na daartoe verkregen toestemming van de invorderingsambtenaar van de gemeente of zijn plaatsvervanger. Het wegvoeren van zaken, waaronder motorrijtuigen naar aanleiding van een actie op grond van artikel 18 van de wet, gebeurt niet door de belastingdeurwaarder dan na daartoe verkregen toestemming van de invorderingsambtenaar van de gemeente. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de invorderingsambtenaar of van een andere door hem daartoe aangewezen functionaris. Bij het in beslag nemen van een voertuig is het aan de belastingdeurwaarder ter keuze om een wielklem, of een ander middel, aan te brengen ter zekerheid tegen verduistering. 14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten. 14.2.11. Afsluiting en beslag roerende zaken De deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte overgaan waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken zich bevinden, als: - de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 van deze leidraad; en - de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer hoge kosten kunnen worden afgevoerd. Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van de invorderingsambtenaar. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de invorderingsambtenaar of van een andere door de invorderingsambtenaar daartoe aangewezen functionaris. Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden overgegaan. 14.2.12. Bewaarder en beslag roerende zaken Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden weggevoerd of op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad afsluiting plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het bewaarderschap met betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal dat in de betreffende situaties moet worden opgemaakt. Als een ambtenaar van de gemeente als bewaarder wordt aangesteld, is dit zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de ambtenaar die tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding gegeven. De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de beslagen zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden vervoerd of opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of economisch bederf minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken onder normale omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen maatregelen en de daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot de aard en de waarde van de desbetreffende zaken. Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder aangesteld: - als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het bewaarderschap verbonden taken uit te oefenen; - als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het bewaarderschap niet uitdrukkelijk te worden ontnomen; - als een ambtenaar van de gemeente tot bewaarder is aangesteld en deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te (kunnen) hebben bij het beslag. Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend geval kan dit bij deurwaardersexploot. 14.2.13. Executoriale verkoop computerapparatuur Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De belastingdeurwaarder moet - voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan - nagaan of deze apparatuur nog de zogenoemde 'software' bevat (bestanden, programma's en dergelijke). Als dat het geval is, dan moet de belastingschuldige de mogelijkheid worden geboden om die software te verwijderen en een back-up te maken. 14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken De invorderingsambtenaar moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de Waarborgwet 2019 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen - al dan niet met het vereiste stempelteken - moet de invorderingsambtenaar aangifte doen zoals artikel 46 van de Waarborgwet 2019 dat voorschrijft. 14.2.15. Beslag op illegale zaken Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 14.1.12 van deze leidraad. Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde zaken worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan moet de invorderingsambtenaar contact opnemen met het dagelijks bestuur voordat maatregelen worden getroffen om tot executoriale verkoop van de inbeslaggenomen zaken over te gaan. 14.2.16. Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de invorderingsambtenaar een andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die met de verkoop belast is, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. Daarnaast kan de invorderingsambtenaar de belastingdeurwaarder opdracht geven om de executie plaats te laten vinden via internetveiling. De regels hiervoor dienen openbaar gemaakt te worden. 14.2.17. Opheffing van het beslag op roerende zaken Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de invorderingsambtenaar dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt. Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in artikel 445 Rv wordt altijd kenbaar gemaakt bij deurwaardersexploot. 14.2.18. Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken De invorderingsambtenaar verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt afgeboekt, worden eerst de kosten van executie verrekend. De invorderingsambtenaar boekt de opbrengst vervolgens af met inachtneming van het bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad. Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, dan wordt zoveel mogelijk getracht in der minne overeenstemming te bereiken over de toedeling van de netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan zijn de artikelen 481 en volgende Rv van toepassing. 14.2.19. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de kopers onleesbaar zijn gemaakt. 14.2.20. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de invorderingsambtenaar vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de invorderingsambtenaar deze informatie tenzij het belang van de invordering zich daartegen verzet. 14.2.21 Relaas van onttrekking Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken (artikel 198 Sr) kan van dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De invorderingsambtenaar beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan de officier van justitie. 14.2a. Administratief beslag op motorrijtuigen en aanhangwagens 1. De belastingdeurwaarder neemt zo nodig in het proces-verbaal van inbeslagneming van een motorrijtuig of aanhangwagen op de voet van artikel 442, eerste lid, Rv, een instructie op inzake het afgeven van het motorrijtuig of de aanhangwagen, als bedoeld in artikel 442, eerste lid, onder e, Rv. Daarin vermeldt de belastingdeurwaarder de plaats, datum en het tijdstip waarop het motorrijtuig of de aanhangwagen ingeleverd moet worden. 2. Als de geëxecuteerde het motorrijtuig of de aanhangwagen niet inlevert volgens de in het eerste lid bedoelde instructie, stelt de belastingdeurwaarder eenmalig opnieuw een inlevermoment vast en stelt hij de geëxecuteerde hiervan schriftelijk op de hoogte. De belastingdeurwaarder vermeldt in de schriftelijke kennisgeving in ieder geval de plaats, datum en het tijdstip waarop het motorrijtuig of de aanhangwagen ingeleverd moet worden 14.3. Beslag op onroerende zaken 14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken Indien het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om in bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe verkregen toestemming van de invorderingsambtenaar. Het bepaalde in artikel 14.2.9 is van overeenkomstige toepassing. 14.3.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken Als de invorderingsambtenaar voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan. In gevallen waarin de invorderingsambtenaar zelf de eerste beslaglegger is, gaat hij altijd tot beslaglegging over voor vorderingen van derden waarvan de invordering aan hem is opgedragen. 14.3.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken De invorderingsambtenaar die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en tevens de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel mogelijk een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Er wordt in een dergelijk geval dus niet gehandeld als bedoeld in artikel 507, derde lid, Rv. 14.3.4. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken De invorderingsambtenaar vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden die op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg over de inhoud van deze voorwaarden. In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat de kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort - als de koopprijs niet toereikend mocht zijn - door de executant zal worden aangezuiverd. 14.3.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag aan de huurder of pachter is betekend, ontvangt deze ook een schriftelijke mededeling. Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders en - indien van toepassing - aan de bewaarder. 14.4. Beslag onder derden 14.4.1. Beslag op vordering van een derde In de artikelen 475 en volgende Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt dat - na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring - de derde geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen. De invorderingsambtenaar stelt de derde hiervan op de hoogte. Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander - bijvoorbeeld door een bank - wordt geadministreerd. In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de derdebeslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan degene aan wie de vordering formeel toebehoort binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, moet de invorderingsambtenaar zoveel mogelijk aangeven op welke gronden hij de vordering die op naam van die anders is geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige. 14.4.1a. Geen beslag op coronabonus zorgprofessional De ontvanger laat geen derdenbeslag leggen onder een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor een bonus die door de zorgaanbieder wordt uitgekeerd aan een zorgprofessional als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor zover aan de zorgaanbieder een subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19. Als reeds beslag is gelegd onder de zorgaanbieder, verzoekt de ontvanger niet om afdracht van de bonus of betaalt de ontvanger de bonus alsnog aan de zorgprofessional uit als de zorgaanbieder de bonus al aan de ontvanger heeft afgedragen. 14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de invorderingsambtenaar voor het doen van een vordering. 14.4.3. Roerende zaken bij derden Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden, wordt gehandeld in overeenstemming met wat is bepaald in artikel 14.2.8 van deze leidraad. 14.4.4. Plaats beslaglegging en derdenbeslag Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht geschonken. De situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor heeft en een of meerdere bijkantoren. In dat geval legt de belastingdeurwaarder het beslag zoveel mogelijk bij het hoofdkantoor dan wel het filiaal of bijkantoor dat bemoeienis heeft met de gelden of zaken waarop verhaal wordt gezocht. In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder een ander filiaal of bijkantoor. De executant kiest in alle gevallen domicilie bij de belastingdeurwaarder. Als er aanleiding toe bestaat, kan de invorderingsambtenaar de omvang van het beslag bij de beslaglegging beperken. Voor zover niet door een andere schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt. 14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan past de invorderingsambtenaar zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv. Indien de belastingschuldige kenbaar maakt dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld, maar niet de juiste informatie verstrekt voor de goede vaststelling ervan, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn alsnog de juiste informatie te verstrekken. Indien de belastingschuldige de juiste informatie binnen de door de ontvanger gestelde termijn aanlevert, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet met ingang van de inhouding volgend op het moment waarop de belastingschuldige kenbaar maakte dat de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld. 14.4.5a Derdenbeslag en kosten van levensonderhoud Wanneer de invorderingsambtenaar derdenbeslag legt als gevolg waarvan de belastingschuldige niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud, verleent de invorderingsambtenaar zijn medewerking aan (gedeeltelijke) opheffing van het beslag dan wel stelt hij een passend deel van het door de derde betaalde bedrag beschikbaar aan de belastingschuldige. De invorderingsambtenaar verleent slechts medewerking onder voorwaarde dat de belastingschuldige voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het beslag gedurende een bepaalde periode niet meer kan voorzien in de kosten van levensonderhoud. Voor de vaststelling van het passend deel gaat de invorderingsambtenaar uit van de kosten van bestaan als bedoeld in artikel 16 van de regeling. 14.4.5b. Vrij te laten bedrag en beslag onder derden bij geen adres in Nederland Als de belastingschuldige op grond van de basisregistratie personen geen adres in Nederland heeft, stelt de ontvanger bij het leggen van derdenbeslag geen vrij te laten bedrag vast als bedoeld in artikel 475a, vijfde lid, Rv. Als de belastingschuldige inzicht geeft in zijn leefsituatie en aannemelijk maakt dat hij door het beslag onvoldoende middelen van bestaan overhoudt, kan hij de ontvanger verzoeken alsnog rekening te houden met het voor hem geldende vrij te laten bedrag. De ontvanger stelt in dat geval het voor de leefsituatie van de belastingschuldige geldende vrij te laten bedrag vast. De ontvanger betaalt dat bedrag aan de belastingschuldige, nadat op het derdenbeslag is afgedragen. 14.4.5c. Toepassing 5%-regeling Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 14.4.6. Vervallen 14.4.7. Vervallen 14.4.8. Vervallen 14.4.9. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente Bij een derdenbeslag op een polis van een levens- of spaarverzekering of lijfrente geldt - naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv het volgende: - De invorderingsambtenaar stelt zich terughoudend op bij het leggen van derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening; - De invorderingsambtenaar betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de invorderingsambtenaar rekening met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd; - Als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt, de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de expiratiedatum, wint de invorderingsambtenaar het derdenbeslag niet uit en gaat hij niet over tot afkoop of belening. In dat geval laat de invorderingsambtenaar - in overleg met belastingschuldige - het beslag liggen tot de expiratiedatum; - De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de weg; - De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd moeten onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht. 14.4.10. Retentierecht en derdenbeslag Als de derdebeslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het derdenbeslag van de invorderingsambtenaar zijn getroffen, dan kan de invorderingsambtenaar op grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de belastingschuldige. Het bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de executiewaarde van de desbetreffende zaak. 14.4.11. Opheffing van het derdenbeslag Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de invorderingsambtenaar dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt aan zowel de belastingschuldige als de derde. In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis gegeven aan de derde-beslagene. De invorderingsambtenaar zendt aan de belastingschuldige een afschrift van deze kennisgeving. 14.4.12. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag Als een derde tegen de invorderingsambtenaar een vordering uit onverschuldig