← Nederland

Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg (Nuenen, Gerwen en Nederwetten)

In het kort

Dit beleidsplan beschrijft hoe de gemeente Nuenen omgaat met archeologisch erfgoed in de bodem, in lijn met de Wet op de Archeologische Monumentenzorg die op 1 september 2007 in werking trad. Het doel is om archeologische waarden te beschermen zonder onnodige maatschappelijke lasten te creëren.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsplan Archeologische MonumentenzorgVoorwoord De identiteit van Nuenen is niet alleen te vinden in de samenleving van vandaag. De wortels van onze geschiedenis liggen al ver daarvoor. Verder dan geschreven bronnen teruggaan. Archeologisch onderzoek geeft ons meer informatie over het ontstaan van onze dorpen en omgeving en over de bewoners en hun gebruiken. Het onderzoek vormt daarmee een ontzettend belangrijke bron voor onze geschiedschrijving. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Met deze wet is archeologie geen min of meer vrijblijvende factor meer. Als in de bodem archeologische erfgoed aanwezig is, dan moet daar rekening mee worden gehouden. Voor u ligt het beleidsplan waaruit blijkt hoe Nuenen met haar bodemarchief om wil gaan. Ik ben blij met deze beleidsnota. Omdat er een duidelijk kader wordt gesteld. En omdat ons archeologisch erfgoed het verdient. We willen de archeologische waarden in de gemeente (blijven) beschermen, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Daarvoor is het van groot belang dat inzichtelijk is waar rekening moet worden gehouden met ons bodemarchief. Dat gebeurt met dit beleidsplan en de daaruit voort gekomen archeologische beleidskaart. De archeologische verwachting gaan we op een transparante wijze vertalen in de nieuwe bestemmingsplannen. Dat geeft duidelijkheid vooraf en voorkomt problemen achteraf. Tijdig rekening houden met archeologisch erfgoed, dat is waar het om draait. Hier moet het niet bij blijven. We moeten onze geschiedenis beter inzichtelijk maken. Ons verleden is niet alleen voor een select gezelschap deskundigen. Wat mij betreft moeten we door visualisaties in bijvoorbeeld het straatbeeld en in nieuwbouwplannen ons verleden beleefbaar maken. Onze geschiedenis is tenslotte van ons allemaal en voor ons allemaal. J.A. Mulder Wethouder Ontwikkeling, Monumenten en Archeologie Verantwoording en samenvatting Het voorliggende beleidsplan Archeologische Monumentenzorg is geheel in lijn met de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) die per 1 september 2007 van kracht is geworden en de daaraan gekoppelde stelselherziening voor de archeologische monumentenzorg, en sluit aan op de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden. Uitgangspunt voor het SRE beleidsplan is het Voorbeeldbeleidsplan van het Convent van Gemeentelijk Archeologen (CGA) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Handreiking Archeologische Monumentenzorg van de VNG. Het Convent van Gemeentelijke Archeologen (CGA) is in 1978 opgericht als overlegplatform voor gemeenten die beschikken over een eigen archeoloog of archeologische afdeling. Inmiddels zijn ruim 50 gemeenten als lid of toehoorder bij het Convent aangesloten, waaronder sinds 2007 ook het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven. De handreiking bevat een uitgebreide toelichting voor gemeentelijke bestuurders en beleidsmakers op het taakveld archeologie. Het voorbeeldbeleidsplan is voor de gemeente Nuenen naar eigen behoefte en ambitie aangepast aan de eigen situatie en daar waar wenselijk uitgebreid. Nuenen heeft een rijk en gevarieerd bodemarchief. De hoge akkers ten oosten van de beken de Dommel en de Kleine Dommel, en de akkers langs de Hooidonkse Beek hebben al vele archeologische vondsten opgeleverd. De meeste vindplaatsen dateren uit de IJzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen en verschaffen de nodige aanwijzingen voor politieke, religieuze en economische activiteiten die uitstijgen boven het niveau van “gewone” agrarische gemeenschappen. Ondanks de omvangrijke erosie als gevolg van de woningbouw en ontgrondingen, is er nog veel in de bodem bewaard. Nuenen kent naast terreinen met een beschermde monumentenstatus ook een flink aantal terreinen met een vastgestelde archeologische waarde. Binnen het grondgebied van Nuenen worden op de waarden- en verwachtingenkaart daarnaast drie archeologische verwachtingszones onderscheiden op grond van de beredeneerde dichtheid aan archeologische sporen en vondsten. Het is het waard het resterende bestand aan archeologische vindplaatsen, op verantwoorde wijze te beheren, voor toekomstig onderzoek en generaties, maar wellicht kunnen de resten van het Nuenense verleden in de toekomst ook een belangrijke inspiratiebron gaan vormen voor het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit en het versterken van de identiteit van de Nuenense gemeenschap. De herziene monumentenwet geeft gemeenten de nodige beleidsruimte bij de inhoudelijke en praktische invulling van de archeologische monumentenzorg. Gemeenten zijn niet verplicht om bij ruimtelijke planvorming in alle gevallen voorrang te geven aan archeologie; wel dienen zij in hun nieuwe rol van bevoegd gezag het behoud van het archeologisch bodemarchief af te wegen tegen andere maatschappelijke belangen. Hoe die belangenafweging uitvalt, is uiteindelijk een kwestie van democratische besluitvorming binnen de gemeente. Het is duidelijk dat provincie en Rijk daarbij stimuleren dat (conform het Malta- en Belvedèrebeleid) cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk worden beschermd en gehanteerd worden als inspiratiebron voor de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente maakt daarbij een verantwoorde afweging tussen wat in de bodem bewaard moet blijven, onderzocht dient te worden of verloren mag gaan. Centraal daarbij staat het behoud van representatieve delen van het verleden landschap en de archeologische vindplaatsen die daarin verborgen liggen. In dit beleidsplan archeologische monumentenzorg worden de volgende uitgangspunten uitgewerkt: Het gemeentelijk grondgebied wordt onderverdeeld in zes categorieën met een verschillende waardering van het archeologisch bodemarchief; Conform artikel 41a van de Monumentenwet stelt de gemeente voor deze gebieden haar eigen grenzen vast waarbinnen ruimtelijke ingrepen en bodemingrepen (tot een bepaalde diepte en/of oppervlakte) worden vrijgesteld van AMZ-eisen. Gezien de ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente is het integraal hanteren van de in de Monumentenwet genoemde ondergrens van 100 m² niet voor alle zones werkbaar, noch noodzakelijk; Conform artikel 38 van de Monumentenwet zal de gemeenteraad een verordening vaststellen, waarin zij zelfstandig regels vaststelt met betrekking tot de archeologische monumentenzorg in de gemeente. Hierin worden de regels, voortvloeiend uit het gemeentelijke AMZ-beleid bij verordening vastgesteld; Er wordt een gemeentelijke archeologische beleidskaart vastgesteld als ruimtelijke vertaling van het archeologiebeleid en de bij verordening vastgestelde regels; De gemeente gaat het mogelijk maken om terreinen als gemeentelijk archeologisch monument aan te wijzen (plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst); De beleidsmatige vertaling van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg kan voor de gemeente grote financiële en/of organisatorische consequenties hebben. Dat geldt niet alleen voor de gemeente, maar ook voor grondeigenaren en -gebruikers, plannenmakers en initiatiefnemers van bodemingrepen. De gemeente dient dan ook voor alle betrokkenen inzichtelijk maken in welke gebieden archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is en waarom op andere plaatsen niet. Het voorliggende rapport vormt de inhoudelijke onderbouwing voor, en de handleiding bij, de gemeentelijke archeologische verwachtingen- en waardenkaart van Nuenen (kaartbijlage 6). Deze kaart verschaft niet alleen inzicht in de ligging van alle bekende archeologische waarden binnen het Nuenense grondgebied, maar ook waar al archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden of waar de grootste kans bestaat dat nieuwe archeologische vindplaatsen kunnen worden aangetroffen. De archeologische verwachtingen- en waardenkaart heeft dus een belangrijke signalerende functie. De archeologische beleidskaart (kaartbijlage 7) geeft de vertaling van de archeologische waarden- en verwachting naar concrete maatregelen in de sfeer van de ruimtelijke ordening. Het betreft de omgang door de gemeente met de geïnventariseerde archeologische waarden en verwachtingen in relatie tot bestemmingsplannen, bouw- en sloopvergunningprocedures, aanlegvergunningen, ontheffingen, ontgrondingen, MER-procedures, enz. Op basis van de archeologische beleidskaart, wordt de gemeente onderverdeeld in verschillende categorieën met daaraan gekoppelde voorschriften. De volgende 6 categorieën en voorschriften worden onderscheiden: Beschermd archeologisch monument. Archeologische resten die vanuit nationaal oogpunt behouden dienen te blijven en derhalve als monument beschermd zijn ingevolge art. 3 van de Monumentenwet of waar deze wordt voorbereid. De wettelijke bescherming verbiedt hier de meeste bodemverstorende activiteiten, tenzij de Minister van OCW hiervoor vooraf vergunning verleent. Op grond van de gemeentelijke Monumentenverordening bestaat de mogelijkheid hieraan ook gemeentelijke monumenten toe te voegen. Gebied van archeologische waarde. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 100 m² en dieper gaan dan 0,3 m –mv. Gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, aangetroffen archeologische vondsten of historische informatie een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake kan zijn van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserverings-omstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m (0,5 m bij esdek) –mv. Gebied met een middelhoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning. De kans op het aantreffen van vondsten is hier echter kleiner, doordat de dichtheid aan vindplaatsen beduidend lager is dan in de gebieden met een hoge verwachting. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 2.500 m² en dieper gaan dan 0,3 m (0,5 m bij esdek) –mv. Gebied met een lage archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten uiterst klein wordt geacht. Op deze terreinen rust geen voorschrift om aanlegvergunning. Wel zal bij m.e.r. plichtige en grootschalige inrichtingsprojecten vanaf 10.000 m² en projecten die onder de tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Gebied zonder archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van aangetoonde ontgrondingen, recente bebouwing en funderingen zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Tenslotte vallen hieronder ook de zogenaamde gedeselecteerde gebieden. Op deze terreinen rust geen voorschrift om aanlegvergunning. Wel zal bij m.e.r. plichtige inrichtingsprojecten en projecten die onder de tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. De zes categorieën worden weergegeven op de archeologische beleidskaart (kaartbijlage 7) en gekoppeld aan een stelsel van voorschriften en vrijstellingen voor bodemingrepen. De archeologische maatregelen die hieruit voortvloeien zullen de komende jaren in de diverse gemeentelijke bestemmingsplannen worden vastgelegd. Vooruitlopend op deze noodzakelijke bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de betreffende bestemmingsplannen worden deze bepalingen bij verordening voorlopig geregeld in de erfgoedverordening (bijlage 4). Het bovenstaande resulteert in een beleid waarmee een maatschappelijk aanvaardbare balans wordt bereikt tussen mogelijkheden voor ruimtelijke en economische ontwikkeling enerzijds en een zorgvuldig beheer van de meest waardevolle delen van het gemeentelijk bodemarchief anderzijds. 1Inleiding 1.1 De nieuwe rol van de gemeente De invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) en de genoemde toegenomen aandacht voor de archeologische zorg binnen het ruimtelijk beleid hebben grote gevolgen voor de gemeente. Omdat in Nederland het grootste deel van de ruimtelijke ingrepen op gemeentelijk niveau plaatsvindt, worden gemeenten nu ook in de meeste gevallen bevoegd gezag inzake de zorg voor archeologische waarden. Bij ruimtelijke planvorming zal de gemeente dan ook zelf nadrukkelijk rekening moeten houden met de cultuurhistorische (waaronder archeologische) waarden binnen het eigen grondgebied. Aan besluitvorming en vergunningverlening zullen zonodig voorwaarden moeten worden verbonden. Waar nodig zal de gemeente voorts zelf toezicht moeten gaan houden op de uitvoering van archeologisch onderzoek bij bodemverstorende activiteiten en - indien het gaat om gemeentelijke (bouw)projecten - moeten fungeren als opdrachtgever voor de noodzakelijke archeologische werkzaamheden. De gemeente Nuenen zal de komende jaren een aantal nieuwbouwprojecten realiseren in het buitengebied en binnen de dorpskernen. De uitvoering ervan kan gepaard gaan met bodemingrepen die de bijzondere archeologische resten zouden kunnen aansnijden en verstoren. Het valt niet uit te sluiten dat de bodem geroerd gaat worden op plaatsen waar dit nog niet eerder het geval was. De gemeente stelt zich tot doel steeds een verantwoorde afweging te maken tussen wat in de bodem bewaard moet blijven, onderzocht dient te worden of verloren mag gaan. Voorkomen moet worden dat de meest waardevolle delen van het bodemarchief ongezien verdwijnen. 1.2 Doel van het beleidsplan De bovenstaande ontwikkelingen vormen voor het gemeentebestuur de aanleiding tot het opstellen van dit beleidsplan. Omdat de Wamz gemeenten beleidsruimte biedt om, binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid, naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied, is het doel van dit beleidsplan het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. De gemeente streeft daarbij naar een juiste balans tussen het provinciale en rijksbeleid inzake archeologie en de eigen invulling daarvan via het behoud van representatieve delen van het landschap en de archeologische vindplaatsen die daarin verborgen liggen. Dat betekent dat de formulering van het archeologiebeleid nauw verweven is met de eigen ruimtelijke ambities en andere voornemens op het gebied van ruimtelijke ordening, infrastructuur, landbouw, cultuur, monumenten en toerisme. Op advies van de provincie Noord-Brabant is het archeologiebeleid ook afgestemd met buurgemeenten en vergeleken met de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Het verwachtingspatroon is gebaseerd op de regio Zuidoost-Brabant van de 21 aangesloten SRE gemeenten en geeft daarmee een gedetailleerder verwachtingsbeeld dan de provinciale kaart die uitgaat van een nog ruimer en daarmee landschappelijk gedifferentieerder gebied. Ook zijn aanvullend (mogelijk) verstoorde terreinen (waaronder reeds archeologisch onderzochte percelen) en archeologisch-historisch waardevolle terreinen nader in beeld gebracht, inclusief de bebouwde gebieden. De kaart is besproken met de stadsarcheoloog van Eindhoven en Helmond en afgestemd met de kaart van Eindhoven en Helmond. SRE is nog bezig met het opstellen van een archeologische kaart voor de gemeente Geldrop-Mierlo. De gemeenten Laarbeek en Son en Breugel hebben vooralsnog geen eigen gemeentelijke beleidskaart. 1.3 Opzet en leeswijzer Het onderhavige beleidsplan is onderverdeeld in drie delen, respectievelijk gegroepeerd rond de thema’s beleidskader, beleidsrealisatie en uitvoering. Deel I (beleidskader) begint met een overzicht van het rijks- en provinciale beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie (hoofdstuk 2) – het generieke kader waarbinnen de gemeente haar beleid dient te formuleren. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de nieuwe taken van de gemeente. In hoofdstuk 5 staan de belangrijkste andere spelers binnen het archeologiebestel centraal. Het accent ligt dus op de taakverdeling tussen alle stakeholders en de belangrijkste veranderingen daarin bij invoering van de Wamz. In Deel II (beleidsrealisatie) worden de inhoudelijke en theoretische achtergronden voor het opstellen van de diverse archeologische kaarten uitgelegd en wordt ingegaan op de landschappelijke, archeologische en historische kennis van Nuenen en omgeving. Hoofdstuk 7 geeft een karakterisering van het eigen gemeentelijke bodemarchief aan de hand van de bekende archeologische en historische vindplaatsen. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op het gehanteerde verwachtingsmodel wat voor Nuenen is gebruikt als basis voor het opstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Dit inhoudelijk kader vormt meteen het uitgangspunt en de onderbouwing voor de invulling van het nieuwe gemeentelijke AMZ-beleid. In Deel III (uitvoering) worden de bouwstenen (hoofdstuk 9) aangedragen waaruit het gemeentelijk archeologiebeleid wordt opgebouwd en via welke beleidsinstrumenten de bescherming van archeologisch waardevolle gebieden in onze gemeente zal worden gerealiseerd. Vervolgens wordt per instrument of bouwsteen aangegeven hoe deze taken, en de uitvoerende werkzaamheden die daaruit voortvloeien, binnen het gemeentelijk apparaat georganiseerd gaan worden. In hoofdstuk 10 wordt daarbij op de eerste plaats ingegaan welke archeologische werkzaamheden op welk moment dienen plaats te vinden en hoe de beleidskaart daarbij te gebruiken is. In hoofdstuk 11 komen de praktische consequenties voor bestemmingsplan- en vergunningprocedures aan bod. Hoofdstuk 12 gaat over contractering en toezicht op de uitvoering en hoofdstuk 13 over de rol van de heemkundekring en de inpassing van archeologische waarden in de ruimtelijke inrichting. Hoofdstuk 14 staat stil bij het grote belang van actuele en eenduidige informatie voor alle betrokkenen. In hoofdstuk 15 wordt tot slot besproken wat de financiële en personele consequenties van het nieuwe beleid zullen zijn. In de praktijk zal met name deel III van het beleidsplan worden gebruikt binnen het gemeentelijke apparaat. Deel I geeft indien nodig de noodzakelijke achterliggende wettelijke regelingen en bepalingen. Deel II zal vooral gebruikt worden door archeologisch deskundigen en archeologische onderzoeksbureaus, die dit archeologisch bureauonderzoek van de gemeente Nuenen kunnen gebruiken als onderlegger en bouwsteen voor hun archeologisch onderzoek. DEELIBELEIDSKADER 2Rijk 2.1 Rijksbeleid De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden was tot in de negentiger jaren voornamelijk een rijksaangelegenheid. De afgelopen jaren zijn de opvattingen over de rol en reikwijdte van het rijk echter ingrijpend veranderd als het gaat om een effectieve zorg voor het ondergrondse erfgoed. Aan de basis daarvan ligt het Europese Verdrag van Malta, dat door Nederland in 1992 werd ondertekend. Om de zorg voor archeologische waarden te garanderen geeft het Verdrag aan dat: archeologische waarden van meet af aan in de plannen voor ruimtelijke inrichting moeten worden meegewogen; archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard moeten blijven (‘behoud in situ’); initiatiefnemers van bodemverstorende activiteiten verplicht kunnen worden om de kosten van archeologisch vooronderzoek te dragen en – alleen als behouden niet mogelijk is – verantwoordelijk zijn voor de kosten van een opgraving. Dit is het zgn. “veroorzakerprincipe” ofwel “de verstoorder betaalt”. Vanuit de gedachte dat het historisch besef van de eigen leefomgeving een belangrijke kwaliteit is, legt het verdrag daarnaast nadruk op het beleefbaar en beschikbaar maken van de resultaten van archeologisch onderzoek aan het publiek. Sinds de ondertekening van Malta is behoud en beheer van archeologische waarden beleidsuitgangspunt geworden voor alle overheden. Per 1 september 2007 is de Monumentenwet op dit punt drastisch gewijzigd. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de zorg voor archeologische waarden een gedeelde verantwoordelijkheid van alle overheden en burgers. Dit betekent: Archeologische waarden worden zoveel mogelijk in de grond (‘in situ’) behouden en (planologisch) beschermen; Alleen als behoud niet mogelijk is worden behoudenswaardige archeologische resten veiliggesteld door middel van opgraving en/of onderzoek; de beslissing daarover is in de meeste gevallen een gemeentelijke verantwoordelijkheid; initiatiefnemers van bodemingrepen kunnen financieel verantwoordelijk worden gesteld voor eventueel archeologisch onderzoek (het “ de veroorzaker betaalt - principe”). Het doel is ontwikkelaars te ‘triggeren’ het bodemarchief te ontzien door planaanpassing; de veroorzaker mag voor de uitvoering van noodzakelijke archeologische werkzaamheden zelf een keuze maken uit erkende aanbieders op de ‘archeologische markt’. Om archeologische waarden van meet af aan volwaardig mee te kunnen wegen in ruimtelijke plannen is de archeologie via de WAMZ, de Monumentenwet 1988 en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening geïntegreerd in de systematiek van de ruimtelijke ordening in Nederland. Daarmee wordt het traject voltooid waarin rijksbeleid en wetgeving op het gebied van ruimtelijke ordening, leefkwaliteit (milieu, natuur) en cultuur nauwer met elkaar zijn verbonden. Rijk en provincie stimuleren tegelijk dat cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk worden beschermd en gehanteerd als inspiratiebron voor de ruimtelijke kwaliteit. Een belangrijk nieuw element in wet en beleid is de introductie van het veroorzakerprincipe. Initiatiefnemers tot bodemverstorende maatregelen - en dat kunnen particuliere exploitanten zijn, de gemeente zelf of andere overheden - kunnen worden verplicht de kosten van het benodigde archeologische onderzoek voor hun rekening te nemen. De overweging hierbij is dat er bij grotere bodemingrepen sprake moet zijn van een uitdaging om het erfgoed zo verantwoord mogelijk mee te wegen en waar mogelijk te integreren in de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente dient hiertoe via het instrumentarium op het gebied van de ruimtelijke ordening de juiste voorwaarden te creëren, en via het bestaande vergunningenstelsel daaraan uitvoering te geven. In dat kader is het eveneens noodzakelijk dat de gemeente op korte termijn nader beleid formuleert. De wetgever vraagt ook expliciet aan de verantwoordelijke bestuursorganen om beleidsregels op te stellen die recht doen aan de beginselen van rechtsgelijkheid en proportionaliteit. Het veroorzakersprincipe zal in ieder geval van toepassing zijn: in gebieden waar in het bestemmingsplan voorschriften met betrekking de omgang met archeologische waarden zijn opgenomen; op alle MER-plichtige projecten; bij bodemverstoringen waarop de ontgrondingenvergunning van toepassing is; in door provincie aangewezen attentiegebieden; in door het Rijk of de gemeente aangewezen wettelijk beschermde monumenten. 2.2 Rijkstaken 2.2.1 De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. De Minister van OCenW is politiek verantwoordelijk voor de werking van het archeologisch bestel in Nederland. Binnen OCenW heeft de Directie Cultureel Erfgoed (DCE) de verantwoordelijkheid voor de implementatie van het Verdrag van Malta en het ontwikkelen van het archeologiebeleid. Sinds haar oprichting is de (voormalige) Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) de belangrijkste uitvoerder van het rijksbeleid. In oktober 2006 is de ROB gefuseerd met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ). Beide diensten gaan sindsdien verder onder de naam Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Met deze fusie is bestuurlijk en inhoudelijk vorm gegeven aan het nieuwe rijksbeleid waarin geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen zichtbare en onzichtbare cultuurhistorische waarden (het bodemarchief, gebouwde monumenten en landschap). Sinds januari 2009 heeft de rijksdienst een nieuwe naam: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. De rijksdienst beheert namens de Minister de lijst van wettelijk beschermde archeologische monumenten. Omdat kennis van de “archeologische voorraad” essentieel is voor een goede integratie van archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening, is het rijk verantwoordelijk voor het beheer van het landelijke archeologische informatiesysteem ARCHIS. Als kenniscentrum verricht de rijksdienst inmiddels geen uitvoerende (opgravings-)taken meer. 2.2.2 Het Rijk als bevoegd gezag In het nieuwe bestel is de rol van bevoegd gezag op het gebied van de archeologische monumentenzorg gedecentraliseerd naar provinciaal en gemeentelijk niveau. Het rijk (i.c. de RACM) behoudt echter wel haar taak op het gebied van de bescherming van archeologische rijksmonumenten zoals geformuleerd in de Monumentenwet 1988. Dat wil zeggen dat voor elke wijziging c.q. bodemingreep op dergelijke terreinen het rijk optreedt als bevoegd gezag. Dit geldt ook in de volgende gevallen: bij grote infrastructurele projecten die onder de Tracéwet vallen (bijv. de Randweg Eindhoven); bij grote provincieoverschrijdende projecten (bijv. Ruimte voor de Rivieren van Rijkswaterstaat). 2.2.3 Kwaliteitsborging en inspectie Om toezicht uit te oefenen op de kwaliteit van de archeologische uitvoering in het geliberaliseerde bestel werd in 2001 de Rijksinspectie voor de Archeologie (RIA; thans Erfgoedinspectie) ingesteld. Deze inspectie houdt namens de minister toezicht op de kwaliteit van de uitvoering van archeologisch onderzoek. Het Ministerie van OCW heeft daarom samen met de archeologische branche een kwaliteitssysteem opgezet dat berust op de volgende pijlers: De Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA), waarin de werkprocessen beschreven staan. De Erkenningsregeling voor bedrijven die archeologische werkzaamheden uitvoeren; Het Beroepsregister is een product van de Nederlandse Vereniging van Archeologen (NVvA) en nog volop in ontwikkeling. Het is de bedoeling dat alle professionele archeologen die in Nederland werkzaam zijn in dit register worden opgenomen, met hun bijbehorende kwalificaties en specialisaties. 3Provincie 3.1 Provinciale taken en instrumenten In het oude bestel was de formele rol van de provincie met betrekking tot de archeologische zorg, vooral een toezichthoudende in het kader van de toetsing van nieuwe bestemmingsplannen en vrijstelling- en wijzigingsbesluiten in het kader van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening en het verlenen van de meeste ontgrondingenvergunningen. Met de invoering van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening in 2008 is de rol van de provincie veranderd. Haar toetsende rol in de bestemmingsplanprocedures komt na invoering van deze wet te vervallen. De verantwoordelijkheid voor de correcte uitvoering van bestemmingsplanprocedures is daarmee geheel bij de gemeenten komen liggen en sluit daarmee aan op de nieuwe archeologiewet. De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monument en (artikel 38a, lid 1 Wamz). Met de invoering van de nieuwe Wamz heeft de provincie de bevoegdheid gekregen om archeologische attentiegebieden aan te wijzen om daarmee een aanpassing van het gemeentelijk bestemmingsplan mogelijk te maken. Het eigen gebiedsgerichte cultuurhistorisch beleid, vastgelegd in het Streekplan en de daaraan gekoppelde provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart, vormt daarbij een belangrijk uitgangspunt. Hiermee loopt de Wamz gelijk op met het instrument van de aanwijzing in het kader van de nieuwe Wro. Deze bevoegdheid is vooral bedoeld om in gevallen waarin in (vigerende) bestemmingsplannen archeologische waarden onvoldoende zijn beschermd, regulerend te kunnen optreden. De gemeente dienen de aangewezen terreinen verplicht in het bestemmingsplan op te nemen. Doel van de nieuwe Wro is om als provincie zoveel mogelijk vooraf, door bestuurlijk overleg of de inzet van bepaalde instrumenten, duidelijk te maken welk beleid (juridisch) doorwerkt naar de gemeente. Daartoe stelt de provincie één of meer structuurvisies op, waarin zij de hoofdpunten van haar ruimtelijk beleid vastlegt, en aangeeft hoe zij verwacht dat gemeenten het beleid zullen gaan uitvoeren. Met de nieuwe Wro krijgt de provincie drie instrumenten om het beleid juridisch door te laten werken richting gemeenten. Dit zijn: de aanwijzing; de algemene regels (provinciale verordening); en het inpassingsplan (met het projectbesluit). Daarnaast kan de provincie zienswijzen indienen of een aanwijzing geven tijdens de bestemmingsplanprocedure. De taken van de provincies in het nieuwe bestel kunnen als volgt worden samengevat: - Aanwijzen van attentiegebieden Omdat bij aanvaarding van de nieuwe Monumentenwet sprake zal zijn van een geleidelijke opname van archeologische waarden in bestemmingsplannen – de wettelijke eis tot opnemen van deze belangen geldt immers voor nieuwe plannen - kan in oude bestemmingsplannen de archeologie in het geding komen. Provincies krijgen de belangrijke bevoegdheid om daar in bijzondere gevallen archeologische attentiegebieden aan te wijzen, zodat via een op archeologische gronden noodzakelijke aanpassing van het vigerende bestemmingsplan ook daar bijzondere voorschriften en het veroorzakerprincipe van toepassing verklaard kunnen worden. De bestaande provinciale Archeologische Monumentenkaart (AMK) zal daarbij richtinggevend zijn. - Toezicht planprocedures Het Streekplan, dat vertaald is naar de huidige interim Structuurvisie, en de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW), vormen het kader waartegen gemeentelijke bestemmingsplannen, bestemmingsplanwijzigingen en ruimtelijke inrichtingsplannen door de provincie worden getoetst. In 2009 zal het provinciale belang nader worden verwoord in de Provinciale Structuurvisie, waartoe ook de Cultuurhistorische Waardenkaart zal worden geactualiseerd. De laatste jaren wordt al in toenemende mate het aspect cultuurhistorie (waaronder archeologie) bij de provinciale toetsing betrokken. Naar verwachting zal hier de komende jaren nog meer sturing op worden gegeven. - Ontgrondingen en Milieueffectrapportages De provincie fungeert als bevoegd gezag als het gaat om het afgeven van ontgrondingenvergunningen en tevens bij veel Milieueffectrapportages (MER’s). In beide situaties kan de provincie aan initiatiefnemers eisen stellen, of voorschriften verbinden aan de te verlenen vergunning of het te nemen besluit. Dit kan bijvoorbeeld zijn het verplicht opnemen van een archeologische effectrapportage als onderdeel van de MER, of het voorschrijven van een archeologische begeleiding of het doen van archeologisch onderzoek op kosten van de aanvrager van de ontgrondingenvergunning. Hiervoor gelden in principe dezelfde wettelijke uitgangspunten als die gelden bij bestemmingsplanprocedures en de daaruit voortvloeiende voorschriften met betrekking tot aanleg-, bouw- en sloopvergunningen. - Depots en vondstmeldingen De provincie vervult een belangrijke rol bij het archiveren en bewaren van de meeste archeologische vondsten uit opgravingen in het provinciaal depot voor bodemvondsten. Behalve de taak om een provinciaal depot aan te wijzen en te onderhouden, hebben de provincies ook de bevoegdheid gemeentelijke depots aan te wijzen. Aan die aanwijzing worden voorwaarden gesteld op het gebied van toegankelijkheid, veiligheid en conservering. In Nederland geldt een wettelijke verplichting voor het aanmelden van zaken waarvan het vermoeden bestaat dat zij van oudheidkundige waarde zijn. Dit soort vondsten dient volgens de Wamz formeel aangemeld te worden bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (voorheen de burgemeester), maar in de praktijk zal de provincie een deel van de taak op het gebied van het registreren en natrekken van vondstmeldingen (blijven) uitvoeren. Dit is in de zogenaamde cultuurconvenanten voor de beleidsperiode 1999-2003 tussen Rijk en Provincies overeengekomen. 3.2 Aanvullende eisen provincie Noord-Brabant In reactie op de invoering van de nieuwe Wro beraadt de provincie Noord-Brabant zich op de gegroeide AMZ-praktijk en op haar mogelijkheden om archeologie en cultuurhistorie te integreren in het ruimtelijke ordeningsbeleid van gemeenten. De provincie zal de komende jaren daarom werken aan het (her)formuleren van het zgn. provinciale belang op het gebied van de AMZ, via de inventarisatie van kennislacunes en het stellen van prioriteiten, alsmede het ontwerpen van instrumenten. Stimulering van kennis- en beleidsontwikkeling richting gemeenten zal daarbij op de agenda staan, bijvoorbeeld via inhoudelijke en/of financiële ondersteuning bij de ontwikkeling van gemeentelijk archeologiebeleid en archeologische waardenkaarten. Bij alle ingrepen waarbij een aanvraag tot ontgronding via de Ontgrondingenwet of MER-plicht aan de orde is en waar Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant goedkeuring aan moeten geven, geldt dat de provinciaal archeoloog een advies geeft aan de directie Ruimtelijke Ordening en Handhaving en/of Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Bij de aanvraag moet duidelijk zijn of er archeologische vindplaatsen in het projectgebied aanwezig zijn en op welke wijze de archeologische vindplaatsen gewaardeerd moeten worden, en moeten de resultaten van het archeologisch onderzoek in de belangen afweging zijn meegenomen (inpassing in situ of opgraving ex situ). Archeologisch vooronderzoek is altijd noodzakelijk als een projectgebied overlap heeft met gebieden die op de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant een middelhoge of hoge archeologische verwachting hebben. Een archeologisch onderzoek is echter ook verplicht indien er concrete archeologische waarden (kerkterrein, kasteelterrein, Archis-melding, nabijheid van een archeologisch vindplaats etc.) aanwezig zijn in een projectgebied, dat gelegen is in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde of waarvan geen verwachtingswaarde bekend is. Het streekplanbeleid van de provincie geeft aan dat archeologische monumenten, zoals aangeduid op de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant, in beginsel ‘in situ’ moeten worden behouden. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier niet gewenst. Verder geeft het streekplan aan dat in gebieden met (middel)hoge indicatieve archeologische waarden, in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, archeologisch vooronderzoek moet plaatsvinden. Indien hierbij daadwerkelijke archeologische waarden worden aangetroffen moeten deze in beginsel ‘in situ’ worden behouden. 4Gemeente 4.1 Het belang van een gemeentelijk AMZ-beleid In Nederland worden de meeste beslissingen over de ruimtelijke inrichting op gemeentelijk niveau genomen. Het is dan ook begrijpelijk dat het nieuwe rijksbeleid voor de bescherming van het archeologisch erfgoed uitgaat van een verregaande decentralisatie van taken en bevoegdheden – van rijks- naar gemeentelijk niveau. Een van de belangrijkste verschillen tussen het oude en het nieuwe stelsel is dat gemeenten op basis van de herziene Monumentenwet c.q. de Wet op de AMZ de rol van bevoegd gezag krijgen. Dit betekent dat hun zorg voor het bodemarchief niet langer vrijblijvend is, maar dat gemeenten verantwoordelijkheid moeten nemen voor de archeologische monumentenzorg. Dat betekent overigens weer niet dat ze verplicht zijn om in ruimtelijke plannen altijd voorrang te geven aan archeologie, maar wel dat ze het behoud van archeologische waarden zullen moeten afwegen tegen andere (publieke en/of private) belangen. De gemeente moet er in die situaties in ieder geval voor zorgen dat de archeologische belangen bekend zijn en dat er in het afwegingsproces zorgvuldig mee wordt omgesprongen. Hoe die belangenafweging uitvalt, is uiteindelijk een kwestie van democratische besluitvorming. Het is duidelijk dat provincie en Rijk daarbij stimuleren dat (conform het Malta- en Belvedèrebeleid) cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk worden beschermd en gehanteerd als inspiratiebron voor de ruimtelijke kwaliteit. Dit heeft de volgende consequenties voor de gemeente: Archeologie wordt primair een gemeentelijke verantwoordelijkheid; De gemeente moet archeologiegevoelige gebieden opnemen in bestemmingsplannen; De gemeente mag zelf voorwaarden stellen of ontheffing verlenen bij vergunningverlening (bouw- en sloopvergunning, aanlegvergunning); De gemeente is verantwoordelijk voor, en aanspreekbaar op, haar archeologische beslissingen en keuzes; De gemeente moet in haar hoedanigheid van bevoegd gezag toezien op de kwaliteit van de uitvoering van archeologische werkzaamheden. 4.2 Risico's In haar nieuwe rol van bevoegd gezag wil de gemeente Nuenen duidelijkheid scheppen over de omgang met archeologische waarden binnen haar grondgebied en de eventuele financiële en organisatorische consequenties daarvan, zowel voor de gemeentelijke organisatie als voor derden. De nieuwe archeologiewetgeving en de beleidsmatige gemeentelijke vertaling kunnen immers grote financiële en/of organisatorische consequenties hebben – zowel voor de gemeente zelf als voor grondeigenaren en initiatiefnemers van bodemingrepen: Ten eerste kan de gemeente in het kader van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb) door rijk, provincie en private initiatiefnemers in de toekomst worden aangesproken op het aanleveren van betrouwbare inhoudelijke en beleidsmatige informatie over beperkingen die verbonden zijn aan een kadastraal perceel. Ten tweede loopt de gemeente zelf een aanzienlijk risico wanneer zij, in haar rol van bevoegd gezag, niet beschikt over betrouwbare archeologische informatie. In dat geval bestaat de mogelijkheid dat er tijdens een bodemingreep onverwacht archeologische sporen worden aangetroffen. De uitvoerder van bodemingrepen is wettelijk verplicht de vondst daarvan zo spoedig mogelijk bij Onze minister van OCenW te melden (Monumentenwet 1988, artikel 53, lid 1). Indien de initiatiefnemer de benodigde onderzoeken heeft laten uitvoeren met de goedgekeurde acceptatie van het bevoegd gezag, of wanneer de gemeente het terrein heeft “vrijgegeven” is niet de initiatiefnemer, maar het bevoegd gezag op te vatten als veroorzaker in de zin van ‘Malta’. Dat wil zeggen: als het bevoegd gezag (meestal de gemeente) besluit dat de aangetroffen vindplaats alsnog behoudenswaardig is, dan dient zij ook de kosten te dragen die dit met zich meebrengt. Aangezien een planaanpassing om behoud in situ te realiseren in de praktijk in deze fase van het werk meestal niet haalbaar is, draait het vaak uit op een (kostbare) opgraving. Het moge duidelijk zijn dat een transparant, sluitend en verantwoord selectiebeleid in deze situatie mag worden opgevat als een vorm van goed bestuur. Dit betekent dat de gemeente: een formeel en transparant afwegingskader moet creëren, op basis waarvan archeologische waarden in de gemeentelijke besluitvorming over ruimtelijke plannen kunnen worden meegewogen; archeologiebeleid en ruimtelijke ordening op elkaar moet afstemmen; vroegtijdig inzichtelijk maakt wat bij de uitvoering van het beleid de procedurele en financiële consequenties zijn voor alle betrokkenen partijen; haar voorwaardenscheppende, toezichthoudende en uitvoerende taken op het gebied van de AMZ duidelijk vormgeeft en waar nodig ook scheidt. 4.3 Basistaken van de gemeente op het gebied van de AMZ Op grond van de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) moet de gemeente er te allen tijde voor zorgen dat bij inrichtingsplannen en besluiten over bodemingrepen de archeologische belangen in kaart zijn gebracht en dat er in het afwegingsproces zorgvuldig mee is omgesprongen. De facto werken rijks- en provinciale overheden al “Malta-conform” – tenminste sinds de invoering van het Interimbeleid

(2001). Door het ontbreken en uitblijven van een formele wettelijke basis is er in de meeste provincies en gemeenten echter een beleidspraktijk gegroeid die niet op alle onderdelen recht doet aan de bedoeling van de komende Wamz. Dat wil zeggen: bij ruimtelijke ingrepen wordt in de meeste gemeenten weliswaar Malta-conform gewerkt, maar een en ander is vaak niet een bestuurlijke keuze die door de gemeente beleidsmatig onderbouwd is. Door gebrek aan kennis over de inhoud en werking van het bestel hebben veel gemeenten zich de afgelopen jaren laten leiden door het provinciale toetsingskader. Een groot deel van de Nederlandse gemeenten heeft de afgelopen jaren dan ook geen zelfstandig archeologiebeleid ontwikkeld en/of richtlijnen opgesteld voor de afhandeling van AMZ-eisen in ruimtelijke ordeningsprocedures. Ondanks dat gemeenten formeel gesproken fungeerden als bevoegd gezag inzake de AMZ, was en is het provinciaal archeologiebeleid in vele gevallen richtingbepalend voor deze gemeenten. In een aantal provincies (waaronder tot voor kort ook Noord-Brabant) is daardoor de beleidspraktijk ontstaan waarin de provincie niet alleen adviseert, maar ook sterk faciliteert bij uitvoerende taken op het terrein van de AMZ (beoordelen van PvE’s en beoordelen van gemeentelijke ruimtelijke plannen, etc.). De (verplichte) taken en bevoegdheden van de gemeente in het nieuwe bestel kunnen als volgt worden samengevat: De gemeente houdt bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en verwachtingen; In het bestemmingsplan wordt vastgelegd welke gevolgen de gemeente verbindt aan de aanwezigheid van archeologische waarden of verwachtingen bij geplande bouwactiviteiten of andere bodemverstorende activiteiten; Via een stelsel van voorschriften en aanlegvergunningen geeft de gemeente aan welke voorwaarden zij verbindt aan ruimtelijke ingrepen in gebieden met een archeologische verwachting. Deze voorwaarden kunnen zeer uiteenlopend zijn, variërend van “geen gevolgen voor bouwen”, “eerst onderzoeken, dan bouwen” of “geen bodemverstoring, maar behoud in de bodem”. Indien een bestemmingsplan op de voorgeschreven wijze tot stand is gekomen kan de gemeente initiatiefnemers tot ruimtelijke ingrepen opdragen archeologisch (voor)onderzoek uit te (laten) voeren; Beslissingen van de gemeente die daaruit voortvloeien staan volgens de gebruikelijke procedures (Awb) open voor beroep en bezwaar. In dat kader is het ook van belang om te weten dat in de nieuwe wet ook rekening is gehouden met de financiële aansprakelijkheidsrisico’s voor overheden; initiatiefnemers van bodemverstorende activiteiten kunnen verplicht worden om de kosten van archeologisch (voor)onderzoek te dragen en – als behouden niet mogelijk is – verantwoordelijk zijn voor de kosten van een opgraving (“veroorzakerprincipe” ofwel “de verstoorder betaalt”); Het staat veroorzakers vrij de kosten van archeologisch onderzoek door te berekenen naar derden (de gemeente kan de kosten van archeologisch vooronderzoek bijvoorbeeld in de grondprijs doorberekenen, en dat geldt ook voor particuliere ontwikkelaars); De gemeente geeft via (standaard) richtlijnen of een Programma van Eisen (PvE) aan hoe dat onderzoek dient te worden verricht. Uitgangspunt daarbij zijn de eisen zoals vastgelegd in de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie (zie ook punt 10). Het staat de initiatiefnemer van ruimtelijke ingrepen (zowel gemeente als private opdrachtgevers) vrij om voor de uitvoering van alle vormen van archeologisch onderzoek zelf een keuze te maken uit (vergunninghoudende) aanbieders op de archeologische markt. Gemeenten kunnen archeologisch onderzoek ook in eigen beheer uitvoeren. Hieraan zijn vanuit de WAMZ regels aan verbonden. Bij de uitvoering van archeologisch onderzoek ziet de gemeente er in haar rol van bevoegd gezag op toe dat er wordt gewerkt conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De Wamz geeft gemeenten de bevoegdheid ontheffing te verlenen voor het (laten) verrichten van archeologisch onderzoek voor kleine ruimtelijke ingrepen (≤100 m2). De wetgever stimuleert dat gemeenten de vrijstellingsgrens in de overige gebieden zoveel mogelijk zelfstandig vaststellen, afhankelijk van de plaatselijke situatie. De vastgestelde vrijstellingsgrens dient in het gemeentelijke beleidsplan inhoudelijk te worden onderbouwd en geoperationaliseerd in bestemmingsplanvoorschriften. Het kan raadzaam zijn de vrijstellingsgrens ook in de gemeentelijke archeologieverordening op te nemen. 4.4Beleidsruimte en keuzes Met de vaststelling van de Wamz heeft de gemeente de nodige beleidsruimte gekregen bij de inhoudelijke en praktische invulling van die archeologische monumentenzorgtaken. Een gemeentelijk archeologisch beleidsplan, een beleidskaart of een archeologische verordening zijn daarbij bijvoorbeeld geen verplichting, maar wel vrijwel onmisbare (en door Rijk en provincie gestimuleerde) instrumenten om de gemeentelijke keuzes voor alle betrokkenen helder te maken en inhoudelijk te beargumenteren. Gemeenten dienen in hun rol van bevoegd gezag het behoud van archeologische waarden af te wegen tegen maatschappelijke (publieke en/of private) belangen. De zorg voor het gemeentelijke bodemarchief is daarmee een gemeentelijk beleidsveld waarin, net als op andere beleidsterreinen, keuzes gemaakt kunnen worden. Wat moet behouden worden en wat niet? Wat kunnen archeologische waarden bijdragen aan de lokale/regionale identiteit? Hoe die belangenafweging uiteindelijk uitvalt, is een kwestie van democratische besluitvorming binnen de gemeente. Archeologie wordt daarmee onderdeel van een integrale afweging waarin aspecten als uitvoerbaarheid, kosten en maatschappelijk draagvlak meewegen. De keuze voor de beleidsmatige invulling van de AMZ-taken door de gemeente heeft financiële en organisatorische consequenties, zowel voor de gemeentelijke organisatie als voor grondeigenaren en –gebruikers, plannenmakers en initiatiefnemers van bodemingrepen. In het volgende hoofdstuk wordt nader uitgewerkt en toegelicht welke keuzes de gemeente Nuenen daarbij maakt. 5Andere partijen binnen het archeologisch bestel 5.1 De 'bodemverstoorder' Op basis van de Wamz en het bestemmingsplan kan de gemeente van de aanvrager van een bouw-, sloop- of aanlegvergunning (‘de veroorzaker’) verlangen dat (nader) archeologisch (voor)onderzoek wordt verricht. Voorwaarde daarvoor is dat die onderzoeksplicht ook daadwerkelijk is vastgelegd in het bestemmingsplan, of berust op de aanwijzing als gemeentelijk of rijksmonument. Een vergelijkbare onderzoekseis kan worden gesteld indien een ontheffing of wijziging van een vigerend bestemmingsplan wordt gevraagd. Van initiatiefnemers tot dat soort ruimtelijke plannen wordt in zulke gevallen verlangd dat zij in een vroegtijdig stadium aangeven hoe bij geplande bodemverstorende ingrepen met eventuele archeologische waarden wordt omgegaan. Omgekeerd mag de bodemverstoorder van de gemeente verwachten dat duidelijk wordt aangegeven waarom in bepaalde gebieden archeologisch vooronderzoek verplicht wordt gesteld, en in andere niet. Dat wil zeggen dat de gemeente een informatieplicht heeft: in ieder geval door de toelichting bij het bestemmingsplan, maar bij voorkeur aangevuld en onderbouwd door een transparant gemeentelijk archeologiebeleid, waarin de selectie van archeologische terreinen helder is verwoord. Beslissingen van de gemeente die daaruit voortvloeien staan volgens de gebruikelijke procedures (Awb) open voor beroep en bezwaar. De kern van het geliberaliseerde archeologiebestel in Nederland is dat het de initiatiefnemer van ruimtelijke ingrepen vrijstaat om voor de uitvoering van alle vormen van archeologisch onderzoek zelf een keuze maken uit (erkende) aanbieders op de archeologische markt. De veroorzaker is verantwoordelijk voor de kosten van archeologisch vooronderzoek en – alleen als behouden niet mogelijk is – van een opgraving. Dit is het zgn. “veroorzakerprincipe” ofwel “de verstoorder betaalt”, een uitvloeisel van het Verdrag van Malta. De gemeente geeft via (standaard) richtlijnen, meestal is dit een Programma van Eisen (PvE), aan hoe dat onderzoek dient te worden verricht. Het staat veroorzakers vervolgens vrij de kosten die de archeologische monumentenzorg (van vooronderzoek tot opgraving) met zich meebrengt, door te berekenen naar derden. Private ontwikkelaars kunnen de kosten voor archeologie doorberekenen in (bijvoorbeeld) de huizenprijs. Gemeentebesturen kunnen, indien zij zelf ontwikkelaar zijn, de kosten van archeologisch vooronderzoek in de grondprijs doorberekenen of verrekenen in de exploitatieovereenkomst. 5.2 Uitvoerders van archeologische werkzaamheden Om het voor initiatiefnemers van bodemingrepen mogelijk te maken om zelf een archeologische uitvoerder te kiezen, heeft de rijksoverheid het archeologische bestel de laatste jaren ingrijpend gereorganiseerd. De opgravingsbevoegdheid, die voorheen voorbehouden was aan universiteiten en overheden is sinds 2001 verruimd en mogen ook gekwalificeerde bedrijven archeologische werkzaamheden uitvoeren. Om de kwaliteit van de archeologische dienstverlening in dit geliberaliseerde bestel te waarborgen heeft de rijksoverheid een systeem van kwaliteitszorg opgezet. Daarin zijn regels vastgelegd voor de uitvoering van onderzoek en verschillende vormen van toezicht geformuleerd. Veldonderzoek (opgravingen, maar ook booronderzoek) mag alleen worden verricht door bedrijven of instanties met een opgravingsbevoegdheid. Zij dienen zich in ieder geval te houden aan de regels die zijn vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Toezicht op de naleving daarvan is in handen van de Erfgoedinspectie, onderdeel van het Ministerie van OCenW. Bedrijven die archeologische diensten en werkzaamheden uitvoeren kunnen grofweg (maar niet strikt) ingedeeld worden in drie groepen: Adviseurs en adviesbureaus, vooral actief op het gebied van vooronderzoek en de voorbereiding en begeleiding van archeologische (onderzoeks)projecten. Het merendeel voert zelf geen archeologische opgravingen uit; Opgravingsbedrijven, die zich hebben gespecialiseerd in het uitvoeren van archeologisch veldwerk; Technische en specialistische dienstverleners, vooral op het gebied van laboratoriumanalyses, materiaalonderzoek, conservering, restauratie en presentatie. 5.3 Universiteiten Tot voor kort speelden ook de universitaire vakgroepen voor archeologie een belangrijke rol bij het uitvoeren van (nood-) opgravingen in Nederland. Met de komst van de archeologische bedrijven is deze rol vrijwel komen te vervallen. De financieringsmogelijkheden voor zuiver wetenschappelijk geëntameerde opgravingen zijn in Nederland bijna nihil sinds de introductie van de Malta-archeologie. Wel hebben de meeste universitaire instituten inmiddels hun eigen archeologisch bedrijf opgericht dat op commerciële basis archeologische werkzaamheden verricht, en zich aan dezelfde spelregels dient te houden als de “gewone” archeologiebedrijven. 5.4 Amateurs en vrijwilligers Vanouds spelen amateurarcheologen een belangrijke rol in het Nederlandse archeologische bestel: op lokaal niveau waren zij de ‘ogen en oren’ van de professionele archeologie. In het verleden voerden groepen amateur-archeologen soms ook zelfstandig opgravingen uit onder supervisie van de provinciaal archeoloog. Vaak wordt gedacht dat de inzet van vrijwilligers bij de uitvoering van archeologisch onderzoek niet meer mogelijk is als gevolg van de professionalisering en de komst van het nieuwe kwaliteitssysteem. Dit is onjuist. In het Programma van Eisen voor de uitvoering van archeologisch onderzoek kan de gemeente de voorwaarde opnemen dat de uitvoerder lokale amateurs betrekt bij de uitvoering van het onderzoek. Alleen op locaties waarvoor door de professionele archeologie een negatief selectieadvies is afgegeven (=geen nader onderzoek nodig) kunnen amateurs en andere vrijwilligers zelfstandig archeologische waarnemingen doen. DEEL IIBELEIDSREALISATIE 6Inventarisatie van de archeologische en historische gegevens De informatie uit landelijke en provinciale bronnen geven slechts een globale indruk van de archeologische waarden en verwachtingen op gemeentelijk grondgebied. Besluitvorming alleen op basis van die bronnen is niet zonder risico’s. Door een gemeentelijke waardenkaart op de juiste schaal op te (laten) stellen krijgt de gemeente een betrouwbaarder en gedetailleerder inzicht in de aard en ligging van archeologische waarden en verwachtingen. Hoewel er vaak uit praktische overwegingen een scherpe grens wordt getrokken tussen historische geografie en archeologie is het evident dat de geschiedenis niet ophoudt als men bovengronds komt. Voor een compleet beeld van de geschiedenis is het daarom noodzakelijk aandacht te besteden aan zowel archeologische als historische en historisch-geografische relicten en elementen. Het landschap, waarin en waarop dergelijke resten en elementen verankerd zijn, is hiervoor het ideale uitgangspunt. 6.1 Methode van onderzoek Voor het maken van de gemeentelijke verwachtingenkaart, is bureauonderzoek uitgevoerd waarbij aandacht is besteed aan de volgende zaken: Landschappelijke kenmerken. Gegevens over het reliëf, bodem, geomorfologie en waterhuishouding geven in samenhang inzicht in de landschappelijke kenmerken van de gemeente. Voor het verzamelen van landschappelijke gegevens zijn topografische kaarten, geomorfologische en bodemkaarten, het Actueel Hoogtebestand Nederland en historische kaarten geraadpleegd. Archeologische kenmerken. De inventarisatie van archeologische gegevens heeft plaatsgevonden aan de hand van ARCHIS, het archeologische informatiesysteem van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten en de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) in combinatie met inventarisatie van archeologische en historische gegevens van amateur-archeologen en archeologische en historische bronnen in lokale en regionale literatuur. Gegevens van historische kaarten en literatuur. Aan de hand van historische kaarten en literatuur kan worden bepaald waar in de 16e -19e eeuw, en mogelijk reeds in de Late Middeleeuwen kerken, kastelen, hoeven, wegen, bruggen, schansen, perceelscheidingen etc. lagen. Het gaat om gegevens over de inrichting van het historische cultuurlandschap. Verstoringen van het bodemprofiel. Voor het bepalen van de omvang en de diepte van verstoringen zijn gegevens over afgravingen, egalisaties en ander grondverzet verzameld en in kaart gebracht. De diepte tot waarop is afgegraven of geëgaliseerd, bepaalt mede of aan een zone geen archeologische verwachting of een lage, middelhoge of hoge archeologische waarde wordt toegekend. De informatie over archeologische vindplaatsen is afkomstig van verschillende bronnen: het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten [RACM]); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK; ROB, 2003); de archeologische inventarisatie in het kader van de Biografie van Peelland, met daarin gegevens van de heemkundekring Nuenen verwerkt; lokale historische literatuur en historisch kaartmateriaal. Opgemerkt moet worden dat alleen de archeologische vindplaatsen zijn meegenomen. Bestaande bouwkundige monumenten zijn buiten beschouwing gelaten. Voor het onderzoeksproject Biografie van Peelland zijn alle Archisgegevens en archeologische en historische gegevens, afkomstig van de heemkundekringen in de regio Peelland (gemeenten Gemert-Bakel, Laarbeek, Deurne, Asten, Someren, Helmond, Mierlo en Nuenen), samengevoegd in een database en ruimtelijk gekoppeld aan de verschillende digitale bodem- en geomorfologische eenheden. Als basis voor de kaart is de Grootschalige Basis Kaart Nederland gebruikt en de digitale geomorfologische kaart en digitale bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.
  1. Voor het invoeren van archeologische waarnemingen is door de SRE Milieudienst een geografisch gerelateerde database ontwikkeld met behulp van het programma ArcGis. In deze database werden ook verschillende vindplaatsen verwerkt die vooralsnog niet in ARCHIS geregistreerd waren. Deze vindplaatsen zijn in de afgelopen eeuw aan het licht gekomen, dankzij de inzet van talloze amateur-archeologen tijdens veldkarteringen en inspecties van graafwerkzaamheden (zoals bouwputten, egalisaties en rioolvervanging). Ondanks de niet systematische en geringe (professionele) onderzoeksintensiteit is het bodemarchief van Nuenen van niet te onderschatten betekenis en ligt er nog het nodige in de bodem verborgen. Natuurlijk zijn al die vindplaatsen niet even belangrijk. Soms gaat het slechts om een losse vondst van een enkele potscherf. Alles bij elkaar geven al deze waarnemingen echter een redelijk gedetailleerd beeld van aard, variëteit en kwaliteit van het Nuenense bodemarchief. De database is opgebouwd uit de hoofdcategorieën: nederzetting, grafveld, depot en overig. Voor de Middeleeuwen worden meerdere categorieën toegevoegd. Dit zijn onder andere kerk, kapel, kasteel, (water-)molen en hoeve. Binnen de categorieën is een onderscheid gemaakt in zeker en mogelijk. Het verschil wordt aangegeven door het plaatsen van een ”?”. Categorieën worden zeker genoemd wanneer bij (archeologisch) graafwerk grondsporen zijn aangetroffen. Zij worden ‘mogelijk’ genoemd, wanneer in ARCHIS staat vermeldt dat het een voorlopige categorie betreft. Losse vondsten vallen onder de categorie ‘overige’, tenzij het om vondsten gaat die naar de aard van het materiaal en de vondstomstandigheden tot ‘deposities’ gerekend kunnen worden. De vondsten van de heemkundekringen worden in zijn algemeenheid als ‘overige’ gecategoriseerd wanneer alleen enkele scherven gevonden zijn. Wanneer een vondstmelding een grote hoeveelheid scherven betreft, wordt de betreffende categorie als ‘mogelijk’ aangemerkt. Alle informatie is direct overgenomen uit ARCHIS en van de betreffende heemkundekringen, wat betreft vondsten èn datering. De gegevens uit het bureauonderzoek worden in samenhang geanalyseerd en beoordeeld. De integratie van landschappelijke, archeologische, bouwhistorische en historisch-geografische gegevens vormen de basis voor het toekennen van een verwachtingswaarde aan een (nader te begrenzen deel) van een gebied of terrein. Aan de hand van drie kaarten wordt de verwachting inzichtelijk gemaakt: de basiskaart, de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en de archeologische beleidskaart (bijlagen 5, 6 en 7). Op de basiskaart worden de bekende archeologische gegevens op het gecombineerde kaartbeeld van bodem en geomorfologie in combinatie met een topografische ondergrond, weergegeven. Voor de volledigheid worden op de basiskaart ook gegevens van historische kaarten (bijvoorbeeld watermolens en kasteelterreinen) maar ook mogelijk verstoorde terreinen afgebeeld. De tweede kaart is een verwachtingen- en waardenkaart. Op deze kaart worden op een topografische ondergrond aan de hand van het regionaal opgestelde archeologische verwachtingsmodel zones met een lage, middelhoge en hoge archeologische verwachting, archeologisch waardevolle gebieden en archeologische monumenten als vlakken aangegeven. Ook zijn voor de volledigheid weer de zones aangegeven van de mogelijk verstoorde terreinen. Op de beleidskaart worden de vastgestelde voorschriften met betrekking tot de archeologische verwachting of waarde per gebied inzichtelijk gemaakt. Deze beleidskaart is de vertaling van het archeologiebeleid naar de bestemming van de gronden en dient als uitgangspunt voor de bescherming van het archeologisch erfgoed in bestemmingsplannen en erfgoedverordening. 6.2 Verwerking van de gegevens Ten behoeve van het opstellen van het verwachtingsmodel is getracht een zo compleet mogelijk overzicht op te stellen van de in het onderzoeksgebied aanwezige archeologische vindplaatsen. In totaal zijn binnen de gemeente Nuenen 129 archeologische vindplaatsen en 43 archeologische onderzoeken bekend (zie ook bijlage 3: status op 1 december 2008). In onderstaande tabel zijn de aantallen archeologische vindplaatsen per bron weergegeven. Bron Aantal vindplaatsen ARCHIS 57 AMK 12 Onderzoeken 43 Biografie/heemkundekring 60 Eén ARCHIS-vindplaats (waarnemingen, monumenten en vondstmeldingen) kan betrekking hebben op meerdere perioden (bijvoorbeeld IJzertijd en Romeinse tijd). In zo'n geval heeft het ARCHIS waarnemingsnummer betrekking op één vindplaats uit de IJzertijd én op één vindplaats uit de Romeinse tijd. Ook kan het zijn dat één ARCHIS-waarnemingsnummer betrekking heeft op meerdere complextypes (bijvoorbeeld nederzetting en grafveld). Om de beschikbare vindplaatsgegevens te kunnen gebruiken in het verwachtingsmodel zijn de gegevens eerst verwerkt, waarbij ze opnieuw zijn ingedeeld naar datering en complextype. Voor de onderverdeling naar perioden is gekozen voor een zo algemeen mogelijke indeling die in belangrijke mate op de indeling van ARCHIS is gebaseerd. Waar dit niet het geval is, is ervoor gekozen de gegevens zoveel mogelijk wel zo in te delen. Dit heeft geleid tot een indeling zoals hieronder is weergegeven. Voor onderhavig onderzoek is een onderscheid gemaakt tussen de volgende archeologische perioden, namelijk;
  2. Steentijd (300.000 – 2.000 voor Chr.);
  3. Bronstijd (2.000 - 800 voor Chr.);
  4. IJzertijd (800 - 12 voor Chr.);
  5. Romeinse tijd (12 voor Chr. - 450 na Chr.);
  6. Middeleeuwen (450 - 1.500 na Chr.);
  7. Nieuwe tijd (1.500 na Chr. - heden). Helaas kunnen een aantal vindplaatsen niet exact op periode gedateerd worden. Voor deze vindplaatsen is de periode 'Ongedateerd' toegevoegd. Indeling in bovenstaande perioden betekent ook dat een aantal vindplaatsen zijn samengevoegd. Uit onderstaande tabel blijkt dat er vooral veel vindplaatsen uit de Middeleeuwen en IJzertijd bekend zijn, daarnaast zijn ook de Romeinse tijd en Nieuwe tijd ruim vertegenwoordigd. Vindplaatsen uit de Bronstijd komen minder voor. Datering Aantal vindplaatsen Steentijd 19 Bronstijd 6 IJzertijd 36 Romeinse tijd 22 Middeleeuwen 52 Nieuwe tijd 24 Totaal 159 Op grond van de vindplaatsgegevens kunnen archeologische vindplaatsen worden onderverdeeld in complextype (nederzetting, grafveld, grafheuvel, kasteelheuvel, rituele depositie, etc.). Van een aantal vindplaatsen is dit complextype bekend, van de meeste echter niet. Voor de vindplaatsen waarvan het complextype niet bekend is, is op basis van expert judgement het complextype bepaald. Wat betreft de complextypen van de archeologische monumenten van Nuenen gaat het in drie gevallen om een grafveld of urnenveld, in zeven gevallen om nederzettingen, een maal om een klooster en een kerk. Een aparte groep daarin betreft de oude bebouwing en de begrenzing van de oude dorpskern van Nuenen. Een groot deel van de Nederlandse dorps- en stadskernen is in de loop van 2007 door de RACM toegevoegd aan de Archeologische Monumentenkaart, op grond van het belang van deze locaties, waar de (laatmiddeleeuwse) wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. Opgemerkt moet echter worden dat de locaties niet representatief zijn voor de Vroege- en Volle Middeleeuwen en dat een aantal kernen ontbreken, waaronder Gerwen. De begrenzing van de historische dorpskern Nuenen is afkomstig van de zogenaamde ‘Bonnekaarten’ uit het begin van de 20e eeuw. De gegevensbestanden zijn zodanig opgezet dat het waarnemingen op verschillende niveaus ontsluit: Vindplaatsniveau: per vindplaats kunnen meerdere waarnemingen worden ingevoerd. Per waarneming kunnen onder meer worden ingevoerd: inventarisatienummer (het nummer waaronder de waarneming in het betreffende archief opgeslagen is), topografische coördinaten, de wijze van verwerving en documentatiegegevens. Complexniveau: hier worden vondst- en/of sporencomplexen vermeld. Opgenomen is informatie over onder andere complextype (van graf tot nederzetting of onbepaald) en datering (van Paleolithicum tot en met Nieuwe Tijd). Landschapsniveau: vindplaatsen en complexen worden gekoppeld aan de geomorfologische eenheid en bodemsoort (inclusief grondwatertrap) waar ze in voorkomen. Samenvattend kan gezegd worden dat een vindplaats meerdere waarnemingen kan bevatten en dat elke waarneming op haar beurt weer meerdere vondstcomplexen uit meerdere perioden kan bevatten. 7Karakteristiek van het gemeentelijke bodemarchief 7.1 Beschrijving van het (historisch) landschap 7.1.1 Ontstaanswijze van de bodem Het grondgebied van Nuenen is gelegen in de Centrale Slenk, een lager gelegen zuidoost noordwest lopend gebied dat ten oosten begrensd wordt door de Peelrandbreuk van de hoger gelegen Horst. Ongeveer 300.000 jaar geleden is het gebied van de Centrale Slenk buiten de invloedsfeer van de grote rivieren geraakt. Deze rivieren hadden voordien grof en grindhoudend zand afgezet, waarna de Centrale Slenk geleidelijk opgevuld werd met afzettingen van lokale oorsprong. Deze opvulling gebeurde vooral tijdens de glacialen (ijstijden), zodat de afzettingen uit de interglacialen (warme perioden) een ondergeschikte rol speelden. De afzettingen vonden plaats door de wind en door smeltwater in een landschap met een zeer spaarzame begroeiing (toendra). Deze afzettingen hebben de naam “Formatie van Boxtel” meegekregen. Binnen deze formatie zijn voor Nuenen drie typen afzettingen te onderscheiden, nl. Brabantse leem, smeltwaterafzettingen en windafzettingen. Voor de Brabantse leem wordt aangenomen dat deze tot afzetting door middel van smeltwater kwam tijdens de koudste perioden van de ijstijden, toen de bodem permanent bevroren was (permafrost). De daarbij vooral in de zomer vrijkomende grote hoeveelheden smeltwater werden vermoedelijk afgevoerd door een stelsel van ondiepe geulen en beken. De matig fijne zanden die door de wind als afdekkende laag van het pleistocene landoppervlak zijn afgezet in de jongste ijstijd, worden dekzand genoemd. Doordat de vegetatie in deze tijd uit kruiden bestond, ontstond er een zwak glooiend landschap. De vrij lage begroeiing kon namelijk maar een relatief dunne laag zand vasthouden. Toen rond 10.000 v.Chr. de definitieve klimaatverbetering inzette, werd het water niet meer door een stelsel ondiepe geulen en beken afgevoerd, maar ontstonden de huidige riviertjes, beken en lopen. Doordat deze in het begin nog van tijd tot tijd droogvielen en er in deze drooggevallen dalen geen planten groeiden die het zand vasthielden, kon de wind vat op dit zand krijgen. Zo ontstonden, bijvoorbeeld aan de oostzijde van de Dommel, plaatselijk zandophopingen. Hier kon namelijk het uit het dal gewaaide zand weer door planten worden vastgehouden. In de beekdalen en aansluitende lage terreinen werd bij hoge grondwaterstand beekzand en leem afgezet, terwijl in deze dalen door plantengroei tevens veenvorming plaatsvond. Als gevolg van ontbossing en ontginning door de mens kwam in historische tijden opnieuw de zandverstuiving op gang. De vorming van de stuifzanden is voor een groot deel terug te voeren op de steeds verdergaande ontbossing ten behoeve van de landbouw, die zich na de Middeleeuwen sterk ontwikkeld heeft. Door deze ontbossing ontstonden op de droge, hoger gelegen gronden uitgestrekte heidevelden. Bij de opkomst van het zogenaamde “ potstalsysteem” werden op grote schaal heideplaggen voor veestrooisel gestoken. Door het verwijderen van de heide, konden deze planten het onderliggende zand niet meer vasthouden en ontstonden opnieuw zandverstuivingen. Tegen het einde van de 19e eeuw en in het begin van de vorige eeuw werden de verstuivingen grotendeels tot staan gebracht middels grootschalige herbebossing. De natuurlijke ondergrond wordt in grote delen van de gemeente Nuenen geaccentueerd door de aanwezigheid van plaggendekken, de zogenaamde enkeerd- of esdekgronden. Deze gronden liggen meestal als relatief hoge, langgerekte ruggen in het landschap in de nabijheid van de oude bewoningskernen en op de overgang van hoog naar laag (nat naar droog). Ze zijn het resultaat van een eeuwenlange plaggenbemesting van akkers op de voedingsarme hogere dekzandgronden waardoor deze kunstmatig zijn opgehoogd. In tegenstelling tot het huidige wisselende grondgebruik in de landbouw werd het gebruik van akkers en weilanden in de Middeleeuwen niet afgewisseld. Materiaal uit de potstal, bestaande uit een mengsel van stalmest, huisafval, bosstrooisel en heideplaggen, werd eeuwenlang over de akkers uitgestrooid. Door het geaccidenteerde uiterlijk worden ze aangeduid als hoge of bolle akkers. Door een geleidelijke ophoging van de (post)middeleeuwse akkergronden worden archeologische resten beschermd tegen moderne landbouwmachines die met een gemiddelde ploegdiepte van 40 cm niet tot in het sporenniveau doordringen. Doordat de hogere dekzandruggen in Brons-, IJzer- en Romeinse tijd en waarschijnlijk ook nog in vroege en volle Middeleeuwen een aantrekkelijke bewoningslocatie vormden, hebben esdekgebieden een hoge archeologische verwachting. Opgravingen in esdekgebieden hebben het afgelopen decennium aangetoond dat deze op verscheidene locaties uitgestrekte prehistorische landschappen afdekken. 7.1.2 Het huidige landschap Het gebied van de gemeente Nuenen maakt deel uit van het zogenaamde “dekzandlandschap”, zoals dit in grote delen van Brabant en Noord-Limburg wordt aangetroffen. Typerend voor dit landschap is zijn zwak glooiend oppervlak, dat wordt gevormd door de min of meer in ruggen afgezette dekzanden. Dit landschap daalt geleidelijk van ruim 20 meter +NAP in het zuiden van de gemeente bij de brug over het Eindhovens Kanaal naar minder dan 13 m +NAP bij Heerendonk. Binnen dit dekzandgebied kan men gebieden onderscheiden die hoger liggen dan hun omgeving. Voorbeelden hiervan zijn de Refelingse Heide, de Papenvoortsche Heide en de hoge rug ten oosten van de Dommel tussen Nederwetten en Soeterbeek. Het gebied binnen de lijn Boord-Nuenen-Beekstraat-Gerwen-Rullen-Heerendonk-Boord ligt echter lager dan zijn omgeving. In een deel van dit gebied wordt op geringe diepte Brabantse leem aangetroffen, waardoor het gebied gemiddeld een hoge grondwaterstand heeft, wat weer bepalend is geweest voor het bodemgebruik. Het meest westelijke deel van de gemeente bestaat uit de dalen van de Kleine Dommel en de Dommel, waarvan het maaiveld varieert van ruim 16 m +NAP in het zuiden tot 12,5 m +NAP in het noorden bij Hooidonk. De ontstaanswijze van de ondergrond samen met het verschil in hoogte heeft geleid tot verschil in bodemgebruik, waardoor een gevarieerd landschap is ontstaan. Stuifzandcomplexen worden binnen de gemeente aangetroffen op de relatief hooggelegen Collsche Heide, de Refelingsche Heide, de Papenvoortsche Heide en de Gerwensche Heide. De beemden worden aangetroffen in de dalen van de Kleine Dommel, de Dommel en de zijbeken; gedeeltelijk zijn deze beemden nog moerassig. Ze worden overwegend gebruikt voor gras- en hooiland. In de beemden komen vooral smalle kleine percelen voor met op de scheiding veelal wilg en els. Vroeger werden deze beemden jaarlijks overstroomd door de Dommel en de Kleine Dommel. Hierbij speelde ook de opstuwing van het water door de stuwen bij de watermolens een duidelijke rol. Nuenen zelf is ontstaan uit verschillende (laat-)middeleeuwse gehuchten, en op een strategische locatie, namelijk rond het snijpunt van verschillende doorgaande routes. Deze ligging verklaart de regionale handelsfunctie van de nederzetting. Het patroon van historische wegen is nog goed bewaard gebleven en structureert tot op de dag van vandaag de bebouwde kom. De ontstaansgeschiedenis van Nuenen is vooral goed herkenbaar in het noordelijke gedeelte van de bebouwing (rond de oude kern), dat op de cultuurhistorische waardenkaart van Noord-Brabant is aangegeven als een historisch-stedebouwkundige structuur met een hoge waarde. De belangrijkste gehuchten waren Heieind (nu Park) en Berg, elk met een eigen plein. Rond de pleinen en in de zone daartussen is (van oudsher) sprake van een dichte bebouwing, daarbuiten van bebouwing met een verspreid karakter. Het noordelijke plein (Berg) is een goed voorbeeld van een verstedelijkt akkerdorp. De historische bebouwing rond dit kleine pleintje bestaat vooral uit woonhuizen. Dit plein maakt ook deel uit van een molenbiotoop. Iets ten noorden van het pleintje staat namelijk molen De Roosdonk
(1883). Tevens vinden we hier een historische linnenweverij (Begemann) uit het vierde kwart van de 19de eeuw. Vanuit het noordelijke plein richting Nederwetten loopt een oud wegtracé met historische groenstructuur. Direct ten zuiden hiervan ligt het Nuenens Broek. Het zuidelijke plein (Park) is groter en jonger, en laat bovendien een afwijkende ontwikkeling zien. Het plein werd in 1920 ingericht als landschapspark in de Engelse landschapsstijl, voorzien van een kiosk. Daarbij werd de drenkplaats voor het vee heringericht als parkvijver. Aan de oostzijde van het plein is sprake van een horeca- en detailhandelfunctie. Aan de westzijde staan huizen uit de periode 1825-1925 (met nokrichting parallel aan de straat) en een klooster. Enkele honderden meters ten westen van de oude kern van Nuenen, in de richting van het Dommeldal, verraadt het nederzettingspatroon weer een andere historische ontwikkeling. Het agrarische karakter is hier het belangrijkst gebleven. Van Nederwetten in zuidelijke richting –naar Landgoed Soeterbeek- treffen we lintvormige bebouwing aan met een agrarische functie. De bebouwing bestaat hier vooral uit langgevelboerderijen uit de periode tussen 1850 en 1900, en enkele woonhuizen. De bewoning gaat hier echter veel verder terug. De boerderijen en huizen staan langs de Soeterbeekse weg, die een noord-zuid-georiënteerde dekzandrug volgt. Dit is een kasseienweg met delen van historische laanbeplanting (eik, esdoorn en beuk). Mogelijk gaat de ouderdom van de weg terug op een doorgaande route met een hoge ouderdom, die de hoogste punten van de oostrand van het Dommeldal met elkaar verbond. De dekzandrug ligt parallel aan het Dommeldal en wordt in het westen over een langgerekte strook vergezeld door een groot aantal archeologische complexen, daterend uit de ijzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen. Bewoningscontinuïteit is hier niet uitgesloten. Langs de flanken van de rug liggen daarnaast de overblijfselen van nog oudere (tijdelijke) nederzettingen uit het Meso- en Neolithicum. Opvallend aan de lintvormige bebouwing is vooral de intacte relatie met het aangrenzende cultuurlandschap. Aan weerszijden treffen we oude akkercomplexen met bolle akkers aan. In het westen sluit het nederzettingscomplex aan op het Dommeldal, een landschap dat wordt door beemden en broeklanden, met plaatselijk hakhoutbosjes (es en els) en broekbossen (populieren). Bijzonder is de perceelsrandbegroeiing van knotwilgen. Wel heeft in dit deel van het Dommeldal in de twintigste eeuw kavelvergroting plaatsgevonden en is de perceelsrandbegroeiing op veel plaatsen gerooid. Het landschap heeft daardoor een veel opener karakter dan in de negentiende eeuw. Enkele wegen en paden zijn haaks op de Dommel georiënteerd. Het gaat hier voor een deel om historische veedriften. Het Nuenens Broek, gelegen ten oosten van de lintbebouwing, bestaat nu voornamelijk uit een populierenbos met veel oud hakhout. Dit bos is grotendeels ontstaan tussen 1850 en 1904, maar een deel ervan dateert uit de periode voor 1850. Het bos was o.a. in gebruik als geriefbos. Het gebied ten noorden en westen van Nuenen wordt nog steeds bepaald door een nederzettingspatroon met kleine dorpen (Nederwetten en Gerwen) en gehuchten (Heerendonk, Spekt, Stad van Gerwen, Nieuwe Dijk en Rullen), die ontstaan zijn uit Laatmiddeleeuwse hoeven. Al deze nederzettingen bezitten historisch-bouwkundige waarden die bijzonder zijn voor Peelland. In Gerwen bijvoorbeeld wordt het dorpsbeeld mede bepaald door een schoolgebouw (St. Clemens) in de stijl van de Amsterdamse School (ca. 1929), een villa in `expressionistische’ stijl (ca. 1920) en de oude St.-Clemenskerk
(1618). In het beekdal van de Kleine Dommel of Rul vinden we o.a. de Hooidonkse watermolen, de Opwettense watermolen
(1306)en de Collsche watermolen (met molenaarshuis; vroegste vermelding 1335), in het laatste geval met kleinschalige verkavelingsstructuur met perceelsrandbegroeiing en de Collsche Zeggen (een broek- en moerasbos) in de directe omgeving. Nabij het beekdal staat het landhuis Soeterbeek (in de Late Middeleeuwen het eerste klooster Soeterbeek). Aan het einde van de 19e eeuw en vooral in de eerste helft van de vorige eeuw is ten oosten van de lijn Nuenen-Eeneind/Hulsterbrug en langs de zuidoost en oostgrens van de gemeente het heideontginningslandschap ontstaan. Dit landschap wordt gekenmerkt door een regelmatige en grootschalige verkaveling. Plaatselijk heeft in dit landschap herbebossing met naaldhout plaatsgevonden zoals op de Collsche-, Refelingsche- en Papenvoortsche Heide. 7.2 Beschrijving van de bewoningsgeschiedenis Geordend naar archeologische periode geven we een kort overzicht van de dichtheid en variëteit in archeologisch belangwekkende vindplaatsen en bijzondere vondstgroepen in de gemeente Nuenen. 7.2.1 Paleolithicum (ca 300.000- 10.000 voor Chr.) Vondsten uit het midden van het Paleolithicum zijn in Noord-Brabant zeldzaam. Over de leefwijze van deze mensen in dit gebied is dan ook weinig bekend. Bij Nederwetten is in het verleden een in deze periode bewerkt stuk vuursteen gevonden. Het is een afslag van vuursteen, dat aan het oppervlak bedekt is met “windlak”, een vettige glans die is ontstaan onder invloed van chemische en mechanische processen in een koud milieu. De randen van de afslag zijn onregelmatig bewerkt, mogelijk veroorzaakt door gebruik. Dit tot nu toe oudste voorwerp uit de gemeente Nuenen is 6,1 cm lang, 5,2 cm breed en 1,3 cm dik. De meerderheid van de vondsten dateert echter uit het laat-Paleolithicum en toont aan dat het toenmalige toendralandschap in de omgeving van Nuenen werd bevolkt door samenlevingen van jagers en verzamelaars die het best herkenbaar zijn aan hun typische en veelsoortige vuursteengebruik. Omdat de ondergrond het gehele jaar door bevroren bleef, kon in het voorjaar de gesmolten sneeuw slecht in de grond zakken. Hierdoor had het oppervlak tijdens de zomer het karakter van een modderpoel. In warmere perioden was het land beter begaanbaar en groeiden hier de eerste bomen: de den en de berk. Er leefden verschillende groepen in Noordwest-Europa die leefden van de jacht op groot wild en het verzamelen van voedsel. Vooral rendieren waren gewild, maar ook ving men vis en verzamelde men eetbare wortels. Deze jagers leefden in tijdelijke kampen toegespitst op een rondtrekkende leefwijze. Met name tussen 10.000 en 8000 jaar v.Chr. was er in Noord-Brabant enige bewoning door jagers die plaatsen bewoonden langs de trekrouten van de rendieren. De kleine nederzettingen lagen meestal in de nabijheid van vennetjes of waterlopen. In Vessem en in Geldrop zijn resten van kampen gevonden. In Nederland en België worden vindplaatsen vooral toegeschreven aan de Federmessercultuur. Binnen de gemeente Nuenen zijn er tijdens een afgraving te Boord vuurstenen werktuigen uit deze en de hierna beschreven periode gevonden. 7.2.2 Mesolithicum (ca. 9000- 4000 voor Chr.) Omstreeks 8.000 jaar geleden verbeterde het klimaat geleidelijk, waardoor de schaars beboste toendra van het einde van de laatste ijstijd plaats maakte voor een steeds dichter begroeid boslandschap. Aanvankelijk maakten berken en dennen het merendeel van de boomvegetatie uit. Onder invloed van de klimaatswijziging veranderde ook de dierenwereld. De mens zag zich genoodzaakt deze nieuwe voedselbronnen aan te spreken, wilde hij overleven. Voortaan was hij aangewezen op dieren die verspreid of in groepjes het woudlandschap bevolkten. Naast deze jacht op klein wild en visvangst, leverde ook het inzamelen van wortels, wilde gewassen en vruchten een belangrijk aandeel in de voedselvoorziening. Dit had grote gevolgen voor het nederzettingspatroon van de mens, aangezien hij niet langer over grote afstanden hoefde rond te trekken om in zijn onderhoud te voorzien, want voedsel was alom aanwezig in een dergelijk landschap. Mensen uit deze perioden wonen in semi-permanente nederzettingen en kennen nog geen aardewerk. Werktuigen worden gemaakt van vuursteen, bot en plantaardige materialen (hout, riet etc.). De werktuigen van vuursteen waren kleiner dan voorheen. Deze kleine werktuigen (zgn. microlithen) waren kenmerkend voor de midden Steentijd. Belangrijke vondsten uit deze periode zijn gedaan bij St. Oedenrode en Nijnsel. Bij Nijnsel werden grondsporen van hutten uit deze periode gevonden. Rond het stroomgebied van de Dommel hebben op verschillende plaatsen mensen rondgezworven/gebivakkeerd, waarvan in Nuenen op drie locaties aanwijzingen zijn gevonden. Het gaat om het al eerder genoemde Boord, een plek op de Refelingse Heide en nabij Vaarle. De laatste twee vindplaatsen werden ontdekt bij de aanleg van de snelweg van Helmond naar Eindhoven. Bij Vaarle werden deze werktuigen gevonden in een oorspronkelijke bodemlaag (dus niet verstoord) bovenop een bodemlaag uit de Oude Steentijd, geheten Allerödlaag. Vindplaatsen uit de Oude- en Midden-Steentijd bestaan uit een strooiing van (vuur)stenen artefacten en afval, de doorsnede van zulke vindplaatsen is meestal minder dan 20 m. Feitelijk kan een stuk bewerkt vuursteen al als een site worden beschouwd. Mogelijke grondsporen zijn ondiep en door de ouderdom al grotendeels vervaagd. De interpretatie van de paleolithische en mesolithische vindplaatsen in Noord-Brabant is heel moeilijk omwille van de post-depositionele processen, zoals landbouwactiviteiten, bioturbatie en zandverstuivingen. Het merendeel van de vindplaatsen uit het Paleolithicum en Mesolithicum in het oosten van Noord-Brabant en Midden Limburg komt voor op ruggen en terrasranden met een goed draine­rende ondergrond van dekzanden in de nabijheid van een waterbron (ven, meer, rivier of afgesneden meander). In deze zogenaamde gradiëntzones, de overgangen tussen de hogere en drogere delen en de lagere en nattere delen, had de mens de verschillende natuurlijke bestaansbronnen op een zo kort mogelijke afstand binnen bereik. De iets hogere delen rondom beken, vennen en plassen waren daarom waarschijnlijk de landschappelijk meest gunstige bewoningsplaatsen. Bij de locatiekeuze nabij open water lijkt er een voorkeur te zijn geweest voor de (zuid)oostelijke flank van dekzandruggen in verband met de overheersende (noord)westelijke winden. Waarschijnlijk waren er ook in en nabij rivier- en beekdalen nederzettingen die later zijn geërodeerd of afgedekt met sedi­menten. Het betreft steeds uitsluitend tijdelijke kampementen die enkele dagen tot meerdere weken bewoond zullen zijn geweest. De opgraving te Milheeze-Stippelberg laat zien dat de vondstniveaus uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum verschillen. De materiële resten van de Federmesser-traditie worden aangetroffen onder, in en juist boven de Usselo-bodem, een vuilgrijze laag met kleine stukjes houtskool, die door de inwerking van planten ontstond gedurende een relatief warme periode (circa 9900-9100 voor Chr.) tijdens de laatste ijstijd. Zowel Ahrensburg- als de vroeg-mesolithische vondstniveaus bevinden zich in het dekzand (Jong Dekzand II) boven de Usselo-bodem. De afdekking van laatstgenoemde sites wijst er ook op dat nog gedurende het Praeboreaal dekzand is afgezet. Steentijdresten in het pleistocene gebied zijn het best bewaard geble­ven onder deze lokaal voorkomende deklagen, zoals onder stuifzanden maar ook onder esdekken. Evenals de esdekken hebben de stuifzandgronden de oorspronkelijke pleistocene onder­grond afgedekt waardoor mogelijk waardevolle steentijdsporen bewaard zijn gebleven. 7.2.3 Neolithicum (ca. 4000-2000 jaar voor Chr.) Een van de slechtst bekende perioden uit de voorgeschiedenis van de Noord-Brabantse zandgronden ligt tussen ongeveer 5300 en 2000 voor Chr. Lang is verondersteld dat ergens in het begin van deze periode de leefwijze van jagen en verzamelen (de Midden-Steentijd) plaats maakte voor die van een op landbouw en veeteelt gebaseerd bestaan (de nieuwe Steentijd ofwel het Neolithicum). Bij deze geleidelijke overgang was gedurende de eerste duizend jaar slechts sprake van wederzijdse contacten tussen de jagers en verzamelaars op de Brabantse zandgronden en de boeren op de Limburgse en Belgische lössgronden in het zuidoosten. Ergens tussen 4000 en 2000 voor Chr. veranderde de mens dus zijn manier van bestaan. Tijdens het begin van deze periode leefden deze boeren alleen nog op de vruchtbare lössgronden van Zuid-Limburg. Ergens na 3000 v.Chr. Koloniseerden ze ook de Noord-Brabantse zandgronden. Vanaf dat moment ging hij in steeds grotere mate voorzien in zijn voedselbehoefte door het houden van vee en het verbouwen van voedsel. De mensen bouwen voor het eerst duurzame houten huizen en gaan in de directe nabijheid wonen van hun vee, akkers en moestuin. Als gevolg van het toepassen van landbouw en veeteelt werd de mens gebonden aan een vaste plek in het landschap, in plaats van rond te trekken tussen tijdelijke kampementen. De eisen aan een permanente nederzettingslocatie waren tevens afwijkend dan in de periode daarvoor, aangezien er behoefte ontstond aan akkers en weidegronden. De neolithische vindplaatsen worden daarom vaak op of nabij de wat hogere gronden met meer vruchtbare bodems aangetroffen. Op weggekapte stukken in het bos werd graan geteeld en op de graslanden in de beekdalen hoedde men wat schapen en geiten. Als de akkertjes onvruchtbaar werden, richtte men een nieuwe akker in. Verder wordt aardewerk nu gebruikt voor een groot deel van het huishoudelijke vaatwerk en werden stoffen geweven met behulp van een weefgetouw. Aan het eind van het Neolithicum ontstaat ook een grafgebruik waarbij sommige personen onder een ronde aarden heuvel (grafheuvel) worden begraven. Vuursteen werd in deze periode vaak aangevoerd vanuit de Zuidlimburgse kalksteengebieden, waarin veel goede vuursteen voorkomt. Maar ook uit gebieden als Frankrijk en Oost-Duistland. Zowel de ruwe grondstof als gereed zijnde werktuigen, waaronder gepolijste bijlen werden verhandeld. Vaak zijn de stenen messen en bijlen ware kunstwerkjes. Vermoedt wordt dat sommige bijlen en messen niet eens zijn gebruikt, maar geofferd werden aan de (natuur)goden. Er worden in deze regio nogal eens prachtige ongebruikte bijlen ontdekt in een moerasgebied. In 1915 werd langs de Prinsche Weyer (Vaarle) een dergelijke bijl gevonden, samen met een vuurstenen mes. Ook in 1915 werd in het Broek een stenen bijl gevonden; en op de Heuvelakkers te Nederwetten is in het verleden ook een bijl gevonden. Resten van bewoning ontbreken tot op heden in Nuenen, maar zijn wel aangetroffen in bijvoorbeeld Nijnsel en Zandoerle. Daarnaast zijn nog een viertal locaties bekend waar werktuigen werden gevonden. 7.2.4 Bronstijd en IJzertijd (ca. 2000- 250 voor Chr.) In de Brons- en IJzertijd werd de sedentaire agrarische levenswijze voortgezet, waarbij veeteelt en landbouw een grote rol speelden. De kennis van metaalwinning en bewerking van brons en ijzer voor wapens, sieraden en werktuigen komt in zwang, maar veranderde de vraag naar vruchtbare akkergronden niet. Metalen voorwerpen, zoals bronzen bijlen en speerpunten waren kostbaar, omdat ze vanuit de Alpen en Engeland werden geïmporteerd. In Nuenen is in de 19e eeuw vermoedelijk een bronzen bijl gevonden bij de Kolse Hoeve, waar ook grafheuvels uit de Bronstijd zijn gevonden. Verder is er in het Noordbrabants Museum een bronzen bijl uit Nuenen aanwezig, waarvan echter niet bekend is waar deze precies in Nuenen is gevonden. In 1995 werd in de plantenkwekerij ‘de Walburg’ in de Boordse Velden een bronzen bijl gevonden. De vindplaats ligt in een relatief laaggelegen nat gebied met een lemige ondergrond. In 2003 werd op ongeveer 1500 meter ten zuidwesten van deze bijl nog een bronzen kokerbijl gevonden op de Paaihurken in Nuenen. De vindplaats ligt aan de rand van het dal van de Hooidonkse Beek, een zijriviertje van de Dommel. De bijl bevond zich ongeveer 25 cm onder maaiveld. De bijlen dateren waarschijnlijk uit de periode 1100-800 v. Chr en zullen hier terecht zijn gekomen tijdens een rituele handeling. Gedurende de Brons- en IJzertijd werden steeds meer bossen ontgonnen en werden akkertjes aangelegd. Na het verlaten van deze akkertjes gingen ze soms verstuiven. Ook het vee tastte het bos aan omdat ze de jonge aanplant kaal vraten. Hierdoor kreeg de heide kans zich te ontwikkelen, waardoor op den duur uitgestrekte heidevelden ontstonden, dezelfde die nog voorkwamen in het begin van de vorige eeuw. Ook zandverstuivingen traden toen op. Belangrijke vondsten uit de Bronstijd werden gedaan bij Nijnsel, waar nederzettingssporen werden aangetroffen, bestaande uit een woonstalboerderij met bijgebouwen en veel aardewerk. In Nuenen kennen we een vindplaats met wat aardewerkscherven van een noodopgraving bij de Kolse Hoeve. Vergeleken met de Bronstijd, komt er in de IJzertijd in Noord-Brabant veel menselijke bewoning voor. Ook de nederzettingen worden groter, soms ontstonden er kleine dorpjes. De Late Bronstijd tot Midden IJzertijd is een periode die zich kenmerkt door de zwervende erven rondom plaatsvaste grafvelden. Grote woonstalboerderijen verrijzen naast de akkers, met spiekers (kleine voorraadschuren) om granen en andere landbouwproducten in op te slaan. Deze erven beslaan een oppervlakte van circa 40x40 m. Vanwege de verspreiding van erven in het landschap betekent de vondst van een sporencluster dat er vermoedelijk meer erven liggen. Gelijktijdige bewoning lag gemiddeld 100 m uit elkaar en de buurtschappen hebben bestaan uit 4 tot 6 huishoudens. De bijbehorende akkers waren niet groot, en vermoedelijk gebruikte men in deze periode een primitieve ploeg, het zgn. eergetouw, om de bodem te bewerken. De menselijke invloed op de natuur werd steeds groter. Dennenbossen werden schaarser en heidevelden talrijker. Uit vondsten te Sint-Michielsgestel, Keldonk en Nijnsel kan afgeleid worden dat er ijzererts gewonnen werd in het dal van de Dommel en de Aa. Ten noorden van Nederwetten werd een grote nederzetting opgegraven op de Hooidonkse Akkers. Verder hebben grootschalige opgravingen in de regio vindplaatsen uit deze periode aangetoond in Mierlo-Hout, Someren, Geldrop en Brandevoort. Een complete nederzetting is in Nuenen echter nog niet opgegraven. Wel kennen we verschillende vindplaatsen die wijzen op dezelfde ontwikkeling en bewoningscontinuïteit als de resultaten van opgravingen in de Peel en Kempen. In 1974 werd bij nabij het gehucht Boord, tijdens de aanleg van de weg naar Eindhoven, een nederzetting uit de IJzertijd opgegraven. In 2000 werden bij de aanleg van een ruim 2 km lange pijpleiding voor waterafvoer ten oosten van de Dommel op 5 verschillende plekken nederzettingsterreinen aangesneden uit de vroege IJzertijd, de midden Steentijd, de midden of late IJzertijd, de volle Middeleeuwen
(2x)en de Romeinse tijd (1ste eeuw na Chr). Ze geven nadere aanwijzingen over de aard en datering van de archeologische ondergrond onder de ten oosten gelegen esdekken op de hogere zandruggen. Van de meeste nederzettingsterreinen zijn vooral delen van de stortplaatsen van voornamelijk aardewerk van de op aanpalende, hoger gelegen gronden gelegen woonplaatsen gevonden. In een kuil uit de vroege IJzertijd werden echter meer dan 200 scherven aardewerk, fragmenten van zoutgootjes en een kruisvormig ijzeren voorwerp gevonden. Tijdens het eerste gedeelte van de Bronstijd werden mensen begraven in grafheuvels. Grafheuvels blijven in gebruik, hoewel vanaf de Midden-Bronstijd vaker meerdere personen in één grafheuvel worden begraven. Soms werd een crematie aan de rand van de grafheuvel ingegraven, soms werd de heuvel opgehoogd en werd de dode centraal in het opgehoogde heuvellichaam begraven. Grafheuvels zijn niet zichtbaar op akkergronden uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, maar vaak wel op de heidevelden. Grafheuvels uit de Midden-Bronstijd zijn in Nuenen gevonden nabij het Haneven en de Gulberg (met zgn. Drakensteinurnen), en bij het gehucht Rulle. Met de overgang van de Bronstijd naar de IJzertijd treden ook veranderingen op in het grafritueel. Vanaf de late Bronstijd (1050-800 v. Chr.) lijken meer en meer mensen begraven te worden in een ‘eigen’ (kleinere) grafheuvel, die in grotere groepen bijeen in het landschap liggen. De gecremeerde resten van een overledene worden in een pot van aardewerk geplaatst en midden onder de heuvel begraven. Soms is er een kringgreppel aanwezig om het heuveltje. Een dergelijk veld met grafheuvels wordt een urnenveld genoemd. Naast de Midden-Bronstijd heuvels werden in 1863 rond het Haneven ook een aantal urnen gevonden uit de Late Bronstijd. Zoals in Noord-Brabant herhaaldelijk voorkomt, is dus ook hier een urnenveld aangelegd rond enige oudere Bronstijd grafheuvels. De grafheuvels wijzen ongetwijfeld in op het bestaan van een nederzetting in de omgeving. Of deze gezocht moet worden in Nuenen, Mierlo of Geldrop is echter niet duidelijk. Een ander urnenveld lag ten oosten van het gehucht Rulle, noordelijk van het kerkdorp Gerwen, en onder het akkergebied rond de vroegere kerk van Nuenen, waar omstreeks 1940 enkele urnen zijn gevonden. 7.2.5 Late IJzertijd en Romeinse tijd (250 voor Chr. - 450 na Chr.) Rond 50 voor Christus viel ons gebied in handen van de Romeinen. Voor het eerst worden deze streken vermeld in historische bronnen. Julius Caesar beschrijft de strijd die hij hier voert tegen de Eburonen, een opstandige stam uit deze contreien, die door de Romeinse troepen volledig in de pan worden gehakt. In Nederland begint de Romeinse tijd in 12 voor Chr., toen alle stammen in Nederland, inclusief die ten noorden van de grote rivieren, door de Romeinse veldheer Drusus waren onderworpen. Vanaf het midden van de eerste eeuw werd de Rijn de noordgrens van het Romeinse rijk in West-Europa. Rond de jaartelling woonden hier verschillende groepen, die leefden in een redelijk georganiseerde maatschappij van lokale leiders en stammen. Deze groepen worden opgenomen in het Romeinse Rijk en integreren langzaam in de nieuwe Romeinse maatschappij. Langzaam komt het gebied onder het Romeinse bestuur tot grote bloei. De Texuandri, zoals de bewoners van de Zuid Nederlandse en Noord Belgische zandgronden vanaf de eerste eeuw heten, worden administratief ingedeeld bij de Civitas Tungrorum, met het Belgische Tongeren als hoofdstad. De Romeinse aanwezigheid heeft in het gebied ten zuiden van de Rijn ruim vier eeuwen geduurd en deze resulteerde in ingrijpende veranderingen voor de inheemse samenleving van onder andere de Brabantse zandgronden. De Romeinen introduceren hier een groot aantal technische innovaties waarbij gedacht kan worden aan gereedschappen, landbouwwerktuigen, dakpannen, waterleiding, glas, vloerverwarming, badhuizen en een uitgebreid wegennet. Voor het eerst werd met geld betaald in plaats via de traditionele ruilhandel. Een van de meest gebruikte goederen, namelijk het aardewerk, werd voortaan geïmporteerd vanuit pottenbakkerijen zoals in het Duitse Rijnland en uit het huidige Frankrijk. Een wezenlijk verschil met het inheemse aardewerk, waarvan de productie in de eerste eeuw zelfs geheel werd gestaakt, was dat het hardgebakken Romeinse aardewerk op de draaischijf was gemaakt, in tegenstelling tot het handgevormde zachtgebakken inheemse aardewerk. Ook is de invloed van de Romeinen op de inheemse agrarische economie zeer groot geweest. Er werden nieuwe gewassen ingevoerd, die sindsdien lokaal zijn verbouwd, waaronder appel, peer, perzik, selderij en walnoot. Ook in de veestapel veranderde veel, zoals onder andere de introductie van de kip. Aangenomen wordt dat de overgang van de IJzertijd naar de Romeinse tijd zonder ingrijpende gevolgen heeft plaatsgevonden. De komst van de Romeinen vanaf 52 v. Chr. zal voor de eertijdse bewoners van het grondgebied van de latere gemeente Nuenen nauwelijks directe ingrijpende gevolgen hebben gehad. De Romeinse militairen verbleven vooral langs de Rijn. Hoewel niet uitgesloten kan worden dat Romeinse (verkennings)troepen ooit ter plaatse zijn geweest, is het niet waarschijnlijk dat er van een directe Romeinse overheersing sprake was. Wel zal de lokale bevolking via de uitwisseling van verhalen en goederen kennis hebben gemaakt met de levenswijze en producten die via het Romeinse handelsnetwerk ons land werden binnengebracht. Deze zaken vielen zo in de smaak dat de bevolking sommige van de Romeinse ideeën ten aanzien van kleding, bouwwijze en voedselbereiding overnam. Vanaf de late IJzertijd en in de Romeinse tijd komt herbouw op hetzelfde erf voor, waardoor de sporenconcentraties zijn samengesteld uit grotere aantallen sporen. De grafvelden uit de Late IJzertijd zijn kleiner en meer verspreid in het landschap, vaak in de buurt van huizen. De grafvelden uit de Romeinse tijd zijn groter en lijken een meer centrale plaats in te nemen. Sporen uit de Romeinse tijd zijn in Nuenen op diverse plaatsen gevonden. Uit archeologisch onderzoek in Noord-Brabant weten we dat nederzettingen uit deze periode vooral gezocht moeten worden nabij rivieren. Langs de Dommel zijn op tal van plaatsen sporen teruggevonden. In Nuenen is op zeer veel Romeins aardewerk gevonden bij een zandafgraving van een hoge akker bij het Wettenseind, 500 m ten zuidoosten van de Opwettense watermolen. Ook bij het gehucht Boord en noordelijk van Opwetten werd Romeins aardewerk, maar ook bewoningssporen gevonden. Al deze vindplaatsen liggen aan of dicht bij de Kleine Dommel. In 1969 werd bij een noodonderzoek als gevolg van een zandafgraving bij de Kolse Hoeve, ten oosten van de Eeneindseweg, de weg die Geldrop met het gehucht Eeneind verbindt, wederom een groot aantal scherven van Romeins aardewerk gevonden, waaronder scherven van terra sigillata, dolia, wrijfschalen, kruiken en potten. Ook maal- en slijpstenen, dakpannen, hutteleem, een blauwglazen armband met opgelegde gele glasdraad werd gevonden en enkele scherven uit de Bronstijd. De bewoningssporen bestonden uit diverse afvalkuilen en een huisplattegrond, daterend uit de 2e-3e eeuw. Enige drinkwaterputten konden wegens de hoge grondwaterstand niet worden leeggehaald. Gezien de spreiding der vondsten is het mogelijk dat een deel van de vindplaats nog gespaard is gebleven onder de aangrenzende akkers. Bij de aanleg van de Europalaan in 1972 werden Romeinse dakpannen en aardewerk gevonden, waaronder terra sigilata, terra nigra, amforen en wrijfschalen. De talrijke vondsten wijzen op een inheems-Romeinse nederzetting in de 1ste en 2e eeuw na Chr. Tijdens woonuitbreiding van Nuenen werden ook op verschillende plaatsen Romeinse scherven gevonden, zoals bij de uitbreiding Langakker-Tomakker. Ook uit de regio zijn nederzettingen uit de Romeinse tijd bekend in Brandevoort, Someren, Lieshout en Mierlo-Hout. Tussen Eindhoven en Nederwetten zijn sinds 1939 enkele honderden muntvondsten gedaan uit de Romeinse tijd. Deze komen hoofdzakelijk van drie plaatsen in het natte Dommeldal. De munten dateren vooral uit de tijd van keizer Nerva (96-98 n.Chr.) tot en met keizer Hadrianus (117-138 n.Chr.). Deze vindplaatsen wijzen op het bestaan van een cultusplaats in dit gebied gedurende het begin van onze jaartelling. Eén vindplaats ligt langs de oostelijke oever van de Dommel tegenover de talrijke Romeinse vindplaatsen onder Eindhoven in het gebied dat de naam “Tempel" draagt. Op deze oostelijke oever ligt een gedeeltelijk vergraven, natuurlijke zandopduiking in een moerassige omgeving, aan de rand van het rivierdal van de Dommel. Hier zouden in 1939 tweehonderd Romeinse munten zijn gevonden, samen met twee bronzen beeldjes en twee lanspunten. Van deze uitzonderlijke vondst is slechts een munt bewaard gebleven in het Noordbrabants Museum. In 1989 en 1990 werden nog eens 287 koperen munten uit de 1ste en 2e eeuw, enkele bronzen speerpunten en ca. 500 scherven gevonden. Ook werd op hetzelfde terrein ook nog een vermoedelijke Romeinse ijzeren bijl gevonden. In 1989 werd op een nabijgelegen zandpand een gem, een geslepen Romeinse (half)edelsteen, gevonden. In 2000 werden bij de aanleg van een paar diepe kuilen voor een rioolwateraansluiting, midden in het beekdal van de Dommel, vondsten gedaan van tientallen scherven IJzertijd en Romeins aardewerk, een bronzen haakje, maalsteenfragmenten en een tiental menselijke en dierlijke botten. Vermoedelijk dateren deze vondsten uit de 1ste eeuw na Chr. Enkele vuurstenen artefacten dateren echter uit de Midden Steentijd. Een aantal botten heeft snijsporen. Bijzonder zijn de vondsten van bewerkt verkoold hout, goed geconserveerde botanische resten en de vondst van een ivoren bijltje met houder, gemaakt van een hoektand van een wild zwijn. Mogelijk hebben deze vondsten ook te maken met de iets naar het zuiden gelegen vermoedelijke offerplaats. Nederzettingsvondsten uit de derde eeuw in Noord-Brabant zijn spaarzaam terwijl die uit de vierde eeuw zelfs vrijwel geheel ontbreken. Veel nederzettingen in deze streken worden in de loop van de derde eeuw opgegeven. Het ontbreken van bewoning kan in verband worden gebracht met het begin van de ineenstorting van het Romeinse gezag. Deze werd vooral veroorzaakt door de verzwakte verdediging van de Rijngrens en de daardoor toenemende plundertochten van Germaanse stammen die afkomstig waren van over de grens. In de winter van 406/407 werd de Rijngrens definitief doorbroken door de Germanen waarmee het definitieve einde kwam aan de Romeinse heerschappij in Nederland. 7.2.6 Vroege Middeleeuwen (450 - ca. 1000 na Chr.) Het lijkt er op dat het oosten van Noord-Brabant gedurende vrijwel de gehele vijfde en zesde eeuw geen bewoning heeft gehad. Slechts hier en daar zijn wat aanwijzingen voor bewoning gevonden die er op wijzen dat er gedurende het eerste kwart van de vijfde eeuw nog geïsoleerde groepjes mensen op de zandgronden woonden, maar uit de periode daarna ontbreken archeologische gegevens volledig. Na de tijd van de volksverhuizingen raakte het open heidelandschap in verval en werd vervangen door een vrij dicht bebost landschap. Pas aan het einde van de zesde eeuw worden de Brabantse zandgronden opnieuw gekoloniseerd door boerensamenlevingen die zich in het Maasdal en de Kempen vestigden. Daarmee was de Merovingische tijd begonnen (circa 575-725). De bewoning in deze periode bevindt zich op de hoge, vruchtbare delen van het landschap en bestaat uit kleine, verspreid in het landschap gelegen nederzettingen van een of twee boerderijen. De bosbodems op de hogere delen waren relatief droog en bevatten veel humus. Na kap of platbranden waren deze vruchtbare bodems geschikt voor primitieve landbouw. Doordat de grond relatief snel uitgeput raakte had deze vorm van landbouw een zeer tijdelijk karakter dat het primitieve braakstelsel genoemd werd, wat een tijdelijke verkaveling opleverde. Naast het weiden van varkens in bossen, akeren of eikelen genoemd, liet men ook vaak rundvee in de bossen grazen. Waarschijnlijk leidde gecombineerde boslandbouw en –veeteelt tot de geleidelijke verdwijning van het bos, zodat er in de volle Middeleeuwen nog nauwelijks iets van over was. Wat overbleef waren zwaar verarmde en uitgeloogde bodems die deels met heide begroeid raakten. Van nederzettingen uit de Merovingische tijd is in Zuidoost-Brabant nauwelijks iets bekend. Tot nu toe zijn boerderijen opgegraven in Geldrop en Someren. In Nuenen zijn op de akkers enkele scherven aardewerk gevonden nabij Boord en op de Heuvelakkers onder Nederwetten, maar ook nabij de kerk van Gerwen. Karolingisch aardewerk werd gevonden bij noodonderzoek bij de Europalaan. Na 650 worden deze streken opgenomen in het Frankische rijk. Uit de Karolingische tijd (circa 750-900) zijn in Noord-Brabant meer overblijfselen bekend. Aangenomen wordt dat in de nederzettingen sprake was van een zelfvoorzienende economie. De meeste van deze nederzettingen hebben eeuwenlang bestaan. De grootste waarneembare veranderingen bestaan slechts uit de vervanging van oude gebouwen door nieuwe, met als gevolg dat de archeologische ondergrond regelmatig bestaat uit een wirwar van elkaar overlappende plattegronden van allerlei houten gebouwen. De veestapel bestond uit runderen, varkens, schapen, geiten, kippen en tamme ganzen. Het vee werd naar de vochtige en grasrijke beekdalen gedreven. Schapen werden gehoed op de heide. De akkers lagen op de hogere gronden, waar rogge, gerst, haver en vlas werd verbouwd. Na enkele jaren graan verbouwd te hebben, kwam de akker een jaar braak te liggen. Het onkruid dat er groeide en de herfstbladeren zorgden voor enige bemesting, zodat de vruchtbaarheid van de akkers herstelde. Rond 700 na Chr. komt de zogenaamde domeinstructuur tot ontwikkeling. Kleine nederzettingen raken buiten gebruik en de bewoning concentreert zich in grotere nederzettingen. In deze periode worden ook de eerste kerken gesticht in de regio. Gedurende de Karolingische tijd, van circa 750 tot circa 900 na Chr., ontwikkelde dit nederzettingspatroon zich verder, waarbij verspreid in het landschap kleine, geïsoleerde ontginningsnederzettingen werden gesticht als satellieten van de centrale nederzettingen. De inrichting van de domeinen gaat gepaard met grootschalige ontginningen, waardoor het landschap een meer open karakter kreeg. Grondbezit betekent macht. Niet meer iedereen heeft dezelfde rechten op de bestaansbronnen. Er ontstaan allerlei afhankelijkheidsrelaties. De samenleving bestond naast de adel en de vrije boeren uit grote groepen horige boeren. Kenmerkend voor het middeleeuwse bestuur is het feodale leenstelsel. Dit betekende dat een groot deel van de landerijen van de heer in bruikleen werden gegeven aan zijn leenmannen. Deze horigen moesten daarvoor in de plaats het land bewerken en producten en diensten leveren aan de leenheer. Gedurende de Vroege Middeleeuwen werden gestorvenen begraven op het erf bij hun huis of in kleine grafvelden. Veel vroegmiddeleeuwse grafvelden in de Kempen zijn net buiten de oude akkergebieden aangetroffen, op relatief hooggelegen locaties (bijvoorbeeld Hoogeloon-Broekeneind, Bergeijk, Veldhoven-Oeienboschdijk). Ofschoon het hier om een gekerstende samenleving gaat gaf men de doden nog allerlei voorwerpen mee, zoals wapens, sieraden, aardewerk (gevuld met voedsel) en in sommige gevallen ook kostbaarheden zoals met zilver ingelegde ijzeren voorwerpen of een gouden munt. Dergelijke graven waren echter slechts voor een klein deel van de samenleving, vermoedelijk betrof dat alleen de elite. Vaak werden er op de domeinen kloosters of kerken gesticht door schenkingen van adellijke eigendommen. Later werden de doden begraven in gewijde grond in en rondom de parochiekerk van de domeincentra zonder noemenswaardige bijgiften. Sinds 1225 waren de rechten over de parochie Nuenen in handen van het kapittel van Kortessem in België. In de 14e eeuw bestond die parochie uit tenminste twee kerken, te weten die van Nuenen en die van Gerwen. De verdwenen kerk van Nuenen was de voorganger van het gebouw dat tot in de 19e eeuw eenzaam midden in het akkergebied “de Kerkakkers” stond, thans bekend als algemene begraafplaats in het bosje nabij de wijken Langakker en Tomakker. De 14e eeuwse kerk van Gerwen, die ook tot in de 19e eeuw eenzaam in de akkers stond, was de voorloper van het huidige middeleeuwse 15e eeuwse kerkgebouw. Aan de hand van een bescheiden opgraving in de kerk is bekend dat we te maken hebben met een 14e eeuws Romaans zaalkerkje met een versmald koor. Onder de funderingen van dit 14e eeuwse zaalkerkje en de huidige kerk werden grafkuilen gevonden, die erop wijzen dat de oudste kerk niet erg ver van de huidige locatie gezocht moet worden. In de directe omgeving zijn ook brokken oersteen en tufsteen gevonden, waarvan enkele brokken tufsteen later zijn verwerkt in het fundament voor het altaar in de huidige kerk. De tufsteen is oorspronkelijk mogelijk afkomstig van een Romeins bouwwerk uit de omgeving. Dit wordt versterkt door de vondst van een Romeinse dakpan, die ook hergebruikt werd als bouwmateriaal. Er werden verder ook paalgaten aangetroffen van een ouder bouwwerk, maar het aantal was te gering om daaruit conclusies te trekken. De gehuchten Boord en Opwetten hadden een eigen kapel, die stond aan de huidige Opwettenseweg. Deze kapel van Opwetten was gewijd aan Sint Antonius en dateert ergens uit het einde van de 15e eeuw. Van de kerk van de priorij van Hooidonk hebben we geen enkele afbeelding; dat geldt ook voor de kloostergebouwen. De kerk van de priorij ging in 1579 in vlammen op en werd niet meer herbouwd. Bij het klooster Soeterbeek werd eveneens omstreeks 1465 een kerk gebouwd. Het was een grote kapel in gotische stijl met in het midden een klein torentje voor de klok. De vrij kleine parochiekerk van Nederwetten is omstreeks 1250 gebouwd door de priorij van Hooidonk. In 1898 werd de kerk afgebroken op de klokkentoren na, die in het bezit van de gemeente was. De toren van de oude kerk van Nederwetten staat tegenwoordig eenzaam in de akker. Bij deze laatste is het gedeelte waarop de kerk heeft gestaan echter afgegraven. 7.2.7 Volle en late Middeleeuwen (ca. 1000- 1500 na Chr.) In de Volle Middeleeuwen werd het dekzandlandschap gekenmerkt door bewoning op de toppen van de dekzandruggen, met akkercomplexen rondom de nederzettingen en hooi- en weideland in de beekdalen. In de volle Middeleeuwen (1000-1250 na Chr.) zien we dat beheerders van de domeinen, veelal in handen van abdijen, goederen en rechten toe-eigenen. Deze heerlijke rechten (zoals rechtspraak, cijnsheffing, kerk- en molenrecht), vormen de basis voor de lokale machtsuitoefening. Het onderscheid tussen lijfeigenen, horigen en vrijen, vervaagt omdat ook de vrijen met eigen landerijen onderworpen zijn aan de heerlijke rechten en belastingen. Vrije goederen worden dan ook steeds vaker aan de lokale heer afgestaan, om deze in leen (cijnsgoed) terug te nemen. Kenmerkend voor deze periode zijn de nieuwe ontginningen van land op initiatief van de lokale heren. Zulke ontginningsboerderijen uit de Volle Middeleeuwen zijn onder meer tijdens de opgravingen in Helmond-Brandevoort aangetroffen. In de Late-Middeleeuwen veranderde het nederzettingspatroon van karakter, waarschijnlijk ten gevolge van drastische verschuivingen in de landbouweconomie. De talrijke, eeuwenoude kleinschalige gehuchten op de hogere dekzandruggen werden alle verlaten. Elders in het landschap, veelal aan de randen van beekdalen, werden in de loop van de 12e en 13e eeuw nieuwe, uiteindelijk veel grotere en thans nog vaak bestaande nederzettingen of gehuchten gesticht. De inrichting van het landschap en de wegen, zoals zichtbaar op historische kaarten, dateert grotendeels uit de tijd van de landbouwontginningen. Het gehele proces lijkt tegen het einde van de 13e eeuw wel te zijn voltooid. Door de geleidelijke toename van de bevolking werden in de loop van de middeleeuwen steeds grotere gebieden voor de landbouw ontgonnen, waarbij ook de verlaten woongronden voortaan werden gebruikt als akkerland. Ter verbetering van de van nature arme zandgronden werden de akkers bemest met een mengsel van mest en heide- en grasplaggen. Deze vorm van bemesting vangt vermoedelijk aan vanaf de 12e en 13e eeuw en vond met zekerheid plaats vanaf de 16e eeuw. Plaggenbemesting bleef gangbaar tot in de 20e eeuw en werd pas gestaakt met de komst van de kunstmest. Door de eeuwenlange plaggenbemesting is er op de oude akkercomplexen een dik humusdek ontstaan. Een andere opvallende verandering was de stichting van steden. De oudste hiervan was ’s-Hertogenbosch (gesticht in 1185 of 1195). Enkele decennia later werden meer steden gesticht zoals onder andere Eindhoven, Helmond en Sint-Oedenrode. De archeologische ondergrond van deze steden wijst op een betrekkelijk korte bouwtijd, namelijk in de jaren omstreeks 1200-1225. Die datering is gebaseerd op de ouderdom van het oudste aardewerk, de oudste muntvondsten en de dendrochronologie (het dateren van hout aan de hand van jaarringen). Over deze stadstichtingen zijn geen geschreven bronnen beschikbaar. Het is daardoor niet bekend welke politieke of economische motieven een rol voor de stichting hebben gespeeld. Ook weten we niet waarom die stichtingen juist plaats vonden op die specifieke plaatsen. Aantrekkelijk is de veronderstelling dat althans een gedeelte van de inwoners van de in de regio verlaten nederzettingen op de dekzandruggen de steden hebben gekoloniseerd. Omstreeks het jaar 1200 ontstond het hertogdom Brabant. Het grondgebied van Nuenen en Gerwen werd door hertog Jan II van Brabant in 1300 aan de inwoners in gebruik gegeven, waarmee feitelijk Nuenen ontstaat. Beide kerkdorpen zijn onafhankelijk van elkaar ontstaan in de vroege middeleeuwen uit kleine nederzettingen en ontginningen. De oudste schriftelijke gegevens over de gehuchten en boerderijen van Nuenen gaan terug tot het begin van de 14e eeuw, waarmee we hier vanuit de archeologische aansluiten op de historische bronnen. Tot de oudste gehuchten in Nuenen behoren Beekstraat, Berg, Heieind, Weverstraat, Vaarle en Refeling. In Gerwen gaat het onder meer om Rullen, Ter Heeze, het Alvershool, Broekeind, Ten Rode, Ter Waarde, het Laar, de Wijtmanshoeve, Nieuwendijk, Olen en Stad van Gerwen. Bijzonder is ook dat Gerwen in de 15e en begin van de 16e eeuw beschikte over een gasthuis(je), waar rondtrekkende perlgrims konden overnachten en verzorgd werden. Het dorp Nederwetten dankt zijn ontstaan aan het aldaar in 1146 gestichte klooster Hooidonk, dat zijn landerijen in erfcijns uitgaf aan particulieren, die daarop in de 12-13e eeuw hun boerderijen bouwden. We onderscheiden de hoeven Ter Venne, Ten Hout, Schoteldonk, Ter Straten en de Kerkhofse hoeve. Verderop naar Gerwen lagen nog de hoeven Swinkel en richting Soeterbeek de hoeve Roy. Tot de oudste gehuchten van Opwetten en Boord behoorden Soeterbeek, Boord, Wettenseind, Opwetten, Eeneind en Coll. Het klooster Soeterbeek bezat verder nog de hoeven Ter Dommelen, Vorswijk en Ter Laar. Tegen het einde van de Middeleeuwen en in de Nieuwe tijd is er weer sprake van een meer verspreide bewoning op het ‘platteland’. De bewoning hangt nauw samen met de wegen en met de aanwezigheid van essen. Opmerkelijk is dat sporen van behuizing uit de 13e eeuw en jonger door een verandering in bouwwijze archeologisch nauwelijks traceerbaar zijn, het zijn vooral sporen van de inrichting van het erf. Pas laat in de Nieuwe tijd, als de verstening van bebouwing ook op het platteland is doorgedrongen, zijn huizen weer archeologisch waarneembaar. Middeleeuwse archeologische vindplaatsen zijn er in Nuenen in overvloed. Deze vindplaatsen verschillen van losse vondsten op de akker tot fundamenten van kerken en kloosters. Sporen van nederzettingen ontbreken echter. In de vijftiger jaren van de vorige eeuw is de voormalige kapel van het voormalige klooster van Hooidonk, die thans is gerestaureerd, opgegraven. Onder een der bijgebouwen van de huidige boerderij zijn nog oude keldergewelven zichtbaar. Mogelijk zitten nog meer funderingen van het vroegere klooster in de bodem. Nabij Opwetten, bij Boord en bij Wettenseind werd middeleeuws aardewerk, waaronder Pingsdorfaardewerk gevonden. Bij de bouw van de wijk Tomakkers werden een boomstamwaterput uit de periode 800-1250 gevonden met daarin een mogelijk houten schopje. Bij Boord, op de plek van de Hoolsche Velden, werden in 1989 sporen van bewoning uit de late middeleeuwen en waarschijnlijk nieuwe tijd aangetroffen, mogelijk behorend bij een omgrachte hoeve (moated site). Naast een gracht en een 14e eeuwse waterput werd er veel materiaal opgegraven, waaronder een complete baardmankruik, blauwgrijze steengoed kannen en grote aantallen roodbakkende aardewerkscherven uit de 16e-17/19e eeuw. Nuenen-Gerwen bestond als heerlijkheid reeds in de 14e eeuw toen zij door een familie “van Gerwen” is ingelost. In de eerste helft van de 16e eeuw moeten de heren van Deurne en Vlierden bezitters zijn geweest. In 1557 bouwden zij een slotje aan de Dommel te Opwetten. In 1659 komt de heerlijkheid in handen van de Staten Generaal. Nederwetten ontstond als heerlijkheid in 1557, toen de heren van Deurne en Vlierden Nuenen-Gerwen in bezit hadden. Nederwetten kreeg hierdoor een eigen schepencollege voor het bestuur en voor de rechtspraak. Voor die tijd was dat in handen van de priorij van Hooidonk. 8Verwachtingsmodel Nuenen 8.1 Inleiding Om een gedetailleerder beeld te krijgen van de trefkans op archeologie binnen de gemeente Nuenen zijn de landschappelijke en historische gegevens van het bureauonderzoek gecombineerd met de archeologische gegevens afkomstig van alle 21 aangesloten gemeenten van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven en verwerkt in één database. Het verwachtingsmodel en de berekening van de kans op archeologie wordt door het gebruik van de archeologische gegevens van een groter landschappelijk aaneengesloten gebied (een zogenaamde archeoregio) betrouwbaarder, zeker wanneer een gemeente zelf nog maar weinig archeologisch onderzoek heeft uitgevoerd. De archeologische informatie die voor de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarde (IKAW) is gebruikt, en die ook is opgenomen in de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW), bestaat uit een selectie van ARCHIS-gegevens die gekoppeld is aan de bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. De IKAW geeft daarmee uitsluitend informatie over het kwantitatieve aspect van het bodemarchief en doet geen uitspraak over het kwalitatieve aspect (gaafheid, conservering, waarde) van eventueel aanwezige vindplaatsen. Bovendien ontbreken gegevens over verstoringen en afgravingen, en zijn vindplaatsen die alleen op basis van historische gegevens bekend zijn, niet meegewogen. Twee andere bezwaren zijn dat de IKAW aan de beekdalen een lage verwachting geeft en aan de stad- en dorpskernen een onbekende verwachting. In de beekdalen is de trefkans inderdaad laag, maar hierbij wordt voorbij gegaan aan het feit dat in beekdalen zeldzame vondsten met een hoge gaafheid aangetroffen kunnen worden. Voor de kernen is de trefkans juist groot, maar is de gaafheid een onzekere factor. Tenslotte is de IKAW gemaakt voor een gebruik op de schaal 1:50.000 en derhalve ongeschikt voor gebruik op gemeentelijk niveau. Daarbij is de IKAW vooral gebaseerd op bodemkundige verschillen. In het door plaggendekken bedekte dekzandlandschap is de geomorfologie, het reliëf en de relatie met beekdalen meer relevant voor verwachtingsmodellen. 8.2 Verwachtingsmodel De basis voor de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en vervolgens de archeologische beleidskaart is het archeologische verwachtingsmodel. Een archeologisch verwachtingsmodel doet een uitspraak over de meest waarschijnlijke locaties voor bewoning van (pre-)historische samenlevingen. In de regel betreft het kampementen van jager-verzamelaars uit het Paleolithicum en Mesolithicum (en deels Neolithicum) en nederzettingen van landbouwende gemeenschappen ('landbouwers') uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. De basis van het model vormen de algemene verspreidingspatronen van vindplaatsen en de geomorfologische en bodemkundige achtergrond. Hierbij is de verwachting op archeologische vindplaatsen geanalyseerd aan de hand van de verschillende landschappelijke eenheden (geomorfologie en bodem inclusief grondwatertrap) in het plangebied. Om te komen tot een archeologische verwachtingen- en waardenkaart voor de gemeente Nuenen is gebruik gemaakt van de regionale (historische) kennis over de bewoning in de regio en van de archeologische gegevens uit de gehele regio Zuidoost-Brabant (SRE regio), inclusief de vindplaatsen die vanui

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.