Wijzigingsbesluit Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2025Besluit van het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (GBTwente) tot wijziging van de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Het dagelijks bestuur van het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (GBTwente); gelezen het voorstel van de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen van 8 oktober 2025; besluit: vast te stellen de “Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2025”, waarbij de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2024, besluit van 25 oktober als volgt wordt gewijzigd. besluit: ArtikelI De Leidraad invordering gemeentelijke belastingen, vastgesteld bij besluit van 25 oktober 2024, DB2024056, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 april 2025 DB2025015, wordt als volgt gewijzigd: A (artikel 1.5) Artikel 1.1.5 wordt als volgt gewijzigd:
- Na het eerste gedachtestreepje wordt een nieuw gedachtestreepje ingevoegd, luidende: - bezwaarschriften tegen beschikkingen ambtshalve kwijtschelding als bedoeld in artikel 26a van de wet;
- In de laatste alinea wordt de tekst beginnend met ‘Wanneer bij de marginale toetsing’ en eindigend met ‘verrekening is bekendgemaakt.’ vervangen en komt te luiden: Als bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag gedeeltelijk of geheel in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger in zoverre geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen begrepen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven. Als de ontvanger invorderingsmaatregelen heeft genomen na indiening van het verzoek van de belastingschuldige tot marginale toetsing, corrigeert hij de afboekingen op de belastingaanslag voor zover deze belastingaanslag niet materieel verschuldigd kan worden geacht. In het geval het afboekingen betreffen die zien op de periode van vóór de ontvangst van het verzoek dan wel er sprake is van betalingen uit eigen beweging van de belastingschuldige, corrigeert de ontvanger dit voor zover dat in redelijkheid nog mogelijk is. De ontvanger wijst het verzoek van belastingschuldige af als de inspecteur het tijdige verzoek voor ambtshalve beoordeling ook zou hebben afgewezen. B (artikel was al niet opgenomen) Artikel 3.5 vervalt. C (artikel 15.3.7) Artikel 19.3.9 vervalt. D (artikel 18.5.1) In artikel 25.5.1 wordt aan de tweede alinea, eindigend met ‘gunnen dan [twaalf] maanden.’, een zin toegevoegd, luidende: Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij betalingsregelingen tot en met [twaalf] maanden, is van overeenkomstige toepassing op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer dan [twaalf] maanden duurt. E (artikel 18.5.9) Artikel 25.5.8 komt te luiden: 25.5.8 Berekening betalingscapaciteit - aflossingsverplichtingen aan derden De ontvanger kan aflossingsverplichtingen aan derden, waarvan het niet-nakomen tot ongewenste effecten kan leiden, meenemen bij de berekening van de betalingscapaciteit. F (artikel 18.5.10) Artikel 25.5.9 komt te luiden: 25.5.9 Berekening betalingscapaciteit - extra inkomsten Bij de berekening van de betalingscapaciteit kan de ontvanger rekening houden met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en dergelijke, voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt in de periode waarvoor de betalingsregeling geldt. G (artikel 18.5.12) Artikel 25.5.11 vervalt. H (artikel 18.5.13) Na artikel 25.5.11 worden drie artikelen ingevoegd, luidende: 25.5a Verlengde betalingsregeling in verband met illiquide vermogen 25.5a.1 Betalingsregeling bij illiquide vermogen Aan de belastingschuldige bij wie – na aanwending van het eventuele overige vermogen dat niet bezwaarlijk liquide te maken is – sprake is van vermogen dat bezwaarlijk liquide te maken is als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de regeling (hierna: illiquide vermogen) kan de ontvanger de reguliere uitsteltermijn van twaalf maanden waarin de belastingschuldige zijn betalingscapaciteit inzet, verlengen met inachtneming van het volgende. De ontvanger verlengt de uitsteltermijn van twaalf maanden met ten hoogste 60 maanden. In deze periode dient de belastingschuldige een bedrag af te lossen gelijk aan maximaal de (over)waarde van het illiquide vermogen. Bij de maandelijkse termijnbetalingen houdt de ontvanger rekening met de betalingscapaciteit van de belastingschuldige. Als de omstandigheden op grond waarvan de betalingsregeling is toegekend veranderen, is belastingschuldige verplicht de ontvanger zo spoedig mogelijk hierover te informeren. Voorts beoordeelt de ontvanger jaarlijks of er sprake is van een verandering van het inkomen. Als blijkt dat er wijzigingen hebben plaatsgevonden van het inkomen, berekent de ontvanger opnieuw de betalingscapaciteit van de belastingschuldige. De ontvanger past de betalingsregeling alleen aan als de betalingscapaciteit naar beneden moet worden bijgesteld. Als gedurende de looptijd van de betalingsregeling een nieuwe belastingschuld ontstaat kan de ontvanger deze op verzoek van de belastingschuldige meenemen in de bestaande regeling, indien deze nieuwe belastingschuld binnen de resterende (maximale) betalingstermijn kan worden voldaan. Indien deze nieuwe belastingschuld vanwege onvoldoende betalingscapaciteit niet kan worden meegenomen in de bestaande betalingsregeling beëindigt de ontvanger de betalingsregeling. 25.5a.2 Onvoldoende betalingscapaciteit voor (voortzetten) betalingsregeling Als een belastingschuldige niet of niet langer over voldoende betalingscapaciteit beschikt om de (over)waarde van zijn illiquide vermogen in (de resterende) 60 maanden te voldoen, dan wijst de ontvanger het verzoek om uitstel af of beëindigt de betalingsregeling. De ontvanger houdt de invordering aan voor een redelijke termijn zodat belastingschuldige het vermogen liquide kan maken dan wel op een andere manier een bedrag gelijk aan de (over)waarde van het vermogen kan voldoen. 25.5a.3 Redenen beëindigen betalingsregeling illiquide vermogen In aanvulling op artikel 25.1.
- van deze leidraad en op de redenen tot beëindiging van de betalingsregeling genoemd in artikel 25.5a.1 en 25.5a.2, beëindigt de ontvanger de betalingsregeling eveneens als de gerechtigdheid tot het illiquide vermogen wijzigt. I (artikel 19.3.7) Artikel 26.3.8 wordt als volgt gewijzigd:
- De tekst van het vierde gedachtestreepje komt te luiden: - Dwangcrediteuren. Onder ‘dwangcrediteuren’ worden in dit verband handelscrediteuren verstaan van wie het aannemelijk is dat zij niet bereid zullen zijn aan een akkoord mee te werken, terwijl zonder de betrokkenheid van deze handelscrediteuren de onderneming na de totstandkoming van het saneringsakkoord niet kan worden voortgezet.
- Na het vierde gedachtestreepje wordt een nieuw gedachtestreepje ingevoegd: - De boekhouder of adviseur die stukken moet produceren die voor de beoordeling van een saneringsakkoord nodig zijn. Bij de beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de volledige betaling van de vordering van de boekhouder of adviseur voor zover deze ziet op die werkzaamheden. J (artikel 19.3.8) Artikel 26.3.9 komt te luiden: 26.3.9 Betaling bedrag saneringsakkoord De betaling van het bedrag van het saneringsakkoord vindt in beginsel zonder uitstel plaats. De ontvanger kan echter toestaan dat het bedrag in termijnen wordt betaald. Dit kan indien de belastingschuldige na de sanering het bedrijf of zelfstandig beroep blijft uitoefenen en aannemelijk maakt dat de termijnen, bedoeld in de tweede volzin, evenals de nieuw opkomende fiscale verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen. In het geval de ontvanger betaling in termijnen heeft toegestaan, treedt hij voorwaardelijk toe tot het akkoord. Op de betalingsregeling voor het bedrag van het saneringsakkoord zijn de artikelen 25.6.1, 25.6.2 en 25.6.2a van overeenkomstige toepassing waarbij in afwijking van: - artikel 25.4.3 van deze leidraad geen verrekening plaatsvindt van belastingteruggaven en andere teruggaven voor zover die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek tot het sluiten van het saneringsakkoord is ingediend; - artikel 25.6.1 van deze leidraad de looptijd van twaalf maanden aanvangt op de dag na de dagtekening van de voorwaardelijke beschikking tot kwijtschelding; - artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen, waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, niet alleen gedurende de uitstelregeling, maar gedurende de gehele looptijd van de saneringsprocedure nakomt; - artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige geen zekerheid hoeft te stellen; - artikel 25.6.2a van deze leidraad het bedrag van het saneringsakkoord in meer dan twaalf maandelijkse termijnen kan worden betaald, indien de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij het bedrag van het saneringsakkoord niet binnen twaalf maandelijkse termijnen kan voldoen en nakoming van het akkoord is geborgd. Daarnaast hoeft de belastingschuldige met een verklaring van een derde deskundige alleen aannemelijk te maken dat de betalingsproblemen met het saneringsakkoord zullen worden opgelost en dat er sprake is van een levensvatbare onderneming. De tweede alinea van artikel 25.6.2b van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing. De ontvanger verleent kwijtschelding indien het saneringsakkoord in het geheel is nagekomen. K (artikel 26.4.6) Artikel 73.4.6 komt te luiden: 73.4.6 Toestemming voor faillissementsaanvraag Als een belastingschuldige verkeert in de toestand dat hij ophoudt met betalen (artikel 1 FW) kan de ontvanger het faillissement aanvragen. [Als de ontvanger het nodig acht vraagt hij voor een faillissementsaanvraag eerst toestemming aan het college. Daarbij overweegt de ontvanger of de voorgenomen faillissementsaanvraag past binnen het in deze leidraad verwoorde beleid. Zie ook artikel 1.1.
- OF De ontvanger is zelfstandig in het nemen van deze beslissing. OF De ontvanger vraagt voor iedere faillissementsaanvraag vooraf schriftelijk toestemming aan het college.] Het voorgaande geldt ook voor in hoger beroep te voeren zaken over een faillissementsaanvraag. L (artikel 26.4.8) In artikel 73.4.8 vervalt de laatste zin beginnend met ‘In dat geval’ en eindigend met ‘vereist.’. M (artikel 26.5.4) In artikel 73.5.5 wordt na ‘als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet’ ingevoegd ‘ of een verzoek tot toelating tot de WSNP’. ArtikelII Dit besluit treedt in werking met ingang van de 2e dag na die van de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 juli
- Hengelo, 8 oktober 2025Het dagelijks bestuur van GBTwente,de secretaris, de voorzitter,De heer J.A.G. Cloosterman………………………………………………… ……………………………………………….Mevrouw E. Zinkweg-AnkoneLeidraad invordering GBTwente per 1 juli 2025 INHOUD
- Opzet, afkortingen, definities, algemene uitgangspunten en toepassingsgebied 10 1.
- Opzet (Inleiding - nieuw/ aanvullend) 10 1.
- Lijst met gebruikte afkortingen (1.1.1) 10 1.
- Definities (1.1.2) 11 1.
- Aansprakelijkgestelden en andere derden (1.1.4) 11 1.
- Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur (1.1.5) 12 1.
- Toepassing artikel 4:84 Awb (1.1.5a) 13 1.
- Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen (1.1.6) 13 1.
- Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven (1.1.7) 13 1.
- Voor de invordering minder geschikte dagen (1.1.8) 13 1.
- Binnenkomst van bescheiden (1.1.9) 14 1.
- Positie belastingdeurwaarder (1.1.10) 14 1.
- Bewaren invorderingsbescheiden (1.1.11) 15 1.
- Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen (1.1.12) 15 1.
- Informatieplicht (1.1.13) 15 1.
- Diplomatieke status (1.1.14) 16 1.
- Toepassingsgebied van deze beleidsregels (1.2) 16 1.
- Begrip woonplaats (2.1) 16
- Bevoegdheden ontvanger (artikel 3) 16 2.
- Fiscale en civiele bevoegdheden (3.1) 16 2.
- Conservatoir beslag (3.2) 17 2.2.
- Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering (3.2.1) 17 2.2.
- Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag (3.2.2) 17 2.
- Gerechtelijke procedures – toestemming (3.3) 17
- Bevoegdheid belastingdeurwaarder (artikel 4) 18
- Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet (artikel 6) 18
- Betaling en afboeking (artikel 7) 18 5.
- Tijdstip betaling (7.1) 19 5.
- De afboeking van de betaling (7.2) 19 5.
- Teveelbetaling (7.3) 19 5.
- Rente en kosten bij afboeking betalingen (7.4) 19 5.
- Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen (7.5) 20 5.
- Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden (7.7) 20 5.
- Betaling bij vergissing (7.8) 20 5.
- Geen mededeling verwerking financiële mutatie (Mededeling afboeking betaling 7.9) 20
- Uitbetaling van belastingbedragen (artikel 7a) 21
- Bekendmaking aanslag (artikel 8) 21 7.
- Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties (8.1) 21 7.
- Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan (8.2) 22 7.
- Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet (8.3) 22 7.
- Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag (8.4) 22
- Betalingstermijnen (artikel 9) 22 8.
- Dagtekening aanslagbiljet (9.4) 23 8.
- Begrippen bij betalingstermijnen (9.5) 23 8.
- Verzuim ontvanger bij uitbetaling (9.6) 23 8.
- Automatische incasso (9.8) 23
- Versnelde invordering (artikel 10) 23 9.
- Reikwijdte versnelde invordering (10.1) 23 9.
- Vrees voor verduistering en versnelde invordering (10.2) 24 9.
- Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering (10.3) 25 9.
- Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering (10.4) 25 9.
- Beslag en versnelde invordering (10.5) 25 9.
- Verkoop namens derden en versnelde invordering (10.6) 25 9.
- Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering (10.7) 25
- Aanmaning (artikel 11) 26 10.
- De geadresseerde van de aanmaning (11.1) 26 10.
- Aanmaning ten onrechte verzonden (11.2) 26 10.
- Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning (11.4) 26 10.
- Betalingsherinnering (11.5) 26 10.
- Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg (11.6) 27
- Dwangbevel (artikel 12) 27 11.
- Onderwerp van het dwangbevel (12.1) 27 11.
- Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel (12.2) 28
- Betekening van het dwangbevel (artikel 13) 28 12.
- Betekening dwangbevel per post (13.1) 28 12.
- Adressering van per post betekende dwangbevelen (13.1.1) 29 12.
- Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder (13.2) 29 12.
- Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel (13.3) 29
- Tenuitvoerlegging van het dwangbevel (artikel 14) 30 13.
- Algemene regels over tenuitvoerleggingregelen (14.1) 30 13.1.
- Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging (14.1.2) 30 13.1.
- Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden (14.1.3) 30 13.1.
- Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden (14.1.7) 30 13.1.
- Opheffing beslag tegen betaling door een derde (14.1.8) 31 13.1.
- Opschorten van de executie (14.1.9) 31 13.1.
- Strafrechtelijk beslag (14.1.12) 31 13.1.
- Invordering en ontnemingswetgeving (14.1.13) 31 13.
- Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn (14.2) 32 13.2.
- Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken (14.2.1) 32 13.2.
- Domiciliekeuze en beslag roerende zaken (14.2.2) 32 13.2.
- Aanbod van betaling en beslag roerende zaken (14.2.3) 32 13.2.
- Omvang van het beslag op roerende zaken (14.2.4) 32 13.2.
- Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken (14.2.6) 33 13.2.
- Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken (14.2.7) 33 13.2.
- Beslag roerende zaken bij derden (14.2.8) 33 13.2.
- Wegvoeren van beslagen zaken (14.2.9) 34 13.2.
- Afsluiting en beslag roerende zaken (14.2.11) 34 13.2.
- Bewaarder en beslag roerende zaken (14.2.12) 34 13.2.
- Executoriale verkoop computerapparatuur (14.2.13) 35 13.2.
- Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken (14.2.14) 35 13.2.
- Beslag op illegale zaken (14.2.15) 35 13.2.
- Bieden voor rekening van GBTwente en beslag roerende zaken (14.2.16) 36 13.2.
- Opheffing van het beslag op roerende zaken (14.2.17) 36 13.2.
- Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken (14.2.18) 36 13.2.
- Proces-verbaal van verkoop roerende zaken (14.2.19) 36 13.2.
- Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken (14.2.20) 36 13.
- Administratief beslag op motorrijtuigen en aanhangwagens (14.2a) 37 13.
- Beslag op onroerende zaken (14.3) 37 13.4.
- Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken (14.3.1) 37 13.4.
- Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken (14.3.2) 37 13.4.
- Verhuurde of verpachte onroerende zaken (14.3.3) 37 13.4.
- Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken (14.3.4) 37 13.4.
- Opheffing van het beslag onroerende zaken (14.3.5) 38 13.
- Beslag onder derden (14.4) 38 13.5.
- Beslag op vordering van een derde (14.4.1) 38 13.5.
- Bankbeslag en energietoeslag (14.4.1b) 38 13.5.
- Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 (14.4.2) 39 13.5.
- Roerende zaken bij derden (14.4.3) 39 13.5.
- Plaats beslaglegging en derdenbeslag (14.4.4) 39 13.5.
- Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt (14.4.5) 39 13.5.
- Derdenbeslag en kosten van levensonderhoud (14.4.5a) 39 13.5.
- Vrij te laten bedrag en beslag onder derden bij geen adres in Nederland (14.4.5b) 40 13.5.
- Toepassing 5%-regeling (14.4.5c) 40 13.5.
- Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente (14.4.9) 40 13.5.
- Retentierecht en derdenbeslag (14.4.10) 41 13.5.
- Opheffing van het derdenbeslag (14.4.11) 41 13.5.
- Onverschuldigde betaling en derdenbeslag (14.4.12) 41 13.5.
- Derdenbeslag onder de gemeente, de Staat, de ontvanger of een openbaar lichaam en het doen van verklaring (14.4.13) 41 13.
- Beslag op schepen (14.5) 41 13.6.
- Beletten van het vertrek van het schip (14.5.1) 41 13.6.
- De executie van schepen (14.5.2) 42 13.6.
- Afgelasting van de verkoop van een schip (14.5.3) 42 13.6.
- Deskundige hulp en beslag op schepen (14.5.4) 42 13.6.
- Opheffing van het beslag op schepen (14.5.5) 43
- Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel (artikel 17) 43
- Doen van een vordering (artikel 19) 43 15.
- Vordering algemeen (19.1) 43 15.1.
- Bekendmaking vordering (19.1.1) 43 15.1.
- Voldoen aan de vordering (19.1.2) 44 15.1.
- Niet voldoen aan de vordering (19.1.3) 44 15.1.
- Intrekken van een vordering (19.1.4) 44 15.1.
- Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering (19.1.5) 44 15.1.
- Doorbreken beslagverboden en vordering (19.1.6) 44 15.1.
- Toepassing 5%-regeling (19.1.6a) 45 15.1.
- Notoire wanbetaler en vordering (19.1.7) 45 15.1.
- Vordering ten laste van de echtgenoot (19.1.8) 45 15.
- De faillissementsvordering (19.2) 46 15.2.
- Aan te melden schulden in faillissement (19.2.1) 46 15.2.
- Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in faillissement (19.2.2) 46 15.2.
- Opkomen in faillissement (19.2.3) 46 15.
- Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen (19.3) 46 15.3.
- Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen (19.3.1) 46 15.3.
- Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen (19.3.2) 47 15.3.
- Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen (19.3.3) 47 15.3.
- Beslagvrije voet voor belastingschuldige zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland (19.3.4) 47 15.3.
- Belastingschuldige woont in buitenland en beslagvrije voet (19.3.5) 47 15.3.
- Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm (19.3.7) 48 15.3.
- Toepassing beslagvrije voet bij AOW-gerechtigden (19.3.9) 48 15.
- De overheidsvordering (19.4) 48 15.
- Vrij te laten bedrag en betalingsvordering bij geen adres in Nederland (19.5) 49 15.
- Vordering en energietoeslag (19.6) 49
- Derden die de eigendom pretenderen van inbeslaggenomen zaken (Bodemrecht artikel 22) 49 16.
- Algemeen (Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht - 22.1) 49 16.
- Overbetekening (Bodembeslag) aan derde van het beslag (22.3) 50 16.
- Verzet en beroep door derde tegen beslag (22.8) 50
- Verrekening (artikel 24) 52 17.
- Wanneer verrekening (24.1) 52 17.
- Betwiste schuld en verrekening (24.2) 52 17.
- Reikwijdte van de verrekening (24.3) 52 17.
- Bekendmaking verrekening (24.4) 53 17.
- Instemmingsregeling bij cessie en verpanding (24.6) 53 17.5.
- Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding (24.6.1) 53 17.5.
- Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen (24.6.2) 53 17.5.
- Instemming of weigering met een cessie of verpanding (24.6.3) 53 17.5.
- Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb (24.6.4) 54 17.5.
- Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding (24.6.5) 54 17.5.
- Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding (24.6.6) 54
- Uitstel van betaling (artikel 25) 55 18.
- Algemene uitgangspunten uitstelbeleid (25.1) 55 18.1.
- Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om uitstel (25.1.1) 55 18.1.
- Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling (25.1.2) 55 18.1.
- Redenen afwijzing verzoek om uitstel (25.1.3) 55 18.1.
- Redenen beëindigen uitstel (25.1.4) 56 18.1.
- Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn (25.1.5) 56 18.1.
- Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel (25.1.6) 56 18.1.
- Geen invordering tijdens verleend uitstel (25.1.7) 57 18.1.
- Na (afwijzen) uitstel veertien dagen wachttijd (25.1.8) 57 18.1.
- Zekerheid bij uitstel (25.1.13) 57 18.1.
- Tijdstip indiening verzoek om uitstel (25.1.14) 57 18.1.
- Verzoekschriften aan andere instellingen (25.1.15) 58 18.
- Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag (25.2) 58 18.2.
- Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag (25.2.1) 58 18.2.
- Bezwaar- en beroepschrift geldt niet automatisch als verzoek om uitstel (25.2.2) 58 18.2.
- Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift (25.2.2a) 59 18.2.
- Nadere gegevens (25.2.2b) 59 18.2.
- De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling (25.2.3) 59 18.2.
- Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar (25.2.5) 59 18.2.
- Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld (25.2.6) 60 18.2.
- Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar (25.2.7) 60 18.2.
- Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel (25.2.7a) 60 18.2.
- Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag (25.2.8) 60 18.2.
- Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag (25.2.9) 61 18.
- Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag (25.3) 61 18.3.
- Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragen (25.3.1) 61 18.3.
- Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel (25.3.2) 61 18.3.
- Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag (25.3.3) 61 18.3.
- Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag (25.3.4) 62 18.
- Uitstel in verband met betalingsproblemen (25.4) 62 18.4.
- Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen (25.4.1) 62 18.4.
- Verrekening tijdens een betalingsregeling (25.4.3) 62 18.4.
- Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance (25.4.4) 62 18.
- Betalingsregeling voor particulieren (25.5) 63 18.5.
- Duur betalingsregeling particulieren (25.5.1) 63 18.5.
- Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren (25.5.2) 63 18.5.
- Kort uitstel particulieren (25.5.3) 64 18.5.
- Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren (25.5.4) 64 18.5.
- Vermogen en betalingsregeling particulieren (25.5.5) 64 18.5.
- Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren (25.5.6) 64 18.5.
- Vervallen (25.5.6a) 65 18.5.
- Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven (25.5.7) 65 18.5.
- Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden (25.5.8) 65 18.5.
- Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten (25.5.9) 65 18.5.
- Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor (25.5.10) 65 18.5.
- Betalingsregeling langer dan twaalf maanden (25.5.11) 66 18.5.13 Verlengde betalingsregeling in verband met illiquide vermogen(25.5a) 66 18.5.13a.1 Betalingsregeling bij illiquide vermogen (25.5a.1) 66 18.5.13a.2 Onvoldoende betalingscapaciteit voor (voortzetten) betalingsregeling (25.5a.2) 66 18.5.13a.3 Redenen beëindigen betalingsregeling illiquide vermogen (25.5a.3) 66 18.
- Betalingsregeling voor ondernemers (25.6) 66 18.6.
- Duur betalingsregeling ondernemers (25.6.1) 66 18.6.
- Voorwaarden betalingsregeling ondernemers (25.6.2) 67 18.6.
- Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers (25.6.2a) 67 18.6.
- Verklaring derde deskundige (25.6.2b) 67 18.6.
- Kort uitstel van betaling voor ondernemers (25.6.2d) 68 18.6.
- Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers (25.6.3) 68 18.6.
- Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie (25.6.4) 68 18.
- Administratief beroep (25.7) 68 18.7.
- Toetsing uitstelbeschikking door het college (25.7.1) 68 18.7.
- Beroepsfase uitstel (25.7.2) 69 18.7.
- Beslissing college op beroepschrift bij uitstel (25.7.3) 69 18.7.
- Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel (25.7.4) 69 18.7.
- Administratief beroep of nieuw verzoek om uitstel van betaling bij de ontvanger (25.7.5) 69
- Kwijtschelding van belastingen (artikel 26) 70 19.
- Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid (26.1) 70 19.1.
- Verruiming ten opzichte van de landelijke regeling (Nieuw/ aanvullend) 70 19.1.
- Geautomatiseerde toets kwijtschelding (26.7) 70 19.1.
- Kwijtschelding van betaalde belastingschulden (26.1.1) 71 19.1.
- Het indienen van een verzoek om kwijtschelding (26.1.2) 71 19.1.
- Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding (26.1.3) 71 19.1.
- Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding (26.1.4) 72 19.1.
- Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden (26.1.5) 72 19.1.
- Na afwijzen kwijtschelding veertien dagen wachttijd bij voortzetting invordering (26.1.7) 72 19.1.
- Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding (26.1.8) 72 19.1.
- Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend (26.1.9) 73 19.1.
- Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding (26.1.10) 74 19.1.
- Verzoekschriften aan andere instellingen (26.1.11) 74 19.
- Kwijtschelding van belastingen voor particulieren (26.2) 75 19.2.
- Vermogen en kwijtschelding particulieren (26.2.1) 75 19.2.
- Het bezit van een motorvoertuig en kwijtschelding particulieren (26.2.3) 75 19.2.
- Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren (26.2.4) 76 19.2.
- De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren (26.2.5) 76 19.2.
- Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren (26.2.6) 76 19.2.
- Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren (26.2.7) 76 19.2.
- Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren (26.2.10) 77 19.2.
- Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren (26.2.11) 77 19.2.
- Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren (26.2.12) 78 19.2.
- Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren (26.2.13) 79 19.2.
- Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor particulieren (26.2.13a) 79 19.2.
- Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren (26.2.14) 79 19.2.
- Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden (26.2.15) 79 19.2.
- Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren (26.2.16) 79 19.2.
- Kwijtschelding tijdens WSNP (26.2.17) 80 19.2.
- Normpremie zorgverzekering begrepen in de bijstandsuitkering (26.2.19) 80 19.2.
- Onderhoud gezinsleden in het buitenland (26.2.20) 80 19.
- Kwijtschelding van privébelastingen belastingen voor ondernemers (26.3) 80 19.3.
- Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord (26.3.1) 81 19.3.
- Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers (26.3.2) 81 19.3.
- Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord (26.3.3) 81 19.3.
- Toepassingsbereik saneringsakkoord (26.3.4) 82 19.3.
- Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord (26.3.6) 82 19.3.
- Rente en kosten en saneringsakkoord (26.3.7) 82 19.3.
- Speciale crediteuren en saneringsakkoord (26.3.8) 82 19.3.
- Betaling bedrag saneringsakkoord (26.3.9) 83 19.
- Administratief beroep (26.4) 84 19.4.
- Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding (26.4.1) 84 19.4.
- Administratief beroep of nieuw verzoek om kwijtschelding bij de ontvanger (26.4.2) 84 19.4.
- Beroepsfase kwijtschelding (26.4.3) 84 19.4.
- Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding (26.4.4) 85 19.4.
- Beslissing college op beroep bij kwijtschelding (26.4.5) 85 19.4.
- Invordering tijdens administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding en ambtshalve behandeling beroepschrift (26.4.6) 85 19.4.
- Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding (26.4.7) 85 19.
- Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding (26.6) 86
- Verjaring (artikel 27) 86 20.
- Versnelde invordering en verjaring (27.1) 86 20.
- Aansprakelijkgestelden en verjaring (27.2) 86 20.
- Stuiting van de verjaring (27.3) 87 20.
- Schorsing van de verjaring (27.4) 87 20.
- Afstand van verjaring (27.5) 87 20.
- Rente en kosten en verjaring (27.6) 87 20.
- Na verjaring geen civiele invordering (27.7) 87 20.
- Verjaring van belastingteruggaven (artikel 27.8) 87
- Invorderingsrente (artikel 28) 87 21.
- Algemene uitgangspunten invorderingsrente (nieuw/aanvullend) 88 21.
- Correctie berekende invorderingsrente (28.2) 88 21.
- Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente (28.3) 88 21.
- Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk (28.6) 89 21.
- Beschikking invorderingsrente (artikel 30) 89
- Aansprakelijkheid (artikel
- 33 en 48) 89 22.
- Aansprakelijkheid (32.1) 89 22.
- Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen
(33). 89 23. Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling (artikel 49) 91 23.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete (49.1) 91 23.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente (49.2) 91 23.3. De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn (49.3) 91 23.4. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden (49.5) 92 23.5. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige (49.6) 92 23.6. Volgorde van aansprakelijk stellen (49.7) 92 23.7. Uitstel in verband met bezwaar tegen een beschikking aansprakelijkstelling (49.8.1) 93 23.8. Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid (artikel 51) 93 23.9. Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling (artikel 52.1 Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling) 93 23.10. Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding (artikel 53) 93 23.11. Mededeling en betaling teruggaaf aan de aansprakelijkgestelde (artikel 54) 93 24. Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde (artikel 58, 60 en 61) 94 24.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure (58.1) 94 24.2. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie (60.1) 94 24.3. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen (60.2) 94 24.4. Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen (61.1) 95 25. Geheimhoudingsplicht (artikel 67) 95 26. Insolventieprocedures (artikel 73) 95 26.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures (73.1) 96 26.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement (73.1.1) 96 26.1.2. Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement (73.1.2) 96 26.1.3. Boedelschulden (73.1.3) 96 26.1.4. Proceskostengarantie (73.1.4) 96 26.1.5. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP (73.1.8) 97 26.1.6. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP (73.1.9) 97 26.2. Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering (73.2) 97 26.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP (73.2.1) 97 26.2.2. De WSNP is beëindigd met een schone lei (73.2.2) 97 26.2.3. De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken (73.2.3) 98 26.2.4. De WSNP is tussentijds beëindigd (73.2.4) 98 26.3. Insolventieprocedure en surseance (73.3) 98 26.3.1. WHOA-akkoord, Geldend beleid bij aangeboden akkoord ( (73.3a1) 98 26.3.2. Voorwaarden WHOA-akkoord (73.3a2) 99 26.3.3. Gevolgen toetreding WHOA-akkoord bij instemming (73.3a.3) 99 26.3.4. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord zonder instemming (73.3a.4) 99 26.4. Insolventieprocedure en faillissement (73.4) 100 26.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen (73.4.1) 100 26.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag (73.4.2) 100 26.4.3. Particulieren en faillissement (73.4.3) 100 26.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag (73.4.4) 101 26.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter (73.4.5) 101 26.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag (73.4.6) 101 26.4.7. Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag (73.4.7) 101 26.4.8. Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag (73.4.8) 101 26.4.9. Verzet tegen faillietverklaring (73.4.9) 102 26.4.10. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement (73.4.11) 102 26.4.11. Opkomen in faillissement (73.4.12) 102 26.4.12. Na de toepassing van het faillissement (73.4.14) 102 26.4.13. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure (73.4.15) 102 26.4.14. Omzetting faillissement in WSNP (73.4.16) 103 26.5. Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten (73.5) 103 26.5.1. Voorwaarden voor MSNP (73.5.1) 103 26.5.2. Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen (73.5.3) 105 26.5.3. Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP (73.5.4) 105 26.5.4. Intrekken uitstel gedurende MSNP (73.5.5) 105 26.5.5. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP (73.5.6) 106 26.5.6. Na de toepassing van de MSNP (73.5.7) 106 26.6. Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten (artikel 73.5a) 106 26.7. Insolventieprocedures en akkoorden (73.6) 107 26.7.1. Buitengerechtelijk akkoord (73.6.1) 107 26.7.2. Betaling bedrag saneringsakkoord (73.6.2a) 107 26.7.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord (73.6.3) 108 26.7.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord (73.6.4) 108 26.7.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord (73.6.5) 108 26.7.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord (73.6.6) 108 26.7.7. Gevolgen dwangakkoord (73.6.8) 108 26.7.8. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord (73.6.9) 109 26.8. Wettelijk breed moratorium (73.7) 109 27. Kosten van vervolging (artikel 75) 109 27.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten (75.1) 110 27.2. Aan derden toekomende bedragen (75.2) 110 27.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten (75.3) 110 27.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar (75.4) 111 27.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten (75.5) 111 27.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten (75.6) 111 27.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten (75.7) 112 27.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten (75.8) 112 27.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten (75.9) 112 27.10. Geen kwijtschelding van vervolgingskosten (75.10) 113 27.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel (75.11) 113 -0-0-0-0-0-0-0-0- 1. Opzet, afkortingen, definities, algemene uitgangspunten en toepassingsgebied 1.1. Opzet (Inleiding - nieuw/ aanvullend) Het fiscale invorderingsproces wordt beheerst door de Invorderingswet 1990. De "Leidraad Invordering" is een richtlijn die wordt gebruikt bij het invorderen van belastingschulden. Het biedt beleidsregels en richtlijnen van de invorderingsambtenaar over hoe wordt omgegaan met het innen van belastingen en het invorderingsproces. In deze Leidraad invordering gemeentelijke belastingen is voor de indeling zo veel mogelijk aangesloten bij Leidraad Invordering 2008 (hierna: Rijksleidraad) en de model-Leidraad Invordering van de VNG. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen verwijderd (vaak met een specifiek rijksbelastingkarakter), toegevoegd of aangepast aan de gemeentelijke situatie c.q. die van GBTwente. Deze Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen bevat enkel beleidsregels. Werkinstructies en teksten die terug te vinden zijn in wet- en regelgeving zijn niet opgenomen De kop- en subteksten van de artikelen worden afgesloten met het artikelnummer uit de Rijksleidraad en de model-leidraad Invordering van de VNG. Dit is gedaan om wijzigingen van genoemde leidraden eenvoudig te kunnen actualiseren in deze leidraad-invordering-op-maat. Als in de subteksten wordt verwezen naar een bepaling in deze leidraad, dan geldt de nummering in de koptekst (het artikelnummer uit de Rijksleidraad). Vanwege de leesbaarheid wordt in deze leidraad het wettelijk begrip ‘ontvanger’ in plaats van de benaming ‘gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen’ gebruikt. Om dezelfde reden wordt in deze leidraad het wettelijk begrip ‘inspecteur’ gebruikt in plaats van de benaming ‘gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen’. In de andere gevallen is gekozen voor de directe vertaling van (Rijks)belastingfunctionarissen naar de lokale benamingen. 1.2. Lijst met gebruikte afkortingen (1.1.1) Awb Algemene wet bestuursrecht Awir Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen BW Burgerlijk Wetboek FW Faillissementswet GBTwente Het gemeentelijk belastingkantoor voor de gemeente Almelo, Berkelland, Borne, Bronckhorst, Enschede, Haaksbergen, Hengelo, Losser, Oldenzaal en Twenterand (de Gemeenschappelijke Regeling Gemeentelijk Belastingkantoor Twente). Gemw Gemeentewet MSNP Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen Rv Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Sr Wetboek van Strafrecht Sv Wetboek van Strafvordering UWV Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen WHOA Wet homologatie onderhands akkoord WSF Wet Studiefinanciering 2000 WSNP Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen Pw Participatiewet UR IW Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 1.3. Definities (1.1.2) - belasting(
- en)belastingen die door GBTwente worden geheven; - belastingdeurwaarder de door het dagelijks bestuur aangewezen (onbezoldigd) ambtenaar van GBTwente als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub d, van de Gemeentewet, dan wel een als belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet; - college het dagelijks bestuur van GBTwente (of college van burgemeester en wethouders van de gemeente); - echtgenoot de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Pw; - hoger beroep hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep in cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld, cassatieberoep; - inspecteur de door het dagelijks bestuur van GBTwente (of college van burgemeester en wethouders van de gemeente) aangewezen ambtenaar van GBTwente - als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub a, Gemw - bevoegd tot het heffen van belastingen, en tot de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken. - ondernemer de belastingschuldige die een onderneming drijft of zelfstandig een beroep uitoefent; - ontvanger de door het dagelijks bestuur van GBTwente (of college van burgemeester en wethouders van de gemeente) aangewezen ambtenaar van GBTwente - als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub b, Gemw - bevoegd tot invordering van belastingen; - particulier de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt; - regeling (
- de)de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (UR IW); - wet (
- de)de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990). Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde verstaan als de wet daaronder verstaat. 1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden (1.1.4) De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te beperken. 1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur (1.1.5) In de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming met de Awb, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet. Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de we, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb). Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb). Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen: – bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet; - bezwaarschriften tegen beschikkingen ambtshalve kwijtschelding als bedoeld in artikel 26a van de wet; – bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet; – bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. – bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet; – bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoel in artikel 63b van de wet. Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan GBTwente aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de ontvanger de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Als bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag gedeeltelijk of geheel in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger in zoverre geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen begrepen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven. Als de ontvanger invorderingsmaatregelen heeft genomen na indiening van het verzoek van de belastingschuldige tot marginale toetsing, corrigeert hij de afboekingen op de belastingaanslag voor zover deze belastingaanslag niet materieel verschuldigd kan worden geacht. In het geval het afboekingen betreffen die zien op de periode van vóór de ontvangst van het verzoek dan wel er sprake is van betalingen uit eigen beweging van de belastingschuldige, corrigeert de ontvanger dit voor zover dat in redelijkheid nog mogelijk is. De ontvanger wijst het verzoek van belastingschuldige af als de inspecteur het tijdige verzoek voor ambtshalve beoordeling ook zou hebben afgewezen. 1.6. Toepassing artikel 4:84 Awb (1.1.5a) Artikel 4:84 Awb is van overeenkomstige toepassing bij de invordering van rijksbelastingen. Op grond hiervan is het onder omstandigheden mogelijk om af te wijken van beleidsregels zoals die zijn opgenomen in een beleidsbesluit dat van toepassing is voor de praktijk van de ontvanger, zoals deze leidraad. Afwijking van beleidsregels is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben, die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de beleidsregels dienen. Toepassing van artikel 4:84 Awb zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden waardoor onverkorte toepassing van de beleidsregels onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb. 1.7. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen (1.1.6) Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor GBTwente de voorkeur. 1.8. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven (1.1.7) Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan 50 werknemers, dan vraagt hij daartoe toestemming van het college. Onder een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep. Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel onwetend blijven. De ontvanger vraagt altijd toestemming als: - met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf wordt beoogd; - door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd; - derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag op roerende zaken; - de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen over openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die schuldeiser. 1.9. Voor de invordering minder geschikte dagen (1.1.8) De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid van de wet terstond invordert. Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name: - de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, de vijfde mei en de Goede Vrijdag, alle met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daaropvolgende dag; - regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daaropvolgende dag; - de dagen tussen de beide Kerstdagen en Nieuwjaarsdag. 1.10. Binnenkomst van bescheiden (1.1.9) Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij GBTwente. Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden. 1.11. Positie belastingdeurwaarder (1.1.10) Belastingdeurwaarder is de door het dagelijks bestuur van GBTwente (of college van burgemeester en wethouders van de gemeente) aangewezen (onbezoldigd) ambtenaar van GBTwente als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub d, Gemw dan wel een als belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger). Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen dient. Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen. Op grond van artikel 9:1 Awb heeft eenieder het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich tegenover hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is. 1.12. Bewaren invorderingsbescheiden (1.1.11) De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard. De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. 1.13. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen (1.1.12) Op verzoek van de belanghebbende of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af over het betalingsgedrag van de belanghebbende. De verklaring ziet op formele belastingschulden of andere vorderingen ten name van de belanghebbende waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen op het moment van afgifte van de verklaring. De verklaring biedt geen garantie dat de materieel verschuldigde belastingen tot het moment van afgifte van de verklaring volledig zijn voldaan. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden – voor wat betreft de invordering – geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden. De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belanghebbende of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belanghebbende blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is. 1.14. Informatieplicht (1.1.13) De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald binnen de betalingstermijn(
- en)die voor de belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt. De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen. 1.15. Diplomatieke status (1.1.14) De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Kabinet en Protocol, Postbus 20061, 2500 EB ’s-Gravenhage. 1.16. Toepassingsgebied van deze beleidsregels (1.2) Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is op de wet. De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb (zie ook 1.1.5 - nr. in koptekst - van deze leidraad). 1.17. Begrip woonplaats (2.1) De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud. Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de ontvanger aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de gemeentelijke verordening op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan. 2. Bevoegdheden ontvanger (artikel 3) In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger; - het leggen van conservatoir beslag; - het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures; 2.1. Fiscale en civiele bevoegdheden (3.1) De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken. De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. 2.2. Conservatoir beslag (3.2) Om de rechten van GBTwente veilig te stellen heeft de ontvanger naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de ontvanger. 2.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering (3.2.1) Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de ontvanger niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet. 2.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag (3.2.2) Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de ontvanger slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid Rv. 2.3. Gerechtelijke procedures – toestemming (3.3) In gerechtelijke procedures voor de burgerlijke rechter waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het college. Het voorgaande geldt niet voor: - verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; - kantonzaken; - verzoekschriftprocedures; - procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid, of artikel 708, tweede lid, Rv. In afwijking van de vorige volzin geldt voor in hoger beroep te voeren zaken dat altijd toestemming van het college nodig is. 3. Bevoegdheid belastingdeurwaarder (artikel 4) De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 4:124 van de Awb gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. Bescherming. Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. Legitimatie. Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden. 4. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet (artikel 6) Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. 5. Betaling en afboeking (artikel 7) In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - het tijdstip van de betaling; - de afboeking van de betaling; - teveelbetalingen; - het rekenen van rente en kosten bij afboeking; - het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen; - de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete; - de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden; - betaling bij vergissing; - het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een betaling 5.1. Tijdstip betaling (7.1) Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de bankrekening van GBTwente. Bij betaling bij een bank of betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of pin-transactie. Bij rechtstreekse betaling aan GBTwente door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling; Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik. - Ten kantore van GBTwente is geen contante betaling mogelijk. Wel is contante betaling mogelijk aan het kasloket van de gemeente zelf. - Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling. - Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van betaling. 5.2. De afboeking van de betaling (7.2) Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven, worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen. Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen), worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken. De ontvanger stuurt de belastingschuldige geen kennisgeving en/of specificatie (mededeling afboeking) om hem op de hoogte te brengen van de verwerking van de ongerichte betaling. 5.3. Teveelbetaling (7.3) Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld. 5.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen (7.4) Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. 5.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen (7.5) Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. 5.6. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden (7.7) Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening zijn gebracht. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag - waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing is - echter met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde. 5.7. Betaling bij vergissing (7.8) Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht. Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan. 5.8. Geen mededeling verwerking financiële mutatie (Mededeling afboeking betaling 7.9) De ontvanger stuurt de belastingschuldige geen kennisgevingen en/of specificaties (hierna: mededeling afboeking) om hem op de hoogte te brengen van financiële mutaties (bijv. betaling, kwijtschelding, verrekening, vermindering) op de belastingaanslag. Een mededeling afboeking blijft ook achterwege indien betaling plaatsvindt op grond van een machtiging tot automatische afschrijving (automatische incasso). 6. Uitbetaling van belastingbedragen (artikel 7a) De ontvanger stelt als voorwaarde voor uitbetalingen aan de belastingschuldige dat de bankrekening op naam van de belastingschuldige staat. Een zogenoemde en/of-rekening die mede op naam van de belastingschuldige is gesteld, wordt aangemerkt als een rekening op naam van de belastingschuldige. De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op het verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de ontvanger bekende bankrekeningnummer, geldt dit ook als aanwijzing. Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander bankrekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld bankrekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen. Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden. Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen, dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt gerestitueerd. In afwijking van de vorige volzin vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats als de belastingschuldige aantoont dat: - hij tijdig vóór de uitbetaling bij de ontvanger heeft aangegeven dat de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet geschieden, en - hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de uitbetaling heeft plaatsvonden, geblokkeerd is. Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus te veel betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking. Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld over de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald. 7. Bekendmaking aanslag (artikel 8) In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties; - bekendmaking van de aanslag aan een rechtspersoon die (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan; - de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet; - het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen. 7.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties (8.1) De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien verstande dat: - aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de curator worden gezonden; - ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een boedelschuld vormt; - als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft opgeleverd; - aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. 7.2. Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan (8.2) De wijze van bekendmaking van de belastingaanslag, bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wet, is ter beoordeling van de ontvanger. Bij deze beoordeling kunnen onder andere de volgende factoren een rol spelen: - het recht waarnaar de rechtspersoon is opgericht; - het belang van een snelle bekendmaking in verband met vrees voor onverhaalbaarheid. 7.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet (8.3) De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd. 7.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag (8.4) Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk termijn te voldoen. 8. Betalingstermijnen (artikel 9) In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de dagtekening van het aanslagbiljet; - het begrip maand bij betalingstermijnen; - verzuim ontvanger bij uitbetaling; - regeling betalingstermijnen; - automatische incasso. 8.1. Dagtekening aanslagbiljet (9.4) De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast. 8.2. Begrippen bij betalingstermijnen (9.5) Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is gesteld op zes weken, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van een maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op 12 december. Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en de betalingstermijn van zes weken op 11 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 10 april. Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij een betalingstermijn van een maand) op de dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt de termijn dus op 15 april. Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt de termijn op 26 april. 8.3. Verzuim ontvanger bij uitbetaling (9.6) Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder het begrip ‘invorderen van belasting’ mede verstaan het betalen van een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel 9, eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de ontvanger niet in verzuim is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaats vindt. 8.4. Automatische incasso (9.8) Voor bepaalde belastingaanslagen kan onder voorwaarden een betalingsincasso worden afgegeven. Hiervoor heeft GBTwente een incassoreglement vastgesteld. Dit reglement is verkrijgbaar bij de ontvanger. 9. Versnelde invordering (artikel 10) 9.1. Reikwijdte versnelde invordering (10.1) Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is - deelt de ontvanger de belastingschuldige schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van direct contact met de belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend - maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) - vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt - als sprake is van direct contact met laatstgenoemde - eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen. Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(
- en)die normaal zou(den) gelden. 9.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering (10.2) Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt. 9.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering (10.3) Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de ontvanger - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland bevinden. 9.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering (10.4) Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zich geen reden voor de ontvanger om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. 9.5. Beslag en versnelde invordering (10.5) Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige - waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen - dadelijk en ineens invorderbaar. 9.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering (10.6) Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van
- de)executoriale verkoop, zodat de ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben. 9.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering (10.7) De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt. Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken. 10. Aanmaning (artikel 11) In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de geadresseerde van de aanmaning; - als de aanmaning ten onrechte is verzonden; - het achterwege laten van tussentijdse vervolging; - de gedeeltelijke voldoening na aanmaning; - de betalingsherinnering; - de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg. 10.1. De geadresseerde van de aanmaning (11.1) De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is verzonden of uitgereikt. Verzending via de post en als de belastingschuldige toestemming heeft verleend via de berichtenbox op MijnOverheid. Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet zetten voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt de ontvanger alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke vertegenwoordiger. Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat de nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk. 10.2. Aanmaning ten onrechte verzonden (11.2) Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd. Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die de rechten van GBTwente veiligstellen. 10.3. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning (11.4) Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan. 10.4. Betalingsherinnering (11.5) Van toepassing voor de verschuldigde belastingen van de gemeente Almelo, Bronckhorst. Enschede, Hengelo en Twenterand: Als de belastingschuldige na de vervaldatum van de betaaltermijn(
- en)van het belastingaanslagbiljet, de verschuldigde belasting niet volledig heeft voldaan zal, ongeacht de hoogte van het verschuldigde bedrag, zonder voorafgaande betalingsherinnering of waarschuwing, een aanmaning tot betaling worden verstuurd. Van toepassing voor de verschuldigde belastingen van de gemeente Berkelland, Borne, Haaksbergen, Losser en Oldenzaal: Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger de belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden. Voor de belastingschuldige die wel het bedrag van de belasting betaalt maar niet de in rekening gebrachte invorderingsrente, wordt tot het versturen van een aanmaning overgegaan. Alleen als het niet aan de belastingschuldige is te verwijten dat niet tijdig is voldaan wordt het bedrag aan in rekening gebrachte invorderingsrente en/of vervolgingskosten buiten invordering gelaten. 10.5. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg (11.6) Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel verzendt de ontvanger eerst een aanmaning. De ontvanger verzendt echter geen aanmaning als al conservatoir beslag is gelegd. 11. Dwangbevel (artikel 12) In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - het onderwerp van het dwangbevel; - tegen wie een dwangbevel wordt verleend. 11.1. Onderwerp van het dwangbevel (12.1) De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen en beschikkingen. Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de ontvanger een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden. De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met: - de inmiddels gedane betalingen; - verleende verminderingen; - bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is verleend. 11.2. Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel (12.2) De ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolgers. Als de ontvanger het dwangbevel verleent tegen een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit gebeurt. Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking. Als de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen. Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de gezamenlijke erfgenamen. Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking. 12. Betekening van het dwangbevel (artikel 13) In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de betekening van het dwangbevel per post; - de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder; - bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel. 12.1. Betekening dwangbevel per post (13.1) De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter verzending aanbieden van het afschrift aan PostNL. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen. 12.2. Adressering van per post betekende dwangbevelen (13.1.1) Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie van GBTwente bekende adres van de belastingschuldige. Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de basisregistratie personen is geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de basisregistratie personen - bijvoorbeeld een postbusadres - kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres. Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en de belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden. Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als betekend. Dit is niet het geval als de belastingschuldige bijzondere omstandigheden aannemelijk kan maken op grond waarvan moet worden aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt. 12.3. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder (13.2) Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv. Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal bereiken. Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van GBTwente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. 12.4. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel (13.3) Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan. Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie. 13. Tenuitvoerlegging van het dwangbevel (artikel 14) In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de algemene regels over tenuitvoerlegging; - beslag op roerende zaken die geen registergoederen; - beslag op onroerende zaken; - beslag onder derden; - beslag op schepen. 13.1. Algemene regels over tenuitvoerleggingregelen (14.1) De tenuitvoerlegging gebeurt op de voet van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat toelaat de verschillende mogelijkheden van tenuitvoerlegging tegelijkertijd te benutten. 13.1.1. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging (14.1.2) De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de nodige soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te nemen. In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt, als hij vermoedt dat de ontvanger de beslagopdracht niet zou hebben gegeven als alle omstandigheden bekend waren geweest. Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling inmiddels heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25.1.15 of 26.1.11 (nr. in koptekst) van deze leidraad, en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist. Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd, overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag. Voorwaarde is dan wel dat met de afdoening - gelet op de omstandigheden - naar het oordeel van de ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen in het in deze leidraad geformuleerde beleid. 13.1.2. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden (14.1.3) Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken, tenzij hiermee de belangen van GBTwente worden geschaad. Hierbij is het niet van belang of de erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. 13.1.3. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden (14.1.7) De ontvanger kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan. De ontvanger heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald of aan die voorwaarden is voldaan. 13.1.4. Opheffing beslag tegen betaling door een derde (14.1.8) Als de ontvanger van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing van het beslag, dan kan de ontvanger hieraan zijn medewerking verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige; 2. Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie; 3. De belangen van GBTwente worden niet geschaad. De ontvanger houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal zoeken, en hij kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden. 13.1.5. Opschorten van de executie (14.1.9) De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop plaats, tenzij de ontvanger ervan overtuigd is dat betaling van de belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval kan de ontvanger besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal) maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is gelegd. Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de ontvanger en de belastingschuldige is verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen uitstel van betaling in, in de zin van artikel 25 van de wet. 13.1.6. Strafrechtelijk beslag (14.1.12) Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex artikel 94 Sv rust - dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader van een ontnemingsmaatregel - dan wordt het beslag dat de belastingdeurwaarder heeft gelegd pas vervolgd nadat het strafrechtelijke beslag is opgeheven. Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan het fiscale beslag blijven liggen. 13.1.7. Invordering en ontnemingswetgeving (14.1.13) GBTwente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen. In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de ontvanger in beginsel niet direct overgaat tot uitwinning van een reeds gelegd beslag tenzij hiermee de belangen van GBTwente worden geschaad. 13.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn (14.2) 13.2.1. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken (14.2.1) Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden met gebruikmaking van artikel 444 Rv, dan blijft deze wijze van tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege. De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer op het woonadres zal vervoegen. Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze handelwijze verzet. 13.2.2. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken (14.2.2) Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een ander medeoverheid dan het kantoor waar bij de betekening van het dwangbevel domicilie is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie gekozen ten kantore van GBTwente waar de belastingdeurwaarder die het beslag legt zijn standplaats heeft. 13.2.3. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken (14.2.3) Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de deurwaarder deze betaling. Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de belastingschuldige wordt gelaten. 13.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken (14.2.4) 1. Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als, naar het oordeel van de belastingdeurwaarder, in elk geval nodig is voor dekking van de openstaande schuld inclusief rente en kosten. 2. Gezien het bepaalde in artikel 441, derde lid, Rv, wordt geen beslag gelegd op zaken indien redelijkerwijs voorzienbaar is dat de opbrengst die gerealiseerd kan worden door het verhaal op die zaken aanmerkelijk minder bedraagt dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie. De belastingdeurwaarder kan wel beslag leggen op deze zaken als de belastingschuldige door het beslag en de executie niet op onevenredig zware wijze in zijn belangen wordt getroffen. Daarvan is sprake als het aannemelijk is dat het onbetaald blijven van de belastingschulden waarvoor beslag wordt gelegd, te wijten is aan onwil van de belastingschuldige of als het aannemelijk is dat door de executoriale verkoop van de betreffende zaken kan worden voorkomen dat belastingschulden verder oplopen. 13.2.5. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken (14.2.6) Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te dienen bij het college op grond van artikel 22, eerste lid van de wet en eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv. Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en vaststaat dat de ontvanger zijn verhaalsrecht niet kan effectueren, blijft inbeslagname achterwege. 13.2.6. Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken (14.2.7) De ontvanger kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan een derde op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van verrekening met de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de volgende zaken aantreft: - zaken die niet onder het bodemrecht vallen; en - eigendom zijn van een derde; en - strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop, eigendomsvoorbehoud); en - waarop de ontvanger zich na voldoening van die schuld zou kunnen verhalen. De ontvanger maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop deze derde een retentierecht heeft. 13.2.7. Beslag roerende zaken bij derden (14.2.8) Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden, verhaalt de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door het leggen van een beslag op roerende zaken. De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden leggen als: - de derde geen medewerking verleent aan het leggen van een beslag roerende zaken; - het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de zaken zelf te zien, dan wel te inventariseren; - de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv, voordat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten. Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval een formulier als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv., binnen drie dagen nadat de derde zich erop heeft beroepen dat hij het beslag niet behoeft te dulden. Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel 461d Rv. 13.2.8. Wegvoeren van beslagen zaken (14.2.9) Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten. Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd. Bijvoorbeeld als de belastingdeurwaarder administratief beslag als bedoeld in artikel 442, eerste lid, Rv, heeft gelegd op een motorrijtuig of een aanhangwagen, en de geëxecuteerde het motorrijtuig of de aanhangwagen niet heeft ingeleverd, nadat de belastingdeurwaarder hem daartoe twee keer in de gelegenheid heeft gesteld. Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruik gemaakt: - als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet kan worden ingevorderd; en - de ontvanger na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht. Het wegvoeren van zaken, waaronder motorrijtuigen naar aanleiding van een actie op grond van artikel 18 van de wet, gebeurt niet dan na daartoe verkregen toestemming van de ontvanger. 13.2.9. Afsluiting en beslag roerende zaken (14.2.11) De deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte overgaan waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken zich bevinden, als: - de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 (nr. in koptekst) van deze leidraad; en - de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer hoge kosten kunnen worden afgevoerd. Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden overgegaan. Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van de ontvanger. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de ontvanger of van een andere door de ontvanger daartoe aangewezen functionaris. 13.2.10. Bewaarder en beslag roerende zaken (14.2.12) Als zaken op grond van artikel 14.2.9 (nr. in koptekst) van deze leidraad worden weggevoerd of op grond van artikel 14.2.11 (nr. in koptekst) van deze leidraad afsluiting plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het bewaarderschap met betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal dat in de betreffende situaties moet worden opgemaakt. Als een ambtenaar van GBTwente als bewaarder wordt aangesteld, is dit zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de ambtenaar die tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding gegeven. De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de beslagen zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden vervoerd of opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of economisch bederf minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken onder normale omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen maatregelen en de daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot de aard en de waarde van de desbetreffende zaken. Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder aangesteld: - als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het bewaarderschap verbonden taken uit te oefenen; - als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het bewaarderschap niet uitdrukkelijk te worden ontnomen; - als een ambtenaar van GBTwente tot bewaarder is aangesteld en deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te (kunnen) hebben bij het beslag. Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend geval kan dit bij deurwaardersexploot. 13.2.11. Executoriale verkoop computerapparatuur (14.2.13) Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De belastingdeurwaarder moet - voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan - nagaan of deze apparatuur nog de zogenoemde 'software' bevat (bestanden, programma's en dergelijke). Als dat het geval is, dan moet de belastingschuldige de mogelijkheid worden geboden om die software te verwijderen en een back-up te maken. 13.2.12. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken (14.2.14) De ontvanger moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de Waarborgwet 2019 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen - al dan niet met het vereiste stempelteken - moet de ontvanger aangifte doen zoals artikel 35 van de Waarborgwet 2019 dat voorschrijft. 13.2.13. Beslag op illegale zaken (14.2.15) Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 14.1.12 (nr. in koptekst) van deze leidraad. Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde zaken worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan moet de ontvanger contact opnemen met het college voordat maatregelen worden getroffen om tot executoriale verkoop van de inbeslaggenomen zaken over te gaan. 13.2.14. Bieden voor rekening van GBTwente en beslag roerende zaken (14.2.16) Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die met de verkoop belast is, opdragen voor rekening van GBTwente te bieden. Daarnaast kan de ontvanger de belastingdeurwaarder opdracht geven om de executie plaats te laten vinden via internetveiling. De regels hiervoor dienen openbaar gemaakt te worden. 13.2.15. Opheffing van het beslag op roerende zaken (14.2.17) Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt. Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in artikel 445 Rv wordt altijd kenbaar gemaakt bij deurwaardersexploot. 13.2.16. Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken (14.2.18) De ontvanger verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt afgeboekt, worden eerst de kosten van de executie verrekend. De ontvanger boekt de opbrengst van de executie vervolgens af met inachtneming van het bepaalde bij artikel 7 (nr. in koptekst) van deze leidraad. Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, dan wordt zoveel mogelijk getracht in der minne overeenstemming te bereiken over de toedeling van de netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan zijn de artikelen 481 en volgende Rv van toepassing. 13.2.17. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken (14.2.19) Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de kopers onleesbaar zijn gemaakt. 13.2.18. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken (14.2.20) Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de ontvanger vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de ontvanger deze informatie tenzij het belang van de invordering zich daartegen verzet. 13.3. Administratief beslag op motorrijtuigen en aanhangwagens (14.2a) 1. De belastingdeurwaarder neemt zo nodig in het proces-verbaal van inbeslagneming van een motorrijtuig of aanhangwagen op de voet van artikel 442, eerste lid, Rv, een instructie op inzake het afgeven van het motorrijtuig of de aanhangwagen, als bedoeld in artikel 442, eerste lid, onder e, Rv. Daarin vermeldt de belastingdeurwaarder de plaats, datum en het tijdstip waarop het motorrijtuig of de aanhangwagen ingeleverd moet worden. 2. Als de geëxecuteerde het motorrijtuig of de aanhangwagen niet inlevert volgens de in het eerste lid bedoelde instructie, stelt de belastingdeurwaarder eenmalig opnieuw een inlevermoment vast en stelt hij de geëxecuteerde hiervan schriftelijk op de hoogte. De belastingdeurwaarder vermeldt in de schriftelijke kennisgeving in ieder geval de plaats, datum en het tijdstip waarop het motorrijtuig of de aanhangwagen ingeleverd moet worden. 13.4. Beslag op onroerende zaken (14.3) 13.4.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken (14.3.1) Als het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om in bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe verkregen toestemming van de ontvanger. Het bepaalde in artikel 14.2.9 is van overeenkomstige toepassing. 13.4.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken (14.3.2) Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan. In gevallen waarin de ontvanger zelf de eerste beslaglegger is, gaat hij altijd tot beslaglegging over voor vorderingen van derden waarvan de invordering aan hem is opgedragen. 13.4.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken (14.3.3) De ontvanger die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en tevens de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel mogelijk een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Er wordt in zo’n geval dus niet gehandeld als bedoeld in artikel 507, derde lid, Rv. 13.4.4. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken (14.3.4) De ontvanger vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden die op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg over de inhoud van deze voorwaarden. In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat de kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort - als de koopprijs niet toereikend mocht zijn - door de executant zal worden aangezuiverd. 13.4.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken (14.3.5) Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag aan de huurder of pachter is betekend, ontvangt deze ook een schriftelijke mededeling. Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders en - indien van toepassing - aan de bewaarder. 13.5. Beslag onder derden (14.4) 13.5.1. Beslag op vordering van een derde (14.4.1) In de artikelen 475 en volgende Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt dat - na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring - de derde geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen. De ontvanger stelt de derde hiervan op de hoogte. Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander - bijvoorbeeld door een bank - wordt geadministreerd. In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de derde-beslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan degene aan wie de vordering formeel toebehoort binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, moet de ontvanger zoveel mogelijk aangeven op welke gronden hij de vordering die op naam van die ander is geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige. 13.5.2. Bankbeslag en energietoeslag (14.4.1b) Als de ontvanger bankbeslag legt ten laste van een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Pw, een energietoeslag heeft ontvangen, geldt het volgende. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de ontvanger het door de bank op het bankbeslag afgedragen bedrag terug, tot maximaal het bedrag ter hoogte van het na de laatste eindafrekening van de energiekosten ontvangen toeslag (dit bedrag moet namelijk worden aangewend voor de eerstvolgende eindafrekening van de energiekosten). 13.5.3. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 (14.4.2) Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de ontvanger voor het doen van een vordering. 13.5.4. Roerende zaken bij derden (14.4.3) Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 14.2.8 (nr. in koptekst) van deze leidraad. 13.5.5. Plaats beslaglegging en derdenbeslag (14.4.4) Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht geschonken. De situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor heeft en een of meerdere bijkantoren. In dat geval legt de belastingdeurwaarder het beslag zoveel mogelijk bij het hoofdkantoor dan wel het filiaal of bijkantoor dat bemoeienis heeft met de gelden of zaken waarop verhaal wordt gezocht. In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder een ander filiaal of bijkantoor. De executant kiest in alle gevallen domicilie bij de belastingdeurwaarder. Als er aanleiding toe bestaat, kan de ontvanger de omvang van het beslag bij de beslaglegging beperken. Voor zover niet door een andere schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt. 13.5.6. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt (14.4.5) Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan past de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv. Indien de belastingschuldige kenbaar maakt dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld, maar niet de juiste informatie verstrekt voor de goede vaststelling ervan, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn alsnog de juiste informatie te verstrekken. Indien de belastingschuldige de juiste informatie binnen de door de ontvanger gestelde termijn aanlevert, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet met ingang van de inhouding volgend op het moment waarop de belastingschuldige kenbaar maakte dat de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld 13.5.7. Derdenbeslag en kosten van levensonderhoud (14.4.5a) Wanneer de ontvanger derdenbeslag legt als gevolg waarvan de belastingschuldige niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud, verleent de ontvanger zijn medewerking aan (gedeeltelijke) opheffing van het beslag dan wel stelt hij een passend deel van het door de derde betaalde bedrag beschikbaar aan de belastingschuldige. De ontvanger verleent slechts medewerking onder voorwaarde dat de belastingschuldige voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het beslag gedurende een bepaalde periode niet meer kan voorzien in de kosten van levensonderhoud. Voor de vaststelling van het passend deel gaat de ontvanger uit van de kosten van bestaan als bedoeld in artikel 16 van de regeling. 13.5.8. Vrij te laten bedrag en beslag onder derden bij geen adres in Nederland (14.4.5b) Als de ontvanger bankbeslag legt ten laste van een belastingschuldige die op grond van de basisregistratie personen geen adres in Nederland heeft, geldt het volgende. Als de belastingschuldige inzicht geeft in zijn leefsituatie en aannemelijk maakt dat hij door het beslag onvoldoende middelen van bestaan overhoudt, kan hij de ontvanger verzoeken alsnog rekening te houden met het voor hem geldende vrij te laten bedrag. De ontvanger stelt in dat geval het voor de leefsituatie van de belastingschuldige geldende vrij te laten bedrag vast. De ontvanger betaalt het verschil tussen het initieel vastgestelde vrij te laten bedrag en het op verzoek vastgestelde vrij te laten bedrag aan de belastingschuldige. Dit doet de ontvanger nadat de bank op het beslag heeft afgedragen. 13.5.9. Toepassing 5%-regeling (14.4.5c) De ontvanger past de zogeheten 5% regeling, bedoeld in artikel 475dc Rv, in beginsel niet toe bij het leggen van derdenbeslag. De ontvanger past die regeling alleen toe als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de wet en artikel 19.1.7 of als de ontvanger van mening is dat de belangen van GBTwente worden geschaad als hij de 5%-regeling niet toepast. 13.5.10. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente (14.4.9) Bij een derdenbeslag op een polis van een levens- of spaarverzekering of lijfrente geldt - naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv het volgende: - De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening; - De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de ontvanger rekening met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd; - Als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt, de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de expiratiedatum, wint de ontvanger het derdenbeslag niet uit en gaat hij niet over tot afkoop of belening. In dat geval laat de ontvanger - in overleg met belastingschuldige - het beslag liggen tot de expiratiedatum; - De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de weg; - De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd moeten onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht. 13.5.11. Retentierecht en derdenbeslag (14.4.10) Als de derde-beslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het derdenbeslag van de ontvanger zijn getroffen, dan kan de ontvanger op grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de belastingschuldige. Het bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de executiewaarde van de desbetreffende zaak. 13.5.12. Opheffing van het derdenbeslag (14.4.11) Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt aan zowel de belastingschuldige als de derde. In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis gegeven aan de derde-beslagene. De ontvanger zendt aan de belastingschuldige een afschrift van deze kennisgeving. 13.5.13. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag (14.4.12) Als een derde tegen de ontvanger een vordering uit onverschuldigde betaling instelt en de ontvanger aan deze vordering voldoet, wordt de belastingaanslag waarvoor het derdenbeslag is gelegd, geacht in zoverre niet te zijn voldaan. De ontvanger kan de invordering van die aanslag dan ook hervatten alsof er geen derdenbeslag is gelegd. 13.5.14. Derdenbeslag onder de gemeente, de Staat, de ontvanger of een openbaar lichaam en het doen van verklaring (14.4.13) Als derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat, de ontvanger of een openbaar lichaam, dan is specificatie verplicht; er wordt in dit verband verwezen naar artikel 479 Rv. De verplichting tot specificatie heeft niet tot doel het verhaal te belemmeren, maar de taak van de Staat, de ontvanger of het openbaar lichaam te verlichten. Dit betekent dat de verklaring in het kader van het derdenbeslag zich niet moet beperken tot de ex artikel 479 Rv genoemde vermogensbestanddelen, maar zich ook moet uitstrekken tot alles wat de geëxecuteerde te vorderen heeft van de Staat, de ontvanger of het openbaar lichaam en wat bij de Staat, de ontvanger of het openbaar lichaam bekend was op het moment van beslaglegging. 13.6. Beslag op schepen (14.5) 13.6.1. Beletten van het vertrek van het schip (14.5.1) De belastingdeurwaarder kan een bewaarder aanstellen en de nodige maatregelen nemen om het vertrek van het schip te beletten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het 'aan de ketting leggen' van het schip. Zo nodig voorziet de belastingdeurwaarder zich - na daartoe overleg te hebben gepleegd met de ontvanger - van deskundige bijstand. De kosten van deze bijstand komen voor rekening van de belastingschuldige. In daartoe aanleiding gevende gevallen kan het feitelijk gebruik van het schip weer aan de belastingschuldige worden gelaten, bijvoorbeeld wanneer ter voorkoming van een executoriale verkoop door de belastingschuldige een voorstel tot minnelijke afdoening is gedaan en dit voorstel voor de ontvanger - gelet op de omstandigheden - aanvaardbaar is. In ieder geval zal een minnelijke afdoening moeten passen in het bij artikel 25 (nr. in koptekst) van deze leidraad geformuleerde uitstelbeleid. 13.6.2. De executie van schepen (14.5.2) Tenzij een andere wijze van verkoop is toegestaan of voorgeschreven gebeurt de executoriale verkoop van een schip ten overstaan van een bevoegde notaris. De verkoop van een buitenlands zeeschip kan ook plaatsvinden ten overstaan van de rechtbank. Van deze mogelijkheid zal met name gebruik moeten wor