← Nederland

Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2024 (Zuidplas)

In het kort

Deze verordening regelt de manier waarop de gemeente Zuidplas ondersteuning biedt op het gebied van Jeugd, Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en Leerlingenvervoer, met als uitgangspunt 'één gezin, één plan, één regisseur' en maatwerk voor de inwoner.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2024Inleiding en leeswijzer Inleiding De gemeente hecht er belang aan dat de hulpvraag van de inwoner zo volledig mogelijk wordt behandeld. Dit komt tot uiting in de integrale verordening, met als vertrekpunt: ‘één gezin, één plan, één regisseur’. De vraag van de inwoner staat centraal, waarbij wordt gezocht naar maatwerk en verbinding op het sociale domein. Daar waar het praktisch mogelijk is, wordt de wijze van toegang en behandeling van de hulpvraag identiek. Voor de hulpvragen waarbij de toegang en het werkproces apart zijn georganiseerd (bijv. Werk en Inkomen en/of Leerlingenvervoer) wordt er gewerkt vanuit de gedachte om de inwoner zoveel mogelijk integraal te ondersteunen. Inwoners die zich met hulpvragen bij de gemeente melden, kunnen van de gemeente verwachten dat zij goed onderzoek verricht en dat dit onderzoek in goede samenspraak met de inwoners om wie het gaat uitgevoerd wordt. Ongeacht de hulpvraag en waar deze in de organisatie terecht komt, kijken we breder naar de andere leefdomeinen als daar aanleiding voor is. Leeswijzer De verordening start met het integrale deel voor Jeugd, Wmo en het Leerlingenvervoer. Dit zijn de hoofdstukken 1 en 2. Hierna volgen de specifieke bepalingen voor Jeugd en Wmo (hoofdstuk 3), het persoonsgebonden budget (hoofdstuk 4) en Leerlingenvervoer (hoofdstuk 5). Aansluitend op hoofdstuk 5 volgen er nog drie hoofdstukken die weer integraal voor zowel Jeugd, Wmo als Leerlingenvervoer gelden. Hoofdstuk1:Algemene bepalingen Paragraafverwijderen Artikel1.Begrippen en afkortingen a.Algemeen gebruikelijke voorziening: zaak of dienst die normaal in de handel te krijgen is; niet speciaal voor mensen met een beperking is ontworpen; niet aanzienlijk duurder is dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; b.Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van maatschappelijke ondersteuning (artikel 1.1.1, eerste lid van de Wmo 2015), zelfredzaamheid en participatie of opvang; c.Beperking: objectief vastgestelde stoornis of conditie in lichamelijke, zintuiglijke, psychische of verstandelijke zin, die een normaal maatschappelijk functioneren van de cliënt belemmert en/of nadelige sociale gevolgen met zich meebrengt; d.Cliënt: cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 of de jeugdige of ouder die aanspraak maakt op jeugdhulp, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; e.Dienstverlening: jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een cliënt, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen; f.Eigen bijdrage: financiële bijdrage van de cliënt als bedoeld in artikel 2.1.4a van de Wmo 2015. Cliënt is geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelen, een woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige en voorzieningen op grond van de Jeugdwet; g.Gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; h.Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 of behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, waarbij de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet; i.Inwoner: iemand die in de gemeente Zuidplas staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp), dan wel in de gemeente Zuidplas zijn hoofdverblijf heeft. j.Individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening voor jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet, door het college verstrekt in natura of bij pgb. k.Jeugdwet; l.Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015 en Jeugdwet; m.Machtiging gesloten jeugdhulp: een door de kinderrechter genomen beslissing (beschikking) om een jeugdige in een gesloten instelling te plaatsen; n.Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw), die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; o.Melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015, of de aanvraag voor jeugdhulp; p.Onafhankelijk cliëntondersteuning: gratis en onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning op het gebied van <maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen/de diverse levensdomeinen van personen>; q.Ondersteuningsplan: het onderdeel van het ondersteuningsverslag dat de weergave bevat van de adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding op grond van de Wmo 2015 of het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet dat door het college is gemaakt naar aanleiding van het onderzoek, waaronder tevens wordt verstaan het niet inhoudelijk gevulde ondersteuningsplan in geval van weigering van de ondersteuning; r.Onderzoek: het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar aanleiding van een hulpvraag om te bekijken wat de situatie is van degene die hulp vraagt en te bepalen welke ondersteuningsbehoefte hieruit voortvloeit; s.Persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 of artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een cliënt, dat deze in staat stelt de geïndiceerde hulp van derden te betrekken; t.Sociaal netwerk: een groep van mensen waarmee de cliënt duurzame banden onderhoudt en waarbij sprake is van verbondenheid. Personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; u.Vertegenwoordiger (gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger): persoon of rechtspersoon die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot de verleende hulp/zorgverlening; v.Vervoersdiensten: Wmo vervoer geregeld door de gemeente, zoals het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer. w.Vervoersvoorzieningen: hulpmiddelen voor het verplaatsen, te denken aan scootmobiel, driewielfiets etc x.Voorliggende voorziening: een algemene voorziening of andere voorziening waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor het toekennen van een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven, omdat de cliënt de ondervonden problemen met die voorziening op eigen kracht kan oplossen; y.Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; z.Zorg in Natura (ZIN): een voorziening in de vorm van goederen in (bruik)leen, in eigendom, persoonlijke dienstverlening, beschermd wonen of opvang om de zelfredzaamheid of participatie van een ingezetene te verbeteren of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang. Hoofdstuk2:Integrale benadering Artikel2.Toegang tot ondersteuning 1.Het college zorgt er in ieder geval voor dat inwoners die daar om verzoeken: kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd; worden doorverwezen en –geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en dat degene die een melding, aanvraag of verzoek indient wordt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. 2.In het kader van de uitvoering van het eerste lid vindt geen verwerking van persoonsgegevens plaats. Op verzoek van betrokkene kunnen de relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld. Artikel3.Melding hulpvraag 1.Eenieder kan zich rechtstreeks met een hulpvraag, voor zichzelf of voor een ander, richten tot het college, mits die hulpvraag een inwoner van Zuidplas betreft, de wettelijke uitzonderingen van de Jeugdwet daar gelaten. 2.Het college maakt met de inwoner een afspraak voor een gesprek, zoals bedoeld in artikel 6 en bevestigt deze schriftelijk. 3.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Indien de hulpvraag een minderjarige betreft informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders, 4.Het college informeert de inwoner, en/of diens mantelzorger(

  1. s)of diens vertegenwoordiger voorafgaand aan het gesprek over de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. 5.Het college brengt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een eigen plan / familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet op te stellen. 6.Lid 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op een aanvraag leerlingenvervoer. Een aanvraag hiervoor loopt volgens de procedure genoemd in hoofdstuk 5. Artikel4.Spoedeisende ondersteuning Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een (tijdelijke) maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 6 of de aanvraag van cliënt. Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende (tijdelijke) voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3, juncto artikel 6.1.8, van de Jeugdwet. Artikel5.Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1.Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2.Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon als bedoeld in de Jeugdwet. 3.Het college of de andere organisatie wijst de cliënt en mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel6.Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van een melding / aanvraag 1.Het onderzoek start met het voeren van een gesprek met cliënt, en/of diens vertegenwoordiger/gemachtigde, mantelzorger en indien gewenst familie. 2.Het college stelt de identiteit vast van alle bij het gesprek aanwezigen aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 3.In het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde: de behoefte, persoonskenmerken, beperkingen, veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie, het probleem of hulpvraag en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of andere personen uit het sociale netwerk, zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een voorliggende-, algemene- of algemeen gebruikelijke voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg, alsmede partijen op bijvoorbeeld het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget, waarbij de cliënt wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn. 4.Naast het gesprek kan gebruik worden gemaakt van (een combinatie van) de volgende onderzoeksmethoden: Dossieronderzoek; Een aanvullend gesprek; Telefonisch onderzoek; Inschakelen externe deskundige; Inwinnen van informatie met toestemming van de cliënt bij behandelaars, zorgverleners, familie en/of overige externe partijen; Overige onderzoeksmethoden waartoe het college wettelijk bevoegd is. 5.De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken. 6.Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 7.Binnen 10 dagen na het gesprek verstrekt het college de cliënt een bondig gespreksverslag met daarin een weergave van de zorgvraag en gemaakte afspraken. Artikel7.Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek 1.Het college stelt na het onderzoek in overleg met de inwoner een ondersteuningsplan op, vanuit het principe één gezin, één plan, één regisseur. 2.Het ondersteuningsplan bevat de uitkomsten naar aanleiding van het onderzoek, waarin het college: de hulpvraag vaststelt; heeft vastgesteld welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; heeft vastgesteld welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; onderzocht heeft of en in hoeverre eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere mensen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, een maatwerkvoorziening dient te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. 3.De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken. 4.Als de inwoner van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt dit opgenomen in het ondersteuningsplan. 5.Cliënt ondertekent het ondersteuningsplan door aan te geven dat hij/zij: akkoord is zoals voorgesteld en dient een aanvraag in; of akkoord is maar anders dan voorgesteld en dient een aanvraag in; of geen aanvraag indient. Artikel8:Verstrekken van een maatwerkvoorziening 1.Het college besluit een maatwerkvoorziening te verstrekken voor zover in het ondersteuningsplan wordt aangegeven dat de inwoner: op eigen kracht met gebruikelijke hulp, of met zijn sociaal netwerk geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, en geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemene voorziening, en met deze voorziening naar het oordeel van het college zelfredzaam wordt of kan participeren, en geen gebruik kan maken van een voorziening die algemeen gebruikelijk of voorliggend is. 2.Het college houdt bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van een inwoner. 3.Als meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 4.Voor bepaalde voorzieningen kunnen aanvullende criteria van kracht zijn. Deze staan genoemd in hoofdstuk 3 van deze verordening. 5.De maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in natura of als persoonsgebonden budget. Artikel9.Weigeringsgronden 1.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als: cliënt voor de Wmo 2015 geen inwoner is van de gemeente Zuidplas of volgens de in artikel 1.1 van de Jeugdwet genoemde woonplaats niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Zuidplas valt; voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, of met gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is. Om te bepalen of de aanschaf van een voorziening financieel haalbaar is voor mensen met een inkomen op minimumniveau wordt de volgende rekenwijze toegepast: de kosten van de voorziening worden vergeleken met 5% van de geldende bijstandsnorm x 3jaar. Wanneer de kosten van de voorziening lager zijn dan het berekende bedrag wordt de voorziening aangemerkt als zijnde algemeen gebruikelijk; indien de situatie van de cliënt niet (goed) kan worden beoordeeld doordat hij niet voldoet aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 en zoals bedoeld in artikel 8.1.2, derde lid, van de Jeugdwet; in de gevallen, bedoeld in artikel 2.3.5, zesde lid en 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo 2015; in de gevallen, bedoeld in artikel 1.2, eerste en tweede lid, en 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet; indien deze geen passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die de belanghebbende vóór de melding heeft gerealiseerd of heeft geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of tenzij achteraf nog valt vast te stellen dat de voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst adequate voorziening aan te merken valt; of voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. 2.Het college verstrekt geen woonvoorziening: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; in of aan Wlz-instellingen, ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; voor zover het voorzieningen betreft in openbare en publieke gebouwen en in specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoelde gebouwen; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daar vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. voor zover het een voorziening betreft in het kader van de toegankelijkheid van de buitenruimte (tuin, balkon) als de buitenruimte voor cliënt reeds toegankelijk is via een andere toegang. 3.Voor beschermd- en beschut wonen geldt dat er geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer van huiselijk geweld. 4.Voor maatschappelijke opvang geldt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer: een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels; een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt; een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject; er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is; een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling; de eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt; er in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. 5.Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in hoofdstuk 4 artikelen 38 t/m 43. 6.Het Collectief Vraagafhankelijke Vervoer (CVV) wordt niet verstrekt als vervoersmogelijkheid van en naar de dagbestedingslocatie. 7.In aanvulling op lid zes wordt het CVV tevens niet verstrekt voor reizen van en naar zorgverlener/specialist, tenzij afgewezen door zorgverzekeraar. Artikel10.Aanvraag van een maatwerkvoorziening 1.Een inwoner kan een aanvraag van een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2.Het college merkt een ondertekend ondersteuningsplan aan als aanvraag, als dit in het ondersteuningsplan door de cliënt is aangegeven. 3.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015 kan ook via een daartoe ter beschikking gesteld aanvraagformulier worden ingediend. 4.In afwijking van het eerste t/m het derde lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Artikel11.Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die: de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 3.Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 12. Artikel12.Beschikking maatwerkvoorziening 1.Het college maakt door middel van een beschikking zijn besluit kenbaar. Dit kan zowel een toewijzing als een afwijzing zijn. 2.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: wat de te verstrekken voorziening is; wat het beoogde resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum en duur van de voorziening is; welke gecontracteerde aanbieder de voorziening verstrekt; wat het tarief is van beoogde voorziening per minuut/dagdeel/etmaal; de mogelijkheid tot beroep en bezwaar. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: waarom ervoor het verstrekken van een pgb is gekozen; voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is; wat de duur is van de voorziening waarvoor het pgb bedoeld is, en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4.Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015 wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Hoofdstuk3:Voorzieningen: Paragraaf3.1Jeugd Artikel13.Algemene voorzieningen jeugd 1.Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en gericht zijn op jeugdhulpvoorzieningen. 2.Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners. 3.In ieder geval zijn de volgende algemene voorzieningen beschikbaar: Informatie/advies voor jeugdige en ouder Opvoedondersteuning Algemeen Jeugd- en Jongerenwerk Algemeen maatschappelijk werk Jeugdgezondheidszorg Veilig Thuis Integrale crisisdienst Vertrouwenspersoon Kindertelefoon Schoolmaatschappelijk werk 4.Het college kan nadere regels vaststellen over welke andere, naast die in lid 1 genoemde, algemene voorzieningen beschikbaar zijn. Artikel14.Maatwerkvoorzieningen jeugd 1.Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele voorziening ter compensatie van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening; met gebruikmaking van een algemene voorziening; of met gebruikmaking van een andere voorziening dan in het kader van de Jeugdwet. De individuele voorziening stelt de jeugdige in staat gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 2.Het college stelt in ieder geval de volgende specialistische maatwerkvoorzieningen beschikbaar: Jeugdzorg plus; Jeugdbescherming; Jeugdreclassering; Jeugd en opvoedhulp, waaronder: ambulante jeugdhulp, dagbehandeling, verblijf pleegzorg, gezinshuis, verblijf beschut wonen, verblijf 24- uurs zorg, spoedeisende zorg (ambulant en verblijf), ernstig enkelvoudige dyslexie zorg; Voor jeugd met een beperking: individuele begeleiding zonder verblijf, dagbesteding zonder verblijf, kortdurend verblijf/logeren, langdurend verblijf; Jeugd GGZ, tweedelijns met en zonder verblijf. 3.Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van de maatwerkvoorzieningen op grond van de Jeugdwet. Artikel15.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten en de gebruikelijke zorg door de ouders hier niet in kan voorzien: het krijgen of behouden van structuur of regie; het aanleren van praktische vaardigheden; het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; het aanleren van sociale vaardigheden; het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; het leren omgaan met zijn beperkingen. Artikel16.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening behandeling Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening behandeling als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is. het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de jeugdige in één of meerdere domeinen zoals gezin en vrije tijd; het verlagen van recidiverisico. Artikel17.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening vervangende opvoeding Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als gedurende een behandelingssituatie hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de jeugdige; de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op. Artikel18.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbehandeling of dagbesteding Het college zet ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding in, als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: vanwege een beperking of stoornis is het voor de jeugdige niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; de jeugdige heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; de jeugdige is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur. Artikel19.Vervoer bij jeugdhulp 1.Vervoer bij jeugdhulp kan worden toegekend aan een jeugdige, die een indicatie heeft voor een maatwerkvoorziening jeugdhulp (zorg in natura of persoonsgebonden budget voor behandeling, dagbesteding, kort verblijf of begeleiding). Vervoer bij jeugdhulp is vervoer van of naar een jeugdhulplocatie, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Beperkingen in de zelfredzaamheid kunnen te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte en kunnen tijdelijk of chronisch van aard kunnen zijn. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp 2.De vraag om een voorziening vervoer bij jeugdhulp zal meestal tegelijk met een aanvraag voor de jeugdhulp aan de orde zijn en wordt dan meegenomen in het besluit. Het is echter ook mogelijk de vervoersvoorziening later toe te kennen, als zich na verloop van tijd een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid voordoen. Deze beperkingen hoeven geen relatie met de jeugdhulp te hebben. 3.De voorziening wordt toegekend vanaf de datum dat de jeugdhulp in de toekomst zal starten of zo vroeg als de datum van de aanvraag indien het vervoer feitelijk al in gang is gezet. Verstrekking met terugwerkende kracht, dus voor de datum van de aanvraag, is niet mogelijk. 4.Wanneer de noodzaak, zoals bedoeld in het eerste lid, is vastgesteld, wordt een vervoersvoorziening toegekend wanneer de afstand en de frequentie van vervoer naar de jeugdhulplocatie dermate groot is dat dit de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt. Om te beoordelen of dit van toepassing is maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: (aantal maanden) x (aantal keren per week) x (aantal weken per maand) x (afstand enkele reis) x 0,25. Indien de uitkomst 250 of hoger is, kan een vervoersvoorziening worden toegekend. 5.De volgende vormen van een maatwerkvoorziening vervoer jeugdwet worden onderscheiden: Begeleiding van een jeugdige met als doel zelfstandig leren reizen naar de jeugdhulpaanbieder. Een vergoeding voor openbaar vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 4). Een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien er sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 4). Een vergoeding voor eigen vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie, indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 4). Aangepast vervoer (taxivervoer) dat in natura wordt geboden door de jeugdhulpaanbieder of het door het college gecontracteerde taxibedrijf. Een combinatie van deze voorzieningen behoort tot de mogelijkheden, mits onderbouwd wordt waarom hiervoor gekozen wordt. 6.In de volgende volgorde een afweging voor een passende voorziening gemaakt. Pas als een jeugdige niet op de beschreven manier (per optie) kan reizen, komt de volgende, daaronder beschreven optie in beeld. Het inzetten van aangepast vervoer (taxi/taxibus) is pas mogelijk wanneer alle onderstaande opties naar het oordeel van het college niet mogelijk zijn. De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie. De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(
  2. s)of het sociale netwerk. De jeugdige heeft de draagkracht en vaardigheden om in afzienbare tijd zelfstandig te leren reizen met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie begeleid door ouder(s)/verzorger(s), het sociale netwerk, een vrijwilliger of een jeugdprofessional. De jeugdige gaat met zijn/haar brommer/scooter naar de jeugdhulplocatie. De jeugdige reist zelfstandig met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Er zijn drie redenen waarom openbaar vervoer geen optie is, namelijk een gebrek aan zelfstandigheid van de jeugdige, het ontbreken van openbaar vervoer of een reistijd van meer dan 45 minuten voor een enkele reis. Daarbij wordt uitgegaan van de reisduur tussen woning en uitstaphalte of –station. De jeugdige reist onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(
  3. s)of het sociale netwerk met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Deze optie vervalt als de jeugdige niet in staat is om met begeleiding in het openbaar vervoer te reizen, openbaar vervoer ontbreekt, de reistijd meer dan 45 minuten enkele reis (de reistijd tussen woning en uitstaphalte of –station) of ouder(s)/verzorger(
  4. s)kunnen aantonen dat begeleiding van de jeugdige door henzelf of anderen onmogelijk is dat wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. De ouder(s)/verzorger(
  5. s)of het sociale netwerk brengen en halen de jeugdige met gemotoriseerd vervoer (auto, bestelbus, motor enz). 7.Voor de opties lid 6 d, e, f en g is een vergoeding mogelijk in de vorm van een kilometervergoeding van € 0,23 per kilometer of een vergoeding op basis van het tarief openbaar vervoer. Indien het college een kilometervergoeding toekent voor een auto, bekostigt het college de kilometervergoeding alleen voor die kilometers dat de jeugdige inzittende van de auto is. Artikel20.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Kortdurend logeerverblijf bij een instelling kan ingezet worden gedurende maximaal drie etmalen per week. Dit is gepaard gaande met persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding voor een persoon met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die aangewezen is op permanent toezicht, indien dat noodzakelijk is ter ontlasting van de persoon die hem gebruikelijke zorg of mantelzorg levert. Artikel21.Zestienjarige en voortzetting jeugdhulp na achttien jaar Zorgaanbieder draagt zorg voor een goede doorgaande zorglijn van 18- naar 18+. Zorgaanbieder start, samen met de Jeugdige, op zestienjarige leeftijd met het maken van een toekomstplan waarbij een regisseur wordt benoemd. Netwerkondersteuning maakt onderdeel uit van het toekomstplan. Paragraaf3.2Wmo Artikel22.Algemene voorzieningen Wmo 1.Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning. 2.Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners. 3.Een algemene voorziening is bedoeld om één van de volgende resultaten te bereiken: de inwoner heeft onderdak; de inwoner kan optimaal sociaal en persoonlijk functioneren; de inwoner kan deelnemen aan de samenleving; de inwoner kan zijn financiële huishouding voeren; de inwoner heeft een structuur/ invulling van de dag; de inwoner is verzorgd/voert de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zoveel als mogelijk zelf uit; de mantelzorgers van de inwoner worden tijdelijk ontlast. 4.Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel. Artikel23.Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 1.Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit één of meer van de volgende diensten of producten: hulp bij het huishouden; begeleiding; dagbesteding; logeren; beschermd wonen; beschut wonen; rolstoelvoorzieningen; woonvoorzieningen; vervoersvoorzieningen; vervoersdiensten; sportvoorzieningen. 2.Als onderdeel van dagbesteding kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding. 3.Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Gouda: de geldende verordening en nadere regels maatschappelijke ondersteuning en het overige beleid met betrekking tot beschermd wonen. 4.Het college stelt de omvang van de dienst of het product vast aansluitend bij de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de cliënt. 5.Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien naar oordeel van het college de cliënt geen mogelijkheden heeft om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk of wanneer algemene voorzieningen of andere voorzieningen afwezig en/of ontoereikend zijn om: de beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen en de cliënt met een, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven functioneren; of de problemen die de cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, als er sprake is van een cliënt met psychische of psychosociale problemen of die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te verminderen of weg te nemen en de cliënt met de, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld om zich uiteindelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 6.Het college kan een maatwerkvoorziening in natura, anders dan voor dienstverlening, in bruikleen of in eigendom verstrekken. 7.Het college hanteert voor het toekennen van een maatwerkvoorziening, voor zover relevant, de volgende criteria: er is sprake van kosten of voorzieningen die, gelet op de situatie van de cliënt, niet algemeen gebruikelijk zijn; de maatwerkvoorziening is, gelet op de persoon, veilig voor hemzelf en zijn omgeving en brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee; er is geen sprake van een verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening als deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven; de melding is gedaan op een zodanig moment, dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning kan plaatsvinden; de cliënt werkt binnen zijn vermogen mee aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan en de afspraken met de aanbieder van de maatwerkvoorziening; de noodzaak tot het verstrekken van een voorziening is niet aan de cliënt te verwijten. 8.Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van de maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015. Artikel24.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: het schoon en leefbaar houden van de woning volgens algemeen hygiënische normen; het beschikken over schone en draagbare kleding; het beschikken over primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden; het voeren van regie over het doen van het huishouden. Artikel25.Huishoudelijke hulp toelage (HHT) 1.De voorziening huishoudelijke hulp toelage (HHT) omvat het recht van inwoners, die tot één van de in lid 2 aangegeven doelgroepen behoren, om zelf uren huishoudelijke ondersteuning in natura tegen een gereduceerd tarief in te kopen bij een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieders. 2.Inwoners van de gemeente Zuidplas komen in aanmerking voor HHT als zij: beschikken over een lopende Wmo indicatie; of mantelzorg verlenen aan een inwoner van Zuidplas en als zodanig geregistreerd zijn bij het mantelzorgsteunpunt. 3.In aanvulling op lid 2, sub b geldt voor mantelzorgers dat hij/zij: mantelzorg verleent aan een inwoner die op grond van de Wmo 2015 of Jeugdwet een lopende indicatie heeft; of mantelzorg verleent aan een inwoner die door zijn/haar inzet geen of in mindere mate een beroep hoeft te doen op de Wmo of Jeugdwet; en niet in een instelling verblijft; en geen mantelzorg verleent aan personen die in een instelling verblijven. 4.De HHT kan ingezet worden in de woning van de mantelzorger of in de woning van de persoon voor wie de mantelzorger zorgt, tot een maximum van één HHT-beschikking per huishouden. 5.De ondersteuning bij het huishouden kan uitsluitend ingekocht worden bij de door de gemeente gecontracteerde aanbieders voor het leveren van hulp bij het huishouden, die in het bezit zijn van een aanvullend contract HHT. 6.Alleen voor de eerste 26 uur per kalenderjaar wordt door de aanbieder een uurtarief van € 4,80 rechtstreeks in rekening gebracht bij de cliënt. 7.De gemeente vult voor maximaal de eerste 26 uur per kalenderjaar het uurtarief aan tot het overeengekomen uurtarief zorg in natura en betaalt dit rechtstreeks aan de aanbieder. Artikel26.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: het krijgen of behouden van structuur of regie; het aanleren van (praktische) vaardigheden; het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; het aanleren van sociale vaardigheden; het bevorderen of behouden van zelfredzaamheid; het leren omgaan met de beperkingen die de cliënt heeft. Artikel27.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbesteding 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening dagbesteding als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: het noodzakelijk is het ondersteuningssysteem van cliënt te ontlasten; cliënt ondersteuning nodig heeft bij het vergroten van zijn netwerk, teneinde gevoelens van eenzaamheid te doorbreken; cliënt belemmeringen ondervindt bij het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag, zoals werk, scholing of vrijetijdsbesteding; de cliënt structuur en veiligheid nodig heeft teneinde verlies aan regie en zelfredzaamheid te voorkomen; het noodzakelijk is om cliënt te activeren tot zingevende activiteiten; of de cliënt ondersteund moet worden bij het verkrijgen van werknemersvaardigheden. 2.De dagbesteding vindt plaats op een daartoe bestemde locatie onder begeleiding van de aanbieder. Artikel28.Aanvullende criteria voor vervoer van en naar de dagbesteding Een cliënt kan in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding als cliënt, gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding. Artikel29.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Een cliënt kan in aanmerking komen voor logeeropvang of logeerverblijf als er naast de algemene voorwaarden, wordt voldaan aan de volgende criteria: er is sprake van een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; en ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk; en de cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaand met toezicht; en de cliënt structureel gedurende maximaal 3 etmalen per week aangewezen is op deze maatwerkvoorziening. Artikel30.Aanvullende criteria maatwerkvoorziening rolstoel 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een (elektrische) rolstoel, als hij als gevolg van zijn beperkingen langdurig is aangewezen op het zittend verplaatsen in en om de woning. 2.Er zijn medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan. 3.In het geval van een elektrische rolstoel kan de cliënt veilig deelnemen aan het verkeer. 4.De woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan met beperkte middelen worden aangepast. Artikel31.Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, in de vorm van een woningaanpassing of in de vorm van hulpmiddelen om zich in en om de woning te verplaatsen, als er sprake is van een aantoonbare beperking bij het normaal gebruik van de noodzakelijke gebruiksruimte(
  6. n)in de woning, als: de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf in Zuidplas heeft, waarbij er geen sprake mag zijn van een tijdelijke huurovereenkomst; en de woning is geschikt is om het hele jaar door te bewonen; en de ondervonden beperkingen in de woonruimte niet voortvloeien uit de aard van de in de woonruimte gebruikte materialen, te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de voor periodiek onderhoud geldende wettelijke vereisten; en de woonruimteaanpassing langdurig noodzakelijk is en verhuizen niet mogelijk of niet de goedkoopst adequate voorziening is. 2.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor het bezoekbaar maken van één woning indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling in de gemeente Zuidplas en de cliënt regelmatig een bezoek brengt en zal blijven brengen aan die woning in de gemeente Zuidplas, en het bezoek voor de cliënt noodzakelijk is voor het onderhouden van sociaal contact, en hij deze woning niet op een normale manier kan betreden of bereiken. 3.Indien de totale kosten van de woonaanpassingen en/of -voorzieningen meer bedragen dan € 10.000,-, dan geldt het primaat van verhuizen, tenzij er argumenten zijn die tegen verhuizen pleiten. 4.Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor de kosten van een verhuizing, voor zover de verhuizing het gevolg is van belemmeringen in het normale gebruik van de woning en een verhuizing de meest adequate oplossing is voor cliënt. 5.In afwijking van het eerste lid, sub c kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van een verhuizing, als: de cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen; en er met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijke termijn geen uitzicht is op de opheffing van de gebreken aan de woning. Artikel32.Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen, vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een vervoersdienst of vervoersvoorziening als er als gevolg van lichamelijke beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen belemmeringen worden ondervonden bij het (lokaal) verplaatsen met het reguliere openbaar vervoer of eigen vervoer. 2.In afwijking van het eerste lid komen cliënten, die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, op basis van hun leeftijd in aanmerking voor een CVV indicatie. 3.In aanvulling op het eerste lid verstrekt het college alleen een vervoersdienst of vervoersvoorziening als: de beperkingen langdurig (minimaal 6 maanden) van aard zijn; de cliënt de voorziening nodig heeft in verband met specifieke verplaatsingsbehoefte, die niet anderszins kan worden opgelost; de cliënt in staat wordt geacht om – na instructie – op veilige wijze gebruik kan maken van de voorziening; de cliënt in het geval van een open gehandicaptenvoertuig beschikt over een geschikte en overdekte stallingsruimte, die voor voorzieningen met een accu is voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt, of gecreëerd kan worden. 4.Het college legt het primaat bij het gebruik van het CVV, als het CVV de cliënt naar het oordeel van het college in voldoende mate in staat stelt tot participatie en zelfredzaamheid. 5.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een combinatie van de vervoersvoorzieningen als dit voor zijn participatie of zelfredzaamheid voor zowel de korte als de lange afstand noodzakelijk is. 6.De indicatie voor het CVV vervalt na twee jaar, wanneer de vervoersdienst in die periode niet door de cliënt is gebruikt. Dit zal middels een beschikking aan de cliënt kenbaar worden gemaakt. 7.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor vervoer wanneer het college in aanvulling op het eerste lid van oordeel is dat de cliënt door zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden niet in staat is gebruik te maken van het CVV. Artikel33.Aanvullende criteria maatwerk sportvoorzieningen 1.Het college kan ten behoeve van het uitoefenen van een sport een pgb verstrekken voor: een cliënt die in het dagelijks leven gebruik maakt van een loophulpmiddel of een verplaatsingsmiddel; en een cliënt die zonder sportvoorziening niet in staat is tot sportbeoefening; en beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk. 2.Het pgb voor de aanschafkosten van een sporthulpmiddel is gelijk aan de feitelijke kosten van de voorziening, aangevuld met de onderhoudskosten. Artikel34.Afschrijvingsperioden 1.De volgende afschrijvingsperioden worden gehanteerd: keuken 15 jaar badkamer 25 jaar toilet 15 jaar hulpmiddelen 7 jaar douche- en toiletvoorzieningen 5 jaar kindervoorzieningen 5 jaar Artikel35.Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1.Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2.Voor de verhuiskosten bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.486,95 als deze kosten voorvloeien uit de voorgestelde maatwerkoplossing zoals opgenomen in het ondersteuningsplan. 3.Voor het bezoekbaar maken van een woning (het toe- en doorgankelijk maken en aanpassen van het toilet en/of woonkamer) bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.486,95. 4.De tegemoetkoming vermeldt onder lid 2 en 3 kunnen eenmalig verstrekt worden. 5.Voor de kosten van het gebruik van een taxi bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 4.414,25 per kalenderjaar. Voor de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 5.760,50 per kalenderjaar. 6.Voor de kosten van de aanpassingen van de eigen auto wordt de vergoeding vastgesteld op basis van offertes, waarbij de technische levensduur van de auto op het moment van aanvragen nog minimaal 10 jaar moet zijn. 7.Voor de kosten ten behoeve van een sportrolstoel bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.448,85 per drie jaar. 8.Voor de kosten ten behoeve van onderhoud en reparatie aan de sportrolstoel bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 646,30 per kalenderjaar. 9.Voor de kosten van was- en strijk bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 62,97 per maand. 10.De toegekende tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 2 t/m 9 worden op declaratiebasis achteraf uitgekeerd aan de aanvrager. 11.De maximale bedragen van de tegemoetkomingen genoemd onder lid 2 t/m 9 worden jaarlijks verhoogd of verlaagd aan de hand van de prijsindex voor gezinsconsumptie zoals bepaald in artikel 3.7 eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel36.Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb op grond van de Wmo 2015, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2.Voor de maatwerkvoorzieningen bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen samen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt samen. 3.In afwijking van het eerste lid is cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen rolstoelen; woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige cliënt. 4.In afwijking van het eerste en tweede lid kan een cliënt tijdelijk worden uitgesloten voor het betalen van de eigen bijdrage als cliënt onvoldoende betaalcapaciteit heeft én voldoet aan één van de onderstaande voorwaarden: de cliënt zit in de eerste twaalf maanden na een scheiding. Bij een scheiding kan de eigen bijdrage op nul gezet worden tot maximaal 12 maanden na de scheiding. de cliënt zit in de eerste twaalf maanden na het verlies van betaald werk. Bij het verliezen van een betaalde baan kan de eigen bijdrage op nul gezet worden voor maximaal 12 maanden. de cliënt heeft een budgetmaatje. Bij het gebruikmaken van een budgetmaatje kan de eigen bijdrage op nul gezet worden voor maximaal 6 maanden. de cliënt zit in de schuldsanering via de GR IJsselgemeenten. Bij een schuldsaneringstraject wordt de eigen bijdrage tot einde traject op nul gezet. 5.In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo 2015 is de hoogte van de reizigersbijdrage voor de maatwerkvoorziening collectief vraagafhankelijk vervoer afhankelijk van het aantal gereden zones. Deze reizigersbijdrage is: 2023 Aantal Zones Van deur naar deur Wmo-pashouder Geïndiceerde begeleider Sociaal begeleider OV- reiziger 1 € 2,30 Nihil € 2,30 € 6,50 2 € 3,20 Nihil € 3,20 € 9,75 3 € 4,10 Nihil € 4,10 € 13,00 4 € 5,10 Nihil € 5,10 € 16,25 5 € 6,00 Nihil € 6,00 € 19,50 6 € 7,10 Nihil € 7,10 € 22,75 De genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2023 en worden ieder opvolgend jaar gewijzigd aan de hand van indexatie (NEA). 6.De kostprijs van een: maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 7.In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wmo 2015, worden de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. Artikel37.Blijk van waardering voor mantelzorgers 1.Mantelzorgers van ingezetenen van de gemeente Zuidplas kunnen door middel van een melding bij het college in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering. 2.Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering als bedoeld in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015, voor mantelzorgers van ingezetenen van Zuidplas in de vorm van: een jaarlijkse dag/activiteit voor mantelzorgers. Deelname hieraan is gratis; op maat geboden ondersteuning door het mantelzorgsteunpunt; het bieden van de mogelijkheid tot het inkopen van hulp bij het huishouden bij één van de daarvoor door de gemeente gecontracteerde aanbieders als bedoeld in artikel 25 van deze verordening. Hoofdstuk4:Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel38.Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en/of artikel 2.3.6 van de Wmo. 2.Als een cliënt in aanmerking komt voor een zorg gerelateerde dienst op basis van een pgb, dan is de cliënt verplicht om ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag een budgetplan in te dienen. De cliënt dient daarbij gebruik te maken van een door het college vastgesteld format. In het budgetplan dient gemotiveerd te worden: welke zorg er met het pgb wordt ingekocht; waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wenst geleverd te krijgen of waarom hij een maatwerkvoorziening in het kader van de Jeugdwet in natura niet passend acht; waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen terzake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp voldoende in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Desgevraagd onderbouwt de budgethouder dit met bewijsstukken; hoe de zorg wordt vormgegeven; hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden; hoe hij de voorziening volgens een begroting dan wel een offerte wenst te financieren. 3.Voor dienstverlening in het kader van de Wmo 2015 of Jeugdwet wordt het tarief voor professionele ondersteuning (instellingen en zzp’
  7. er)of het tarief voor niet-professionele ondersteuning binnen sociaal netwerk gehanteerd. 4.Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb en: er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is; de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen moet naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit zijn en in voldoende mate bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; de budgethouder en het college in het ondersteuningsplan afspreken binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd. Er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 5.Het college verlangt van de cliënt en zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging en verklaring teneinde het beheer van het pgb op verantwoorde wijze uit te voeren. 6.Het college kan een persoon niet in staat achten de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: problematische schuldenproblematiek; ernstige verslavingsproblematiek; aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid. 7.Het college verplicht de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het ondersteuningsplan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden. 8.Een pgb bestemd voor besteding in het buitenland, is alleen mogelijk als het college daar expliciet toestemming voor heeft gegeven. 9.Een pgb is niet mogelijk: als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 4, dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend in de situatie als bedoeld in artikel 10, vierde lid; de kosten voor tussenpersonen, belangbehartigers, bemiddeling, administratie, lidmaatschappen, verlofdagen/feestdagenuitkering of reiskosten komen niet in aanmerking voor een pgb; voor de bekostiging van huisvesting / huur. 10.Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken. 11.Bij het verlenen van een pgb geldt dat de voorziening moet voldoen aan het programma van eisen dat is opgesteld door de gemeente en, indien van toepassing, aan het Kwaliteiten Bruikbaarheids Onderzoek van Hulpmiddelen keurmerk en/of voorkomt op de lijsten van het TNO-keurmerk dan wel een gelijkwaardig keurmerk goedgekeurde hulpmiddelen. 12.Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel. Artikel39.Regels voor pgb vertegenwoordiging 1.Een vertegenwoordiger wordt geacht de aan de pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te kunnen voeren. 2.De vertegenwoordiger stelt het belang van de cliënt centraal en moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt. 3.De vertegenwoordiger is niet tevens uitvoerder van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of heeft geen financiële relatie met de uitvoerder van de ondersteuning. 4.In afwijking op lid 3 kan gezien de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de verantwoordde besteding van het pgb, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden; 5.De vertegenwoordiger van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt. 6.Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit en rechtmatigheid, al dan niet steekproefsgewijs, controleren wie er als vertegenwoordiger staat geregistreerd bij de SVB. 7.Indien de vertegenwoordiger iemand is uit het netwerk van cliënt dan dient er te worden aangeven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt. 8.Kosten voor pgb vertegenwoordiging mogen niet worden voldaan uit het persoonsgebonden budget. Artikel40.Regels voor pgb professional 1.Dit artikel heeft betrekking op de zorgaanbieder die middels een persoonsgebonden budget wordt gefinancierd en een eventuele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht. 2.De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. 3.De professional die een dienst verleent in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet: dient een ingezetene van Nederland te zijn en te beschikken over een Burgerservicenummer; heeft aantoonbare competenties om de dienstverlening te kunnen uitvoeren (opleiding, werkervaring). Hierbij wordt aangesloten bij de eisen zoals gesteld aan de leveranciers waar de gemeente zorg in natura contracten mee heeft afgesloten; overlegt een verklaring omtrent gedrag (VOG) waaruit blijkt dat het gedrag van de persoon in het verleden geen bezwaar vormt voor het verlenen van diensten in de persoonlijke leefomgeving; staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; hij dient in bezit te zijn van een geldige aansprakelijkheidsverzekering en een geldig lidmaatschap van een klachtencommissie. 4.De professional die een dienst verleent in het kader van de Jeugdwet dient in het bezit te zijn van een SKJ-registratie of voldoet aan de richtlijn verantwoorde werktoedeling. 5.Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven, de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb. Artikel41.Regels voor pgb sociaal netwerk 1.Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc. 2.De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. 3.Indien er sprake is van verlening van hulp door een persoon in het sociaal netwerk: dient uit het ondersteuningsplan en budgetplan blijken dat deze in staat is de gevraagde hulp gedurende de afgesproken periode te leveren, dat dit niet leidt tot overbelasting en hoe vervanging geregeld is bij vakantie of ziekte. zoekt de persoon uit het sociale netwerk afstemming met andere dienstverleners dan wel met de casusregisseur conform het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur. als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben. overlegt de persoon uit het sociaal netwerk een verklaring omtrent gedrag (VOG) waaruit blijkt dat het gedrag van de persoon in het verleden geen bezwaar vormt voor het verlenen van diensten in de persoonlijke leefomgeving. 4.Indien er op basis van een pgb ondersteuning wordt geboden door het sociaal netwerk is dit alleen mogelijk voor de maatwerkvoorziening begeleiding, voor zover deze de gebruikelijke zorg en/of hulp overstijgt. Artikel42.Hoogte van het pgb 1.De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van de te verstrekken maatwerkvoorziening zoals bepaald in artikel 8. 2.Een hulpmiddel of een woningaanpassing wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt. 3.Het pgb is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; 4.Uitbetaling van een pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp vindt plaats op basis van zorgovereenkomsten of op declaratiebasis, door de SVB. 5.In afwijking van lid 4 vindt uitbetaling van een pgb voor een (vervoer)hulpmiddel of een woningaanpassing achteraf plaats door het college, op basis van leveranciersfacturen. 6.Bij de berekening van het tarief van een pgb wordt rekening gehouden met alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verlofdagen, feestdagen, verzekering(
  8. en)en reiskosten. 7.Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. informele hulp is: Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in onderdeel a; Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in onderdeel a, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt. 8.Het tarief voor hulp uitgevoerd door een hulpverlener werkzaam bij een professionele instelling bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura. 9.Het tarief voor vervoer van en naar de dagbesteding of locatie waar jeugdhulp wordt geboden bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura en is alleen mogelijk voor een professionele instelling. 10.Het tarief van een zzp‘er bedraagt ten hoogste 75% van het tarief van zorg in natura. 11.Het tarief voor hulp in natura wordt indien het geen uurtarief is, omgerekend naar een tarief per uur. 12.Het pgb voor hulp uitgevoerd als bedoeld in lid 7 onderdeel b is gelijk aan het tarief hiervoor in de Wet langdurige zorg plus de kosten voor het aanvragen van een Verklaring omtrent het Gedrag. 13.De gemeente volgt voor de indexering bij het tarief voor hulp uit het sociale netwerk de ontwikkeling van het tarief in de Wet langdurige zorg. Artikel43.Besteding en verantwoording van het pgb 1.De cliënt besteedt het pgb conform het door het college goedgekeurde budgetplan. 2.De cliënt voldoet aan de eisen die door de wetgever en het college aan het pgb worden gesteld, ten aanzien van de verantwoording, de zorgovereenkomst en het trekkingsrecht. 3.Het niet nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen kan leiden tot: terugvordering van het ten onrechte ontvangen pgb; en de weigering om de ondersteuning nog langer in de vorm van een pgb te verstrekken. Hoofdstuk5:Specifieke bepalingen leerlingenvervoer Paragraaf5.1Algemene bepalingen Artikel44.Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus of bustaxi; afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; begeleiding: fysieke begeleiding van de leerling tijdens het vervoer. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas; deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige of de in het Op Overeenstemming Gericht Overleg (zie L) bepaalde onafhankelijke deskundige; eigen vervoer: vervoer per motorvoertuig of fiets, dat door ouders zelf wordt vormgegeven; gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; inkomen: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel onder r. ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 op de Wet op het voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding, dan wel de commissie van onderzoek; OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 3.42 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020; openbaar vervoer: voor eenieder openstaand personenvervoer opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider; opvangadres: adres naast de woning van de leerling waar de leerling wordt opgevangen, zoals buitenschoolse opvang, gastouder of familielid. ouders: (pleeg)ouders, voogden of verzorgers van de leerling; reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids (of het standaard rooster bij voortgezet onderwijs), minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; samenwerkingsverband: 1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of 2°. voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2022; school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt: Dit is 1°. het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; 3°. het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 4°. het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs 2020; stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding; toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; vervoersvoorziening: 1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of 3°. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. Artikel45.Doelstelling Dit hoofdstuk van de Integrale verordening heeft tot doel om op basis van een beoordeling op grond van de in deze verordening vastgestelde criteria en een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug. Paragraaf5.2Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel46.Aanvraagprocedure 1.Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling structureel verblijft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. 2.Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 3.De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling. 4.Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 5.Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 6.Als een vervoersvoorziening wordt toegekend, dan geldt deze: wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; wanneer het een aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum. Artikel47.Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag 1.Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, zijn de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin het uitgangspunt. 2.Het college kan bij een eerste aanvraag in een gesprek met de ouders, en desgewenst met de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken (als bedoeld in paragraaf 5.4). 3.Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden. 4.Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoel in artikel 50. 5.Het college kan in overleg met de ouders, desgewenst de leerling en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. 6.In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen. Artikel48.OOGO met het samenwerkingsverband 1.Het college neemt het leerlingenvervoer op als periodiek agendapunt in het OOGO. 2.Het college spant zich in om in het OOGO afspraken te maken over: de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; de deskundige die het college adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt. De deskundige betrekt in zijn advies de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling als bedoeld in artikel 47. de wijze waarop invulling gegeven wordt aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door het college wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid. 3.Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg worden de volgende onderwerpen besproken: de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en het samenwerkingsverband; het maken van afspraken over de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het vervoersontwikkelingsplan genoemd in artikel 47, vijfde lid. Artikel49.Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening 1.Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2.Als het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt het college van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. 3.De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 4.Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling. 5.Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 6.Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. 7.Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. 8.Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen. Paragraaf5.3Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op de vervoersvoorziening Artikel50.Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1.Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, ontstaat niet eerder een aanspraak op een vervoersvoorziening dan dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld. 3.Met inachtneming van het bepaalde in de voorgaande leden wordt een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a. Artikel51.Afstandsgrens 1.Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer; speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dat 6 kilometer; of speciaal onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer. 2.In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kan het college hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de gehandicapte leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen. 3.De afstand tussen de woning en de school wordt door het college gemeten langs de kortste voor de leerling per fiets voldoende begaanbare en veilige weg. Artikel52.Aanwijzing opstapplaats Het college kan overgaan tot het instellen van opstapplaatsen, waarbij geldt dat: het college bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats kan aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. de ouders er zorg voor dragen dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. het college geen opstapplaats aanwijst als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. het college tijdelijk geen opstapplaats aanwijst als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling. Artikel53.Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft, bepalend. Artikel54.Andere vergoedingen De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. Artikel55.Schooltijden en wachttijden 1.Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op de standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2.Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3.Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerplichtige leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel56.Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1.Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; en in de periode, voorafgaand aan het tijdelijk verblijf buiten de gemeente, is een vervoervoorziening toegekend op grond van deze verordening; en de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2.Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. Artikel57.Vervoersvoorziening naar stageadres 1.Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2.De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school en wordt aangetoond in het stagecontract; de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; de stage vindt plaats op één stageadres; en het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen een door college te bepalen maximale straal van de woning of de school. 3.Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 4.Het college kan het stagecontract opvragen. Paragraaf5.4Onderzoeksfase: verstrekking, aard en omvang van de vervoersvoorziening Artikel58.Verstrekking van de vervoersvoorziening 1.Het college betrekt bij de verstrekking van de vervoersvoorziening het eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan of vervoersadviezen van deskundigen die voor de onderzoeksfase van belang zijn. 2.Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer. Artikel59.Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1.Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 51, eerste lid, verstrekt het college aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar die een basisschool zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer 2.Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3.De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,09 per kilometer. Artikel60.Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider 1.Het college verstrekt aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider als: voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 51, eerste lid, de leerling jonger dan twaalf jaar is en een basisschool, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, of voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 51, de leerling jonger is dan twaalf jaar en een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, bezoekt, of de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. 2.Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor regulier voortgezet onderwijs of voortgezet special onderwijs cluster 4 bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider, indien de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. 3.In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, zoals bedoeld in het tweede lid, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets. 4.De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,09 per kilometer. 5.Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. Artikel61.Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1.Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 51, eerste lid en de leerling onder de 9 jaar is; voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 51, eerste lid, de leerling tussen 9 en 12 jaar is en clusteronderwijs bezoekt; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 59 en 60 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een basisschool of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 59 en 60 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een speciale school voor basisonderwijs of terug, meer dan een uur onderweg; het een school voor voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 of 3 betreft en de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 60, de leerling een school voor regulier voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs cluster 4 bezoekt en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan drie kwartier onderweg is; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 59 en 60 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 60 en door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken. 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 49, zevende lid kan in het geval van een toekenning aangepast vervoer een vervoersvoorziening verstrekt worden voor vervoer naar één ander adres dan de woning van de leerling indien: dit een adres betreft waar kinderopvang wordt geboden, omdat beide ouders werken; het adres van de opvanglocatie binnen een straal van 500 meter van de school van de leerling ligt of in de dorpskern waar de leerling woont, ligt, en er sprake is van een vast patroon, dat wil zeggen één vast opvangadres op vaste dag(
  9. en)per week, dat bij de aanvraag is opgegeven. dit geen hulpverlening in het kader van de Jeugdwet betreft. Artikel62.Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1.Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2.Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding. De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,09 per kilometer. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid. Deze vergoeding bedraagt het belastingvrije kilometerbedrag (€ 0,23). een bedrag op basis van de werkelijk gemaakte reiskosten voor de leerling die gebruik maakt van een schoolbus van een school of een oudervereniging. 3.Als het college een kilometervergoeding toekent, zoals genoemd in het tweede lid sub c van dit artikel, bekostigt het college viermaal de afstand tussen woning en school per dag. 4.Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, één bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, zijnde € 0,23 per kilometer, behoudens het bepaalde in lid 5. 5.Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die reeds voor dit vervoer bekostiging van het college ontvangen, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. Artikel63.Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. Artikel64.Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie 3.Met inachtneming van artikel 50 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 4.Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het derde de lid bedoelde schoolvakanties. 5.Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 6.Artikel 61, eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing. Artikel65.Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag 1.Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 27.900,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 51 bepaalde afstand te boven gaan. 2.In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 51 bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 27.900,-, tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3.De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 51 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 4.Het inkomensbedrag van € 27.900,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2023 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 27.900,-. 5.Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op gehandicapte leerlingen, pleegouders en voogdijinstellingen. Artikel66.Financiële draagkracht 1.Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. 2.In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3.De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s 0 – 36.900 Nihil 36.900 – 43.650 145 43.650 – 50.400 630 50.400 – 56.700 1170 56.700 – 64.800 1715 64.800 – 71.100 2300 71.100 en verder Voor elke extra € 5.000,-: € 550,- erbij 4.De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2023 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. 5.De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2023 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. 6.Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen. Hoofdstuk6:Wijzigingen, kwaliteit, medezeggenschap en klachten Artikel67.Kwaliteitseisen 1.Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de aanbieders. 2.Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. 3.Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 4.De aanbieder draagt er zorg voor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. 5.Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Het college kan, met uitzondering van aanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 6.De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. 7.Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning. Artikel68.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 of artikel 2.11, tweede lid van de Jeugdwet en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst, stelt het college vast: een vaste prijs of tarief, toegepast bij een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of een reële prijs of tarief, geldend als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijs of het tarief, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015 en 12.4, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet, tussen degenen aan wie de dienst of jeugdhulp wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs ten minste op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen waaronder kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Het college kan het eerste lid, onder b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs of tarief voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op wat gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel69.Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 1.Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in natura, pgb of bekostiging leerlingenvervoer zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo doet een cliënt of ouder van een leerling op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een voorziening. 3.Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een besluit aangaande een voorziening of bekostiging in het kader van het leerlingenvervoer herzien, dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de cliënt/ouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; de cliënt/ouder niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of de bekostiging is aangewezen; de maatwerkvoorziening, het pgb of de bekostiging niet meer toereikend of passend is te achten; de cliënt niet (meer) voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening, het pgb of bekostiging, of de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bestemd is; Sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in aangepast vervoer; Het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het vervoer. 4.De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer berust bij de ouders. 5.Indien het college een besluit op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, het ten onrechte genoten pgb of de ten onrechte genoten bekostiging. 6.Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 7.Indien een besluit tot verlening van een voorziening is ingetrokken, kan op grond van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 een reeds uitbetaald pgb worden teruggevorderd. 8.Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 9.Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggehaald. 10.Ingeval een besluit tot verlening van een bekostiging leerlingenvervoer is ingetrokken, kan een reeds uitbetaalde bekostiging worden teruggevorderd. 11.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen (waaronder pgb’
  10. s)met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel70.Klachtenregeling 1.Het college handelt klachten af overeenkomstig de in de gemeente geldende klachtenregeling. 2.Het college neemt in de contracten met aanbieders op dat de aanbieders een effectieve en laagdrempelige klachtregeling moeten hebben voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt 3.In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel71.Medezeggenschap bij aanbieders 1.De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2.Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4, van de Jeugdwet is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet. 3.De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap voldoende kenbaar is voor de cliënten van zijn organisatie. 4.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaraan een cliëntenraad moet voldoen. Artikel72.Incidenten, calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning en wijst een toezichthouder aan als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo. 2.Aanbieders melden calamiteiten en geweld dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening direct aan de toezichthouder. 3.De toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel73.Doel- en rechtmatigheid 1.Het college wijst een toezichthouder rechtmatigheid aan belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet en Wmo 2015. 2.Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties 3.Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste lid. Hoofdstuk7:Participatie in het Sociaal Domein Artikel74.Begripsbepalingen participatie sociaal domein In deze verordening wordt verstaan onder: adviesraad: het door het college ingestelde orgaan dat het college adviseert over beleidsvoorstellen binnen het sociaal domein van de gemeente Zuidplas; representatieve organisatie: organisatie die de belangen van een of meerdere specifieke cliёntgroepen/doelgroepen behartigt zoals deze omschreven worden binnen de Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet; belanghebbenden: inwoners die aanspraak kunnen maken op ondersteuning door de gemeente binnen het sociaal domein en hun mantelzorgers of vertegenwoordigers; lid: een lid van de Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas; achterban: het bestuur en/of de leden van de representatieve organisaties en inwoners van de gemeente Zuidplas; cliёntparticipatie: de wijze waarop cliënten van zorg- en ondersteuningsvoorzieningen en hun mantelzorgers en/of vertegenwoordigers op het terrein van de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet geraadpleegd worden over de uitvoering van het (gemeentelijk) beleid en over de ervaren kwaliteit van zorg en ondersteuning op deze terreinen; beleidsparticipatie: de gestructureerde wijze waarop de gemeente belanghebbende inwoners van de gemeente Zuidplas betrekt bij de voorbereiding, ontwikkeling en evaluatie van het gemeentelijk beleid op het sociaal domein; sociaal domein: het integrale gemeentelijke beleid voortvloeiend uit Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet; vergadering: een vergadering van de leden van de adviesraad; ambtelijk vertegenwoordiger: ambtenaar die namens de gemeente als contactpersoon optreedt naar de adviesraad; voorzitter: de voorzitter van de adviesraad; secretaris: de secretaris van de adviesraad; penningmeester: de penningmeester van de adviesraad. Artikel75.Doelstelling Met het hoofdstuk Participatie Sociaal Domein Zuidplas geeft de gemeente Zuidplas invulling aan de wettelijke verplichtingen op grond van: De Wmo, Participatiewet en Jeugdwet waarbij het college inwoners dient te betrekken bij het opstellen van beleid voordat zij dat beleid ter besluitvorming voorlegt aan de gemeenteraad; De Wmo, Jeugdwet en Participatiewet waarbij cliënten of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van het gemeentelijk beleid Sociaal Domein, op basis van de genoemde wetgeving. Beleidsparticipatie Via beleidsparticipatie betrekt de gemeente inwoners bij het opstellen en evalueren van beleid. De gemeente Zuidplas geeft invulling aan de beleidsparticipatie door: Het betrekken van inwoners en belanghebbenden (cliënten, hun mantelzorgers of andere vertegenwoordigers, Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas, zorgaanbieders en andere partijen) bij de start van nieuw op te stellen beleid of projecten. Het laten adviseren over beleidsvoorstellen en de evaluatie van beleid binnen het sociaal domein via de Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas. Dit geldt ook voor beleidsvoorstellen en evaluatie uit andere beleidsvelden dan de Wmo, Participatiewet en Jeugdwet indien het deze drie wetten uit het sociaal domein wel raakt. Cliëntenparticipatie De gemeente geeft invulling aan cliёntparticipatie en biedt daarmee cliënten (degenen die zorg- en ondersteuning ontvangen) en hun vertegenwoordigers de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de uitvoering van het beleid op de volgende manieren: Via de medezeggenschap bij zorgaanbieders van Wmo en Jeugdwet: de gemeente legt via de inkoop van zorgvoorzieningen van de Wmo en de Jeugdwet vast dat de zorgaanbieders een regeling voor medezeggenschap hanteren; de gemeente monitort de uitvoering van deze medezeggenschap binnen zorgaanbieders via de accountgesprekken en de jaarlijkse verantwoording van zorgaanbieders; Zorgvoorzieningen Wmo 2015 die een regeling voor medezeggenschap dienen te hanteren zijn: Voorzieningen voor Dagbesteding Voorzieningen voor Begeleiding Voorzieningen Beschermd wonen Voorzieningen Respijtzorg en Kort verblijf Voorzieningen Maatschappelijke opvang en vrouwenopvang Via het raadplegen van cliënten bij het monitoren van beleid via in te richten cliёntenpanels Via jaarlijks uit te voeren cliёnttevredenheidsonderzoek onder cliënten en hun mantelzorgers/ vertegenwoordigers van de Wmo en Jeugdwet. De gemeente kan dit onderzoek zelf uitvoeren en/of zorgaanbieders en/of een derde partij opdragen deze onderzoeken uit te voeren. Artikel76.Taken van de adviesraad 1.De adviesraad adviseert het college gevraagd of ongevraagd over: de voorbereiding, ontwikkeling, en evaluatie van beleid binnen het sociaal domein, bestaande uit de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo 2015. Dit geldt ook voor beleidsvoorstellen en evaluatie uit andere beleidsvelden dan de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo 2015 indien het deze drie wetten uit het sociaal domein wel raakt; beleidsvoorstellen binnen het sociaal domein die door de gemeente in regionaal verband ontwikkeld zijn. Daartoe onderhoudt de adviesraad contacten met de adviesraden uit de regio om de advisering hierover af te stemmen. 2.De adviesraad is een van de partijen die door de gemeente betrokken worden bij het opstellen van nieuw beleid binnen het sociaal domein. 3.De adviesraad signaleert relevante trends en ontwikkelingen en/of knelpunten op het gebied van het beleid binnen het sociaal domein. 4.De adviesraad houdt zich niet bezig met en is niet bevoegd om te adviseren of te handelen naar aanleiding van individuele klachten of problemen tenzij er duidelijke gevolgen zijn voor het algemeen beleid. Artikel77.Werkwijze van de adviesraad 1.De adviesraad ontvangt de adviesvraag van de gemeente en heeft dan zes weken de tijd om een advies te geven aan het college. 2.De adviesraad adviseert schriftelijk en gemotiveerd aan het college en de adviezen zijn ondertekend door de voorzitter en/of secretaris van de adviesraad. 3.De adviestermijn kan bij uitzondering in overleg worden aangepast wanneer het college of de adviesraad dit noodzakelijk acht. 4.Ongevraagde adviezen worden ook aan het college gericht. 5.De adviesraad stelt een huishoudelijk reglement op dat ter informatie aan het college wordt voorgelegd. In het huishoudelijk reglement wordt in ieder geval opgenomen: een regeling voor aan- en aftreden van leden; er wordt een rooster van aftreden opgesteld waarbij de continuïteit van kennis en ervaring zoveel mogelijk wordt gewaarborgd; wanneer een lid door de adviesraad geschorst kan worden; de werkwijze van de adviesraad; regels voor declaratie van onkosten door leden; de afvaardiging naar het ambtelijk en het bestuurlijke overleg met de gemeente Zuidplas. 6.Leden van de adviesraad zijn verplicht tot geheimhouding van alle informatie die zij in de hoedanigheid van lid van de adviesraad vernemen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs kunnen vermoeden. De geheimhoudingplicht blijft bestaan na het einde van het lidmaatschap van de adviesraad. Artikel78.Werkwijze van het college 1.Het college vraagt tijdig advies aan de adviesraad bij beleidsvoorstellen betrekking hebbend op het sociaal domein. 2.Dit geldt zowel voor voorstellen die lokaal zijn opgesteld als bij regionaal voorbereide voorstellen waar lokale besluitvorming voor nodig is. 3.Het college stuurt met de adviesvraag de noodzakelijke stukken mee. 4.Het college reageert schriftelijk en gemotiveerd naar de adviesraad op het advies van de adviesraad. 5.Het advies van de adviesraad en de reactie van het college op het advies worden met het raadsvoorstel waarop het advies betrekking heeft meegezonden naar de raadscommissie en de gemeenteraad. 6.Het derde en vierde lid gelden voor gevraagd en ongevraagd advies. Artikel79.Overlegstructuur van de adviesraad 1.De adviesraad neemt in haar huishoudelijk reglement haar wijze van vergaderen op. 2.De adviesraad draagt zorg voor verslaglegging van haar vergaderingen en doet jaarlijks verslag naar inwoners van haar werkzaamheden en uitgebrachte adviezen. 3.De vergaderingen zijn openbaar tenzij door het college is verzocht om een onderwerp vertrouwelijk te behandelen of wanneer dit door een meerderheid van de adviesraad wenselijk wordt geacht. 4.Ten aanzien van de besluitvorming in de adviesraad geldt het volgende: alle aanwezige leden van de adviesraad hebben stemrecht tijdens de vergadering; indien de besluitvorming niet unaniem is, wordt hiervan melding gemaakt in de advisering aan het college; besluitvorming vindt plaats op basis van meerderheid van stemmen van de op de vergadering aanwezige leden; wanneer er bij stemming evenveel voor- als tegenstanders zijn, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Artikel80.Overleg met de gemeente 1.Er is een periodiek bestuurlijk overleg met de wethouders van Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet met een afvaardiging van de adviesraad. Dit overleg vindt driemaal per jaar plaats of zoveel vaker als nodig is. dit overleg heeft als doel om elkaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en om van gedachten te wisselen over de hoofdlijnen van beleid. In de vergadering vindt derhalve geen besluitvorming plaats; wanneer een onderwerp andere portefeuilles raakt dan kan de betreffende wethouder uitgenodigd worden om aan te sluiten; de gemeente stelt de agenda op in overleg met de voorzitter van de adviesraad en draagt zorg voor verslaglegging. 2.Er is periodiek ambtelijk overleg met een afvaardiging van de adviesraad. een afvaardiging van de adviesraad overlegt zesmaal per jaar/ eenmaal in de zes weken met een ambtelijke vertegenwoordiging van de gemeente; in de vergadering worden relevante ontwikkelingen besproken op het gebied van het sociaal domein; in het overleg wordt afstemming gezocht op inhoud en procedure over de onderwerpen die voor advisering zullen worden aangeboden aan de adviesraad; de gemeente stelt de agenda op in overleg met de voorzitter van de adviesraad en draagt zorg voor verslaglegging. Artikel81.Faciliteren en verantwoording 1.Voor de activiteiten van de adviesraad wordt een budget beschikbaar gesteld. 2.De regels voor de besteding van dit budget worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de adviesraad. 3.In het huishoudelijk reglement wordt ook het declaratiebesluit voor d

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.