Nadere regels subsidies gemeente GroningenHET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN GRONINGEN; (BD 11.2583046); Gezien het voorstel 18 april 2011; ’Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 3 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019; BESLUIT: de Nadere regels subsidies gemeente Groningen vast te stellen. Wijzingen en inhoudsopgave Deel1– Algemeen Paragraaf 1.1 Indieningsvereisten en procedureregels Artikel1Begripsbepalingen In aanvulling op de begripsbepalingen die zijn opgenomen in de ASV wordt voor de toepassing van deze nadere regels verstaan onder: Verplicht subsidiedocument: een document dat alle gegevens bevat die vereist zijn voor een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag voor subsidieverlening of subsidievaststelling en waarvan de indiening verplicht is gesteld op grond van de wet, de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen of bij beschikking tot subsidieverlening of beschikking tot subsidievaststelling. Indieningsdatum: de uiterste datum waarop een verplicht subsidie-document moet zijn ingediend. De Algemene termijnenwet is van toepassing. Tijdige indiening: een verplicht subsidiedocument is tijdig ingediend als het voor de uiterste indieningsdatum door het college is ontvangen. Bij verzending per post is een verplicht subsidiedocument tijdig ingediend als het voor de uiterste indieningsdatum ter post is bezorgd, mits het niet langer dan een week na de uiterste indieningsdatum is ontvangen. Uitstelverzoek: een verzoek om uitstel voor het indienen van een verplicht subsidiedocument. Artikel2Indieningsvereisten 1.Als een aanvraag om een jaarlijkse subsidie niet voor de uiterste indieningsdatum is ingediend, stelt het college de aanvrager eenmaal in de gelegenheid de aanvraag alsnog in te dienen. Het college stelt daarvoor een uiterste datum voor welke de aanvraag moet zijn ingediend. 2. Het college neemt te laat ingediende aanvragen om subsidieverlening niet in behandeling tenzij de aanvrager aannemelijk maakt dat sprake is van overmacht, ter beoordeling door het college. 3. Als een verplicht subsidiedocument tijdig maar onvolledig is ingediend, stelt het college de aanvrager eenmaal in de gelegenheid om dit aan te vullen. Het college stelt daarvoor een uiterste datum, voor welke de aanvulling moet zijn ingediend. De beslistermijn schort op voor de duur van de gestelde termijn. 4. Als een subsidieaanvrager niet in staat is een verplicht subsidiedocument tijdig in te dienen wegens omstandigheden die het college zijn aan te rekenen dan zal het college de indieningsdatum opschorten. De opschorting eindigt zodra de hiervoor bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen. Het college maakt de opschorting van de indieningsdatum schriftelijk aan de subsidieaanvrager of -ontvanger bekend. 5. Als de in lid 3 bedoelde uiterste termijn ongebruikt is verstreken, doet het college schriftelijk mededeling van die constatering en stelt zij de aanvrager op de hoogte van de consequenties van dit verzuim. Dit kan zijn: de aanvraag buiten behandeling stellen; subsidie ambtshalve vaststellen; het opleggen van een sanctie. 6. Indien het college besluit een sanctie op te leggen bestaat deze uit een verlaging van de subsidieverlening met 1% van de verleende subsidie tot een maximum van € 100,00 voor elke dag na die waarop het college het verzuim heeft vastgesteld tot aan de dag waarop het verzuim is opgeheven. Betreft het in lid 3 bedoelde verzuim een aanvraag om subsidievaststelling dan bestaat de sanctie uit een verlaging van de subsidievaststelling met 1% van het bedrag waarop de subsidie zou zijn vastgesteld tot een maximum van € 100,00 voor elke dag na die waarop het college het verzuim heeft vastgesteld tot aan de dag waarop het verzuim is opgeheven. 7. Zodra drie maanden zijn verstreken sinds de dag waarop het college het verzuim als bedoeld in de leden 3 en 6 van dit artikel heeft vastgesteld, kan het college de subsidieverlening intrekken of ambtelijk vaststellen. Artikel3Uitstelverzoeken 1.Een aanvrager kan eenmalig een uitstelverzoek indienen voor maximaal acht weken. Dit kan schriftelijk of langs elektronische weg. 2.Het college weigert een uitstelverzoek als: dit onbevoegd is ingediend; dit later is ingediend dan 2 weken voor voor de uiterste indieningsdatum dit naar het oordeel van het college niet is voorzien van een deugdelijke motivering. 3.Het college beslist schriftelijk zo spoedig mogelijk op een uitstelverzoek doch uiterlijk binnen twee weken na ontvangst daarvan. Artikel4 Ontheffing tussenrapportage In afwijking van het bepaalde in artikel 6 lid 1 onder c van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 behoeven subsidieontvangers uit de volgende categorieën geen tussenrapportage in te dienen: Basissubsidie Amateur Kunst; Subsidies voor accommodaties; Subsidies voor wijkorganisaties; Subsidies lager dan € 5.000, in welk geval de subsidieverlening en -vaststelling samenvallen. Artikelsgewijze toelichtingAlgemeenMet het oog op de voortgang van het subsidieproces gelden er nadere regels rond de indiening van subsidiedocumenten. Subsidiedocumenten zijn aanvragen om subsidieverlening of subsidievaststelling, tussentijdse rapportages en eventuele andere verplicht gestelde documenten. Het gaat hier niet zozeer om aanscherping van onze huidige handelwijze maar om verduidelijking en om de codificatie van een al langere tijd gebruikelijke gedragslijn. Het doel is om verduidelijking en uniformiteit van de aanvraag- en verantwoordingsprocedure te bereiken. Artikel 1. BegripsbepalingenVerplicht subsidiedocumentEen verplicht subsidiedocument is een document dat essentieel is voor het nemen van een deugdelijk subsidiebesluit. Dat zijn een aanvraag om subsidieverlening, een tussentijdse rapportage waarvan de indiening bij verordening, nadere regel of bij beschikking verplicht is gesteld of een aanvraag om subsidievaststelling. Als aan een aanvraag om subsidieverlening een belangrijk onderdeel ontbreekt, zoals een Wnt-verklaring of een activiteitenplan, dan beschouwt het college de indiening als onvolledig. Hetzelfde geldt als aan een aanvraag om subsidievaststelling bijvoorbeeld het activiteitenverslag of de accountantsverklaring ontbreekt. Ook dan beschouwt het college dit subsidiedocument als onvolledig. De bepalingen uit artikel 2 zijn dan van toepassing. Tijdige indieningMet de hier gekozen formulering sluiten we aan bij artikel 6:9 Awb. Dit artikel heeft echter betrekking op de indiening van bezwaar- of beroepschriften. Met betrekking tot de tijdige indiening van aanvragen om subsidieverlening of -vaststelling of andere verplichte subsidiedocumenten ontbreken bepalingen in de Awb. De Algemene termijnenwet is van toepassing. Dat houdt in dat een gestelde termijn die eindigt op een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag wordt verlengd tot de eerste dag die geen zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is. Artikel 2. IndieningsvereistenHet college sluit met de formulering van dit artikel aan bij artikel 6:11 Awb. Als na de herinnering een aanvraag om subsidieverlening niet of te laat wordt ingediend, kan het college besluiten om die aanvraag niet te behandelen. Er wordt dan geen subsidie verstrekt. Analoog hieraan zal het college een subsidieaanvraag niet buiten behandeling stellen vanwege te late indiening als het college van mening is dat de aanvrager redelijkerwijs niet in verzuim is. Is een verplicht gestelde tussentijdse rapportage of een aanvraag om subsidievaststelling onvolledig ingediend, dan stelt het college de subsidieontvanger eenmaal schriftelijk in de gelegenheid de rapportage en/of de aanvraag om subsidievaststelling aan te vullen en stelt daarbij een uiterste termijn binnen welke de aanvulling in bezit moet zijn van het college. De onvolledigheid kan een document betreffen, zoals een accountants- of een Wnt-verklaring, maar het kan ook gaan om de vereiste rechtsgeldige ondertekening of een cruciaal onderdeel van de begroting of van een financieel verslag. Als de gestelde uiterste termijn ongebruikt is verstreken dan zendt het college een brief waarin het verzuim wordt geconstateerd en waarin een sanctie wordt aangekondigd. De sanctie bestaat uit een verlaging van de subsidie met 1% (tot een maximum van € 100,00) voor elke dag die de subsidieontvanger in verzuim is. Deze sanctie geldt voor elk document dat te laat wordt ingediend. Het maximum bedrag van de sanctie per te laat ingediend document bedraagt dus circa € 9.000,00 (maar uiteraard nooit meer dan het subsidiebedrag). Afhankelijk van het document kan de verlaging de subsidieverlening betreffen of (bij een aanvraag om subsidievaststelling) de subsidievaststelling. Stapeling van sancties kan aan de orde zijn, als de subsidieontvanger ten aanzien van meerdere verplichte subsidiedocumenten in verzuim is. Artikel 3. UitstelverzoekenUit de motivering van het uitstelverzoek moet blijken dat een tijdige indiening van een verplicht subsidiedocument voor de subsidieontvanger respectievelijk de subsidieaanvrager onmogelijk is en dat het college op grond van de aangevoerde reden redelijkerwijs niet tot het oordeel kan komen dat de aanvrager in verzuim is. Artikel 3 lid 3 - Beslissing op uitstelverzoekenHet college beslist binnen 14 dagen na ontvangst van een uitstelverzoek of dit wordt ingewilligd. Gebeurt dat niet op tijd dan kan de aanvrager het college met een beroep op de Wet dwangsommen bij niet tijdig beslissen in gebreke stellen. Het college heeft dan maximaal 14 dagen de gelegenheid om het besluit alsnog te nemen. Gebeurt dat niet binnen die termijn dan verbeurt het college een dwangsom overeenkomstig artikel 4:17 Awb. Als het college een uitstelverzoek weigert, handhaaft het college de geldende indieningstermijnen. Paragraaf 1.2 Risicoprofiel en fonds subsidies gemeente Groningen Artikel 5 Samenwerkingspartner en fonds subsidies gemeente Groningen 1. Ter nadere invulling van artikel 19 lid 2 van de ASV kan het college in het kader van de beoordeling van de subsidievaststelling toestaan dat een instelling het behaalde resultaat op door de gemeente verleende subsidie(
- s)mag doteren aan het eigen vermogen. De gemeente beoogt hiermee te voorzien in de risico’s in de bedrijfsvoering en draagt hiermee bij in de continuïteit van de relatie. 2. Deze regeling is voorbehouden aan relaties/instellingen waarmee een langdurige(
- r)subsidierelatie bestaat dan wel wordt beoogd, zijnde een zogeheten samenwerkingspartner, die: gedurende tenminste 3 opeenvolgende kalenderjaren een subsidie heeft ontvangen van tenminste € 100.000,- waarbij voor bestaande relaties geldt dat in deze jaren is voldaan aan de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 16 lid 3 of lid 4 van de ASV; en bij welke het aandeel van de gemeentelijke subsidie in het totaal van de baten in de geconsolideerde jaarrekening tenminste 25% en maximaal 75% bedraagt. 3. Dotaties aan het weerstandsvermogen zijn uitsluitend met instemming van het college mogelijk in het “fonds subsidies gemeente Groningen”. Wij definiëren dit fonds zoals bedoeld in richtlijn 640 inzake de verslaglegging van organisaties zonder winststreven. Wij stellen tenzij anders overeengekomen geen beperkingen aan de hoogte van de jaarlijkse dotatie anders dan dat deze uitsluitend mogelijk zijn indien het totale beschikbare weerstandsvermogen lager is dan het totaal van het vastgestelde risicoprofiel. Artikel 6 Risicoprofiel en weerstandsvermogen 1. Toepassing van bovenstaand artikel kan alleen plaatsvinden op basis van een door het college vastgesteld risicoprofiel. In dit door de samenwerkingspartner op te stellen document is kwalitatief beschreven en cijfermatig in relatie tot het beschikbare weerstandsvermogen uitgewerkt: welke risico’s er mogelijk zijn; wat de kansen van intreding zijn; en wat de mogelijke impact per omschreven risico is als deze zich daadwerkelijk voordoet. Het gemeentelijke risico kan nooit hoger zijn dan de jaarlijkse subsidie. Het college treedt zo nodig in overleg met de instelling over het aangeleverde risicoprofiel. 2. Het weerstandsvermogen wordt gedefinieerd zoals omschreven in artikel 373 boek 2 BW vermeerderd met de bestemmingsfondsen (voor zover het hier geen toekomstige uitvoeringsverplichtingen betreffen) en de voorzieningen voor zover betrekking hebbende op personeel, zoals o.a. ziekte en reorganisatie. 3. Als subsidiabel risico wordt in ieder geval aangemerkt voor een periode van 12 maanden de in de tariefstelling begrepen overhead. 4. Als niet subsidiabele risico’s worden in ieder geval benoemd: directe uitvoeringskosten personeel als gevolg van reorganisatie; risico’s op niet door de gemeente gesubsidieerde activiteiten; inhaalafschrijvingen als gevolg van het beëindigen van de subsidie activiteit. 5. Instellingen die een beroep doen op de relevante bepalingen zoals bovenstaand, dienen dat verzoek gelijktijdig met de aanlevering van het risicoprofiel te doen bij de jaarlijkse tussenrapportage over desbetreffend subsidiejaar. Later ingediende verzoeken worden betrokken bij de vaststelling van de subsidie in het volgende kalenderjaar. 6. De beoordeling van bovenstaand verzoek vindt plaats in het kader van de subsidievaststelling ingevolgde de artikelen 16 en 17 van de ASV. 7. Een voorstel van de instelling om een onttrekking te doen aan het fonds subsidies gemeente Groningen vereist toestemming van het college. 8. Bij beëindiging van de activiteiten en/of liquidatie van de instelling, dan wel indien het eigen vermogen tussentijds een zodanige hoogte heeft verkregen dat daarmee in de geformuleerde risico’s kan worden voorzien, valt het fonds subsidies gemeente Groningen ingevolge artikel 10 ASV geheel of gedeeltelijk toe aan de gemeente. Artikel 7 Bevoegdheid college en slotbepaling 1. In bijzondere gevallen kan het college gemotiveerd afwijken van de voorgaande bepalingen. 2. Voorgaande artikelen zijn niet van toepassing op de instellingen Groninger Forum en Stichting WIJ met wie de gemeente separate en maatgerichte afspraken heeft gemaakt (raadsbesluiten). Paragraaf0.3Kostprijsmethode Vervallen Paragraaf0.4Vermogensvergoeding Vervallen Deel 2– Sectoren en beleidsvelden Hoofdstuk1Werk en inkomen Paragraaf 1.1 Arbeidsmarktbeleid en maatschappelijke participatie Artikel1.1Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verstrekken ten behoeve van: activiteiten die gericht zijn op de deelname aan het arbeidsproces dan wel op het verbeteren van de positie op de arbeidsmarkt van werklozen; activiteiten die gericht zijn op het voorkomen van werkloosheid; overige activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau. Artikel1.2Bijzonder bepalingen/verplichtingen 1.Een aanvraag om subsidieverlening voor activiteiten waarop ook een beroep is of zal worden gedaan op fondsen van de Europese Unie, is tijdig ingediend indien deze aanvraag vóór 15 november in het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de activiteiten worden uitgevoerd, is ingediend. 2.Het college kan op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid een besluit nemen onder de voorwaarde van subsidieverlening door of vanwege de Europese autoriteit overeenkomstig de betreffende aanvraag. 3.Het college kan in verband met een doelmatige verdeling van het beschikbare budget aan subsidieontvangers met gelijksoortige activiteiten de verplichting opleggen dat zij functioneel samenwerken en hun activiteiten op elkaar afstemmen. Artikel1.3Aanvullende weigeringsgronden Het college kan in aanvulling op artikel 9 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 een subsidieaanvraag ook weigeren indien: de subsidieontvanger zich blijkens zijn statuten niet dan wel in onvoldoende mate inzet voor de bestrijding van de werkloosheid en/of de bevordering van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau; de activiteiten leiden tot doorkruising van andere werkgelegenheidsbevorderende activiteiten; de activiteiten leiden tot onredelijke concurrentie jegens derden; de activiteiten niet arbeidsmarktrelevant zijn. Artikel 1.4 Subsidieplafond en verdelingsregels 1. Voor elk kalenderjaar is voor het subsidiëren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1:2 het bedrag beschikbaar zoals dat in de begroting voor het betreffende kalenderjaar is vastgesteld. 2. Wanneer voor enig kalenderjaar het totaalbedrag van de aanvragen het bedrag als bedoeld in het eerste lid overschrijdt, worden de aanvragen toegekend op basis van de volgorde van binnenkomst bij het college. Toelichting bij hoofdstuk 1 Nadere regels subsidies gemeente GroningenParagraaf 1.1 Arbeidsmarktbeleid en maatschappelijke participatieArtikel 1:1 Subsidiabele activiteitenHet gaat in dit artikel hoofdzakelijk om activiteiten die duidelijk ten doel hebben de kansen van langdurig werklozen op de reguliere arbeidsmarkt te vergroten. Het kan hierbij gaan om werk-/leerprojecten maar ook om scholingstrajecten op allerlei niveaus. Uitgangspunt moet zijn dat er uiteindelijk voor de betrokken deelnemers aan de projecten betere kansen ontstaan op de reguliere arbeidsmarkt. Hiernaast kan het gaan om projecten die in het kader van arbeidsinschakeling een bijdrage leveren aan het vergroten van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau. Artikel 1:2 Bijzondere bepalingen/verplichtingenIn het eerste en tweede lid gaat het in de praktijk om een beroep op het Europees Sociaal Fonds. De gemeente fungeert hierbij als doorgeefluik. De Europese regeling stelt hier als voorwaarde voor de verstrekking van een subsidie dat de gemeente ofwel het te subsidiëren project zelf uitvoert ofwel zich garant stelt voor de goede uitvoering van het te subsidiëren project. Artikel 1:3 Aanvullende weigeringsgrondenHet onder a gestelde heeft ten doel te voorkomen dat puur commerciële activiteiten worden gesubsidieerd. Onder b tot en met d worden in dit artikel situaties genoemd waarin subsidieverstrekking overbodig dan wel strijdig is met de doelstelling van werkloosheidsbestrijding. Om aanvragen hierop te kunnen beoordelen zal, indien nodig, extern nader advies worden ingewonnen. Gedacht kan worden aan het UWV voor wat betreft de arbeidsmarktrelevantie en bedrijfsorganisaties (voor de verschillende bedrijfstakken) als het gaat om het aspect van oneerlijke concurrentie. Paragraaf 1.2Armoedebeleid Onderstaande Nadere regel is gebaseerd op de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 (ASV). Artikel1.5Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen aan instellingen die in belangrijke mate en effectief, daar waar nodig op een innoverende wijze, een bijdrage leveren aan het doorbreken van de armoede-overdracht van ouder op kind. Daarnaast kan subsidie worden verleend voor activiteiten die eraan bijdragen dat een bredere doelgroep met een laag inkomen kan meedoen in de samenleving, een betere kwaliteit van leven kan hebben en/of stappen kan zetten naar het voorkomen of oplossen van (dreigende) armoede. Ook kunnen te subsidiëren initiatieven bijdragen aan een betere herkenning van armoede in de samenleving of het doorbreken van het taboe erop. Artikel1:6 Doelgroep Personen met een inkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm en/of die in traject zijn bij of gebruik maken van de schuldhulpverlening van de Groningse Kredietbank (GKB), te weten: gezinnen met kinderen tot 18 jaar jongvolwassenen tot en met 23 jaar volwassenen zonder kinderen vanaf 24 jaar Artikel1:7 Subsidie per activiteit De subsidie voor de onder 1. genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel1:8 Bijzondere bepalingen/verplichtingen Met betrekking tot de inhoud van de activiteiten zijn de volgende bepalingen van toepassing: plannen voor activiteiten worden altijd samen met ervaringsdeskundigen gemaakt. Daar waar het gaat om activiteiten voor kinderen worden kinderen én hun ouders betrokken. waar mogelijk is sprake van samenwerking/ coalitievorming/verbinding met andere (maatschappelijke) partijen plaats te vinden, zodat in gezamenlijkheid een groter resultaat bereikt wordt; de activiteiten worden regelmatig geëvalueerd met mensen uit de doelgroep. Daar waar het gaat om activiteiten voor kinderen worden kinderen én hun ouders betrokken. de activiteiten verantwoord zijn in het licht van de benodigde investering (menskracht en geld). Het project/programma, initiatief of de te subsidiëren aanpak is of draagt zoveel mogelijk bij aan: inzet vanuit de samenleving voor mensen in armoede. een totaal aan activiteiten en voorzieningen die elkaar aanvullen, versterken en/of versnellen. herkenning van armoede binnen de samenleving en de verbinding naar ‘een volgende stap’. laagdrempeligheid en toegankelijkheid door de wijze van bejegening, een zo eenvoudig mogelijke inrichting en het niet botsen met andere projecten of regels. mensgerichtheid en ruimte voor maatwerk. het daadwerkelijk verzachten of wegnemen van barrières zodat de persoon de regie op het leven kan versterken of terugkrijgen. ondersteuning of aandacht die zolang duurt als de persoon dit nodig heeft zodat de persoon niet terugvalt. Artikel1:9 Beoordeling aanvragen Bij de beoordeling van een subsidieaanvraag weegt het college, indachtig de volgorde bepaling van de doelgroep, de onder a. tot en met k. genoemde onderdelen afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang beschouwd en de mate waarin de verschillende aanvragen invulling geven aan bedoelde activiteiten en geeft uitsluitsel daarover, die kan luiden: Komt in aanmerking voor subsidieverlening. Komt eerst niet aanmerking voor subsidie, wordt in gelegenheid gesteld om aanvraag aan te vullen. Komt niet in aanmerking voor subsidie omdat door andere aanbieders voldoende wordt voorzien in de geboden activiteiten. Voldoet niet of onvoldoende aan de gestelde voorwaarden, komt niet in aanmerking voor subsidieverlening. Het college kan op grond van individuele en bijzondere omstandigheden hiervan afwijken. Artikel1.10Weigeringsgronden Het college weigert een aanvraag als de voorgenomen activiteit(
- en)van de aanvragende instelling niet toegankelijk is voor de gehele doelgroep; het gaat om leer-werktrajecten; het gaat om re-integratietrajecten; de activiteiten voor volwassenen niet kortdurend zijn. Aanvragen die niet tijdig zijn binnengekomen volgens de bepalingen van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen (ASV) worden geweigerd. Artikel1.11Subsidieplafond en verdelingsregels Voor de subsidiabele activiteiten in het kader van armoedebeleid wordt jaarlijks een subsidieplafond ingesteld. Ingeval de toegelaten instellingen (die aan de voorwaarden voldoen) gezamenlijk meer subsidie aanvragen dan er aan budget beschikbaar is, wordt de subsidie toebedeeld naar rato van het bedrag van de subsidieaanvraag. Paragraaf1.3Subsidieregeling voormalige vergoeding ouderbijdrage schoolfonds Artikel1.12Begripsbepalingen Schoolbestuur: Het eindverantwoordelijke orgaan voor de beslissingen die in verband met de school worden genomen over het onderwijs. Vrijwillige ouderbijdrage: een vrijwillige financiële bijdrage van ouders aan de school van hun kind. Het schoolbestuur stelt vast hoe hoog deze bijdrage is. Het schoolbestuur bepaalt ook waaraan de school de ouderbijdrage besteedt. Het geld wordt gebruikt voor activiteiten of materialen die niet bij het verplichte lesprogramma horen. Artikel1.13Doel van de regeling Het doel van de regeling is dat scholen (bekostiging gaat via de schoolbesturen) financieel tegemoet gekomen kunnen worden ter voorziening in de kosten van de zogeheten ontbrekende vrijwillige ouderbijdragen die ouders doorgaans betalen ten behoeve voor het schoolfonds voor hun kind die onderwijs volgt bij een onderwijsinstelling. Een en ander is erop gericht dat kinderen in die schooljaargang kunnen blijven meedoen aan diverse door de school te organiseren activiteiten, zoals onder meer geformuleerd in de desbetreffende bepalingen van de onderwijswetten (vgl. o.a. artikel 13 lid 1 onder e van Wet op Primair onderwijs en 24a lid 1 onder d Wet op het Voortgezet onderwijs). Tot en met schooljaar 2020/2021 kende de gemeente de Beleidsregels vergoeding ouderbijdrage Schoolfonds (VOS) op basis waarvan ouders met een minimum inkomen een vergoeding konden krijgen voor de betaling van de vrijwillige eigen bijdrage. Nieuwe wetgeving heeft bepaald dat kinderen van ouders niet mogen worden uitgesloten van activiteiten als de vrijwillige ouderbijdrage door de ouder niet wordt of kan worden betaald. De VOS is ingetrokken zodat individuele ouderaanvragen niet meer mogelijk zijn. De beschikbare middelen die aan onderhavige subsidieregeling zijn verbonden dienen als vervanging. De bedoelde gelden kunnen als subsidie worden verstrekt aan de verschillende schoolbesturen, waarbij verdeling en toedeling plaats vindt op basis van historische gegevens over de jaren 2017-2019, zoals die bij de gemeente bekend zijn. Artikel1.14Doelgroep Schoolbesturen waaronder de verschillende scholen vallen; de scholen zelf kunnen geen subsidie aanvragen of rechtstreeks ontvangen. Artikel1.15Subsidiabele kosten Het moet gaan om de inzet van middelen die zijn bedoeld (uit zogeheten categorie 4) voor extra activiteiten buiten het verplichte onderwijsprogramma, georganiseerd door het bevoegd gezag, waaronder: excursies, introductiekamp, kerstviering, bijles, huiswerkbegeleiding en examentraining en langdurige extra-curriculaire activiteiten zoals tweetalig onderwijs. Artikel1.16Subsidievoorwaarden 1.Ingeval van subsidietoekenning is het schoolbestuur gehouden om de ontvangen subsidie te verdelen onder hun scholen, een en ander als vervanging van de Vos-gelden. 2.De besturen verdelen de gelden onder hun scholen op basis van de historische gegevens. 3.In de verantwoordingsinformatie in verband met de subsidievaststelling geeft het bestuur naast de algemene verantwoordingsvoorwaarden van de ASV aan welke scholen hoeveel middelen dat jaar hebben ontvangen. Artikel1.17Aanvraagprocedure en besluitvorming 1.Aanvragen dienen tijdig conform de ASV te worden ingediend. 2.Schoolbesturen die reeds een subsidierelatie hebben uit andere hoofde, kunnen daarin de aanvraag samenvoegen, mits apart benoemd. 3.Voor het kalenderjaar 2022 kunnen aanvragen worden ingediend van 1 januari tot 1 maart 2022. Voor de kalenderjaren daarna geldt de aanvraagtermijn zoals vermeld in artikel 7 van de ASV. 4.Beoordeling van de aanvraag en toekenning van subsidie aan het schoolbestuur vindt plaats op basis van historische gegevens, zoals deze in de periode 2017-2019 onder de toepassing van de VOS door de gemeente zijn verzameld. 5.Ingeval van toekenning zal dat percentage en bijbehorend bedrag in de subsidie-verleningsbeschikking worden vermeld. Artikel1.18Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond van deze regeling bedraagt € 142.500,-. 2.Voor aanvragers die niet in de historische gegevens zoals vermeld in voorgaand artikel zijn opgenomen is een bedrag van € 7.550,- beschikbaar. 3.Mocht het totaal van de subsidieaanvragen hoger zijn dan het subsidieplafond, wordt eerst beoordeeld op basis van de historische gegevens, zoals die bij de gemeente bekend zijn, en daarna op volgorde van binnenkomst. Artikel1:19Bevoegdheid college Het college kan in verband met bijzondere omstandigheden afwijken van voorgaande bepalingen. Hoofdstuk2Economie en werkgelegenheid (BSD) Paragraaf 2.1Regeling & Voorwaarden incidentele bijdrage naleving coronatoegangsbewijs (CTB) Artikel2:1Begripsbepalingen In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening, wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: CTB: het Nederlandse coronatoegangsbewijs is een bewijs in de vorm van een QR-code dat de houder volledig gevaccineerd is, hersteld is van een besmetting, of recent negatief getest is op het coronavirus. CTB-plichtig: bedrijven en instellingen die in de periode van 1 januari 2022 tot en met 26 maart 2022 op grond van de in die periode geldende regelgeving verplicht zijn of waren bezoekers te controleren op een geldig CTB. Artikel 2:2Doelgroep Voor subsidie als bedoeld in deze paragraaf komen uitsluitend horecaondernemers in aanmerking die, gelet op de aard van hun onderneming, CTB-plichtig waren of zijn en die in de periode 1 januari 2022 tot en met 26 maart 2022 kosten hebben gemaakt die rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van het CTB. Artikel2:3Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verstrekken als bijdrage in de kosten die gemaakt worden om ondersteuning te bieden bij of nabij voorzieningen of activiteiten die op grond van die Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 verplicht zijn om de coronatoegangsbewijzen te controleren en, onder omstandigheden, de toegang te ontzeggen en deze controle te bevorderen. Het gaat om: Verschuldigde loonkosten van werknemers en arbeidskrachten. Verschuldigd vakantiegeld, verschuldigde pensioenafdrachten en sociale zekerheidslasten, in verband met de loonkosten. In geval van externe inhuur, de kosten van werving, selectie, administratie en aansturing van werknemers en arbeidskrachten. Materiële kosten die de controle van het coronatoegangsbewijs en identiteitsdocument faciliteren. Artikel2:4Subsidie per activiteit De hoogte van de vergoeding bedraag ten hoogste € 1250,- per aanvraag. Artikel2:5Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1. Ondernemers of aanvragers moeten ten tijde van de aanvraag beschikken over de volgende SBI-code(
- s)bij hun KvK registratie: 55101, I 55102, I 56101, I 56102, I 5621, I 5630. 2. De aanvrager dient te verklaren dat: de gemaakte kosten betrekking hebben op de periode tussen 1 januari 2022 tot en met 25 maart 2022; de gemaakte kosten inclusief btw, die bijdragen aan het doel, bedoeld in artikel 3 de kosten voor CTB-controle gemaakt zijn binnen de onderneming; de kosten vallen onder de volgende posten: verschuldigde loonkosten van werknemers en arbeidskrachten; verschuldigd vakantiegeld, verschuldigde pensioenafdrachten en sociale zekerheidslasten, in verband met de loonkosten; in geval van externe inhuur, de kosten van werving, selectie, administratie en aansturing van werknemers en arbeidskrachten; materiële kosten die de controle van het coronatoegangsbewijs en identiteitsdocument faciliteren. het aanvraagformulier naar waarheid is ingevuld. 3. De aanvraag moet uiterlijk op 29 april 2022 door de gemeente zijn ontvangen. 4. Voor de aanvraag dient een door het college beschikbaar gesteld formulier te worden gebruikt. Artikel2:6Aanvullende weigeringsgronden 1. Het college weigert de subsidie voor zover het betreft: Kosten voor activiteiten waarvoor reeds een specifieke uitkering of een andere financiële bijdrage door het Rijk is verstrekt; Kosten van activiteiten waarvoor op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 recht op aftrek van omzetbelasting bestaat, dan wel recht bestaat op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds. 2. Het college kan de subsidie weigeren voor zover de ondernemingen, bedoeld in artikel 2:2, niet beschikken over de volgende SBI-codes, blijkend uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel: 55101, I 55102, I 56101, I 56102, I 5621, I 5630. Artikel2:7Subsidieplafond en verdelingsregels 1. Het subsidieplafond voor de subsidie bedoeld voor de in artikel 2:2, eerste lid bedraagt € 891.371,- . 2. Als het totaal van de aanvragen hoger is dan het betreffende subsidieplafond, dan wordt de subsidie toebedeeld op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen die aan de vereisten van deze paragraaf voldoen. Artikel2:8overgangsbepalingen Aanvragen die zijn ingediend op grond van de Regeling & Voorwaarden incidentele bijdrage naleving coronatoegangsbewijs (CTB), zoals vastgesteld door het college op 15 februari 2022, worden geacht te zijn ingediend op grond van deze paragraaf. Paragraaf 2.2Regeling & Voorwaarden incidentele bijdrage Tegemoetkoming Specifieke Sectoren Groningen Artikel2:9Doelgroep 1. Voor subsidie als bedoeld in deze paragraaf komen ondernemingen in aanmerking die het zwaarst getroffen zijn als gevolg van het Covid 19- virus. 2. Selectie op basis van ondernemingen die behoren tot sectoren die meer dan 40% omzetverlies hebben geleden volgens cijfers van het CBS. 3. Om voor subsidie als bedoeld in deze paragraaf in aanmerking te komen dienen de ondernemingen als bedoeld in het eerste lid te beschikken over de volgende SBI-codes bij de Kamer van Koophandel: Artikel2:10Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan een terugkeer naar een normale bedrijfsvoering zoals de onderneming die kende vóór de Covid-19 crisis. Artikel2:11Subsidie per activiteit De hoogte van de vergoeding bedraag ten hoogste € 1.500,- per aanvraag. Artikel2:12Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1. Ondernemers of aanvragers moeten ten tijde van de aanvraag beschikken over de in artikel 2:9 derde lid bedoelde SBI-code(
- s)bij hun KvK registratie. 2. Onderneming moet minimaal op 1 september 2021 in de gemeente Groningen zijn ingeschreven bij de KvK. 3. Ondernemers of aanvragers moeten een uittreksel van hun KvK registratie toevoegen. 4. Ondernemers of aanvragers moeten een kopie van hun zakelijke bankafschrift toevoegen. 5. De aanvraag moet uiterlijk op 29 april 2022 door de gemeente zijn ontvangen. 6. Voor de aanvraag dient een door het college beschikbaar gesteld formulier te worden gebruikt. Artikel2:13Aanvullende weigeringsgronden Het college kan de subsidie weigeren voor zover de ondernemingen niet beschikken over de in artikel 2:9 tweede lid bedoelde SBI- codes. Artikel2:14Subsidieplafond en verdelingsregels 1. Het subsidieplafond voor de subsidie bedoeld voor de in artikel 2:10 genoemde activiteiten bedraagt € 2.900.000,- . 2. Als het totaal van de aanvragen hoger is dan het betreffende subsidieplafond, dan wordt de subsidie toebedeeld op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen die aan de vereisten van deze paragraaf voldoen. Hoofdstuk3Jeugd en onderwijs Paragraaf 3.1 Voorschoolse educatie Artikel 3:1Begripsbepalingen 1. Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen: De wettelijke en door gemeente Groningen beschreven bovenwettelijke gemeentelijke eisen VVE, onderdeel van het beleidsplan Voor alle jonge kinderen gelijke kansen. 2. Voorschoolse educatie: Maatregelen en programma’s gericht op het spelenderwijs stimuleren van de brede (taal-) ontwikkeling van jonge kinderen (2 tot 4 jaar) met als doel de startcondities van kinderen te verbeteren bij hun entree op de basisschool Voorschoolse educatie wordt altijd aangeboden in een groep met enkel kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar. 3. VVE programma: Een erkend programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd van kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 6 jaar op het gebied van rekenen, taal, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut. Dit programma wordt uitgevoerd volgens de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in: - de Wet IKK – Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang; - de Wet OKE – Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie; - het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en - de bovenwettelijke gemeentelijke eisen VVE, opgenomen in het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen. Aan een VVE programma is een ouderprogramma gekoppeld. 4. VVE geïndiceerde kinderen: Kinderen vanaf 2,5 jaar die door het consultatiebureau geïndiceerd zijn voor VVE (VVE geïndiceerde peuter). 5. VVE geregistreerd kindercentrum: Een kindercentrum dat is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang en dus voldoet aan de eisen die voor een dergelijke opneming gelden, en ook geregisterd staat als VVE locatie en daarmee minimaal aan de geldende wettelijke VVE eisen voldoet. 6. VVE Vervolgaanvraag: Een subsidieaanvraag voor peuters die het tweede jaar van een VVE programma volgen. 7. Rijksnormtarief: Het normuurtarief dat het rijk hanteert voor de toekenning van de toeslag kinderopvang. 8. Basistarief: de kostprijs voor uitvoering van de wettelijke eisen voor de kinderopvang, toegespitst op peuters van 2 tot 4 jaar. 9. Kwaliteitsontwikkeling: De verdere ontwikkeling van een instelling die al voldoet aan de wettelijke VVE eisen en geregistreerd is als VVE locatie, om te voldoen aan de Groningse kwaliteitsnormen, zoals omschreven in het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen. 10. Ouderbijdrage: De eigen inkomensafhankelijke bijdrage die ouders/verzorgers aan de voorschoolse instellingen betalen. Deze bijdrage is gebaseerd op het aantal uren voorschoolse educatie dat wordt afgenomen en wordt berekend aan de hand van de rijksnorm en de kinderopvangtoeslag tabel die door het rijk is vastgesteld voor het betreffende jaar. 11. Kinderopvang toeslag tabel: Jaarlijks door het rijk vastgestelde tabel op basis waarvan aan de hand van het (gezamenlijk) toetsingskinkomen wordt berekend welk percentage van de uren dat wordt afgenomen vergoed wordt. Uitgaande van het Rijksnormtarief per uur. 12. Horizontale peutergroep: In een horizontale groep zitten kinderen van dezelfde leeftijdscategorie, in dit geval kinderen (peuters) van 2 tot 4 jaar. 13. VVE Thuisprogramma: Een programma voor ouders met kinderen van 3 tot 6 jaar die deelnemen aan voor- en vroegschoolse educatie. De activiteiten van VVE Thuis sluiten aan bij vve-programma's zoals Kaleidoscoop en Piramide. 14. KOT-peuter: Kind van ouders die een beroep kunnen doen op de kinderopvangtoeslagregeling conform de Wet kinderopvang (WKO). 15. Niet-KOT-peuter: Kind van ouders die geen beroep kunnen doen op de kinderopvangtoeslagregeling conform de WKO. 16. Standalone locatie: Een locatie waar peuters alleen gebruik kunnen maken van korte opvangmomenten (minimaal 4 uur tot maximaal 6 uur) gedurende de schoolweken gelijk aan de regeling van de gemeente Groningen. 17. Integrale locatie: Een dagopvanglocatie waar de peuters gebruik maken van een dag(deel)vullend opvangmoment in een horizontale setting van 2 tot 4 jarigen en waar peuters kunnen instromen in een kort opvangmoment gelijk aan het maximaal aantal uur per moment in deze subsidieregeling. Artikel 3:2Subsidiabele activiteiten 1. Het college kan aan de houder van een VVE geregistreerd kindercentrum subsidie verlenen voor de uitvoering van voorschoolse educatie. 2. Het college kan aan de houder van een VVE geregistreerd kindercentrum subsidie verlenen voor kwaliteitsontwikkeling op het gebied van bovenwettelijke kwaliteitseisen, op de volgende gebieden: Professionalisering: gedifferentieerd opbrengstgericht werken; VVE coaching (HBO); doorgaande lijn basisonderwijs; ouderprogramma VVE Thuis (NJI); vroegsignalering (zorg en ondersteuning); nt2 programma’s. materiaalkosten voor de uitvoering van het ouderprogramma. Artikel 3:3Subsidie per activiteit 1. De subsidie voor voorschoolse educatie bestaat uit een bijdrage per uur per geplaatst kind. Er zijn twee verschillende tarieven, één voor een standalone locatie en één voor een integrale locatie (zie bijlage 1.). 2. De bijdrage per niet-KOT-peuter bestaat uit twee componenten: een aanvulling op de inkomensafhankelijke ouderbijdrage tot de het door de gemeente vastgestelde basistarief (zie tabel tariefsopbouw, bijlage 1.); een door het college vastgestelde opslag per uur voor de door de gemeente Groningen gehanteerde kwaliteitseisen bovenop de wettelijke minimumeisen voor de uitvoering van VVE. 3. Voor niet- KOT-peuters met een VVE indicatie die minimaal 16 uur opvang afnemen geldt dat (maximaal) twee dagdelen van 4 uur volledig wordt gesubsidieerd door de gemeente Groningen. Er is voor deze uren geen ouderbijdrage noodzakelijk. 4. De bijdrage per KOT-peuter bestaat uit een door het college vastgestelde opslag per uur voor de door de gemeente Groningen gehanteerde kwaliteitseisen bovenop de wettelijke minimumeisen voor de uitvoering van VVE. 5. Voor KOT-peuters met een VVE indicatie die minimaal 16 uur opvang afnemen geldt dat (maximaal) twee dagdelen van 4 uur volledig wordt gesubsidieerd door de gemeente Groningen. Voor deze uren mag er geen kinderopvangtoeslag worden aangevraagd bij het Rijk. 6. De subsidie voor de houder van een VVE geregistreerd kindercentrum die nog niet aan de bovenwettelijke eisen zoals beschreven in het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen voldoet, maar daar wel aan werkt, bedraagt maximaal 6.000 euro per locatie. Artikel 3:4Bijzondere bepalingen en verplichtingen 1. In aanvulling op artikel 7 en 8 respectievelijk 13 en 14 van de Algemene subsidieverordening moet de aanvraag om subsidieverlening voor voorschoolse educatie zijn voorzien van: een opgave van het aantal kinderen en VVE geïndiceerde kinderen voor wie de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd met daarbij duidelijk vermeld het aantal VVE vervolgaanvragen; een beschrijving en invulling van een effectief bewezen voorschoolse educatie programma, dat is opgenomen in de databank van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI). een SMART beschreven plan voor kwaliteitsontwikkeling. 2. De ontvanger van een subsidie voor voorschoolse educatie: voldoet aan de wettelijke VVE eisen; voldoet of zal binnen een overeengekomen termijn voldoen aan het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen. 3. voorschoolse educatie wordt uitgevoerd: gedurende 8, 12 of 16 uur per week, afname te bepalen door de ouders; indien 8 uur, verspreid over 2 dagdelen en 2 dagen per week, indien 12 of 16 uur, verspreid over 3 of 4 dagdelen en 3 dagen per week; gedurende 40 weken per jaar. 4. indien de voorschoolse educatie wordt uitgevoerd ten behoeve van VVE geïndiceerde kinderen: gedurende 16 uur per week; verspreid over 3 of 4 dagdelen en 3 dagen per week; gedurende 40 weken per jaar. 5. De instelling levert gegevens voor de VVE toeleidingsmonitor van Jeugdgezondheidszorg GGD Groningen en voor de gemeentelijke VVE monitor. 6. In aanvulling op artikel 8 respectievelijk artikel 14 van de verordening moet het activiteitenplan zijn voorzien van informatie over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichtingen in lid 1 tot en met 5 van dit artikel. 7. De ontvanger van een subsidie voor kwaliteitsontwikkeling besteedt de subsidie aan het opleiden van personeel teneinde te gaan voldoen aan het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen. Kosten voor personele vervanging zijn niet subsidiabel. Artikel 3:5Rapportage verplichtingen 1. In aanvulling op artikel 12 respectievelijk artikel 17 van de verordening legt de subsidieontvanger verantwoording af over: het aantal (doelgroep) kinderen, onderscheiden naar de groepen genoemd volgens artikel 3:5 1 t/m 6; het aantal bezette dagdelen en/of uren per kind; de wijze waarop invulling is gegeven aan de verplichtingen in artikel 3:6; het navolgen van de eisen in het Programma van eisen. 2. In aanvulling op artikel 12 respectievelijk artikel 17 van de verordening legt de subsidieontvanger behalve bij de aanvraag tot subsidievaststelling ook elk kwartaal verantwoording af over lid 1 onder a. 3. Als onderdeel van de rapportage overlegt de instelling jaarlijks een evaluatie van de uitgevoerde VVE activiteiten. Artikel3:6Weigeringsgronden 1. Het college weigert subsidie indien: De instelling geen geregistreerde VVE locatie heeft. Er niet gewerkt wordt met horizontale peutergroepen. 2. Het college kan subsidie weigeren indien er niet binnen de overeengekomen termijn wordt voldaan aan de Groningse kwaliteitseisen. Artikel 3:7 Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor voorschoolse educatie zijn de subsidieplafonds gelijk aan de daarvoor in de gemeentebegroting opgenomen bedragen. 2.VVE Vervolgaanvragen gaan voor op andere subsidieaanvragen voor voorschoolse educatie. 3. Subsidieaanvragen voor voorschoolse educatie gaan voor op subsidieaanvragen voor kwaliteitsontwikkeling. 4. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan de subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over nadien ontvangen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. 5. Als na toekenning van de subsidies voor voorschoolse educatie nog middelen resteren, worden de subsidieaanvragen voor kwaliteitsontwikkeling in behandeling genomen. 6. Als het totaal van de subsidieaanvragen voor kwaliteitsontwikkeling hoger is dan de subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt: nieuwe aanvragen hebben voorrang boven vervolgaanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over vervolgaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 3.3 Jongerenwerk (vervallen) Paragraaf 3.4Opstap, opstapje, instapje (vervallen zijn de artikelen 3:13 tot en met 3:17).f [Klik hier om het document te downloaden] Paragraaf 3.5 Cultuureducatie (vervallen zijn de artikelen 3:18 tot en met 3:23). [Klik hier om het document te downloaden] Paragraaf 3.6Materiële financiële gelijkstelling onderwijs (vervallen zijn de artikelen 3:24 tot en met 3:29) [Klik hier om het document te downloaden] Paragraaf 3.7Kinderactiviteiten (vervallen) Paragraaf 3.8Wetenschap & techniek Artikel 3:35Begripsbepaling In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: a. activiteiten wetenschap & techniek: activiteiten van de in artikel 3:36 genoemde functie, die gericht is op kinderen en jongeren in de leeftijd van 4 – 18 jaar; b. stedelijk: activiteiten die op een centrale locatie in de stad plaatsvinden en die gericht zijn op kinderen en jongeren uit de gehele stad; c. wijkgericht: activiteiten die op een locatie in de wijk plaatsvinden en die gericht zijn op kinderen en jongeren uit die wijk. Artikel 3:36Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten wetenschap & techniek in het kader van de volgende functie: het ontdekken en ontwikkelen van talenten op het gebied van wetenschap & techniek. Artikel 3:37Subsidie per activiteit De subsidie voor de in artikel 3:36 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel 3:38Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.Met betrekking tot de inhoud van de activiteiten wetenschap & techniek zijn de volgende verplichtingen van toepassing: de activiteiten zijn zowel stedelijk als ook wijkgericht; de activiteiten vinden buiten schooltijd plaats. 2.Met betrekking tot de subsidieaanvraag zijn de volgende bepalingen van toepassing: de subsidieaanvraag moet zijn voorzien van een activiteitenaanbod, onderscheiden in: laagdrempelige inloopactiviteiten, cursorische activiteiten, evenementen en projecten; naar stedelijke en wijkgerichte activiteiten. een inschatting van het aantal te bereiken kinderen/jongeren per onderscheiden activiteit; een plan van aanpak voor samenwerking met andere relevante partijen; een plan van aanpak voor het realiseren van cofinanciering vanuit het rijk, de provincie, het bedrijfsleven, fondsen, eigen inkomsten e.d.; een plan van aanpak voor scholing voor vrijwilligers. Artikel 3:39Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor de in artikel 3:36 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:36 en 3:38. Toelichting Artikel 3:36 De activiteiten zijn gericht op leren ontwerpen, onderzoeken en ontdekken en het stimuleren van nieuwsgierigheid, creativiteit en oplossend vermogen. De activiteiten stimuleren de belangstelling voor wetenschap & techniek op jonge leeftijd met als doel dat meer jeugdigen op latere leeftijd kiezen voor een technische opleiding. Artikel 3:38lid 1 onder a. De activiteiten vinden zowel stedelijk als wijkgericht plaats, maar de nadruk dient te liggen op wijkgerichte activiteiten. Het aantal kinderen dat aan de activiteiten meedoet, is daarbij maatgevend. Artikel 3:38lid 2 onder c. Onder andere relevante partijen worden bijvoorbeeld Kunstencentrum groep, Science Center Noord, SKSG, MJD en het bedrijfsleven verstaan. Artikel 3:39lid 2 onder b. Welke subsidieaanvragen het beste voldoen wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria: het ontdekken en ontwikkelen van talenten op het gebied van wetenschap & techniek (artikel 3:36); het realiseren van activiteiten in de wijken (artikel 3:38 lid 1 onder a.); samenwerking met relevante partijen (artikel 3:38 lid 2 onder c.); het realiseren van cofinanciering (artikel 3:38 lid 2 onder d.), in de volgorde waarin de criteria genoemd zijn. Paragraaf 3.9Sport- en spelcontainers (vervallen) Paragraaf 3.10Schakelgroepen jonge kinderen Artikel 3:45Begripsbepaling Artikel 3:45 Begripsbepaling In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: a. schakelgroepen jonge kinderen i. in een schakelgroep wordt intensieve en uitgebreide taalstimulering aangeboden, uitgevoerd door een extra leerkracht (VVE gekwalificeerd) en gekoppeld aan een breed erkend VVE programma dat tevens wordt uitgevoerd in de reguliere groep; ii. een schakelgroep kan binnen of buiten de reguliere groep worden vormgegeven; b. doelgroepkinderen kinderen in de groepen 1 tot en met 3 waarvan de ouders een laag opleidingsniveau hebben conform de gewichtenregeling of kinderen die opgroeien in een niet stimulerende taalrijke thuisomgeving; c. VVE programma een erkend voorschools programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd van kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 7 jaar op het gebied van rekenen, taal, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling. d. ouderprogramma programma bedoeld om ouders te ondersteunen bij de ontwikkelingsstimulering van hun kind. Dit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut. Artikel 3:46Subsidiabele activiteiten Het college kan aan een schoolbestuur subsidie verlenen voor het organiseren van schakelgroepen met als doel achterstanden op basisvaardigheden zoals taal en rekenen te voorkomen en de leerwinst van doelgroepkinderen die hebben deelgenomen aan een schakelgroep te verhogen. Artikel 3:47Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1. Met betrekking tot de inhoud van de schakelgroepen jonge kinderen zijn de volgende verplichtingen van toepassing: leerlingen in de schakelgroep ontvangen de extra taalstimulering tenminste 10 uur per week en gedurende een schooljaar; het gemiddelde aantal leerlingen in een schakelgroep is 10, met een minimum van 8 en een maximum van 12 per groep; deelnemende scholen registreren ten behoeve van de lokale VVE Monitor. 2. De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van: een indicatie van het aantal doelgroepkinderen; het aantal schakelgroepen. Artikel 3:48Subsidieplafond en verdelingsregels 1. Voor de in artikel 3:46 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen. 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:46 en 3:48. Toelichting De VVE groepen/schakelgroepen voldoen aan de kwaliteitseisen voor VVE die de onderwijsinspectie heeft gesteld. Instellingen die subsidie ontvangen werken aan de punten die uit de VVE bestandsopname als verbeterpunten naar voren zijn gekomen. In de Bestuursafspraken G4/G33-Rijk Effectief benutten van vve en extra leertijd voor jonge kinderen zijn hierover aanvullende afspraken gemaakt. Artikel 3:45 onder bDe indicatie vindt in de voorschoolse leeftijd plaats via het consultatiebureau. Het gaat hierbij om kinderen in de groepen 1 tot en met 3 van wie de ouders een laag opleidingsniveau hebben, conform de gewichtenregeling of kinderen die opgroeien in een niet stimulerende taalrijke thuisomgeving. Artikel 3:45 onder cDit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut. Artikel 3:46Een schakelgroep bestaat uit gemiddeld 10kinderen met een minimum van 8 en een maximum van 12. Voor een lager aantal kinderen wordt een lager bedrag gesubsidieerd. Voor een hoger aantal kinderen geldt het maximaal aan te vragen bedrag. Artikel 3:47De schakelgroepen worden zoveel mogelijk uitgevoerd in aansluiting op en in doorgaande lijn met een voorschoolse VVE programma. Toelichting Paragraaf 3.11Schakelgroepen nieuwkomers Artikel 3:50Begripsbepaling In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: schakelgroepen: in een schakelgroep wordt tijdelijk intensieve taalondersteuning geboden aan kinderen die de Nederlandse taal niet of nauwelijks spreken doelgroepkinderen: kinderen vanaf 6 jaar die de Nederlandse taal niet spreken en bij de instroom in de schakelgroep korter dan 1 jaar in Nederland verblijven (nieuwkomers). Artikel 3:51Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor het tot stand brengen van vier schakelgroepen op vier locaties (inclusief de coördinatie hiervan) en het lesgeven van de Nederlandse taal aan doelgroepkinderen met als doel door te stromen in het reguliere onderwijs. Artikel 3:52Subsidie per activiteit De subsidie voor de in artikel 3:51 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 50% van de noodzakelijke kosten tot een maximum van € 40.000 per groep. Artikel 3:53Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.Met betrekking tot de inhoud van de schakelgroepen nieuwkomers zijn de volgende verplichtingen van toepassing: het programma voor de schakelgroepen voor nieuwkomers sluit zodanig aan op het regulier onderwijsprogramma dat doelgroepkinderen kunnen doorstromen; nieuwkomers nemen maximaal 1,5 jaar deel aan een schakelgroep voor nieuwkomers en stromen vervolgens door naar een reguliere (buurt) school; deelnemende scholen registreren het aantal kinderen dat heeft deelgenomen aan de schakelgroep en doorstroomt in het reguliere basisonderwijs. 2.De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van: de eigen bijdrage van het schoolbestuur aan de schakelgroep voor nieuwkomers; een indicatie van het aantal doelgroepkinderen; het aantal schakelgroepen. Artikel 3:54Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor de in artikel 3:51 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen. Indien het totaal van de geldige vervolgaanvragen hoger is dan het subsidieplafond, dan worden de aanvragen naar rato toegekend; Indien na het toekennen van de vervolgaanvragen het subsidieplafond nog niet bereikt is, dan worden de resterende aanvragen naar rato toegekend. Paragraaf 3.12Rebound (vervallen zijn de artikelen 3:55 tot en met 3:59) Paragraaf 3.13Jeugdhulp Artikel 3:60Begripsbepalingen In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: Collectieve jeugdhulp in het onderwijs: collectief aangeboden ondersteuning op school gericht op leerlingen met ondersteunings- en zorgvragen, zodat zij in staat worden gesteld om optimaal gebruik te maken van het hen geboden onderwijs, en zo ondersteund worden dat zij zich optimaal kunnen ontwikkelen binnen hun eigen mogelijkheden. Deze ondersteuning is toegankelijk zonder zorgtoewijzing. Artikel 3:61Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor collectieve jeugdhulp in het onderwijs. Artikel 3:62Bijzondere bepalingen en verplichtingen Met betrekking tot de in houd van de collectieve jeugdhulp in het onderwijs zijn de volgende aanvullende bepalingen van toepassing: collectieve jeugdhulp in het onderwijs vindt plaats in het kader van de Jeugdwet en de Wet passend onderwijs en is aanvullend op (collectieve) ondersteuning die het onderwijs zelf biedt in het kader van Passend onderwijs; collectieve jeugdhulp in het onderwijs vervangt (een deel van) de individuele jeugdhulp in school waarvoor individuele leerlingen in het kader van de Jeugdwet en op basis van een individuele zorgtoewijzing voor in aanmerking zouden komen; de inzet van collectieve jeugdhulp in het onderwijs vindt altijd plaats in overleg met de gemeente Groningen; de hulp voldoet tenminste aan de kwaliteitseisen van de Jeugdwet en de AVG; de meldcode kindermishandeling wordt gehanteerd; de onderwijsinstelling en de jeugdhulpaanbieder zijn aangesloten bij de verwijsindex Zorg voor Jeugd Groningen. Artikel 3:63Subsidieplafond en verdelingsregels 1. Voor de in artikel 3.61 genoemde activiteiten wordt jaarlijks een subsidieplafond ingesteld. 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond, is de werkwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld op basis van welke subsidieaanvragen het beste voldoen aan artikel 3.61 en 3.62. Paragraaf 3.14Ondersteuning Schoolbibliotheek (vervallen) Paragraaf 3.15Leerlingbegeleiding (vervallen) Paragraaf 3.16School Maatschappelijk Werk (vervallen) Paragraaf 3.17Vensterscholen Artikel 3:78Begripsbepaling In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: Vensterschool: Een samenwerkingsverband van onderwijs en kinderopvang, dat zich richt op de ontwikkeling van kinderen vanuit een gezamenlijk pedagogisch fundament. Schoolbestuur: Het bestuur/bevoegd gezag van een Vensterschool. Positief opgroeien: Het streven van de gemeente Groningen waarbij kinderen, samen met hun ouders, gezond, veilig en kansrijk opgroeien in een stimulerende – bij voorkeur eigen – omgeving, waarin kinderen alle kansen krijgen om hun talenten te ontwikkelen, actief mee te doen en hun stem te laten horen. Vensterschool 3.0: Een in de gemeente Groningen gevestigde school, die een intensieve en vergaande samenwerking heeft met partners in de wijk. Een vensterschool is een pedagogische (inclusieve) voorziening georganiseerd rond de ontwikkelbehoefte van kinderen. Waarin ouders mee doen, mee praten en beslissen en kinderen een stem hebben. Artikel 3:79Doelgroep Subsidie kan uitsluitend aangevraagd worden door Schoolbesturen. Schoolbesturen kunnen op basis van een Plan van Aanpak Vensterschool 3.0, mogelijk verwerkt in een wijkplan of als onderdeel van hun schoolplan een subsidieaanvraag doen. Daarbij geldt dat: meerdere partijen zijn betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van het Plan van Aanpak; de te subsidiëren activiteiten dragen bij aan het realiseren van de ambitie van Positief Opgroeien. Artikel 3:80 Subsidiabele activiteiten Het college kan voor de volgende activiteiten subsidie verstrekken: De doorontwikkeling naar de vorming van Vensterschool 3.0, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:82 lid 1. Activiteiten die bijdragen aan het bevorderen van talentontwikkeling en voorkomen van segregatie, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:82 lid 2. Artikel 3:81Subsidie per activiteit 1.De subsidie voor de in artikel 3:80 genoemde activiteiten bedraagt maximaal € 15.000,- per Vensterschool. 2.Het college kan in bijzondere gevallen, ter beoordeling van het college, ten gunste van de aanvrager afwijken van de het maximum genoemd in het eerste lid. Artikel3:82Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1. Voor de subsidieverstrekking voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:80 eerste lid, gelden de volgende bepalingen: Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking: tijdelijke extra personele inzet op locatie; tijdelijke inhuur van specifieke externe deskundigheid; deskundigheidsbevordering en gezamenlijke studiedagen van personeel in relatie tot de doorontwikkeling van Vensterschool 3.0. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient sprake te zijn van scholen met een achterstandsscore, conform de gegevens van het CBS en DUO, waarin wordt gewerkt aan tenminste 2 van de volgende resultaten, waarbij uitwerking wordt gegeven in een eigen specifieke plan: De samenwerkende kernpartners school en kinderopvang en waar mogelijk de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) en WIJ-team werken volgens een gezamenlijke pedagogisch en educatieve visie; De medewerkers van school en kinderopvang werken vanuit één aansturing als één team samen met elkaar en met andere partijen en maken optimaal gebruik van elkaars expertise; De samenwerkende partners; school, kinderopvang, JGZ, WIJ-team en andere partijen stemmen inhoudelijk en organisatorisch programma’s en activiteiten op elkaar af zodat doorgaande leer- en ontwikkelingslijnen (incl. daar waar nodig passende ondersteuning) ontstaan en zij dagarrangementen kunnen realiseren voor ouders die dat willen en kinderen die extra naschools aanbod nodig hebben; De samenwerkende partners onderwijs, kinderopvang, JGZ en WIJ-team realiseren een gezamenlijke ondersteuningsstructuur en werken samen aan het realiseren van voorwaarden die maken dat alle kinderen optimaal kunnen profiteren van het geboden onderwijs; De samenwerkende partners (school, kinderopvang en waar mogelijk de JGZ en WIJ-team) realiseren een gezamenlijke ouderbeleid. 2. Voor de subsidieverstrekking voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:80 tweede lid, geldt dat de te subsidiëren activiteiten dienen te zijn gericht op: Het ontdekken en ontwikkelen van diverse talenten van kinderen; Het opdoen van nieuwe, bredere of verdiepende kennis of ervaring door kinderen; Versterking van studievaardigheden van kinderen; Het als school en kinderopvang, samen met betrokken partners in de wijk, actief bijdragen aan het ontwikkelen en borgen van een dekkend talentvol en ontdekkend aanbod voor kinderen van 0 -13 jaar, passend bij de wensen in de wijk, met als doel om de ambities van Positief Opgroeien te realiseren, bij voorkeur in de wijken waar wij als gemeente Positief Opgroeien stimuleren (Selwerd/Paddepoel/Tuinwijk, Lewenborg, Beijum, de Korrewegwijk en De Wijert). Artikel 3:83Aanvullende weigeringsgronden Het college kan subsidie weigeren indien niet of onvoldoende voldaan wordt aan de bepalingen van artikel 3:82. Artikel 3:84Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor het totaal van de in artikel 3:80 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: De Vensterschool met een hoger aantal leerlingen met (een risico
- op)een onderwijsachterstand heeft voorrang boven een Vensterschool met een lager aantal leerlingen met (een risico
- op)een onderwijsachterstand. De achterstandsscore wordt berekend door DUO en CBS. Paragraaf3.18Tijdelijke regeling jongeren activiteiten COVID-19 Artikel3:85Begripsbepalingen 1. Coronamaatregelen: alle maatregelen die door het Rijk en de veiligheidsregio omwille van de veiligheid zijn gesteld vanaf 12 maart 2020 om de verspreiding van het COVID-19-virus tegen te gaan, zoals sluiting van theaters, afgelasten van evenementen, samenkomsten en concerten. Artikel3:86Doel van de regeling Het doel van de regeling is een aanvullend aanbod voor jongeren van 12-27 jaar te bieden om daarmee de gevolgen van de beperkingen van de coronamaatregelen voor hun mentale en fysieke gezondheid te verminderen. Artikel3:87Doelgroep Instellingen die activiteiten aanbieden voor jongeren voor een zinvolle vrijetijdsbesteding die uitvoerbaar zijn tijdens de beperkingen van de corona maatregelen komen in aanmerking voor deze regeling. Artikel3:88Subsidiabele kosten 1. Voor instellingen die al een subsidie ontvangen voor soortgelijke activiteiten, dan wel een subsidie ontvangen op grond van Hoofdstuk 3 van de Nadere regels subsidie gemeente Groningen, zijn de meerkosten van het organiseren van een alternatief programma subsidiabel. 2. Voor instellingen die voor deze activiteiten nog geen subsidie ontvangen, zijn de volledig gemaakte kosten, als zijnde noodzakelijk, subsidiabel. 3. Beoordelingscriteria activiteit: De activiteit biedt een alternatief passend binnen de geldende coronabeperkingen. Het uitgangspunt is dat de activiteit fysiek wordt aangeboden, zolang dit nog niet toegestaan is i.v.m. met de coronamaatregelen, moet de activiteit digitaal aangeboden kunnen worden. De activiteit wordt in samenwerking met partners georganiseerd. De activiteit is aanvullend op bestaand aanbod. De activiteit kan worden doorgezet na versoepeling of opheffing coronamaatregelen tot aan de einddatum subsidieverstrekking. Artikel3:89Aanvraagprocedure 1. De uiterste datum voor het indienen van een aanvraag is 1 juni 2021. 2. Een instelling mag subsidie aanvragen voor meerkosten of nieuwe activiteiten of beide. 3. De schriftelijk gemotiveerde aanvraag dient te bestaan uit: Een berekening van de netto meerkosten, indien van toepassing; Een omschrijving en begroting van de activiteit(en). Artikel3:90Budget-/subsidieplafond en verdeelregel 1. Het subsidieplafond van deze regeling bedraagt € 100.000,-. 2. Per aanvraag is maximaal € 10.000,- beschikbaar. 3. De subsidie wordt op volgorde van binnenkomst verdeeld, waarbij de aanvraag aan 4 van de 5 beoordelingscriteria moet voldoen. Artikel3:91Bevoegdheid college Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van hetgeen in voorgaande artikelen staat vermeld. Artikel3:92Tijdelijke nadere regel Deze tijdelijke nadere regel geldt tot en met 31 december 2021. Paragraaf3.19Subsidieregeling Jeugd expertise netwerk Noord-Nederland (JENN) Artikel 3:93 Begripsbepalingen Jeugd expertise netwerk Noord-Nederland (verder genoemd: JENN) Het JENN heeft drie verschillende functies: Consultatie en advies Organiseren van hulp Kennis- en leerfunctie Deze functies zijn beschreven en toegelicht in de kamerbrief van 17 juni 2020 VWS kenmerk 1700326-20496. Artikel3:94 Doel van de subsidieregeling De gemeente Groningen is voor de jeugdregio’s Groningen, Friesland en Drenthe in de ‘Regeling specifieke uitkering opzet expertisecentra jeugdhulp 2020’ aangewezen als coördinerend gemeente voor de opzet en realisatie van het bovenregionale jeugdexpertisenetwerk. Om dit netwerk op te zetten is een projectteam en een bestuurlijk overleg opgericht met deelnemers vanuit gemeenten en verschillende jeugd(hulp) expertisegebieden. Om invulling te geven aan de doelstelling van het netwerk en die bijdragen aan de ambities ‘geen kinderen tussen wal en schip: 0 zoekende jeugdigen, ouders en professionals met een vraag naar expertise en passende zorg’ worden middelen verstrekt aan initiatieven die vallen binnen de functies 2. en 3. Bij ‘organiseren van hulp’, gaat het om een tijdelijke en eenmalige bijdrage in de (ontwikkel-, onderzoeks- en pilot)kosten van een initiatief dat bijdraagt aan de doelstellingen van het netwerk. Een initiatief kan zijn een nieuwe of innovatieve voorziening/dienst voor jeugdigen met een complexe zorgvraag. Het gaat nadrukkelijk niet om het financieren van zorg voor individuele casussen. Voor advies, consultatie en maatwerkoplossingen is wel geld gereserveerd binnen het JENN. Dit wordt niet uitgegeven via deze subsidieregeling, maar is gekoppeld aan de drie provinciale expertiseteams. Dat is de geeigende route voor specifieke casuistiek. De besluitvorming over het aanwenden van middelen in dit kader vindt plaats in het bovenregionaal overleg van de voorzitters van de drie regionale expertiseteams. Bij de kennis- en leerfunctie gaat het om een bijdrage aan initiatieven die bijdragen aan het ontwikkelen van kennis (bijvoorbeeld onderzoek of monitoring), het delen ervan of aan het toepassen van kennis. Dit alles in het licht van de doelstelling van het JENN. Deze subsidieregeling stimuleert initiatieven en (bovenregionale) expertise netwerken in noord nederland zodat aan jongeren die kampen met zeer complexe en meervoudige problematiek voor wie binnen de bestaande zorginfrastructuur geen passende oplossing voorhanden is, adequaat op maat hulp en ondersteuning kan worden gegeven (domein overschrijdende oplossingen). De subsidieregeling is aanvullend op de reeds lopende initiatieven, in het verlengde en als aanvulling op de gemeentelijke zorgplicht uit de Jeugdwet en als uitwerking van bovengenoemde kamerbrief van 17 juni 2020. Artikel3:95 Doelgroep Jongeren tot 23 jaar met weinig voorkomende ernstige psychiatrische en anderszins complexe problematiek voor wie gespecialiseerde hulp nodig is en die nu geen passende zorg krijgen. Zie hiertoe https://jennoord.nl/ onder documenten: ‘doelgroep en knelpunten per doelgroep’. Het gaat hierbij om passende zorg voor de doelgroep afkomstig uit Drenthe, Friesland en Groningen. Artikel3:96 Subsidiabele kosten 1. In aanmerking voor subsidie komen initiatieven gerelateerd aan de functies 2. en 3. , die bijdragen aan een oplossing voor de problematiek en de ambitie van het JENN, zoals: Ontwikkelkosten zoals kosten voor het toerusten/trainen van (pleeg)ouders, vrijwilligers en professionals, coördinatiekosten en kosten voor keurmerken/verplichte registraties. Opstartkosten/aanloopkosten in verband met het nog niet op de volledige inzet kunnen draaien vanaf het startmoment. Kosten in verband met de kennis en leerfunctie 2. Start en eerste bestedingen dienen plaats te vinden in 2021. Uiterlijk 31 december 2022 moeten de toegekende middelen zijn aangewend. Reguliere zorgfinanciering valt buiten deze regeling (zie ook 3:97 lid j). Artikel3:97 Subsidievoorwaarden 1. De toetsingscriteria voor de functie ‘organiseren van hulp’ luiden: Het initiatief draagt bij aan de geformuleerde doelstelling ‘Geen kinderen tussen wal en schip: 0 zoekende jeugdigen, ouders en professionals met een vraag naar expertise en passende zorg’ en het biedt een oplossing voor een of meer van de genoemde knelpunten in de zorg, de doelgroepen of de ‘knoppen’ uit de 0-plaat (zie https://jennoord.nl/ voor de inventarisatie knelpunten en doelgroepen en 0-plaat) Het initiatief speelt in op een actuele (zorg)vraag waar onvoldoende passend aanbod voor is binnen de bestaande contractering (bijv. een nieuw aanbod of een nieuwe combinatie van bestaande). Het initiatief draagt bij aan continuïteit in de zorg aan de genoemde doelgroepen (bijvoorbeeld door betere samenwerking in de keten of door bieden van betere aansluitend zorgaanbod) Het initiatief zorgt ervoor dat deze kinderen een passend aanbod (zorg en/of woonplek) krijgen. Het initiatief is nieuw of vernieuwend in het zorglandschap. Er is een beschrijving van het initiatief beschikbaar waarin duidelijk is beschreven wat het initiatief inhoudt, voor wie het is bedoeld, omvang van de doelgroep, wat de kosten zijn (financiële onderbouwing van de kosten inclusief inzicht in co-financiering) en wat de de beoogde effecten zijn en hoe deze worden gemonitord. Vooraf wordt onderzocht of er vergelijkbare initiatieven in de 3 regio’s zijn. Als dat het geval is, wordt toegelicht wat het initiatief hieraan toevoegt, hoe verbinding kan worden gemaakt en hoe kennis uit vergelijkbare initiatieven aan elkaar wordt verbonden. In de opzet en uitvoering van het initiatief wordt meegenomen wat en hoe de drie regio’s kunnen leren van het initiatief (overdraagbaarheid). De aanvragende partij maakt zichtbaar dat zij beschikt over de benodigde expertise voor het initiatief. De financiële bijdrage is incidenteel van van aard, waarbij besteding start in 2021 en door mag lopen tot uiterlijk 31 december 2022. In de aanvraag wordt aangegeven hoe de financiering in de toekomst zal plaatsvinden uit reguliere middelen. 2. de toetsingscriteria voor de kennis- en leerfunctie luiden: Voorstel past binnen de geformuleerde doelstelling ‘Geen kinderen tussen wal en schip: 0 zoekende jeugdigen, ouders en professionals met een vraag naar expertise en passende zorg’ en sluit aan bij een of meer van de genoemde knelpunten in de zorg, de doelgroepen of de ‘knoppen’ uit de 0-plaat (zie https://jennoord.nl/ voor de inventarisatie knelpunten en doelgroepen en 0-plaat). Er is een beschrijving waarin duidelijk is beschreven wat het initiatief inhoudt, voor wie het is bedoeld, omvang van de doelgroep, wat de kosten zijn (financiële onderbouwing van de kosten incl. inzicht in de inzet van reguliere financiering en bijdrage aanvragende partners) en de opbrengsten. Vooraf wordt onderzocht of er vergelijkbare initiatieven in de 3 regio’s zijn. Als dat het geval is, wordt toegelicht wat het initiatief hieraan toevoegt. In de opzet en uitvoering van het initiatief wordt meegenomen wat en hoe de 3 regio’s kunnen leren van het initiatief (overdraagbaarheid). Artikel3:98 Aanvraag- en beoordelingsprocedure 1. Schriftelijke aanvragen kunnen worden ingediend tot 17 september 2021, welke geldt als uiterste datum; 2. Er kan subsidie worden aangevraagd voor de functie ‘organiseren van hulp’ en/of voor de kennis- en leerfunctie; 3. Bij de aanvraag dient gebruik te worden gemaakt van het daartoe beschikbaar gestelde aanvraagformulier,op te vragen bij info@jennoord.nl. 4. Uit alle ontvankelijke (complete) aanvragen maakt het college op advies van het projectteam JENN een selectie welke aanvragen in aanmerking komen voor subsidie. 5. De selectie vindt plaats door te toetsen aan de in artikel 3:94 omschreven doelstelling. 6. Deze toetsing wordt uitgevoerd door een team van deskundigen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een wegingskader met puntenstelsel, waarbij per onderdeel een score wordt toegekend van 1 tot maximaal 5 punten. 7. Indien na weging en selectie blijkt dat meerdere aanvragen als positief worden beoordeeld en overschrijding van het subsidiebudget dreigt, wordt een nadere kwalitatieve rangordening gemaakt op basis van impact en effectiviteit, dan wel dat een initiatief wordt voorgedragen om in aanmerking te komen voor subsidieverstrekking in een volgend(
- e)subsidieperiode c.q. begrotingsjaar. Artikel3:99 Budget-/subsidieplafond en verdeelregel 1. Het subsidieplafond van deze regeling is gelijk aan het bedrag dat in de daartoe geldende begroting van 2021 is opgenomen 2. Per aanvraag is maximaal € 250.000,- beschikbaar. Artikel 3:100 Subsidieaanvragen tot € 5000,- 1. Voor subsidieaanvragen van ‘geringe omvang’ tot een bedrag van € 5000,- geldt een afwijkende beoordelingsprocedure; er wordt niet getoetst op de criteria ‘bijdragen aan contiuiteit van zorg’ en ‘beschrijving van structurele/reguliere bekostiging’. Het initiatief dient bij te dragen aan de ambitie van JENN (0-plaat: https://jennoord.nl/) 2. Bij de aanvraag kan volstaan worden met een korte inhoudelijke beschrijving van de plannen/ het initiatief, een en ander voorzien van een begroting. Gebruik wordt gemaakt van het aanvraagformulier ‘subisidieaanvragen tot € 5.000,- op te vragen bij info@jennoord.nl 3. De indiener van een positief gewogen subsidieaanvraag, kan door het projectteam JENN worden uitgenodigd presentatie te geven. 4. Op deze subsidieaanvragen is artikel 15 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen (ASV) van toepassing. 5. Voor deze subsidieaanvragen, die gedurende het lopende jaar ingediend kunnen worden, geldt per kalenderjaar een subsidieplafond van € 50.000,-; In geval van budgetoverschrijding geldt als regel de volgorde van binnenkomst. Artikel 3:101 Tijdelijke nadere regel Deze nadere regel geldt tot en met 31 december 2022 en is gerelateerd aan middelen die in 2020/ 2021 beschikbaar zijn gesteld. Artikel 3:102 Bevoegdheid college Op grond van bijzondere omstandigheden kan het college gemotiveerd afwijken van een van bovenstaande bepalingen. Paragraaf 3.20 Subsidieregeling taalhuizen arbeidsmarktregio Groningen Artikel 3:103 Afkortingen en begripsomschrijvingen WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs. Taalhuis: een herkenbare, fysieke plek die als ontmoetingsruimte van de wijk, het dorp of de stad fungeert waar iedereen terecht kan die aan de slag wil met basisvaardigheden als lezen, schrijven, spreken, rekenen en digitale vaardigheden. Daarnaast is het een helpdesk voor taalvrijwilligers. Het doel is een laagdrempelige voorziening te creëren ter bestrijding van laaggeletterdheid. Contactgemeente: gemeente Groningen. Arbeidsmarktregio Groningen: omvat de gemeenten Aa en Hunze, Assen, Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen, Noordenveld, Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Tynaarlo, Veendam, Westerkwartier en Westerwolde. Artikel 3:104 Doelstelling De subsidie heeft tot doel het opzetten, uitvoeren en realiseren van non-formele educatie zoals is vastgelegd in het beleidsplan en de WEB, middels het opzetten van taalhuizen, werven en trainen van vrijwilligers, aanschaf en onderhoud lesmateriaal en het aangaan van samenwerkingsverbanden met uitvoerders. Met als uiteindelijke doel het creëren van een laagdrempelige voorziening ter bestrijding van laaggeletterdheid. Artikel 3:105 Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verstrekken voor het opzetten en in standhouden van taalhuizen in de arbeidsmarktregio. Artikel 3:106 Voorwaarden Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de aanvrager onderdeel uit te maken van reeds bestaande netwerken en samenwerkingsverbanden inzake bibliotheek- en welzijnsactiviteiten, een en ander in samenhang met de werving, binding en training/begeleiding van (taal)vrijwilligers en tevens te voldoen aan het hetgeen (aanvullend) is op genomen in een Programma van eisen dienaangaande. Artikel 3:107 Aanvraag Aanvragen voor subsidie kunnen worden ingediend voor 1 november voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. Aanvraag dient te bestaan uit een beschrijving en begroting van de activiteiten. Artikel 3:108 Beoordeling subsidieaanvraag Binnen 8 weken wordt de subsidieaanvraag beoordeeld. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden in hoeverre tegemoet wordt gekomen aan de eisen van de reeds bestaande infrastructuur rond het fenomeen taalhuizen in de arbeidsmarktregio. Artikel 3:109 Subsidieplafond en verdelingsregels Voor het subsidiëren van de activiteiten als bedoeld in deze regeling is een kwart van het bedrag beschikbaar dat jaarlijks door het ministerie van OCW voor de WEB wordt verstrekt. Dit bedrag, een kwart van het educatiebudget, is tevens het subsidieplafond. Artikel 3:110 Duur en inwerkingtreding Deze subsidieregeling treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking. Paragraaf 3.21 Tijdelijke vervolg-regeling jongeren activiteiten COVID-19 Artikel3:111 Begripsbepalingen 1. Coronamaatregelen: alle maatregelen die door het Rijk en de veiligheidsregio omwille van de veiligheid zijn gesteld vanaf 12 maart 2020 om de verspreiding van het COVID-19-virus tegen te gaan, zoals sluiting van theaters, afgelasten van evenementen, samenkomsten en concerten. Artikel3:112 Doel van de regeling Het doel van de regeling, als uitvloeisel van het ‘Sociaal Perspectiefplan Corona - Iedereen doet weer mee in 050’, is een aanvullend aanbod voor jongeren van 12 tot 27 jaar te bieden om daarmee de gevolgen van de beperkingen van de coronamaatregelen voor hun mentale en fysieke gezondheid te verminderen. En om te bewerkstelligen dat een impuls wordt gegeven aan jongeren en jongvolwassenen om meer te participeren bij het ontwikkelen van activiteiten, onder het motto: ‘Met, voor en door jongeren’. Artikel3:113 Doelgroep Instelling die activiteiten aanbiedt voor jongeren en jongvolwassenen voor een vrijetijdsbesteding die uitvoerbaar is ook in de uitloopperiode(
- n)na gehele of gedeeltelijke opheffing van de coronamaatregelen. Artikel3:114 Subsidiabele kosten 1. Voor instellingen die al een subsidie ontvangen voor soortgelijke activiteiten zijn de meerkosten van het organiseren van een alternatief programma subsidiabel. 2. Voor instellingen die voor deze activiteiten nog geen subsidie ontvangen is 100% van de noodzakelijke kosten subsidiabel. 3. Beoordelingscriteria activiteiten: de activiteit past binnen de geldende coronamaatregelen, waarbij het uitgangspunt is dat de activiteit fysiek wordt aangeboden, de activiteit sluit aan bij de leeftijd van de beoogde doelgroep namelijk 12-27 jaar, de activiteit wordt, waar mogelijk, samen met jongeren georganiseerd, de activiteit wordt, waar mogelijk, in samenwerking met partners georganiseerd, de activiteit wordt zowel visueel als tekstueel gepresenteerd op GRONG.nl. Artikel3:115 Aanvraagprocedure 1. De regeling opent op 1 oktober 2021. 2. De uiterste datum voor het indienen van een aanvraag is 31 maart 2022. 3. Subsidie kan worden aangevraagd voor meerkosten en/of nieuwe activiteiten. 4. De schriftelijk gemotiveerde aanvraag dient te bestaan uit: Een berekening van de netto meerkosten, indien van toepassing, Een omschrijving en begroting van de activiteit(en), Een schema met data van de activiteiten, Een plan hoe de activiteit zowel visueel als tekstueel op GRONG.nl wordt gepubliceerd. Artikel 3:116 Subsidieplafond en verdeelregel 1. Het subsidieplafond van deze regeling bedraagt € 75.000,-. 2. Per aanvraag is maximaal € 3000,- beschikbaar. 3. De subsidie wordt op volgorde van binnenkomst verdeeld. Artikel 3:117 Bevoegdheid college Het college kan in verband met bijzondere omstandigheden afwijken van voorgaande bepalingen. Artikel 3:118 Tijdelijke nadere regel Deze tijdelijke nadere regel geldt tot en met 31 december 2022. Paragraaf 3.22 Subsidieregeling regie- en beheerfunctie GRONG Artikel 3:119 Doel van de regeling Het doel van de regeling is naast het bieden van een (aanvullend) aanbod voor jongeren van 12-27 jaar, om de gevolgen van de coronamaatregelen voor hun mentale en fysieke gezondheid te verminderen, de website GRONG.nl verder uit te bouwen als instrument voor jongerenparticipatie in de gemeente Groningen. Artikel 3:120 Subsidiabele kosten 1. De aan de regie- en beheerfunctie gerelateerde kosten voor de organisatie, werking en promotie van de doelstelling van het platform GRONG uit te voeren door een instelling die over voldoende, uit de praktijk gebleken, bewezen expertise beschikt. 2. Beoordelingscriteria activiteit regie- en beheerfunctie: de mate waarin jongeren actief worden betrokken bij de organisatie van activiteiten en deze zijn opgepakt met, voor en door jongeren en in hoeverre de activiteit bijdraagt aan het vergroten van jongerenparticipatie, de mate waarin de activiteiten in samenwerking met maatschappelijk betrokken partners wordt vormgegeven, de mate waarin de activiteit aanvullend is op het bestaande aanbod, de mate waarin de activiteit door kan gaan na versoepeling of opheffen coronamaatregelen, de mate waarin het bezoekersaantal van de website gaat toenemen in de subsidieperiode, of en in welke mate publicatie plaatsvindt van het aanbod op GRONG.nl en of deze dagelijks wordt geactualiseerd, of er plannen worden voorbereid en uitgerold, gericht op structurele borging van het platform GRONG.nl, of er een communicatieplan is gemaakt hoe publiciteit te krijgen voor jongerenparticipatie en het aanbod op GRONG.nl, of er een plan is hoe de groei van GRONG.nl meetbaar wordt gemaakt. Artikel 3:121 Aanvraagprocedure 1. De regeling opent op 1 oktober 2021. 2. De uiterste datum voor het indienen van een aanvraag is 15 oktober 2021. 3. De schriftelijk gemotiveerde aanvraag dient overeenkomstig artikel 6 lid 1 van de ASV te bestaan uit: een activiteiten- en communicatieplan, een op de activiteiten gerichte begroting van de kosten en inkomsten, met daarbij inzicht biedend op de te verwachten uitgaven in 2021 en 2022. Artikel 3:122 Subsidieplafond Het subsidieplafond van deze regeling bedraagt € 100.000,-. Paragraaf 3.23 Subsidieregels Jeugd expertise netwerk Noord-Nederland (JENN) Artikel3:123 Begripsbepalingen Jeugd expertise netwerk Noord-Nederland (verder genoemd: JENN) Het JENN heeft drie verschillende functies: Consultatie en advies Organiseren van hulp Kennis- en leerfunctie Deze functies zijn beschreven en toegelicht in de kamerbrief van 17 juni 2020 VWS kenmerk 1700326-20496. Zie ook: https://jennoord.nl Artikel3:124 Doel van de subsidieregeling De gemeente Groningen is voor de jeugdhulpregio’s Groningen, Friesland en Drenthe in de ‘Regeling specifieke uitkering opzet expertisecentra jeugdhulp 2020’ aangewezen als coördinerend gemeente voor de opzet en realisatie van het bovenregionale jeugdexpertisenetwerk. Deze subsidieregeling stimuleert initiatieven en (bovenregionale) expertise netwerken in Noord- Nederland zodat aan jongeren en gezinnen die kampen met zeer complexe en meervoudige hulpvragen, waarvoor binnen de bestaande mogelijkheden/zorginfrastructuur geen passende oplossing voorhanden is, adequaat en op maat (domein overstijgende) hulp en ondersteuning kan worden gegeven. De subsidieregeling is aanvullend op al lopende initiatieven, in het verlengde van en als aanvulling op de gemeentelijke zorgplicht uit de Jeugdwet en als uitwerking van bovengenoemde kamerbrief. Om invulling te geven aan de doelstelling van het netwerk, welke bijdragen aan de ambities ‘geen kinderen tussen wal en schip: 0 zoekende jeugdigen, ouders en professionals met een vraag naar expertise en passende zorg’ worden middelen verstrekt aan initiatieven die vallen binnen de functies van het JENN Voor de functie ‘Consultatie en advies’ worden er zogeheten impulsgelden voor de organisatie, instandhouding en doorontwikkeling van de regionale expertteams in de drie Jeugdhulpregio’s Groningen, Friesland en Drenthe beschikbaar gesteld. Als bovenregionaal netwerk sluit het JENN zoveel mogelijk aan bij de bestaande infrastructuur en de verstevigt daartoe verbinding. Daarom is de opdracht van het JENN, waar het gaat om individuele casuïstiek in Noord-Nederland, belegd bij de regionale expertteams. De beschikbare middelen zijn gericht op de verdere ondersteuning, facilitering en doorontwikkeling van de regionale expertteams. Bij de functie ‘Organiseren van hulp’, gaat het om een financiële bijdrage in de (ontwikkel-, onderzoeks- en pilot) kosten van een initiatief dat bijdraagt aan de doelstellingen van het netwerk. Een initiatief kan zijn een nieuwe of innovatieve voorziening/dienst voor jeugdigen met een complexe hulpvraag. Bij de ‘Kennis- en leerfunctie’ gaat het om financiële ondersteuning voor initiatieven die bijdragen aan het ontwikkelen (bijvoorbeeld onderzoek of monitoring), delen of het toepassen van kennis. Dit alles in het licht van de doelstelling van het JENN. In bepaalde gevallen kan het mogelijk en wenselijk zijn om complexe programma’s/initiatieven die naar verwachting een langere doorlooptijd kennen intentioneel te subsidiëren voor meerdere jaren (max. T+3). Basis voor de intentionele subsidieverlening is een meerjarig activiteitenplan en begroting waarin ook de jaarlijkse activiteiten en daarbij behorende noodzakelijke kosten zijn opgenomen. Subsidieverstrekking vindt dan intentioneel plaats voor de gehele periode met verlening op jaarbasis. De jaarlijkse tussenrapportages kunnen, na akkoord, fungeren als subsidieaanvraag voor het volgende jaar. Definitieve vaststelling van dergelijke subsidieverlening vindt plaats na afronding van de activiteiten in een later te bepalen kalenderjaar (max. T+3). Artikel3:125 Doelgroep Jongeren tot 23 jaar met weinig voorkomende ernstige psychiatrische en anderszins complexe problematiek voor wie gespecialiseerde hulp nodig is en die nu geen passende zorg krijgen. Zie hiertoe https://jennoord.nl/ onder documenten: ‘doelgroep en knelpunten per doelgroep’. Het gaat hierbij om passende zorg voor de doelgroep afkomstig uit Drenthe, Friesland en Groningen Artikel3:126 Subsidiabele activiteiten 1. Impulsgelden in het kader van de functie ‘consultatie en advies’ voor de organisatie/instandhouding en de doorontwikkeling van de regionale expertteams in de drie Jeugdhulpregio’s Groningen, Friesland en Drenthe. 2. Subsidie voor initiatieven die bijdragen aan een oplossing voor de problematiek en de ambitie van het JENN. Het betreft ontwikkel- en/of opstartkosten voor: het organiseren van hulp: initiatieven die het zorglandschap verbeteren (bijvoorbeeld door het verbreden van bestaande of door het ontwikkelen van nieuwe hulpvormen), kennis- en leerfunctie: benodigde kennis en expertise in Noord-Nederland vergroten en aanvullen door scholing, training of andere vormen van kennisdelen. Artikel3:127 Verkenningsfase Voorafgaand aan de aanvraagprocedure geldt een verkenningsfase. Het JENN beoogt daarmee in samenspraak en afstemming te komen tot een betere onderbouwing van de aanvragen ook gericht op een betere regionale en landelijke aansluiting bij soortgelijke of relevante andere initiatieven. In deze fase gelden de onderstaande voorwaarden als richtsnoer. Als de gezamenlijke conclusie is dat het initiatief bijdraagt aan de ambitie van het JENN en de genoemde aspecten voldoende zijn verkend, nodigt het JENN de indieners uit een aanvraag in te dienen. Het JENN kan ook zelf initiatief nemen voor een verkenning op een thema en oproepen tot specifieke subsidieaanvragen. Artikel3:128 Subsidievoorwaarden 1. Met betrekking tot het onderdeel ‘Consultatie en advies’ (impulsgelden) gelden de volgende subsidievoorwaarden: Voor de component doorontwikkeling dient via de jeugdhulpregio jaarlijks een plan en begroting in te worden ingediend. Onderdeel van de jaarlijkse verantwoording is deelname van de regionale expertteamleden aan een JENN-bijeenkomst in verband met de netwerk-, kennis- en leerfunctie. Daarbij wordt aangegeven: wat de door ontwikkelplannen van het betreffende jaar waren; wat is gerealiseerd; wat dit heeft opgeleverd; wat het ontwikkelplan voor het nieuwe jaar is. Ook wordt verkend of gezamenlijke ontwikkelpunten in bovenregionaal verband opgepakt kunnen worden. Voor de component organisatie en instandhouding (bemensing regionaal expertteam) dient jaarlijks een begroting en verantwoording van de middelen te worden ingediend. De aanvrager committeert zich aan het volgende: deelname van de voorzitter(
- s)van het regionale expertteam aan het reguliere voorzittersoverleg van voorzitters regionaal expertteams en projectleider/voorzitter JENN; voor het monitoren van casuïstiek wordt gebruik gemaakt van de landelijk ontwikkelde monitor. Leden van de regionale expertteams dragen daarnaast bij aan het duiden van de uitkomsten van de monitoring; deelname van de voorzitters regionale expertteams aan jaarlijkse actualisatie van de JENN platen en inbreng van de ‘rode draden analyse’ van de regionale expertteams. 2. Met betrekking tot de onderdelen ‘Organiseren van hulp’ en de ‘Kennis- en leerfunctie’ gelden de volgende subsidievoorwaarden: Er wordt getoetst op de mate waarin het initiatief impact heeft op de geformuleerde doelstelling ‘Geen kinderen tussen wal en schip: 0 zoekende jeugdigen, ouders en professionals met een vraag naar expertise en passende zorg’ en bijdraagt aan mogelijkheden voor het beter kunnen voorzien in passende zorg voor de doelgroep met multi-complexe hulpvragen. In de subsidieaanvraag moet worden opgenomen: omschrijving en onderbouwing van het initiatief; een plan van aanpak waarin ook de wijze van monitoring omschreven wordt; een duidelijke omschrijving van de doelgroep en de omvang daarvan het knelpunt in de zorg en waarom huidige aanbod niet in de vraag kan voorzien. Een duidelijke en concrete beschrijving van de gewenste resultaten of verandering en de haalbaarheid daarvan. De resultaten of veranderingen hebben bij voorkeur een bredere impact dan alleen een effect binnen de eigen instelling. Inzichtelijk wordt gemaakt: verbinding met andere relevante ontwikkelingen in Noord-Nederland, verbinding met relevante netwerken en ketenpartners in Noord-Nederland en oriëntatie op beschikbare kennis in (Noord) Nederland; alsmede de wijze waarop jongeren en ouders meedenken of anderszins een rol hebben in het initiatief De aanvraag bevat een plan voor de continuïteit en de borging van de opbrengsten/resultaten. In geval het initiatief het starten van nieuw zorgaanbod betreft dit ook uitzicht op structurele financiering. Aannames over vervolg reguliere structurele financiering zijn vooraf getoetst. Artikel3:129 Aanvraag- en beoordelingsprocedure 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 7 van de ASV kunnen subsidieaanvragen gerelateerd aan artikel 3:126 onder 2. gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend, echter niet nadat de verkenning zoals genoemd in artikel 3:127 heeft plaatsgevonden. 2. Bij de aanvraag dient gebruik te worden gemaakt van het daartoe beschikbaar gestelde aanvraagformulier, op te vragen bij ContracteringMO@groningen.nl. 3. Het JENN is een netwerkorganisatie, waaraan een coördinator is verbonden. Via de netwerk coördinator wordt het uitgebrachte advies van het JENN aangeleverd. 4. De beoordeling van de aanvragen wordt gedaan door een team van deskundigen en wordt geformuleerd in een uit te brengen advies van het JENN aan het college. Het college van de gemeente Groningen neemt een besluit over het al dan niet toekennen van de subsidieaanvraag. Artikel3:130 Subsidieplafond en verdeelregel 1. Het subsidieplafond van deze subsidieregeling is gelijk aan het bedrag dat daartoe in de geldende jaarlijkse JENN-begroting is opgenomen. De bedragen die beschikbaar zijn in het kader van artikel 3:126 lid 1 worden jaarlijks opgenomen in de JENN-begroting. 2. Subsidieaanvragen worden beoordeeld en toegekend op basis van volgorde van binnenkomst. Artikel 3:131 Bevoegdheid college Op grond van bijzondere omstandigheden kan het college gemotiveerd afwijken van een van bovenstaande bepalingen. Hoofdstuk4Welzijn, gezondheid en zorg Paragraaf 4.1Algemeen Artikel 4:1 Begripsbepalingen Artikel4:2 Relevante procedure (vervallen) Artikel4:3 Subsidie per activiteit (vervallen) Artikel4:4 Hoogte subsidieplafond in het algemeen Het subsidieplafond voor activiteiten die gesubsidieerd worden op basis van dit hoofdstuk is gelijk aan de hiervoor in de begroting opgenomen bedragen, tenzij in de betreffende paragraaf daarvan afgeweken wordt. Paragraaf 4.2 Emancipatie en vrouwenzaken (vervallen zijn de artikel 4:5 tot en met 4:8) Paragraaf 4.3 Internationale betrekkingen Artikel 4.9 Begripsbepaling In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 4.1 wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: mondiale bewustwording: het verschaffen van inzicht aan de burgers en het stimuleren van activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, democratisering, mensenrechten en duurzame ontwikkeling. De werkzaamheden vinden plaats op basis van wederkerigheid in internationale - en ontwikkelingssamenwerking; stedenband : meerjarige overeenkomst tussen de gemeente Groningen en een door de Raad aangewezen buitenlandse gemeente met het doel onderling duurzame betrekkingen aan te gaan op sociaal-cultureel, economisch en wetenschappelijk gebied; stedenbandgemeente: een door het college aangewezen buitenlandse gemeente waarmee een stedenband wordt aangegaan; Artikel4:10 Subsidiabele activiteiten 1.Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter invulling van een stedenband, te weten: het bevorderen van persoonlijke contacten, ontmoetingen en samenwerking tussen inwoners van Groningen en een stedenbandgemeente; het informeren van de Groningse bevolking over een stedenbandgemeente; stage-uitwisseling van ambtenaren van de gemeente Groningen en van een stedenbandgemeente; het onderhouden van contacten met zusterorganisaties; het ondersteunen, zowel financieel als anderszins, van initiatieven van organisaties of personen die strekken tot verwezenlijking van de doelstelling van een stedenband; kennis- en informatie-uitwisseling tussen Groningen en een stedenbandgemeente. 2.Het college kan subsidie verlenen voor mondiale bewustwording, te weten: het geven van informatie aan de bevolking van de gemeente Groningen over de problematiek in een land door middel van voorlichting en bewustwordingsactiviteiten; steun aan de opbouw van de democratie van een land; het stimuleren van burgers en overheden om actief mee te werken aan het oplossen van sociaal-economische en maatschappelijke vraagstukken in een land; de uitwisseling van ambtenaren en stages van ambtenaren van de gemeente Groningen en van een land; het werven van fondsen voorzover die zullen worden ingezet in concrete ontwikkelingsprojecten in een land. Artikel4:11 Bijzondere bepalingen/verplichtingen De ontvanger van subsidie voor mondiale bewustwording is verplicht om de Groningse bevolking te informeren over de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en in zijn werkplan informatie op te nemen over de wijze waarop hij deze verplichting invult. Artikel4:12 Subsidieplafond en verdelingsregels Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt, dan is de verdeling daarvan als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; leidt bovenstaande verdeelwijze tot overschrijding van het subsidiebudget dan wordt dat naar evenredigheid over de op tijd ingediende vervolgaanvragen verdeeld. Resteert er na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidiebudget dan wordt dat over de overige aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 4.4Diversiteit Artikel 4:13Begripsbepalingen In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 4.1 wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: Diversiteitsbeleid: beleid gericht op gelijke kansen voor iedere inwoner om op een gelijkwaardige wijze deel te nemen aan de samenleving en zich te kunnen ontwikkelen en ontplooien ongeacht sekse, huidskleur, leeftijd, mate van gezondheid, seksuele voorkeur, religieuze en politieke overtuiging, burgerlijke staat of opleiding. integratie: het proces dat leidt tot zelfredzaamheid van etnisch culturele groepen in de samenleving in economisch, educatief, sociaal en cultureel opzicht; emancipatie: het streven naar gelijke kansen en eerlijke maatschappelijke verhoudingen door het bevorderen van zelfontplooiing, zelfredzaamheid, eigen kracht, veiligheid en weerbaarheid; dialoog: een gesprek tussen meerdere personen of groepen gericht op het vergroten van het wederzijds begrip over thema’s op het gebied van diversiteit, integratie of emancipatie; Doelstellingen: de doelstellingen in het burgerschap en diversiteitsbeleid met onder meer de resultaatgebieden mensenrechten, antidiscriminatie, vrouwenemancipatie en emancipatie en acceptatie van LHBTI’ers Vrijwilligersorganisatie: organisatie die voor de uitvoering van haar activiteiten geen permanente arbeidsrelatie is aangegaan met degenen die de activiteit(
- en)ondersteunen en uitvoeren. Wel kan zij voor de uitvoering van activiteiten arbeidsrelaties van beperkte duur aangaan. Platform voor religie en levensbeschouwing: een samenwerkingsverband van in Groningen aanwezige religies en levensbeschouwingen dat tot doel heeft de onderlinge samenwerking, respect en solidariteit tussen verschillende religieuze en levensbeschouwelijke groeperingen, maar ook tussen burgers algemeen te bevorderen; Discriminatiemeldpunt: Het Discriminatie Meldpunt Groningen (DMG) is een onafhankelijke en bij of krachtens wet ingestelde organisatie die zich ten doel stelt het voorkomen, signaleren en bestrijden van discriminerende uitingen, gedragingen of regelgeving; COC Groningen en Drenthe: Een organisatie die de belangen van de Groninger LHBTI-gemeenschap behartigt en activiteiten uitvoert die deze belangen ten goede komen en de sociale acceptatie en zichtbaarheid van LHBTI inwoners vergroten. Platform LGBT Groningen: Een samenwerkingsverband van in Groningen aanwezige LHBTI-organisaties met tot doel de onderlinge samenwerking tussen deze verschillende groeperingen, maar ook tussen burgers en deze groeperingen te bevorderen en de zichtbaarheid en sociale acceptatie van LHBTI inwoners te vergroten; Vrouwencentrum: een interculturele ontmoetingsplek in de gemeente Groningen waar vrouwen, met- en zonder kinderen, met verschillende achtergronden en culturen elkaar ontmoeten en dat is gericht op de bewustwording van de maatschappelijke positie van vrouwen door hen te wijzen op het belang van het kunnen en durven kiezen waar het gaat om de inrichting van het leven binnen bestaande mogelijkheden Zelforganisatie: een rechtspersoon die opgericht en bestuurd wordt door de in Groningen aanwezige niet-westerse etnisch culturele gemeenschappen en die functioneert op basis van inzet vrijwilligers. Artikel 4:13a Doel van de Subsidieregeling Deze Subsidieregeling heeft tot doel het bevorderen van activiteiten van Groningse stedelijke vrijwilligersorganisaties/zelforganisaties en maatschappelijke organisaties door ondersteuning van activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen van het Diversiteitsbeleid, waaronder in ieder geval de instellingen genoemd in artikel 4:13 onder 8. tot en met 11. Artikel 4:13b Ontvanger subsidie 1. Subsidie kan worden verleend aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die beschikt over ervaring met de doelgroep waarop de activiteit zich richt en die woonachtig (voor natuurlijke personen) dan wel statutair en feitelijk gevestigd (voor rechtspersonen) is in Groningen. 2. Indien de aanvrager een natuurlijke persoon is, heeft hij ten minste twee andere Groningers bereid gevonden de aanvraag te ondersteunen. 3.Natuurlijke personen kunnen alleen als vrijwilliger subsidie aanvragen. 4. Aan natuurlijke personen worden subsidies tot maximaal € 750,- verstrekt. Artikel4:14 Relevant procedure (vervallen) Artikel4:15 Subsidiabele activiteiten 1.Het college kan subsidie verlenen aan een vrijwilligersorganisatie/zelforganisaties, bewonersinitiatieven of een maatschappelijke organisatie als de activiteit gericht is op één of meer van de activiteiten die: dialoog en verbinding tussen groepen bewerkstelligen, opbouw van netwerken en het bespreekbaar maken van de kernwaarden van de democratische staat. ertoe bijdragen dat meer Groningers mensen accepteren die anders zijn dan zijzelf (in afkomst, opleiding, burgerlijke staat, politieke overtuiging, levensbeschouwing of religie, ras, seksuele gerichtheid of sekse) en dat in hun gedrag laten zien; gericht zijn op het opzetten en inrichten van een vrijwilligersorganisatie voor een groep die relevant is voor het diversiteitsbeleid en voor wie nog geen vrijwilligersorganisatie bestaat in de stad, dan wel voor het aantrekken van jongeren binnen een bestaande vrijwilligersorganisatie. gericht zijn op het uitvoeren van inloop en ondersteuningsactiviteiten voor kwetsbare groepen, zoals organisaties voor oudere migranten en organisaties van voormalige vluchtelingen, met een achterban die door taalproblemen de weg naar de reguliere voorzieningen niet kan vinden. ertoe bijdragen dat emancipatie wordt vergroot. het bevorderen van het inburgeringproces, met inachtneming van de eigen identiteit en daarbij behorende behoeften door de zelforganisaties; de samenwerking bevorderen met andere sociaal-maatschappelijke organisaties en instellingen; een bijdrage leveren aan de bewustwording, participatie en integratie van de migrantengroepen in de samenleving en de spreekbuisfunctie c.q. belangenbehartiging voor deze zelforganisaties. 2.Het college kan subsidie verlenen aan de instellingen genoemd in artikel 4:13 onder 8. tot en met 11 voor activiteiten zoals die zijn beschreven in de voor die instellingen van toepassing zijnde Programma’s van Eisen. 3.Het college kan aan een platform voor religie en levensbeschouwing subsidie verlenen voor: activiteiten die zijn gericht op de rol van gespreks- en netwerkpartner van de gemeente en van maatschappelijke organisaties in de gemeente Groningen; het gezamenlijk naar buiten treden met activiteiten ter bevordering van de dialoog tussen de deelnemende religies en levensbeschouwingen en de inwoners van de gemeente Groningen. Artikel 4:16Subsidie per activiteit 1. In afwijking van artikel 4:3 bedraagt de subsidie als bedoeld in artikel 4:15 eerste lid per zelforganisatie maximaal € 1.250,- onder de voorwaarde dat maximaal twee zodanige organisaties per etnische groepering uit een niet-westers land voor de basissubsidie in aanmerking kunnen komen. 2. In afwijking van artikel 4:3 van dit hoofdstuk bedraagt de subsidie voor de in artikel 4:15 lid 3 genoemde activiteiten maximaal € 2.500,-- per jaar Artikel4:17 Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.Een zelforganisatie aan wie een basissubsidie is verleend, is verplicht als gesprekspartner voor het college te fungeren over: algemene zaken die betrekking hebben op onderwerpen op het gebied van diversiteit of integratie; specifieke zaken die betrekking hebben op de achterban van de subsidie-ontvangende zelforganisatie. 2.De activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd dient aanvullend te zijn op het activiteitenaanbod op het bestaande activiteitenaanbod van lokale maatschappelijke voorzieningen; 3.Het platform als bedoeld in artikel 4:13 onder 7. is verplicht om deelname toe te staan van vertegenwoordigingen van elke religie of levensbeschouwing die actief in de gemeente Groningen beleden wordt. 4. Bij subsidieaanvragen voor activiteiten waarvan de begroting hoger is dan € 7.500 geldt een verplichte cofinanciering van minimaal: 10% voor vrijwilligersorganisaties; 30% voor maatschappelijke organisaties. De aanvrager geeft aan wat de overige financieringsbronnen zijn, en wat de omvang ervan is. Artikel4:18 Aanvullende weigeringgronden 1.Het college weigert aanvragen voor subsidie op het gebied van ontspanning, ontmoeting in eigen kring, politiek, cultuur, sport, religie of levensbeschouwing. 2.De subsidieaanvraag kan geweigerd worden indien de aanvraag betrekking heeft op dezelfde activiteit als het voorgaande jaar. 3. In aanvulling op het bepaalde in artikel 4:35 Awb en artikel 6 van de Verordening kan de subsidieaanvraag ongeacht de hoogte van de aanvraag geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien: er onvoldoende andere financieringsbronnen zijn gevonden; de activiteiten niet of in onvoldoende mate een aanvulling zijn op reeds bestaande activiteiten van andere (vrijwilligers- of professionele) organisaties, of zich daar niet of in onvoldoende mate van onderscheiden; de activiteiten in tegenspraak zijn of een dubbeling zijn met gemeentelijk beleid op andere beleidsterreinen. Artikel4:19 Subsidieplafond en verdelingsregels 1.het subsidieplafond voor de op deze paragraaf gebaseerde subsidies is gelijk aan de daarvoor in de begroting opgenomen bedragen. 2.Het college kan een deel van het beschikbare budget reserveren voor de in artikel 4:15 tweede lid en derde lid genoemde activiteiten. 3.Als het totaal van de subsidieaanvragen voor een subsidie, zoals bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, hoger is dan het hiervoor beschikbare subsidiebudget, worden de aanvragen gehonoreerd die het beste scoren op de onderstaande criteria. Daarbij weegt het eerst genoemde criterium zwaarder dan het tweede, het tweede zwaarder dan het derde enzovoort: inhoudelijke relevantie en impact in relatie tot het diversiteitsbeleid; mate van innovatie; duurzaamheid: in welke mate beklijven de resultaten? samenwerking met anderen; schaalbaarheid: in hoeverre kan het resultaat elders in de gemeente worden toegepast? projectmatige opzet. Paragraaf 4.5 Algemeen sociaal-cultureel werk Artikel 4:20 Begripsbepalingen In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 4.1 wordt voor de toepassing van de paragrafen 4.5 Algemeen sociaal-cultureel werk tot en met 4.11 Vrijwilligerswerk verstaan onder: accommodatie: een multifunctioneel centrum, een buurtcentrum, een buurtkamer, een dorpshuis, speeltuingebouw of een jongerencentrum zoals bedoeld in de accommodatienota ‘Sociaal-culturele accommodaties, geharmoniseerd’ vastgesteld op 9 september 2020; accommodatiebestuur: het bestuur van een stichting of vereniging die verantwoordelijk is voor beheer en exploitatie van een accommodatie; b.v.o. (bruto vloer oppervlak): de oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten behorend tot een accommodatie, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen en waarbij geldt dat: indien een binnenruimte aan een andere binnenruimte grenst, wordt gemeten tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie; indien een gebouw gebonden buitenruimte aan een binnenruimte grenst, het grondvlak van de scheidingsconstructie volledig wordt toegerekend aan de bruto-vloeroppervlakte van de binnenruimte; indien een binnenruimte grenst aan een schuin dak de bruto-vloeroppervlakte wordt bepaald op 1,5 m hoogte, gemeten tot en met de dakconstructie (dakpan). personeelskosten beheer: totale bruto werkgeverslasten vermeerderd met de kosten van begeleiding, scholing, loopbaanontwikkeling en bevordering van doorgroeimogelijkheden terzake van beheerpersoneel dat in dienst is bij een door het college aangewezen centrale beheerpool. Eventuele specifieke (loonkosten-)subsidies komen op deze kosten in mindering; MJOP: meerjarenonderhoudsplan, opgesteld volgens richtlijnen van het college voor de betreffende accommodatie; marktconform tarief: het tarief dat accommodatiebesturen voor de commerciële verhuur van accommodatieruimten in rekening brengen; gereduceerd tarief: maximaal 50% van het marktconforme tarief, waarbij het college aan de berekening van dit tarief nadere regels kan stellen; Multifunctioneel centrum: een grote accommodatie, met een belangrijke functie voor een wijk/gebied, met ruime openingstijden. Het heeft een breed gevarieerd activiteitenaanbod voor een groot voorzieningengebied en werkt samen met (indien aanwezig) de buurtcentra en de buurtkamers in de wijk; Buurtcentrum: een middelgrote accommodatie met een buurtfunctie met ruime openingstijden. Het heeft een breed gevarieerd activiteitenaanbod voor een buurt en werkt samen met (indien aanwezig) het Multifunctioneel centrum en de buurtkamers in de wijk; Buurtkamer: een accommodatie met een buurtfunctie, vaak gericht op een specifieke groep bewoners. Hier vallen de buurt- en, speeltuinaccommodaties onder. Het werkt samen met (indien aanwezig) het Multifunctioneel centrum en de buurtcentra in de wijk; Dorpshuis: een accommodatie in een dorp, met een unieke functie voor het dorp (vrijwel de enige voorziening). De accommodatie heeft een breed gevarieerd activiteitenaanbod voor een klein voorzieningengebied, met veelal beperkte openingstijden; Zakelijke huisvestingslasten: onroerende zaakbelasting, gemeentelijke en provinciale heffingen en rechten en verzekeringspremies voor zover het eigenaarslasten betreft en voor zover die samenhangen met de accommodatie. Lasten die niet samenhangen met het eigenaarschap van het gebouw, vallen onder exploitatielasten. Artikel4:21 Subsidiabele activiteiten Het college kan aan instellingen voor sociaal-cultureel werk subsidie verlenen voor: wijk- en/of stedelijke activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies: ontmoeting/recreatie; vorming/educatie; cultuur/creativiteit; dienstverlening/voorlichting; belangenbehartiging/activering; opvang; afstemming/coördinatie; signalering; sport. wijkactiviteiten passend binnen de in het vorige lid genoemde functies ter uitvoering van de beheerderfunctie voor de wijk-, buurt- en wijkjongerencentra; het accommodatiemanagement voor de wijk-, buurt- en wijkjongerencentra; exploitatie en instandhouding van wijk- en andere centra. knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk. Artikel4:22 Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de deelname aan de activiteiten; gegevens over de eigen bijdrage van de deelnemers aan de activiteiten; gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd. 2.Het college verleent slechts subsidie voor het oplossen van knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk voorzover de subsidieontvanger aannemelijk kan maken dat: bekostiging uit andere aan subsidieontvanger verstrekte subsidies niet mogelijk is; het knelpunt na aanwending van de gevraagde subsidie zal zijn opgelost. 3.De subsidieontvanger dient een preventief beleid te voeren dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenplan moet de subsidieontvanger aangeven hoe dat beleid zal worden vormgegeven en uitgevoerd. Artikel4:23 Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan een subsidieaanvraag voor de oplossing van knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk weigeren als hiervoor al eerder aan de subsidieontvanger subsidie was verleend. 2.Het college kan een subsidieaanvraag voor de in artikel 4:21 genoemde activiteiten weigeren als die activiteiten zijn gericht op jongeren in de leeftijd van 0 tot en met 23 jaar. Artikel 4:24 Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Als het totaal van de aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 4:21, onder a en b hoger is dan de respectievelijke subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; voor zover bovenstaande verdeelwijze zou leiden tot overschrijding van de subsidieplafonds worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende vervolgaanvragen verdeeld; voor zover na de in de onderdelen a bedoelde verdeelwijze nog middelen resteren worden deze over de op tijd ingediende overige aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen; als het totaal van de aanvragen voor knelpunten in het sociaal-cultureel werk hoger is dan het subsidiebudget dan wordt dat over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 4.6 Sociaal-culturele accommodaties Algemeen Artikel 4:25Subsidiabele activiteiten 1. Het college kan aan een accommodatiebestuur van een Multifunctioneel centrum, een buurtcentrum of een buurtkamer subsidie verlenen voor: hypotheeklasten als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft; kale huur; zakelijke huisvestingslasten, als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft; exploitatielasten. 2. Het college kan aan een accommodatiebestuur van een dorpshuis subsidie verlenen voor: het voortzetten van sociaal culturele activiteiten en andere noodzakelijke kosten, zoals in 2020; zakelijke huisvestingslasten, als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft. 3. Het college kan aan het door hem aan te wijzen samenwerkingsorgaan voor speeltuinverenigingen ten behoeve van de aangesloten leden subsidie verlenen voor: hypotheeklasten als de betreffende accommodatie in eigendom is bij een aangesloten lid; kale huur; zakelijke huisvestingslasten, als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft; exploitatielasten; inrichting en onderhoud van speeltuinen en speeltoestellen; exploitatiekosten van het samenwerkingsorgaan zelf. 4. Het college kan aan een door hem aan te wijzen samenwerkingsorgaan voor sociaal culturele accommodaties subsidie verlenen voor: belangenbehartiging van de aangesloten accommodaties; het fungeren als aanspreekpunt voor de gemeente. Artikel 4:26Subsidie per activiteit 1. In afwijking van artikel 14 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 bedraagt de subsidie voor Multifunctionele centra, buurtcentra en buurtkamers: voor de in artikel 4:25, eerste lid onder a tot en met c alsmede de in het derde lid onder a tot en met c genoemde kosten maximaal 100% daarvan, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn en door het college zijn erkend; voor de in artikel 4:25, eerste lid onder d evenals de in het derde lid onder d genoemde kosten voor exploitatielasten een vast bedrag van: € 42,14 per m2 b.v.o., alsmede een vast bedrag voor organisatiekosten. voor de in artikel 4:25, derde lid onder e genoemde kosten voor inrichting en onderhoud van speeltuinen en speeltoestellen € 14,77 per m2 b.v.o.; 2. In afwijking van artikel 14 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 bedraagt de subsidie voor dorpshuizen: voor de in artikel 4:25, tweede lid onder a genoemde kosten maximaal 100% van het bedrag waar het dorpshuis in 2020 recht op had, voor zover dit bedrag noodzakelijk is en door het college is erkend, alsmede een vast bedrag voor organisatiekosten; voor de in artikel 4:25, tweede lid onder b genoemde kosten maximaal 100% daarvan, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn en door het college zijn erkend. 3. In afwijking van artikel 14 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 bedraagt de subsidie voor een samenwerkingsorgaan voor speeltuinverenigingen voor de in artikel 4:25, derde lid onder f genoemde activiteiten maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. 4. In afwijking van artikel 4:3 bedraagt de subsidie voor een samenwerkingsorgaan voor sociaal culturele accommodaties voor de in artikel 4:25, vierde lid genoemde activiteiten een bijdrage in de exploitatie tot maximaal het bedrag van het tekort op de begroting van het samenwerkingsorgaan. 5. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder b van dit artikel kan het college in specifieke door hem aan te wijzen gevallen de subsidie op andere wijze berekenen. 6. De in het eerste lid onder b en c en in het tweede lid van dit artikel genoemde bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil 2020. Het college kan deze bedragen aanpassen aan de voor het subsidietijdvak geldende begrotingsrichtlijnen. Artikel 4:27Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1. De subsidieontvanger stemt met bewoners van wijk/gebied en daar gevestigde maatschappelijke organisaties af aan welke activiteiten behoefte is en stemt daar het activiteitenplan op af, rekening houdend met het tweede lid van dit artikel. 2. De subsidieontvanger stelt in overleg met andere aanbieders van activiteiten een gezamenlijke activiteitenprogrammering op voor de wijk/gebied waarin de subsidieontvanger gebruik maakt van de accommodatie. 3. In aanvulling op artikel 6 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen, dient de aanvrager te vermelden: in zijn activiteitenplan op welke wijze invulling wordt gegeven aan alle verplichtingen die krachtens deze verordening aan de subsidieverlening worden verbonden; in zijn activiteitenplan in hoeverre het activiteitenaanbod aansluit op de behoeften van wijk/gebied en geeft een verklaring voor eventuele afwijkingen daartussen; in zijn activiteitenplan hoe het activiteitenplan past in de in het tweede lid van dit artikel bedoelde activiteitenprogrammering; in zijn activiteitenverslag hoe de invulling van de verplichtingen uiteindelijk vorm heeft gekregen en de afwijkingen te verklaren tussen de voorgenomen invulling (activiteitenplan) en de realisatie daarvan; in zijn financiële en inhoudelijke verslag gegevens met betrekking tot groeperingen aan wie accommodatieruimte wordt verhuurd en de tarieven die daarbij in rekening worden gebracht; 4. De subsidieontvanger is verantwoordelijk voor een goede balans tussen de sociaal-cu