← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022 (Noordoostpolder)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Noordoostpolder omgaat met de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en hoe aanvragen voor maatschappelijke ondersteuning worden beoordeeld. Ze zorgen ervoor dat inwoners die niet zelfredzaam zijn of kunnen participeren, passende ondersteuning krijgen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder; gelet op: titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022; het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2022; overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit de volgende beleidsregels vast te stellen Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022 Hoofdstuk1Algemene uitgangspunten 1.1Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4.81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift zoals de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of over hoe bepalingen in de Verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. 1.2Begripsbepalingen In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Budgethouder: degene aan wie het pgb is toegekend (de cliënt), Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft, Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2022, Derde: degene aan wie het pgb wordt besteed, Ondersteuningsplan: een plan dat is opgesteld door de aanbieder in samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk. In het ondersteuningsplan staan begrijpelijke doelen die samen met de cliënt zijn opgesteld om de resultaten te behalen. De doelen in het ondersteuningsplan zijn SMART geformuleerd. Bij de doelen horen ook activiteiten. Bij een doel kunnen meerdere activiteiten horen, Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022, Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning

  1. Begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening, het Besluit en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). 1.3Goed samenhangend stelsel De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en/of participatie. De beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening en zijn ook gebaseerd op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn: eigen verantwoordelijkheid; uitgaan van te bereiken resultaten; en het leveren van maatwerk. Hoofdstuk2Procedure Artikel 2.3.2 van de wet Artikel 2.3.3 van de wet Hoofdstuk 2 van de Verordening 2.1Inleiding De wet schrijft voor dat de burger met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zijn ondersteuningsvraag eerst moet melden bij het college. Dan bestaat er recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociale netwerk eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. De wet voorziet in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de ondersteuningsvraag) moeten worden meegenomen. De CRvB heeft een zogeheten stappenplan opgesteld waarin staat hoe het college bij het onderzoek te werk moet gaan. Pas na het verstrekken van het onderzoeksverslag met de onderzoeksresultaten kan een aanvraag worden gedaan. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek behoort wel tot de voorbereiding van het besluit (art. 3:2 van de Awb). Verordening De Verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Noordoostpolder duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij hun ondersteuningsvraag hebben gemeld. Daarbij kan de cliënt gebruik maken van cliëntondersteuning. De wet schrijft voor dat het college een onderzoeksverslag aan de cliënt verstrekt met daarin de resultaten van het onderzoek. Daaruit kan de cliënt afleiden of hij in aanmerking komt voor ondersteuning. Na de melding van de ondersteuningsvraag wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld zijn eigen persoonlijk plan in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de cliënt van mening is dat hij ondersteuning van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de cliënt onder welke voorwaarden hij in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget (pgb) en wat de eventuele hoogte is van de bijdrage in de kosten voor voorzieningen. Nadat het onderzoek is afgerond kan de cliënt een aanvraag indienen. Daarvoor kan het verslag van het onderzoek worden gebruikt. Bij de beslissing op de aanvraag vormt het onderzoeksverslag en het eventueel ingediende persoonlijk plan van de cliënt het uitgangspunt. Criteria in de Verordening In de Verordening zijn diverse criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de ondersteuning waarop de cliënt is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de Verordening. 2.2Spoedeisende gevallen Voor spoedeisende gevallen is in de wet een procedure opgenomen die los staat van het onderzoek ná de melding van de ondersteuningsvraag en de beslissing op de aanvraag. Het gaat om situaties waarin de cliënt niet wachten op het onderzoek. Daar mag het college immers zes weken over doen. Er kan één dag na de melding van de ondersteuningsvraag sprake zijn van “spoed” maar dat zou ook één week kunnen zijn. Eenvoudig gezegd: “zo spoedig als nodig en mogelijk”. Daarover moet een besluit worden genomen. Onverwijld inzetten Het college moet in spoedeisende situaties onverwijld een passende tijdelijke maatregel nemen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek en de aanvraag van betrokkene (art. 2.3.3 van de wet). De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Onder een spoedeisende situatie kan ook een tijdelijke indicatie vallen gedurende de periode van de beslissing op de aanvraag om een indicatie voor de Wet langdurige zorg (EK 2013/14, 33 841, G, p. 24). In die gevallen stelt het college een tijdelijke indicatie. Opgemerkt wordt dat het Centrum Indicatiestelling zorg (CIZ) ook een spoedprocedure kent: beslissen binnen twee weken. Het ligt in bij een tijdelijk Wmo-indicatie voor de hand dat ook een tijdelijke indicatie wordt afgegeven voor persoonlijke verzorging en/of verpleging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Die indicatie wordt door de wijkverpleegkundige gesteld. Geen maatwerkoplossing Bij zo’n tijdelijke inzet van een maatwerkvoorziening geldt niet het criterium van wat de goedkoopst passende bijdrage is. Daar staat namelijk niet in artikel 2.3.3 van de wet maar alleen in artikel 2.3.5, derde en vierde lid, van de wet. Daarom kan ook nog niet gesproken worden van een te behalen resultaat want het onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden. Afronden onderzoek Het college zal het onderzoek naar aanleiding van de melding afronden volgens de reguliere procedure. De cliënt ontvangt daarvan een onderzoeksverslag. Dat wil zeggen: pas dan is het resultaat vastgesteld. Spoed tijdens toegekende maatwerkvoorziening Het kan voorkomen dat er een spoedeisende situatie ontstaat tijdens een lopende indicatie. Strikt genomen moet de cliënt een nieuwe melding doen van een gewijzigde ondersteuningsbehoefte. Volgens de Verordening kan het college afspraken maken met aanbieders op welke wijze zij, namens de cliënt, met (een gewijzigde) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, een ondersteuningsvraag kunnen indienen (art. 2.1, zesde lid, van de Verordening). In die gevallen kan de aanbieder dus (met toestemming van de cliënt natuurlijk) een melding van een ondersteuningsbehoefte doen. Het college beoordeelt vervolgens of er sprake is van een spoedeisend geval en zo ja, of er tijdelijk meer ondersteuning moet worden ingezet. Nadat de tijdelijke is ingezet wordt de reguliere procedure gevolgd: het college doet onderzoek en stelt een onderzoeksverslag op. De cliënt kan dan een aanvraag indienen waarop het college beslist. 2.3Ondersteuningsvraag gericht op beschermd wonen en/of opvang Gemeente Almere is verantwoordelijk om een besluit te nemen over de aanvraag voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. De Centrale Toegang (CT) voor beschermd wonen is belegd bij GGD Flevoland. Een melding voor beschermd wonen kan de cliënt met eventuele ondersteuning doen bij de CT. GGD Flevoland voert in opdracht van gemeente Almere een onderzoek uit naar de noodzaak voor beschermd wonen. Hiervan wordt een onderzoeksverslag gemaakt. Dit onderzoeksverslag wordt na het intakegesprek naar cliënt opgestuurd met het verzoek om dit voor akkoord te ondertekenen en retour te zenden. Met deze handtekening is de aanvraag voor beschermd wonen bekrachtigd. In een multidisciplinair overleg (MDO) komt het advies voor de toegang tot beschermd wonen tot stand. Het team met toegangsbepalers van GGD Flevoland is alleen verantwoordelijk voor een professioneel inhoudelijk advies op het onderzoeksverslag. Het advies wordt gedeeld met gemeente Almere. Gemeente Almere neemt het uiteindelijke besluit en zal de cliënt hiervan middels een beschikking op de hoogte brengen. Ook geeft de gemeente Almere voor de maatschappelijke opvang een beschikking af. 2.4Persoonlijk plan en cliëntondersteuning Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Er kunnen zich individuele omstandigheden voordoen waardoor het college van deze termijn afwijkt. Zowel het college als de cliënt is er namelijk bij gebaat dat een persoonlijk plan voldoende inzichtelijk maakt op welke maatschappelijke ondersteuning de cliënt is aangewezen. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming. Desgewenst kan de cliënt voor het opstellen van een persoonlijk plan gebruik maken van cliëntondersteuning. 2.5Cliëntondersteuning Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Een cliëntondersteuner kan de cliënt tijdens het onderzoek helpen zijn ondersteuningsvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de ondersteuningsvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van cliëntondersteuning. Verder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen. De cliëntondersteuner kan ook iemand uit het netwerk van cliënt of vanuit een belangenorganisatie of een professional in dienst van een welzijnsorganisatie zijn, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker. 2.6Signaleringsfunctie aanbieder Artikel 2.1, zesde lid, van de Verordening Zoals hiervoor al is gezegd kan het college met aanbieders afspraken maken over het indienen van een ondersteuningsvraag namens cliënten. Het is logisch dat aanbieders snel kunnen constateren dat de behoefte aan ondersteuning van een cliënt toeneemt, of daar tenminste aanleiding voor is dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook kan er natuurlijk sprake zijn van een afname aan de behoefte aan ondersteuning. Het college doet in ieder geval onderzoek naar de gewijzigde ondersteuningsbehoefte; dat kan door een afspraak te maken met de cliënt. De bevoegdheid om onderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening of een pgb is toegekend is overigens ook neergelegd in artikel 2.3.9 van de wet. 2.7Onderwerpen van het onderzoek De wet schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen zijn neergelegd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet. Daarin staat dat het college het volgende onderzoekt: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn. Voorlichting Tijdens het onderzoek wordt de cliënt ook: vertelt welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor een pgb en wordt hij/zij in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze; geïnformeerd over het gebruik en oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen, al dan niet in de vorm van een pgb en de manier waarop het college vorm kan geven aan de controle. 2.8Stappenplan voor het onderzoek Volgens de CRvB zijn er zes stappen nodig om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren, dit zijn: Stap 1: Na de melding dient eerst de precieze ondersteuningsvraag te worden geduid. Stap 2: Vervolgens moet bepaald worden wat – kort gezegd – de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn. Stap 3: Als deze beide vragen op papier staan, kan (en moet) inzicht worden verkregen in de aard, omvang en frequentie van de ondersteuning die nodig is. Stap 4: Daarna wordt in kaart gebracht of: de eigen kracht, gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk, en gebruikmaking van algemene voorzieningen, en zo ja: in welke mate – deze voorliggende oplossingen beschikbaar, geschikt en toereikend zijn. Stap 5: Zijn de mogelijkheden onder stap 4 ontoereikend, dat zal het college een maatwerkvoorziening moeten verstrekken, tenzij een (andere) weigeringsgrond van toepassing is. Stap 6: Voor zover dit in het individuele geval noodzakelijk is, dient specifieke deskundigheid te worden ingeschakeld. 2.9Ondersteuning vragen Cliënten kunnen het moeilijk vinden om een ander te vragen iets voor hen te doen terwijl mensen in het netwerk vaak best bereid zijn iets voor een ander te betekenen, maar niet weten hoe ze dat moeten aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het onderzoek, waarbij het college kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de personen uit het sociaal netwerk vraagt of zij hem kunnen en willen ondersteunen. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het onderzoek. 2.10Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om het onderzoek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleend. In artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet is bepaald dat de cliënt dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor daarvoor nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4:2 van de Awb. Het komt er op neer dat de cliënt noodzakelijke informatie verstrekt die het college kan onderzoeken. Artikel 2.3.8, eerste lid, van de wet bepaalt de inlichtingenplicht voor cliënten aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb. Dat wil zeggen dat inlichtingen die relevant zijn voor een verstrekte maatwerkvoorziening spontaan bij het college gemeld moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt een huisgenoot heeft gekregen die mogelijk de gebruikelijke hulp op zich kan nemen. 2.10.1 Medewerkingsplicht Artikel 2.3.8, derde lid, van de wet regelt de medewerkingsplicht die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Onder het niet verlenen van medewerking bestaat wordt in ieder geval verstaan: Het niet meewerken aan een onderzoek, al dan niet door een deskundige, door niet te verschijnen of relevante vragen niet te beantwoorden. Dat geldt ook voor de huisgenoot ingeval van een onderzoek over het kunnen bieden van gebruikelijke hulp. Als de vertegenwoordiger stelt dat het college de cliënt niet hoeft te zien en/of te spreken voor het onderzoek. Gebruikmaking van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464, tweede lid onder b, van het BW. Gevolgen Niet of onvoldoende medewerking verlenen kan leiden tot weigering aanvraag als daardoor de noodzaak tot ondersteuning niet kan worden vastgesteld (CRVB:2021:1739, CRVB:2020:567, CRVB:2019:224). De gevolgen van het niet verstrekken van relevante inlichtingen kan leiden tot een herziening of intrekking van het toekenningsbesluit onder toepassing van artikel 2.3.10 van de wet. En mogelijk ook tot een terugvordering. Zie verder Hoofdstuk 16 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terug- en invordering. 2.11Beperking, chronisch psychisch probleem en psychosociaal probleem Beperking De wet bepaalt niet wat onder een beperking wordt verstaan. Onder een beperking kunnen aan de cliënt verbonden factoren worden verstaan die ertoe leiden dat de cliënt niet (volledig) in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Denk aan: ouderdomsklachten, ziekte, aandoening of DSM-5 problematiek. Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving. Diagnose alleen geeft geen toegang Het feit dat de cliënt bekend is met een bepaalde diagnose, leidt niet zonder meer tot een noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Het moet duidelijk zijn dat de cliënt door de beperkingen belemmerd wordt in de zelfredzaamheid en/of participatie én dat ‘voorliggende oplossingen’ niet passend zijn in de individuele situatie. Zie onder meer Hoofdstuk 3 Beoordeling van de aanspraak van deze beleidsregels. Chronisch psychisch probleem Psychische problemen hebben te maken met gevoelens en gedachten van mensen waarvoor vaak geen fysieke oorzaak is. Psychische problemen worden vastgesteld aan de hand van de DSM-
  2. Dat is een classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen. De DSM-5 biedt een geclusterde beschrijving van alle stoornissen op basis van symptomen. Daaronder vallen bijvoorbeeld: Angststoornissen Depressie Persoonlijkheidsproblematiek Autisme Spectrum Stoornissen (ASS) Beoordeling ondersteuningsvraag Dat wil zeggen als uit het onderzoek blijkt dat de ondersteuningsvraag betrekking heeft op een chronisch psychisch probleem (DSM-5 problematiek), bijvoorbeeld een angststoornis, dan zal dat aannemelijk moeten worden door een diagnose. Is de aanvraag om een maatwerkvoorziening primair gericht op het oplossen van een chronisch psychisch probleem (DSM-5 problematiek), dan beoordeelt het college of de maatwerkvoorziening een therapeutisch karakter heeft (zie verder hierna). Psychosociaal probleem Psychosociale problematiek is een containerbegrip. Het gaat om problemen die cliënten kunnen ondervinden in hun relaties en contacten met andere mensen. De wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 gaat niet concreet in op dit begrip. In de Wmo 2007 was dat wel het geval. Is het verlies van zelfstandig functioneren of een gebrek aan deelname aan het maatschappelijk verkeer het gevolg zijn van iemands problemen in zijn relatie met zijn sociale omgeving, dan is sprake van een psychosociaal probleem (TK 2004/05, 30 131, nr. 3, p. 29). Ongeacht de aard van de psychosociale problematiek, de beperkingen moet wel geobjectiveerd kunnen worden aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (bijv. CRVB:2019:2909 en CRVB:2019:1173). Verder wordt nog opgemerkt dat in artikel 2.3.5, derde lid, van de wet chronische psychische problemen of psychosociale problemen niet worden genoemd maar wel in artikel 2.3.5, vierde lid, van de wet (beschermd wonen en opvang). 2.12Therapeutisch karakter Blijkt uit het onderzoek dat er met de maatwerkvoorziening primair een medisch of therapeutisch doel is gediend, dan heeft de gevraagde voorziening een therapeutisch karakter. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een aanvraag om ondersteuning (begeleiding) of een PTTS-hulphond. In RBOBR:2019:478 legt de medisch adviseur van het college in kwestie uit dat een behandeling kan aangrijpen op verschillende aspecten van een ziekte en de daaruit voortkomende problemen en dat de behandeling verschillende doelen kan hebben. Daarbij zijn vier manieren van behandeling beschreven, te weten het aangrijpen op: de aandoening zelf; de stoornissen; op de beperkingen die door de stoornissen ontstaan; en op de handicap die de cliënt ervaart als gevolg van de beperkingen. Beoogde doelen maatwerkvoorziening De met de inzet van de PTSS-hulphond (in RBOBR:2019:478) beoogde doelen hebben volgens de medisch adviseur allen betrekking op aangrijpingspunt 2.: behandeling van de stoornissen, te weten het verminderen van de angst- en paniekklachten en/of zorgen voor stabilisatie. Deze therapeutische doelen hebben (bij positief effect) weliswaar mede tot gevolg dat het de zelfredzaamheid en met name de participatie van cliënt zal bevorderen, maar dit betreft slechts een secundair gevolg. In het algemeen is het zo dat (vrijwel) elke behandeling die positief aanslaat tot gevolg zal hebben dat de zelfredzaamheid en/of participatie van degene die de behandeling ondergaat wordt bevorderd. De beoogde doelen van de inzet van bijvoorbeeld een PTSS-hulphond zijn dan primair gericht op de behandeling van de stoornissen van cliënt en hebben daarmee een therapeutische functie (zie ook RBGEL:2018:5165). Weigeren maatwerkvoorziening Omdat de behandeling van stoornissen niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt, zal het college de aanvraag om een maatwerkvoorziening met een primair therapeutisch karakter weigeren. Een uitzondering kan aan de orde zijn bij cliënten die, blijkens een verklaring van een deskundige, zijn uitbehandeld. Bevorderen zelfredzaamheid en participatie Het kan echter ook voorkomen dat een mogelijk therapeutisch werkende maatwerkvoorziening wordt aangevraagd met als primair doel de bevordering van de zelfredzaamheid of participatie. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt wiens gezondheid is verbeterd en waarvoor de eerder toegekende scootmobiel geen passende bijdrage meer is. De cliënt wil de scootmobiel inruilen voor bijvoorbeeld een driewielfiets met trapondersteuning (RBLIM:2021:1824). Vormt de gevraagde drielwielfiets een passende bijdrage omdat het de cliënt in staat stelt tot zelfredzaamheid en de participatie, dan vormt dat therapeutische karakter geen afwijzingsgrond. Het feit dat de cliënt met deze fiets ook zijn gezondheid verbetert, omdat zijn conditie verbetert, vormt ook geen afwijzingsgrond. 2.13De aanvraag Vanaf het moment dat de cliënt een aanvraag indient, is er sprake van enige vorm van juridisering. Dit heeft met name tot doel om de rechtszekerheid van de cliënt te waarborgen. Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Pas na verstrekking van een onderzoeksverslag kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2, negende lid, van de wet). Om onnodige administratieve lasten voor zowel de cliënt als het college te voorkomen kan een onderzoeksverslag voorzien van de NAW-gegevens én een handtekening van de cliënt, als aanvraag worden aangemerkt. 2.14Advisering Voor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het college advies moet vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig is. In het algemeen geldt dat het college allereerst een standpunt moet innemen of het zelf over de deskundigheid beschikt om de aanspraak op een maatwerkvoorziening te kunnen beoordelen. Daarvoor moet het college zelf in staat zijn: de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en/of participatie vast te stellen (wettelijk toetsingskader); te beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden zijn die het recht op een pgb in de weg staan (wettelijke voorwaarden); de goedkoopst passende bijdrage (maatwerkvoorziening) te indiceren en te selecteren zonodig aan de hand van de door een arts (of iemand die functioneert op vergelijkbaar niveau) vastgestelde (medische) beperkingen; zaken van technische aard te beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van een inpandige woningaanpassing in plaats van een aanbouw. Advies vragen Als vuistregel geldt dat, als dat oordeel betrekking heeft op een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, het college in beginsel niet ter zake kundig zal zijn (vergelijk CRVB:2012:BY0324). Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het college de cliënt laten oproepen door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een arts functioneert. Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek of alvorens te beslissen op de aanvraag). Ook indien het college het besluit heroverweegt als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet kan er aanleiding om advies op te vragen. Het college is dus niet verplicht om advies op te vragen. Zie verder Hoofdstuk 17 Advisering bij deze beleidsregels. 2.15Maatwerk Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag om een maatwerkvoorziening gaat het om maatwerk. Uit de wet volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk om een resultaatverplichting van het college gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk én nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn eventuele sociale omgeving. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat er om dat de cliënt in aanvaardbare mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving (vergelijk CRVB:2012:BV5448). 2.16Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen (art. 2.3.5, zesde lid, van de wet). Er geldt één uitzondering op het mogen weigeren van een aanvraag: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing (nog) niet worden geweigerd (art. 8.6a van de wet). Voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagactiviteiten of kortdurend verblijf geldt geen uitzondering. Dat wil zeggen dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag altijd onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. Verder zijn er een aantal wetswijzigingen in dat kader. 2.16.1 Mobiliteitshulpmiddelen Sinds 1 januari 2020 is het Zorgkantoor verantwoordelijk voor mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor individueel gebruik voor verzekerden met een Wlz-indicatie én die in een Wlz-instelling verblijven. Voor hen worden deze voorzieningen verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo
  3. Dit geldt ook voor de benodigde roerende voorzieningen, zoals tilliften en hoog-laagbedden. Het college hoeft dus geen onderzoek meer te doen of de verzekerde behandeling ontvangt. Ook is per die datum artikel 2.3 van de Regeling langdurige zorg gewijzigd waarmee het recht van verzekerden op het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel is verruimd. 2.16.2 Toegang Wlz verruimd Sinds 1 januari 2021 hebben verzekerden die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg toegang tot de Wlz. Zij worden dan niet anders behandeld dan verzekerden met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap, of verzekerden met een somatische of psychogeriatrische beperking of aandoening. 2.16.3 Outillagemiddelen Wlz-instelling Voor de uitleg van het begrip outillage kan worden aangesloten bij het algemene spraakgebruik. Het gaat om datgene waarmee een Wlz-instelling is uitgerust ter operationalisatie van zijn doelstelling. De inrichting van een instelling moet zijn uitgerust met die standaardvoorzieningen die nodig zijn om de doelgroep waarop de instelling zich richt adequaat te kunnen verzorgen. Daarbij is van belang of de gevraagde voorziening door meerdere mensen, eventueel na elkaar en met een geringe individuele aanpassing, te gebruiken is of dat sprake is van een op het individu toegesneden voorziening, die alleen na een kostbare aanpassing door verschillende personen na elkaar te gebruiken is (CRVB:2013:CA0312 Wmo). 2.16.4 Maatschappelijke participatie en Wlz Volgens de CRvB kunnen de Wmo 2015 en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan de Regiotaxi voor verzekerden die in een Wlz-instelling verblijven. Toepassingsvoorwaarden Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet is voldaan. Dat wil zeggen: heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. Is dat het geval, dan wordt beoordeeld of er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 8.6a van de wet. Is dat niet het geval, dan doet het college onderzoek (zie hierna). Onderzoek De procedure van artikel 2.3.2 van de wet moet in zo’n situatie volledig worden doorlopen. Uit het onderzoek zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en de noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo
  4. Daaruit dat onderzoek kan blijken dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Denk bijvoorbeeld aan verzekerden die in een Wlz-instelling wonen en voor hun sociaal vervoer zijn aangewezen op de Regiotaxi. Bewoners Wlz-instelling Bewoners van een Wlz-instelling kunnen in aanmerking komen voor een gebruikerspas Regiotaxi. Zij zullen in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan cliënten die nog zelfstandig wonen. Soms zijn er in of in de directe omgeving van de Wlz-instelling voorzieningen aanwezig, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, of ze zijn in de directe omgeving beschikbaar. Te denken valt aan Wlz-instellingen eventueel met aanleunwoningen of verpleeghuizen. Bewoners van (intramurale) Wlz-instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereiden. Bedenk in dat kader nog dat deze bewoners ook aanspraak kunnen maken op een mobiliteitshulpmiddel voor individueel gebruik op grond van de Wlz (zie hiervoor). Bezoekbaar maken woning Het kan voorkomen dat een cliënt een Wlz-indicatie krijgt en naar een Wlz-instelling verhuist. Het kan zijn dat deze cliënt nog op bezoek wil komen in de woning waar hij voorheen woonachtig was. Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. Het kan ook voorkomen de cliënt verzoekt om de eerder aan hem verstrekte hulpmiddelen niet te beëindigen. Denk aan een tillift, toiletstoel of douchestoel. Toepassing kan-bepaling Opgemerkt wordt dat de grondslag voor de beslissing op de aanvraag gebaseerd moet worden op artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet en dus gebaseerd is op de kan-bepaling van dat lid. Dat wil ook zeggen dat het college niet hoeft te beoordelen of een maatvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven (art. 2.3.5, derde lid tweede volzin, van de wet). Het gaat er om of het college in redelijkheid tot het besluit (afwijzen of toekennen) heeft kunnen komen (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171). Hoofdstuk3Beoordeling van de aanspraak Artikel 2.3.5 van de wet Hoofdstuk 4 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 3.1Inleiding De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Noordoostpolder. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Noordoostpolder te verhuizen. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de aanwezige of redelijkerwijs te verwachten beperkingen. Het gaat om situaties waarin het voor de hand ligt dat de cliënt op relatief korte termijn problemen in de woning van zijn keuze zal gaan ondervinden. Daaronder wordt in ieder geval een periode van een jaar verstaan. 3.2Algemene criteria In deze paragraaf komen de belangrijkste algemene criteria aan bod die van belang zijn bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening. 3.2.1 Eigen kracht De eigen kracht vormt een belangrijk onderdeel van de beoordeling of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat naar oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of participatie te komen. De cliënt zal zich, in een door het college te beoordelen mate, moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Dat is wat de wetgever voor ogen heeft gehad. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd. 3.2.2 Algemeen gebruikelijke voorziening Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, naar oordeel van het college, met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De CRvB heeft in november 2019 een uitspraak gedaan met betrekking tot het begrip algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535). De zaak had betrekking op de renovatie ad € 6.500,00 van een 35 jaar oude badkamer. De CRvB geeft in de uitspraak van november 2019 dat aan dat deze uitleg van dit begrip voortbouwt op en een nadere precisering is van de uitspaak CRVB:2018:2182 (zie verder hierna). De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De beoordeling Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat.
  5. Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking Bij het eerste criterium wordt bepaald of een voorziening specifiek bedoeld is voor de doelgroep van de Wmo
  6. Dat betekent (eenvoudig gezegd) dat iemand hierover beschikt of zou kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt of een boodschappendienst bij de supermarkt. 2.Daadwerkelijk beschikbaar Bij het tweede criterium geldt dat als de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, deze niet als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Een boodschappenservice moet bijvoorbeeld wel door de supermarkt worden geboden. 3.Levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt totzelfredzaamheid of participatie in staat is Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Een elektrische fiets kan bijvoorbeeld een passende bijdrage zijn. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De maaltijdservice of boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen. 4.Kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Hoogte van de kosten Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: de aflossingsduur van 36 maanden die in Noordoostpolder geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); een aflossing van 5% van de norm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd (art. 21 aanhef en onder a van de Participatiewet). Het percentage sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084). Berekening 5% van de bijstandsnorm € 1.078,70 [bedrag per 1 juli 2021] = € 53,94 x 36 maanden = € 1.941,
  7. Het bedrag van € 1.941,66 geldt slechts voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 juli tot 1 juli van het volgende jaar. Per die datum worden onder meer de bijstandsnormen aangepast. Rekenvoorbeeld Client dient een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening. Uit onderzoek is gebleken dat een elektrische fiets een passende oplossing is. De fiets kost € 1.525,
  8. De kosten zijn lager dan € 1.941,66 [bedrag geldt tot 1 juli 2022] en komt daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Is de cliënt binnen 36 maanden opnieuw aangewezen op een maatwerkvoorziening en dan resteert voor een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening nog een bedrag van € 416,66 (€ 1.941,66 minus € 1.525,00). Het gaat om eenmalige aanschafkosten en niet de periodieke kosten van bijvoorbeeld de maaltijdservice of boodschappendienst. Meerkosten Het kan ook voorkomen dat het college alleen de noodzakelijke meerkosten bij een algemeen gebruikelijke voorziening verstrekt. Het gaat dan om (een deel van) de voorziening die specifiek voor personen met een beperking bestemd is. Voorbeelden hiervan zijn: De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Kosten Tafeltje Dekje Gebruikmaking van Tafeltje Dekje kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten (in 2016 € 4,80 per maaltijd) behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182). Bedenk dat de cliënt normaal gesproken ook kosten heeft voor een maaltijd. Kosten boodschappendienst Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden. Besteding pgb Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (zie art. 9.2, eerste lid, van de Verordening). 3.2.3 Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de Verordening). Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels. 3.2.4 Mantelzorg en hulp van personen uit het sociale netwerk Mantelzorg is niet afdwingbaar; het is vrijwillig en wordt onbetaald geboden. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie door de cliënt. Het is ook van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke behoefte de mantelzorger heeft aan hulp zodat de taken kunnen worden volgehouden. Zie verder Hoofdstuk 5 Mantelzorg van deze beleidsregels. Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot, geregistreerd partner of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie worden verminderd of weggenomen. 3.2.5 Gebruikmaking algemene voorzieningen De wet geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie. 3.2.6 Overige voorliggende oplossingen In 2.7 Onderwerpen van het onderzoek staat wat het college onderzoekt als de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld. Daarin staat ook het wettelijk beoordelingskader volgens het stappenplan van de CRvB waarop de beslissing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt gebaseerd. Dat roept de vraag op of andere faciliteiten in Noordoostpolder ook onder het beoordelingskader kunnen vallen. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college deze ’faciliteiten’ heeft gecontracteerd als algemene voorziening en daarom niet precies bekend is waaruit deze bestaan. Denk bijvoorbeeld aan een inloopmiddag bij een buurthuis die activiteiten organiseert in het kader van dagbesteding of vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Dergelijke faciliteiten tellen wel mee in het beoordelingskader. Het kan namelijk zo zijn dat deze faciliteiten een passende oplossing bieden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid en/of participatie. Omdat de partijen die faciliteiten bieden niet zijn gecontracteerd zal het college in het individuele geval moeten vaststellen waaruit de activiteiten van bijvoorbeeld het buurthuis bestaan en of de activiteiten een passende oplossing zijn voor de problemen die de cliënt heeft. Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn. 3.2.7 Eigen verantwoordelijkheid In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag. Zelf of met anderen Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie. Voorbeelden Tijdens het onderzoek (meestal een gesprek met de cliënt) kunnen allerlei oplossingen aan de orde komen die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Hierna staan een aantal voorbeelden genoemd wanneer de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en/of participatie te verbeteren of op te lossen. De voorbeelden zijn ook gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo oud tot stand is gekomen. Aangenomen wordt dat ‘de uitkomsten’ van deze uitspraken ook van toepassing zijn op de Wmo
  9. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429). Voorliggende voorziening Artikel 4.3 tweede lid onder a en 1.1 lid 1 onder w van de Verordening (begripsbepaling) Zoals gezegd speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt in de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Dat betekent dat het in principe onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt om een beroep te doen op een ‘andere wettelijke regeling’ waarmee aanspraak bestaat gelet op het oog op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Denk aan het afsluiten van en/of gebruik te maken van een aanvullende zorgverzekering ook al is die niet in alle gevallen dekkend (vergelijk CRVB:2013:CA1427). Denk bijvoorbeeld ook aan gebruikmaking van (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241). Onder de eigen verantwoordelijkheid valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming. Denk bijvoorbeeld aan een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (vergelijk CRVB:2012:BV9433). Aanspreken woningeigenaar Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal het college een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2509). Is de aanvrager de eigenaar van de woning, dan zal hij dat zelf moeten realiseren. Privaatrechtelijke verbintenis Het college kan verlangen dat de cliënt een aanspraak op grond van een privaatrechtelijke verbintenis naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen. Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is de aanvrager de eigenaar van de woning, dan zal hij dat zelf moeten realiseren. Risicosfeer Artikel 4.3, tweede lid onder d, van de Verordening Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen (vergelijk CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735). Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met de iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen zullen worden ondervonden (CRVB:2019:2951 en CRVB:2019:290). Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. In de Verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift. Zie artikel 7.4 van de Verordening. 3.3Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget Artikel 4.4 van de Verordening 3.3.1 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding Het kan voorkomen dat de cliënt zijn ondersteuningsvraag pas meldt nadat de maatwerkvoorziening is gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met een ondersteuningsvraag tot het college. Of een cliënt die eerst verhuist van een ongeschikte naar een geschikte woning en zich daarna meldt bij het college. Voor die situaties bepaalt de Verordening dat de maatwerkvoorziening wordt geweigerd omdat deze grondslag niet in de wet zelf is opgenomen (CRVB:2017:433, CRVB:2020:1099). In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) maatwerkvoorziening in natura kan niet terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). 3.3.2 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname Het kan ook voorkomen dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert hangende de procedure van de melding en de beslissing op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt het college om toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand wordt toegewezen of verkocht. 3.3.3 Niet gerealiseerd, noodzaak achteraf vaststellen Er kan ook sprake zijn van een nog niet gerealiseerde maatwerkvoorziening voordat de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld of het college heeft beslist op de aanvraag. Echter door zich niet eerder te melden kan het zijn dat het college de mogelijkheid is ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er een noodzaak is voor een maatwerkvoorziening. En zo ja, welke. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening dan wel in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de cliënt al is begonnen met het aanpassen van de badkamer door het bad te verwijderen. De vraag is of het college op dat moment nog, aan de hand van bijvoorbeeld bouwtekeningen of foto’s, kan vaststellen dat de al in gang gezette aanpassing noodzakelijk was, en zo ja wat de goedkoopst passende bijdrage is. 3.3.4 Nieuwe pgb-aanvraag binnen budgetperiode Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102, CRVB:2018:819, CRVB:2009:BK2502). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818). Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren. 3.3.5 Ingangsdatum diensten Wordt een aanvraag gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, die al door de cliënt is gerealiseerd, kan er wel een indicatie voor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Er wordt in principe niet met terugwerkende kracht geïndiceerd (zie hiervoor en vergelijk CRVB:2019:772). Dit laat overigens onverlet dat de inzet van een maatwerkvoorziening in natura bij spoedeisende gevallen onverkort van toepassing blijft. 3.3.6 Technisch geschikte maatwerkvoorziening De ondersteuningsvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen ze nog voldoen in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling heeft ook betrekking op de maatwerkvoorziening in natura. 3.3.7 Afdoende verzekeren Neemt de cliënt een maatwerkvoorziening (al dan niet aangeschaft met een pgb) mee naar het buitenland, dan is hij/zij verantwoordelijk een afdoende verzekering af te sluiten tegen verlies, schade of diefstal. In de praktijk zal het meestal gaan om een hulpmiddel zoals een rolstoel. De kosten vallen binnen het pgb of komen voor rekening van het college in geval van een maatwerkvoorziening in natura. 3.3.8 Afsluiten opstalverzekering Het is van belang dat de te verzekeren waarde van de woning dan wel de waarde van de verstrekte woningaanpassing is gedekt voor het risico van schade. Daarom zal de cliënt aan wie een woningaanpassing voor de eigen woning is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb, moeten zorgen voor een (aangepaste) opstalverzekering. 3.4Primaat collectieve maatwerkvoorziening Artikel 5.2, eerste lid, van de Verordening De hoofdregel volgens de Verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals collectief vervoer (Regiotaxi). Bij de beoordeling door het college of het primaat kan worden toegepast, wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het genoemde primaat was al bekend onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo
  10. De Regiotaxi kan in de omstandigheden van het individuele geval bijvoorbeeld als passende bijdrage worden aangemerkt om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie. 3.5Kortdurend en ontwikkelingsgericht Artikel 5.2, tweede en derde lid, van de Verordening De maatwerkvoorziening kan ook voor een kortdurende periode worden verstrekt. De maatwerkvoorziening wordt dan ontwikkelingsgericht verstrekt hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt te versterken, verbeteren of behouden. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Verder kan kortdurende ondersteuning ook aan de orde zijn als degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan, maar dat wel kan leren. 3.6 Geheel aan maatregelen Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Deze kunnen ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5, vijfde lid, van de wet. 3.7Eigen bijdrage Artikel 10.1, vierde lid, van de Verordening Cliënten aan wie één of meerdere maatwerkvoorzieningen is verstrekt zijn daarvoor een bijdrage in de kosten verschuldigd: het abonnementstarief. Het gaat om een vast bedrag per maand, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen. Het abonnementstarief wordt door het CAK altijd volledig in rekening gebracht. Het kan voorkomen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de maatvoorziening. Het valt binnen de beleidsvrijheid van het college om te bepalen of het abonnementstarief wordt opgeschort bij tijdelijke niet-gebruik (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 155-157). 3.7.1 Beleidsuitgangspunten tijdelijk niet gebruik Abonnementstarief Als uitgangspunt geldt dat het abonnementstarief wordt opgeschort bij het niet-gebruik van de maatwerkvoorziening van drie maanden of meer waarvoor het abonnementstarief verschuldigd is. Het gaat dus niet om situaties waarin meerdere maatwerkvoorzieningen zijn verstrekt en slechts één daarvan tijdelijk niet wordt gebruikt. Beschermd wonen Indien een cliënt met een indicatie voor beschermd wonen tijdelijk elders verblijft maar de plek wel voor de cliënt beschikbaar (bezet) blijft, dan blijft de eigen bijdrage verschuldigd. 3.7.2 Bijdrage niet verschuldigd Het college is bevoegd om te bepalen dat de cliënt (tijdelijk) geen eigen bijdrage verschuldigd is (art. 3.8, derde lid onder g en h, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Tijdelijk geen betalingscapaciteit Het gaat om cliënten die tijdelijk door (abrupte) veranderingen in de betalingscapaciteit door bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden geen mogelijkheid hebben de bijdrage (tijdelijk) te voldoen. De bevoegdheid is nadrukkelijk bedoeld voor het ontbreken van betalingscapaciteit en niet het ontbreken van inkomen en vermogen. Dat betekent dat iemand geen beschikking heeft over voldoende vrij besteedbaar inkomen om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Het college berekent de betalingscapaciteit op basis van de individuele situatie. Zorgmijders Het gaat bij zorgmijders specifiek om cliënten die de stap naar ondersteuning niet kunnen of willen maken. Meestal is er sprake van een vorm van verwaarlozing. Het kan voorkomen dat het vragen van een eigen bijdrage maakt dat de stap naar ondersteuning niet wordt gezet. Dat wil zeggen: het opleggen van een eigen bijdrage heeft nadelige gevolgen voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in Noordoostpolder. In die gevallen kan het college besluiten om tijdelijk geen eigen bijdrage op te leggen. Hoofdstuk4Gebruikelijke hulp Artikel 1.1.1 van de wet (begripsbepaling) Artikel 4.2 van de Verordening (beoordeling aanspraak) 4.1Inleiding Gebruikelijke hulp is in de wet gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning. De zogeheten leefeenheid bestaat uit de bewoners die gemeenschappelijk een woning bewonen met het oog op een huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. Dat wil zeggen dat volwassen huisgenoten alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie geen deel uitmaken van de leefeenheid. Het gaat om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel zijn staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. In dat geval stemt het college de omvang van de ondersteuning daarop af. Dat wil overigens niet zeggen dat als er geen contractuele bepalingen zijn opgenomen over het schoonmaken, dat het college meer huishoudelijke ondersteuning moet verstrekken. Voor zover er sprake is van meer vervuiling vanwege intensiever gebruik door de huurder of kostganger, dan valt dat buiten de omvang van de indicatie. 4.2Beleidsuitgangspunten In de wet staat voorop dat door het college allereerst wordt bezien of en in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen (beperkingen) op te lossen of te verminderen. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, geregistreerde partner, zij die een gezamenlijke huishouding voeren, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen binnen de leefeenheid (het huishouden), zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich brengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die de hiervoor genoemde huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. In dit hoofdstuk wordt verder de term partner gebruikt. Daarmee wordt bedoeld: echtgenoot, geregistreerde partner of zij die een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 1.1.2 van de wet. 4.3Objectief afwegingskader Artikel 4.2 van de Verordening Objectief wegingskader Het is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijke hulp om te voorkomen dat in voorkomende gevallen sprake is van toeval of van willekeur. Onderzoek Uitgaande van de ondersteuningsvraag worden tijdens het onderzoek de problemen geïnventariseerd die de cliënt heeft in zijn zelfredzaamheid en/of participatie. Op basis van die inventarisatie beoordeelt het college welke ondersteuning nodig is (zie Hoofdstuk 2 Procedure van deze beleidsregels). Pas dan kan op juiste wijze worden vastgesteld of gebruikelijke hulp mag worden verwacht van huisgenoten (bijv. CRVB:2018:3243 en CRVB:2018:3108). Verordening De Verordening bepaalt dat het college bij het afwegingskader in ieder geval rekening houdt met: De aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Dat is nader uitgewerkt in 4.4 Algemeen aanvaardbare opvattingen en 4.5 In redelijkheid te verwachten van huisgenoten in dit hoofdstuk. 4.4Algemeen aanvaardbare opvattingen Onder hulp of ondersteuning die op grond van algemeen aanvaardbare opvattingen geacht wordt geboden te kunnen worden valt in ieder geval: Overname van huishoudelijke taken, Overname van of begeleiding bij de thuisadministratie, Begeleiding gericht op zelfzorg, Begeleiding bij het doen van aankopen, Begeleiding bij structureren van de dag/week, Begeleiding bij participatie, Legen en reinigen van de toiletemmer, Zorg voor minderjarige inwonende kinderen. Het gaat bij gebruikelijke hulp om niet-professionele ondersteuning die niet per se door een professional geboden hoeft te worden (bijv. CRVB:2021:1114). Verder is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere ondersteuning kan naar oordeel van het college ook onder algemene aanvaardbare opvattingen vallen. 4.5In redelijkheid te verwachten van huisgenoten Artikel 1.1.1, eerste lid, van de wet (begripsbepaling) Artikel 4.2 van de Verordening In redelijkheid Of in redelijkheid mag worden verwacht dat huisgenoten gebruikelijke hulp bieden is afhankelijk van de individuele situatie. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, zal het college vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de gebruikelijke hulp te bieden over te nemen. De individuele situatie heeft in ieder geval betrekking op: De beschikbaarheid van de huisgenoot voor de niet-uitstelbare taken, Mogelijke overbelasting van de huisgenoot, De (totale) omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Voor de vaststelling of de huisgenoot in staat tot het bieden van gebruikelijke hulp kan het college bijvoorbeeld om advies vragen (zie Hoofdstuk 17 Advisering van deze beleidsregels). 4.5.1 Aard van de ondersteuningsbehoefte De aard van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). Het college houdt rekening met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt (art. 4.2 van de Verordening). Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en andere huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. In het algemeen wordt ook verwacht dat aan personen van het sociaal netwerk of die tot de leefomgeving horen van de cliënt, uitleg wordt gegeven in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc. Dit voor zover het niet-professionele ondersteuning betreft. 4.5.2 Omvang van de ondersteuning Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, etc. De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat een deel van de taken of activiteiten niet als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt. Dat deel wordt als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar, dan moet het college een maatwerkvoorziening verstrekken. 4.5.3 Leerbaarheid cliënt of huisgenoot Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd om huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. 4.5.4 Overname van huishoudelijke taken Voor huishoudelijke ondersteuning (schoonmaakondersteuning) geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten de huishoudelijke taken overnemen als een andere huisgenoot deze niet kan uitvoeren. Dit uitgangspunt is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721 en CRVB:2017:4476). Dat wil zeggen dat geen rekening wordt gehouden met de aard van de relatie die de cliënt heeft met de huisgenoot. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Zie verder Bijlage 1 Normtijden huishoudelijke ondersteuning bij deze beleidsregels. Verder is het zo dat de inzet van kinderen niet ten koste mag gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder het omgaan met leeftijdgenoten, het doen aan vrijetijdsbesteding en de schoolprestaties (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 116). 4.5.5 Overname van of begeleiding bij de thuisadministratie Voor overname van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten deze taak van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. CRVB:2021:1114, RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval: de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Van een inwonend meerderjarig kleinkind mag bijvoorbeeld worden verwacht dat hij, naast de huishoudelijke taken ook de thuisadministratie van oma overneemt (CRVB:2021:1114). Daaronder zou ook de aansporing kunnen vallen in de zin van het helpen herinneren of dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Het bieden van gebruikelijke hulp moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. 4.5.6 Begeleiding gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van partners mag worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen: het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt; dat valt onder professionele ondersteuning. Een aantal adl-activiteiten gaat partners beiden aan en valt alleen al om die reden onder de gebruikelijke hulp die zij elkaar geacht worden te bieden, zoals het eten en drinken. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(s) aansporen tot zelfzorg. 4.5.7 Begeleiding bij het doen van aankopen Van partners wordt in ieder geval verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is of daar begeleiding bij nodig heeft. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen. Daarmee is nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(s) incidenteel begeleiding bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen. 4.5.8 Begeleiding bij structureren van de dag/week Van partners wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken van en bespreken van een dag-of weekplanning (vergelijk CRVB:2021:823). Daarin staat bijvoorbeeld de volgorde waarin activiteiten plaats vinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, e.d., Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, uitvoeren van huishoudelijke taken, e.d., Bezoek aan familie, Deelname aan dagactiviteiten (brengen en/of opgehaald worden). Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Het gaat om activiteiten die betrekking kunnen hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. De ondersteuning heeft een niet-professioneel karakter. In geval van ouders en hun meerderjarige inwonende kinderen overlegt het college met alle betrokkene wat redelijk is om als gebruikelijke hulp te bieden (vergelijk CRVB:2018:3243). 4.5.9 Begeleiding bij participatie Onder gebruikelijke hulp bij participatie wordt in ieder geval verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. In het algemeen geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil echter niet zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind niet mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen. Vervoer en begeleiding bij vervoer Of vervoer of begeleiding bij vervoer als gebruikelijke hulp geboden kan worden is mede afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en dan met name de frequentie. Verder wordt rekening gehouden met een individuele vervoersbehoefte van de cliënt, zie verder 4.7 Geen gebruikelijk hulp in dit hoofdstuk. Als gebruikelijke hulp verwacht mag worden bij vervoer, dan kan het college een gebruikerspas voor de Regiotaxi verstrekken in plaats van bijvoorbeeld individueel (rolstoel)taxivervoer. Een verplichte begeleider mag gratis met de Regiotaxi mee. Ook als de cliënt in het bezit is van een geldige OV-begeleiderskaart, dan kan diens begeleider gratis mee. Een sociale begeleider betaalt net als de cliënt het gereduceerde tarief (de ritbijdrage). Ook bij het bezit van een eigen auto kan sprake zijn van gebruikelijke hulp. Dat wil zeggen dat in zo’n situatie geen financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de auto verstrekt hoeft te worden. 4.5.10 Legen en reinigen van de toiletemmer Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met losse toiletstoel. Van partners en inwonende meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen. 4.5.11 Zorg voor minderjarige inwonende kinderen Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Onder de gebruikelijke hulp valt (vanzelfsprekend) ook het bieden van toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie voor zorg van kinderen 8.3.2 Resultaat thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren van deze beleidsregels. Verder wordt verwezen naar Bijlage 4 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. 4.6Overbelasting of dreigende overbelasting Steeds moet duidelijk zijn hoe de (dreigende) overbelasting zich uit en wat deze feitelijk inhoudt. Dat wil zeggen dat een beroep op (dreigende) overbelasting van de huisgenoot aannemelijk moet worden gemaakt en zonodig nader worden onderbouwd. Is dat het geval, dan zal het college een (nader) onderzoek instellen. Bijvoorbeeld door om medisch advies te vragen. De betreffende huisgenoot is verplicht daaraan zijn medewerking te verlenen. Zie verder 2.10.1 Medewerkingsplicht van deze beleidsregels voor wat daar onder wordt verstaan en wat de gevolgen zijn van het niet meewerken. Verwezen wordt naar Bijlage 3 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting van deze beleidsregels. Omvang planbare en onplanbare ondersteuning Soms is het duidelijk dat de huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare ondersteuning, maar ook de mate van de noodzaak tot het telkens aanwezig zijn om onplanbare ondersteuning te bieden is van invloed op de belastbaarheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij telkens aanwezigheid en alertheid wordt gevraagd van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Denk bijvoorbeeld aan de beschikbare huisgenoot die geacht wordt om niet-uitstelbare taken in het kader van gebruikelijke hulp te bieden. Aard van de beperkingen Het kan voorkomen dat de huisgenoot weliswaar psychische beperkingen heeft maar geen aantoonbare fysieke beperkingen om de huishoudelijke taken uit te voeren (bijv. CRVB:2018:3101). In geval van psychische beperkingen kan het nodig zijn om vast te stellen dat de cliënt de betreffende huisgenoot kan aansturen bij de uitvoering van de huishoudelijke activiteiten. Geen overbelasting Uit het medisch advies kan ook blijken dat de huisgenoot medisch gezien in staat is om huishoudelijke taken verdeeld over de week en in eigen tempo uit te voeren (bijv. CRVB:2018:2721). 4.7Geen gebruikelijk hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe van uit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(n) niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. In voorkomende gevallen kan het college ook al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekken zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. Denk bijvoorbeeld aan kinderopvang. In de volgende situaties is geen sprake van gebruikelijke hulp. Individuele vervoersbehoefte De cliënt kan een individuele lokale vervoersbehoefte hebben die zelfstandig kan worden gedaan met een vervoersvoorziening. In die gevallen kan (mag) de cliënt niet voor alle ondersteuning bij vervoer afhankelijk zijn van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening of tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto aan de cliënt zijn aangewezen. Niet leerbaar Voor zover de huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de cliënt te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht. Permanent toezicht Het bieden van permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid valt niet onder gebruikelijke hulp. 4.8Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk hulp substantieel wordt overschreden. Dat kan te maken hebben met een combinatie van factoren. Denk bijvoorbeeld aan de aard en omvang van de totale ondersteuningsbehoefte van de cliënt of het combineren van het bieden van gebruikelijke hulp en de eigen activiteiten van de huisgenoot. Ook kan de zorg van ouders voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg substantieel worden overschreden. In voorkomende gevallen kan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet. Hoofdstuk5Mantelzorg Artikel 1.1.1 van de wet (begripsbepaling) Artikel 4.1, eerste lid, van de Verordening (beoordeling aanspraak) Artikel 6.4 van de Verordening (kortdurend verblijf) 5.1Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Dat wil zeggen dat in die gevallen geen sprake is van gebruikelijke hulp dan wel boven-gebruikelijke hulp. 5.2Wettelijk begrip In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). 5.2.1 Niet verzilveren van een aanspraak Uit de begripsbepaling van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigd. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Bij mantelzorg is het dus zo dat die aanspraak niet wordt verzilverd. 5.2.2 Maatwerk als aanvulling op mantelzorg Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17 en CRVB:2017:3209). Dit neemt overigens niet weg dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Dat gebeurt in ieder geval tijdens het onderzoek. 5.3Ondersteuning mantelzorg De ondersteuning aan de mantelzorger geeft geen aanspraak op een maatwerkvoorziening (RBNHO:2017:1022). Het college moet wel onderzoek doen naar de vraag of er de behoefte is aan maatregelen ter ondersteuning zodat de mantelzorger de taken uit kan blijven voeren. Dat behoort tot de wettelijke de opdracht. Daarnaast zijn er lokale of mogelijk regionale organisaties die daarin iets voor mantelzorgers kunnen betekenen. De mantelzorger kan worden verwezen naar dergelijke initiatieven. 5.3.1 Hulpmiddelen Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. Omdat de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening het uitgangspunt is, kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt. 5.3.2 Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger mag in principe worden verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoek doen naar mogelijkheden om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hierin ook een rol spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden hierbij meegewogen (zie Bijlage 3 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels). Inzet van (tijdelijke) respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. 5.3.3 Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen plicht om maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger in te zetten. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1, eerste lid onder g, van de Wlz). Wel kunnen deze verzekerden mogelijk gebruik maken van algemene voorzieningen. 5.4Respijtzorg De maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf passende te ondersteunen. Maatwerkvoorziening zijn immers in overwegende mate individueel gericht (zie art. 4.3, eerste lid onder c, van de Verordening). Het college houdt in het algemeen rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Dat betekent dat de cliënt (tijdelijk) aangewezen kan zijn op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Dat is respijtzorg. Denk bijvoorbeeld aan dagactiviteiten. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: de ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de ondersteuningsvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek plaatsvindt. Het ligt niet voor de hand dat deze situaties snel zullen leiden tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening als respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend die daar mogelijk een bijdrage in de kosten voor verschuldigd is. Opgemerkt wordt nog dat het college ook een maatwerkvoorziening kan verstrekken die erop is gericht dat de mantelzorger leert omgaan met de beperkingen van de cliënt. 5.5Kortdurend verblijf De wet kent één specifieke maatwerkvoorziening die door het college kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten Het gaat om kortdurend verblijf (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het college beoordeelt wel eerst of de cliënt in aanmerking kan komen voor een indicatie voor de Wlz. Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast geldt nog een ander criterium. De cliënt is door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met voortdurend toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid. Daarnaast is het zo dat geen sprake is van het bieden van noodzakelijke geneeskundige zorg. In dat geval zal de cliënt namelijk een beroep moeten doen op Eerstelijns verblijf op grond van de Zvw. Het is ook mogelijk dat de cliënt op grond van zijn aanvullende zorgverzekering in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf. 5.5.1 Accommodatie en vervoer Het kortdurend verblijf wordt geboden in een instelling of accommodatie van een door het college gecontracteerde aanbieder. Is de cliënt aangewezen op kortdurend verblijf dan ligt het niet voor de hand dat de cliënt zelf in staat is de accommodatie te bereiken. In het algemeen wordt aangenomen dat de mantelzorger de cliënt kan brengen en weer ophalen. Is dat niet het geval en er zijn ook geen andere voorliggende oplossingen dan kan een vervoersindicatie worden verstrekt. 5.5.2 Omvang en duur Kortdurend verblijf kan voor een etmaal per week worden verstrekt. Het is niet vereist dat het kortdurend verblijf slechts voor wekelijks (of maandelijks) gebruik kan worden toegekend. Afhankelijk van de omstandigheden in het individuele geval kunnen de periodieke aanspraken ook voor aaneengesloten gebruik van maximaal 52 etmalen per kalenderjaar worden toegekend en gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de mantelzorger op vakantie wil. Het college kan afwijken van de gestelde norm. Bij de beoordeling van de aanspraak houdt het college in het algemeen rekening met de vraag of de cliënt aanspraak kan maken op Eerstelijns verblijf op grond van de Zvw of een indicatie op grond van de Wlz. 5.6Mantelzorgwoning Woningen dus ook mantelzorgwoningen worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Tijdens de wetsbehandeling van de Wmo 2015 is aangegeven dat initiatieven als mantelzorgwoningen aandacht verdienen en waar mogelijk belemmeringen tot plaatsing te worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). In voorkomende gevallen moet afstemming worden gezocht met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving omdat, zoals gezegd, de regels hierover zijn gewijzigd. Hoofdstuk6Begeleiding Hoofdstuk 6 van de Verordening Dit hoofdstuk van de beleidsregels treedt in werking op 1 april
  11. Van 1 januari 2022 tot 1 april 2022 blijft hoofdstuk 6 van de oude beleidsregels van toepassing waaronder ook bijlage 5 bij die beleidsregels. 6.1Inleiding Met de maatwerkvoorziening begeleiding (individueel) wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie wil zeggen dat de cliënt zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kan doen aan de samenleving. De compensatieplicht van het college is echter niet gericht op het optimaliseren. Dat wil zeggen: niet alle beperkingen hoeven te worden opgelost. 6.2Algemene uitgangspunten Tijdens het onderzoek stelt het college vast of er voorliggende oplossingen zijn die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding in de weg staat. Daaronder valt in ieder geval gebruikelijke hulp die een eventuele huisgenoot van de cliënt geacht wordt te bieden (zie Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels). Ook de begeleiding die geboden kan worden door bijvoorbeeld de welzijnsorganisatie kan een voorliggende oplossing zijn. Verder bepaalt de Verordening dat het college de te verstrekken maatwerkvoorziening kan combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en vrijwilligers. Als uitgangspunt geldt ook dat een collectieve maatwerkvoorziening in principe voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening (art. 6.2 van de Verordening). De achtergrond daarvan is onder meer dat een collectief aanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het college is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende bijdrage te verlenen (zie art. 4.3, eerste lid onder b, van de Verordening). Verder kan het natuurlijk zijn dat dagactiviteiten (collectieve maatwerkvoorziening in groepsverband) een beter passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. 6.3Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl), het voeren van een gestructureerd huishouden. Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken om daar regie over te kunnen voeren. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Vaardigheden op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen. Participatie Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer; waaronder ook deelname aan dagactiviteiten kan vallen. Zie Hoofdstuk 7 Dagactiviteiten en zie voor het sociaal vervoer Hoofdstuk 11 Ondersteuning deelname maatschappelijk verkeer van deze beleidsregels. 6.4Afbakening Zorgverzekeringswet en Wmo 2015 De behoefte aan (alleen) verzorging zoals die tot 1 januari 2015 op grond van de AWBZ werd verleend, kan ook meer in het verlengde van de behoefte aan begeleiding liggen. Het gaat bij deze verzorging om mensen die behoefte hebben aan ondersteuning bij de adl. Deze verzorging houdt geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Deze behoefte aan ondersteuning bij adl komt met name voor bij mensen met een verstandelijke of zintuiglijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze vorm van ondersteuning bij adl is niet naar de Zvw overgeheveld, maar per 1 januari 2015 gepositioneerd onder de Wmo
  12. Als cliënten een lichamelijke aandoening krijgen waardoor een geneeskundige zorgvraag ontstaat, zullen zij zowel verpleging als hun bij de geneeskundige zorgvraag behorende verzorging vanuit de Zvw ontvangen. Verder valt voor cliënten die begeleiding en adl-ondersteuning krijgen via de Wmo 2015, de overige medische zorg vanzelfsprekend onder de te verzekeren prestaties van de Zvw. 6.5Bereiken van een resultaat Tijdens het onderzoek wordt bekeken of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding en zo ja, welke. Zo’n indicatie is natuurlijk ook afhankelijk van de aard en de mate van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Het gaat om een te bereiken resultaat. Op grond daarvan bepaalt het college ook waar de begeleiding op is gericht: oplossen van de problematiek. Dat wil zeggen: er is tijdelijk een maatwerkvoorziening nodig, ontwikkeling van de cliënt. Dat wil zeggen: de begeleiding bestaat uit methodisch handelen gericht op ontwikkeling. stabilisatie van de problematiek. Denk in dit verband aan een cliënt voor wie de beperkingen niet met voorliggende oplossingen kunnen worden weggenomen of er geen (enkel) ontwikkelperspectief wordt vastgesteld. 6.5.1 Reikwijdte en integraal werken De gebieden die tijdens het onderzoek worden uitgevraagd vallen niet allemaal (volledig) binnen de reikwijdte van de Wmo
  13. Het breed uitvragen op verschillende gebieden maakt het mogelijk om cliënten op een goede manier door te geleiden naar andere regelingen maar ook om de maatwerkvoorziening af te stemmen op die regelingen, als daar aanleiding voor is (art. 2.3.5, vijfde lid, van de wet). Op die manier wordt (betere) integrale dienstverlening aan inwoners bereikt. Hierna wordt een voorbeeld genoemd. Financiën/ administratie Voor zover de problematiek betrekking heeft op het oplossen van schulden, waarvoor het minnelijk (gemeentelijke) of wettelijke (WSNP) traject is bedoeld, valt de begeleiding buiten de reikwijdte van de Wmo
  14. Dan kan alleen tijdelijk begeleiding worden verstrekt voor een toeleiding (warme overdracht) naar bijvoorbeeld het financieel loket. Naast eventuele schulddienstverlening kan dan ook toeleiding naar budgetbeheer of bewindvoering worden opgepakt. Bij het financieel loket kan ook worden bekeken of de cliënt eventueel aanspraak kan maken of inkomensondersteunende maatregelen. Wettelijk beschermingsmaatregelen Er bestaan een aantal wettelijke beschermingsmaatregelen; bij de kantonrechter kan een verzoek om toelating worden gedaan. Tegen de achtergrond van de problematiek binnen dit resultaatgebied zijn dat: Beschermingswind. Als iemand niet meer alleen voor zijn financiële zaken kan zorgen, kan hij hulp daarbij krijgen door zijn vermogen onder bewind te laten stellen en zijn financiële zaken door een ander laten regelen. Problematische schulden en verkwisting kunnen redenen zijn om beschermingsbewind uit te spreken. Curatele. Als iemand zowel zijn persoonlijke én financiële zaken niet meer zelf kan regelen. Persoonlijke zaken zijn bijvoorbeeld een medische behandeling of verpleging. Het gaat om personen die handelingsonbekwaam zijn. Mentorschap. Als iemand alleen niet meer voor zijn persoonlijke en immateriële zaken kan zorgen, kan hij een mentor krijgen om hem te helpen. 6.5.2 Aandachtspunten De cliënt kan beperkingen ondervinden op verschillende gebieden (zie verder hierna). Het college maakt bij het onderzoek ook gebruik van Bijlage 5 Aandachtspunten resultaatgebieden begeleiding bij deze beleidsregels. Deze aandachtpunten kunnen van belang zijn om het resultaat maar ook de omvang en frequentie van de begeleiding vast te stellen. 6.5.3 Resultaat Het college stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er eventueel zijn bij het bieden van de begeleiding. Daaruit volgt de begeleiding waarop de cliënt is aangewezen qua aard, omvang en frequentie. Dat wordt aangeduid met een intensiteit. Begeleiding kan worden geïndiceerd in vijf intensiteiten: waakvlamcontact, licht, middel, zwaar of intensief. Om de intensiteit te bepalen maakt het college bij het onderzoek ook gebruik van Bijlage 7 Bepalen ernst van de problematiek (onderscheid licht, matig, zwaar) bij deze beleidsregels. Het college hanteert de volgende intensiteiten: Intensiteit Ondergrens uren per maand Bovengrens uren per maand Waakvlamcontact - tot en met 4 uur Licht meer dan 4 uur tot en met 9 uur Middel meer dan 9 uur tot en met 18 uur Zwaar meer dan 18 uur tot en met 26 uur Intensief meer dan 26 uur - Geen optelsom Het kan zijn dat op meerdere gebieden te behalen resultaten te formuleren zijn. Voor wat betreft de omvang van de indicatie voor begeleiding is het niet zo dat de ureninschatting per gebied bij elkaar worden opgeteld. Hat gaat om maatwerk: het bereiken van het resultaat is leidend. Zo kan bijvoorbeeld in een bepaalde volgtijdelijkheid worden gewerkt aan de te bereiken resultaten. In Bijlage 6 Voorbeelden te bereiken resultaten begeleiding worden een aantal voorbeelden van te bereiken resultaten genoemd. Haalbaar resultaat Het college en de cliënt brengen samen een prioritering aan. Zij maken een keuze aan welk resultaat of welke resultaten eerst wordt gewerkt. Op deze wijze wordt aan een haalbaar resultaat gewerkt. Daarom is het van belang de gebieden na te lopen bij een tussentijdse evaluatie. Bijvoorbeeld bij een cliënt met verslavingsproblematiek is veelal sprake van verschillende aandachtsgebieden, zoals verslaving, schuldenproblematiek, persoonlijke verzorging, maar in de praktijk heeft het resultaat verslaving de prioriteit en zal het bereiken van het resultaat op het gebied verslaving automatische een verbetering opleveren op de andere aandachtsgebieden. 6.5.4 Intensiteit waakvlamcontact De intensiteit waakvlamcontact is bedoeld als: manier om af te schalen, nazorg en monitoring, preventie om zwaardere begeleiding te voorkomen, de “zorgmijdende” cliënt de toegekende begeleiding niet gebruikt (no show). Manier om af te schalen Voordat de begeleiding daadwerkelijk wordt afgeschaald wordt eerst gekeken of in het netwerk van de cliënt een persoon beschikbaar en geschikt is die de functie van het waakvlamcontact op zich kan nemen. Dat wil zeggen: bij een indicatie zoekt de aanbieder samenwerking met die persoon. Het waakvlamcontact wordt dan belegd bij die persoon en heeft als doel om een vinger aan de pols te houden in de overgang naar het afbouwen van de begeleiding en/of na beëindiging van de begeleiding. Zijn er geen mogelijkheden binnen het eigen netwerk, dan biedt de aanbieder het waakvlamcontact. Nazorg en monitoring Cliënten zijn goed in beeld bij aanbieders. Daarom hoeft de cliënt niet steeds opnieuw een vraag te stellen of een intake te doorlopen. De aanbieder bewaakt dat de zelfredzaamheid van de cliënt niet afneemt. Daarnaast kan “uitstroom” naar voorliggende oplossingen ingezet of behouden worden. Preventie om zwaardere begeleiding te voorkomen Bij waakvlamcontact is de begeleiding tijdig aanwezig om op te schalen bij dreigende terugval. Op die manier hoeven de problemen van een cliënt niet verder op te stapelen. De cliënt kan terugvallen op de aanbieder als het even wat minder goed gaat. Als dat nodig is kan de aanbieder ook begeleiding bieden bij het formuleren van een ondersteuningsvraag en toeleiding tot (meer) ondersteuning. Zorgmijders Het gaat bij zogeheten “zorgmijders” om cliënten aan wie weliswaar begeleiding is toegekend maar die daar geen gebruik van maken (no show). In die situaties wordt het eerdere toekenningsbesluit vervangen door een toekenning begeleiding waakvlamcontact. Het kan ook een manier zijn om de ondersteuning voor (nieuwe) cliënten, aan wie nog geen begeleiding is verstrekt, op een laagdrempelige manier op te starten. Hoofdstuk7Dagactiviteiten Artikel 1.1 van de Verordening (begripsbepaling) Hoofdstuk 6 van de Verordening Dit hoofdstuk van de beleidsregels treedt in werking op 1 januari 2022 met uitzondering van het onderdeel over dagactiviteiten Arbeidsmatig, die treedt op 1 april 2022 in werking. Van 1 januari 2022 tot 1 april 2022 blijft hoofdstuk 6 van de oude beleidsregels over dagactiviteiten arbeidsmatig van toepassing waaronder ook bijlage 5 bij die beleidsregels. 7.1Inleiding De maatwerkvoorziening dagactiviteiten is een vorm van begeleiding in groepsverband bestemd voor cliënten die niet mee kunnen doen in het ‘gewone’ dagelijkse (werk)leven. De dagactiviteiten dragen bij aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dagactiviteiten omvatten structurele tijdsbesteding met een welomschreven resultaat waarbij een cliënt actief wordt betrokken en wat hem zingeving biedt. Begeleiding is hiervan een onderdeel zodat de cliënt kan deelnemen aan de dagactiviteiten. Dagactiviteiten kunnen gericht zijn op: een invulling van de dag, dagstructuur hebben en mensen ontmoeten. Ze kunnen naast structurerend ook ontwikkelingsgericht zijn. Als dat nodig is valt hieronder ook het vervoer naar en van de dagactiviteiten. Dagactiviteiten kan er ook voor zorgen dat de mantelzorger wordt ontlast. Er zijn drie vormen van dagactiviteiten die zijn afgestemd op een specifieke doelgroep (zie hierna). 7.2Algemene uitgangspunten Tijdens het onderzoek stelt het college vast of er voorliggende oplossingen zijn die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van dagactiviteiten in de weg staat. Daaronder kan gebruikelijke hulp vallen die een eventuele huisgenoot van de cliënt geacht wordt te bieden. Ook de begeleiding die geboden kan worden een welzijnsorganisatie kan een voorliggende oplossing zijn. Verder bepaalt de Verordening dat het college de te verstrekken maatwerkvoorziening kan combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en vrijwilligers. Als uitgangspunt geldt ook dat een collectieve maatwerkvoorziening in principe voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening (art. 6.2 van de Verordening). De achtergrond daarvan is onder meer dat een collectief aanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het college is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende bijdrage te verlenen (zie art. 4.3, eerste lid onder b, van de Verordening). Verder kan het natuurlijk zijn dat dagactiviteiten (collectieve maatwerkvoorziening in groepsverband) een beter passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. 7.2.1 Voorliggende oplossing De Brouwerskamp is een laagdrempelige inloopvoorziening voor in ieder geval cliënten met een psychische kwetsbaarheid. De Brouwerskamp is een algemene voorziening en kan voor gaan op het verstrekken van een maatwerkvoorziening dagactiviteiten. Beschikbaarheid De inloop is overdag dagelijks open en gedurende twee dagen tot 19.00 uur. Resultaten De inloopvoorziening Brouwerskamp richt zich op het bereiken van de volgende resultaten: Het zich thuis laten voelen en contacten leggen. Het faciliteren van cliënten met een psychische kwetsbaarheid om zich te ontwikkelen om een volgende stap te zetten in het meedoen in de maatschappij. Hierbij wordt geïnvesteerd op herstel en inzet van ervaringsdeskundigheid. Het signaleren van verergering van de problematiek en somatische achteruitgang en hiernaar handelen. Het hierbij ontlasten van de mantelzorger. Het werken aan een gezonde leefstijl bij cliënten door het bieden van gezonde voeding, het verstrekken van informatie over voeding en bewegen en het samenwerken met de Voedselbank om verspilling van voedsel tegen te gaan. Het onder de aandacht brengen van stigma’s. Het faciliteren van ruimte aan vrijwilligersorganisaties op het gebied van zelfhulp waarmee zwaardere zorg voorkomen wordt. Er ontstaat begrip en acceptatie tussen verschillende doelgroepen waardoor de drempel verlaagd wordt om samen activiteiten te ondernemen. Hierdoor is er een breder aanbod van activiteiten voor wie er behoefte aan heeft. Het samenwerken tussen organisaties waardoor expertise en inzet voor een brede doelgroep wordt benut. Het vergroten van het bereik van mensen, zodat er meer mensen bereikt worden en naar de Bouwerskamp komen. Het normaliseren en afschalen van hulpverlening. Het versterken van het netwerk van cliënten buiten de Bouwerskamp. 7.3Vormen van dagactiviteiten Er zijn drie maatwerkvoorzieningen in de vorm van dagactiviteiten die elk bestemd zijn voor een verschillend deel van de populatie. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende producten, de bijbehorende deelpopulatie en activiteiten: 7.3.1 Doelgroep en scheidslijn dagactiviteiten Naam product Deelpopulatie Activiteiten Exclusief deelpopulatie Dagactiviteiten belevingsgericht Ouderen en (jong) dementerenden Recreatief Arbeidsmatige leeftijd m.u.v. jong dementerenden Dagactiviteiten NAH Niet aangeboren hersenletsel (NAH) Recreatief en ontwikkelings-gericht Cliënten die geen NAH hebben Dagactiviteiten arbeidsmatig Arbeidsmatige leeftijd Ontwikkelings-gericht Deelpopulatie NAH, Pensioengerechtigde leeftijd en dementerenden Pensioengerechtigd en toch dagactiviteiten arbeidsmatig? De cliënt staat centraal. Neem bijvoorbeeld een cliënt die deelneemt aan de dagactiviteiten arbeidsmatig en de pensioengerechtigde leeftijd bereikt maar graag wil blijven deelnemen aan de dagactiviteiten arbeidsmatig. Deze cliënt kan daar in afstemming met de aanbieder en het college blijven. De cliënt ontvangt wel een andere indicatie, namelijk voor dagactiviteiten belevingsgericht. De aanbieder van dagactiviteiten belevingsgericht en de aanbieder dagactiviteiten arbeidsmatig werken samen om deze cliënt te bedienen. Dat kan een combinatie van dagactiviteiten zijn of volledige deelname aan de dagactiviteiten arbeidsmatig. Aanbieders kunnen bijvoorbeeld hun samenwerking vormgeven in een hoofd- en onderaannemerschap. 7.4Dagactiviteiten niet aangeboren hersenletsel (NAH) Cliënten met niet-aangeboren hersenletsel (NAH) hebben schade aan de hersenen die is ontstaan in de loop van hun leven. Dit zorgt voor een onomkeerbare breuk in hun levenslijn; een cliënt met NAH ervaart dat wat voorheen vanzelfsprekend was, dat nu niet meer is. Dit vraagt om speciale aanpak en aandacht, bijvoorbeeld voor rouwverwerking en leerbaarheid. 7.5Dagactiviteiten belevingsgericht De doelgroep voor deze maatwerkvoorziening zijn cliënten vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en (jong) dementerenden. De doelgroep kenmerkt zich door een onomkeerbaar verlies van regie en een grote mate van zorgafhankelijkheid. Het gaat bij dagactiviteiten belevingsgericht om cliënten die ernstig beperkt zijn in hun zelfredzaamheid en die (nagenoeg) niet meer in staat zijn om hun eigen dagstructuur vorm te geven. Denk aan cognitieve beperkingen door dementie en/of fysieke beperkingen door een ziekte of ouderdom. Omdat zij sterk beperkt zijn in de zelfredzaamheid kan dat leiden tot: sociaal isolement, afnemende vaardigheden en het langzaam verliezen van de regie over het leven. De dagactiviteiten belevingsgericht geven structuur en een zinvolle invulling van de dag aan deze groep ouderen en (jong) dementerenden. Deze maatwerkvoorziening voorkomt ook dat iemand geen sociale contacten meer heeft en geïsoleerd raakt. Recreatief met als doel beleven De dagactiviteiten belevingsgericht zijn veelal recreatief van aard en hebben als doel ‘beleven’. Als de cliënt beginnende en lichte beperkingen heeft, zijn de activiteiten vooral recreatief van aard en gericht op het hebben van contacten, versterken sociaal netwerk en ontmoeting. Activiteiten zijn bijvoorbeeld: wandelen, knutselen, klussen, gymnastieken, zingen of samen koken en andere mensen ontmoeten. Voor deze cliënten kan een algemene voorziening, een vrij toegankelijke voorziening en/of inzet van een vrijwilliger voldoende zijn, al dan niet in combinatie met deze maatwerkvoorziening een passende oplossing zijn. Opvang en stabiliseren Afhankelijk van de mate van maar ook de prognose van de beperkingen van de cliënt zijn de dagactiviteiten vaak recreatief van aard en gericht op stabilisering, het voorkomen of vertragen van verdere achteruitgang, het zo lang mogelijk behouden van vaardigheden, het zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Het richt zich op opvang van cliënten die naar verhouding veel structuur, begeleiding en toezicht nodig hebben, bijvoorbeeld cliënten met dementie. De begeleiding is intensiever en meer specialistisch vanwege de beperkingen (fysiek, verstandelijk, geestelijk). Het is daarnaast vaak gericht op het ontlasten van mantelzorgers. Een groot deel van deze cliënten komt via de maatwerkvoorziening dagactiviteiten belevingsgericht uiteindelijk terecht in de Wlz. 7.6Dagactiviteiten arbeidsmatig De (onbetaalde) dagactiviteiten arbeidsmatig is bestemd voor cliënten: van 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd (arbeidsmatige leeftijd), die (nog) geen aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij de arbeidsparticipatie, en een mate van ontwikkelingspotentieel hebben richting maatschappelijk participeren. Kenmerk doelgroep Veelal gaat het om cliënten met een verstandelijke beperking, psychosociale problematiek of psychiatrische stoornis. De beperking is dermate belemmerend dat cliënten (al dan niet tijdelijk) nog geen ondersteuning kan krijgen bij de inschakeling bij de arbeidsparticipatie van de gemeente of het UWV. De reden daarvan is dat de cliënt (nog) niet over arbeidsvermogen (of verdiencapaciteit) beschikt. De doelgroep heeft dikwijls moeite om een stabiele structuur en invulling aan hun dagen te geven. De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig biedt als het ware een alternatief voor werk of school voor cliënten die (nog) geen betaald werk kunnen doen. Daaronder wordt ook ondersteuning in de arbeidsparticipatie verstaan, zoals (begeleid) vrijwilligerswerk. De dagactiviteiten arbeidsmatig biedt cliënten zingeving. 7.6.1 Doelgroep en beoordelen problematiek Het college stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er eventueel zijn. Hiervoor maakt het college ook gebruik van de uitvraag op verschillende gebieden. Is de cliënt aangewezen op een maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig dan wordt vastgesteld wat als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dat wordt aangeduid met een intensiteit. Zie verder Bijlage 7 Bepalen ernst van de problematiek (onderscheid licht, matig, zwaar) bij deze beleidsregels. Het college hanteert de volgende intensiteiten: Intensiteit Ondergrens dagdelen per maand Bovengrens dagdelen per maand Licht meer dan 4 dagdelen tot en met 18 dagdelen Middel meer dan 19 dagdelen tot en met 26 dagdelen Zwaar meer dan 27 dagdelen tot en met 35 dagdelen Intensief meer dan 35 dagdelen - Werksetting, begeleiding en coaching De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig omvat activiteiten in een werkachtige setting. Cliënten ontplooien hun capaciteiten, leren kennis en vaardigheden, leef- en werkritme en omgangsvormen die ze ook nodig hebben op de werkvloer, zodat waar mogelijk hun kansen op de arbeidsmarkt worden vergroot. De begeleiding bestaat uit ondersteuning en coaching en richt zich op het stimuleren van de zelfredzaamheid en eigen regie en het krijgen van veiligheid en structuur. De begeleiding gaat uit van de mogelijkheden en wensen van de cliënt en staat in het teken van het ontwikkelen van eigen initiatief, talenten. Begeleiding spreekt de competenties aan. Realiseren van ontwikkeling De beperkingen van deze cliënten zijn dusdanig, dat er ontwikkeling verwacht en gerealiseerd kan worden. Het doel is afhankelijk van het ontwikkelperspectief van de individuele cliënt. De mate en snelheid van ontwikkeling verschilt per persoon. Het gaat er om dat cliënten zich ontwikkelen op maximaal eigen vermogen. Waar mogelijk stromen de deelnemers uit deze maatwerkvoorziening omdat ze er niet meer op zijn aangewezen of kan worden afgeschaald naar voorliggende oplossingen. Ook kan een cliënt doorstromen naar een vorm van werk of ondersteuning gericht op arbeidsparticipatie. De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig dient dan als opstapje naar werk voor cliënt waarvoor de stap naar werk of een vorm van arbeidsparticipatie (tijdelijk) nog te groot is. Geen doorstroom naar werk/arbeidsparticipatie In bepaalde gevallen zal gezien de beperkingen van de cliënt doorstroom naar een vorm van werk niet haalbaar zijn. De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig staat dan in het teken van participatie met als doel cliënten een zinvolle invulling van de dag te geven die past bij hun interesse en vaardigheden en hun naar vermogen te laten ontwikkelen. 7.6.2 Mogelijkheden tot arbeidsparticipatie Reikwijdte Het kan voorkomen dat de cliënt die een beroep doet op de Wmo 2015 in aanmerking kan komen voor onderst

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.