← Nederland

Besluit van het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland houdende regels omtrent de Keur (Algemene Regels behorende bij de Keur

In het kort

Dit besluit stelt algemene regels vast voor bepaalde activiteiten die invloed kunnen hebben op waterstaatswerken, waterkeringen en wegen binnen het Waterschap Rivierenland, waardoor deze activiteiten niet langer vergunningplichtig zijn, maar wel meldingsplichtig. Het doel is om de administratieve lasten voor burgers en bedrijven te verminderen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Besluit van het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland houdende regels omtrent de Keur (Algemene Regels behorende bij de Keur Waterschap Rivierenland 2014)Het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland; gelezen het voorstel van de directieraad d.d. 24 november 2014; gelet op de desbetreffende bepalingen van de Waterschapswet en het algemeen reglement voor Waterschap Rivierenland; Besluit: I Vast te stellen de Algemene Regels behorende bij de Keur Waterschap Rivierenland 2014, bijgevoegd bij dit besluit en die als zodanig deel uitmaken van dit besluit. II In te trekken de Algemene regels behorende bij de Keur Waterschap Rivierenland 2009. II Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2015. III Dit besluit kan worden aangehaald als: Algemene Regels behorende bij de Keur Waterschap Rivierenland 2014. Inleiding In principe zijn alle handelingen, werken, activiteiten en gedragingen, die op de één of andere manier van invloed (kunnen) zijn op waterstaatwerken, verboden volgens de Keur van Waterschap Rivierenland 2014. Voor specifieke activiteiten kan een (water)vergunning worden verleend. In de beleidsregels behorend bij de keur, is voor veel activiteiten beschreven of en onder welke voorwaarden vergunningen kunnen worden verleend. Een vergunningaanvraag doorloopt een wettelijke procedure, welke doorgaans een aantal weken in beslag neemt. De ervaring leert dat bepaalde, regelmatig voorkomende, activiteiten in, of in de directe omgeving van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen en wegen, weinig invloed hebben op de staat van deze beheersobjecten van het waterschap. Voor deze weinig risicovolle en regelmatig voorkomende activiteiten heeft het waterschap de afweging gemaakt dat ze niet langer vergunningplichtig zijn, indien voldaan wordt aan de gestelde criteria en voorwaarden. Hierdoor worden de administratieve lasten voor zowel het waterschap als voor burgers en bedrijven verminderd. Door het stellen van algemene regels zijn de betreffende activiteiten vrijgesteld van de vergunningplicht. Wel dienen ze in de meeste gevallen aan het waterschap te worden gemeld. Aan het behandelen van een melding zijn geen legeskosten verbonden. Indien bij een melding blijkt dat wordt afgeweken van de in de algemene regels gestelde criteria en voorwaarden, dienen de activiteiten te worden aangepast om alsnog conform de algemene regels te worden uitgevoerd, of dient een vergunningaanvraag te worden ingediend. Wanneer sprake is van een werk waarbij zowel vergunningplichtige als meldingplichtige activiteiten worden uitgevoerd, dient voor alle activiteiten gezamenlijk een vergunningaanvraag te worden ingediend. De aanvraag wordt dan getoetst aan de beleidsregels behorend bij de keur. Het is voor veel activiteiten denkbaar dat daarmee belangen van derden (bijvoorbeeld aangrenzende eigenaren) zijn gemoeid. Een melding op grond van een algemene regel geeft niet het recht om activiteiten uit te voeren op eigendomsgrenzen met derden of op eigendommen van derden. Degene die gebruik maakt van een algemene regel dient in dat geval voor een eventuele toestemming of machtiging van derden te zorgen. Algemene regels waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen en wegen WW1.Verwijderen objecten Artikel1.Criteria Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, en/of artikel 5.4 van de keur, voor het verwijderen van een object uit een waterstaatswerk, bijbehorende beschermingszone en/of uit een wegberm voor zover het: een object in een oppervlaktewaterlichaam en/of bijbehorende beschermingszone betreft dat: gelegen is op en/of aansluit op percelen waarvan initiatiefnemer rechthebbende is; geen onderdeel uitmaakt van een onderhoudsroute; geen peilscheidend, waterkerend of peilregulerende functie heeft; niet gelegen is in een aangewezen vaarweg; een object in een waterkering en/of bijbehorende beschermingszone betreft dat: gelegen is op en/of aansluit op percelen waarvan initiatiefnemer rechthebbende is; geen onderdeel uitmaakt van een onderhoudsroute; geen (gedeeltelijke) grond- of waterkerende functie heeft; in geval van een kabel en/of leiding niet dieper ligt dan 1,20 m beneden maaiveld; een oppervlak heeft van maximaal 10 m2 in/op de waterkering; in de waterkering niet dieper dan 0,60 m beneden maaiveld is gefundeerd; in de beschermingszone niet dieper dan 1,00 m beneden maaiveld is gefundeerd; een object in een wegberm betreft dat: gelegen is op en/of aansluit op percelen waarvan initiatiefnemer rechthebbende is; geen onderdeel uitmaakt van een onderhoudsroute; geen (gedeeltelijke) grond- of waterkerende functie heeft; niet gelegen is onder een 45-graden lijn gemeten vanuit de zijkant wegverharding (zie tekening ‘Werkzaamheden bij wegen’); een kabel/leiding onder een weg gelegen op een waterkering betreft; gelegen is op en/of aansluit op percelen waarvan initiatiefnemer rechthebbende is; die niet dieper dan 1,20 m onder maaiveld is gelegen, en; die de weg haaks kruist. Artikel2.Voorwaarden Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel: voor zover het een oppervlaktewaterlichaam betreft: verwijdert het object volledig uit het oppervlaktewaterlichaam en/of beschermingszone, inclusief bijbehorende werken; draagt er zorg voor dat de activiteiten de watertoevoer niet ontoelaatbaar belemmeren. brengt het oppervlaktewaterlichaam na verwijdering van het object terug op de afmetingen conform het naastgelegen profiel; verlegt eventuele vrijkomende kabels en leidingen conform de algemene regel ‘WW 3. Kabels en leidingen’; beschermt taluds op doelmatige wijze tegen uitspoeling en inzakking; damt het oppervlaktewaterlichaam, indien nodig, niet eerder af dan na overleg met de toezichthouder van het waterschap; verwijdert bestaande kabels en/of leidingen die uit gebruik zijn of worden genomen volledig; voor zover het een waterkering betreft: verwijdert het object uit de primaire waterkering niet in periode 15 oktober tot 1 april; verwijdert het object in open ontgraving; voert de activiteiten aaneengesloten uit en houdt de uitvoeringsduur zo kort mogelijk; dicht zowel voor het einde van de dagelijkse werktijd als na de voltooiing van het werk de ontgraving op de waterkering met de uitkomende grond tot een proctordichtheid van 98%; hindert bij het verwijderen van het object de afwatering van de waterkering en het omliggende terrein niet; verwijdert het object volledig uit de waterkering en/of beschermingszone, inclusief bijbehorende werken; verwijdert funderingspalen van bouwwerken tot 1,00 m onder maaiveld; herstelt na verwijdering van het object direct het maaiveld of dijktalud waarbij een minimale kleilaag van 1,00 m blijft gehandhaafd of wordt aangebracht. De volgende klei moet worden toegepast: voor het buitentalud: klei met erosiebestendigheid categorie 1, met een lutumpercentage tussen 25%-37%, en voor het binnentalud: klein met erosiebestendigheid categorie 2-3, met een lutumpercentage tussen 15%-25%; vergraaft niet meer grond dan nodig is; verwijdert bij het rooien van beplanting de boomstronken en wortels uit de bodem tot een maximale diepte van 1,00 m onder maaiveld; voert gerooide bomen, takken, wortels en andere boom- en/of struikresten af; sluit het te herstellen talud aan overeenkomend aan de aangrenzende taluds; zaait de bodem, direct nadat deze is aangevuld, als volgt in: Type graszaadmengsel Inzaai (kg/

  1. ha)Doorzaai (kg/
  2. ha)Beweid D1 100-150 50-75 Niet beweid D2 100-150 50-75 treft, wanneer op 15 oktober op de waterkering en haar bijbehorende beschermingszones geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van het waterschap in slechte staat bevindt, op aanzegging van het waterschap, alle maatregelen om een adequate erosiebestendige waterkering te garanderen; voor zover het een weg of wegberm betreft: verwijdert het object inclusief bijbehorende werken volledig uit de wegberm; verwijdert de kabel/leiding volledig uit de weg; dicht ontstane gaten en herstelt de wegberm; zaagt een sleuf voor een wegkruising in asfalt te allen tijde op klinkermaat; zorgt ervoor dat het verkeer zo min mogelijk hinder van de werkzaamheden heeft; brengt ter plaatse van verwijderde wegverharding een klinkverharding aan; herstelt een sleuf als volgt: voor wegfunderingsmateriaal geschikt puingranulaat ter dikte van 0,35 meter; zand tot 0,40 meter beneden het wegdek; klinkerbestrating als tijdelijk wegdek; voorziet een sleuf in het wegdek 12 maanden na afronding van de werkzaamheden van een nieuwe asfaltlaag, in overleg met en op aanwijzen van de toezichthouder. De aan te brengen asfaltlaag moet vloeiend in het bestaande wegdek verlopen en de waterafvoer mag door het nieuwe asfalt niet worden belemmerd; dicht en verhardt elk opgebroken gedeelte telkens voor zonsondergang; brengt een duidelijke tegelverharding in de berm van de weg aan rondom een afsluiter, pomp- of inspectieput en dergelijke en onderhoudt de juiste hoogteligging ten opzichte van het maaiveld om maaischade te voorkomen; Zorgt ervoor dat de werkzaamheden duidelijk worden aangegeven, bijvoorbeeld door (waarschuwings)borden moet bij wegafzettingen en/of omleidingsroute voldoen aan de CROW-publicatie 96b (zie tekening ‘Werkzaamheden bij wegen’). Het plan moet ter goedkeuring aan het waterschap worden voorgelegd; Artikel3.Melding 1.Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt dit tenminste twee weken voor aanvang van de activiteiten aan het waterschap. 2.De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan via het Omgevingsloket Online of met behulp van het daarvoor aangeboden meldingsformulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam, adres en telefoonnummer van meldingsplichtige, aannemer en/of uitvoerder; het adres of de locatie waar de activiteiten plaatsvinden; een situatietekening op een goed leesbare schaal waarop duidelijk is aangegeven: locatie, afmetingen van het te verwijderen object (inclusief fundering), legenda en noordpijl. 3.Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt de aanvang van de activiteiten 2 werkdagen van te voren bij de toezichthouder (startmelding). 4.De uitvoering van de toegestane werken start binnen een jaar na dagtekening van de instemmingsbrief van het waterschap. Als dit niet het geval is, vervalt de instemming. Artikel4.Overgangsrecht 1.Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor, op grond van deze algemene regel, meldingplichtige activiteiten wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. 2.Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel: een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierneland 2009 in werking was of, een vergunning krachtens de Wegenverordening Waterschap Rivierenland 2011 in werking was, worden de voorschriften van de (water)vergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. 3.Indien voor het uitvoeren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een (water)vergunning is aangevraagd of een melding is gedaan en nog niet op die aanvraag of melding is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Op grond van artikel 5.4, derde lid, van de keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, of onder de weg. Op grond van artikel 5.5, derde lid, van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Risico’s Het verwijderen van een object uit een oppervlaktewaterlichaam heeft een positief effect op de waterhuishouding, met name omdat daardoor de doorstroming van het water verbetert. Het verwijderen van een object van een waterkering is positief voor de stabiliteit en het onderhoud van de waterkering. Het belang van het waterschap bij het verwijderen van een object is er in gelegen dat ingravingen tot een minimum worden beperkt en het oppervlaktewaterlichaam, weg en/of de waterkering in goede staat wordt hersteld. De risico’s bij het verwijderen van een object zijn zo gering dat kan worden volstaan met een algemene regel. Indien de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of indien het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. Melding De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.waterschaprivierenland.nl. WW 2. Bodemonderzoek Artikel 1. Criteria Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, en/of artikel 5.4 van de keur, voor het uitvoeren van bodemonderzoek voor zover: het handmatig en/of mechanisch bodemonderzoek betreft zijnde: a. sonderingen; b. handboringen met een maximale diameter van 0,15 m, en/of; c. aanbrengen van peilbuizen, en; het handmatig en/of mechanisch bodemonderzoek plaatsvindt: a. in de waterkering tussen de binnen- en buitenkruin, en/of; b. in de beschermingszone van een waterkering en/of; c. in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam en/of; d. in een wegberm, en; het handmatige en mechanisch onderzoek in de waterkering en in de buitendijkse beschermingszone niet plaatsvindt in de periode tussen 15 oktober en 1 april, en; peilbuizen niet dieper reiken dan 1,00 m onder de gemiddelde laagste freatische grondwaterstand. Artikel 2. Voorwaarden Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel: voert maximaal 10 sonderingen en/of boringen uit op tenminste 10,00 m afstand van elkaar; verwijdert niet meer in gebruik zijnde peilbuizen; dicht gaten die zijn ontstaan door de werkzaamheden afdoende met zwelklei of bentoniet over de gehele lengte/diepte; werkt peilbuizen af op maaiveldniveau met een straatpot, of markeert en beschermd peilbuizen op zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en dat beschadiging tijdens onderhoudswerkzaamheden uitgesloten zijn; steekt voorafgaand aan de werkzaamheden de graszoden uit en plaatst deze na uitvoering van de werkzaamheden terug; brengt peilbuizen in de waterkering en bijbehorende beschermingszone handmatig aan zonder gebruik van een spuitlans; controleert direct na en één week na plaatsing van de peilbuis of er geen welwater naar boven is gekomen. Bij constatering hiervan dient er voor een adequate afdichting te worden gezorgd en een controle hiervan na één week na uitvoering van de afdichting; brengt het werkterrein direct na de voltooiing van de activiteiten in een nette staat en in gelijke gesteldheid terug; zorgt ervoor dat de sonderingen en/of boringen worden ingemeten (RD-coördinaten en hoogte t.o.v. NAP), en stelt de resultaten binnen twee weken na het uitvoeren van de sonderingen en/of boring beschikbaar aan het waterschap in GEF-formaat en de laboratorium resultaten in PDF-formaat. De gegevens moeten per e-mail worden toegezonden aan m.noij@wsrl.nl treft, wanneer op 15 oktober op de waterkering en haar bijbehorende beschermingszones geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van het waterschap in slechte staat bevindt, op aanzegging van het waterschap, alle maatregelen om een adequate erosiebestendige waterkering te garanderen; mag geen werkzaamheden starten of moet deze staken als de verwachtte rivierwaterstand hoger is dan in onderstaande tabel is aangegeven. Voor de te verwachten waterstanden moet contact worden opgenomen met de toezichthouder. Benedenrivierengebied (ten westen van de lijn Schoonhoven, Werkendam, Geertruidenberg) Bij een binnen 2 dagen verwachte waterhoogte van ≥ 2,00 m + NAP bij Dordrecht en/of wanneer de uiterwaard onder water is gelopen of dreigt te lopen. Bovenrivierengebied (ten oosten van de lijn Schoonhoven, Werkendam en Geertruidenberg) Bij een binnen 4 dagen verwachte waterhoogte van ≥ 13,00 m + NAP bij Lobith en/of wanneer de uiterwaard onder water is gelopen of dreigt te lopen. Voor de Rijn en zijn vertakkingen Bij een binnen 4 dagen verwachte waterhoogte van ≥ 13,00 m + NAP bij Lobith en/of wanneer de uiterwaard onder water is gelopen of dreigt te lopen. Voor de Maas en zijn vertakkingen Bij een binnen 4 dagen verwachte waterhoogte van ≥ 9,50 m +NAP bij Mook en/of wanneer de uiterwaard onder water is gelopen of dreigt te lopen. Boezemsysteem (Overwaard, Nederwaard, Merwedekanaal, Zouweboezem, Kanaal van Steenenhoek) en het Lingesysteem Contact opnemen met de toezichthouder. Artikel 3. Melding Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt dit tenminste twee weken voor aanvang van de activiteiten aan het waterschap. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan via het Omgevingsloket Online of met behulp van het daarvoor aangeboden meldingsformulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: a. naam, adres en telefoonnummer van meldingsplichtige, aannemer en/of uitvoerder; b. het adres of de locatie waar de activiteiten plaatsvinden; c. een situatietekening op een goed leesbare schaal waarop duidelijk is aangegeven: locatie, afmetingen van de activiteit, diepte van de peilbuizen t.o.v. de gemiddelde laagste freatische grondwaterstand, legenda en noordpijl. Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt de aanvang van de activiteiten 2 werkdagen van te voren bij de toezichthouder (startmelding). De uitvoering van de toegestane werken start binnen een jaar na dagtekening van de instemmingsbrief van het waterschap. Als dit niet het geval is, vervalt de instemming. Artikel 4. Overgangsrecht Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor, op grond van deze algemene regel, meldingsplichtige activiteiten wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel: een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2014 in werking was of, een vergunning krachtens de Wegenverordening Waterschap Rivierenland 2011 in werking was, worden de voorschriften van de (water)vergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. Indien voor het uitvoeren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd of een melding is gedaan en nog niet op die aanvraag of melding is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Op grond van artikel 5.4, derde lid, van de keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, of onder de weg. Op grond van artikel 5.5, derde lid, van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Bodemonderzoek: Een onderzoek ter bepaling van de inhoud, kwaliteit of gesteldheid van de bodem. Freatisch grondwater: Het grondwater dat wordt aangetroffen als er wordt gegraven. Dit (ondiepe) grondwater staat rechtstreeks in verbinding met de atmosferische luchtdruk. Informatie is te vinden op www.dino.nl Risico’s Voor grondonderzoek worden vaak grondboringen en sonderingen uitgevoerd en peilbuizen aangebracht binnen waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, de bijbehorende beschermingszones of de wegberm. Deze activiteiten hebben een gering effect op de staat van een waterkering, oppervlaktewaterlichaam of wegberm doordat de grondroeringen zijn gelimiteerd in de toegestane onderlinge afstand, manier van uitvoeren en diepte. Voor het maken van verticale boringen voor een Koude Warmte Opslag (KWO) systeem moet in ieder geval worden voldaan aan de geldende beleidsregel. Indien de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of indien het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. Melding De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Een schriftelijke melding kan worden gedaan door het meldingsformulier via het OLO te printen en dit ingevuld op te sturen naar het waterschap. WW3.Kabels en leidingen Artikel1.Criteria Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, en/of artikel 5.4 van de keur, voor het aanleggen en behouden van kabels en leidingen, voor zover het: een kabel en/of leiding in en nabij een oppervlaktewaterlichaam en/of beschermingszone betreft die: in een sleuf parallel aan het oppervlaktewaterlichaam in de beschermingszone van het waterstaatswerk wordt gelegd, en/of; een oppervlaktewaterlichaam: Met een A-status minimaal 1,5 meter onder de vaste bodem en talud kruist; Met een B-status minimaal 1,0 meter onder de vaste bodem en talud kruist; Met een C-status minimaal onder de vaste bodem en talud kruist. een, in het oppervlaktewater aanwezige, duiker kruist waarbij deze: In een A-water minimaal 1,5 meter onder de onderkant van de duiker kruist; In een B-water en/of C-water bij voorkeur onder de duiker kruist. ook in de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone is gelegen in open ontgraving de watergang kruist. Als er een dam met duiker wordt gekruist moet dit bovenlangs met een minimale afstand van 0,5 meter tussen de bovenzijde van de duiker en de kabel/leiding; gebruik maakt van in een brug aangebrachte voorzieningen voor de doorvoer van kabels en/of leidingen; niet onder een onderheid civiel kunstwerk wordt aangebracht in verband met de aanwezige paalfundering; niet parallel onder de waterbodem worden aangebracht; een door het waterschap aangewezen vaarweg voor scheepvaart en/of boezemwater kruist door middel van een gestuurde boring. Hierbij heeft de kabel en/of leiding een gronddekking van minimaal 3,00 meter onder het gehele leggerprofiel (bij het ontbreken van een leggerprofiel moeten de vaste bodem en taluds van het oppervlaktewaterlichaam als uitgangspunt worden gehanteerd). een kabel en/of leiding in de waterkering en/of beschermingszone betreft die: zoveel mogelijk buiten de waterkering en bijbehorende beschermingszones wordt gelegd. Daarom moeten de kabels en leidingen met de volgende prioritering worden gelegd: buiten de beschermingszone van de waterkering; in de beschermingszone van de waterkering; in de waterkering. De noodzaak voor de punten b en c moet worden aangetoond en als motivering bij de melding worden aangeleverd. Bij de beoordeling van de werkzaamheden zal een belangenafweging plaatsvinden; bij een vloeistof- of gasleiding een maximale buitendiameter heeft van 110mm met een maximale druk van 3,50 bar. De leidingen zijn uitgevoerd in minimaal PE100 en SDR11; bij een kabel een spanning lager dan 3kV heeft of bij glasvezel (inclusief beschermbuizen) een maximale diameter heeft van 25mm; bij een kruising zo haaks mogelijk door de waterkering én in open ontgraving wordt gelegd; indien de kabel/leiding in een mantelbuis wordt gelegd aan het volgende voldoet: de mantelbuis is gelegen of wordt gelegd ter plaatse van zijwegen en/of dijkafritten met een gesloten verharding, en; de mantelbuis alleen parallel aan de waterkering en in overhoogte (buiten het minimaal aanwezige dwarsprofiel van de waterkering) wordt aangebracht, en; de mantelbuis wordt aangebracht door middel van een grond verdringende persing (niet door middel van een raket-techniek); geen in de waterkering aanwezig waterstaatskundig civieltechnisch kunstwerk kruist (zowel parallel als haaks); in parallelligging in de (wegberm van
  3. de)binnenkruin en/of de beschermingszone wordt gelegd. De kabel en/of leiding wordt dus niet in het dijktalud, de bij de waterkering behorende aanberming of de eerste 4 meter uit de voet van de waterkering gelegd; een kabel en/of leiding in en/of nabij een weg betreft die: in parallelligging op een afstand van de wegverharding wordt gelegd die tenminste gelijk is aan de diepte waarop de kabel en/of leiding wordt gelegd, en; in parallelligging wordt gelegd op een diepte conform bijgaande tabel 1: “minimale diepte kabels en leidingen parallel aan wegen”; gekruist wordt, zolang deze niet is gelegen op een waterkering, met een persing, boogboring (niet zijnde een boogzinker) of horizontaal gestuurde boring. De kabel en/of leiding wordt daarbij minimaal 1,00 meter onder het wegdek aangebracht. Artikel 2. Voorwaarden Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel: in het algemeen: ontwerpt, legt aan, en beheert de leiding met een adequate techniek en op een adequaat niveau; voert de kabel- en/of leidingwerkzaamheden uit zonder onderbreking waarbij alle aanwijzingen door of namens het waterschap onmiddellijk worden opgevolgd; zorgt ervoor dat na voltooiing van de werkzaamheden dat alle achtergebleven materialen, bagger, losse grond, gereedschappen, werktuigen en/of tijdelijke voorzienin­gen zijn verwijderd; legt geen loze kabels en/of leidingen aan ten behoeve van toekomstige uitbreidingen of aansluitingen; legt een nieuwe kabel en/of leiding in een bestaand tracé en zoveel mogelijk in de sleuf van de oude/bestaande kabel en/of leiding; mag ter bepaling van de exacte ligging van bestaande kabels en/of leidingen een proefsleuf graven met maximale afmetingen van 0,50 meter breed, 2,00 meter lang en 1,20 meter diep; ontgraaft laagsgewijs waarbij verschillende grondsoorten gescheiden worden opgeslagen; dicht alle ontgravingen met de uitkomende grond, zo nodig aangevuld met gelijkwaardige grond. De lagen van maximaal 0,20 meter moeten mechanisch vast worden aangedrukt. De grond moet ter plaatse zoveel mogelijk dezelfde samenstelling, opbouw en draagkracht verkrijgen als voor aanvang van het graafwerk het geval was; brengt de oorspronkelijke afdekking, bezoding, dijktaludverdediging, (tijdelijk) wegverharding en dergelijke aan op de gedichte sleuf; is verantwoordelijk voor alle herstelwerkzaamheden welke noodzakelijk zijn als gevolg van de werkzaamheden tot één jaar na uitvoering van de werkzaamheden; verwijdert bestaande kabels en/of leidingen (inclusief restmaterialen) die buiten gebruik worden of zijn gesteld, volledig uit het waterstaatswerk conform algemene regel ´WW 1. Verwijderen objecten´ en voert deze af, voor zover de diepteligging van het werk niet groter is dan 1,20 meter onder maaiveld of de vaste bodem. Bij wegen die niet op een waterkering liggen, kan er voor gekozen worden buiten gebruik gestelde kabels/leidingen te laten liggen; meldt spoedreparaties, via het Meldpunt Handhaving (telefoonnummer 0344-649410) aan een kabel en/of leiding als gevolg van een kabelbreuk of lekkage direct bij de toezichthouder. In overleg met de toezichthouder worden de werkzaamheden uitgevoerd en worden de werkzaamheden achteraf schriftelijk gemeld indien deze werkzaamheden voldoen aan de criteria en voorwaarden van deze algemene regel (zoals beschreven in Artikel 4 van deze algemene regel). Indien de werkzaamheden hier niet aan voldoen zal alsnog een aanvraag om watervergunning ingediend moeten worden. Afhankelijk van de situatie gelden naast de criteria en voorgaande voorwaarden ook de volgende voorwaarden conform het stroomdiagram: Aanvullende voorwaarden onder 1 voor het oppervlaktewaterlichaam (en bijbehorende beschermingszones): houdt bij een parallelle ligging naast het water de afstand tussen de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en de ontgraving zo groot mogelijk; voert de werkzaamheden in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam zodanig uit dat de stabiliteit van taluds niet nadelig wordt beïn­vloed; werkt bij een kruising van het water het oppervlaktewaterlichaam af conform oorspronkelijk talud en beschermt deze op doelmatige wijze tegen uitspoeling en inzakking; draagt er zorg voor dat tijdens en na de activiteiten de water aan- en afvoer is gewaarborgd; werkt de taluds en waterbodem na het kruisen onder strak profiel af. voor de waterkering (en bijbehorende beschermingszones) wordt in open ontgraving aangebracht; voert werkzaamheden in waterkeringen en bijbehorende beschermingszones niet uit tussen 15 oktober en 1 april. Uitzonderingen hierop zijn de volgende werkzaamheden die wel het gehele jaar mogen worden uitgevoerd: gemelde spoedreparaties (zodra de toezichthouder daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven), en/of; niet-dijkkruisende huisaansluitingen en lasgaten voor zover deze binnendijks zijn gelegen, en/of; werkzaamheden in de secundaire keringen van het boezemsysteem (Overwaard, Nederwaard, Merwedekanaal, Zouweboezem, Kanaal van Steenenhoek) en het Lingesysteem (te weten de systemen met dijkpaalnummers die beginnen met: AC, AD, AG, AM, AZ, BG, DL, DS, GG, GI, GK, GN, HL, HN, HO, HT, IK, KD, KK, KS, MD, MK, MW, NI, OL, WD en ZZ). treft, wanneer op 15 oktober op de waterkering en haar bijbehorende beschermingszones geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van het waterschap in slechte staat bevindt, op aanzegging van het waterschap, alle maatregelen om een adequate erosiebestendige waterkering te garanderen; graaft een sleuf niet dieper en breder dan strikt noodzakelijk, met een maximum van kabel maximaal 0,75 meter onder bovenzijde wegdek (de kruin) worden aangebracht; leiding maximaal 1,00 meter onder bovenzijde wegdek (de kruin) worden aangebracht; laat geen holle ruimtes ontstaan als gevolg van de ondergrondse werkzaamheden; realiseert een leiding zoveel mogelijk uit één stuk én beperkt het aantal lassen in de waterkering tot het absolute minimum; koppelt drukleidingen door middel van gecertificeerde spiegellassen of electrolasmoffen; voorziet een drukleiding die de waterkering kruist van afsluiters conform een adequate techniek om de leiding drukloos te kunnen maken. Deze afsluiters moeten te allen tijde bereikbaar en bedienbaar zijn; brengt ter plaatse van de buitenkruinlijn een kwelscherm aan als de kabel of leiding de waterkering kruist. Het kwelscherm voldoet aan één van de drie typen kwelschermen conform principetekening 1: kwelschermen; sluit (bestaande) bescherm-/glasvezelbuizen na inblazen van nieuwe glasvezel zodanig af dat er geen water in of door de buis kan lekken; brengt een niet-dijkkruisende mantelbuis onder gesloten verharding aan die voldoet aan het volgende: heeft een lengte van maximaal 10,00 meter; heeft geen grotere diameter dan voor het doel noodzakelijk, tot een maximale buitendiameter van 125mm; vervormt onder bestaande gesloten verhardingen niet als gevolg van uitwendige belasting; brengt via een persing alleen een stalen mantelbuis met een wanddikte van minimaal 5,8mm aan; dicht aan de uiteinden van de mantelbuis de ruimte tussen de kabel/leiding en de binnenkant van de mantelbuis waterdicht af met een flexibel synthetisch rubber welke minimaal 2 bar kan weerstaan; dämmert een bestaande (dijkkruisende) mantelbuis volledig (na aanbrengen van de nieuwe kabel/leiding) wanneer het materiaal van de mantelbuis niet voldoet aan: PE100, SDR11 en met een maximale buitendiameter van 125mm of; Staal met een wanddikte van 5,8mm en een maximale buitendiameter van 125mm. maakt in het geval dat de kabel- of leidingwerkzaamheden in een dijkversterkingstraject worden uitgevoerd geen aanspraak op de NKL 1999, de Telecommunicatiewet of ander schadevergoedingsregeling. voor de weg: past wegafzettingen toe die voldoen aan de CROW-publicatie 96b en overlegt het verkeersplan ter goedkeuring minimaal 21 dagen voorafgaand aan de werkzaamheden aan/met de toezichthouder; zorgt ervoor dat de werkzaamheden duidelijk zijn aangegeven door middel van (waarschuwings)borden. De palen voor de borden mogen tot maximaal 0,90 meter grondverdringend aangebracht. De palen mogen niet zijn voorzien van een betonnen voet; zorgt ervoor dat het verkeer zo min mogelijk hinder van de werkzaamheden ondervindt; zorgt voor een door het waterschap goedgekeurde omleidingsroute indien een weg volledig wordt afgesloten; beschadigt geen boomwortels als er bomen langs de weg staan; draagt er zorg voor dat de activiteiten afwatering van het weglichaam over de bermen en/of taluds niet ontoelaatbaar belemmeren. vult een sleuf in de wegberm als volgt aan: met het uitgekomen materiaal (in omgekeerde volgorde) in lagen van 0,20 meter; iedere laag wordt apart verdicht tot een proctordichtheid van 98%; als bovenlaag wordt de uitkomende grasmat teruggebracht of de bovenlaag wordt ingezaaid met graszaadmengel D2. dicht en verhard elk opgebroken gedeelte telkens voor zonsondergang; brengt een duidelijke tegelverharding in de berm van de weg aan rondom een afsluiter, pomp- of inspectieput en dergelijke en onderhoudt de juiste hoogteligging ten opzichte van het maaiveld om maaischade te voorkomen; zaagt een sleuf voor een wegkruising in asfalt te allen tijde op klinkermaat; ontgraaft en slaat de uit de sleuf afkomstige grond zodanig op dat de boven­laag met een dikte van 0,15 meter tot 0,20 meter niet vermengd wordt met de overige grond; graaft en legt de kabel/leiding niet onder de 45-graden lijn gemeten vanuit de zijkant wegverharding (zie principetekening 2: werkzaamheden bij wegen); vult een sleuf voor een wegkruising als volgt aan: voor wegfunderingsmateriaal geschikt puingranulaat ter dikte van 0,35 meter; zand tot 0,40 meter beneden het wegdek; klinkerbestrating als tijdelijk wegdek; voorziet een sleuf in het wegdek 12 maanden na afronding van de werkzaamheden van een nieuwe asfaltlaag, in overleg met en op aanwijzen van de toezichthouder. De aan te brengen asfaltlaag moet vloeiend in het bestaande wegdek verlopen en de waterafvoer mag door het nieuwe asfalt niet worden belemmerd. Aanvullende voorschriften onder 2 voor het oppervlaktewaterlichaam (en bijbehorende beschermingszones): houdt bij een parallelle ligging naast het water de afstand tussen de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en de ontgraving zo groot mogelijk; voert de werkzaamheden in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam zodanig uit dat de stabiliteit van taluds niet nadelig wordt beïn­vloed; werkt bij een kruising van het water het oppervlaktewaterlichaam af conform oorspronkelijk talud en beschermd deze op doelmatige wijze tegen uitspoeling en inzakking; draagt er zorg voor dat tijdens en na de activiteiten de water aan- en afvoer is gewaarborgd; werkt de taluds en waterbodem bij een kruising onder strak profiel af. voor de waterkering (en bijbehorende beschermingszones): wordt in open ontgraving aangebracht; voert werkzaamheden in waterkeringen en bijbehorende beschermingszones niet uit tussen 15 oktober en 1 april. Uitzonderingen hierop zijn de volgende werkzaamheden die wel het gehele jaar mogen worden uitgevoerd: gemelde spoedreparaties (zodra de toezichthouder daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven), en; niet-dijkkruisende huisaansluitingen en lasgaten voor zover deze binnendijks zijn gelegen, en; werkzaamheden in de secundaire keringen van het boezemsysteem (Overwaard, Nederwaard, Merwedekanaal, Zouweboezem, Kanaal van Steenenhoek) en het Lingesysteem (te weten de systemen met dijkpaalnummers die beginnen met: AC, AD, AG, AM, AZ, BG, DL, DS, GG, GI, GK, GN, HL, HN, HO, HT, IK, KD, KK, KS, MD, MK, MW, NI, OL, WD en ZZ). treft, wanneer op 15 oktober op de waterkering en haar bijbehorende beschermingszones geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van het waterschap in slechte staat bevindt, op aanzegging van het waterschap, alle maatregelen om een adequate erosiebestendige waterkering te garanderen; graaft een sleuf niet dieper en breder dan strikt noodzakelijk, met een maximum van kabel maximaal 0,75 meter onder bovenzijde wegdek (de kruin) worden aangebracht; leiding maximaal 1,00 meter onder bovenzijde wegdek (de kruin) worden aangebracht; laat geen holle ruimtes ontstaan als gevolg van de ondergrondse werkzaamheden; realiseert een leiding zoveel mogelijk uit één stuk én beperkt het aantal lassen in de waterkering tot het absolute minimum; koppelt drukleidingen door middel van gecertificeerde spiegellassen of electrolasmoffen; voorziet een drukleiding die de waterkering kruist van afsluiters conform een adequate techniek om de leiding drukloos te kunnen maken. Deze afsluiters moeten te allen tijde bereikbaar en bedienbaar zijn; brengt ter plaatse van de buitenkruinlijn een kwelscherm aan als de kabel of leiding de waterkering kruist. Het kwelscherm voldoet aan één van de drie typen kwelschermen conform principetekening 1: kwelschermen; sluit (bestaande) bescherm-/glasvezelbuizen na inblazen van nieuwe glasvezel zodanig af dat er geen water in of door de buis kan lekken; brengt een niet-dijkkruisende mantelbuis onder gesloten verharding aan die voldoet aan het volgende: heeft een lengte van maximaal 10,00 meter; heeft geen grotere diameter dan voor het doel noodzakelijk, tot een maximale buitendiameter van 125mm; vervormt onder bestaande gesloten verhardingen niet als gevolg van uitwendige belasting; brengt via een persing alleen een stalen mantelbuis met een wanddikte van minimaal 5,8mm aan; dicht aan de uiteinden van de mantelbuis de ruimte tussen de kabel/leiding en de binnenkant van de mantelbuis waterdicht af met een flexibel synthetisch rubber welke minimaal 2 bar kan weerstaan; dämmert een bestaande (dijkkruisende) mantelbuis volledig (na aanbrengen van de nieuwe kabel/leiding) wanneer het materiaal van de mantelbuis niet voldoet aan: PE100, SDR11 en met een maximale buitendiameter van 125mm of; Staal met een wanddikte van 5,8mm en een maximale buitendiameter van 125mm. maakt in het geval dat de kabel- of leidingwerkzaamheden in een dijkversterkingstraject worden uitgevoerd geen aanspraak op de NKL 1999, de Telecommunicatiewet of ander schadevergoedingsregeling. Aanvullende voorschriften onder 3 voor het oppervlaktewaterlichaam (en bijbehorende beschermingszones): houdt bij een parallelle ligging naast het water de afstand tussen de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en de ontgraving zo groot mogelijk; voert de werkzaamheden in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam zodanig uit dat de stabiliteit van taluds niet nadelig wordt beïn­vloed; werkt bij een kruising van het water het oppervlaktewaterlichaam af conform oorspronkelijk talud en beschermd deze op doelmatige wijze tegen uitspoeling en inzakking; draagt er zorg voor dat tijdens en na de activiteiten de water aan- en afvoer is gewaarborgd; werkt de taluds en waterbodem onder strak profiel af wanneer het water in open ontgraving moet worden gekruist. voor de weg: past wegafzettingen toe die voldoen aan de CROW-publicatie 96b en overlegt het verkeersplan ter goedkeuring minimaal 21 dagen voorafgaand aan de werkzaamheden aan/met de toezichthouder. zorgt ervoor dat de werkzaamheden duidelijk zijn aangegeven door middel van (waarschuwings)borden. zorgt ervoor dat het verkeer zo min mogelijk hinder van de werkzaamheden ondervindt; zorgt voor een door het waterschap goedgekeurde omleidingsroute indien een weg volledig wordt afgesloten. kruist een weg met een persing, boogboring (niet zijnde een boogzinker) of gestuurde boring waarbij de kabel en/of leiding (mantelbuis) minimaal 1,00 meter onder het wegdek wordt aangebracht. Bij een persing moet het in- en uittredepunt tenminste 0,50 meter van de kant van het wegcunet zijn verwijderd en bij een gestuurde of boogboring tenminste 1 meter; beschadigt geen boomwortels als er bomen langs de weg staan en past een boomboring toe; draagt er zorg voor dat de activiteiten afwatering van het weglichaam over de bermen en/of taluds niet ontoelaatbaar belemmeren. vult een sleuf in de wegberm als volgt aan: met het uitgekomen materiaal (in omgekeerde volgorde) in lagen van 0,20 meter; iedere laag wordt apart verdicht tot een proctordichtheid van 98%; als bovenlaag wordt de uitkomende grasmat teruggebracht of de bovenlaag wordt ingezaaid met bermgraszaadmengsel. dicht en verhard elk opgebroken gedeelte telkens voor zonsondergang; brengt een duidelijke tegelverharding in de berm van de weg aan rondom een afsluiter, pomp- of inspectieput en dergelijke en onderhoudt de juiste hoogteligging ten opzichte van het maaiveld om maaischade te voorkomen; zaagt een sleuf voor een wegkruising (op een waterkering) in asfalt te allen tijde op klinkermaat; ontgraaft en slaat de uit de sleuf afkomstige grond zodanig op dat de boven­laag met een dikte van 0,15 meter tot 0,20 meter niet vermengd wordt met de overige grond; graaft en legt de kabel/leiding niet onder de 45-graden lijn gemeten vanuit de zijkant wegverharding (zie principetekening 2: werkzaamheden bij wegen); vult een sleuf voor een wegkruising als volgt aan: voor wegfunderingsmateriaal geschikt puingranulaat ter dikte van 0,35 meter; zand tot 0,40 meter beneden het wegdek; klinkerbestrating als tijdelijk wegdek; Aanvullende voorschriften onder 4 voor de waterkering (en bijbehorende beschermingszones): wordt in open ontgraving aangebracht; voert werkzaamheden in waterkeringen en bijbehorende beschermingszones niet uit tussen 15 oktober en 1 april. Uitzonderingen hierop zijn de volgende werkzaamheden die wel het gehele jaar mogen worden uitgevoerd: gemelde spoedreparaties (zodra de toezichthouder daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven), en; niet-dijkkruisende huisaansluitingen en lasgaten voor zover deze binnendijks zijn gelegen, en; werkzaamheden in de secundaire keringen van het boezemsysteem (Overwaard, Nederwaard, Merwedekanaal, Zouweboezem, Kanaal van Steenenhoek) en het Lingesysteem (te weten de systemen met dijkpaalnummers die beginnen met: AC, AD, AG, AM, AZ, BG, DL, DS, GG, GI, GK, GN, HL, HN, HO, HT, IK, KD, KK, KS, MD, MK, MW, NI, OL, WD en ZZ). treft, wanneer op 15 oktober op de waterkering en haar bijbehorende beschermingszones geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van het waterschap in slechte staat bevindt, op aanzegging van het waterschap, alle maatregelen om een adequate erosiebestendige waterkering te garanderen; graaft een sleuf niet dieper en breder dan strikt noodzakelijk, met een maximum van kabel maximaal 0,75 meter onder bovenzijde wegdek (de kruin) worden aangebracht; leiding maximaal 1,00 meter onder bovenzijde wegdek (de kruin) worden aangebracht; laat geen holle ruimtes ontstaan als gevolg van de ondergrondse werkzaamheden; realiseert een leiding zoveel mogelijk uit één stuk én beperkt het aantal lassen in de waterkering tot het absolute minimum; koppelt drukleidingen door middel van gecertificeerde spiegellassen of electrolasmoffen; voorziet een drukleiding die de waterkering kruist van afsluiters conform een adequate techniek om de leiding drukloos te kunnen maken. Deze afsluiters moeten te allen tijde bereikbaar en bedienbaar zijn; brengt ter plaatse van de buitenkruinlijn een kwelscherm aan als de kabel of leiding de waterkering kruist. Het kwelscherm voldoet aan één van de drie typen kwelschermen conform principetekening 1: kwelschermen; sluit (bestaande) bescherm-/glasvezelbuizen na inblazen van nieuwe glasvezel zodanig af dat er geen water in of door de buis kan lekken; brengt een niet-dijkkruisende mantelbuis onder gesloten verharding aan die voldoet aan het volgende: heeft een lengte van maximaal 10,00 meter; heeft geen grotere diameter dan voor het doel noodzakelijk, tot een maximale buitendiameter van 125mm; vervormt onder bestaande gesloten verhardingen niet als gevolg van uitwendige belasting; brengt via een persing alleen een stalen mantelbuis met een wanddikte van minimaal 5,8mm aan; dicht aan de uiteinden van de mantelbuis de ruimte tussen de kabel/leiding en de binnenkant van de mantelbuis waterdicht af met een flexibel synthetisch rubber welke minimaal 2 bar kan weerstaan; dämmert een bestaande (dijkkruisende) mantelbuis volledig (na aanbrengen van de nieuwe kabel/leiding) wanneer het materiaal van de mantelbuis niet voldoet aan: PE100, SDR11 en met een maximale buitendiameter van 125mm of; Staal met een wanddikte van 5,8mm en een maximale buitendiameter van 125mm. maakt in het geval dat de kabel- of leidingwerkzaamheden in een dijkversterkingstraject worden uitgevoerd geen aanspraak op de NKL 1999, de Telecommunicatiewet of ander schadevergoedingsregeling. voor de weg geldt: past wegafzettingen toe die voldoen aan de CROW-publicatie 96b en overlegt het verkeersplan ter goedkeuring minimaal 21 dagen voorafgaand aan de werkzaamheden aan/met de toezichthouder; zorgt ervoor dat de werkzaamheden duidelijk zijn aangegeven door middel van (waarschuwings)borden. De palen voor de borden mogen tot maximaal 0,90 meter grondverdringend aangebracht. De palen mogen niet zijn voorzien van een betonnen voet; zorgt ervoor dat het verkeer zo min mogelijk hinder van de werkzaamheden ondervindt; zorgt voor een door het waterschap goedgekeurde omleidingsroute indien een weg volledig wordt afgesloten; beschadigt geen boomwortels als er bomen langs de weg staan; draagt er zorg voor dat de activiteiten afwatering van het weglichaam over de bermen en/of taluds niet ontoelaatbaar belemmeren. vult een sleuf in de wegberm als volgt aan: met het uitgekomen materiaal (in omgekeerde volgorde) in lagen van 0,20 meter; iedere laag wordt apart verdicht tot een proctordichtheid van 98%; als bovenlaag wordt de uitkomende grasmat teruggebracht of de bovenlaag wordt ingezaaid met graszaadmengel D2. dicht en verhard elk opgebroken gedeelte telkens voor zonsondergang; brengt een duidelijke tegelverharding in de berm van de weg aan rondom een afsluiter, pomp- of inspectieput en dergelijke en onderhoudt de juiste hoogteligging ten opzichte van het maaiveld om maaischade te voorkomen; zaagt een sleuf voor een wegkruising in asfalt te allen tijde op klinkermaat; ontgraaft en slaat de uit de sleuf afkomstige grond zodanig op dat de boven­laag met een dikte van 0,15 meter tot 0,20 meter niet vermengd wordt met de overige grond; graaft en legt de kabel/leiding niet onder de 45-graden lijn gemeten vanuit de zijkant wegverharding (zie principetekening 2: werkzaamheden bij wegen); vult een sleuf voor een wegkruising als volgt aan: voor wegfunderingsmateriaal geschikt puingranulaat ter dikte van 0,35 meter; zand tot 0,40 meter beneden het wegdek; klinkerbestrating als tijdelijk wegdek; voorziet een sleuf in het wegdek 12 maanden na afronding van de werkzaamheden van een nieuwe asfaltlaag, in overleg met en op aanwijzen van de toezichthouder. De aan te brengen asfaltlaag moet vloeiend in het bestaande wegdek verlopen en de waterafvoer mag door het nieuwe asfalt niet worden belemmerd. Aanvullende voorschriften onder 5 voor het oppervlaktewaterlichaam geldt: houdt bij een parallelle ligging naast het water de afstand tussen de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en de ontgraving zo groot mogelijk; voert de werkzaamheden in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam zodanig uit dat de stabiliteit van taluds niet nadelig wordt beïn­vloed; werkt bij een kruising van het water het oppervlaktewaterlichaam af conform oorspronkelijk talud en beschermd deze op doelmatige wijze tegen uitspoeling en inzakking; draagt er zorg voor dat tijdens en na de activiteiten de water aan- en afvoer is gewaarborgd. werkt de taluds en waterbodem onder strak profiel af wanneer het water in open ontgraving moet worden gekruist; Aanvullende voorschriften onder 6 voor de waterkering (en bijbehorende beschermingszones): wordt in open ontgraving aangebracht; voert werkzaamheden in waterkeringen en bijbehorende beschermingszones niet uit tussen 15 oktober en 1 april. Uitzonderingen hierop zijn de volgende werkzaamheden die wel het gehele jaar mogen worden uitgevoerd: gemelde spoedreparaties (zodra de toezichthouder daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven), en; niet-dijkkruisende huisaansluitingen en lasgaten voor zover deze binnendijks zijn gelegen, en; werkzaamheden in de secundaire keringen van het boezemsysteem (Overwaard, Nederwaard, Merwedekanaal, Zouweboezem, Kanaal van Steenenhoek) en het Lingesysteem (te weten de systemen met dijkpaalnummers die beginnen met: AC, AD, AG, AM, AZ, BG, DL, DS, GG, GI, GK, GN, HL, HN, HO, HT, IK, KD, KK, KS, MD, MK, MW, NI, OL, WD en ZZ). treft, wanneer op 15 oktober op de waterkering en haar bijbehorende beschermingszones geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van het waterschap in slechte staat bevindt, op aanzegging van het waterschap, alle maatregelen om een adequate erosiebestendige waterkering te garanderen; graaft een sleuf niet dieper en breder dan strikt noodzakelijk, met een maximum van kabel maximaal 0,75 meter onder bovenzijde wegdek (de kruin) worden aangebracht; leiding maximaal 1,00 meter onder bovenzijde wegdek (de kruin) worden aangebracht; laat geen holle ruimtes ontstaan als gevolg van de ondergrondse werkzaamheden; realiseert een leiding zoveel mogelijk uit één stuk én beperkt het aantal lassen in de waterkering tot het absolute minimum; koppelt drukleidingen door middel van gecertificeerde spiegellassen of electrolasmoffen; voorziet een drukleiding die de waterkering kruist van afsluiters conform een adequate techniek om de leiding drukloos te kunnen maken. Deze afsluiters moeten te allen tijde bereikbaar en bedienbaar zijn; brengt ter plaatse van de buitenkruinlijn een kwelscherm aan als de kabel of leiding de waterkering kruist. Het kwelscherm voldoet aan één van de drie typen kwelschermen conform principetekening 1: kwelschermen; sluit (bestaande) bescherm-/glasvezelbuizen na inblazen van nieuwe glasvezel zodanig af dat er geen water in of door de buis kan lekken; brengt een niet-dijkkruisende mantelbuis onder gesloten verharding aan die voldoet aan het volgende: heeft een lengte van maximaal 10,00 meter; heeft geen grotere diameter dan voor het doel noodzakelijk, tot een maximale buitendiameter van 125mm; vervormt onder bestaande gesloten verhardingen niet als gevolg van uitwendige belasting; brengt via een persing alleen een stalen mantelbuis met een wanddikte van minimaal 5,8mm aan; dicht aan de uiteinden van de mantelbuis de ruimte tussen de kabel/leiding en de binnenkant van de mantelbuis waterdicht af met een flexibel synthetisch rubber welke minimaal 2 bar kan weerstaan; dämmert een bestaande (dijkkruisende) mantelbuis volledig (na aanbrengen van de nieuwe kabel/leiding) wanneer het materiaal van de mantelbuis niet voldoet aan: PE100, SDR11 en met een maximale buitendiameter van 125mm of; Staal met een wanddikte van 5,8mm en een maximale buitendiameter van 125mm. maakt in het geval dat de kabel- of leidingwerkzaamheden in een dijkversterkingstraject worden uitgevoerd geen aanspraak op de NKL 1999, de Telecommunicatiewet of ander schadevergoedingsregeling. Aanvullende voorschriften onder 7 voor de weg geldt: past wegafzettingen toe die voldoen aan de CROW-publicatie 96b en overlegt het verkeersplan ter goedkeuring minimaal 21 dagen voorafgaand aan de werkzaamheden aan/met de toezichthouder. zorgt ervoor dat het verkeer zo min mogelijk hinder van de werkzaamheden ondervindt; zorgt voor een door het waterschap goedgekeurde omleidingsroute indien een weg volledig wordt afgesloten. kruist een weg met een persing, boogboring (niet zijnde een boogzinker) of gestuurde boring waarbij de kabel en/of leiding (mantelbuis) minimaal 1,00 meter onder het wegdek wordt aangebracht. Bij een persing moet het in- en uittredepunt tenminste 0,5 meter van de kant van het wegcunet zijn verwijderd en bij een gestuurde of boogboring tenminste 1 meter; beschadigt geen boomwortels als er bomen langs de weg staan en past een boomboring toe; draagt er zorg voor dat de activiteiten afwatering van het weglichaam over de bermen en/of taluds niet ontoelaatbaar belemmeren. vult een sleuf in de wegberm als volgt aan: met het uitgekomen materiaal (in omgekeerde volgorde) in lagen van 0,20 meter; iedere laag wordt apart verdicht tot een proctordichtheid van 98%; als bovenlaag wordt de uitkomende grasmat teruggebracht of de bovenlaag wordt ingezaaid met bermgraszaadmengsel. dicht en verhard elk opgebroken gedeelte telkens voor zonsondergang; brengt een duidelijke tegelverharding in de berm van de weg aan rondom een afsluiter, pomp- of inspectieput en dergelijke en onderhoudt de juiste hoogteligging ten opzichte van het maaiveld om maaischade te voorkomen; zaagt een sleuf voor een wegkruising (op een waterkering) in asfalt te allen tijde op klinkermaat; ontgraaft en slaat de uit de sleuf afkomstige grond zodanig op dat de boven­laag met een dikte van 0,15 meter tot 0,20 meter niet vermengd wordt met de overige grond; graaft en legt de kabel/leiding niet onder de 45-graden lijn gemeten vanuit de zijkant wegverharding (zie principetekening 2: werkzaamheden bij wegen); vult een sleuf voor een wegkruising als volgt aan: voor wegfunderingsmateriaal geschikt puingranulaat ter dikte van 0,35 meter; zand tot 0,40 meter beneden het wegdek; klinkerbestrating als tijdelijk wegdek; Artikel 3. Maatwerk Het waterschap kan met betrekking tot de aanleg van kabels en leidingen en bijbehorende voorzieningen, zoals schakelkasten, afdekplaten en reduceerstations, maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van onder andere de locatie, constructie en wijze van uitvoering. Artikel 4. Melding 1. Degene die in de waterkering, de weg of het oppervlaktewaterlichamen met een A- en/of B-status activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt dit tenminste twee weken voor aanvang van de activiteiten aan het waterschap. Voor het kruisen van een oppervlaktewater met een C-status niet gelegen binnen een weglichaam van een weg in beheer bij het waterschap en/of een waterkering (inclusief de bijbehorende beschermingszone) geldt geen meldingsplicht wanneer volledig wordt voldaan aan criterium 2c en 3b van deze algemene regel. 2. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan via het Omgevingsloket Online of met behulp van het daarvoor aangeboden meldingsformulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam, adres en telefoonnummer van meldingsplichtige, aannemer en/of uitvoerder; het adres of de locatie (met bijvoorbeeld RD-coördinaten) waar de activiteiten plaatsvinden; een situatietekening (met duidelijke legenda en noordpijl) op een goed leesbare schaal waarop duidelijk is aangegeven: locatie, van de activiteit(en), bestaand en nieuw tracé, type kabel/leiding (met materiaal, spanning/druk, aders/tubes, diameter, wanddikte, enz.), de wijze van uitvoeren en toe te passen bijbehorende voorzieningen. 3. Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt de aanvang van de activiteiten 2 werkdagen van tevoren bij de toezichthouder (startmelding). 4. De uitvoering van de toegestane werken start binnen een jaar na dagtekening van de instemmingsbrief van het waterschap. Als dit niet het geval is, vervalt de instemming. Artikel 5. Overgangsrecht 1. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor, op grond van deze algemene regel, meldingsplichtige activiteiten wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. 2. Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel: een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2009 in werking was of, een vergunning krachtens de Wegenverordening Waterschap Rivierenland 2011 in werking was, worden de voorschriften van de (water)vergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. 3. Indien voor het uitvoeren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd of een melding is gedaan en nog niet op die aanvraag of melding is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur, voor handelingen waarvoor algemene regels zijn gesteld, maatwerkvoorschriften stellen. Op grond van artikel 5.4, derde lid, van de keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, of onder de weg. Op grond van artikel 5.5, derde lid, van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Adequaat niveau of techniek Een adequate methodiek is als aan de NEN3650-serie of aan een gelijkwaardige methodiek wordt voldaan. (Druk- of pijp)leidingen: Buis of samenstel van buizen waardoor een stof (vast, vloeibaar of gas) verpompt wordt of stroomt. Kabel: Een geïsoleerde draadvormige elektrische geleider, meestal gemaakt van koper en bedoeld voor het transport van elektrische energie of elektrische signalen. Leidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel. Gestuurde boring: Een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals oppervlaktewaterlichamen diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd. Persing Een sleufloze techniek waarbij een stalen mantelbuis onder een op- en afrit door wordt geslagen. Boogboring: Een boogboring is een sleufloze techniek waarbij vanaf een intredepunt met een voorgevormde boorstang een boorgat maakt tot aan een uittredepunt. De ruimte rondom het boorgat wordt opgevuld met Drill-Grout. Insteek: Snijlijn van het bovenwatertalud van het oppervlaktewaterlichaam met het aangrenzende maaiveld. Vaste bodem: Bodem van de watergang zoals deze is vastgelegd in de legger of, indien deze maatvoering ontbreekt, de werkelijke bodem wanneer deze is ontdaan van slib en/of bagger. Duiker: Buis in gronddam gelegen in een oppervlaktewaterlichaam Profiel: Breedte, diepte en taludhellingen van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of keurkaart. Civiele kunstwerken: Een bouwwerk waarvoor andere materialen dan aarde, zand en klei zijn gebruikt (bijvoorbeeld bruggen, dammen met duikers, stuwen, damwanden, steenzettingen, enz.). Dijkversterkingstraject: Een tracé waarvan het voorzienbaar is dat er een dijkversterking uitgevoerd gaat worden. Schadevergoedingsregeling: Als gevolg van werkzaamheden door het waterschap kunnen er nadelige gevolgen optreden voor kabel- en leidingeigenaren. Ter compensatie voor deze nadelige gevolgen is een schadevergoedingsregeling gemaakt door het waterschap, naast de NKL 1999 en de Telecomwet. Vooroverleg De voorkeursligging van nieuwe kabels en/of leidingen is zoveel mogelijk buiten de waterstaatswerken en de wegen. Het kan voorkomen dat de werkzaamheden wel de waterstaatwerken raken. Voor een juiste tracékeuze, waarbij de verschillende maatschappelijke belangen worden meegewogen, voorafgaande aan een melding in overleg. Risico’s Aan de uitvoering van de werkzaamheden in de beheersobjecten van het waterschap kunnen risico’s zijn verbonden, welke in het algemeen goed kunnen worden afgewogen in het kader van beoordeling van vergunningsaan­vra­gen. Met het vaststellen van een algemene regel, waarmee een vrijstelling van de vergunningsplicht wordt bereikt, moet er vooral zekerheid bestaan over de omvang van die risico’s. Indien de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of indien het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. De werkzaamheden in de bovenvermelde beheersobjecten worden veelal uitgevoerd door of namens nutsbedrijven die voorzieningen van algemeen nut en in het algemeen belang aanleggen. In dit verband wordt onder voorzieningen van algemeen nut verstaan, gas-, water, electriciteits-, telecommunicatie­voorzieningen en riolering. Door deze bedrijven worden in het beheersgebied jaarlijks honderden werken uitgevoerd. Omdat het om vele aanvragen met betrekking tot soortgelijke werken gaat en de risico’s in algemene zin goed kunnen worden beheerd, leent deze activiteit zich voor een Algemene Regel. Aan de in principe aanwezige risico’s van het vergunningsvrij werken wordt voldoende tegemoetgekomen door bovenstaande toetsingscriteria en voorwaarden. Oppervlaktewaterlichamen (inclusief vaarwegen) Het te beschermen belang voor het waterschap bij het aanleggen, hebben, houden en onderhouden van kabels en leidingen binnen de kern- en beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen betreft voornamelijk de stabiliteit van de oever van het betreffende water. Kabels en leidingen worden veelal geplaatst door middel van een open ontgraving en/of een gestuurde boring. Wanneer deze werkzaamheden te dicht op de insteek van het water worden uitgevoerd, kan dat een negatief effect hebben op de stabiliteit van de oever. Daarnaast moet worden voorkomen dat kabels en leidingen worden beschadigd bij onderhoudswerkzaamheden aan oppervlaktewaterlichamen en/of ten gevolge van scheepvaart op de als vaarweg aangewezen oppervlaktewaterlichamen. Voor het aanbrengen van kabels en leidingen in alleen oppervlaktewaterlichamen met een C-status is geen melding vereist gezien het geringe waterhuishoudkundige belang wanneer volledig wordt voldaan aan criterium 2d van deze algemene regel. Wel moeten deze kabels en leidingen voldoen aan de gestelde voorwaarden in deze algemene regel. Waterkeringen Het te beschermen belang voor het waterschap bij het aanleggen, hebben, houden en onderhouden van kabels en leidingen binnen de kern- en beschermingszone van waterkeringen is de stabiliteit van de waterkering, het doelmatig beheer van de waterkering en de mogelijkheid voor toekomstige dijkverbetering. Indien wordt voldaan aan de criteria en voorwaarden, hebben deze werkzaamheden een gering effect op de staat van een waterkering. Daarom kan de vergunningplicht voor het aanleggen en behouden van deze kabels en leidingen vervangen worden door algemene regels. Wegen Het Waterschap heeft veel wegen buiten de bebouwde kom in beheer. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de veiligheid op deze wegen. Het leggen van kabels en leidingen is een veel voorkomend werk langs of onder de weg, door het stellen van criteria en voorschriften in deze regeling kan het belang van de weg voldoende worden gewaarborgd. Melding De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. WW4.Gras en éénjarige gewassen Artikel1.Criteria Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, en/of artikel 5.4 van de keur, voor het aanbrengen en behouden van gras of eenjarige gewassen langs een weg en/of in de beschermingszone van een waterstaatswerk. Artikel2.Overgangsrecht Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel: een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2009 in werking was of, een vergunning krachtens de Wegenverordening Waterschap Rivierenland 2011 in werking was, worden de voorschriften van de (water)vergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Op grond van artikel 5.4, derde lid, van de keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, of onder de weg. Op grond van artikel 5.5, derde lid, van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. Risico’s Het aanbrengen en behouden van gras of eenjarige gewassen heeft een zeer gering effect op de waterhuishoudkundige, waterstaatkundige en wegenbelangen. Om deze reden is voor het aanbrengen en behouden van deze gewassen langs een weg en/of in de beschermingszone van een waterkering of oppervlaktewaterlichaam geen vergunning op grond van de keur vereist. Ook hoeft geen melding te worden gedaan. Voor deze gewassen geldt dat het waterschap voor jaarlijks onderhoud, de beschermingszone doorgaans gebruikt ofwel vóór dat de gewassen zijn geplant, ofwel nadat deze zijn geoogst. Melding Voor deze activiteit geldt geen meldingsplicht. WW5.Activiteiten in de Giessenzoom Artikel1.Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het plaatsen en behouden van objecten en het uitvoeren van activiteiten in de binnen het gebied weergegeven op de tekening ‘Activiteiten in de Giessenzoom’, voor zover het betreft: een erfafscheiding (haag, schutting of hekwerk) en/of een toegangspoort in de beschermingszone van een waterkering en/of oppervlaktewaterlichaam; een brug van maximaal 2,00 m breed over een oppervlaktewaterlichaam en op een waterkering ter ontsluiting van maximaal één perceel; een dam met duiker met een inwendige diameter van minimaal 500 mm en een maximale buislengte van 2,40 m in een oppervlaktewaterlichaam ter ontsluiting van maximaal één perceel; het graven van een insteekhaven in de beschermingszone van de Giessen en buiten de kern- en/of beschermingszone van de waterkering ter compensatie van ruimte-inname in het boezemgebied van de Giessen; een damwand en/of beschoeiing in een oppervlaktewaterlichaam; een steiger en/of een botenhuis boven een insteekhaven in de beschermingszone van de Giessen; een recreatiewoning en bijgebouwen in de beschermingszone van een waterkering en een oppervlaktewaterlichaam; een vlonder in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam en een waterkering. Artikel2.Voorschriften Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel: tast de stabiliteit van de oevers van een oppervlaktewaterlichaam en de taluds van een waterkering niet aan; brengt géén ondersteuningspunten aan in oppervlaktewaterlichamen met een bovenbreedte kleiner dan 5,00 m; voorziet de taluds onder de brug en tot 1,00 m aan weerszijden hiervan van een bodembescherming; belemmert en/of beperkt de waterdoorvoer niet; voorkomt beschadigingen of verzakkingen van het object die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor het object; werkt de beschoeiing/damwand gronddicht af, zodat geen grond of aangevuld materiaal van achter de beschoeiing/damwand in de watergang kan komen; sluit de beschoeiing/damwand geheel aan op een eventueel reeds aanwezige beschoeiing/damwand, voor zover het vorm en afmetingen betreft; brengt bij plaatsing van de beschoeiing/damwand in (de beschermingszone van) een waterkering de palen grondverdringend aan; verankert de beschoeiing/damwand zo in het achterliggende perceel, dat geen vervorming kan plaatsvinden; plaatst de beschoeiing/damwand zodanig dat deze niet hoger wordt dan het aanwezige maaiveld van het perceel. plaatst een erfafscheiding (haag, schutting, hekwerk) en/of toegangspoort aan de noordzijde (perceelszijde) op minimaal 0,50 m afstand van de insteek van de B-min-watergang; plaatst de recreatiewoning en/of het bijgebouw buiten de waterkering en graaft ter compensatie open water op hetzelfde perceel buiten de keurzones van de waterkering; plaatst de recreatiewoning en/of bijgebouw tenminste 1,00 m uit de insteek van de Giessen en/of andere oppervlaktewaterlichamen met een A- of B-status; plaatst een steiger boven de insteekhaven zodanig dat deze niet binnen het leggerprofiel van de Giessen (= A-water) komt. Artikel3.Melding 1.Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt dit tenminste twee weken voor aanvang van de activiteiten aan het waterschap. 2.De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan via het Omgevingsloket Online of met behulp van het daarvoor aangeboden meldingsformulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam, adres en telefoonnummer van meldingsplichtige, aannemer en/of uitvoerder; het adres of de locatie waar de activiteiten plaatsvinden; een situatietekening op een goed leesbare schaal waarop duidelijk is aangegeven: locatie, constructie en afmetingen van de lozingsvoorziening, legenda en noordpijl. 3.Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt de aanvang van de activiteiten 2 werkdagen van te voren bij de toezichthouder (startmelding). 4.De uitvoering van de toegestane werken start binnen een jaar na dagtekening van de instemmingsbrief van het waterschap. Als dit niet het geval is, vervalt de instemming. Artikel4.Overgangsrecht 1.Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor, op grond van deze algemene regel, meldingplichtige activiteiten wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. 2.Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2009 in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. 3.Indien voor het uitvoeren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd of een melding is gedaan en nog niet op die aanvraag of melding is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Risico’s Van belang is dat onderhoudspaden langs waterkeringen en watergangen toegankelijk zijn voor inspectie en onderhoud. Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in de waterkering en bijbehorende beschermingszone(
  4. s)goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk. In de meeste gevallen hebben dergelijke werkzaamheden een zeer gering effect op de staat van een waterkering. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan gelden de beleidsregels. Indien de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of indien het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. Melding De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.waterschaprivierenland.nl. WW. 6Objecten in de Buiten-Giessen en deel Binnen-Giessen Artikel 1 Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het plaatsen en behouden van objecten en het uitvoeren van activiteiten in de Buiten-Giessen tussen de Damsluis en de Peulensluis en het deel van de Binnen-Giessen gelegen tussen de Damsluis en het perceel gelegen aan de Binnendams 37, Hardinxveld-Giessendam, voor zover het betreft: een object dat zich bevindt binnen de strook C-water zoals vastgelegd in de legger wateren; een object betreft dat een relatie heeft met het (recreatief) medegebruik van het water, zoals het beleven van water, sportvissen, varen, e.d.. Daaronder wordt in geen geval verstaan bouwwerken die tot doel hebben materialen op te slaan en/of om bruikbaar grondoppervlak van het aanliggend perceel uit te vergroten. Artikel 2 Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel: tast de stabiliteit van de oevers van een oppervlaktewaterlichaam niet aan; brengt een afdoende taludbescherming aan onder het object; legt de onderkant van het object aan op minimaal 20 cm boven het zomerpeil; belemmert en/of beperkt de waterdoorvoer niet; voorkomt beschadigingen of verzakkingen van het object die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor het object; beperkt het aantal ondersteuningspalen van het object tot een minimum; werkt de beschoeiing/damwand gronddicht af, zodat geen grond of aangevuld materiaal van achter de beschoeiing/damwand in de watergang kan komen; sluit de beschoeiing/damwand geheel aan op een eventueel reeds aanwezige beschoeiing/damwand, voor zover het vorm en afmetingen betreft; verankert de beschoeiing/damwand zo in het achterliggende perceel, dat geen vervorming kan plaatsvinden; plaatst de beschoeiing/damwand zodanig dat deze niet hoger wordt dan het aanwezige maaiveld van het perceel. Artikel 3 Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt dit tenminste twee weken voor aanvang van de activiteiten aan het waterschap. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan via het Omgevingsloket Online. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: a. naam, adres en telefoonnummer van meldingsplichtige, aannemer en/of uitvoerder; b. het adres of de locatie waar de activiteiten plaatsvinden; c. een situatietekening op een goed leesbare schaal waarop duidelijk is aangegeven: locatie, constructie en afmetingen van de lozingsvoorziening, legenda en noordpijl. Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt de aanvang van de activiteiten 2 werkdagen van te voren bij de toezichthouder (start melding). De uitvoering van de toegestane werken start binnen een jaar na dagtekening van de instemmingsbrief van het waterschap. Als dit niet het geval is, vervalt de instemming. Artikel 4 Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor, op grond van deze algemene regel, meldingsplichtige activiteiten wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2014 in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. Indien voor het uitvoeren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd of een melding is gedaan en nog niet op die aanvraag of melding is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Indien de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel voor de inwerkingtreding van deze algemene regel zijn uitgevoerd en geen watervergunning is aangevraagd of een melding is gedaan, wordt de noodzakelijke melding geacht te zijn gedaan. Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Risico’s Van belang is dat onderhoudspaden langs wateren toegankelijk zijn voor inspectie en onderhoud. Voor de stabiliteit van de oevers en de doorstroming is het van belang dat de ingrepen in het water en bijbehorende beschermingszone(
  5. s)goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan gelden de beleidsregels. Indien de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of indien het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. Melding De melding moet digitaal via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Algemene regels waterkeringen WK1.Beplanting Artikel1.Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de keur, voor het aanbrengen en behouden van beplanting voor zover deze: niet in een oppervlaktewaterlichaam en/of bijbehorende beschermingszones wordt geplaatst, en; in de beschermingszone van een waterkering wordt geplaatst, en; in tuinen en parken wordt aangebracht waarvan het maaiveld 0,50 m boven leggerprofiel is gelegen, en; van nature lager blijft dan 5,00 m boven maaiveld. Artikel2.Voorwaarden Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel: brengt geen voorzieningen aan voor beluchting, drainage of watervoorziening; beperkt ingravingen tot een minimum en dicht deze aan het eind van elke werkdag met het uitgekomen materiaal; Voorkomt dat overhangend hout hinder of gevaarlijke situaties veroorzaakt; Artikel3.Melding 1.Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt dit tenminste twee weken voor aanvang van de activiteiten aan het waterschap. 2.De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan via het Omgevingsloket Online of met behulp van het daarvoor aangeboden meldingsformulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam, adres en telefoonnummer van meldingsplichtige, aannemer en/of uitvoerder; het adres of de locatie waar de activiteiten plaatsvinden; een situatietekening op een goed leesbare schaal waarop duidelijk is aangegeven: locatie, afmetingen van de activiteit ten opzichte van de waterkering, legenda en noordpijl. 3.Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt de aanvang van de activiteiten 2 werkdagen van te voren bij de toezichthouder (startmelding). 4.De uitvoering van de toegestane werken start binnen een jaar na dagtekening van de instemmingsbrief van het waterschap. Als dit niet het geval is, vervalt de instemming. Artikel4.Overgangsrecht 1.Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor, op grond van deze algemene regel, meldingplichtige activiteiten wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. 2.Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2009 in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. 3.Indien voor het uitvoeren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd of een melding is gedaan en nog niet op die aanvraag of melding is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Tuin: Door particulieren aangelegde sierpercelen behorend bij een private woning. Park: Openbaar terrein, beheerd door een gemeente met bomen en paden, waar mensen komen om hun vrije tijd door te brengen. Kruin van de waterkering: Het ‘platte’ vlak tussen de kruinlijnen. Beplanting: Bomen, struiken en lage beplanting, uitgezonderd gras. Voorzieningen voor beluchting, drainage en watertoevoer: Werken ten behoeve van beluchting, drainage en watertoevoer voor de beplanting die in de waterkering worden aangebracht. Hiervan uitgesloten zijn bovengrondse regelbare en afsluitbare irrigatiesystemen. Diepwortelende planten: Beplanting die dieper wortelt dan 1,00 meter beneden maaiveld. Risico’s Wijzigingen in de inrichting van gronden rondom de woning zijn in principe vergunningplichtig terwijl het afwegingskader van de vergunning niet zal wijzigen. Voor waterkeringen waar bij vergunning is bepaald dat het toelaatbaar is om een openbaar park of particuliere tuin in te richten is het niet effectief wijzigingen in de vergunde situatie steeds weer bij vergunning te reguleren. Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat aan deze werkzaamheden voorwaarden worden gesteld om bijvoorbeeld een eventuele ontgrondingskuil door een ontwortelde boom zo klein mogelijk te houden. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap op basis van voorschriften, toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. Indien de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of indien het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. Melding De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.waterschaprivierenland.nl. WK 2. Hekwerken Artikel 1. Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de keur, voor het plaatsen en behouden van een hekwerk, schutting en/of afrastering voor zover het: een veekerende afrastering betreft, die: op de waterkering en/of bijbehorende binnendijkse beschermingszone wordt geplaatst, en; een maximale hoogte van 1,20 m heeft, maar niet hoger is dan voor het doel toereikend is, en; bestaat uit palen met draad of gaas met een minimale maaswijdte van 10 x 10 centimeter en; met de palen een maximale diepte van 0,60 m onder maaiveld bereikt; een schutting en/of hekwerk betreft, die: wordt geplaatst langs of op een perceel met een woonbestemming en; wordt geplaatst in de beschermingszone binnen een afstand van 10 meter gemeten vanuit de grens waterkering – beschermingszone en voldoet aan de volgende criteria: a. een maximale hoogte van 1,00 meter, en; b. plaatsing op palen met een maximale diepte van 0,60 m onder maaiveld en/of; c. fundatie met poeren met een maximale diepte van 0,30 m onder maaiveld. of wordt geplaatst in de beschermingszone van een waterkering op een afstand van minimaal 10 meter gemeten vanuit de grens waterkering – beschermingszone en voldoet aan de volgende criteria: a. een maximale hoogte van 2,00 meter, en; b. plaatsing op palen met een maximale diepte van 1,00 m onder maaiveld en/of; c. fundatie met poeren met een maximale diepte van 0,60 m onder maaiveld. Artikel 2. Voorwaarden Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel: houdt de constructie in een goede staat van onderhoud; houdt de op en langs de waterkering gelegen 4,00 m brede onderhoudspaden toegankelijk voor inspectie en onderhoud door middel van een poort; zorgt ervoor dat eventuele poorten te allen tijde door de toezichthouder te openen zijn; zorgt ervoor dat de draden van een afrastering over onderhoudspaden of onderhoudsstroken, gemakkelijk met de hand verwijderd kunnen worden en zijn voorzien van geïsoleerde handgrepen; slaat en/of drukt de palen van een afrastering in de grond. Artikel 3. Melding Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt dit tenminste twee weken voor aanvang van de activiteiten aan het waterschap. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan via het Omgevingsloket Online of met behulp van het daarvoor aangeboden meldingsformulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: a. naam, adres en telefoonnummer van meldingsplichtige, aannemer en/of uitvoerder; b. het adres of de locatie waar de activiteiten plaatsvinden; c. een situatietekening op een goed leesbare schaal waarop duidelijk is aangegeven: locatie, afmetingen van de te plaatsen werken (inclusief fundering), legenda en noordpijl. Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt de aanvang van de activiteiten 2 werkdagen van te voren bij de toezichthouder (startmelding). De uitvoering van de toegestane werken start binnen een jaar na dagtekening van de instemmingsbrief van het waterschap. Als dit niet het geval is, vervalt de instemming. Artikel 4. Overgangsrecht Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor, op grond van deze algemene regel, meldingsplichtige activiteiten wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2014 in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. Indien voor het uitvoeren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd of een melding is gedaan en nog niet op die aanvraag of melding is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Afrastering: Eenvoudige constructie bestaande uit houten palen met draad of gaas ten behoeve van het keren van vee. Schutting: Perceelscheidende constructie bestaande uit overwegend dichte delen. Hekwerk: Perceelscheidende constructie bestaande uit overwegend open delen. Binnenkruin: Virtuele lijn die overgang vormt tussen talud en bovenzijde waterkering, gelegen in de binnendijkse berm. Risico’s Van belang is dat onderhoudspaden langs waterkeringen en watergangen toegankelijk zijn voor inspectie en onderhoud. Middels de gestelde criteria en voorwaarden worden de risico’s voor de waterkering tot een minimum beperkt. De werkzaamheden hebben een zeer gering effect op de staat van een waterkering. Indien de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of indien het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. Melding De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Een schriftelijke melding kan worden gedaan door het meldingsformulier via het OLO uit te printen en dit ingevuld op te sturen naar het waterschap. WK3.Tijdelijke objecten en handmatig eenvoudig demontabele objecten Artikel1.Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de keur, voorhet plaatsen en behouden van een tijdelijk object en/of handmatig eenvoudig demontabel object, voor zover: een tijdelijk object zonder fundering wordt geplaatst op bestaand maaiveld op de waterkering of in de beschermingszone, maar tegelijkertijd niet op dijktaluds en niet in een oppervlaktewaterlichaam en/of bijbehorende beschermingszones, en; een handmatig eenvoudig demontabel object in de beschermingszone van een waterkering wordt geplaatst, maar tegelijkertijd niet in een oppervlaktewaterlichaam en/of bijbehorende beschermingszones, en; bij een handmatig eenvoudig demontabel object geen grondroeringen plaatsvinden dieper dan 0,30 m onder maaiveld, en; bij een handmatig eenvoudig demontabele object geen gestorte fundering wordt toegepast; Artikel2.Voorwaarden Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel: graaft het te plaatsen object (met uitzondering van de fundering) niet in; voorkomt verlaging of verhoging van het huidige maaiveld anders dan de natuurlijke achtergrondzettingen ter plaatse; brengt een stellaag aan die qua gewicht niet minder is dan dat van de verwijderde bovenlaag; houdt doorgaande onderhoudsroutes vrij van objecten. treft, wanneer op 15 oktober op de waterkering en haar bijbehorende beschermingszones geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van het waterschap in slechte staat bevindt, op aanzegging van het waterschap, alle maatregelen om een adequate erosiebestendige waterkering te garanderen; Artikel3.Melding 1.Degene die een eenvoudig demontabel object plaatst als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt dit tenminste twee weken voor aanvang van de activiteiten aan het waterschap. 2.De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan via het Omgevingsloket Online of met behulp van het daarvoor aangeboden meldingsformulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam, adres en telefoonnummer van meldingsplichtige, aannemer en/of uitvoerder; het adres of de locatie waar de activiteiten plaatsvinden; een situatietekening op een goed leesbare schaal waarop duidelijk is aangegeven: locatie, afmetingen van de activiteit (inclusief eventuele fundering), legenda en noordpijl. 3.Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt de aanvang van de activiteiten 2 werkdagen van te voren bij de toezichthouder (startmelding). 4.De uitvoering van de toegestane werken start binnen een jaar na dagtekening van de instemmingsbrief van het waterschap. Als dit niet het geval is, vervalt de instemming. Artikel4.Overgangsrecht 1.Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor, op grond van deze algemene regel, meldingplichtige activiteiten wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. 2.Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2009 in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. 3.Indien voor het uitvoeren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd of een melding is gedaan en nog niet op die aanvraag of melding is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Handmatig eenvoudig demontabel object: niet-kapitaal intensief object, realisatiekosten max 5.000 eurogeen gestorte of geslagen fundering oppervlak max 18 m² geen gemetselde of geïsoleerde wandengeen pannendak Voorbeelden zijn een kippenhok, fietsenrek, blokhut-tuinhuisje. Tijdelijk object: Een object dat op bestaand maaiveld wordt geplaatst zonder fundering. Voorbeelden zijn een container, kliko, bloempotten, terrasmeubilair. Risico’s Het plaatsen van tijdelijke objecten op het waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszone betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk waaraan weinig waterhuishoudkundige risico’s zijn verbonden. Aan realiseren van eenvoudig demontabele objecten in de beschermingszone van de waterkering zijn ook weinig risico’s verbonden. Omdat deze objecten verplaatsbaar of eenvoudig demontabel zijn, kunnen deze worden verwijderd of verplaatst indien dit noodzakelijk is, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van groot onderhoud of dijkverbetering. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Indien de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of indien het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. Melding De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.waterschaprivierenland.nl. WK4.Klein onderhoud aan wegen en het plaatsen van verkeersborden Artikel 1. Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de keur, voor het uitvoeren van klein onderhoud aan wegen en het plaatsen van verkeersborden ( en vergelijkbare bebording) in de wegberm op een waterkering en/of in een beschermingszone, voor zover: deze activiteiten niet worden uitgevoerd in een oppervlaktewaterlichaam en/of bijbehorende beschermingszones, en; het roven en aanvullen betreft van een berm langs een weg, en/of; het herstellen van een wegdek of het vervangen van de asfalttoplaag betreft en/of; het plaatsen van verkeersborden betreft die nodig zijn ten behoeve van de verkeersveiligheid, en/of; de (verkeers)borden niet in het dijktalud worden geplaatst. Artikel 2. Voorwaarden Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel: voert alle materialen die vrijkomen bij de werkzaamheden af; gebruikt het dijktalud niet als opslagplaats voor materiaal of materieel; voorziet palen van verkeersborden niet van een betonnen voet; slaat of drukt de palen in de grond tot een maximale diepte van 0,90 m; vult de wegberm aan met uit de werkzaamheden voortgekomen grond; zaait de aangevulde grond als volgt in met een graszaadmengsel: Type graszaadmengsel Inzaai (kg/
  6. ha)Doorzaai (kg/
  7. ha)Beweid D1 100-150 50-75 Niet beweid D2 100-150 50-75 treft, wanneer op 15 oktober op de waterkering en haar bijbehorende beschermingszones geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van het waterschap in slechte staat bevindt, op aanzegging van het waterschap, alle maatregelen om een adequate erosiebestendige waterkering te garanderen; Artikel 3. Overgangsrecht Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor, op grond van deze algemene regel, meldingplichtige activiteiten wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. Als voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2014 in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. Als voor het uitvoeren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd of een melding is gedaan en nog niet op die aanvraag of melding is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Als de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Verkeersborden: Borden die voldoen aan bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. Vergelijkbare bebording: Reflectorpalen, verkeersspiegels, routeborden niet zijnde reclame Roven van een berm: Verwijderen van de bovenlaag van de wegberm ter verbetering van de afwatering van de weg. Klein onderhoud weg: Herstel van schade aan toplaag of vervangen van toplaag van weg. Een wegreconstructie valt onder groot onderhoud. Risico’s Op veel waterkeringen zijn wegen aanwezig waaraan kleinschalig onderhoud moet worden gepleegd (waaronder ook het roven en aanvullen van bermen). Daarnaast is voor de verkeersveiligheid het plaatsen van verkeersborden noodzakelijk. De impact van deze werken op de waterkering zijn kleinschalig en de relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. De algemene regel is van toepassing op de wegen waar het waterschap zelf geen wegbeheerder is, op basis van de keur geldt geen vergunningplicht voor het waterschap. De algemene regel is hiermee bedoeld voor overige wegbeheerders zoals gemeenten. Als de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of als het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. Melding Voor deze activiteit geldt geen meldingsplicht WK5.Erfverharding Artikel1.Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de keur, voor het aanleggen en het behouden van gesloten erfverharding in de beschermingszone van een waterkering voor zover: deze niet wordt aangelegd in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam, en; deze niet op het dijktalud wordt aangelegd, en; deze wordt aangelegd op percelen met een woonbestemming, en; niet meer dan 500 m2 oppervlak aan verharding wordt aangelegd. Artikel2.Voorwaarden Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel: ontgraaft voor de aanleg van de verharding en bijbehorende stellaag niet dieper aan dan 0,30 m onder bestaand maaiveld; legt de verharding zodanig aan dat de afstroming van het hemelwater niet richting waterkering gaat, dat van de afwatering van de waterkering niet wordt gehinderd wordt en dat er geen vernatting ter plaatse van de teen van de waterkering optreedt; zaait de aangevulde grond als volgt in met een graszaadmengsel: Type graszaadmengsel Inzaai (kg/
  8. ha)Doorzaai (kg/
  9. ha)Beweid D1 100-150 50-75 Niet beweid D2 100-150 50-75 treft, wanneer op 15 oktober op de waterkering en haar bijbehorende beschermingszones geen grasmat aanwezig is, of de grasmat zich naar het oordeel van het waterschap in slechte staat bevindt, op aanzegging van het waterschap, alle maatregelen om een adequate erosiebestendige waterkering te garanderen; Artikel3.Melding 1.Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt dit tenminste twee weken voor aanvang van de activiteiten aan het waterschap. 2.De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan via het Omgevingsloket Online of met behulp van het daarvoor aangeboden meldingsformulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam, adres en telefoonnummer van meldingsplichtige, aannemer en/of uitvoerder; het adres of de locatie waar de activiteiten plaatsvinden; een situatietekening op een goed leesbare schaal waarop duidelijk is aangegeven: locatie, afmetingen van de activiteit, legenda en noordpijl. 3.Degene die activiteiten uitvoert als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, meldt de aanvang van de activiteiten 2 werkdagen van te voren bij de toezichthouder (startmelding). 4.De uitvoering van de toegestane werken start binnen een jaar na dagtekening van de instemmingsbrief van het waterschap. Als dit niet het geval is, vervalt de instemming. Artikel4.Overgangsrecht 1.Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor, op grond van deze algemene regel, meldingplichtige activiteiten wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. 2.Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2009 in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. 3.Indien voor het uitvoeren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd of een melding is gedaan en nog niet op die aanvraag of melding is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Gesloten verharding: Dit betreft asfaltverharding, straatklinkers, sierbestrating als tegels. Deze algemene regel geldt niet voor halfverhardingen zoals grind. Teen van de waterkering: De lijn of het knikpunt, waar het hellende vlak van de waterkering en maaiveld elkaar snijden of geacht worden elkaar te snijden. Risico’s De waterkering moet te allen tijde zijn voorzien van een erosiebestendige deklaag. De meeste verhardingen op particuliere percelen zijn dit echter niet. Door de aanleg van verhardingen te beperken tot de beschermingszone van de waterkering is het risico op verzwakte dijkbekleiding uitgesloten. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Indien de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of indien het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. Melding De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO) worden ingediend. Het OLO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.waterschaprivierenland.nl. WK6.Interne verbouwingen en dakkapellen Artikel 1. Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de keur, het uitvoeren van interne verbouwingen in bestaande panden en het plaatsen van dakkapellen op bestaande panden gelegen in een waterkering en/of beschermingszone voor zover: er geen wijziging plaatsvindt van een kelder, fundering of vloerpeil, uitgezonderd aanvullingen van kruipruimtes en vervanging van (houten) vloeren door plaatvloeren, en; er geen volume-uitbreiding plaatsvindt, anders dan een eventuele dakkapel, en; er geen grondroering plaatsvindt. Artikel 2. Overgangsrecht Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor, op grond van deze algemene regel, meldingplichtige activiteiten wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. Als voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2009 in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. Als voor het uitvoeren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd of een melding is gedaan en nog niet op die aanvraag of melding is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Als de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Risico’s Bij een interne verbouwing van een pand vindt geen uitbreiding van dat pand plaats. Er is dan ook geen risico dat het profiel van vrije ruimte wordt verkleind. Het risico met betrekking tot het functioneren van de waterkering blijft daarnaast ook op een gelijk niveau. Het uitvoeren van interne verbouwingen van bestaande panden of het plaatsen van dakkapellen op een pand in de kern- en/of beschermingszone van een waterkering betreft een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Als de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of als het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. Melding Voor deze activiteit geldt geen meldingsplicht WK7.Activiteiten in de buitenbeschermingszone Artikel1.Criteria Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, en/of artikel 5.4 van de keur, voor het uitvoeren van activiteiten in de volgens de waterkeringslegger aangewezen buitenbeschermingszone van de waterkering met uitzondering van: het verrichten van afgravingen, ontgrondingen en seismisch onderzoek, en; het aanbrengen van werken met een overdruk van 10 bar of meer, en; het hebben van explosief materiaal of het hebben van explosiegevaarlijke inrichtingen, en; het uitvoeren van diepe boringen voor bodemenergiesystemen (bijv. KWO-systemen). Artikel2.Overgangsrecht Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel: een watervergunning krachtens de KeurWaterschap Rivierenland 2009 in werking was of, een vergunning krachtens artikel 2.2 van de Wegenverordening Waterschap Rivierenland 2011 in werking was, worden de voorschriften van de (water)vergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien de activiteiten niet voldoen aan de algemene regel, dan geldt de vergunningplicht waarbij de activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Op grond van artikel 5.4, derde lid, van de keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, of onder de weg. Op grond van artikel 5.5, derde lid, van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. Risico’s Het uitvoeren van activiteiten in de buitenbeschermingszone van de waterkering met uitzondering van de in de criteria genoemde activiteiten, heeft een zeer gering effect op de waterhuishoudkundige, waterstaatkundige en wegenbelangen. Om deze reden is geen vergunning op grond van de keur vereist. Indien de criteria niet of niet volledig van toepassing zijn of indien het voorgenomen werk in afwijking van de voorwaarden zal worden uitgevoerd, kan met het waterschap in overleg worden getreden over een mogelijke watervergunning. Melding Voor deze activiteit geldt geen meldingsplicht. WK 8.Activiteiten en werken in en nabij de Slaperdijk te Kesteren en de Meidijk te Zuilichem Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het uitvoeren van activiteiten in de, bij deze algemene regel behorende kaart, aangegeven waterkering en/of bijbehorende beschermingszone met uitzondering van de volgende activiteiten: boringen of persingen parallel aan de waterkering; grondroeringen in de waterkering, dieper dan 0,50 m onder maaiveld; Artikel 2 Voorwaarden Diegene die activiteiten uitvoert zoals bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel: houdt de aangebrachte werken in een goede staat van onderhoud; houdt de op en langs de waterkering (de Slaperdijk) gelegen 4,00 m brede onderhoudspaden toegankelijk voor inspectie en onderhoud. Dit geldt niet voor de Meidijk, want daar zijn geen onderhoudspaden; voorkomt verlaging van het huidige maaiveld anders dan de natuurlijke achtergrondzettingen ter plaatse; legt eventuele verharding zodanig aan dat de afstroming van het hemelwater niet richting waterkering gaat, dat de afwatering van de waterkering niet wordt gehinderd en dat er geen vernatting ter plaatse van de teen van de waterkering optreedt; treft alle nodige maatregelen om een adequate erosiebestendige waterkering te garanderen en houdt het dijkprofiel in stand; stemt de activiteiten af met de met de wegbeheerder. Artikel 3 Overgangsrecht Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1 van deze algemene regel, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens de Keur Waterschap Rivierenland 2014 in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de keur. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Op grond van artikel 3.10 van de keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Indien

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.