← Nederland

Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (Sint Maarten)

In het kort

Deze wet, het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (Sint Maarten), regelt welke feiten strafbaar zijn en welke straffen daarop staan. Het bepaalt ook wanneer de wet van toepassing is, zowel binnen als buiten de Nederlandse Antillen.

Wat het regelt

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen EERSTEBOEKAlgemeene bepalingen TITELIOmvang van de werking der strafwet Artikel1 1.Geen feit is strafbaar dan uit kracht van eene daaraan voorafgegan

e wettelijke strafbepaling. 2.Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor den verdachte gunstigste bepalingen toegepast. Artikel2 De strafwet van de Nederlandse Antillen is toepasselijk op ieder die zich binnen de Nederlandse Antillen aan eenig strafbaar feit schuldig maakt. Artikel3 De strafwet van de Nederlandse Antillen is toepasselijk op ieder, die zich buiten de Nederlandse Antillen aan boord van een Nederlands-Antilliaans vaartuig of luchtvaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Artikel4 De strafwet van de Nederlandse Antillen is toepasselijk op ieder die zich buiten de Nederlandse Antillen schuldig maakt: aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 97 - 102, 103a onder 1°, 104, 104a - 104c, 111 en 114 - 117; aan eenig misdrijf ten opzichte van muntspeciën, munt- of bankbiljetten, van Landswege of krachtens artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Postlandsverordening 1998 uitgegeven zegels of merken; aan valschheid in schuldbrieven of certificaten van schuld van de Nederlandse Antillen, de talons, dividend- of rentebewijzen tot deze stukken behoorende, en de bewijzen uitgegeven in plaats van deze stukken, inbegrepen, of aan het opzettelijk gebruik maken van zoodanig valsch of vervalscht stuk als ware het echt en onvervalscht; aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 395 - 399, 424 en 425 of aan de overtreding omschreven in artikel 465a; a. aan het misdrijf omschreven in artikel 174, begaan tegen een luchtvaartuig in bedrijf, indien dit een Nederlands-Antilliaans luchtvaartuig is, of wanneer de verdachte zich binnen de Nederlandse Antillen bevindt; aan het misdrijf omschreven in artikel 399a, begaan aan boord van een luchtvaartuig in vlucht, wanneer de plaats van opstijgen of die van de feitelijke landing gelegen is buiten het grondgebied van de staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven en de verdachte zich binnen de Nederlandse Antillen bevindt; aan het misdrijf omschreven in artikel 399b, indien het daar bedoelde luchtvaartuig een Nederlands Antilliaans luchtvaartuig is of wanneer de verdachte zich binnen de Nederlandse Antillen bevindt; aan het misdrijf omschreven in artikel 399c, wanneer het is begaan hetzij tegen een Nederlands Antilliaans luchtvaartuig, hetzij aan boord van een luchtvaartuig dat vervolgens op de Nederlandse Antillen landt met de verdachte aan boord. aan een terroristisch misdrijf dan wel een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 123, 124a, 124c,125, 129, 130, 146, 163, 167, 167a, 167c, 167d, 168, 172, 174, 176, 178, 179a, 298, 300, 301, 302, 366, 368, 370, 399a en 399b, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 15 december 1997 te New York totstandgekomen Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen (Trb. 1998, 84) en indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander, dan wel indien de verdachte zich in de Nederlandse Antillen bevindt; aan een terroristisch misdrijf dan wel een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 123, 124a, 124c, 125, 129, 130, 146, 163, 167, 167a, 167c, 167d, 168, 172, 174, 176, 178, 179a, 298, 300, 301, 302, 366, 368, 370, 399a en 399b, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 9 december 1999 te New York totstandgekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (Trb. 2000, 12) en indien het feit is gericht tegen een Nederlander, dan wel indien de verdachte zich in de Nederlandse Antillen bevindt; aan een terroristisch misdrijf, indien het misdrijf is gepleegd met het oogmerk de bevolking of een deel der bevolking van de Nederlandse Antillen vrees aan te jagen of enige overheid in de Nederlandse Antillen wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, of fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren in enig eilandgebied van de Nederlandse Antillen ernstig te ontwrichten of te vernietigen; aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 230, derde lid, 324, onder 6°, alsmede 330, tweede lid, jo. artikel 325, tweede lid onder 2°, indien het misdrijf is gepleegd met het oogmerk een terroristisch misdrijf als in onderdeel 8° omschreven voor te bereiden of gemakkelijker te maken. Artikel4a 1.De strafwet van de Nederlandse Antillen is toepasselijk op ieder tegen wie de strafvervolging door de Nederlandse Antillen van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor de Nederlandse Antillen volgt. 2.De strafwet van de Nederlandse Antillen is voorts toepasselijk op ieder wiens uitlevering ter zake van een terroristisch misdrijf dan wel een der misdrijven omschreven in de artikelen 230, derde lid, 324, eerste lid, onder 6°, alsmede 330, tweede lid, in samenhang met artikel 325, tweede lid, onder 2°, ontoelaatbaar is verklaard, is afgewezen of geweigerd. Artikel5 1.De strafwet van de Nederlandse Antillen is toepasselijk op den ingezetene van de Nederlandse Antillen die zich buiten de Nederlandse Antillen schuldig maakt: aan een der misdrijven omschreven in de Titels I en II van het Tweede Boek, en in de artikelen 137, 138, 212 en 242; aan een feit hetwelk door de strafwet van de Nederlandse Antillen als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land, waar het begaan is, straf is gesteld. De vervolging kan ook plaats hebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit ingezetene van de Nederlandse Antillen wordt. aan een terroristisch misdrijf, dan wel een van de misdrijven omschreven in de artikelen 230, derde lid, 324, eerste lid, onder 6°, alsmede 330, tweede lid,in samenhang met artikel 325, tweede lid onder 2°. De tweede volzin van het onder 2º gestelde is van toepassing. 2.De toepasselijkheid van de onder 2 (genoemde bepaling wordt echter in zoover beperkt, dat de doodstraf niet kan worden opgelegde ter zake van een feit waarop door de wet van het land waar het feit begaan is, de doodstraf niet is gesteld. Artikel6 De strafwet van de Nederlandse Antillen is toepasselijk op de ambtenaar van het Land of van een der eilandgebieden, die zich buiten de Nederlandse Antillen schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in Titel XXVIII van het Tweede Boek. Artikel7 De strafwet van de Nederlandse Antillen is toepasselijk op den schipper en de opvarenden van een Nederlandsch of Nederlands-Antilliaans vaartuig, die zich buiten de Nederlandse Antillen, ook buiten boord, schuldig maken aan een der strafbare feiten, omschreven in Titel XXIX van het Tweede Boek en Titel IX van het Derde Boek. Artikel8 De toepasselijkheid van de artikelen 2 - 7 wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. TITELIIStraffen Artikel9 1.De straffen zijn: hoofdstraffen: doodstraf; gevangenisstraf; hechtenis; geldboete. bijkomende straffen: ontzetting van bepaalde rechten; verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen; openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak; plaatsing in een landswerkinrichting [nog niet in werking]. 2.Bij veroordeeling van een persoon die tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg den leeftijd van achttien jaren nog niet bereikt heeft, wordt, behoudens het bepaalde bij artikel 41ter, eerste lid, en artikel 41septies, laatste lid, in plaats van de op het feit gestelde hoofdstraf, eene der volgende hoofdstraffen opgelegd naar de onderscheidingen gemaakt bij artikel 41septies: geldboete; berisping. Artikel10 De doodstraf wordt door den scherprechter uitgevoerd op een schavot, door den veroordeelde met een strop om den hals aan eene galg vast te maken en een luik onder zijne voeten te doen wegvallen. Artikel11 1.De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk. 2.De duur van de tijdelijke gevangenisstraf is tenminste een dag, tenzij bij landsverordening een hoger minimum is vastgesteld, en ten hoogste vier en twintig achtereenvolgende jaren. 3.Indien de minimale duur van de tijdelijke gevangenisstraf is vastgesteld op meer dan een dag, kan niettemin een langere tijdelijke gevangenisstraf worden opgelegd, doch tenminste een dag, indien het feit, gelet op de relatief geringe ernst daaraan, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de schuldigverklaarde van dien aard is, dat de op te leggen minimum gevangenisstraf evident evenredig zou zijn. 4.Zij kan voor ten hoogste dertig achtereenvolgende jaren worden opgelegd in de gevallen waarin op het misdrijf levenslange en tijdelijke gevangenisstraf ter keuze van den rechter zijn gesteld, en in die, waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, terroristische misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij de artikelen 46, 317 en 416, de tijd van vier en twintig jaren wordt overschreden. 5.Zij kan in geen geval den tijd van dertig jaren te boven gaan. Artikel12 Gevangenisstraf wordt naar gelang de aard van de persoonlijkheid van de veroordeelde in algehele of in beperkte gemeenschap, dan wel in afzondering ondergaan. Artikel13 Iedere tot gevangenisstraf veroordeelde wordt zoveel mogelijk geplaatst in een gesticht, waarvan het regime het meest met zijn persoonlijkheid strookt, waarbij zowel op de duur van de straf als op zijn reclasseringsmogelijkheden van de tot gevangenisstraf veroordeelde wordt gelet. Artikel14 Een tot gevangenisstraf veroordeelde die wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens daarvoor in aanmerking komt kan worden geplaatst in een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden. Artikel 39c is in dat geval van overeenkomstige toepassing. De plaatsing en beëindiging daarvan geschieden volgens regels, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te stellen, op last van de Minister van Justitie gegeven na een met redenen omkleed en ondertekend advies van een psychiater. Artikel15 [vervallen] Artikel16 [vervallen] Artikel17 De tot gevangenisstraf veroordeelde is verplicht tot het verrichten van den hem opgedragen arbeid, overeenkomstig de voorschriften ter uitvoering van artikel 26 gegeven. Artikel17a In geval van veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, of tot geldboete, kan de rechter daarbij tevens zowel ten aanzien van die straf als ten aanzien van de opgelegde bijkomende straffen het bevel geven, dat deze geheel of voor een door hem te bepalen gedeelte niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij hij later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een bij het bevel te bepalen proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen of een bijzondere voorwaarde, welke bij het bevel mocht zijn gesteld, niet heeft nageleefd. In geval van veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, met toepassing van het eerste lid, kan de rechter tevens geldboete opleggen. De geldboete bedraagt ten hoogste vijftienduizend gulden bij feiten, waarop een gevangenisstraf van niet meer dan een jaar of hechtenis is gesteld, en ten hoogste dertigduizend gulden bij feiten, waarop gevangenisstraf van meer dan een jaar is gesteld. Het eerste lid vindt bij veroordeling tot geldboete in zaken van belastingen geen toepassing. Artikel17b De proeftijd bedraagt bij misdrijven en bij de in de artikelen 451 en 452 omschreven overtredingen ten hoogste drie jaren, bij de overige overtredingen ten hoogste twee jaren. De proeftijd gaat in zodra de uitspraak waarbij een bevel als in het vorige artikel bedoeld is gegeven, onherroepelijk is geworden. De proeftijd loopt niet gedurende den tijd dat den veroordeelde rechtens zijne vrijheid is ontnomen. Artikel17c 1.Toepassing van artikel 17a geschiedt onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. 2.Bij de toepassing van artikel 17a kunnen voorts de volgende bijzonder voorwaarden worden gesteld: gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade binnen een door de rechter te bepalen termijn, korter dan de proeftijd; opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging gedurende een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd; storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, gelijk aan het verschil tussen het maximum van de geldboete die voor het feit opgelegd kan worden, en de opgelegde boete; storting van een door de rechter vast te stellen som ten gunste van een instelling die zich mede ten doel stelt om de belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het strafbare feit opgelegd kan worden. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen. 3.De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te belijden of de staatkundige vrijheid niet beperken. 4.Bij het stellen van de bijzondere voorwaarde van storting van een waarborgsom vindt artikel 27, tweede lid, overeenkomstige toepassing. Artikel17d Met het toezicht op de naleving der voorwaarden is het openbaar minister belast. De rechter kan, indien hij daartoe termen vindt, bij zijn bevel aan eene in de Nederlandse Antillen gevestigde, rechtspersoonlijkheid bezittende instelling, aan den houder van eene aldaar gevestigde inrichting of aan een bijzonderen ambtenaar opdragen aan den veroordeelde ter zake van de naleving der bijzondere voorwaarden bijstand te verleenen. Voorschriften tot nadere regeling van dien bijstand en tot nadere aanwijzing van de instellingen en houders van inrichtingen, die met het verleenen daarvan kunnen worden belast, worden vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Artikel17e Nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden, wordt ten spoedigste vanwege het openbaar ministerie door een deurwaarder of dienaar der openbare macht aan den veroordeelde eene kennisgeving beteekend, houdende de straf, waartoe hij is veroordeeld, en alle tot het in artikel 17a bedoelde bevel betrekkelijke beslissingen. In ieder geval, waarin bijzondere voorwaarden zijn gesteld of waarin het openbaar ministerie dit bepaalt, geschiedt de betekening aan de veroordeelde in persoon; in andere gevallen geschiedt dit zoveel mogelijk. Artikel17f Indien de voorwaarden niet worden nageleefd, kan het openbaar ministerie bij den rechter, die het in artikel 17a bedoelde bevel heeft gegeven, daarvan aan dien rechter kennis geven, met zoodanige vordering als het noodig zal oordelen. De kennisgeving dat door den veroordeelde opnieuw een strafbaar feit is begaan, geschiedt niet vóór de nieuwe uitspraak onherroepelijk is geworden. Het voorgaande lid is mede van toepassing, indien de veroordeelde vóór het einde van den proeftijd ter zake van een vóór het ingaan daarvan begaan strafbaar feit onherroepelijk wordt strafbaar verklaard. Artikel17g De rechter die het in artikel 17a bedoelde bevel heeft gegeven, kan, hetzij na ontvangst ener vordering van het Openbaar Ministerie hetzij op het verzoek van de veroordeelde, gedurende de proeftijd of gedurende de tijd, dat deze is geschorst, in de gestelde bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze in haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt, wijziging brengen, deze voorwaarden opheffen, alsnog bijzondere voorwaarden stellen, een opdracht als bedoeld in artikel 17d geven, het verlenen van bijstand aan een ander dan degene, die daarmede te voren was belast, opdragen, de proeftijd verkorten of deze eenmaal verlengen. Die verlenging geschiedt voor ten hoogste de helft van de langste termijn waarop de proeftijd bepaald had kunnen worden. Artikel17h De rechter die het in artikel 17a bedoelde bevel heeft gegeven, kan na ontvangst eener vordering van het openbaar ministerie, indien de voorwaarden niet worden nageleefd,* de veroordeelde zich misdraagt of vóór het einde van den proeftijd ter zake van een vóór het ingaan daarvan begaan strafbaar feit onherroepelijk wordt strafbaar verklaard, last tot tenuitvoerlegging geven of bepalen dat den veroordeelde van zijnentwege eene waarschuwing zal worden toegediend. In het laatste geval bepaalt hij tevens de wijze waarop zulks zal moeten geschieden. De last tot tenuitvoerlegging kan niet meer worden gegeven, wanneer sedert het einde van de proeftijd een termijn van drie maanden is verstreken, tenzij de veroordeelde vóór den afloop daarvan ter zake van een gedurende den proeftijd begaan strafbaar feit is vervolgd en de vervolging met eene onherroepelijke strafbaarverklaring eindigt. Alsdan kan nog ter zake van het begaan van dat feit binnen veertien dagen nadat de strafbaarverklaring onherroepelijk is geworden, last tot tenuitvoerlegging worden gegeven. Artikel17i In de gevallen bij de artikelen 17g en 17h bedoeld, brengt het openbaar ministerie de zaak aan door de indiening van eene met redenen omkleede vordering. Is door den veroordeelde een verzoekschrift tot toepassing van artikel 17g tot den rechter gericht, dan dient het openbaar ministerie ten spoedigste nadat dat verzoekschrift in zijne handen is gesteld, eene met redenen omkleede conclusie in. Onmiddellijk na de indiening der vordering of der conclusie bepaalt de rechter, tenzij de summiere kennisneming der stukken hem aanleiding geeft om de vordering of het verzoek buiten verdere behandeling te laten, een dag voor het onderzoek der zaak. Het openbaar ministerie doet daarna ten spoedigste den veroordeelde en dengene, die met het verleenen van bijstand is belast, tijdig tot bijwoning van het onderzoek oproepen, onder beteekening van de vordering of conclusie. Zoowel het openbaar ministerie als de veroordeelde zijn bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De rechter kan, al dan niet op verzoek van den veroordeelde, bevelen dat bepaalde personen vanwege het openbaar ministerie zullen worden gedagvaard. De veroordeelde en degene die met het verleenen van bijstand is belast, kunnen vóór den aanvang van het onderzoek van de stukken ter griffie kennis nemen. Hetzelfde geldt ten aanzien van een advocaat, indien deze verklaart tot de kennisneming door den veroordeelde te zijn gemachtigd of, indien de zaak bij den rechter in eersten aanleg wordt behandeld, ten aanzien van een bijzonder daartoe door den veroordeelde gemachtigde. De oproepingen, dagvaardingen en beteekeningen bij dit artikel voorgeschreven, vinden plaats op de voet van artikel 643 van het Wetboek van Strafvordering en kunnen, voor zoover zij van het openbaar ministerie uitgaan, ook door een dienaar der openbare macht geschieden. Artikel17j 1.Onverminderd artikel 488 van het Wetboek van Strafvordering, vindt het onderzoek plaats in het openbaar. Het openbaar ministerie is bij het onderzoek tegenwoordig en wordt ter zake gehoord. De veroordeelde en degene die met het verleenen van bijstand is belast, kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn en worden alsdan gehoord. De veroordeelde kan zich door een advocaat of, indien de zaak bij den rechter in eersten aanleg wordt behandeld, door een bijzonder daartoe gemachtigde, als raadsman doen bijstaan. De artikelen 303, 308, eerste lid, 309, tweede tot en met vijfde lid, 310, 311, 313, 315, 318, 320 tot en met 334, 336 tot en met 353, 358, 362, 363, eerste en tweede lid, 369 tot en met 373 va n het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. De ingediende vorderingen, conclusies of verzoeken kunnen gedurende het onderzoek door het openbaar ministerie of door den veroordeelde worden gewijzigd. Artikel17k De beslissingen in de artikelen 17g en 17h bedoeld, alsmede die waarbij vorderingen of verzoeken tot toepassing van een dier artikelen worden afgewezen, zijn met redenen omkleed; zij zijn niet aan eenig rechtsmiddel onderworpen. Alleen indien de beslissing inhoudt last tot tenuitvoerlegging, wordt zij in het openbaar uitgesproken. De inhoud der beslissing wordt vanwege het openbaar ministerie door een deurwaarder of dienaar der openbaar macht onverwijld op den voet van artikel 643 van het Wetboek van Strafvordering beteekend aan den veroordeelde, aan dengene die met het verleenen van bijstand is belast, zoomede aan dengene die bij de beslissing daarvan wordt ontheven. Artikel18 De tot gevangenisstraf veroordeelde kan, wanneer twee derden van deze straf en tevens ten minste negen maanden daarvan zijn verstreken, voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. Ingeval de veroordeelde meerdere gevangenisstraffen achtereenvolgens moet ondergaan, worden zij ten deze als één straf aangemerkt. 2.Bij schuldigverklaring wegens een misdrijf genoemd in de artikelen 436, 437, 438 en 438a kan de schuldigverklaarde pas voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld wanneer vier vijfde van de gevangenisstraf en tenminste twaalf maanden daarvan zijn verstreken, indien tijdens het begaan van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldigverklaarde een tegen hem op grond van een der in die artikelen genoemde misdrijven uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan, of indien tijdens het begaan van het misdrijf het recht tot uitvoering van die gevangenisstraf nog niet is verjaard. 3.Bij de schuldigverklaring wegens een misdrijf genoemd in de artikelen 436, 437, 438 en 438a kan de schuldigverklaarde niet voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld, indien tijdens het begaan van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldigverklaarde een tegen hem uitgesproken gevangenisstraf ten aanzien waarvan het bepaalde in dit lid of het tweede lid van toepassing is, geheel of ten dele heeft ondergaan, of indien tijdens het begaan van het misdrijf het recht tot uitvoering van die gevangenisstraf nog niet is verjaard. Bij deze invrijheidstelling wordt tevens een proeftijd voor den veroordeelde bepaald en worden voorwaarden gesteld, waaraan deze gedurende den proeftijd zal moeten voldoen. De proeftijd duurt een jaar langer dan het overblijvend gedeelte van de straf. Hij loopt niet gedurende den tijd dat den veroordeelde rechtens zijne vrijheid is ontnomen. Artikel18a Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt als algemeene voorwaarde verbonden dat de veroordeelde geen strafbaar feit zal begaan, noch zich op andere wijze zal misdragen. Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen bovendien bijzondere voorwaarden, het gedrag van den veroordeelde betreffende, worden verbonden, mits die voorwaarden de godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken. Mede kan als bijzondere voorwaarde worden gesteld dat de veroordeelde zich ter verpleging zal laten opnemen in een daarbij aan te wijzen inrichting. Met het toezicht op de naleving der voorwaarden is steeds het openbaar ministerie belast. Op de naleving der voorwaarden kan bovendien een bijzonder toezicht in het leven worden geroepen. Gedurende de proeftijd kan worden bepaald, dat deze voor het in artikel 18 bedoelde tijdstip zal eindigen, kan in de gestelde bijzondere voorwaarden wijziging worden gebracht, kunnen deze voorwaarden worden opgeheven, kunnen alsnog bijzondere voorwaarden worden gesteld, kan alsnog een bijzonder toezicht in het leven worden geroepen en kan het bijzondere toezicht aan een ander dan degene die daarmede te voren was belast, worden opgedragen. Aan den voorwaardelijk in vrijheid gestelde wordt een verlofpas uitgereikt, waarin alle hem gestelde voorwaarden zijn uitgedrukt. In geval van toepassing van het voorgaande lid wordt hem een nieuwe verlofpas uitgereikt. Artikel18b De voorwaardelijke invrijheidstelling is te allen tijde herroepbaar ingeval de veroordeelde in strijd handelt met de in zijn verlofpas uitgedrukte voorwaarden. Zij kan, indien een ernstig vermoeden van zodanig handelen bestaat, worden geschorst. De tijd, verlopen tussen een invrijheidstelling en een hervatting van de tenuitvoerlegging der straf, wordt niet in rekening gebracht op de duur der straf. De herroeping kan niet meer geschieden, wanneer sedert het einde van de proeftijd een termijn van drie maanden is verstreken, tenzij de veroordeelde voor de afloop daarvan ter zake van een gedurende de proeftijd begaan strafbaar feit is vervolgd en de vervolging met een onherroepelijke strafbaarverklaring eindigt. Alsdan kan de voorwaardelijke invrijheidstelling ter zake van het begaan van het feit nog binnen drie maanden nadat de strafbaarverklaring onherroepelijk is geworden, worden herroepen. Artikel19 Alle besluiten uit de toepassing der artikelen 18 - 18b voortvloeiende, worden genomen door de Minister van Justitie, het Centraal College voor de Reclasseering gehoord, en, voor zoover de besluiten tot voorwaardelijke invrijheidstelling betreft, op voorstel of na ingewonnen bericht van het gevangenisbestuur. Zolang de bevoegdheid tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling bestaat, kan de voorwaardelijk in vrijheid gestelde, ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat, dat hij gedurende de proeftijd in strijd heeft gehandeld met de in zijn verlofpas uitgedrukte voorwaarden, in het belang der openbare orde worden aangehouden. De aanhouding wordt bevolen door het plaatselijk hoofd van politie van het eilandgebied, alwaar de voorwaardelijk in vrijheid gestelde zich bevindt, onder verplichting de Minister van Justitie daarvan onverwijld kennis te geven. De aanhouding is gedurende ten hoogste dertig dagen van kracht. Volgt in aansluiting aan de aanhouding een schorsing of een herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, dan wordt de tenuitvoerlegging der straf geacht hervat te zijn op de dag der aanhouding. Artikel20 Het formulier der verlofpassen, de nadere regeling van het toezicht op de naleving der voorwaarden en die van de taak van het Centraal College voor de Reclasseering op het gebied der voorwaardelijke invrijheidstelling zoomede de verdere voorschriften ter uitvoering van de artikelen 18 - 19 worden vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Daarbij wordt in acht genomen dat het bijzonder toezicht uitsluitend mag gericht zijn op het verleenen van hulp en steun aan den veroordeelde. Artikel21 De duur der hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste een jaar. Zij kan voor ten hoogste een jaar en vier maanden worden opgelegd in de gevallen waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 46, de tijd van een jaar wordt overschreden. Zij kan in geen geval de tijd van een jaar en vier maanden te boven gaan. Artikel22 Artikel 14 is op de tot hechtenis veroordeelde van overeenkomstige toepassing. Artikel23 Hechtenis wordt in de regel in gemeenschap ondergaan. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, vergund worden de hechtenis in afzondering te ondergaan. Artikel24 Een tot hechtenis veroordeelde is verplicht tot het verrichten van de hem opgedragen arbeid, overeenkomstig de voorschriften ter uitvoering van artikel 26 gegeven. Artikel25 De duur der tijdelijke gevangenisstraf en der hechtenis wordt in de rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken, maanden en jaren, niet in gedeelten daarvan. Artikel26 De indeling en het beheer van, het toezicht op en het regime in de gevangenissen en huizen van bewaring, de arbeid, de bestemming van de opbrengst van de arbeid, de geestelijke, culturele en sociale verzorging, en de tucht, worden, naar beginselen bij landsverordening te stellen, geregeld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Artikel27 Het bedrag der geldboete is ten minste vijftig cents en voor een persoon, die tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg den leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, ten hoogste vijfhonderd gulden, behoudens het geval dat artikel 41septies, laatste lid, wordt toegepast. De geldboete moet worden betaald binnen den termijn door den ambtenaar in wiens naam de tenuitvoerlegging van het vonnis geschiedt, te stellen. Bij gebreke van volledige betaling binnen deze termijn wordt de niet betaalde boete of het niet betaalde deel van de boete, indien de omstandigheden zulks toelaten, op de goederen en inkomsten van de veroordeelde verhaald. Voor zover ook het verhaal achterwege blijft, wordt de noch betaalde, noch verhaalde boete of het noch betaalde, noch verhaalde gedeelte daarvan vervangen door hechtenis, en ten aanzien van een persoon als bedoeld in het eerste lid, door terbeschikkingstelling van de Regering. De duur der vervangende hechtenis is ten minste één dag en ten hoogste één jaar; die van de vervangende voorziening in de opvoeding ten minste eene week en ten hoogste eene maand. De maxima, in het voorgaande lid genoemd, mogen met een derde worden overschreden in de gevallen, waarin wegens samenloop, herhaling of het bepaalde bij artikel 46 het maximum van de geldboete wordt verhoogd. Voor het geval, dat de geldboete in haar geheel moet worden vervangen door hechtenis of voorziening in de opvoeding, wordt de duur daarvan in de rechterlijke uitspraak bepaald. De duur wordt in geheele dagen, weken of maanden vastgesteld. Afgezien van het minimum van eene week voor vervangende voorziening in de opvoeding mag niet meer dan een dag voor elken vijfentwintig gulden van de geldboete worden opgelegd. Moet een gedeelte van de boete door hechtenis of voorziening in de opvoeding worden vervangen, zoo vermindert, behoudens de minima genoemd in het vijfde lid, de duur van de vervangende hechtenis of voorziening in de opvoeding naar evenredigheid. Een gedeelte van een dag wordt als een geheele dag ten uitvoer gelegd. De veroordeelde is ook nog na afloop van den termijn, bedoeld in het tweede lid, bevoegd door betaling van een verhoogd bedrag verbaal [bedoeld zal zijn: verhaal] op zijn goederen en inkomsten, tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis of voorziening in de opvoeding te voorkomen of, zijn zij reeds aangevangen, te stuiten. Dit verhoogd bedrag is gelijk aan het bij afloop van den termijn nog verschuldigde bedrag, vermeerderd met een tiende doch ten minste met een gulden. Betaling van een deel van het verhoogd bedrag vermindert het te verhalen of door hechtenis of voorziening in de opvoeding te vervangen bedrag naar evenredigheid. Artikel27a 1.Bij de rechterlijke uitspraak waarbij een natuurlijk persoon de verplichting is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan het Land ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, beveelt de rechter voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast, met dien verstande dat vervangende hechtenis op grond van dit artikel op te leggen op ten hoogste zes jaren kan worden bepaald. 2.De duur van deze vervangende hechtenis wordt niet verminderd door het voldoen van slechts een gedeelte van het verschuldigde bedrag. Artikel27b Op de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis is het bepaalde in artikel 18 niet van toepassing. Artikel28 In geval van schuldigverklaring aan een strafbaar feit, ter zake waarvan de rechter, bij toepassing van vrijheidsstraf, als hoofdstraf gevangenisstraf van niet meer dan twee jaren of hechtenis zou hebben opgelegd, kan hij: indien op het feit niet tevens geldboete is gesteld, niettemin geldboete opleggen; indien op het feit tevens geldboete is gesteld, doch oplegging ook van het maximum der geldboete niet voldoende zou zijn, eene hoogere geldboete opleggen. De ingevolge het eerste lid op te leggen boete bedraagt ten hoogste vijftien duizend gulden bij feiten, waarop gevangenisstraf van niet meer dan een jaar of hechtenis is gesteld en ten hoogste dertigduizend gulden bij feiten, waarop gevangenisstraf van meer dan een jaar is gesteld. Het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten toepassing, indien op het feit gevangenisstraf van meer dan zes jaren is gesteld. Artikel29 Bevindt de veroordeelde, die hechtenis moet ondergaan, zich in een gesticht uitsluitend bestemd tot de uitvoering van gevangenisstraf, dan kan op zijn verzoek de hechtenis terstond na het eindigen der gevangenisstraf in dat gesticht worden ondergaan, zonder daardoor van aard te veranderen. Artikel30 De gevangenisstraf en de hechtenis gaan in op den dag der tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak, voor zooveel elke dezer straffen betreft. Artikel31 1.Bij de rechterlijke uitspraak wordt bepaald dat de tijd, door den veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van die uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands-Antilliaans verzoek om uitlevering doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of geldboete geheel of gedeeltelijk in mindering zal worden gebracht, wat de geldboete betreft volgens de maatstaf in de uitspraak te bepalen. De bepaling van dit artikel is ook toepasselijk ingeval, bij gelijktijdige vervolging wegens meerdere feiten, de veroordeeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit dan waarvoor de verzekering of de voorlopige hechtenis is bevolen. Artikel31bis De straf van berisping bestaat in eene vermanende toespraak tot den veroordeelde, in verband met het gepleegde feit. Artikel32 1.De rechten waarvan de schuldige, in de bij dit Wetboek of bij eene andere algemeene verordening bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn: het bekleeden van ambten of van bepaalde ambten; het dienen bij de gewapende macht; het kiezen en de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen; het zijn van raadsman of gerechtelijk bewindvoerder; de uitoefening van bepaalde beroepen. 2.Ontzetting van voor hun leven aangestelde leden der rechtelijke macht of andere ambtenaren geschiedt, ten opzichte van het ambt waartoe zij aldus zijn aangesteld, alleen in de gevallen en op de wijze bij de algemeene verordening bepaald. 3.Onverminderd bijzondere bepalingen kan bij veroordeling wegens een terroristisch misdrijf de ontzetting van de in het eerste lid vermelde rechten worden uitgesproken. Artikel33 Ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden en bij de gewapende macht te dienen kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeeling wegens eenig ambtsmisdrijf of wegens eenig misdrijf waardoor de schuldige een bijzonderen ambtsplicht schond of waarbij hij gebruik maakte van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken. Artikel34 Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter den duur als volgt: bij veroordeeling tot de doodstraf of tot levenslange gevangenisstraf, voor het leven; bij veroordeeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis, voor een tijd den duur der hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren* te boven gaande; bij veroordeeling tot geldboete voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren. De straf gaat in op den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd. Artikel35 1.Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn: voorwerpen, die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen; voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan; voorwerpen met behulp waarvan het feit is begaan of voorbereid; voorwerpen met behulp waarvan de opsporing van het misdrijf is belemmerd; voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd; zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de in onderdelen a tot en met e bedoelde voorwerpen. 2.Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd verklaard worden, indien: degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming had kunnen vermoeden, of niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren. 3.Rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard, indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met de verkrijging van de voorwerpen waarop of ten aanzien waarvan deze rechten bestaan, door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden. 4.Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. Artikel35a In de verbeurdverklaring van een voorwerp is begrepen die van de verpakking waarin het zich bevindt, tenzij de rechter het tegendeel bepaalt. Artikel35b 1.Bij de verbeurdverklaring van voorwerpen kan de rechter voor het geval waarin de verbeurd verklaarde voorwerpen meer zouden opbrengen dan een in de uitspraak vastgesteld bedrag, bevelen dat het verschil wordt vergoed. 2.De rechter kent een vergoeding als bedoeld in het eerste lid, of een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de veroordeelde of een ander aan wie de verbeurd verklaarde voorwerpen toebehoren, onevenredig zou worden getroffen. 3.De rechter bepaalt aan wie het bedrag van de vergoeding of tegemoetkoming wordt uitbetaald; zulks laat ieders recht op dit bedrag onverlet. Artikel36 1.Niet in beslag genomen voorwerpen worden, bij verbeurdverklaring, in de uitspraak op een bepaald geldelijk bedrag geschat. 2.In dit geval moeten de voorwerpen worden uitgeleverd of moet de geschatte waarde worden betaald. 3.Artikel 27, derde tot en met vijfde en zevende tot en met negende lid, is voor zover nodig van overeenkomstige toepassing. Artikel36a Bij in- of vervoer van goederen in strijd met de belastingverordening door een persoon beneden den leeftijd van achttien jaren kan de rechter, ook indien op den schuldige artikel 40 wordt toegepast, op vordering van den met de vervolging belasten ambtenaar de verbeurdverklaring van de aangehaalde goederen uitspreken. Artikel36b [nog niet in werking getreden] In de bij algemene verordening bepaalde gevallen kan de rechter gelasten, dat de veroordeelde in een landswerkinrichting wordt geplaatst voor tenminste drie maanden en ten hoogste drie jaren. De bepalingen der artikelen 17, 18 tot en met 20, 25 en 26 vinden ten aanzien van de straf van plaatsing in een landswerkinrichting overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat plaatsingen in een landswerkinrichting als achtereenvolgens worden aangemerkt indien zij alleen door hechtenis worden onderbroken. Indien als hoofdstraf vrijheidsstraf is opgelegd, gaat de bijkomende straf in op de dag, waarop de hoofdstraf eindigt. Artikel37 Alle kosten van gevangenisstraf en hechtenis en plaatsing in een landswerkinrichting komen ten laste, alle opbrengst van geldboeten en verbeurdverklaringen ten bate van ‘s Lands kas. Artikel38 In de gevallen waarin de rechter krachtens eene algemeene verordening de openbaarmaking zijner uitspraak gelast, bepaalt hij tevens de wijze waarop aan dien last op kosten van den veroordeelde uitvoering wordt gegeven. TITELIIAOnttrekking aan het verkeer en ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel Artikel38a Alle kosten van tenuitvoerlegging van de in deze titel bedoelde maatregelen - met uitzondering van de kosten van het verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen - komen ten laste, al hetgeen door die tenuitvoerlegging wordt verkregen komt ten bate van het Land. Artikel38b 1.Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden uitgesproken: bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld; bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan; bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van de officier van justitie. 2.De artikelen 35a en 35b, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.De artikelen 442, 443 en 444, eerste lid, van het wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. 4.De maatregel van onttrekking aan het verkeer kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd. Artikel38c Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen: die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen; met betrekking tot welke het feit is begaan; met behulp waarvan het feit is begaan of voorbereid; met behulp waarvan de opsporing van het feit is belemmerd; die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd; een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Artikel38d Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan. Artikel38e 1.Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan het Land ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 2.De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan. 3.Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan het Land ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. 4.De rechter stelt het bedrag vast waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Onder voordeel is de besparing van kosten begrepen. De waarde van de voorwerpen die door de rechter tot het wederrechtelijk verkregen voordeel worden gerekend, wordt geschat op het voordeel dat degene tegen wie de vordering, bedoeld in het eerste en derde lid, is ingesteld, daarmee, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, heeft behaald. De rechter kan het te bepalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel. 5.Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. 6.Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. 7.Bij de oplegging van de maatregel wordt rekening gehouden met uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel. TITELIIIUitsluiting, vermindering en verhooging der strafbaarheid Artikel39 [het derde lid is nog niet in werking getreden] Niet strafbaar is hij die een feit begaat dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner geestvermogens niet kan worden toegerekend. Blijkt dat het begane feit hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner geestvermogens niet kan worden toegerekend, dan kan de rechter gelasten dat hij in een krankzinnigengesticht worde geplaatst gedurende een proeftijd, den termijn van een jaar niet te boven gaande. Valt het feit in de bepaling van een misdrijf of van een der overtredingen omschreven in artikel 442, tweede lid, 451, 452 en 474, derde en vierde lid, van het Derde Boek, dan kan de rechter, ook bij toepassing van het tweede lid, bevelen dat hij ter beschikking van de Regering zal worden gesteld ten einde vanwege de Regering te worden verpleegd, doch alleen indien het belang der openbare orde dat bepaaldelijk vordert. Artikel39a [nog niet in werking getreden] Bij strafrechtelijke vervolging van een persoon bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing der geestvermogens bestond, zonder dat artikel 39, eerste lid, wordt toegepast, doet de rechter recht met inachtneming van de bepaling van de voorgaande Titel. De rechter kan, bij toepassing van het voorgaande lid, bovendien recht doen overeenkomstig de bepaling van artikel 39, derde lid. Artikel39b[nog niet in werking getreden] De terbeschikkingstelling bedoeld bij artikel 39, derde lid, geldt, behoudens vroegere beëindiging vanwege de Regering, voor de tijd van twee jaren. Die termijn gaat in onmiddellijk nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, dan wel, in geval van voorwaardelijke terbeschikkingstelling, last tot tenuitvoerlegging is gegeven en kan, naar regelen bij landsverordening te stellen, bij rechterlijk bevel telkens hetzij voor een jaar, hetzij voor twee jaren worden verlengd. De termijn van terbeschikkingstelling loopt niet gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde in verzekerde bewaring is. Hij te wiens aanzien verlenging is gevorderd, blijft, totdat de rechterlijke uitspraak dienaangaande is gegeven, ter beschikking van de Regering. Artikel39c [nog niet in werking getreden] Bepalingen tot regeling van de wijze der verpleging bedoeld in artikel 39, derde lid, en omtrent het voorwaardelijk of onvoorwaardelijk eindigen daarvan worden, naar beginselen bij landsverordening te stellen, vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Artikel39d[nog niet in werking getreden] In geval van terbeschikkingstelling bedoeld bij artikel 39, derde lid, kan de rechter daarbij tevens het bevel geven, dat de terbeschikkingstelling niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij hij later anders mocht gelasten op grond dat de ter beschikking van de Regering gestelde persoon zich vóór het einde van een bij het bevel te bepalen proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die tijd hetzij een bijzondere voorwaarde welke bij het bevel mocht zijn gesteld, niet heeft nageleefd, hetzij onvoorwaardelijk verpleging van de Regering is gebleken te behoeven. De artikelen 17b - 17k zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande: dat de rechter, indien hij bijzondere voorwaarden stelt, steeds tevens een opdracht tot het verlenen van bijstand als bedoeld bij artikel 17d, geeft, tenzij artikel 41decies mede is toegepast; dat het verlenen van bijstand behalve aan bijzondere ambtenaren zal kunnen worden opgedragen aan de in de Nederlandse Antillen gevestigde rechtspersonen of natuurlijke personen, die aan de eisen en voorwaarden, nader bij landsbesluit houdende algemene maatregelen te stellen, voldoen; dat de last tot tenuitvoerlegging op grond dat de voorwaardelijk ter beschikking van de Regering gestelde persoon onvoorwaardelijk verpleging vanwege de Regering is gebleken te behoeven, wordt gegeven met overeenkomstige toepassing van de bepalingen geldende met betrekking tot de tenuitvoerlegging op grond van het niet naleven van een bijzondere voorwaarde. Artikel40 Bij strafrechtelijke vervolging van een minderjarigen persoon wegens een feit, begaan voordat hij den leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, kan de rechter bevelen dat de schuldige aan zijne ouders of zijn voogd zal worden teruggegeven, zonder toepassing van eenige straf. Artikel41 Bij strafrechtelijke vervolging van eene persoon die tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg den leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, wegens een feit, vallende in de bepaling van een misdrijf, kan de rechter bevelen dat de schuldige ter beschikking van de Regering zal worden gesteld, zonder toepassing van eenige straf, behoudens het bepaalde bij artikel 41ter, eerste lid. Bij strafrechtelijke vervolging van een persoon die op voormeld tijdstip de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt, wegens het feit, vallende in de bepaling van een der overtredingen, omschreven in de artikelen 439, 440, 442, 446 - 452, 459, 460, 466, 469, 470, 474 en 477, en begaan nadat hij gedurende de laatste twee jaren tweemalen onherroepelijk werd schuldig verklaard aan een dezer overtredingen of aan enig misdrijf, kan de rechter bevelen als in het vorig lid is bepaald, zonder toepassing van enige straf. In dezelfde zin en zonder toepassing van enige straf kan de rechter bevelen bij strafrechtelijke vervolging van een persoon die op vermeld tijdstip de leeftijd van veertien doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, wegens een feit, vallende in de bepaling van een der overtredingen, omschreven in de in het vorige lid genoemde artikelen, indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere schuldigverklaring van dezelfde persoon aan een dezer overtredingen of aan enig misdrijf onherroepelijk is geworden. Artikel41bis[het tweede, derde, vierde en vijfde lid zijn nog niet in werking getreden] Indien de rechter heeft bevolen, dat de schuldige ter beschikking van de Regering zal worden gesteld, wordt hij hetzij in een opvoedingsgesticht geplaatst, ten einde aldaar, of later op andere wijze, in zijne opvoeding worde voorzien, hetzij ter opvoeding toevertrouwd aan eene in de Nederlandse Antillen gevestigde vereniging of stichtingen, wier statuten, stichtingsbrieven of reglementen duurzame verzorging van jeugdige personen in of buiten gestichten voorschrijven, teneinde door haar, of later op andere wijze, in zijne opvoeding worde voorzien, in het eene en het andere geval uiterlijk tot hij den leeftijd van een en twintig jaren zal hebben bereikt. Deze terbeschikkingstelling geldt, behoudens vroegere beëindiging van Regeringswege, voor de tijd van een jaar en zes maanden, met dien verstande evenwel dat zij in ieder geval eindigt zodra de ter beschikking gestelde de leeftijd van eenentwintig jaren zal hebben bereikt. Die termijn gaat in onmiddellijk nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, dan wel, in geval van voorwaardelijke terbeschikkingstelling, last tot tenuitvoerlegging is gegeven. De termijn van terbeschikkingstelling loopt niet gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde in verzekerde bewaring is. Hij te wiens aanzien verlenging is gevorderd, blijft, totdat de rechterlijke uitspraak dienaangaande is gegeven, ter beschikking van de Regering. Bepalingen ter uitvoering van het eerste lid van dit artikel en omtrent het voorwaardelijk of onvoorwaardelijk eindigen van de voorziening in de opvoeding worden, naar beginselen bij algemeene verordening te stellen, vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Artikel41aa [nog niet in werking getreden] Ten hoogste twee maanden en ten minste een maand vóór het verstrijken van de termijn, gedurende welke een persoon overeenkomstig de bepaling van artikel 41a [bedoeld zal zijn: artikel 41bis] ter beschikking van de Regering is, kan het openbaar ministerie bij het gerecht, dat de terbeschikkingstelling heeft bevolen, bij dat gerecht een vordering indienen tot verlenging van die termijn met ten hoogste een jaar. Bij de vordering worden overgelegd: een afschrift der aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de ter beschikking gestelde, en een uiterlijk veertien dagen vóór het indienen der vordering opgemaakte, ondertekende en met redenen omklede verklaring van iemand, bevoegd in de Nederlandse Antillen de geneeskunde uit te oefenen, bij voorkeur van de geneeskundige, die de in gestichts- of gezinsverpleging opgenomen ter beschikking gestelde behandelt, omtrent de wenselijkheid dier verlenging. Artikel41ab [nog niet in werking getreden] Hangende het onderzoek inzake die verlenging hoort de rechter, zo mogelijk, de ter beschikking gestelde. Hij kan daartoe, op de wijze en tegen de dagen door hem te bepalen, de ter beschikking gestelde, zo vaak hij zulks nodig oordeelt, doen oproepen en kan daarbij bevelen dat deze ten bepaalden dage door een deurwaarder of dienaar der openbare macht naar de plaats van verhoor zal worden gebracht. De rechter kan nader bewijs door getuigen of andere middelen gelasten. De getuigen worden opgeroepen door het openbaar ministerie. Zij zijn verplicht te verschijnen. De getuigen kunnen worden gehoord onder ede of belofte, af te leggen overeenkomstig de bepalingen in strafzaken voorgeschreven. De deskundigen leggen in handen van de rechter op gelijke wijze de eed of de belofte a, dat zij hem verslag naar hun geweten zullen geven. Van de verhoren wordt proces-verbaal opgemaakt. Zij worden in raadkamer gehouden. Bij elk gehoor kan het openbaar ministerie, zomede de advocaat van de ter beschikking gestelde, tegenwoordig zijn. Artikel41ac [nog niet in werking getreden] De rechter geeft zijn beschikking inzake de al of niet verlenging binnen twee maanden nadat de vordering, bedoeld bij artikel 41aa is ingediend en nadat het openbaar ministerie is gehoord. De beschikking wordt niet in het openbaar uitgesproken en is niet aan enig beroep onderworpen. De beschikking wordt aan de ter beschikking gestelde betekend op de wijze voorgeschreven bij de artikelen 497, eerste lid, 498 en 643 van het wetboek van Strafvordering*. Artikel41bisa In geval van terbeschikkingstelling, bedoeld bij artikel 41, kan de rechter daarbij tevens het bevel geven, dat de terbeschikkingstelling niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij hij later anders mocht gelasten op grond dat de ter beschikking van de Regering gestelde persoon zich vóór het einde van een bij het bevel te bepalen proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd hetzij een bijzondere voorwaarde, welke bij het bevel mocht zijn gesteld, niet heeft nageleefd, hetzij is gebleken onvoorwaardelijk opvoeding vanwege de Regering te behoeven. De artikelen 17b - 17k zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande: dat de rechter, indien hij bijzondere voorwaarden stelt, steeds tevens een opdracht tot het verlenen van bijstand als bedoeld bij artikel 17d, geeft, tenzij artikel 41decies mede is toegepast; dat ten aanzien van de betekeningen, bedoeld in de artikelen 17e en 17i, laatste lid, de bepaling van artikelen 497, eerste lid, en 498 van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing vindt; dat, indien de minderjarige de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, alle verzoeken worden gedaan of gewijzigd en alle bevoegdheden worden uitgeoefend door degene, die het ouderlijk gezag uitoefent, of door de voogd, en zulks met uitsluiting van de minderjarige zelve; dat tot bijwoning van het onderzoek bedoeld in artikel 17i, derde lid, ook de ouders of de voogd van de minderjarige, onder betekening van de vordering of conclusie, worden opgeroepen; dat de last tot tenuitvoerlegging op grond dat de voorwaardelijk ter beschikking van de Regering gestelde persoon is gebleken onvoorwaardelijk opvoeding vanwege de Regering te behoeven, wordt gegeven met overeenkomstige toepassing van de bepalingen geldende met betrekking tot de tenuitvoerlegging op grond van het niet naleven van een bijzondere voorwaarde. Artikel41ter Bij het bevel, dat de schuldige aan een misdrijf, waarop als maximum eene gevangenisstraf van drie jaren of meer is gesteld, ter beschikking van de Regering zal worden gesteld, kan de rechter den schuldige tevens veroordeelen tot gevangenisstraf van ten hoogste de helft van het maximum op het misdrijf gesteld. Geldt het een misdrijf waarop de doodstraf of levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan kan gevangenisstraf worden opgelegd van ten hoogste vijftien jaren. De ingevolge dit artikel opgelegde gevangenisstraf wordt niet tenuitvoergelegd vóór den dag, waarop de voorziening in de opvoeding van den schuldige onvoorwaardelijk eindigt. Artikel41quater De tenuitvoerlegging van de ingevolge het vorige artikel opgelegde gevangenisstraf kan worden opgeschort bij een beschikking van de Minister van Justitie. Deze beschikking kan te allen tijde worden herroepen ingeval de veroordeelde zich slecht gedraagt of in strijd handelt met de in zijnen verlofpas uitgedrukte voorwaarden. De gevangenisstraf wordt geacht te zijn ondergaan door het verloop van haren duur sedert den dag van de beschikking tot opschorting van de tenuitvoerlegging en in elk geval op den dag, waarop de veroordeelde den leeftijd van vijf en twintig jaren heeft bereikt, tenzij inmiddels die beschikking is herroepen. Artikel41quinquies De aanhouding van de veroordeelde, te wiens aanzien een beschikking tot opschorting van de tenuitvoerlegging der hem opgelegde gevangenisstraf is genomen, kan, indien de veroordeelde handelt in strijd met de in zijn verlofpas uitgedrukte voorwaarden, in het belang der openbare orde worden bevolen door het plaatselijk hoofd van politie van het eilandgebied, alwaar de veroordeelde zich bevindt, onder verplichting de Minister van Justitie daarvan onverwijld kennis te geven. Volgt daarna de herroeping dan wordt de uitvoering van de straf geacht te zijn aangevangen op den dag der aanhouding. Artikel41sexies Het formulier van den verlofpas en de verdere voorschriften ter uitvoering van de artikelen 41quater en 41quinquies worden vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Artikel41septies Bij niet-toepassing van artikel 40 of artikel 41 wordt de persoon schuldig aan een feit, vallende in de bepaling van een misdrijf, gestraft, indien hij tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg den leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt, met geldboete of met berisping, en indien hij op dat tijdstip den leeftijd van achttien jaren niet, doch dien van veertien jaren wel heeft bereikt, met geldboete. Bij niet-toepassing van artikel 40 of artikel 41 wordt de persoon die tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg den leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, schuldig aan een feit, vallende in de bepaling van eene overtreding, gestraft met berisping. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert een vroegere schuldigverklaring van denzelfden persoon aan eenig strafbaar feit onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van berisping, geldboete worden opgelegd. De in artikel 9b 1° en 3° vermelde bijkomende straffen worden niet opgelegd, indien de schuldige tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg den leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt. Ten opzichte van personen, die den leeftijd van zestien jaren wel, doch dien van achttien jaren nog niet hebben bereikt, kan de rechter de voorafgaande bepalingen van dit artikel buiten toepassing laten en recht doen naar de bepalingen ten aanzien van personen boven den leeftijd van achttien jaren geldende. Artikel41octies Indien de straf van berisping wordt opgelegd kan de rechter een termijn bepalen van tenminste één jaar en ten hoogste twee jaren als proeftijd, welke voor den schuldige ingaat onmiddellijk nadat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Indien geene andere hoofdstraf dan die van berisping toepasselijk is, doch de rechter geen termen vindt deze op te leggen òf artikel 40 òf artikel 41 toe te passen, bepaalt hij een termijn van ten minste één jaar en ten hoogste twee jaren als proeftijd, welke voor den schuldige ingaat onmiddellijk nadat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Bij het bepalen van zoodanigen proeftijd stelt de rechter den schuldige ter beschikking van de Regering. De tenuitvoerlegging van dit bevel geschiedt alleen indien de veroordeelde opnieuw aan eenig strafbaar feit onherroepelijk mocht zijn schuldig verklaard. Alsdan geschiedt de tenuitvoerlegging van het bevel zoodra mogelijk, behoudens de bevoegdheid van den rechter de opschorting te bevelen, indien het strafbaar feit, waaraan de veroordeelde zich opnieuw heeft schuldig gemaakt, niet valt in de bepaling van een misdrijf. Artikel41novies De voorziening vanwege de Regering ingevolge het vorige artikel wordt geacht geheel te zijn vervallen indien vóór de tenuitvoerlegging van het bevel de proeftijd is verstreken. Met de tenuitvoerlegging van het bevel eindigt de proeftijd. De proeftijd loopt niet of wordt geacht niet te hebben geloopen gedurende den tijd dat de schuldigverklaarde ter zake van een opnieuw gepleegd strafbaar feit wordt vervolgd en de rechterlijke uitspraak deswege nog niet onherroepelijk is geworden indien de beklaagde bij deze onherroepelijke uitspraak is schuldig verklaard. Artikel41decies Bij strafrechtelijke vervolging van een persoon wegens een feit vallende in de bepaling van een misdrijf of van een der overtredingen bedoeld in de artikelen 451 en 452, kan de rechter, indien het gehouden onderzoek daartoe aanleiding geeft, de schuldige bij zijn uitspraak voor een termijn van ten hoogste één jaar onder toezicht stellen op de in artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek omschreven grond. Zo spoedig mogelijk nadat de uitspraak, houdende de ondertoezichtstelling, onherroepelijk is geworden, doet het openbaar ministerie daarvan mededeling aan de rechter in het gerecht in eerste aanleg, bevoegd was overeenkomstig artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, die alsdan, zo mogelijk na overleg met degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent, onverwijld een gezinsvoogd aanwijst, als bedoeld bij artikel 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Van deze aanwijzing wordt onverwijld bij exploit aan de ouder of voogd kennis gegeven, met de mededeling, dat hij zich bij de opvoeding van het kind naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd heeft te gedragen, behoudens beroep op de rechter in het gerecht in eerste aanleg. De bepalingen betreffende de ondertoezichtstelling, voorkomende in de artikelen 255, tweede en derde lid, 256, 258 - 265 en 326 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en in de artikelen 798 - 813 in verbinding met de artikelen 429a - 429t van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zijn ten deze van toepassing, met dien verstande dat voor de berekening van de duur der ondertoezichtstelling deze geacht wordt aan te vangen op de dag der aanwijzing van de gezinsvoogd. Artikel42 Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen. Artikel43 1.Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen oogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. 2.De verdediging, bedoeld in het eerste lid, wordt voorondersteld noodzakelijk te zijn, behoudens voor zover het tegendeel blijkt, indien de aanrander ten tijde van of direct voorafgaand aan de aanranding het misdrijf van artikel 144 begaat of heeft begaan, met dien verstande dat het in dat artikel bedoelde ‘erf’ hier dient te worden begrepen als de onmiddellijke nabijheid van de woning. 3.Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van eene hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Artikel44 Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. Artikel45 Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegde gezag. Een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel heft de strafbaarheid niet op, tenzij het door den ondergeschikte te goeder trouw als bevoegd gegeven werd beschouwd en de nakoming daarvan binnen den kring zijner ondergeschiktheid was gelegen. Artikel46 Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzonderen ambtsplicht schendt of bij het begaan van het strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, kan de straf met een derde worden verhoogd. Artikel46bis [vervallen] TITELIVPoging en voorbereiding Artikel47 1.Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. 2.Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd. 3.Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vier en twintig jaren. 4.De bijkomende straffen zijn voor poging dezelfde als voor het voltooide misdrijf. Artikel48 Poging tot overtreding is niet strafbaar. Artikel48a 1.Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft. 2.In geval van terroristische misdrijven wordt onder voorbereiding tevens begrepen de financiering dan wel poging tot financiering van die misdrijven. 3.Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld, wordt bij voorbereiding met de helft verminderd. 4.Artikel 47, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 5.Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. Artikel48b Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk. TITELVDeelneming aan strafbare feiten Artikel49 Als dader van een strafbaar feit worden gestraft: zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen; zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken. Ten aanzien der laatsten komen alleen die handelingen in aanmerking, die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hare gevolgen. Artikel50 Als medeplichtigen aan een misdrijf worden gestraft: zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf; zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf. Artikel51 Het maximum der hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij medeplichtigheid met een derde verminderd. Geldt het een misdrijf waarop de doodstraf of een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vier en twintig jaren. De hoofdstraf van berisping en de bijkomende straffen zijn voor medeplichtigheid dezelfde als voor het misdrijf zelf. Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hare gevolgen. Artikel52 De persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten, verminderd of verhoogd wordt, komen bij de toepassing der strafwet alleen in aanmerking ten aanzien van dien dader of medeplichtige wien zij persoonlijk betreffen. Artikel53 1.Strafbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. 2.Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in algemene verordeningen voorziene straffen maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken: tegen die rechtspersoon dan wel tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel tegen de in de onderdelen a en b genoemden tezamen. 3.Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, enige andere vereniging van personen, en het doelvermogen. Artikel54 Medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar. Artikel55 Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de uitgever als zoodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de dader bekend is of op de eerste aanmaning na den rechtsingang door den uitgever is bekend gemaakt. Deze bepaling is niet toepasselijk indien de dader op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten de Nederlandse Antillen gevestigd was. Artikel56 Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de drukker als zoodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de persoon op wiens last het stuk is gedrukt, bekend is of op de eerste aanmaning na den rechtsingang door den drukker is bekend gemaakt. Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de persoon, op wiens last het stuk is gedrukt, op het tijdstip van het drukken strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten de Nederlandse Antillen gevestigd was. TITELVISamenloop van strafbare feiten Artikel57 Valt een feit in meer dan ééne strafbepaling, dan wordt slechts ééne dier bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Indien voor een feit dat in eene algemeene strafbepaling valt, eene bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking. Artikel58 Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zichzelf misdrijf of overtreding opleverende, in zoodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als ééne voortgezette handeling, dan wordt slechts ééne strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Insgelijks wordt slechts ééne strafbepaling toegepast bij schuldigverklaring aan valschheid of muntschennis en aan het gebruik maken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid of muntschennis gepleegd is. Artikel59 Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf uitgesproken. Het maximum dezer straf is het vereenigd bedrag van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch niet hooger dan een derde boven het zwaarste maximum. Artikel60 Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren, waarop ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt elk dier straffen uitgesproken, doch mogen deze te zamen in duur de langstdurende met niet meer dan een derde overtreffen. Geldboeten worden daarbij berekend naar den duur van het maximum der bedreigde vervangende hechtenis. Artikel61 Bij veroordeeling tot de doodstraf of tot levenslange gevangenisstraf kunnen daarnevens geene andere straffen worden opgelegd dan ontzetting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen en openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Artikel62 In de gevallen der artikelen 59 en 60 gelden ten aanzien van bijkomende straffen de volgende bepalingen: de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden opgelost in ééne straf, in duur de opgelegde hoofdstraf of hoofdstraffen ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande, of ingeval geene andere hoofdstraf dan geldboete is opgelegd, in ééne straf van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren; de straffen van ontzetting van verschillende rechten worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd; de straffen van verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd; de vervangende straffen van hechtenis of voorzieningen in de opvoeding mogen gezamenlijk de maxima, bepaald in het vijfde lid van artikel 27, met niet meer dan een derde te boven gaan. Artikel63 De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door de volgorde van artikel 9. Waar den rechter de keuze tussen twee hoofdstraffen is gelaten, komt bij de vergelijking alleen de zwaarste dier straffen in aanmerking. De betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door het maximum. De betrekkelijke duur zoowel van ongelijksoortige als van gelijksoortige hoofdstraffen wordt eveneens bepaald door het maximum. Artikel64 Bij samenloop op de wijze in de artikelen 59 en 60 bedoeld hetzij van overtredingen met misdrijven, hetzij van overtredingen onderling, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd. De vervangende straffen van hechtenis of voorzieningen in de opvoeding mogen voor de misdrijven en overtredingen of voor de overtredingen gezamenlijk de maxima, bepaald in het vijfde lid van artikel 27, met niet meer dan een derde te boven gaan. De straffen van hechtenis, opgelegd als hoofdstraf, mogen voor de overtreding gezamenlijk den tijd van acht maanden niet te boven gaan. Artikel65 Indien iemand, na veroordeeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeeling gepleegd, wordt de vroegere straf in rekening gebracht, met toepassing der bepalingen van deze titel voor het geval van gelijktijdige berechting. Indien echter de doodstraf of levenslange gevangenisstraf op dit misdrijf is gesteld, zal die straf worden opgelegd, welke straf ook vroeger mocht zijn opgelegd. TITELVIIIndiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen op klachte vervolgbaar Artikel66 Indien een misdrijf dat alleen op klachte vervolgbaar is, gepleegd is tegen iemand die den leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt of die anders dan wegens verkwisting onder curateele gesteld is, geschiedt de klachte door zijn wettigen vertegenwoordiger in burgerlijke zaken. Is deze de persoon tegen wien de klachte moest geschieden, dan kan de vervolging plaats hebben op klachte van een bijzondere curator, van de echtgenoote, van een bloedverwant in de rechte linie of, bij gebreke van deze, op klachte van een bloedverwant in de zijlinie tot den derden graad ingesloten. Artikel67 Indien hij tegen wien het misdrijf is gepleegd, binnen den in het volgende artikel gestelden termijn overlijdt, kan, zonder verlenging van dien termijn, de vervolging geschieden op klachte van de ouders, van de kinderen of van den overlevenden echtgenoot, ten ware blijken mocht dat de overledene een vervolging niet gewild heeft. Artikel68 De klachte kan slechts worden ingediend gedurende drie maanden nadat de tot klachte gerechtigde kennis heeft bekomen van het gepleegde feit indien hij binnen de Nederlandse Antillen, of gedurende negen maanden nadat hij daarvan kennis heeft bekomen, indien hij buiten de Nederlandse Antillen verblijft houdt. Artikel69 Hij die de klachte indient, blijft gedurende eene maand na dan dag der indiening bevoegd haar in te trekken. TITELVIIIVerval van het recht tot strafvordering en van de straf Artikel70 Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens het feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in de Nederlandse Antillen, in Nederland of Aruba, onherroepelijk is beslist. Is het gewijsde afkomstig van een anderen rechter, dan heeft tegen denzelfden persoon wegens hetzelfde feit geene vervolging plaats in geval van: vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging; veroordeeling, gevolgd door geheele uitvoering, gratie of verjaring der straf. Artikel71 Het recht tot strafvordering vervalt door den dood van den verdachte. Artikel72 Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring: in twee jaren voor alle overtredingen; in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld; in twaalf jaren voor alle misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld; in achttien jaren voor alle misdrijven waarop de doodstraf of levenslange gevangenisstraf is gesteld. Ten aanzien van een persoon, die vóór het begaan van het feit dan leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, wordt elke der boven vermelde verjaringstermijn tot een derde van de daar bepaalde duur ingekort. Artikel73 De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop het feit is gepleegd, behoudens in de volgende gevallen: bij valschheid of muntschennis vangt de termijn aan op den dag na dien, waarop gebruik is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid of muntschennis gepleegd is; bij de misdrijven omschreven in de artikelen 291, 292 en 295, op den dag na dien der bevrijding, of van den dood van hem, tegen wien onmiddellijk het misdrijf gepleegd is; bij overtredingen omschreven in de artikelen 489, 490 en 491, op den dag na dien waarop de dubbelen of afschriften van de akten, waaruit zoodanige overtreding blijkt, zijn overgebracht naar de centrale bewaarplaats. Artikel74 1.Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad den vervolgde bekend of hem op de bij wettelijk voorschrift voor gerechtelijke akten bepaalde wijze beteekend zij. 2.Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Artikel75 De schorsing der strafvervolging ter zake van een praejudicieel geschil schorst de verjaring. Artikel76 Het recht tot strafvordering wegens overtredingen, waarop geldboete, hetzij als eenige hoofdstraf, hetzij nevens hechtenis is gesteld, vervalt door vrijwillige voldoening aan de voorwaarde welke de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie op vóór den aanvang der terechtzitting in te dienen verzoek van den verdachte of beklaagde ter voorkoming van de strafvervolging mocht hebben gesteld. Deze voorwaarde bestaat in: de betaling, binnen een door den ambtenaar te bepalen termijn en op eene door dezen aan te wijzen plaats, van eene bepaalde geldsom, met of zonder uitlevering van aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen of voldoening der geschatte waarde of afstand van reeds inbeslaggenomen voorwerpen. Zoodanige uitlevering, voldoening of afstand wordt steeds in de voorwaarde opgenomen, indien ter zake van het feit verbeurdverklaring zou moeten volgen. Bedoelde termijn kan vóór den afloop daarvan eenmaal worden verlengd. De te betalen geldsom bedraagt ten minste vijftig cents en ten hoogste het maximum der boete op het feit gesteld. Is op de overtreding geene andere hoofdstraf gesteld dan geldboete en biedt de verdachte of beklaagde aan, binnen den door den ambtenaar van het openbaar ministerie te bepalen termijn het maximum der boete te betalen en de aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen uit te leveren of af te staan of hunne geschatte waarde te voldoen, dan zal die ambtenaar het stellen van een daartoe strekkende voorwaarde niet mogen weigeren. In de gevallen waarin de straf wordt verhoogd wegens herhaling, is die verhoging ook van toepassing, wanneer het recht tot strafvordering wegens de vroeger begane overtreding volgens het eerste lid is vervallen. Ten aanzien van de toepassing van de artikelen 17f en 17h wordt het vervallen volgens het eerste lid van het recht tot strafvordering met een onherroepelijke veroordeling gelijk gesteld. De bepalingen van dit artikel zijn mede van toepassing op een persoon die tijdens het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt. Te diens aanzien geldt, bij toepassing van het derde en vierde lid, in afwijking in zover van het daarin bepaalde, als maximum der boete een bedrag van negentig gulden. Het bepaalde bij het tweede en derde lid van artikel 41septies blijft ten deze buiten beschouwing. Artikel77 Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door den dood van den veroordeelde, met uitzondering van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Artikel78 Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door verjaring. De termijn dezer verjaring is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. In geen geval is de termijn korter dan de duur der opgelegde straf. Indien vóór de tenuitvoerlegging van de straf de veroordeelde, die tijdens zijne veroordeeling nog geen achttien jaren oud was, den leeftijd van een en twintig jaren heeft bereikt, vordert hij, die met deze tenuitvoerlegging is belast, dat de rechter die de straf heeft opgelegd, den duur zal bepalen der gevangenisstraf of hechtenis of het bedrag der boete, op het feit gesteld, welke straffen alsdan in de plaats treden der vroeger opgelegde. Deze bepaling is niet toepasselijk ten opzichte van de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf. Artikel79 1.De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd. 2.Bij ontvluchting van een veroordeelde uit het gesticht waarin hij zijne straf ondergaat, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op den dag na dien der ontvluchting. Bij herroeping eener voorwaardelijke invrijheidstelling vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op den dag na dien der herroeping. 3.De termijn loopt niet gedurende de bij algemene verordening bevolen schorsing der tenuitvoerlegging, noch gedurende den tijd dat de veroordeelde, zij het ook ter zake van eene andere veroordeeling, in verzekerde bewaring is. 4.Ten aanzien van een persoon, die zich aan de tenuitvoerlegging van het tegen hem uitgesproken bevel, bedoeld bij artikel 41ter, onttrekt, vangt de termijn van verjaring der hem tevens naar de bepalingen van dat artikel opgelegde gevangenisstraf aan op den dag na die waarop hij den leeftijd van een en twintig jaren bereikt. 5.De termijn loopt niet gedurende de tijd dat de tenuitvoerlegging aan een vreemde staat is overgedragen, zolang de minister van justitie van de autoriteiten van die staat geen mededeling, houdende een beslissing omtrent de overname van de tenuitvoerlegging, heeft ontvangen. 6.Indien, nadat de tenuitvoerlegging door een vreemde staat is overgenomen, die staat afstand doet van zijn recht tot tenuitvoerlegging ten behoeve van de Nederlandse Antillen, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op de dag waarop de minister van justitie de mededeling van de autoriteiten van die staat omtrent de afstand heeft ontvangen. Artikel79bis De voorziening in de opvoeding, ter vervanging van de uitlevering van verbeurdverklaarde voorwerpen, wordt niet uitgevoerd, wanneer de veroordeelde door van zijn wil onafhankelijke omstandigheden feitelijk verhinderd is de verbeurdverklaarde voorwerpen uit te leveren of het geldelijk bedrag, waarop zij bij de uitspraak geschat worden, te betalen. TITELIXBeteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen Artikel80 Waar van misdrijf in het algemeen of van eenig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan en poging tot dat misdrijf begrepen; voor zoover niet uit eenige bepaling het tegendeel volgt. Artikel81 Aanslag tot een feit bestaat, zoodra het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering, in den zin van artikel 47 heeft geopenbaard. Artikel82 Samenspanning bestaat zoodra twee of meer personen overeengekomen zijn om het misdrijf te plegen. Artikel82bis Onder omwenteling wordt verstaan het vernietigen of op onwettige wijze veranderen van den grondwettigen regeeringsvorm, de orde van troonopvolging of den wettigen regeeringsvorm van de Nederlandse Antillen. Artikel82b Onder verboden plaats wordt verstaan iedere plaats die als verboden plaats is aangewezen krachtens de landsverordening bescherming Staatsgeheimen. Artikel83 Met het plegen van geweld wordt gelijk gesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht. Artikel84 Onder zwaar lichamelijk letsel worden begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening zijner ambts- of beroepsbezigheden en afdrijving van de vrucht eener vrouw. Onder zwaar lichamelijk letsel wordt mede begrepen storing der verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft. Artikel84a Onder terroristisch misdrijf wordt verstaan: elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 97 tot en met 102, 114, tweede lid, 123, tweede lid, 124a, tweede lid, 129, 130, 163, onder 3°, 167c, onder 2º, 172, onder 3°, 174, onder 2°, 176, onder 3°, 180, tweede lid, 300 en 302, indien het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk; elk van de misdrijven waarop ingevolge de artikelen 122a, 122b, 128a, 128b, 182a, 182b, 295b, 302a, 318a, 318b, alsmede 430a en 430b gevangenisstraf is gesteld; elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 146a, 295a, 298, derde lid. Artikel84b Onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. Artikel85 Nederlander is hij, die deze staat bezit ingevolge de wettelijke regeling bedoeld in artikel 6 der Staatsregeling van de Nederlandse Antillen. Met den Nederlander of den ingezetene staat gelijk ieder ander wiens uitlevering bij algemeene verordening verboden is. Artikel86 Onder ambtenaren worden begrepen alle personen verkozen bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen. Onder ambtenaren en onder rechters worden begrepen scheidsrechters; onder rechters zij die administratieve rechtsmacht uitoefenen. Allen die tot de gewapende macht behooren, worden mede als ambtenaren beschouwd. Artikel86bis Onder koopman wordt verstaan ieder die een bedrijf uitoefent. Artikel87 1.Onder schipper wordt verstaan: de gezagvoerder van een Nederlands-Antilliaans schip of degene die deze vervangt, alsmede degene die de leiding heeft op een bij landsbesluit aangewezen installatie ter zee; 2.Onder opvarende wordt verstaan: degene, niet zijnde de schipper, die zich aan boord van een Nederlands-Antilliaans schip bevindt, ook indien hij buiten de Nederlandse Antillen het schip gedurende de reis tijdelijk verlaat alsmede degene, niet zijnde de schipper, die zich op een bij landsbesluit aangewezen installatie ter zee bevindt. 3.Onder schepeling wordt verstaan: degene die zich als scheepsofficier of scheepsgezel aan boord van een Nederlands-Antilliaans schip bevindt. 4.Vaartuigen in aanbouw noch schepen in aanbouw worden als vaartuigen of schepen aangemerkt. Artikel88 Onder Nederlands-Antilliaanse schepen worden alleen verstaan: die vaartuigen welke door de algemeene verordening betreffende de afgifte van zeebrieven in de Nederlandse Antillen als zeeschepen worden aangemerkt; de vaartuigen van het Land of van een der eilandgebieden welke buiten de tonnen in zee varen. Artikel89 Onder Nederlandse schepen worden alleen verstaan die vaartuigen welke door de wet betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag als zeeschepen worden aangemerkt. Artikel89 1.Onder Nederlands-Antilliaanse luchtvaartuigen worden verstaan: luchtvaartuigen die zijn ingeschreven in Nederlands-Antilliaanse luchtvaartregisters; luchtvaartuigen die zonder bemanning zijn verhuurd aan een huurder die de hoofdzetel van zijn bedrijf, of, indien de huurder niet een zodanige zetel heeft, zijn vaste verblijfplaats, binnen de Nederlandse Antillen heeft. 2.Een luchtvaartuig is in vlucht van het moment af waarop alle buitendeuren, na het instappen, zijn gesloten tot het moment waarop een van de deuren wordt geopend voor het uitstappen. In geval van een noodlanding wordt de vlucht geacht voort te duren totdat de bevoegde autoriteiten de verantwoordelijkheid voor het luchtvaartuig en voor de personen en goederen aan boord overnemen. Een luchtvaartuig is in bedrijf van het begin van het gereedmaken van dat luchtvaartuig voor een bepaalde vlucht door het grondpersoneel of door de bemanning tot het moment dat sedert de landing 24 uren verstreken zijn. De periode tijdens welke het luchtvaartuig in bedrijf is strekt zich in elk geval uit tot de gehele periode tijdens welke het luchtvaartuig in vlucht is, zoals omschreven in het tweede lid. Artikel90 Onder vijand worden begrepen opstandelingen. Onder oorlog wordt begrepen burgeroorlog. Onder tijd van oorlog wordt begrepen de tijd waarin oorlog dreigende is. Tijd van oorlog wordt mede geacht te bestaan zodra dienstplichtigen buitengewoon in werkelijke dienst worden opgeroepen en zolang zij buitengewoon in werkelijke dienst worden gehouden. Artikel90a Onder een bevriende staat wordt verstaan een buitenlandse mogendheid waarmee het Koninkrijk der Nederlanden niet in een gewapend conflict is gewikkeld. Artikel90b 1.Onder internationaal beschermd persoon wordt verstaan een persoon die valt onder de omschrijving van artikel 1, eerste lid, van het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van misdrijven tegen internationaal beschermde personen, met inbegrip van diplomaten van 14 december 1973 (Trb. 1981, 69). 2.Onder internationaal beschermd persoon wordt mede verstaan een persoon die valt onder de omschrijving van artikel 1, onderdeel a of b, van het Verdrag inzake de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel van 9 december 1994 (Trb. 1996, 62). 3.Onder beschermde goederen worden verstaan de goederen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het in het eerste lid genoemde verdrag en artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van het in het tweede lid genoemde verdrag. Artikel91 Onder dag wordt verstaan een tijd van vier en twintig uren, onder maand een tijd van dertig dagen. Artikel92 Onder nacht wordt verstaan de tijd tusschen half zeven uur des avonds en half zes uur des morgens. Artikel93 Onder inklimming wordt begrepen ondergraving, alsmede het overschrijden van slooten of grachten tot afsluiting dienende. Artikel94 Onder valsche sleutels worden begrepen alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen. Artikel95 Onder vee worden verstaan paarden, ezels, muilezels, muildieren, runderen, schapen, bokken, geiten en varkens. Artikel95bis Onder opkooper wordt verstaan hij die van opkoopen een beroep of eene gewoonte maakt. Onder opkoopen worden begrepen alle handelingen, hoe ook genaamd, waarmede kenlijk hetzelfde wordt beoogd. Artikel95ter Onder electriciteitswerken worden verstaan werken dienende tot voortbrenging, geleiding, transformatie of levering van electriciteit en daarmede in verband staande beveiligings-, bevestigings-, ondersteunings- en waarschuwingswerken. Onder electriciteitswerken worden niet begrepen telegraaf en telefoonwerken. Artikel95c Onder discriminatie wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben, dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het openbare leven, wordt tenietgedaan of aangetast. Artikel95d 1.Onder telecommunicatie, telecommunicatie-infrastructuur en gegevensverkeer wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering. 2.Onder aftappen wordt verstaan hetgeen wordt verstaan in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel96Slotbepaling De bepalingen der eerste acht Titels van dit Boek zijn ook toepasselijk op feiten waarop bij andere algemeene verordeningen straf is gesteld, tenzij bij de algemeene verordening anders is bepaald. TWEEDEBOEKMisdrijven TITELIMisdrijven tegen de veiligheid van den Staat. Artikel97 De aanslag ondernomen met het oogmerk om den Koning, de regeerende Koningin of den Regent van het leven of de vrijheid te berooven of tot regeeren ongeschikt te maken, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. Artikel98 De aanslag ondernomen met het oogmerk om den Gouverneur of den waarnemenden Gouverneur van het leven of de vrijheid te berooven of tot het uitoefenen van zijn taak ongeschikt te maken, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. Artikel99 De aanslag ondernomen met het oogmerk om het grondgebied van den Staat geheel of gedeeltelijk onder vreemde heerschappij te brengen of om een deel daarvan af te scheiden, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. Artikel99bis Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van de Raad van Ministers uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt, een lid uit die vergadering verwijdert of opzettelijk een lid verhindert die vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. Artikel100 De aanslag, ondernomen met het oogmerk om omwenteling teweeg te brengen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. Leiders en aanleggers van een aanslag als in het eerste lid bedoeld, worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. Artikel101 Als schuldig aan opstand wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren: hij, die de wapenen voert tegen het in de Nederlandse Antillen gevestigd openbaar gezag; hij, die met het oogmerk om zich tegen het in de Nederlandse Antillen gevestigd openbaar gezag te verzetten, optrekt met of zich aansluit bij een bende, die de wapenen voert tegen dat gezag. Leiders en aanleggers van een opstand worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. Artikel102 De samenspanning tot een der in de artikelen 97-101 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren. Dezelfde straf is toepasselijk op hem, die met het oogmerk om een der in de artikelen 97-101 omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen: een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen; gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen; voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf; plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft; eenigen maatregel vanwege de Regering genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen. De voorwerpen, in het voorgaande lid, onder 3°, bedoeld, kunnen worden verbeurd verklaard. Niet strafbaar is hij, van wien blijkt, dat zijn oogmerk enkel gericht is op het voorbereiden of bevorderen van staatkundige veranderingen in algemeenen zin. Indien in een der gevallen, in de eerste twee leden van dit artikel bedoeld, het misdrijf is gevolgd, kan de straf worden verdubbeld. Artikel103 Hij die met een buitenlandsche mogendheid in verstandhouding treedt, met het oogmerk om haar tot het plegen van vijandelijkheden of tot het voeren van oorlog tegen den Staat te bewegen, haar in het daartoe opgevatte voornemen te versterken, haar hulp daarbij toe te zeggen of bij de voorbereiding hulp te verlenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. Indien de vijandelijkheden worden gepleegd of de oorlog uitbreekt, wordt de doodstraf, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd. Artikel103a Met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren wordt gestraft: hij, die met een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam in verstandhouding treedt, met het oogmerk om een zoodanig persoon of lichaam tot het verschaffen van steun aan het voorbereiden, bevorderen of teweegbrengen van omwenteling te bewegen, om een zoodanig persoon of lichaam in het daartoe opgevatte voornemen te versterken of aan een zoodanig persoon of lichaam daarbij hulp toe te zeggen of te verleenen, of om omwenteling voor te bereiden, te bevorderen of teweeg te brengen; hij, die eenig voorwerp invoert, dat geschikt is tot het verschaffen van stoffelijken steun aan het voorbereiden, bevorderen of teweegbrengen van omwenteling, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden, dat het daartoe bestemd is: hij, die eenig voorwerp onder zich heeft of tot onderwerp eener overeenkomst maakt, dat geschikt is tot het verschaffen van stoffelijken steun aan het voorbereiden, bevorderden of teweegbrengen van omwenteling, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden, dat het daartoe bestemd is en dat het voorwerp of eenig ander voorwerp, waarvoor het in de plaats is getreden, hetzij met die bestemming is ingevoerd, hetzij door of vanwege een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam daartoe is bestemd. De voorwerpen waarmede of met betrekking tot welke de in het voorgaande lid onder 2° - 3° omschreven misdrijven zijn begaan, kunnen worden verbeurd verklaard. Artikel104 Hij die enig gegeven, waarvan de geheimhouding door het belang van de staat wordt geboden, daaronder begrepen enig voorwerp, waaraan een zodanig gegeven kan worden ontleend, opzettelijk mededeelt aan of ter beschikking stelt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, wordt, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het een zodanig gegeven betreft, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die enig gegeven, dat van een verboden plaats afkomstig is en tot de veiligheid van de staat in betrekking staat, daaronder begrepen enig voorwerp, waaraan een zodanig gegeven kan worden ontleend, opzettelijk mededeelt aan of ter beschikking stelt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een zodanig gegeven betreft. Artikel104a Hij die enig gegeven als bedoeld in artikel 104 hetzij opzettelijk openbaar maakt, hetzij zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk mededeelt aan of ter beschikking stelt van een buitenlandse mogendheid, een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam, dan wel een zodanig persoon of lichaam, dat gevaar ontstaat dat het gegeven aan een buitenlandse mogendheid of aan een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam bekend wordt, wordt, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het een zodanig gegeven betreft, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. Indien de schuldige heeft gehandeld in tijd van oorlog dan wel in dienst of in opdracht van een buitenlandse mogendheid of van een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam, kan levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren worden opgelegd. Handelingen gepleegd ter voorbereiding van een misdrijf als omschreven in de voorgaande leden worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Artikel104b Hij aan wiens schuld te wijten is, dat enig gegeven als bedoeld in artikel 104 openbaar wordt gemaakt dan wel ter beschikking komt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste één jaar. Artikel104c 1.Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft: hij die opzettelijk enig gegeven als bedoeld in artikel 104, zonder daartoe gerechtigd te zijn, onder zich neemt of houdt; hij die enige handeling verricht, ondernomen met het oogmerk om, zonder daartoe gerechtigd te zijn, de beschikking te krijgen over enig gegeven als bedoeld in artikel 104; hij die tersluik, onder een vals voorgeven, door middel van een vermomming of langs een andere dan de gewone toegang op of in een verboden plaats komt of tracht te komen, aldaar in dier voege aanwezig is, of zich op een van die wijzen of door een van die middelen vandaar verwijdert of tracht te verwijderen. De bepalingen onder 3° is niet toepasselijk, indien de rechter blijkt, dat de dader niet heeft gehandeld met het oogmerk bedoeld onder 2°. Artikel105 Hij die eene hem vanwege de Regering opgedragen onderhandeling met eene buitenlandsche mogendheid opzettelijk ten nadeele van den Staat voert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. Artikel106 Met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren wordt gestraft: hij die in geval van een oorlog, waarin het Koninkrijk niet betrokken is, opzettelijk enige handeling verricht, waardoor het gevaar ontstaat, dat de Staat in een oorlog wordt betrokken, of enig van regeringswege gegeven en bekend gemaakt bijzonder voorschrift tot handhaving van het niet deelnemen aan de oorlog opzettelijk overtreedt; hij die in tijd van oorlog, enig voorschrift van regeringswege in het belang van de veiligheid van de Staat gegeven en bekend gemaakt, opzettelijk overtreedt. Artikel106a Artikel 106 onder 1° vindt overeenkomstige toepassing in geval van een gewapend conflict, dat niet als oorlog kan worden aangemerkt. Artikel106b 1.Hij die op enigerlei wijze opzettelijk van het grondgebied van de Nederlandse Antillen gebruik maakt bij het voorbereiden, bevorderen, teweegbrengen of uitvoeren van hetzij een gewelddadige omwenteling op het grondgebied van een bevriende mogendheid, hetzij enige andere tegen een dergelijke mogendheid of haar regering gerichte illegale actie, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren. 2.Hij aan wiens schuld te wijten is dat van het grondgebied van de Nederlandse Antillen op enigerlei wijze gebruik wordt gemaakt bij enige handeling als bedoeld in het voorgaande lid wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. 3.Onder het grondgebied van de Nederlandse Antillen wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan de territoriale zee rond en het luchtruim boven de Nederlandse Antillen. 4.Met gelijke straf en naar de onderscheiding, gemaakt in het eerste en tweede lid van dit artikel wordt gestraft de ingezetene van de Nederlandse Antillen, die deelneemt aan een poging tot gewelddadige omwenteling op het grondgebied van een bevriende mogendheid. Artikel107 De Nederlander die vrijwillig in krijgsdienst treedt bij eene buitenlandsche mogendheid, wetende dat deze met het Koninkrijk in oorlog is of in het vooruitzicht van een oorlog met het Koninkrijk, wordt, in het laatste geval indien de oorlog uitbreekt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. Artikel108 Met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt gestraft hij die opzettelijk, in tijd van oorlog, den vijand hulp verleent of den Staat tegenover den vijand benadeelt. Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt toegepast indien de dader: eenige kaart, plan, teekening of beschrijving van militaire werken of eenige inlichting betreffende militaire bewegingen of ontwerpen den vijand mededeelt of in handen speelt; als verspieder den vijand dient of een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt. De doodstraf, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt toegepast indien de dader: eenige versterkte of bezette plaats of post, eenig middel van gemeenschap, eenig magazijn, eenigen krijgsvoorraad, enige krijgskas of enige verboden plaats, of wel de vloot of het leger of eenig deel daarvan aan den vijand verraadt, in ‘s vijands macht brengt, vernielt of onbruikbaar maakt, of eenige tot afweer of aanval beraamde of uitgevoerde onderwaterzetting of ander militair werk belet, belemmert of verijdelt; hetzij oproer, hetzij muiterij of desertie onder het krijgsvolk teweegbrengt of bevordert, Artikel109 De samenspanning tot een der in artikel 108 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren. Artikel110 Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft hij die, in tijd van oorlog, zonder oogmerk om den vijand hulp te verleenen of den Staat tegenover den vijand te benadeelen, opzettelijk: een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt; desertie van een krijgsman, in dienst van het Koninkrijk teweegbrengt of bevordert. Artikel111 Hij die in tijd van oorlog eenige bedriegelijke handeling pleegt bij levering van benoodigdheden ten dienste van de krijgsmacht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, de bedriegelijke handeling opzettelijk toelaat. Artikel112 Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 97 en 98 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1 - 4, vermelde rechten worden uitgesproken. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 99 - 109 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1 - 3, vermelde rechten worden uitgesproken. Bij veroordeeling wegens het in artikel 111 omschreven misdrijf, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft en van de in artikel 32, N°. 1 - 4, vermelde rechten, en kan de openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast. Artikel113 De straffen gesteld op de in de artikelen 108 - 111 omschreven feiten, zijn toepasselijk indien een dier feiten wordt gepleegd tegen of met betrekking tot de bondgenooten van den Staat in een gemeenschappelijken oorlog. Artikel113a Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 101, eerste lid, 102, eerste en tweede lid, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd en wordt, indien op het misdrijf een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is gesteld, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren opgelegd. TITELIIMisdrijven tegen de Koninklijke waardigheid en tegen de waardigheid van den Gouverneur Artikel114 1.De aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-regeerende Koningin, van den troonopvolger, of van een lid van het Koninklijk huis, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. 2.Indien de aanslag op het leven den dood tengevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd. Artikel115 Elke feitelijke aanranding van den persoon des Konings of der Koningin, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden. Artikel116 Elke feitelijke aanranding van den persoon van den troonopvolger, van een lid van het Koninklijk huis, of van den Regent, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Artikel117 Elke feitelijke aanranding van den persoon van den Gouverneur of van den waarnemenden Gouverneur, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Artikel118 Opzettelijke beleediging den Koning of der Koningin aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. Artikel119 Opzettelijke beleediging den troonopvolger, een lid van het Koninklijk huis of den Regent aangedaan wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. Artikel120 Opzettelijke beleediging den Gouverneur of den waarnemenden Gouverneur aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. Artikel121 Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene beleediging voorkomt voor den Koning, de Koningin, den troonopvolger, een lid van het Koninklijk huis, den Regent, den Gouverneur of den waarnemende Gouverneur, met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. Artikel122 Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 114 en 115 - 117 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1 - 4, vermelde rechten worden uitgesproken. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 118 - 120 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1 - 3, vermelde rechten worden uitgesproken. Artikel122a 1.Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 114, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de schuldige gestraft met levenslange of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren. 2.Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in de artikelen 115 en 116, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd. Artikel122b De samenspanning tot de in artikel 114 omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. TITELIIIMisdrijven tegen hoofden van bevriende Staten en andere internationaal beschermde personen Artikel123 De aanslag op het leven of de vrijheid van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden Staat wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. Indien de aanslag op het leven den dood tengevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd. Artikel124 Elke feitelijk aanranding van den persoon van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden Staat, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Artikel124a 1.De aanslag op het leven of de vrijheid van een internationaal beschermd persoon wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. 2.Indien de aanslag op het leven de dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, kan levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren worden opgelegd. Artikel124b Elke feitelijke aanranding van de persoon van een internationaal beschermd persoon, die niet valt in een zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste vijfentwintigduizend gulden. Artikel124c Hij die opzettelijk geweld pleegt tegen de beschermde goederen van een internationaal beschermd persoon wordt, indien daardoor gevaar voor de veiligheid of de vrijheid van die persoon te duchten is, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren. Artikel125 Opzettelijke beleediging van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden Staat aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. Artikel126 Opzettelijke beleediging eenen vertegenwoordiger van eene buitenlandsche mogendheid bij de Regering van het Koninkrijk in zijne hoedanigheid aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden. Artikel127 Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene beleediging voorkomt voor een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden Staat of voor een vertegenwoordiger van eene buitenlandsche mogendheid bij de Regering van het Koninkrijk in zijne hoedanigheid, met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. Artikel128 Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 123 en 124 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N° 1 - 4, vermelde rechten worden uitgesproken. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 125 en 126 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N° 1 - 3, vermelde rechten worden uitgesproken. Artikel128a 1.Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in de artikelen 123, eerste lid, 124a en 124c is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vierentwintig jaren. 2.Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 124b, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd. Artikel128b De samenspanning tot de in artikel 123, eerste lid, 124a en 124c omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. TITELIVMisdrijven betreffende de uitoefening van staatsplichten en staatsrechten Artikel129 Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van de Staten of van hun krachtens het reglement van orde gevormde of benoemde commissies uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt, een lid uit die vergadering verwijdert of opzettelijk een lid verhindert die vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. Artikel130 De samenspanning tot het in artikel 129 omschreven misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren. Artikel 102, tweede, derde en vierde lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel131 Hij die bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk iemand verhindert zijn kiesrecht vrij en onbelemmerd uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. Artikel132 Hij die bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door gift of belofte iemand omkoopt om zijn kiesrecht hetzij niet, hetzij op bepaalde wijze uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. Dezelfde straf wordt toegepast op de kiezer of de gemachtigde van een kiezer die zich door gift of belofte tot een of ander laat omkoopen. Artikel133 Hij die bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, eenige bedriegelijke handeling pleegt waardoor de stem van een kiezer van onwaarde wordt of een ander dan de door dien kiezer bedoelde persoon wordt aangewezen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden. Artikel134 Hij die opzettelijk zich voor een ander uitgevende, aan eene krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. Artikel135 Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, opzettelijk eene plaats gehad hebbende stemming verijdelt of eenige bedriegelijke handeling pleegt waardoor aan de stemming een andere uitslag wordt gegeven dan door de wettig ingeleverde stembiljetten zou zijn verkregen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden. Artikel136 Bij veroordeeling wegens het in artikel 129 omschreven misdrijf kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1 - 3, vermelde rechten worden uitgesproken. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 130 - 135 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32 N°. 3 vermelde rechten worden uitgesproken. Artikel136a Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 130, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd. TITELVMisdrijven tegen de openbare orde Artikel136bis Hij die zich opzettelijk uit in woord, geschrift of afbeelding, waarin, zij het ook zijdelings, voorwaardelijk of in bedekte termen, verstoring der openbare orde of omverwerping dan wel aanranding van het in Nederland, Suriname, de Nederlandse Antillen of Nederlands Nieuw-Guinea gevestigde gezag wordt aangeprezen of daarvoor stemming wordt gemaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden. Artikel136ter Hij die een geschrift of afbeelding waarin, zij het ook zijdelings, voorwaardelijk of in bedekte termen, verstoring der openbare orde of omverwerping dan wel aanranding van het in Nederland, Suriname, de Nederlandse Antillen of Nederlands Nieuw-Guinea gevestigde gezag wordt aangeprezen of daarvoor stemming wordt gemaakt met het oogmerk om aan den inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden. Artikel136quater Hij, die opzettelijk in het openbaar uiting geeft aan zoodanige gevoelens van vijandschap, haat of minachting jegens de Regering van Nederland, Suriname of de Nederlandse Antillen, of jegens het Bestuur van Nederlands Nieuw-Guinea, die zouden kunnen leiden tot ondermijning van het openbaar gezag, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden, of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. Artikel136quinquies Hij, die opzettelijk een geschrift of afbeelding, waarin zoodanige gevoelens van vijandschap, haat of minachting jegens de Regering van Nederland, Suriname of de Nederlandse Antillen, of jegens het Bestuur van Nederlands Nieuw-Guinea tot uiting komen, die zouden kunnen leiden tot ondermijning van het openbaar gezag, met het oogmerk om aan den inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. Artikel137 Hij, die, mondeling of bij geschrifte, in het openbaar tot eenig strafbaar feit, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag of tot eenige ongehoorzaamheid hetzij aan eene algemeene verordening hetzij aan een krachtens eene algemeene verordening gegeven ambtelijk bevel opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden. Artikel138 Hij, die een geschrift, waarin tot eenig strafbaar feit, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag of tot eenige ongehoorzaamheid als in het vorige artikel omschreven wordt opgeruid, met het oogmerk om aan den opruienden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. Artikel138a Bij veroordeling wegens een der misdrijven, omschreven in de artikelen 136a t/m 138 [bedoeld zal zijn: 136bis t/m 138], kan ontzetting van de in artikel 32 vermelde rechten worden uitgesproken. Artikel139 Hij die in het openbaar, mondeling

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.