Beleidsregels Jeugdhulp en Wmo 2026 gemeente Geldrop-MierloVastgesteld bij collegebesluit van 16 december 2025, kenmerk …. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo; Gelet op: De Verordening Jeugdhulp en Wmo 2025 gemeente Geldrop-Mierlo; Jeugdwet; Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Overwegende dat: Op 9 december 2024 de Verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente Geldrop-Mierlo 2025 is vastgesteld; Het wenselijk wordt geacht om beleidsregels vast te stellen omtrent het gebruik van een bevoegdheid door het college in het kader van de Jeugdwet, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening Jeugdhulp en Wmo 2025 gemeente Geldrop-Mierlo. Besluit vast te stellen: ‘’Beleidsregels Jeugdhulp en Wmo 2026 gemeente Geldrop-Mierlo’’ Inleiding In de Verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente Geldrop-Mierlo 2025 staan de regels omtrent het organiseren en het geven van jeugdhulp of Wmo-ondersteuning. Beleidsregels ontlenen hun status aan art. 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb): "Een bestuursorgaan kan Beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Beleidsregels zijn algemene regels, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan (artikel 1:3 lid 4 Awb). Concreet draait het hier om het gebruik van een bevoegdheid van het college in het kader van de Verordening Jeugdhulp en Wmo 2025 gemeente Geldrop-Mierlo, Jeugdwet of Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat gelijke gevallen op een gelijke manier worden behandeld, volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen 1.1.Definities 1.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Gemeente: Gemeente Geldrop-Mierlo; Lokale team: het lokale team is een laagdrempelige organisatie waar inwoners (cliënten in het kader van de Wmo en ouder(
- s)van de jeugdige in het kader van de Jeugdwet) van de gemeente eenvoudig advies, hulp en ondersteuning kunnen krijgen. Het is een team dat zelf ondersteuning kan verlenen en werkt met een brede domein overstijgende blik. In het lokale team is oog voor alle leden van een gezin/huishouden en voor onderliggende oorzaken en patronen. Het lokale team laat de regie zoveel mogelijk bij de inwoners liggen, en werkt samen met relevante partners mee aan de sociale basis en collectieve oplossingen. Het lokale team is in de gemeente ingericht middels het Centrum voor Maatschappelijke Deelname en het Plusteam; Verordening: de Verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente Geldrop-Mierlo 2025; Crisis: Er is sprake van een crisissituatie als het uitblijven van hulp binnen 24 uur zal leiden tot onaanvaardbare gezondheids- of veiligheidsrisico’s. 2.Alle begrippen die niet nader zijn of worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Verordening, Jeugdwet of Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Hoofdstuk2.Afspraken tussen inwoner en gemeente. 2.1.Rollen en taken binnen het jeugd- en Wmo stelsel in Geldrop-Mierlo 1.Volgens artikel 4.2 van de Verordening draagt het college de verantwoordelijkheid rondom het Jeugd- en Wmo stelsel. Onderstaand worden de rollen van diverse betrokken organen en instanties nader toegelicht: College: Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Geldrop-Mierlo is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo voor haar inwoners. Het college heeft de bijbehorende bevoegdheden gemandateerd aan het Centrum voor Maatschappelijke Deelname (CMD) om deze wetten uit te kunnen voeren. Daarom kan zowel in de Verordening als in deze beleidsregels het CMD worden gelezen in plaats van het college. Centrum voor Maatschappelijke Deelname (CMD): Het CMD is in Geldrop-Mierlo onderdeel van het lokale team als loket voor ondersteuning binnen het sociaal domein. Het CMD biedt inwoners, mantelzorgers en vrijwilligers ondersteuning en fungeert als vraagbaak voor deelname aan de samenleving. Daarnaast heeft het CMD een gidsfunctie voor professionals en vrijwilligers met vragen over het lokale hulpverleningsaanbod, vrijwilligerswerk en het verenigingsleven. Klantadviseurs van het CMD bieden zelf ondersteuning, organiseren passende hulp en houden vinger aan de pols. PlusTeam: Het openbaar lichaam gemeenschappelijke regeling PlusTeam is in Geldrop-Mierlo onderdeel van het lokale team voor de gezinnen met complexe hulpvragen op meerdere levensgebieden. Het PlusTeam coördineert de samenhang in hulp en ondersteuning en biedt zoveel mogelijk zelf de benodigde ondersteuning. Het PlusTeam is niet vrij toegankelijk en wordt ingezet op basis van een indicatie, in het geval dat meerdere partners betrokken zijn. Het PlusTeam zorgt voor de afstemming van diensten en voert zelf de regie. Daarnaast heeft het PlusTeam taken op het gebied van dwang en drang, waaronder: Deelname aan de Beschermtafel; Tandemfunctie Jeugdbescherming en Jeugdreclassering; Inzet van Jeugdzorg Plus met instemming van gezaghebbende ouders. Veilig Thuis: Veilig Thuis biedt advies en ondersteuning bij huiselijk geweld en kindermishandeling als omschreven in artikel 4.1.1 Wmo. Gecertificeerde Instellingen (GI): Een Gecertificeerde Instelling (GI) wordt ingezet wanneer andere betrokkenen er niet in slagen een veilige thuissituatie te realiseren. De GI werkt samen met het lokale team om de inzet van passende jeugdhulp te bepalen en vast te leggen in het integraal plan. Toetsing van de noodzaak van jeugdhulp vindt plaats op basis van de geldende (beleids)regels. Medische verwijzers: Artikel 19 lid 1 van de Verordening laat zien wie de wettelijke verwijzers zijn naar niet vrij-toegankelijke individuele voorzieningen binnen de Jeugdhulp. Na een verwijzing wordt door de jeugdhulpaanbieder beoordeeld welke vorm en mate van jeugdhulp nodig is. Onderwijs en kinderopvang: Het college zorgt ervoor dat iedere locatie voor kinderopvang, primair- en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een vaste contactpersoon heeft binnen het lokale team. Deze contactpersonen stemmen af met leerplichtambtenaren. Afspraken over de samenwerking tussen jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplicht worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of diens ouders. 2.2.Onafhankelijke clientondersteuning 1.Inwoners hebben volgens artikel 4.2 lid 1 sub f van de Verordening en volgens artikel 2.2.4 Wmo recht op onafhankelijke clientondersteuning. De onafhankelijke cliëntondersteuner geeft informatie over jeugdhulp, zorg en ondersteuning, participatie, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. In Geldrop-Mierlo zijn MEE de Meent, mantelzorgmakelaars, de clientondersteuners van OnzeWegwijzer en Zorgbelang Brabant | Zeeland gecontracteerde partijen die onafhankelijke clientondersteuning aanbieden. 2.De onafhankelijke cliëntondersteuner ondersteunt de cliënt: Bij het zoeken naar informatie en advies; Bij het formuleren van hun hulpvraag; Bij het voeren van gesprekken met verwijzers en jeugdhulpaanbieders; in het geval dat cliënt vastlopen in het proces. 3.Het lokale team en de GI informeren cliënten namens het college over het aanbod van onafhankelijke cliëntondersteuning. Daarnaast kunnen cliënten zelf contact opnemen met een cliëntondersteuner. Mochten hulpverleners situaties herkennen bij cliënten waarin onafhankelijke cliëntondersteuning kan helpen, dan wijzen zij de cliënt hierop. 4.Onafhankelijke cliëntondersteuners werken vanuit een inhoudelijke professionaliteit binnen de gestelde kaders van de Wmo en Jeugdwet. Dit betekent onder andere dat zij moeten voldoen aan het kwaliteitskader Jeugdhulp en Wmo. 5.In de gemeente Geldrop-Mierlo is clientondersteuning ingericht via Inwonersondersteuning Geldrop-Mierlo. 2.3.Gegevensregistratie 1.Om de kwaliteit en effectiviteit van de ondersteuning binnen het jeugd- en Wmo-stelsel te waarborgen, kunnen de volgende gegevens, zoals in algemene zin omschreven in artikel 4.1 Verordening, worden vastgelegd Persoonsgegevens van de betrokken cliënt(en), waaronder naam, adres, geboortedatum, contactgegevens en eventuele gegevens over geregistreerd partnerschap/huwelijk en kind(eren); De aard en ernst van de hulpvraag; De betrokken instanties en professionals; De voorgestelde en verleende ondersteuning, inclusief indicaties en besluiten; Evaluatiemomenten en behaalde doelen; Eventuele verwijzingen naar specialistische zorg of andere voorzieningen; Afstemming met andere domeinen zoals onderwijs, werk en inkomen; Wettelijke gronden en nadere regels op basis waarvan ondersteuning wordt verleend; Toestemming van de aanvrager om de bovenstaande gegevens te delen binnen de stevige lokale teams en met de in-te-zetten (jeugdhulp)aanbieders. De toestemming voor het delen van gegevens kan elk moment schriftelijk kenbaar worden gemaakt aan het CMD. Hoofdstuk3.Gezond en veilig opgroeien 3.1.Woonplaatsbeginsel Zoals aangegeven in artikel 1.1 van de Jeugdwet en artikel 1 lid 4 sub k, van de Verordening, wordt met het woonplaatsbeginsel vastgesteld welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de jeugdhulp aan een jeugdige. De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres heeft volgens de Basisregistratie Personen (BRP). Deze definitie is van toepassing op jeugdhulp zonder verblijf. Bij jeugdhulp met verblijf is de gemeente verantwoordelijk waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf zijn woonadres had (in de zin van de Wet basisregistratie personen). Het vaststellen van het woonplaatsbeginsel maakt daarom onderdeel uit van het (voor)onderzoek. De gemeente waar de jeugdige vandaan komt, blijft verantwoordelijk voor de jeugdige en de kosten van de jeugdhulp voor deze jeugdige. Zie bijlage 1 van deze beleidsregels voor een visuele weergave van het woonplaatsbeginsel. 3.2.Vormen van jeugdhulp 1.Zoals aangegeven in artikel 7 lid 1 van de Verordening is de Jeugdwet niet de enige wet die hulp en ondersteuning biedt aan jeugdigen. Voorliggende wetten, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), Wmo en het Passend Onderwijs, hebben hun eigen verantwoordelijkheden en voorzieningen. Het is van belang dat eerst gekeken wordt of ondersteuning vanuit deze wetten mogelijk is voordat een beroep op de Jeugdwet wordt gedaan. Zie bijlage 2 van deze beleidsregels voor een overzicht van de verhouding tussen de Jeugdwet, Zorgverzekeringswet, WLZ, Wmo en Passend Onderwijs. 2.Zoals aangegeven in artikel 5.1, lid 5, sub h, van de Verordening, hoeft het college geen voorziening te treffen indien de jeugdige of zijn ouders in staat zijn zelf in de benodigde jeugdhulp te voorzien. Soms blijken de jeugdige en/of zijn ouders namelijk aanvullend verzekerd te zijn via de zorgverzekeraar voor de jeugdhulp die het college noodzakelijk acht. In dat geval mag van de jeugdige of zijn ouders worden verwacht dat zij deze aanvullende verzekering aanspreken (bijvoorbeeld in het geval van speltherapie). De jeugdige of zijn ouders kunnen echter niet verplicht worden om een aanvullende verzekering af te sluiten. 3.3.Wat is normaal en wat is niet normaal in opvoeden en opgroeien? Om jeugdhulp doelmatig en effectief in te zetten, van belang om een duidelijk onderscheid te maken tussen wat als normale en niet-normale ontwikkeling wordt gezien. Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) heeft hiervoor een richtlijn opgesteld die houvast bieden aan professionals en ouders. Het college volgt deze richtlijn, waarbij normale ontwikkeling geen gespecialiseerde hulp behoeft, en ernstige problemen in aanmerking komt voor geïndiceerde ondersteuning. Zie hiervoor bijlage 3 van deze beleidsregels. Daarnaast wordt er een onderscheid gemaakt tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp (bijlage 4 en bijlage 4.1.), waarbij gebruikelijke hulp wordt gezien als hulp dat geen gespecialiseerde hulp behoeft. 3.4.Bewezen effectieve interventies. Bij het bieden van jeugdhulp wordt ingezet op bewezen effectieve interventies. Dit betekent dat methodieken en behandelingen worden toegepast waarvan de effectiviteit wetenschappelijk is aangetoond. Dit draagt bij aan de doelmatigheid en kwaliteit van de hulpverlening. De inzet van niet-effectieve of niet-onderbouwde interventies wordt zoveel mogelijk vermeden. Een overzicht van bewezen effectieve interventies is te vinden via Interventies bij veelvoorkomende vragen en problemen | Nederlands Jeugdinstituut 3.5.Medisch verwijsprotocol Jeugdhulp Jeugdhulp is volgens artikel 19 van de Verordening onder andere toegankelijk na verwijzing door een huisarts, jeugdarts of medisch specialist. Na een medische verwijzing staat echter vaak nog niet vast welke specifieke vorm en mate van jeugdhulp nodig is. In de praktijk wordt deze beoordeling vaak door de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige en diens ouders uitgevoerd. Een duidelijk beoordelingskader en tijdige afstemming tussen jeugdhulpaanbieder en het college dragen bij aan een juiste zorginzet. Dit helpt om onnodige discussies achteraf te voorkomen en om zorginzet te laten voldoen aan het gemeentelijke afwegingskader, waarin gestreefd wordt naar zoveel mogelijk voorliggende en kostenbewuste oplossingen. Het uitgangspunt blijft dat de professionaliteit van de jeugdhulpaanbieder wordt gerespecteerd en dat gemeenten niet onnodig ingrijpen in het proces van zorginzet. Het volledige protocol, welke eerder is gepubliceerd in 2019, is opgenomen in bijlage 5 van deze beleidsregels. In lokale samenwerkingsafspraken wordt vastgelegd dat de voorkeur van het college is dat de huisartsen doorverwijzen naar het CMD, waarbij het volledige medisch verwijsprotocol Jeugdhulp wordt gerespecteerd. 3.6.Tandemfunctie met Gecertificeerde Instellingen (GI) Gecertificeerde Instellingen (GI) worden ingezet wanneer vrijwillige hulpverlening niet toereikend is om een veilige thuissituatie te waarborgen. De samenwerking tussen de GI en het lokale team wordt vormgegeven via de tandemfunctie. Dit houdt in dat de GI samenwerkt met lokale professionals en waar nodig regie voert over de inzet van jeugdhulp. De tandemfunctie zorgt ervoor dat er een integrale aanpak wordt gehanteerd, waarin zowel jeugd- als volwassenenproblematiek wordt meegenomen. De afspraken over de tandemfunctie zijn vastgelegd in regionale overeenkomsten. Zie bijlage 6 van deze beleidsregels voor de volledige beschrijving van deze samenwerking. 3.7.Aanbod echtscheidingen Conform artikel 5.2.3 Verordening wordt standaard het voorliggend aanbod aangeboden bij ouders die van plan zijn om te gaan scheiden, midden in het scheidingsproces zitten of het scheidingsproces hebben afgerond maar nog niet hebben verwerkt. Zie bijlage 7 van deze beleidsregels voor het aanbod, waarbij het uitgangspunt is dat het belang van het kind voorop staat. 3.8.Afwegingskader jeugdhulp 3.8.1.Afwegingskaders Vervoer 1.Ter toelichting op de uitoefening van artikel 18 van de Verordening geldt het volgende: Voor de toekenning van vervoer van en naar de jeugdhulplocatie moeten de onderstaande vragen worden gesteld en met ‘ja’ worden beantwoord: Heeft een jeugdige een indicatie voor een individuele voorziening jeugdhulp? Is er sprake van een medische noodzaak dan wel een beperking in de zelfredzaamheid? Is het niet mogelijk om op eigen kracht het vervoer te organiseren? Voor de eigen kracht geldt dat ouders hierin een rol hebben en dat hierbij het openbaar vervoer voorliggend is. Minimaal 2x in de week zelf vervoer organiseren wordt gezien als gebruikelijke hulp. De participatiewet is voorliggend als er financiële problemen zijn. Is er geen andere regeling/voorziening waarvan het jeugdige gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening? Als de afstand tussen de woning van de jeugdige en de jeugdhulpvoorziening meer dan 6 kilometer is, kan dit een reden zijn om vervoer te regelen. Let op: ook als de afstand meer dan 6 kilometer is, betekent dat niet automatisch dat er vervoer wordt geregeld. Als ouders zelf voor vervoer kunnen zorgen, hoeft er geen extra voorziening te komen. Afhankelijk van andere omstandigheden, kan bij een kortere afstand vervoer nodig zijn. Hiervoor wordt dan maatwerk geleverd. Vervoer dat onder de Zvw of Wlz valt, wordt niet verzorgd vanuit de Jeugdwet. 2.Ander vervoer van jeugdigen dan naar de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld sociaal recreatief vervoer) valt onder gebruikelijke zorg en eigen kracht. Als dit niet toereikend is dan kan dat vervoer onder de Wmo 2015 vallen, als deze sociale contacten noodzakelijk zijn en het eigen netwerk geen mogelijkheden biedt. Voor (dat deel van) het vervoer waarin de Jeugdwet voorziet, wordt er op grond van de Wmo 2015 geen vervoersvoorziening ingezet. 3.Als het gaat om vervoer naar andere locaties dan de jeugdhulplocatie gelden de volgende richtlijnen: Vervoer naar en van school naar huis is leerlingenvervoer; Vervoer van school naar behandellocatie en terug naar school is zorgvervoer; Vervoer naar of van behandellocatie, buiten schooltijden is zorgvervoer; Vervoer tijdens vrij- en vakantiedagen is zorgvervoer en verantwoordelijk van de aanbieder om dit af te stemmen. 3.8.2.Afwegingskader 1-op-1 begeleiding bij participatie Onder maatschappelijke participatie voor jeugdigen, wordt verstaan: deelname aan sport of culturele activiteiten teneinde het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden mogelijk te maken en op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven. Er wordt eerst gekeken om welk soort activiteit het gaat, en of een voorliggende voorziening mogelijk is. Voor vele activiteiten rondom participatie is een alternatief beschikbaar in onze gemeente die geen individuele begeleiding behoeft. Is dit toch nodig, dan wordt er eerst gekeken of de individuele begeleiding onder eigen kracht valt (van de verzorgenden of het sociaal netwerk). Is dit niet mogelijk, dan kan onder het mom van hardheidsclausule een uitzondering worden gemaakt, en tijdens de 1-op-1 begeleiding worden gewerkt aan de afbouw van de 1-op-1 begeleiding. Zie bijlage 8 van deze beleidsregels. 3.9.Overgang 18-/18+ 1.In lijn met artikel 8 Verordening wordt, als het gelet op de hulpvraag van de jeugdige nodig is,vanaf 16,5 jaar gewerkt aan het toekomstperspectief van de jongvolwassene in de overgang naar 18 jaar. Dit gebeurt op basis van een toekomstplan, waarbij de ‘big five’ (support, wonen, school en werk, inkomen en welzijn) de uitgangspunten vormen en ook het eigen netwerk onderdeel is. Er zijn drie situaties waarin jeugdhulp na de 18e verjaardag mogelijk is: Jeugdigen in een pleeggezin of gezinsvervangende tehuizen tot maximaal 21 jaar, als de jeugdige hiermee instemt (ja, tenzij principe), rekening houdend met artikel 8 lid 4 Verordening; Bij jeugdhulp in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering, tot het einde van de maatregel; Als voortzetting van de hulp die een jeugdige voor de 18e verjaardag ontving noodzakelijk is en er geen vergelijkbare hulp op basis van een andere wet kan worden verkregen. 2.De Jeugdwet biedt de mogelijkheid de jeugdhulp te verlengen tot maximaal 23 jaar. De derde genoemde mogelijkheid in lid 1 vraagt om een afwegingskader wat betreft de noodzakelijkheid. Voor noodzakelijke verlengde jeugdhulp tot 23 jaar geldt dat: De hulp ingezet moet zijn voor de 18e verjaardag of het moet voor de 18e verjaardag zijn bepaald dat de hulp ingezet moet worden. Daarbij geldt ook dat er sprake kan zijn van verlengde jeugdhulp indien binnen een half jaar voor het bereiken van de 18e verjaardag wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd, toch nodig blijkt te zijn. Verlengde jeugdhulp kan alleen van toepassing zijn als deze niet valt onder een andere wet (Wlz, Zvw, Wmo 2015 etc.). Begeleiding na het 18ee levensjaar valt onder de Wmo 2015, behalve in deze gevallen: Als het gaat om hulp die vóór 2015 onder de Wet op de jeugdzorg viel, zoals gezinsbegeleiding, opvoedondersteuning of trainingen; Als de begeleiding samenvalt met verblijf dat valt onder de Jeugdwet. Hoofdstuk4.Meedoen in de gemeenschap (Wmo) 4.1.Vormen van Wmo-ondersteuning Het beoordelingskader voor een aanspraak op maatwerkvoorzieningen wordt bepaald enerzijds door de wet, die onder andere de doelgroep regelt en enkele criteria benoemt (zoals eigen kracht en gebruikelijke hulp). Anderzijds wordt het ook bepaald aan de hand van de Verordening, die enkele criteria bevat waaraan de cliënt moet voldoen om in aanmerking te komen voor een (maatwerk)voorziening op grond van de wet. Daarnaast geldt dat sprake moet zijn van maatwerk. Zie artikel 5 van de Verordening voor de voorwaarden om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen. Onderstaand worden conform artikel 10 lid 2 van de Verordening een aantal maatwerkvoorzieningen nader toegelicht. 4.2Begeleiding 18+ (Individuele Begeleiding, Dagbesteding en Groepsbegeleiding) 1.Begeleiding: Begeleiding is in de Wmo gedefinieerd als activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, zodat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven wonen. De bestaande producten zijn Individuele Begeleiding 1,2 en 3 (B1, B2, B3) en Groepsbegeleiding (G1). Nadere info over Wmo Begeleiding is te vinden via de productkaarten in bijlage 9 van deze beleidsregels. 2.Dagbesteding: Dagbesteding is een vorm begeleiding die wordt ingezet als maatwerkvoorziening in groepsverband. Er is behoefte aan een zinvolle dagbesteding. Deze kan ontstaan vanuit een beperkte dagstructuur, maar ook vanuit overbelasting van de mantelzorgers/ het sociaal netwerk. De focus is gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en maatschappelijke deelname/participatie. Er wordt voorzien in een zinvolle dagbesteding die niet is gericht op uitstroom naar (betaald of vrijwilligers-) werk. Men biedt structuur en passende activiteiten voor de dag. Het bieden van enige persoonlijke ondersteuning en/of begeleiding bij verzorgingstaken (bijv. ondersteuning bij de toiletgang) behoort tot deze ondersteuning. Passende dagbesteding wordt zo dicht mogelijk bij de cliënt georganiseerd. Bij dagbesteding wordt gewerkt met dagdelen van drie uur waarbij de cliënt daadwerkelijk op locatie aanwezig is. Er wordt passende dagbesteding op maximaal 10 kilometer afstand vanaf het huisadres van de cliënt vergoed mits dit aansluit bij de hulpvraag en of het daadwerkelijk beschikbaar is. Zie verdere informatie bij het product vervoer. De bestaande producten zijn Dagbesteding 1 en 2 (D1, D2). Nadere info over Wmo Dagbesteding is te vinden via de productkaarten in bijlage 9 van deze beleidsregels. 3.Algemene voorwaarden begeleiding Voorliggende voorziening: Het begrip voorliggende voorziening is niet opgenomen in de Wmo en kan niet als weigeringsgrond worden gehanteerd voor afwijzing van aanvragen waarvoor ook een beroep op een andere wet kan worden gedaan. Een aanvraag kan wel worden afgewezen als op grond van onderzoek (artikel 2.3.5 lid 4 Wmo) blijkt dat cliënt op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Hieronder wordt ook verstaan dat cliënt daadwerkelijk een beroep kan doen op andere wetten (zoals bijvoorbeeld de Zvw en Participatiewet, hierna te noemen de Pw). Zie voor nadere info hieronder. Behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw): Voordat begeleiding wordt geïndiceerd is het van belang dat wordt onderzocht of de hulpvraag een begeleidingsdoel of behandeldoel betreft. Als sprake is van een hoog medisch risico of behoefte aan geneeskundige zorg, waarvoor de expertise nodig is op het niveau van een specialist, dan is sprake van een behandeldoel. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld: ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde of in een revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reumacentrum). Behandeling is gericht op bijvoorbeeld: het aanleren van vaardigheden om met een aandoening stoornis/beperking om te gaan. Behandeldoelen vallen onder de Zvw. Anders dan in de Wet langdurige zorg (Wlz) is de diagnose niet leidend maar een diagnose is doorgaans wel vereist om behandeling in te kunnen zetten en om te bepalen hoe begeleiding de behandeling eventueel kan versterken (en niet contraproductief is). Begeleiding kan wel worden ingezet om tijdens de behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Soms kan begeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet; dan neemt de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen (hoofd)behandelaar en begeleider plaats te vinden. Ondersteuning vanuit de Participatiewet of scholing die cliënt volgt of kan volgen: Er zijn ook andere voorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan, voordat de maatwerkvoorziening “begeleiding” wordt overwogen. Hierbij kun je denken aan ondersteuning op grond van de Pw of scholing die de cliënt kan volgen. Zijn deze mogelijkheden voor aangepast werk of scholing er niet, dan kan begeleiding in de vorm van arbeidsmatige dagbesteding worden overwogen. Algemeen gebruikelijke voorzieningen: Als burgers een beperking hebben wordt bij activiteiten van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding vaak gedacht aan begeleiding. Wellicht zijn in die situaties andere opties mogelijk of is het gewoon de verantwoordelijkheid van de cliënt of zijn huisgenoten om deze beperking op te lossen. Er zijn veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen voorhanden (die burger zonder beperking ook zelf moeten regelen of betalen). Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn een computercursus, taalles of een bingoavond. Gebruikelijke hulp: Net als bij hulp bij het huishouden wordt bij begeleiding het begrip ”gebruikelijke hulp” gehanteerd. Op basis hiervan kan objectief worden vastgesteld welke taken gebruikelijk en welke boven-gebruikelijk zijn. Zie bijlage 10 (HHM normenkader 2019 incl. aanvullende instructie huishoudelijke hulp) en 9 (indicatieprotocol begeleiding) van deze beleidsregels voor een uitgebreidere beschrijving van dit begrip. Indiceren begeleiding: Om de hulpvraag te objectiveren en hierdoor richting te geven aan de indicatiestelling wordt gebruik gemaakt van het indicatieprotocol (zie bijlage 9 van deze beleidsregels). Naar aanleiding van de uitkomst van het indicatieprotocol wordt vervolgens onderzocht welke doelen de cliënt wil bereiken en of dit bereikt kan worden met eigen mogelijkheden, het sociaal netwerk, mantelzorg en andere voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen. Uiteindelijk wordt vastgesteld of de maatwerkvoorziening begeleiding passend en adequaat is voor het oplossen van de hulpvraag. Onderdeel van deze vaststelling is de keuze voor individuele begeleiding, groepsbegeleiding of dagbesteding, en hoeveel daarvan (in minuten/dagdelen) en voor welke periode. Ook wordt bepaald of vervoer van en naar de locatie waar dagbesteding wordt aangeboden nodig is. De indicatie begeleiding loopt maximaal 14 dagen door na verhuizing naar een andere gemeente. Tijdens deze periode worden afspraken gemaakt met de gemeente dat de desbetreffende gemeente de resterende looptijd van de indicatie overneemt. 4.3.Kortdurend verblijf 1.Kortdurend verblijf houdt in dat de cliënt maximaal drie etmalen per week in een instelling verblijft, bijvoorbeeld een gehandicapteninstelling of verpleeghuis. Het doel van kortdurend verblijf is het ontlasten van de mantelzorger, zodat deze de zorg langer kan volhouden en de cliënt thuis kan blijven wonen. Kortdurend verblijf kan tevens worden ingezet bij cliënten met een psychiatrische achtergrond, indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van opname in een woonvorm of in de geestelijke gezondheidszorg. 2.Bij de beoordeling van een aanvraag voor kortdurend verblijf wordt in eerste instantie onderzocht of voorliggende of andere passende voorzieningen toereikend zijn om de mantelzorger te ontlasten. Dagbesteding wordt daarbij aangemerkt als voorliggende voorziening, aangezien deze voorziening in belangrijke mate kan bijdragen aan de ontlasting van mantelzorgers. Indien dagbesteding of andere vormen van ondersteuning toereikend en passend worden geacht, wordt geen indicatie voor kortdurend verblijf verstrekt. Kortdurend verblijf wordt uitsluitend toegekend indien aannemelijk is dat dagbesteding en overige voorzieningen onvoldoende compenseren voor de zorgbelasting van de mantelzorger. 3.Omvang: De omvang van kortdurend verblijf bedraagt in beginsel 1 of 2 etmalen per week, afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt. Omdat het gaat om logeren ter ontlasting van de mantelzorger, geldt een maximum van 2 etmalen per week. 4.Indien dit noodzakelijk is en vaststaat dat andere oplossingen niet passend of beschikbaar zijn, kan in uitzonderlijke situaties een groter aantal etmalen worden toegekend. 5.Het is daarnaast denkbaar dat in specifieke situaties wordt toegestaan dat etmalen worden opgespaard, bijvoorbeeld om een verblijf van meerdere dagen mogelijk te maken zodat de mantelzorger op vakantie kan. Dan moet wel vaststaan dat andere oplossingen, zoals een vergoeding via de zorgverzekering, niet mogelijk zijn. Opsparen mag maximaal drie keer per jaar, met een gezamenlijk maximum van 21 etmalen over deze drie perioden. 6.Het maximale aantal etmalen per kalenderjaar bedraagt 156 etmalen (52 × 3 gemiddeld). 7.In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft wordt de dagelijkse zorg overgenomen. 8.Als verpleging nodig is moet dit geregeld worden via de Zvw. Ook behandeling valt niet onder kortdurend verblijf. 9.De cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. De cliënt kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of hulp uit het netwerk. Als de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pasje voor Taxbus, waarmee hij zich naar de instelling kan vervoeren. Kortdurend verblijf kent anders dan school of dagbesteding geen exacte starttijden zodat gebruik van een collectief vervoerssysteem als Taxbus (eventueel met begeleider) een geschikte oplossing biedt. 4.4Woonvoorzieningen 1.Er zijn diverse voorzieningen die het mogelijk maken om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving (dat kan de eigen woning zijn of een geschikte woning in dezelfde omgeving). Deze hebben tot doel het normale gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat dit geen elementaire woonfuncties betreffen. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel, zoals een dialyseruimte en therapeutische baden. 2.Wij onderscheiden de volgende woonvoorzieningen: Losse woonvoorzieningen: dit zijn voorzieningen die niet bouwkundig of woontechnisch zijn; Woningaanpassing: dit is een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woning (bijvoorbeeld een douchezitje aan de muur of een traplift); Primaat van verhuizen. 3.Voor kortdurend gebruik (maximaal 6 maanden) zijn losse woonvoorzieningen te leen via het uitleendepot van thuiszorgaanbieders of hulpmiddelenleveranciers. Losse voorzieningen hebben als voordeel dat deze vaak snel kunnen worden ingezet, soms voordeliger zijn, vaak voor meerdere doeleinden kunnen worden ingezet (bijvoorbeeld: een douchestoel ook gebruiken om aan de wastafel te zitten of om op te zitten bij het aankleden) en meegenomen kunnen worden in geval van verhuizing. 4.4.1.Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen 1.Er hoeft geen maatwerkvoorziening te worden verstrekt als deze algemeen gebruikelijk is. Van de cliënt wordt dan verwacht hier zelf over te kunnen beschikken. Criteria algemeen gebruikelijk Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535): niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Tijdens het onderzoek zal worden afgewogen of de aanpassing voorzienbaar was en het tot iemands verantwoordelijkheid gerekend kan worden hierin te voorzien. Een voorbeeld hiervan is dat een cliënt de badkamer vernieuwt, maar niet voor een douche op afschot zorgt en een bad aanschaft. Dit terwijl hij reeds beperkingen ervaarde en hierdoor moeite had om in en uit bad te stappen. In die situatie kan de woningaanpassing worden afgewezen. Per situatie moet dus worden bekeken of de voorziening ook daadwerkelijk voor cliënt algemeen gebruikelijk is. Dit blijft maatwerk. 2.Een aantal woonvoorzieningen is algemeen gebruikelijk en vallen daarom onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënten. Het zijn voorzieningen die ook gebruikt worden door cliënten zonder beperking en breed verkrijgbaar zijn, bijvoorbeeld in bouwmarkten of verkrijgbaar zijn via een ”oppluspakket” van de woningcorporatie. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen (niet-limitatief): Aangepaste box; Aankleedtafel voor kinderen tot 3 jaar; Aanrechtblad; Airco; Antislipvoorzieningen (waaronder sliptegels); Centrale verwarming; Douchekop op glijstang; Drempelhulpen; Handgrepen; Een-hendelkraan; Keukenapparatuur; Kookplaat (inductie, keramisch) Sokkels voor het plaatsen van een wasmachine c.q. koelkast; Spoel-föhntoilet; Stalling voor een driewielfiets; Steunbeugels bij bijvoorbeeld het toilet in de badkamer; Thermostaat mengkraan; Tweede toilet boven; Tweede trapleuning; Verhoogde wc-pot; Vervangen van lavet door douche; Wasdroger; Wasmachine; Wandbeugel. 4.4.2.Woningaanpassing 1.Afwegingskader woningaanpassing Het gesprek wordt gevoerd bij de cliënt thuis om zo de gehele situatie in beeld te krijgen. Bij het gesprek is het belangrijk dat een aantal zaken langsgelopen wordt. De volgende onderwerpen komen aan bod. Medische noodzaak onderzoeken Eigen verantwoordelijkheid Afweging verhuizen of aanpassen (primaat) Woonlastenconsequentie Eigenaar/huurder De wil om te verhuizen, zo nee waarom niet Sociale omstandigheden (mantelzorg, werk) Oplossingsrichtingen Goedkoopst compenserende oplossing Eigen bijdrage en eigen aandeel (de eigen bijdrage geldt ook voor de onderhoudsplichtige ouders als het om kinderen gaat) Van het gesprek wordt een verslag gemaakt. In dit verslag wordt de huidige woonsituatie, en de beperkingen die daarmee ondervonden worden, duidelijk omschreven. 2.Eigen kracht oplossingen in relatie tot woningaanpassingen Van cliënten mag een eigen reorganisatie vermogen worden verwacht. Het herinrichten of verplaatsen van voorwerpen die bijdragen aan het wegnemen van belemmeringen die cliënt ervaart. Denk hierbij aan: Indeling en situering van kasten en/of de koelkast; Welke praktische oplossing zonder kosten realiseerbaar is, bijvoorbeeld verplaatsen van meubelstukken, een tafeltje bijzetten, etc. De aanwezigheid van meerdere personen in huis en daarmee de noodzaak tot het zelf bereiden van maaltijden. Bij (oudere) alleenstaanden kan tevens het aanbod van de maaltijdvoorziening bij de afweging worden betrokken of het netwerk die voor magnetronmaaltijden zorgt. Aangezien de aanpassing van de woning een kostbare oplossing is, wordt ook de medische prognose m.b.t. functiebeperkingen van cliënt in overweging genomen. 3.Vervolg onderzoek Wanneer uit onderzoek blijkt dat er een probleem is in de huidige woning, volgt verder onderzoek naar een passende oplossing, zoals een verhuizing naar een aangepaste of beter aan te passen woning. Bij het afwegen worden de volgende aspecten meegenomen, namelijk: Op welke termijn kan het probleem worden opgelost? Afgewogen moet worden of een verhuizing snel het juiste resultaat biedt voor de zelfredzaamheid van de cliënt. Soms kan dat wel, maar soms ook niet. Beoordeeld moet worden, binnen welke termijnen er, ook uit medisch oogpunt, een oplossing voor het probleem gerealiseerd moet zijn. Hoe zien de sociale factoren eruit? Van belang daarbij onder andere de binding van de cliënt met de omgeving, aanwezigheid van mantelzorg en directe familie en aanwezigheid van belangrijke voorzieningen in de omgeving. Deze factoren moeten zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. Woonlasten en financiële draagkracht: Er moet een vergelijking gemaakt worden tussen de woonlasten in de oude en eventueel nieuwe woning. Alle woonlasten moeten daarin meegenomen worden. Het feit dat iemand van een koopwoning naar een huurwoning moet verhuizen mag geen belemmering zijn. Inkomsten uit de opbrengst van de koopwoning kunnen immers ook weer worden ingezet voor woonlasten. Verder kan een rol spelen dat iemand emotioneel erg gehecht is aan de woning en zelf al veel aanpassingen heeft gedaan. Ook de verkoopbaarheid van de woning kan een rol spelen. Beoordeeld zal ook moeten worden of er een redelijke prijs voor de woning wordt gevraagd en of er als gevolg van een restschuld geen financiële problemen ontstaan. Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte. Bekeken moet worden wat de kosten voor een aanpassing zijn en wat de kosten voor een verhuizing zijn. Mogelijke gebruiksduur van de aanpassing. Daarbij speelt de leeftijd van de bewoner een rol maar ook de vraag of, bij het verlaten van de woning, deze weer beschikbaar kan worden gesteld aan een persoon met beperkingen. 4.Wanneer een verhuizing geschikt is Als het college het primaat van verhuizen toepast, ontvangt de cliënt eenmalig een vast geldbedrag, een verhuiskostenvergoeding, bedoeld voor de kosten van verhuizing en inrichting. De huidige woning van de cliënt wordt dan niet aangepast. De vergoeding voor de verhuizing wordt gebaseerd op marktonderzoek en de vergoeding voor herinrichting op de Nibud-normen voor stoffering (met een maximaal bedrag van € 2.674,50). 5.Cliënt wil niet verhuizen Het college kan aan de hand van het medisch advies tot de conclusie komen dat verhuizen de meest compenserende oplossing is en om deze redenen besluiten het aanpassen van de huidige woning niet te vergoeden. Als alle factoren in de overweging zijn meegenomen en het college beslist dat verhuizen de goedkoopste compenserende voorziening is, dan is dat de voorziening die wordt verleend. Door het primaat bij verhuizen op te leggen heeft het college juridisch gezien een handvat om de cliënt geen voorziening voor het aanpassen van de huidige woning te verstrekken als deze niet wenst te verhuizen. Indien een cliënt niet wil verhuizen, kan het college niet worden verweten dat er niet aan de compensatieplicht wordt voldaan. Het college heeft immers een compenserende voorziening aangeboden, die echter niet door de cliënt geaccepteerd is. 6.Verhuizen van een geschikte naar een niet geschikte woning Als iemand verhuist naar een woning die niet passend is voor zijn of haar situatie, en daarna ondersteuning vraagt om de daardoor ontstane problemen op te lossen, kan het college die hulp weigeren. Wanneer iemand echter verhuist van een passende naar een niet-passende woning zonder toestemming van het college, betekent dat niet dat ondersteuning voor altijd kan worden uitgesloten. 7.Beoordelen offertes Voor de beoordeling van de offertes kan gebruik gemaakt worden van een (externe) bouwkundige. De volgende kosten kunnen in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening woningaanpassing: De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen dan vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking; De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen dan vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking; Het architectenhonorarium tot ten hoogste 3% van de aanneemsom met een minimumbedrag van € 500,00; De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden; De door het College (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen worden; De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; De kosten van (her)aansluiting op een openbare nutsvoorziening; De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, alsmede de administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de ondersteuning behoevende, beiden gezamenlijk tot een maximum van 5% van de kosten onder 1 t/m 9 met een maximumbedrag van € 500, –. Bij een seniorenwoning en woon-zorgcomplex is de verhuurder in beginsel verantwoordelijk. De verhuurder dient eerst contact op te zoeken met de verhuurder alvorens contact wordt gezocht met het college. Het college verstrekt enkel voorzieningen die in de seniorenwoning of woon-zorgcomplex niet standaard aanwezig horen te zijn. 8.Maximale kosten woningaanpassing Voor het geschikt maken van de woning geldt een beleidsmatige bovengrens van € 15.000, – voor woonvoorzieningen en -aanpassingen. Wanneer de geraamde kosten deze bovengrens overschrijden, onderzoekt het college naar het opleggen van het primaat van verhuizen. Ook bij lagere kosten kan het college dit onderzoek doen, indien er aanwijzingen zijn dat een verhuizing door de cliënt een beter of structureler resultaat oplevert. De bovengrens is bedoeld als oriëntatiepunt voor doelmatigheid en laat onverlet dat het college in alle gevallen een individuele afweging maakt om tot een passende compensatie te komen. Een woning wordt alleen aangepast als verhuizen naar een geschikte woning niet mogelijk of niet de goedkoopst compenserende oplossing is. In het geval van een woonvoorziening kan dit ook een verhuiskostenvergoeding in het kader van het primaat van verhuizen zijn. Het primaat van verhuizen houdt in dat het college een cliënt vraagt te verhuizen naar een geschikte woning in plaats van de huidige woning aan te passen. Als het college het primaat van verhuizen toepast, ontvangt de cliënt eenmalig een vast geldbedrag, een verhuiskostenvergoeding, bedoeld voor de kosten van verhuizing en inrichting. De huidige woning van de cliënt wordt dan niet aangepast. De vergoeding voor de verhuizing wordt gebaseerd op marktonderzoek en de vergoeding voor herinrichting op de Nibud-normen voor stoffering met een maximaal bedrag van € 2.674,50. Bij aanpassingskosten hoger dan € 15.000,00 wordt geen woningaanpassing uitgevoerd, maar geldt het primaat tot verhuizen, tenzij er individuele omstandigheden te noemen zijn waardoor verhuizen geen adequate oplossing is. Hierbij kan rekening worden gehouden met: De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; De aanwezigheid en beschikbaarheid van informele zorg; Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen; Volkshuisvestelijke afwegingen; Snelheid waarmee het woonprobleem opgelost kan worden; Sociale omstandigheden; Integrale afweging verschillende voorzieningen; Werksituatie; Woonlastenconsequenties; Wooncomfort; Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning; De wil van de cliënt om te verhuizen. 9.Terugbetaling Woningaanpassing De woningeigenaar kan, bij verkoop binnen 10 jaar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden, verplicht worden tot terugbetaling van de woonvoorziening, verminderd met 10% per jaar en exclusief de kosten die voor rekening van de eigenaar van de woonruimte gekomen zijn, indien de kosten van die voorziening een bedrag van € 5.000,00 te boven gaat. Hierbij wordt gedurende 10 jaar onderstaand afschrijvingsschema toegepast: 1e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 10% 2e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 20% 3e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 30% 4e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 40% 5e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 50% 6e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 60% 7e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 70% 8e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 80% 9e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 90% 10e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 100% 10.Mantelzorgwoning Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de cliënt had voorafgaand aan de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enzovoorts. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. Het college kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van ruimtelijke ordening. De uitgangspunten zoals hierboven beschreven sluiten aan bij de Beleidsregel Bijwonen met zelfstandige voorziening Geldrop-Mierlo 2026, die in het eerste kwartaal van 2026 wordt vastgesteld. Hierin worden nadere kaders gegeven voor het realiseren van zelfstandige woonvoorzieningen in het kader van mantelzorg. 11.Uitvoering woonvoorzieningen Een aanpassing kan pas worden uitgevoerd nadat de cliënt een beschikking heeft ontvangen. Indien een voorziening, nadat de werkzaamheden zijn aangevangen of voltooid, wordt aangevraagd kan dat tot de conclusie leiden dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid heeft genomen en zelf zijn probleem heeft kunnen oplossen, zodat ondersteuning niet nodig is. Voor onderhoud, keuring en reparatie van verstrekte woonvoorzieningen kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt, zolang de voorziening noodzakelijk is en aan de overige criteria wordt voldaan. 4.5Hulp bij het huishouden 1.Bij de verstrekking van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden stelt het college de omvang hiervan vast in uren en minuten per week. 2.Bij het bepalen van de omvang hanteert het college de werkmethodiek uit het normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 met aanvullende instructie 2022 (Bureau hhm) (bijlage 10). 3.De normen uit het normenkader worden niet een op een overgenomen, als uitgangspunt hanteert het college een maximum van twee uur inzet per week. 4.Het college kan de maximumomvang van twee uur per week overschrijden indien uit zorgvuldig onderzoek blijkt dat in de individuele situatie een grotere inzet noodzakelijk en adequaat is om de resultaten van de hulp bij het huishouden te bereiken. 5.Inzet van minuten ten behoeve van strijken is op basis van jurisprudentie niet nodig als iemand kan kiezen voor strijkvrije kleding. 4.6Vervoersvoorzieningen Als een cliënt problemen ervaart op het gebied van het dagelijks sociale vervoer, wordt onderzocht of de cliënt in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening. Hierbij spelen diverse aspecten een rol, zoals de vervoersbehoefte en de mogelijkheid om zelf in de vervoersbehoefte te voorzien. Heeft een cliënt bijvoorbeeld een auto of een brommer of kan de cliënt hulp inschakelen van het eigen netwerk? Uit jurisprudentie blijkt dat om te kunnen participeren de cliënt de mogelijkheden moet hebben om jaarlijks lokaal en regionaal (tot zo’n 25 km afstand vanaf de woning van de cliënt) 1500 km te kunnen reizen. Alle bovenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo Hiervoor is Valys door de wetgever aangewezen. Algemeen gebruikelijk en eigen kracht Bij de beoordeling van de eigen kracht in het kader van een vervoersvoorziening, wordt allereerst gekeken of iemand in staat is gebruik te maken van een eigen auto, de (brom-)fiets en/of van het openbaar vervoer. Daarnaast moet worden afgewogen of het vervoersprobleem kan worden opgelost door gebruik te maken van een algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening zoals een elektrische fiets. Een elektrische fiets (met trapondersteuning) is een voorziening die ook door personen zonder beperkingen wordt gebruikt en in de detailhandel te koop is. Ook speciale wensen aan auto’s kunnen als algemeen gebruikelijk worden beschouwd, waaronder een automaat of een airco. De cliënt komt in aanmerking voor een vervoersvoorziening als hij het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken. Het criterium ‘bereiken van het openbaar vervoer’ is door de CRvB geoperationaliseerd door middel van het loopafstandscriterium “maximale” loopafstand van 800 meter. Kan de cliënt 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo lopen, dan wordt de cliënt in staat geacht het openbaar vervoer te kunnen bereiken. Kan de cliënt het openbaar vervoer bereiken, maar is het onmogelijk het openbaar vervoer te gebruiken? Een voorbeeld hiervan is als de cliënt moeilijk of niet kan in- en uitstappen. Dan kan dit aanleiding zijn om een vervoersvoorziening toe te kennen. Er vindt altijd een individuele beoordeling plaats, waarbij wordt gekeken naar de vervoersbehoefte, de daadwerkelijke afstand tot de bushalte etc. Soorten vervoersvoorzieningen : Collectief vraagafhankelijk vervoer (deeltaxi); Bovenlokaal vervoer; Financiële tegemoetkoming (rolstoel)taxivervoer; Aanpassing eigen auto; Individuele vervoersvoorzieningen; Aanpassing aan de individuele vervoersvoorzieningen. 4.6.1Collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) 1.In lijn met artikel 10 lid 2 sub b van de Verordening biedt het college Collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) aan als een passende oplossing voor problemen bij het vervoer over langere afstanden. Het CVV is voorliggend op een andere maatwerkvoorziening. Hierbij zal altijd rekening worden gehouden met de persoonskenmerken en behoeften van de cliënt. Indien het CVV wordt toegekend zijn daarvan de belangrijkste kenmerken: Het vervoer omvat 25 kilometer vanuit de woonplaats; Ziekenhuizen en station(
- s)zijn, ook als het dichtstbijzijnde buiten de 25 kilometer valt, bereikbaar; Kosten bedragen het equivalent van het vervoer met het openbaar vervoer per kilometer, waarbij ook een opstaptarief betaald moet worden; De cliënt kan zich laten begeleiden door een niet gerechtigd persoon tegen hetzelfde tarief; Indien medische begeleiding geïndiceerd is, reist de medisch begeleider gratis mee; Per jaar mag 1500 kilometer gebruikt worden; Ritten kunnen worden aangevraagd via een gratis telefoonnummer; Ritten worden uitgevoerd met een marge van 15 minuten vóór en ná de afgesproken tijd; Rolstoelen en scootmobielen kunnen mee vervoerd worden; De taxichauffeur begeleidt de cliënt van (centrale) deur tot (centrale) deur. 2.Cliënten die in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening via de Wmo ontvangen jaarlijks een kilometerbudget van 1500 kilometer waarmee zij op gemeentelijke kosten gebruik maken van Taxbus. Dit plafond is gebaseerd op een gemiddelde vervoersbehoefte die nodig is voor maatschappelijke participatie. 3.Wanneer het gebruik structureel boven dit plafond uitkomt, beoordeelt het college of sprake is van een bijzondere situatie die een uitbreiding rechtvaardigt. Het college kan het plafond in individuele gevallen tijdelijk of structureel verhogen, als dit noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid of participatie. Indien extra kilometers niet noodzakelijk worden geacht in het kader van de Wmo, komen deze voor eigen rekening van de client. 4.6.2Bovenlokaal vervoer Het college is alleen verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening gericht op de lokale vervoersbehoefte van de client. Dat betekent ook dat het onderzoek naar de vervoersbehoefte alleen gericht is op de lokale verplaatsingen. Voor bovenlokale verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van Valys. Met Valys kan een reis van deur tot deur geboekt worden, waar het gebruik van een taxi mogelijk gecombineerd kan worden met het openbaar vervoer of aanvullend openbaar vervoer. Elke pashouder ontvangt een persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarnaast kent Valys een hoog persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarvoor is een indicatie nodig (aan te vragen bij Valys). 4.6.3Financiële tegemoetkoming Wanneer de cliënt niet met het CVV kan reizen, is er een maatwerkvoorziening mogelijk in de vorm van een financiële tegemoetkoming (rolstoel)taxivervoer op declaratiebasis. Tegemoetkoming sportvoorzieningen De sportrolstoel is een voorziening die meegenomen is vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) zonder dat deze sportrolstoel in de Wmo wordt genoemd. De sportrolstoel is een bovenwettelijke voorziening, in de Wvg opgenomen naar aanleiding van een verzoek van de Tweede Kamer. De vergoeding dient beschouwd te worden als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf en onderhoud voor een periode van drie jaar. Na drie jaar kan opnieuw een financiële tegemoetkoming worden toegekend. De tegemoetkoming voor de aanschaf, onderhoud en reparatie van een sportvoorziening is een forfaitair bedrag en is vastgesteld op €2.500 voor een handbewogen sportvoorziening en € 4.000,- voor elektrische sportvoorziening (bedragen zijn inclusief BTW) De tegemoetkoming wordt maximaal eenmaal per drie jaar verstrekt en alleen als de met een reeds eerder toegekende tegemoetkoming aangeschafte voorziening technisch is afgeschreven dan wel niet meer geschikt is. Uitbetaling van de tegemoetkoming voor de sportvoorziening vindt plaats direct na de toekenning ervan. Een sportvoorziening kan worden toegekend, wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport. Om voor een sportvoorziening in aanmerking te komen, moet er sprake zijn van een actieve sportbeoefening. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Het college is verder niet verplicht om sporten op hoog niveau mogelijk te maken. 4.6.4Aanpassing eigen auto Autoaanpassingen zijn erop gericht lokale verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto. Dat wil zeggen dat het primaat van CVV bij hen niet kan worden toegepast. In de praktijk zal dat niet vaak voorkomen. Sommige autoaanpassingen kunnen algemeen gebruikelijk zijn als de client voornemens is een auto aan te schaffen. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Voor deze aanpassingen kan in ieder geval geen beroep worden gedaan op de Wmo 2015 als gebruik kan worden gemaakt van het CVV (vergelijk CRVB:2011:BU7172). Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd: Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen én is het CVV (waaronder individueel taxivervoer) geen passende bijdrage? Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de client zijn aangewezen op vervoer door diens partner; diens auto wordt dan beoordeeld op noodzaak tot aanpassing. Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage? Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)? Het college hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is nog ten minste zeven jaar te gebruiken moet zijn. Daarvoor doet het college onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto. Verder speelt het aantal kilometers dat met auto is gereden een rol. Is er al 100.000 kilometer of meer gereden, dan is een autoaanpassing meestal niet meer verantwoord. Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld ANWB) nodig zijn. Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Fondsenwerving Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de client daar op is aangewezen. Het kan echter wel voorkomen dat een clien met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de client daarover vooraf met het college contact te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen. 4.6.5Individuele vervoersvoorzieningen 4.6.5.1 Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. Een scootmobiel wordt enkel verstrekt als: Er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers; De client een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel; Er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets; Het CVV alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage); De client zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met rijvaardigheidstest); Er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden. Stalling van de scootmobiel Het stallen van vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, moet op een adequate wijze gebeuren. Bij verstrekking in natura (bruikleen) vloeit de verplichting voort uit de bruikleenovereenkomst. Het college kan met de leverancier overleggen wat adequaat stallen inhoudt. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd. In de stallingsruimte kan een oplaadpunt nodig zijn. Ingeval van een pgb geldt de voorwaarde van een adequate stalling vanzelfsprekend ook. Eigen mogelijkheden Het college onderzoek of de client zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Het stallen van een scootmobiel in bijvoorbeeld de hal is een acceptabel alternatief voor het realiseren van een adequate stalling of het verbreden van een tuinpoort (CRVB:2023:1642). Dat is anders als de client bijvoorbeeld de hal niet in kan rijden of er met een gestalde scootmobiel geen voldoende ruimte is om deze te kunnen passeren. Heeft de client geen mogelijkheden tot het stallen van de voorziening, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college. 4.6.5.2 Elektrische fiets Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid, door te willen blijven fietsen, is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Dat betekent ook dat een noodzaak voor het verstrekken van een elektrische fiets afhankelijk is van de mogelijkheid zich te verplaatsen op een gewone fiets waarmee wordt voorzien in de vervoersbehoefte. Heeft een cliënt een medisch gelimiteerde inspanningscapaciteit of lichamelijke beperkingen, zoals krachtsverlies, waardoor hij met een gewone fiets niet kan voorzien in de noodzakelijke vervoersbehoefte, dan kan een elektrische fiets aangewezen zijn (CRVB:2021:1595). Maar het college beoordeelt ook of de gewenste elektrische fiets de goedkoopst passende bijdrage is. Een scootmobiel kan namelijk goedkoper zijn. 4.6.5.3 Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maken het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een bijzondere fiets gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar in ieder geval als algemeen gebruikelijke voorziening wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt gelet op de hoogte van de kosten. Een driewielfiets kan in uitzonderlijke gevallen als maatwerkvoorziening worden verstrekt als dit noodzakelijk is voor het behouden of vergroten van de zelfredzaamheid of participatie van de client. Het uitgangspunt is dat een scootmobiel doorgaans de goedkoopst adequate oplossing is voor vervoersproblemen. Een driewielfiets, in welke vorm dan ook, wordt alleen overwogen wanneer: Een scootmobiel niet geschikt of niet bruikbaar is voor de cliënt, en De driewielfiets noodzakelijk is om dagelijkse sociale activiteiten te kunnen blijven uitvoeren. Het bevorderen van beweging of een gezonde leefstijl is geen op zichzelf staand doel van de Wmo en vormt daarom geen grond voor verstrekking van een driewielfiets. 4.6.6Aanpassing aan de individuele vervoersvoorzieningen 1.Met deze aanpassingen wordt bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op vervoersvoorziening zitten maar wel medisch noodzakelijk zijn voor de cliënt. 2.Bij beperkingen op het gebied van vervoer ligt het primaat bij het gebruik van Taxbus (CVV). Dat wil zeggen dat wanneer men geen gebruik kan maken van het reguliere openbaar vervoer, men in aanmerking komt voor een pas van Taxbus. Alleen wanneer is aangetoond dat Taxbus niet geschikt is voor de cliënt en niet tot gewenste resultaat leidt, kan een andere individuele vorm van ondersteuning onderzocht worden. 4.7.Beoordeling financiële draagkracht 1.Bij het vaststellen van de tegemoetkoming voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo, houdt het college rekening met de draagkrachtcriteria zoals gehanteerd bij de bijzondere bijstand. Daarbij geldt het uitgangspunt dat een cliënt met een inkomen op minimumniveau een voorziening financieel kan dragen, indien de kosten daarvan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de voor de betrokkene geldende bijstandsnorm. Het college kan tevens rekening houden met de mogelijkheid van het gebruik van beschikbare tweedehands of herbruikbare voorzieningen. 4.8.Aansprakelijkheid Als het college een bedrag betaalt dat voor rekening komt van een andere aansprakelijke partij, bijvoorbeeld bij letselschade, heeft het college een regres recht. Dit betreft het recht om uitbetalingen te verhalen op de aansprakelijke partij. Hoofdstuk5.Voorzieningen: Toegang, onderzoek en beoordeling voor Jeugdhulp en Wmo 5.1.Signalen van onveiligheid Alle professionals die door het college ingezet worden voor Jeugdhulp en Wmo, moeten zich in lijn met artikel 3 lid 1 sub k van de Verordening houden aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Er zijn vanuit de meldcode ook binnen het CMD en PlusTeam aandachtsfunctionarissen huiselijk geweld en kindermishandeling opgeleid. Bij hen kan er advies worden ingewonnen als er vermoedens van onveiligheid zijn. 5.2.Het ontbreken van gegevens. Een aanvraag kan niet in behandeling worden genomen als essentiële gegevens ontbreken. In dat geval wordt een incompleet ondersteuningsplan opgesteld, waarin wordt vermeld dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen. 5.3.Ondersteuningsplan 1.Binnen vier weken na het gesprek ontvangt de cliënt conform artikel 16 van de verordening een verslag van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek. Dit geldt voor zowel Wmo en Jeugd. Het college legt daarin alleen die gegevens die noodzakelijk zijn vast. De gegevens die noodzakelijk zijn, zijn terug te vinden in paragraaf 2.3. 2.Als het college meer informatie nodig heeft voor het verslag of als ontbrekende informatie opgevraagd moet worden, waardoor het verslag niet binnen de hiervoor genoemde termijn kan worden toegestuurd, dan wordt de cliënt schriftelijk geïnformeerd, met onderbouwing, over het uitstel van de termijn en de reden hiervoor. 3.Uit het verslag blijkt welk resultaat de cliënt wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd. Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn. 4.De cliënt tekent het verslag voor ‘gezien’ of ‘akkoord’ en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen 5 werkdagen geretourneerd is aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. Een ondertekend verslag van het gesprek wordt aangemerkt als een aanvraag. Indien het verslag niet binnen 5 werkdagen wordt teruggestuurd, kan het college maximaal twee keer een herinneringsbericht sturen met het verzoek om het verslag alsnog binnen telkens 5 werkdagen retour te zenden (in totaal maximaal 10 werkdagen extra). Wanneer het verslag ook na deze termijn niet wordt geretourneerd, vervalt het proces tot aanvraag. 5.Als de cliënt het niet eens is met het verslag, kan hij dit tijdens het ondertekenen vermelden met als opmerking ‘voor gezien, maar niet akkoord’. 6.Het ondersteuningsplan bevat de informatie de zorgaanbieders nodig hebben voor een aanmelding en het opstarten van de hulp. 7.Bij een medische verwijzing onderzoeken jeugdhulpaanbieders of er mogelijk sprake is van onderliggende factoren en schakelen het lokale team in bij bredere problematiek (problematiek waarvoor de zorgaanbieder niet de benodigde expertise in huis heeft) dan waarvoor zij de expertise hebben. 8.Een PGB-plan wordt onderdeel van het perspectiefplan als de cliënt een PGB wenst, en het PGB-plan wordt opgesteld door de cliënt of diens vertegenwoordiger. 9.Een aanvraag kan niet in behandeling genomen worden als essentiële gegevens, zoals aangegeven in artikel 2.3. In dat geval wordt een incompleet ondersteuningsplan opgesteld, waarin wordt vermeld dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen. 5.4.Afwegingskader ‘met terugwerkende kracht’ 1.Een aanvraag voor ondersteuning op grond van de Jeugdwet of de Wmo wordt in principe niet met terugwerkende kracht toegekend. De ondersteuning of voorziening wordt toegekend vanaf de datum waarop de aanvraag is ontvangen door het college (stempel postkamer of digitale ontvangstbevestiging). 2.Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken in uitzonderlijke situaties. De volgende criteria worden daarbij meegewogen: Schriftelijke toestemming: wanneer de cliënt of zorgaanbieder schriftelijk kan aantonen dat het CMD of het lokale team toestemming heeft gegeven om de zorg of ondersteuning alvast te starten, wordt de aanvraag regulier beoordeeld en kan reeds ingezette zorg worden vergoed. Tijdige melding bij bevoegde verwijzer (Jeugdwet): wanneer de jeugdige of ouder zich tijdig heeft gemeld bij een bevoegde verwijzer, zoals een medisch specialist of gecertificeerde instelling, kan de aanvraag met terugwerkende kracht worden toegekend. Acute noodsituatie (crisis): wanneer het uitblijven van hulp binnen 24 uur zal leiden tot onaanvaardbare gezondheids- of veiligheidsrisico’s. Vertraging aan gemeentelijke zijde: wanneer de cliënt tijdig een verlenging of aanvraag heeft gedaan, maar het college niet op tijd heeft beslist, wordt de reeds ingezette zorg vergoed tot aan de datum van het besluit. 3.Als de cliënt op eigen initiatief zorg heeft gestart of afgerond vóór de melding bij het college, wordt de aanvraag in principe afgewezen. Het college kan dan niet meer vaststellen of de zorg noodzakelijk en passend was. 4.De cliënt is zelf verantwoordelijk voor een tijdige melding, bij voorkeur minimaal acht weken vóór afloop van een bestaande beschikking. 5.In alle gevallen geldt dat de beoordeling plaatsvindt op basis van maatwerk, met inachtneming van redelijkheid en billijkheid. Zie voor de werkwijze bijlage 11 (werkproces terugwerkende kracht) van deze beleidsregels. 5.5.Beoordeling bij Wmo Om te bepalen of het college maatwerkvoorziening verleent, volgt het college de volgende stappen: Het college stelt eerst vast wat de maatwerkvoorzieningvraag van de cliënt is. Het college stelt hierna vast welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn. Het college bepaalt welke maatwerkvoorziening noodzakelijk is om het probleem op te lossen of met beperkingen om te gaan en het gewenste resultaat te bereiken. Het college onderzoekt samen met de wat de cliënt zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke maatwerkvoorziening, maatwerkvoorziening van mantelzorgers, maatwerkvoorziening van anderen uit het sociale netwerk en van andere voorzieningen of organisaties. 5.6.Beoordeling bij Jeugdwet Om te bepalen of het college jeugdmaatwerkvoorziening verleent, volgt het college de volgende stappen: Het college stelt de hulpvraag vast. Het college onderzoekt of het college verantwoordelijk is (woonplaatsbeginsel). Het college onderzoekt of de Jeugdwet van toepassing is. Het college brengt in kaart wat de beperkingen/problematiek is van de jeugdige. Is er sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen? En als daar sprake van is, maak concreet om welke problemen en/of stoornissen het gaat Het college bepaalt welke hulp naar aard en omvang nodig is. Het college onderzoekt in hoeverre de eigen mogelijkheden van ouders en/of het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de hulp te bieden. Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden? Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden? Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op? Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouder wordt geboden? Het college onderzoekt of er aanspraak bestaat op een voorliggende voorziening. Het college onderzoekt of er aanspraak bestaat op een algemene voorziening. Het college informeert de aanvrager over de mogelijkheid van het aanvragen van een persoonsgebonden budget. Indien aangevraagd: beoordeelt het college of aan de voorwaarden PGB voldaan wordt. Gedurende het hele beoordelingsproces van de aanvraag wordt de deskundigheid ingezet die nodig is. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet het college die in. Het college stelt de cliënt op de hoogte van welke bijzondere deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt. 5.7.Doelen 1.De cliënt en het lokale team of GI bespreken samen de doelen die de inzet van de specialistische zorg moet opleveren en zetten dit in het ondersteuningsplan. 2.De medische verwijzer kan bij jeugdhulp het lokale team betrekken voor consultatie en advies bij het opstellen van de doelen. 3.De zorgaanbieder werkt aan de doelen uit het ondersteuningsplan. 4.In het geval van een (huis)artsverwijzing stelt de zorgaanbieder samen met de ouders de doelen op, voor zover deze niet uit de verwijzing blijken. 5.Wanneer de doelen in het ondersteuningsplan wijzigen, wordt de medische verwijzer betrokken. 6.Resultaten beschrijven de te bereiken doelen van de zorg. Deze kunnen gericht zijn op ontwikkeling (herstel) of stabilisatie. Ook kunnen de doelen bestaan uit het beschrijven van de hulpvraag, op het moment dat de te bereiken doelen nog onvoldoende duidelijk zijn. Er kunnen door verschillende organisaties en personen worden gewerkt aan het behalen van de doelen. 7.De zorgaanbieder of GI kan het lokale team inschakelen in verband met een nieuwe of aanvullende hulpvraag, wanneer de hulp aan een gezin is afgerond. Dit gebeurt in afstemming met het gezin en er is sprake van een warme overdracht. 5.8.Coördinatie van zorg 1.Onder coördinatie wordt verstaan: het afstemmen en coördineren van hulp en ondersteuning die door verschillende partijen aan het gezin wordt geboden, en het evalueren van deze hulp en ondersteuning met het gezin en de betrokken organisaties. 2.De coördinatie van zorg wordt in samenspraak met cliënten vormgegeven. Onderdeel hiervan is om aan het begin van het bieden van de zorg te bepalen wie de coördinatie van zorg uitvoert en hoe dit plaatsvindt. Uitgangspunten hierbij zijn: De coördinatie ligt zo veel mogelijk bij de cliënten. Als er meerdere partijen betrokken zijn, zorgen deze partijen ervoor dat aanspreekpunten duidelijk belegd zijn of waar mogelijk er één aanspreekpunt is. Bij een hulpvraag die betrekking heeft op meerdere levensgebieden en als complex wordt gedefinieerd, wordt het PlusTeam betrokken. Wanneer sprake is van gezinnen die vragen om meer regie op het gebied van veiligheid en waarin een ondertoezichtstelling, een voogdijmaatregel en/of een jeugdreclasseringsmaatregel is opgelegd, is de gecertificeerde instelling verantwoordelijk voor de coördinatie van zorg en het contact met jeugdige en ouders. 5.9.Inhoud besluit 1.Een besluit (ook wel beschikking genoemd) bevat: De toekenning of afwijzing van een maatwerkvoorziening De vorm waarin de voorziening wordt geleverd; Inhoud, doel en duur van de voorziening Voorwaarden en verplichtingen 2.Bij een maatwerkvoorziening in natura, naast de onderdelen uit lid a: Wat de maatwerkvoorziening inhoudt en waarvoor de maatwerkvoorziening bedoeld is; Wat het te behalen resultaat is van de maatwerkvoorziening; Wanneer de maatwerkvoorziening ingaat en hoe lang de maatwerkvoorziening duurt; Door wie de maatwerkvoorziening wordt gegeven; Welke voorwaarden en verplichtingen er voor de maatwerkvoorziening gelden; Welke andere voorzieningen relevant zijn. 3.Bij een maatwerkvoorziening voor PGB, naast de onderdelen uit lid a: Waarvoor het PGB bedoeld is; Hoe hoog het PGB is en hoe daartoe gekomen is; Wanneer het PGB ingaat en wanneer het PGB eindigt; Hoe de besteding van het PGB verantwoord wordt; Welke voorwaarden en verplichtingen er voor het PGB gelden. Welke andere voorzieningen relevant zijn. 4.Bij een financiële tegemoetkoming, naast de onderdelen uit lid a: Voor welk doel de tegemoetkoming wordt gegeven; Wanneer de tegemoetkoming wordt betaald; Hoe vaak de tegemoetkoming wordt betaald; en Welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor de uitbetaling. De hoogte van de tegemoetkoming en hoe dat bedrag is tot stand gekomen. 5.In het besluit moet vermeld worden dat bezwaar gemaakt kan worden en de wijze waarop dat dan dient te gebeuren. Hoofdstuk6.De vorm van de maatwerkvoorziening 6.1.Zorg in Natura als vertrekpunt De cliënt die een maatwerkvoorziening van het college krijgt, ontvangt de maatwerkvoorziening (een dienst of een product) in principe in natura, tenzij de cliënt kan onderbouwen te voldoen aan de voorwaarden uit de Verordening voor een PGB. 6.2.Motiveren PGB 1.De formulering van het eerste lid van artikel 8.1.1. van de Jeugdwet en artikel 2.3.6. lid 2 van Wmo 2015 geven aan dat het uitgangspunt is dat de cliënten een voorziening ‘in natura’ krijgen. Cliënten die een PGB wensen te ontvangen moeten dit motiveren. De motivering is samen met de bekwaamheid onderdeel van het PGB-plan. Voor de motivering geldt dat: Uit de motivering moet blijken dat de cliënt zich voldoende heeft georiënteerd op de voorziening in natura. Gemotiveerd moet worden waarom het aanbod in natura niet passend is. De verantwoordelijkheid ligt dus bij de cliënt om zelf duidelijk te maken waarom hij of zij die voorziening in natura niet passend vindt. Het college beoordeelt of de cliënt een goede en overtuigende motivering heeft gegeven en of die motivering in het PGB-plan is onderbouwd. 2.Voorbeelden van een motivering zijn: ondersteuning die op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden; ondersteuning die op verschillende locaties moet worden geleverd; het is noodzakelijk om 24 uur ondersteuning op afroep te organiseren. 3.De kwaliteit van de maatwerkvoorziening dient voldoende gewaarborgd te zijn. 4.Het PGB-budget kan niet besteed worden als vrij besteedbaar budget, zoals administratieve kosten. 6.3Eisen (gemachtigde) budgethouder 1.Indien een cliënt kiest voor ondersteuning in de vorm van een PGB dan moet hij als budgethouder voldoen aan de voorwaarden gesteld in lid 3 van dit artikel. Treedt een vertegenwoordiger op als budgethouder namens de cliënt dan dient deze naast lid 3 ook te voldoen aan lid 4 van dit artikel. 2.De budgethouder dan wel zijn gemachtigde vertegenwoordiger dienen het budgetplan voor akkoord te tekenen. Door ondertekening gaat de budgethouder of vertegenwoordiger akkoord met alle verplichtingen die gelden vanuit de Wmo en is (mede) verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van het PGB. 3.Een (gemachtigde) budgethouder: Is verantwoordelijk dat het PGB goed wordt beheerd en dat aan taken, eisen en verplichtingen die bij een PGB horen, wordt voldaan. Voert regie over de inhoud van de ondersteuning die wordt ingekocht met het PGB. Treedt op als werkgever/opdrachtgever naar zorgverlener(s). Bewaakt de kwaliteit van de geleverde ondersteuning. Houdt regie over het behalen van de gestelde doelen en daarvoor regelmatig evaluatiegesprekken houdt met de zorgverleners. Voldoet aan de geschiktheidseisen zoals genoemd in artikel 21.4, tweede lid, van de verordening. 4.Daarnaast, een gemachtigde vertegenwoordiger: Is aanwezig bij gesprekken met vertegenwoordigers van het college betreffende de hulpvragen in het kader van de Wmo. Is gemachtigd door de budgethouder (kopie machtigingsformulier SVB toevoegen). Maakt voor de digitale dienstverlening van de SVB uitsluitend gebruik van de DigiD-gegevens van uzelf (de vertegenwoordiger). Krijgt geen geld uit het PGB-budget voor zijn werkzaamheden als vertegenwoordiger. Is niet de zorgverlener, die vanuit het PGB wordt betaald. 6.4Categorieën zorgaanbieders Deze bepaling beschrijft de categorieën zorgaanbieders die binnen een persoonsgebonden budget (pgb) kunnen worden ingezet en de eisen die aan deze aanbieders worden gesteld. Een geregistreerde (zorg)organisatie/instelling: Inschrijving Kamer van Koophandel; Heeft minimaal twee medewerkers in dienst; Medewerkers ontvangen een salaris dat passend is voor hun beroepsgroep en functie; De eigenaar en medewerkers zijn geen eerstegraads familie van degene aan wie ze zorg verlenen; De locatie waar de zorg wordt gegeven dan wel de wijze waarop de ondersteuning is georganiseerd voldoet aan de gangbare eisen die aan de betreffende ondersteuning wordt opgesteld. Zelfstandige zonder personeel: Inschrijving Kamer van Koophandel; Voldoet aan wettelijke bepalingen zoals deze van toepassing zijn op ZZP; Ontvangen een salaris dat passend is voor hun beroepsgroep en functie; De zorgverlener is geen eerstegraads familie van degene aan wie zorg wordt verleend; De locatie waar de zorg wordt gegeven dan wel de wijze waarop de ondersteuning is georganiseerd voldoet aan gangbare eisen die aan de betreffende ondersteuningen wordt gesteld. Informele ondersteuning niet behorende tot familie dan wel sociaal netwerk: Aanbieders en personen die niet voldoen aan de criteria voor een formele hulp (het gaat dan veelal om personen uit het informele circuit); Aanbieder behoort niet tot het sociale netwerk dan wel familie van de cliënt; De locatie waar de zorg wordt gegeven dan wel de wijze waarop de ondersteuning is georganiseerd voldoet aan de gangbare eisen die aan de betreffende ondersteuning wordt gesteld. Informele ondersteuning behorende tot het sociaal netwerk dan wel familie: Aanbieders en personen die niet voldoen aan de criteria voor formele hulp; Behorende tot het sociale netwerk dan wel familie van de cliënt; De locatie waar de zorg wordt gegeven dan wel de wijze waarop de ondersteuning is georganiseerd voldoet aan de gangbare eisen die aan de betreffende ondersteuning wordt gesteld. De 1e en 2e graad familiebanden gaan voor op kwalificatie bij de vaststelling van het formele of het informele tarief. Hiervan kan worden afgeweken wanneer de beoogde hulpverlener meer dan één cliënt heeft. 6.5Hoogte PGB In de Verordening is de hoogte van het PGB opgenomen. Op basis van de daar genoemde tarieven wordt het PGB-budget bepaald. Voor een PGB geldt: Het PGB-tarief is een all-in tarief. Dat betekent dat alle zorg-gerelateerde kosten hierin zijn opgenomen. Het PGB kan niet worden gebruikt voor niet-zorg-gerelateerde kosten (er is geen vrij besteedbaar budget), zoals administratieve kosten. De budgethouder zorg voor een hoger tarief in mag kopen dan de door het college beschikbaar gestelde budgetten. Er kunnen dan minder uren worden ingekocht of de budgethouder kan een vrijwillige storting doen. De budgethouder motiveert in het PGB-plan hoe de kwaliteit en de doelen worden gegarandeerd als er minder uren worden ingekocht. Het lokale team kan een PGBweigeren als deze motivering ontoereikend is. Een voorbeeld is een PGB voor verblijf dat voor 3 dagdelen is toegekend, maar waar door het hogere budget maar 2 dagdelen wordt ingekocht. 6.6PGB plan format Het college stelt een PGB plan format ter beschikking, cliënten worden geacht dit format te hanteren voor het opstellen van een PGB plan. 6.7Controle van het PGB In lijn met artikel 25 van de verordening, geldt het volgende omtrent controle van het PGB: De Sociale verzekeringsbank controleert vooraf de zorgovereenkomst(
- en)tussen de budgethouder en zijn zorgverlener arbeidsrechtelijk. Het college controleert vooraf de zorgovereenkomst op de afspraken zoals overeengekomen in het budgetplan. Het college kan, achteraf, na afloop van de verstrekking dan wel na afloop van enig kalenderjaar, de verstrekte persoonsgebonden budgetten, middels een steekproef controleren. Het college kan op basis van een steekproef een verdere controle uitvoeren aan de hand van door de budgethouder te overleggen relevante, originele en gedateerde facturen en/of betaalbewijzen en/of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen. In verband met de in lid d van dit artikel genoemde controle dient de budgethouder gedurende een periode van 3 jaar bewijsstukken te bewaren van de besteding van het persoonsgebonden budget. Indien, met de in dit artikel genoemde bescheiden niet of niet volledig adequate besteding van het persoonsgebonden budget aangetoond kan worden of bij gebleken misbruik dan wel aanwending van het persoonsgebonden budget ten behoeve van andere zaken dan waartoe dit is toegekend, kan het college het al verstrekte persoonsgebonden budget geheel of ten dele intrekken en terugvorderen. In geval een persoonsgebonden budget voor een eenmalige aanschaf vooraf wordt uitbetaald, controleert het college de besteding hiervan achteraf. Cliënt dient binnen 3 maanden na verstrekking van het persoonsgebonden budget desgevraagd een originele nota te kunnen overleggen. Het vastgestelde persoonsgebonden budget betreft een maximum vergoeding. Indien de ingediende nota lager is dan het toegekende PGB, zal het PGB worden gelijkgesteld met het bedrag vermeld in de nota. Bij overlijden van de cliënt zal het persoonsgebonden budget voor periodieke dienstverlening worden stopgezet per eerste dag van de maand volgend op de maand van overlijden. 6.8Voorwaarden (aan te kopen voorzieningen met) persoonsgebonden budget 1.Op het persoonsgebonden budget voor een voorziening c.q. hulpmiddel zijn de volgende voorwaarden van toepassing: De voorziening moet voorzien zijn van een minimaal CE-keurmerk; De afschrijvingstermijn bedraagt 7 jaar, tenzij anders aangegeven. Als na 7 jaren de voorziening nog in alle redelijkheid bruikbaar is, wordt geen nieuwe maatwerkvoorziening verstrekt. Vervanging na minder dan 7 jaar geschiedt alleen na een technisch afkeuringsrapport. Indien de cliënt geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 7 jaren dan gaat het college over tot herziening/intrekking. Bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen persoonsgebonden budget wordt de beginwaarde van de maatwerkvoorziening gerelateerd aan een reële lineaire afschrijvingsduur; Indien de cliënt geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 7 jaren kan het verstrekte voorschot voor onderhoud, reparatie en verzekering van het persoonsgebonden budget teruggevorderd worden door het college, waarbij rekening wordt gehouden met de tijd tussen verstrekking en gebruik. 2.Indien de voorziening nog redelijk bruikbaar is na 7 jaar, dan vergoedt het college de kosten voor reparatie en regulier onderhoud, zolang de voorziening bruikbaar is en de kosten van reparatie en onderhoud opwegen tegen de kosten van de verstrekking van een nieuwe voorziening. Deze kosten van reparatie en onderhoud moeten voorafgaande aan het uitvoeren hiervan aan het college worden voorgelegd ter instemming. Hoofdstuk8.Kwaliteit en aanbesteding 8.1.Kwaliteit van diensten en producten Alle diensten en producten die het college afneemt bij niet-gecontracteerde zorgaanbieders moeten minimaal voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen als die voor gecontracteerde aanbieders en middelen gelden, conform de landelijke contractstandaarden. Bij een persoonsgebonden budget (PGB) ligt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit bij de cliënt zelf. Bij niet-gecontracteerde zorgaanbieders die werken op basis van een maatwerkovereenkomst is het college verantwoordelijk voor de controle op de naleving van de kwaliteitseisen. De specifieke kwaliteitseisen voor jeugdhulp zijn opgenomen in de Producten- en Dienstencatalogus (PDC) van 10 voor de Jeugd. De kwaliteitseisen voor de Wmo zijn te vinden in de PDC Wmo, beschikbaar via www.geldrop-mierlo.steunwijzer.nl. Hoofdstuk10.Slotbepalingen 10.1Intrekking oude beleidsregels en toepasselijkheid 1.De ‘Beleidsregels Jeugdhulp en Wmo 2022’ wordt ingetrokken op het gelijktijdige moment van inwerkingtreding van de Beleidsregels Jeugdhulp en Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Geldrop-Mierlo 2026. 2.Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle aanvragen die worden ontvangen op of na de datum van inwerkingtreding. 3.Voor lopende voorzieningen en reeds genomen besluiten blijft het beleid van toepassing dat gold op het moment van besluitvorming, totdat het college een nieuw besluit neemt. 4.Lopende voorzieningen behouden hun geldigheid tot het einde van de beschikkingstermijn, tenzij zich omstandigheden voordoen die aanleiding geven tot herziening of beëindiging. 10.2Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze beleidsregels treedt in werking op 1 januari 2026. 2.Deze beleidsregels wordt aangehaald als: Beleidsregels Jeugdhulp en Wmo gemeente Geldrop-Mierlo 2026. Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo op 16 december 2025.het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de heer N.J.H. Scheltens de burgemeester, de heer J.C.J. van Bree Bijlage1.Stroomschema Woonplaatsbeginsel Jeugd Stappenplan toepassen woonplaatsbeginsel jeugdzorg Wet wijziging woonplaatsbeginsel jeugd per 1 januari 2022. A. Bepalen verantwoordelijke gemeente Onder jeugdzorg wordt verstaan: jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. B. Onbekend of de jeugdige nu al jeugdzorg ontvangt Voor dit onderdeel is inzicht in de volledige adreshistorie van de jeugdige nodig (BRP). Uitleg van proces van navraag doen bij (voormalige) gemeenten waar de jeugdige woont of heeft gewoond C. Terugvalopties Bijlage2.Schema afbakening Jeugdwet andere wetten 2024 Afbakening (versie april 2024) Jeugdwet Zorgverzekeringswet Wet langdurige zorg Onderwijswetten Wmo Overig ADHD diagnose en behandeling door jeugdpsychiater of kinderarts X onderwijsondersteuning X Autisme diagnose en behandeling door jeugdpsychiater of kinderarts X therapeutische hulphond X Depressie diagnose en behandeling door jeugdpsychiater of kinderarts X Dyscalculie; zie Problemen tijdens onderwijs Dyslexie diagnose en behandeling ED (ernstige dyslexie) X begeleiding bij ED X begeleiding bij lichte dyslexie, géén ED X onderzoek naardyslexie, niet zijnde ED X fysieke hulpmiddelen X daisyspeler vooruitbehandelde dyslexie X Eetstoornis diagnose en behandeling door jeugdpsychiater of kinderarts X behandeling somatische gevolgen X Eet- en voedingsstoornis bij zuigelingen en in vroege kindertijd somatische oorzaak: diagnose en behandeling door kinderarts X géén somatische oorzaak: diagnose en behandeling door jeugdpsychiater of jeugdpsycholoog X Afbakening (versie april 2024) Jeugdwet Zorgverzekeringswet Wet langdurige zorg Onderwijswetten Wmo Overig gedragsmatige oorzaak: diagnose en behandeling door kinderarts X Functionele klachten/SOLK (Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten) diagnose en behandeling doorkinderarts X diagnose en behandeling als klachten duiden op psychische stoornis X Gebrek aanzelfredzaamheid en maatschappelijke participatie vanwege lichamelijke of geestelijke beperkingen begeleiding en persoonlijke verzorging bij ADL (algemene dagelijkse levensverrichtingen) X respijtzorg (informele hulp thuis,dagopvang, logeeropvang) om ouderdie (gebruikelijke) zorglevert te ontlasten X X (logeeropvang thuiswonend kind met Wlz-indicatie) hulpmiddelen X (als in art. 2.6 Regeling zorgverzekering) X (als jeugdige in Wlz- instelling verblijft) X (voor langdurig gebruik) mobiliteitshulpmiddelen X (als in art.2.6 Regeling zorgverzekering) X (als jeugdige in Wlz- Instelling verblijft) X (voor langdurig gebruik) doventolk X (VWS of UWV) woningaanpassing X (als jeugdige in Wlz-instelling verblijft) X Afbakening (versie april 2024) Jeugdwet Zorgverzekeringswet Wet langdurige zorg Onderwijswetten Wmo Overig Gehoorbeperking diagnostisch gehooronderzoek X advies en voorlichting overaanschaf/gebruik gehoorapparatuur X cursus gebarentaal X communicatietraining (aanleren van vaardigheden) X doventolk X hulp bij psychische klachten als gevolg van gehoorbeperking X Geneeskundige problemen (niet psychisch) verpleging (inclusief wijkverpleging) X persoonlijke verzorging (behoefte aan geneeskundige zorgof een hoogrisico daarop) X Intelligentietest vooronderwijs als onderdeel van diagnostisch onderzoek voor jeugdhulp X onderzoek voorander doel dan diagnostiek X Leerstoornis behandeling van stoornis op gebied van: lezen rekenen schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid leerstoornis NAO (niet anderszins omschreven) X Lichamelijke problemen begeleiding X persoonlijke verzorging bij ADL (algemene dagelijkse levensverrichtingen) X Persoonlijke verzorging nodig ivm een behoefte aangeneeskundige zorg of een hoog risico daarop X Afbakening (versie april 2024) Jeugdwet Zorgverzekeringswet Wet langdurige zorg Onderwijswetten Wmo Overig verpleging X persoonlijke verzorging bij verpleging X zwemtherapie X (Kan wel onder aanvullende verzekering vallen, dan (deels) eigen kracht) Palliatief terminale zorg (PTZ) zorg en ondersteuning bij PTZ, inclusief kortdurendverblijf voor kinden vervoer X extramurale PTZ,áls Wlz-indicatie vóór PTZ-fase X Problemen tijdens onderwijs (leerproblemen) huiswerkbegeleiding X remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT) X begeleiding op school X (als de jeugdige geen Wlz- indicatie heeften voor zover de begeleiding niet gericht is op het leerproces) X (als de jeugdige een Wlz-indicatie heeft en voorzover de begeleiding niet gericht is op het leerproces) X (voor zover de begeleiding gericht is op het leerproces) dyscalculie X behandeling stoornis op gebied van leren X (zie Leerstoornis) Psychische problemen behandeling doorhuisarts of POH-GGZ X GGZ-zorg X Afbakening (versie april 2024) Jeugdwet Zorgverzekeringswet Wet langdurige zorg Onderwijswetten Wmo Overig behandeling problemen als integraal onderdeel behandeling somatische aandoening medische psychologische zorg en consultatieve psychiatrie X Psychofarmaca (medicijnen) intramuraal (verstrekking binnen instelling) X X (in Wlz-instelling met behandeling) extramuraal (verstrekking niet door instelling), organiseren: contracteren apotheek, ontwikkelen preferentiebeleid, vergoedingslimiet X extramuraal (verstrekking niet door instelling), consult: voorschrijven, effecten gebruik, stoppen X Psychosociale problemen hulp doorhuisarts of POH-GGZ X GGZ-zorg X speltherapie ook voor behandeling trauma en voor kinderen met lichtverstandelijke beperking X (aanvullende verzekering dan (deels) eigen kracht) vaktherapie (beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapieen psychomotore therapie) ook voor behandeling psychische stoornis X (aanvullende verzekering dan (deels) eigen kracht) Slaapstoornis behandeling door huisarts of multidisciplinair (inclusief kinderarts) X behandeling van slaapstoornis als gevolg van psychische stoornis X Afbakening (versie april 2024) Jeugdwet Zorgverzekeringswet Wet langdurige zorg Onderwijswetten Wmo Overig Taalontwikkelingsstoornis behandeling van ernstige taal-en spraakmoeilijkheden X begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden in onderwijs X Verblijf: specifieke verblijfsvormen voor jeugd met beperking kinderdagcentrum(KDC) X X (als permanent toezicht en 24-uurszorg nodig) kinderhospice X respijtzorg (kortdurend verblijf: dagopvang, logeeropvang) om ouderdie (gebruikelijke) zorglevert te ontlasten X X (logeeropvang thuiswonend kind met Wlz-indicatie) opvang kind met oudervanwege huiselijk geweld of huisuitzetting X medisch kinderdagverblijf (MKD) X X (als nadruk op medische zorg) X (als nadruk op zorg verstandelijke beperking) orthopedagogisch centrum X ziekenhuis X Vervoer vanwege problemen jeugdige vervoer van en naar jeugdhulplocatie X vervoer naar andere locaties (dan jeugdhulplocaties) vanwege beperkingen in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie X vervoer vanen naar Wlz-instelling X ziekenvervoer X Afbakening (versie april 2024) Jeugdwet Zorgverzekeringswet Wet langdurige zorg Onderwijswetten Wmo Overig leerlingenvervoer (viagemeente) X Visuele beperking diagnose doormetingen met een hulpmiddel (bril) X zorg afgestemd op individuele situatie X Zorg voor lichamelijke beperking in combinatie met psychische stoornis begeleiding en behandeling X persoonlijke verzorging bij ADL (algemene dagelijkse levensverrichtingen) X persoonlijke verzorging nodig ivm een behoefte aangeneeskundige zorg of een hoog risico daarop X verpleging X persoonlijke verzorging bij verpleging X hulpmiddelen X (als in art. 2.6 Regeling zorgverzekering) X (als jeugdige in Wlz- instelling verblijft) X (voor langdurig gebruik) behandeling waarbij blijvend permanent toezicht en 24-uurszorg nabij nodig is X (voor psychische stoornis) X (voor lichamelijke beperking) Zorg voor verstandelijke beperking in combinatie met psychische stoornis begeleiding en behandeling X persoonlijke verzorging bij ADL (algemene dagelijkse levensverrichtingen) X persoonlijke verzorging nodig ivm een behoefte aangeneeskundige zorg of een hoog risico daarop X medicijnen X behandeling waarbij blijvend permanent toezicht en 24-uurszorg nabij nodig is X (voor psychische stoornis) X (voor verstandelijke beperking) Afbakening (versie april 2024) Jeugdwet Zorgverzekeringswet Wet langdurige zorg Onderwijswetten Wmo Overig behandeling psychische stoornis als integraal onderdeel van behandeling vanwege verstandelijke beperking, waarbij blijvend permanent toezicht en 24-uurszorg nabij nodig is X Zorg voor meest kwetsbare jeugdigen intensieve zorg met blijvend permanent toezicht en 24-uurszorg nabij nodig vanwege: somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, verstandelijke beperking, lichamelijke beperking, zintuiglijke beperking of meervoudige beperkingen X (als nadruk op medisch- specialistische zorg, zoals in ziekenhuis) X intensieve zorg met blijvend permanent toezicht en 24-uurszorg nabij nodig vanwege: psychische stoornis of psychiatrische aandoening X Bijlage3.Herken ‘normale’ en ‘ernstige’ opvoedproblemen De opvoedvragen, -problemen en -zorgen van ouders variëren per gezin, tijdsbestek en sociale omstandigheden. De ontwikkelingsleeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde problemen in de opvoeding. Professionals moeten hiervan op de hoogte zijn om ouders goed te kunnen begeleiden. In onderstaande tabel is aan de hand van ontwikkelingsfasen een overzicht weergegeven van ‘normale’ en ‘ernstige’ opvoedproblemen. 1 Overgenomen uit NJI ‘Allemaal Opvoeders’ ‘Normale’ problemen ‘Ernstige’ problemen ± 0 –2 jaar Voedingsproblemen; Slaapproblemen; Scheidingsangst; Angst voor vreemden, donker en geluiden Eet/slaapstoornis; Reactieve hechtingsstoornis; huilbaby ± 2 – 4 jaar Angst voor vreemden, donker, geluiden; Koppigheid; Driftbuien; Agressie; Ongehoorzaamheid; Druk gedrag/overactiviteit; Sekserol- en identiteitsangst; Niet zindelijk Scheidingsangst; Fobische/sociale angst; Taal-, spraak-, motoriekstoornis; Onzindelijkheid; ADHD; Gedragsstoornis gezin; Oppositionele gedragssstoornis jonge kind ± 5 – 12 jaar Ruzies; Concentratieproblemen; Laag prestatieniveau; Schoolweigering; Incidenteel stelen of vandalisme; Ritualistisch gedrag Bedplassen; Leerstoornissen; Sociale terugtrekking; Schoolweigering; Geslachtsidentiteitsstoornis; Vroege delinquentie; Neurose of somatoforme stoornis ± 12 – 19 jaar Gebruik psychoactieve stoffen (alcohol, drugs); Twijfels over identiteit en/of toekomst; Zorgen over uiterlijk; Problemen met autoriteit; incidenteel spijbelen Misbruik alcoholm drugs; Stoornis in de identiteit; Anorexia/boulimia; Seksuele orientatie stoornis; Suicide; Oppositionele gedragsstoornis; Gedragsstoornis groepsverband; Delinquentie; Schooluitval Bijlage4.Richtlijn gebruikelijke zorg Richtlijnen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfases. Hier verstaan wij onder: Kinderen van 0 tot 3 jaar Hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig. Hebben toezicht in de nabijheid nodig. Zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen. Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling. Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer). Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling. Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Kunnen zelf zitten, en op vlakke ondergronden zelf staan en lopen. Hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen. Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding. Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven. Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 12 jaar Hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week. Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand. (Bijv. kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als ouder thuis is). Hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals wassen en tandenpoetsen. Hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie. Zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook, en ontvangen indien nodig zindelijkheidstraining van ouders. Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling. Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan. Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 12 tot 18 jaar Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen. Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden. Kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of nacht alleen gelaten worden. Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen. Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp nodig en maar weinig toezicht nodig. Hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig. Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding. Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen). Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Bijlage4.1Gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp Tabel: gemiddelde tijd en frequentie van PV-activiteiten De nummers in deze tabel sluiten aan bij de Beleidsregels van VWS en die van de AZR (AWBZ-brede zorgregistratie). Overzicht van te adviseren activiteiten alsonderdeel van de functie Persoonlijke Verzorging Overzicht van handelingendie deel uit kunnen maken van de activiteit Gemiddelde tijd per keer1 Frequentie per dag 1.1 Zich wassen Delen van het lichaam 10 1x Gehele lichaam 20 1x 1.2 Zich kleden Volledig aankleden/uitkleden2 15 2x Gedeeltelijk uitkleden 10 1x Gedeeltelijk aankleden 10 1x Steunkousen aantrekken 10 1x Steunkousen uittrekken 7 1x 1.3 In en uit bed gaan Hulp bij uit bed komen3 10 1x Hulp bij in bed gaan 10 1x Hulp bij middagrust (bijv. op de bank) 10 1x Hulp bij middagrust (bijv. van de bank) 10 1x 1.4 Zich verplaatsen in zit- of lighou- ding (hulp bij beweging, houding) 20 Naar noodzaak 1.5 Naar toilet gaan en zich reinigen c.q. incontinentiemateriaal verwisselen 15 Naar noodzaak 1.6 Eten en drinken Hulp bij het eten van de broodmaaltijd 10 2x (excl. drinken) Hulp bij het eten van de warme maaltijd (excl. 15 1x drinken) Hulp bij het drinken 10 6x 1.7 Ondersteuning bij uitscheiding Stomaverzorging bij een lokaal intacte huid 20 Naar noodzaak Stomazakje wisselen 10 Naar noodzaak Katheterzak legen/wisselen 10 Naar noodzaak Blaasspoelen via bestaande katheter 15 Naar noodzaak Uritip aanbrengen 15 Naar noodzaak Klysma microlax 15 Naar noodzaak 1.8 Sondevoeding Sondevoeding toedienen (inclusief aan-/en 20 Naar noodzaak afkoppelen) Sondevoeding toedienen bij kinderen 40 Naar noodzaak Sondevoeding via PEG (bij volwassenen en 40 Naar noodzaak kinderen) 1.9 Medicatie Medicijnen aanreiken4 5 Naar noodzaak Medicijnen toedienen (oraal/via sonde) 55 Naar noodzaak Aanbrengen medicinale pleister 5 Naar noodzaak Toedienen oog-, oor- of neusdruppels of oog- 10 Naar noodzaak gel, medicatie toedienen (vaginaal of rectaal) Vernevelen 20 Naar noodzaak Deze gemiddelde tijden zijn inclusief indirecte zorg (3,5 minuut). Hier wordt bedoeld aan- en uitkleden bij het opstaan en het ’s avonds naar het bed gaan. Hier wordt de hulp bedoeld bij het uit bed komen naar uiteindelijk bijvoorbeeld een stoel en vice versa. Inclusief uit de koelkast, weekdoos/baxter pakken, inschenken enzovoort. De inlooptijd van de medicatie kan in voorkomende gevallen in verband met bijvoorbeeld misselijkheid langer dan vijf minuten duren. Overzicht van te adviseren activiteiten alsonderdeel van de functie Persoonlijke Verzorging Overzicht van handelingendie deel uit kunnen maken van de activiteit Gemiddelde tijd per keer1 Frequentie per dag 2.1 Persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid Zorg voor tanden 5 2x Zorg voor haren 5 1x Zorg voor nagels 5 1x (per week) Scheren 10 1x Inspectie van deintacte huid op (dreigende) 10 Naar noodzaak vervormingen, ontstekingen en/of infecties Zalven van de intacte huid 10 Naar noodzaak Verzorging van smetplekken (roodheid en 10 Naar noodzaak irritaties van de huid) Verzorging van de intacte huid rondom 10 Naar noodzaak natuurlijke en onnatuurlijke lichaamsopenin- gen (zoals PEG-katheter, suprapubiskatheter, tracheastoma6, sonde) 2.2 Aanbrengen/verwijderen van prothese7 Aanbrengen prothese/hulpmiddel 15 1x Verwijderen prothese/hulpmiddel 15 1x Aanbrengen D.P.S. 5 Naar noodzaak Verwijderen D.P.S. 5 Naar noodzaak Aanbrengen T.E.N.S. 5 Naar noodzaak Verwijderen T.E.N.S. 5 Naar noodzaak 2.5 Aanleren en begeleiden van PV-activiteiten Aanleren van verzekerde, gebruikelijke zorger Gelijk aan een Gelijk aan een en mantelzorger gekoppeld aan activiteiten of meervan de of meervan de 1.1 tot en met 2.2 aan te leren aan te leren activiteiten activiteiten 1.1. 1.1. tot en met tot en met 2.2. 2.2 plus maxi- maal in totaal 30 minuten per week Begeleiden van verzekerde, gebruikelijke 30 minuten gemiddelde zorger en mantelzorger bij de uitvoering van per week tijd naar eigen de activiteiten 1.1 tot en met 2.2 inzicht verdelen Het gaat om het onderhouden en borgen van over de week de kwaliteit van de door verzekerde, gebrui- kelijke zorger of mantelzorger uitgevoerde AWBZ-zorg. Om de kwaliteit van de handelin- gen die onder persoonlijke verzorging horen op het juiste niveau te houden, komt er een zorgverlener langs die daarin begeleidt. 1 Deze gemiddelde tijden zijn inclusief indirecte zorg (3,5 minuut). 6 Bij het verwisselen van de tracheacanule (onderdeel VP) maakt de verzorging van de huid rondom de tracheastoma onderdeel uit van deze handeling. De verzorging wordtdan ook niet geïndiceerd bij het verwisselen van de tracheacanule. 7 Hiermee worden o.a. ledemaatprotheses en/of gehoorapparaten bedoeld. Bijlage5.Protocol “Jeugdhulp na verwijzing door huisarts, medisch specialist en jeugdarts” 14-02-19 Ter waarborging van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van een individuele voorziening door een jeugdhulpaanbieder na de medische verwijsroute. De medische verwijsroute Jeugdhulp is onder andere toegankelijk na verwijzing door een huisarts, jeugdarts en medisch specialist. Na verwijzing door een arts staat echter vaak nog niet vast welke vorm van jeugdhulp in welke mate nodig is. In de praktijk is het dan vaak de jeugdhulpaanbieder zelf die, samen met de jeugdige en / of ouders, beoordeelt welke specifieke voorziening nodig is, in welke omvang en hoe lang. Kortom, de rol van de jeugdhulpaanbieder ter bepaling van de zorginzet is veelal cruciaal. Dit maakt dat de gemeente behoefte heeft aan meer inzicht in en sturing op het proces van het verzoek om een toewijzing (JW315). Een duidelijk beoordelingskader, en waar nodig tijdige afstemming tussen jeugdhulpaanbieder en gemeente vooraf, draagt bij aan de juiste zorginzet voor jeugdige en hun ouders.2 Hoewel de wet zelf daar niet heel expliciet over is, kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat gemeenten ook voor wat betreft het proces van zorginzet na medische verwijzing, voorwaarden kunnen stellen aan jeugdhulpaanbieders. Eventuele discussies achteraf kunnen voorkomen worden omdat er vooraf door middel van dit protocol een kader is geschept waarbij de professionaliteit van de jeugdhulpaanbieder voorop staat. Dit protocol betekent niet dat de gemeenten te pas en te onpas mogen “ingrijpen” in het proces van zorginzet na verwijzing. Voorkomen moet worden dat jeugdhulpaanbieders onnodig / zonder aanleiding belast worden door de gemeenten. Het vertrekpunt voor de afstemming tussen gemeente en jeugdhulpaanbieder blijft vertrouwen. Doel Het doel van dit protocol is de waarborging van een deskundige en juiste bepaling van de in te zetten individuele voorziening door een jeugdhulpaanbieder na medische verwijzing. Het protocol heeft daarnaast ook tot doel om een beter zicht te krijgen op het proces voorafgaande aan het verzoek tot toewijzing (JW315). Dit inzicht ondersteunt de gemeente bij de doorontwikkeling van het systeem van jeugdhulp. Om de gedeelde verantwoordelijkheid van gemeente en jeugdhulpaanbieder te benadrukken, maakt dit protocol niet alleen deel uit van lokale regelgeving maar ook van de overeenkomst zoals gesloten met jeugdhulpaanbieders zorg in natura. Toepassingsgebied Individuele voorzieningen die ingezet worden na verwijzing via de medische verwijsroute in het kader van de Jeugdwet. Dit geldt zowel voor de verstrekkingsvorm zorg in natura als voor de verstrekkingsvorm persoonsgebonden budget (pgb). Dit betekent dat alle jeugdhulpaanbieders (zorg in natura en pgb), gehouden zijn tot toepassing van het protocol en dat het college de mogelijkheid c.q. bevoegdheid heeft tot een beoordeling van het correct toepassen van het protocol door jeugdhulpaanbieders en, in het verlengde daarvan, de juistheid van de voorgestelde individuele voorziening ingevolge het verzoek om toewijzing (JW315). Uitzondering: Het protocol is niet van toepassing op landelijk gecontracteerde zorg en individuele voorzieningen kindergeneeskunde (53A01 Behandeling/onderzoek polikliniek bij gedragsproblemen en 53A02 Consult polikliniek bij gedragsproblemen). A.Algemene uitgangspunten Het protocol leent zich voor doorontwikkeling en is dus geen statisch document. We tornen niet aan de autonomie van de medisch verwijzer / arts. Aan een verzoek om toewijzing (JW315) ingevolge dit protocol ligt altijd een verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts ten grondslag. Zonder een geldige verwijzing, mag geen verzoek tot toewijzing (JW315) worden gedaan. In het verzoek om toewijzing (JW315) vult de aanbieder de velden ‘productcategorie’, ‘productcode’, ‘eenheid’, ‘volume’, ‘frequentie’. De gemeente kan, indien gerede twijfel bestaat over het correct toepassen van dit protocol door een jeugdhulpaanbieder, de controle(
- s)toepassen zoals bepaald onder E. Van een dergelijke gerede twijfel over het correct toepassen van het protocol, kan ook sprake zijn indien onrecht- c.q. onregelmatigheden zijn geconstateerd in verstrekking van geleverde zorg door de jeugdhulpaanbieder na toewijzing. Hierbij is niet relevant welk toegangskanaal is doorlopen (gemeentelijk toegangskanaal dan wel medische verwijsroute). Van genoemde gerede twijfel kan voorts sprake zijn indien de gemeente ingevolge artikel 1.6 lid 7 van de overeenkomst, het vermoeden heeft dat de jeugdhulpaanbieder het maatschappelijk belang, gemeentelijk belang dan wel het belang van de cliënt schaadt. Naast de controle zoals geduid onder 4 kan de gemeente een blinde (ongerichte) steekproef uitvoeren. Een dergelijke steekproef wordt echter niet uitgevoerd zonder daaraan voorafgaande duidelijke procesafspraken te hebben gemaakt met jeugdhulpaanbieders over de omvang en inrichting van de steekproef. Het bepaalde onder 4. en 5. is aanvullend op de reeds bestaande bevoegdheid ingevolge artikel 2.5 lid 12 van de overeenkomst waarin bepaald is dat de gemeente verwachte en onverwachte controles kan uitoefenen (in brede zin) waarvan de uitkomsten met de jeugdhulpaanbieder worden besproken. Het protocol ziet zowel toe op zorg in natura als op pgb waarbij voor zorg in natura het uitgangspunt is dat de gemeente geen toewijzing (JW301) verstrekt aan een jeugdhulpaanbieder die niet gecontracteerd is. Indien een arts verwijst naar een jeugdhulpaanbieder die niet gecontracteerd is, is het aan de jeugdhulpaanbieder om onverwijld contact op te nemen met de gemeente. Indien geen contract zorg in natura tot stand komt, kan geen opdracht tot verlenen zorg tot stand komen. Bij de uitvoering van het protocol zijn gemeente en jeugdhulpaanbieders gehouden aan privacy- regels. Het uitgangspunt is dat de jeugdhulpaanbieder geen gegevens over de jeugdige of de ouders verstrekt zonder toestemming van betrokken jeugdige of ouders (artikel 7.3.11, lid 1 Jw, artikel 7:457 BW). Toestemming van de jeugdige of ouders is niet nodig indien de gegevens worden uitgevraagd vanwege een onderzoek naar de juistheid van declaraties en zorginzet door de jeugdhulpaanbieder ingevolge de artikelen 6b.1-6b.7 Regeling Jeugdwet. Overigens is het vragen en geven van toestemming vormvrij, maar wel met spoor van verificatie omtrent gegeven of niet gegeven toestemming. Het vragen c.q. hebben van toestemming kan overigens achterwege blijven daar waar een te houden controle, contact of afstemming geanonimiseerd kan plaatsvinden. In geval van (vermeende) tegenstrijdigheden tussen het onderhavige protocol en de bestaande overeenkomst en documenten die reeds onderdeel uitmaakten van deze overeenkomst, prevaleert het bepaalde in dit protocol. B.Intake: de te doorlopen stappen Voor het indienen van een verzoek om toewijzing (JW315) voert de jeugdhulpaanbieder een intake uit. Jeugdhulpaanbieders doorlopen, gebaseerd op de contractuele3 Het stappenplan is niet alleen een uitwerking van de contractuele definitie van het begrip intake maar betreft ook een uitwerking van verplichtingen zoals de wetgever die reeds heeft bepaald als het gaat om het doen van een zorgvuldig onderzoek. Denk bijvoorbeeld aan artikel 4.1.1 lid 1 (afstemmen van hulp op reële behoefte van de jeugdige of ouder) en artikel 4.1.2 (opmaak familiegroepsplan). definitie van het begrip intake4 Ten tijde van opmaak protocol is de definitie vastgelegd in de derde nota van inlichtingen en dient tekstuele inbedding in contract nog plaats te vinden. Bij specialistische GGZ wordt de intake mogelijk pre-intake of screening genoemd. SGGZ-aanbieders mogen waar wordt gesproken over intake dit lezen als pre-intake of screening mits de inhoud van de screening voldoet aan de definitiebeschrijving., tijdens de intake de volgende stappen5 Het stappenplan is gebaseerd op de uitspraak van de CRvB 01-05-2017, ECLI:NL:CRvB: 2017:1477.: stel de hulpvraag van de jeugdige en/of de ouder vast; stel vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en, zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn; Tijdens de intake wordt bepaald voor welke ondersteuning de jeugdige of zijn ouders in aanmerking komen gezien de aard en ernst van de problematiek en de mogelijkheden vanuit de jeugdhulpaanbieder om passende ondersteuning te bieden. Het betreft hier een eerste inschatting van de aard en ernst van de problematiek. Er hoeft dus geen volledige diagnose te worden gesteld. Een diagnostisch traject of een observatie thuis kan onderdeel worden van het verzoek om toewijzing (JW315). Belangrijk is wel om te bepalen of de jeugdige en / of de ouders gezien hun problematiek wel voor ondersteuning in aanmerking komen en of er geen contra-indicaties zijn. De inschatting van de aard en ernst van de problematiek kan indien mogelijk geheel of gedeeltelijk op basis van dossieronderzoek plaatsvinden. bepaal welke hulp, naar aard en omvang, nodig is; Producten Diensten Catalogus De jeugdhulpaanbieder kan voorzieningen inzetten zoals beschreven in de PDC (bijlage 3 overeenkomst zorg in natura). De goedkoopst passende voorziening Voor wat betreft het bepalen van aard en omvang van de individuele voorziening opteert de jeugdhulpaanbieder, bij gebleken geschiktheid van meerdere individuele voorzieningen zoals beschreven in de PDC altijd voor de individuele voorziening waar de laagste kosten aan zijn verbonden. Dit betekent ook dat de jeugdhulpaanbieder qua frequentie, volume en/of maximum indicatieduur van zorginzet niet meer inzet dan nodig om het resultaat te bereiken. Dit betreft ook een eerste inschatting of de jeugdhulpaanbieder wel de juiste expertise en kwaliteit in huis heeft om passende ondersteuning te bieden. Is er bijvoorbeeld wel sprake van psychische en/of psychiatrische problematiek of ligt de hoofdoorzaak van de ondersteuningsvraag meer op het vlak van een verstandelijke beperking waarbij een expertise vereist is die de jeugdhulpaanbieder niet heeft? Het kan echter ook zijn dat de aard en ernst van de problematiek ‘te zwaar’ of ‘te licht’ is voor een jeugdhulpaanbieder. Dit is uiteraard per jeugdhulpaanbieder verschillend. Inherent aan deze stap is ook dat jeugdhulpaanbieder toetst op betrokkenheid van andere jeugdhulpaanbieders bij de jeugdige of ouders. Uitgangspunt is dat zorginzet zoveel als mogelijk plaatsvindt door één jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdhulpaanbieder in de intakefase constateert dat er al een andere jeugdhulpaanbieder betrokken is bij de jeugdige en/of de ouders, dan stemt jeugdhulpaanbieder (met toestemming van de jeugdige en / of ouders) eerst af met de al betrokken jeugdhulpaanbieder voordat een verzoek om toewijzing (JW315) wordt gedaan bij de gemeente. De jeugdhulpaanbieder toetst op dat moment welke zorg de andere jeugdhulpaanbieder inzet en hoe zich dit verhoudt tot een mogelijk aanvullend aanbod. De jeugdhulpaanbieder toetst op de goedkoopst passende mogelijkheid. De betrokken partijen maken onderling, in samenspraak met de jeugdige en/of de ouders, eventueel afspraken over de ondersteuning die wordt geboden. Waar nodig en mogelijk worden plannen op elkaar afgestemd. Als de jeugdhulpaanbieder dan een verzoek om toewijzing (JW315) indient bij de gemeente, constateert de gemeente dus dat een JW315 wordt ingediend terwijl er al een jeugdhulpaanbieder actief is. De gemeente kan op dat moment contact opnemen met de jeugdhulpaanbieder. Het is dan aan de jeugdhulpaanbieder om te motiveren waarom de aanvullende zorginzet noodzakelijk is. Indien de jeugdhulpaanbieder daartoe onvoldoende in staat is, wordt het verzoek om toewijzing (JW315) niet in behandeling genomen. De verwerking van het verzoek om toewijzing (JW315) wordt opgeschort tot het moment dat de gevraagde motivering afdoende heeft plaatsgevonden. Bij het contact tussen de gemeente en jeugdhulpaanbieder kan blijken dat de jeugdhulpaanbieder niet wist dat er reeds een andere jeugdhulpaanbieder actief is. Op dat moment gaat de jeugdhulpaanbieder alsnog de toets verrichten zoals beschreven in deze alinea. De verwerking van het verzoek om toewijzing (JW315) wordt opgeschort tot het moment dat de toets alsnog heeft plaatsgevonden. Ook kan het zijn dat de jeugdhulpaanbieder tot de conclusie komt dat hij de gewenste zorg niet kan leveren, maar dat de gewenste jeugdhulp wel door een andere jeugdhulpaanbieder kan worden geleverd. De jeugdhulpaanbieder wendt zich in dit geval tot de verwijzer. De verwijzing dient zo nodig te worden aangepast en de jeugdige en/of ouders nemen contact op met de andere jeugdhulpaanbieder. onderzoek of en in hoeverre er mogelijkheden zijn om, geheel dan wel gedeeltelijk: op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden; met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot een oplossing voor de hulpvraag6 Zie ook artikel 4.1.2 Jeugdwet. De wetgever heeft bepaald dat de jeugdhulpaanbieder een familiegroepsplan maakt. De letterlijke opmaak van een afzonderlijk familiegroepsplan achten de gemeenten niet nodig. De gemeente acht het wel van belang dat jeugdhulpaanbieders bij de beoordeling van de inzet van jeugdhulp de essentie van artikel 4.1.2 Jeugdwet bezien. Dit komt tot uitdrukking in d. onder 1 en 2.; met gebruikmaking van een algemene voorziening te komen tot een oplossing voor de hulpvraag; om door middel van een voorliggende voorziening te komen tot een oplossing voor de hulpvraag. Nadat bij stap c. de jeugdhulpaanbieder heeft bepaald welke hulp nodig is, onderzoekt de jeugdhulpaanbieder bij stap d