← Nederland

Bouwbesluit 2003 (Urk)

Kort samengevat

Dit besluit stelt voorschriften vast voor het bouwen van bouwwerken, gericht op veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Het regelt zowel nieuwbouw als bestaande bouw.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Bouwbesluit 2003<vet>Inhoud Bouwbesluit 2003</vet> <vet>Hoofdstuk 1</vet> Algemene bepalingen§ 1.1 Begripsbepalingen § 1.2 Toepassing NEN, NEN-EN en aansluitvoorwaarden § 1.3 Gelijkwaardigheidsbepalin

§ 2.1.2 Bestaande bouw

Afdeling 2.2 Sterkte bij brand § 2.2.

§ 2

.2.2 Bestaande bouw Afdeling 2.3 Vloerafscheiding § 2.3.

§ 2

.3.2 Bestaande bouw Afdeling 2.4 Overbrugging van hoogteverschillen § 2.4.

§ 2

.4.1 Bestaande bouw Afdeling 2.5 Trap § 2.5.

§ 2

.5.2 Bestaande bouw Afdeling 2.6 Hellingbaan § 2.6.

§ 2

.6.2 Bestaande bouw Afdeling 2.7 Elektriciteits- en noodstroomvoorziening § 2.7.

§ 2

.7.2 Bestaande bouw Afdeling 2.8 Verlichting § 2.8.

§ 2.8.2 Bestaande bouw

Afdeling 2.9 Gasvoorziening § 2.9.

§ 2

.9.2 Bestaande bouw Afdeling 2.10 Beweegbare constructie-onderdelen § 2.10.

§ 2

.10.2 Bestaande bouw Afdeling 2.11 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie § 2.11.

§ 2

.11.2 Bestaande bouw Afdeling 2.12 Beperking van ontwikkeling van brand § 2.12.

§ 2

.12.2 Bestaande bouw Afdeling 2.13 Beperking van uitbreiding van brand § 2.12.

§ 2

.12.2 Bestaande bouw Afdeling 2.14 Verdere beperking van uitbreiding van brand § 2.14.

§ 2

.14.2 Bestaande bouw Afdeling 2.15 Beperking van ontstaan rook § 2.15.

§ 2

.15.2 Bestaande bouw Afdeling 2.16 Beperking van verspreiding van rook § 2.16.

§ 2

.16.2 Bestaande bouw Afdeling 2.17 Vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment § 2.17.

§ 2

.17.2 Bestaande bouw Afdeling 2.18 Vluchtroutes § 2.18.

§ 2

.18.2 Bestaande bouw Afdeling 2.19 Inrichting van rookvrije vluchtroutes § 2.19.

§ 2

.19.2 Bestaande bouw Afdeling 2.20 Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand § 2.20.

§ 2

.20.2 Bestaande bouw Afdeling 2.21 Bestrijding van brand § 2.21.

§ 2

.21.2 Bestaande bouw Afdeling 2.22 Grote brandcompartimenten § 2.22.

§ 2

.22.2 Bestaande bouw Afdeling 2.23 Hoge en ondergrondse gebouwen, Nieuwbouw Afdeling 2.24 Toegang van een bouwwerk § 2.24.

§ 2

.24.2 betsaande bouw Afdeling 2.25 Inbraakwerendheid, Nieuwbouw <vet>Hoofdstuk 3</vet> Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid Afdeling 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten, nieuwbouw Afdeling 3.2 Bescherming tegen geluid van installaties, nieuwbouw Afdeling 3.3 Geluidwering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties, nieuwbouw Afdeling 3.4 Beperking van galm, nieuwbouw Afdeling 3.5 Geluidwering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties, nieuwbouw Afdeling 3.6 Wering van vocht van buiten § 3.6.

§ 3

.6.2 Bestaande bouw Afdeling 3.7 Wering van vocht van binnen § 3.7.

§ 3

.7.2 Bestaande bouw Afdeling 3.8 Afvoer van afvalwater en fecaliën § 3.8.

§ 3

.8.2 Bestaande bouw Afdeling 3.9 Afvoer van hemelwater, nieuwbouw Afdeling 3.10 Luchtverversing van een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte § 3.10.

§ 3

.10.2 Bestaande bouw Afdeling 3.11 Spuivoorziening § 3.11.

§ 3

.11.2 Bestaande bouw Afdeling 3.12 Luchtverversing van overige ruimten § 3.12.

§ 3

.12.2 Bestaande bouw Afdeling 3.13 Toevoer van verbrandingslucht § 3.13.

§ 3

.13.2 Bestaande bouw Afdeling 3.14 Afvoer rook § 3.14.2 Nieuwbouw § 3.14.2 Bestaande bouw Afdeling 3.15 Beperking van de toepassing van schadelijke materialen, nieuwbouw Afdeling 3.16 Beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling, nieuwbouw Afdeling 3.17 Bescherming tegen ratten en muizen § 3.17.

§ 3

.17.2 Bestaande bouw Afdeling 3.18 Drinkwatervoorziening § 3.18.

§ 3

.18.2 Bestaande bouw Afdeling 3.19 Warmwatervoorziening § 3.19.

§ 3

.19.2 Bestaande bouw Afdeling 3.20 Daglicht § 3.20.

§ 3

.20.2 Bestaande bouw <vet>Hoofdstuk 4 </vet>Voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid Afdeling 4.1 Oppervlakte van de standplaats, nieuwbouw Afdeling 4.2 Toegankelijkheidssector, nieuwbouw Afdeling 4.3 Vrije doorgang § 4.3.

§ 4

.3.2 Bestaande bouw Afdeling 4.4 Bereikbaarheid, nieuwbouw Afdeling 4.5 Verblijfsgebied, nieuwbouw Afdeling 4.6 Verblijfsruimte § 4.6.

§ 4

.6.2 Verblijfsruimte Afdeling 4.7 Toiletruimte § 4.7.

§ 4

.7.2 Bestaande bouw Afdeling 4.8 Badruimte § 4.8.

Afdeling 4

.9 Kleedruimte, nieuwbouw Afdeling 4.10 Gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval, nieuwbouw Afdeling 4.11 Stallingsruimte voor fietsen, nieuwbouw Afdeling 4.12 Meterruimte, nieuwbouw Afdeling 4.13 Liftschacht, nieuwbouw Afdeling 4.14 Liftmachineruimte, nieuwbouwAfdeling 4.15 Opstelplaats vo0r een stooktoestel § 4.16.

§ 4

.16.2 Bestaande bouw Afdeling 4.17 Opstelplaats voor een warmwatertoestel, nieuwbouw Afdeling 4.18 Bassin, nieuwbouw <vet>Hoofdstuk 5</vet> Voorschriften uit het oogpunt van energiezuinigheid Afdeling 5.1 Thermische isolatie, nieuwbouw Afdeling 5.2 Beperking van luchtdoorlatendheid, nieuwbouw Afdeling 5.3 Energieprestatie, nieuwbouw Integrale tekst van het Bouwbesluit 2003 zoals gepubliceerd in staatsblad 2001, 410, zoals deze luidt na de wijzigingen, gepubliceerd in Staatsblad 2002, 203; Staatsblad 2002, 516 en Staatsblad 2002, 518[1].Besluit vanHoudende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu (Bouwbesluit)Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 december 2000, nr. MJZ2000153 138, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;Gelet op artikel 2 van de Woningwet;De Raad van State gehoord (advies van 27 april 2001, nr. W08.00.06l6/V);Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 juli 2001, nr. MJZ200 078982, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Paragraaf1.1Begripsbepalingen Artikel1.1 1Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt verstaan onder:•belastingscombinatie: verzameling van belastingen die gelijktijdig kunnen optreden;•bouwconstructie: onderdeel van een bouwwerk dat bestemd is om belasting te dragen; •brandcompartiment: gedeelte van een of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand;•brand- en rookvrije vluchtroute: van brand gevrijwaarde rookvrije vluchtroute die uitsluitend door verkeersruimten voert; •gebruiksfunctie: de gedeelten van een of meer bouwwerken op een perceel of standplaats, die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen; •gebruiksfunctie die bijzonder gevoelig is voor luchtvaartlawaai: gebruiksfunctie in een gebouw, waarvoor krachtens de Luchtvaartwet een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de uitwendige scheidingsconstructie geldt met betrekking tot structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer vanwege een luchtvaartterrein;•gebruiksfunctie die gevoelig is voor industrie-, weg- of railverkeerslawaai: gebruiksfunctie in een gebouw, waarvoor krachtens de Wet geluidhinder een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de uitwendige scheidingsconstructie geldt met betrekking tot onderscheidenlijk industrielawaai vanwege een industrieterrein, wegverkeerslawaai vanwege een weg of railverkeerslawaai vanwege een spoorweg, alsmede een kantoorfunctie gelegen binnen een zone waarvoor een zodanige ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt;•gebruiksfunctie die gevoelig is voor luchtvaartlawaai: gebruiksfunctie in een gebouw, waarvoor krachtens de Wet geluidhinder of de Luchtvaartwet een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de uitwendige scheidingsconstructie geldt met betrekking tot luchtvaartlawaai vanwege een luchtvaartterrein, alsmede een kantoorfunctie gelegen binnen een zone waarvoor een zodanige ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt; •integraal toegankelijke toiletruimte: toiletruimte die mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers;•integraal toegankelijke badruimte: badruimte die mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers; •inwendige scheidingsconstructie: constructie die de scheiding vormt tussen twee voor mensen toegankelijke besloten ruimten van een gebouw, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift; •klimlijn: denkbeeldige, vloeiend verlopende lijn die de voorkanten van de treden van een trap niet elkaar verbindt; •loopafstand: afstand, gemeten langs een denkbeeldige, kortst realiseerbare vloeiend verlopende lijn tussen twee punten, waarover op een afstand van ten minste 0,3 m van constructie-onderdelen kan worden gelopen; •meetniveau: hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van liet gebouw; •NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;•nevenfunctie: gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie;•nominale belasting: maximale belasting van een verbrandingstoestel, bepaald op basis van de calorische bovenwaarde van de brandstof waarvoor dat toestel is ingericht; •richtlijn bouwproducten: richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake voor de bouw bestemde producten (89/106/EEG, PbEG L 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 93/68/EEG van de Raad van 22juli 1993 (PbEG L 220); •rookcompartiment: gedeelte van een of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van rook; •rookvrije vluchtroute: van rook gevrijwaarde route die begint bij een toegang van een rookcompartiment of een subbrandcompartiment, uitsluitend voert over v loeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift; •technische ruimte: ruimte voor het plaatsen van de apparatuur, noodzakelijk voor het functioneren van een gebouw, waaronder in elk geval begrepen een meterruimte, een Iiftmachineruimte en een stookruimte; •toegang van een gebruiksfunctie: toegang tot het aansluitende terrein, een gemeenschappelijke verkeersruimte, een gemeenschappelijk verblijfsgebied of een ruimte van een andere gebruiksfunctie, ter plaatse waarvan een route begint die uitsluitend door niet-gemeenschappelijke ruimten van de gebruiksfunctie naar een punt in een niet- gemeenschappelijk verblijfsgebied voert. •toegankelijkheidssector: gedeelte van een gebouw dat mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers; •trappenhuis: verkeersruimte, waarin een trap ligt; •uitwendige scheidingsconstructie: constructie die de scheiding vormt tussen een voor mensen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift;•veiligheidstrappenhuis: trappenhuis waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en dat in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet- besloten ruimte; •verblijfsgebied: gedeelte van een gebruiksfunctie met ten minste een verblijfsruimte, bestaande uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen aan elkaar grenzende ruimten anders dan een toiletruimte, een badruimte, een technische ruimte of een verkeersruimte; •verblijfsruimte: ruimte voor het verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden; •verkeersruimte: ruimte anders dan een ruimte in een verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte, bestemd voor het bereiken van een andere ruimte; •verkeersroute: route die begint bij een toegang van een ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt bij de toegang van een andere ruimte; •vluchttrappen huis: trappenhuis waardoor een rookvrije vluchtroute voert; •vrije vloeroppervlakte: vloeroppervlakte waarboven zich een Vrije hoogte bevindt van ten minste 2,3 m voor een woonfunctie niet zijnde een woonfunctie van een woonwagen en tenminste 2,1 m voor een andere gebruiksfunctie. 2Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:•brandweerlift: brandweerlift als bedoeld in NEN-EN 8 1-1, bijlage Z.4, september 1986, inclusief correctieblad, december 1989; •bijdrage tot brandvoortplanting: bijdrage tot brandvoortplanting als bedoeld in NEN 6065 of NEN 1775; •CLV-systeem: CLV-systeem als bedoeld in NEN 2757; •coëfficiënt voor koeling: coëfficiënt voor koeling als bedoeld in NEN 2916; •energieprestatiecoëfficiënt: energieprestatiecoëfficiënt als bedoeld in NEN 2916 en NEN 5128; •factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte: factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte als bedoeld in NEN 2778; •funderingselement: funderingselement als bedoeld in NEN 6740; •fundamentele belastingscombinaties: fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702; •gebruiksoppervlakte: gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580; •hoofddraagconstructie: hoofddraagconstructie als bedoeld in NEN 6702; •isolatie-index voor contactgeluid: isolatie-index voor contactgeluid als bedoeld in NEN 5077; •karakteristiek geluidsniveau: karakteristiek geluidsniveau als bedoeld in NEN 5077; •karakteristieke geluidwering: karakteristieke geluidwering als bedoeld in NEN 5077; •karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid: karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid als bedoeld in NEN 5077; •leefzone: leefzone als bedoeld in NEN 1087; •lozingstoestel: lozingstoestel als bedoeld in NEN 3215; •netto-inhoud: netto-inhoud als bedoeld in NEN 2580; •rookmelder: rookmelder als bedoeld in NEN 2555; •rookproductie: rookproductie als bedoeld in NEN 6066; •stookplaats: stookplaats als bedoeld NEN 6061; •uiterste grenstoestand: uiterste grenstoestand als bedoeld in NEN 6702; •vrije hoogte: Vrije hoogte als bedoeld in NEN 2580; •vuurbelasting: vuurbelasting als bedoeld in NEN 6090; •wateropname: wateropname als bedoeld in NEN 2778; •weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag als bedoeld in NEN 6068; •weerstand tegen rookdoorgang: weerstand tegen rookdoorgang als bedoeld in NEN

  1. 3Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:•woonfunctie: gebruiksfunctie voor het wonen; •bijeenkomstfunctie: gebruiksfunctie voor het samenkomen van mensen voor kunst, cultuur, godsdienst, communicatie, kinderopvang, het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse en het aanschouwen van sport; •celfunctie: gebruiksfunctie voor dwangverblijf van mensen; •gezondheidszorgfunctie: gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of behandeling; •industriefunctie: gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden; •kantoorfunctie: gebruiksfunctie voor administratie; •logiesfunctie: gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan mensen; •onderwijsfunctie: gebruiksfunctie voor het geven van onderwijs; •sportfunctie: gebruiksfunctie voor liet beoefenen van sport; •winkelfunctie: gebruiksfunctie voor liet verhandelen van materialen, goederen of diensten; •overige gebruiksfunctie: niet in dit lid benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het verblijven van mensen een ondergeschikte rol speelt. 4Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:•lichte industriefunctie: industriefunctie waarin activiteiten plaats vinden, waarbij liet verblijven van mensen een ondergeschikte rol speelt; •onderwijsfunctie voor speciaal onderwijs: onderwijsfunctie voor het basis- of voortgezet speciaal onderwijs; •overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer: overige gebruiksfunctie die bestemd is voor aankomst of vertrek van vervoermiddelen ten behoeve van weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer van personen. 5Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:•woongebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer woonfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes; •cellengebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer celfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes;•logiesgebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer logiesfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes. 6Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:•bezettingsgraad van gebruiksoppervlakte: aantal m2 gebruiksoppervlakte per persoon;•bezettingsgraad van vloeroppervlakte: aantal m2 vloeroppervlakte van een verblijfsgebied per persoon; •bezettingsgraadklasse: klasse die de bezettingsgraad van een gebruiksoppervlakte en de bezettingsgraad van een vloeroppervlakte aan verblijfsgebied aangeeft overeenkomstig tabel
  2. <vet>TABEL 1</vet> Klasse Bezettingsgraad in m2 gebruiksoppervlakte per persoon in m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied per persoon B1 >0,8 - 2 >0,5 - 1,3 B2 >2 - 5 >1,3 - 3,3 B3 >5 - 12 >3,3 - 8 B4 >12 - 30 >8 - 20 B5 >30 >20 7Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt in een tabel verstaan onder: - : dit lid is niet van toepassing; * : het hele artikel is van toepassing; >: alle waarden groter dan de achter dit teken aangegeven waarde;n.t.: deze bezettingsgraadklasse is niet toegestaan;<onderstreept>&amp;lt; </onderstreept> : alle waarden kleiner of gelijk aan de achter dit teken aangegeven waarde. Artikel1.2 Bij of krachtens dit besluit worden gedeelten van een bouwwerk, ruimten of voorzieningen, die ten dienste staan van meer dan een gebruiksfunctie, aangeduid als gemeenschappelijk. Zodanige gedeelten, ruimten of voorzieningen worden, met uitzondering van gedeelten van een nevenfunctie, geacht deel uit te maken van ieder van de betrokken gebruiksfuncties. Paragraaf1.2Toepassing NEN en NEN-EN Artikel1.3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van een in dit besluit genoemde NEN. Artikel1.4 1Indien een in dit besluit genoemde NEN wordt vervangen door een NEN-EN als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn bouwproducten, treedt die NEN-EN in de plaats van die NEN. 2Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van een NEN-EN als bedoeld in het eerste lid, waarbij, voorzover nodig, kan worden afgeweken van een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift. Paragraaf1.3Gelijkwaardigheidsbepaling Artikel1.5 Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift. Paragraaf1.4Kwaliteitsverklaringen en CE-markeringen Artikel1.6 Indien bij of krachtens dit besluit een eis is gesteld ten aanzien van een bouwmateriaal of bouwdeel en voor dat bouwmateriaal of bouwdeel een op die eis toegesneden, door Onze Minister erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven, is aan de betreffende eis voldaan, indien dat bouwmateriaal of bouwdeel overeenkomstig die kwaliteitsverklaring is toegepast. Artikel1.7 1Een bouwproduct dat zodanige eigenschappen bezit dat het bouwwerk waarin het is verwerkt, gemonteerd, toegepast of geïnstalleerd, kan voldoen aan de fundamentele voorschriften als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn bouwproducten en dat is voorzien van een op dat product betrekking hebbende CE-markering als bedoeld in de richtlijn bouwproducten, wordt gelijk gesteld met een bouwproduct waarvoor een kwaliteitsverklaring is afgegeven. 2Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een bouwproduct waarvoor een verklaring van conformiteit als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn bouwproducten is afgegeven. Artikel1.8 1Het is verboden een bouwproduct in de handel te brengen, waarvoor overeenkomstig de richtlijn bouwproducten is vastgesteld dat het een CE-markering moet dragen, indien dat product: a. niet zodanige eigenschappen bezit dat het bouwwerk waarin het is verwerkt, gemonteerd, toegepast of ge&#xEF;nstalleerd, kan voldoen aan de fundamentele voorschriften als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn bouwproducten, of b. niet is voorzien van de daarop betrekking hebbende CE-markering. 2Het eerste lid is niet van toepassing op bouwproducten waarvoor een verklaring van conformiteit als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn bouwproducten is afgegeven, en op bouwproducten ten aanzien waarvan Onze Minister met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de richtlijn bouwproducten heeft bepaald dat zij binnen Nederland in de handel mogen worden gebracht. 3Overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod is een strafbaar feit. Artikel1.9 1Het is verboden een bouwproduct, een aan dat product bevestigd label, de verpakking van een bouwproduct of de begeleidende handelsdocumenten te voorzien van een markering die gelijkenis vertoont met een CE-markering, als bedoeld in artikel 4, zesde lid, van de richtlijn bouwproducten. 2Overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod is een strafbaar feit. Artikel10 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent hetgeen met het oog op de implementatie van de richtlijn bouwproducten regeling behoeft. Paragraaf1.5Ontheffingen Artikel1.11 1Burgemeester en wethouders kunnen bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing verlenen van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk, tenzij bij het voorschrift anders is aangegeven. 2Burgemeester en wethouders kunnen, voorzover bij of krachtens dit besluit geen voorschrift is vastgesteld omtrent de staat van een bestaand bouwwerk, bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing verlenen van een voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het rechtens verkregen niveau. Artikel1.12 Indien voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, een vergunning ingevolge die wet of verordening is verleend, is, voorzover een aan die vergunning verbonden voorschrift afwijkt van een voorschrift van dit besluit, uitsluitend het aan die vergunning verbonden voorschrift van toepassing. Paragraaf1.6Niet-permanente bouwwerken Artikel1.13 1Een te bouwen niet-permanent bouwwerk voldoet ten minste aan de voorschriften niet betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk. Het voldoet bovendien aan de voorschriften met betrekking tot een te bouwen bouwwerk, voorzover dat met betrekking tot die voorschriften is aangegeven. 2Een bestaand niet-permanent bouwwerk voldoet ten minste aan de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk. 3Een niet-permanent bouwwerk voldoet bij verplaatsing ten minste aan de voorschriften met betrekking tot een bestaand bouwwerk. 4Een woonwagen voldoet bij herplaatsing ten minste aan de voorschriften met betrekking tot een bestaande woonwagen. Hoofdstuk2Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid Afdeling2.1Algemene sterkte van de bouwconstructie Paragraaf2.1.1Nieuwbouw Artikel2.1 1Een te bouwen bouwwerk heeft een bouwconstructie die duurzaam bestand is tegen de daarop werkende krachten. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<vet>Tabel 2.1</vet><plaatje><illustratie id="i29082" naam="413px" alt="413px" breedte="413px" hoogte="408px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.2Belastingscombinaties bouwconstructie 1Een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie wordt niet overschreden bij de Fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  3. Voorzover NEN 6702 niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties, wordt uitgegaan van NEN
  4. 2Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een dak of een vloerafscheiding niet overschreden bij de bijzondere belastingscombinaties als bedoeld in NEN
  5. Daarbij wordt uitgegaan van een stootbelasting. 3In afwijking van het eerste lid, kan voor de bouwconstructie van een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, een opstelplaats voor een warmwatertoestel en een opstelplaats voor een stooktoestel worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  6. 4Voor het bepalen van de fundamentele belastingscombinaties voor de fundering voor een woonwagen wordt, in afwijking van het eerste lid, uitgegaan van: a. een laststelsel dat bestaat uit twee verticale, evenwijdige lijnlasten die elk een reken- waarde hebben ter grootte van 6,8 kN/m en een lengte van 15 m, en die op een afstand van ten minste 2,5 m en ten hoogste 3 m van elkaar liggen; indien de standplaats ligt in een onbebouwd gebied 1, als bedoeld in NEN 6702, wordt voor de lijn- lasten uitgegaan van een rekenwaarde ter grootte van 7,3 kN/m, b. een puntlast met een rekenwaarde van 50 kN die in rekening wordt gebracht als een vrije belasting als bedoeld in NEN 6702, en c. de rekenwaarde van het eigen gewicht van de fundering. 5In afwijking van het eerste lid kan worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  7. 6In afwijking van het eerste lid kan voor een gebouw met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  8. Artikel2.3Belastingscombinaties hoofddraagconstructie 1Een uiterste grenstoestand van een hoofddraagconstructie wordt, onverminderd artikel 2.2, niet overschreden bij bijzondere belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702, Daarbij wordt uitgegaan van: a. een gasexplosie, b. een botsing door een voertuig, en c. een extreme grondwaterstand Indien NEN 6702 niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties wordt uitgegaan van NEN
  9. 2Onverminderd het eerste lid wordt eveneens uitgegaan van het wegvallen van de bijdrage aan de standzekerheid die wordt geleverd dooi’ constructie-onderdelen op een aangrenzend perceel. Artikel2.4Uiterste grenstoestand 1Het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 2.2 wordt bepaald volgens: a. NEN 6710 of NEN 6770, indien de bouwconstructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen, b. NEN 6720 of NEN 6790, indien de bouwconstructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen, c. NEN6760, indien de bouwconstructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm, d. NEN 2608, indien de bouwconstructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm, of e. NEN 6707, indien de bouwconstructie de bevestiging van dakbedekking is als bedoeld in die norm. 2Indien voor een bouwconstructie wordt uitgegaan van de belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859, wordt, in afwijking van het eerste lid, het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand bepaald volgens NEN
  10. 3Bij het bepalen van het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 2.2 blijven bouwconstructies die op een ander perceel zijn gelegen buiten beschouwing. 4afwijking van het derde lid, blijven bouwconstructies van een op een ander perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort niet buiten beschouwing. Paragraaf2.1.2Bestaande bouw Artikel2.5 1Een bestaand bouwwerk heeft een bouwconstructie die bestand is tegen de daarop werkende krachten. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.5 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<vet>Tabel 2.5<plaatje><illustratie id="i29083" naam="383px" alt="383px" breedte="383px" hoogte="378px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje></vet> Artikel2.6Belastingcombinaties bouwconstructie 1Een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie wordt niet overschreden bij de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  11. Voorzover NEN 6702 niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties wordt uitgegaan van NEN
  12. 22.In afwijking van het eerste lid, kan voor de bouwconstructie van een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, een opstelplaats voor een warmwatertoestel en een opstelplaats voor een stooktoestel worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  13. 3In afwijking van het eerste lid, kan worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  14. 4In afwijking van het eerste lid kan voor een gebouw met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2 worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  15. Artikel2.7Uiterste grenstoestand 1Het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 2.6 wordt bepaald volgens: a. NEN 6710 of NEN 6770, indien de bouwconstructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die nonnen, b. NEN 6720 of NEN 6790, indien de bouwconstructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die nonnen, c. NEN 6760, indien de bouwconstructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm, d. NEN 2608, indien de bouwconstructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm, of e. NEN 6707, indien de bouwconstructie de bevestiging van dakbedekking is als bedoeld in die norm. 2Indien voor een bouwconstructie wordt uitgegaan van de belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859, wordt, in afwijking van het eerste lid, het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand bepaald volgens NEN
  16. Afdeling2.2Sterkte bij brand Paragraaf2.2.1Nieuwbouw Artikel2.8 1Een te bouwen bouwwerk heeft een bouwconstructie die zodanig is dat het bouwwerk bij brand gedurende redelijke tijd kan worden verlaten en doorzocht, zonder dat er gevaar voor instorting is. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.8 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan dooi’ toepassing van die voorschriften.<vet>Tabel 2.8<plaatje><illustratie id="i29084" naam="404px" alt="404px" breedte="404px" hoogte="436px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje></vet> Artikel2.9Tijdsduur bezwijken 1Een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute, wordt gedurende 30 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand. 2Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.9.1 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties de kunnen optreden bij brand. <vet>Tabel 2.9.1</vet> Hoofddraagconstructie tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten Indien geen vloer van een verblijfsgebied van de woning hoger ligt dan 7m boven het meetniveau 60 Indien een vloer van een verblijfsgebied van de woning hoger ligt dan 7m en niet hoger dan 13m boven het meetniveau 90 Indien een vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 13m boven het meetniveau 120 3In afwijking van het tweede lid, wordt de in tabel 2.9.1 aangegeven tijdsduur met 30 minuten bekort, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is clan 500 MJ/m2 en geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau. 4Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van de hoofddraagconstructie van een gebruiksfunctie waarvan een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, gedurende 90 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand. 5Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.9.2 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand. <vet>Tabel 2.9.2</vet> Hoofddraagconstructie tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten Indien geen vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 7m boven het meetniveau 60 Indien een vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 7m en niet hoger dan 13m boven het meetniveau 90 Indien een vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 13m boven het mneetniveau 120 6In afwijking van het vierde en vijfde lid, wordt de in tabel 2.9.2 aangegeven tijdsduur met 30 minuten bekort, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 MJ/m
  17. 7Een uiterste grenstoestand van een hoofddraagconstructie wordt, afhankelijk van de bestemming en de inrichting van een bouwwerk, bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand, gedurende zodanige tijd niet overschreden, dat het bouwwerk bij brand binnen redelijke tijd kan worden verlaten en kan worden doorzocht, zonder dat gevaar bestaat voor instorting van de hoofddraagconstructie. Artikel2.10Bepalingsmethode De tijdsduur gedurende welke een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie niet wordt overschreden, als bedoeld in artikel 2.9, wordt bepaald volgens: a. NEN 6069, b. NEN 6071, c. NEN 6072 of d. NEN
  18. Paragraaf2.2.2Bestaande bouw Artikel2.11 1Een bestaand bouwwerk heeft een bouwconstructie die zodanig is dat het bouwwerk bij brand gedurende enige tijd kan worden verlaten en doorzocht zonder dat er gevaar voor instorting is. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel
  19. 11 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<vet>Tabel 2.11</vet><plaatje><illustratie id="i29085" naam="345px" alt="345px" breedte="345px" hoogte="383px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.12Tijdsduur bezwijken 1Een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute, wordt gedurende 20 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand. 2Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.12.1 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand. <vet>Tabel 2.12.1</vet> Hoofddraagconstructie tijdsduur van de brandwerenheid met betrekking tot bezwijken in minuten Indien een vloer van een verblijfsgebied van de woning hoger ligt dan 7m en niet hoger dan 13m boven het meetniveau 30 Indien een vloer van een verblijfsgebied van de woning hoger ligt dan 13m boven het meetniveau 60 3Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van de hoofddraagconstructie van een gebruiksfunctie waarvan een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, gedurende 30 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand. 4Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.12.2 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand. <vet>Tabel 2.12.2</vet> hoofddraagconstructie tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot het bezwijken in minuten Indien een vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 7m en niet hoger dan 13m bovenhet meetniveau 30 Indien een vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 13m bovenhet meetniveau 60 5Een uiterste grenstoestand van een hoofddraagconstructie wordt, afhankelijk van de bestemming en de inrichting van een bouwwerk, bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand, gedurende zodanige tijd niet overschreden, dat het bouwwerk bij brand gedurende enige tijd kan worden verlaten en kan worden doorzocht, zonder dat gevaar bestaat voor instorting van de hoofddraagconstructie. Artikel2.13Bepalingsmethode De tijdsduur gedurende welke een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie niet wordt overschreden, als bedoeld in artikel 2.12, wordt bepaald volgens NEN
  20. Afdeling2.3Vloerafscheiding Paragraaf2.3.1Nieuwbouw Artikel2.14 1Een te bouwen bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het van een vloer vallen voldoende wordt voorkomen. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.14 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. 3Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.14 geen voorschrift is aangewezen.<vet>Tabel 2.14</vet><plaatje><illustratie id="i29086" naam="659px" alt="659px" breedte="659px" hoogte="434px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.15Aanwezigheid 1Een vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water. 2Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan: a. een trap of b. een hellingbaan 3Onverminderd het tweede lid geldt het eerste lid niet voor: a. een rand van een podium, b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst, c. een rand van een laadvloer, d. een rand van een perron en e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer. Artikel2.16Hoogte 1Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste de in tabel 2.14 aangegeven waarde. 2Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft, in afwijking van het eerste lid, een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 1,2 m indiende vloer hoger ligt dan 13 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende terrein of het aansluitend water. 3Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft, in afwijking van het eerste en tweede lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,85 m. 4Indien de som van de hoogte en de breedte van een horizontaal vlak op die hoogte ten minste 1,1 mis, heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, in afwijking van het eerste lid, een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,7 m. Artikel2.17Openingen 1Tussen een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, en de vloer is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,05 m. 2Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft tot een hoogte van 0,7 m boven de vloer geen openingen met een breedte groter dan de in tabel 2.14 aangegeven waarde. 3Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft geen openingen met een breedte groter dan de in tabel 2.14 aangegeven waarde. 4Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, in een gedeelte van een gebruiksfunctie dat mede bestemd is voor bezoekers, heeft tot een hoogte van 0,7 m boven de vloer geen openingen met een breedte groter clan 0, 1 m. Artikel2.18Opstapmogelijkheid 1Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer. 2in een gedeelte mede bestemd voor bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 in boven de vloer. Paragraaf2.3.2Bestaande bouw Artikel2.19 1Een bestaand bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het van een vloer vallen voldoende wordt voorkomen. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.19 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. 3Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.19 geen voorschrift is aangewezen.<vet>Tabel 2.19</vet><plaatje><illustratie id="i29087" naam="359px" alt="359px" breedte="359px" hoogte="338px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.20Aanwezigheid 1Een vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt clan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water. 2Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan: a. een trap of b. een hellingbaan. 3Onverminderd het tweede lid geldt het eerste lid niet voor: a. een rand van een podium, b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst, c. een rand van een laadvloer, d. een rand van een perron en e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer. Artikel2.21Hoogte 1Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, heeft een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,9 m. 2Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, heeft, in afwijking van het eerste tot en met derde lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m. 3Indien de som van de hoogte en de breedte van een horizontaal vlak op die hoogte ten minste 1 mis, heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, in afwijking van het eerste lid, een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m. Artikel2.22Openingen 1Tussen een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, en de vloer is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,1 m. 2Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, heeft tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer geen openingen met een breedte groter dan 0,2 m. Afdeling2.4Overbrugging van hoogteverschillen Paragraaf2.4.1Nieuwbouw Artikel2.23 1Een te bouwen bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.23 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften 3Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.23 geen voorschrift is aangewezen.<vet>Tabel 2.23</vet><plaatje><illustratie id="i29088" naam="326px" alt="326px" breedte="326px" hoogte="344px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.24Voorziening 1Een hoogteverschil tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, verkeersruimten, toiletruimten en badruimten of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. 2Een hoogteverschil tussen voor bezoekers toegankelijke vloeren of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Paragraaf2.4.2Bestaande bouw Artikel2.25 1Een bestaand bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogte- verschillen. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.25 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. 3Het eerste lid is niet van toepassing op die gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.25 geen voorschrift is gegeven. <vet>Tabel 2.25</vet><plaatje><illustratie id="i29089" naam="414px" alt="414px" breedte="414px" hoogte="449px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.26Aanwezigheid 1Een hoogteverschil tussen vloeren van verblijfsruimten, verkeersruimten, toiletruimten en badruimten of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,22 m, wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. 2Een hoogteverschil tussen voor bezoekers toegankelijke vloeren of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,22 m, wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Afdeling2.5Trap Paragraaf2.5.1Nieuwbouw Artikel2.27 1Een te bouwen trap die een hoogteverschil als bedoeld in paragraaf 2.4.1 overbrugt, kan veilig worden gebruikt. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.27 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. 3Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.27 geen voorschrift is aangewezen. Artikel2.28Afmetingen trap 1Een trap als bedoeld in artikel 2.24, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a, kolom A 2In afwijking van het eerste lid, heeft een trap als bedoeld in artikel 2.24, bestemd voor het ontsluiten van een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2, afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a, kolom B. 3Indien de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied, die is aangewezen op een trap als bedoeld in artikel 2.24 voor het bereiken van een verblijfsgebied, groter is dan 600 m2 heeft die trap, in afwijking van liet eerste lid, afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a, kolom B. 4Een aantrede, een optrede en de breedte van een tredevlak van een trapvormige vloer van een verblijfsgebied hebben afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a, kolom B, 5Een trap als bedoeld in artikel 2.24, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 2,28b, kolom A. 6Indien de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied, die is aangewezen op een trap als bedoeld in artikel 2.24 voor het bereiken van een verblijfsgebied, groter is dan de in tabel 2.27 aangegeven grenswaarde, heeft die trap, in afwijking van het eerste lid, afmetingen die voldoen aan tabel 2,28b, kolom B. 7Een aantrede, een optrede en de breedte van een tredevlak van een trapvormige vloer van een verblijfsgebied hebben afmetingen die voldoen aan tabel 2,28b, kolom B. 8In afwijking van liet vijfde en zesde lid, geldt geen maximum hoogte voor een trap van een industriefunctie. 9Indien de totale vloeroppervlakte van voor bezoekers toegankelijke vloeren, die is aangewezen op een trap als bedoeld in artikel 2.24, groter is dan de in tabel 2.27 aangegeven grenswaarde, heeft die trap, in afwijking van het vijfde lid, afmetingen die voldoen aan tabel 2,28b, kolom B. 10Een aantrede, een optrede en een tredevlak van een voor bezoekers toegankelijke trapvormige vloer hebben afmetingen die voldoen aan tabel 2,28b, kolom B. <vet>Tabel 2.28a</vet> Afmetingen van een trap van een woonfunctie 0,8 m2,3 m 4 m0,22 m0,185 m0,05 m0,23 m0,33 m 1,2 m2,3 m4 m0,24 m0,185 m0,17 m0,24 m 0,3 m <vet> Tabel 2.28b</vet> Afmetingen van een trap van een niet tot woning bestemde gebruiksfunctie Minimum breedte van de trapMimimum vrije hoogte boven de trapMinimum hoogte van de trapMinimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemetenloodrecht op de voorkant van de tredeMaximum hoogte van een optredeMinimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht opde voorkant van dat vlakMinimum breedte van het tredevlak ter plaatse van deklimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlakMinimum afmetingen van de klimlijn tot de zijkanten van detrap 0,8 m2,1 m4 m0,185 m 0,21 m0,05 m0,23 m0.3 m Artikel2.29Trapbordes 1Een trap als bedoeld in artikel 2.28, eerste lid of vijfde lid, sluit ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte van die trap aan op een vrije vloer- oppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m. 2Een trap als bedoeld in artikel 2.28, tweede of derde lid, sluit ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte van die trap aan op een vrije vloer- oppervlakte van ten minste 1,2 m x 1,2 m. 3Een trap als bedoeld in artikel 2.28, zesde en negende lid, sluit ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte van die trap aan op een vrije vloer- oppervlakte van ten minste 1, 1 m x 1, 1 m. Artikel2.30Afscheiding 1Een trap als bedoeld in artikel 2.24, heeft, voorzover een zijkant van een tredevlak meer dan 1 m boven een direct naast de trap gelegen vloer ligt, aan die zijkant een af- scheiding. De boven de voorkant van een tredevlak gemeten hoogte van die afscheiding is ten minste 0,8 m. Tussen de afscheiding en de trap is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,05 m. 2Een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, heeft geen openingen met een breedte groter dan 0,5 m. 3Een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, heeft tot een hoogte van 0,7 m boven een tredevlak geen openingen met een breedte groter dan 0,1 m. 4Een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een tredevlak. 5In een gedeelte mede bestemd voor bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, onverminderd het tweede lid, tot een hoogte van 0,7 m boven een trede- vlak geen openingen met een breedte groter dan 0,1 m. 6In een gedeelte mede bestemd voor bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een tredevlak. Artikel2.31Leuning 1Een trap als bedoeld in artikel 2.24, waarvan ter plaatse van de klimlijn de helling groter is dan 2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van niet minder dan 0,8 m en niet meer dan 1 m. 2In afwijking van het eerste lid, geldt dit voorschrift alleen voor een trap waarmee een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1 m. Artikel2.32Regenwerendheid Een trap als bedoeld in artikel 2.24, bestemd voor het ontsluiten van een gebruiksfunctie, waarmee een vanaf een aangrenzende vloer gemeten hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, ligt in een besloten ruimte. De uitwendige scheidingsconstructie van die besloten ruimte is, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend. Paragraaf2.5.2Bestaande bouw Artikel2.33 1Een bestaande trap die een hoogteverschil als bedoeld in paragraaf 2.4.2 overbrugt, kan veilig worden gebruikt. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.33 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. 3Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.33 geen voorschrift is aangewezen. Artikel2.34Afmetingen trap 1Een trap als bedoeld in artikel 2.26, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 2.
  21. 2Een aantrede en een optrede van een trapvormige vloer van een verblijfsruimte hebben afmetingen die voldoen aan tabel 2.
  22. 3Een aantrede en een optrede van een voor bezoekers toegankelijke trapvormige vloer hebben afmetingen die voldoen aan tabel 2.34.<vet> Tabel 2.34</vet> Minimum breedte van de trapMinimum vrije hoogte boven de trapminimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de tredeMaximum hoogte van een optredeMinimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap 0,7 m 1,9 m0,13 m0,22 m0,2 m Artikel2.35Trapbordes Een trap als bedoeld in artikel 2.26, sluit ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte van die trap aan op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m. Artikel2.36Afscheiding 1Een trap als bedoeld in artikel 2.26, heeft, voorzover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m boven een direct naast de trap gelegen vloer ligt, aan die zijkant een afscheiding. De boven de voorkant van een tredevlak gemeten hoogte van die afscheiding is ten minste 0,6 m. Tussen de afscheiding en de trap is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,05 m. 2Een afscheiding als bedoeld in liet eerste lid, heeft tot een hoogte van 0,6 m boven een tredevlak geen openingen met een breedte groter dan 0,2 m. Artikel2.37Leuningen Een trap als bedoeld in artikel 2.26, waarvan ter plaatse van de klimlijn de helling groter is dan 2:3, en waarmee een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van niet minder dan 0,6 m en niet meer dan 1 m. Afdeling2.6Hellingbaan Paragraaf2.6.1Nieuwbouw Artikel2.38 1Een te bouwen hellingbaan die een hoogteverschil als bedoeld in paragraaf 2.4.1 overbrugt, kan veilig worden gebruikt. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.38 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. 3Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.38 geen voorschrift is aangewezen.<plaatje><illustratie id="i29090" naam="415px" alt="415px" breedte="415px" hoogte="415px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.39Afmetingen hellingbaan Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, heeft een breedte van ten minste 1,1 m, een hoogte van niet meer dan 1 m en een helling van ten hoogste: a. 1 : 12 indien het hoogteverschil niet groter is dan 0,25 m, b. 1 : 16 indien het hoogteverschil groter is dan 0,25 m, maar niet groter clan 0,5 m, en c. 1 : 20 indien het hoogteverschil groter is dan 0,5 m. Artikel2.40Hellingbaan-bordes Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, sluit aan de bovenzijde over de ten minste vereiste breedte aan op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,4 m x 1,4 m. Artikel2.41Afscheiding 1Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, heeft aan beide zijkanten een aaneengesloten afscheiding met een hoogte van ten minste 0,04 m boven de hellingbaan. 2Voorzover een zijkant van een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, meer dan 1 m boven een direct naast de hellingbaan gelegen vloer ligt, is, in afwijking van het eerste lid, de boven de hellingbaan gemeten hoogte van de afscheiding ten minste 0,85 m. 3Een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, heeft geen openingen met een grotere breedte dan 0,5 m, 4Tussen een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, en de hellingbaan is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,05 m, 5Een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, heeft tot een hoogte van 0,7 m boven de hellingbaan geen openingen met een breedte groter dan 0, 1 m. 6Een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de hellingbaan. 7In een gedeelte voor bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in het tweede lid tot een hoogte van 0,7 m boven de hellingbaan geen openingen met een breedte groter dan 0,1 m. 8In een gedeelte voor bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de hellingbaan. Paragraaf2.6.2Bestaande bouw Artikel2.42 1Een bestaande hellingbaan die een hoogteverschil als bedoeld in paragraaf 2,4.2 overbrugt, kan op veilige wijze worden gebruikt. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.42 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toe passing van die voorschriften. 3Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.42 geen voorschrift is aangewezen.<plaatje><illustratie id="i29091" naam="354px" alt="354px" breedte="354px" hoogte="353px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.43Afmetingen hellingbaan Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.26, heeft een breedte van ten minste 0,7 m en een helling van ten hoogste 1:
  23. Artikel2.44Hellingbaan-bordes Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.26, sluit aan de bovenzijde over de ten minste vereiste breedte van die hellingbaan aan op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m. Artikel2.45Afscheiding 1Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.26, heeft, voorzover een zijkant meer dan 1,5 m boven een direct naast de hellingbaan gelegen vloer ligt, aan die zijkant een afscheiding. De boven de hellingbaan gemeten hoogte van die afscheiding is ten minste 0,6 m. 2Tussen een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, en de hellingbaan is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,1 m. 3Een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, heeft tot een hoogte van 0,6 m boven de hellingbaan geen openingen met een breedte groter dan 0,2 m. Afdeling2.7Elekticiteits- en noodstroomvoorziening Paragraaf2.7.1Nieuwbouw Artikel2.46 1Een te bouwen bouwwerk heeft een veilige voorziening voor elektriciteit. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.46 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29092" naam="462px" alt="462px" breedte="462px" hoogte="461px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.47Aanwezigheid 1Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor elektriciteit. 2Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor noodstroom, indien de verlichtingsinstallatie volgens artikel 2.59, moet zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom. Artikel2.48Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor noodstroom, indien de verlichtingsinstallatie volgens artikel 2.59, moet zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom. Een voorziening voor elektriciteit heeft in een meterruimte, als bedoeld in artikel 4.66, een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het distributienet van elektriciteit. Artikel2.49Veiligheid 1Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. 2Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. 3Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken. Artikel2.50Verbouw Burgemeester en wethouders verlenen bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk geen ontheffing van de in de artikelen 2.47, tweede lid, en 2.49, derde lid, gestelde voorschriften. Artikel2.51Tijdelijke bouw Bij het bouwen van een niet-permanent bouwwerk is artikel 2.47, tweede lid, van toepassing. Paragraaf2.7.2Bestaande bouw Artikel2.52 1Een bestaand bouwwerk heeft een veilige voorziening voor elektriciteit. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.52 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29093" naam="475px" alt="475px" breedte="475px" hoogte="453px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.53Aanwezigheid 1Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor elektriciteit. 2Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor noodstroom indien de verlichtingsinstallatie volgens artikel 2.66, moet zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom. Artikel2.54Aansluitingen Een voorziening voor elektriciteit heeft een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het distributienet van elektriciteit. Afdeling2.8Verlichting Paragraaf2.8.1Nieuwbouw Artikel2.56 1Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden verlaten, sociaal veilig en bruikbaar is. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.56 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. 3Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.56 geen voorschrift is aangewezen.<plaatje><illustratie id="i29094" naam="476px" alt="476px" breedte="476px" hoogte="533px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.57Verlichtingssterkte 1Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die de vloer van de verblijfsruimte kan verlichten met een verlichtingssterkte van ten minste de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.
  24. 2Een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een verlichtingsinstallatie die een verlichtingssterkte van ten minste 10 lux kan geven ten minste over een breedte als bedoeld in artikel 2.167, op de bovenzijde van een vloer, van een trap en van een hellingbaan, waarover die rookvrije vluchtroute voert. 3Een liftkooi heeft een verlichtingsinstallatie die de vloer van de liftkooi kan verlichten met een verlichtingssterkte van ten minste 10 lux. 4Een bouwwerk geen gebouw zijnde, heeft, afhankelijk van de bestemming, indien daar een voor mensen toegankelijke vloer, trap of hellingbaan aanwezig is, een verlichtingsinstallatie waarmee die vloer, trap of hellingbaan kan worden verlicht. Artikel2.58Stroomvoorziening Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in artikel 2.57, is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit als bedoeld in artikel 2.47, eerste en tweede lid. Artikel2.59Noodverlichting 1Een verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte die groter is dan de grenswaarde die in tabel 2.56 is aangegeven, is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid. 2Een verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid. 3Een verlichtingsinstallatie van een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, als bedoeld in artikel 2.57, tweede lid, is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid. 4Een verlichtingsinstallatie van een liftkooi is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid. Artikel2.60Voorziening van noodstroom Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux. Artikel2.61Verbouw 1Burgemeester en wethouders verlenen bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk geen ontheffing van de artikelen 2.59, derde en vierde lid, en 2.
  25. 2Burgemeester en wethouders verlenen bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk geen gebouw zijnde, geen ontheffing van de artikelen 2.57, derde lid, 2.58, 2.59 vierde lid, en 2.
  26. Artikel2.62Tijdelijke verbouw Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk zijn de artikelen 2.57 tot en met 2.60 van toepassing. Paragraaf2.8.2Bestaande bouw Artikel2.63 1Een bestaand bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden verlaten. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.63 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. 3Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.63 geen voorschrift is aangewezen.<plaatje><illustratie id="i29095" naam="502px" alt="502px" breedte="502px" hoogte="438px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.64Verlichtingssterkte 1Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die de vloer van de verblijfsruimte kan verlichten met een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux. 2Een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een verlichtingsinstantie die een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux over de vereiste bedoeld in artikel 2.176, kan worden gegeven op de bovenzijde van een vloer, van een trap en van een hellingbaan waarover die rookvrije vluchtroute voert. 3Een liftkooi heeft een verlichtingsinstallatie die de vloer van de liftkooi kan verlichten met een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux. 4Een bouwwerk geen gebouw zijnde, heeft, afhankelijk van zijn bestemming, indien daar een voor mensen toegankelijke vloer, trap of hellingbaan aanwezig is, een verlichtingsinstallatie waarmee die vloer, trap of hellingbaan kan worden verlicht. Artikel2.65Stroomvoorziening Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in artikel 2.64, is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit als bedoeld in artikel 2.53, eerste lid. Artikel2.66Noodverlichting 1Een verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte die groter is dan de grenswaarde die in tabel 2.63 is aangegeven, is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.53, tweede lid. 2Een verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.53, tweede lid. 3Een verlichtingsinstallatie van een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert als bedoeld in artikel 2.64, tweede lid, is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.53, tweede lid. 4Een verlichtingsinstallatie van een liftkooi is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.53, tweede lid. Artikel2.67Voorziening voor noodstroom Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.66, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.55, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux. Afdeling2.9Gasvoorziening Paragraaf2.9.1Nieuwbouw Artikel2.68 1Een te bouwen bouwwerk heeft een veilige voorziening voor gas. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.68 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in liet eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29096" naam="502px" alt="502px" breedte="502px" hoogte="438px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.69Aanwezigheid 1Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor gas, tenzij de gebruiksfunctie kan worden aangesloten op een gemeenschappelijke of publieke voorziening voor verwarming. 2Een woongebouw heeft een voorziening voor gas, indien het een gemeenschappelijke voorziening voor verwarming heeft. Artikel2.70Aansluitingen 1Een voorziening voor gas heeft in een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het distributienet van gas. 2Een voorziening voor gas als bedoeld in artikel 2.69, heeft een aansluitpunt bij: a. een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.81, b. een opstelplaats voor een stooktoestel als bedoeld in artikel 4.87, en c. een opstelplaats voor een warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.
  27. 3Een voorziening voor gas heeft een aansluitpunt bij elke opstelplaats voor een op gas gestookt verbrandingstoestel. Artikel2.71Veiligheid Een voorziening voor gas voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Paragraaf2.9.2Bestaande bouw Artikel2.72 1Een bestaand bouwwerk heeft een veilige voorziening voor gas. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.72 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29097" naam="310px" alt="310px" breedte="310px" hoogte="308px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.73Aanwezigheid Een voorziening voor gas heeft een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het distributienet van gas. Artikel2.74Veiligheid Een voorziening voor gas voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Afdeling2.10Beweegbare constructie-onderdelen Paragraaf2.10.1Nieuwbouw Artikel2.75 1Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructie-onderdelen dat veilig kan worden gevlucht en dat veilig gebruik kan worden gemaakt van de aan het perceel grenzende openbare ruimte. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.75 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29098" naam="312px" alt="312px" breedte="312px" hoogte="297px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.76Hoogte 1Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg of boven een strook van 0,6 m grenzend aan die weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer clan 4,2 m boven die weg of strook. 2Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een niet voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 2,2 m boven die weg. 3Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een vloer waarover een rookvrije vluchtroute voert, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 2,2 m boven die vloer, Dit voorschrift geldt niet voor een deur, indien de vluchtroute een Vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 0,6 m ter plaatse van die deur in enige geopende stand. 4Het eerste, tweede en derde lid gelden niet voor een deur die toegang verschaft tot een ruimte die zo klein is dat een persoon zich daarin niet helemaal kan bevinden. 5Een beweegbaar constructie-onderdeel bevindt zich in geopende stand niet buiten de standplaats. Artikel2.77Verbouw Burgemeester en wethouders verlenen bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk geen ontheffing van artikel 2.76, tweede, derde en vijfde lid. Artikel2.78Tijdelijke bouw Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk is artikel 2.76, tweede, derde en vijfde lid, van toepassing. Paragraaf2.10.2Bestaande bouw Artikel2.79 1Een bestaand bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructie-onderdelen dat veilig gebruik kan worden gemaakt van de aan het perceel grenzende openbare ruimte. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.79 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. 3Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.79 geen voorschrift is aangewezen.<plaatje><illustratie id="i29099" naam="247px" alt="247px" breedte="247px" hoogte="280px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.80Hoogte Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg. Afdeling2.11Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie Paragraaf2.11.1Nieuwbouw Artikel2.81 1Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.81 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29100" naam="391px" alt="391px" breedte="391px" hoogte="356px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.82Stookplaats Materiaal, toegepast ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats van een gebruiksfunctie is, bepaald volgens NEN 6064, onbrandbaar, indien: a. ter plaatse van of in de nabijheid van die stookplaats een intensiteit van de warmtestraling kan optreden, die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2, of b. in het materiaal een temperatuur kan optreden, die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan K. Artikel2.83Schacht, koker of kanaal Materiaal toegepast aan de binnenzijde van een schacht, een koker of een kanaal met een inwendige doorsnede groter dan 0,015 m2 en grenzend aan meer dan een brandcompartiment, is, bepaald volgens NEN 6064, onbrandbaar over een dikte van ten minste 0,01 m, gemeten loodrecht op de binnenzijde. Dit geldt niet indien de schacht, de koker of het kanaal ligt in en uitsluitend is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten. Artikel2.84Rookafvoer 1Een voorziening voor de afvoer van rook is, bepaald volgens NEN 6062, brandveilig. 2Materiaal waaruit een voorziening voor de afvoer van rook is samengesteld, is, bepaald volgens NEN 6064, onbrandbaar. Dit geldt uitsluitend indien in dat materiaal een temperatuur, bepaald volgens NEN 6062, kan optreden van meer dan 363 K. 3De horizontale afstand tussen de uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook van een op vaste brandstof gestookt toestel en een brandgevaarlijk dak van een ander bouwwerk is ten minste 15 m. Artikel2.85Dak 1Een dak van een gebruiksfunctie is, bepaald volgens NEN 6063, niet brandgevaarlijk. 2Het eerste lid geldt niet, indien het gebouw waarin een gebruiksfunctie ligt: a. geen vloer van een verblijfsgebied heeft, die hoger ligt dan 5 m boven het meet- niveau, en b. geen brandgevaarlijk dak heeft op een horizontale afstand van de perceelsgrens van minder dan 15 m; indien het perceel waarop het bouwwerk ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt de afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen. 3Het eerste lid geldt niet, indien het bouwwerk geen gebouw zijnde: a. geen voor bezoekers toegankelijke vloer heeft die hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, en b. geen brandgevaarlijk dak heeft op een afstand van de perceelsgrens van minder dan 15 m; indien het perceel waarop het bouwwerk ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt de afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen. Artikel2.86Verbouw Burgemeester en wethouders verlenen bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk geen ontheffing van de artikelen 2.83, 2.84, eerste en tweede lid, en 2.
  28. Artikel2.87Tijdelijke bouw Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk zijn de artikelen artikelen 2.83, 2.84, eerste en tweede lid, en 2.85 van toepassing. Paragraaf2.11.2Bestaande bouw Artikel2.88 1Een bestaand bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.88 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29101" naam="273px" alt="273px" breedte="273px" hoogte="321px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.89Stookplaats Materiaal, toegepast ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats van een gebruiksfunctie is, bepaald volgens NEN 6064, onbrandbaar, indien: a. ter plaatse van of in de nabijheid van die stookplaats een intensiteit van de warmtestraling kan optreden, die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m3, of b. in het materiaal een temperatuur kan optreden, die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 363 K. Artikel2.90Rookafvoer 1Een voorziening voor de afvoer van rook is, bepaald volgens NEN 8062, luchtdicht. 2Materiaal waaruit een voorziening voor de afvoer van rook is samengesteld, is, bepaald volgens NEN 6064, onbrandbaar, indien in dat materiaal een volgens NEN 8062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 363 K. 3De horizontale afstand tussen de uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook van een op vaste brandstof gestookt toestel en een brandgevaarlijk dak van een ander bouwwerk is ten minste 15 m. Afdeling2.12Beperking van ontwikkeling van brand Paragraaf2.12.1Nieuwbouw Artikel2.91 1Een te bouwen bouwwerk is zodanig, dat brand zich niet snel kan ontwikkelen. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.91 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29102" naam="557px" alt="557px" breedte="557px" hoogte="414px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.92Binnenoppervlak Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot randvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.
  29. Artikel2.93Buitenoppervlak 1Een constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.
  30. Een deur, een raam, een kozijn of’ een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse
  31. 2Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse
  32. 3Een constructie-onderdeel van een bouwwerk waarvan een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, vanaf het aansluitende terrein tot een hoogte van ten minste 2,5 m daarboven, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse
  33. 4Een constructie-onderdeel van een bouwwerk, waarvan een voor mensen toegankelijke vloer hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, vanaf het aansluitende terrein tot een hoogte van ten minste 2,5 m daarboven, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse
  34. 5Het tweede tot en met vierde lid gelden niet voor. a. een deur, b. een raam, c. een kozijn en d. een aan een deur, een raam of&#x2019; een kozijn gelijk te stellen constructie-onderdeel. 6Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht en is toegekeerd naar een weg, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse
  35. Artikel2.94Beloopbaar vlak 1De artikelen 2.92 en artikel 2.93 gelden niet voor de bovenzijde van: a. een vloer, b. een hellingbaan, c. een trap en d. een dak. 2Een vloer, een hellingbaan of’ een trap heeft aan de bovenzijde een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die is aangegeven in tabel 2.
  36. Artikel2.95Vrijgesteld 1Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de artikelen 2.92 tot en met 2.94 een eis geldt, is de eis niet van toepassing. 2Voor bouwwerken geen gebouw zijnde is op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen, waarvoor volgens de artikelen 2.92 tot en met 2.94 een eis geldt, de eis niet van toepassing. Artikel2.96Verbouw 1Burgemeester en wethouders verlenen bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk geen ontheffing van artikel 2.93, derde lid. 2Burgemeester en wethouders verlenen bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk geen gebouw zijnde geen ontheffing van artikel 2.93, vierde lid. Artikel2.97Tijdelijke bouw 1Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk is artikel 2.93, derde lid, van toepassing. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.98 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Paragraaf2.12.2Bestaande bouw Artikel2.98 1Een bestaand bouwwerk is zodanig, dat brand zich niet snel kan ontwikkelen. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.98 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29103" naam="464px" alt="464px" breedte="464px" hoogte="376px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.99Binnenoppervlak Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot randvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.
  37. Artikel2.100Buitenoppervlak Een constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.
  38. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse
  39. Artikel2.101 1De artikelen 2.99 en 2.100 gelden niet voor de bovenzijde van: a. een vloer, b. een hellingbaan, c. een trap en d. een dak. 2Een vloer, een hellingbaan of een trap heeft aan de bovenzijde een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die ten hoogste gelijk is aan de klasse die is aangegeven in tabel 2.
  40. Artikel2.102Vrijgesteld 1Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte waarvoor volgens de artikelen 2.99 tot en met 2.101 een eis geldt, is de eis niet van toepassing. 2Voor bouwwerken geen gebouw zijnde is op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen waarvoor volgens de artikelen 2.99 tot en met 2.101 een eis geldt, de eis niet van toepassing. Afdeling2.13Beperking van uitbreiding van brand Paragraaf2.13.1Nieuwbouw Artikel2.103 1Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.103 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29104" naam="563px" alt="563px" breedte="563px" hoogte="350px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.104Ligging 1Een besloten ruimte ligt in een brandcornpartiment. Dit geldt niet voor een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte en een opstelplaats voor een verbrandingstoestel niet gelegen in een stookruimte als bedoeld in artikel 4.88, vierde en vijfde lid, en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute. 22.Onverminderd het eerste lid, liggen een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2, een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen en een stookruimte als bedoeld in artikel 4.88, vierde en vijfde lid, in een brandcompartiment. 3In afwijking van het eerste lid, ligt een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, niet in een brandcompartiment. 4Een niet besloten verblijfsgebied ligt in een brandcompartiment. 55.Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en met een volgens NEN 6090 bepaalde vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m
  41. 6Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2, die uitsluitend is bestemd voor de opslag van goederen of materialen, niet zijnde bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen. 7Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie, die uitsluitend is bestemd voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m
  42. 8Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een overige gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2, die niet is bestemd voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen. Artikel2.105Omvang 1Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een perceel. 2In een brandcompartiment van een woongebouw liggen uitsluitend woonfuncties. 3In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevenfuncties van die woonfunctie. 4Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 2.103 aangegeven grenswaarde. 5Indien een woonfunctie gelegen in een woongebouw is aangewezen op geheel of gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes als bedoeld in artikel 2.157, derde tot en met vijfde lid, liggen in het brandcompartiment waarin die woonfunctie ligt, ten hoogste: a. zes woonfuncties of b. woonfuncties met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 800 m
  43. 6Een stookruimte als bedoeld in artikel 4.88, vierde en vijfde lid, is een brandcompartiment. 7Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 rn2 is een brandcompartiment. 8Een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen, is een brandcompartiment. 9Een brandcompartiment waarin een groep van niet-gemeenschappelijke ruimten ligt, heeft een gebruiksoppervlakte die kleiner is dan 77 % van de totale gebruiksoppervlakte aan brandcompartiment in het gebouw waarin de celfunctie ligt. Dit geldt niet, indien de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.116, waarin de niet-gemeenschappelijke ruimten liggen en een aangrenzende celfunctie of een besloten gemeenschappelijke ruimte ten minste 60 minuten is. Daarbij kan tussen een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van de celfunctie en de gemeenschappelijke verkeersruimte die toegang geeft tot dat gebied, worden volstaan met ten minste 30 minuten indien: a. die gemeenschappelijke verkeersruimte twee toegangen heeft die een toegang zijn van het brandcompartiment of aansluiten op een route die uitsluitend door gemeenschappelijke verkeersruimten voert naar een toegang van het brandcompartiment, en b. de afstand tussen die toegangen ten minste 5 m is.Indien zich tussen een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied en de gemeenschappelijke verkeersruimte een deur bevindt, blijft bij het bepalen van de weerstand tegen brand- doorslag en brandoverslag buiten beschouwing een oppervlak, gelegen onder die deur, dat niet groter is dan 0,02 m2 en waarvan de hoogte, gemeten vanaf de vloer, niet groter is dan 0,05 in. 10In afwijking van het vierde lid, heeft een brandcompartiment waarin een subbrandcompartiment ligt als bedoeld in artikel 2.116, een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m
  44. 11Een brandcompartiment waarin een gedeelte van een gezondheidszorgfunctie bestemd voor aan bed gebonden patiënten ligt, heeft per bouwlaag een gebruiksoppervlakte die kleiner is dan 77 % van de totale gebruiksoppervlakte aan brandcompartiment op die bouwlaag. Artikel2.106Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (Wbdbo) 1De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van rook en van brand gevrijwaarde vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis is niet lager dan 60 minuten. 2In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met 30 minuten, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m
  45. Dit geldt niet voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar een veiligheidstrappenhuis. 3In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met 30 minuten, indien: a. het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen, en b. in een gebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger boven het meetniveau ligt dan de in tabel 2.103 aangegeven grenswaarde.Dit geldt niet voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar een veiligheidstrappenhuis. 4In afwijking van het eerste lid, kan tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, worden volstaan met 30 minuten. Dit geldt niet voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar een veiligheidstrappenhuis. 5Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een aangrenzend perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen. 6De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een woonwagen naar een andere woonwagen is niet lager dan 30 minuten. Bij de bepaling van deze weerstand wordt uitgegaan van een identieke, doch spiegelsymmetrisch op een afstand van 5 m geplaatste woonwagen. 7Het derde geldt niet voor een brandcompartiment bestemd voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen. Artikel2.107Zelfsluitende deur In een inwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur. Artikel2.108Verbouw Burgemeester en wethouders verlenen bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk geen ontheffing van artikel 2.
  46. Artikel2.109Tijdelijke bouw Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk zijnde artikelen 2.104 en 2.105 van toepassing, waarbij voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag telkens 30 minuten wordt aangehouden. Paragraaf2.13.2Bestaande bouw Artikel2.110 1Een bestaand bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.110 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29105" naam="544px" alt="544px" breedte="544px" hoogte="395px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.111Ligging 1Een besloten ruimte van een gebouw ligt in een brandcompartiment. Dit geldt niet voor een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte en een opstelplaats voor een verbrandingstoestel niet gelegen in een stookruimte als bedoeld in artikel 4.92, vierde lid, en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute. 2Onverminderd het eerste lid, liggen een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2, een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen en een stookruimte als bedoeld in artikel 4.92, derde en vierde lid, in een brandcompartiment. 3In afwijking van het eerste lid, ligt een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, niet in een brandcompartiment. 4Een niet besloten verblijfsruimte ligt in een brandcompartiment. 5Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 2,000 rn2 en een volgens NEN 6090 bepaalde vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m
  47. 66.Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2, die uitsluitend is bestemd voor de opslag van goederen of materialen, niet zijnde bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen. 7Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van ten hoogste 200 MJ/rn
  48. 8Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een overige gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2, die niet is bestemd voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen. Artikel2.112Omvang 1Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een perceel. 2In een brandcompartiment van een woongebouw liggen uitsluitend woonfuncties. 3In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevenfuncties van die woonfunctie. 4Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 2.110 aangegeven grenswaarde. 5Een stookruimte als bedoeld in artikel 4.92, vierde lid, is een brandcompartiment. 6Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2 is een brandcompartiment. 7Een ruimte, die bestemd is voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen, is een brandcompartiment. 8Een brandcompartiment waarin een groep van niet-gemeenschappelijke ruimten ligt, heeft een gebruiksoppervlakte die kleiner is dan 77 % van de totale gebruiksoppervlakte aan brandcompartiment in het gebouw waarin de celfunctie ligt. Dit geldt niet indien de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.121 waarin de niet- gemeenschappelijke ruimten liggen, en een aangrenzende celfunctie of een besloten gemeenschappelijke ruimte ten minste 60 minuten is. Daarbij kan tussen een niet- gemeenschappelijk verblijfsgebied en de gemeenschappelijke verkeersruimte die toegang geeft tot dat gebied, worden volstaan met ten minste 30 minuten indien: a. die gemeenschappelijke verkeersruimte twee toegangen heeft die een toegang zijn van het brandcompartiment of aansluiten op een route die uitsluitend door gemeenschappelijke verkeersruimten voert naar een toegang van het brandcompartiment, en b. de afstand tussen die toegangen ten minste 5 m is.Indien zich tussen een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van de celfunctie en de gemeenschappelijke verkeersruimte een deur bevindt, blijft bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag buiten beschouwing een oppervlak gelegen onder die deur, dat niet groter is dan 0,02 m2 en waarvan de hoogte, gemeten vanaf de vloer, niet groter is dan 0,05 m. 9In afwijking van het vierde lid, heeft een brandcompartiment waarin een subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.121 ligt, een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.
  49. 10Een brandcompartiment waarin een gedeelte van een gezondheidszorgfunctie bestemd voor aan bed gebonden patiënten ligt, heeft per bouwlaag een gebruiksoppervlakte die kleiner is dan 77 % van de totale gebruiksoppervlakte aan brandcompartiment op die bouwlaag. Artikel2.113Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag 1De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis, is niet lager dan 20 minuten. 2Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een ander perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen. Artikel2.114 In een inwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur. Afdeling2.14Verdere beperking van uitbreiding van brand Paragraaf2.14.1Nieuwbouw Artikel2.115 1Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand in verdergaande mate wordt beperkt dan bepaald in paragraaf 2.13.
  50. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.115 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29106" naam="568px" alt="568px" breedte="568px" hoogte="519px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.116Ligging 1Een niet-gemeenschappelijke ruimte ligt in een subbrandcompartiment. Dit geldt niet voor een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, en een opstelplaats voor een verbrandingstoestel niet gelegen in een stookruimte als bedoeld in artikel 4.88, vierde en vijfde lid. 2Een gemeenschappelijk verblijfsgebied ligt in een subbrandcompartiment 3Een verblijfsruimte ligt in een subbrandcompartiment. 4Een subbrandcompartiment ligt in een brandcompartiment. Artikel2.117Omvang 1Een subbrandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een brandcompartiment. 2Een subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.116, eerste lid, omvat in afwijking van artikel 2.105, tweede lid, uitsluitend niet gemeenschappelijke ruimten van niet meer dan één gebruiksfunctie en nevenfuncties van die gebruiksfunctie. 3Een subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan 500 m
  51. 4Een subbrandcompartiment waarin een verblijfsruimte ligt, omvat uitsluitend: a. een of meer met elkaar in verbinding staande ruimten met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 40 rn2, of b. die verblijfsruimte, indien de vloeroppervlakte van die verblijfsruimte groter is dan 40 m
  52. 5Een gemeenschappelijk verblijfsgebied is een subbrandcompartiment. 6Een subbrandcompartiment omvat uitsluitend een of meer verblijfsruimten voor aan bed gebonden pati&#xEB;nten en ruimten die ten dienste staan van die verblijfsruimten met een totale gebruiksoppervlakte van: a. niet meer dan 50 m2, indien die verblijfsruimten niet permanent worden bewaakt, of b. niet meer dan 500 m2, indien die verblijfsruimten permanent worden bewaakt. Artikel2.118Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag 1De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een sub-brandcompartiment naar een ruimte in het brandcompartiment, een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis is niet lager dan de in tabel 2.115 aangegeven grenswaarde. 2In afwijking van het eerste lid, is de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een subbrandcompartiment naar een ruimte als bedoeld in het eerste lid, die in dezelfde woonfunctie ligt, niet lager dan 30 minuten. 33.In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met 30 minuten, indien: a. de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het subbrandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2 en b. in het gebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau. 4In afwijking van het eerste lid, kan tussen een subbrandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute loopt zijn volstaan met 30 minuten' 5Indien zich tussen een subbrandcompartiment en een aangrenzende ruimte die toegang geeft tot dat subbrandcompartiment, een deur bevindt, blijft bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag buiten beschouwing een oppervlak gelegen onder die deur, dat niet groter is dan 0,02 m2 en waarvan de hoogte, gemeten vanaf de vloer, niet groter is dan 0,05 m. Artikel2.119Zelfsluitende deur In een inwendige scheidingsconstructie van een subbrandcornpartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur. Paragraaf2.14.2Bestaande bouw Artikel2.120 1Een bestaand bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand in verdergaande mate wordt beperkt dan bepaald in paragraaf 2.13.
  53. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.120 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29107" naam="436px" alt="436px" breedte="436px" hoogte="450px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.121Ligging 1Een al dan niet-gemeenschappelijke ruimte ligt in een subbrandcompartiment. Dit geldt niet voor een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, en een opstelplaats voor een verbrandingstoestel niet gelegen in een stookruimte als bedoeld in artikel 4.92, vierde lid. 2Een subbrandcompartiment ligt in een brandcompartiment. Artikel2.122Omvang 1Een subbrandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een brandcompartiment. 2Een subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.121, omvat, in afwijking van artikel 2.112, tweede lid, uitsluitend niet-gemeenschappelijke ruimten van een gebruiksfunctie en een en een of meer nevenfuncties van die gebruiksfunctie. 3Een subbrandcompartiment met een gemeenschappelijke verblijfsruimte omvat uitsluitend met die verblijfsruimte in verbinding staande gemeenschappelijke verblijfsruimten, gemeenschappelijke verkeersruimten, gemeenschappelijke toiletruimten en gemeenschappelijke badruimten. 4Een subbrandcompartiment waarin een verblijfsruimte ligt, omvat uitsluitend: a. een of meer met elkaar in verbinding staande ruimten met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 60 m2, of b. die verblijfsruimte, indien de vloeroppervlakte van die verblijfsruimte groter is dan 60 m
  54. 5Een subbrandcompartiment omvat uitsluitend een of meer verblijfsruimten voor aan bed gebonden pati&#xEB;nten en ruimten die ten dienste staan van die verblijfsruimten met een totale gebruiksoppervlakte van: a. niet meer dan 100 m2, indien die verblijfsruimten niet permanent worden bewaakt, of b. niet meer dan 1000 m2, indien die verblijfsruimten permanent worden bewaakt. Artikel2.123Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag 11.De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een subbrandcompartiment naar een ruimte in het brandcompartiment, een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis is niet lager dan 20 minuten. 2Indien zich tussen een subbrandcompartiment en een aangrenzende besloten ruimte die toegang geeft tot dat subbrandcompartiment een deur bevindt, blijft bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag het oppervlak gelegen onder die deur buiten beschouwing, indien dat oppervlak niet groter is dan 0,02 m2, en de hoogte van dat oppervlak, gemeten vanaf de vloer, niet groter is dan 0,05 m. Artikel2.124Zelfsluitende deur In een inwendige scheidingsconstructie van een subbrandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur. Afdeling2.15Beperking van ontstaan van rook Paragraaf2.15.1Nieuwbouw Artikel2.125 1Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het zich snel ontwikkelen van rook voldoende wordt beperkt. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.125 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29108" naam="528px" alt="528px" breedte="528px" hoogte="406px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.126Nieuwbouw 1Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die grenst aan de binnenlucht, een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-
  55. 2Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortpianting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-
  56. 3Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m. 4Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m
  57. 5Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse t, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m
  58. 66.Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten niet-gemeenschappelijke ruimte een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2 of klasse 3, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rook- productie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-
  59. 77.Indien een constructie-onderdeel aan een zijde grenst aan de binnenlucht in een besloten niet-gemeenschappelijke ruimte een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  60. 88.In afwijking van het eerste lid, heeft een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  61. 9In afwijking van het eerste lid, heeft een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een verkeersroute voert, die ligt tussen de toegang van een subbrandcompartiment en een toegang van het rookcompartiment waarin het subbrandcompartiment ligt, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  62. 1010.Indien een constructie-onderdeel aan een zijde grenst aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een verkeersroute voert, die ligt tussen de toegang van een subbrandcompartiment en een toegang van het rookcompartiment waarin het subbrandcompartiment ligt, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse t, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-
  63. 1111.Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een verkeersroute voert, die ligt tussen de toegang van een subbrandcompartiment en een toegang van het rookcompartiment waarin het subbrandcompartiment ligt, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  64. 12Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die grenst aan de lucht in een tunnel, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-
  65. 13Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de lucht in een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-
  66. 14Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de lucht in een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructie- onderdeel aan die zijde een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  67. Artikel2.127Beloopbaar vlak Artikel 2.126, tweede tot en met elfde, dertiende en veertiende lid, geldt niet voor de bovenzijde van: a. een vloer, b. een hellingbaan en c. een trap. Artikel2.128Vrijgesteld Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte waarvoor volgens artikel 2.126 een eis geldt, is die eis niet van toepassing. Artikel2.129Tijdelijke bouw Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk zijnde artikelen 2.126 tot en met 2.128 van toepassing. Paragraaf2.15.2Bestaande bouw Artikel2.130 1Een bestaand bouwwerk is zodanig dat het zich snel ontwikkelen van rook voldoende wordt beperkt. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.130 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29109" naam="457px" alt="457px" breedte="457px" hoogte="396px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.131Algemeen 1Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die grenst aan de binnenlucht, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-
  68. 2In afwijking van het eerste lid, heeft een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  69. 33.In afwijking van het eerste lid, heeft een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een rookproductie niet een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  70. 4In afwijking van het eerste lid, heeft een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten niet-gemeenschappelijke ruimte, een rook- productie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m
  71. 5En afwijking van het eerste lid, heeft een constructie-onderdelen aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een verkeersroute voert, gelegen tussen de toegang van een subbrandcompartiment en een toegang van het rookcompartiment waarin het subbrandcompartiment ligt, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m’. 6Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een verkeersroute voert, die ligt tussen de toegang van een subbrandcompartiment en een toegang van het rookcompartiment waarin het subbrandcompartiment ligt, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m*. 77.Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die grenst aan de lucht in een ruimte, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-
  72. 88.Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de lucht in een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft het constructie-onderdeel aan die zijde een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-
  73. 9Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de lucht in een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft het constructie- onderdeel aan die zijde een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m
  74. Artikel2.132Beloopbaar vlak Artikel 2.131, tweede tot en met achtste lid, geldt niet voor de bovenzijde van: a. een vloer b. een hellingbaan en c. een trap. Artikel2.133Vrijgesteld Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte waarvoor volgens artikel 2.131 een eis geldt, is die eis niet van toepassing. Afdeling2.16Beperking van verspreiding van rook Paragraaf2.16.1Nieuwbouuw Artikel2.134 1Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat bij brand rook zich niet binnen korte tijd kan verspreiden naar een ander deel van het bouwwerk zodat op veilige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt. 2Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.134 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.<plaatje><illustratie id="i29110" naam="501px" alt="501px" breedte="501px" hoogte="336px" xoffset="" yoffset="" uitlijning="start" type="foto" kleur="ja" formaat="jpeg" schaal="1" rotatie="0" /></plaatje> Artikel2.135Ligging 1Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer rookcompartimenten. 2Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vlucht- trappenhuis van een gebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 50 m boven het meetniveau, ligt een verkeersruimte met een lengte van ten minste 2 m. indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcornpartiment. Artikel2.136Omvang 1Een subbrandcompartirnent is een rookcompartiment. 2De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 2.134 aangegeven grenswaarde. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, dat in het verblijfsgebied ligt, buiten beschouwing gelaten en wordt de loopafstand die in het verblijfsgebied ligt, met 1,5 vermenigvuldigd. 3De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en een toegang van het rookcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt, is niet groter dan de in tabel 2.134 aangegeven grenswaarde. 4Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt, is niet groter dan 4 m. 5In afwijking van het tweede lid, is de loopafstand tussen een punt in een niet- gemeenschappelijk verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt, niet groter dan 22,5 m. 6Een hoogteverschil tussen vloeren van verblijfsgebieden die in hetzelfde rookcompartiment liggen, is niet groter dan 12 m. 7Het vierde lid geldt niet, indien de bouwlagen met elkaar in open verbinding staan, tenzij de op vloerniveau gemeten open verbinding kleiner of gelijk is aan 25 % van de kleinste vloeroppervlakte van de bouwlagen die binnen de omhullende scheidingsconstructies van het rookcompartiment liggen. Artikel2.137Weerstand rookdrang De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang van een rookcompartiment naar een besloten ruimte is niet lager dan 30 minuten. Artikel2.138Zelfsluitende constructieonderdelen 1In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie- onderdeel anders dan een zelfsluitend constructie-onderdeel. 2Het eerste lid geldt niet voor een toegang van een woonfunctie gelegen in een woongebouw. 3In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.