Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning Albrandswaard 2015Tekst van de regeling Het college van de gemeente Albrandswaard; besluit: vast te stellen de volgende Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning 2015: Beleidsregels behorende bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 1. Begrippen Onderstaand zijn de belangrijkste begrippen toegelicht. Voor overige relevante begrippen wordt verwezen naar de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015, aangenomen op 8 juli 2014, Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2015. aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; Deze diensten en/of producten zijn voor iedereen toegankelijk en/of verkrijgbaar, zonder toets of beschikking algemeen gebruikelijk: voorzieningen waar de persoon met beperkingen ook zonder beperking over zou kunnen beschikken. Het gaat om voorzieningen die algemeen in de reguliere handel of via Internet verkrijgbaar zijn, niet speciaal voor mensen met een beperking bedoeld zijn en niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel. begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven; bezwaarprocedure: de wettelijke procedure die gevolgd wordt indien een cliënt een bezwaarschrift heeft ingediend op een afgegeven besluit door de gemeente; cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; klachtenregeling: procedure volgens welke klachten die ontvangen worden over de (sociale) wijkteams en de jeugd & gezinsteams die gerelateerd zijn aan een gezamenlijke product- of ketenaanpak worden afgehandeld. maatschappelijke ondersteuning: 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie en beschermd wonen en opvang mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; ondersteuningsplan: een schriftelijke weergave van de afspraken die de bijdragen beschrijft van het college en van de hulpvrager, respectievelijk zijn sociale netwerk, om tegemoet te komen aan de ondersteuningsvraag. participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; persoonlijk plan: het hulpverleningsplan waarin de cliënt voordat het onderzoek van start gaat, aangeeft welke problemen hij/zij ervaart en welke oplossingen hij/zij ziet. persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; respijtzorg: zorg die wordt geleverd aan de cliënt met het doel de (overbelaste) mantelzorger tijdelijk bijvoorbeeld een avond, een dag of een weekend te ontlasten van zijn taken. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen; voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening; Wmo-klantmanager: persoon die de melding en ondersteuningsvraag van de cliënt onderzoekt en afhandelt; wijkteam: op wijkniveau georganiseerd multidisciplinair team dat aanspreekpunt is in de wijk, proactief de ondersteuningsvraag van inwoners verheldert, kan verwijzen naar beschikbare oplossingen en kan ondersteunen naar professionele hulp, ondersteuning en maatwerkvoorzieningen; zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. zorg in natura: zorg ontvangen van een zorgverlener die gecontracteerd is door de gemeente. DEEL 1 1.Uitgangspunten van de gemeente AlbrandswaardDe beleidsregels zijn voor burgers en medewerkers van de gemeente Albrandswaard. Deze bevatten alle informatie en regels over de toegangsprocedure voor maatschappelijke ondersteuning, de voorwaarden en het verstrekken van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo, zowel in natura als in pgb, de regels voor de eigen bijdrage, kwaliteitseisen, mantelzorgwaardering, respijtzorg, richtlijnen omgaan met huiselijk geweld en kindermishandeling, klachtenprocedure en het betrekken van ingezetenen bij de Wmo. Deze Beleidsregels Wmo vormen, naast de Algemene wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2015, een belangrijke waarborg van het recht op een zorgvuldige procedure voor de ondersteuningsvrager, die daar zelf een essentiële bijdrage in heeft. Waarom deze beleidsregels? In de Verordening staan korte juridisch geformuleerde regels. De beleidsregels bieden handvaten voor de uitvoerende om de regels uit te voeren. Iedereen moet kunnen meedoen in de samenleving. Dat is de kern van de Wmo. Uitgangspunt is dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Van burgers mag verwacht worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan. Burgers die dat echt niet kunnen rekenen mogen rekenen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen en zich kunnen handhaven in de samenleving. De gemeente Albrandswaard staat hier volledig achter. De belangrijkste uitgangspunten van de gemeente Albrandswaard zijn: de analyse van het probleem van de client moet in samenhang gebeuren. het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie van haar inwoners; het treffen van kwalitatief goede voorzieningen voor kwetsbare inwoners. Dit kunnen ook algemene voorzieningen zijn; het leveren van maatwerk; bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; tegengaan van (onnodige) administratieve lasten voor de inwoners en de gemeente. Juridische status De beleidsregels zijn een nadere uitwerking van de bepalingen in de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2015’ en het ‘Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015‘. In deze Verordening zijn begripsbepalingen opgenomen, waar kortheidshalve naar wordt verwezen. De beleidsregels geven concrete invulling aan de verstrekkingen: hulp bij het huishouden, begeleiding, woningaanpassingen, hulpmiddelen, kortdurend verblijf en ondersteuning bij persoonlijke verzorging. Zowel het Uitvoeringsbesluit als de Beleidsregels zijn integraal onderdeel van de Verordening en het daarin vastgelegde beleid. Personen met beperkingen die een melding hebben gedaan voor ondersteuning vanuit de Wmo kunnen zich, ook in bezwaar en beroep procedures, beroepen op deze genoemde documenten. In deze beleidsregels worden een aantal voorbeelden genoemd. Aan deze voorbeelden kunnen geen rechten worden ontleend. Belangrijkste wijzigingen in de Wmo 2015 De belangrijkste wijzigingen zijn: De eigen verantwoordelijkheid voor het eigen leven is nadrukkelijk opgenomen; Het vervallen van de compensatieplicht; Van negen prestatievelden naar drie wettelijke opdrachten; Er zijn twee mogelijkheden voor maatschappelijke ondersteuning, nl. een algemene voorziening en een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening kan in natura of in pgb verstrekt worden. De nog uit de Wvg stammende verstrekkingen woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen zijn weggelaten; De uit de Wmo 2007 stammende verstrekking hulp bij het huishouden is weggelaten Twee mogelijkheden van verstrekken van een Wmo voorziening, nl een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget (pgb); Voor een maatwerkvoorziening of pgb wordt een eigen bijdrage gevraagd, met uitzondering van rolstoelvoorzieningen. Voor kinderen onder de 18 jaar wordt nu alleen voor woningaanpassingen een eigen bijdrage geheven. Hiervoor wordt de systematiek van hoofdstuk 3 van het landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt gevolgd. Voor wie zijn de maatwerkvoorzieningen? Deze beleidsregels bevatten naast algemene Wmo regels, regels voor maatwerkvoorzieningen voor Albrandswaarders die niet van een algemene voorziening gebruik kunnen maken. Het gaat om mensen met aantoonbare beperkingen in hun zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij. Met deze voorzieningen wil de gemeente hen een (zoveel mogelijk) gelijkwaardige uitgangspositie geven, die het mogelijk maakt dat zij net als iedereen kunnen meedoen. De maatwerkvoorzieningen vormen dus ondersteuning in het leven van alledag. Als een algemene voorziening niet passend en adequaat is komt het aan op maatwerk. Maatwerk betekent afstemming van de voorzieningen op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon met beperkingen. In ieder individueel geval moet worden bekeken welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen noodzakelijk zijn zodat deze persoon kan deelnemen aan de maatschappij, zo zelfredzaam mogelijk kan zijn en maatwerk ten behoeve van beschermd wonen en opvang. Sinds 2007 hebben Nederlandse gemeenten ervaring opgedaan met het uitvoeren van de Wmo en de individuele verstrekkingen. Sindsdien is er in ruime mate jurisprudentie beschikbaar naar aanleiding van het afwijzen van aangevraagde voorzieningen. De les die hieruit te leren valt is dat gedegen onderzoek naar alle omstandigheden van de cliënt van groot belang is. Ook dit onderstreept het belang van maatwerk. De ondersteuningsvraag van de cliënt staat centraal en de klantmanager Wmo dient aantoonbaar samen met de cliënt te zoeken naar een oplossing voor deze vraag. Het is een werkwijze waarin vraagverheldering, gedegen onderzoek, bespreken van alle mogelijke oplossingen en heldere verslaglegging centraal staan. Deze beleidsregels bieden hiervoor de inhoudelijke handvaten. 2.Wanneer wordt een maatwerkvoorziening toegekend?Het centrale artikel in de Wmo is artikel 2.1.1. De gemeente draagt zorg voor maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Dit betekent niet hetzelfde als de opdracht om een maatwerkvoorziening die wordt gevraagd ook daadwerkelijk te verstrekken. Jurisprudentie heeft de afgelopen jaren aangetoond dat bij een (gedeeltelijke) afwijzing gedegen onderzoek gedaan moet zijn. Kenmerk van gedegen onderzoek is in ieder geval dat alle relevante individuele omstandigheden van de cliënt zijn meegenomen in de afweging en dat de zorgvuldigheid van het onderzoek zichtbaar is in de verslaglegging, rapportage en beschikking. Artikel 2.1 Maatschappelijke ondersteuning De gemeente is verplicht om invulling aan de Wet maatschappelijke ondersteuning te geven en is verantwoordelijk voor de ondersteuning van personen met een beperking, chronisch psychische- of psychosociale problemen. De wettelijke opdracht aan de gemeente bestaat uit drie taken 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; De Wmo 2015 gaat primair uit van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Burgers dragen een eigen verantwoordelijkheid voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Van burgers mag verwacht worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan. Rechten en plichten van burgers zijn meer met elkaar in evenwicht gebracht. Dit betekent dat we nagaan op welke wijze de cliënt in staat is om het probleem (deels) zelf op te lossen. Hierbij kijken we naar alle mogelijkheden van de cliënt zelf, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg en met andere personen uit het sociale netwerk, met algemeen gebruikelijke hulpmiddelen en met voorliggende diensten. Als burgers zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn en onvoldoende in staat zijn tot participatie en/ of zich te handhaven in de samenleving, kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Voor personen die maatschappelijke ondersteuning behoeven moet de gemeente op meerdere manieren ondersteuning bieden: Met het bevorderen van de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; Met algemene voorzieningen; Met maatwerkvoorzieningen aan personen met beperkingen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; Met maatwerkvoorzieningen aan personen met psychische of psychosociale problemen omdat zij de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld en wonen of opvang behoeven. De ondersteuning is er op gericht dat indien mogelijk, deze personen weer in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Artikel 2.2 Uitgangspunt Het belangrijkste in het proces Wmo is, dat er een oplossing bereikt wordt of kan worden voor de ervaren problemen, waardoor de cliënt zo zelfredzaam mogelijk kan zijn of kan worden in het dagelijkse leven, kan deelnemen aan de maatschappij en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan wonen. Voor de cliënt met psychische en psychosociale problemen gaat het er om dat deze persoon zo ondersteund wordt dat hij/zij zich kan handhaven in de samenleving. Leidend is dat eigen mogelijkheden van de cliënt, inzet van het sociale netwerk, gebruikelijke hulp en voorliggende gebruikelijke en algemene voorzieningen voorgaan op een maatwerkvoorziening. Als met deze hulp en voorzieningen een adequate oplossing voor het ervaren probleem gerealiseerd kan worden is er geen noodzaak voor een maatwerkvoorziening. Het onderscheid tussen een algemene en maatwerkvoorziening is hierbij van belang. Algemene voorzieningen zijn een aanbod van diensten of activiteiten die voor ieder toegankelijk zijn op basis van een beperkte toegangstoets door een beperkt aantal algemeen geformuleerde maatstaven.Op grond van jurisprudentie geldt daarbij, dat er geen rekening wordt gehouden met de specifieke persoonskenmerken van de individuele vrager. Algemene voorzieningen zijn voor iedereen toegankelijk, zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning en verkrijgbaar zonder beschikking. Maatwerkvoorzieningen zijn op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie en beschermd wonen en opvang. Maatwerkvoorzieningen kunnen in natura of in een pgb verstrekt worden. Pas als een voorliggende oplossing niet volstaat is een maatwerkvoorziening mogelijk, afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon. Dus algemene voorzieningen in de situaties waarin het kan en maatwerkvoorzieningen in die situaties waarin dat moet, waarbij levering van de maatwerkvoorziening aan vastgestelde kwaliteitseisen moet voldoen. Dit uitgangspunt vormt de kern van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Albrandswaard 2015. Artikel 2.3 Maatwerk Maatwerkvoorzieningen zijn individueel maatwerk. Dit betekent dat niet alleen voorgeprogrammeerde oplossingen bij vaststaande beperkingen mogelijk zijn. Maatwerkvoorzieningen zijn er in een breed scala van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen. Leidend is de wens van de cliënt om mee te kunnen doen aan de samenleving en samen met de cliënt wordt gezocht naar de meest passende oplossing. En binnen de meest passende oplossingen de goedkoopste. In de Wmo 2015 zijn specifieke verstrekkingen achterwege gelaten. Het resultaat telt! Artikel 2.4 Wens van de cliënt De wens van de cliënt speelt een rol in het proces naar het zoeken van de goedkoopst adequate oplossingen voor de ervaren problemen, maar is op zichzelf niet doorslaggevend. Objectieve factoren, zoals leeftijd, de mate van beperkingen, het te verwachten toekomstig dagelijks functioneren van de cliënt, de aanwezigheid en belastbaarheid van mantelzorg en de kosten van de diverse oplossingen spelen allemaal een rol in de uiteindelijke beoordeling. Als de goedkoopst adequate oplossing niet de door de cliënt meest gewenste oplossing zal zijn, betekent dit dat de Wmo-klantmanager niet altijd de voorkeur van de cliënt kan volgen. Wmo-klantmanagers adviseren binnen het kader van het gemeentelijke beleid. Als de cliënt een andere maatwerkvoorziening wenst dan de geïndiceerde maatwerkvoorziening, dan mag deze maatwerkvoorziening niet duurder zijn dan de goedkoopst adequate oplossing van de gemeente. Wil de cliënt alsnog de duurdere voorziening, dan heeft hij met een voorziening in pgb de mogelijkheid om de meerkosten zelf te betalen. Artikel 2.5 Algemene uitgangspunten bij de toekenning van een maatwerkvoorziening van de Gemeente Albrandswaard: Een maatwerkvoorziening kan worden toegekend als: De persoon met beperkingen ingezetene is van de gemeente Albrandswaard OF De persoon met chronische psychische of psychosociale problemen of diens vertegenwoordiger is ingezetene van Nederland indien hij zich tot het college wendt voor beschermd wonen en opvang. Er geen aanspraak op de voorziening bestaat vanuit andere wettelijke regelingen; De voorziening overwegend op het individu gericht is; De voorziening voor de persoon met beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen niet algemeen gebruikelijk is; De voorziening niet beschikbaar is als algemene voorziening; De noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was of de voorziening was voorzienbaar, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt; Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven; De kosten niet zijn gemaakt voorafgaand aan het besluit van de gemeente, tenzij alsnog beoordeeld wordt dat dit niet te vermijden was; Het college verstrekt de objectief gemeten goedkoopst adequate voorziening. Artikel 2.5.1 De persoon met beperkingen is ingezetene van Albrandswaard Dit is vastgelegd in de Wmo art. 1.2.1.a en 2.3.5.a Personen die ingeschreven staan in het bevolkingsregister van de gemeente Albrandswaard en feitelijk in Albrandswaard wonen, kunnen een Wmo ondersteuningsvraag indienen bij de gemeente Albrandswaard. Uit recente jurisprudentie is gebleken dat de persoon met beperkingen die niet ingeschreven staat, maar wel aantoonbaar en langdurig het hoofdverblijf heeft in de gemeente, ook in aanmerking kan komen voor een voorziening. Dit geldt echter niet voor een vakantiewoning. Bij twijfel of een woning voor permanente bewoning bestemd is kan het bestemmingsplan worden geraadpleegd. Let op: Bij verhuizing naar een andere gemeente moeten de voorzieningen worden teruggegeven. Uitzondering Een uitzondering hierop is het bezoekbaar maken van een woning. Bijvoorbeeld als een persoon met beperkingen die in een Wlz-instelling woont of daar het hoofdverblijf heeft, vaak op bezoek gaat bij een persoon die het hoofdverblijf in Albrandswaard heeft. De woning is bezoekbaar als de persoon met beperkingen de woning, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Als de persoon die het hoofdverblijf in Albrandswaard heeft, geen eigenaar is van de aan te passen woning , kan het college zonder toestemming van de eigenaar deze woningaanpassing laten aanbrengen Dit is vastgelegd in de Wmo art. 2.3.7 Beperkingen Een Albrandswaarder kan gebruik maken van een maatwerkvoorziening als hij/zij aantoonbare beperkingen heeft. De doelgroep voor het treffen van voorzieningen bestaat uit: mensen met een beperking in zelfredzaamheid en participatie; mensen met een chronisch psychisch probleem; mensen met een psychosociaal probleem. Het gaat om mensen met een lichamelijke, psychogeriatrische, verstandelijke, psychiatrische of zintuiglijke beperkingen. Het gaat hier in alle gevallen om kenmerken van een persoon. De persoon is bijvoorbeeld door ouderdom slecht ter been geworden, de persoon heeft van kinds af aan een zintuiglijke beperking of heeft door ziekte of door een ongeval functies verloren. Verlies van zelfredzaamheid en met name een gebrek aan participatie in het maatschappelijk verkeer kan ook een gevolg zijn van problemen die iemand heeft in zijn relatie met anderen, met zijn sociale omgeving. In dat geval is er sprake van een psychosociaal probleem. Artikel 2.5.2 De persoon met chronische psychische of psychosociale problemen is ingezetene van Nederland. Dit is vastgelegd in de Wmo art. 1.2.1.b en c en art. 2.3.5.b Personen met chronische psychische of psychosociale problemen zijn niet altijd ingeschreven bij de gemeente. Ook kan het zijn dat zij tijdelijk de thuissituatie hebben verlaten al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Het gaat om personen die in verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving. De melding kan door henzelf bij de Wmo worden gedaan, maar ook door erkende verwijzers, zijnde de huisarts, aanbieders gespecialiseerde GGZ, beroepsbeoefenaren basis en gespecialiseerde GGZ en Maatschappelijke Opvang instellingen. Artikel2.5.3 Er kan geen aanspraak worden gemaakt op andere regelingen (voorliggende voorziening) Een voorziening wordt niet toegekend als er een andere wettelijke regeling of privaatrechtelijke overeenkomst bestaat, waardoor men aanspraak kan maken op de voorziening. De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg en voorzieningen in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), voorheen geregeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Een voorziening wordt ook geweigerd als er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt aanspraak op verblijf en daarmee samenhangende zorg en voorzieningen in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hiervoor van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Als een cliënt een melding bij de gemeente doet voor ondersteuning uit de Wmo en er is sprake van een complexe en intensieve ondersteuningsvraag, gaat de klantmanager Wmo met de cliënt en personen uit diens sociale netwerk in gesprek over de toegang voor de Wet langdurige zorg en de Wmo. Cliënten zijn vaak bang dat zij bij een indicatie voor de Wlz niet meer thuis kunnen wonen. Maar ook bij een indicatie voor opname in een instelling Wlz heeft de cliënt altijd de keuze voor zorg in natura (ZIN) of een pgb. Met het pgb van de Wlz kan de cliënt zelf de zorg inkopen om thuis te blijven wonen. Alle hulp, zorg en hulpmiddelen komen dan ten laste van de Wlz. Dit geldt ook als de cliënt niet in een erkende Wlz instelling maar in een zogenoemd kleinschalige woonvorm woont. Deze kleinschalige woonvorm wordt gefinancierd met een pgb van de Wlz. De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt aanspraak heeft op zorg op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt hier aanspraak op kan maken maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van de noodzakelijke zorg. Hier moet je met name denken aan de Persoonlijke verzorging. Als de persoonlijke verzorging aan het lichaam gegeven moet worden, dus letterlijk hulp bij het wassen, aankleden, prothese aanbrengen, haren en nagels verzorgen en persoonlijke hygiëne, valt deze zorg onder de Zvw. Als het gaat over instructie en begeleiding bij de persoonlijke verzorging voor specifieke doelgroepen met een verstandelijke en/of zintuiglijke beperking en bij psychiatrische problematiek , dan valt deze hulp onder de Wmo. Dit is nader uitgewerkt in Deel 2 van deze Beleidsregels. Ook voorzieningen waarvoor op grond van bijvoorbeeld de Participatiewet, de Jeugdwet en de Regeling Leerlingenvervoer aanspraak geldt, vallen onder de voorliggende regelingen. Artikel 2.5.4 De voorziening is overwegend op het individu gericht Een maatwerkvoorziening kan alleen worden toegekend als deze noodzakelijk is om de beperkingen in zelfredzaamheid en participatie van de persoon met beperkingen op te heffen of te verminderen. De beperking van een individu staat centraal bij de beoordeling van het verzoek om ondersteuning op grond van de Wmo. Bij het verstrekken van voorzieningen is de persoon met beperkingen leidend. Met andere woorden: de voorziening kan worden toegekend voor zover deze in overwegende mate gericht is op het individu. Een uitzondering hierop is de zogenaamde respijtzorg voor mantelzorgers. Als de mantelzorger ontlast wordt in zijn/ haar taken kan dit er voor zorgen dat deze persoon de zorg voor de cliënt met beperkingen kan volhouden, waardoor opname in een Wlz instelling uitgesteld of voorkomen kan worden. Deze respijtzorg kan ook indien gewenst tijdelijk gegeven worden. De indicatie voor respijtzorg wordt wel op naam van de cliënt met beperkingen in zelfredzaamheid en participatie afgegeven. Een maatwerkvoorziening in een gemeenschappelijke ruimte kan alleen worden toegekend als er een individuele persoon met beperkingen is voor wie de maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Niet een hulpmiddel voor een tijdelijke beperking in zelfredzaamheid en participatie Voor tijdelijke situaties moeten cliënten een andere oplossing zoeken in hun netwerk of door het lenen/huren van tijdelijke hulpmiddelen. Wie een beperking heeft van tijdelijke aard kan een beroep doen op de hulpmiddelenregeling op grond van de Zorgverzekeringswet. Voor sommige van deze hulpmiddelen moet huur betaald worden. Om te bepalen of een probleem in zelfredzaamheid en participatie tijdelijk of langdurend is, is de prognose van groot belang. Is de prognose dat de cliënt na enige tijd weer zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, ga dan uit van een kortdurende noodzaak. Als de levensverwachting een aantal maanden is en een hulpmiddel uit het hulpmiddelendepots afdoende is, verstrekken we geen Wmo voorziening. Is er een permanent wisselend beeld, dus volgen situaties van verbetering en terugval elkaar op, ga dan uit van een langdurige noodzaak. Wel een voorziening bij een tijdelijke beperking in zelfredzaamheid in het huishouden Een tijdelijke maatwerkvoorziening is wel mogelijk in situaties waarin voor een bepaalde periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis of bij een ontregeld huishouden. Het gaat daarbij om personen die niet in staat zijn op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen zelfredzaam te zijn. En waar de algemene voorziening niet adequaat is. Wel een voorziening bij een tijdelijke beperking in het zich handhaven in de samenleving Een tijdelijke maatwerkvoorziening is wel mogelijk voor personen die in verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat zijn zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Voor deze personen is een maatwerkvoorziening mogelijk waarbij beschermd wonen en opvang noodzakelijk is. Zowel Beschermd wonen als Opvang (Maatschappelijke Opvang en Vrouwen Opvang) wordt uitgevoerd door de Centrumgemeente Rotterdam. Artikel 2.5.5 De voorziening is niet algemeen gebruikelijk voor de persoon met beperkingen De gemeente verstrekt geen voorzieningen waar de persoon met beperkingen ook zonder beperking over zou kunnen beschikken. Die voorzieningen worden namelijk als algemeen gebruikelijk beschouwd. Het gaat om voorzieningen die: algemeen in de reguliere handel of via Internet verkrijgbaar zijn en niet speciaal voor mensen met een beperking bedoeld zijn en niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel. In de loop van de jaren zijn in de reguliere handel en via internet/ webshops steeds meer voorzieningen verkrijgbaar die voor een brede doelgroep geschikt of aantrekkelijk zijn. Denk aan de elektrische fiets, het uitgebreide assortiment aan kinderwandelwagens, fietsen voor het vervoeren van jonge kinderen en de apparaten in het huishouden. Deze ontwikkelingen zullen ook de komende jaren doorgaan. Voorbeelden van veel voorkomende algemeen gebruikelijke voorzieningen in de markt (dit is geen limitatieve lijst) zijn: Auto/ fiets/ elektrische fiets /bromfiets, tandem en andere gangbare vervoermiddelen. Airconditioning in de auto; automatische versnellingsbak, stuurbekrachtiging, lage instap. Fiets met verlaagde instap, met trapondersteuning, tandem Fietskar, fietszitje voor vervoeren kinderen, Bakfiets voor vervoeren van kinderen; aanhaakfiets Keramische kookplaat, elektrische kookplaat, Alle soorten kranen (éénhendel- mengkranen, thermostaatkranen Doucheglijstang set; standaard douchekruk of-stoel Verhoogde toiletpot, hangend toilet, tweede toilet en wandbeugels. Centrale verwarming, zonwering. Wasdroger, vaatwasser en magnetron Verhuizen behorend bij een bepaalde levensfase en wijziging van de persoonlijke omstandigheden, zoals Jongeren gaan de deur uit om zelfstandig te gaan wonen. Een echtpaar wiens kinderen het huis uit zijn gaat kleiner en gelijkvloers wonen Senioren die anticiperen op de mogelijke gebreken van de ouderdom Een gezinsuitbreiding Renovatie van delen van de woning, zoals badkamer, keuken en toilet volgens de norm van 15 jaar in de sociale woningbouw Toetsing maatwerk De Wmo is maatwerk. Bij het bepalen of een aangevraagde maatwerkvoorziening als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden dienen de individuele omstandigheden van de persoon met beperkingen goed afgewogen te worden. De individuele omstandigheden van de aanvrager moeten altijd onderzocht worden om te kunnen bepalen of deze voorziening, ook in het voorkomende geval, algemeen gebruikelijk is. Voorheen gaf de Wmo weinig tot geen mogelijkheden om ook in financieel opzicht maatwerk te leveren. Met de Wmo 2015 kan dit wel. Dit betekent dat van personen die de voorziening zelf kunnen regelen en betalen ook verwacht wordt dat zij dit doen. Voor de personen die de algemeen gebruikelijke of algemene voorziening niet kunnen betalen zal het minimabeleid in de Participatiewet ingezet worden om toegang en gebruik van deze voorzieningen mogelijk te maken. Een zaak die op zich algemeen gebruikelijk is, kan in bepaalde individuele situaties niet algemeen gebruikelijk zijn, bijvoorbeeld: de noodzaak om op grond van de beperking over te moeten gaan tot de aanschaf of gebruik van een gebruikelijke en voorliggende voorziening, die te belastend is voor het budget; Hierbij ook meenemen dat een voorziening niet perse nieuw hoeft te zijn. Veel voorzieningen zijn op de tweedehandsmarkt voor een billijke prijs verkrijgbaar of via het onafhankelijke platform BAR-dichtbij betrokken worden. Wanneer de kosten aantoonbaar niet door de cliënt zelf gedragen kunnen worden is ondersteuning vanuit het minimabeleid mogelijk. in situaties waarin mensen met een beperking door aanzienlijke (aantoonbare) meerkosten in verband met die beperking, een besteedbaar inkomen hebben dat onder de voor hen geldende bijstandsnorm valt. Deze personen kunnen via de minimaregelingen worden ondersteund. Ook is het mogelijk dat een te verstrekken maatwerkvoorziening een algemeen gebruikelijke component heeft. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat bij aanpassing van een badkamer of keuken ook gedeeltelijke reguliere renovatie plaatsvindt, die normaal gesproken voor rekening van de eigenaar zou komen. Inrichtingselementen zoals bijvoorbeeld kranen, spiegel, toiletrolhouder, zeepbakje en dergelijke vallen bij de aanpassing of aanbouw van een badkamer onder de algemeen gebruikelijke voorzieningen en kunnen daarmee niet vanuit de Wmo verstrekt worden. En bijvoorbeeld de kraan, koelkast, oven, kookplaat en meer dan noodzakelijke kastruimte bij een aanpassing van de keuken ook niet. Deze meerkosten zijn voor rekening van de eigenaar. Een ander voorbeeld is het verstekken van een aangepast fietszitje voor een gehandicapt kind. Ouders kunnen de bakfiets of fietskar voor het vervoeren van hun kind zelf nieuw of tweedehands aanschaffen en eventueel noodzakelijke aanpassingen in het stoeltje kunnen vanuit de Wmo verstrekt worden. De soort en de kosten van een algemeen gebruikelijke component zullen in de besluitvorming goed moeten worden onderbouwd. Artikel 2.5.6 De voorziening niet beschikbaar is als algemene voorziening Algemene voorzieningen zijn een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk zijn en zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning. Deze voorzieningen zijn ook bedoeld voor mensen zonder beperkingen. Van belang is dat de voorziening ook daadwerkelijk in de gemeente beschikbaar is en van goede kwaliteit is. Het stimuleren en realiseren van kwalitatief goede algemene voorzieningen voor kwetsbare burgers is een continu voortgaand proces, waarbij de samenhang tussen de divers doelgroepen en diverse voorzieningen gemeentebreed aan de orde is. Voorbeelden van algemene voorzieningen in de gemeente Albrandswaard zijn: (niet limitatieve lijst) Schoonmaakdienst voor een schoon en leefbaar huis Was en strijkservice voor schone was en kleding Klussendienst Vrijwilligersdiensten via organisatie Stichting Welzijn Albrandswaard Budget- en administratie ondersteuning Laagdrempelige inloop- en ontmoetingsplaatsen. Activiteiten in een inloopvoorziening op wijkniveau Jeugd- en jongerencentra, jeugdwerk, consultatiebureau Ambulante jeugdhulp, opvoedondersteuning Sociale alarmering Onafhankelijke cliëntondersteuning Maatschappelijk werk Verhuisdiensten Openbaar vervoer, Buurtbus Boodschappenservice Maaltijdservice Kinderopvang, gastouder voor- vroeg- en buitenschoolse voorzieningen Glazenwasser Tuinonderhoud Honden uitlaatservice Sportaanbod Algemene voorzieningen die in de toekomst gerealiseerd kunnen worden zijn bijvoorbeeld: Scootmobielpool Rolstoelpool Regiovervoer Artikel 2.5.7 De noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was of de voorziening was voorzienbaar, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt. (Verordening art 2 lid a en
- b)Uitgangspunt in de Wmo is de eigen verantwoordelijkheid van burgers voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Van burgers mag verwacht worden dat zij rekening houden met de gevolgen van keuzes die in het dagelijkse leven door hen gemaakt worden, waardoor ondersteuning vanuit de Wmo vermijdbaar is of was. Van burgers mag verwacht worden dat zij in de verschillende levensfases hun woonsituatie aanpassen aan de vereisten in een bepaalde levensfase. Verwacht mag worden dat de woonkeuzes aansluiten bij de persoonlijke omstandigheden. Ook mag van burgers verwacht worden dat zij bij het zoeken naar een andere woning uitkijken naar een woning die niet alleen op dat moment geschikt is maar ook op langere termijn. Het gezegde: “de ouderdom komt met gebreken” is bekend. Van burgers mag verwacht worden dat zij met die verwachting rekening houden en zelf tijdig verhuizen naar een woning die geschikt is voor die levensfase. Dat zij niet wachten tot de beperkingen zodanig zijn dat er direct verhuisd moet worden. Ook financieel moeten zij rekening houden met een aankomende verhuizing. Bij een verhuizing die te voorzien is op basis van wijziging van de leefsituatie, zoals bij ouderdom, gaat het om een algemeen gebruikelijk verhuizing die voor eigen rekening is.De eigen verantwoordelijkheid is ook van belang bij eigen woningaanpassingen en de aanschaf van goederen in de reguliere handel, waarvan op grond van de beperkingen van de persoon, nu en in de toekomst te verwachten is, dat deze aanpassingen en goederen niet geschikt zijn voor zelfredzaamheid en participatie. Het is de taak van de gemeente om burgers tijdig en voortdurend te informeren over deze eigen kracht. Als je mensen van te voren al wijst op die eigen verantwoordelijkheid en aanzet tot reserveren, is het mogelijk een verzoek tot vergoeding af te wijzen. De klantmanagers Wmo, Karaat, Vivenz en de sociale wijkteams vervullen hierin een actieve rol. Artikel 2.5.8 Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven. (Verordening artikel 3 lid 3) Voorheen werd een voorziening toegekend voor een bepaalde tijd. Dan kon het zo zijn dat de voorziening nog adequaat en technisch nog in goede staat was en toch op verzoek van de cliënt vervangen werd. Leidend is nu, dat de technische staat bepalend is of er een noodzaak is tot vervanging van de voorziening of dat onderhoud en reparatie volstaat. Hiermee wordt verspilling van nog goed functionerende hulpmiddelen en woningaanpassingen voorkomen. Natuurlijk kunnen er behalve de technische staat van het hulpmiddel of de woningaanpassing ook andere redenen zijn waarbij toch vervanging noodzakelijk en mogelijk is.Dit kan het geval zijn als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan zelfredzaamheid en participatie. Dit zal vooral aan de orde zijn als de beperkingen van de cliënt toenemen en hij niet meer of onvoldoende gebruik kan maken van de verstrekte voorziening. Dit kan ook het geval zijn als de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. Bijvoorbeeld oorzaken van buitenaf zoals een verkeersongeluk of woningbrand. Het belangrijkste hierbij is dat de cliënt geen schuld heeft aan het feit dat de voorziening niet meer adequaat of bruikbaar is. Als er wel sprake is van verwijtbaar gedrag of omstandigheden die aan de cliënt zijn toe te rekenen, kan de maatwerkvoorziening slechts verstrekt worden als de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten. Artikel2.5.9 De kosten zijn niet gemaakt voorafgaand aan het besluit van de gemeente Het is een persoon met beperkingen niet toegestaan om de gemeente voor een voldongen feit te stellen waarbij de gemeente geen invloed meer kan uitoefenen op de te verstrekken maatwerkvoorziening. Wie een voorziening aanschaft of een woningaanpassing doet en daarna een ondersteuningsvraag indient, loopt het risico op een afwijzing. Uit de rechtspraak blijkt dat deze regel niet zonder meer toegepast mag worden. Deze regel is bedoeld om controle achteraf mogelijk te maken. Bij een woningaanpassing kan na een verbouwing bijvoorbeeld niet meer vastgesteld worden of er een goedkoper alternatief bestond. Als achteraf toch nog geconstateerd kan worden wat de goedkoopst adequate oplossing was, kan geen afwijzing plaatsvinden. Uiteraard wordt dan wel de goedkoopst adequate voorziening verstrekt, ook al is de aangeschafte voorziening (aanzienlijk) duurder. Dat is de consequentie voor de persoon met beperkingen die voor het besluit zelf iets heeft aangeschaft of aangepast. Artikel 2.5.10 Het is de goedkoopst adequate voorziening (Verordening artikel 3 lid 4.) Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Onder een voorziening verstaan we een verantwoorde voorziening. De begrippen ‘goedkoopst’ en ‘adequaat’ moeten in onderlinge samenhang worden gezien. Adequaat betekent dat de maatwerkvoorziening een reële oplossing biedt voor het ervaren probleem in zelfredzaamheid en participatie. De voorziening of combinatie van voorzieningen neemt de beperking weg of als dat niet mogelijk is, vermindert de beperking zoveel mogelijk. Wanneer er meerdere maatwerkvoorzieningen als adequate oplossing mogelijk zijn, kan de gemeente vervolgens de goedkoopste oplossing kiezen. Voorzieningen, aanpassingen aan voorzieningen en accessoires die kostenverhogend werken zonder dat ze noodzakelijk zijn, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het kwaliteitsniveau moet aansluiten bij een verantwoord niveau, zoals vastgelegd in de erkende vakhandel of beroepsgroep. Meer dan dat hoeft niet. Verantwoorde voorziening Verantwoorde voorzieningen zijn diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend. Hiervan is sprake als: de voorziening de beperking(
- en)opheft of, als dat onmogelijk is, de beperking(
- en)vermindert en de mogelijkheid biedt tot zelfredzaamheid en deelname aan het maatschappelijk verkeer; de voorziening toegesneden is op de beperkingen van de cliënt en diens individuele omstandigheden; de toegekende voorziening de mogelijkheid biedt om in aanvaardbare mate deel te nemen aan het leven van alledag; de voorziening gericht is op een aanzienlijke versterking van de zelfstandigheid en zelfregie van de cliënt; de voorziening gericht is op de situatie dat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen; de voorziening voorziet in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en stelt hem/haar in staat om zich zo snel mogelijk op eigen kracht te handhaven; de voorziening er op gericht is dat de cliënt de verschillende sociale rollen zoveel mogelijk kan vervullen, zoals bijvoorbeeld de rol van partner en ouder. Goedkoopst De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om een voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en consequenties betreffen. Een goed voorbeeld hiervan is het Collectief Vraagafhankelijk vervoer, dat zowel in de Wet voorziening gehandicapten (Wvg) als in de Wmo 2007 toepasbaar was. Deze regeling is ook in de jurisprudentie van de afgelopen jaren in stand gebleven. Collectief vervoer kan goedkoper zijn vanwege de mogelijkheden die dit systeem heeft om combinatieritten te maken, die de kilometerprijs naar beneden brengen. Het is dus in het belang van het systeem zoveel mogelijk gebruikers te hebben. Als teveel personen met een beperking andere maatwerkvoorzieningen krijgen voor het oplossen van hun vervoersprobleem kan de basis onder het collectief vervoer in gevaar gebracht worden. Dat mag meetellen. In het geval van collectief vervoer gaat het om een maatwerkvoorziening die collectief wordt uitgevoerd. Bij toepassing van goedkoopst wordt rekening gehouden met de persoonlijke wensen van de cliënt met beperkingen. Als twee adequate voorzieningen even duur zijn, mag de cliënt kiezen; als hij/zij de voorkeur geeft aan een duurdere uitvoering van de goedkoopst adequate voorziening dan kan de cliënt hiervoor kiezen, mits hij/zij het prijsverschil zelf vooraf bijbetaalt. Dit geldt bij alle hulpmiddelen en woningaanpassingen. De risico’s die hieraan verbonden zijn, zijn voor de cliënt. voor de hulpmiddelen heeft de klant keuze uit het aanbod van de door de gemeente aangewezen leverancier(s). 3.Procedure toegang tot maatschappelijk ondersteuning Klantgerichte procedure Iedere ondersteuningsvraag wordt klantgericht behandeld. Bij klantgerichtheid zijn een aantal zaken van belang: allereerst een respectvolle bejegening van de persoon met beperkingen, diens vertegenwoordiger en mantelzorger(s). het verstrekken van informatie in heldere taal die de cliënt begrijpt is essentieel. de 1 loket gedachte; ongeacht de plaats waar de ondersteuningsvraag telefonisch bij de gemeente binnenkomt, wordt het meldingsformulier naar de cliënt opgestuurd. Bij melding bij het sociale wijkteam wordt de ondersteuningsvraag integraal benaderd en kan ondersteuning geboden worden in het proces voor die cliënten die daar niet zelfredzaam in zijn. een efficiënte en effectieve afhandeling van de ondersteuningsvraag: zoveel mogelijk gebruik maken van al bestaande gegevens en dossiers. Door een goede samenwerking voorkomen dat de cliënt op meerdere plaatsen bij meerdere personen hetzelfde verhaal moet vertellen. Onnodige vertraging in de afhandeling voorkomen. Tijdpad procedure Ontvangst melding Wmo Bevestiging binnen 2 werkdagen Gesprek en onderzoeksfase 6 weken Ontvangst Aanvraag maatwerkvoorziening Tijdens huisbezoek/ binnen 1 week Besluiten op de aanvraag 2 weken Verlengen afhandeltermijn bij extern advies 4 weken Extra verlenging bij complexe voorzieningen In overleg met cliënt Artikel 3.1 Melding hulpvraag en persoonlijk plan Een cliënt of diens vertegenwoordiger kan een ondersteuningsvraag stellen middels het meldingsformulier Wmo. Het meldingsformulier is door de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger ondertekend. Bij het meldingsformulier verstrekt de cliënt een kopie van een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, zoals is vastgesteld in de Wmo artikel 2.3.4. De ontvangen melding wordt gecontroleerd op volledigheid en ingeboekt door het team administratieve ondersteuning (AO) van team Verstrekkingen. Het team AO vult het intake dossier, controleert de GBA gegevens en verstuurt binnen twee werkdagen een ontvangstbevestiging. De administratief medewerker verdeelt de meldingen op postcode. Daarna wordt de ondersteuningsvraag doorgestuurd naar de Verdeler van het team verstrekkingen. De Verdeler wijst de ondersteuningsvraag toe aan een Wmo klantmanager. Op het meldingsformulier is ruimte om een persoonlijk plan te beschrijven en de cliënt heeft gedurende zeven dagen na de melding de gelegenheid het plan aan te vullen en te overhandigen. Hersteltermijn Als zich tijdens de behandeling van het verzoek om ondersteuning op enig moment een dermate relevante vraag voordoet, waarover (nog) niet kan worden beslist, dan kan deze met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling worden gesteld. Onder één voorwaarde, namelijk dat de klant in de gelegenheid is gesteld ‘binnen een redelijke termijn’ het verzuim aan te vullen. Een redelijke termijn is niet gedefinieerd en kan dat ook niet worden, omdat het sterk afhankelijk is van de casus. Een redelijke termijn voor het overleggen van een paspoort kan zijn één tot enkele dagen, maar wanneer bijvoorbeeld een veel moeilijker te achterhalen stuk informatie wordt vereist, dan moet de termijn aanzienlijk langer zijn. Zo kan op individuele maat bekeken worden hoe lang de onderzoeksprocedure wordt opgeschort. Artikel 3.1.1 Melding via het wijkteam Een cliënt kan een ondersteuningsvraag stellen bij het wijkteam. De leden van dit multidisciplinaire team verhelderen samen met de cliënt de ondersteuningsvraag. De leden van het wijkteam kunnen cliënten zo nodig rechtstreeks doorverwijzen naar de algemene en voorliggende voorzieningen. De leden van het wijkteam leggen de gespreksgegevens vast in een verslag. Indien noodzakelijk of gewenst verstrekken zij de cliënt een aanvraagformulier voor een maatwerkvoorziening en helpen zij, voor zover noodzakelijk, met het invullen daarvan. De leden van het wijkteam gaan proactief in de wijk naar personen/ gezinnen waarover zij signalen ontvangen en waarvan vermoed wordt dat zij ondersteuning behoeven. De leden van het wijkteam houden het overzicht voor die personen die moeite hebben met procedures, wettelijke- en maatschappelijke ontwikkelingen. De cliënt heeft binnen het wijkteam één persoon als aanspreekpunt. Uitgangspunt is: één gezin, één plan en één regisseur. Artikel 3.1.2 Melding ten behoeve van Beschermd wonen en Opvang De melding kan door de cliënt zelf bij de Wmo worden gedaan, maar ook door erkende verwijzers, zijnde de huisarts, aanbieders van gespecialiseerde GGZ, beroepsbeoefenaren basis en gespecialiseerde GGZ en Maatschappelijke Opvang instellingen. Deze erkende verwijzers kunnen de melding ook rechtstreek bij de Centrumgemeente Rotterdam doen. Artikel 3.1.3 Spoedeisende gevallen In spoedeisende gevallen verstrekt de gemeente na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening vooruitlopend op de uitkomst van het onderzoek door de Wmo klantmanager en de aanvraag van de cliënt. Hieronder is ook begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld,Voor diensten niet behorend bij maatschappelijke opvang en vrouwenopvang is dit slechts toegestaan indien de situatie van de cliënt voldoet aan de criteria die hiervoor zijn vastgelegd. Voor de Hulp bij het huishouden toetst het onafhankelijke platform BAR-dichtbij de criteria in de betreffende situatie. Voor spoedeisende hulp bij het huishouden zal de verwijzing meestal door de huisarts gedaan worden. Voor Begeleiding en Verblijf kortdurend is de huisarts of specialist de verwijzer en toetst de zorgaanbieder de criteria die hiervoor zijn opgesteld. Artikel 3.1.4 Termijn Na ontvangst van de melding Wmo vindt uiterlijk binnen zes weken een onderzoek plaats naar de problemen in zelfredzaamheid, participatie of het zich handhaven in de samenleving plaats. Op grond van de Wmo artikel 2.3.2 lid 1. Binnen twee werkdagen wordt de ontvangstbevestiging van het meldingsformulier Wmo naar de cliënt gezonden. Als deze termijn niet gehaald wordt moet de gemeente actie ondernemen via een vertragingsbericht, waarbij we gemotiveerd aangeven waarom de termijn niet gehaald wordt. Zes weken na ontvangst van het meldingsformulier heeft de cliënt het recht om direct een aanvraag voor een maatwerkvoorziening te doen (Wmo artikel 2.3.2 lid 9). Artikel 3.2 Gratis cliëntondersteuning In de brief waarin de ontvangst van het meldingsformulier wordt bevestigd staat vermeld dat de cliënt gratis cliëntondersteuning kan vragen en bij wie. De klantmanager Wmo stuurt de cliënt of diens vertegenwoordiger in een later stadium van de procedure een bericht om een afspraak te maken voor een huisbezoek. Ook in dit afspraakbericht wordt de cliënt gewezen op de mogelijkheid om gratis gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Artikel 3.3 Gesprek De Wmo klantmanager gaat als uitgangspunt tijdens een huisbezoek in gesprek met de cliënt, diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, aan de cliënt geboden cliëntondersteuner en deskundigen. De Wmo-klantmanager stelt vast of de gevraagde maatwerkvoorziening nodig is en wat de goedkoopst adequate voorziening is. In dit artikel beschrijven we wat de Wmo-klantmanager met de cliënt en betrokkenen bespreekt. In dit gesprek moet duidelijk worden wat de ondersteuningsvraag inhoudt en het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; onderzoeken en beoordelen op welke wijze de ervaren problemen opgelost kunnen worden; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 3.1 heeft overhandigd, wordt dit plan bij het onderzoek in het kader van lid 9 betrokken. De Wmo klantmanager informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten, het sturen van het onderzoeksverslag, de mogelijkheid om hierop schriftelijke aanvullingen te doen en de vervolgprocedure. Artikel 3.4 Onderzoeksverslag Binnen 10 werkdagen na het gesprek stuurt de Wmo klantmanager de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. Een maatwerkvoorziening verstrekken we uitsluitend wanneer is vastgesteld dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt of ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving. In het onderzoeksverslag worden de onderstaande gegevens vastgelegd. Naam, adres, telefoonnummer, geboortedatum van de persoon met beperkingen. Overige gegevens: datum ondersteuningsvraag, registratienummer, datum advies. Vraagstelling van de persoon met beperkingen: wat is het probleem en welke oplossingen wil de persoon met beperkingen? Omschrijving van het functioneren en omstandigheden volgens het ICF. Toekomstverwachting: wat is de prognose van het functioneren van de cliënt? Is dit geobjectiveerd en onderbouwd? Probleemanalyse van: persoonlijke aspecten sociale aspecten omgevingsfactoren, financiële aspecten: Als meerdere oplossingen mogelijk zijn, zal de gemeente een kosten/batenanalyse maken. technische aspecten en belemmeringen, zoals bouwvoorschriften, materiaalkeuze, normen voor belichting verwarming, bediening van voorzieningen. Woonsituatie: bereikbaarheid en bruikbaarheid; soort/ligging van de woning, huur/eigenaar-bewoner, bestemmingsplan, continuïteit van het object. Welke eigen oplossingen zijn mogelijk samen met gebruikelijke hulp en het sociale netwerk; welke algemeen gebruikelijke, voorliggende en algemene voorzieningen bieden een adequate oplossing voor de ervaren problemen; Wel of geen noodzaak tot het indienen van een Wmo aanvraag voor een maatwerkvoorziening; Gemaakte afspraken Door wie en hoe is het onderzoek gedaan? Toelichting ICF De ICF bestaat uit de volgende componenten: Functies zijn eigenschappen van het menselijk organisme onderverdeeld in: mentale functies, zintuiglijke functies fysieke functies Bij een stoornis is er sprake van afwijkingen of verlies van functies. De cliënt heeft ergens er last van. Als een of meerdere functies gestoord zijn kan dit leiden tot beperkingen en participatieproblemen. Bijvoorbeeld: ik heb last van kortademigheid en daardoor kan ik niet ver meer lopen. De bushalte is te ver weg en nu kan ik niet meer naar mijn zus op bezoek gaan. Bijvoorbeeld: het is zo druk in mijn hoofd en daardoor kan ik me niet goed concentreren. Als ik iets moeilijks moet doen lukt dat niet en dan word ik gauw boos. Hierdoor heb ik veel ruzie, ook met mijn buren Anatomische eigenschappen: aanwezigheid en eigenschappen van onderdelen van het menselijk lichaam, zoals zenuwstelsel, hart-vaatstelsel . ademhalingsstelsel etc. Bij deze categorie gaat het om de diagnose of handicap die door een arts wordt vastgesteld. De klantmanager mag deze eigenschappen niet beoordelen. Activiteiten en participatie:Activiteiten zijn onderdelen van iemands handelen, zoals koken, traplopen, fietsen, betalen in de winkel. Participatie is iemands deelname aan de maatschappij leren en toepassen van kennis algemene taken en eisen communicatie mobiliteit zelfverzorging huishouden tussenmenselijke interacties en relaties belangrijke levensgebieden maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven Beperkingen zijn gevolgen van de functiestoornis. Bij beperkingen in activiteiten gaat het om de moeilijkheden die iemand heeft met het uitvoeren van de activiteit. Wat betekent dit voor de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt? Bij participatieproblemen gaat het om de moeilijkheden die iemand heeft met het deelnemen aan het maatschappelijk leven. Wat betekent dit voor het wonen in de eigen leefomgeving? Wat betekent dit voor het vermogen zich te handhaven in de samenleving? Factoren Externe factoren zijn factoren in iemands fysieke en sociale omgeving die van invloed zijn op het functioneren. Bijvoorbeeld: welke mantelzorgers zijn betrokken bij de cliënt, het type woning, welke hulpmiddelen zijn al beschikbaar etc. Persoonlijke factoren die van invloed zijn op het functioneren. Bijvoorbeeld leeftijd, opleiding, samenwonend of alleenstaand etc. Onderzoeksverslag Het onderzoeksverslag wordt samen met een begeleidende brief naar de cliënt of diens vertegenwoordiger gestuurd. Latere schriftelijke opmerkingen en aanvullingen van de cliënt worden aan het dossier toegevoegd. Artikel 3.5 Uitkomst onderzoek niet conform wens cliënt Als de Wmo klantmanager op basis van alle verzamelde gegevens tot de conclusie komt dat er geen noodzaak is om een procedure voor de aanvraag van een maatwerkvoorziening te starten omdat andere voorliggende oplossingen adequaat zijn, is het van belang dat de cliënt het hiermee eens is. De cliënt ontvangt het onderzoeksverslag met een begeleidend besluit, waarin is opgenomen dat er geen noodzaak is voor een aanvraag voor een Wmo maatwerkvoorziening Als de cliënt meent dat deze procedure toch gestart moet worden kan hij tegen dit besluit in bezwaar gaan. Artikel 3.6 Aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening Op grond van de Wmo artikel 2.3.2 kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening pas ingediend worden nadat het onderzoek is uitgevoerd. Een uitzondering hierop- is dat de gemeente het onderzoek niet binnen zes weken na ontvangst van de melding heeft gedaan (Wmo artikel 2.3.2 lid 9). Een cliënt, diens gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij de gemeente Albrandswaard. Een aanvraag wordt ingediend door middel van het door het college vastgestelde Aanvraagformulier Wmo. Het aanvraagformulier op naam van de cliënt is door de administratief medewerker in het dossier gedaan. Als bij het huisbezoek blijkt dat alle voorliggende oplossingen voor het ervaren probleem niet adequaat zijn, kan de cliënt direct de aanvraag voor de maatwerkvoorziening tekenen. Moet de cliënt eerst nog onderwerpen bespreken met zijn sociale omgeving, dan wordt het aanvraagformulier met een retourenveloppe bij de cliënt achtergelaten. De Wmo klantmanager spreekt dan met de cliënt een dag en tijdstip af voor telefonisch contact over de uitkomsten van dat overleg. Artikel 3.7 Aanvraag afhandelen Na het onderzoek verzamelt de Wmo klantmanager zo nodig informatie van professionals om tot de juiste afweging te komen. Het gaat dan om vragen zoals zijn er objectief gezien nog oplossingen vanuit andere wetgeving mogelijk, zoals bijvoorbeeld behandeling? welke soort voorzieningen zullen de beperkingen in zelfredzaamheid, participatie en zich handhaven in de samenleving opheffen of verminderen? wat zijn de voor- en nadelen van de verschillende adequate voorzieningen? indien van toepassing wordt een offerte opgevraagd. welke voorziening is goedkoopst adequaat? Selectie van de maatwerkvoorziening De maatwerkvoorziening wordt afgestemd op: de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt, zorg en overige diensten zoals verstrekt vanuit de Zorgverzekeringswet, jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan ontvangen, onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen, betaalde werkzaamheden, scholing die de cliënt volgt of kan volgen, ondersteuning ingevolge de Participatiewet, de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging, de culturele achtergrond en geaardheid van de cliënt. De klantmanager informeert de cliënt over het advies en de selectie van de goedkoopst adequate voorziening en checkt of de cliënt het daar mee eens is. Artikel 3.8 Extern advies Tijdens de afhandeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan de Wmo klantmanager besluiten om een (aanvullend) extern deskundigenadvies te vragen. Medisch advies Als de medische en of psychische omstandigheden van de persoon met beperkingen moeilijk te objectiveren zijn of niet duidelijk is of er behandelmogelijkheden zijn, kan de klantmanager zich wenden tot een medisch adviseur. De gemeente vraagt medisch advies bij Argonaut Advies B.V. De medisch adviseur vraagt zo nodig informatie op bij behandelaars en medisch specialisten, maar kan ook zelf onderzoek doen tijdens een spreekuur. De persoon met beperkingen kan ook zelf medische gegevens verstrekken aan de medisch adviseur. Naast het belang van een medisch advies om de juiste maatwerkvoorziening te kunnen selecteren is ook van belang of de inzet van een maatwerkvoorziening een anti revaliderend effect kan hebben. De klantmanager mag zelf geen medische gegevens die van artsen of GZ-psychologen zijn verkregen interpreteren. Informatie van niet medisch behandelaars en begeleiders Als de regieproblematiek van de cliënt zodanig is dat er sprake is van een complexe situatie kan de klantmanager advies en informatie vragen aan ter zake deskundigen, bijvoorbeeld de orthopedagoog, psychiatrisch verpleegkundige, verslavingsdeskundige en individueel begeleider(
- s)van de cliënt. Artikel 3.9 Termijn De afhandeltermijn van een aanvraag voor een Wmo maatwerkvoorziening is na het onderzoek beperkt. Dat kan ook omdat in de onderzoeksfase de meeste factoren die van betekenis zijn al zijn onderzocht en gewogen. Op grond van de Wmo artikel 2.3.4 lid 2 moet de gemeente binnen twee weken na ontvangst van het aanvraagformulier Wmo de beschikking afgeven. Als deze termijn niet gehaald wordt moet de gemeente actie ondernemen via een vertragingsbericht, waarbij we gemotiveerd aangeven waarom de termijn niet gehaald wordt. Artikel 3.10 Beschikking maatwerkvoorziening Op basis van het geformuleerde advies en met inachtneming van de wet- en regelgeving van de Wmo, wordt het uiteindelijke besluit genomen conform het Mandaatbesluit. Op grond van artikel 2.3.5 van de Wmo moet de maatwerkvoorziening, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie, zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven en voorziet in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang zodat de cliënt zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen deze beschikking kan worden gemaakt. De beschikking wordt namens het college ondertekend door de Wmo klantmanager. Artikel 3.10.1 Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te treffen voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; indien van toepassing vermelding van de deskundigheid van de extern adviseur; indien van toepassing vermelding van het advies van de extern adviseur; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; welke gecontracteerde aanbieder van diensten, woningaanpassingen, hulpmiddelen en andere maatregelen de voorziening verstrekt, en indien van toepassing; welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; informatie over een te betalen eigen bijdrage. Artikel 3.10.2 Bij het verstrekken van een voorziening als persoonsgebonden budget (pgb) wordt in de beschikking vastgelegd: voor welke individuele voorziening het pgb kan worden aangewend en wat het beoogde resultaat daarvan is; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; indien van toepassing vermelding van de deskundigheid van de extern adviseur; indien van toepassing vermelding van het advies van de extern adviseur; wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is berekend; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; hoe de betaling van het verstrekte pgb voor diensten via de SVB plaatsvindt; hoe de betaling van het verstrekte pgb voor eenmalige verstrekkingen plaatsvindt de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; het overleggen van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) van de persoon die de diensten levert informatie over een te betalen eigen bijdrage. Positieve beschikking Wanneer het gaat om een positieve beschikking, die overeenkomt met de wens van de cliënt, dan zijn er weinig moeilijkheden. Door in de beschikking aan te geven welke mogelijkheden de cliënt krijgt door de toegekende maatwerkvoorziening(
- en)is in feite voldaan aan de wettelijke opdracht. Enkele voorbeelden: Bij toekenning van een woningaanpassing, bijvoorbeeld het aanbrengen van een douchezit in de natte cel, kan aangegeven worden dat door deze voorziening, de problemen die de cliënt voordien had bij het normale gebruik van de natte cel met deze aanpassing zijn opgelost. Bij toekenning van begeleiding kan aangegeven worden dat de cliënt voordien problemen had bij het structureren van het dagelijkse leven en regievoering en niet kon deelnemen aan werk en onderwijs in het maatschappelijk leven. Hij is niet in staat tot aangepaste arbeid of vrijwilligerswerk in het kader van de Participatiewet. Met de dagbesteding is de cliënt weer in staat tot participatie in de samenleving. Negatieve beschikking Bij een afwijzing moet de klantmanager vooral aandacht hebben voor de formulering waarom het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet noodzakelijk of zelfs ongewenst is, omdat de cliënt zonder de gevraagde maatwerkvoorzieningen ook in staat is tot zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie. Enkele voorbeelden: Een cliënt wil graag een pas voor de Regiotaxi. Tijdens het onderzoek is gebleken dat er gebruikelijke hulp aanwezig, beschikbaar en adequaat is. De cliënt kan zelf niet autorijden maar er is wel een auto beschikbaar in het huishouden; de echtgenoot kan autorijden en is zelfredzaam. Hij is niet afwezig met een verplichtend karakter, bijvoorbeeld door een reguliere baan op de arbeidsmarkt. De cliënt wil graag naar de winkel en naar haar vriendin zonder dat haar echtgenoot haar hoeft te brengen en vraagt om die reden een Regiotaxipas. Er volgt een afwijzing omdat er sprake is van gebruikelijke hulp bij het vervoer. Dit is hulp, die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. In deze situatie mag verwacht worden dat de echtgenoot de cliënt naar de gewenste bestemmingen brengt en weer ophaalt. Een cliënt wil graag een rolstoel bij het verplaatsen in de woning. De klantmanager heeft een medisch advies gevraagd. Uit dit medisch advies blijkt dat de diagnose fibromyalgie gesteld is door de huisarts en dat er nog geen behandeling heeft plaatsgevonden. In deze situatie kan niet zonder meer toegekend worden, omdat daarbij het risico bestaat dat er geen behandeling plaats gaat vinden en er dus afhankelijkheid van zorg en voorzieningen ontstaat. De medisch adviseur zal de cliënt naar de huisarts verwijzen met het advies behandelmogelijkheden te benutten. Tijdens die behandelmogelijkheden zal geen rolstoel worden toegekend met als motivering: Uit medisch onderzoek is gebleken dat er nog behandelingsmogelijkheden zijn. Als wij u nu een rolstoel ter beschikking zouden stellen, bestaat de mogelijkheid dat u door het gebruik van de rolstoel behandelmogelijkheden in de weg staat. Het doel van de Wmo is niet om een persoon met beperkingen afhankelijk te maken van voorzieningen, maar te ondersteunen als duidelijk is dat er geen verbetering mogelijk is. Daarom kennen wij u op dit moment geen rolstoel toe. Mocht uit uw behandeling in overleg met uw behandelaars blijken dat er sprake is van een eindsituatie waarin geen verbetering in de zelfredzaamheid en participatie is te verwachten, dan kunt u opnieuw een ondersteuningsvraag melden bij de gemeente. Artikel 3.11 Ondersteuningsplan enarrangement Het plan behandelt meerdere leefgebieden: activiteiten in huis, activiteiten in de samenleving, dagbesteding, zorgen voor een kind, gedrag en veiligheid, belangenbehartiging en geldzaken. Het plan is de drager van het proces en is de samenvatting van het onderzoek (wat is er aan de hand, welke zorgen zijn er), beschrijft doelen, de in te zetten ondersteuning en zorg (wat gaan we doen, wie doet wat en wanneer) en de te behalen resultaten. Het plan is richtinggevend voor ondersteunende en uitvoerende werkers en bindend voor alle betrokkenen. Het is consistent, de doelen van het plan en de doelen in het plan houden verband met elkaar waardoor er samenhang kan zijn en ondersteunt dat het huishouden zoveel mogelijk regie heeft. Wij willen een verbinding tussen 0de en 1ste lijns ondersteuning (verbinding tussen informeel en formeel) bereiken, waardoor én beter maatwerk geleverd kan worden én het beroep op maatwerkvoorzieningen kan worden verminderd of worden uitgesteld. Met een infrastructuur die vraag en aanbod bij elkaar brengt kunnen gezamenlijke arrangementen worden samengesteld die ondersteuning in brede zin mogelijk maakt. Het synergie effect zit in de gemeenschappelijke infrastructuur die ook op wijkniveau kansen biedt om: diensten voor burgers gemakkelijk toegankelijk te maken ( zowel fysiek als via ICT en internet); de regie en zelfredzaamheid van burgers te versterken; ervoor te zorgen dat er samenhang komt in het aanbod; de kosten van het steunsystemen en infrastructuur laag te houden; de vergrijzing beter te kunnen opvangen. Onafhankelijk platform BAR-dichtbij en lokale welzijnsaanbieders worden hier bij betrokken. Door de inzet van een intermediair worden vraag en aanbod onafhankelijk van (zorg) aanbieder bij elkaar gebracht. Hierdoor heeft de cliënt maximale keuzevrijheid uit allerhande algemene en voorliggende voorzieningen. Daarnaast heeft de gemeente voor de maatwerkvoorzieningen contracten gesloten met zorgaanbieders, aannemers en leveranciers voor het leveren van maatwerk. Alle diensten, woningaanpassingen en hulpmiddelen moeten aan kwaliteitseisen voldoen. Ook hierin heeft de cliënt keuzevrijheid. Wanneer de cliënt expliciet kiest voor een persoonsgebonden budget (pgb) kan hij/zij ook gebruik maken van de dienstverlening via de intermediair. Artikel 3.12 Verstrekking Bij een positieve beslissing wordt de geselecteerde maatwerkvoorziening verstrekt. Dit kan op twee manieren namelijk in natura en in pgb. Per voorziening kan niet voor twee verschillende vormen worden gekozen. Zo moet de cliënt voor bijvoorbeeld begeleiding kiezen tussen óf hulp in natura óf een persoonsgebonden budget. Bij twee verschillende maatwerkvoorzieningen kan de cliënt wel de één in natura en de ander met een persoonsgebonden budget krijgen. Artikel 3.12.1 Verstrekking in natura Voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm van diensten wordt verstrekt, moet de gemeente zorgen dat er keuzemogelijkheden zijn tussen aanbieders waarbij rekening wordt gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging, de culturele achtergrond en geaardheid van cliënten, in het bijzonder voor kleine doelgroepen. Dat betekent dat de klantmanager doelgericht moet navragen wat voor de cliënt van belang is als er diensten door aanbieders worden geboden. De klantmanager meldt de cliënt aan bij de aanbieder van diens keuze en vermeldt daarbij, naast de NAW gegevens, voor welke maatwerkvoorziening de cliënt in aanmerking komt, op welke grondslag, de omvang van de verstrekking en de geldigheid daarvan. Voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm een collectieve Regiotaxipas wordt verstrekt heeft de gemeente Albrandswaard een contract gesloten met een taxivervoerbedrijf. De klantmanager meldt de cliënt aan bij dit taxivervoerbedrijf en vermeldt daarbij, naast de NAW gegevens, voor welk vervoer de cliënt in aanmerking komt, of er begeleiding noodzakelijk is tijdens de rit en er nog andere aandachtspunten afgestemd op de persoonskenmerken van de cliënt zijn. Voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm een hulpmiddel wordt verstrekt heeft de gemeente Albrandswaard een contract gesloten met een hulpmiddelenleverancier. De klantmanager meldt de cliënt aan bij de leverancier en vermeldt daarbij, naast de NAW gegevens, voor welke maatwerkvoorziening de cliënt in aanmerking komt en welk programma van eisen noodzakelijk is. Voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm een woningaanpassing wordt verstrekt heeft de gemeente Albrandswaard een contract gesloten met een aannemer en een trapliftenleverancier. De klantmanager meldt de cliënt aan bij de leverancier vermeldt daarbij, naast de NAW gegevens, voor welke maatwerkvoorziening de cliënt in aanmerking komt en welk programma van eisen noodzakelijk is. Indien van toepassing wordt gerefereerd aan een uitgebrachte offerte. Onderhoud en reparaties aan alle Wmo voorzieningen die in natura zijn verstrekt worden verzorgd door de leverancier. Bij opzettelijke schade of vernietiging kan de schade worden verhaald op de gebruiker. Voorzieningen die door de gemeente in bruikleen worden verstrekt, blijven eigendom van de leverancier. De kosten van de verzekering zijn verdisconteerd in de bruikleenkosten. De vergoeding aan de aanbieder en/of leverancier wordt uitbetaald mits aan alle voorwaarden is voldaan. Artikel 3.12.2 Verstrekking in een persoonsgebonden budget (pgb) De wettelijke eisen om aan een pgb te voldoen zijn: de budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet motiveren waarom hij de voorziening in de vorm van een pgb wil krijgen. budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet een ondersteuningsplan overleggen waaruit minimaal het volgende blijkt: inzicht in de problematiek van de ondersteuningsvrager; de duur en wijze van de ondersteuning; het resultaat van het te behalen doel van de ondersteuning; welke evaluatiemomenten gedurende de duur van de ondersteuning. de budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet in staat zijn om de voorziening zelf te organiseren. er worden voorwaarden gesteld aan de kwaliteit die mensen inkopen met een pgb. De budgethouder moet aantonen dat het budget besteed wordt aan een maatwerkvoorziening die veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. als de ondersteuning wordt geboden door een niet professioneel persoon uit de sociale omgeving, dient bij het te overleggen ondersteuningsplan een Verklaring omtrent gedrag (Vog) die niet ouder is dan drie maanden van deze persoon gevoegd te zijn. Maatwerkdiensten Als de voorziening in pgb wordt verstrekt geldt het zogenaamde trekkingsrecht. De gemeente maakt het geld niet over aan de budgethouder, maar aan de Sociale Verzekerings Bank (SVB) Zorgovereenkomsten vormen de basis van het beheren van een pgb. Zonder zorgovereenkomst is het niet mogelijk om dienstverleners te laten betalen uit een pgb. De SVB vraagt de zorgovereenkomst(
- en)op bij de budgethouder en controleert deze op arbeidsrechtelijke aspecten. De gemeente controleert deze contracten zorginhoudelijk. Nadat de zorgovereenkomst is goedgekeurd (door de SVB en de gemeente), kan de SVB betalingen doen aan de dienstverlener. Budgethouders moeten de SVB opdracht geven voor betalingen aan hun dienstverleners of instelling. Na verschillende controles betaalt de SVB de facturen van de dienstverlener of instelling. Betaling contant, per week of vierwekelijks is niet meer mogelijk. Dienstverleners worden (vooralsnog) maandelijks uitbetaald, op basis van urenbriefjes of facturen. De SVB stuurt gegevens over loonbetalingen door aan de Belastingdienst. Dat betekent dat de Belastingdienst op de hoogte is van de betalingen aan de dienstverlener. Zowel de budgethouder als de gemeente krijgt inzicht in de besteding van het pgb en ontvangen overzichten, waarin duidelijk wordt hoeveel van het pgb waaraan is besteed en wat er nog over is. Niet bestede bedragen worden teruggestort aan de gemeente. Woningaanpassingen en hulpmiddelen De SVB heeft de gemeente gemandateerd om de betaling en budgetbeheer uit te voeren voor die maatwerkvoorzieningen waarbij een eenmalige uitbetaling en controle aan de orde is. Dit is aan de orde wanneer het gaat om een pgb voor een woningaanpassing of een hulpmiddel dat eenmalig verstrekt wordt op grond van de afgegeven beschikking voor een maatwerkvoorziening. Het zou heel omslachtig zijn als één factuur via de SVB gecontroleerd en uitbetaald moet worden. De gemeente Albrandswaard heeft er voor gekozen om deze eenmalige betalingen van het pgb, na controle van de factuur en het betalingsbewijs rechtstreeks op de bankrekening van de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger te storten. De cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger moeten de besteding van het pgb wél verantwoorden. Iedere budgethouder moet in verband met de bovenbedoelde controle de volgende stukken bewaren: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening en de verzekering en onderhoud daarvan; een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening Is het pgb anders besteed dan bedoeld, dan kan het college overwegen het Pgb geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij is leidend of er opzet in het spel is geweest of onwetendheid. In die laatste situatie wordt overlegd hoe deze situatie in de toekomst vermeden wordt. Bij opzet in het niet naleven van de pgb-regels kan de gemeente de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt. Artikel 3.13 Medewerking aan onderzoeken De aanvrager is verplicht aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet. Onder verplichting, genoemd in het voorgaande lid, wordt mede verstaan: gehoor geven aan een oproep om op een aangegeven tijdstip en plaats te verschijnen; meewerken aan een onderzoek door een of meer daartoe aangewezen adviseurs of deskundigen. meewerken aan het geven van informatie over de vraag in hoeverre de eigen kracht en de sociale omgeving een bijdrage kan leveren aan oplossingen. Artikel 3.14 Bezwaartermijn Indien de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger het niet eens is met een besluit van het college van burgemeester en wethouders heeft hij/zij het recht om een bezwaarschrift in te dienen. Een bezwaarschrift kan tot zes weken na dagtekening van de bestreden beschikking worden ingediend; daarna wordt het in principe niet-ontvankelijk verklaard. In het bezwaarschrift dient de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger minimaal de NAW-gegevens van de cliënt te vermelden, alsmede de datum, een omschrijving van de bestreden beschikking en de gronden van het bezwaar. Bij een (wettelijke) vertegenwoordiging moet een bewijs van die machtiging bijgevoegd worden.In eerste instantie komt een bezwaarschrift binnen bij de postkamer. Hier wordt het bezwaarschrift ingeboekt, voorzien van een datumstempel en doorgestuurd naar de medewerker bezwaar. De afhandelingstermijn voor een bezwaarschrift is twaalf weken; eventueel verdaagd met vier weken. Met toestemming van de klant is hierna nogmaals een verlenging mogelijk. Artikel 3.15 Inlichtingenplicht Een aanvrager is verplicht bij het indienen van de aanvraag of nadat een maatwerkvoorziening is verleend, aan het college op verzoek of spoedig uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een maatwerkvoorziening, de aard, hoogte of duur ervan. Artikel 3.16 Heronderzoek Het college is bevoegd degene aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt aan een heronderzoek te onderwerpen om vast te stellen, of de aan de toekenning ten grondslag liggende omstandigheden gewijzigd zijn en deze van invloed zijn op het recht op de verstrekte maatwerkvoorziening. 4 Mantelzorg, respijtzorg, spoedzorg, kwaliteit, calamiteiten, AMHK, betrekken ingezetenen, klachtenprocedure en evaluatieArtikel 4.1 Waardering mantelzorgers De Wmo 2015 draagt gemeenten op aan te geven hoe zij zorg dragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten. Mantelzorgers bieden een belangrijke maatschappelijke bijdrage door langdurend niet betaalde zorg en ondersteuning te bieden aan een persoon uit hun sociale netwerk. Door de inzet van mantelzorgers wordt dure professionele zorg voorkomen of verminderd. De gemeente Albrandswaard heeft oog voor de inzet van mantelzorgers. De inzet van mantelzorgers verdient erkenning, steun en waardering. Om voor een waardering in aanmerking te komen meldt een mantelzorger zich zelf en de hulpvrager. Getoetst wordt of er in het voorgaande jaar voldaan is aan de volgende criteria op basis van de definitie mantelzorg: Meer dan 8 uur per week ondersteuning aan de persoon met beperkingen: Voor minimaal drie maanden aaneengesloten: De ondersteuning wordt gratis geboden op basis van de sociale relatie tussen mantelzorger en de persoon met beperkingen: Zonder deze ondersteuning zou de persoon met beperkingen een (groter) beroep moeten doen op professionele ondersteuning Het college werkt het vormgeven van de mantelzorgwaardering nader uit in het eerste halfjaar van 2015 De mantelzorgwaardering kan met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2015 worden verstrekt. Artikel 4.2 Respijtzorg Mantelzorgers De mantelzorg van de cliënt wordt meegenomen bij het onderzoek naar de ondersteuningsvraag en de eventuele indicatie voor de Wmo maatwerkvoorziening. Mantelzorg is niet verplicht en als de mantelzorger aangeeft niet meer in staat te zijn om (tijdelijk) de ondersteuning en /of hulp te verlenen wordt beoordeeld of de geïndiceerde maatwerkvoorziening aangepast moet worden. Het is van groot belang dat mantelzorgers kunnen rekenen op de gemeente als zij overbelast (dreigen
- te)worden en waar nodig gebruik kunnen maken van respijtzorg.Het is aan de gemeente om ontlasting van de mantelzorger zo laagdrempelig mogelijk te maken zonder ingewikkelde en langdurige procedures.Het sociale wijkteam en het steunpunt mantelzorg hebben hierin een belangrijke rol. Zij kunnen actief op zoek gaan naar de mantelzorgers in de wijk en samen met hen bespreken wat zij nodig hebben om de mantelzorg te kunnen (blijven) bieden. a.Langdurige respijtzorg Dit is de situatie dat de mantelzorger niet de volledige hulp, zorg en toezicht kan leveren maar dit wel kan volhouden als een deel of delen worden overgenomen. Denk bijvoorbeeld aan de dementerende cliënt die volledig verzorgd wordt door zijn partner. De echtgenote kan aangeven dat zij het volhoudt als zij ook zelf nog wat tijd heeft voor haar eigen dingen. Dan is een indicatie mogelijk voor bijvoorbeeld dagbesteding gedurende 1 of meer dagdelen. Ook kan het bijvoorbeeld gaan om verblijf kortdurend waarbij ouders van een gehandicapt kind even op adem kunnen komen als het kind een weekend per maand naar een logeeropvang gaat, wat zij niet in hun eigen netwerk kunnen regelen. b.Voorliggend respijtzorg op basis van de Zorgverzekering In veel polissen van de ziektekostenverzekering is opgenomen dat er vergoeding bestaat voor respijtzorg. Het gaat dan bijvoorbeeld om de tijdelijke respijtzorg in de vorm van een vergoeding voor tijdelijke hulp bij het huishouden of logeren. Dit zijn vergoedingen die onder de aanvullende verzekering vallen en daarmee niet afdwingbaar zijn. De klantmanager Wmo onderzoekt deze voorliggende oplossing. Ook kennen de zorgverzekeraars het product: Vervangende mantelzorg. Via de aanvullende verzekering kan de cliënt bij de zorgverzekering een aanvraag doen voor vervangende mantelzorg, die wordt geleverd door de Stichting Mantelzorgvervanging Nederland Handen-in-Huis De klantmanager moet onderzoeken of dit voldoende is. Cliënten die deelnemen aan de Collectieve Ziektekostenverzekering Minima zijn aanvullend verzekerd met als dekking Extra Uitgebreid. c.Voorliggend respijtzorg op basis van de Wet langdurige zorg Als de cliënt een indicatie heeft voor opname in een instelling voor langdurige zorg op basis van de Wlz en toch thuis blijft wonen, kan de zorg en ondersteuning met een pgb ingekocht worden. De partner of huisgenoot kan er voor kiezen om een deel of alle zorg zelf te bieden aan de cliënt en wordt dan betaald uit het pgb. Dan is er geen sprake van mantelzorg want mantelzorg is gratis en voorkomt of vermindert de professionele zorg en ondersteuning. In deze situatie kan de tijdelijke ontlasting van de partner/ huisgenoot met gebruik van het pgb van de Wlz geregeld worden. Artikel4.2.1 Tijdelijke respijtzorg Wmo Als tijdelijke respijtzorg geleverd kan worden door het sociale netwerk of vrijwilligers is er geen noodzaak respijtzorg vanuit de Wmo te verstrekken. Bij verstrekking vanuit de Wmo kan het gaan om een voorzienbare vraag of om een niet voorzienbare vraag om respijtzorg. Respijtzorg in de Wmo is maximaal vier weken mogelijk als maatwerkvoorziening en wordt alleen in natura verstrekt. Voorzienbaar Bij voorzienbaar gaat het om tijdelijke afwezigheid van de mantelzorger door bijvoorbeeld een ziekenhuisopname. Het kan ook zijn dat de mantelzorger op vakantie gaat of gewoon even “op adem” wil komen en: er zijn geen mogelijkheden binnen familie en sociaal netwerk om de ondersteuning tijdelijk (gedeeltelijk) over te nemen en de cliënt heeft geen indicatie voor de Wlz of een aanvullende ziektekostenverzekering die een oplossing bieden. Gedurende de afwezigheid van de mantelzorger is de respijtzorg noodzakelijk. Zodra de mantelzorger weer beschikbaar en in staat is, neemt hij/ zij de ondersteuning weer op zich. De tijdelijke respijtzorg in de vorm van hulp bij het huishouden kan via een korte procedure voor maximaal 4 weken afgegeven worden. De cliënt kan gedurende deze periode gebruik maken van een vast persoonsvolgend budget voor persoonlijke dienstverlening, te besteden aan diensten in en om het huis, te betrekken via het onafhankelijke platform BAR-dichtbij. Dit persoonsvolgend budget wordt uitbetaald aan BAR-dichtbij.Het persoonsvolgend budget is eenmaal per kalenderjaar mogelijk en kan gedurende vier weken worden gebruikt. Het persoonsvolgend budget hiervoor is vastgesteld in het Besluit Wmo 2015. Gaat het om een periode die langer duurt dan vier weken of blijkt deze tijdelijke periode niet voldoende te zijn, dan beoordeelt de klantmanager of in deze situatie de algemene schoonmaakvoorziening adequaat is. Is dit geen adequate oplossing dat start de reguliere melding Wmo met een volledig onderzoek. Over deze tijdelijke respijtzorg voor hulp bij het huishouden is geen eigen bijdrage verschuldigd. De tijdelijke respijtzorg dagbesteding en kortdurend verblijf De tijdelijke respijtzorg in de vorm van dagbesteding en kortdurend verblijf kan via een korte procedure voor maximaal 4 weken afgegeven worden. De cliënt kan gedurende deze periode gebruik maken van de diensten begeleiding en verblijf kortdurend van een gecontracteerde zorgaanbieder. Deze respijtzorg wordt uitsluitend in natura verstrekt. Onvoorzienbaar (spoedprocedure artikel 4.3) Bij onvoorzienbaar gaat het om onverwachte situaties. Bijvoorbeeld de mantelzorger wordt ziek, moet plotseling in het ziekenhuis opgenomen worden of het geheel wordt ineens allemaal teveel en er zijn geen mogelijkheden binnen familie en sociaal netwerk om de ondersteuning direct (gedeeltelijk) over te nemen en de cliënt heeft geen indicatie voor de Wlz of een aanvullende ziektekostenverzekering die een oplossing bieden. Artikel 4.3 Spoedprocedure In een acute situatie wordt de spoedprocedure gehanteerd, waarbij gedurende twee weken ondersteuning ingezet kan worden zonder indicatie. Het gaat dan om: een plotselinge wijziging in de gezondheidssituatie van een cliënt (aandoeningen, stoornissen, beperkingen) of van de informele hulp (wegvallen mantelzorg), die leidt tot een substantieel andere inhoud en omvang van de benodigde zorg, waarbij het noodzakelijk is om de zorg binnen 24 tot 48 uur in te zetten om onaanvaardbare gezondheidsrisico's voor de cliënt en/of zijn gezin te voorkomen. Spoedzorg is altijd een maatwerkvoorziening in natura. In die twee weken heeft de klantmanager de gelegenheid om het onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden, de geleverde mantelzorg en de ondersteuningsvraag uit te voeren. Samen met de cliënt en de mantelzorger kan dan besproken worden wat de mantelzorger nog wel kan doen en voor welk deel een andere oplossing gezocht moet worden. Voor hulp bij het huishouden gaat het alleen om de niet uitstelbare taken, zoals zorgen voor eten en drinken en zorg voor jonge kinderen. Eerst wordt getoetst of gebruikelijke hulp, het eigen netwerk en voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden. BAR-Dichtbij is als onafhankelijk platform verantwoordelijk voor deze toetsing en de bemiddeling. Voor situaties waarin sprake is van crisis en de cliënt afhankelijk is van 24 uur per dag toezicht dat normalerwijs door de mantelzorger wordt geleverd, is een crisisbed beschikbaar. Ook hier geldt de spoedprocedure waarbij gedurende twee weken verblijf kortdurend ingezet kan worden zonder indicatie. In deze twee weken moet een indicatie voor de Wlz aangevraagd worden. Dit zijn situaties waarin de huisarts de verwijzende rol heeft en de zorgaanbieder toetst of er: sprake is van een acute verandering. (dus geen geleidelijke verslechtering van de situatie) en een gevaar criterium aanwezig is waardoor toezicht nodig is en cliënt beschikt niet over een Wlz indicatie Voor situaties waarin het toezicht in de avonduren en de nacht door familie of het sociale netwerk opgelost kan worden, is via de spoedprocedure dagbesteding voor maximaal 10 dagdelen per week mogelijk, gedurende twee weken. In deze twee weken moet beoordeeld worden of er sprake is van zorg, ondersteuning en toezicht die onder de Wlz valt of dat er andere oplossingen binnen de Wmo gevonden moeten worden. De spoedinzet van dagbesteding wordt door de zorgaanbieder getoetst op de criteria: sprake is van een acute verandering. (dus geen geleidelijke verslechtering van de situatie); een gevaar criterium aanwezig is waardoor toezicht nodig is; cliënt beschikt niet over een Wlz indicatie. Als de zorgaanbieder niet geïndiceerde (spoed)zorg levert aan een cliënt, die niet voldoet aan de gestelde criteria, verleent de zorgaanbieder deze zorg voor eigen rekening. Artikel 4.4 Kwaliteitseisen Kwaliteitsnormen zijn onderdeel van een kwaliteitssysteem. In een kwaliteitssysteem zijn afspraken over normen, toezicht, handhaving en klant ervaringsonderzoek vastgelegd. Er wordt jaarlijks een klant ervaringsonderzoek gedaan, de eerste keer in 2016. In 2015 blijft de verplichtring gelden van een klanttevredenheidsonderzoek. De gemeente stelt zelf een toezichthouder aan voor de kwaliteit van de ingekochte maatschappelijke ondersteuning. 4.4.1 Diensten De gemeente eist een Verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor werknemers en vrijwilligers die direct met kwetsbare cliënten omgaan. Aanbieders passen bij het uitvoeren van het maatwerk de wettelijke eisen inzake kwaliteit toe. Bewijsvoering vakbekwaamheidseisen: De dienstverlener moet aantonen dat hij aan kwaliteitseisen voldoet, door het insturen van: een op basis van de wet voor zijn branche geldend kwaliteitsborgingscertificaat, in ieder geval betrekking hebbende op zorg, maatschappelijke en/of aanpalende dienstverlening (bijv. Implementatie Normen verantwoorde zorg). Of bewijs waaruit blijkt dat de dienstverlener zich inzet voor kwaliteitsborging van dienstverlening aan burgers en daarbij horende administratieve processen. Een eigen kwaliteitshandboek, toetsingskader, protocol, beschrijving van gevolgde opleidingen van betrokken personeel of ervaring van betrokken personeel volstaat. De gemeente kan om additionele waarborgen vragen. In de overeenkomsten met dienstverleners/ zorgaanbieders zijn nadere specifieke kwaliteitseisen voor specifieke diensten vastgelegd. De volgende kwaliteitseisen zijn van toepassing: De aanbieder is bekend met de werkwijze van integrale dienstverlening van de gemeente en gaat hiermee akkoord. De aanbieder draagt zorg voor monitoring van de processen op diverse aspecten zoals doorlooptijd van het ondersteuningstraject, de betrokkenheid van de cliënt en zijn sociale omgeving, de kosten, het afgesproken resultaat en de tevredenheid van de cliënt. De afhandeling van eventuele klachten is onderdeel van de monitoring van klanttevredenheid. De aanbieder zet de cliënt centraal in de ondersteuning en laat de regie over de ondersteuning zoveel mogelijk bij de cliënt. Daarnaast bevordert de aanbieder de inzet van eigen netwerkoplossingen. De ondersteuning is gericht op blijvende participatie en stimulering van de zelfredzaamheid (regie). De aanbieder werkt systeemgericht / integraal en heeft daarbij aandacht, tijd, ruimte en vertrouwen voor de cliënt en de sociale omgeving bij het aanpakken en oplossen van het probleem. De aanbieder sluit aan bij het uitgangspunt ‘één huishouden, één plan, één regisseur’, draagt bij aan de ontwikkeling van het integraal, dan wel ondersteuningsplan van de cliënt en sluit met zijn ondersteuningsplan aan op dit integrale plan. De aanbieder heeft voldoende kennis van de lokale sociale kaart en is continu op de hoogte van de beschikbare informele zorg, algemene voorzieningen en basiszorg die voor de uitvoering van zijn dienstverlening van belang is. De aanbieder spant zicht in om de samenwerking en afstemming tussen professionele en niet-professionele (basis)ondersteuning rondom de cliënt en zijn of haar het huishouden optimaal te laten functioneren De aanbieder innoveert in afschalen van ondersteuning, dit wil zeggen verkorten van duur of verminderen van zwaarte door zwaardere ondersteuning geleidelijk te vervangen door lichtere ondersteuning of informele zorg. De aanbieder levert maatwerk gebaseerd op de ondersteuning die nodig is en biedt zo nodig een alternatief gedurende een overbruggingsperiode. De aanbieder is verplicht zijn informatievoorziening aan cliënten up to date te houden en daar waar van toepassing via lokale digitale toepassing (webportal / digitale sociale kaart) beschikbaar te stellen. De aanbieder waarborgt de professionaliteit van medewerkers die de ondersteuning bieden(scholing, intervisie, etc.) en zorgt voor passende arbeidsvoorwaarden bij de voor de dienstverlening vereiste deskundigheid, vaardigheden en activiteiten. 4.4.2 Woningaanpassingen Alle woningaanpassingen dienen te voldoen aan de gestelde bouw- en kwaliteitseisen, zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en voor oudere woningen het Bouwbesluit behorend bij de datering van de woning. 4.4.3 Hulpmiddelen Alle voorzieningen dienen te voldoen aan de gestelde kwaliteit- en bruikbaarheidseisen. Binnen de Europese Unie moeten hulpmiddelen een CE-markering hebben. Hiermee voldoen zij aan de Europese regelgeving en aan de eisen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieu en consumentenbescherming. Deze markering is geen kwaliteitskeurmerk. Daarnaast moeten de producten aan het GQ-keurmerk te voldoen. De stichting Kwaliteit- en Bruikbaarheids Onderzoek van Hulpmiddelen voor gehandicapten en ouderen (KBOH) geeft dit keurmerk uit. Hiervoor test een onafhankelijke keuringsinstantie de veiligheid, duurzaamheid en bruikbaarheid. Artikel 4.5 Melding calamiteiten en geweld. Aanbieders moeten iedere calamiteit, ieder geweldsincident zo snel mogelijk melden aan de toezichthoudend ambtenaar. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over de aanpak en hoe we herhaling kunnen voorkomen. Met de Wmo-adviesraad wordt overlegd hoe de functie van de toezichthoudend ambtenaar binnen de wettelijke kaders op dit punt wordt ingevuld. Artikel 4.6 Advies en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK) Per 1 januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk om op bovenlokaal niveau een Veilig Thuis, Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling te organiseren. Hierin zijn het huidige AMK en de (A)SHG’s geïntegreerd. Eenieder die te maken heeft met, of een vermoeden heeft van geweld binnen afhankelijkheidssituaties, kan hiervoor terecht bij Veilig Thuis Rijnmond. Het Advies- en Meldpunt is de centrale toegang van Veilig Thuis voor alle meldingen en adviesvragen van de burger, de professional en specifiek de medische sector en politie/justitie. Het Advies- en Meldpunt van Veilig Thuis is 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar via telefoonnummer 010-4438444 Daarnaast kan de cliënt fysiek terecht bij de balie en kunnen er digitale (zorg)meldingen gedaan worden op mailadres info@huiselijkgeweld.rotterdam.nl. Melding Meldingen kunnen per telefoon, fax, digitaal en in persoonlijk contact of tijdens een casusoverleg binnenkomen. De melding kan gedaan worden door een burger of een professional. De melding wordt integraal en systeemgericht beoordeeld door de medewerkers van het Advies- en Meldpunt. Na beoordeling van de melding zijn er twee mogelijkheden: De melding wordt in ontvangst genomen en doorgezet naar het proces triage; De melding wordt omgezet naar een advies of ondersteuningstraject. 4.6.1 Triage Binnen de triage wordt de melding gescreend en beoordeeld op aard, ernst van de problematiek en de risico’s worden in kaart gebracht. De screening gebeurt zorgvuldig door de professional met ondersteuning van een gedragsdeskundige en indien nodig en noodzakelijk een vertrouwensarts. Het doel van de triage is dat Veilig Thuis Rijnmond op basis van de inhoud van de melding en op basis van een integrale risicotaxatie tot een besluit komt over de noodzakelijke vervolgstappen naar aanleiding van de melding. Er zijn drie uitkomsten na de triage mogelijk: De melding wordt alsnog omgezet naar een advies of ondersteuningstraject; De melding wordt afgesloten; De melding wordt overgedragen aan het gebiedsteam waarmee wordt overlegd over de uitvoering van de vervolgstappen, bijvoorbeeld het doen van uitgebreid onderzoek of inzetten van lokale of specialistische hulp. De vervolgstappen die door medewerkers van het gebiedsteam gezet kunnen worden, zijn wettelijk vastgelegd en nader uitgewerkt in het landelijk handelingsprotocol. Voor de uitvoering van deze vervolgstappen hebben de medewerkers van Veilig Thuis wettelijke bevoegdheden tot hun beschikking Het Advies- en Meldpunt heeft de verantwoordelijkheid om na triage een terugkoppeling te geven aan de melder over wat er met de melding is gedaan. De gebiedsteams Veilig Thuis Het Advies- en Meldpunt is de centrale toegang van Veilig Thuis Rijnmond. Echter, de cliënt heeft ook de mogelijkheid om binnen te lopen bij een gebiedsteam met vragen, zorgen of behoefte aan bepaalde ondersteuning. Veilig Thuis Rijnmond is laagdrempelig voor de cliënt . Mocht het contact leiden tot een officiële melding, dan vindt er overleg plaats tussen het Advies- en Meldpunt en het gebiedsteam. 4.6.2Opvolging meldingen en ondersteuningstrajecten De opvolging van de meldingen waarop triage heeft plaatsgevonden, vindt plaats in de gebiedsteams. De redenen hiervoor zijn dat het gebiedsteam dichterbij de cliënt zit, verbonden is met de lokale aanpak in het sociale domein en bekend is met het netwerk. Net als het Advies- en Meldpunt geldt dat in de gebiedsteams sprake is van een integrale werkwijze en dat de medewerkers belast zijn met de uitvoering van de wettelijke taken en bevoegdheden. Hierdoor mogen zij, in tegenstelling tot andere professionals, bijvoorbeeld zonder toestemming van betrokkenen informatie opvragen. Binnen de opvolging van meldingen en ondersteuningstrajecten zijn verschillende vervolgprocessen mogelijk. Bij de inrichting van de gebiedsteams zullen deze processen nader uitgewerkt worden. Artikel 4.7 Betrekken van ingezetenen bij het beleid De gemeente Albrandswaard kan niet zonder inwoners, die zich medeverantwoordelijk voelen voor de beleidsbepaling en uitvoering van de zorg en ondersteuning. Belangrijk is dat de nieuwe doelgroepen van de decentralisatie zoals mensen met een verstandelijke beperking en met GGZ-problematiek hier ook bij betrokken worden.In de verordening nemen wij op hoe wij aan deze betrokkenheid invulling geven. De gemeente initieert periodiek overleg, stelt in overleg met inwoners de agenda samen, voorziet ruimhartig en tijdig in de benodigde informatie en ondersteuning. Ook op andere wijze wordt de inbreng van inwoners en contactgroepen actief bevorderd. Hierbij wordt een combinatie gezocht met andere instrumenten die de mening van cliënten naar boven brengen zoals het klant ervaringsonderzoek. Bijvoorbeeld via cliëntenraden van organisaties en sociale teams die in contact staan met de inwoners in het algemeen en de kwetsbare inwoners in het bijzonder. De gemeente betrekt de inwoners ook via de reguliere lokale communicatiekanalen. Verwacht wordt dat betrokkenheid steeds vaker via wijkbladen en digitale middelen (sociale media) zal worden gezocht. Daarnaast stimuleert de gemeente haar inwoners om via de daarvoor geëigende politieke en bestuurlijke kanalen op eigen initiatief niet alleen vragen te stellen maar ook antwoorden te geven. In Albrandswaard functioneert sinds 1 januari 2014 de Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard (MAA). Onder een onafhankelijk voorzitter geven leden van de raad gevraagd en ongevraagd advies. De raad bestrijkt de terreinen van de voormalige cliëntenraad WWB en de voormalige Wmo-raad. In Albrandswaard is er bovendien een expertpanel dat geraadpleegd wordt door de gemeente. Het expertpanel is informeel en bestaat uit inwoners die gevraagd advies geven en op basis van hun werkervaring worden geraadpleegd. Samenwerking tussen de burgerplatforms van de 3 gemeenten gebeurt door uitwisseling van uitgebrachte adviezen en informatie over de opvolging daarvan door het bestuur waarbij de eigenheid van de lokale samenleving de rode draad vormt. 4.8 Klachtenprocedure Wanneer er een klacht binnenkomt met betrekking tot een wijkteam, inclusief jeugd treedt de klachtenprocedure in werking. Deze klachtenprocedure geldt voor klachten over de sociale wijkteams en de jeugd & gezinsteams die gerelateerd zijn aan een gezamenlijke product- of ketenaanpak binnen de sociale wijkteams en jeugd & gezinsteams van de gemeente Albrandswaard. Het college van B&W en de partners van de sociale wijkteams en de jeugd & gezinsteams hebben afgesproken dat deze klachten worden afgehandeld volgens de klachtenregeling BAR-organisatie. De 3 D Klachtenregeling BAR organisatie en een 3 D Privacy convenant worden separaat door het college vastgesteld , Bejegeningsklachten over medewerkers van de dienstverlener worden behandeld door de dienstverlener op grond van zijn interne klachtenregeling. 4.8.1 Wijze van indienen klacht Klachten worden bij voorkeur schriftelijk ingediend bij de gemeente Albrandswaard, ter attentie van de domeindirecteur Maatschappij van de BAR-organisatie, met als adres Hofhoek 5, 3176 PD, te Poortugaal, of postbus 1000, 316o, te Rhoon. Klachten kunnen mondeling ingediend worden bij de procesregisseur van het sociale wijkteam en het jeugd en gezinsteam of het klantencontactcentrum van de gemeente. 4.8.2 Procedure wanneer een klacht zich voordoet De procedure is gebaseerd op bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en nader uitgewerkt in de klachtenregeling BAR-organisatie van 2 juli 2014. Hierover nog het volgende: De domeindirecteur Maatschappij van de BAR-organisatie heeft de bevoegdheid om een besluit te nemen op klachten namens het college van Burgemeester en Wethouders. De domeindirecteur Maatschappij wijst een klachtenbehandelaar aan als de klacht binnenkomt. In de regel is dit de procesregisseur van het sociale wijkteam. Bejegeningsklachten over medewerkers van de partners worden door de klachtenbehandelaar doorgestuurd naar de partner. De partner informeert de klachtenbehandelaar over het besluit op de klacht. Bij belangenverstrengeling of indien de domeindirecteur Maatschappij daarvoor kiest, kan de domeindirecteur Maatschappij een andere klachtenbehandelaar aanwijzen. De klachtenbehandelaar hoort de werkgever van de medewerker van de partner voor zover nodig. De klachtenbehandelaar dient zich te houden aan de bepalingen m.b.t. de procedure en termijnen zoals deze in de klachtenregeling BAR-organisatie zijn opgenomen. De klachtenbehandelaar zorgt voor een ontvangstbevestiging (artikel 6 van de klachtenregeling), een mededeling aan aangeklaagde (artikel 9),het horen van klager en indien van toepassing degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft (artikel 9). Van het horen van klager maakt de klachtenbehandelaar een verslag. De klachtenbehandelaar kan ook als bemiddelaar optreden. In uitzonderingsgevallen, als het bijvoorbeeld een ingewikkelde of politiek gevoelige klacht is, voorziet de klachtenregeling ook nog in de mogelijkheid dat de klachtencoördinator een derde of een externe deskundige ingeschakeld (artikel 8, derde lid). Uit de afdoeningsbrief moet vervolgens duidelijk worden wat met dit advies is/wordt gedaan. De klachtenbehandelaar geef middels een concept afdoeningsbrief een advies aan de domeindirecteur Maatschappij, die namens het college van B en W een besluit neemt. Afdoening van een klaagschrift gebeurt conform artikel 10. Indien de klager niet tevreden is, kan hij nog een schriftelijk verzoek indienen bij de nationale ombudsman (artikel 11 eerste lid). Deze mogelijkheid moet ook in de afdoeningsbrief worden vermeld. 4.9 Evaluatie In de verordening is gesteld het gevoerde beleid eenmaal per twee jaar te evalueren. In de eerste jaren van dit voor de gemeente nieuwe beleidsveld zullen we jaarlijks evalueren. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid in de praktijk. 5.Verstrekking van maatwerkvoorzieningenBeleid van gemeente Een Wmo-klantmanager die tot taak heeft te adviseren welke voorziening de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening vormt voor de behoefte van de cliënt, zal naast het belang van de cliënt kijken naar het beleidskader van de gemeente Albrandswaard. Dit neemt niet weg dat binnen dit kader de Wmo-klantmanager op basis van zijn of haar deskundigheid de vastgelegde criteria objectief toepast. Het adviseren binnen een bepaald kader doet niet af aan de professionaliteit en objectiviteit van een advies. Gemotiveerd afwijken In bijzondere gevallen kan in het voordeel van de cliënt worden afgeweken van de bepalingen van de Verordening en de Beleidsregels. Dit kan wanneer het toepassen van de Verordening en de Beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Het maatwerk in de Wmo is leidend en dat betekent dat er op grond van de bijzondere persoonskenmerken en behoeften van deze specifieke cliënt op inhoudelijke argumenten afwijken van de Verordening en de Beleidsregels tot de mogelijkheid behoort. Een dergelijke afwijking van de verordening zal altijd in een multidisciplinair team met de senior en het afdelingshoofd besproken moeten worden. Artikel 5.1 Wijze van verstrekken Als voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen en ook algemene voorziening geen oplossing is, kan de gemeente een adequate maatwerkvoorziening verstrekken. Een maatwerkvoorziening kan verstrekt worden in natura of met een persoonsgebonden budget (pgb). Artikel 5.2 Soorten maatwerkvoorziening De individuele verstrekkingen in producten, zoals hulp bij het huishouden, vervoers-, rolstoel en woonvoorzieningen zijn in de Wmo 2015 vervangen door maatwerkvoorzieningen. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn mogelijk: Diensten: hierbij gaat het om: hulp bij het huishouden, begeleiding en verblijf kortdurend Woningaanpassingen: hierbij gaat het om nagelvaste aanpassingen: Hulpmiddelen hierbij gaat het om roerende voorzieningen : vervoersvoorzieningen, rolstoelen, roerende woonvoorzieningen, sportvoorzieningen en overige voorzieningen Andere maatregelen hierbij gaat het om beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Artikel 5.3 maatwerkvoorziening in natura Als de cliënt de geïndiceerde maatwerkvoorziening in natura wenst te ontvangen zorgt de klantmanager er voor dat de aanbieder van diensten en/of de leverancier van hulpmiddelen en/of de aannemer een bericht ontvangt met de opdracht de geïndiceerde maatwerkvoorziening te leveren. De gemeente heeft met aanbieders van diensten, hulpmiddelenleveranciers en aannemers contractafspraken gemaakt. Artikel 5.4 Maatwerkvoorzieningen met een pgb Mensen die een maatwerkvoorziening nodig hebben, kunnen kiezen voor een persoonsgebonden budget. Dit is een geldbedrag voor het bekostigen van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening die is afgestemd op iemands persoonlijke situatie. De cliënt moet met dit budget zelf de geïndiceerde maatwerkvoorziening(
- en)inkopen. Hiervoor gelden een aantal criteria: De budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet motiveren waarom hij de voorziening in de vorm van een pgb wil krijgen. Van belang zijn hierbij o.a. de volgende criteria: de zekerheid van een vaste hulpverlener, die zich voor langere tijd aan de cliënt verbindt de zorgvrager heeft ondersteuning nodig die slecht in te plannen valt de zorgvrager heeft ondersteuning nodig op verschillende tijdstippen per etmaal er is ondersteuning nodig op verschillende locaties er is ondersteuning nodig op veel, korte momenten per dag er is ondersteuning nodig op ongebruikelijke tijden, bijvoorbeeld van 23.00 uur tot 7.00 uur de mogelijkheid om een zorgverlener te kiezen die past bij de persoonlijke levenssfeer en overtuiging van de cliënt. De budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet een ondersteuningsplan overleggen waaruit minimaal het volgende blijkt: inzicht in de problematiek van de ondersteuningsvrager; de duur en wijze van de ondersteuning; het resultaat van het te behalen doel van de ondersteuning; welke evaluatiemomenten gedurende de duur van de ondersteuning. De budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet in staat zijn om de voorziening zelf te organiseren. Hij moet aantonen dat het budget besteed wordt aan een maatwerkvoorziening die veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Indien de ondersteuning wordt geboden door een niet professioneel persoon uit de sociale omgeving, niet zijnde een aanbieder die woningaanpassingen en hulpmiddelen levert, dient bij het te overleggen ondersteuningsplan een Verklaring omtrent gedrag (Vog) van deze persoon gevoegd te zijn. Deze Vog mag niet ouder dan drie maanden zijn. Deze termijn is opgenomen in de wet. De budgethouder deelt het college op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb. Eisen aan het Ondersteuningsplan Het pgb dient te worden besteed aan het vooraf omschreven doel van zelfredzaamheid en participatie en/of zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen wonen. De grondslag hiervoor wordt gevormd door de indicatie. Om volstrekt duidelijk te maken wat met het pgb moet worden aangeschaft, wordt een zo nauwkeurig mogelijk ondersteuningsplan waaraan de voorziening moet voldoen bij de beschikking gevoegd. De cliënt mag het pgb naar eigen keuze besteden aan het vooraf vastgesteld doel op basis van dit ondersteuningsplan . Als de cliënt een maatwerkvoorziening aanschaft en/of dienst betrekt die niet het vastgestelde doel dient, dan heeft de hij/ zij gehandeld in strijd met de beschikking. Dit vormt een reden om het pgb (gedeeltelijk) terug te vorderen. 5.5Artikel Diensten in pgb Het tarief voor geïndiceerde diensten is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015. Voor de dienst Hulp bij het huishouden wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief te besteden bij een zorgaanbieder en het tarief te besteden bij een belangenbehartigingsorganisatie. Voor de dienst Begeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief te besteden bij een professional en het tarief te besteden bij informele zorg. Voor de dienst Kortdurend verblijf wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief te besteden bij een professional en het tarief te besteden bij informele zorg. Artikel5.5.1Verplichtingen pgb Hulp bij het huishouden De verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats met toepassing van artikel 5.4 onder de voorwaarden dat de aanvrager of diens vertegenwoordiger: kan bepalen door wie, wanneer, waar en hoe de benodigde hulp wordt verleend; personeel kan werven; en een administratie kan bijhouden; De budgethouder sluit een schriftelijke overeenkomst met de persoon of instantie bij wie hulp bij het huishouden wordt betrokken. Het persoonsgebonden budget dient uitsluitend gebruikt te worden voor de betaling van hulp bij het huishouden en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten. Tussenpersonen of persoonlijke belangbehartigers worden niet uit het pgb betaald. Persoonlijke belangenbehartigers zijn niet aangesloten bij een belangenbehartigersorganisatie voor zelfstandige professionals. Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan adequate hulp bij het huishouden en kwalitatief verantwoorde dienstverlening. Artikel 5.5.2 Verplichtingen pgb Begeleiding De verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats met toepassing van artikel 5.2 onder de voorwaarden dat de aanvrager of diens vertegenwoordiger kan aantonen dat de aanbieder van begeleiding tot methodisch handelen in staat is. Het persoonsgebonden budget dient uitsluitend gebruikt te worden voor de betaling van begeleiding en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten. Tussenpersonen of belangbehartigers worden niet uit het pgb betaald. Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan adequate begeleiding en kwalitatief verantwoorde dienstverlening. De onder lid a, b en c genoemde voorwaarden zijn ook van toepassing wanneer het de maatwerkvoorziening Ondersteuning bij Persoonlijke Verzorging betreft. Artikel 5.5.3 Verplichtingen pgb Verblijf Kortdurend ter ontlasting van mantelzorger De verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats met toepassing van artikel 5.2 Het persoonsgebonden budget dient uitsluitend gebruikt te worden voor de betaling van het kortdurend verblijf en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten. Tussenpersonen of belangbehartigers worden niet uit het pgb betaald. Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan adequaat kortdurend verblijf en kwalitatief verantwoorde dienstverlening. Artikel 5.5.4 Betaling en verantwoording diensten in pgb Als de dienstverlening in pgb wordt verstrekt geldt het zogenaamde trekkingsrecht. De gemeente maakt het geld niet over aan de budgethouder, maar aan de Sociale Verzekerings Bank (SVB) Budgethouders moeten de SVB opdracht geven voor betalingen aan hun dienstverleners of instelling. Na verschillende controles betaalt de SVB de facturen van de dienstverlener of instelling. Betaling contant, per week of vierwekelijks is niet meer mogelijk. Dienstverleners worden (vooralsnog) maandelijks uitbetaald, op basis van urenbriefjes of facturen. Zowel de budgethouder als de gemeente krijgt inzicht in de besteding van het pgb en ontvangen overzichten, waarin duidelijk wordt hoeveel van het pgb waaraan is besteed en wat er nog over is. Niet bestede bedragen worden teruggestort aan de gemeente. Artikel 5.5.5 de hoogte van het pgb De hoogte van de pgb tarieven en de wijze waarop deze zijn vastgesteld zijn nader vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel 5.6 Verplichtingen pgb overige maatwerkvoorzieningen De verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats met toepassing van artikel 5.2 onder de voorwaarden dat de aanvrager of diens vertegenwoordiger: in staat is om een maatwerkvoorziening te selecteren op basis van een door de klantmanager opgesteld programma van eisen en; in staat is de maatwerkvoorziening te onderhouden; de budgethouder dient over een nota/factuur en betalingsbewijs van de aangeschafte maatwerkvoorziening te beschikken. Het persoonsgebonden budget dient uitsluitend gebruikt te worden voor betaling van een maatwerkvoorziening en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten. Tussenpersonen of belangbehartigers worden niet uit het pgb betaald. Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan een adequate voorziening Artikel 5.6.1 Woningaanpassingen in pgb Het tarief voor geïndiceerde woningaanpassingen is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015. In de beschikking is opgenomen welk doel bereikt moet worden met de woningaanpassing en het daarvoor vereiste programma van eisen is toegevoegd. De gemeente vraagt een offerte op bij de gecontracteerde aannemer. Het door de klantmanager opgestelde programma van eisen, toegespitst op de persoonlijke kenmerken en beperkingen is daarbij leidend. De cliënt vraagt zelf twee offertes op basis van het gestelde programma van eisen op bij aannemers van eigen voorkeur. De goedkoopst adequ