Beleidsregels sociaal domein gemeente Meppel 2026Het college van de gemeente Meppel; Overwegende: Dat de Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Meppel een goede actuele en goed toepasbare regeling moet zijn waarop de besluiten in het sociaal domein kunnen worden gebaseerd Gelet op de bepalingen in specifieke wetgeving over maatschappelijke voorzieningen, te weten; Participatiewet, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Jeugdwet Gelet op de bepalingen in specifieke wetgeving over gemeentelijke taken in het sociaal domein, te weten; Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Wet inburgering 2021 Wet gemeentelijke anti-discriminatievoorzieningen Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Gelet op de bepalingen in specifieke wetgeving over gemeentelijke taken in het onderwijs; Wet op de expertisecentra Wet op het primair onderwijs Wet voortgezet onderwijs 2020 Gelet op het advies van: de Adviesraad Sociaal Domein BESLUIT: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning geldend van 05-02-2022, in te trekken per 1-1-2026 en Beleidsregels sociaal domein gemeente Meppel 2026 vast te stellen per 1-1-2026 en daarmee de Beleidsregels sociaal domein gemeente Meppel 2025 in te trekken per 1-1-2026 1.Algemene bepalingen 1.1.Toepassingsbereik Deze beleidsregels Sociaal Domein is een groei document. Uiteindelijk zijn deze beleidsregels van toepassing op de uitvoering van de: Antidiscriminatiewet; Jeugdwet; Wet kinderopvang; Wet op de expertisecentra; Wet op het primair onderwijs (WPO); Wet voortgezet onderwijs 2020; Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); Wet inburgering; Participatiewet; Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); Algemene wet bestuursrecht (Awb) en Gemeentewet. 1.2.Algemene Definities Alle in deze beleidsregel gebruikte begrippen moeten worden geduid en begrepen volgens de definities van de wetten waarop deze beleidsregel is gebaseerd. Specifieke definities zoals geduid in de navolgende artikelen gaan voor op de algemene begrippen zoals benoemd in het derde lid. Algemene begrippen; Inwoner: ingezetene van de gemeente Meppel als bedoeld in artikel 2 Gemeentewet, die als zodanig is geregistreerd in de basisregistratie personen en die gebruik maakt of wil maken van een van de een deze verordening behandelde voorzieningen. College: het college van burgemeester en wethouders van Meppel. Consulent: medewerker in dienst van de gemeente Meppel die belast is met het onderzoek voor een te nemen besluit en het opstellen van een beschikking. Eigen kracht: het vermogen van de inwoner om zelf tot verbetering van zijn of haar zelfredzaamheid te komen door actief het eigen netwerk te benutten en in te zetten. Gebruikelijke hulp: Hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (zie artikel 1.1.1 Wmo 2015). 1.3.Definities maatschappelijke voorzieningen algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en die financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; andere voorziening: voorziening op basis van een andere wet dan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; begeleidende ondersteuning : verstrekking in het kader van individuele begeleiding basis en plus; beschermd wonen: beschermd wonen is bedoeld voor mensen vanaf 18 jaar met (langdurige) psychiatrische problematiek, een combinatie van wonen met toezicht en begeleiding. bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; cliënt: onder cliënt wordt in voorkomende gevallen ook verstaan degene die namens de cliënt als gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger bevoegdelijk optreedt; cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; dagbesteding: is een verstrekking in de vorm van begeleiding in een groep, basis en plus, waarbij deelnemers onder professionele begeleiding deelnemen aan activiteiten om een zinvolle dag te hebben en structuur aan te brengen in hun leven. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders/verzorgers, inwonende kinderen of andere huisgenoten; logeerbaar maken: toegankelijk maken van de woonruimte en toegankelijk en bruikbaar maken van maximaal één woonkamer, één slaapkamer, één toilet en één douche; maatschappelijke opvang: een tijdelijk vangnet in de vorm van onderdak en begeleiding voor personen die, door een of meer problemen, hun thuissituatie hebben verlaten en zich niet zelfstandig in de samenleving kunnen handhaven; mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; melding: verzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet, om onderzoek naar de behoefte van maatschappelijke ondersteuning; ondersteuningsplan: de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de cliënt en zijn mantelzorger zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, alsmede de beoogde resultaten en de evaluatie daarvan; pgb vertegenwoordiger: een door de cliënt gemachtigde natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel een door de rechter benoemde wettelijk vertegenwoordiger die de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op zich neemt; ritbijdrage: een door het college vast te stellen bedrag dat een persoon met beperkingen bijdraagt aan het gebruik van het Aanvullend Openbaar Vervoer; uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; verblijf: onderdak, in elk geval met een slaapplaats, al dan niet inclusief voeding, douche en eventueel andere diensten of faciliteiten; verslag: een weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet; voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee een vergelijkbaar adequaat resultaat wordt bereikt als met een voorziening op grond van de wet; 1.4.Definities uitkeringen Participatiewet/Ioaw/Ioaz Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet op de huurtoeslag. benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a Participatiewet die het college ondersteunt bij de arbeidsinschakeling Inkomen: totaal van het inkomen als bedoeld in artikel 31, 32 en 33 Participatiewet norm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Plan van aanpak: plan gericht op de arbeidsinschakeling of re-integratie dat het college samen met een uitkeringsgerechtigde opstelt. Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum waarop een persoon een verzoek indient voor een individuele inkomenstoeslag. uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. 1.5.Definities leerlingenvervoer aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar; afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige; eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets; gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel; ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek; openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer; opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. ouders: ouder(s), voogden of verzorgers van de leerling; reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; samenwerkingsverband: voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; stage : een integraal onderdeel van een opleiding waarbij de leerling in de praktijk leert; toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerling die aansluiting onmogelijk maakt; vervoersvoorziening: bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; of aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. 1.6.Definities wet Inburgering <gereserveerd> Nieuw 1.7.Definities bijzondere bijstand Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet op de huurtoeslag. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: belanghebbende: de alleenstaande of het gezin die in aanmerking wenst te komen voor bijzondere bijstand; bijstandsnorm: de norm volgens artikel 5c Participatiewet; de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering: de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering is er voor inwoners van de gemeente Meppel met een minimuminkomen; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel; draagkracht: het gedeelte van het inkomen of vermogen dat aangewend dient te worden voor financiering van de bijzondere kosten; draagkrachtperiode: de periode waarover de draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld; inkomen: het inkomen volgens artikel 31 tot en met 33 van de Participatiewet (m.u.v. de inkomensvrijlatingen van artikel 31, lid 2 sub n, r en y Participatiewet); medische kosten: noodzakelijk te maken kosten welke vallen binnen de reikwijdte van de kostensoorten waarover de Zorgverzekeringswet zich uitspreekt; meer-inkomen: het inkomen boven het minimuminkomen; minimuminkomen: 120% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld; suppletie: een aanvulling op de aflossingsruimte, waardoor een hogere lening afgesloten kan worden (lees de Gemeentelijke Kredietbank); vermogen: het in aanmerking te nemen vermogen volgens artikel 34 van de Participatiewet (m.u.v. de vrijlatingsbepalingen welke genoemd worden in artikel 34 Participatiewet); voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de wet, zoals bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet, waarop de persoon of gezin aanspraak kan maken dan wel een beroep kan doen ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven; woonkosten eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten inclusief een bedrag voor groot onderhoud; woonkosten huurwoning: de op de aanvangsdatum van het lopende huurtoeslagtijdvak per maand geldende huurprijs als omschreven in de Wet op de huurtoeslag. 1.8.Begrippen studietoeslag Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht. In deze beleidsregels wordt verstaan onder: aanvraag: een verzoek om studietoeslag als bedoeld in artikel 36b lid 1 PW Awb: Algemene wet bestuursrecht PW: Participatiewet Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten WSF: Wet studiefinanciering 2000 WTOS: Hoofdstuk 4 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 2.Hoofdtaken sociaal domein (Maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, participatie en inkomensvoorzieningen) 2.1 Wmo 2015 Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is op 1 januari 2015 in werking getreden. De bedoeling is dat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Centraal staan de behoeften en mogelijkheden van de inwoners. Daarna komt hulp van familie of anderen in de directe omgeving. Als de grenzen zijn bereikt van de eigen mogelijkheden en die van de sociale omgeving kan er ondersteuning via de gemeente komen in de vorm van algemene voorzieningen en als dat onvoldoende is kan er gekeken worden naar maatwerkvoorzieningen. De gemeente doet bij een aanvraag om ondersteuning onderzoek naar wat mensen precies nodig hebben om de zelfredzaamheid te bevorderen en om mensen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen (Artikel 2.3.
- Wmo 2015). Dit gaat in goede samenspraak met de betrokkenen en/of de omgeving om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het gesprek telefonisch plaatsvinden in overleg met de inwoner. De CRvB heeft een zogeheten stappenplan opgesteld waarin staat hoe het college bij het onderzoek te werk moet gaan. Pas na het verstrekken van het ondersteuningsplan met de onderzoeksresultaten kan een aanvraag worden gedaan. De regels van de Awb zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek valt wel onder de voorbereiding van het besluit als de aanvraag wordt ingediend (art. 3:2 Awb). Het is essentieel dat de hulpvraag integraal wordt behandeld en beoordeeld, conform het stappenplan. Stappenplan voor het onderzoek Volgens de CRvB zijn er zes stappen nodig om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren, dit zijn: Na de melding dient eerst de precieze ondersteuningsvraag te worden geduid. Vervolgens moet bepaald worden wat – kort gezegd – de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn. Als deze beide vragen op papier staan, kan (en moet) inzicht worden verkregen in de aard, omvang en frequentie van de ondersteuning die nodig is. Daarna wordt in kaart gebracht of: de eigen kracht, gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk, en gebruikmaking van algemene voorzieningen, en zo ja: in welke mate – deze voorliggende oplossingen beschikbaar, geschikt en toereikend zijn. Zijn de mogelijkheden onder 4 ontoereikend, dat zal het college een maatwerkvoorziening naar aard en omvang moeten verstrekken, tenzij een (andere) weigeringsgrond van toepassing is. Voor zover dit in het individuele geval noodzakelijk is, zal specifieke deskundigheid moeten worden ingeschakeld. Verordening Sociaal Domein Op grond van artikel 2.1.4 van de Wmo 2015 legt de gemeente in de ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ regels vast voor de uitvoering van de te verrichten handelingen en te nemen besluiten. De Verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Meppel duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij hun ondersteuningsvraag hebben gemeld. Daarbij kan de cliënt gebruik maken van cliëntondersteuning. De Wmo 2015 schrijft voor dat het college een onderzoeksverslag (in de vorm van een ondersteuningsplan) aan de cliënt verstrekt met daarin de resultaten van het onderzoek. Daaruit kan de cliënt afleiden of hij in aanmerking komt voor ondersteuning. Na de melding van de ondersteuningsvraag wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld zijn eigen persoonlijk plan in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de cliënt van mening is dat hij ondersteuning van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de cliënt wat de voorwaarden zijn voor een aanvraag, wat de criteria zijn om in aanmerking te komen voor maatwerk, op welke wijze de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, welke eisen worden gesteld aan de voorzieningen, regels voor het abonnementstarief, etc. Nadat het onderzoek is afgerond kan de cliënt een aanvraag indienen. Daarvoor kan het ondersteuningsplan worden gebruikt. Bij de beslissing op de aanvraag vormt het ondersteuningsplan en het eventueel ingediende persoonlijk plan van de cliënt het uitgangspunt. 2.1.1Melding en onderzoek Wmo 1.Bij een melding, die schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch kan worden gedaan, door of namens een inwoner doet het college onderzoek naar de hulpbehoefte en de omstandigheden van de persoon of het gezin van de inwoner. In het onderzoek wordt aandacht besteed aan omstandigheden op het gebied van wonen, financiën, zelfzorg en welzijn, sociaal netwerk, eigen kracht en dagbesteding. 2.De melding waarop een onderzoek volgt in de zin van artikel 2.3.
- vierde lid Wmo 2015 wordt schriftelijk bevestigd en informeert de cliënt over de gang van zaken na de melding, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. De medewerker wijst de melder erop dat hij een persoonlijk plan kan inbrengen in het onderzoek. Bij het onderzoek wordt de cliënt geïnformeerd over de verschillende mogelijkheden van een maatwerkvoorziening: de keuze tussen een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget en de gevolgen daarvan; de mogelijkheid om een voorziening in natura voor een hulpmiddel in bruikleen of eigendom te krijgen; wanneer de gemeente een maatwerkvoorziening aanbiedt in de vorm van een financiële tegemoetkoming is dat de enige optie omdat verstrekking in natura niet goed mogelijk is en een persoonsgebonden budget een te zwaar middel.
- De medewerker wijst degenen die zich met een ondersteuningsvraag melden erop dat zij zich bij het onderzoek desgewenst kunnen laten bijstaan door een cliëntondersteuner.
- Als er een wettelijke aanvraagprocedure geldt zonder voorafgaand onderzoek door het college, dan wordt de inwoner of de melder daar naar verwezen.
- Voorafgaand aan het aannemen van een melding wordt een triage uitgevoerd om vast te stellen of en hoe het contact kan worden opgevolgd, en hoe zo nodig aan de inwoner beknopt advies kan worden gegeven wat hij gelet op de aard van de gestelde vraag kan doen of bij welke aangewezen partij hij hulp kan krijgen zonder verwijzing door de gemeente.
- Als de inwoner dat wil wordt informatie over hem of haar uit aanvragen op grond van verschillende wetten in het sociaal domein samengevoegd en betrokken in het onderzoek.
- De medewerker die de melding ontvangt, registreert en bevestigt de ontvangst van de melding.
- De gemeentelijke organisatieonderdelen in het sociaal domein werken met elkaar samen als één team in de behandeling van aanvragen, meldingen en vragen van inwoners op het gebied van de Jeugdwet, de Wmo 2015, de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Leerplichtwet, de Wet publieke gezondheid, de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra.
- Wanneer de situatie daar om vraagt, of de inwoner dat wenst, en de beoordeling van de aanspraak op een aangevraagde voorziening zonder uitgebreid onderzoek als bedoeld in lid 1 kan worden gedaan, kan worden afgezien van dat onderzoek. 2.1.2.Samenloop Wet langdurige zorg cliëntondersteuning Inwoners met een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) kunnen onafhankelijke clientondersteuning vanuit de Wlz krijgen. Het zorgkantoor is hiervoor verantwoordelijk. 2.1.3.Inhoud onderzoek De behandelend medewerker bespreekt met de cliënt na de melding zo spoedig mogelijk, met inachtneming van diens persoonlijk plan indien aanwezig, de volgende onderwerpen in samenhang met elkaar: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of met behulp van vrijwillige inzet te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en met partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; informatie over bijdragen in de kosten die de cliënt verschuldigd zal zijn. Zie tevens artikel 2.1.
- van de verordening Sociaal Domein, gemeente Meppel. 2.1.4.Verslag onderzoek in de vorm van ondersteuningsplan Bij iedere aanvraag of herindicatie wordt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek opgesteld in de vorm van een Wmo-ondersteuningsplan. De cliënt kan een schriftelijke weergave, in de vorm van een ondersteuningsplan, van de uitkomsten van het onderzoek opvragen. Bij opmerkingen of aanvullingen van de cliënt over de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek volgt bijstelling van het ondersteuningsplan. Wanneer de aanvullingen of opmerkingen leiden tot een ander advies dan volgt er een nieuw ondersteuningsplan. De mogelijkheid bestaat ook dat de cliënt zelf een persoonlijk-plan overlegt. 2.1.5.Aanvraag maatwerkvoorziening Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door een cliënt schriftelijk ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd, door het ondertekend terugsturen van het ondersteuningsplan; of Binnen 6 weken na de melding als het onderzoek dan nog niet is afgerond. Mocht het ondersteuningsplan niet binnen drie maanden, na de datum van verzending van het ondersteuningsplan, niet getekend geretourneerd worden door de client dan dient er een nieuw onderzoek plaats te vinden. Het college kan bepalen dat een aanvraag ook digitaal of mondeling kan worden gedaan. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviseur (bijvoorbeeld ergotherapeut, etc.) om advies vragen gedurende de behandeling van de aanvraag. Gebruik maken van ergotherapie Ergotherapie heeft als doel de zelfzorg en zelfredzaamheid te bevorderen of te herstellen. Bij ergotherapie is de behandeling gericht op het opheffen, verminderen of compenseren van lichamelijke of psychische stoornissen, beperkingen of handicaps. De ergotherapeut geeft advies, instructie of behandeling om weer algemene dagelijkse of arbeidsgerelateerde handelingen te kunnen doen en weer zo zelfstandig mogelijk te kunnen functioneren in zijn leefsituatie, woonsituatie of werksituatie. De Zvw (basis) dekt de kosten voor maximaal 10 behandeluren per kalenderjaar. Huishoudelijke ondersteuning Gebruik maken van ergotherapie kan de aanspraak op huishoudelijke ondersteuning voorkomen of de omvang daarvan verminderen. Mocht n.a.v. de aanvraag voor een maatwerkvoorziening het gewenst zijn dat er een consult plaatsvindt met een ergotherapeut dan is de cliënt verplicht om medewerking te verlenen aan dat onderzoek maar ook om gebruik te maken van ergotherapie als dat de inzet van huishoudelijke ondersteuning voorkomt of vermindert. Dit geldt ook voor de huisgenoot. Verplicht eigen risico De kosten van ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is geen reden om geen gebruik te maken van ergotherapie. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel. Wordt er geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt, dan is de cliënt ook geen maandelijkse eigen bijdrage (abonnementstarief) verschuldigd. De kosten van het verplicht eigen risico mogen betaald worden uit de tegemoetkoming meerkosten. 2.1.6.Aanvraag persoonsgebonden budget (PGB) Een PGB wordt alleen verstrekt als, volgens het college, wordt voldaan aan de voorwaarden (artikel 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015): de te treffen maatwerkvoorziening en het beoogde doel; de voorgenomen uitvoering en uitvoerder daarvan; de kwalificaties van de uitvoering; en een motivering in de vorm van een PGB-plan waarom een persoonsgebonden budget gewenst is en of de aanvrager over de hiervoor noodzakelijke competenties beschikt. 2.1.7.Inhoud beschikking De inwoner ontvangt de beslissing op zijn aanvraag op grond van de Wmo 2015 binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag schriftelijk in een beschikking. In veel gevallen speelt bij een aanvraag de vraag of er een medische noodzaak is voor de gevraagde ondersteuning. Om dit te kunnen beoordelen kan een medisch advies worden ingewonnen. Bij het opvragen van medisch advies kan de onderzoekstermijn worden verlengd met 8 weken zodat de medisch adviseur tijd heeft om zijn onderzoek uit te voeren en advies uit te brengen. De inwoner wordt hierover schriftelijk geïnformeerd (artikel 4:14 lid 1 Awb). In de beschikking staat: de aanvraagdatum, de beslissing, de motivering van de beslissing en informatie over de uitvoering van het besluit. De Algemene wet bestuursrecht (Awb artikel 3:46) schrijft voor dat het besluit dat op een aanvraag wordt genomen deugdelijk moet worden gemotiveerd. Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in natura of als financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking in elk geval vastgelegd: welke de te treffen voorziening naar aard en omvang (frequentie en tijdseenheid) is; wat de duur van de verstrekking is; hoe de voorziening wordt verstrekt; welke verplichtingen zijn verbonden aan het verstrekken van de maatwerkvoorziening. Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in elk geval vastgelegd: voor welke maatwerkoplossing het persoonsgebonden budget kan worden aangewend; wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het persoonsgebonden budget is; welke verplichtingen zijn verbonden aan het persoonsgebonden budget; welke regels gelden ten aanzien van facturering en verantwoording van het persoonsgebonden budget. Bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming meerkosten wordt in de beschikking vastgelegd: welke vergoeding wordt toegekend; wat de duur van de toekenning is; welke verplichtingen zijn verbonden aan de toekenning. 2.1.8.Zorgprestatie onderzoek Jaarlijks wordt via een cliënttevredenheidonderzoek (CEO) de cliënt bevraagd of het maatwerk is uitgevoerd en voldoet. 2.1.9.Versnelde procedure In situaties waarbij haast is geboden (artikel 2.3.3 Wmo 2015) kan door de Wmo-consulent en/of casemanager Dementie een versnelde toekenningsprocedure worden toegepast. Hierbij kan een ambtshalve aanvraag worden ingediend en een opdracht worden verstrekt aan de aanbieder. De opdracht aan de aanbieder is voor een zeer beperkte periode en nooit langer dan drie maanden. Na de opdracht aan de aanbieder wordt een beschikking afgegeven aan de inwoner en wordt er een gesprek gepland. Vervolgens wordt de hierboven beschreven procedure alsnog gevolgd tot en met de beschikking. Geen maatwerkoplossing Bij zo’n tijdelijke inzet van een maatwerkvoorziening met een spoedeisend karakter geldt niet het criterium van wat de (goedkoopst) passende bijdrage is. Artikel 2.3.3 Wmo 2015 kent een dergelijke voorwaarde niet. Bij het toekennen van een maatwerkvoorziening via de reguliere procedure geldt een oordeel over de (goedkoopst) passende bijdrage wel (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015). Daarom kan bij de tijdelijke inzet in een spoedprocedure ook nog niet gesproken worden van een te behalen resultaat want het onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden. 2.1.10.Herindicatie In bepaalde gevallen kan een ambtshalve besluit worden genomen, dit is geregeld in de Verordening. Voor een ambtshalve beschikking is geen ondertekend aanvraagformulier nodig. Dit kan in de volgende gevallen: Bij een aflopende indicatie wordt tijdig een heronderzoek gestart naar de ondersteuningsbehoefte en als er sprake is van ongewijzigde situaties. Het college neemt contact op met de inwoner en stemt met de inwoner de aanvraag af. Deze mondelinge aanvraag is voldoende. Bij aanpassing aan een bestaande voorziening, waarbij geen sprake is van gewijzigde persoonlijke omstandigheden. Bij vervanging van voorzieningen die op grond van verklaringen van de leverancier en goedkeuring daarvan door de consulent economisch zijn afgeschreven. Herindicaties op basis van gewijzigd en vastgesteld beleid en/of wetswijziging. 2.
- Afwegingskader voorzieningen De Wmo 2015 vraagt van gemeenten, dat zij bij het bepalen van de ondersteuningsbehoefte steeds meer gebruik maken van de eigen mogelijkheden van de inwoner en het sociale netwerk. Daarnaast wil de wetgever dat gemeenten algemene voorzieningen faciliteren, organiseren en stimuleren, zodat er minder inzet van maatwerkvoorzieningen noodzakelijk is. 2.2.1.Voorliggende voorzieningen Wanneer blijkt dat de cliënt niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk tot een oplossing kan komen, wordt beoordeeld of er andere voorliggende voorzieningen zijn, waarmee de hulpvraag kan worden opgelost, waaronder algemeen gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen op basis van de Wmo. 2.2.2.Algemene voorzieningen Een algemene voorziening (o.a. voorzieningen in het kader van de sociale basis) kan ingericht zijn voor alle inwoners van de gemeente Meppel of voor een specifieke doelgroep, en is rechtstreeks toegankelijk voor inwoners die maatschappelijke ondersteuning behoeven en tot de doelgroep van de voorziening behoren. 2.2.3.Voorzieningen sociale basis Voorzieningen in de sociale basis zijn een breed en laagdrempelig aanbod van formele en informele activiteiten en diensten in de directe leefomgeving van de inwoner, die gericht zijn op het bevorderen van zelfredzaamheid, eigen kracht, samenredzaamheid en deelname aan de samenleving. Dit betreft de directe relaties van de inwoner, zoals familie, vrienden en naasten. Inwoners kunnen binnen deze sfeer hulp vragen of geven, maar ook ideeën of initiatieven delen. Het gaat hier vaak om persoonlijke betrokkenheid, zoals het mantelzorgen voor een familielid. De gemeenschappelijke sociale basis: Inwoners maken deel uit van diverse gemeenschappen, zowel formele als informele netwerken. Dit zijn bijvoorbeeld lidmaatschappen van verenigingen of deelname aan informele groepen, zoals een wandelclub. Ook vrijwilligerswerk valt hieronder. Dit gebeurt op verschillende plekken, zoals in buurthuizen, op sportclubs, in parken of zelfs online. En de institutionele sociale basis: Dit betreft de meer formele structuren en voorzieningen die inwoners ondersteunen. Denk aan instellingen zoals buurthuizen, bibliotheken en gezondheidscentra, maar ook aan collectieve diensten. Binnen de institutionele sociale basis werken professionele krachten zoals sociaal werkers, wijkverpleegkundigen, etc. De voorzieningen in het kader van de sociale basis omvatten in elk geval: informatie en advies en waar nodig vraagverheldering en ondersteuning, uitgevoerd door brede welzijnsorganisaties, waar nodig het daartoe opstellen en evalueren van een ondersteuningsplan; verstrekking van de vrijwillige inzet en informele netwerken; het afwegen hoe de cliënt het meest passend ondersteund kan worden; mantelzorgondersteuning; het bieden van ondersteuning en activering op sociale levensdomeinen; collectieve ondersteuning, ondersteuning aan een groep mensen die een vergelijkbare vraag of behoefte hebben. 2.2.4.Algemeen gebruikelijke voorziening Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die normaal in de handel verkrijgbaar is, ook door mensen zonder beperkingen wordt aangeschaft en gebruikt of die niet aanzienlijk duurder is dan voorzieningen met vergelijkbare functies, voor zover deze voor mensen met een minimuminkomen betaalbaar is. Wat algemeen gebruikelijk is wordt beïnvloed door maatschappelijke ontwikkelingen. Deze zijn aan verandering onderhevig. Voorbeelden voor algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn en rollator, openbaar vervoer, (sociale)alarmering, boodschappenservice, maaltijdservice, kinderopvang en het lid zijn van een vereniging of club. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn een tandem, openbaar vervoer, thermostatische kranen, (sociale)alarmering, vaatwasser, domotica, boodschappenservice, glazenwassersbedrijf, honden-uitlaatservice, maaltijdservice, robotstofzuiger, spoel-föhn installatie, kinderopvang, etc. en het lid zijn van een vereniging of club. Deze opsomming is niet limitatief. Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de maatwerkvoorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het college moet wel onderzoeken of er sprake is van een situatie waarbij de algemeen gebruikelijke voorziening, gelet op de specifieke behoeften en persoonskenmerken van de aanvrager, toch verstrekt moet worden (hier kan eventueel het geldloket voor geconsulteerd worden). Indien een algemeen gebruikelijke voorziening met aanpassingen een adequate oplossing biedt voor een probleem komen, in overeenstemming met een uitspraak van de CRvB, komt alleen de aanpassingen in aanmerking voor vergoeding. 2.2.5.Sportvoorziening Sporten kan een belangrijk middel tot meedoen in de samenleving zijn. Wanneer het voor de inwoner zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te doen, sport voor deze inwoner een belangrijke vorm van maatschappelijke participatie is en de kosten hiervoor veel hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport-, kan er een vergoeding voor een sportvoorziening worden gegeven. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. Eerdere regelgeving Wmo en jurisprudentie laat zien dat het redelijk is om maximaal eens per drie jaar hiervoor een vergoeding te verstrekken. De inwoner moet dan actief lid zijn van een sportvereniging of op een andere manier kunnen laten zien dat er sprake is van actieve sportbeoefening. De gemeente Meppel is aangesloten bij ‘Uniek Sporten’ voor informatie, advies, en het uitlenen van een sporthulpmiddel www.unieksporten.nl . De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bovendien kost sporten zonder beperking ook geld dus mag van de aanvrager zelf ook worden verwacht dat hij een deel van de kosten draagt. De vergoeding voor een sportvoorziening is daarom de meerkosten van een voorziening die de valide sporters niet hebben. Sportrolstoel Voor een sportrolstoel wordt eerst gekeken of dit kan worden vergoed via www.unieksporten.nl. Om in aanmerking te komen voor een sportrolstoel moet aan de volgende voorwaarden voldaan worden: De inwoner wil een sport gaan beoefenen of doet aantoonbaar aan een bepaalde sport; De inwoner is zonder sportrolstoel niet in staat tot uitoefening van die sport; De inwoner ontmoet door de sport andere mensen en kan daardoor zijn sociale kring uitbreiden. 2.2.6.De omgeving en eigen kracht als wegingsfactor Eigen kracht Eigen kracht: het vermogen van de inwoner om zelf tot verbetering van zijn/haar zelfredzaamheid te komen door actief het eigen netwerk te benutten en in te zetten. In het onderzoek wordt aandacht besteed in hoeverre de inwoner zijn ‘eigen kracht’ kan inzetten voor verbetering van de situatie: door gebruik te maken van zijn eigen kracht; met gebruikelijke hulp van huisgenoten; met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk; door gebruik te maken van algemene voorzieningen en/of voorzieningen vanuit de sociale basis; door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Feitelijk eigen kracht Uit het onderzoek kan blijken dat de cliënt de huishoudelijke taken verdeeld over de week in rustig tempo zelf kan (leren) uitvoeren (bijv. CRvB:2022:308, CRvB:2018:2272). De cliënt heeft in dat geval geen tekort in diens zelfredzaamheid of participatie. Om dat vast te stellen kan een deskundigenadvies nodig zijn, zie o.a. het onderdeel ‘Gebruik maken van ergotherapie’ in onderhavige beleidsregels. De fysieke en sociale omgeving De fysieke- en sociale omgeving zijn van invloed op de zorgbehoefte van de inwoner. Huisgenoten, andere naasten en verwanten van de inwoner kunnen zowel in positieve als in negatieve zin de zorgbehoefte beïnvloeden. Zij kunnen zelf zorg behoeven zoals kleine kinderen, een gehandicapt huisgenoot/familielid, zij kunnen ook verlichting geven en bijdragen aan te verrichten taken. In het gesprek over de zelfredzaamheid, eigen kracht en participatie zal altijd de fysieke en sociale omgeving van de inwoner meegenomen worden in de afweging. In geval er voor de inwoners mantelzorg(-ers) zijn, kan een deel van de zorg buiten het maatwerk blijven omdat daar geen ondersteuning vanuit de Wmo voor ingezet hoeft te worden. De mantelzorger voorziet al in die hulp en dit weegt mee in het te nemen besluit. Welke zorg de mantelzorger op zich neemt en in welke omvang is in overleg met de inwoner, uitsluitend aan de mantelzorger zelf om te bepalen. Het meewegen van de mantelzorg betekent ook dat de gemeente nagaat of voor een deel van de mantelzorg alsnog ondersteuning vanuit de Wmo geïndiceerd moet worden. Dit ter ondersteuning van de mantelzorger zodat die (regelmatig) tijdelijk ontlast wordt. 2.2.7.Goedkoopst adequaat maatwerk De verstrekking is altijd gebaseerd op het goedkoopst adequate maatwerk. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopste is. Als de inwoner duurder maatwerk wil (dat eveneens adequaat is) komen de meerkosten voor rekening van de inwoner. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een persoonsgebonden budget (PGB) gebaseerd op het goedkoopste maatwerk. 2.2.8.Maatwerkvoorzieningen De Wmo is een maatwerkwet. Dat houdt in dat op individueel niveau wordt vastgesteld of ondersteuning noodzakelijk is. Er bestaat geen categoriaal recht op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo zelf. 2.2.9.Huishoudelijke ondersteuning Met de komst van de Wmo 2015 wordt van gemeenten verwacht: “Het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving.” Het kabinet omschrijft de ondersteuning vervolgens als het voeren van een gestructureerd huishouden”. In de Wmo 2015 staat centraal dat de inwoner in staat is te participeren in de samenleving en daarbij zo veel mogelijk zelfredzaam zijn. Een gestructureerd huishouden is een middel om dat te kunnen realiseren. Aanvragen voor kortdurende huishoudelijke ondersteuning na opname verloopt vaak via de transfer-verpleegkundigen in het ziekenhuis. Indien de inwoner een aanvullende zorgverzekering heeft waarin een vergoeding voor kortdurende huishoudelijke ondersteuning is opgenomen, is dit voorliggend op de inzet van maatwerk vanuit de Wmo . Pas ná de periode waarin de zorgverzekering de inzet van kortdurende huishoudelijke ondersteuning vergoedt, kan maatwerk vanuit de Wmo ingezet worden. 2.2.9.1.Normenkader Bij huishoudelijke ondersteuning wordt de omvang van de maatwerkvoorziening bepaald met behulp van Het Normenkader Huishoudelijke ondersteuning, uitgebracht door bureau HHM (kenmerk MW/25/0050 | januari 2025). https://www.hhm.nl/wp-content/uploads/MW250050-Normenkader-Huishoudelijke-Ondersteuning-2025-bureau-HHM.pdf In het Normenkader worden zes resultaten benoemd die deel kunnen uitmaken van de ondersteuning bij het huishouden die een inwoner van een gemeente krijgt als deze dit niet op eigen kracht of met behulp van het netwerk kan verzorgen: Schoon en leefbaar huis; Wasverzorging; Boodschappen; Maaltijden; Kindzorg; Regie/organisatie en advies/instructie/voorlichting. 2.2.9.2Gebruikelijke ondersteuning Gebruikelijke ondersteuning is de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar geven. Er is dan geen sprake van overbelasting in welke vorm dan ook. Iedere volwassene wordt geacht ook naast een drukke baan of gezin een huishouden te voeren. Jongvolwassenen in de leeftijd van 18 tot 23 jaar worden geacht een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt iemand geacht een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Van kinderen in de leeftijd tussen 12 en 18 jaar wordt verwacht dat zij hun eigen kamer schoonhouden en een bijdrage leveren in bepaalde taken, zoals tafel afruimen, afwassen, kleding in de wasmand doen, kleine boodschappen doen etc. 2.2.9.3.Schoon en leefbaar huis Een ieder kan wonen in een huis dat schoon en leefbaar is. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen; men moet gebruik kunnen maken elementaire woonruimten (woonkamer, keuken, toilet, badkamer, gang/trap, en gebruikte slaapkamers). Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt hier geen onderdeel van uit. Leefbaar staat voor: opgeruimd, functioneel en veilig, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. 2.2.9.4.Begeleidende ondersteuning De leefwereld van de inwoner zetten we centraal. Daarbij gaat het om perspectief op zelfredzaamheid en (weer) meedoen in de samenleving. Ook de rol van de mantelzorger wordt hierin betrokken. Voor het beoordelen van de hulpvraag blijven we uitgaan van: Wat kan de inwoner zelf – wat kan de omgeving van de inwoner betekenen – wat zijn passende voorzieningen in de sociale basis – welke aanvullende ondersteuning is nodig en het normenkader uitgebracht door bureau HHM. Het normenkader is opgenomen in bijlage
- Begeleidende ondersteuning via een maatwerkvoorziening is gericht op het bevorderen en/of behouden van de zelfredzaamheid en participatie of ter voorkoming van een opname of verwaarlozing van de inwoner. De begeleiding kan onderverdeeld worden in: Individuele begeleiding basis De ondersteuning is ontwikkelgericht of behoud-gericht. Bij ontwikkelgerichte ondersteuning gaat het om inzet op toezien, stimuleren en aanleren. De ondersteuning is overwegend planbaar. Doel van de ondersteuning is een verbetering van de situatie van de inwoner, zodat hij beter in staat is om zelfstandig problemen op te lossen. Dit kan door het aangeleerde in de praktijk te brengen. Met de inzet van deze ondersteuning ontwikkelt de inwoner zich naar een situatie waarin hij minder begeleiding nodig heeft of zelfs naar zelfstandigheid waarbij helemaal geen geïndiceerde ondersteuning meer nodig is. Bij behoud-gerichte ondersteuning gaat het om inzet op toezien, onderhouden en behouden. De ondersteuning is planbaar, de inwoner is meestal in staat zijn begeleidingsvraag uit te stellen. Doel van de ondersteuning is het stabiel houden van de situatie van de inwoner. Het gaat om het samen oppakken van zaken en het observeren en signaleren om escalatie van problemen of verdere achteruitgang te voorkomen. Kenmerken De inwoner heeft een lichte tot matige problematiek, op één of beperkt aantal leefgebieden. Dit betreft laag tot gemiddeld complexe problematiek, maar kan fluctuerend van aard zijn en acute perioden kennen. Een aantal kenmerken van de inwoner in het algemeen zijn: Meewerkend; Afspraaktrouw; Belastbaar of minimale beperking in de belastbaarheid; Gemotiveerd; Redelijk tot vrij hoge mate van zelfredzaamheid; Zicht op eigen problematiek en herkent meestal wanneer het nodig is om hulp te vragen. Individuele begeleiding plus De ondersteuning is ontwikkelgericht of behoud-gericht. Bij ontwikkelgerichte ondersteuning gaat het om inzet op toezien, stimuleren, aanleren en soms overname van taken. De ondersteuning is niet altijd planbaar, omdat de begeleidingsvraag niet altijd uitgesteld kan worden. Doel van de ondersteuning is een verbetering van de situatie van de inwoner, zodat hij beter in staat is om zelfstandig problemen op te lossen. Dit kan door het aangeleerde in de praktijk te brengen. Met de inzet van deze ondersteuning ontwikkelt de inwoner zich naar een situatie waarin hij minder begeleiding nodig heeft, er minder risico is op acute problematiek of dat kan worden afgeschaald naar een indicatie individuele begeleiding basis. Bij behoud-gerichte ondersteuning gaat het om inzet op toezien, onderhouden, behouden en soms overname van taken. De ondersteuning is niet altijd planbaar, omdat de begeleidingsvraag niet altijd uitgesteld kan worden. Doel van de ondersteuning is het stabiel houden van de situatie van de inwoner. Het lukt vaak niet of heel langzaam om te ontwikkelen naar een hogere mate van zelfstandigheid, de ondersteuning is primair gericht op het behouden of stabiliseren van de situatie. Het gaat om het samen oppakken van zaken en het observeren en signaleren om escalatie van problemen of verdere achteruitgang te voorkomen. Kenmerken De inwoner heeft matige tot zware problematiek, op meerdere leefgebieden. Het betreft vaak complexe problematiek, maar kan fluctuerend van aard zijn en acute perioden kennen. Een aantal kenmerken van de inwoner in het algemeen zijn: Beperkt belastbaar; Neutraal gemotiveerd; Risico tot zorgmijdend gedrag; Verminderde zelfredzaamheid; Beperkt tot geen inzicht in eigen problematiek en herkent meestal niet wanneer het nodig is om hulp te vragen. De problematiek van de inwoner zal bij behoudgerichte ondersteuning altijd aanwezig zijn. Bij de ontwikkelgerichte ondersteuning is de inwoner leerbaar en kan de problematiek afnemen. Begeleiding in groepsverband is voorliggend aan individuele begeleiding als hetzelfde doel wordt beoogd. 2.2.9.5Dagbesteding Binnen de dagbesteding valt een product Basis en Plus. Het onderscheid is gemaakt in de complexiteit van de hulpvraag en/of situatie. Het onderscheid tussen ontwikkelgericht en behoudgericht wordt vervolgens gehanteerd bij de indicatiestelling en het opstellen en evalueren van de doelen. Dagbesteding basis De dagbesteding is ontwikkelgericht of behoud-gericht. Bij behoud-gerichte dagbesteding heeft de inwoner behoefte aan dagbesteding, gericht op ondersteunen en behoud van vaardigheden. De ondersteuning gebeurt door de medewerkers via mondelinge instructie. De inwoner heeft behoefte aan een zinvolle daginvulling. Doel van de ondersteuning is de mantelzorg en het steunsysteem van de inwoner ontlasten, waardoor de woonsituatie van de inwoner in stand kan worden gehouden. Bij de dagbesteding wordt de inwoner lichamelijk en geestelijk gestimuleerd en geactiveerd, met als doel de vaardigheden van de inwoner te behouden. De ondersteuning binnen de dagbesteding is groepsgericht, maar er wordt rekening gehouden met de ondersteuning die iedere individuele inwoner nodig heeft. Bij ontwikkelgerichte dagbesteding heeft de inwoner behoefte aan dagbesteding, gericht op doorgroei naar een hoger niveau van functioneren. De dagbesteding is gericht op het oefenen met activiteiten, waardoor de inwoner (nieuwe) vaardigheden kan ontwikkelen. Ook kan de inwoner worden aangeleerd hoe hij kan omgaan met beperking(en). Binnen de ontwikkelgerichte dagbesteding wordt geen therapie gegeven, er is dan ook geen sprake van behandeling binnen de dagbesteding. De inwoner heeft behoefte aan positieve ervaringen en zo mogelijk afwisseling. Bij elke inwoner worden individuele doelen opgesteld en besproken hoe de resultaten behaald gaan worden. Voor de inwoner is een groepsdynamiek van belang om de resultaten te behalen. De dagbesteding kan ook als bijkomstig doel hebben om de woonsituatie van de inwoner in stand te houden waardoor de mantelzorg en het steunsysteem van de inwoner wordt ontlast. Kenmerken Bij behoudgerichte dagbesteding is de inwoner laag tot goed belastbaar en heeft door de beperking of aandoening weinig lerend vermogen en vaak weinig zelfinzicht. De inwoner heeft laag tot normale motivatie. Er is meestal sprake van stabiele problematiek bij de inwoner, deze kan eventueel fluctuerend zijn. De verwachting ten aanzien van de situatie van de inwoner is meestal dat deze geleidelijk achteruitgaat. Voor een deel van de inwoners blijft de situatie langere tijd gelijk. De draagkracht van de mantelzorg of het steunsysteem is laag of normaal. Als de inwoner hulp nodig heeft bij persoonlijke verzorging, ligt deze handeling in het verlengde van de begeleiding. Bij ontwikkelgerichte dagbesteding is de inwoner laag tot goed belastbaar. In relatie tot de beperking of aandoening kan sprake zijn van een normaal tot goed lerend vermogen, zelfinzicht, ambitie en motivatie. Door deze eigenschappen is de inwoner in staat ontwikkelgerichte dagbesteding te volgen, waardoor hij stappen in de ontwikkeling kan maken. Er is meestal sprake van stabiele problematiek bij de inwoner, deze kan eventueel fluctuerend zijn. De verwachting ten aanzien van de situatie van de inwoner is dat deze kan verbeteren. De draagkracht van de mantelzorg of het steunsysteem is laag, normaal of goed. Complexiteit van de problematiek Deze doelgroep kenmerkt zich door lichte tot matige problematiek, op één of een beperkt aantal leefgebieden. De complexiteit van de problematiek is laag of gemiddeld. Dagbesteding basis plus De dagbesteding is ontwikkelgericht of behoud-gericht. Bij behoud-gerichte dagbesteding heeft de inwoner behoefte aan dagbesteding, gericht op ondersteunen en behoud van vaardigheden. De ondersteuning gebeurt door de medewerkers via mondelinge instructie. De inwoner heeft behoefte aan een zinvolle daginvulling. Doel van de ondersteuning is de mantelzorg en het steunsysteem van de inwoner ontlasten, waardoor de woonsituatie van de inwoner in stand kan worden gehouden. Bij de dagbesteding wordt de inwoner lichamelijk en geestelijk gestimuleerd en geactiveerd, met als doel de vaardigheden van de inwoner te behouden. De ondersteuning binnen de dagbesteding is groepsgericht, maar er wordt rekening gehouden met de ondersteuning die iedere individuele inwoner nodig heeft. Bij ontwikkelgerichte dagbesteding heeft de inwoner behoefte aan dagbesteding, gericht op doorgroei naar een hoger niveau van functioneren. De dagbesteding is gericht op het oefenen met activiteiten, waardoor de inwoner (nieuwe) vaardigheden kan ontwikkelen. Ook kan de inwoner worden aangeleerd hoe hij kan omgaan met beperking(en). Binnen de ontwikkelgerichte dagbesteding wordt geen therapie gegeven, er is dan ook geen sprake van behandeling binnen de dagbesteding. De inwoner heeft behoefte aan positieve ervaringen en zo mogelijk afwisseling. Bij elke inwoner worden individuele doelen opgesteld en besproken hoe de resultaten behaald gaan worden. Voor de inwoner is een groepsdynamiek van belang om de resultaten te behalen. De dagbesteding kan ook als bijkomstig doel hebben om de woonsituatie van de inwoner in stand te houden waardoor de mantelzorg en het steunsysteem van de inwoner wordt ontlast. Kenmerken Bij behoud-gerichte dagbesteding is de inwoner laag tot goed belastbaar en heeft door de beperking of aandoening weinig lerend vermogen en vaak weinig zelfinzicht. De inwoner heeft laag tot normale motivatie. Er is meestal sprake van stabiele problematiek bij de inwoner, deze kan eventueel fluctuerend zijn. De verwachting ten aanzien van de situatie van de inwoner is meestal dat deze geleidelijk achteruitgaat. Voor een deel van de inwoners blijft de situatie langere tijd gelijk. De draagkracht van de mantelzorg of het steunsysteem is laag of normaal. Bij ontwikkelgerichte dagbesteding is de inwoner laag tot goed belastbaar. In relatie tot de beperking of aandoening kan sprake zijn van een normaal tot goed lerend vermogen, zelfinzicht, ambitie en motivatie. Door deze eigenschappen is de inwoner in staat ontwikkelgerichte dagbesteding te volgen, waardoor hij stappen in de ontwikkeling kan maken. Er is meestal sprake van stabiele problematiek bij de inwoner, deze kan eventueel fluctuerend zijn. De verwachting ten aanzien van de situatie van de inwoner is dat deze kan verbeteren. De draagkracht van de mantelzorg of het steunsysteem is laag, normaal of goed. Als de inwoner hulp nodig heeft bij persoonlijke verzorging, ligt deze handeling in het verlengde van de begeleiding. Complexiteit van de problematiek Deze doelgroep kenmerkt zich door matige tot zware problematiek op meerdere leefgebieden. De complexiteit van de problematiek is hoog. Er kan meer individuele aandacht nodig zijn bij het reguleren van emoties of probleemgedrag. 2.2.9.6Vervoer naar dagbesteding Als de inwoner in aanmerking komt voor dagbesteding, zal ook worden onderzocht of de inwoner in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Allereerst zal gekeken worden of er een geschikte dagbesteding in de buurt van de inwoner is om de reisafstand en reistijd te beperken. Dit heeft de voorkeur. Als dichtbij niet kan, dan is de inzet van dagbesteding op verdere afstand gerechtvaardigd. Wanneer de inwoner in staat is zelfstandig of met hulp van het netwerk op de dagbesteding te komen dan is dat uiteraard voorliggend. Indien dit niet mogelijk is wordt er een indicatie voor vervoer afgegeven. Hierbij wordt er een onderscheid gemaakt tussen regulier vervoer en rolstoelvervoer. Indien een aanbieder zich in heeft geschreven voor dagbesteding dient hij het geïndiceerde vervoer van en naar de locatie te verzorgen. De aanbieder is verantwoordelijk voor het inregelen van het vervoer. Of dit een eigen inspanning is of een samenwerking met bijvoorbeeld een vrijwilligersorganisatie of een andere zorgaanbieder, is aan de betreffende aanbieder. De aanbieder mag meerdere deelnemers vervoeren per rit, waarbij de totale reis voor de inwoner niet langer mag duren dan 60 minuten. Uiteraard moet dit wel passend zijn bij de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en mogen kosten voor het vervoer in geen geval belegd worden bij de inwoner. De reistijd maakt geen onderdeel uit van de dagbesteding en wordt dus niet meegerekend qua tijdsinzet. De bekostiging vindt plaats op basis van een vast tarief per inwoner per dag. Voor regulier vervoer en rolstoelvervoer wordt gebruik gemaakt van een staffel. Tarief enkele reis tot en met 10 kilometer Tarief enkele reis vanaf 11 kilometer tot en met 30 kilometer Tarief enkele reis vanaf 31 kilometer tot en 50 kilometer Tarief enkele reis vanaf 51 kilometer of meer Het aantal kilometers wordt berekend vanaf het woonadres van de inwoner naar de locatie van de dagbesteding via Routeplanner ANWB. Hierbij wordt uitgegaan van de kortste route en het afkappingsprincipe (10,5 of meer tot 10,9 wordt 10). 2.2.10Respijtzorg Respijtzorg kan diverse vormen aannemen, zolang de zorg uiteindelijk resulteert in een tijdelijke ontlasting van de mantelzorger. Zo kan respijtzorg een indirect gevolg zijn doordat voorzieningen die worden aangeboden aan de zorgvrager (bijvoorbeeld dagbesteding) ervoor zorgen dat de mantelzorger vrijaf heeft. Respijtzorg kan echter ook het directe doel zijn. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer een vrijwilliger een aantal taken overneemt zodat de mantelzorger vrijaf heeft of wanneer kortdurend verblijf wordt geïndiceerd. 2.2.10.1Kortdurend verblijf Om mantelzorgers te ontlasten kan de zorgbehoevende inwoner kortdurend logeren in een instelling. Er kan sprake zijn van zowel een planbare tijdelijke afwezigheid van de mantelzorger als een niet planbare tijdelijke afwezigheid van de mantelzorger. De aanbieder zorgt bij kortdurend verblijf voor opvang, maar ook het eventueel benodigde toezicht en begeleiding. Eveneens vallen hieronder de maaltijden en het drinken. Dit verblijf kan gecombineerd worden met huisartsgeneeskundige of verpleegkundige zorg vanuit de Zvw. Als het kortdurend verblijf op het laatste moment, maximaal 48 uur van tevoren, wordt geannuleerd (vanuit de zijde van de inwoner/mantelzorger), dan kan de gemeente de gederfde inkomsten tot 75% van het vastgestelde bedrag tot maximaal 3 etmalen vergoeden aan de aanbieder. Wordt de annulering eerder gedaan dan 48 uur vooral dan zijn gederfde inkomsten voor rekening van de aanbieder. Bij de indicatiestelling zal de inwoner/mantelzorger erop worden gewezen dat er niet zomaar geannuleerd kan en mag worden. 2.2.11Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang Beschermd wonen is een onderdeel van de zorgplicht van de gemeente op grond van de Wmo. Beschermd wonen is bedoeld voor mensen vanaf 18 jaar met (langdurige) psychiatrische problematiek. Het gaat dan om mensen die (nog) niet geheel zelfstandig kunnen wonen en functioneren binnen de samenleving (Artikel 1.1.
- Wmo 2015). Beschermd wonen biedt een combinatie van wonen met toezicht en begeleiding. De begeleiding en het toezicht in beschermd wonen is gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en weer meedoen in de maatschappij. De inwoners krijgen 24 uursbegeleiding bij het brengen van structuur in hun dagelijks leven, ondersteuning bij regelzaken en geldbeheer en bij het vinden van een passende dagbesteding. Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang wordt deels uitgevoerd door de centrumgemeente Assen. De intake en de herbeoordelingen worden door de gemeente Meppel uitgevoerd. In regionaal verband zijn afspraken vastgelegd in een Convenant Beschermd Wonen en Begeleiding en Maatschappelijke opvang 2026-2030, regio Assen. Hierin zijn afspraken vastgelegd over de indicatiecriteria, taken, rollen en verantwoordelijkheden en financiering. Vanaf 1 januari 2026 zijn de volgende mogelijkheden van beschermd wonen van toepassing. Begeleid wonen toezicht Begeleid wonen nabij Begeleid kamer wonen Thuis-wonen licht Thuis-wonen intensief Voor het afwegingskader en verdere uitwerking zie: ondersteuning en jeugdhulp gemeente Assen. 2.2.12Spoedzorg Er is sprake van spoedzorg of spoedopvang als: de inwoner zelfstandig woont en plotseling (medische) zorg of opvang nodig heeft en de situatie binnen een of twee dagen onhoudbaar zal zijn; de inwoner na een ziekenhuisopname uit het ziekenhuis mag, maar nog niet naar huis kan. Het gaat hier niet om medische spoedhulp van de spoedeisende hulp in het ziekenhuis of de huisartsenpost. In een 'maatschappelijke' crisissituatie zorgt de gemeente voor tijdelijk onderdak en/of begeleiding. Voorbeelden zijn: Iemand met autisme of met een verstandelijke beperking raakt volledig van slag door een ingrijpende gebeurtenis in zijn leven, en kan tijdelijk niet thuis blijven wonen. Mensen die hun huis ontvluchten vanwege huiselijk geweld. Ouderen die na een ziekenhuisopname om praktische redenen nog niet naar huis kunnen, bijvoorbeeld als de woning eerst aangepast moet worden. De opvang is dan niet om gezondheidsredenen nodig. Als de mantelzorger plotseling niet meer beschikbaar is. In een crisissituatie moet de gemeente direct een tijdelijke voorziening regelen, zonder te wachten op de uitkomst van het onderzoek. Dit is geregeld in de Wmo 2015, Artikel 2.3.
- 2.2.13Crisisopname personen met een verstandelijke beperking Vanwege een hiaat in de wet zijn gemeenten op basis van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor de crisisopname van inwoners met een verstandelijke beperking (VB) die niet onder de Wlz of Zvw vallen. Hierover zijn op Drents niveau afspraken gemaakt met het Centrum Verstandelijke Beperking en Psychiatrie te Assen. Naast de opvang zijn ook afspraken gemaakt over de inzet van een crisisregisseur voor het regelen van de toegang tot de crisisopname. Er is een mandaat verstrekt aan de crisisregisseur die daarmee kan bepalen of er sprake is van een crisis en het inzetten van een opname. De kosten worden op basis van inwoneraantal per gemeente verdeeld. De regisseur heeft de opdracht om te sturen op het voorkomen van opname en het inzetten van voorliggende voorzieningen waar nodig. Ook heeft de regisseur de opdracht om de opname zo kort mogelijk te laten duren en de uitstroom te bevorderen. Bij plaatsing in de crisisopname wordt altijd een Wlz-indicatie aangevraagd voor de cliënt. Belangrijk bij het aanvragen van een Wlz-indicatie is de volledigheid van het dossier. 2.2.14Maatwerkvoorziening in de woning Onder maatwerk in en voor de woning wordt verstaan: maatwerk dat verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een persoon met beperkingen bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt. Bij ingrepen van bouwkundige- of woon-technische aard in of aan de woonruimte wordt maatwerk toegekend als dit gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen of het een uitraasruimte betreft. Een woonruimte is: een woning, met uitzondering van kamers die zelfstandig verhuurd worden; een woonwagen op een standplaats als bedoeld in de Woning- en Huisvestingswet; een woonschip op een ligplaats: zijnde een woonschip en een ligplaats als bedoeld in de Huisvestingswet; een verblijf in een binnenschip. 2.2.15.1Primaat van verhuizen Omdat het college de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Dat is het geval bij een aanvraag om een woningaanpassing en/of een traplift. Het college neemt de volgende kosten in ieder geval mee in de overwegingen: het kostenverschil tussen de woningaanpassing en/of een traplift en de tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten. de huidige en voorzienbare aanpassingskosten en/of traplift van de reeds bewoonde woning; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning. Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die toch gaat verhuizen, wordt geen financiële tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt. Ad. a. Het kostenverschil tussen bijvoorbeeld de woningaanpassing en de tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten is van belang om te het primaat van de verhuizen toe te kunnen passen. Dat wil zeggen als deze tegemoetkoming goedkoper en ook adequaat is. Dat de cliënt graag in zijn huidige woning wil blijven wonen maakt, hoe begrijpelijk die wens ook kan zijn, niet dat het college, een gevraagde woningaanpassing moet verstrekken (bijv. CRvB:2022:477). Dit mede gelet op het kostenverschil. Een aanzienlijk kostenverschil is in ieder geval een bedrag € 8.000,00 (CRvB:2018:2602). Het spreekt voor zich dat er binnen een medisch aanvaardbare termijn wel een geschikte woning beschikbaar moet zijn. Ad b. Het kan voorkomen dat de cliënt op het moment van de beslissing op de aanvraag een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen, voor de hand ligt dat er op termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Zeker wanneer aannemelijk is dat hier hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zelfs niet meer geschikt zal zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal mede aan de hand van medisch advies moeten beoordelen of de toe te kennen woningaanpassing en/of traplift, in samenhang met de volgende voorzienbare maatwerkvoorziening, wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Wat onder langdurig wordt verstaan laat zich niet makkelijk vertalen in tijd. Ingeval van woonvoorzieningen die niet zijn terug te draaien zonder hoge kosten, meestal een woningaanpassing, moet sprake zijn van langdurige beperkingen. Ad. c Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat in de nieuwe beschikbare en op dat moment meest geschikte woning ook weer een aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Verder kan ook de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning. 2.2.15.1Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen. Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn: Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie. Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen de cliënt over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner. Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd (zie verder hierna). Woonlastenconsequenties woning Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend: Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten), Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, Opstalverzekering. Restschuld Toepassing van het primaat van verhuizen is niet toegestaan als de cliënt en/of de inwonende partner netto hogere woonlasten krijgt die het gevolg zijn van: De aflossing van de restschuld vanwege de verkoop van de oude woning. Het wegvallen van huurtoeslag naar aanleiding van de verhuizing naar een woning met een huur die boven de huurgrens ligt. Het college boordeelt of daar sprake van is. 2.2.15.2Afwijzingsgronden maatwerk in de woning Er zijn meerdere gronden waarop een aanvraag voor maatwerk in de woning kan worden afgewezen, naast de algemene afwijzingsgronden. Deze afwijzingsgronden zijn de volgende: De noodzaak tot het treffen van maatwerk in de woning is het gevolg van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke medische reden was; De aanvrager is niet verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; Het maatwerk in de woning wordt aangevraagd op het moment dat het noodzakelijk is vanwege de beperkingen van de cliënt. Voorzienbaarheid van de situatie is op zich geen reden voor afwijzing, tenzij de cliënt bewust een woning heeft gekozen of behouden die niet adequaat is afgestemd op de (verwachte) beperkingen. Ergonomische belemmeringen in de woning vormen geen aanleiding voor een maatwerkvoorziening als deze het gevolg zijn van bewust nagelaten onderhoud door de huurder. Bij huurwoningen wordt de verhuurder betrokken; indien de huurder bewust geen onderhoud uitvoerde om extra kosten te vermijden, wordt dit meegenomen in de afwijzing. De aanvrager: is verhuisd vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; is verhuisd naar een Wlz-instelling of een andere instelling gericht op zorg, of heeft in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning ondervonden. De aanvrager bewoont zijn huidige woonruimte zonder recht of titel; De woonruimte is niet bestemd voor permanente bewoning; Er wordt geen maatwerk voor de woning verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen of voorzieningen die in dergelijke gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen; 2.2.15.3Nieuwbouw (meerkosten aanpasbaar bouwen) Het is mogelijk dat bij het bouwen van een woning rekening wordt gehouden met “aangepast” bouwen bijvoorbeeld al een slaapkamer op de begane grond. Ook kan worden gekozen voor het bouwen van een nieuwe woning omdat adequaat functioneren in de oude woning niet meer mogelijk is. In sommige gevallen kost het aanpasbaar of aangepast bouwen meer dan het bouwen van een 'reguliere' woning. Deze meerkosten kunnen in aanmerking komen voor vergoeding indien: de aanpassingen nog niet gebouwd of aangebracht zijn; de aanpassingen door de medisch adviseur geïndiceerd zijn; het daadwerkelijk om méérkosten gaat; het aanpassingen betreft die nu of binnen één jaar noodzakelijk zijn. Dus er wordt geen Wmo-vergoeding gegeven als iemand uit voorzorg een huis ‘aanpasbaar’ bouwt; de aanpassingen of nieuwbouw de adequate oplossing biedt die niet duurder is dan nodig voor het opheffen of verminderen van de belemmeringen die de inwoner ondervindt. 2.2.15.4Kosten voor maatwerk in de woning De volgende kosten kunnen bij maatwerk in de woning in aanmerking worden genomen op basis van de tariefstelling van Casadata: de aanneemsom(men), hierin begrepen de loon- en materiaalkosten voor het treffen van de aanpassing; de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1988 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de aanpassing moet worden ingeschakeld, worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal ingrijpende aanpassingen aan de woning; de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is tot een maximum van 2% van de aanneemsom; de leges voor de bouwvergunningen, voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de aanpassing; de verschuldigde en niet-verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; renteverlies in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; de prijs van bouwrijpe grond indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel kan worden gebouwd; de door de gemeente, schriftelijk, goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; noodzakelijke constructeurskosten en adviseurskosten; de kosten van (her)aansluiting op de openbare nutsvoorziening. 2.2.15.5Maatwerk verhuiskosten Als iemand zich meldt met het verzoek voor maatwerk in de woning moet de vraag zijn: wat is het probleem, hoe kan het probleem opgelost worden en wat kan de inwoner zelf doen om dat voor elkaar te krijgen? Als de beste oplossing is verhuizen, maar de inwoner kan de verhuizing niet bekostigen, dan kan er voor de verhuiskosten maatwerk worden geleverd. Er moet inzicht zijn in de verhuiskosten. Geen woning / huishouden is immers precies hetzelfde. Bij het bepalen van de verhuiskosten spelen de volgende zaken een rol: Het aantal spullen dat verhuisd moet worden; De afstand naar de nieuwe woning; Montage en/of demontage werkzaamheden; Noodzakelijkheid van een verhuislift. Zowel voor het verstrekken van dit maatwerk in natura, als het bepalen van de PGB of eenmalige financiële vergoeding worden verschillende offertes opgevraagd. 2.2.15.6Voorwaarden woningsanering Om in aanmerking te komen voor woningsanering moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: de noodzaak tot woningsanering, vanwege klachten als COPD en / of Astma in verband met een allergie voor huisstof of huisstofmijt, is vastgesteld; bij de aanschaf van de huidige vloer- en raambedekking was geen sprake van een toekomstige noodzaak tot woningsanering; de woning is niet eerder gesaneerd op grond van de Wmo of andere wet- en regelgeving; de woningsanering is aangevraagd binnen één jaar nadat voor de eerste maal een allergie voor huisstof of huisstofmijt is vastgesteld; er is sprake van een acute noodsituatie van de woningsanering, met een daarbij behorende afschrijvingstermijn; bij de aanschaf van nieuwe materialen is het van belang dat deze adequaat zijn en niet duurder dan strikt noodzakelijk met name in relatie tot het ziektebeeld van belanghebbende; bij verhuizing wordt geen vergoeding voor woningsanering gegeven omdat bij verhuizing de woning opnieuw wordt ingericht. Dit is algemeen gebruikelijk. Bij de inrichting kan rekening gehouden worden met de medisch noodzakelijke inrichting; vervanging van de bedekking geldt voor de woonkamer en de kamer van de betrokkene; alleen indien daartoe in de medische rapportage van een CARA verpleegkundige, een expliciete noodzaak voor wordt aangegeven kunnen ook andere ruimte voor aanpassing in aanmerking komen. De hoogte van de vergoeding Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding van vloer- en raambedekking wordt de norm van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) aangehouden. Als prijzen hierin niet voorkomen dan wordt een marktconforme prijs gehanteerd. Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat dit noodzakelijk is vanwege de beperking van de cliënt. Hierbij wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt rekening gehouden met de verlopen afschrijvingsperiode. De vergoeding bedraagt een percentage van de kosten, afhankelijk van de afschrijvingsperiode: 100% als het artikel nieuwer is dan twee jaar; 75% als het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; 50% als het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; 25% als het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. Na acht jaar wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt, omdat raam- en vloerbedekking na deze periode als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd. Indien de inwoner een minimuminkomen heeft, wordt verwezen naar de mogelijkheid van bijzondere bijstand. 2.2.15.7Terugbetaling bij verkoop, anti-speculatiebeding De eigenaar / bewoner, die maatwerk in de woning heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, zoals bedoeld in artikel 2.18.1 van de Verordening, en die binnen een periode van tien jaar na de datum van gereed melding van de werkzaamheden de woning verkoopt, is gehouden om binnen een week na het passeren van de akte het college hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De meerwaarde die door het treffen van de voorziening is ontstaan zal worden teruggevorderd. Van de waardestijging wordt teruggevorderd: 100% bij verkoop binnen 1 jaar na aanpassing; 90% bij verkoop binnen 2 jaar na aanpassing; 80% bij verkoop binnen 3 jaar na aanpassing; 70% bij verkoop binnen 4 jaar na aanpassing; 60% bij verkoop binnen 5 jaar na aanpassing; 50% bij verkoop binnen 6 jaar na aanpassing; 40% bij verkoop binnen 7 jaar na aanpassing; Bij verschil van mening tussen de gemeente en de woningeigenaar over de juiste vaststelling van de meerwaarde, wordt door de gemeente en de woningeigenaar een objectieve externe deskundige aangewezen die daarover een rapport opstelt. De kosten van het onderzoek worden verdeeld tussen de gemeente en de woningeigenaar. 2.2.16Maatwerkvoorziening vervoer De Wmo heeft tot doel om cliënten te laten participeren in de samenleving. In het kader van participatie en zelfredzaamheid van cliënten speelt het vervoer een belangrijke rol. Voor het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer en voor het verrichten van algemeen dagelijkse levensverrichtingen zijn vaak verplaatsingen op de korte, maar ook op de langere afstanden noodzakelijk. Vervoer wordt als zodanig nadrukkelijk genoemd in artikel 1.1.1 van de Wmo
- Vervoer draagt bij aan het zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen in de eigen omgeving. Het resultaat van een eventuele maatwerkvoorziening is dat een cliënt voldoende zelfredzaam is en in staat is te participeren. 2.2.16.1Voorwaarden om je lokaal te kunnen verplaatsen per vervoermiddel Om in aanmerking te komen voor maatwerk in het vervoer moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: Er kan geen gebruik worden gemaakt van het reguliere openbaar vervoer, stadsbus, HUB, etc.; Er is geen andere adequate voorziening mogelijk die minder duur is; Er is geen voorliggende voorziening beschikbaar (vergoeding via werkgever of ziektekostenverzekering). 2.2.16.2Vervoersbehoefte De afweging of algemene voorzieningen zoals het openbaar vervoer en de Stadsdienst bij ziekte of functiebeperking in de vervoersbehoefte kan voorzien, wordt op grond van de volgende overwegingen gedaan: bereikbaarheid Kan iemand bij de bus of het station komen? Bij de beoordeling van de medische noodzaak wordt in ieder geval het algemeen beoordelingscriterium gehanteerd. Algemeen beoordelingscriterium is daarbij de vraag of de aanvrager in redelijkheid zelfstandig een afstand van 800 meter lopend kan afleggen, al dan niet gebruikmakend van loophulpmiddelen als een wandelstok of een rollator. toegankelijkheid Kan iemand al of niet met hulp gebruik maken van het reguliere openbaar vervoer? bruikbaarheid Is het vervoermiddel te gebruiken: kun je zitten, hoe is het zitcomfort, kan de opstap worden gemaakt etc.. 2.2.16.3Kilometers Maatwerk in het vervoer moet de aanvrager de mogelijkheid bieden om maximaal 1250 km per jaar te kunnen afleggen. Alle bovenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo. Het landelijk ketenvervoerssysteem Valys voor bovenregionaal vervoer is te beschouwen als een aanvulling op het vervoer geregeld door de gemeenten in het kader van de Wmo 2.2.16.4Collectief vraagafhankelijk vervoer Voor gebruik van de Regiotaxi met een Wmo-vervoerspas wordt een reizigersbijdrage gevraagd per rit volgens de afspraken die gemaakt zijn tussen de vervoerder en de gemeenten die participeren in het contract voor Zuidwest-Drenthe. Er wordt maximaal 1250 km per jaar toegekend. Er kan tot maximaal 25 km vanaf de woning gebruik worden gemaakt met een Wmo-vervoerspas. Huisdieren mogen niet meegenomen worden in de taxi’s die het collectief vervoer uitvoeren, in verband met mogelijke allergieën van andere passagiers. Een assistentiehond is wel toegestaan. Dit is een hond die speciaal getraind is om mensen met een handicap of psychische klachten te helpen. Er zijn drie soorten assistentiehonden: Geleidehonden voor de blinden en visueel beperkten; Signaalhonden voor de doven en slechthorenden; ADL-honden of hulphonden voor mensen met een lichamelijke beperking; Assistentiehonden voor mensen met psychische klachten (bijvoorbeeld PTSS, autisme, etc.). 2.2.16.5Vergoeding voor individueel vervoer Indien een persoon met beperkingen in aanmerking komt voor maatwerk in het vervoer in het kader van de Wmo en hij als gevolg van zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief (aanvullend) vervoer, kan aan hem een gemaximeerde vergoeding worden verstrekt voor het gebruik van een individuele (rolstoel)taxi. Om redenen van medische, psychische en/of sociale aard kan het collectief vervoer voor bepaalde mensen met een beperking geen adequate oplossing voor het vervoersprobleem bieden. Hiermee wordt bedoeld dat het collectief vervoer waarschijnlijk, afhankelijk van het soort systeem en het gebruikte materiaal minder geschikt is voor bijvoorbeeld: personen die tijdens de rit gebruik moeten maken van bepaalde hulpmiddelen en deze hulpmiddelen niet mee kunnen nemen; personen die vanwege ernstige maag-darm-blaasstoornissen te kampen hebben of van niet op te vangen incontinentie; personen die ernstige benauwdheid ondervinden als gevolg van bijvoorbeeld allergie, CARA, longemfyseem waardoor reizen met anderen onmogelijk is; situaties in verband met privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gêne tot gevolg hebben voor de inwoner. Voor de vergoeding voor individueel vervoer wordt een PGB-budget vastgesteld. Hiervan kan de inwoner gebruik maken op grond van het trekkingsrecht via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). 2.2.16.6Hulpmiddelen voor korte afstanden Mensen die vanwege een beperking niet meer dan maximaal circa 100 meter kunnen afleggen en die ook geen gebruik kunnen maken van een fiets of bromfiets hebben in de regel extra verplaatsingskosten voor zeer korte afstanden. Anderen, die nog meer dan 100 meter kunnen lopen of kunnen fietsen, hebben een minder groot of geen vervoersprobleem en ook geen extra kosten voor het afleggen van dergelijke korte afstanden. Indien iemand te kampen heeft met een ernstig beperkte mobiliteit moet voor deze categorie mensen altijd bezien worden of er maatwerk voor deze korte afstand moet worden getroffen. 2.2.16.7Maatwerk rolstoel De voorwaarden voor een rolstoel: Er kan géén gebruik gemaakt worden van de fiets met extra’s b.v. met hulpmotor en het openbaar vervoer, de staddienst etc.; Er is sprake van ernstige stoornissen in de sta- en loopfunctie; Er is sprake van gebruik betreffende de korte en iets langere afstand om in de dagelijkse noodzakelijke behoeften te kunnen voorzien. Bij de verstrekking van een scootmobiel kunnen ook kosten voor een eventuele stalling en / of oplaadpunt worden vergoed. De vergoeding zal echter nooit hoger zijn dan noodzakelijk voor een goedkoopst adequate voorziening en moet in verhouding staan tot de verstrekking. Voorwaarden handbewogen rolstoel / elektrische rolstoel Om in aanmerking te komen voor een handbewogen rolstoel / elektrische rolstoel dient de persoon met beperkingen aan de volgende voorwaarden te voldoen: Loophulpmiddelen voldoen niet meer; Medische noodzaak voor zittend verplaatsen. De elektrische rolstoel is noodzakelijk indien een handbewogen rolstoel (deels) niet geschikt of toepasbaar is. Voorwaarden voor een handbike of tracker Om in aanmerking te komen voor een handbike of tracker moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: Medische noodzaak voor zittend verplaatsen; Er is sprake van dagelijks gebruik betreffende vooral de korte afstand om in de noodzakelijke vervoersbehoefte te kunnen voorzien. 2.2.16.8Scootmobiel en andere verplaatsingsmiddelen In de gemeente Meppel gaan wij standaard uit van een scootmobiel die maximaal 15 kilometer per uur rijdt. Aangepaste snelheid, vering, besturing en / of andere aanpassingen worden alleen verstrekt als daarvoor een medische noodzaak aanwezig is. Bij de verstrekking van een scootmobiel kunnen ook kosten voor een eventuele stalling en / of oplaadpunt worden vergoed. De vergoeding zal echter nooit hoger zijn dan noodzakelijk voor een goedkoopst adequate voorziening en moet in verhouding staan tot de verstrekking. Gemeenschappelijke ruimte Omdat de cliënt zijn woning moet kunnen bereiken en/of de aan hem verstrekte vervoersvoorziening moet kunnen stallen, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken in de gemeenschappelijke ruimte. Een traplift in een gemeenschappelijke ruimte zal mogelijk niet geplaatst mogen worden in verband met de brandveiligheid (CRvB:2022:2441). Sinds 1 januari 2024 bepaalt het Besluit bouwwerken leefomgeving dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. En sinds 1 juli 2024 is het expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen. De voorkeur gaat uit naar het verstrekken van een actief vervoersmiddel zoals vier- / driewielfietsen, handbikes in plaats van een passief vervoersmiddel zoals een scootmobiel. Door het verstrekken van deze vervoersvoorzieningen kan een substantieel deel van de bestemmingen in het kader van het leven van alledag bereikt kan worden. 2.2.16.9Hulpmiddelen en de overgang naar de Wlz Per 1 januari 2020 vallen mobiliteitshulpmiddelen als een rolstoel, scootmobiel en driewielfiets voor Wlz-cliënten in een instelling onder de Wlz. Inwoner in zorginstelling en heeft een nieuwe melding voor hulpmiddelen? Zorgkantoren leveren de mobiliteitshulpmiddelen en zorginstelling is verantwoordelijk voor hulpmiddelen voor zorg en wonen voor algemeen gebruik. Cliënt in zorginstelling met mobiliteitshulpmiddel van de gemeente? Gemeente blijft verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen totdat hulpmiddel moet worden vervangen. Cliënt met mobiliteitshulpmiddelen die naar zorginstelling verhuist? Samen met ergotherapeut of fysiotherapeut kan er gekeken worden of het hulpmiddel moet worden vervangen. Zo ja: nieuw hulpmiddel vanuit Wlz. Zo nee: zorgkantoor kan hulpmiddel overnemen van gemeente 2.2.16.10Autoaanpassing Aanpassingen van een eigen auto zijn aanpassingen die: medisch / sociaal noodzakelijk zijn; niet algemeen gebruikelijk of standaard ingebouwd zijn en functioneel noodzakelijk voor mensen / kinderen met een handicap. Kosten, gebruik en dergelijke worden niet vergoed deze zijn namelijk algemeen gebruikelijk. Soms zijn aangepaste auto’s tweedehands te koop. In zijn algemeenheid zal dit vaak gaan om rolstoelbussen voor kinderen. Normaliter zou iemand, die wel gebruik kan maken van een rolstoeltaxi, het verschil vergoed kunnen krijgen tussen de rolstoeltaxi en de individuele taxi. De kosten zijn een direct gevolg van de handicap. Bij de aanschaf van een auto wordt als uitgangspunt genomen, dat er een nieuwe of een gebruikte auto wordt gekocht, welke niet ouder is dan drie jaar. Een auto wordt geacht minimaal tien jaar mee te gaan. Er worden geen auto aanpassingen gedaan wanneer de auto niet langer dan 7 jaar kan mee gaan. In deze gevallen betreft het een eenmalige bijdrage in de aanschaf kosten. 2.2.17Verstrekkings-vormen Een maatwerkvoorziening kan in natura, of als persoonsgebonden budget of via een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. In dit hoofdstuk worden de verschillende verstrekkings-vormen en de criteria met betrekking tot de verstrekkings-vormen behandeld. 2.2.17.1Voorziening in natura Een voorziening in natura is een daadwerkelijke levering van een maatwerkvoorziening via een door de gemeente gecontracteerde partner. De gemeente geeft aan de (door de cliënt gekozen) zorgaanbieder of leverancier opdracht de diensten, woningvoorzieningen, hulpmiddelen en andere maatregelen te leveren. Een voorziening in natura wordt door het college bij beschikking verstrekt. In de beschikking wordende voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. 2.2.17.2Financiële tegemoetkoming Uit de uitspraken van de CRvB blijkt dat de Wmo 2015 ruimte biedt om een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken (CRvB:2018:395 en 396). Het gaat in de praktijk om situaties waarin het college geen (volledige) maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Een cliënt zal in het algemeen niet zijn aangewezen op een bruikleenauto op grond van de Wmo
- Maar de cliënt kan wel zijn aangewezen op het vervoer met zijn eigen auto en daarvoor is brandstof nodig, die het college niet in natura zal kunnen verstrekken. De tegemoetkoming kan op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald. 2.2.17.3Een persoonsgebonden budget (PGB) Een PGB kan een geschikt instrument zijn voor de inwoner om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen. Het is een verstrekkings-vorm die geschikt is voor mensen die zelf de regie over hun leven kunnen voeren. Het college vindt het van belang dat mensen eigen regie over hun leven kunnen voeren en dat zij, indien zij dit wensen, hiervoor een PGB inzetten. Het college verstrekt een PGB in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo
- Bij een PGB voor diensten zijn de bedragen vastgelegd in de Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel. De Wmo 2015 stelt de volgende wettelijke eisen aan het verstrekken van een PGB: de inwoner kan de aan het PGB verbonden taken uitvoeren dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn wettelijke vertegenwoordiger; de inwoner stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat hij het maatwerk als PGB wenst te ontvangen; het betreffende maatwerk is veilig, doeltreffend en klantgericht. het college verstrekt geen PGB voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. het college verstrekt geen PGB als de cliënt de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken uitvoert met hulp van de betrokken formele ondersteuner, diens personeel of op een andere wijze aan de ondersteuner verbonden persoon, kan het college een persoonsgebonden budget in beginsel weigeren op grond van belangenverstrengeling. Indien er sprake is van ondersteuning door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk en die persoon is tevens de vertegenwoordiger van de cliënt bij het uitoefenen van de aan een PGB verbonden taken, zal nadrukkelijk worden onderzocht of er geen sprake is van belangenverstrengeling. Het PGB is immers geen inkomensondersteuning maar dient ter compensatie van de beperkingen die de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid en participatie. Dit sluit niet uit dat het soms in het belang in van de inwoner of om een andere reden te kiezen voor een verstrekking in PGB. Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder hoger is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het PGB voor maatwerk (zoals een scootmobiel of een rolstoel) toekennen ter hoogte van het bedrag van de goedkoopst adequate voorziening in natura. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen goedkoper kan leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een PGB. 2.2.17.4Bekwaamheid aanvrager Overwegende bezwaren zijn er als er een ernstig vermoeden is dat de inwoner problemen zal hebben met het omgaan met een PGB. De situaties waarbij het risico groot is dat het PGB niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel zijn: de inwoner handelingsonbekwaam is; maar: als iemand onder bewind staat is het geen automatisme dat er geen PGB verstrekt kan worden. Er mag pas een PGB overeenkomst aangegaan worden met de onder bewind gestelde met toestemming van de bewindvoerder. Een pgb vaardigheidstest is dan wel voor de hand liggend (zie art. 2.1.15 lid 9 Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel) de inwoner heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie; er sprake van verslavingsproblematiek is; er eerder misbruik gemaakt is van het PGB; eerder sprake is geweest van fraude. Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een PGB niet gewenst is. In deze situaties kan een PGB worden geweigerd. Om een PGB af te wijzen op overwegende bezwaren, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan afgewezen kan worden. Dit kan een medische onderbouwing zijn, maar ook het aantonen van schulden of eerder misbruik. Bewust keuzegesprek Wenst de client de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB te ontvangen, dan wordt een bewust keuze gesprek gevoerd. Is vastgesteld dat de cliënt PGB-bekwaam is voor wat betreft het beheren en uitgeven van het PGB, dan wordt met behulp van het budgetplan beoordeeld of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. Het college moet vaststellen of de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, PGB-vaardig is. Daarvoor wordt onderzocht of de cliënt: Een goed overzicht van zijn eigen situatie kan houden. Weet welke regels er horen bij een PGB. Een overzichtelijke PGB-administratie kan bijhouden. Kan communiceren met de gemeente, de SVB en ondersteuners. Zelfstandig kan handelen en zelf voor ondersteuners kan kiezen. Zelf afspraken kan maken, deze afspraken kan bijhouden en zich hier aan houden. Kan beoordelen of de ondersteuning uit het PGB bij hem past. Zelf de ondersteuning kan regelen met één of meer ondersteuners. Kan zorgen dat de ondersteuners die voor hem werken weten wat ze moeten doen. Weet wat te doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner. Deze 10 punten zijn gebaseerd op de handreiking en infographic PGB-vaardigheid van de Rijksoverheid (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2021/09/21/infographic-met-toelichting---toetsing-10-punten-pgb-vaardigheid). Hulp bij pgb-vaardigheid De budgethouder kan een vertegenwoordiger hebben. Dat is een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen (artikel. 1.1.1 lid 2 Wmo 2015). Eenvoudig gezegd: de budgethouder zelf is niet PGB-vaardig. Bij een vertegenwoordiger kan het gaan om een persoon die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder, curator of mentor). Het college moet dan vaststellen of de vertegenwoordiger PGB-vaardig is (zie verder hierna). 2.2.17.5Gemotiveerd plan Het maatwerk in de vorm van een PGB wordt alleen verstrekt als de inwoner dit gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld plan vraagt. Uit het persoonlijk plan dat een de inwoner opstelt, moet tenminste blijken: waarom de inwoner een PGB wil (motivering); hoe de ondersteuning veilig, doeltreffend en klantgericht wordt ingericht (kwaliteit); van wie hij de ondersteuning wil inkopen (professionals of mensen uit het eigen netwerk); hoe de cliënt de achtervang bij vakantie en ziekte regelt (bij inzet sociaal netwerk); wie toeziet op de geleverde zorg en het verantwoord besteden van het budget. Het persoonlijk plan maakt de kwalitatieve verantwoording van het PGB inzichtelijk, als concreet vastgelegd is bij wie er zorg ingekocht gaat worden. Door het opstellen van een persoonlijk plan wordt de inwoner gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren, en tevens het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren. Conflicterende belangen Er zijn conflicterende belangen als de vertegenwoordiger ook degene is (de derde) aan wie het PGB wordt besteed. Dat geldt ook als de vertegenwoordiger een aan die derde gelieerde persoon is. Conflicterende belangen zijn niet toegestaan. Dat volgt uit de rechtspraak (CRvB:2019:3761, CRvB:2019:2803, CRvB:2024:1557). In dat geval weigert het college het PGB omdat de beheerstaken niet met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld. Onder een aan die derde gelieerde persoon wordt bijvoorbeeld een medewerker verstaan die bij deze derde in dienst is of er op een andere manier verwevenheid tussen hen bestaat. Persoon sociaal netwerk Er is geen sprake van conflicterende belangen, ook niet het eigen sociaal netwerk, als: uit deskundigenadvies blijkt dat de hulp alleen door deze persoon kan worden geboden, en het niet mogelijk is iemand anders in te schakelen als vertegenwoordiger. Deze persoon uit het sociaal netwerk mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de cliënt bij de keuze van een PGB ter besteding aan die persoon. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed. 2.2.17.6Kwaliteit van dienstverlening PGB De ondersteuning op maat die met het PGB wordt ingekocht dient veilig, doeltreffend en inwonergericht te zijn. De kwaliteit van de ingekochte ondersteuning moet goed zijn. Bij de beoordeling hiervan moet worden gekeken of de ondersteuning op maat die wordt ingekocht, geschikt is voor het doel waarvoor het PGB wordt verstrekt. Dit kan blijken uit de overeenkomst die met de ondersteuner wordt afgesloten. De vraag die beantwoord dient te worden is of de aanbieder in staat is om de noodzakelijke ondersteuning veilig, doeltreffend en op de inwoner gericht, te verzorgen. In algemene zin mag worden verwacht dat de ondersteuning voldoet aan de wettelijke vereisten en de in de branche algemeen aanvaarde kwaliteitseisen. De kwaliteit van de dienstverlening die ingezet wordt door een PGB moet van vergelijkbare kwaliteit zijn als de dienstverlening van zorg in natura. In het gemotiveerd plan dient aangetoond te worden op welke wijze deze kwaliteit geborgd is. Het niet voldoen aan de kwaliteitseisen heeft tot gevolg dat de gemeente de aanvraag van de ondersteuning op maat in de vorm van een PGB afwijst. De gemeente kan de aanvrager een redelijke hersteltermijn geven, of de PGB-aanbieder niet (langer) accepteren in het kader van een PGB. PGB-beheer door anderen dan de inwoner zelf (vertegenwoordiging) Het is niet toegestaan dat de zorgaanbieder het PGB beheert (in eerste aanleg ook niet in het sociaal netwerk) of dat er een zakelijke relatie is tussen de zorgaanbieder en de PGB-vertegenwoordiger. Dit kan leiden tot ongewenste belangenverstrengeling. Bij ongewenste belangenverstrengeling tussen de PGB-beheerder en de zorgaanbieders wordt een PGB geweigerd. Wanneer uit rechtmatigheidsonderzoek blijkt dat de vertegenwoordiger niet heeft voldaan aan de voorwaarden van het PGB-beheer, mag deze niet meer als vertegenwoordiger optreden. Er moeten voldoende contactmomenten zijn tussen de inwoner en de PGB-vertegenwoordiger om het PGB goed te kunnen beheren en de (zorginhoudelijke en financiële) belangen van de inwoner te waarborgen. De PGB-vertegenwoordiger woont op redelijke afstand van de inwoner om toezicht te kunnen houden op de zorg die de inwoner ontvangt. Of de PGB-vertegenwoordiger toont aan dat deze kan voldoen aan de taken en verantwoordelijkheden, ondanks de fysieke afstand. Kosten voor een PGB-vertegenwoordiger Er wordt geen PGB verstrekt voor zover dit is bedoeld voor ondersteunings- of administratiekosten. Het PGB ziet niet op het financieren van de kosten van een vertegenwoordiger, zoals een bemiddelingsbureau. De PGB-vertegenwoordiger en zorgverlener woont op maximaal 50 km (enkele reis) afstand. Weigeringsgronden PGB De Wmo 2015 kent twee weigeringsgronden voor een PGB. Deze zijn opgenomen in artikel 2.3.6 vijfde lid van de wet: Voor zover de kosten van het PGB hoger zijn dan de door de gemeente te verstrekken voorziening in natura wordt het PGB geweigerd. Indien de inwoner een duurdere voorziening wenst dan de door de gemeente als adequaat bevonden, verstrekt de gemeente een PGB ter hoogte van het bedrag van de voorgestelde ondersteuning op maat. De inwoner wordt in de gelegenheid gesteld het meerdere zelf bij te betalen. De gemeente zal ook geen PGB verstrekken indien er de afgelopen drie jaren voorafgaande aan het onderzoek toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10 eerste lid onder a., d. en e. van de wet. Het artikel vermeldt het volgende: De inwoner heeft onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou tot een andere beslissing hebben geleid. De inwoner voldoet niet aan de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden. De inwoner gebruikt het persoonsgebonden budget voor een ander doel. Progressief ziektebeeld Naast deze uitzonderingen komt het voor dat bij een aanvrager met een zeer progressief ziektebeeld al op voorhand vast staat dat binnen zes maanden vervanging van de voorziening nodig is. Het is dan ook de vraag of deze situatie zich wel leent voor een PGB. Dit zal per situatie beoordeeld moeten worden. Er dient immers steeds sprake te zijn van een langdurige noodzaak, van minimaal zes maanden of langer, tot ondersteuning. Resultaten De inwoner (budgethouder) krijgt zelf de regie over de geleverde maatschappelijke ondersteuning en de verantwoordelijkheid voor de geleverde ondersteuning. De gemeente kan periodiek in gesprek gaan met de inwoner (budgethouder) over de behaalde resultaten met het persoonsgebonden budget. Omvang De gemeente bepaalt de omvang (het aantal uren) van het PGB. Inzet in natura Heeft het gegronde vermoede betrekking op de derde of een daaraan gelieerde (rechts)persoon, dan verstrekt het college hangende het onderzoek een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura. Immers, middels het toekenningsbesluit is bepaald dat er voor de cliënt een noodzaak bestaat voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een PGB). Het college kan van de derde niet verwachten dat hij op de gok de ondersteuning - zonder daarvoor betaald te worden - voort Verantwoordelijk voor besteding Degene aan wie het PGB is toegekend, blijft verantwoordelijk voor het budget en de besteding daarvan. Mocht er budget teruggevorderd moeten worden, dan wordt dit teruggevorderd van de inwoner. In situaties waarin de zorgverlener zich schuldig heeft gemaakt aan onjuist besteding van het PGB, geldt op grond van het derdenbeding dat van de zorgverlener kan worden teruggevorderd. Vereisten PGB Bij beschikking maakt de gemeente het genomen besluit aan de aanvrager van het PGB bekend. In deze beschikking vermeldt de gemeente wat de omvang van het PGB is, wie de ondersteuning levert en voor hoeveel jaar het PGB bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het PGB dient te worden bekostigd, en meer precies, aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt zo nauwkeurig mogelijk omschreven voor welk resultaat het PGB wordt aangewend, welke kwaliteitseisen gelden, wat de hoogte van het PGB is en hoe hiertoe is gekomen, wat de duur is van de verstrekking waarvoor het PGB is bedoeld, en de wijze van facturering en van verantwoording van de besteding van het PGB. Hoogte PGB Het PGB wordt berekend naar aanleiding van de kosten van Zorg in Natura (ZIN) en is op basis van 52 weken. Trekkingsrecht Een PGB wordt niet uitbetaald op rekening van de inwoner. Het PGB vindt plaats onder trekkingsrecht. Dit betekent dat de gemeente het PGB op de rekening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) stort, zodat de SVB, na diverse checks, de betalingen vervolgens aan de zorgverlener of zorginstelling verricht. Zowel de inwoner (budgethouder) als de gemeente krijgt inzicht in de besteding van het PGB en zij ontvangen overzichten, waarin duidelijk wordt hoeveel van het PGB waaraan is besteed en wat er nog van over is. Na afloop van ieder kalenderjaar verstrekt de SVB een totaaloverzicht van de bestedingen. Niet bestede bedragen worden teruggestort aan de gemeente. Declaratiebasis Betaling vanuit een PGB is alleen op declaratiebasis mogelijk. Alleen in uitzonderingsgevallen kan maandloon, waarbij de hulpverlener een vast bedrag per maand ontvangt van de SVB ongeacht het aantal geleverde uren hulp en ondersteuning, worden toegestaan. Verzilvering Indien een PGB langer dan 3 maanden niet wordt verzilverd zal deze automatisch worden stopgezet. 2.2.17.7Inzetten sociaal netwerk of mantelzorgers Tot het sociaal netwerk worden gerekend personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de inwoner regelmatig contacten onderhoudt, zoals mantelzorgers, buren, (mede) leden van een vereniging etc. Doelmatigheid Uitgangspunt bij uitvoering van de maatschappelijke ondersteuning door het sociaal netwerk is dat er toegewerkt wordt naar een niveau waarin de inwoner met ondersteuningsvraag voldoende zelfredzaam is en voldoende kan participeren. Dat wil zeggen dat de inwoner mee kan doen aan de samenleving. Niet in alle gevallen is dat mogelijk, zoals bij dementerende ouderen. Indien het sociaal netwerk kan ondersteunen, kan de gemeente overwegen hiervoor een PGB te verstrekken. Een argument kan bijvoorbeeld zijn dat iemand uit het sociaal netwerk minder gaat werken om de benodigde hulp te kunnen bieden. De wetgever is van mening geweest dat inzet van het sociaal netwerk waardevol is, en zij acht het wenselijk dat vergoeding daarvan met een PGB beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot minstens even goede en effectieve ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Het dient hierbij wel te gaan om boven gebruikelijke vormen van ondersteuning. De gemeente verstrekt geen PGB voor ondersteuning welke echtgenoten, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten elkaar naar algemeen aanvaarde opvattingen in alle redelijkheid geven, daarbij rekening houdend met de eventuele beperkingen van de huisgenoten. Afwegingskader De inzet van ondersteuning door een persoon/personen uit het sociaal netwerk dient te leiden tot minstens even goede en effectieve ondersteuning als de inzet van ondersteuning door een professional. Er dient geen ongewenste situatie door in stand gehouden te worden. De zorg die de persoon uit het sociaal netwerk verricht valt niet onder de gebruikelijke hulp die van de persoon verwacht wordt. Er dient sprake te zijn van bovengebruikelijke hulp. Bij het bepalen van de vraag of sprake is van bovengebruikelijke hulp, wordt rekening gehouden met de eventuele beperkingen van de persoon uit het sociaal netwerk. Het kan voorkomen dat een persoon met beperkingen reeds lange tijd gewend is om ondersteund te worden door personen uit zijn sociaal netwerk. Dit doet echter niet af aan bovenstaande. Vanuit de Wmo wordt maatschappelijke ondersteuning geboden, indien voorliggende oplossingen niet passend gebleken zijn. Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat voorliggende oplossingen die door de inwoner als niet wenselijk beschouwd worden, niet per definitie betekenen dat deze niet tot een gewenst resultaat leiden. Hier dient een objectieve beoordeling aan ten grondslag te liggen. PGB voor hulpmiddelen en woningaanpassingen De gemeente stelt de hoogte van het PGB voor hulpmiddelen en woningaanpassingen vast aan de hand van de gemeentelijke prijsafspraken of offertes. De hoogte van een PGB wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. Voor de hulpmiddelen wordt de offerte opgevraagd bij de leverancier waar de gemeente een contract mee heeft afgesloten. Bij aanvraag van een woonvoorziening mag vooraf gevraagd worden of men verhuisplannen heeft. Geeft iemand aan dat zeker niet van plan te zijn en men verhuist kort daarna (men stond al elders ingeschreven) dan is terugvordering mogelijk op basis van valselijk verstrekte gegevens. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven. PGB en Onderhoud Als er voor het maatwerk een PGB is verstrekt, zijn de kosten van keuring en onderhoud/reparatie in het PGB als instandhoudingkosten meegenomen. Zonder onderhoud wordt de economische afschrijvingstijd niet gehaald, dus wordt een onderhouds- en reparatiecontract van de inwoner met zijn leverancier (of onderhoudsbedrijf) verplicht gesteld. Deze vergoeding wordt gebaseerd op het bedrag dat de gemeente Meppel heeft afgesproken met de leverancier van de gemeente. Als deze bedragen niet zijn vastgelegd dan wordt er 7% van de aanschafwaarde berekend. Voor de elektrische rolstoel en scootmobiel geldt tevens de verplichting om minimaal een WA-verzekering af te sluiten. De tegemoetkoming is niet per definitie volledig kostendekkend. Voor de kosten van geringe en/of dagelijkse reparaties en voor reparaties van schade ten gevolge van grove schuld of opzet wordt geen vergoeding verstrekt. Het college raadt PGB-klanten met een elektrische rolstoel of een scootmobiel tevens een verzekering tegen diefstal aan. Deze kosten zijn voor rekening van de inwoner en worden niet vergoed via de PGB. Bij diefstal of vandalisme of als geen onderhoud wordt uitgevoerd aan het hulpmiddel wordt binnen de termijn van het PGB geen nieuw hulpmiddel verstrekt. De inwoner krijgt van de gemeente jaarlijks een tegemoetkoming in de kosten voor onderhoud, service, reparatie en WA-verzekering. Deze tegemoetkoming wordt pas in het kalenderjaar na de aanschaf van het hulpmiddel verstrekt. Het eerste gebruiksjaar valt in de regel onder de garantieperiode van de leverancier. Indien de inwoner langer van het hulpmiddel gebruik wil maken dan de vermelde gebruiksduur (scootmobiel b.v. 7 jaar), dan kan dat. De gemeente blijft in dat geval na afloop van de gebruiksduur een jaarlijkse tegemoetkoming geven voor onderhoud, service en eventueel WA-verzekering. Na ontvangst van de beschikking heeft de inwoner 6 maanden de tijd om het hulpmiddel aan te schaffen. Hulpmiddelen in bruikleen Hulpmiddelen/maatwerk worden verstrekt in bruikleen. Het hulpmiddel valt terug aan de gemeente als: de inwoner verhuist naar een andere gemeente; de inwoner overlijdt; als de indicatieperiode of geldigheidsduur is verstreken; als de inwoner aangeeft dat zijn situatie is veranderd en (de gemeente) vaststelt dat het maatwerk niet meer voldoet; de inwoner geen verantwoording aflegt; de inwoner zijn PGB laat omzetten in zorg in natura. Verhuizing Bij verhuizing zal met de nieuwe gemeente worden onderhandeld over overname van het PGB voor onderhoud, service en eventueel verzekering. Overlijden van de inwoner Bij overlijden kunnen de nabestaanden kiezen voor: teruggave van hulpmiddel aan de gemeente, zonder vergoeding vanuit gemeente voor eventuele bijbetaalde meerkosten. Hierbij moet het middel wel redelijkerwijs opnieuw inzetbaar zijn voor de gemeente; of zelf het middel verkopen / inruilen bij leverancier of via verkoop aan derden. Opbrengst minus de vastgestelde restwaarde van het standaardmiddel is voor de nabestaanden. Restwaarde dienen de nabestaanden aan gemeente terug te betalen. Het maatwerk is niet meer adequaat Indien het maatwerk niet meer adequaat is vanwege voortschrijdende handicap en herindicatie noodzakelijk is, zijn er de volgende opties: teruggave van hulpmiddel aan de gemeente, zonder vergoeding vanuit gemeente voor eventuele bijbetaalde meerkosten. Hierbij moet het middel wel redelijkerwijs opnieuw inzetbaar zijn voor de gemeente; of zelf het middel verkopen / inruilen bij leverancier of via verkoop aan derden. Opbrengst minus de vastgestelde restwaarde van het standaardmiddel is voor de inwoner. Restwaarde dient de inwoner aan gemeente terug te betalen. Bepaling restwaarde voorzieningen bij PGB Als de situatie wijzigt bijvoorbeeld bij overlijden, een verhuizing of een middel is niet meer adequaat, kan de gemeente de restwaarde berekenen. Lastig punt kan zijn dat de inwoner eventueel extra geld heeft bijgelegd naast het maximale PGB om zijn hulpmiddel aan te schaffen. Bij de restwaardebepaling gaan we uit van het destijds daadwerkelijk verstrekte aanschafdeel van het PGB aan de desbetreffende inwoner. De restwaarde wordt als volgt bepaald: afschrijvingstermijn – gebruiksjaren = jaren restwaarde, afgerond op hele jaren ten voordele van de inwoner. Restwaarde is het budget minus de gebruikte jaren. 2.2.18Regels voor een bijdrage voor algemene en maatwerkvoorzieningen De Wmo 2015 maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene en maatwerkvoorzieningen. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 regelt dat alle inwoners met één of meer maatwerkvoorzieningen uit de Wmo, Dit bedrag wordt het abonnementstarief (voorheen eigen bijdrage) genoemd. Bijdrage algemene voorzieningen Dit zijn algemeen vrij toegankelijke voorzieningen waarvan iedereen gebruik kan maken, met of zonder beperking. De voorziening is uitsluitend in natura beschikbaar en de Wmo- abonnementstarief regeling is hier niet van toepassing. Het gaat hierbij om voorzieningen die door de gemeente zijn georganiseerd of gefaciliteerd. Voor alle activiteiten kan een kostendekkende bijdrage gevraagd worden door de organisatie zelf en geldt voor alle gebruikers van die voorziening. Een voorbeeld van een bijdrage van een algemene voorziening is een verplicht lidmaatschap of een bijdrage aan een activiteit. Uitgangspunt is dat er een abonnementstarief wordt gevraagd voor algemene voorzieningen, maar dat deze niet drempelverhogend mag zijn. Bijdrage collectief vervoer Bij het collectief vervoer wordt de ritprijs rechtstreeks betaald aan de chauffeur. Voor gebruik van de Publiek vervoer Zuidwest Drenthe met een Wmo-vervoerspas wordt een reizigersbijdrage gevraagd per rit volgens de afspraken die gemaakt zijn tussen de vervoerder en de gemeenten die participeren in het contract voor Zuidwest Drenthe. Abonnementstarief maatwerkvoorzieningen De gemeente biedt de volgende maatwerkvoorzieningen aan: Huishoudelijke ondersteuning Individuele begeleiding (licht, midden, zwaar) Dagbesteding (licht, midden, zwaar) Respijtzorg / kortdurend verblijf Woonvoorzieningen Vervoersvoorzieningen Het abonnementstarief is niet van toepassing op: de verstrekking van een (sport)voorziening; voor inwoners die nog geen 18 zijn; (met uitzondering van een woningaanpassing) inwoners die al een bijdrage betalen voor Wlz-zorg, beschermd wonen of opvang. niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens; de bijdrage voor algemene voorzieningen en collectief vervoer. 2.2.19Waard