← Nederland

Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2025 (Vlaardingen)

In het kort

Deze verordening regelt de jeugdhulp in de gemeente Vlaardingen en beschrijft hoe jeugdigen en hun ouders toegang krijgen tot deze hulp, zowel algemene als individuele voorzieningen. Het doel is om jeugdigen gezond en veilig te laten opgroeien naar zelfstandigheid.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2025De gemeenteraad van Vlaardingen, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 mei 2025; gelet op de artikelen 2.9, 2.10 en 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet en artikel 149 van de Gemeentewet; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Vlaardingen van 23 april 2025, overwegende dat: het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien naar zelfstandigheid van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; ouders worden geacht de tot hun gezin behorende jeugdigen dagelijkse hulp, zorg en ondersteuning te bieden ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking; de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeenten heeft belegd; het koersdocument MVS Jeugdmodel richtinggevend is voor de wijze waarop hulp en ondersteuning wordt geboden aan jeugdigen en hun ouders; het op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is om hieromtrent regels vast te stellen over: de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen; de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; de bestrijding van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget, alsmede oneigenlijk en onrechtmatig gebruik van de wet; de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van de jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden; onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; Besluit: vast te stellen de: Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2025 HOOFDSTUK1BEGRIPSOMSCHRIJVING Artikel1.Begripsbepalingen 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemene voorziening: voorziening die toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek door het college naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders; andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet; Bibob: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, het is een bestuursrechtelijk instrument om te voorkomen dat de overheid criminele activiteiten faciliteert; BIG registratie: een taak die voortkomt uit de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg. Het BIG-register geeft duidelijkheid over de bevoegdheid van een zorgverlener zoals een arts of psycholoog; buddy: iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdige of zijn ouders die de jeugdig en zijn ouders ondersteunt bij het hulpverleningstraject; cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; collectief aanbod: een aanbod jeugdhulp in een groep; hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de wet; individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening als bedoeld in artikel 4; jeugdhulpvervoer: vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid van de wet; kinderopvang: opvang van kinderen in een groep door pedagogische medewerkers of gastouderopvang. Onder kinderopvang vallen ook de buitenschoolse opvang, peutersopvang en voorschoolse educatie; Mevis: consortium van verschillende jeugdhulpaanbieders die de hulpvraag van jeugdigen en hun ouders onderzoekt en/of hen ondersteuning en hulp biedt; ondersteuningsplan: het plan waarin de hulpvraag en de benodigde hulp en ondersteuning in aard en omvang is opgenomen; OVA-indexering: Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling. De OVA-indexering wordt berekend op basis van cijfers die het Centraal Planbureau publiceert; persoonsgebonden budget (pgb): het pgb als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders dat hem in staat stelt de jeugdhulp te betrekken bij derden; perspectiefplan: plan waarin staat wat er nodig is om de gewenste situatie te bereiken als de jeugdige 18 jaar wordt; Poortwachter: een dyslexie-expert, die werkt volgens de richtlijnen van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie, die het college adviseert over de toegang tot dyslexiezorg; Productenboek: overzicht van beschikbare individuele voorzieningen; SKJ-registratie: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, waarin jeugdprofessionals geregistreerd staan die op hbo-niveau of hoger werkzaamheden verrichten binnen het jeugddomein; sociaal netwerk: groep mensen met wie de jeugdige of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, collega’s, kennissen en vrienden; toezichthouder: een persoon die belast is met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en daartoe door het college is aangewezen; wet: Jeugdwet; wijkteam: team bestaande uit professionals die zorg en ondersteuning bieden aan alle inwoners van Vlaardingen en die, in opdracht van het college, de toeleiding verzorgen naar algemene en individuele voorzieningen.; Zvw: zorgverzekeringswet. 2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Regeling Jeugdwet of de Algemene wet bestuursrecht. HOOFDSTUK2REIKWIJDTE VERORDENING Artikel2.Reikwijdte verordening 1.Deze verordening heeft betrekking op jeugdhulp voor jeugdigen: die hun woonadres, als bedoeld in artikel 1.1. onder o. van de Wet basisregistratie personen, in Vlaardingen hebben; die onmiddellijk voorafgaand aan hun verblijf bij een jeugdhulpaanbieder, pleegouder, in een instelling of inrichting in Vlaardingen hun woonadres hadden; of volgens het derde of vierde onderdeel van de begripsbepaling ‘woonplaats’ in artikel 1.1 van de wet onder verantwoordelijkheid van de gemeente Vlaardingen vallen. HOOFDSTUK3ALGEMENE VOORZIENINGEN Artikel3.Algemene voorzieningen 1.Onder algemene voorzieningen voor jeugdigen en hun ouders vallen voorzieningen binnen de sociale basisstructuur zoals: kinderopvang; jeugdgezondheidszorg; praktijkondersteuning jeugd bij de huisarts (POH-jeugd vanuit de Zvw); ondersteuning en hulp, die geboden wordt door Mevis in het Wijkteam; (extra) ondersteuning op school die valt onder de zorgplicht van scholen. 2.Een algemene voorziening, als genoemd onder a tot en met c van het vorige lid, is toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek door het college naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders. 3.Bij een voorziening als bedoeld in het eerst lid onder d is, indien van toepassing, het collectieve aanbod van Mevis voorliggend op individuele (1 op 1) ondersteuning en hulp geboden door een jeugdhulpprofessional van Mevis. 4.Bij een algemene voorziening wordt geen beschikking verstrekt. HOOFDSTUK4INDIVIDUELE VOORZIENINGEN Artikel4.Individuele voorzieningen 1.De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: specialistische jeugdhulp, die aangeboden wordt door een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder (zie: Bijlage 5 Productenboek Mevis); specialistische jeugdhulp, die met een persoonsgebonden budget wordt ingekocht; gesloten jeugdhulp; vervoersvoorziening naar en van een locatie waar jeugdhulp wordt geboden. 2.Bij een voorziening als bedoeld in het vorige lid onder a en b is, indien van toepassing, het collectieve aanbod voorliggend op individuele (1 op 1) ondersteuning en hulp geboden door de jeugdhulpaanbieder. HOOFDSTUK5TOEGANG JEUGDHULP VIA HUISARTS, MEDISCH SPECIALIST OF JEUGDARTS Artikel5.Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts naar een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Als een verwijzing zoals genoemd in het eerste lid aanwezig is, is het college niet verplicht jeugdhulp te vergoeden geleverd door een jeugdhulpaanbieder waarmee geen contractrelatie is. 3.Jeugdigen of zijn ouders kunnen, wanneer zij dat wensen, met een pgb jeugdhulp betrekken van een niet gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, indien voldaan is aan de voorwaarden als genoemd in Hoofdstuk 10. 4.Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking. Wanneer de hulpvraag kan worden opgelost met een algemene voorziening wordt geen beschikking verstrekt. HOOFDSTUK6TOEGANG JEUGDHULP VIA DE GEMEENTE Artikel6.Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.Jeugdigen en ouders kunnen zich met een hulpvraag wenden tot het Wijkteam. Voor de aanmelding van een hulpvraag kan gebruik worden gemaakt van een digitaal aanmeldformulier. 2.Het Wijkteam bevestigt de ontvangst van de hulpvraag schriftelijk of digitaal binnen twee weken, tenzij deze direct kan worden afgehandeld. In de ontvangstbevestiging worden de jeugdige en zijn ouders geïnformeerd over: de procedure; de verwerking van persoonsgegevens en rechten van betrokkenen; de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen; de mogelijkheid om zich door iemand uit het sociale netwerk (buddy) te laten ondersteunen bij het gehele hulpverleningstraject; de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning; de klachtenprocedure, en de mogelijkheid om advies en ondersteuning te krijgen bij vragen en klachten van Jeugdstem – vertrouwenspersoon akj (adviesklachtenbureau Jeugdzorg). 3.In spoedeisende gevallen, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid onder b. van de wet, treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag voor de jeugdigen of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. HOOFDSTUK7HET ONDERZOEK Artikel7.Het onderzoek 1.Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk, aan de hand van het beoordelingskader, zoals opgenomen in Bijlage 1, of en welke jeugdhulp noodzakelijk is om de jeugdige in staat te stellen om: gezond en veilig op te groeien; te groeien naar zelfstandigheid; en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijke te participeren. 2.Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. 3.De jeugdige of zijn ouders verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen en verlenen het college alle nodige medewerking voor het beoordelen van de hulpvraag. Artikel8.Identificatie Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 7 stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouders vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en door het vaststellen van het Burgerservicenummer (BSN). Artikel9.Deskundigheid en vergewisplicht 1.Het onderzoek als bedoeld in artikel 7 wordt gedaan onder de verantwoordelijkheid van een SKJ geregistreerde jeugdhulpprofessional. 2.Uit hoofde van de deskundigheid van de SKJ-er wordt bepaald of er een noodzaak is een (andere) deskundige of deskundigen in te schakelen om te adviseren over de benodigde jeugdhulp. Dit met inachtneming van de verantwoordelijkheidstoedeling gesteld in artikel 4.1.1, tweede lid van de wet in samenhang bezien met de benodigde deskundigheid genoemd in artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet. 3.In het ondersteuningsplan wordt opgenomen welke deskundigheid is ingeschakeld bij het onderzoek naar de hulpvraag als bedoeld in artikel 7, eerste lid. 4.Het college vergewist zich ervan dat het onderzoek als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 op zorgvuldige wijze is uitgevoerd, door een daartoe gekwalificeerde deskundige en dat de uitkomst daarvan logischerwijs uit het onderzoek volgt alvorens een besluit op de aanvraag voor een individuele voorziening wordt genomen. Artikel10.Het ondersteuningsplan 1.Het college legt de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 7 vast in een ondersteuningsplan. 2.In het ondersteuningsplan wordt tevens opgenomen: de te behalen doelen en resultaten en de verwachte duur van de hulp of ondersteuning; het moment en de wijze waarop de resultaten van de ingezette hulp of ondersteuning worden besproken met de jeugdige en of zijn ouders en, indien van toepassing, de betrokken jeugdhulpprofessional(s); indien van toepassing, de contactgegevens van de persoon die de casusregie over de hulp en ondersteuning heeft; indien van toepassing de ‘buddy’ die de jeugdige tijdens het gehele traject ondersteunt. 3.De jeugdige en/of zijn ouders ontvangen het ondersteuningsplan binnen 6 weken na het eerste gesprek met de jeugdprofessional. 4.Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouders worden in het ondersteuningsplan opgenomen. 5.Als de jeugdige en/of zijn ouders niet akkoord zijn met de uitkomsten van het onderzoek, wordt dit vermeld in het ondersteuningsplan met de reden waarom zij niet akkoord zijn. 6.De jeugdige en/of ouders ondertekenen het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord. HOOFDSTUK8CRITERIA INDIVIDUELE VOORZIENING Artikel11.Voorwaarden voor een individuele voorziening 1.Het college kent een individuele voorziening toe als vastgesteld is dat: dit nodig is gelet op de aard en ernst van de hulpvraag en om (één van

  1. de)doelen van de Jeugdwet te bereiken; de jeugdige zelf, of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen mogelijkheden heeft om een passende oplossing voor zijn hulpvraag te vinden. Hieronder valt in ieder geval: gebruikelijke hulp van ouders het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten een algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag; en de jeugdige en zijn ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen. 2.Bij de beoordeling of de jeugdige en/of zijn ouders aanspraak kunnen maken op een andere voorziening als genoemd in het vorige lid onder d, wordt gekeken naar de “Afbakening van de Jeugdwet met andere wetten binnen het sociaal domein” in Bijlage 2. 3.Een individuele voorziening kan worden verstrekt in de vorm van zorg in natura of een pgb. 4.Een individuele voorziening wordt niet eerder verstrekt dan nadat het onderzoek, als genoemd in het eerste lid van artikel 7 is afgerond tenzij sprake is van een spoedeisende situatie als genoemd in artikel 6 derde lid. 5.Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 6.Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als een aanvraag voor een individuele voorziening als na afronding van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 nog geen aanvraag is ingediend. Artikel12.Dyslexiezorg 1.Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg in het geval van vermoeden van ernstige dyslexie conform het geldende landelijke protocol. 2.De Poortwachter adviseert het college over het te nemen besluit op basis van de beoordeling van het leerlingdossier volgens de richtlijnen van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie, dat de school heeft opgesteld. 3.De dyslexiezorg die door het college wordt toegekend bestaat uit: Diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie; Behandeling van ernstige dyslexie. 4.Dyslexiezorg is alleen beschikbaar voor jeugdigen in de leeftijd vanaf 7 die basisonderwijs volgen. Artikel13.Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. Tevens wordt aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.De beschikking bevat een deugdelijke motivering waarbij, indien van toepassing, wordt verwezen naar een met het oog daarop uitgebracht advies dat is opgenomen in het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 10. 3.Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt daarnaast in de beschikking in ieder geval vastgelegd: wat de te verstrekken individuele voorziening is, wat het beoogde resultaat daarvan is en indien van toepassing, wat de omvang is; wat de verwachte ingangsdatum en wat de duur van de voorziening is; indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4.Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt daarnaast in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welke voorziening het pgb moet worden aangewend, wat het beoogde resultaat daarvan is en indien van toepassing wat de omvang is; wat de hoogte van het pgb is; welke eisen gelden voor de besteding van het pgb; welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; wat de ingangsdatum en indien van toepassing de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. HOOFDSTUK9EIGEN KRACHT Artikel14.Beoordelingscriteria Eigen kracht 1.Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf aantoonbaar geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: gebruikelijke hulp van ouders en/of verzorgers of opvoeders bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen (financiële) problemen in het gezin ontstaan de ondersteuning vanuit het sociale netwerk het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten 2.Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders, eventueel met hulp van personen uit het sociaal netwerk. Bij hen ligt de verplichting de tot het gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige woont. 3.Om vast te stellen of sprake is van bovengebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft (zie richtlijnen gebruikelijke zorg CIZ in Bijlage 3). Het college houdt daarbij rekening met de volgende factoren: de leeftijd van de jeugdige; de mate van zorg bij de activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft; de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige de mate van planbaarheid van de hulp; de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige. 4.Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. 5.Indien er sprake is van hulp die het gebruikelijke overstijgt dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende situaties: Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het probleem en daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij om een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. Langdurend: het gaat om een chronische situatie waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. 6.Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 7.Bij de beoordeling van langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit; de mate van planbaarheid van de hulp; het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders; de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige; vaardigheden van ouders om zelf hulp te bieden; of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relatieproblemen of schulden welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk of sociale verplichtingen; het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; de woonsituatie; de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden; of sprake is van een sociaal netwerk en zo ja, wat de mogelijkheden en bereidheid van het sociaal netwerk zijn om de jeugdige en/of zijn ouders te ondersteunen; overige individuele omstandigheden die door de jeugdige en ouders worden ingebracht. 8.Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders (beschikbaarheid van ouders, de belasting van de ouders en de financiële situatie van de ouders) dan wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (deels) verlenen. Het college verstrekt hiervoor dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 9.Bij (dreigende) overbelasting gelden de volgende uitgangspunten: er moet sprake zijn van een verband tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige; als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijv. door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van de spanningen; bij een aanvraag voor een individuele voorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen; als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht; het verlenen van hulp aan de jeugdige door de ouders/verzorgers gaat in beginsel voor op sociale/maatschappelijke activiteiten; een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener neemt dan het verlenen van de hulp over om de overbelasting te stoppen. 10.Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening. 11.Als ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoed, wordt van de ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. HOOFDSTUK10PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel15.Voorwaarden voor een pgb 1.Een jeugdige of zijn ouders komen slechts voor een pgb in aanmerking indien wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 8.1.1 van de wet en de criteria als genoemd in de artikel 11 en 14 en in dit artikel. 2.De jeugdige of zijn ouders dienen, nadat zij hebben aangegeven de individuele voorziening in de vorm van een pgb te willen ontvangen, gebruik te maken van een door het college vastgestelde pgb-formulier, waarin is opgenomen: de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouders niet passend is en een pgb gewenst is; op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. 3.Het pgb-formulier moet volledig worden ingevuld en ondertekend. Het pgb-formulier is onderdeel van de aanvraag. 4.De aanvrager moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen terzake en in staat zijn de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Hiervoor gelden de volgende criteria: de aanvrager heeft aantoonbaar inzicht in de problemen waarvoor het pgb wordt ingezet en met welke ondersteuning de problemen kunnen worden weggenomen of verminderd; de aanvrager is in staat te kiezen voor een zorgaanbieder die een passend en op de zorg afgestemd zorgaanbod kan doen; de aanvrager is in staat een overeenkomst aan te gaan met een zorgaanbieder; de aanvrager is in staat de zorgverlener daar waar nodig aanwijzingen te geven en aan te sturen; en de aanvrager is in staat een deugdelijke administratie bij te houden. 5.De jeugdige of zijn ouders kunnen bij het doen van de aanvraag en het budgethouderschap worden ondersteund door iemand uit het sociaal netwerk, een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp. 6.Om vast te stellen of de aanvrager voldoende gemotiveerd heeft dat de door de gemeente ingekochte voorzieningen in natura niet passend zijn, zoals bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid onder b van de wet, moet de aanvrager aantonen dat hij zich voldoende georiënteerd heeft op de voorzieningen in natura. De reden van het niet passend zijn, kunnen onder meer gelegen zijn in het feit dat: de benodigde ondersteuning niet goed vooraf is in te plannen; de benodigde ondersteuning op ongebruikelijke tijden geleverd moet worden; de benodigde ondersteuning op veel korte momenten per dag moet worden geboden; de benodigde ondersteuning op verschillende locaties geleverd moet worden; het noodzakelijk is om 24-uurs ondersteuning op afroep te organiseren; het door de aard van de beperking noodzakelijk is dat de hulp door een vaste hulpverlener wordt geboden, of de voorzieningen in natura niet passen bij de eigen levens- of geloofsovertuiging. 7.De aanvrager dient, conform artikel 8.1.1, tweede lid onder c van de wet, aan te tonen dat de in te kopen zorg van goede kwaliteit is, zodat de gestelde doelen en te bereiken resultaten in het ondersteuningsplan kunnen worden gerealiseerd. 8.De jeugdhulpaanbieder, waarbij de aanvrager de zorg wil inkopen, dient te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals genoemd in artikel 4.1.1 tot en met 4.1.9 van de wet. 9.Indien de hulp wordt betrokken van iemand uit het sociaal netwerk, die niet behoort tot de eerste graad van bloedverwantschap, is in ieder geval een VOG vereist die niet ouder is dan drie maanden. 10.De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit het pgb: kosten voor bemiddeling; kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; kosten voor het voeren van een pgb-administratie; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb, kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb, waaronder de kosten voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG); reiskosten voor de hulpverlener; onkosten zoals postzegels, cadeautjes en telefoonkosten; 11.Het college kent geen vrij besteedbaar bedrag toe vanuit het pgb. Artikel16.Weigeringsgronden pgb 1.Het college kan een pgb geheel of gedeeltelijk weigeren: indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb; als het aannemelijk is dat de budgetbeheerder problemen heeft met het beheren van een pgb of het pgb niet besteedt aan het daarvoor bestemde doel. als de jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouders met de pgb willen betrekken onvoldoende zal bijdragen aan het beoogde resultaat; als de jeugdhulpaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitseisen als genoemd in het achtste lid van artikel 15 en artikel 24 van de verordening; als het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland, tenzij het college daarvoor toestemming verleend; als de beheerder of beoogd beheerder van het pgb ook de hulpverlener is of een (werk)relatie met de zorgverlener heeft, tenzij het college dit passend vindt; als het pgb alleen dient als inkomensvoorziening voor de hulpverlener; als er sprake is geweest van oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het verleden. wanneer er geen ingevuld en ondertekend pgb-plan is aangeleverd. 2.Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning door een pgb-aanbieder die fraude heeft gepleegd. 3.Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een jeugdhulpaanbieder waarbij er twijfels zijn over de integriteit van de jeugdhulpaanbieder. Dit doet zich in ieder geval voor indien de jeugdhulpaanbieder in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; er sprake is van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijke samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder; of zich niet professioneel gedraagt door intimiderend gedrag of doordat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie. Artikel17.Voorwaarden pgb-beheerder 1.Voor het beheren van een pgb wordt verwacht dat de beoogd budgethouder in ieder geval: de eigen situatie kan overzien, dan wel die van de hulpvrager en een duidelijk beeld heeft van de hulpvraag; op de hoogte is van de regels en verplichtingen die behoren bij een pgb of weet waar deze informatie te vinden is bij de betreffende instanties; een overzichtelijk pgb-administratie kan bijhouden, waaronder er inzicht is in de bestedingen van het pgb; zelfstandig kan handelen en onafhankelijk voor een hulpverlener kan kiezen; in staat is om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan de verstrekker van het pgb; kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde hulp passend en kwalitatief goed is; als werk- en opdrachtgever de hulpverlener(
  2. s)kan aansturen en aan kan spreken op hun functioneren. 2.Het college acht een persoon niet in staat om de aan de pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: problematische schuldenproblematiek; ernstige verslavingsproblematiek; aangetoonde fraude of onrechtmatigheid begaan in het verleden; een verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis. Artikel18.Aanvullende criteria pgb sociaal netwerk 1.De jeugdige aan wie een pgb is verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, mits: dit niet leidt tot overbelasting van deze persoon; deze persoon op geen enkele wijze druk op de ontvanger van de pgb heeft uitgeoefend bij diens beslissing; de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen, zich voldoende op de hoogte heeft gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn; de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen achttien jaar of ouder is; de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen in totaliteit niet meer dan 40 uur per week werkzaam is op basis van een pgb. 2.De jeugdige aan wie een pgb is verstrekt, kan alleen jeugdhulp betrekken van een persoon die tot het sociaal netwerk behoort voor begeleiding, persoonlijke verzorging en logeren. 3.De inzet van jeugdhulp door een persoon die tot het sociaal netwerk behoort is slechts mogelijk indien: dit leidt tot aantoonbaar betere en effectievere ondersteuning dan de ondersteuning geboden door een jeugdhulpaanbieder, niet zijnde een persoon uit het sociaal netwerk; dit aantoonbaar doelmatiger is dan de ondersteuning geboden door een jeugdhulpaanbieder, niet zijnde een persoon uit het sociaal netwerk; en de persoon uit het sociaal netwerk die de jeugdhulp biedt, in staat is om de aan de pgb verbonden beheertaken met voldoende afstand en kritisch te vervullen. 4.Een pgb voor logeren bij iemand die behoort tot het sociaal netwerk is alleen mogelijk: ter ontlasting van de verzorgende ouder(s); wanneer dit in belangrijke mate bijdraagt aan het vergroten van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders; en als daarmee de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp kan worden voorkomen of verminderd. Artikel19.Hoogte pgb 1.Het pgb is niet hoger dan de kosten van de goedkoopste voorziening in natura die past bij wat de jeugdige of zijn ouders nodig hebben. 2.Het pgb is gebaseerd op een tarief per eenheid (uur, dagdeel of etmaal). Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten tarieven: instellingstarief, het zelfstandige zonder personeel (zzp)-tarief en het informeel tarief. 3.Van een instellingstarief is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e graad van de jeugdige: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007); en die een kopie van een geanonimiseerde arbeidsovereenkomst kunnen overleggen waaruit blijkt welke cao wordt toegepast. Het dient daarbij te gaan om een voor de betreffende sector relevante cao die aangemeld is bij de directie UAW van het Ministerie van SZW; en die een SKJ of BIG registratie kunnen overleggen indien van toepassing. Indien een registratie niet van toepassing is, dan wordt een kopie van een relevant diploma van een erkende Nederlandse instelling voor beroepsonderwijs verstrekt van de beoogde hulpverlener en een VOG die bij aanvang van de hulp niet ouder is dan 12 maanden. 4.Van een zzp-tarief is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e graad van de jeugdige: personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en ten aanzien van de voor het pgb uit te voren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregister 2007); en die een SKJ of BIG registratie kunnen overleggen indien van toepassing. Indien een registratie niet van toepassing is, dan wordt een kopie van een relevant diploma van een erkende Nederlandse instelling voor beroepsonderwijs verstrekt van de beoogde hulpverlener en een VOG die bij aanvang van de hulp niet ouder is dan 12 maanden. 5.Indien de jeugdhulp wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk is altijd sprake van een informeel tarief, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te wijken. 6.Indien de beschreven documenten in het derde en vierde lid, niet worden overgelegd, is ten alle tijden sprake van een informeel tarief. 7.De hoogte van de tarieven per eenheid en onderscheiden soort zijn opgenomen in Bijlage 4. Een lager tarief wordt toegekend indien uit het budgetplan blijkt dat de jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 8.Indien de kosten van de met het pgb in te kopen jeugdhulp hoger zijn dan de in het vorige lid bedoelde tarief, wordt het pgb voor het deel dat het tarief overstijgt, conform artikel 8.1.1, vierde lid aanhef en onder a van de wet, geweigerd. De aanvrager betaalt in dat geval de meerkosten zelf aan de SVB. 9.Jaarlijks worden op 1 januari de tarieven die zijn opgenomen in Bijlage 1 geïndexeerd conform het OVA-indexeringspercentage. Voor het informele tarief wordt telkens aangesloten bij het betreffende CAO (VVT)-uurloon inclusief vakantietoeslag en tegenwaarde verlofuren. 10.Het tarief op basis waarvan het pgb is berekend blijft in stand voor de duur van de beschikking. HOOFDSTUK11JEUGDHULPVERVOER Artikel20.Criteria jeugdhulpvervoer 1.Uitgangspunt is dat de jeugdige of zijn ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van de jeugdige naar en van een locatie waar jeugdhulp wordt geboden. 2.Indien de jeugdige vanwege een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kan reizen én de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van zijn ouders ontoereikend zijn om zelf voor het vervoer te zorgen of te laten zorgen, kan een vervoersvoorziening worden verstrekt. 3.Bij het beoordelen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders worden de (financiële) draagkracht en belastbaarheid van de ouders, de reisafstand én de mogelijkheden en bereidheid van iemand uit het sociaal netwerk om de jeugdige te vervoeren, meegewogen. 4.Het college kan voor de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders een werkgeversverklaring vragen indien de ouders aangeven dat ze vanwege werk de jeugdige niet zelf kunnen vervoeren. 5.Als aan de voorwaarden voor het vervoer is voldaan, wordt beoordeeld welke (combinatie van) vervoersvoorziening(
  3. en)het meest passend is. 6.De volgende vervoersmogelijkheden zijn in volgorde van afweging mogelijk: vervoer geregeld door de jeugdhulpaanbieder; kilometervergoeding op basis van de hoogte van de belastingvrije kilometervergoeding voor reiskosten; een vergoeding voor openbaar vervoer voor de jeugdige en een volwassen begeleider op basis van de kosten van een maand- of jaarabonnement; taxivervoer als een vervoersvoorziening als genoemd bij a tot en met c niet mogelijk is of indien dit goedkoper is. 7.Wanneer een jeugdige een vervoersvoorziening ontvangt, kan de vervoersvoorziening worden verstrekt in combinatie met een training ‘zelfstandig leren reizen’. 8.De noodzaak voor een vervoersvoorziening wordt opgenomen in het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 10. HOOFDSTUK12RECHTMATIGHEID, DOELMATIGHEID EN BESTRIJDEN MISBRUIK Artikel21.Herziening, intrekking en terugvordering 1.Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb. 2.Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een besluit, genomen op grond van deze verordening, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen; de individuele voorziening niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening; de jeugdige langer dan zes weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of Zorgverzekeringswet; of de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening en het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3.Als het college een besluit op grond van het tweede lid heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb terugvorderen. 4.Een besluit tot het verstrekken van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor het pgb is verstrekt. 5.Indien de beschikking voor een pgb is gewijzigd of ingetrokken vanwege toerekenbaar handelen van de zorgaanbieder die ten laste van het pgb formele of informele ondersteuning levert, ontstaat een vordering op die zorgaanbieder. De vordering bedraagt het bedrag gelijk aan het door de zorgaanbieder, vanwege het toerekenbaar handelen, ten last van het pgb ten onrechte ontvangen bedrag. Dit derdenbeding is onherroepelijk en blijft ook na beëindiging van de zorgovereenkomst van kracht. 6.De wijze van invorderen van de geldwaarde van de ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of ten onrechte genoten pgb vindt plaats conform artikel 4:92 van de Algemene wet bestuursrecht. De vastgestelde (gehele of gedeeltelijke) geldwaarde, zoals medegedeeld in het betalingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting. 7.Bij de vaststelling van de betalingsverplichting wordt rekening gehouden met de bijzondere, financiële en persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende. Artikel22.Opschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken, als er ten aanzien van de persoon aan wie de pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid onder a, d of e van de wet. 2.Indien de jeugdige langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, detentie of het buitenland kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit de pgb voor de duur van de opname, detentie of verblijf in het buitenland. 3.Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel23.Rechtmatigheid en doelmatigheid 1.Het college treft de nodige maatregelen om de kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura of in de vorm van een pgb te waarborgen en oneigenlijk gebruik, misbruik of fraude te voorkomen. Het college werkt daarbij samen met organisaties die zich bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik, misbruik en fraude binnen de zorg. 2.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van een pgb met het oog op de beoordeling van de kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid daarvan. 3.De ontvanger van de individuele voorziening en eventueel betrokken derden verstrekken het college alle medewerking en informatie die benodigd is voor het onderzoek. 4.Het college onderzoekt met inachtneming van paragraaf 6b van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen. 5.Het college wijst toezichthouders aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en deze verordening. 6.De toezichthouders zijn voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd tot inzage in dossiers. 7.Voor zover de toezichthouders door inzage in bescheiden bij de vervulling van hun taak dan wel door verstrekking van gegevens in het kader van een melding gegevens, daaronder begrepen bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), heeft verkregen, ter zake waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de toezichthouders. 8.Indien uit het onderzoek van het college of de door het college aangewezen toezichthouders blijkt dat er sprake is van een strafbaar feit doet het college daarvan aangifte bij de politie. HOOFDSTUK13KWALITEITSEISEN Artikel24.Kwaliteitseisen 1.De jeugdhulpaanbieders van een individuele voorziening en de voorziening zelf voldoen aan de kwaliteitseisen die daaraan op grond van de artikelen 4.1.1 tot en met 4.1.9 van de wet en de in hun branche geldende beroepscode worden gesteld. 2.Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de jeugdhulpaanbieder werkzaam is, moet de jeugdhulpaanbieder beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. 3.Indien een jeugdhulpaanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, is de jeugdhulpaanbieder als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 4.De jeugdhulpaanbieder zorgt ervoor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. 5.Het college kan aan hulpverleners die werken op basis van een pgb eisen stellen die aansluiten bij de eisen die aan jeugdhulpaanbieders worden gesteld, teneinde de kwaliteit, veiligheid en doelmatigheid van de te leveren ondersteuning te waarborgen. 6.Het college onderzoekt periodiek of steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning. De jeugdhulpaanbieder verleent hierbij alle noodzakelijke medewerking. Artikel25.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1.Het college houdt in het belang van een goede prijs – kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, conform artikel 2.3 van het Besluit Jeugdwet, in ieder geval rekening met de volgende kostprijselementen: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke cao in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; kosten van beroepskrachten die cliëntgebonden zijn; kosten van beroepskrachten die niet cliëntgebonden zijn, waaronder scholing; kosten van indexering. 2.Het college bedingt bij jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen bij derden uitbesteden indien zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3.Het college geeft tenminste vorm aan prijs- of tariefdifferentiatie door rekening te houden met de verschillende vormen van ondersteuning. HOOFDSTUK14OVERGANG VAN 18- NAAR 18+ Artikel26.Overgang van 18- naar 18+ 1.Voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en vanaf de leeftijd van 18 jaar ondersteuning nodig hebben vanuit een andere wet, wordt een perspectiefplan opgesteld zodat de overgang naar een andere wet tijdig wordt voorbereid. 2.Zodra de jeugdige 18 jaar wordt en de noodzakelijk ondersteuning niet vanuit een andere wet kan worden verleend, kan de jeugdhulp worden verlengd tot maximaal tot de dag waarop de jeugdige 23 jaar wordt. Dit kan wanneer: de jeugdige al voor zijn 18e levensjaar jeugdhulp ontving en voortzetting van de jeugdhulp voor deze hulpvraag nodig is; voor het bereiken van de 18e leeftijd is bepaald dat jeugdhulp nodig is; of het college na beëindiging van de jeugdhulp die was begonnen voor het 18e levensjaar, binnen een termijn van een half jaar vaststelt dat voortzetting van de jeugdhulp nodig is. 3.Pleegzorg en verblijf in een gezinshuis wordt ingezet tot de dag dat de jeugdige 21 jaar wordt, tenzij de jeugdige heeft aangegeven hiervan geen gebruik te willen maken. Voor pleegzorg en verblijf in een gezinshuis kan tussen het 21e en 23e jaar verlengde jeugdhulp ingezet worden. 4.Jeugdhulp die in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering wordt verleend vallen na het 18e levensjaar onder de Jeugdwet. HOOFDSTUK15AFSTEMMING MET ANDERE DOMEINEN Artikel27.Afstemming met gezondheidszorg 1.Het college maakt afspraken met de huisartsen en de zorgverzekeraars over de aansluiting tussen de overige voorzieningen en de huisartsenzorg, waaronder de praktijkondersteuning. 2.Het college maakt afspraken met de huisartsen, jeugdartsen en de medisch specialisten over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder e van de wet en artikel 5 van deze verordening, plaatsvindt. 3.Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het centraal indicatieorgaan zorg (CIZ) over hoe de continuïteit van de persoonlijke verzorging, geestelijke gezondheidzorg en gehandicaptenzorg wordt gegarandeerd voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van achttien jaar bereiken en daarmee vallen onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg. Artikel28.Afstemming met gecertificeerde instellingen 1.Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp op basis van het besluit van de gecertificeerde instelling ten behoeve van een kinderbeschermingsmaatregel conform artikel 3.5, eerste lid van de wet of ter uitvoering van jeugdreclassering conform artikel 2.4, tweede lid, onder b van de wet. 2.Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instelling over: het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid van de wet; het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering; de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt; wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een pgb kan zijn namens de jeugdige of zijn ouders. 3.Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5, derde lid van de wet. Artikel29.Afstemming met het justitiedomein 1.Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instelling, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële instellingen over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onder b van de wet. 2.Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken als bedoeld in het eerste lid op in het protocol als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid van de wet. Artikel30.Afstemming met Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang tot de overige en individuele voorzieningen en stelt in regioverband beleid op ten aanzien van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Artikel31.Afstemming met voorschoolse voorzieningen Het college maakt afspraken met de instellingen voor kinderopvang over: de afstemming tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 3 en de voorschoolse voorzieningen; de afstemming, voor zover en indien noodzakelijk, bij het toekennen van individuele voorzieningen voor jeugdigen en hun ouders; de terugkoppeling van de voortgang en resultaten van de individueel voorzieningen; de gezamenlijke zorgarrangementen en de toegang hiertoe. Artikel32.Afstemming met onderwijs 1.Het college maakt afspraken met de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs en de schoolbesturen speciaal onderwijs clusters 1 en 2 over: de afstemming tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 3, leerplicht en het onderwijs en de onderwijsvoorzieningen op scholen; de afstemming, voor zover en indien noodzakelijk, bij het toekennen van individuele voorzieningen voor leerlingen en hun ouders; de terugkoppeling over de voortgang en resultaten van de individuele voorzieningen; de gezamenlijke onderwijszorgarrangementen en de toegang hiertoe. 2.Het college en de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs leggen de afspraken als bedoeld in het eerste lid, vast in een protocol of overeenkomst. Artikel33.Afstemming met Wmo-voorzieningen 1.Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2.Het college draagt zorg voor een goede afstemming van de voorzieningen voor jeugdigen op grond van deze verordening en voorzieningen voor volwassenen, zijnde ouders, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3.Het college draagt zorg voor de continuïteit van onder haar verantwoordelijkheid vallende zorg wanneer de jeugdige de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Artikel34.Afstemming met voorzieningen werk en inkomen 1.Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en (re-integratie)voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Participatiewet, waaronder leerwerktrajecten. 2.Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor volwassenen, zijnde ouder, op grond van de Participatiewet, waaronder aanvullend minimabeleid. HOOFDSTUK16VERTROUWENSPERSOON, KLACHTEN, INSPRAAK EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel35.Vertrouwenspersoon 1.Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders die te maken hebben met jeugdzorg een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon van Jeugdstem. 2.Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en hun ouders, bij het hulpverleningstraject, ondersteund kunnen worden door iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdigen en/of hun ouders (buddy). 3.Na een melding van een hulpvraag bij het wijkteam worden jeugdigen en hun ouders geïnformeerd over de mogelijkheid om een beroep te doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon van JeugdStem en op de mogelijkheid om gedurende het hulpverleningstraject ondersteund te worden door een buddy. Artikel36.Klachtenregeling Het college ziet er op toe dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken die voldoet aan de eisen van paragraaf 4.2.a van de wet en artikel 12 van het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind. Artikel37.Inspraak en medezeggenschap 1.Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt cliënten en/of vertegenwoordigers van cliëntengroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen van het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. HOOFDSTUK17SLOTBEPALINGEN Artikel38.Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels vaststellen. Artikel39.Evaluatie 1.Deze verordening, als mede de nadere regels die op grond van artikel 38 zijn vastgesteld, worden jaarlijks jaar geëvalueerd. 2.Het college rapporteert jaarlijks aan de gemeenteraad het gevoerde beleid waarbij ook de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk worden meegenomen. Artikel40.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen tegen gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel41.Inwerkingtreding en intrekking oude verordening Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking onder gelijktijdige intrekking van de Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2023. Artikel42.Overgangsbepalingen 1.Een jeugdige of ouder houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2023 voor de duur van de beschikking. 2.Aanvragen voor een individuele voorziening in natura of een pgb of een vervoersvoorziening die voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn ontvangen en waarop nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van de Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2023. Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Vlaardingen, gehouden op 17 juli 2025De griffier, I.L.J.C. Konings LLM MADe voorzitter,drs. B. Wijbenga - van NieuwenhuizenBIJLAGE1BEOORDELINGSKADER JEUGDHULPONDERZOEK Inleiding De Centrale Raad van Beroep heeft in een uitspraak van 1 mei 2017 (CRVB:2017:1477) voor het eerst (en later herhaald) een beoordelingskader gegeven voor een zorgvuldig jeugdhulponderzoek. 4.3.1. Uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet volgt dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  4. s)en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. 10 stappenplan Het beoordelingskader van de CRvB kent een aantal stappen die gevolgd moeten worden om te kunnen spreken van een zorgvuldig onderzoek. Het beoordelingskader is hieronder uitgewerkt (en uitgebreid) in een 10 stappenplan. De 10 stappen zijn de volgende: Stel de hulpvraag van de jeugdige en/of de ouders vast Onderzoek of de gemeente verantwoordelijk is (woonplaatsbeginsel, artikel 1.1. Jeugdwet) Onderzoek of de Jeugdwet van toepassing is Breng in kaart wat de beperkingen/problematiek van de jeugdige is. Is er sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen? En als daar sprake van is, maak concreet om welke problemen en/of stoornissen het gaat. Bepaal vervolgens welke hulp nodig is in vorm, duur en frequentie, gelet op de problematiek. De hulp moet de jeugdige in staat stellen om: gezond en veilig op te groeien te groeien naar zelfstandigheid voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren Onderzoek de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  5. s)en het sociale netwerk Onderzoek of er een voorliggende voorziening is Onderzoek of er een algemene voorziening is Voor zover de eigen kracht ontoereikend is en er geen voorliggende of algemene voorziening is waar de jeugdige gebruik van kunnen maken, komt de jeugdige in aanmerking voor een individuele voorziening. Is dat het geval dan volgen de stappen 9 en 10. Informeer de jeugdige/ouders over de mogelijkheid van een persoonsgebonden budget (pgb) Beoordeel of aan de voorwaarden voor een pgb wordt voldaan (artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet) BIJLAGE2AFBAKENING JEUGDWET MET ANDERE WETTEN BINNEN HET SOCIAAL DOMEIN Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet passend onderwijs is als volgt geregeld: Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair is gericht op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet passend onderwijs is deze wet voorliggend op de Jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet. Als de ondersteuning zoals beschreven bij 1 en 2 mogelijk ook een bijdrage levert aan de ontwikkeling op andere leefgebieden, is de gemeente niet verantwoordelijk voor die ondersteuning. Als een jeugdige voor het behalen van onderwijsdoelen begeleiding en/of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen, valt de ondersteuning onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Daarbij zijn algemene voorzieningen voorliggend op individuele voorzieningen. Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag. Afbakening Jeugdwet en Wet langdurige zorg De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet langdurige zorg is als volgt geregeld: Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft: ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de jeugdige of; omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen, door fysieke problemen, of door zware regieproblemen. Ondersteuning die gezien voorgaande in ieder geval niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet valt, betreft: logeeropvang voor jeugdigen met een indicatiebesluit Wet langdurige zorg; verblijf in een instelling; vervoer naar en van een locatie voor Wet langdurige zorg; behandeling van psychische stoornissen, mits deze een integraal onderdeel uitmaken van de behandeling die vanuit de Wet langdurige zorg geboden wordt. Als jeugdige of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit, bijvoorbeeld bij de noodzaak tot meer dan 4 dagdelen dagbesteding, dan weigert het college een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. Als een jeugdige met een besluit op basis van de Wet langdurige zorg een aanvraag indient voor behandeling voor een psychische stoornis, verleent het college een individuele voorzienig jeugdhulp, mits de behandeling integraal onderdeel uitmaakt van de geboden behandeling vanuit de Wet langdurige zorg. Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Zorgverzekeringswet is als volgt geregeld: Indien de jeugdige medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, dan valt dit niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet en is er in dat kader geen recht op een individuele voorziening op basis van de Jeugdwet. Voorbeelden van zorg op basis van de Zorgverzekeringswet zijn: hulpmiddelenzorg; ziekenvervoer; zintuiglijke gehandicaptenzorg. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, verleent het college een individuele voorziening. Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Het college verleent alleen laatstgenoemde individuele voorziening, mits de jeugdige daarvoor gezien zijn jeugdhulpvraag in aanmerking komt. Jeugdhulp met verblijf valt niet onder de Jeugdwet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie. Jeugdhulp met verblijf valt onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als het een verblijf van de jeugdige buiten de thuissituatie betreft, niet zijnde een ziekenhuisverblijf. Het college verleent alleen laatstgenoemde individuele voorziening, mits de jeugdige daarvoor gezien zijn jeugdhulpvraag in aanmerking komt. Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is als volgt geregeld: Als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, dan verleent het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet, tenzij sprake is van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het betreft dan bijvoorbeeld: voorzieningen in de vorm van hulpmiddelen, woningaanpassingen en een gebarentolk; een vervoersvoorziening om te kunnen reizen naar verschillende locaties, zoals sportverenigingen en recreatieplekken; een maatwerkvoorziening voor opvang, indien de jeugdige met een ouder meekomt die de thuissituatie moet verlaten, vanwege bijvoorbeeld huiselijk geweld, mishandeling of een huisuitzetting. BIJLAGE3RICHTLIJNEN GEBRUIKELIJKE ZORG Kinderen van 0 tot 3 hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig; ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is; gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers; hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen; hebben begeleiding nodig bij in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 12 kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld het kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is); hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; zijn overdag zindelijk, en ’s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school of activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 12 tot 18 jaar hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijvoorbeeld huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. BIJLAGE4TARIEVEN PGB 2025 Zorgcategorie Eenheid Instellingstarief ZZP tarief Informeel tarief Individuele begeleiding basis (licht/midden) uur 60,42 50,14 25,61 Individuele begeleiding Specialistisch (zwaar/spec.) uur 70,26 58,32 - Groepsbegeleiding / dagbesteding Licht (8 of meer cliënten) dagdeel 67,19 55,77 - Groepsbegeleiding / dagbesteding Midden (4-6 cliënten) dagdeel 76,61 63,59 - Groepsbegeleiding / dagbesteding Zwaar (4 cliënten of minder) dagdeel 80,99 67,21 - Kortdurend verblijf / logeren / respijtzorg Licht etmaal 210,26 174,52 64,04 (max. 2,5 uur) Kortdurend verblijf / logeren / respijtzorg Midden etmaal 295,39 245,18 64,04 (max. 2,5 uur) Individuele behandeling vaktherapie uur 73,55 61,04 - Basis Jeugd GGZ uur 98,50 81,75 - Gespecialiseerde Jeugd GGZ uur 123,23 102,28 - Dagbehandeling groep Licht (8 of meer cliënten) dagdeel 82,09 68,13 - Dagbehandeling groep Midden (4-6 cliënten) dagdeel 93,03 77,22 - Dagbehandeling Groep Zwaar (4 cliënten of minder) dagdeel 119,29 99,01 - Persoonlijke verzorging uur 62,50 50,14 25,61 BIJLAGE5PRODUCTENBOEK MEVIS Inleiding Voor u ligt het productenboek Jeugd van Mevis. Mevis is de partner in de gemeenten Maassluis, Vlaardingen en Schiedam (MVS) voor de uitvoering van de jeugdhulp. Van laagdrempelige hulp in de wijkteams tot specialistische hulp, wanneer nodig. Het productenboek Jeugd is met zorg opgesteld door het contractmanagement van Mevis. Dit productenboek is tot stand gekomen door consultaties met de marktpartijen en de aangesloten gemeenten van Mevis vanuit de visie van het MVS-Jeugdmodel. De kern van het MVS-Jeugdmodel is de ontwikkeling van gezamenlijke werkwijzen door de schotten van organisaties heen waardoor daadwerkelijk het kind en de benodigde oplossing centraal staan en waarin de oplossing/ondersteuning zoveel mogelijk plaatsvindt in het normale leven. De verandering ten opzichte van de vorige aanbestedingsperiode betekent dat we als netwerk van professionals en inwoners vanuit het belang van kind en gezin gaan handelen, met grote consequenties voor professie, methodiek, wijze van samenwerken en communicatie. In transformatietermen betekent dit veranderingen in de structuren (systemen), maar evenzeer in de cultuur (handelen vanuit vertrouwen, gelijkwaardig communiceren, inclusief denken, etc.). Werkendeweg willen we ondersteunende netwerken bouwen rondom jeugdigen en hun ouders en opvoeders. Dat betekent een transformatie van organisatie-denken naar netwerkdenken. In ons aller optiek is dat de beste manier om de inzet van de mensen achter het MVS-Jeugdmodel (kind, ouders, inwoner, professionals) tot hun recht te laten komen. Om deze redenen kiezen we in onze strategie niet voor een geïsoleerde top-down of Bottom-up benadering. Maar voor top-down en Bottom-up tegelijkertijd. Van partijen die in onderaannemerschap van Mevis specialistische jeugdhulp leveren, wordt verwacht dat zij de landelijke richtlijnen voor jeugdhulp en de norm verantwoorde werktoedeling in acht nemen; Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming Norm verantwoorde werktoedeling - SKJeugd Ambulante hulp Individuele begeleiding licht/midden/zwaar Het bieden van activiteiten gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid. Het ondersteunen bij beperkingen op het vlak van zelfregie over het dagelijks leven, waaronder begeleiding bij tekortschietende vaardigheden in zelfregelend vermogen. Begeleiden bij het toepassen en inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijks leven door herhaling en methodische interventie. Om dit te realiseren wordt samenwerking gezocht met het netwerk, voorliggend veld en samenwerkingspartners, zodat praktische zaken voor het gezin (persoonlijk functioneren, lichamelijke gezondheid, psychische gezondheid, opvoeden en opgroeien, zingeving, financiën en administratie, wonen) geregeld kunnen worden. Tijdens de individuele begeleiding dient er te allen tijde een ouder/opvoeder beschikbaar te zijn (met uitzondering van de Begeleiding op School). Individuele begeleiding kan niet ingezet worden als vervangende opvoeding of opvang van kinderen wanneer ouders/opvoeders niet beschikbaar zijn. Het cumulatief van de individuele uren kan (met uitzondering van begeleiding op school) niet hoger zijn dan 10 uur per week. Individuele begeleiding licht Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle 2 - 18 45M02 Uur 6 uur p/w 6 maanden Doelgroep Kinderen/jongeren met (gedrags-)problemen op een aantal leefgebieden (al dan niet veroorzaakt door een verstandelijke beperking). Ouders voelen zich onzeker of niet competent. Het netwerk is af en toe beschikbaar. Er is behoefte aan praktische ondersteuning. Aanvullende eisen Uitgangpunt voor individuele begeleiding licht is, dat dit in het vrijwillig kader uitgevoerd wordt door de jeugdprofessional in het wijkteam. Dit is in beginsel geen specialistische/uitbesteedde zorg. De begeleiding wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van mbo-niveau 3 tot en met hbo. Het zwaartepunt ligt bij de inzet op hbo-niveau. Professionals met een mbo-opleiding werken te allen tijde onder supervisie van een SKJ- geregistreerde professional. Opdrachtnemer past de norm van de verantwoorde werktoedeling* toe. Individuele begeleiding midden Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle 2 - 18 45M04 Uur 8 uur p/w 9 maanden Doelgroep Kinderen/jongeren met gedragsproblemen op een aantal leefgebieden (al dan niet veroorzaakt door een verstandelijke beperking). Er kan sprake zijn van opvoedstress bij de ouders/verzorgers en dat zij zich tekort geschoten voelen in de opvoeding. Er is (zeer) beperkt steun vanuit het netwerk. Er is behoefte aan ondersteuning op verschillende leefgebieden Aanvullende eisen De begeleiding wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van mbo-niveau 4 tot en met wo (functiemix). Uitgangpunt voor individuele begeleiding midden is, dat dit in het vrijwillig kader uitgevoerd wordt door de jeugdprofessional in het wijkteam. Dit is in beginsel geen specialistische zorg. Het zwaartepunt ligt bij een combinatie van mbo- en hbo-opleidingsniveau. Een gedragswetenschapper/orthopedagoog is voor advisering beschikbaar. Professionals met een mbo-opleiding werken te allen tijde onder supervisie van een SKJ- geregistreerde professional. Opdrachtnemer past de norm van de verantwoorde werktoedeling toe. Er wordt door de opdrachtnemer nauw samengewerkt met andere betrokkenen in het netwerk zoals het gezin, de school en andere zorgverleners, om een sluitend aanbod te bieden. Individuele begeleiding zwaar Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle 2 - 18 45M06 Uur 10 uur p/w 6 maanden Doelgroep Kinderen/jongeren met een ernstig gedragsprobleem en onbegrepen emoties (al dan niet veroorzaakt door een verstandelijke beperking). Het gedrag van de jeugdige levert mogelijk onveilige situaties voor hem op en/of voor zijn omgeving. Er is sprake van een verstoorde ouder- kind relatie en een steunend netwerk ontbreekt. Er kan sprake zijn van een onveilige opvoedsituatie voor de jeugdige. Aanvullende eisen De hulp wordt geboden door een multidisciplinair team, dat in ieder geval bestaat uit SKJ- geregistreerde professionals met een opleiding op hbo-niveau en deskundigheid op het gebied van veiligheid, en een behandelaar (orthopedagoog/psycholoog). Individuele begeleiding specialistisch Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle 0 - 18 45M08 Uur 10 uur p/w 6 maanden Doelgroep Kinderen/jongeren met een ernstig gedragsprobleem en onbegrepen emoties (al dan niet veroorzaakt door een verstandelijke beperking). Het gedrag van de jeugdige levert mogelijk onveilige situaties voor hem op en/of voor zijn omgeving. Er is sprake van een verstoorde ouder- kind relatie en een steunend netwerk ontbreekt. Er kan sprake zijn van een onveilige opvoedsituatie voor de jeugdige. Aanvullende eisen De hulp wordt geboden door een multidisciplinair team, dat in ieder geval bestaat uit SKJ- geregistreerde professionals met een opleiding op hbo-niveau en deskundigheid op het gebied van veiligheid, en een behandelaar (orthopedagoog/psycholoog). Opdrachtnemer past de norm van de verantwoorde werktoedeling toe. Laag frequente begeleiding (vinger aan de pols) Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle 2 - 18 45M09 Uur 30 minuten p/w 3 maanden Dit product kan ingezet worden na een ambulant begeleidingstraject als nazorg. De inzet bestaat uit kort contact (bij voorkeur digitaal of telefonisch) tussen de hulpverlener en jongere/gezin om de stabiliteit in het gezin te kunnen toetsen en waar nodig nog begeleidingsadviezen te geven. Begeleiding op School (Shadowbegeleiding in de klas) Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle 4 – 18 45M11 Uur 15 uur p/w 6 maanden* De maximale inzet is 6 maanden, dit is exclusief schoolvakanties. De weken dat er geen school is, mogen opgeteld worden bij de 6 maanden. Wanneer de einddatum van de toewijzing binnen een maand van het einde van een schooljaar ligt, mag de toewijzing doorlopen tot einde schooljaar. Bij shadowbegeleiding komen zorg en onderwijs samen. De begeleiding is gericht op individuele leerinhoudelijke ondersteuning, op het reguleren van gedrag, maar ook professionele praktische ondersteuning bij lichamelijke verzorging. Dit alles gebeurt in nauwe samenwerking met de school en de hulpverlener. Doelgroep Ambulante begeleiding is er voor kinderen en jongeren die door hun beperking of door gedragsproblemen binnen hun eigen onderwijsvorm onvoldoende tot leren kunnen komen. Ook is er begeleiding voor kinderen met een grote of specifieke zorgbehoefte. Aanvullende eisen De productbeschrijvingen van de producten 45M02 (individuele begeleiding licht) en 45M04 (individuele begeleiding midden) zijn bij de inzet van het product Shadow van toepassing met dien verstande dat de begeleiding wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van mbo-niveau 4 tot en met wo. De begeleiding vindt plaats in de school en in klas van de jeugdige. Observatie en analyse tijdens verschillende leer- en contactmomenten tijdens school zijn onderdeel van de begeleiding. Gezinsbegeleiding Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Gezin/systeem 6 - 18 45M13 Uur 8 uur p/w 1 jaar Gezinsbegeleiding bestaat uit hulp in de thuissituatie die zowel aan ouder(
  6. s)als de jeugdige(
  7. n)wordt geboden. Ouder(s)/opvoeder(
  8. s)worden ondersteund bij het bieden van een goed en veilig opvoedklimaat voor de jeugdige. De jeugdige krijgt ondersteuning gericht op zijn eigen ontwikkeling en het bereiken van ontwikkeldoelen. Daarnaast krijgt hij/zij inzicht in het effect van de beperking van de ouder(s), waarbij de jeugdige het (problematisch) gedrag van zijn of haar ouder(
  9. s)niet of minder betrekt op zichzelf en waarbij hij/zij zich bewust is hoe de beperking van de ouder(
  10. s)effect kan hebben op de wijze van opvoeden en de ouder-kindrelatie. De ondersteuning draagt bij aan een veilige woonsituatie, waarin de kinderen/jongeren zich goed kunnen ontwikkelen. De ondersteuning is tevens gericht op de problemen op andere leefgebieden van het gezin of de gezinsleden die van invloed zijn op de opvoedsituatie, waarbij ouder(
  11. s)inzicht krijgen in de beperking of problematiek van hun kind of zichzelf, in de interactie tussen gezinsleden en de invloed daarvan op hun kind(eren). Doelgroep Gezinnen waar de jeugdige en/of de ouder(s)/opvoeder(
  12. s)beperkt zijn in de zelfredzaamheid door een lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve of verstandelijke beperking, of een psychiatrische of psychosociaal probleem of een combinatie daarvan en/of de jeugdige problemen ervaart in de ontwikkeling als gevolg van een beperking van de ouder(s)/opvoeder(s). Ouder(
  13. s)zijn in staat om met de inzet van gezinsbegeleiding de jeugdige een veilig opvoedklimaat te bieden. Het gedrag van de jeugdige en de ouder(s)/opvoeder(
  14. s)is voorspelbaar en risico`s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten. De jeugdige groeit op in een veilige omgeving. Aanvullende eisen De begeleiding wordt geboden door een functiemix van mbo- en hbo-geschoold personeel. Daar waar nodig kan een gedragswetenschapper meekijken. Jeugd- en opvoedhulp Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Ouders 4 - 18 45M15 Uur 6 uur p/w 9 maanden Ouder(s)/opvoeder(
  15. s)worden ondersteund bij het bieden van een goed en veilig opvoedklimaat voor de jeugdige. De jeugdige krijgt ondersteuning gericht op zijn eigen ontwikkeling en het bereiken van ontwikkeldoelen. Daarnaast krijgt hij/zij inzicht in het effect van de beperking van de ouder(s), waarbij de jeugdige het (problematisch) gedrag van zijn of haar ouder(
  16. s)niet of minder betrekt op zichzelf en waarbij hij/zij zich bewust is hoe de beperking van de ouder(
  17. s)effect kan hebben op de wijze van opvoeden en de ouder-kindrelatie. De ondersteuning draagt bij aan een veilige woonsituatie, waarin de kinderen/jongeren zich goed kunnen ontwikkelen. Doelgroep De hulpverlening richt zich op ouder(s), om hen te leren om te gaan met het specifieke probleemgedrag van hun kind/kinderen. Wanneer de hulpvraag vooral gericht is op basale opvoedvaardigheden van ouders, dan wordt de zorg niet vanuit jeugdhulp toegewezen maar is een WMO aanvraag voorliggend. Aanvullende eisen De begeleiding wordt geboden door een functiemix van mbo- en hbo-geschoold personeel, waarbij het zwaartepunt ligt op hbo-geschoold personeel. Daar waar nodig kan een gedragswetenschapper meekijken. Multidimensionele Familietherapie (MDFT) Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Gezin/systeem 12 - 18 45M16 Uur 6 uur p/w 6 maanden* MDFT traject duurt doorgaans 6 maanden. Wanneer een aanbieder een langere toewijzing wenst (om vakanties te kunnen overbruggen o.i.d.), dan kan er voor 9 maanden 4 uur p/w worden toegewezen. Volume blijft altijd 156 uur. Multidimensionele familietherapie (MDFT) is een systeemtherapie voor jongeren met enkelvoudig of meervoudig probleemgedrag waarvan de centrale elementen delinquentie of stoornissen in alcohol- of druggebruik zijn. MDFT richt zich niet alleen op de jongere zelf, maar ook op het gezin en op de bredere sociale omgeving van de jongere zoals school, werk, vrije tijd en buurt. Het doel van MDFT is ervoor te zorgen dat het probleemgedrag van de jongere stopt of althans afneemt. Bij dreigende uithuisplaatsing is het doel bovendien om de uithuisplaatsing van de jongere te voorkomen. Doelgroep Jongeren (m/
  18. v)van 12 tot en met 24 jaar die crimineel gedrag vertonen en/of een stoornis hebben in gebruik van alcohol en/of drugs (middelengebruik), al dan niet gepaard gaand met psychische comorbiditeit. Aanvullende eisen De aanpak van MDFT bestaat uit sessies met de jongere, de ouders en met hen samen. Minstens één ouder of plaatsvervangend ouder doet aan MDFT mee. De behandeling wordt geboden door een functiemix van hbo- en wo-geschoold personeel aangevuld met een opleiding tot MDFT therapeut Gezinsbehandeling Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Gezin/systeem 4 - 18 45M18 Uur 6 uur p/w 6 maanden De gezinsbehandeling richt zich op gezinnen met kinderen tussen de 0 en 18 jaar, waarbij ouders moeilijkheden ervaren in de opvoeding van hun kind(eren) met de daarbij horende opvoedvraagstukken. We werken met gezinnen die zijn ontwricht of dreigen ontwricht te raken. Veelal gaat dit gepaard met overbelasting van de ouders door problemen op diverse gebieden, die voor overmatige stress zorgen. Hierdoor komt de veiligheid van de kinderen in het geding en kan er sprake zijn van een stagnatie in de ontwikkeling, met een dreigende uithuisplaatsing tot gevolg. Of het kind is al uithuisgeplaatst en het gezin heeft hulp nodig om een blijvende uithuisplaatsing te voorkomen. Doelgroep Gezinnen met minimaal één kind tot 18 jaar die moeilijk toegankelijk zijn voor hulpverleners. In de praktijk zijn de kinderen in het gezin meestal tussen de 6 en 14 jaar. De gezinnen kampen met meervoudige en complexe problemen en zijn vaak weerbarstig en moeilijk toegankelijk voor hulpverleners. De hulp richt zich zowel op de kinderen in het gezin, de ouders als op het betrokken sociaal netwerk. Aanvullende eisen Er is minstens één thuiswonend of terug te plaatsen kind tussen de 4 en 18 jaar. De ouders ervaren een bovengemiddelde opvoedingsbelasting en hebben benedengemiddelde opvoedingsvaardigheden. Eén of meer kinderen in het gezin kampt met ernstige in- of externaliserende problematiek (blijkend uit een gedragsvragenlijst: het kind scoort op minimaal twee subschalen van de Child Behaviour Checklist (CBCL; onderdeel van de zogenoemde ASEBA-vragenlijsten, zie www.aseba.
  19. nl)in het (sub)klinische gebied of heeft een vergelijkbare score op eenzelfde soort instrument). Er zijn problemen met het netwerk (het ontbreken van een sociaal netwerk, het hebben van een weinig ondersteunend sociaal netwerk of het ervaren van conflicten binnen het netwerk). De behandeling wordt geboden door een functiemix van hbo- en wo-geschoold personeel aangevuld. Praktische Pedagogische gezinsbegeleiding (PPG) Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur JmB (ouders van) 2 - 18 45M55 Uur 4 uur p/w 6 maanden PPG is concrete en tijdelijke opvoedingshulp in de thuissituatie. Bij PPG zoeken we met de ouders praktisch naar mogelijkheden om problemen in de opvoeding het hoofd te kunnen bieden. De begeleiding richt zich op het hele gezin. Een pedagogisch gezinsbegeleider komt wekelijks op bezoek. Er hoeft geen sprake te zijn van zware problemen of een uit de hand gelopen situatie. Doelgroep Ouders/opvoeders, kinderen met een meervoudige beperking, kinderen met een verstandelijke beperking. Aanvullende eisen De begeleiding wordt geboden door een functiemix van mbo- en hbo-geschoold personeel, het zwaartepunt ligt op hbo- opleidingsniveau. Waar nodig kan een gedragswetenschapper meekijken. Daghulp Kinderen kunnen daghulp vanuit de Jeugdwet krijgen als hij of zij: jonger dan 18 jaar is, en vanwege een ziekte, ernstig probleemgedrag of beperking niet naar kinderopvang of school kan, en geen indicatie heeft of kan krijgen voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg. Daghulp wordt georganiseerd in dagdelen. Een dagdeel duurt gemiddeld 4 uur. Het maximumvolume bedraagt 6 dagdelen per week. Indien de inhoudelijke onderbouwing van de casusregisseur daartoe aanleiding geeft en aantoont dat uitbreiding in het belang van de jeugdige noodzakelijk is, kan het maximumvolume worden verhoogd tot maximaal 9 dagdelen per week. Daghulp kan waar nodig aangevuld worden met maximaal 4 uur individuele begeleiding op de groep. Wanneer er meer individuele inzet dan 4 uur per week gewenst is, dan dient dit met onderbouwing aangevraagd te worden bij de casusregisseur. Wanneer de individuele inzet meer dan 4 uur per week toegekend wordt, dan dient het volume dagdelen verlaagd te worden Begeleiding groep licht/midden/zwaar Begeleiding Groep is gericht op het in groepsverband activeren en stimuleren van de ontwikkeling van een jeugdige op de verschillende leefgebieden, bijvoorbeeld ter bevordering van de zelfredzaamheid of ter verbetering van gedrag. Begeleiding Groep bevat activiteiten waarmee een jeugdige wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en het aanbrengen en behouden van structuur in, en regie over, het persoonlijk leven. Het kan daarbij ook gaan om het automatiseren van de in een behandeling aangeleerde vaardigheden en gedrag door het (herhaald) toepassen in de praktijk. De inzet van de professional kan daarbij variëren, zowel in persoon als in duur en/of frequentie. Gekozen wordt voor Begeleiding Groep als de verwachting is dat in een groep beter dan individueel de gestelde doelen kunnen worden behaald. De sociale interactie in een groep, leren van elkaar en ook steun ervaren en tips krijgen van lotgenoten worden in de groepsbegeleiding als instrument gebruikt. Daarnaast wordt door professionals een specifiek pedagogisch klimaat geboden dat de ontwikkeling van de jeugdigen stimuleert. Bij het product Begeleiding Groep wordt onderscheid gemaakt tussen ‘licht, midden of zwaar’. Welke van de drie wordt ingezet, is afhankelijk van de ondersteuningsvraag- en de complexiteit van de situatie van de jongere. Criteria en/of factoren die bepalen of er al dan niet sprake is van een complexe hulpvraag, waarbij de variant Begeleiding Groep Licht kan worden ingezet, staan dus vermeld bij Doelgroep en Complexiteit. Wanneer de jeugdige op locatie van de Aanbieder wordt behandeld, geldt dat (pleeg)ouder(s)/verzorgers en/of voogd de eerste verantwoordelijkheid hebben om vervoer te organiseren. Het tarief voor dit product is exclusief het vervoer van cliënt naar aanbieder. Indien het voor (pleeg)ouder(s)/verzorgers en/of voogd niet haalbaar blijkt om vervoer te organiseren vanwege zwaarwegende omstandigheden, dient er contact opgenomen te worden met het wijkteam. Doelgroep Jeugdigen met problematiek op één of meer leefgebieden ten gevolge van psychische problematiek, een beperkte ontwikkelingsachterstand, een verstandelijke beperking en/of gedragsproblematiek, die beschikken over voldoende verandercapaciteit en voldoende mogelijkheden tot het ontwikkelen van vaardigheden, maar ook voor jeugdigen die over beperkte verandercapaciteit beschikken en praktische handvatten nodig hebben om, om te kunnen omgaan met hun problematiek. Begeleiding groep Licht Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle jeugd 4 - 16 45M30 Dagdeel 6 dagdelen p/w 1 schooljaar Doelgroep Er is sprake van klachten op één of twee leefgebieden ten gevolge van psychische problematiek, een beperkte ontwikkelingsachterstand, een verstandelijke beperking en/of gedragsproblematiek. Het netwerk is voldoende ondersteunend. De jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(
  20. s)hebben goed tot matig inzicht in de eigen beperkingen. De vragen en problemen betreffen over het algemeen één of twee leefgebieden en zijn niet geëscaleerd. Er zijn geen of nauwelijks veiligheidsrisico’s: de veiligheid van de jeugdige, (pleeg)ouder(s), verzorger(s), voogd en ambulant begeleider(
  21. s)kan voldoende gewaarborgd worden. De voorspelbaarheid is redelijk tot goed. Onverwachte hulpvragen zijn planbaar en uitstelbaar tot volgende contactmomenten of telefonisch contact tijdens kantooruren. Aanvullende eisen Aanbieder hanteert een groepsgrootte van maximaal 8 jeugdigen. Alle begeleiders hebben minimaal een relevante afgeronde opleiding op mbo- niveau 3 (conform de norm van verantwoorde werktoedeling). Bij meerdere begeleiders op één groep wordt een verantwoorde samenstelling van het team van aanwezige begeleiders verwacht, conform de norm van verantwoorde werktoedeling. Ook bij Begeleiding Groep Licht kan de directe begeleider terugvallen op een SKJ of /BIG-geregistreerde professional op tenminste specifiek aantoonbaar hbo- niveau. Begeleiding groep Midden Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle jeugd 4 - 16 45M31 Dagdeel 6 dagdelen p/w 1 schooljaar Doelgroep Er is sprake van klachten op meer dan twee leefgebieden ten gevolge van psychische problematiek, een beperkte ontwikkelingsachterstand, een verstandelijke beperking of gedragsproblematiek. De jeugdige en/of (pleeg)ouder(s)/verzorger(
  22. s)en/of voogd hebben redelijk tot matig inzicht in de eigen beperkingen. De jeugdige heeft ondersteuning nodig om te kunnen overgaan tot het uitvoeren van dagelijkse activiteiten. De vragen en problemen betreffen over het algemeen meer dan twee leefgebieden en zijn niet geëscaleerd. Het netwerk is beperkt ondersteunend. Het (pleeg)gezinssysteem moet ontlast en ondersteund worden om met de situatie om te kunnen gaan. Er is geen sprake van een complexe (pleeg)gezinssituatie: (pleeg)ouder(s)/verzorger(
  23. s)en/of voogd hebben voldoende opvoedvaardigheden, alleen de draagkracht/draaglast is niet in verhouding; Er zijn geen of nauwelijks veiligheidsrisico’s: de veiligheid van de jeugdige, (pleeg) ouder(s)/verzorger(
  24. s)en/of voogd en ambulant begeleider(
  25. s)kan voldoende gewaarborgd worden; De voorspelbaarheid is redelijk tot goed. Onverwachte hulpvragen zijn planbaar en uitstelbaar tot volgende contactmomenten of telefonisch contact tijdens kantooruren. Aanvullende eisen Tenminste één van de direct begeleiders heeft minimaal een relevante afgeronde opleiding op mbo- niveau 4 (conform de norm van verantwoorde werktoedeling). Bij meerdere begeleiders op één groep wordt een verantwoorde samenstelling van het team van aanwezige begeleiders verwacht, conform de norm van verantwoorde werktoedeling. Ook bij Begeleiding Groep Midden kan de directe begeleider terugvallen op een SKJ- of BIG-geregistreerde professional op tenminste specifiek aantoonbaar hbo-niveau. Aanbieder hanteert een groepsgrootte van maximaal 6 jeugdigen. Begeleiding groep Zwaar Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle jeugd 4 - 16 45M32 Dagdeel 6 dagdelen p/w 1 schooljaar Doelgroep Jeugdigen met meervoudige klachten op meerdere leefgebieden ten gevolge van psychische problematiek, een beperkte ontwikkelingsachterstand, een verstandelijke beperking en/of gedragsproblematiek, die beschikken over voldoende verandercapaciteit en voldoende mogelijkheden tot het ontwikkelen van vaardigheden, maar ook voor jeugdigen die over beperkte verandercapaciteit beschikken en praktische handvatten nodig hebben om te gaan met hun problematiek. De ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige wordt hierdoor bedreigd en er is hoog risico op escalatie. De jeugdige en/of (pleeg)ouder(s)/verzorger(
  26. s)en/of voogd hebben matig inzicht in de eigen beperkingen en hebben ondersteuning nodig om te kunnen overgaan tot het uitvoeren van dagelijkse activiteiten. Het (pleeg)gezinssysteem moet actief en regelmatig ontlast/ondersteund worden om met de situatie om te kunnen gaan en nieuwe vaardigheden te leren. De (pleeg)ouder(s)/verzorger(
  27. s)en/of voogd zijn mogelijk onvoldoende veerkrachtig. Er is sprake van een complexe (pleeg)gezinssituatie: (pleeg)ouder(s)/verzorger(
  28. s)en/of voogd hebben onvoldoende (opvoed)vaardigheden om met de huidige situatie om te gaan. Er zijn veiligheidsrisico’s vanwege onvoorspelbaarheid in gedrag en zorgbehoefte. Aanvullende eisen De directe begeleider heeft minimaal een relevante afgeronde opleiding op hbo-niveau en een SKJ- of BIG-registratie, conform de norm van verantwoorde werktoedeling. Bij meerdere begeleiders op één groep wordt een verantwoorde samenstelling van het team van aanwezige begeleiders verwacht, eveneens conform de norm van verantwoorde werktoedeling. Er is een gedragswetenschapper beschikbaar ter consultatie. Aanbieder hanteert een groepsgrootte van maximaal 4 jeugdigen. Dagbehandeling licht/midden/zwaar Het product Dagbehandeling is gericht op het behandelen van licht tot complexe enkelvoudige of meervoudige problematiek. Deze problematiek kan van pedagogische, systemische en/of psychologische aard zijn (zoals gedragsproblemen, een ontwikkelingsachterstand en/of sociaal emotionele problemen). Er wordt gekozen voor Dagbehandeling als de verwachting is dat in een groep beter de gestelde doelen kunnen worden behaald. De sociale interactie in een groep, leren van elkaar en ook steun ervaren en tips krijgen van lotgenoten wordt in de groepsbehandeling als instrument gebruikt. Daarnaast wordt door professionals een specifiek pedagogisch klimaat geboden dat de ontwikkeling van de jeugdigen stimuleert. Er zijn concrete ontwikkeldoelen geformuleerd voor de jeugdige. Het is uiteraard ook mogelijk om een combinatie van individuele- en groepsbehandelingsmethodieken in te zetten om de gestelde doelen te behalen. Bij Dagbehandeling wordt ingespeeld op de groepsdynamica: er zitten individuele componenten in, bijvoorbeeld individuele intake, contactmomenten of (tussen)evaluatie. Het kan gaan om kleine groepen jeugdigen en/of gezinssystemen en het accent ligt op inzicht en reflectie. Wanneer Dagbehandeling aan jeugdigen wordt gegeven, kunnen de (pleeg)ouder(s), verzorger(
  29. s)en/of voogd ook een rol in de training spelen. Bij het product Dagbehandeling wordt onderscheid gemaakt tussen ‘Licht, Midden en Zwaar’. Welke van de drie wordt ingezet, is afhankelijk van de ondersteuningsvraag van de jeugdige en de complexiteit van zijn situatie. De in te zetten hulp is doelmatig en passend en niet meer kostbaar dan nodig om de behandeldoelen te bereiken. Doelen Herstel, ontwikkeling, stabiliseren en/of hanteerbaar maken van het probleem of de beperking; Het stabiliseren van een gezonde en/of veilige (tijdelijke) opvoedsituatie; Het verbeteren van opvoedsituatie waarin jeugdigen opgroeien door het versterken van opvoedvaardigheden van het systeem; Het stimuleren van de normale en gezonde ontwikkeling van jeugdigen; Het opheffen of verminderen van probleemgedrag en het vergroten van de zelfredzaamheid van de jeugdigen en het systeem. Dagbehandeling Licht Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle jeugd 6 - 18 41M01 Dagdeel 6 dagdelen p/w 1 schooljaar Doelgroep Kinderen met licht tot complexe enkelvoudige problematiek welke door het probleemgedrag tijdelijk geen onderwijs kunnen volgen. De verwachting is dat met een tijdelijke interventie en behandeling het kind binnen 6 maanden weer deel kan nemen aan onderwijs. Aanvullende eisen Er is sprake van multidisciplinaire inzet van bijvoorbeeld gedragskundige(n), therapeuten en begeleiders op het niveau van activering. De behandeling wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van hbo-niveau tot en met wo+. Behandeling ter vermindering van de gedragsproblematiek staat centraal. Er wordt gewerkt met groepen van 1 begeleider op maximaal 8 jeugdigen. Dagbehandeling Midden Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle jeugd 6 - 18 41M02 Dagdeel 6 dagdelen p/w 1 schooljaar Doelgroep Kinderen met matige tot complexe enkelvoudige problematiek of lichte meervoudige problematiek welke door het probleemgedrag tijdelijk geen onderwijs kunnen volgen. De verwachting is dat met een tijdelijke interventie en behandeling het kind binnen 9 maanden weer deel kan nemen aan onderwijs. Aanvullende eisen Er is sprake van multidisciplinaire inzet van bijvoorbeeld gedragskundige(n), therapeuten en begeleiders op het niveau van activering en/of vermindering probleemgedrag. De behandeling wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van hbo-niveau tot en met wo+. Behandeling ter vermindering van de gedragsproblematiek staat centraal. Er wordt gewerkt met groepen van 1 begeleider op maximaal 6 jeugdigen. Dagbehandeling Zwaar Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Alle jeugd 6 - 18 41M03 Dagdeel 6 dagdelen p/w 1 schooljaar Doelgroep Kinderen met matige tot complexe meervoudige problematiek welke door het probleemgedrag tijdelijk geen onderwijs kunnen volgen. De verwachting is dat met een tijdelijke interventie en behandeling het kind binnen 9 maanden weer deel kan nemen aan onderwijs. Aanvullende eisen Er is sprake van multidisciplinaire inzet van bijvoorbeeld gedragskundige(n), therapeuten en begeleiders op het niveau van vermindering probleemgedrag. De behandeling wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van hbo+ tot en met wo+ (functiemix). Er wordt gewerkt met groepen van 1 begeleider op maximaal 4 jeugdigen. Dagbehandeling KDC Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur JmB 0 - 18 41M04 Dagdeel 6 dagdelen p/w 1 schooljaar Doelgroep Een kinderdagcentrum (KDC) is opvang voor kinderen van 0 tot 18 jaar met (vermoedens van) een (ernstige) verstandelijke of meervoudige beperking. Soms ook al voor nog jongere kinderen. Dit product hangt nauw samen met de inzet van andere producten, specifiek bedoeld voor jonge kinderen met ontwikkelingsproblemen (denk aan observatie- en diagnostiek vanuit de ggz). Doelen De jeugdige kan er doorstromen naar (speciaal) onderwijs. De jeugdige leert er dingen zelfstandig te doen. Bijvoorbeeld aankleden, zelf eten en naar de wc gaan. De jeugdige leert hoe hij zich kan uiten, bijvoorbeeld aangeven dat hij iets wil. Aanvullende eisen Er is sprake van multidisciplinaire inzet van bijvoorbeeld gedragskundige(n), therapeuten (logopedie, fysiotherapie) en begeleiders op het niveau van ontwikkeling. De behandeling wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van mbo niveau 3 tot en met wo+ (functiemix). Er wordt gewerkt met groepen van 1 begeleider op maximaal 4 jeugdigen. Ggz / Behandeling Binnen deze deelprestatie vallen de ambulante jeugd ggz-trajecten. Wanneer er bij aanvullende eisen de inzet van een regiebehandelaar wordt benoemd, moet deze voldoen aan de volgende eisen; Inzet regiebehandelaar Binnen de s-ggz, de forensische ggz of de geïntegreerde s-ggz behoeft elke jeugdige in zorg een regiebehandelaar. Binnen de vrijgevestigde praktijken, de ggz-instellingen en de Instellingen niet-ggz kunnen de volgende professionals optreden als regiebehandelaar; GZ-psycholoog SKJ Geregistreerd Postmaster* Postmaster in de b-ggz geen vereiste Psycholoog BIG Geregistreerd Orthopedagoog Generalist Psychotherapeut Klinisch psycholoog Klinisch neuropsycholoog (Kinder- en Jeugd) Psychiater Indien de hoofddiagnose verslaving en/of gokproblematiek betreft: de verslavingsarts. De zorgaanbieder die declareert met één van de AGB-classificatiecodes genoemd in bijlage 1 van het Modelkwaliteitsstatuut ggz wordt gezien als ggz-instelling. De zorgaanbieder die declareert met één van de AGB-classificatiecodes 53 of 98 wordt gezien als instelling niet-ggz. Andere zorgaanbieders worden gelijkgesteld met een vrijgevestigde praktijk. Generalistische basis-ggz (b-ggz) Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Jeugd 0-18 51M02 Uur Zie aanvullend 1 jaar De Generalistische Basis ggz (b-ggz) Jeugd betreft hulp voor jeugdigen met een licht tot matig intensieve hulpvraag waarbij sprake, of een ernstig vermoeden, is van een stoornis benoemd in de Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders 5 (DSM-5). Ondersteuning door de Praktijkondersteuner Huisartsenzorg, huisarts of het lokaal team biedt onvoldoende resultaat/perspectief, waardoor de inzet van de b-ggz noodzakelijk is. Aanbieder zorgt voor ondersteuning aan de jeugdige en zijn omgeving. Bij de vraagverheldering wordt het functioneren op alle relevante leefgebieden meegenomen, bijvoorbeeld het onderwijs, (pleeg)gezinssituatie, vrije tijd. Er wordt systeemgericht gewerkt waarbij ook het netwerk van de jeugdige wordt meegenomen. Bij het bieden van de zorg wordt door de aanbieder samengewerkt met alle betrokken zorgverleners binnen het brede domein rondom de jeugdige en diens leefwereld. Diagnostisch- of observatie onderzoek kan onderdeel zijn van een behandeling binnen de B-ggz. Hierbij geldt wel dat alleen kortdurende diagnostiek is toegestaan die ondersteunend is aan de behandeling van enkelvoudige problematiek. Doelgroep Een jeugdige komt in aanmerking voor b-ggz wanneer: Een jeugdige vastloopt in het dagelijkse functioneren door een (ernstig vermoeden van een) in de DSM-5 benoemde stoornis, en ondersteuning door een jeugdprofessional, de JiP of huisarts onvoldoende resultaat en perspectief biedt; De gemiddelde zorgvraagzwaarte betreft problematiek van lichte tot matige ernst; Er sprake is van een enkelvoudig beeld tot lage complexiteit; Er aanhoudende/persisterende klachten zijn; De duur van de klachten beantwoordt aan de criteria uit de richtlijn voor het betreffende hulpvraag. Er sprake is van een laag tot matig risico op onveilige situaties voor de jeugdige en zijn omgeving. Aanvullende eisen Voor het product b-ggz wordt een BIG-geregistreerde behandelaar met een afgeronde ggz- specifieke opleiding ingezet. Er geldt een ontheffing van de BIG-registratieplicht voor de Kinder- en Jeugd (K&J) psycholoog met NIP- en SKJ-registratie en de orthopedagoog-generalist met NVO- en SKJ-registratie, met als voorwaarde dat de behandeling voor het 18e jaar is gestart en moet worden afgerond zodra de jeugdige de 18-jarige leeftijd heeft bereikt. In de b-ggz draagt de regiebehandelaar de eindverantwoordelijkheid voor de totale behandeling. De regiebehandelaar is daarmee eindverantwoordelijk voor de diagnosestelling, de vaststelling, uitvoering en evaluatie van het behandelplan. Volume per toewijzing; Behandeling; 1200 minuten per jaar (directe en indirecte tijd) Diagnostiek; 1440 minuten per enkelvoudig diagnostiektraject (directe en indirecte tijd) Generalistische basis-ggz (b-ggz) digitale zorg Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Jeugd 0 - 18 51M03 uur Zie aanvullend 1 jaar Beschrijving, doelgroep en aanvullende eisen zijn gelijk aan generalistische basis-ggz (b-ggz) met productcode 51M02. Consulten worden digitaal gegeven. Extra aanvullende eisen digitale zorg Digitale consulten zijn tussen kind/jongere en behandelaar. Digitale consulten worden niet solitair toegekend, digitale ggz-zorg is altijd in combinatie met reguliere consulten. Invullen van vragenlijsten door de jeugdige zonder (online) aanwezigheid van behandelaar valt niet onder declarabele tijd. Diagnostiek wordt niet digitaal afgenomen. Specialistische ggz (s-ggz) Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Jeugd 0 - 18 54M02 uur Zie aanvullend 1 jaar De Specialistische ggz (s-ggz) betreft hulp voor jeugdigen met een matige tot intensieve hulpvraag waarbij sprake is van (een ernstig vermoeden van) een stoornis benoemd in de DSM-5. Ondersteuning door de JiP, huisarts, jeugdprofessional en behandeling in de b-ggz heeft onvoldoende resultaat geboden of zal onvoldoende resultaat bieden, waardoor de inzet van de s-ggz noodzakelijk is. Aanbieder zorgt voor ondersteuning aan de jeugdige en zijn omgeving. De zorg wordt bij voorkeur outreachend geboden en is gericht op de individuele behoeften van de jeugdige. Bij de vraagverheldering wordt het functioneren op alle relevante leefgebieden meegenomen, bijvoorbeeld het onderwijs, (pleeg)gezinssituatie, vrije tijd. Er wordt systeemgericht gewerkt, waarbij ook het netwerk van de jeugdige wordt meegenomen. Bij het bieden van de zorg wordt door Aanbieder samengewerkt met alle betrokken zorgverleners binnen het brede domein rondom de jeugdige en diens leefwereld. Doelgroep Een jeugdige komt in aanmerking voor s-ggz wanneer: Een jeugdige vastloopt in het dagelijkse functioneren door (een ernstig vermoeden van) een in de DSM-5 benoemde stoornis. Ondersteuning door de huisarts of POH-er, het lokaal team en/of behandeling in de gb-ggz heeft onvoldoende resultaat geboden of zal naar verwachting onvoldoende resultaat bieden, waardoor de inzet van s-ggz noodzakelijk is; Er sprake is van een ernstig ziektebeeld en matige tot ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren; Er duidelijke aanwijzingen zijn die duiden op comorbiditeit, een gevaar voor zelfverwaarlozing, ernstige opvoedingsproblematiek en/of risico op decompensatie. Aanvullende eisen Voor het product s-ggz wordt een BIG-geregistreerde behandelaar met een afgeronde ggz- specifieke opleiding ingezet. Er geldt een ontheffing op de BIG-registratieplicht voor de K&J- psycholoog met NIP- en SKJ- registratie en de orthopedagoog-generalist met NVO- en SKJ- registratie, met als voorwaarde dat de behandeling voor het 18e jaar is gestart en moet worden afgerond zodra de jeugdige de 18-jarige leeftijd heeft bereikt. In de S-ggz draagt de regiebehandelaar de eindverantwoordelijkheid voor de totale behandeling. De regiebehandelaar is daarmee eindverantwoordelijk voor de diagnosestelling, de vaststelling, uitvoering en evaluatie van het behandelplan. Als regiebehandelaar kunnen de volgende hulpverleners optreden, waarbij binnen een Instelling altijd een klinisch (neuro)psycholoog of psychiater deel moet uitmaken van het multidisciplinaire team. Volume per toewijzing; Licht; 3600 minuten per jaar (directe en indirecte tijd) Zwaar; 5400 minuten per jaar (directe en indirecte tijd) Diagnostiek; 1440 minuten per traject (directe en indirecte tijd Specialistische ggz (s-ggz) digitale zorg Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Jeugd 0 – 18 54M03 uur Zie aanvullend 1 jaar Beschrijving, doelgroep en aanvullende eisen zijn gelijk aan Specialistische basis ggz (s-ggz) met productcode 54M02. Consulten worden digitaal gegeven. Extra aanvullende eisen digitale zorg Digitale consulten zijn tussen kind/jongere en behandelaar. Digitale consulten worden niet solitair toegekend, digitale ggz-zorg is altijd in combinatie met reguliere consulten. Invullen van vragenlijsten door de jeugdige zonder (online) aanwezigheid van behandelaar valt niet onder declarabele tijd. Diagnostiek wordt niet digitaal afgenomen. Hoog specialistische jeugd ggz Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Jeugd 0 - 18 54M04 uur Zie aanvullend jaar Patiënten met hoog specialistische ggz zorgvraag voldoen aan 3 kenmerken: de patiënt heeft (een) ernstige, complexe en/of zeldzame aandoening(
  30. en)of complicatie(s), of er is sprake van een voorspelbaar ernstig beloop van de klachten voor de patiënt dat vermijdbaar is door het hoog specialistisch zorgaanbod; de patiënt heeft onvoldoende baat gehad of zal naar verwachting onvoldoende baat hebben bij een behandeling conform de professionele standaard in de specialistische ggz; de patiënt zal naar verwachting profiteren van hoog specialistische ggz (de hoog specialistische behandeling is geïndiceerd voor de patiënt in kwestie). Deze problematiek vereist complexe én veelal innovatieve kennis en vaardigheden betreffende diagnostiek en/of behandeling. Dit wordt geborgd met een nadere afbakening van de plaats in de sector / keten van hoog specialistische ggz. Aanvullende eisen Aanbieders van hoog specialistische ggz voldoen aan concrete criteria, De setting is functioneel omschreven, Er is een heldere en harde scheiding met de andere settings, Het biedt een juridisch sterkere basis, Dit beperkt de administratieve lasten. Toewijzing volume wordt met onderbouwing aangevaard Geïntegreerde specialistische ggz Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Jeugd 0 - 18 54M05 uur Zie aanvullend 1 jaar Doelgroep De doelgroep binnen de geïntegreerde specialistische ggz komt overeen met de doelgroep van de specialistische ggz, met in achtneming van de volgende criteria; Specialistische ggz Geïntegreerde s-ggz B-ggz is ingezet en onvoldoende gebleken S-ggz is ingezet en onvoldoende gebleken KP of psychiater lid van multidisciplinair team KP of psychiater voert behandeling (deels) uit Zwaartepunt van inzet door GZ-psycholoog Zwaartepunt van inzet bij KP of psychiater Gemiddeld risico op zelfverwaarlozing, systemische problematiek en comorbiditeit Hoog risico op zelfverwaarlozing, systemische problematiek en comorbiditeit Aanvullende eisen Volume per toewijzing; Standaard; 5400 minuten behandeling per jaar (directe en indirecte tijd) IMH (Infant Mental Health) of complexe zorg; 7200 minuten behandeling per jaar (directe en indirecte tijd) Forensische ggz Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Jeugd 12 – 18

(23)54M04 uur Zie aanvullend 1 jaar Forensische psychiatrie is een vorm van geestelijke gezondheidszorg. Twee zaken komen hier samen: jongere wordt verdacht van een strafbaar feit (of is daarvoor veroordeeld) én er zijn sterke aanwijzingen dat hij/zij een psychiatrische stoornis heeft. Een rechter kan beslissen dat een jongere verplicht moet laten onderzoeken en behandelen. Forensische ggz is specialistische behandeling voor jongeren/ jongvolwassenen van 12 tot 18 jaar (met uitloop naar 23 jaar wanneer de jeugdstrafmaatregel doorloopt na de 18e verjaardag). De jongere vertoont ontwrichtend gedrag waardoor hij/zij bekend zijn bij justitie. Er is sprake van psychiatrische en/of verslavingsproblematiek én er kan sprake zijn van een verstandelijke beperking. Behandeling wordt outreachend of poliklinisch geboden. De door de rechter opgelegde strafrechtelijke maatregel is mede bepalend welke behandeling de jongere krijgt en hoe lang deze gaat duren. Aanvullende eisen Voor het product Forensische ggz wordt een BIG-geregistreerde behandelaar met een afgeronde ggz- specifieke opleiding ingezet. In de Forensische ggz draagt de regiebehandelaar de eindverantwoordelijkheid voor de totale behandeling. De regiebehandelaar is daarmee eindverantwoordelijk voor de diagnosestelling, de vaststelling, uitvoering en evaluatie van het behandelplan. Als regiebehandelaar kunnen de volgende hulpverleners optreden, waarbij binnen een Instelling altijd een klinisch (neuro)psycholoog of psychiater deel moet uitmaken van het multidisciplinaire team. Volume per toewijzing; Standaard; 5400 minuten behandeling per jaar (directe en indirecte tijd) Medicamenteuze behandeling (instellen of controle) Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Jeugd 0 - 18 53M01 uur 8 uur p/j 3 jaar Binnen het product Medicamenteuze behandeling door kinderartsen vallen de producten behorende tot de productgroepen ADHD en psychische en/of psychiatrische stoornissen uitgevoerd door kinderartsen. De in te zetten hulp is doelmatig en passend en niet meer kostbaar dan nodig om de behandeldoelen te bereiken. Doelgroep Het gaat om jeugdigen tot 18 jaar met gedragsproblemen en psychische en/of psychiatrische stoornissen (te weten voedings- en eetstoornissen bij zuigelingen en in de vroege kindertijd met een gedragsmatige oorzaak en ADHD zorg) die zorg ontvangen van kinderartsen in ziekenhuizen of zelfstandige behandelcentra. Het betreft hier niet de zorg voor jeugdigen die gerelateerd is aan de behandeling van een somatische aandoening of diagnostiek gericht op het uitsluiten van somatische aandoeningen. Deze zorg blijft onderdeel van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Ook de door een kinderarts voorgeschreven extramurale psychofarmaca blijven onderdeel van de Zvw. Aanvullende eisen Dit product wordt geleverd door een kinderarts of kinderpsychiater. Voor de zorg die door kinderartsen wordt geleverd geldt dat trajectfinanciering van toepassing is conform de opgenomen trajecten in de tarievenlijst. De inzet kan bij uitzondering ook per consult worden toegekend, wanneer dit noodzakelijk is valt dat onder productcode 53M02. Individuele behandeling / Vaktherapie Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Jeugd 6 - 18 45M41 uur 1,5 uur p/w 1 jaar Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende therapievormen: beeldende therapie, dans- en bewegingstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie. Niet alle kinderen en jongeren praten gemakkelijk over wat hen bezighoudt of wat er aan de hand is. Het werken met beeldend materiaal, bewegen, dansen, muziek maken, toneelspelen of spelen in de spelkamer, kan dan uitkomst bieden, want het raakt direct aan gevoelens zonder dat er woorden nodig zijn. Tijdens vaktherapie kan de jeugdige oefenen met diverse handelingen en leren om op een andere of nieuwe manier te reageren op (complexe) situaties of emoties en andere, nieuwe kanten van zichzelf ontwikkelen. Vanuit de nieuwe ervaringen bij deze diverse handelingen krijgt de jeugdige meer inzicht in zichzelf, de ander en de wereld om zich heen. Vaktherapie is een therapievorm waarbij doen, voelen en ervaren voorop staan. Dit is anders dan bij gesprekstherapie waarbij het gaat om denken, praten en verklaren. Er kan gezamenlijk gezocht worden naar nieuwe mogelijkheden van reageren in het dagelijks leven. Het ervaringsgerichte karakter van vaktherapie sluit aan bij de natuurlijke manier waarop kinderen en jongeren zich ontwikkelen. Aanvullende eisen Een vaktherapeut is gespecialiseerd in minimaal één behandelvorm. De vaktherapeut is aangesloten bij de beroepsvereniging FVB of gelijkwaardig Wanneer de therapeut bij een andere beroepsvereniging dat FVB is aangesloten, dan voert Mevis hier voor aanvang van inzet van de therapeut een check op uit. Wanneer de therapeut tussentijds voornemens is om bij een andere beroepsvereniging aan te sluiten, dan wordt dit vooraf met Mevis afgestemd en kan de overeenkomst met de therapeut worden ontbonden. SKJ registratie is niet verplicht. Groepsgerichte behandeling / Vaktherapie Doelgroep Leeftijd Productcode Eenheid Maximale inzet Maximale duur Jeugd 6 - 18 45M42 Uur 1 uur p/w 1 schooljaar Wanneer kinderen binnen de vaktherapie nieuwe vaardigheden hebben geleerd, maar het nog lastig vinden deze eigen te maken en/of toe te passen in een groep, bestaat de mogelijkheid dat kinderen doorstromen naar groepstherapie. Op deze manier kunnen kinderen oefenen met nieuwe vaardigheden en deze inoefenen in groepsverband (met kinderen die dit ook nodig hebben). Hierbij wordt gedacht aan een groep van ca 4-6 leerlingen die 1 uur per week groepstherapie krijgen van 2 therapeuten. Op deze manier kunnen kinderen optimaal oefenen en leren van elkaar en kan de veiligheid in de groep voldoende gewaarborgd worden. De in- en uit stroom in deze groep kan elke 6-8 weken (tussen school vakanties) plaatsvinden. Ook hierbij kunnen de ouders worden betrokken, bijvoorbeeld door mee te kijken in de groep, waardoor zij meer inzicht krijgen in het gedrag van hun kind in groepsverband. Aanvullende eisen Een vaktherapeut is gespecialiseerd in minimaal één behandelvorm. De vaktherapeut is aangesloten bij de beroepsvereniging FVB of gelijkwaardig Wanneer de therapeut bij een andere beroepsvereniging dat FVB is aangesloten, dan wordt voert Mevis hier voor aanvang van inzet van de therapeut een check op uit. Wanneer de therapeut tussentijds voornemens is om bij een andere beroepsvereniging aan te sluiten, dan wordt dit vooraf met Mevis afgestemd en kan de overeenkomst met de therapeut worden ontbonden. SKJ registratie is niet verplicht. De

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.