← Nederland

Vrijstellingsregeling vroegtijdige toepassing rVDM-systeem

Kort samengevat

Deze regeling maakt het mogelijk om eerder dan verplicht de nieuwe regels voor het digitaal registreren van dierlijke mesttransporten toe te passen, door een vrijstelling te verlenen van de oude regels. Het doel is om de verantwoording en controle van dierlijke mesttransporten te verbeteren.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst
Obsah (6)Artikel 53Artikel 54Artikel 55Artikel 57Artikel 59Artikel 60

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 27 mei 2022, nr. WJZ/ 22144208, houdende vrijstelling van de regels voor het vroegtijdig toepassen van de regels over het digitaal

die buiten Nederland worden gebracht; en b. het

die in Nederland worden gebracht. Artikel 4 Storingen in de bereikbaarheid en beschikbaarheid Indien er gedurende een bepaalde tijd voor het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen geen gebruik kan worden gemaakt van het systeem voor het

, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van bijlage 1, vanwege een gebrek aan netwerkverbinding of vanwege tijdelijke niet-beschikbaarheid van dat systeem, de vervoerder geen gebruik kan maken van de applicatie, bedoeld in de artikel 69o van bijlage 2, en er aan een vracht dierlijke meststoffen nog geen nummer als bedoeld in artikel 54, elfde lid, van bijlage 2 is verstrekt, is artikel 2, eerste lid, in dat tijdsbestek niet van toepassing op de desbetreffende vracht. Artikel 5 Aanmelding vrijstelling vroegtijdige toepassing rVDM-systeem 1 Een leverancier, vervoerder of afnemer is slechts vrijgesteld, indien hij zich overeenkomstig artikel 73a, eerste lid, van het besluit, heeft gemeld en beschikt over een uniek nummer als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 of een door de minister verstrekt relatienummer. 2 De melding, bedoeld in artikel 73a, eerste lid, van het besluit met het oog op het vroegtijdig kunnen toepassen van de regels van rVDM bestaat uit: a. het aanmaken van een account voor rVDM op de internetpagina van e-cert.nl, voor zover de leverancier, vervoerder of afnemer beschikt over een uniek nummer als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007; of b. het invullen en verzenden aan de minister van een hiertoe beschikbaar gesteld middel, voor zover de leverancier, vervoerder of afnemer niet beschikt over een uniek nummer als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet

  1. 3 Bij de melding, bedoeld in artikel 73a, eerste lid, van het besluit, verstrekken de leverancier, vervoerder en afnemer de volgende gegevens: a. naam, adres, e-mailadres en woonplaats van de betreffende natuurlijke persoon, dan wel het bedrijf of de onderneming; en b. het aan de leverancier, vervoerder of afnemer verstrekte unieke nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 of het door de minister verstrekte relatienummer. 4 De ontvangstbevestiging van de melding, bedoeld in artikel 73a, eerste lid, van het besluit, bevat het tijdstip met ingang waarvan de nieuwe regels voor het eerst van toepassing kunnen zijn op degenen die zich gemeld hebben. Artikel 6 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni
  2. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 mei 2022, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst. Artikel 7 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Vrijstellingsregeling vroegtijdige toepassing rVDM-systeem. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. ’s-Gravenhage 27 mei 2022 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, H. Staghouwer Bijlage 1 als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid Toepasselijke artikelen vroegtijdige toepassing rVDM-systeem Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet Artikel 48b
  3. Het vervoer van een vracht drijfmest door een intermediair geschiedt met een transportmiddel dat is uitgerust met de krachtens artikel 70, vierde lid, onderdeel b, voorgeschreven apparatuur die op naam van de intermediair is geregistreerd.
  4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, is bevestigd en op welke wijze deze apparatuur is verbonden met de apparatuur, bedoeld in artikel 49, eerste lid. Artikel 49 1.

geschiedt met behulp van een satellietvolgsysteem en apparatuur voor gegevensregistratie.

  1. Door middel van de in het eerste lid bedoelde apparatuur worden gegevens betreffende het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen langs elektronische weg vastgelegd in het systeem, bedoeld in artikel
  2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over: a. de eisen waaraan de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen, waaronder de eis dat de apparatuur behoort tot een type dat is gekeurd door een door Onze Minister aangewezen instelling; b. de wijze waarop de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, is bevestigd; en c. de gegevens die met de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, moeten worden vastgelegd en de wijze waarop die gegevens moeten worden vastgelegd, bewaard en verstrekt.
  3. De krachtens het derde lid te stellen regels kunnen voor verschillende categorieën vervoerders, mestsoorten, herkomst of beoogde bestemming verschillend worden vastgesteld. Artikel 50
  4. Voorafgaand aan het

doet de vervoerder langs elektronische weg daarvan mededeling aan de minister. 2. Ten behoeve van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, worden langs elektronische weg gegevens verstrekt die betrekking hebben op dat

, waaronder: a. gegevens die betrekking hebben op de vervoerder; b. gegevens die betrekking hebben op de leverancier; c. gegevens die betrekking hebben op de vracht dierlijke meststoffen; d. gegevens die betrekking hebben op de afnemer; e. het geplande moment van vervoer van de vracht dierlijke meststoffen.

  1. Voor de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van het systeem, bedoeld in artikel
  2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens die moeten worden verstrekt bij de mededeling alsmede over het moment waarop de mededeling, bedoeld in het eerste lid, door de vervoerder wordt gedaan. Deze regels kunnen voor verschillende gevallen verschillend worden vastgesteld.
  3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de mogelijkheid tot het wijzigen, aanvullen dan wel intrekken van de mededeling en de gegevens die daarbij zijn verstrekt en het moment waarop dit kan plaatsvinden. Artikel 51
  4. Bij het

wordt gebruik gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld systeem. 2. Gegevens worden in het systeem, bedoeld in het eerste lid, verzameld, vastgelegd en verwerkt met het oog op de verantwoording van het

en de controle op de naleving van de meststoffenregelgeving teneinde water te beschermen tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. 3. Ten behoeve van het systeem, bedoeld in het eerste lid, worden langs elektronische weg gegevens verstrekt die zien op elke afzonderlijke fase in het

, waaronder: a. een melding op een bij ministeriële regeling te bepalen moment voorafgaand aan het laden waarmee de vervoerder de gegevens van de mededeling, bedoeld in artikel 50, eerste lid, bevestigt; b. gegevens die betrekking hebben op het laden van de vracht dierlijke meststoffen; c. gegevens die betrekking hebben op het wegen van de vracht dierlijke meststoffen; d. gegevens die betrekking hebben op de bemonstering van de vracht dierlijke meststoffen; e. gegevens die betrekking hebben op de hoeveelheidsbepaling van de vracht dierlijke meststoffen; f. gegevens die betrekking hebben op het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen; g. gegevens die betrekking hebben op het lossen van de vracht dierlijke meststoffen.

  1. De gegevens, bedoeld in het derde lid, worden voor elke fase onverwijld verstrekt en stemmen te allen tijde overeen met de actuele omstandigheden van het vervoer.
  2. De gegevens, bedoeld in het derde lid, worden volledig en naar waarheid verstrekt.
  3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over wie de gegevens, bedoeld in het derde lid, verstrekt.
  4. Bij ministeriële regeling kan in afwijking van het vierde lid worden bepaald dat voor aldaar omschreven gevallen de verstrekking van gegevens op een ander moment kan plaatsvinden.
  5. Bij ministeriële regeling kunnen zo nodig in afwijking van het vierde lid regels worden gesteld over de mogelijkheid tot het wijzigen dan wel aanvullen dan wel verwijderen van de gegevens die zijn verstrekt en het moment waarop dit kan plaatsvinden.
  6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze en het tijdstip waarop de gegevens die worden verstrekt worden opgemaakt en ondertekend.
  7. De regels, bedoeld in het zesde tot en met negende lid kunnen voor verschillende gevallen verschillend worden vastgesteld.
  8. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop toegang tot het systeem kan worden verkregen. Artikel 52
  9. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor situaties waarin het niet mogelijk is om gebruik te maken van dan wel gegevens te verstrekken aan het door de minister beschikbaar gestelde systeem, bedoeld in artikel 51, eerste lid.
  10. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op: a. een voorziening, bestaande uit een software-applicatie waarmee het mogelijk is om gegevens vast te leggen ingeval er geen netwerkverbinding is of het systeem, bedoeld in artikel 51, eerste lid, tijdelijk niet beschikbaar is; b. een voorziening voor het op andere wijze verstrekken van gegevens dan langs elektronische weg voor het geval waarin naar het oordeel van de minister sprake is van een uitzonderlijke situatie, waarbij de voorziening, bedoeld in onderdeel a, niet toereikend is; c. een verplichting tot het doen van een melding langs elektronische weg via het systeem, bedoeld in artikel 51, eerste lid, na gebruik van een voorziening als bedoeld in de onderdelen a of b.
  11. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorts zien op: a. een nadere omschrijving van situaties waarin gebruik gemaakt kan worden van de voorzieningen zoals omschreven in het tweede lid; b. de eisen die aan de voorziening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden gesteld, waaronder eisen over het bewaren en op een later moment verstrekken van gegevens aan het systeem, bedoeld in artikel 51, eerste lid, alsmede eisen aan de voor deze voorziening te gebruiken apparatuur en applicaties; c. de eisen die aan de andere wijze van verstrekken, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, worden gesteld; d. een omschrijving van de gevallen waarin de melding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is vereist, alsmede de eisen aan die melding, waaronder het moment waarop deze melding uiterlijk plaatsvindt; e. een procedure om: 1.° vast te stellen dat er sprake is van een situatie waarin de voorziening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan worden toegepast, en 2.° vast te stellen dat de aanleiding voor het toepassen van de voorziening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, niet langer aanwezig is, en 3.° de wijze van communiceren over het moment van openstellen van de voorziening alsmede over het moment waarop deze voorziening niet meer kan worden toegepast. Artikel 52a
  12. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de artikelen 48, 48b, 49, 50 en 51 geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn.
  13. De krachtens het eerste lid te stellen regels kunnen voor verschillende categorieën vervoerders, mestsoorten, herkomst of beoogde bestemming verschillend worden vastgesteld. Bijlage 2 als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid Geconsolideerde Uitvoeringsregeling Meststoffenwet inclusief toepasselijke artikelen vroegtijdige toepassing rVDM-systeem NB: 1) In sommige gevallen is er geen sprake van een doorlopende nummering van artikelen. De artikelen opgenomen in deze geconsolideerde Uitvoeringsregeling Meststoffenwet hebben betrekking op het nog in werking te treden rVDM-systeem dat met deze vrijstellingsregeling wordt getest in een pilot. De ontbrekende artikelen stonden wel in de van 2 april 2022 tot en met 30 april 2022 geconsulteerde wijzigingsregeling over de digitale verantwoording van het

. Ze zijn niet opgenomen in deze bijlage, omdat zij niet van belang zijn met het oog op het testen van het rVDM-systeem in de pilot. 2) Daar waar bij artikelen een ‘*’ is vermeld, betekent dit dat deze artikelen zijn opgenomen met het oog op het weergeven van een integraal beeld over het vervoer van meststoffen. De vrijstellingsregeling is op basis van artikel 2 niet van toepassing op het vervoer van meststoffen waarop deze artikelen betrekking hebben. De artikelen luidden hetzelfde als de artikelen in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, maar hebben slechts een ander artikelnummer gekregen in verband met doorlopende vormgeving van deze bijlage of deze artikelen zijn met het oog op het testen van het rVDM-systeem gedeeltelijk van toepassing. Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur: apparatuur als bedoeld in artikel 48b, eerste lid, van het besluit in samenhang met artikel 78, onderscheidenlijk 79; bedrijfslocatie: elke afzonderlijke locatie van de locaties, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, en artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van het besluit; besluit: Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; centrale zandgronden: zandgronden gelegen in de provincies Overijssel, Gelderland of Utrecht; champost: product van paardenmest, ponymest, pluimveemest of een mengsel daarvan waarop champignons zijn geteeld; combinatienummer: nummer dat door de minister ter identificatie van een transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat bij vervoer middels een transportvoertuig is samengesteld uit de op grond van artikel 45, vierde en zesde lid, verstrekte gegevens en in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding is samengesteld uit de op grond van artikel 45, vierde lid, verstrekte gegevens; derogatiebeschikking: beschikking van de Europese Commissie tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Bijlage III, punt 2, onder b, van richtlijn 91/676/EEG op grond waarvan onder voorwaarden een grotere hoeveelheid dierlijke mest op of in de bodem mag worden gebracht dan bepaald in punt 2, tweede alinea, inleidende zinnen en onder a) van Bijlage III bij richtlijn 91/676/EEG; diereenheid: één varkenseenheid of 14,8 pluimvee-eenheden; dikke fractie: vaste mest, bestaande uit koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43, genoemd in bijlage I, of een mengsel van vaste mest waarin koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43 is opgenomen; erkend laboratorium: laboratorium dat beschikt over een accreditatie van de Raad voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest op grond van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in bijlage H, en is erkend als bedoeld in artikel 80a; eutrofiëring: een verrijking van het water door stikstof- en fosfaatverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit; gewasperceel: perceel of deel van een perceel met een minimale omvang van twee hectare waarop één en hetzelfde gewas als bedoeld in bijlage A, wordt geteeld; GR-apparatuur: apparatuur als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van het besluit; hovenier: ondernemer, niet zijnde een landbouwer of intermediair die zich beroepsmatig met de aanleg en het onderhoud van tuinen en andere groenobjecten bezighoudt; hypotheekhouder: degene ten gunste van wie een recht van hypotheek is gevestigd op een registergoed behorende tot een bedrijf; kennisgeving van overgang: kennisgeving van overgang van een productierecht, of een gedeelte daarvan, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet; mengvoeders: mengvoeders als bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit diervoeders 2012; mestkorrels: dierlijke meststoffen die in een overeenkomstig artikel 24, eerste lid, onderdeel f of g, van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300) erkende inrichting of bedrijf zodanig zijn bewerkt dat het drogestofgehalte ervan ten minste 90% bedraagt; mineralenconcentraat: door middel van ultrafiltratie of gelijkwaardige industriële technieken, gevolgd door omgekeerde osmose uit dierlijke meststoffen als eindproduct vervaardigd concentraat; minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; noordelijke zandgronden: zandgronden gelegen in de provincies Friesland, Groningen of Drenthe; monsternemende organisatie: organisatie die beschikt over een accreditatie van de Raad voor de bemonstering van dierlijke mest overeenkomstig het accreditatieprogramma dierlijke mest AP06, dat is opgenomen in bijlage Ea, en is erkend als bedoeld in artikel 78c; opmerkingscode: code overeenkomend met een omstandigheid die zich ter zake van het

, zuiveringsslib of compost voordoet, genoemd in bijlage F en bijlage G, onderdeel B; productielocatie: gebouw of afgescheiden gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de wet, dat onderdeel uitmaakt van een bedrijf; Raad: Raad voor Accreditatie te Utrecht, dan wel een andere nationale accreditatie-instantie, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU 2008, L 218); richtlijn 91/676/EEG: Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEU L 324); rVDM: systeem voor het

, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van het besluit; rVDM-nummer: uniek nummer als bedoeld in artikel 54, elfde lid; startmelding: melding als bedoeld in artikel 51, derde lid, onderdeel a, van bijlage 1; tuincentrum: onderneming, niet zijnde een bedrijf of intermediair die met de activiteit ‘tuincentra’ met SBI-code 47.76.2 staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel; vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn; verordening (EG) nr. 1069/2009: verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300); verordening (EU) nr. 2016/429: verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (diergezondheidswetgeving) (PbEU 2016, L84); Verordening (EU) 2019/1009: Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 (PbEU 2019, L170); verordening (EU) nr. 2019/2035: verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314); vervoersbewijs zuiveringsslib en compost: vervoersbewijs als bedoeld in artikel 55 van het besluit in samenhang met artikel 69r*; vervreemder van een productierecht: landbouwer van wiens bedrijf een productierecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is; verwerver van een productierecht: landbouwer naar wiens bedrijf een productierecht, of een gedeelte daarvan, moet overgaan; en vloeibaar zuiveringsslib: zuiveringsslib dat verpompbaar is; vooraanmelding: mededeling als bedoeld in artikel 50 van het besluit; weegmelding: melding die betrekking heeft op de gewichtsbepaling van de dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 59, vierde lid; weegwerktuig: niet-automatisch weegwerktuig als bedoeld in artikel 1 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers dat voldoet aan de bij of krachtens dat besluit gestelde regels; westelijke zandgronden: zandgronden gelegen in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland of Zeeland; wet: Meststoffenwet; zuidelijke zandgronden: zandgronden gelegen in de provincies Limburg of Noord-Brabant. 2. Voor de toepassing van hoofdstuk 3 wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan hetgeen daaronder in artikel 1 van het besluit wordt verstaan. Artikel 2 Voor de toepassing van deze regeling, met uitzondering van hoofdstuk 4, worden de hoeveelheden meststoffen en de hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat, tenzij in artikelen wordt aangegeven dat de aanduiding van hoeveelheden op andere wijze wordt uitgedrukt. Artikel 3 Als grond waarop bosbouw wordt uitgeoefend die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de wet wordt aangemerkt grond met een houtopstand die valt onder artikel 4.1, aanhef en onderdeel h, van de Wet natuurbescherming of een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in artikel 4.5, derde respectievelijk vierde lid, van de Wet natuurbescherming. Hoofdstuk 2 Verhandelen van meststoffen Artikel 4 Voor zover zij voldoen aan de artikelen 9 tot en met 15 van het besluit zijn aangewezen: a. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de in bijlage Aa, onder I, opgenomen stoffen; b. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren tot de in bijlage Aa, onder II, opgenomen categorieën afvalstoffen of reststoffen; c. als afvalstoffen of reststoffen die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen worden gebruikt, de in bijlage Aa, onder III, opgenomen stoffen; en d. als eindproducten die als meststof kunnen worden verhandeld, de in bijlage Aa, onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés. Artikel 5 Gereserveerd Artikel 6 1. Het is niet toegestaan zuiveringsslib, de in bijlage Aa, onder I en II, opgenomen stoffen of de in bijlage Aa, onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen te mengen. 2. In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib onderling te mengen, mits de gehalten stikstof en fosfaat in de afzonderlijke partijen zijn vastgesteld overeenkomstig de artikelen 92a en 92b en deze afzonderlijke partijen overigens voldoen aan de bij of krachtens hoofdstuk III van het besluit ter zake van zuiveringsslib gestelde regels. 3. Het is slechts toegestaan andere dan in het eerste lid bedoelde meststoffen te mengen, indien deze meststoffen afzonderlijk voldoen aan de bij of krachtens hoofdstuk III van het besluit ter zake van die meststoffen gestelde regels en het mengsel voldoet aan de bij of krachtens hoofdstuk III van het besluit ter zake van die meststoffen gestelde regels. 4. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de in bijlage Aa, onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingprocedés, die zijn gebruikt als strooisel in stallen te mengen met dierlijke mest in de mestkelder. 5. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de dunne fractie die is ontstaan op het eigen bedrijf door scheiding van ‘covergiste mest’ als bedoeld in bijlage Aa, onder IV, te gebruiken om niet verpompbare covergistingsmaterialen te verdunnen. Artikel 6a Herwonnen fosfaten uit rioolzuiveringsslib worden behandeld langs biologische, chemische of thermische weg, door langdurige opslag of volgens enig ander geschikt procedé, dat tot gevolg heeft dat het grootste deel van de in het zuiveringsslib aanwezige pathogene organismen afsterft. Artikel 7 1. Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, bevatten ten minste één van de volgende nutriënten, in de daarbij vermelde minimale hoeveelheid, uitgedrukt in gewichtsprocenten van de droge stof: a. magnesiumoxide (MgO): ten minste 15%; b. calciumoxide (CaO): ten minste 25%; c. zwaveltrioxide (SO3): ten minste 25%; d. natriumoxide (Na2O): ten minste 50%. 2. Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om micronutriënten te leveren, bevatten ten minste één van deze micronutriënten, in de in Bijlage 1, Hoofdstuk E, van de meststoffenverordening voorgeschreven minimale gehalten. Artikel 8 Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, overschrijden niet de in bijlage Ab, onder tabel 1, opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel. Artikel 9 Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten, overschrijden niet de in bijlage Ab, onder tabel 2, opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel. Artikel 10 In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper en zink te leveren, is artikel 14 van het besluit, voor zover het betreft de in bijlage II, onder tabel 1 van het besluit, opgenomen maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk artikel 8, voor zover het betreft de in bijlage Ab, onder tabel 1, opgenomen maximale waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover: a. de meststoffen overeenkomstig artikel 14 zijn voorzien van de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink; en b. zowel de hoeveelheden primaire of secundaire nutriënten als de hoeveelheden koper of zink die met de desbetreffende meststof worden opgebracht, passen binnen het totale bemestingsadvies. Artikel 11 Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om micronutriënten te leveren zijn voorzien van een gebruiksaanwijzing die past bij de bodemgesteldheid en de teelt waarvoor de meststof wordt gebruikt. Artikel 12 1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit, worden voor stikstof uitsluitend in de vorm van het element (N) en voor fosfaat in de vorm van het oxide (P2O5) en desgewenst in de vorm van het element (P) uitgedrukt 2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit, met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend te worden vermeld voor zover deze de in de artikelen 9 tot en met 12 van het besluit en de in artikel 7 van deze regeling bedoelde minimale hoeveelheden te boven gaan. 3. De in het tweede lid bedoelde gegevens worden voor kalium, calcium, magnesium, natrium en zwavel in de vorm van het oxide (K2O; CaO; MgO; Na2O; onderscheidenlijk SO3) en desgewenst in de vorm van het element (K; Ca; Mg; Na onderscheidenlijk S) uitgedrukt. 4. De hoeveelheid van de meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel f, van het besluit, wordt uitgedrukt in kilogrammen of in tonnen. Artikel 13 1. Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van het besluit zijn overige organische meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in bijlage Aa opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de desbetreffende stof op deze bijlage is vermeld. 2. Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van het besluit zijn mengsels van meststoffen voorzien van gegevens over de meststoffen waaruit het mengsel bestaat en de verhouding waarin deze in het mengsel voorkomen. 3. Indien het mengsel mede bestaat uit ingevolge artikel 4, onderdeel c, aangewezen stoffen, wordt bij de in het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op bijlage Aa, onder III, is vermeld. Artikel 14 In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen primaire of secundaire nutriënten, maar ook de micronutriënten koper of zink leveren, zijn de meststoffen voorzien van gegevens inzake de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink. Artikel 15 1. De gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in EG-meststoffen worden voor stikstof uitsluitend in de vorm van het element (N) en voor fosfor en kalium in de vorm van het oxide (P2O5 onderscheidenlijk K 2O), en desgewenst in de vorm van het element (P onderscheidenlijk K) uitgedrukt. 2. De gehalten aan calcium, magnesium, natrium en zwavel in EG-meststoffen worden in de vorm van het oxide (CaO; MgO; Na2O; onderscheidenlijk SO3) en desgewenst in de vorm van het element (Ca; Mg; Na onderscheidenlijk S) uitgedrukt. Artikel 16 1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit, worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig artikel 17, dan wel artikel 92a tot en met 92b voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld 2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit, met uitzondering van stikstof en fosfaat worden in gewichtsprocenten of op gewichtsbasis vermeld en komen overeen met: a. de gehalten aan overige nutriënten zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig artikel 17 zijn vastgesteld; b. het organischestofgehalte zoals dit voor de desbetreffende meststof overeenkomstig artikel 18 is vastgesteld; of c. de neutraliserende waarde zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig artikel 19 is vastgesteld. Artikel 17 1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de gehalten aan overige nutriënten in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster. 2. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel I, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025. Artikel 18 1. Het organischestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster. 2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel II, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025. Artikel 19 1. De neutraliserende waarde van meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster. 2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel III, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025. Artikel 20 1. Het drogestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster. 2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel IV, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025. Artikel 21 1. De hoeveelheden zware metalen in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster. 2. De bemonstering van zuiveringsslib geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in artikel 9, in samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181). 3. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel V, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025. Artikel 22 1. De hoeveelheden organische microverontreinigingen in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster. 2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel VI, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025. Artikel 23 Het tijdstip, bedoeld in artikel 77 van het besluit bedraagt voor alle meststoffen 1 januari 2011. Hoofdstuk 3 Gebruiksnormen § 1 Derogatie Artikel 23a [Vervallen per 01-05-2014] Artikel 24 1. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de wet, is 250 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is. 2. In afwijking van het eerste lid, is de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de wet 230 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke mest beschikbaar is, indien de landbouwgrond is gelegen op zand- of lössgrond, bedoeld in Bijlage I bij het besluit, in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant of Limburg. 3. De in het eerste lid en tweede lid bedoelde gebruiksnormen zijn uitsluitend van toepassing: a. op dierlijke meststoffen afkomstig van graasdieren; b. indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 25, 25c, 27 en 27a; c. indien de landbouwer beschikt over een vergunning, bedoeld in artikel 25a, eerste lid; en d. indien de landbouwer voor de tot zijn bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond geen gebruik maakt van de vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling bovengronds aanwenden runderdrijfmest 2019–2023. Artikel 25 1. Uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarin de landbouwer de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, voornemens is toe te passen, vraagt de landbouwer een vergunning aan bij de minister voor het op zijn bedrijf mogen toepassen van artikel 24, eerste en tweede lid. 2. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij voldoet aan de voorwaarden in de derogatiebeschikking en het bepaalde in deze paragraaf en verklaart hij ermee in te stemmen dat het meststoffengebruik, alsmede het bemestingsplan en de mestboekhouding onderwerp kunnen zijn van controle. 3. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 8 van de wet, de bij of krachtens de hoofdstukken 5 en 9 in samenhang met de hoofdstukken IV, VI en X van het besluit gestelde regels, het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4b, 5 en 8a van het Besluit gebruik meststoffen en de voorschriften die uit hoofde van deze paragraaf aan hem worden gesteld naleeft. 4. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt in behandeling genomen, nadat de landbouwer een bedrag van € 50,– heeft voldaan. 5. De landbouwer betaalt ten behoeve van ’s Rijks kas een geldsom ter dekking van de kosten die samenhangen met monitoringswerkzaamheden, bedoeld in artikel 9 van de derogatiebeschikking, ter hoogte van het bij zijn oppervlakte landbouwgrond behorende tarief, bedoeld in Bijlage Ad. Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, stelt de landbouwer door middel van het afgeven van een machtiging tot betaling de minister in staat dit bedrag te innen. 6. De landbouwer kan de aanvraag voor een vergunning voor de toepassing op zijn bedrijf van artikel 24, eerste en tweede lid, tot 16 mei intrekken, zonder dat de geldsom, bedoeld in het vijfde lid, in rekening wordt gebracht. Artikel 25a 1. De minister verleent een vergunning, indien de landbouwer tijdig een aanvraag, bedoeld in artikel 25, eerste lid, heeft gedaan en daarbij de verklaringen, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, heeft gedaan. 2. De vergunning wordt verleend voor één kalenderjaar. 3. De vergunning wordt overgedragen ingeval van erfopvolging. De opvolger voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid. 4. Onverminderd het derde lid, is de vergunning overdraagbaar ingeval van bedrijfsoverdracht. De betrokken landbouwers doen gezamenlijk een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van de vergunning. De landbouwer op wiens naam de vergunning komt te staan voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid. 5. Geen vergunning wordt verleend aan een landbouwer die zich voor de tot zijn bedrijf behorende landbouwgrond heeft aangemeld voor deelname aan de vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling bovengronds aanwenden runderdrijfmest 2019–2023. Artikel 25b 1. De minister kan een vergunning intrekken, indien de landbouwer niet voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf. 2. De minister trekt een vergunning voorts in, indien de landbouwer dit verzoekt. 3. Indien de minister de vergunning voor een bepaald kalenderjaar heeft ingetrokken op grond van het eerste lid, is de landbouwer voor het daaropvolgende kalenderjaar uitgesloten van het kunnen doen van een aanvraag, bedoeld in artikel 25, eerste lid. Artikel 25c 1. De landbouwer voldoet aan de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 8 van de wet, en de bij of krachtens de hoofdstukken 5 en 9 in samenhang met de hoofdstukken IV, VI en X van het besluit gestelde regels. Op de tot het bedrijf van de landbouwer behorende oppervlakte landbouwgrond wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4b, 5 en 8a van het Besluit gebruik meststoffen. 2. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, worden toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste tachtig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is, onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer. 3. De landbouwer gebruikt geen fosfaat uit kunstmest. 4. De landbouwer verleent desgevraagd zijn medewerking aan monitoringswerkzaamheden als bedoeld in artikel 10 van de derogatiebeschikking, in opdracht van de minister of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 25d [Vervallen per 18-02-2021] Artikel 26 [Vervallen per 01-05-2014] Artikel 27 1. De landbouwer stelt vóór 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 7, derde en vierde lid, van de derogatiebeschikking. 2. De landbouwer herziet het bemestingsplan uiterlijk zeven dagen nadat zich een wijziging in de landbouwpraktijk heeft voorgedaan, indien dat noodzakelijk is om de consistentie van het bemestingsplan te waarborgen. 3. De landbouwer bewaart het bemestingsplan als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit. 4. De landbouwer houdt een mestboekhouding bij die voldoet aan artikel 7, vijfde en zesde lid, van de derogatiebeschikking. 5. De landbouwer verstrekt elk kalenderjaar uiterlijk op 31 januari aan de minister gegevens uit de mestboekhouding. 6. De landbouwer bewaart de mestboekhouding als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit. Artikel 27a 1. Ten hoogste vier jaren voorafgaand aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt toegepast, zijn de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond vastgesteld en vastgelegd in een analyserapport door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025. 2. Het laboratorium stelt de fosfaattoestand van de bodem vast door middel van bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen overeenkomstig artikel 103a, eerste tot en met derde lid. 3. De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit. 4. Indien een perceel door de landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en vóór 16 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats. 5. In afwijking van het eerste lid zijn voor 2020 de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem ten hoogste vijf jaren voorafgaand aan 4 september 2020 vastgesteld en vastgelegd. Artikel 27b Als vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, wordt tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem: a. die tot en met 31 oktober 2009 is verricht overeenkomstig artikel 27 zoals dit artikel luidde op 31 december 2009; of b. bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol met uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het monsters betreft die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen. Artikel 27c Indien niet wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 25, 25c, 27 en 27a, is de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet van toepassing. § 2 Stikstofgebruiksnorm Artikel 28 1. Als hoeveelheid stikstof als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet wordt vastgesteld de hoeveelheid stikstof die in bijlage A, tabel 1, bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar, de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt toegepaste landbouwpraktijk, met dien verstande dat: a. de hoeveelheid stikstof die bij ‘tijdelijk grasland’ en bij ‘groenbemesters’ is vermeld, niet geldt voor tijdelijk grasland dat wordt, onderscheidenlijk groenbemesters die worden geteeld aansluitend op de teelt van maïs; b. de hoeveelheid stikstof die bij de onder de gewasgroep ‘groenbemesters’ onderscheiden gewassen is vermeld, uitsluitend van toepassing is indien de groenbemester: 1°. wordt geteeld vóór 16 september en is geploegd na 1 december, voor zover de groenbemester wordt geteeld op zand-, löss- of veengrond; 2°. wordt geteeld vóór 16 september en aantoonbaar ten minste acht weken wordt geteeld alvorens te worden geploegd, voor zover de groenbemester wordt geteeld op kleigrond; of 3°. gedurende een periode van ten minste tien weken wordt geteeld in het groeiseizoen en aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld. c. de hoeveelheid stikstof die bij ‘Consumptieaardappelen Vroeg’ is vermeld, uitsluitend geldt indien het loof voor 15 juli van het desbetreffende jaar wordt vernietigd; d. de hoeveelheid stikstof die bij ‘Pootaardappelen Uitgroeiteelt’ is vermeld, uitsluitend geldt indien het loof na 15 augustus van het desbetreffende jaar wordt vernietigd; en e. de hoeveelheid stikstof die onder ‘lössgrond’ is vermeld, uitsluitend geldt indien het grond betreft die is ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaat uit leem met een kleinere fractie dan 50 µm. 2. Indien het gewogen gemiddelde van de hoeveelheid stikstof van alle op de tot een bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond geteelde gewassen of gewasgroepen uit Bijlage A, tabel 1, in een kalenderjaar ten minste 100 kilogram en ten hoogste 110 kilogram stikstof per hectare is, bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet in het desbetreffende kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid, 110 kilogram stikstof per hectare van de tot dat bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Artikel 28a 1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef, wordt voor onderstaande gewassen vermeerderd met de hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor zover de teelt van deze gewassen op kleigrond plaatsvindt: a. voor zover het gewas suikerbieten betreft, 15 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal suikerbieten dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 75 ton per hectare bedroeg; b. voor zover het de in bijlage A, tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, 30 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal van deze consumptieaardappelrassen dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 50 ton per hectare bedroeg; c. voor zover het gewas wintertarwe betreft, 15 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal wintertarwe dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 9 ton per hectare bedroeg; d. voor zover het gewas zomertarwe betreft, 20 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal zomertarwe dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 8 ton per hectare bedroeg; e. voor zover het gewas wintergerst betreft, 20 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal wintergerst dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 9 ton per hectare bedroeg; f. voor zover het gewas zomergerst betreft, 30 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal zomergerst dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 7 ton per hectare bedroeg. 2. De landbouwer die gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de landbouwer heeft de afnemers, bedoeld in het derde lid, gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden te verstrekken aan de minister; b. de landbouwer heeft het desbetreffende bedrijf uiterlijk op 15 mei van het kalenderjaar waarin gebruik gemaakt wordt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm aangemeld bij de minister; c. de landbouwer heeft bij de melding, bedoeld in onderdeel b, verklaard dat ten aanzien van het desbetreffende bedrijf is voldaan aan het eerste lid, onderdelen a tot en met f, in samenhang met het derde lid, en aan het tweede lid, onderdeel a; d. de landbouwer als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit, gegevens bewaart waaruit in voorkomend geval ter zake van elk van de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren blijkt: 1°. welke gewassen en rassen op zijn bedrijf werden geteeld; 2°. het aantal hectaren kleigrond dat met de desbetreffende gewassen en rassen was beteeld; 3°. de hoogte van de gewasopbrengst; en 4°. de afnemers van de desbetreffende gewassen. 3. Voor de bepaling van de gewasopbrengst, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, wordt uitsluitend in aanmerking genomen de hoeveelheid die door de desbetreffende landbouwer rechtstreeks dan wel door tussenkomst van een daartoe gespecialiseerd bedrijf dat zich toelegt op het sorteren van de betreffende gewassen, is afgeleverd aan afnemers die de suikerbieten respectievelijk de consumptieaardappelen tot voor menselijke consumptie dan wel de gewassen, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met f, tot voor menselijke of dierlijke consumptie geschikte producten verwerken. Artikel 28b In afwijking van artikel 28 bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet op bouwland voor een gewasperceel 125 procent van de hoeveelheid stikstof die in bijlage A, tabel 1, voor de desbetreffende grondsoort bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, indien voor dat betreffende gewasperceel: a. de betrokken landbouwer schade leidt of dreigt te leiden uit opbrengstderving of kwaliteitsverlies, veroorzaakt door het optreden van een neerslaghoeveelheid die uitgaat boven 50 millimeter in de 24 uur na 08.00 uur of 60 millimeter in de 48 uur na 08.00 uur; b. de te verwachten financiële opbrengst van het betreffende gewasperceel zonder bijbemesting tenminste 25 procent lager is; c. neerslag en opbrengstderving in een rapport door een geregistreerd schade-expert zijn bevestigd, waarin ook melding gemaakt wordt van ligging en areaal van het betreffende gewasperceel; d. de hoeveelheid stikstof die boven 100 procent van de in bijlage A, tabel 1, genoemde hoeveelheid uitgaat, wordt toegediend in de vorm van anorganische meststoffen; e. de landbouwer het voornemen tot bijbemesting vooraf heeft gemeld bij de minister; f. de landbouwer bij de melding, bedoeld in onderdeel e, heeft verklaard dat ten aanzien van het desbetreffende bedrijf wordt voldaan aan de onderdelen a tot en met d; g. de landbouwer als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit, het rapport, bedoeld onder c, bewaart. Artikel 28c 1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef, wordt vermeerderd met de in bijlage A, tabel 1a, vermelde hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond indien een bedrijf de in bijlage A, tabel 1a, gemiddelde gewasopbrengst heeft van het totale areaal van een gewas als bedoeld in tabel 1a, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren. 2. De landbouwer die gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid: a. heeft, voor zover het de gewassen genoemd in artikel 28a, eerste lid, betreft, de afnemers, bedoeld in het derde lid, gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden van het desbetreffende gewas te verstrekken aan de minister; b. beschikt, voor zover het de andere gewassen dan die genoemd in artikel 28a, eerste lid, betreft, over schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat het gewas aan een afnemer is geleverd en waaruit blijkt wat de gewasopbrengst is die aan een afnemer is geleverd. Onder schriftelijk bewijs wordt in ieder geval facturen en afleverbewijzen van de gewassen en historische financiële informatie verstaan; c. beschikt, voor zover het andere gewassen dan die genoemd in artikel 28a, eerste lid, betreft, over een samenstellingsverklaring van een accountant waaruit blijkt dat de gewasopbrengst die aan een afnemer zou zijn geleverd in overeenstemming is met het door de landbouwer verstrekte schriftelijk bewijs, bedoeld in onderdeel b; d. stelt de minister uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar ervan in kennis dat het desbetreffende bedrijf gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm; e. bewaart als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit, gegevens waaruit ter zake van elk van de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren blijkt: 1°. welke gewassen en rassen op het bedrijf werden geteeld; 2°. het aantal hectaren grond dat met de desbetreffende gewassen en rassen was beteeld; 3°. de hoogte van de gewasopbrengst; 4°. welke mestsoorten zijn gebruikt op het bedrijf; en 5°. de afnemers van de desbetreffende gewassen; f. gebruikt op het bedrijf: 1°. voor zover het zuidelijke zandgronden en lössgronden betreft, maximaal 75 kilogram stikstof per hectare per jaar in de vorm van drijfmest en waarbij geldt dat de overige bemesting met stikstof uitsluitend plaats vindt door het gebruik van kunstmest; 2°. voor zover het kleigrond, noordelijke, westelijk en centrale zandgronden of veengrond betreft, maximaal 100 kilogram stikstof per hectare per jaar in de vorm van drijfmest en waarbij geldt dat de overige bemesting met stikstof uitsluitend plaatsvindt door het gebruik van kunstmest; g. bemest op het bedrijf na 1 juli de percelen met de gewassen, bedoeld in bijlage A, bijlage 1a, niet met drijfmest; h. verleent medewerking aan de monitoring door de minister van de milieueffecten van de toegestane vermeerdering van de hoeveelheid stikstof op grond van het eerste lid. 3. Voor de bepaling van de gewasopbrengst, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend in aanmerking genomen de hoeveelheid die door de desbetreffende landbouwer rechtstreeks is afgeleverd aan afnemers. Artikel 28d [Vervallen per 18-02-2021] Artikel 28e Een landbouwer die een verhoging van een stikstofgebruiksnorm toepast als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, kan niet tevens een verhoging van de stikstofgebruiksnorm toepassen, bedoeld in artikel 28c, eerste lid. Artikel 28f 1. Onverminderd artikel 28, eerste lid, onderdelen a tot en met e, wordt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef, verminderd met: a. 65 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte voormalig grasland, gelegen op zand- of lössgrond, indien direct aansluitend aan het vernietigen van de graszode op deze grond in het zelfde kalenderjaar de teelt van maïs, consumptieaardappelen of fabrieksaardappelen aanvangt; b. 50 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte grasland, gelegen op zand- of lössgrond, indien na het vernietigen van de graszode in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus op deze grond direct aansluitend de teelt van gras aanvangt; c. 50% indien direct voorafgaand aan de teelt van een groenbemester op bouwland, gelegen op zand- of lössgrond, een gewas, niet zijnde graan, koolzaad, zomerpeen, blauwmaanzaad, karwij of vlas, wordt geteeld. 2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien: a. de graszode in het voorafgaande jaar is geteeld als aangewezen gewas conform het bepaalde in artikel 8a, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit gebruik meststoffen; of b. het gras is ingezaaid als een niet-vlinderbloemige groenbemester als bedoeld in bijlage A. 3. Bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt van het bepaalde in artikel 4b, vierde lid, van het Besluit gebruik meststoffen vrijstelling verleend. 4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt in 2022 de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef, verminderd met 85 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte voormalig grasland, gelegen op zand- of lössgrond, indien direct aansluitend aan het vernietigen van de graszode op deze grond in hetzelfde kalenderjaar de teelt van maïs aanvangt. 5. Het vierde lid en dit lid vervallen met ingang van 1 januari 2023. Artikel 29 1. Bij de bepaling van de in artikel 12, tweede lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in bijlage B vermelde organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het percentage dat in de tabel van die bijlage is vermeld voor de desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of in de bodem zijn gebracht, met dien verstande dat het bij de omstandigheid ‘op bedrijf met beweiding’ of ‘op bedrijf zonder beweiding’ vermelde percentage uitsluitend geldt indien op het desbetreffende bedrijf de in bijlage A, tabel 1, bij ‘grasland met beweiden’ onderscheidenlijk ‘grasland met volledig maaien’ vermelde hoeveelheid stikstof als stikstofgebruiksnorm wordt toegepast. 2. Indien het mengsels van organische meststoffen betreft, wordt bij de bepaling van de in artikel 12, tweede lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid stikstof in dat mengsel in aanmerking genomen voor het hoogste percentage dat in bijlage B is vermeld bij de meststoffen die het mengsel bevat. § 3 Fosfaattoestand van de bodem en fosfaatgebruiksnormen Artikel 29a De indicator voor de fosfaattoestand van grasland en bouwland is de combinatie van: a. het P-CaCl2-getal dat wordt uitgedrukt in milligrammen P2O5 per kilogram grond; en b. het P-AL-getal dat wordt uitgedrukt in milligrammen P2O5 per 100 gram grond. Artikel 30 De fosfaattoestand van grasland wordt, overeenkomstig de indeling genoemd in artikel 21a, eerste lid, van het besluit, gekwalificeerd volgens tabel I en de fosfaattoestand van bouwland wordt gekwalificeerd volgens tabel II waarbij het P-AL-getal wordt afgerond in gehele getallen en het P-CaCl2-getal wordt afgerond in decimalen. Tabel I Grasland Indeling klassen P-CaCl2-getal (mg P/

  1. kg)Fosfaatgebruiksnormen (kg P2O5/
  2. ha)grasland Indeling klassen P-AL-getal (mg P2O5/100
  3. g)<21 21 tot en met 30 31 tot en met 45 46 tot en met 55 >55 <0,8 arm laag laag neutraal ruim 0,8 tot en met 1,4 arm laag neutraal ruim ruim 1,5 tot en met 2,4 laag neutraal ruim ruim hoog 2,5 tot en met 3,4 neutraal ruim ruim hoog hoog >3,4 ruim ruim hoog hoog hoog Tabel II Bouwland Indeling klassen P-CaCl2-getal (mg P/
  4. kg)Fosfaatgebruiksnormen (kg P2O5/
  5. ha)bouwland Indeling klassen P-AL-getal (mg P2O5/100
  6. g)<21 21 tot en met 30 31 tot en met 45 46 tot en met 55 >55 <0,8 arm arm arm laag laag 0,8 tot en met 1,4 arm arm arm laag neutraal 1,5 tot en met 2,4 arm arm laag neutraal ruim 2,5 tot en met 3,4 arm laag neutraal ruim hoog >3,4 laag laag neutraal ruim hoog Artikel 31 1. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet voor grond met de fosfaattoestand arm bedraagt 120 kilogram fosfaat per hectare grasland of bouwland. 2. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet voor grond met de fosfaattoestand laag bedraagt 105 kilogram fosfaat per hectare grasland of 80 kilogram per hectare bouwland. 3. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet voor grond met de fosfaattoestand neutraal bedraagt 95 kilogram fosfaat per hectare grasland of 70 kilogram per hectare bouwland. 4. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet voor grond met de fosfaattoestand ruim bedraagt 90 kilogram fosfaat per hectare grasland of 60 kilogram per hectare bouwland. Artikel 32 1. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede, derde en vierde lid, is uitsluitend van toepassing gedurende het kalenderjaar waarin de melding, bedoeld in artikel 103b, tweede lid, is gedaan, en indien wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 103b, derde lid. 2. Indien de percelen dan wel de gewaspercelen, in de in het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een andere landbouwer, is de desbetreffende fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid, gedurende het restant van die periode van toepassing, indien de landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan de minister. 3. Het tweede en derde lid van artikel III van de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2019 tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in verband met de implementatie van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn (Stcrt. 2019, 70977) vervallen met ingang van 1 januari 2021. Artikel 33 1. Op percelen waarvoor een melding als bedoeld in artikel 103b, tweede lid, is gedaan op basis van een geldig analyserapport met een datum van monstername gelegen voor 1 januari 2021 zijn de normen ter bepaling van de fosfaattoestand van de bodem en zijn de fosfaatgebruiksnormen van toepassing zoals deze golden op 31 december 2020. 2. In afwijking van artikel 103a, derde lid, is een analyserapport met een datum van monstername als bedoeld in dat lid, gelegen tussen 15 mei 2016 en 15 mei 2017 geldig tot vijf jaar na de datum van monstername. 3. Op percelen waarvoor voor 1 januari 2021 een melding is gedaan op grond van zowel artikel 33, eerste lid, zoals dit luidde op 31 december 2020, als artikel 103b, tweede lid, is tot het verstrijken van de termijnen van vier jaren, bedoeld in artikel 32, eerste lid, zoals dit luidde op 31 december 2020 of, indien dat eerder is, tot het moment waarop een nieuwe melding is gedaan, gebaseerd op een geldig analyserapport, bedoeld in artikel 103a, tweede lid, met een datum van de monstername na 1 januari 2021, de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van toepassing. 3. Op percelen waarvoor een melding als bedoeld in artikel 103b, tweede lid, is gedaan op basis van een geldig analyserapport dat is opgesteld voor 1 januari 2021 en waaruit blijkt dat indicator voor de fosfaattoestand van grasland een PAL-getal van minder dan 16 of de indicator voor de fosfaattoestand van bouwland een Pw-getal van minder dan 25 heeft, terwijl ten aanzien van desbetreffende percelen geen melding als bedoeld in artikel 33, eerste lid, zoals het luidde op 31 december 2020, is gedaan, is de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 31, tweede lid, van toepassing. 4. In afwijking van het eerste lid zijn op percelen waarvoor een melding als bedoeld artikel 103b, tweede lid, is gedaan op basis van een geldig analyserapport met een datum van monstername gelegen voor 1 januari 2021 de normen in verband met de fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in artikel 30, en de fosfaatgebruiksnormen, bedoeld in artikel 31, van toepassing indien: a. in het desbetreffende analyserapport de fosfaattoestand tevens is vastgesteld met gebruikmaking van de indicator voor de fosfaattoestand van grasland en bouwland, bedoeld in artikel 29a; en b. de landbouwer daarvan melding heeft gedaan bij de melding, bedoeld in de aanhef. Artikel 33a 1. Een landbouwer kan in enig jaar een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen op bouwland, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet of artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid, van deze regeling toepassen, indien de hoeveelheid fosfaat waarmee de geldende fosfaatgebruiksnorm is overschreden, in het navolgende jaar volledig wordt gecompenseerd. 2. De compensatie geschiedt door de hoeveelheid fosfaat waarmee de fosfaatgebruiksnorm in het voorgaande jaar is overschreden in mindering te brengen op de in het navolgende jaar geldende fosfaatgebruiksnorm. 3. De hogere gebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar meer dan de fosfaatgebruiksnorm die geldt ingevolge artikel 11, eerste lid, van de wet of artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid, van deze regeling. 4. De landbouwer, bedoeld in het eerste lid, meldt de toepassing van de verhoging van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin de verhoging wordt toegepast aan de minister. Artikel 33b 1. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet voor grond met de fosfaattoestand hoog bedraagt 45 kilogram fosfaat per hectare bouwland of op een bedrijf als bedoeld in artikel 72a, tweede lid, onderdeel a, 50 kilogram fosfaat per hectare bouwland, indien de landbouwer op de desbetreffende percelen ten minste 20 kg fosfaat per hectare toepast die aantoonbaar afkomstig is van één of meer van de volgende mestvormen: a. strorijke vaste mest van rundvee; b. in geval van een bedrijf als bedoeld in artikel 72a, tweede lid, onderdeel a, strorijke vaste mest van varkens; c. strorijke vaste mest van schapen; d. strorijke vaste mest van geiten; e. strorijke vaste mest van paarden; f. dikke fractie van meststoffen van rundvee; g. champost; h. gft-compost; of i. groencompost.’ 2. De landbouwer, bedoeld in het eerste lid, meldt het perceel of gewasperceel waarop de verhoging van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin de verhoging wordt toegepast aan de minister. § 4 Fosfaatvrije voet Artikel 34 Bij de bepaling van de in artikel 12, vierde lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen, wordt: a. 50 procent van de hoeveelheid fosfaat in compost niet in aanmerking genomen, tot een maximum van 3,5 kilogram fosfaat per 1.000 kilogram droge stof; b. in de jaren 2006 tot en met 2009 50 procent van de hoeveelheid fosfaat in schuimaarde niet in aanmerking genomen. Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2020] § 5 Tijdelijke vrijstelling mineralenconcentraat Artikel 35a 1. In de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2022 vindt een onderzoek plaats naar de landbouwkundige en milieukundige effecten met betrekking tot de productie, de afzet en het gebruik van mineralenconcentraat. 2. Aan het onderzoek kan worden deelgenomen door ten hoogste tien producenten van mineralenconcentraat. 3. Een producent van mineralenconcentraat die wil deelnemen aan het onderzoek kan zich hiertoe, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf of de onderneming van de producent verstrekte relatienummer, vanaf 1 januari 2015 aanmelden bij de minister. 4. [Vervallen.] 5. Bij de aanmelding overlegt de producent gegevens over: a. de naam, het correspondentie- en e-mailadres van de contactpersoon; b. het adres van de bedrijfsgebouwen waar mineralenconcentraat wordt geproduceerd; c. de kadastrale aanduiding van de onderscheiden locaties van de tot het bedrijf behorende opslagruimten voor mineralenconcentraat, dan wel, ingeval de producent een intermediair is, het registratienummer van de opslagruimte voor mineralenconcentraat, bedoeld in artikel 49. 6. Bij de aanmelding overlegt de producent voorts: a. een beschrijving van de installatie, waaruit blijkt dat deze tenminste een omgekeerde osmosestap omvat; b. een beschrijving van de mestsoorten die worden behandeld, de hoeveelheden daarvan uitgedrukt in tonnen en in kilogrammen stikstof en fosfaat per jaar, en de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van de eventueel tezamen met de dierlijke meststoffen behandelde stoffen; c. een beschrijving van het productieproces, waaronder de gebruikte technieken, de volgorde waarin deze worden toegepast en de capaciteit per uur van de desbetreffende apparatuur en de wijze waarop de omvang van de productie wordt gemonitord; d. een beschrijving van de eindproducten van het productieproces, de hoeveelheden daarvan, uitgedrukt in tonnen per jaar, en de verwachte samenstelling daarvan, onderscheiden naar de verschillende eindproducten; e. een analyse waaruit blijkt dat aan de kwaliteitseisen voor het product mineralenconcentraat kan worden voldaan. De kwaliteitseisen zijn de volgende: 1°. minimale gehalte aan NH4-N is 90 procent; 2°. verhouding stikstof-fosfaat is minimaal 15, en 3°. geleidbaarheid van het product uitgedrukt als EC is minimaal 50; f. een opgave van de maximale behandelingscapaciteit van de installatie in tonnen per jaar. 7. Voor zover de in het zesde lid bedoelde beschrijvingen zijn verstrekt op grond van de wet en niet zijn gewijzigd, behoeven deze niet opnieuw te worden verstrekt. Artikel 35b 1. De minister wijst een producent van mineralenconcentraat aan als deelnemer indien: a. de producent zich overeenkomstig artikel 35a, derde tot en met zevende lid, heeft aangemeld; b. de producent de volledige zeggenschap over de gehele installatie en het productieproces heeft; c. de bedrijfsgebouwen waar het mineralenconcentraat wordt geproduceerd, behoren tot het bedrijf of de onderneming van de producent; d. de installatie volledig operationeel is; e. de producent daadwerkelijk mineralenconcentraat produceert, overeenkomstig de beschrijvingen, bedoeld in artikel 35a, zesde lid. 2. De minister kan aan de aanwijzing nadere voorschriften verbinden. De aan de aanwijzing verbonden voorschriften kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken. Artikel 35c Indien meer dan tien producenten, bedoeld in artikel 35a, derde lid, voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 35b, eerste lid, wijst de minister ten hoogste tien producenten aan. De aanwijzing geschiedt op volgorde van aanmelding. Artikel 35d 1. Een aangewezen producent verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in artikel 35a, eerste lid, bedoelde onderzoek. 2. Een aangewezen producent produceert overeenkomstig de op grond van artikel 35a, vijfde tot en met zevende lid, overgelegde gegevens en beschrijvingen. 3. De aangewezen producent meldt de wijzigingen in de gegevens, bedoeld in artikel 35a, vijfde lid, binnen 30 dagen aan de minister. 4. Wijzigingen in de elementen, bedoeld in artikel 35a, zesde lid, vinden niet plaats dan na instemming van de minister. 5. De aangewezen producent draagt er zorg voor dat op het vervoersbewijs dierlijke mest uitsluitend de in bijlage I voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode wordt vermeld, indien het mineralenconcentraat is vervaardigd overeenkomstig de op grond van artikel 35a, zesde lid, overgelegde beschrijving van het productieproces, en indien het mineralenconcentraat wordt afgevoerd naar een gebruiker waarmee hij een overeenkomst tot afname van het mineralenconcentraat heeft gesloten. 6. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de van het bedrijf of van de onderneming van de producent afgevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 81. 7. Ingeval de aangewezen producent een intermediair is, heeft de in artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet bedoelde verantwoording betrekking op zowel de hoeveelheid fosfaat als de hoeveelheid stikstof. 8. Indien de aangewezen producent niet voldoet aan dit artikel of aan de ingevolge artikel 35b, tweede lid, gestelde voorschriften, kan de minister de aanwijzing als deelnemer voor een bepaalde periode schorsen of intrekken. Artikel 35e De landbouwer die op zijn bedrijf mineralenconcentraat gebruikt, is voor wat betreft het gebruik van het mineralenconcentraat, voor de jaren 2009 tot en met 2022 vrijgesteld van artikel 7 van de wet, voor zover het gebruik van de totale hoeveelheid meststoffen op zijn bedrijf de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in artikel 8, onderdeel b, van de wet, en de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet, niet overschrijdt, en indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in artikel 35f. Artikel 35f 1. De landbouwer heeft met een overeenkomstig artikel 35b aangewezen producent van mineralenconcentraat een schriftelijke overeenkomst gesloten tot afname van het mineralenconcentraat. 2. Het desbetreffende bedrijf van de landbouwer is voor de toepassing van artikel 35e elektronisch bij de minister aangemeld, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer. Deze aanmelding geschiedt voordat de eerste vracht mineralenconcentraat op het bedrijf wordt aangevoerd. 3. Het mineralenconcentraat is rechtstreeks vanaf het bedrijf of de onderneming van de in het eerste lid bedoelde producent op het bedrijf van de landbouwer aangevoerd. 4. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op het bedrijf van de landbouwer aangevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat worden bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 81. 5. Bij de vooraanmelding wordt de in bijlage I voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode vermeld. 6. De landbouwer houdt in de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit, de gegevens bij over de oppervlakte en de ligging van de percelen van zijn bedrijf waarop mineralenconcentraat op of in de bodem is gebracht. 7. De landbouwer verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in artikel 35a, eerste lid, bedoelde onderzoek. 8. Bij de bepaling van de in artikel 12, tweede lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt voor het desbetreffende bedrijf de hoeveelheid stikstof in het mineralenconcentraat voor 100 procent in aanmerking genomen. Artikel 35g Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 januari 2023. Hoofdstuk 4 Opslagcapaciteit dierlijke meststoffen Artikel 36 1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit, worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in bijlage D, tabel IA, kolom A. 2. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, en die behoren tot de in bijlage D, tabel IB, deel 1, onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in kolom A van die tabel. Hoofdstuk 5 Administratieve verplichtingen landbouwers Artikel 37 1. De aanmelding, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na inwerkingtreding van deze regeling bij de minister. 2. Indien een landbouwbedrijf wordt opgericht na 1 januari 2006, geschiedt de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 30 dagen na oprichting. 3. De gegevens, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, betreffen mede: a. het adres van de bedrijfsgebouwen waar dierlijke mest wordt geproduceerd; en b. het correspondentieadres van de landbouwer, indien dit afwijkt van het adres, bedoeld in onderdeel a. 4. Wijzigingen in de ingevolge artikel 31 van het besluit verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan de minister. Artikel 37a De landbouwer stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens artikel 129 aangewezen ambtenaren. Artikel 38 1. De gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, betreffen uitsluitend die percelen landbouwgrond die bij het bedrijf in het kader van normale bedrijfsvoering in gebruik zijn en die al dan niet gedeeltelijk zijn gelegen in Duitsland of in België, tot 20, onderscheidenlijk tot 25 kilometer uit de Nederlandse grens. 2. De gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel e, van het besluit, worden onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de omschrijvingen in bijlage D, tabel IA. 3. De gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel i, van het besluit, worden per afzonderlijke opslagruimte weergegeven. 4. Indien op een bedrijf ‘covergiste mest’ als bedoeld in bijlage Aa, onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel c, van het besluit, onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in bijlage Aa, onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 33, derde lid, van het besluit, gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen. Artikel 39 1. Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van het besluit, bevat de administratie van de landbouwer gegevens over: a. de hoeveelheid dierlijke meststoffen die in de periode van 1 januari tot en met 31 januari of van 16 september tot en met 31 december, op zijn bedrijf op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem is gebracht; en b. de oppervlakte en de ligging van de percelen van zijn bedrijf waarop zuiveringsslib op of in de bodem is gebracht. 2. Ingeval van een overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door een landbouwer aan een intermediair of door een intermediair aan een landbouwer, bevat de administratie tevens het bewijs van overdracht. Artikel 40 1. Wijzigingen in de aantallen op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige varkens, kippen, kalkoenen en runderen, worden binnen drie dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen. 2. Wijzigingen in de overige gegevens die de administratie ingevolge de artikelen 32, tweede lid, en 33 van het besluit en de artikelen 38 en 39 bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen. Artikel 41 De landbouwer die in de periode van 16 mei tot en met 31 oktober van een kalenderjaar een perceel landbouwgrond in gebruik neemt dat voor deze periode in gebruik was bij een ander bedrijf of een derde, doet hiervan binnen 30 dagen melding aan de minister. Artikel 42 1. De landbouwer, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, de landbouwer op wiens bedrijf in het voorgaande kalenderjaar de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, is toegepast of de landbouwer wiens bedrijf daartoe voor het huidige kalenderjaar is aangemeld bij de minister overeenkomstig artikel 25, eerste lid, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over: a. de aan het eind van het kalenderjaar op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar: 1°. vaste mest; 2°. drijfmest; 3°. zuiveringsslib en compost; en 4°. meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost; b. de hoeveelheden meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die op of van het bedrijf zijn aangevoerd, onderscheidenlijk zijn afgevoerd; c. het gemiddelde aantal in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren, anders dan varkens, schapen, geiten en runderen, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in bijlage D, tabel IA; en d. het aantal aan- of afgevoerde staldieren, anders dan varkens of vleeskalveren, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in bijlage D, tabel IA. 2. De landbouwer op wiens bedrijf op 31 december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig artikel 25, eerste lid, is aangemeld voor toepassing in 2006 van de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, verstrekt vóór 1 februari 2006 aan de minister gegevens uit de administratie over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°. 3. De landbouwer die op het eigen bedrijf geproduceerde koemelk zelf verwerkt tot eindproducten en die 50 procent of meer van de geproduceerde koemelk levert aan een koper als bedoeld in de Regeling superheffing 2008, verstrekt aan de minister gegevens met betrekking tot de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid koemelk. 4. Ingeval van overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door een landbouwer aan een intermediair of door een intermediair aan een landbouwer, doet de landbouwer hiervan binnen 30 dagen na de overdracht melding. Artikel 43 1. De artikelen 26 en 31 tot en met 35 van het besluit en de artikelen 37 tot en met 42 zijn niet van toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. de som van de tot dan toe in dat jaar op het bedrijf aangevoerde dierlijke meststoffen en de productie van meststoffen door de op dat moment op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige dieren op jaarbasis is ten hoogste 350 kilogram stikstof; b. de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is niet groter dan drie hectare; c. het bedrijf beschikt over een uniek nummer als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 of een door de minister verstrekt relatienummer in het geval dierlijke meststoffen worden aangevoerd op dan wel afgevoerd van het bedrijf. 2. De artikelen 32, tweede lid, onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit en de artikelen 40, eerste lid, en 42, eerste lid, onderdelen a, c en d, zijn niet van toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in bijlage D, tabel IA, waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen. 3. De productie van dierlijke meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën in bijlage D, tabel IA, kolom B, en tabellen IIA en IIB vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar. 4. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, en die behoren tot de in bijlage D, tabel IB, deel 2, onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het derde lid de normen van toepassing die zijn vermeld in deel 2 van die tabel. Artikel 44 De artikelen 32, tweede lid, onderdelen e, g, en h, van het besluit en de artikelen 40 en 42, eerste lid, onderdelen a en c, zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. het aantal in dat kalenderjaar ingeschaarde schapen is niet groter dan 450; b. inscharing van de schapen vindt slechts gedurende één aaneengesloten periode van ten hoogste vier weken in het kalenderjaar plaats in de periode van 1 januari tot 1 maart of in de periode van 1 oktober tot en met 31 december. Hoofdstuk 6 Administratieve verplichtingen intermediairs Artikel 45 1. De aanmelding, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na inwerkingtreding van deze regeling bij de minister. 2. Indien een intermediaire onderneming wordt opgericht na 1 januari 2006, geschiedt de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 30 dagen na oprichting. 3. De gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, betreffen mede: a. de GPS-gegevens van de onderscheiden locaties van de opslagruimten voor meststoffen; en b. het correspondentieadres van de onderneming. 4. De gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdelen f en g, van het besluit, betreffen mede de serienummers van de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur en de GR-apparatuur alsmede een aanduiding van het type waartoe deze apparatuur behoort, het versienummer en de fabrikant van deze apparatuur. 5. De gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel h, van het besluit, worden, voor zover het opslagruimten voor drijfmest of vaste mest betreft, mede uitgedrukt in kubieke meters onderscheidenlijk in vierkante meters. 6. In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het besluit, verstrekt de intermediair ter zake van de transportmiddelen die voor het vervoer van dierlijke mest exclusief bij de desbetreffende onderneming in gebruik zijn, tevens de volgende gegevens: a. ofwel het kenteken en de meldcode van het betrokken transportmiddel of aanhangwagen, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet betreft, waarop overeenkomstig Bijlage E, onderdeel D, onder 4.6, automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, danwel het chassisnummer van het betrokken transportmiddel waarop overeenkomstig Bijlage E, onderdeel D, onder 4.6, automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, voor zover het een ander transportmiddel betreft; b. ofwel het kenteken en de meldcode van het betrokken transportmiddel en van iedere aanhangwagen, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet betreft dat gebruikt wordt voor het vervoer van vaste mest, danwel het chassisnummer van het betrokken transportmiddel en het chassisnummer van de aanhangwagen, voor zover het een ander transportmiddel betreft dat gebruikt wordt voor het vervoer van vaste mest; en c. de koppeling tussen de geregistreerde GR-apparatuur, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel g, van het besluit, en de in onderdeel b bedoelde kentekens en chassisnummers, onder vermelding van het serienummer van de GR-apparatuur. 7. Indien op een onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, verstrekt de intermediair behalve de gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het besluit, tevens een omschrijving van de in artikel 16, eerste lid, van het besluit bedoelde behandelingsmethode voor zuiveringsslib. 8. Wijzigingen in de ingevolge artikel 38 van het besluit of het zesde of zevende lid geregistreerde gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van de onderneming verstrekte relatienummer, gemeld aan de minister. 9. De artikelen 38 en 39 van het besluit zijn niet van toepassing op tuincentra en hoveniers voor zover deze meststoffen afvoeren naar een afnemer, die geen bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, voert, met dien verstande dat het tuincentrum of de hovenier wel beschikt over een uniek nummer als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 of een door de minister verstrekt relatienummer. 10. Het zesde lid is niet van toepassing, indien het vervoer van drijfmest van een bedrijf naar een intermediaire onderneming plaatsvindt met behulp van een pijpleiding. Artikel 45a De intermediair stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens artikel 129 aangewezen ambtenaren. Artikel 46 1. De gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, worden bijgehouden op het daartoe door de minister verstrekte formulier. 2. In plaats van het in het eerste lid bedoelde formulier kunnen andere gegevensdragers worden gebruikt, onder de voorwaarde dat daarbij dezelfde berekeningswijze wordt gehanteerd als bij gebruik van het in het eerste lid bedoelde formulier, het geval zou zijn geweest. 3. Voor zover het hoeveelheden dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost betreft, worden de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, ingevuld zoals deze voor de desbetreffende hoeveelheid ook zijn opgenomen in rVDM, onderscheidenlijk zoals deze ook zijn vermeld op het op de desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte overzicht van de analyseresultaten. 4. Voor zover het hoeveelheden mestkorrels, overige organische meststoffen en anorganische meststoffen betreft, worden de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, overgenomen van het etiket op de verpakking, dan wel van het begeleidend document bij de meststoffen. 5. Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit, bevat de administratie met betrekking tot de overdracht van een opslagruimte voor meststoffen, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, het door de minister ter identificatie verstrekte relatienummer van de bij deze overdracht betrokken intermediaire onderneming. 6. Indien op een onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit tevens gegevens over: a. de in artikel 16, eerste lid, van het besluit bedoelde behandelingsmethode voor zuiveringsslib; b. de hoeveelheid geproduceerd, behandeld zuiveringsslib; en c. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib alsmede de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in artikel 21. 7. Indien op een onderneming compost wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit tevens gegevens over: a. de hoeveelheid geproduceerde, behandelde compost; en b. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 3, bij het besluit opgenomen zware metalen. 8. Indien op een onderneming ‘covergiste mest’ als bedoeld in bijlage Aa, onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in artikel 39, derde lid, onderdeel c, van het besluit, onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in bijlage Aa, onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, derde lid, van het besluit, gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen. 9. Ingeval van overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door of aan een intermediair, bevat de administratie van de intermediair tevens het bewijs van overdracht en de gegevens, bedoeld in artikel 48a, tweede lid. Artikel 47 1. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid, van het besluit en artikel 46, vijfde lid, bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen. 2. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de analyseresultaten, bedoeld in artikel 81, eerste lid, van het laboratorium zijn ontvangen op het in artikel 46, eerste lid, bedoelde formulier verwerkt. 3. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in artikel 46, eerste lid, bedoelde formulier verwerkt. Artikel 48 1. De intermediair verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over: a. de hoeveelheden meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die in het kader van de onderneming zijn aan- en afgevoerd; b. [vervallen; en] c. de aan het eind van het kalenderjaar op de onderneming aanwezige hoeveelheid meststoffen onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°. 2. De ondernemer in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister gegevens uit de administratie over de in het voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, van het besluit opgenomen zware metalen. 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de in het tweede lid bedoelde gegevens zijn verstrekt door het laboratorium dat de analyses heeft verricht. 4. De minister is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd. 5. De intermediair die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib, waarvoor op grond van artikel 92b een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in artikel 46, eerste lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend. Artikel 48a 1. Ingeval van overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door of aan een intermediair doet de intermediair hiervan binnen 30 dagen na de overdracht melding. 2. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende gegevens verstrekt: a. de hoeveelheid mest in tonnen die wordt overgedragen; b. de hoeveelheid stikstof en fosfaat in kilogrammen die wordt overgedragen; c. de soort mest die wordt overgedragen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°. Artikel 49 1. Op de opslagruimten voor meststoffen, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, worden de door de minister verstrekte registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is. 2. De opslagruimten voor meststoffen worden in de administratie en bij de verstrekking van gegevens mede aangeduid met het registratienummer van de opslagruimte, bedoeld in het eerste lid. Hoofdstuk 7 Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers Artikel 50 1. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming bij de minister. 2. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt behandeld, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming, overeenkomstig de krachtens artikel 118 gestelde regels. 3. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming meststoffen worden verhandeld, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na 1 januari 2008 bij de minister. Indien een onderneming als bedoeld in de vorige volzin wordt opgericht na 1 januari 2008, geschiedt de aanmelding uiterlijk 30 dagen na oprichting. 4. Indien op een onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, verstrekt de ondernemer behalve de gegevens, bedoeld in artikel 43, derde lid, van het besluit, tevens een omschrijving van de in artikel 16, eerste lid, van het besluit bedoelde behandelings methode voor zuiveringsslib. 5. Wijzigingen in de ingevolge artikel 43 van het besluit of het vierde lid geregistreerde gegevens worden door de desbetreffende ondernemer, uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging onder vermelding van het door de minister ter identificatie van de onderneming verstrekte relatienummer, gemeld aan de minister. 6. De artikelen 43 en 44 van het besluit zijn niet van toepassing op tuincentra en hoveniers, voor zover deze meststoffen afvoeren naar een afnemer, die geen bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, voert, met dien verstande dat het tuincentrum of de hovenier wel beschikt over een uniek nummer als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 of een door de minister verstrekt relatienummer. Artikel 50a De ondernemer, bedoeld in artikel 50, eerste tot en met derde lid, stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens artikel 129 aangewezen ambtenaren. Artikel 51 1. Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van het besluit, bevat de administratie van de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit, gegevens over: a. de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in artikel 98, eerste en tweede lid; en b. de op het etiket of het begeleidend document, bedoeld in artikel 99, eerste lid, vermelde droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof. 2. Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 44, vierde lid, van het besluit, bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit voor zover hij compost produceert of anderszins behandelt, gegevens over: a. de hoeveelheid geproduceerde, behandelde compost; en b. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 3, bij het besluit opgenomen zware metalen in de compost. 3. De gegevens, bedoeld in artikel 44, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit, betreffen de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib. 4. Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 44, vierde lid, van het besluit, bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit voor zover hij verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van artikel 92b een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die uit die opslagruimte zijn afgevoerd, zodanig dat steeds blijkt welke hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib zich in de opslagruimte bevindt. 5. De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden bijgehouden op het daartoe door de minister verstrekte formulier en worden overgenomen van het op de desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte overzicht van de analyseresultaten. Artikel 46, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 6. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge artikel 44 van het besluit of het eerste tot en met het derde lid bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen. 7. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge het vierde lid bevat, worden binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in het vijfde lid bedoelde formulier verwerkt. Artikel 51a 1. Op de opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib, bedoeld in artikel 51, vierde lid, worden de door de minister verstrekte registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is. 2. De opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib worden in de administratie en bij de verstrekking van gegevens mede aangeduid met het registratienummer van de opslagruimte, bedoeld in het eerste lid. Artikel 52 1. De ondernemer, bedoeld in artikel 50, eerste lid, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister per bedrijf met staldieren of runderen waaraan diervoeders worden geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar elektronisch gegevens uit de administratie over: a. de naam, het adres en het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer van het bedrijf, waaraan diervoeder is geleverd; b. de hoeveelheid geleverd mengvoeders bestemd voor staldieren of runderen, onderscheiden naar diersoort; en c. de hoeveelheid geleverd ruwvoer en enkelvoudig diervoeder. 2. De ondernemer in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister gegevens uit de administratie over de in het voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, van het besluit opgenomen zware metalen. 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de in het tweede lid bedoelde gegevens zijn verstrekt door het laboratorium dat de analyses heeft verricht. 4. De minister is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd. 5. De ondernemer, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van artikel 92b een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in artikel 51, vijfde lid, bedoelde formulier, of de in artikel 51, vijfde lid in samenhang met artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend. Hoofdstuk 8 Vervoer van meststoffen § 1 Apparatuur ten behoeve van het

Artikel 53

1. Het

vindt uitsluitend plaats indien de GR-apparatuur adequaat functioneert en voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in bijlage E, onderdeel D, en voor zover de GR-apparatuur, bedoeld in bijlage E, onderdeel D, onder 4, behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.

  1. In aanvulling op het eerste lid, vindt het vervoer van drijfmest uitsluitend plaats indien de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang met de GR-apparatuur adequaat functioneert.
  2. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien een storing van de apparatuur van een intermediair op een transportmiddel gedurende het

is ontstaan en door de vervoerder terstond elektronisch is gemeld aan rVDM. 4. Het transportmiddel waarvoor een melding als bedoeld in het derde lid is gedaan, wordt na afloop van het betreffende

niet voor het vervoer van een nieuwe vracht dierlijke meststoffen gebruikt zolang de melding, bedoeld in het derde lid, niet met toestemming van de minister door de vervoerder is ingetrokken. § 2 Vooraanmelding bij het

Artikel 541. Ten behoeve van de vooraanmelding worden de volgende gegevens aan r

VDM verstrekt: a. namen, adressen, en de door de minister ter identificatie verstrekte relatienummers of de unieke nummers, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 van de betrokken leverancier, vervoerder en afnemer; b. indien de leverancier of afnemer een intermediaire onderneming is, het registratienummer van de opslag; c. van de laad- en losplaats van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, voor zover de leverancier of afnemer geen intermediaire onderneming is, het unieke registratienummer, bedoeld in artikel 93, slot, van verordening (EU) nr. 2016/429, het unieke erkenningsnummer, bedoeld in artikel 2, onderdeel 16, van verordening (EU) nr. 2019/2035, of de postcode; d. de mestcode dan wel de mestcodes, bedoeld in bijlage I, van de mestsoort of mestsoorten van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen; e. indien de vracht dierlijke meststoffen uit meerdere mestcodes bestaat, het percentage van elke mestsoort in de betreffende vracht; f. het geschat gewicht uitgedrukt in tonnen van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen; g. indien van toepassing: het kenteken van het motorrijtuig, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, indien daarvan afwijkend tevens het kenteken van het getrokken voertuig, het identificatienummer of combinatienummer van het voertuig; h. de datum waarop het laden van de dierlijke meststoffen aanvangt; i. de opmerkingscode dan wel de opmerkingscodes zoals opgenomen in bijlage F die van toepassing is of zijn op het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen; j. indien van toepassing en voor zover reeds bekend: de code van het laboratorium dat de analyse van de dierlijke meststoffen uit zal voeren.

  1. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet eerder verstrekt dan twee weken voorafgaand aan de datum, genoemd in het eerste lid, onderdeel h.
  2. In aanvulling op het eerste lid, wordt ingeval van export van dierlijke meststoffen het referentienummer van het gezondheidscertificaat of handelsdocument, bedoeld in artikel 21, van verordening (EG) nr. 1069/2009 dat betrekking heeft op dezelfde vracht dierlijke meststoffen aan rVDM verstrekt.
  3. De vervoerder doet ingeval van export van dierlijke meststoffen, waarvoor ingevolge verordening (EG) nr. 1069/2009 een gezondheidscertificaat is voorgeschreven, de vooraanmelding ten minste twee werkdagen voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen en verstrekt daarbij de gegevens, bedoeld in het eerste lid. De gegevens, bedoeld in het derde lid, worden uiterlijk direct voorafgaand aan de startmelding verstrekt.
  4. Ingeval van import van dierlijke meststoffen worden ten behoeve van de vooraanmelding de volgende gegevens verstrekt: a. de gegevens die opgenomen staan in het eerste lid; en b. het referentienummer van het gezondheidscertificaat of handelsdocument, bedoeld in artikel 21 van verordening (EG) nr. 1069/2009 dat betrekking heeft op dezelfde vracht dierlijke meststoffen.
  5. In het geval van export respectievelijk import van dierlijke meststoffen behoeft in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, geen relatienummer van de afnemer respectievelijk de leverancier te worden verstrekt.
  6. De gegevens, bedoeld in dit artikel, kunnen bij

binnen Nederland tot de startmelding worden gewijzigd.

  1. In afwijking van het zevende lid, kunnen: a. de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, voor zover het betreft de gegevens van het kenteken van het motorrijtuig, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, indien daarvan afwijkend tevens het kenteken van het getrokken voertuig, en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, voor zover het betreft de gegevens van de geregistreerde opslag van de leverancier, d en e, worden gewijzigd tot het tijdstip van het laden, bedoeld in artikel 56; b. de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, indien het de opmerkingscodes 31, 39, 50, 61, 71 of 72 betreft, worden toegevoegd of verwijderd tot het tijdstip van lossen, bedoeld in artikel
  2. Bij export of import van dierlijke meststoffen kunnen de volgende gegevens worden gewijzigd: a. de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, h, i, en j, alsmede de gegevens, bedoeld in het derde lid, tot de startmelding worden gewijzigd b. het gegeven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, tot het tijdstip van laden.
  3. In afwijking van het zevende lid, kunnen bij

binnen Nederland de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a voor zover het betreft de gegevens van de afnemer, onderdeel b, voor zover het betreft de gegevens van de geregistreerde opslag van de afnemer, en onderdeel c, voor zover het betreft de locatie van de losplaats, worden gewijzigd tot het tijdstip van lossen, bedoeld in artikel 60. 11. Na ontvangst en controle van de vooraanmelding, bedoeld in het eerste lid, kent de minister via rVDM na bevestiging van de verstrekte gegevens een uniek nummer toe aan dat

. § 3 Het

Artikel 55

Niet eerder dan twee werkdagen voorafgaand aan de in de vooraanmelding verstrekte datum waarop het laden van de dierlijke meststoffen aanvangt, maar uiterlijk zodra de vervoerder bij de leverancier gereed is om dierlijke meststoffen te laden, worden bij de startmelding de gegevens van de vooraanmelding bevestigd en onder vermelding van het rVDM-nummer en het tijdstip van de melding onverwijld aan rVDM gezonden. Artikel 56

  1. De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het laden van de dierlijke meststoffen door de GR-apparatuur de gegevens inzake het rVDM-nummer, de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het transportmiddel, alsmede het serienummer, bedoeld in bijlage E, onderdeel D, onder 4.7, worden vastgelegd en zo spoedig mogelijk aan rVDM worden gezonden.
  2. De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, tevens de gegevens, bedoeld in artikel 58, vierde lid, worden vastgelegd en aan rVDM worden gezonden. § 4 Bemonsteren bij

Artikel 57

  1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, de van een bedrijf of intermediaire onderneming afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen genomen monster.
  2. Indien een vracht vaste mest bestemd is om te worden geëxporteerd, geschiedt de bemonstering tijdens het laden van het transportmiddel.
  3. Indien een vracht vaste mest is geïmporteerd, geschiedt de bemonstering tijdens het lossen van het transportmiddel. Artikel 58
  4. De bemonstering van een vracht drijfmest vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de vervoerder.
  5. De bemonstering van een vracht vaste mest geschiedt door de vervoerder.
  6. In afwijking van het tweede lid, geschiedt de bemonstering van een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door een monsternemende organisatie op verzoek van de leverancier of de vervoerder.
  7. De vervoerder draagt er zorg voor dat de volgende gegevens aan rVDM worden gezonden: a. het rVDM-nummer van de vracht dierlijke meststoffen die is bemonsterd; b. het nummer van het deksel van de monsterpot en het nummer van de monsterpot of de monsterverpakking; en c. het combinatienummer. § 5 Wegen bij

Artikel 59

  1. Het gewicht van de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, de van een bedrijf of intermediaire onderneming afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, wordt door de vervoerder van de desbetreffende meststoffen onverwijld na aanvang van het vervoer bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
  2. De bepaling van het gewicht van dierlijke meststoffen die van een bedrijf of intermediaire onderneming worden afgevoerd en worden geëxporteerd, geschiedt in Nederland.
  3. De bepaling van het gewicht van dierlijke meststoffen die worden geïmporteerd en op een bedrijf of intermediaire onderneming worden aangevoerd, geschiedt uiterlijk onverwijld nadat het vervoer op Nederlands grondgebied is aangevangen.
  4. De vervoerder draagt er zorg voor dat de volgende gegevens onverwijld na het wegen aan rVDM worden gezonden: a. het rVDM-nummer van de vracht dierlijke meststoffen die is gewogen; b. de datum en het tijdstip van de gewichtsbepaling; c. het vastgestelde gewicht uitgedrukt in kilogrammen van de vracht dierlijke meststoffen; en d. de locatie waar de gewichtsbepaling heeft plaatsgevonden, bestaande uit hetzij het adres, hetzij de bij de locatie behorende gps-gegevens. § 6 Voltooien van het

Artikel 60

De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het lossen van de dierlijke meststoffen door de GR-apparatuur op basis van het rVDM-nummer, de locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het transpo

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.