← Nederland

Omgevingsbeleidsplan 2013-2016 (Haaren)

Kort samengevat

Dit Omgevingsbeleidsplan 2013-2016 van de gemeente Haaren beschrijft het beleid en uitvoeringsprogramma voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, als opvolger van het beleid uit 2009-2012. Het is opgesteld naar aanleiding van landelijke ontwikkelingen en kwaliteitscriteria op het gebied van de fysieke omgeving.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Omgevingsbeleidsplan 2013-2016Hoofdstuk:

troductie De gemeente Haaren is naar aanleiding van diverse ontwikkelingen op het vlak van de fysieke omgeving gekomen tot een Omgevingsbeleidsplan. Het Omgevingsbeleidsplan bestaat uit een viertal delen, een kaderstellend deel, een beleidsdeel, een uitvoeringsprogramma en een organisatorisch deel. Met deze

strumenten speelt de gemeente

op de kwaliteitscriteria die landelijk zijn geformuleerd: enerzijds de criteria genoemd

de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en anderzijds de criteria genoemd

het landelijke transitieprogramma vergunningverlening, toezicht en handhaving. De Wabo geeft aan dat ieder bevoegd gezag moet beschikken over een

tegraal handhavingsbeleid en een

tegraal uitvoeringsprogramma. Het transitieprogramma geeft aan dat een bevoegd gezag moet voldoen aan bepaalde

houdelijke criteria, procescriteria en criteria ten aanzien van de kritische massa. Beide externe ontwikkelingen sluiten aan bij de

terne wens om,

het verlengde van de

spanningen van de afgelopen jaren, te komen tot een nieuw

tegraal programma. Het Omgevingsbeleidsplan verwoordt het beleid en uitvoeringsprogramma op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving voor de periode 2013 – 2016 en is daarmee de opvolger van het handhavingsbeleid 2009 – 2012. HoofdstukDeel1: Kader Het kaderstellend deel heeft als belangrijkste taak de positie, doelstellingen, uitgangspunten en opbouw van het Omgevingsbeleidsplan te bespreken.

hoofdstuk 1 wordt

gegaan op het onderwerp ‘Kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving’. Zoals zojuist aangegeven zijn dit belangrijke onderleggers voor het Omgevingsbeleidsplan. Het wordt van belang geacht deze context toe te lichten. Hoofdstuk 2 pakt het Omgevingsbeleidsplan op. De positionering en structuur van het Omgevingsbeleidsplan worden toegelicht. Het Omgevingsbeleidsplan strekt zich uit over alle activiteiten die vallen onder de werking van de Wabo, APV en bijzondere wettenen werkt het beleid en het uitvoeringsprogramma uit. Hoofdstuk 3 bespreekt de missie, visie en uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het Omgevingsbeleidsplan. Zij sturen het beleidsdeel aan. Het kaderstellend deel wordt afgesloten met het begrippen- en beleidskader. Tenslotte wordt uiteengezet dat de structuur van het Omgevingsbeleidsplan de opzet van de nalevingsstrategie volgt. Afdeling1.Kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving paragraaf 1.1. Transitieprogramma “Werk

uitvoering”De gemeentelijke vergunningverlening en handhaving krijgt te maken met landelijke kwaliteitscriteria. De ministeries van BZK en IenM werken met het Transitieprogramma “Werk

Uitvoering” aan de realisatie van een robuust georganiseerd bestuurlijk stelsel. Op basis van dit stelsel moet het ruimtelijk economisch en milieubeleid van de rijksoverheid op effectievere wijze doorwerken

de Wabo en de toezichtprioriteiten. Dit moet leiden tot minder administratieve lasten en minder bestuurlijke drukte. Eén van de projecten van het Transitieprogramma “Werk

Uitvoering” is het project “Ontwikkelen Kwaliteitscriteria Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving”. Het is de bedoeling dat de kwaliteitscriteria door alle gemeenten en provincies worden geïmplementeerd en als maatlat fungeren voor de prestaties van hun ambtelijke organisaties. De criteria hebben betrekking op het minimale kwaliteitsniveau dat nodig is voor een goede taakuitvoering van de vergunningverlening, toezicht en handhaving. De geformuleerde criteria hebben betrekking op : De kritieke massa. De

houdelijke kwaliteit en prioriteiten. De proceskwaliteit. Kritieke massa Met de kwaliteitscriteria voor kritieke massa kan een antwoord gegeven worden op de vraag of een organisatie

principe

staat is om de taken en onderliggende operationele activiteiten uit te voeren, gegeven de minimaal benodigde deskundigheid (opleiding, ervaring en kennis) voor de uitvoering van deze taken en de continuïteit daarvan.

houdelijke kwaliteit en prioriteiten Naast het opstellen van criteria voor kritieke massa zijn er ook

houdelijke criteria. Dit zijn aanvullende criteria die een minimale ondergrens bepalen. De

houdelijke criteria hebben betrekking op: De

houdelijke elementen van probleemanalyse, beleid, strategie en (uitvoering) programma. De diepgang van de toetsing van vergunningsaanvragen. De diepgang van

spectie en toezicht. De wijze van vergunningverlening. De wijze van

spectie en toezicht ter plaatse. De landelijke sanctiestrategie. De landelijke prioriteiten van

spectie, toezicht en handhaving. Proceskwaliteit De procescriteria beschrijven de eisen die gesteld worden aan de beleidscyclus. Door de criteria te volgen wordt de cyclus die begint met het opstellen van het beleid en via de uitvoering uiteindelijk leidt tot het bijstellen van het beleid, gesloten. De criteria bieden de kaders voor het kwaliteitssysteem van het bevoegd gezag. De criteria geven de elementen aan die minimaal aanwezig moeten zijn. Daarnaast moeten de criteria gebruikt worden bij het

richten van de organisatie, bijvoorbeeld om onafhankelijke oordeelsvorming te borgen. Voor het opstellen van de procescriteria is,

lijn met de professionalisering van de milieuhandhaving, op landelijk niveau beoordeeld of op alle kritieke punten van overdracht

het hoofdproces van vergunningverlening enerzijds en

spectie, toezicht en handhaving anderzijds goed is nagedacht over de borging van kwaliteit. Daarbij wordt de BIG-8 gehanteerd. De BIG-8 is door KPMG ontworpen ten behoeve van kwaliteitsmanagement bij de overheid. Dit model maakt vanuit een strategisch kader de vertaling naar operationeel beleid ten behoeve van kwaliteitsborging samen met een sluitende planning en control cyclus. # afbeelding Rapportage en evaluatie

essentie betreft deze stap het analyseren van allerlei relevante elementen dan wel veranderingen voor de vergunningverlenings- en handhavingsorganisatie. Strategisch beleidskader De volgende stap

het beleidsproces is het voorbereiden en voorleggen van prioriteiten en meetbare doelstellingen aan het bestuur van de vergunningverlening- en handhavingsorganisatie, het bespreken van keuzes met de politiek en het nemen van besluiten over de te stellen doelen op het gebied van vergunningverlening en handhaving. De uitgevoerde beleidsevaluatie legt voor deze stap de basis. Operationeel beleidskader

deze stap moeten prioriteiten en doelstellingen worden vertaald

concrete strategieën en objectieve criteria. Voor de vergunningverleningsorganisatie worden prioriteiten en doelstellingen vertaald

een set van objectieve criteria voor toetsing. Voor de handhavingsorganisatie worden hier de prioriteiten en doelstellingen vertaald naar doelgroepen en

nalevingstrategieën (of

dien reeds aanwezig het periodiek toetsen daarvan). Pas dan blijkt op welke wijze specifieke doelgroepen

de praktijk benaderd moeten gaan worden en hoe bepaalde beleidsaspecten (zoals strenger sanctioneren of minder gedogen) moeten gaan uitpakken. Planning en control Centraal

deze stap staat het toewijzen van de noodzakelijke capaciteit en financiële middelen die nodig zijn om de gestelde doelen te kunnen bereiken. Hiertoe worden organisatorische condities gesteld en een systematiek van

terne borging

gericht voor de wijze waarop werkzaamheden beheerst kunnen worden uitgevoerd. De bouwstenen voor deze stap zijn de resultaten van de beleidsevaluatie, de prioriteiten daaruit, doelstellingen voor de komende periode en overeenstemming over te voeren strategieën. Voorbereiden De essentie van deze stap is een goede voorbereiding van de af te geven vergunning en het uit te voeren controlebezoek door eerst te kijken naar de resultaten van eerdere vergunningverleningsprocedures met gelijke

itiatiefnemers en van eerdere controlebezoeken, de meldingen, klachten en

cidenten, eventuele rapportageverplichtingen, van toepassing zijnde nalevingstrategieën, etc. Uitvoeren Dit kernelement betreft de uitvoering van de te verlenen vergunningen en het controlebezoek zelf (

clusief de hieruit volgende acties). Monitoring Het laatste onderdeel van de beleidscyclus is de monitoring van diverse zaken die relevant zijn voor bijsturing

de operationele cyclus (bijvoorbeeld het aantal/de aard/de complexiteit van de te verwachte vergunningen of het aantal gerealiseerde controles, het bestede aantal uren, etc.) of als

put voor de beleidsevaluatie (zoals de verbetering of verslechtering van het naleefgedrag van bedrijven of de milieukwaliteit

de gemeente). Paragraaf 1.2. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)Per 1 oktober 2010 is de Wabo van kracht geworden. Toezicht en handhaving komen allereerst

de wet zelf voor en wel

artikel 5.2. en 5.3.

artikel 5.

  1. wordt aangegeven dat het bevoegd gezag tot taak heeft zorg te dragen voor bestuurlijke handhaving, het verzamelen en registreren van daartoe relevante gegevens en het behandelen van klachten. Artikel 5.
  2. geeft aan dat bij AMvB regels gesteld kunnen worden met betrekking tot een doelmatige handhaving, strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de handhavingsbevoegdheden tussen bestuursorganen en afstemming van werkzaamheden tussen bestuursorganen en andere organen / ambtenaren. Met de AMvB wordt

dit kader het Besluit Omgevingsrecht (Bor) bedoeld.

het Bor worden namelijk de kwaliteitseisen van de handhaving genoemd. Deze kwaliteitseisen komen veel overeen met de eisen die vanaf 1 januari 2005 gelden voor het milieu– of grijze kleurspoor. De wet– en regelgeving

het kader van de omgevingsvergunning, die door de Wabo wordt mogelijk gemaakt, verbreedt de eisen tot de andere kleursporen. Dit blijkt uit de volgende artikelen van de Bor: Artikel 7.2: Handhavingsbeleid Artikel 7.3: Uitvoeringsprogramma Artikel 7.4: Uitvoeringsorganisatie Artikel 7.5: Borging van middelen Artikel 7.6: Monitoring Artikel 7.7: Rapportage Paragraaf 1.3. ConclusieTussen de landelijke kwaliteitscriteria en de Wabo zijn ten aanzien van de eisen die gesteld worden aan vergunningverlening, toezicht en handhaving grote overeenkomsten te constateren. Beiden zijn gericht op een verdere professionalisering: Vergunningverlening en handhaving zijn gebaseerd op duidelijke doelstellingen en prioriteiten en hebben een adequaat beleidsmatig fundament. De uitvoering is gebaseerd op transparante jaarprogramma’s. De uitvoeringsorganisatie is gebaseerd / afgestemd op het beleid en de jaarprogramma’s. Er is sprake van een

tegrale aanpak. Er is sprake van een cyclisch proces. Vergunningverlening en handhaving geschieden zoveel mogelijk gestandaardiseerd. Afdeling2.Positionering en structuur van het Omgevingsbeleidsplan Paragraaf 2.1.

leidingHet Omgevingsbeleidsplan heeft tegen de achtergrond van het vorige hoofdstuk een aantal functies. Deze functies worden

de volgende paragrafen besproken en kunnen worden beschreven als: het realiseren van een

tegraal kader en transparantie. Vervolgens wordt

gegaan op de structuur van het Omgevingsbeleidsplan. Het Omgevingsbeleidsplan strekt zich uit over alle activiteiten, die

artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo zijn genoemd en van belang zijn voor de gemeente,en de belangrijkste activiteiten uit APV en bijzondere wetten. Daarbij richt het Omgevingsbeleidsplan zich op (

  1. a)de beoordeling van vergunningsaanvragen, (
  2. b)de controles van uitvoerende werkzaamheden, die plaatsvinden op basis van de vergunning

de realisatiefase en (c) de controles tijdens de beheer- of gebruiksfase. Paragraaf 2.2. Het realiseren van een

tegraal kaderHet Omgevingsbeleidsplan heeft tot doel om crucialegemeentelijke taken met het aanwezige beleid op het gebied van de Wabo, APV en bijzondere wettenin beeld te brengen, te structureren en te vertalen naar een adequaat uitvoeringsniveau. Onder het begrip adequaat wordt verstaan het niveau dat is afgeleid van landelijke protocollen, vastgesteld beleid en de kennis en ervaring van de eigen medewerkers. Paragraaf 2.3. Het realiseren van transparantieDe gemeente is op basis van wet- en regelgeving verplicht ten aanzien van de fysieke omgeving vergunningverlening, toezicht en handhaving op haar grondgebied vorm en

houd te geven. Ten aanzien van deze wet- en regelgeving is een taak voor de gemeente weggelegd, omdat aan bepaalde activiteiten

de fysieke omgeving maatschappelijke risico’s zijn verbonden. Het toezien gebeurt

een aantal stadia, namelijk bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag, bij uitvoerende werkzaamheden naar aanleiding van een afgegeven vergunning en tijdens het reguliere gebruik. De gemeente gaat na of burgers, ondernemers, beheerders en partijen die namens hen optreden (architecten, constructeurs, aannemers, uitvoerders) zich houden aan landelijke, provinciale en lokale wet- en regelgeving. De gemeente heeft als taak om na te gaan of deze partijen voldoende aannemelijk hebben gemaakt volgens de regels en voorschriften te handelen. Een belangrijk begrip

dit kader is transparantie: het zichtbaar maken van welke publieke taken de gemeente op welke wijze uitvoert zodat voor burgers, ondernemers, beheerders, medewerkers, management en bestuur een eenduidig beeld en verwachtingspatroon ontstaat. Essentieel daarbij is dat bestuurlijke overeenstemming wordt bereikt over de reikwijdte van de taakopdracht en de afstemming met de beschikbare of nog beschikbaar te stellen middelen. Concreet betekent dit bezig zijn met het zoeken naar evenwicht tussen kwaliteit en kwantiteit. De taken van de gemeente kunnen op verschillende uitvoeringsniveaus worden gerealiseerd. Aan ieder uitvoeringsniveau hangt een prijskaartje. Dit prijskaartje wordt bepaald door de

zet van vooral capaciteit (personeel). Aan ieder uitvoeringsniveau hangt ook een risicoprofiel. Afhankelijk van het uitvoeringsniveau worden bepaalde risico’s wel of niet afgedekt. Schematisch kan dit als volgt worden weergegeven. # afbeelding Het Omgevingsbeleidsplan heeft uiteindelijk een sterk operationeel karakter. Het is gericht op uitvoeringsbeleid en maakt keuzen hoe de gemeente de aannemelijkheidstoets op aspecten

het kader van wet- en regelgeving gaat uitvoeren. Er moeten

relatie tot het Omgevingsbeleidsplan expliciete bestuurlijke keuzen worden gemaakt. Een nadere prioritering van taken moet plaatsvinden.De bestaande formatie is het vertrekpunt voor de keuzen. Paragraaf 2.4. De structuur van het OmgevingsbeleidsplanHet Omgevingsbeleidsplan bestaat uit een 4-tal lagen. Deze sluiten aan bij de genoemde landelijke kwaliteitscriteria. De volgende lagen worden onderkend: De eerste laag bestaat uit de missie, visie en uitgangspunten. Deze laag vormt

wezen het kaderstellend deel. De tweede laag bestaat uit het beleid voor de gemeentelijke taken. Deze laag is terug te vinden

deel 2 van het Omgevingsbeleidsplan. Per taak wordt steeds dezelfde opbouw van de uitwerking aangehouden. Achtereenvolgens komen aan bod:

leiding: toelichting op basis van het hoe en waarom van een taak of product. Centrale vraag: vraag die het Omgevingsbeleidsplan moet beantwoorden. Strategie: uitgangspunten voor het beleid én de uitwerking van de factoren op basis waarvan keuzen worden gemaakt. Beleid: de keuzen ten aanzien van prioriteiten en diepgang.

wezen vormt deze laag het

houdelijke kwaliteitsdeel. De derde laag bevat het uitvoeringsprogramma op basis van het adequaat niveau. Het beleid wordt dan vertaald naar zogenaamde

put- en prestatiedoelstellingen. De

putdoelstellingen geven aan welke

zet van uren en budget op onderdelen zal plaatsvinden, terwijl de prestatiedoelstellingen aangeven hoeveel controles, aanvragen, zaken e.d. worden afgewikkeld. Het uitvoeringsprogramma komt tot stand door diverse kengetallen aan elkaar te koppelen en heeft een directe relatie naar de discussie over de kritische massa

het kader van de landelijke kwaliteitscriteria.

dit deel vindt uiteindelijk ook de bestuurlijke afweging plaats. De vierde en laatste laag bevat de organisatorische verankering. Deze laag heeft betrekking op de procescriteria en laat zien hoe de realisatie van het uitvoeringsprogramma

relatie tot de eerder beschreven BIG-8 cyclus is geborgd. Het uitvoeringsprogramma, genoemd als derde laag, is nog geen jaarprogramma. Het uitvoeringsprogramma geeft het kader aan van aantallen en uren op basis van het beleidsdeel. Nadat bestuurlijke besluitvorming heeft plaatsgevonden wordt het uitvoeringsprogramma definitief gemaakt. Jaarlijks vindt vervolgens een vertaalslag plaats. Deze vertaalslag heeft betrekking op enkele aspecten. Ten eerste zal een koppeling plaatsvinden naar de medewerkers, zodat duidelijk is wie welke werkzaamheden

welke omvang voor zijn / haar rekening neemt. Ten tweede zal voor een aantal producten een nadere specificatie moeten plaatsvinden

de vorm van met name adressen- of gebiedenlijsten. Dit geldt met name voor toezicht en handhaving

de gebruiksfase. Paragraaf 2.5. Afbakening OmgevingsbeleidsplanEr is veel wet- en regelgeving van toepassing op de fysieke leefomgeving. Voor het Omgevingsbeleidsplan is daarom een aantal keuzen gemaakt. De eerste keuze is dat het Omgevingsbeleidsplan zich beperkt tot de taken van het team Gemeentewinkel. Een uitzondering hierop vormen de taken van de Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA) ten aanzien van toezicht gebruik openbare ruimte, de zogenaamde kleine ergernissen. De tweede keuze heeft betrekking op de beleidsvelden, die

het Omgevingsbeleidsplan centraal staan. Conform het handhavingsbeleid 2009 – 2012 worden de volgende beleidsvelden onderscheiden: Bouw- en woningtoezicht. Ruimtelijke ordening. Milieu. Openbare orde en veiligheid. Een aantal taken / activiteiten binnen de zojuist genoemde beleidsvelden, die

wet- en regelgeving worden genoemd, zijn voor de gemeente Haaren niet van belang. Daarom heeft het geen toegevoegde waarde om deze taken / activiteiten op te nemen. Het betreft de volgende activiteiten vallend onder de Wabo: Het slopen op basis van planologische regels. De gemeente kent deze regels namelijk niet. Het slopen

beschermde stads- en dorpsgezichten. De gemeente kent namelijk geen beschermde stads- en dorpsgezichten. Het aanleggen, beschadigen of wijzigen van een weg voor zover deze niet valt onder artikel 2.1, eerste lid, onder b. Binnen de gemeente wordt namelijk toepassing gegeven aan artikel 2.2 eerste lid 1 onder e. Dat wil zeggen dat een omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen of wijzigen van een weg alleen noodzakelijk is voor zover daarvoor een verbod geldt als bedoeld

artikel 2.1, eerste lid, onder b. Het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg wordt dan beschouwd als het uitvoeren van een werk. Het opslaan van roerende zaken. Er wordt verwezen naar artikel 4:13 van de APV waaruit blijkt dat voor deze activiteit geen vergunning nodig is. Het is meer een artikel ten behoeve van de handhaving. Het aanbrengen of voeren van handelsreclame. Er wordt verwezen naar artikel 4:15 van de APV waaruit blijkt dat voor deze activiteit geen vergunning nodig is. Het is meer een artikel ten behoeve van de handhaving Binnen deze beleidsterreinen is een nadere keuze gemaakt welke taken / activiteiten tot

detail worden uitgewerkt en welke niet. De taken / activiteiten die

detail worden uitgewerkt zijn terug te vinden

het beleidsdeel. Een overzicht van de uitgewerkte taken is

de volgende tabel terug te vinden: Beleidsveld Taak / activiteit Bouw- en woningtoezicht (Ver)bouwen van een bouwwerk Slopen van een bouwwerk Brandveilig gebruik van een bouwwerk Wijzigen van een monument Ruimtelijke ordening Uitvoeren van een werk Strijdig gebruik planologische regels Milieu Exploiteren milieu-

richting Openbare orde en veiligheid (Apv) Aanleggen of wijzigen van een uitweg Vellen van houtopstand Organiseren van een evenement Verkopen, verstrekken en schenken van alcohol Exploiteren van een horeca-

richting Gebruik van de openbare ruimte De taken / activiteiten, die niet

detail worden uitgewerkt komen alleen terug

deel 3, het uitvoeringsprogramma, om een totaal beeld te krijgen van de

zet van middelen. Afdeling3.Missie, visie en uitgangspunten Paragraaf3.1Inleiding De

houd van het Omgevingsbeleidsplan wordt gestuurd door de missie, visie en uitgangspunten. Zij bepalen de strategie en het beleid hoe de activiteiten, die vallen onder de Wabo, worden benaderd.

de volgende paragrafen worden de relevante bouwstenen op een rij gezet. Paragraaf3.2Profielschets gemeente Gemeente Haaren bestaat uit de vier dorpen Biezenmortel, Esch, Haaren en Helvoirt. De dorpen liggen

een landelijke, overwegend agrarische, omgeving. Het noordelijk deel van de gemeente bestaat voor een groot deel uit bos en natuurgebied met onder andere het Nationaal Park de Loonse en Drunense Duinen. De dorpen hebben hoofdzakelijk een woonfunctie. Grote bedrijventerreinen zijn niet aanwezig.

Helvoirt, Haaren en Esch zijn kleinschalige bedrijventerreintjes aanwezig.

dustriële bedrijvigheid is slechts sporadisch aanwezig. De bedrijvigheid

de kernen beperkt zich

hoofdzaak tot dienstverlenende bedrijven, detailhandel, horecabedrijven en bedrijven met een ambachtelijk karakter. Grootschalige winkel- of uitgaanscentra komen niet voor.

het agrarische buitengebied is het land

hoofdzaak

gebruik als weidegrond of boomkwekerij. Binnen het gebied is een aantal

tensieve veehouderijbedrijven gevestigd. Tevens is een aantal tuinbouwbedrijven aanwezig, waarvan de meeste zich richten op de boomteelt. Daarnaast zijn enkele glastuinbouwbedrijven aanwezig. Door ontwikkelingen binnen de agrarische sector is het buitengebeid aan verandering onderhevig. Enerzijds is bij een aantal bedrijven sprake van schaalvergroting, terwijl andere bedrijven juist stoppen of andere activiteiten ontplooien. Zo is er een verschuiving te zien naar steeds meer paardenhouderijen. Veel (voormalige) agrarische bedrijven ondernemen niet-agrarische (neven)activiteiten. Mede door de aanwezige bossen en natuurgebied is de gemeente aantrekkelijk voor verblijfsrecreatie. Er zijn enkele vakantieparken en campings aanwezig. De gemeente Haaren heeft gekozen om zich als “Tuin van Brabant” te profileren. Bij veehouderijen wordt bewust gekozen voor de verbrede landbouw, dat wil zeggen een combinatie met toerisme en niet voor een verdere

tensivering. Bij boomkwekerijen wordt juist wel gekozen voor een dergelijke

tensivering. Paragraaf3.3Risico’s en adequaat niveau Ten behoeve van het opstellen van het Omgevingsbeleidsplan is een missie en visie ontwikkeld voor de taken op het gebied van fysieke omgeving. Essentieel hierbij is dat de

zet van de gemeente plaatsvindt op basis van risicomanagement. Op hoofdlijnen kunnen de volgende algemene risico’s worden onderscheiden: Fysieke onveiligheid leidend tot letsel en dood, omdat bijvoorbeeld sprake is van constructief en brandonveilige situaties. Gevaar voor de gezondheid omdat sprake is van een slecht binnenklimaat van bouwwerken of het verwijderen van asbest. Aantasting van de kwaliteiten van de leefomgeving omdat de

passing van bouwwerken

hun omgeving niet of onvoldoende bijdraagt aan een prettige en duurzame omgeving, houtopstanden worden gekapt, bedrijfsactiviteiten onveilig of niet duurzaam worden geëxploiteerd en

vloed hebben op water, lucht, bodem e.d.. Aantasting van de sociale kwaliteit van het leven tot uiting komend

bijvoorbeeld gevoelens van onveiligheid (onder meer brandonveilig gebruik, verkeersonveilige situaties), hinder/overlast en het uitsluiten van doelgroepen van maatschappelijke activiteiten door ontoegankelijke bouwwerken. De zojuist genoemde risico’s hebben als zij ontstaan bepaalde neveneffecten, die niet uit het oog mogen worden verloren. De belangrijkste neveneffecten zijn: Externe financiële schade: de gemeenschap wordt geconfronteerd met extra uitgaven ten gevolge van bijvoorbeeld een calamiteit. Deze kosten kunnen zowel een collectief als

dividueel karakter hebben. Maatschappelijke onrust: op verschillende geografische schaalniveaus kan onrust ontstaan wanneer niet adequaat wordt gehandeld; bijvoorbeeld ten gevolge van onveiligheid rond bouw- en sloopterreinen, het

storten van balkons, schade aan belendingen. Aantasting van het bestuurlijk imago: de betrouwbaarheid, daadkracht,

tegriteit van de overheid wordt

twijfel getrokken wanneer

cidenten of calamiteiten zich voordoen. Er wordt vaak snel naar de gemeente gewezen als boosdoener. Het bestuur kan hierop worden afgerekend. Procesrisico’s: onjuiste uitvoering van werkzaamheden kan leiden tot bijvoorbeeld vergunningen van rechtswege, bezwaren, schadeclaims, ontevreden klanten, onjuist afgegeven vergunningen. Paragraaf3.4Missie en doelstellingen De missie, die achter het Omgevingsbeleidsplan ligt en als een rode draad door dit beleidsplan heenloopt kan worden omschreven als “het leveren van een bijdrage aan de kwaliteit van het leefmilieu c.q. de leefomgeving”. De primaire aanknopingspunten zijn daarbij voor vergunningverlening, toezicht en handhaving fysieke omgeving de begrippen: Fysieke veiligheid: het leveren van een bijdrage aan veiligheid

het publieke en private domein. Gezondheid: het leveren van een bijdrage aan de gezondheid van mensen die verblijven

de gemeente. Ruimtelijke kwaliteit:het leveren van een bijdrage aan debescherming en

standhouding van het buitengebied en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de kernen; ruimtelijke kwaliteit moet

dit kader breed worden opgevat als kwaliteit van de directe omgeving. Milieukwaliteit: het leveren van een bijdrage aan een zodanige uitvoering van maatschappelijke activiteiten dat zij zo min mogelijk belastend zijn voor bodem, water, lucht en andere natuurlijke hulpbronnen.

de onderstaande tabel is een koppeling gelegd tussen de activiteiten, die

het Omgevingsbeleidsplan zijn uitgewerkt, en de begrippen die het maatschappelijk rendement weergeven. Activiteit 1 2 3 4 (Ver)bouwen van een bouwwerk X X X X Slopen van een bouwwerk X X X X Brandveilig gebruik van een bouwwerk X X X Wijzigen van een monument X Uitvoeren van een werk X X Strijdig gebruik planologische regels X X X X Exploiteren van een milieu-

richting X X X X Aanleggen of wijzigen van een uitweg X Vellen van houtopstand X X Organiseren van een evenement X X Verkopen, verstrekken en schenken van alcohol X X Exploiteren van een horeca-

richting X Gebruik van de openbare ruimte X X X X De vier begrippenzijn de pijlers onder het Omgevingsbeleidsplan en kunnen concreet worden vertaald naar de omgevingsdoelstellingen

relatie tot de activiteiten genoemd

de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Per activiteit vindt aansluitend een uitwerking plaats. Artikel3.4.1.Activiteit (ver)bouwen van een bouwwerk

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit (ver)bouwen van een bouwwerk: Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen van (a)

stortingen, (

  1. b)brandgevaarlijke situatie en (
  2. c)gebruiksonveilige situaties Gezondheid Voorkomen ongezond binnenklimaat Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen (
  3. a)verkeerd geplaatste en ontsierende bouwwerken, (b)

braakgevoelige bouwwerken, (

  1. c)ontoegankelijke bouwwerken, (
  2. d)bouwwerken die niet zijn afgestemd op hun functie en (
  3. e)onveilige situaties, hinder en overlast (geluid, trillingen, verkeer)

directe omgeving van bouwwerkzaamheden Milieukwaliteit Voorkomen veel energie verbruikende bouwwerken Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat bouwwerken op de juiste plek worden gerealiseerd, voldoen aan redelijke eisen van welstand en veilig zijn. Bouwwerken waar langere tijd mensen verblijven moet ook gezond, bruikbaar en energiezuinig zijn. Artikel3.4.2.Activiteit slopen van een bouwwerk

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit slopen van een bouwwerk. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen

stortingen en gebruiksonveilige situaties Gezondheid Voorkomen onjuist omgaan met asbest en andere schadelijke stoffen Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen onveilige situaties, hinder en overlast (geluid, trillingen, stof, geur, verkeer)

directe omgeving van sloopwerkzaamheden Milieukwaliteit Voorkomen bodemvervuiling Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat sloopwerkzaamheden veilig verlopen

relatie tot de directe omgeving en gevaarlijke stoffen (zoals asbest). Artikel3.4.3.Activiteit brandveilig gebruik van bouwwerken

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit brandveilig gebruik van bouwwerken. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen dood en letsel door brandgevaarlijk gebruik van bouwwerken Gezondheid Voorkomen aantasting gezondheid door vervuiling van de leefomgeving bij brand (asbest) Ruimtelijke kwaliteit - Milieukwaliteit Voorkomen aantasting landschappelijke en natuurwaarden bij brand: water, lucht en bodem Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat het gebruik van bouwwerken niet leidt tot brandonveilige situaties en branden zo min mogelijk belastend zijn voor hun omgeving. Artikel3.4.4.Activiteit wijzigen van een monument

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit wijzigingen van een monument. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid - Gezondheid - Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen aantasting cultuurhistorische waarden Milieukwaliteit - Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat cultuurhistorische waarden niet onnodig worden aangetast. Artikel3.4.5.Activiteit uitvoeren van een werk

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit uitvoeren van een werk. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid - Gezondheid - Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen aantasting landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Milieukwaliteit Voorkomen aantasting natuurwaarden Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden niet onnodig worden aangetast. Artikel3.4.6.Activiteit strijdig gebruik

relatie tot planologische regels

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit uitvoeren van een werk. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen dood en letsel door externe onveiligheid (besluit externe veiligheid) Gezondheid Voorkomen schade aan gezondheid door schadelijke

vloeden van nabijgelegen gebruiksfuncties Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen hinder en overlast omgeving door verschillende gebruiksfuncties Milieukwaliteit Voorkomen te hoge geluids- en geurbelasting Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat bouwwerken en gronden zodanig worden gebruikt dat zij zo min mogelijk belastend zijn voor hun omgeving. Artikel3.4.7.Activiteit exploiteren milieu-

richting

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit exploiteren milieu-

richting. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen van gaswolken, ontploffingen en brandgevaarlijke situaties (externe onveiligheid) Gezondheid Voorkomen schade aan gezondheid door schadelijke stoffen Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen hinder en overlast omgeving: geluid, trillingen, stof, geur Milieukwaliteit Voorkomen (

  1. a)aantasting natuurwaarden: kwaliteit van bodem, water, lucht en (
  2. b)verspilling van energiebronnen Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat activiteiten zodanig plaatsvinden dat zij zo min mogelijk belastend zijn voor hun omgeving. Artikel3.4.8Activiteit aanleggen of wijzigen van een uitweg

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit aanleggen of wijzigen van een uitweg. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen

gevaar brengen verkeer op de weg Gezondheid - Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen (

  1. a)aantasting openbaar groen en (
  2. b)aantasting uiterlijk aanzien van de weg Milieukwaliteit - Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat uitwegen zo min mogelijk gevaar opleveren voor andere weggebruikers en straatbeeld zo min mogelijk wordt aangetast. Artikel3.4.9.Activiteit vellen van houtopstand

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit vellen van houtopstand. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid - Gezondheid - Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen aantasting landschappelijke waarden Milieukwaliteit Voorkomen aantasting natuurwaarden Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat houtopstandenmet landschappelijke en natuurwaarden niet onnodig worden geveld. Artikel3.4.10.Activiteit organiseren van een evenement

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit organiseren van een evenement. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen van dood en letsel door gevaarlijke situatie Gezondheid - Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen overlast / hinder voor de directe omgeving Milieukwaliteit - Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat evenementen op een veilige manier plaatsvinden en voor zo min mogelijk overlast / hinder voor de omgeving zorgen. Artikel3.4.11.Activiteit verkopen, verstrekken en drinken van alcohol

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit verkopen, verstrekken en drinken van alcohol. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid - Gezondheid Voorkomen van gezondheidsproblemen bij jongeren door te vroeg en/of overmatig alcoholgebruik Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen verstoring openbare orde en veiligheid Milieukwaliteit - Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het terugdringen van alcohol gebruik onder vooral jongeren om gezondheidsschade en verstoring van de openbare orde te voorkomen. Artikel3.4.12.Activiteit exploiteren van een horeca-

richting

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit exploiteren van een horeca-

richting. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid - Gezondheid - Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen verstoring openbare orde en veiligheid Milieukwaliteit - Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het voorkomen dat de openbare orde wordt gestoord. Artikel3.4.13.Activiteit gebruik openbare ruimte

de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit gebruik openbare ruimte. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen van dood en letsel door gevaarlijke situaties

de openbare ruimte Gezondheid Voorkomen van onhygiënische situaties op erven en terreinen Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen verstoring openbare orde en veiligheid en aantasting kwaliteit van de directe woon- en leefsituatie Milieukwaliteit Voorkomen van bodemvervuiling Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het voorkomen de

tegrale kwaliteit van de directe woon- en leefomgeving wordt aangetast. Paragraaf3.5Uitgangspunten Aan het Omgevingsbeleidsplan ligt een aantal uitgangspunten ten grondslag, die te maken hebben met de wijze waarop de gemeente de doelstellingen wil realiseren: De primaire verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van bouwwerken en activiteiten ligt bij de burgers, bedrijven en

stanties dan wel de partijen die namens hen optreden. De gemeente Haaren beziet of die verantwoordelijkheid voldoende wordt genomen en onderneemt acties op basis van

geschat risico en wettelijke voorschriften. De gemeente Haaren heeft een vangnetfunctie op het gebied van wet- en regelgeving. De vangnetfunctie heeft een publiekrechtelijk karakter. De vangnetfunctie is gekoppeld aan kernbepalingen; onderdelen van wet- en regelgeving met een groot maatschappelijk belang. Deze kernbepalingen zijn bij de aannemelijkheidstoets leidend. De gemeente Haaren ziet hierop consequent, onafhankelijk en objectief toe. De kernbepalingen hebben vooral betrekking op de pijlers/ facetten zoals

de vorige paragraaf genoemd. De gemeente Haaren hanteert bij het vorm en

houd geven van de vangnetfunctie de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Dat wil zeggen dat burgers, bedrijven en

stanties direct worden aangesproken op de geleverde kwaliteit. Communicatie en samenwerking speelt daarbij een zeer centrale rol. Er is sprake van een proactieve en preventieve benadering die probeert te voorkomen dat zaken achteraf tegen hoge kosten voor burgers, bedrijven en

stanties en gemeente Haaren moeten worden rechtgezet. Afdeling4.Begrippen- en beleidskader Paragraaf 4.1. BegrippenkaderIn het Omgevingsbeleidsplan worden de volgende begrippen gehanteerd: Vergunningverlening heeft betrekking op het

behandeling nemen van een vergunningsaanvraag, het beoordelen van deze aanvraag en het nemen van een beslissing op de aanvraag

de vorm van een beschikking. Onder vergunningverlening wordt ook het behandelen van een melding verstaan. Onder toezicht worden verstaan: Vergunninggerelateerde controles

de realisatiefase (zoals bij slopen, bouwen, kappen) en

de beheer- of gebruiksfase (zoals bij het exploiteren van een milieu-

richting en brandveiliggebruik van bouwwerken). Controles op het uitvoeren van activiteiten zonder vergunning of melding naar aanleiding van eigen waarnemingen, klachten en meldingen. Tevens vallen hier de controles op thema’s onder. Als

het kader van handhaving controles moeten worden uitgevoerd vallen deze ook onder het begrip toezicht. Handhaving is de (bestuurlijke) oordeelsvorming over bevindingen tijdens toezicht en het – waar nodig en bestuurlijk wenselijk geacht – plegen van

terventies (maatregelen en sancties) met formeel juridische

strumenten, zoals het toepassen van bestuursdwang, het opleggen van dwangsommen of het

trekken van een vergunning. Aannemelijkheidstoets is de toets waaruit blijkt dat waarschijnlijk wordt voldaan aan wet- en regelgeving. De systematiek is als volgt: het is de taak van de aanvrager om aannemelijk te maken dat één en ander aan wet- en regelgeving voldoet. Het is de taak van de gemeente om op basis van beleid selectief na te gaan of dit ook zo is. Kernbepalingen zijn onderdelen van wet- en regelgeving die een zodanig afbreukrisico hebben dat zij kunnen leiden tot maatschappelijk onacceptabele risico’s en hierdoor het speerpunt van de gemeente zijn bij het uitvoeren van de aannemelijkheidstoets. De kernbepalingen zijn gekoppeld aan de

het vorige hoofdstuk genoemde vier pijlers. Paragraaf 4.2. BeleidskaderHet Omgevingsbeleidsplan gaat uit van verschillende lokale beleidskaders, die ontwikkeld zijn of

ontwikkeling zijn. Deze kaders worden voor zover aanwezig genoemd, met elkaar

verband gebracht en samengevat. Het is niet de bedoeling van het Omgevingsbeleidsplan om deze kaders

tegraal over te nemen of ze te vervangen. Paragraaf 4.3. Wijziging wet- en regelgevingWet- en regelgeving ten aanzien van activiteiten

de fysieke omgeving is continu

beweging. Zoals reeds aangegeven is per 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

werking getreden. Per 1 april 2012 is het Bouwbesluit gewijzigd. Onderdelen van de gemeentelijke bouwverordening zijn

het Bouwbesluit opgenomen. Ook het Gebruiksbesluit (voor brandveilig gebruik van bouwwerken) is

het Bouwbesluit geïntegreerd. Het Omgevingsbeleidsplan neemt de stand van zaken van wet- en regelgeving en beleid per 1 januari 2013 als vertrekpunt.Dit betekent dat de nieuwe Drank- en horecawet

het Omgevingsbeleidsplan is meegenomen. De komende jaren zullen meer wijzigingen plaatsvinden, bijvoorbeeld door de

voering van een nieuw evenementenbeleid, de Omgevingswet en de kwaliteitscriteria. Mogelijke consequenties van deze wijzigingen

wet- en regelgeving zullen bij de jaarlijkse evaluaties van het Omgevingsbeleidsplan betrokken worden. Paragraaf 4.4. Nalevingsstrategie als leidraadHet Omgevingsbeleidsplan volgt de diverse onderdelen die behoren bij de zogenaamde nalevingsstrategie.

de nalevingsstrategie wordt aangegeven met welke

strumenten de gemeente de naleving van wet- en regelgeving wil bereiken en de rol die handhaving –

de breedste zin des woords - daarin speelt. De nalevingssstrategie richt zich enerzijds op het reduceren van risico’s die kunnen voortkomen uit het niet naleven van voorschriften en anderzijds op het stimuleren van naleving. De reductie van risico’s vindt voornamelijk plaats door het houden van controle op de naleving van hetgeen

vergunning, melding en wet- en regelgeving is voorgeschreven. De gemeente heeft taak normconform gedrag te bewerkstelligen. Dit wordt ook bereikt door het

zetten van andere

strumenten, niet zijnde controle. Bijvoorbeeld door het geven van advies, samenwerken met andere partijen, voorlichting en het stimuleren van het treffen van maatregelen. Bij constateringen van afwijkingen van de gestelde norm zal het handelen van de gemeente

eerste

stantie gericht zijn op het herstel of het bereiken van de gewenste situatie door (dreigen met) het opleggen van sancties

bestuursrechtelijke zin, zonodig geflankeerd door een strafrechtelijk traject. Daarnaast bestaat

een beperkt aantal gevallen, de mogelijkheid om de betreffende situatie voor een bepaalde termijn te gedogen. De nalevingsstrategieomvat de volgende strategieën: Een preventiestrategie. Een toetsstrategie. Een toezichtstrategie. Een meldingenstrategie. Een sanctiestrategie. Een gedoogstrategie.

het volgende deel, het beleidsdeel, worden deze strategieën uiteengezet en uitgewerkt. Er wordt gestart met de uitwerking van de vergunningverlening. Dit onderdeel start met een de beschrijving van een algemene preventie- en toetsstrategie, waarna de toetsstrategie voor de verschillende activiteiten vallend onder de Wabo wordt uitgewerkt. Na de vergunningverlening wordt het toezicht opgepakt. De opzet is gelijk aan die van vergunningverlening. Er wordt gestart met de beschrijving van een algemene preventie- en toezichtstrategie, waarna de toezichtstrategie voor de verschillende activiteiten vallend onder de Wabo wordt uitgewerkt. Het derde onderdeel van het beleidsdeel bespreekt een aantal specifieke onderwerpen, namelijk het gebiedsgericht toezicht, het themagericht toezicht, de strategieën voor onder meer het omgaan met tijdelijke omgevingsvergunningen, het

trekken van omgevingsvergunningen en het actueel houden van basisregistraties. Het laatste onderdeel van het beleidsdeel pakt de daadwerkelijke handhaving op en bespreekt de meldingenstrategie, de sanctie- en gedoogstrategie. Hierbij wordt aangesloten bij “Zo handhaven wij

Brabant”. HoofdstukDeel2: Beleid Afdeling0.Onderdeel vergunningverlening

het beleidsdeel wordt voor de belangrijkste activiteiten het beleid uitgewerkt. Het beleid heeft betrekking op de wijze waarop de gemeente vorm en

houd geeft aan de aannemelijkheidstoets. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving. De uitwerking van het beleid vindt steeds op dezelfde wijze plaats. Per activiteit of onderdeel daarvan wordt de volgende opbouw van de uitwerking aangehouden:

leiding: toelichting op basis van het hoe en waarom van een taak of product. Centrale vraag: vraag die het Omgevingsbeleidsplan moet beantwoorden. Strategie: uitgangspunten voor het beleid én de uitwerking van de factoren op basis waarvan keuzen worden gemaakt. Beleid: de keuzen ten aanzien van prioriteiten en diepgang. Afdeling1.Preventiestrategie De gemeente Haaren hanteert, zoals aangegeven bij de uitgangspunten, de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Deze aanpak komt sterk naar voren bij de vergunningverlening. De gemeente stimuleert potentiële aanvragers actief na te gaan of aanvragen of meldingen nodig zijn en ten behoeve van de afhandeling te komen tot goed uitgewerkte aanvragen. Dit doet zij op twee manieren, namelijk via: Voorlichting en

formatievoorziening, bijvoorbeeld

de vorm van loket en de website. Vooroverleg

de vorm van concept aanvragen. Het overleg stelt een potentiële aanvrager

de gelegenheid om de haalbaarheid van een

itiatief na te gaan zonder veel kosten te maken en het plan tot

detail uit te werken. Afdeling2.Toetsstrategie De toetsstrategie geeft op hoofdlijnen aan op welke wijze de gemeente vergunningsaanvragen en meldingen beoordeelt. Voor de meeste activiteiten heeft een risicoanalyse op basis van het werkaanbod plaatsgevonden. De risicoanalyse heeft

het algemeen plaatsgevonden door vergunningsaanvragen en meldingen

logische categorieën te verdelen en deze te koppelen aan thema’s waarop volgens de gemeente wet- en regelgeving moet beoordelen. Per categorie per thema is nagegaan wat het risico is. Dit risico is vertaald naar de wijze van beoordelen. Hierbij is gekozen voor het hanteren van werkniveaus en

sommige situaties voor het maken van onderscheid tussen aandachts- en niet aandachtsbedrijven. Het hanteren van werkniveaus heeft met name betrekking op aanvragen voor zogenaamde aflopende activiteiten als bouwen, slopen en uitvoeren van een werk. De vergunning wordt aangevraagd en afgegeven, hierna vindt de uitvoering plaats en de activiteit is gereed. Er is geen sprake van een beheer- of gebruiksfase. Voor het beoordelen van aanvragen aan de thema’s

wet- en regelgeving worden afhankelijk van de risico’s verschillende werkniveaus gehanteerd. De werkniveaus geven de mate van diepgang aan waarop wordt beoordeeld. Deze methodiek is overgenomen van het project Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunningen dat

het verleden door de grotere gemeenten

Nederland is geïnitieerd. Beoordeling kan plaatsvinden op de volgende niveaus: Niveau Werkniveau Omschrijving 4

tegraal Controle door alle onderdelen diepgaand na te rekenen of meten 3 Representatief Controle door aantal representatieve onderdelen van een tekening en / of berekening rekenkundig te controleren 2 Beperkt Controle of uitgangspunten uit tekeningen / berekeningen zijn te halen door maten of meten, controle andere specificaties of controle rekenmethode 1 Marginaal Controle op aanwezigheid tekeningen / berekeningen en controle op eventuele gebreken, dat wil zeggen (

  1. a)als er niets op tekening staat dan geen verdere controle , (
  2. b)als er wel zaken op tekening staan, maar maten of andere specificaties ontbreken dan beoordeling op niveau 1, (
  3. c)als er wel maten of specificaties op tekening staan dan op niveau 2, omdat maten en specificaties op tekening altijd moeten kloppen. 0 Geen Het onderdeel is volgens wet- en regelgeving niet relevant of wordt niet beoordeeld. Het werkniveau marginaal vraagt om een toelichting. Voor de meeste activiteiten kan worden volstaan met het gedeelte ‘controle op aanwezigheid tekeningen / berekeningen en controle op eventuele gebreken’. De toevoeging heeft alleen betrekking op de activiteit (ver)bouwen. Deze achtergrond is terug te voeren op de discussie

de landelijke politiek bij de wijziging van de Woningwet

2007. Toen is besloten dat een vergunning voorgaat op algemene regels zoals vastgelegd

bijvoorbeeld het Bouwbesluit. Concreet betekent dit dat als van een thema niets op tekening staat er altijd achteraf tijdens de uitvoering kan worden gehandhaafd op het niveau genoemd

wet- en regelgeving. Dat geldt niet voor als

een vergunningsaanvraag een thema onjuist is uitgewerkt en dit niet wordt gecorrigeerd voor de uiteindelijke vergunning. Handhaving op het niveau genoemd

wet- en regelgeving is dan niet meer mogelijk. Om dit te voorkomen is voor de activiteit (ver)bouwen het werkniveau marginaal enigszins aangepast. Het werkniveau van toetsing dat

het uitvoeringsprogramma wordt vastgelegd, betreft het aanvangsniveau. Het principe dat is gekoppeld aan de werkniveaus is het principe van ‘opbouwen van vertrouwen’. De gemeente

ventariseert bij een aangegeven thema de risico-elementen en gaat hierbij na wat van een plan de cruciale secties zijn. Voorbeelden van secties bij (ver)bouwen zijn een bouwlaag, een woningtype, een gebouwvleugel, een trappenhuis, een galerij of een specifieke ruimte. Bij werkniveau 4 vindt een 100% toets plaats, bij de andere niveaus niet. Het betreft dan een gedeeltelijke toets. Bij de werkniveaus 1 t/m 3 wordt

het algemeen minimaal één vijfde van de elementen van de cruciale secties op het afgesproken werkniveau getoetst. Afhankelijk van het vertrouwen dat hieruit blijkt kan voor repeterende elementen het werkniveau worden verlaagd of verhoogd. Bijvoorbeeld thema daglicht: er wordt gekeken welke ruimten van een bouwplan het meest kritisch zijn ten aanzien van dit thema. Van deze ruimten wordt 20% beoordeeld op het aangegeven aanvangsniveau. Afhankelijk van de toetsresultaten wordt de toets vervolgd op een hoger of lager niveau. Aan het werkniveau kunnen aanvullende regels worden gekoppeld.

het algemeen betreft het dan regels ten aanzien van:

dieningvereisten:

de Regeling omgevingsrecht (Mor) wordt aangegeven welke bescheiden aanwezig moeten zijn op het moment van

diening van een aanvraag. De Mor biedt de ruimte voor het bevoegd gezag om bescheiden die niet nodig zijn voor de beoordeling van een aanvraag ook niet te vragen. Daarom wordt

relatie tot de aanwezige risico’sbepaald welke bescheiden wel en niet vereist zijn om te overleggen. Dit speelt vooral bij de activiteit (ver)bouwen. Nadere voorwaarden

de vergunning. Op basis van het werkniveau wordt geformuleerd dat uitwerking van de thema’s correct op de vergunningstekening moet plaatsvinden en dat voorwaarden niet mogelijk zijn.

dien de aanvrager onvoldoende aannemelijk maakt dat wordt voldaan aan wet- en regelgeving, wordt bij bepaalde werkniveaus gevraagd om tekeningen en berekeningen aan te passen, voordat vergunningverlening plaatsvindt. Hiervoor zal voor zover noodzakelijk het

strument van verdaging / verlenging van het besluit worden

gezet. Overdracht naar toezicht. Op basis van het werkniveau worden expliciet regels geformuleerd voor de overdracht van het dossier aan de toezichthouder. Nader

te dienen bescheiden na vergunning. Er worden expliciet regels geformuleerd voor wanneer welke bescheiden na vergunningverlening nog mogen / moeten worden aangeleverd. Ook bij activiteiten met een meer doorlopend karakter is daar waar mogelijk

verband met de consistentie gekozen voor de zojuist toegelichte benadering. Activiteiten met een doorlopend karakter zijn activiteiten, die een beheer- of gebruiksfase kennen. Het betreft dan vooral de activiteiten: exploiteren van een milieu-

richting en het brandveilige gebruik van bouwwerken. Daar waar dit niet mogelijk bleek te zijn is op basis van analyses een onderscheid gemaakt tussen aandachts- en niet aandachtsbedrijven. Aandachtsbedrijven worden

tensiever tegemoet getreden Afdeling3.Activiteit (ver) bouwen van een bouwwerk (Wabo,artikel 2.1a, 2.10) Paragraaf 3.

  1. AlgemeenIn Artikel 2.
  2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het (ver)bouwen van een bouwwerk. Vervolgens stelt artikel 2.10: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd

dien het bouwen niet voldoet aan het Bouwbesluit, de gemeentelijke bouwverordening, het bestemmingsplan, de beheersverordening, algemene ruimtelijke regels die door de provincie of het Rijk zijn gesteld, redelijke eisen van welstand, een advies van de Commissie voor de tunnelveiligheid, of het exploitatieplan.

leiding Het (ver)bouwen van een bouwwerk is één van de activiteiten die valt onder de Wabo en waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Aanvragen voor deze activiteit worden naast de genoemde toetsingskaders beoordeeld op ontvankelijkheid.Op grond van artikel 2.1 van de Wabo is het verboden om te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning). Hierop is echter een aantal uitzonderingen van toepassing. Deze staan genoemd

het Besluit omgevingsrecht (Bor).

dit hoofdstuk wordt uitgegaan van vergunningplichtige bouwwerken. De toetsingskaders voor aanvragen voor het (ver)bouwen van een bouwwerk liggen vooraf vast. Ten aanzien van bepaalde kaders kunnen keuzen worden gemaakt

de mate van detail van toetsing. Dit geldt

ieder geval niet voor het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand (welstandsnota). Toetsing vindt altijd

detail aan deze kaders plaats. Er isin het kader van het Omgevingsbeleidsplan niet voor gekozen om bijvoorbeeld de toets aan het bestemmingsplan voor bepaalde type bouwwerken uit te sluiten of de welstandstoets over te slaan of minder diepgaand te doen. Parallel aan het opstellen van het Omgevingsbeleidsplan wordt een nieuw welstandsbeleid opgesteld. Wanneer hierover ideeën of suggesties bestaan zullen deze toetsingskaders moeten worden aangepast. Ten aanzien van de technische voorschriften is eveneens een formeel kader aanwezig

de vorm van het Bouwbesluit. Het is echter onmogelijk om 100% aan deze kaders te toetsen. Vanuit de gedachte van de aannemelijkheidstoets is dit ook niet noodzakelijk. Voor de technische toetsing van aanvragen voor het (ver)bouwen van een bouwwerk is het daarom noodzakelijk tot een lokaal toetsingskader te komen dat aangeeft hoe de gemeente Haaren aannemelijk maakt of aan wet- en regelgeving wordt voldaan. Dit toetsingskader komt tot stand door de volgende vragen te beantwoorden: Centrale vragen Welke bouwwerken worden met welke diepgang technisch beoordeeld? Hoe wordt omgegaan met de toets van het constructieve hoofdprincipe bij de aanvraag om vergunning? Hoe worden deelgoedkeuringen beoordeeld? Hoe wordt omgegaan met de toets van omgevingsveiligheid? Paragraaf3.2.Technische beoordeling Strategie Landelijk is reeds over het beantwoorden van de eerste vraag nagedacht en wel

de vorm van het project Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunning (CKB). Dit project is een

itiatief geweest van de afdelingen bouw- en woningtoezicht van zevenentwintig grote gemeenten, voorheen verenigd

het Platform Bouw en Woningtoezicht Grote Gemeenten, en nu onderdeel vormend van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. Onder het motto ‘100% toetsen kunnen we niet’ hebben deze gemeenten een systeem ontwikkeld dat laat zien hoe en wat er wel getoetst wordt. Dit project sluit aan bij de visie van de gemeente Haaren op het beoordelen van een aanvraag voor het (ver)bouwen van een bouwwerk. Het Omgevingsbeleidsplan maakt dan ook gebruik van onderdelen van de ontwikkelde methodiek, en wel als volgt:

het Omgevingsbeleidsplan wordt ook gewerkt met een bouwwerktypologie net zoals bij het CKB. Het CKB kent 32 categorieën, het Omgevingsbeleidsplan slechts negen, omdat dit beter past bij de schaal van de gemeente Haaren. Door minder categorieën te gebruiken kan een duidelijker beleid worden geformuleerd. De verschillen

risico’s en het rendement van gemeentelijk handelen zijn per categorie duidelijker

beeld te brengen. Het Omgevingsbeleidsplan neemt de thema’s en werkniveaus van het CKB grotendeels over. Het Omgevingsbeleidsplan voegt een risicoanalyse toe aan de methodiek van het CKB om afgewogen keuzen te kunnen maken. Het Omgevingsbeleidsplan neemt ook de factor locatie als een

valshoek voor het beleid. Deze ontbreekt

het CKB. Bouwwerktypologie De

tensiteit van toetsing wordt allereerst afhankelijk gesteld van het type bouwwerk. Het type bouwwerk is zowel voor de toetsing als het toezicht een zeer belangrijk vertrekpunt. Immers een tuinhuisje vraagt bijvoorbeeld een andere benadering dan een appartementengebouw. Op basis van de samenstelling van de bouwstroom

de gemeente Haaren, de risico’s die aan bepaalde type bouwwerken zijn verbonden en het kwaliteitsbeeld dat van toepassing is op bepaalde type bouwwerken is gekozen voor de

deling zoals weergegeven

tabel A. Per type bouwwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van de technische toetsing van de aanvraag omgevingsvergunning. Thema’s wet- en regelgeving De

tensiteit van toetsing wordt ook afhankelijk gesteld van de onderdelen van het bouwwerk ( thema’s uit wet- en regelgeving), die

het geding zijn.

tabel B zijn de thema’s weergegeven.

combinatie met vooral het type bouwwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld. De thema’s zijn afkomstig uit de Woningwet en bijbehorende wet- en regelgeving zoals bestemmingsplannen, welstandsnota en Bouwbesluit. Betrokken partijen Bij (ver)bouwen zijn verschillende partijen betrokken: van particulier tot professionele bouwer. De dagelijkse praktijk laat zien dat er grote kwaliteitsverschillen zijn

enerzijds presentatie en uitwerking van tekeningen / berekeningen en anderzijds

de uitvoering van werkzaamheden. De toetsstrategie zou hierop kunnen worden afgestemd.

het onderhavige beleid is dat niet gebeurd. Het standpunt is

genomen dat aanvragen ongeacht kwaliteit van de betrokken partijen aan een bepaald kwaliteitsniveau moeten voldoen. De kwaliteit van de betrokken partijen wordt pas een factor van belang geacht zodra sprake is van certificering. Werkniveaus De

tensiteit of zwaarte van toetsing wordt afhankelijk gesteld van

geschatte risico’s (thema naar type bouwwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus, zoals

hoofdstuk 2 van dit deel besproken. A. Naam type / categorie Omschrijving Voorbeelden Gebruiksfuncties 1 Kleine bouwwerken ·Bijgebouwen ondergeschikt aan functie zonder langdurig verblijf van mensen ·Bouwwerken geen gebouw zijnde van ondergeschikt belang ·Geen funderingen of constructieve aanpassingen van bestaand gebouw ·Overspanning maximaal 3 meter Schuur, tuinhuis, carport, vrijstaande garage dierenverblijf, kozijnvervanging, fietsenstalling, Schutting, antenne, trafohuisje, straatmeubilair, klein reclameobject, vlaggenmast,

formatiezuil, zonnescherm, vuilcontainer, paardenbak, zeecontainer Divers 2 Aan-, uit- en bijgebouwen bij woonfunctie ·Met langdurig verblijf van mensen en / of ·Constructieve aspecten Erker, serre, dakopbouw, dakkapel, aan- en uitbouwen, aangebouwde garage, gevelverandering,

terne verbouwing, privé zwembad, kelder, balkon, dakterras, entree Wonen 3 Nieuw- en overige verbouw grondgebonden woningen Zowel

dividueel als projectmatig Vrijstaande, twee-onder-één kap- en rijtjeswoningen, vakantiehuis, boerderij, woonwagen, tijdelijke woonunit, aan- en bijgebouwen met mantelzorg Wonen 4 Nieuw- en overige verbouw woon-, cel- en logiesgebouw ·Gestapelde woningbouw of ·Utiliteitsbouw waar geslapen worden of ·Utiliteitsbouw met voorzieningen voor niet zelf redzame personen Appartementencomplex, hotel, bejaardentehuis, kinderdagverblijf, bed & breakfast, huisvesting seizoenarbeiders Wonen, logies, cel, bijeenkomst 5 Aan-, uit- en bijgebouwen bij andere functies ·Een bouwlaag ·Van ondergeschikt belang ·Maximaal 2.500 m2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen, gevelverandering,

terne verbouwing, kelder, entree Divers 6 Nieuw- en overige verbouw

dustrie zonder langdurig verblijf mensen Veestal, machineberging, silo, kas, dierenverblijven, loods Lichte

dustrie 7 Nieuw- en overige verbouw

dustrie met langdurig verblijf mensen Werkplaats, fabriek Lichte

dustrie,

dustrie 8 Nieuw- en overige verbouw kantoren en publiektoegankelijke gebouwen Politiebureau, gemeentekantoor, brandweerkazerne, winkel, buurtcentrum, horeca, sporthal, bibliotheek, kerk, postkantoor, gezondheidscentrum, parkeergarage, showroom, multifunctioneel centrum, kantoor, school, kinderopvang Bijeenkomst, winkel, sport, gezondheidszorg, kantoor, onderwijs, overig 9 Nieuw- en overige verbouw grote bouwwerken geen gebouw zijnde ·Bouwwerken met grote mate algemeen belang en / of ·Constructief belang Brug, buitenzwembad, tribune, antennemast, luifel, geluidscherm, klokkentoren, tunnel, rioolgemaal Sport, overig B. Thema Toelichting 1. Ruimtelijke

passing Bebouw- en gebruikseisen bestemmingsplan met betrekking tot de planologische

passing van bouwen en gebruiken. Aanvullende werking van stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening (bereikbaarheid bouwwerken, parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden). Andere aspecten die onder dit thema vallen zijn: verkeer, archeologie en aardkundige waarden. 2. Esthetische

passing Redelijke eisen van welstand (welstandsnota) ten aanzien van uiterlijk, plaatsing op zichzelf en plaatsing ten opzichte van de omgeving.

  1. Bodem Bouwen op verontreinigde grond als sprake is van langdurig verblijf van mensen en een te bouwen oppervlakte van meer dan 50 m
  2. Constructieve veiligheid Algemene sterkte van de constructie, sterkte bij brand en vloerafscheidingen.
  3. Gebruiksveiligheid Overbrugging van hoogteverschillen, trappen, elektriciteit- en noodstroomvoorziening, verlichting, gasvoorziening en draairichting van ramen en deuren. Aansluitplicht elektriciteit en aardgas.
  4. Brandveiligheid Ontstaan van brand, ontwikkeling en uitbreiding van brand, ontstaan en verspreiding van rook, vluchtroutes, bestrijding van brand, ontstaan en beperking van ongevallen. Bereikbaarheid van bouwwerken en brandblusvoorzieningen. Diverse

stallaties ten aanzien van brandmelding, ontruimingsalarm en vluchtrouteaanduidingen. 7. Sociale veiligheid Toegang tot bouwwerk en

braakpreventie. 8, Geluid Bescherming tegen geluid van buiten, geluid van

stallaties, geluid tussen ruimten en galm.

  1. Vocht Wering van vocht van buiten en binnen.
  2. Afvalwater & riolering Afvoer van afvalwater, fecaliën en hemelwater.
  3. Ventilatie Luchtverversing, spuivoorziening, afvoer van rook en toevoer van verbrandingslucht.
  4. Beperking

vloed schadelijke stoffen / dieren Toepassing schadelijke materialen en binnendringen schadelijke stoffen uit de grond. Bescherming tegen muizen en ratten.

dit programma wordt dit thema opgevat als aanlegdiepte.

  1. Watervoorziening Drinkwater en warmwatervoorziening. Aansluiting op waterleidingnet.
  2. Daglicht Toetreding van daglicht.
  3. Toegankelijkheid Toegankelijkheid en bereikbaarheid voor rolstoelgebruikers, vrije doorgang, verkeersroutes, bereikbaarheid bouwwerken, bereikbaarheid gebouwen voor gehandicapten.
  4. Ruimten Aanwezigheid en omvang van (gemeenschappelijke) ruimten

een gebouw.

  1. Opstelplaatsen Aanwezigheid en plaats van aanrecht en waar (gemeenschappelijke) apparaten zoals kooktoestel en warmwatertoestel staan.
  2. Energiezuinigheid Isolatie, luchtdoorlatendheid en andere (

stallatie)voorzieningen die de energieprestatie positief beïnvloeden . Risicoanalyse en conversie naar werkniveau De risicoanalyse van bouwwerkcategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden

bijlage 1 en 2. De categorie grote bouwwerken geen gebouw zijnde zijn

dit beleidsplan niet verder uitgewerkt. Zij komen namelijk zeer sporadisch voor en vragen gezien hun uiteenlopend karakter steeds om maatwerk. Toetsmatrix Technische thema’s Constructieve veiligheid Gebruiksveiligheid Brandveiligheid Sociale veiligheid Geluid Vocht Afvalwater & riolering Ventilatie Beperking schadelijke stoffen / dieren Watervoorziening Daglicht Toegankelijkheid Ruimten Opstelplaatsen Energiezuinigheid Type bouwwerk Kleine bouwwerken 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 Aan-, uit- en bijgebouwen bij woonfunctie 1 2 2 1 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 Nieuw- en overige verbouw grondgebonden woningen 3 2 2 1 2 1 2 2 1 1 2 1 2 1 2 Nieuw- en overige verbouw woon-, cel- en logiesgebouw 3 2 4 1 2 1 2 2 1 1 2 2 2 1 2 Aan-, uit- en bijgebouwen bij andere functies 1 2 2 0 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 Nieuw- en overige verbouw

dustrie zonder langdurig verblijf mensen 3 1 2 0 0 0 2 1 0 0 0 0 0 0 0 Nieuw- en overige verbouw

dustrie met langdurig verblijf mensen 3 2 4 0 1 1 2 2 1 1 0 1 2 1 2 Nieuw- en overige verbouw kantoren en publiekstoegankelijke gebouwen 3 2 4 0 2 1 2 2 1 1 2 2 2 1 2 Beleid Op basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per type bouwwerk de diepgang van toetsing bepaald. Deze zijn terug te vinden

de bovenstaande matrix / tabel.

deze tabel zijn alleen de technische thema’s terug te vinden. De thema’s ruimtelijke

passing, esthetische

passing en bodem zijn niet

de matrix opgenomen. Zij zullen altijd op het

tegrale niveau worden getoetst, met andere woorden een aanvraag zal aan alle relevante regels worden beoordeeld. Uit de matrix blijkt dat de technische toetsing vooral wordt gedaan door na te gaan of uitgangspunten uit tekeningen en berekeningen zijn te halen en na te gaan of deze voldoen aan de gestelde eisen. Hierop zijn enkele uitzonderingen: Bij de thema’s constructieve veiligheid en brandveiligheid wordt

enkele situaties direct op een hoger niveau getoetst. Bij de thema’s sociale veiligheid, vocht, beperking van de

vloed van schadelijke stoffen / dieren, watervoorziening en opstelplaatsen wordt altijd een lager niveau van toetsing voorgestaan. Uit de matrix blijkt dat ten aanzien van het rendement bij het soort bouwwerk sprake is van een vierdeling. De eerste categorie betreft de kleine bouwwerken. Gezien het beperkte risico vindt hier geen toetsing op het Bouwbesluit plaats. De tweede categorie bestaat uit de aan-, uit- en bijgebouwen. Thema’s aangaande veiligheid worden op niveau 2 getoetst, terwijl de andere technische thema’s op niveau 1 worden beoordeeld. Het meeste rendement is te realiseren bij de volgende type bouwwerken: Nieuwbouw van woningen . Nieuw- en overige verbouw van woon-, cel-, logiesgebouwen. Nieuw- en overige verbouw van kantoor- en publiekstoegankelijke gebouwen. Nieuw- en overige verbouw van

dustriegebouwen met langdurig verblijf van mensen. Het verschil tussen deze bouwwerkcategorieën is beperkt. Toetsing van de meeste thema’s vindt plaats op niveau 2 of hoger. Bij de overige type bouwwerken worden wat betreft toetsing minder thema’s (

tensief) beoordeeld. Samengevat ontstaat het volgende beeld van de kernbepalingen ten aanzien van het Bouwbesluit: Type bouwwerk Kernbepalingen Bouwbesluit Kleine bouwwerken Geen Aan-, uit- en bijgebouwen bij alle functies Constructieve veiligheid, brandveiligheid, gebruiksveiligheid, geluid Nieuwbouw van woningen Nieuw- en grotere verbouw van woon-, cel-, logiesgebouwen. Nieuw- en grotere verbouw van kantoor- en publiekstoegankelijke gebouwen. Nieuw- en grote verbouw van

dustriegebouwen met langdurig verblijf van mensen. Constructieve veiligheid, brandveiligheid, gebruiksveiligheid, geluid, afvalwater & riolering, ventilatie, daglicht, toegankelijkheid, ruimten, energiezuinigheid Nieuw- en overige verbouw

dustrie zonder langdurig verblijf mensen Constructieve veiligheid, brandveiligheid, afvalwater & riolering Certificering De toetsing aan de technische voorschriften van het Bouwbesluit kan ook plaatsvinden door externe partijen volgens een beoordelingsrichtlijn (BRL/BN 5019). Dit is de zogenaamde gecertificeerde bouwbesluittoets. Zodra bij een aanvraag een rapportage is bijgevoegd van een gecertificeerde toets wordt het

deze notitie geformuleerde beleid niet meer uitgevoerd door de gemeente.

de plaats daarvan zal de gemeente een controle uitvoeren op de geldigheid van het certificaat dat ten grondslag ligt aan het rapport. Er wordt dan gecontroleerd op de datum van het certificaat en de toepassingsgebieden waarvoor het certificaat is afgegeven. Wanneer sprake is van een positief resultaat wordt aangenomen dat de aanvrager voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag voldoet aan de technische voorschriften van het Bouwbesluit.

dien sprake is van een gecertificeerde bouwbesluittoets, die voldoet aan de voorwaarden, kan gedacht worden aan een korting op de leges of het sneller verlenen van de vergunning. Beleid hierover zal de komende jaren, als het gecertificeerd werken toeneemt, bij de evaluatie van het Omgevingsbeleidsplan worden geformuleerd. Paragraaf3.3.Beoordeling constructieve veiligheid De tweede vraag betreft de beoordeling van het constructief hoofdprincipe van een aanvraag voor het (ver)bouwen van een bouwwerk.Constructieve veiligheid is naast brandveiligheid het belangrijkste thema. Dit blijkt uit de toetsingsmatrix van de vorige paragraaf.

het Bor wordt aangegeven dat vooraf

zicht moet worden gegeven

het hoofdprincipe van de constructie. Detailtekeningen en berekeningen mogen na afgifte van de vergunning worden

gediend. Het Bor biedt

terpretatieruimte, die gezien het belang van het thema, niet wenselijk is. Vandaar dat ook op dit terrein een lokaal toetsingskader wordt geformuleerd. Strategie Als uitgangspunt is geformuleerd dat afhankelijk van het type bouwwerk, zoals geformuleerd

de vorige paragraaf, vooraf gegevens moeten worden

gediend die aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de eisen van constructieve veiligheid. De gegevens moeten worden beoordeeld door een ter zake deskundig iemand, waarbij de diepgang van beoordeling vooraf is afgesproken. Er wordt aangesloten bij de werkniveaus geformuleerd

de vorige paragraaf. Beleid Het beleid is terug te vinden

de tabellen op de volgende pagina. De bouwwerkcategorieën uit de vorige paragraaf zijn teruggebracht tot een drietal categorieën. Aangegeven is welke bescheiden voor de ontvankelijkheid moeten worden

gediend.

de tweede tabel is aangegeven op welk niveau de gegevens

houdelijk worden beoordeeld. Deze tabel is een uitwerking van de toetsmatrix omgevingsvergunning activiteit (ver)bouw en gebaseerd op het landelijke constructieprotocol. Toetsmatrix ontvankelijkheid I II III Naam kleine bouwwerken aan-, uit- en bijgebouwen overige bouwwerken Bouwwerkcategorie 1 2 en 5 overig Ontvankelijkheidseisen geen ·

zichtelijke bouwkundige tekeningen ·funderingsplan ·kapplan ·constructieberekening met helder aangegeven uitgangspunten tekeningen en berekeningen: ·grondrapport / funderingsadvies ·constructieve bestekstekeningen ·stabiliteitsberekening ·gewichtsberekening ·funderingsplan Ontvankelijkheidstoets door n.v.t. plantoetser constructeur

houdelijke toetsing door n.v.t. plantoetser constructeur Toetsniveau n.v.t. zie toetsmatrix zie toetsmatrix Voorwaarden vergunning geen alleen

dien opmerkingen specifiek op aangeven constructeur Toetsmatrix categorie II en III Aan- en uitbouw woonfunctie Nieuw- en overige verbouw grondgebonden woningen Nieuw- en overige verbouw woon-, cel- en logiesgebouwen Aan- en uitbouw overige functie Nieuw- en overige verbouw

dustrie zonder langdurig verblijf mensen Nieuw- en overige verbouw

dustrie met langdurig verblijf mensen Nieuw- en overige verbouw kantoren en publiekstoegankelijke gebouwen Nieuw- en verbouw grote bouwwerken geen gebouw zijnde Algemene toetsmatrix 1 3 3 1 3 3 3 3 1.Fundering

clusief (parkeer)kelders 1 2 3 1 2 3 3 2 2.Hoofddraagconstructie

clusief stabiliteit 1 3 3 1 2 3 3 2 3.Cruciale verbindingen

clusief stabiliteit 1 3 3 1 3 3 3 3 4.Constructieve onderdelen geen hoofddraagconstructie 1 2 3 1 2 3 3 1 5.Vloeren op zand of boven kruipruimte 1 1 1 1 1 1 2 0 6.Verdiepingsvloeren 1 2 2 1 1 2 2 0 7.Balustraden 1 2 2 1 2 2 2 1 8.Dak 1 2 2 1 3 2 3 0 9.Trappen en hellingbanen 1 2 2 1 2 2 2 0 10.Gevels (niet vloerdragend)

clusief bevestigingen 1 3 3 1 2 3 3 0 11.Gewichtsberekening 1 3 3 1 2 3 3 2 12.Constructieve elementen uit bouwveiligheidsplan 1 2 2 1 2 3 3 2 Paragraaf3.4.Beoordeling deelgoedkeuringen voorwaarden vergunning De derde vraag betreft de controle van deelgoedkeuringen ten aanzien van constructieonderdelen en

stallaties. Een vergunning kan onder voorwaarden / beperkingen worden verleend. Veel voorkomende voorwaarden / beperkingen hebben betrekking op het op een later tijdstip

dienen van tekeningen en berekeningen. Het betreft dan vooral constructieve tekeningen en berekeningen en

stallatietechnische tekeningen en berekeningen.

hetBor is het op een later tijdstip

dienen van dergelijke zaken wettelijk geregeld. Bij één vergunning kan sprake zijn van meerdere deelgoedkeuringen. Strategie Het feit dat aanvullende voorwaarden worden geformuleerd bij de vergunning geeft aan dat het niet reëel was om ten tijde van de vergunningsaanvraag een beoordeling te doen. Aangezien sprake is van voorwaarden zijn de beoordelingen vanuit het oogpunt van de gemeente Haarenwel noodzakelijk. Handhaving van deze voorwaarden wordt van groot belang geacht omdat het vaak belangrijke onderdelen ten aanzien van veiligheid (constructie en brand) betreft. Beleid Ten behoeve van de vergunning is sprake van een aantal (standaard) voorwaarden. De van toepassing zijnde voorwaarden worden steeds per vergunning uit deze lijst geselecteerd. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het tijdig aanleveren van de bescheiden (drie weken voor aanvang van het desbetreffende onderdeel). De toezichthouder bewaakt dit en gaat na of onderdelen niet worden gerealiseerd alvorens de bescheiden zijn beoordeeld en geaccordeerd. Wanneer bij aanvang van werkzaamheden de bescheiden niet tijdig zijn

gediend vindt

principe stillegging van de werkzaamheden plaats.

andere situaties vindt een nadere afweging plaats of tot stillegging moet worden overgegaan. Iedere set tekeningen / berekeningen die wordt

gediend wordt beoordeeld door vergunningverlening. De constructieve tekeningen en berekeningen worden gecontroleerd op het werkniveau zoals aangegeven bij beoordeling constructieve aspecten. De

stallatie technische tekeningen en berekeningen worden eveneens beoordeeld. Controle vindt plaats op het niveau aangegeven

de toetsmatrix

paragraaf 3.

  1. Paragraaf 3.
  2. Beoordeling omgevingsveiligheidDe factor locatie (ligging bouwplaats) is voor deze beoordeling van belang. De factor zal vooral worden gebruikt bij het toezicht van bouw- en sloopwerkzaamheden. Dit gebeurt

verband met risico’s en aansprakelijkheid. Tegen deze achtergrond worden de begrippen aandachts- en risicolocatie geïntroduceerd. Onder deze locaties worden verstaan locaties die door de aard van de werkzaamheden respectievelijk de aard van de omgeving een meer dan gemiddeld risico met zich meebrengen en tegen die achtergrond nadrukkelijker aandacht vragen voor omgevingsveiligheid. Met andere woorden, het betreft locaties waar een verhoogde kans op gevaar aanwezig is voor passanten, omwonenden en belendende percelen. (Ver)bouwen

het centrum vraagt vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid bijvoorbeeld een andere aandacht dan bouwen

het buitengebied. Uit jurisprudentie kan worden afgeleid dat onvoldoende toezicht vanuit algemeen belang bij problemen kan leiden tot aansprakelijkheidsstelling van de gemeente. Of sprake is van een aandachts- of risicovolle locatie wordt door verschillende criteria bepaald. Het eerste criterium heeft te maken met de aard van de belendende bouwwerken. Afhankelijk van het type bouwwerk en dan vooral de wijze van fundering (op staal, op houten / betonnen / stalenbuispalen e.d.), het materiaal waarin ze zijn opgetrokken (beton, staal, steen, hout e.d.), de ouderdom en staat van onderhoud is er een bepaalde gevoeligheid voor trillingen, veranderingen

grondwaterniveau, ontgravingen en slopen. Deze gevoeligheid

combinatie met de aard van het te realiseren bouwwerk en de wijze van bouwen bepalen de mate van risico. Een tweede criterium heeft te maken met de veiligheid op en om de bouwplaats. Een derde en laatste criterium heeft betrekking op de hinder en overlast voor omwonenden, gebruikers van omliggende panden en passanten. Het betreft dan zaken als geluidhinder, trillinghinder, verkeershinder en stankhinder.

de fase van vergunningverlening vindt door de gemeente een locatieanalyse plaats om de risico’s ten aanzien van omgevingsveiligheid

te schatten.

tabel A is aangeven welke onderwerpen

de locatieanalyse betrokken worden. Tabel B geeft aan hoe vanuit de locatie-analyse gekomen wordt tot een risico-

schatting en wat dit betekend voor het opnemen van voorschriften

de vergunning. A. Locatieanalyse omgevingsveiligheid

  1. Hinder en overlast omwonenden Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang leiden tot hinder en overlast voor de direct omwonenden of gebruikers voor direct omliggende panden: ·geluidshinder ·trillinghinder ·verkeershinder ·stankoverlast ·stofoverlast
  2. Weg beheer & openbaar vervoer Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang en

verband met onder meer opslag materialen, ligging van het bouwperceel, gebruik van materieel (kranen, steigers e.d.),

richting van de bouwplaats leiden tot maatregelen

en langs de weg door de wegbeheerder? ·vermindering aantal bestaande parkeerplaatsen ·belemmering doorstroming voetgangers ·belemmering doorstroming overig verkeer ·belemmering doorstroming openbaar vervoer ·ander gebruik openbare ruimte anders dan openbare weg ·verminderde bereikbaarheid en gebruik naastgelegen bouwwerken 3. Schade belendingen, leidingen, houtopstanden door aard van de bouwwerkzaamheden Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang leiden tot schade aan belendingen, bouwwerken, leidingen en houtopstanden? ·ontgravingen ·grondwaterstandverlaging ·bouwrijp maken ·

brengen van damwanden, palen e.d. 4. Veiligheid directe omgeving Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang en

verband met onder meer opslag materialen, ligging van het bouwperceel, gebruik van materieel (kranen, steigers e.d.),

richting van de bouwplaats leiden tot gevaar, hinder en overlast voor de direct omgeving ·hijsveiligheidzones ·laad- en loszones ·vallend materiaal B. Conclusie locatieanalyse 1. Wanneer op alle onderdelen met nee is geantwoord is er sprake van een niet risicovolle locatie. Niet risicovolle locatie standaardvoorwaarden opnemen

de vergunning 2. Wanneer alleen sprake is van hinder / overlast en verminderde bereikbaarheid / belemmering doorstroming zoals onder 1 en 2 weergegeven dan wel alleen voorzieningen voor houtopstanden getroffen moeten worden dan is sprake van een aandachtslocatie Aandachtslocatie specifieke voorwaarden opnemen

de vergunning dan wel regelen via een bouwplaatsinrichtingsplan. 3.

alle andere gevallen is sprake van een risicovolle locatie en wordt er gewerkt met een bouw- en sloopveiligheidsplan

twee fasen: uitgangspunten bij ontvankelijkheid en uitwerking na vergunning. Risicovolle locatie uitgangspunten bouw- en sloopveiligheidsplan opvragen bij ontvankelijkheid en verdere uitwerking bouw- en sloopveiligheidsplan als voorwaarde

vergunning opnemen Afdeling4.Activiteit het slopen van een bouwwerk (Bouwbesluit,paragraaf 1.7)

paragraaf 1.7 van het Bouwbesluit 2012 wordt gesteld dat een voornemen tot slopen waarbij naar redelijke

schatting de hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m³ zal bedragen of asbest wordt verwijderd, ten minste vier weken voor de voorgenomen aanvang van het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden schriftelijk wordt gemeld aan het bevoegd gezag.

leiding

paragraaf 1.7 van het Bouwbesluit 2012 zijn sinds 1 april 2012 de regels voor het slopen van een bouwwerk terug te vinden. Er wordt niet meer gesproken over een omgevingsvergunning voor de activiteit slopen van een bouwwerk, maar van een sloopmelding. Deze sloopmelding moet afhankelijk van het type sloopwerk vijf dagen respectievelijk vier weken voor aanvang worden gedaan. Het Bouwbesluit geeft aan welke bescheiden bij een melding moeten worden

gediend en op welke onderdelen door de gemeente aanvullende voorwaarden mogen worden gesteld. Centrale vraag Welke meldingen om sloopwerken worden met welke diepgang beoordeeld? Strategie Door de vorming van de Omgevingsdienst (OBN) zal een deel van de beoordeling van de sloopwerken niet meer bij de gemeente plaatsvinden. Het betreft de sloopwerken door bedrijven voor het onderdeel asbest. De gemeente beoordeelt alleen nog de sloopwerken door particulieren. Voor deze beoordeling is er een Methodiek opgezet naar analogie van de activiteit (ver)bouwen; het betreft een toetsingskader per thema per type sloopwerk. Typologie sloopwerk Het type sloopwerk wordt als een belangrijk aspect voor het toetsingskader beschouwd. Op basis van drie factoren is een

deling

type sloopwerken gemaakt. Per type sloopwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van de technische toetsing van de aanvraag. De leidende factoren zijn: (

  1. a)de samenstelling van het aanbod aan sloopwerkzaamheden, (
  2. b)de risico’s die aan bepaalde type sloopwerken zijn verbonden en (
  3. c)het kwaliteitsbeeld dat van toepassing is op bepaalde type sloopwerken. De onderscheiden categorieën zijn terug te vinden

tabel A. Per type sloopwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van de beoordeling van de melding. Naast de sloopcategorieën

tabel A wordt een zogenaamde buitencategorie onderscheiden. Dit zijn eenmalige grootschalige projecten die om maatwerk vragen. Thema’s wet- regelgeving

het beleid wordt de

tensiteit van toetsing afhankelijk gesteld van de onderdelen van het sloopwerk (thema’s uit wet- en regelgeving), die

het geding zijn.

tabel B zijn de thema’s weergegeven.

combinatie met het type sloopwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld. Werkniveaus De

tensiteit of zwaarte van toetsing wordt, zoals reeds aangegeven, afhankelijk gesteld van

geschatte risico’s (thema naar type sloopwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus zoals toegelicht

hoofdstuk 2. A. Naam type / categorie Omschrijving 1 Particuliere asbestsloop Het door een particulier slopen van: ·Geschroefde, hechtgebonden asbesthoudende platen met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel; ·Asbesthoudende vloertegels met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel; ·Niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel. 2 Bedrijfsmatige asbestsloop Het uitsluitend door een bedrijf verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk. 3 Particulier niet risicovol sloopwerk Het afbreken van een bouwwerk, waarbij de hoeveelheid sloopafval minimaal 10 m3 bedraagt. Een sloopwerk is niet risicovol als de volgende criteria gelden: ·Geen asbest; ·Geen gemeenschappelijke draagconstructie; ·Geen ligging aan drukke weg; ·Geen gevaar voor belendingen; ·Laag gevoelige omgeving ten aanzien van hinder en overlast; ·Geen verdachte bodemlocatie

relatie tot milieuschadelijke stoffen; ·Geen bodemlocatie

relatie tot archeologie; ·Geen gedeeltelijke sloop (geen aanwezigheid van gebruikers

resterende delen van het bouwwerk); ·Geen gebruik openbare ruimte 4 Particulier risicovol sloopwerk Alle overige sloopwerken. B. Thema Toelichting Constructieve veiligheid Constructieve veiligheid vanuit het oogpunt van externe veiligheid en belendingen Openbare weg Beschadiging / vervuiling,

gebruikname, bereikbaarheid / toegankelijkheid Belendingen Beschadiging, toegankelijkheid / bereikbaarheid, afwerking aangrenzende boiwwerken Hinder en overlast Geur, geluid, stof, trillingen Archeologie Beschadiging van cultuurhistorische bodemschatten Bodem Ledigen putten, opvullen gaten, bodemverontreiniging, grondwater Mobiele puinbrekers AMvB mobiele puinbrekers Riolering Rioolaansluiting Kabels en leidingen Gas, water en elektra, overige kabels en leidingen Asbest Aanwezigheid, verwijderen, asbestvrij verklaren, afvoer / stort Milieuschadelijke stoffen Scheiding, opslag, verwerking Sloopafval Scheiding, opslag, verwerking Terreinafwerking Netheid, afwerking bij oplevering Risicoanalyse en conversie naar werkniveau De risicoanalyse van sloopwerkcategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden

bijlage 3. Beleid Op basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per type sloopwerk de diepgang van toetsing bepaald. Deze zijn terug te vinden

de volgende tabel. Het werkniveau van toetsing betreft het aanvangsniveau. Het principe dat is gekoppeld aan de werkniveaus is het principe van ‘opbouwen van vertrouwen’ zoals eerder uiteengezet. Om het beleid te kunnen uitvoeren is het noodzakelijk dat er allereerst door de gemeente vanuit vergunningverlening een labelling van de melding plaatsvindt. Toetsmatrix Thema wet- en regelgeving Constructieve veiligheid Openbare weg Belendingen Hinder en overlast Archeologie Bodem Mobiele puinbrekers Riolering Kabels en leidingen Asbest Milieugevaarlijke stoffen Sloopafval Terreinafwerking Type werk Particuliere asbestsloop 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 Bedrijfsmatige asbestsloop 0 0 0 0 0 0 0 0 0 2 0 0 0 Particulier niet risicovol sloopwerk 0 0 0 0 4 0 0 0 0 0 0 0 0 Particulier risicovol sloopwerk 2 A 2 A 4 2 2 A A 2 2 2 A Uit de toetsmatrix kan worden afgeleid dat bij een particuliere asbestsloop geen

houdelijke toetsingen plaatsvinden. Er is een controle op het juist

vullen van het formulier en ter plekke wordt, voor zover nodig (bij twijfel), voordat goedkeuring wordt verleend gekeken naar het aanwezige asbest. Voor het vervolg is dit product louter een administratief product met een standaard set aan aandachtspunten bij de acceptatie van de melding om de veiligheid te stimuleren en om zich

te dekken voor eventueel onverwachte zaken tijdens de sloop.

dien nodig kunnen maatwerkvoorschriften worden opgelegd. Bij een bedrijfsmatige asbestsloop is bijna sprake van een gelijke situatie met uitzondering dat het asbestinventarisatierapport wordt beoordeeld. Het particulier niet risicovolle sloopwerk is een administratief product. Het is een standaard product. Het particulier risicovolle sloopwerk wordt op diverse thema’s diepgaander beoordeeld. Het betreft de thema’s constructieve veiligheid, belendingen, archeologie, bodem, mobiele puinbrekers, asbest, milieugevaarlijke stoffen en sloopafval. Deze toetsing vindt plaats

het kader van de voorschriften gesteld

hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit en liggen

lijn van het protocol slopen van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. De toetsresultaten ten aanzien van deze thema’s zullen waar nodig moeten worden vertaald naar maatwerk- voorschriften bij de acceptatie van de melding. Diverse thema’s worden niet

houdelijk beoordeeld, maar worden geregeld via aandachtspunten bij de acceptatie van de melding. Afdeling5.Activiteit het

gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk met het oog op brandveiligheid (Wabo, artikel 2.1d, 2.13)

Artikel 2.1.

van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk

gebruik te nemen of te gebruiken met het oog op de brandveiligheid.De omgevingsvergunning moet worden geweigerd zo stelt artikel 2.13 als de brandveiligheid voor het voorziene gebruik niet voldoende is verzekerd. Tevens stelt de Wabo dat

sommige gevallen geen vergunning nodig is, maar dat een melding met het oog op brandveiligheid moet worden gedaan. Een dergelijke melding kan overigens ook geheel los van een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden gedaan.

leiding Het Gebruiksbesluit, dat het brandveilig gebruik van een bouwwerk regelt, is per 1 april 2012 opgenomen

het Bouwbesluit. Naast het regime van de omgevingsvergunning voor het brandveilig gebruik van bouwwerken blijft sprake van gebruiksmeldingen. Een vergunning is nodig als sprake is van dagverblijf van meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, dagverblijf van meer dan 10 personen die lichamelijk of verstandelijk gehandicapt zijn of wanneer sprake is van nachtverblijf van meer dan 10 personen. Een gebruiksmelding wordt gevraagd als zich meer dan 50 personen

een bouwwerk kunnen bevinden, er sprake is van een woonfunctie die kamergewijs wordt verhuurd of er sprake is van gelijkwaardigheid op basis van het Bouwbesluit. Wanneer voor een

richting geen gebruiksvergunning of –melding nodig is gelden algemene regels met een zorgplicht. De zojuist genoemde vergunning en melding hebben betrekking op gebouwen. Voor brandveilig gebruik van bouwwerken geen gebouw zijnde (zoals tenten) worden

de brandbeveiligingsverordening criteria gesteld wanneer een zogenaamde gebruiksvergunning nodig is. Een dergelijke gebruiksvergunning speelt vaak bij evenementen een rol. Als

dit hoofdstuk over vergunning wordt gesproken worden bedoeld: de omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik, de gebruiksmelding op basis van het Bouwbesluit en de gebruiksvergunning op basis van de brandbeveiligingsverordening. Centrale vraag Hoe vindt de beoordeling op brandveilig gebruik van een bouwwerk plaats? Strategie Er wordt aangesloten bij landelijke kaders. Deze zijn vertaald naar een aanpak zoals opgezet voor de activiteit (ver)bouwen. Tevens is aansluiting gezocht bij de dienstverleningsovereenkomst die de gemeente Haaren heeft met de Brandweer. Bouwwerktypologie Beoordeling vindt plaats op basis van hetgeen gesteld is

hoofdstuk 3 van de handreiking implementatie Gebruiksbesluit van de NVBR.

deze handreiking worden bouwwerken onderverdeeld

vier risicoklassen: (A) direct noodzakelijk, (B) noodzakelijk, (C) zeer gewenst en (D) niet direct noodzakelijk. Deze

deling kan gelijk worden gesteld aan de

deling

een viertal categorieën genoemd

het Preventie Activiteiten Plan (Prevap). Risicoklasse (Handreiking) Prioriteitsklasse (PREVAP) Aard risico Aard actie A 1 Zeer hoog risico Direct noodzakelijk B 2 Hoog risico Noodzakelijk C 3 Gemiddeld risico Zeer gewenst D 4 Beperkt risico Niet direct noodzakelijk Aangezien de handreiking geen specifiek toetsbeleid kent is een lokaal beleidskader opgesteld. De

tensiteit van toetsing wordt allereerst afhankelijk gesteld van het type bouwwerk. Het type bouwwerk is zowel voor de toetsing als het toezicht een zeer belangrijk vertrekpunt. Welke bouwwerken /

richtingen

welke risicoklasse vallen is weergegeven

tabel A. A. Klasse

richtingen A Kamerverhuur > 10 personen Onderwijsfunctie > 12 jaar ; >500 personen Kantoorfunctie >500 personen

dustriefunctie >500 personen Bijeenkomstfunctie >500 personen Sportfunctie >1000 personen Winkelfunctie >1000 personen B Kamerverhuur 5-10 personen Onderwijsfunctie > 12 jaar 250-500 personen Kantoorfunctie 250-500 personen

dustriefunctie 250-500 personen Bijeenkomstfunctie 250-500 personen Sportfunctie 250-1000 personen Winkelfunctie 500-1000 personen C Onderwijsfunctie > 12 jaar 50-250 personen Gezondheidszorgfunctie met zelfredzame gebruikers (gezondheidsdiensten) Kantoorfunctie 50-250 personen

dustriefunctie 50-250personen Bijeenkomstfunctie hoge bezetting 50-250 personen Sportfunctie 50-250 personen Winkelfunctie 250-500 personen D Woongebouw met zelfredzame bewoners Bijeenkomstfunctie lage bezetting 50-250 personen Sportfunctie lage bezetting 50-250 personen Winkelfunctie 50-250 personen

dustriefunctie < 50 personen en gebruikmaking van beheersbaarheid van brand Thema’s wet- en regelgeving De

tensiteit van toetsing wordt ook afhankelijk gesteld van de onderdelen van het bouwwerk ( thema’s uit wet- en regelgeving), die

het geding zijn.

tabel B zijn de thema’s weergegeven. De thema’s zijn afkomstig uit het Bouwbesluit.

combinatie met vooral het type bouwwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld. B. Thema wet- en regelgeving Toelichting

  1. Verlichting Noodverlichting
  2. Tijdig vaststellen brand Aanwezigheid en functioneren van brandmeldinstallatie en rookmelders
  3. Vluchten bij brand Voorzieningen en maatregelen ter bevordering van het eenvoudig en snel ontvluchten van een bouwwerk en een beoordeling van het gebruik

hoeverre voorzieningen en maatregelen ook daadwerkelijk effectief kunnen werken

  1. Bestrijden van brand Aanwezigheid en aanduiding van brandslanghaspels, blusmiddelen en –toestellen, automatische brandblusinstallatie, brandkranen en bluswaterwinplaats
  2. Bereikbaarheid hulpverleningsdiensten Bereikbaarheid bouwwerk voor brandweer, aanwezigheid en kwaliteit brandweeringang, aanwezigheid brandweerlift, aanwezigheid van opstelplaats brandweervoertuig
  3. Voorkomen van brandgevaar / ontwikkeling van brand Voorzieningen en maatregelen ter voorkoming en snelle verspreiding van brand en beoordeling van het gebruik

hoeverre voorzieningen en maatregelen ook daadwerkelijk effectief kunnen werken 7, Veilig vluchten bij brand Voorzieningen en maatregelen voor het snel en veilig vluchten bij brand en het voorkomen van letsel bij het vluchten 8. Bouwkundige brandveiligheid Voorzieningen en maatregelen om brand- en rookoverslag te voorkomen. Werkniveaus De

tensiteit of zwaarte van toetsing wordt afhankelijk gesteld van

geschatte risico’s (thema naar type bouwwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus, zoals geformuleerd

hoofdstuk 2. Risic oanalyse en conversie naar werkniveau De risicoanalyse van

richtingencategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden

bijlage 4. Beleid Het toetsbeleid ten aanzien de vergunning is terug te vinden

de matrix op de volgende pagina. Uit deze matrix kan worden geconcludeerd dat bij alle type bouwwerken de thema’s worden beoordeeld op het hoogste werkniveau (

tegraal). Op het gebied van brandveilig gebruik vindt met andere woorden geen gedeeltelijke toets plaats. Er vindt naast een

houdelijke beoordeling van de aanvraag

de realisatiefase ook een eindcontrole ter plekke plaats, met andere woorden voor aanvang van het gebruik. Een dergelijke eindcontrole wordt relevant geacht omdat bepaalde thema’s, zoals het voorkomen van brandgevaar en vluchten bij brand alleen op die manier zijn na te gaan. Immers: op tekening zullen bijvoorbeeld vluchtwegen altijd goed bereikbaar en vrij van obstakels zijn,

de praktijk is dat regelmatig anders. Toetsmatrix Thema wet- en regelgeving Verlichting Tijdig vaststellen van brand Vluchten bij brand Bestrijden van brand Bereikbaarheid hulpverleningsdiensten Voorkomen brandgevaar Veilig vluchten bij brand Bouwkundige brandveiligheid Type object A - Direct noodzakelijk (categorie 1 ) 4 4 4 4 4 4 4 4 B - Noodzakelijk (categorie 2) 4 4 4 4 4 4 4 4 C - Zeer gewenst (categorie 3) 4 4 4 4 4 4 4 4 D - Niet direct noodzakelijk (categorie 4) 4 4 4 4 4 4 4 4 Voor de gebruiksmelding vindt alleen beoordeling van de ontvankelijkheid plaats, met andere woorden er wordt nagegaan of sprake is van een compleet uitgewerkte melding. Een

houdelijke beoordeling vindt verder niet plaats. Dit is wettelijk ook niet noodzakelijk. Er vindt ook geen eindcontrole

de realisatiefase plaats. Toezicht vindt alleen plaats

de gebruiksfase. Afdeling6.Activiteit het wijzigen van een monument (Wabo, artikel 2.1f, 2.2b, 2.15 en 2.18)

Artikel 2.1.

en 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stellen dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een monument te slopen, te verstoren, te herstellen of te (laten) gebruiken waardoor het wordt ontsierd of

gevaar wordt gebracht. De omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft

strijd is met de monumentenzorg. De verschillende artikelen

de Wabo over monumenten zijn

dit beleidsplan voor het gemak gebundeld.

leiding Naast de Wabo vormen de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke erfgoedverordening de kaders om activiteiten aan een monument te beoordelen. Aangezien monumenten op zich uniek zijn vindt steeds een specifieke afweging plaats. Hiervoor is geen algemeen toetsingskader te ontwikkelen. De gemeente beoordeelt op basis van eigen onderzoek

terventies. Bij

grijpende herbestemmingen,

grijpende reconstructies of sloop moet de aanvrager voor zover nodig geacht door de gemeente een historisch onderzoek

dienen. Op basis van artikel 6.4 van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) moet

specifieke situaties dan ook advies gevraagd worden aan de rijksdienst of provincie. De gemeente beschikt over de wettelijk verplichte monumentencommissie. Het wordt nodig geacht ten aanzien van de activiteiten

relatie tot monumenten expliciet aandacht te besteden aan één aspect dat nog om beleid vraagt, namelijk de situaties waarbij cultuurhistorische waarden en voorschriften zoals opgenomen

het Bouwbesluit elkaar niet verdragen. Gezien de noodzaak bij de Wabo om te komen tot afstemming van voorschriften is het van belang voor deze afstemming een helder beleidskader te hebben. Er moet gekomen worden tot een kader hoe afwegingen op dit terrein het beste kunnen plaatsvinden.

het Bouwbesluit is bovendien aangegeven, dat als ten aanzien van de activiteit wijzigen van een monument specifieke voorschriften zijn opgenomen deze voorrang hebben boven die geformuleerd bij de activiteit (ver)bouwen. Centrale vragen Hoe vindt afweging plaats tussen cultuurhistorische waarden en technische bouwvoorschriften? Strategie De activiteit wijzigen van een monument vindt vaak tegelijk plaats met de activiteit verbouwen van een bouwwerk. Eén van de zaken die bij deze samenloop regelmatig speelt is de afstemming i.c.

passing van de technische vereisten uit het Bouwbesluit

relatie tot de monumentale waarden van een bouwwerk. Het realiseren van technische eisen bij monumenten vraagt met andere woorden dus regelmatig om de nodige afwegingen: enerzijds moet het pand voldoen aan de technische eisen; anderzijds mag er weinig tot geen afbreuk aan het monumentale karakter worden gedaan. Het beleidskader bestaat uit een soort afwegingsmodel waarin geschetst wordt hoe te werk moet worden gegaan bij afstemming van het monumentale karakter met de technische voorschriften Bouwbesluit. Beleid Nadat de technische norm op basis van het Bouwbesluit is bepaald wordt nagegaan of zonder aantasting van het monumentaal karakter de norm kan worden gerealiseerd. Hierbij zijn bepalend: de redengevende omschrijving (reden waarom het bouwwerk is aangewezen als monument), het resultaat van een eventueel bouwhistorisch onderzoek en het advies van de monumentencommissie, rijksdienst of provincie. Wanneer zonder problemen aan de technische norm kan worden voldaan is er geen vuiltje aan de lucht. Wanneer er wel problemen zijn moet het risico dat verbonden is aan de technische norm worden bepaald. Het risico wordt afgeleid van de toetsmatrix omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen. Er is sprake van een hoog risico als het toetsniveau 2 of hoger is. Bij een toetsniveau 0 of 1 is sprake van een laag risico. Bij een hoog risico wordenachtereenvolgens de volgende opties nagegaan: Is een gelijkwaardige oplossing mogelijk? Kunnen bouwkundige voorzieningen worden aangebracht die omkeerbaar zijn, met andere woorden niet leiden tot permanente aantasting van het karakter? Kan aan de norm worden voldaan door het gebruik te beperken? Kunnen acceptabele bouwkundige voorzieningen worden aangebracht die onomkeerbaar zijn, met andere woorden leiden tot permanente aantasting van het karakter? Wordt de norm geheel losgelaten? Wanneer optie 4 leidt tot ongewenste oplossingen of bij optie 5 loslaten vanwege risico’s niet mogelijk is moet het gebruik worden uitgesloten als de andere opties niet reëel zijn. Het plan kan dan niet

de huidige vorm worden gerealiseerd. Bij een laag risico worden alleen de opties 1 en 5 bekeken. Een essentiële voorwaarde voor toepassing van het afwegingsmodel is dat reeds

een vroeg stadium van het vergunningverleningsproces gekeken wordt naar de

passing van technische voorschriften. Ten behoeve van een principe beslissing bij functiewijzigingen van monumenten moet een quickscan op bovenstaande wijze plaatsvinden. Dit geldt ook bij overige principe verzoeken ten aanzien van monumenten en de

take van aanvragen om omgevingsvergunning activiteit wijzigen monument. Door dit te doen wordt reeds op een relatief vroeg tijdstip

zicht verworven of sturing vanuit gemeentewege noodzakelijk is. Met andere woorden, wanneer sprake is van een monument moet reeds

een vroeg stadium gekeken worden naar de afstemming met de technische voorschriften. De toetsmatrix omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen moet op dat moment worden gehanteerd.. Bij de activiteit wijzigen van een monument is dus sprake van vooroverleg. Afdeling7.Activiteit het uitvoeren van een werk (Wabo, artikel 2.1b, 2.11)

Artikel 2.1.

van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden,

gevallen waarvan dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald. De omgevingsvergunning moet worden geweigerd als het werk of de werkzaamheid

strijd is met de bepalingen of met de ruimtelijke regels.

leiding

vooral het buitengebied van de gemeente Haaren is het verboden om zonder of

afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren. Ook

andere bestemmingsplannen komen deze regels voor. Welke werken en werkzaamheden het betreft is afhankelijk van het (onderdeel van het) bestemmingsplan.

het bestemmingsplan buitengebied speelt de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk bij: Het vellen van bomen en het verwijderen van landschapselementen. Het aanleggen of wijzigen van leidingen. Overige werkzaamheden die

vloed hebben op aanwezige landschaps- en natuurwaarden, zandpaden, waterhuishouding en archeologische waarden. Bij de bestemmingsplannen binnen de kom speelt de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk alleen bij het vellen van bomen en andere houtopstanden.

ieder bestemmingsplan met dit soort regels zijn ook uitzonderingen op het verbod geformuleerd. Een vergunning is bijvoorbeeld niet vereist als: het normale onderhoud, gebruik en beheer van agrarische gronden betreft; het werken en werkzaamheden betreft die binnen een agrarisch bouwvlak vallen; de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de realisering van een bouwwerk waarvoor vergunning is verleend op het moment dat het bestemmingsplan van kracht wordt. Centrale vraag Welke werkzaamheden worden op welk niveau beoordeeld? Strategie Aan het opstellen van de regels

het bestemmingsplan ligt een gebiedsanalyse ten grondslag, die kan worden beschouwd als risicoanalyse.Bovendien is er

de meeste gevallen een directe relatie van de regels met het beleid van provincie en waterschap. Hierbij is

het algemeen geen keuzevrijheid voor de gemeente Bij het beoordelen van de activiteit uitvoeren van een werk wordt altijd nagegaan of regels zijn geformuleerd. Zo ja, dan vindt altijd een toets plaats aan de regels van het bestemmingsplan. Beleid Het beoordelen van deze regels vraagt bij ieder werk

de gebieden waar het stelsel van toepassing is maatwerk. Vandaar dat de beoordeling van werkzaamheden op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het

tegrale niveau. Bij de beoordeling wordt regelmatig een beroep gedaan op specifieke (externe) deskundigheid. Bij het uitzetten van een adviesaanvraag wordt expliciet aangegeven of,

relatie tot eventuele voorwaarden, noodzaak aanwezig is tot toezicht na vergunningverlening. Afdeling8.Activiteit

strijd met regels van het planologisch kader (Wabo, I 2.1c, 2.12)

Artikel 2.1.

van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken

strijd met het bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1. derde lid of 4.3 derde lid van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7 vierde lid, tweede volzin, van die wet.

leiding

de gemeente Haarenworden alle gebieden afgedekt door een bestemmingsplan. Voor veel vergunningsaanvragen zijn de bestemmingsplannen de eerste toetsingskaders. Mocht een activiteit

strijd zijn met de ruimtelijke regels dan is een beleidskader aanwezig om na te gaan of een afwijking van de regels mogelijk is. Centrale vragen Op welke wijze is het afwijkingsbeleid vorm en

houd gegeven? Strategie

dien een project strijdig is met het vigerende bestemmingsplan, wordt eerst beoordeeld of met toepassing van de

het bestemmingsplan opgenomen regels een afwijking i.c. ontheffing van de regels mogelijk is. Als dat niet het geval is wordt op basis van de “beleidsregels artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2 van de Wabo, planologische afwijkingsmogelijkheden” nagegaan of ontheffing mogelijk is. Bij grotere afwijkingen wordt zowel met een bestemmingsplanwijziging als een projectafwijkingsbesluit gewerkt. Hier is sprake van maatwerk, dat

nauw overleg met de aanvrager, vorm en

houd wordt gegeven. Beleid Het beoordelen van het planologisch kader vraagt bij iedere activiteit waarvoor het relevant is maatwerk. Vandaar dat de beoordeling van werkzaamheden op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het

tegrale niveau.Bij de vergunningverlening wordt bepaald of een specifieke opleveringscontrole nodig is. Dat gebeurt alleen: Bij twijfel naar aanleiding van

gediende documenten en/of verloop van het vergunningenproces. Als bij (de advisering

het kader van) de vergunningverlening dit expliciet is aangegeven. Afdeling9.Activiteit het exploiteren van een milieu-

richting(Wabo, artikel 2.1e, 2.14)

Artikel 2.1.

van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een

richting of mijnbouwwerk op te richten, te veranderen,

werking te hebben of de werking daarvan te veranderen.De omgevingsvergunning moet zo stelt artikel 2.14 worden geweigerd als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft

strijd is met de bescherming van het milieu. Tevens stelt de Wabo,

het verlengde van de Wet milieubeheer dat

sommige gevallen geen vergunning nodig is, maar dat gelijktijdig met een aanvraag voor een andere activiteit een melding met het oog op bescherming van het milieu moet worden gedaan (Activiteitenbesluit). Een dergelijke melding kan overigens ook geheel los van een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden gedaan.

leiding Voor het

werking hebben van een

richting is het vaak noodzakelijk om een melding

te dienen of om een vergunning aan te vragen. Het Activiteitenbesluit of de vergunning stelt voorschriften aan de activiteiten die

de

richting plaatsvinden om schade, hinder en overlast voor de directe omgeving te voorkomen. Deze voorschriften zijn vooral gericht op de bescherming van de kwaliteit van de bodem, het water, de lucht en dergelijke tegen schadelijke

vloeden van de activiteiten. Daarnaast hebben ze betrekking op het stimuleren van maatregelen ter verbetering van die kwaliteit (milieuwinst). Een relatief nieuw fenomeen is de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). Hierbij gaat het om een beperkte toets gekoppeld aan een melding

het kader van het Activiteitenbesluit. Deze toets is

hoofdzaak bestemd voor de agrarische bedrijven. Centrale vraag Hoe wordt vormgegeven aan het beleid voor vergunningen en meldingen voor het exploiteren van een milieu-

richting? Strategie Door de komst van de Omgevingsdienst (OBN) per 1 april 2013 zal een aantal beoordelingen daar gaan plaatsvinden. Het betreft zowel aanvragen voor omgevingsvergunning als meldingen Activiteitenbesluit. De

deling

risicocategorieën en de verdeling van de uitvoering tussen gemeente en OBN is

de tabel op de volgende pagina terug te vinden. Type Toelichting Subcategorie Uitvoering OMD Uitvoering gemeente A Niet meldingplichtig - X B Meldingplichtig B X X B+ X C Vergunningplichtig agrarisch C X IPPC en agrarisch C+ X

dustrieel C X IPPC en

dustrieel C+ X BRZO X Beleid De OBN heeft nog geen specifiek uitvoeringskader voor de beoordeling van vergunningsaanvragen en meldingen Activiteitenbesluit. Of een dergelijk kader er komt is niet duidelijk. Gezien het karakter van de aanvragen en meldingen wordt verwacht dat op het

tegrale niveau een beoordeling aan wet- en regelgeving zal plaatsvinden. Beoordeling is

het algemeen maatwerk. De OBN geeft aan dat

het vergunningenproces een aantal “fasen” te onderscheiden is, te weten:

itiatief, realisatie en (na)zorg. Hierbij wordt er van uit gegaan dat de

itiatief- en realisatiefase minimaal onderdeel uitmaken van het proces en dus de minimale kwaliteit bepalen. De (na)zorg is optioneel. Voor de beoordeling van meldingen door de gemeente vindt alleen beoordeling van de ontvankelijkheid plaats, met andere woorden er wordt nagegaan of sprake is van een compleet uitgewerkte melding. Tevens wordt nagegaan of maatwerkvoorschriften noodzakelijk zijn. Een

houdelijke beoordeling vindt verder niet plaats. Er vindt ook geen controle ter plekke

het kader van beoordeling plaats. Dit is wettelijk ook niet noodzakelijk. Toezicht vindt alleen plaats

de gebruiksfase. Afdeling10.Activiteit het aanleggen of veranderen van een uitweg (Wabo, artikel 2.2e, 2.18)

Artikel 2.2.

van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat het maken of veranderen van een uitweg betreft zoals vastgelegd

een provinciale of gemeentelijke verordening. Vervolgens stelt artikel 2.18: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd

dien het maken of veranderen niet voldoet aan de gronden gesteld

de desbetreffende verordening.

leiding

de gemeente Haaren is voor het aanleggen of veranderen van een uitweg geen omgevingsvergunning nodig.

artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening is aangegeven dat het verboden is om zonder melding een uitweg naar een weg te maken, van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg en / of verandering te brengen

een bestaande uitweg naar de weg. Bij de melding moeten een situatieschets van de gewenste uitweg, het materiaalgebruik en een foto van de bestaande situatie worden gevoegd. De melding heeft betrekking op de uitweg van een perceel tot openbare grond. Op basis van een private overeenkomst vindt vervolgens aansluiting plaats op de openbare weg. Centrale vraag Hoe worden meldingen voor aanleggen of veranderen van een uitweg beoordeeld? Strategie Bij de beoordeling van een melding zijn de regels/criteria zoals genoemd

artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening van toepassing. Beleid Een melding wordt niet geaccepteerd als sprake is van: Gevaar voor het verkeer op de weg. Verlies van openbare parkeerplaatsen. Aantasting van het openbaar groen of uiterlijk aanzien van de weg.

de nota beleidsregels uitwegen van de gemeente (van 22 november 2011) zijn meerdere criteria geformuleerd om vooral vorm en

houd te geven aan het criterium “aantasting van het openbaar groen of uiterlijk aanzien van de weg”. Hierbij moet gedacht worden onder meer afstanden tussen uitwegen en breedtes van uitwegen. Afdeling11.Activiteit het vellen van houtopstand (Wabo, artikel 2.2g, 2.18)

Artikel 2.2.

van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat het kappen of vellen van houtopstand betreft zoals vastgelegd

een provinciale of gemeentelijke verordening. Vervolgens stelt artikel 2.18: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd

dien het kappen of vellen niet voldoet aan de gronden gesteld

de desbetreffende verordening.

leiding

artikel 4:11 van de Algemene plaatselijke verordening is aangegeven dat het vellen of te doen vellen van houtopstanden zonder vergunning verboden is. Wanneer het vellen van houtopstand valt onder de activiteit uitvoeren van een werk is dit artikel niet van toepassing. Centrale vraag Hoe worden aanvragen voor het vellen van houtopstanden beoordeeld? Strategie Bij de beoordeling van een aanvraag zijn de weigeringsgronden genoemd

artikel 4:11b van de Algemene Plaatselijke Verordening van toepassing. Beleid Een aanvraag voor een vergunning wordt allereerst bekeken op vergunningsplicht. Als een vergunning nodig is wordt nagegaan of het vellen valt onder de activiteit uitvoeren van een werk. Wanneer dat het geval is, is zowel een omgevingsvergunning nodig voor het vellen van houtopstand als het uitvoeren van een werk. De aanvraag wordt beoordeeld op basis van de weigeringsgronden zoals genoemd

de Algemene Plaatselijke Verordening. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen houtopstanden binnen of buiten de bebouwde kom op grond van de Boswet. Bij houtopstand binnen de bebouwde kom wordt de vergunning geweigerd als de houtopstand voorkomt op de lijst van waardevolle houtopstanden, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de veiligheid, een noodtoestand of een andere uitzonderlijke situatie. Voor de beoordeling van houtopstanden buiten de bebouwde kom op grond van de Boswet wordt rekening gehouden met: Boomsoort. Stamdiameter. Levensverwachting. Groeivorm. Ruimtelijke betekenis. Cultuurhistorische betekenis. Aan een vergunning kan een herplantplicht onder nader te stellen voorschriften worden opgelegd. Beoordeling vindt plaats op hoogste, dat wil zeggen

tegrale, niveau. Afdeling12.Activiteit organiseren van een evenement

leiding

artikel 2:25 van de Algemene Plaatselijke Verordening staat vermeld dat voor het organiseren van een evenement een vergunning nodig is. Voor kleinere evenementen kan worden volstaan met een melding.

artikel 5:22 zijn bepalingen opgenomen over snuffelmarkten. Deze worden ook

dit hoofdstuk besproken. De komende periode zal het evenementenbeleid worden gewijzigd. Op basis van een regionale checklist met risicofactoren zullen evenementen worden beoordeeld en worden

gedeeld

de categorie: vrij, melding, regulier, aandacht en risico. Naar alle waarschijnlijkheid kent de gemeente geen evenementen

de categorie risico. Centrale vraag Hoe worden aanvragen en meldingen voor het organiseren van evenementen en snuffelmarkten beoordeeld? Strategie Bij de beoordeling van een aanvraag en melding zijn de weigeringsgronden genoemd

artikel 2:25 en 5:22 van toepassing. Beleid Voor kleine evenementen kan worden volstaan met een melding. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement

dien: Het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen. Het evenement tussen 13.00 en 20.00 uur plaats vindt. Geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 7.00 uur of na 23.00 uur. Het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaat, of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten. Slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m² per object. Er een organisator is. De organisator binnen 6 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. Zowel de melding als vergunning kunnen worden geweigerd op grond van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. Een snuffelmarkt is een markt

een voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats waar ter plaatse hoofdzakelijk tweedehands en

courante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. De gemeente kent ten aanzien van deze markten een vergunningenregime. Een vergunning wordt geweigerd als sprake is van een strijdigheid met het bestemmingsplan. Het beoordelen van een vergunningsaanvraag vraagt om maatwerk. Vandaar dat de beoordeling op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het

tegrale niveau. Bij alle evenementen vindt voorafgaand aan het

dienen van een aanvraag vooroverleg plaats. Er is vanuit de gemeente sprake van een

tensieve persoonlijke benadering. Aangezien veel evenementen een terugkerend karakter kennen is voor deze evenementen een “draaiboek” aanwezig en zijn de organisatoren op de hoogte van hetgeen wordt gevraagd

het kader van de vergunningverlening. Een melding wordt gezien als louter een administratief product: er wordt alleen gecontroleerd of wordt voldaan aan de criteria. Er is overigens een nieuw regionaal beleid voor evenementen

voorbereiding. Afdeling13.Activiteit verkopen, verstrekkenen drinken van alcohol

leiding De Tweede Kamer is op30 juni 2011 akkoord gegaan met het wetsvoorstel tot wijziging van de Drank- en Horecawet. De wet wordt aangescherpt om drank misbruik door jongeren beter aan te pakken. Het wetsvoorstel heeft twee doelen: Het terugdringen van alcohol gebruik onder vooral jongeren om gezondheidsschade en verstoring van de openbare orde te voorkomen. Het terugdringen van de administratieve lasten voor ondernemers en vrijwilligers. Op 22 mei 2012 is de nieuwe Drank en Horecawet door de Eerste Kamer aangenomen. De nieuwe wet treedt per 1 januari 2013

werking. Met de wetswijziging gaat het toezicht van de Minister (lees: de Nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit) over naar de gemeenten. Er is een aantal wijzigingen te onderkennen. De wijziging van de nieuwe Drank- en Horeca brengt één verplichting met zich mee: het binnen één jaar na het

werking treden van de wet opstellen van een verordening paracommercie.

deze verordening worden de dagen en tijden opgenomen waarop

paracommerciële

richtingen alcohol mag worden verstrekt. Daarnaast kan de raad een verordening opstellen waarin nadere zaken kunnen worden geregeld (zoals aanvullende vragen op het aanvraagformulier, beperken of verbieden van verkoop

bepaalde horeca-

richtingen of gebieden, verbieden van bepaalde prijsacties). Daarnaast wordt de vergunning vereenvoudigd en hoeven er minder vergunningen afgegeven te worden. Er kan worden volstaan met een melding van een wijziging van een leidinggevende, die alleen hoeft te worden beoordeeld (en niet

clusief alle reeds aangewezen leidinggevenden) en vervolgens als bijlage van de vergunning moet worden verwerkt. Toezicht en handhaving tenslotte worden een taak voor de gemeente. Centrale vraag Hoe worden aanvragen en meldingen voor het verstrekken en schenken van alcohol beoordeeld? Strategie Bij de beoordeling van een aanvraag en melding zijn de weigeringsgronden zoals genoemd

de nieuwe Drank- en Horecawet en de nog op te stellen verordening(en) van toepassing. Beleid Het beoordelen van vergunningsaanvragen en meldingen vraagt om maatwerk. Vandaar dat de beoordeling op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het

tegrale niveau. Afdeling14.Activiteit exploiteren van een horeca-

richting (

clusief terras)

leiding

artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening staat vermeld dat voor het exploiteren van een horeca-

richting een vergunning nodig is.

artikel 2:29 en 2:30 zijn bepalingen opgenomen over sluitingstijden. Onder een horeca-

richting wordt ook verstaan een terras. Centrale vraag Hoe worden aanvragen voor het exploiteren van een horecavergunning beoordeeld? Strategie Bij de beoordeling van een aanvraag zijn de weigeringsgronden genoemd

artikel 2:29 toepassing. Beleid Een vergunning kan worden geweigerd als sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan of de woon- en leefsituatie

de nabije omgeving van de horeca-

richting of deopenbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.Het beoordelen van een vergunningsaanvraag vraagt om maatwerk. Vandaar dat de beoordeling op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het

tegrale niveau. HoofdstukDeel2: Beleid Toezicht Afdeling1.Preventiestrategie De preventiestrategie richt zich op het vergroten van de bewustwording bij burgers en bedrijven. Het doel is om de betrokkenheid en het draagvlak voor

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.