Deze wet, de Welstandsnota Oisterwijk 2015, stelt de regels vast voor het uiterlijk van gebouwen en de inrichting van de buitenruimte in de gemeente Oisterwijk, met als doel de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. Het is een aanvulling op een eerder besluit waarbij geen redelijke eisen van welstand van toepassing waren voor het gehele grondgebied.
verbinding met 4 : 8 1 Awb besluit: het besluit van 20 december 2012, waarbij (onder meer) is besloten dat voor het hele grondgebied van de gemeente Oisterwijk geen redelijke eisen van welstand van m toepassing zijn, aan te vullen als bedoeld onder 2; de Welstandsnota Oisterwijk 2015 vast te stellen; de Bouwverordening gemeente Oisterwijk 2015 gewijzigd vast te stellen; de
werkingtreding van de Welstandsnota Oisterwijk 2015 en Bouwverordening gemeente Oisterwijk 2015 vast te stellen op 30 april 2015. De bevoegdheid voor het benoemen van de leden van de commissie van advies voor Welstand te delegeren aan het college. Welstandsnota Oisterwijk 2015 De raad van de gemeente Oisterwijk, Op 20 december 2012 heeft de gemeenteraad op basis van artikel 12, tweede lid van de Woningwet en
afwijking van het eerste lid en artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het gehele grondgebied van Oisterwijk besloten dat geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Ruimtelijke kwaliteit Voor sommige projecten, van grotere omvang of op een bijzondere locatie, streeft de gemeente een bijzonder ruimtelijke kwaliteit na. Voor deze ruimtelijke ontwikkelingen stelt de raad een beeldkwaliteitplan en/of stedenbouwkundig plan vast. Om aan deze plannen te kunnen toetsen dienen zij als onderdeel van een welstandsnota vastgesteld worden. Op het moment dat de raad een beeldkwaliteitplan en/of stedenbouwkundig plan vaststelt, wordt/worden zij direct gezien als onderdeel van deze Welstandsnota en daarmee als criteria voor redelijke eisen van welstand. Op die manier wordt bij de bouwaanvragen
de ontwikkelfase van dit project getoetst aan de criteria uit deze plannen. De door de raad vastgestelde beeldkwaliteit- en/of stedenbouwkundige plannen met hun criteria voor redelijke eisen van welstand zijn opgenomen als bijlagen en maken onderdeel uit van deze nota. Weer welstandsvrij Wanneer de laatste woning van een project is gebouwd, komt het beeldkwaliteitplan en/of stedenbouwkundig plan voor dit project als onderdeel van de welstandsnota te vervallen en zijn er voor het gebied geen redelijke eisen van welstand meer van toepassing. Is op een bouwperceel de eerste bouwaanvraag (van de hoofdbebouwing) gerealiseerd, dan hoeft een vervolgaanvraag niet langer aan de criteria voor redelijk eisen van welstand getoetst te worden. Op deze manier is een eigenaar niet afhankelijk van de bouw van de andere woningen/gebouwen
het project. Commissie van advies Een commissie van advies adviseert over de redelijke eisen van welstand. De manier waarop de advisering over redelijke eisen van welstand tot stand komt, staat omschreven
de Bouwverordening gemeente Oisterwijk 2015. Welstandsnota Oisterwijk 2015 d.d. 16 april 2015; Bijlagen: Beeldkwaliteit en
richting openbare ruimte, Pannenschuur IV, gemeente Oisterwijk Park Heerengoed Moergestel, Beeldkwaliteitsplan Mozaïek, Ontwerpschets en beeldkwaliteit Beeldkwaliteitscriteria 8 Ruimte voor Ruimtekavels Heuvelstraat De Leerfabriek, Masterplan – Beeldkwaliteitplan - stedenbouwkundig plan KVL-terrein Oisterwijk Beeldkwaliteitsplan Landgoed ’t Lot Beeldkwaliteitsplan Roozendries Beeldkwaliteitsplan Landgoed Rozephoeve deelgebied Oisterwijk Beeldkwaliteitsplan Bosrand II Alternatieve Beeldkwaliteitsplan Landgoed ’t Lot; Beeldkwaliteitsplan Villa’s Oirschotseweg; Beeldkwaliteitsplan Helvoirtseweg 11a en 23, Haaren; Beeldkwaliteitsplan Holleneind 12, Haaren. Beeldkwaliteitsplan Heuvelstraat 30-32, Haaren; Beeldkwaliteitsplan Ruimte voor Ruimte ‘t Stokske Moergestel Beeldkwaliteitsplan Scheepersdijk 97, Oisterwijk. Aldus besloten
de openbare vergadering van de raad van de gemeente Oisterwijk op 16 april 2015de griffierNelleke van Wijkde voorzitterHans Janssen Bijlage 11Beeldkwaliteitsplan Villa’s Oirschotseweg 1_INLEIDING Dit beeldkwaliteitsplan wordt opgesteld teneinde de kwaliteit van de ontwikkeling op dit kavel binnen de omgeving te waarborgen. Het huidige bestemmingsplan dient te worden herzien. De vigerende bestemming is wonen. Hier is 1 woning toegestaan. Op het kavel komen maximaal 5 vrijstaande woningen. De stedenbouwkundige uitgangspunten zijn vervat
het bestemmingsplan. Het beeldkwaliteitsplan heeft tot doel het stellen van criteria waaraan de bebouwing dient te voldoen. Daarnaast worden doelstellingen voor de perceelinrichting en
richting private buitenruimte besproken. Dit plan vormt hiermee het ontwerpkader voor de betrokken bouwplannen en is het toetsingskader voor de supervisor. Bovenal moet het beeldkwaliteitsplan als
spiratiedocument fungeren voor ontwerpers. De gemeente ziet een rol weggelegd voor een supervisor om de kwaliteit en onderlinge samenhang van de bebouwing te waarborgen en de 5 kopers met hun ontwerpers te begeleiden. De omschreven ruimtelijke kwaliteit kan zo
goede samenwerking worden bereikt. Huidige bebouwing wordt gesloopt en de twee bestaande
ritten worden vervangen voor een centrale entree. Het bestaande groen is leidend bij de ontwikkeling van de woningen en de
richting van de percelen. Huidige groen elementen zijn
gemeten en gewaardeerd. De bomen worden weergegeven op de kavelpaspoorten en zoveel mogelijk groen wordt, ter bevordering van leefomgeving, op kwaliteit gewaardeerd en gehandhaafd. De bestaande bomen worden bij voorkeur onderdeel van het ontwerp voor bebouwing en terreininrichting. Bij aantoonbare noodzaak, kunnen bestaande groenelementen worden verwijderd. 2_OMGEVING De ontwikkeling vindt plaats
een groene omgeving ten oosten van Moergestel, aan de rand van bebouwing met hogere dichtheid. Na deze zone wordt de opzet van de bebouwing ruimtelijker. De betreffende kavel vormt een overgang tussen bebouwingsvormen. Het perceel en pand aan de westzijde (Oirschotseweg 11) betreft het rijksmonument 'Broothuys'. Zie ook http://rijksmonumenten.nl/monument/29944/broothuys/moergestel/. Aan de overzijde van de weg bevindt zich villa Hoogenhuizen (Oirschotseweg 10). Tevens aan de overzijde van de weg een nieuwe ontwikkeling: Landgoed Reuseldal. Een ruim opgezet landgoed met 3 nieuwe bouwkavels. Bebouwing op dat landgoed is totaal zo’n 4500 m3. 3_VERKAVELING Het terrein wordt verkaveld
5 kavels met een vergelijkbare oppervlakte. Het is een ruim opgezette verkaveling aan een centraal gesitueerde cul de sac; een hoogwaardig woongebied met een eigen entree. De breedte van de weg is voldoende van maatvoering. Hier kunnen 2 auto’s elkaar passeren. Deze weg is mandelig gebied en ontsluit het plangebied op de Oirschotseweg. Ontwerpers kunnen kiezen voor een entree aan noordzijde, teneinde buitenruimte aan zuidzijde te kunnen realiseren. Wij gaan uit van een dubbele
rit van ieder kavel. Voor de gevels op de kavels aan de Oirschotseweg dient een rooilijn te worden aangehouden van 9 meter vanaf de perceelsgrens. De overige grenzen wordt een afstand bewaard van 5 meter. [verbeelding verkaveling] 4_BEELDKWALITEIT TERREININRICHTING Het hof krijgt een hoogwaardige uitstraling welke past
de omgeving. Op het terrein wordt aandacht besteed aan materiaalgebruik en
richting van de buitenruimte. Volgens de Nota parkeernormen 2016 moeten per woonperceel 2,2 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Dit is
clusief bezoekersparkeren. Dat betekent dat er totaal 11 parkeerplaatsen op dit terrein gerealiseerd worden. Ieder kavel krijgt een dubbele entree en moet voorzien
minimaal 3 parkeerplekken op eigen terrein. Op de weg komen geen openbare parkeervoorzieningen. De gehele
richting van de buitenruimte en de kavels dient
de sfeer van bospercelen te worden
gericht. ERFAFSCHEIDINGEN/ HAGEN De
richting van de kavels dient binnen de sfeer van bospercelen te worden
gericht. Daarbij mag voldoende privacy worden gecreëerd. Erfafscheidingen dienen te worden aangebracht
de vorm van hagen en/of groenblijvende beplanting. Toepassen van schuttingen is niet toegestaan. [Afbeeldingen: voorbeeld groenblijvende hagen] BEELDBEPALEND GROEN/
RICHTING Het beeldbepalend groen is
gemeten en bomen dienen zoveel mogelijk te worden gehandhaafd. Slechts als ze niet waardevol zijn en/of niet duurzaam te handhaven zijn kan worden bepaald dat ze mogen wijken. De duidelijke
tentie is om alle bomen te handhaven. De bomenrij aan de westzijde is een van de onderdelen die goed gehandhaafd kan worden. Onder kroonprojectie kan geen bebouwing plaatsvinden. De bomen
de tuin bepalen de vorm van de bebouwing en de
deling van het kavel. Een impressie van de bomen op het terrein.
meting en beoordeling
bijlage VI bij toelichting. BEBOUWING De beeldkwaliteit voor de bebouwing voor dit kavel streeft, ten behoeve van algehele kwaliteit van de omgeving, naar een grote mate van samenhang van architectuur van de verschillende woningen. De beoogde onderlinge samenhang voorziet
architecturale vrijheid en komt met name voort uit kleurstelling en materiaalgebruik. Toetsing van het ontwerp door supervisor zal plaatsvinden op de volgende onderdelen: Relatie met omgeving Bouwplan op zichzelf Detaillering Mate van samenhang Positionering van de bebouwing Bestemmingsplanvoorschriften (gedeeltelijk) De maximale footprint van de bebouwing op de kavels is 150 m2. Deze oppervlakte mag niet worden overschreden binnen de regels van het bestemmingsplan. De goothoogte is vastgesteld op 4 meter, de nokhoogte op 6 meter. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat de
houd van het hoofdgebouw maximaal 650 m3 mag bedragen. Gebouwen mogen plat worden afgedekt. Een platte dekking van de 1e woonlaag mag tot maximaal 50% van de footprint met een hoogte tot 6 meter. Binnen het plan is een voorgevelrooilijn bepaald. De woningen dienen met voorgevel
deze voorgevelrooilijn te worden gepositioneerd. De overige gevels dienen, ongeacht het bouwvlak, minimaal 5 meter afstand van de achterste erfgrens te bedragen. Hier mag geen bebouwing gerealiseerd worden. De afstand tussen gevellijn Oirschotseweg is minimaal 9 meter. Voor kavel 3 is geen voorgevelrooijlijn vastgesteld. De woning mag, onder voorbehoud van de overige voorschriften, vrij geplaatst worden met uitzondering van de zone met bestemming ‘tuin’. Bebouwing | Thematiek Bospercelen met statige bossfeer. De gebouwen moeten
tegreren met de groene omgeving. De gevels moeten een open karakter hebben om
tegratie met de omgeving te bevorderen. Gevelopeningen met glas geven tevens ruimte voor weerspiegeling van het groen. | Materialen gevels kozijnen daken Binnen gevels toepassen van natuurlijke materialen zoals; hout, glas, natuursteen, vormbaksteen, pleisterwerk (bijvoorbeeld kaleien). Raam- en deurkozijnen worden uitgevoerd
hout of aluminium. Daken kunnen worden gedekt met bijvoorbeeld; riet, zink, leisteen en een (mat gekleurde) keramische pan. | Kleuren Kleurenpalet beperkt zich tot kleuren die goed passen
een groene, bosrijke omgeving en varieert binnen een warm (donker) pallet
het spectrum bruin/ grijs/ groen, met aandacht voor duurzame materialen en technieken. Materiaaleigen kleuren van natuurlijke materialen zijn altijd toegestaan. Gebruik van wit, crème en primaire kleuren
grote vlakken is niet toegestaan. | Massa en vorm De architectuur heeft een eigentijds, statige uitstraling met aandacht voor detaillering. De vormen van daken moeten de statigheid ondersteunen. Daarbij zijn o.a. toegestaan; (verspringend) lessenaarsdak, (vormen van) een zadeldak en plat gedekte daken. Daken moet aandacht hebben voor uitstraling. Dat kan bijvoorbeeld door middel van overstek of luifel. Wat we niet voor ogen hebben: Wat wel zou kunnen: | Detaillering Aandacht voor gehele detaillering. Daarnaast ook voor externe
stallaties, zoals bijvoorbeeld zonnepanelen. Denk ook aan eigentijdse baksteenarchitectuur met hoogwaardige detaillering. Denk
deze fase ook aan het verwerken van zonwering. | Duurzaamheid Bij het ontwerp wordt gestreefd naar een natuurlijk wijze waarop energie opgewekt kan worden. Wanneer er voor zonnecollectoren wordt gekozen dan dienen deze geïntegreerd te worden
het ontwerp van de woning. Ook technische
stallaties als bijvoorbeeld luchtwarmtepompen dienen zorgvuldig te worden
gepast en vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar te zijn. Oplossingen zoals bijvoorbeeld een grondwarmtepomp worden toegejuicht. Dergelijke oplossingen dienen verder uitgewerkt te worden
het ontwerp van de desbetreffende ontwikkelende partij en afgestemd te worden met de supervisor. Bijlage 12Beeldkwaliteitsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk 1.
leiding Op de locatie nabij de Molenbaan grenzend aan de kern Oisterwijk wordt door Ruimte voor Ruimte CV II een woningbouwlocatie met 19 Ruimte voor Ruimte woningen ontwikkeld. Middels de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte CV is het mogelijk woningen te realiseren door de
geleverde (fosfaat) rechten van stoppende agrarische bedrijven. De Ontwikkelingsmaatschappij zal de 19 Ruimte voor Ruimte kavels verkopen als woningbouwkavels. Daarvan zijn reeds 7 woningen bestemd
het bestemmingsplan ‘Woongebieden Oisterwijk’. Daarnaast zullen er maximaal 12 extra woningen gebouwd worden. De gemeente Oisterwijk hanteert geen welstandsbeleid meer. De Ruimte voor Ruimte kavels worden aan
dividuele kopers verkocht, die een eigen bouwplan gaan ontwikkelen. Op deze wijze kunnen de kopers hun eigen woonwensen optimaal vormgeven, aan de hand van dit beeldkwaliteitsplan, gekoppeld aan de regels. Door de landschappelijke
passing en de beperkte bouwhoogte zijn de
dividueel vormgegeven woningen ruimtelijk goed
pasbaar. Begrenzing en bestaande situatie plangebied ‘Ruimte voor Ruimte Kerkhovenbaan, Oisterwijk’ 2. Stedenbouwkundig plan De Ontwikkelingsmaatschappij zal de 19 Ruimte voor Ruimte kavels verkopen als woningbouwkavels. Daarvan zijn reeds 7 woningen bestemd
het bestemmingsplan ‘Woongebieden Oisterwijk’. Daarnaast zullen er maximaal 12 extra woningen gebouwd worden.
het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met de molenbiotoop. Dit betekent dat de bouwhoogte
het westelijke deel van het plangebied niet meer dan 8 meter bedraagt.
het oostelijke deel van het plangebied geldt binnen de cirkel van 200 meter vanaf de molen een bouwhoogte van maximaal 7 meter. Verkavelingsplan ‘Ruimte voor Ruimte Molenbaan, Oisterwijk’ Lagenbenadering:
de ruimtelijke planvorming is de lagenbenadering van evident belang voor de analyse van het gebied en het daarbij behorende ontwerp. Er zijn 3 lagen te benoemen: Fysieke ondergrond met daarbij behorend het biotische en abiotische systeem en het watersysteem Netwerk van
frastructuur ook wel de netwerklaag genoemd. Hiervan maakt ook het energienetwerk onderdeel uit Menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren. Dit wordt ook wel de occupatielaag genoemd. Wat is de fysieke neerslag van de menselijke activiteiten. De drie lagen worden geografisch geanalyseerd op de verschillende onderdelen. Uit deze analyse volgt dan een ontwerp en daarna worden daarin afwegingen gemaakt. Analyse eerste laag: De eerste laag bestaat uit het abiotische en biotische systeem alsmede uit het watersysteem. Het abiotische systeem gaat over de volgende aspecten: de hoogteligging of de maaiveldhoogte, de bodemopbouw/bodemtypen/grondsoort, de waterdoorlatendheid van het bovenste pakket, de aanwezigheid van keileem evenals karakteristieken van dit keileem zoals dikte, diepteligging, reliëf en geulen
het keileem, het (actuele en historische) grondgebruik. Het biotische systeem gaat over bodemleven, van belang hierbij is de vegetatie en ecologische diversiteit (waaronder ook biodiversiteit). Het watersysteem bestaat uit de volgende aspecten: het ecologische systeem, veiligheid en functionaliteit, beleving en recreatie. Als we kijken naar het plangebied dan wordt, door de toevoeging van groene en blauwe elementen geen afbreuk gedaan aan bovengenoemde aspecten.
tegendeel, er wordt een bijdrage geleverd aan de biodiversiteit en het ecologische systeem.
een nog op te stellen groeninrichtingsplan (als bijlage bij het bestemmingsplan te voegen) zal dit nader worden uitgewerkt op soortenniveau waaruit te destilleren valt dat de toevoeging een bijdrage levert aan de biodiversiteit
het plangebied. Daarbij is er
het gebied geen sprake van archeologische waarden die
het geding zijn. Door dit plangebied te onttrekken aan het agrarische gebruik wordt tevens een bijdrage geleverd aan de vermindering van meststoffen en de daarmee samenhangende verontreiniging. Analyse tweede laag: het ontwerp van het gebied voegt wat
frastructuur toe voor de ontsluiting van het gebied en de kavels. Het toekomstige plangebied kan worden aangesloten op het bestaande elektriciteit netwerk dat reeds aanwezig is. Echter, er kan ook voor worden gekozen dit meer duurzaam op te lossen. Zie hiervoor de paragraaf over duurzaamheid. Dit kan eveneens een kwaliteitsimpuls geven, naast hetgeen is gezegd eerder
deze notitie. Op gebied van verkeer en
frastructuur leidt deze
greep niet tot hele andere concepten. Hiermee is dit plangebied zondermeer toe te voegen aan het bestaande netwerk. Analyse derde laag: het is evident dat er, door het toevoegen van woningen een andere occupatie van het plangebied gaat plaatsvinden waar het gebied thans voornamelijk agrarisch is. Echter al bij de toestemming tot het ontwikkelen van de 7 kavels eerder, is besloten hier een overwegend woonvlek van te maken. Hiervoor is toen al sprake geweest van het beëindigen van een agrarisch bedrijf (Molenbaan 14 en 16). De huidige ontwikkeling bouwt dit alleen verder uit. Hierbij wordt tevens een robuuste landschappelijke
passing gekozen die een bijdrage levert aan de beleving van toekomstige gebruikers. Tevens levert dit een bijdrage aan de biodiversiteit
het gebied. Deze verbetert doordat weiland wordt vervangen door goed
gepaste woningbouw. Landschappelijk
passing Voor het stedenbouwkundig plan vormt de bestaande verkavelingsrichting en de landschappelijke structuur van het omringende coulissenlandschap de basis. Er is een landschappelijk raamwerk opgesteld met de huidige houtwallen als basis, welke aangevuld worden met bomenrijen van min. 4 meter breed langs de noordelijke en zuidelijke rand van het plangebied. Deze bomenrijen komen aan de achterzijde van de kavels. Het eigendom komt bij de bewoners en ook het beheer wordt door bewoners gedaan (contractueel vastgelegd. Op deze wijze ontstaat een goede overgang naar het aangrenzende landschap en naar de historische structuur van de Kerkhovenbaan. Aan de westzijde is voorzien
een bredere landschappelijke zone (ca. 30 m breed), waarin de bestaande houtwal is opgenomen.
deze zone komt naast beplanting ook een extra waterberging
de vorm van een wadi of poel. Op deze wijze is er een groene afronding en kwaliteitsverbetering
het gebied. Ten opzichte van de aangrenzende woonpercelen aan de oostzijde vormen groene hagen op de perceelsgrenzen de overgang. De hagen worden door Ruimte voor Ruimte aangeplant en/of deze worden bij grond/ kavelverkoop als verplichting meegenomen. De groene randen langs de buitenzijden bieden het landschappelijke kader waarbinnen de woningen worden gerealiseerd. De nieuwe straat krijgt groene bermen van minimaal 2 meter breed waarin bomen worden geplant. Het plangebied heeft daardoor een landelijke uitstraling. Als erfscheidingen worden uitsluitend hagen toegepast, zodat aangesloten wordt bij de landelijke sfeer van de omgeving. Het landschappelijke
passingsplan zal door middel van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting
de planregels juridisch worden geborgd. Bouwregels volgens bestemmingsplan
het bestemmingsplan zijn de volgende bouwregels vastgelegd: Er mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd; De woningen worden evenals een aanbouw en uitbouw, bijgebouw en overkapping binnen het bouwvlak gebouwd; Een hoofdgebouw mag worden gebouwd op een perceel met een oppervlakte van niet minder dan 500 m2 en niet meer dan 1.000 m2; De goothoogte bedraagt niet meer dan 4 meter en de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 8 meter.
het oostelijke deel geldt als gevolg van de molenbiotoop een bouwhoogte van maximaal 7 meter; De
houd van het hoofdgebouw mag niet minder dan 750 m3 en niet meer dan 900 m3 bedragen. De
houd van een geïntegreerde garage/berging mag niet meer dan 300 m3 bedragen. De dakhelling bedraagt ten minste 350 en ten hoogte 550 ten opzichte van horizontaal vlak. De maximale oppervlakte voor een aanbouw en uitbouw, bijgebouw en overkapping is 200 m
deze paragraaf enkele kenmerken voor ‘dorpse architectuur’ benoemd. Dit ter
spiratie voor zowel bewoners als de supervisor. Duurzaamheid Duurzaamheid vormt de basis voor de architectuur. Voor het
spiratiekader wordt verwezen naar de “Duurzaamheidsagenda” van de gemeente Oisterwijk. Goothoogte De goothoogte bedraagt maximaal 4 meter. Bouwhoogte De bouwhoogte bedraagt maximaal 8 m. Voor het oostelijke gedeelte van het plangebied, binnen de cirkel van 200 meter vanaf de molen, geldt een bouwhoogte van maximaal 7 meter. Dakvorm Voor een uitstraling passend bij het dorpse en landelijke karakter van het gebied zijn grotendeels alle woningen voorzien van een kap, waarbij de voorkeur is voor een zadeldak of samengesteld zadeldak. De hoek bedraagt bij voorkeur 350-550. Wanneer toekomstige bewoners een wens hebben voor een hoofdgebouw met plat dak, wordt daar
dit plan -
beperkte mate- ruimte aan gegeven. Een aantal woningen aan de oostzijde van het plangebied binnen de molenbiotoop kunnen naar keuze uitgevoerd worden met zowel een kap als een plat dak. Bouwvlak Het hoofdgebouw valt binnen het bouwvlak. De rooilijn bedraagt ten minste 3 tot 5 meter en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt tenminste 3 meter. Oriëntatie De oriëntatie en positionering van de woningen op de bouwkavel is vrij gelaten, waardoor een
formeel straatbeeld wordt gecreëerd. Om dit straatbeeld te versterken wordt ook de keuze van kapvorm en de nokrichting vrij gelaten. Bebouwing is naar de openbare weg georiënteerd. Daarnaast zijn de beeldbepalende hoeken aanwezig. Hier hebben woningen een tweezijdige oriëntatie, op twee straten. Hier dient rekening te worden gehouden met de uitstraling van de woning. Parkeren De parkeernorm bedraagt 2,3 parkeerplaatsen per RvR-woning. Op eigen terrein dienen minimaal 2,0 parkeerplaatsen gesitueerd te worden. Logisch en begrijpelijk: ‘dorpse architectuur’ Het stedenbouwkundig plan Ruimte voor Ruimte Molenbaan ligt op de overgang van de kern naar het landelijk gebied. Voor de architectuur van de nieuwe woningen betekent dat
spiratie gehaald kan worden uit de moderne en klassiek vormgegeven “dorpse” architectuur. Dorps bouwen kan gerealiseerd worden door voort te bouwen op de traditie van soberheid en eenvoud. Door beperking
materiaalkeuze en rijkdom
detaillering ontstaat een eenheid die door zijn bescheidenheid ruimte geeft aan zijn omgeving. Het dak biedt onderdak, de plint verankert het gebouw
de omgeving. Het huis met zadeldak appelleert aan het archetypische huis, de abstracte essentie van de dorpse architectuur Dit betekent niet zozeer historiserend bouwen, maar om
grediënten toe te passen voor een hedendaagse variant ervan. De woningen mogen traditioneel of eigentijds worden uitgevoerd. Eigentijds betekent vooral strak
detaillering en creatief gebruik van materialen. De
grediënten voor dorps architectuur bestaan onder andere uit: Heldere, rechthoekige hoofdvorm; een
getogen vormentaal van de architectuur; een huis met zadeldak, eventueel samengesteld; het dak heeft een kloeke vorm en is eenvoudig
haar uitstraling; de nokrichting is vrij; dakkappellen en dakramen zijn ondergeschikt aan het dakvlak; • gebiedseigen materiaalgebruik: De gevels van het hoofdgebouw dienen uitgevoerd te worden
baksteen
een rood, roodbruine tot donkerbruine kleur. Ook witgekeimde gevels zijn mogelijk, met uitzondering van de drie woningen langs de westrand die aan het open landschap grenzen. Langs deze westelijke rand zijn uitsluitend gedekte, natuurlijke kleuren mogelijk. Een moderne toepassing van hout of riet als gevelbekleding is eveneens denkbaar; o Kozijnen en deuren worden bij voorkeur uitgevoerd
hout. Daken mogen uitgevoerd worden
dakpannen of riet (natuurlijk riet). Pannendaken worden uitgevoerd
roodoranje of donkergrijze keramische dakpannen. Een combinatiedak van riet en pannen behoort ook tot de mogelijkheden. Geglazuurde dakpannen passen niet bij de dorpse uitstraling van het plan. Deze worden dan ook niet toegestaan. terughoudend
detaillering, overstekken, kleurgebruik; Bijlage 13Beeldkwaliteitplan Wijngaart III, Haaren uitsnede stedenbouwkundig plan ‘Wijngaert III’ Tempeliersweg Bestaande woonbuurt Luchtfoto met het plangebied van Wijngaert III 1
leiding 1.1 Algemeen Aan de westzijde van de kern Haaren, gemeente Haaren, is het nieuwe woongebied ‘Wijngaert III’ gepland. Een belangrijke aanleiding hiervoor is de behoefte aan vervangende nieuwbouw met voorzieningen voor de cliënten van Cello. Cello biedt mensen met een verstandelijke beperking een professionele en flexibele ondersteuning
het dagelijks leven, waaronder op het gebied van wonen. De cliënten van Cello zijn momenteel gehuisvest
het voormalig klooster ‘Haarendael’. Deze locatie voldoet echter niet meer aan de woontechnische eisen. Daarnaast kan met de
vulling van het gebied
belangrijke mate worden voldaan aan de woonbehoefte door
vulling met reguliere woningbouw bestaande uit een variatie van woningtypen. Voor ‘Wijngaert III’ is een stedenbouwkundig plan ontwikkeld. De realisatie van het plan zal plaatsvinden
drie delen; t.w. een plandeel oost, een plandeel midden en een plandeel west. Voor de ontwikkeling van Cello
het middendeel is
middels een bestemmingsplan vastgesteld. Gebleken is dat de beschrijving van het stedenbouwkundig plan
het bestemmingsplan onvoldoende houvast biedt voor de toetsing van de bouwplannen voor Cello door de welstandscommissie. Het is de bedoeling om met dit beeldkwaliteitplan hieraan tegemoet wordt gekomen. Het bijbehorende kaartbeeld is bedoeld als impressie en is als verkavelingsplan nog niet vastgesteld. 1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied ‘Wijngaert III’ ligt ten westen van de kern Haaren. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de loop van de Kantstraat en het Holleneind. Aan de oostzijde door de percelen van de woningen aan de Luzerne, Vlas, Lupine en Tempeliersdal. De grens aan de zuidzijde wordt gevormd door de percelen aan de Burgemeester den Oudenstraat en de Wethouder Bressersstraat. Aan de westzijde loopt het plangebied over de Tempeliersweg heen en grenst het plan direct aan het buitengebied. De oost- en zuidzijde van het plangebied wordt gekenmerkt door bestaande woningbouw, de noordzijde door een agrarisch lint met voormalige agrarische functies en de westzijde door agrarische gronden. 1.3 Vigerend bestemmingsplan Het bestemmingsplan Wijngaert III is goedgekeurd door GS op 2 december 2008. Op 30 januari 2009 is dat besluit
werking getreden (geen beroep
gesteld bij de Raad van State). Het bestemmingsplan Wijngaert III is daarmee het vigerend bestemmingsplan geworden. Uitsnede Uitwerkingsplan Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel 1.4 Gemeentelijk beleid
het algemeen geldt dat er
de gemeente Haaren een druk is op de woningmarkt. De laatste jaren zijn er nauwelijks nieuwe woningen gerealiseerd. Het beleid van de gemeente Haaren richt zich bij nieuwbouw
de gemeente op de volgende doelgroepen om zo
te spelen op de woningbehoefte en om doorstromingsprocessen te stimuleren: één- en tweepersoons huishoudens (jongere starters en senioren)
de huursector; starters
de koopsector; doorstromers vanuit de sociale huursector en de goedkope koopsector; het toenemend aantal senioren; de verstandelijk gehandicapten van ‘Haarendael’; senioren met een bijzondere woon- en zorgbehoefte. Het benutten van structuurversterkende
breidingslocaties binnen de bestaande kernen dient, gelet op de woonwensen van de genoemde doelgroepen,
beginsel prioriteit te krijgen. uit de Volkshuisvestingsvisie blijkt dat het naar alle waarschijnlijkheid ook noodzakelijk zal zijn om ruimte te benutten op uitbreidingslocaties. De Structuurvisie Plus (uit 2004) wijst ‘Wijngaert III’ aan als een locatie waar
gezet kan worden op de zorgwoningen ten behoeve van Cello, aangevuld met reguliere woningbouw voor andere doelgroepen. Historische kaart omgeving Haaren Topografische kaart van Haaren 2 Stedenbouwkundig plan 2.1 Stedenbouwkundige context Historische ontwikkeling De gemeente Haaren bestaat uit een aantal historische nederzettingen die
het verleden grotendeels naar elkaar zijn toe gegroeid. Hierbij als de belangrijkste te noemen: Belveren, Noenes, de Voort, Heesakker, Eind, Gever, Kerkeind, Holleneind, Groenplein en de Raam. Uit vondsten uit de prehistorie en de Romeinse tijd blijkt dat Belveren de oudste nederzetting is. De oude kern van Haaren ontwikkelde zich als een tiendakkernederzetting op de dek zandrug tussen twee beekdalen. De oude structuur is nog grotendeels zichtbaar aan de niet-agrarische bebouwing rondom en de overblijfselen van de oude Sint Lambertuskerk. Van deze kerk resteert echter alleen nog maar de toren (uit ca.1470). De oude kern heeft een bochtig wegtracé met daarlangs voornamelijk éénlaagse woonhuizen met verspringende rooilijnen. Belangrijk is hierbij de ligging van Holleneind, ten noordwesten van de oude kern van Haaren ten zuiden van en evenwijdig aan de Raamse Loop. Holleneind is een akkernederzetting met het karakter van een wegnederzetting. De weg vormt een scheiding tussen de hoger gelegen gronden met bebouwing en akkers en de lager gelegen gronden richting de Beek. De bebouwing is overwegend agrarisch en bestaat voornamelijk uit langevelboerderijen. De nederzetting Groenplein ten oosten van Holleneind is gezien de opbouw vergelijkbaar. Het plangebied heeft door de jaren heen dezelfde functie behouden. Tot voor kort waren de gronden bedoeld voor de agrarische sector. Het plangebied ligt ten noorden van de oude kern van Haaren en ten oosten van de nederzettingen Holleneind en Groenplein. Het plangebied ligt op de hoger gelegen agrarische gronden. De uitbreidingen, die na de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden, grenzen aan het plangebied. Het plangebied ligt op de overgang van het stedelijk gebied naar het buitengebied. De wegen rondom het plangebied leiden richting de historische nederzettingen, het huidige centrum en de provinciale weg N65 richting ’s-Hertogenbosch en Tilburg. Bestaande structuur plangebied Bebouwingstypologie Het plangebied is voor een groot deel onbebouwd en heeft een relatief open karakter. De structuur van het landschap wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door de akkers.
beperkte mate zijn er groene elementen
het plangebied aanwezig. Het Holleneind en de Kantstraat worden begeleid door laanbeplanting. Ten oosten en zuiden van het plangebied, ter hoogte van de bestaande woonbebouwing, is afschermend groen aanwezig. Dit zorgt voor een minder harde overgang van het stedelijke gebied naar het open buitengebied.
het plangebied, maar ook
de omgeving, zijn meerdere boerenhoeven aanwezig. Met name aan de noordkant langs de Holleneind, de Kantstraat en aan de Tempeliersweg zijn 3 boerenerven met typerende agrarische bebouwing aanwezig. Twee van de drie worden niet meer gebruikt voor agrarische doeleinden. De schuur bij de boerderij aan de Tempeliersweg, met gepotdekselde gevelbekleding en voorzien van een dakbedekking van pannen en riet, is beeldbepalend. De bebouwing ten oosten en zuiden van het plangebied bestaat voornamelijk uit planmatige bebouwing. De bebouwing bestaat veelal uit vrijstaande woningen met een
dividueel karakter. De diversiteit kenmerkt zich door verschillende kapvormen en -richtingen, kleur- en materiaalgebruik. Ook de situering van woningen; op dezelfde rooilijnen of juist verspringend en de aanwezigheid van carports of garages dragen daar aan bij. De bouwhoogten van de woningen bestaan veelal uit twee bouwlagen met een kap. De woningen zijn hoofdzakelijk gericht op de openbare ruimte. De bouwhoogten van de boerderijen en schuren bestaat uit een combinatie van een lage goothoogte met vaak een hoge kap. Stedenbouwkundig concept 2.2 Stedenbouwkundig concept Belangrijk bij de planmatige uitbreiding van het dorp is de aandacht voor de landschappelijke
passing. De bestaande verkavelingspatronen spelen hierbij een rol. Op een natuurlijke wijze wordt aangesloten op de morfologische structuur van het bestaande woongebied. Daarbij is zicht vanuit het dorp op het omringende landschap wenselijk. Hierbij dienen de dorpsranden zorgvuldig te worden gedefinieerd en ontworpen. Het agrarisch karakter van het buitengebied dient te worden gekoesterd. Karakteristieke boerderijen of boerenhoeven dienen bij voorkeur op een passende wijze te worden
gepast
het woongebied. Ook hoeven
een eigentijdse vorm kunnen daarbij worden
gezet. Gezien de ligging van het plangebied aan de noordwestzijde van Haaren vormen de relatie met de bestaande bebouwing en de overgang naar het buitengebied belangrijke aanknopingspunten. Aan de noordzijde van het plangebied wordt er
het concept rekening gehouden met de historisch verkaveling van hoeven en boerderijen aan de Kantstraat, Holleneind en Tempeliersweg. De relatie met het buitengebied wordt behouden door zichtlijnen via de ontsluitingswegen en (waar mogelijk) via wandelpaden vanuit het woongebied naar het buitengebied. Daarnaast vormt een ruimere opzet van de percelen aan de randen van het plangebied een geleidelijke overgang naar het buitengebied.
de structuur van Haaren en het buitengebied aan deze noordkant zijn driehoekige patronen te ontdekken, die
de bebouwde kom op veel plekken zijn benut als groene open ruimtes. Deze driehoekige vorm is opgepakt
het stedenbouwkundig concept om verschillende plekken
het woonmilieu te verbijzonderen en als plek de oriëntatie te bieden met het omringende landschap. Ook het retentiebekken aan het Holleneind heeft deze vorm meegekregen. De aanwezigheid van hoeven en boerderijen
het plangebied wordt eveneens als een belangrijke toevoeging gezien aan het woonmilieu. Ook deze elementen dragen bij aan een verbijzondering van de woonvormen en behouden de landschappelijke kenmerken
het woongebied.
het plangebied is de Tempeliersweg als noord-zuid verbinding vanuit de kern naar het buitengebied belangrijk. Zowel voor het dorp Haaren als voor de nieuwe woonbuurt. De Tempeliersweg blijft
de toekomstige situatie behouden. Wijngaert III’ wordt daarnaast aangesloten op de bestaande wegen Lupine en Vlas
de woonwijk ten oosten van het plangebied. Bij de opzet van ‘Wijngaert III’ is rekening gehouden met de ligging van een hoofdwaterleiding die door het plangebied loopt. Deze hoofdwaterleiding ligt
oost-westelijke richting. Aangezien deze hoofdwaterleiding gevrijwaard moet blijven van bebouwing, is op deze plaats een weg gesitueerd. Ten noorden en ten zuiden van de weg met het waterleidingtracé zijn wegen gesitueerd
dezelfde richting. Deze oost-west georiënteerde wegen zijn verbonden met de Tempeliersweg en lopen door tot
het westelijke deel, met een oriëntatie op het landschap. Tussen deze wegen worden de bouwblokken c.q. kavels gesitueerd. Verkavelingsimpressie Wijngaert III 2.3 Het stedenbouwkundig plan De geplande bebouwing
’Wijngaert III’ bestaat uit ‘reguliere’ woningbouw en woningen of woonclusters ten behoeve van cliënten van Cello en met voorzieningen voor Cello. De
richting van het nieuwe woongebied is gericht op
tegratie; het samenwonen van cliënten van Cello met overige bewoners
dezelfde buurt. De woningen voor de cliënten van Cello en de reguliere woningen worden op een vergelijkbare wijze aan de straat gepositioneerd. Wijngaert III’ zal de uitstraling krijgen van een normale dorpse woonbuurt. De verkaveling
dit beeldkwaliteitplan is een impressie. Het verkavelingsplan zal nog nader worden
gevuld en uitgewerkt. Door het opnemen van de brinkachtige driehoekige ruimtes
het stedenbouwkundig plan wordt aangesloten op bestaande kenmerken van de kern Haaren. Deze brinken zijn onderling door het stratenpatroon met elkaar verbonden. Daarnaast worden er verbindingspaden aangelegd vanaf de brinken met het buitengebied. Naast het
passen van verschillende vormen van boerenhoeven zullen deze brinken
belangrijke mate zorgen voor het dorpse karakter, de sfeer en de identiteit van het nieuwe woongebied.
het verlengde van de bestaande straten Vlas en Lupine zijn
de oost-westrichting kenmerkende en afwisselende blokvormen gesitueerd ter accentuering van het gedifferentieerde woonmilieu. Voor de drie plandelen ziet de opzet er als volgt uit. Plandeel oost Plandeel midden Plandeel west Plandeel oost
het plandeel oost bestaat het programma hoofdzakelijk uit grondgebonden woningen
de vorm van patiowoningen, half vrijstaande, vrijstaande woningen en rijwoningen. Bij dit plandeel staat de aansluiting op de bestaande buurt en op de grotere percelen langs de Kantstraat en het Holleneind centraal De bebouwing bestaat uit maximaal twee bouwlagen, veelal uitgevoerd met kap. De patiowoningen bestaan gedeeltelijk uit 2 lagen en hebben een plat dak.
dit plandeel zijn 3 verschillende driehoekige pleinruimtes gecreëerd. De twee noordelijke gelegen ruimtes dragen bij aan de oriëntatie op het landschap. De wat grotere groene driehoek is een speelplek voor de buurt. De vrijstaande woonbebouwing aan de noordzijde wordt begrensd door een zone met boerenhoeven. De woningbouw zal voornamelijk gericht zijn op de doelgroepen senioren, gezinnen en starters. De hoeven zullen op termijn ook voor woonfuncties worden bestemd. Plandeel midden
plandeel midden worden de woningen en voorzieningen voor Cello gebouwd. De bebouwing voor Cello volgt het stratenpatroon net zoals de overige bebouwing. De reguliere woningbouw
dit plandeel is aan de oost- en zuidoostelijke rand gesitueerd. Deze bebouwing bestaat uit maximaal twee bouwlagen, veelal uitgevoerd met kap. Een deel van de woningbouw voor Cello krijgt
verband met het bouwprogramma van Cello een lessenaars dak, waarbij enkele delen een plat dak meekrijgen. Het andere deel van de Cellobebouwing bestaat uit 2 lagen met een zadeldak. Langs de Tempeliersweg zijn
dit plandeel enkele nieuwe hoeven gesitueerd met een centraal gelegen erf. Het erf zal eveneens een bijzondere functie gaan krijgen. Ook deze bebouwing bestaat uit 2 lagen, afgedekt met een zadeldak. De voorzieningen zijn met name bedoeld voor de cliënten van Cello. Daarnaast is het mogelijk dat deze voorzieningen ook gebruikt kunnen gaan worden door bewoners van de gemeente Haaren.
dit deelgebied is ook een driehoekige groene ruimte opgenomen. Naast de woningbouw voor Cello zullen ook woningen gerealiseerd worden voor gezinnen en voor starters. Plandeel west Plandeel west betreft de toekomstige ontwikkeling ten westen van de Tempeliersweg, waarbij de overgang en de beleving van en naar het landschap centraal staat. De opzet van dit plandeel wordt daardoor gekenmerkt door een wat lagere bebouwingsdichtheid. De bebouwing bestaat uit half vrijstaande, vrijstaande en rijwoningen.
de noordwest hoek van het plangebied is een nieuwe hoevebebouwing geprojecteerd die georiënteerd is op de Holleneind. Bij de ontwikkeling van plandeel west zal rekening gehouden worden met de bestaande hoeve aan de Tempeliersweg.
dit plandeel zijn drie driehoekige ruimtes opgenomen, die ook een oriëntatiepunt vormen op het landschap. Het programma bestaat hoofdzakelijk uit grondgebonden woningen
de vorm van half vrijstaande en vrijstaande woningen. De bebouwing bestaat uit maximaal twee bouwlagen, uitgevoerd met kap. Sferen deelbuurten beeldkwaliteit 3 Beeldkwaliteit gebouwde objecten 3.1. Algemeen Wijngaert III is een eigentijdse opzet van een dorpsuitbreiding, waarbij de samenhang
de buurt alsmede de onderlinge samenhang van buurten onderling zorgvuldig wordt uitgewerkt. Met name het groene karakter en de stedenbouwkundige opzet zullen hieraan bijdragen. Historiserend bouwen ligt hierbij niet voor de hand. De nieuwe onderdelen zullen, gebaseerd op traditionele bebouwingstypen op een eigentijdse wijze worden vormgegeven. Uiteraard zijn de nieuwe hoeven hierbij verwant aan de agrarische omgeving. Kappen zullen hierbij veelvuldig worden
gezet. 3.2 Sferen
de deelbuurten De vrijstaande, half vrijstaande en rijwoningen staan gegroepeerd
alle drie de plandelen. Deze woningen worden afgedekt met een kap. Dit kan
een de vorm van een langskap of met een dwarskap. Vanuit een samenhang met de bestaande buurt wordt voorgesteld het kleur en materiaal palet eenduidig samen te stellen en verwant te laten zijn aan de bestaande buurten. Verder wordt er voor vier clusters met vrijstaande woningen gekozen voor een wat meer landelijke uitstraling
samenhang met de aangrenzende boerenhoeven en het open landschap. Met name door materialisatie van de kapvorm wordt dit tot uiting gebracht. Als derde worden de boerenhoeven als min of meer kleinere complexen op een erf qua opzet, sfeer en uitstraling onderscheiden ten opzichte van de overige bebouwing. Een passende erfinrichting is hierbij uiteraard van belang. Een eigentijdse uitwerking wordt hier, als het om nieuwe
vullingen gaat, voorgestaan. Een deel van de woningen voor Cello krijgt een afwijkende benadering
verband met het bouwprogramma. Hiervoor is een cluster opgezet met een combinatie van lessenaarsdaken en platte daken. Bewust is er
dit geval voor gekozen om de afdekking sterk te laten afwijken van de andere bebouwing.
dit geval met een sedum dakbedekking. De patiowoningen worden
verband met hun afwijkende opzet hier ook onder gerangschikt. Ook hierbij is gekozen om de lage platte dakdelen uit te voeren als sedumdak. Aan de twee oost-westlopende assen, die aansluiten op de bestaande buurt, zijn verschillende sferen geprojecteerd. Dit benadrukt het gedifferentieerde woonbeeld. Deze omschreven sferen vormen de leidraad voor het formuleren van de beeldcriteria. Deze sferen zijn respectievelijk: Formeel dorps Landelijk dorps Landelijk erf- Eigenwijs Formeel dorps 3.3 Regels en richtlijnen (criteria) De respectievelijke sferen zijn verder uitgewerkt met referentiebeelden op het gebied van architectuur/oriëntatie, bouwmassa/dakvormen alsmede het kleur/materiaalgebruik. Daarnaast zijn bijzondere aansluitingen op de openbare ruimte en principes omtrent de erfafscheidingen meegenomen. Formeel dorps Architectuur en oriëntatie Eigentijdse, niet historiserende architectuur met
getogen vormgeving en materiaalgebruik; Woningen (twee onder een kap, vrijstaand) zijn
dividueel afleesbaar. De rijwoningen zijn vanuit één concept opgezet; Een eenduidig concept: architectuur, compositie, materiaalgebruik en detaillering vormen een samenhangend geheel; De woning dient georiënteerd te zijn op de openbare ruimte en heeft een eigen tuin; Bij hoekwoningen begeleidt het hoofdgebouw de straten; Aanbouwen aan de voorzijde (erker, entreepartij) dienen ondergeschikt te zijn aan de gevel als geheel. Ze mogen de samenhang niet verstoren en dienen te passen
de architectonische identiteit van de woning. Bouwmassa en dakvorm De woningen hebben een duidelijke hoofdmassa met een kap.
cidenteel kunnen eenheden met platte daken voorkomen; De goothoogte van de hoofdmassa is minimaal 3.00m en maximaal 7.00m hoog; Zadeldak en tentdak zijn de hoofdvormen. De kapvorm kan een langskap, maar ook een dwarskap zijn; Dakvlakken dienen als geheel herkenbaar te blijven. Dakkapellen zijn ondergeschikt aan het dak en dienen onder
het dakvlak te worden geplaatst; Er is een duidelijk onderscheid tussen een eenduidig hoofdvolume en ondergeschikte bouwdelen; Aanbouwen of nevenvolumes dienen terug te worden geplaatst ten opzichte van het hoofdvolume, om de hoofdvolumes te laten spreken
het straatbeeld. Erfafscheidingen De overgang van de privéruimte naar de openbare ruimte dient
het ontwerp te worden meegenomen; De erfafscheiding bij voortuinen en tuinen langs de openbare weg als een haag van een
heemse soort, met een hoogte tot maximaal 1.00m; Op plaatsen waar tuinen aan het openbaar gebied grenzen zijn erfafscheidingen met een hoogte tot maximaal 2.00m. mogelijk. Deze worden zo veel mogelijk uitgevoerd als opgaande hagen. Eventueel
combinatie met muren of een hekwerk. Schuttingen en afwijkende hekwerken zijn niet toegestaan. Kleur en materiaalpalet Natuurlijk materiaalgebruik (baksteen en hout) is het uitgangspunt; Accenten dienen uitgevoerd te worden
natuurlijke materialen zoals hout, zink en glas; zonweringen bij voorkeur
de architectuur op te nemen; Een veelheid van materiaalgebruik per woning of bouwblok dient te worden vermeden; Het kleurpalet is
getogen, harde kleuren dienen
het architectuurconcept
principe te worden vermeden; De dakbedekking bij dakvlakken bij voorkeur keramische pannen;- De structuurbepalende hagen zijn haagbeuken. Landelijk dorps Landelijk dorps Architectuur en oriëntatie Eigentijdse, niet historiserende architectuur met
getogen vormgeving en materiaalgebruik; Woningen (twee onder een kap, vrijstaand) zijn
dividueel afleesbaar. De rijwoningen zijn vanuit één concept opgezet; Een eenduidig concept: architectuur met rurale uitstraling, compositie, materiaalgebruik en detaillering vormen een samenhangend geheel; Tussen de bouwvolumes onderling aan een brink of erf moet een eenheid zijn
sfeer; De woning dient georiënteerd te zijn op het driehoekige erf en heeft daarnaast een eigen tuin; Aanbouwen aan de voorzijde (erker, entreepartij) dienen ondergeschikt te zijn aan de gevel als geheel. Bouwmassa en dakvorm De woningen hebben een duidelijke hoofdmassa met een kap.
cidenteel kunnen eenheden met platte daken voorkomen; De goothoogte van de hoofdmassa is minimaal 3.00m en maximaal 7.00m hoog; Zadeldak en tentdak zijn de hoofdvormen, lessenaarsdaken zijn uitgesloten. De kapvorm is overwegend een langskap; Dakvlakken dienen als geheel herkenbaar te blijven. Dakkapellen zijn ondergeschikt aan het dak en dienen onder
het dakvlak te worden geplaatst; Er is een duidelijk onderscheid tussen een eenduidig hoofdvolume en ondergeschikte bouwdelen;- Nevenvolumes dienen terug te worden geplaatst ten opzichte van het hoofdvolume. Erfafscheidingen De overgang van de privéruimte naar de openbare ruimte dient
het ontwerp te worden meegenomen; De erfafscheiding bij voortuinen uitvoeren als een haag van een
heemse soort, met een hoogte tot maximaal 1.00m.; Op plaatsen waar tuinen aan het openbaar gebied grenzen zijn erfafscheidingen met een hoogte tot maximaal 2m. mogelijk. Deze worden zo veel mogelijk uitgevoerd als opgaande hagen. Eventueel
combinatie met muren of een hekwerk. Schuttingen en afwijkende hekwerken zijn niet toegestaan. Kleur en materiaalpalet Natuurlijk materiaalgebruik (baksteen en hout) is uitgangspunt; Accenten dienen uitgevoerd te worden
natuurlijke materialen zoals hout, zink en glas; zonweringen bij voorkeur
de architectuur op te nemen; Een veelheid van materiaalgebruik per woning of complex dient te worden vermeden; Het kleurpalet is
getogen, harde kleuren dienen
het architectuurconcept te worden vermeden; De dakbedekking bij dakvlakken: rietbedekking, keramische pannen, leien of combinaties daarvan;- De structuurbepalende hagen zijn haagbeuken. Landelijk erf Landelijk erf Architectuur en oriëntatie
het geval van nieuwbouw eigentijdse, niet historiserende architectuur met
getogen vormgeving en materiaalgebruik; Bebouwing is gepositioneerd
een hoeve-achtige opzet. Het complex is eenduidig qua sfeer. Onderdelen kunnen als hoeve of schuur worden uitgewerkt. Architectuur met rurale uitstraling, compositie, materiaalgebruik en detaillering vormen een samenhangend geheel; Tussen de bouwvolumes op het erf moet een eenheid zijn
sfeer; Aanbouwen aan de voorzijde (erker, entreepartij) dienen ondergeschikt te zijn aan de gevel als geheel; Bouwmassa en dakvorm De bebouwing heeft een duidelijke hoofdmassa met een kap; De goothoogte van de hoofdmassa is minimaal 3.00m en maximaal 7.00m hoog; Zadeldak en tentdak zijn de hoofdvormen, lessenaarsdaken zijn uitgesloten. De kapvorm is overwegend een langskap,
de lengte richting van het volume; Dakvlakken dienen als geheel herkenbaar te blijven. Dakkapellen zijn ondergeschikt aan het dak en dienen onder
het dakvlak te worden geplaatst; Er is een duidelijk onderscheid tussen een eenduidig hoofdvolume en ondergeschikte bouwdelen. Er dient voldoende opstelruimte te zijn voor het parkeren van auto’s op eigen terrein. Erfafscheidingen De overgang van de privéruimte naar de openbare ruimte dient
het ontwerp te worden meegenomen; De erfafscheiding bij voortuinen uitvoeren als een haag van een
heemse soort, met een hoogte tot maximaal 1.00m.; Op plaatsen waar tuinen aan het openbaar gebied grenzen zijn erfafscheidingen met een hoogte tot maximaal 2m. mogelijk. Deze worden zo veel mogelijk uitgevoerd als opgaande hagen. Eventueel
combinatie met muren of een hekwerk. Schuttingen zijn niet toegestaan. Kleur en materiaalpalet Natuurlijk materiaalgebruik (baksteen en hout) is uitgangspunt; Accenten dienen uitgevoerd te worden
natuurlijke materialen zoals hout, zink en glas; zonweringen bij voorkeur
de architectuur op te nemen; Een veelheid van materiaalgebruik per woning of complex dient te worden vermeden; Het kleurpalet is
getogen, harde kleuren dienen
het architectuurconcept te worden vermeden; De dakbedekking bij dakvlakken: keramische pannen, leien, riet, zink, aluminium dak beplating, of combinaties daarvan; De structuurbepalende hagen zijn haagbeuken. Eigenwijs Eigenwijs Architectuur en oriëntatie Eigentijdse, niet historiserende architectuur met
getogen vormgeving en materiaalgebruik; Woningen, woonclusters zijn vanuit één concept opgezet; Een eenduidig concept: architectuur, compositie, materiaalgebruik en detaillering vormen een samenhangend geheel; De woningeenheden zijn georiënteerd op de openbare ruimte. De clusters hebben ook een eigen tuin; Bij hoekwoningen begeleidt het hoofdgebouw de straat. Een hoekwoning kent aan beide straten een voorgevel en een voortuin; Aanbouwen aan de voorzijde (erker, entreepartij) dienen ondergeschikt te zijn aan de gevel als geheel. Ze mogen de samenhang niet verstoren en dienen te passen
de architectonische identiteit van de woning. Bouwmassa en dakvorm De woningen hebben een duidelijke hoofdmassa met een kap.
cidenteel kunnen eenheden met platte daken voorkomen; De goothoogte van de hoofdmassa is minimaal 3.00m en maximaal 7.00m hoog; Zadeldak en tentdak zijn de hoofdvormen. Ook een lessenaars dak is mogelijk; Dakvlakken dienen als geheel herkenbaar te blijven. Dakkapellen zijn ondergeschikt aan het dak en dienen onder
het dakvlak te worden geplaatst; Er is een duidelijk onderscheid tussen een eenduidig hoofdvolume en ondergeschikte bouwdelen; Aanbouwen of nevenvolumes dienen terug te worden geplaatst ten opzichte van het hoofdvolume. Minimaal 1 opstelplaats voor een auto op eigen kavel voor de reguliere woningbouw. Voor de Cello bebouwing zijn aparte afspraken met betrekking tot het parkeren. Erfafscheidingen De overgang van de privéruimte naar de openbare ruimte dient
het ontwerp te worden meegenomen; De erfafscheiding bij voortuinen en tuinen langs de openbare weg als een haag van een
heemse soort, met een hoogte tot maximaal 1.00m; Op plaatsen waar tuinen aan het openbaar gebied grenzen zijn erfafscheidingen met een hoogte tot maximaal 2.00m. mogelijk. Deze worden zo veel mogelijk uitgevoerd als opgaande hagen. Eventueel
combinatie met muren of een hekwerk. Schuttingen en afwijkende hekwerken zijn niet toegestaan. Kleur en materiaalpalet Natuurlijk materiaalgebruik (baksteen en hout) is het uitgangspunt; Accenten dienen uitgevoerd te worden
natuurlijke materialen zoals hout, zink en glas; zonweringen bij voorkeur
de architectuur op te nemen; Een veelheid van materiaalgebruik per woning of bouwblok dient te worden vermeden; Het kleurpalet is
getogen, harde kleuren dienen
het architectuurconcept
principe te worden vermeden; De dakbedekking bij dakvlakken bij voorkeur keramische pannen, leien, zink, en aluminium dak beplating. Ook sedum dakvlakken zijn mogelijk; - De structuurbepalende hagen zijn haagbeuken.
richtingsplan openbare ruimte Wijngaert III Beeldkwaliteit openbare ruimte 4 Beeldkwaliteit openbare ruimte De openbare ruimte van Wijngaert III krijgt een rustige en groene uitstraling. Wat betreft het stratenpatroon is het aantal toe te passen materialen beperkt en sluit het kleurenpalet aan op de bestaande buurten. De groene sfeer wordt onder andere bepaald door het toepassen van hagen en door de bomenstructuur. Voor het plandeel midden is
middels het VO van het openbaargebied ontworpen. Dit deel is
belangrijke mate leidend voor het gehele gebied van Wijngaert III. De driehoekige ruimtes en erven krijgen een groene uitstraling. Afhankelijk van de functies zal de mate van groen worden bepaald. Losstaande bomen of boomgroepen worden hier toegepast. Verder kunnen hagen de driehoekige ruimtes omzomen. De erven kunnen ook uitgevoerd met grind of een half verharding. Dwarsprofielen plandeel midden Bijlage 14Beeldkwaliteitplan Hopveld II, Haaren 1Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Haaren heeft het voornemen om bedrijventerrein 't Hopveld uit te breiden. Voor dit doel heeft de gemeente
het verleden gronden aangekocht, waarbij
bepaalde gevallen de verplichting is aangegaan om grenzend aan 't Hopveld (particuliere) woningbouw mogelijk te maken langs o.a. de Oude Baan. Ten noordoosten van het bestaande bedrijventerrein 't Hopveld ligt een driehoekig terrein,
de oksel van de Helvoirtseweg en de Kantstraat, met een omvang van circa 1 hectare. De gemeente heeft een verplaatsingsovereenkomst gesloten, waarin de
spanningsverplichting is opgenomen dat deze gronden een bedrijfsbestemming krijgen, zodat enkele bestaande bedrijven
de kern van Haaren kunnen worden verplaatst naar 't Hopveld. De vrijgekomen bedrijfslocaties
de dorpskern kunnen worden benut voor woningbouw. Met de verplaatsing van deze bedrijven vindt een kwaliteitsverbetering plaats
de dorpskern van Haaren.
onderstaande afbeelding is het plangebied 't Hopveld weergegeven. Figuur 1: Ligging plangebied ’t Hopveld
februari 2006 is een quick-scan1Quickscan Uitbreiding Bedrijventerrein 't Hopveld, 9 februari 2006, Arcadis, februari 2006 opgesteld, waarin de financiële, ruimtelijke en juridische haalbaarheid van de geplande ontwikkelingen is onderzocht. De bevindingen van de quick-scan zijn positief. Op 29 juni 2006 heeft de Raad de quick-scan als uitgangspunt vastgesteld en krediet beschikbaar gesteld voor het vervolgtraject voor de ontwikkeling van 't Hopveld.
middels is een Nota van Uitgangspunten2Nota van Uitgangspunten 't Hopveld, gemeente Haaren, Oranjewoud B.V., mei 2008 opgesteld en vastgesteld d.d. 27 mei 2008, waarin de ontwikkelingsrichting voor 't Hopveld is beschreven. De basis voor de Nota wordt gevormd door: overleg tussen de gemeente, belanghebbenden, omwonenden en overige betrokkenen; de uitkomsten van de
formatieavond d.d. 26 maart 2007
het gemeentehuis van Haaren; diverse (milieu)onderzoeken die zijn uitgevoerd voor het plangebied; het stedenbouwkundig plan 't Hopveld (juni 2008). De nieuwbouwplannen voor 't Hopveld, zoals omschreven
de Nota van Uitgangspunten, passen niet binnen de voor het plangebied geldende bestemmingsplannen. Om de nieuwbouwplannen te kunnen realiseren, is onderhavig bestemmingplan opgesteld.
dit bestemmingsplan is het juridisch-planologische kader voor de locatie vastgelegd. De onderlegger voor het bestemmingsplan wordt gevormd door het stedenbouwkundig plan3't Hopveld II, Stedenbouwkundig plan voor de uitbreiding van het bedrijventerrein 't Hopveld
Haaren, KuiperCompagnons, juni 2008.
het bestemmingsplan is, naast de ruimtelijke component, tevens aandacht voor de beeldkwaliteit die op 't Hopveld wordt nagestreefd. 1.2 Vigerende bestemmingsplannen Op de gronden van het plangebied vigeren momenteel de volgende bestemmingsplannen: 'Uitbreidingsplan
Hoofdzaak der Gemeente Haaren', vastgesteld d.d. 2 oktober 1961 en goedgekeurd d.d. 13 november 1963; 'Uitbreidingsplan
Hoofdzaak, Partiele herziening', vastgesteld d.d. 29 september 1964 en goedgekeurd d.d. 2 november 1966; bestemmingsplan 'Buitengebied 1982 Haaren', vastgesteld d.d. 22 april 1981 en goedgekeurd d.d. 7 september 1982; bestemmingsplan ''t Hopveld', vastgesteld d.d. 3 december 1987 en goedgekeurd d.d. 12 juli 1988; De voorgenomen uitbreiding van bedrijventerrein 't Hopveld is
strijd met de vigerende bestemmingsplannen. 1.3 Leeswijzer Na deze
leiding wordt
hoofdstuk 2 het plangebied beschreven. Vervolgens komt
hoofdstuk 3 het beleidskader voor 't Hopveld vanuit de verschillende overheidsniveaus aan bod. Daarna zijn
hoofdstuk 4 de diverse gebiedsaspecten en -kenmerken beschreven die van belang zijn voor de ontwikkeling van het plangebied. Hoofdstuk 5 beschrijft de stedenbouwkundige planuitgangspunten van het 't Hopveld, waarna
hoofdstuk 6 de plansystematiek van het op te stellen bestemmingsplan aan bod komt.
hoofdstuk 7 is de economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven, waarna hoofdstuk 8 afsluit met de maatschappelijke uitvoerbaarheid. 2Huidige situatie Dit hoofdstuk gaat
op de huidige kenmerken van het dorp Haaren en plangebied 't Hopveld
het bijzonder. Achtereenvolgens is aandacht voor de ligging en begrenzing van het plangebied, gevolgd door de ruimtelijke en functionele kenmerken ervan. 2.1 Ligging en begrenzing plangebied 2.1.1 Haaren Het dorp Haaren is oorspronkelijk ontstaan als een
tersectie van verschillende agrarische lintbebouwingen en
de loop van de tijd verder vergroeid en uitgebreid. Tussen de linten zijn kleine uitbreidingswijkjes ontstaan, maar de oorspronkelijke linten zijn nog steeds prominent
het dorp en omliggende landschap herkenbaar en bepalen voor een belangrijk deel het kleinschalige en dorpse karakter van Haaren. Bomenlanen en kleinschalige woningen van één en twee lagen met een kap bepalen het beeld. De royale voor- en zijtuinen dragen daarnaast voor een belangrijk deel bij aan het groene en
formele karakter van Haaren. Naarmate men verder van het centrum van het dorp af komt wordt de lintbebouwing transparanter en landelijker en ontstaan er doorzichten naar het omliggende open landschap. 2.1.2 ’t Hopveld Het plangebied bestaat uit het bestaande bedrijventerrein 't Hopveld en de omliggende gronden. Bedrijventerrein 't Hopveld ligt aan de noordoostzijde van de kern Haaren. Het bedrijventerrein is onderdeel van een overgangsgebied tussen het dorp en het agrarisch landschap en ligt zoals veel andere delen van Haaren
geklemd tussen verschillende linten Helvoirtseweg, Kantstraat en Oude Baan. De drie linten hebben allemaal een herkenbaar eigen karakter: De Helvoirtseweg is een doorgaande autoroute, die Haaren verbindt met de N65 / Helvoirt. De weg wordt gedomineerd door (agrarische) bedrijvigheid. Aan de westzijde wordt de route begeleid door boerderijen, met voor op de kavel een woning met tuin en daarachter een loods of grote schuur. Tussen de agrarische kavels door is soms een doorzicht op het open landschap. Aan de oostzijde liggen woningen en halverwege de bedrijven van 't Hopveld. De
richting van het profiel is afgestemd op de functie als hoofdontsluiting, met een strakke asfaltbaan en vrijliggende fiets- en wandelpaden. De weg neemt
de kern een ander profiel aan. De Kantstraat is meer
formeel en landelijk. Verspreid liggen woningen
een verder open en groen landschap. Her en der worden de woningen afgewisseld door windsingels en laanbeplanting. Het beeld langs de Kantstraat is kleinschalig en groen, de
richting van het profiel is dorps, een smal profiel waar auto, fiets en wandelaar de ruimte delen. De Oude Baan vormt min of meer de grens van het bestaande dorp en het landschap. Aan de zuidwestzijde ligt een vrij gesloten lintbebouwing van woningen, die duidelijk de rand van de achtergelegen woonbuurt vormen. De noordzijde is meer groen en open, met doorzichten en grote tuinen. Ook
de opbouw van het profiel is de overgang tussen dorp en landschap herkenbaar; aan de dorpszijde ligt een vrijliggend trottoir en groenstrook, terwijl aan de landschapszijde een
formele landelijke weg via een sloot overgaat
de voortuinen van de woningen.
onderstaande afbeelding is het plangebied 't Hopveld weergegeven. Figuur 2: ligging en begrenzing plangebied (bron: google maps) Het driehoekige gebied tussen de drie linten heeft een gevarieerde en landelijke
vulling, met verspreid gelegen woningen langs de randen, open velden en windsingels daartussen en midden
het gebied het cluster bedrijfskavels van het bestaande bedrijventerrein ’t Hopveld. 't Hopveld bestaat uit een variatie aan kleinere bedrijfskavels en woon-werkeenheden. Er bevinden zich twee autobedrijven, een standbouwer, een aannemer, een dagcentrum en een antiekhandel. De verschillende bedrijfspanden liggen gegroepeerd rond een doodlopende en haakvormige zijstraat van de Helvoirtseweg en afwisselend met hun voorzijde of achterzijde naar de omliggende linten. Langs de Helvoirtseweg liggen vooral achterzijden. De Helvoirtseweg vormt echter een belangrijke route en hoofdentree van het dorp en daarmee een gewild adres voor bedrijven. De meeste bedrijven hebben daarom de achterzijde aan de Helvoirtseweg
een ‘voorzijde’ veranderd. Hier presenteren zij zich
de vorm van reclames en etalages. Aan weerszijden van ’t Hopveld bevinden zich open velden, afgezoomd met bomenlanen of opgaande windsingels, landschappelijke elementen die net als de linten karakteristiek zijn voor deze streek. Het idee is om op deze plekken het bestaande bedrijventerrein uit te breiden en ruimte te vinden voor nieuwe bedrijfskavels. Onderstaande foto's geven een impressie van het plangebied
de huidige situatie. De uitbreiding van het bedrijventerrein vindt plaats op de gronden ten zuiden van de Kantstraat. De gronden ten noorden van de Kantstraat behouden de huidige functie, met uitzondering van de gronden voor de GBM-locatie (gemeentewerf, brandweer en milieustraat) net buiten het plangebied. Ondanks dat op een deel van de agrarische gronden ten noorden van de Kantstraat en de Oude Baan
de toekomst mogelijk ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, is er voor gekozen om deze ontwikkelingsmogelijkheden
ieder geval niet
het nieuw op te stellen bestemmingsplan juridisch-planologisch te regelen. Enerzijds zijn deze gronden
het Uitwerkingsplan Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel aangewezen als Landelijk gebied - landschapsbeheer. Conform het streekplan zijn hier geen ontwikkelingen mogelijk. Anderzijds bestaat nog geen duidelijkheid over de exacte
vulling/planvorming van de betreffende gronden. Op dit moment is niet concreet óf en op welke wijze
vulling van dit gebied plaats kan vinden.
de te actualiseren structuurvisie van Haaren zal hier nader op worden
gegaan. 2.2 Ruimtelijke structuur Deze paragraaf gaat
op de ruimtelijke elementen van het plangebied en de directe omgeving. Achtereenvolgens is aandacht voor de aspecten ontsluiting, landschap en bebouwing. 2.2.1 Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten door de drie oude linten Helvoirtseweg, Kantstraat en Oude Baan. De Helvoirtseweg vormt de voornaamste ontsluitingsweg voor het bedrijventerrein, terwijl de Kantstraat en Oude Baan als ontsluiting fungeren voor de woningen en enkele bedrijfsfuncties die aan deze linten zijn gesitueerd. Kenmerkend voor de oude linten is de gedifferentieerde opzet ervan. De Oude Baan is een lint dat hoofdzakelijk bestaat uit vrijstaande (agrarische) woningen. Het lint wordt gekenmerkt door woningen die gesitueerd liggen op de kop van de kavel, erfbeplanting en doorzichten naar het achterliggende agrarische gebied. Figuur 3: ontsluitingsstructuur ’t Hopveld De Kantstraat is een smalle landweg met daarlangs enkele (agrarische) woningen, bedrijven en opstallen. De Kantstraat heeft een landelijke uitstraling door de diepe groene voortuinen en lage bebouwingselementen. Ten noorden van de Kantstraat/het zandpad vindt de realisatie van de GBM-locatie plaats. Op deze locatie wordt de nieuwe brandweerkazerne, de gemeentewerf en de milieustraat gerealiseerd. Langs de Helvoirtseweg zijn diverse (agrarische) bedrijven en woningen gesitueerd. De weg vormt de noordelijke entree van Haaren en bepaalt daarmee
hoge mate het beeld van Haaren voor bezoekers uit noordelijke richting. Onderstaande figuur toon de ontsluitingsstructuur van 't Hopveld. 2.2.2 Groen en Landschap De groenstructuur op en rond 't Hopveld wordt gedomineerd door diverse bomenlanen. Met name langs het noordelijke deel van de Kantstraat zijn beeldbepalende bomen aanwezig. Daarnaast bevinden zich diverse bomenrijen
het plangebied, onder andere als afscherming van het bestaande bedrijventerrein en
het agrarisch gebied ten noorden van de Kantstraat. Een ander kenmerkend onderdeel van het landschap en de groenstructuur zijn de aanwezige hagen, die veelal als erfafscheiding fungeren. Ze vormen beeldbepalende elementen binnen het plangebied. Figuur 4 toont de bomen- en hagenstructuur op en rond het plangebied. De karakteristieke groenstructuur zorgt voor een transparante opbouw van het landschap. De aanwezige hagen rondom de versnipperend voorkomende bebouwing resulteren
veel zichtlijnen richting het omliggende landschap. Figuur 5 toont de zichtlijnen vanaf de verschillende linten naar het plangebied en het omliggende landschap. Figuur 4: bomen- en lanenstructuur ’t Hopveld Figuur 5: zichtlijnen Figuur 6: bebouwing en rooilijnen 2.2.3 Bebouwing Door een menging van functies is de verschijningsvorm van de bebouwing
en om het plangebied divers. Binnen het plangebied bevinden zich, naast de bestaande bedrijven van 't Hopveld, de woningen aan de linten. De bebouwing aan de Helvoirtseweg wordt gekenmerkt door agrarische complexen. De grootschalige bedrijfsbebouwing daarvan bevindt zich terugliggend, terwijl de kleinschalige woningen aan de weg zijn gesitueerd. Aan de Oude Baan bevinden zich diverse burgerwoningen, die de rand van de woonbebouwing van de kern van Haaren vormen. Aan de oostzijde van de weg zijn enkele verspreid liggende woningen aanwezig. Langs de Kantstraat zijn enkele percelen met lage bebouwing aanwezig. De lage dichtheid en diepe, groene percelen zorgen voor een landelijke uitstraling van deze weg. Door een verspringende rooilijn van de bebouwing langs de linten is sprake van een divers beeld. Het is karakteristiek voor de organische groei van de linten. 2.3 Functionele structuur Het plangebied kent momenteel een gedifferentieerde functionele
vulling. Ruwweg kent het plangebied
de huidige situatie drie hoofdfuncties, te weten: het bestaande bedrijventerrein 't Hopveld, ontstaan vanaf de jaren '80; diverse bedrijven en (bedrijfs)woningen langs de Oude Baan en Helvoirtseweg; agrarische gronden. Onderstaande figuur toont de huidige functies
het plangebied. Figuur 7: functies plangebied ’t Hopveld De agrarische gronden die
onderstaande foto aangegeven zijn met '1' en '2', komen
aanmerking voor de realisatie van nieuwe bedrijfsfuncties. Langs de Oude Baan worden woningen gerealiseerd. Deze gronden zijn aangegeven met '3'. Om een samenhangende ontwikkeling van het plangebied te kunnen garanderen, worden de overige gronden binnen de plangrenzen meegenomen
een
tegrale visie. Met de gronden ten noorden van de Kantstraat wordt daarbij consoliderend omgegaan (vastleggen huidig gebruik/bestemming). Ondanks dat op deze gronden
de toekomst mogelijk ontwikkelingen zijn voorzien, is ervoor gekozen om
onderhavig bestemmingsplan de huidige functies planologisch te regelen. Figuur 8: primaire ontwikkelingslocaties 't Hopveld 3Beleidskader
dit hoofdstuk is het beleid van de verschillende overheden beschreven, voor zover relevant voor de ontwikkeling van 't Hopveld. 3.1 Ruimtelijk beleidskader 3.1.1 Rijksbeleid Nota Ruimte Algemeen
de Nota Ruimte worden de uitgangspunten voor de ruimtelijke
richting van Nederland vastgelegd, waarbij het gaat om
richtingsvraagstukken die spelen tussen nu en 2020, met een doorkijk naar 2030.
de nota worden de hoofdlijnen van beleid aangegeven, waarbij de ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland (RHS) een belangrijke rol speelt. De kern van het beleid ligt
het toepassen van efficiënte manieren om met de ruimte om te gaan. Uitgangspunt van het beleid is dat de ruimtebehoefte zoveel mogelijk wordt gehonoreerd en dat er gezocht wordt naar mogelijkheden om tegelijkertijd ruimtelijke kwaliteit te waarborgen . De nota heeft vier algemene doelen: versterken van de economie (oplossen van ruimtelijke knelpunten), krachtige steden ene en vitaal platteland (bevordering leefbaarheid en economische vitaliteit
stad en land), waarborging van waardevolle groengebieden (behouden en versterken natuurlijke, landschappelijke en culturele waarden) en veiligheid (voorkoming van rampen). De nota ondersteunt gebiedsgerichte,
tegrale ontwikkeling waarin alle betrokken partijen participeren. Het accent verschuift van 'toelatingsplanologie' naar 'ontwikkelingsplanologie'. 'Ruimte voor ontwikkeling' betekent ook dat het rijk voor ruimtelijke waarden van nationaal belang waarborgen creëert om die te kunnen behouden en ontwikkelen. Nationale landschappen Door het
stellen van nationale en provinciale landschappen
vesteert de overheid
de bescherming en verdere ontwikkeling van waardevolle gebieden. Met de Nota Ruimte, werd 'Het Groene Woud' officieel betiteld tot Nationaal Landschap. Een voordeel van deze titel is dat beleid en middelen geconcentreerd worden op onder andere 'Het Groene Woud'. Haaren en de uitbreiding van 't Hopveld vindt plaats binnen de grenzen van het
de Nota Ruimte aangewezen Nationaal landschap Het Groene Woud. Nationale landschappen zijn gebieden met
ternationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten, en
samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van nationale landschappen moeten behouden blijven, duurzaam beheerd en waar mogelijk worden versterkt. Binnen nationale landschappen is daarom 'behoud door ontwikkeling' het uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid. Uitgangspunt is dat de nationale landschappen zich sociaal-economisch voldoende moeten kunnen ontwikkelen, terwijl de bijzondere kwaliteiten van het gebied worden behouden of worden versterkt. De provincie Noord-Brabant meldt hierover
de structuurvisie over het Nationaal landschap het volgende: "Ten aanzien van het planologische regime voor de nationale landschappen geldt dat dit gelijk is aan dat voor de GHS, AHS en RNLE waartoe ze behoren. Door de gebieden als Nationaal Landschap te begrenzen, vindt er geen wijziging plaats van het planologisch beschermingsregime. De planologische consequenties voor deze gebieden zijn ook vertaald
de betreffende uitwerkingsplannen van de stedelijke en landelijke regio’s en de betreffende reconstructieplannen en gebiedsplannen". Dit wil zeggen dat de aanwijzing tot nationaal landschap niet alle (stedelijke) ontwikkelingen binnen het nationaal landschap op slot zet.
algemene zin geldt dat binnen nationale landschappen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of worden versterkt ('ja, mits'-regime). Nationale landschappen bieden ruimte voor de aanwezige regionale en lokale bedrijvigheid. Hier zijn met de provincie Noord-Brabant afspraken over aard en omvang van locaties gemaakt. Deze afspraken zijn vastgelegd
het Uitwerkingsplan Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel, waarin de uitbreiding van 't Hopveld als "transformatie afweegbaar" is opgenomen. Maatvoering, schaal en ontwerp zijn bepalend voor behoud van de kwaliteiten van deze landschappen. Kernkwaliteiten Het Groene Woud De kernkwaliteiten van Nationaal landschap Het Groene Woud bestaan uit het groene karakter, de kleinschalige openheid en het samenhangend complex van beken, essen, kampen, bossen en heides. Dit kampen- en essenlandschap wordt gekenmerkt door een bijzondere kleinschalige openheid en een groen karakter en grenst aan het Benelux-Middengebied. Het bestaat uit een complex van grote natuurgebieden, met bossen, heides en stuifzanden, en kleinschalige, agrarische gebieden waarin populieren de wegen en perceelsscheidingen accentueren. Om die reden zijn grootschalige verstedelijkingslocaties en bedrijventerreinen, nieuwe grootschalige glastuinbouwlocaties en nieuwe grootschalige
frastructurele projecten niet toegestaan binnen Het Groene Woud. Plangebied
relatie tot Het Groene Woud
onderhavig bestemmingsplan wordt aandacht besteed aan een goede landschappelijke
passing door aan de randen van het plangebied te voorzien
representatieve zones. De structuur en het groene karakter van de Kantstraat, als belangrijkste mogelijk kenmerk van het nationaal landschap, wordt door het bestemmingsplan bewaard. Daarbij wordt opgemerkt dat
het plan van de GBM-locatie, dat nadrukkelijker van
vloed kan zijn op de kernkwaliteiten van het nationaal landschap, ruimschoots aandacht wordt besteed aan een goede landschappelijke
passing. Door het bij de GBM-locatie horende landschapsplan wordt het groene karakter van het gebied bewaard en door de toevoeging en vergroting van de bestaande groenwallen, wordt de kleinschalige openheid van het gebied versterkt. De uitbreiding van 't Hopveld kan daarom niet worden gezien als een grootschalige verstedelijkingslocatie en bedrijventerrein en past dus binnen het 'ja, mits'-regime. De planologische consequenties voor deze gebieden zijn zoals gezegd, vertaald
de betreffende uitwerkingsplannen van de stedelijke en landelijke regio’s en de betreffende reconstructieplannen en gebiedsplannen. Zoals
paragraaf 3.1.2 genoemd is de ontwikkeling (concreet)
het Uitwerkingsplan Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel opgenomen. 3.1.2 Provinciaal en regionaal beleid Structuurvisie Noord-Brabant / Paraplunota Ruimtelijke Ordening
de Structuurvisie Noord-Brabant en de Paraplunota Ruimtelijke Ordening zijn de leidende principes opgenomen die de pijlers vormen van het provinciale ruimtelijk ordeningsbeleid. Het gaat daarbij om de aandacht voor de onderste lagen, zuinig ruimte gebruik, concentratie van verstedelijking, zonering van het buitengebied en grensoverschrijdend denken en handelen.
de landelijke regio's staat het voorkómen van verdere aantasting van het buitengebied door verstedelijking centraal. Met het oog hierop zijn voor diverse Brabantse regio's zogenaamde uitwerkingsplannen opgesteld. Bij de opstelling van deze plannen is uitdrukkelijk rekening gehouden met de planvorming
het kader van het project 'Revitalisering Landelijk Gebied' (reconstructieplannen en gebiedsplannen). Voor deze kernen geldt wat het wonen betreft dat ten hoogste zoveel woningen mogen worden gebouwd als nodig is voor hun natuurlijke bevolkingsgroei. Op basis van het voorheen geldende Streekplan zijn voor diverse Brabantse regio's zogenaamde uitwerkingsplannen opgesteld. Hierin zijn de verstedelijkingsopgaven voor betreffende gebieden vormgegeven. De gemeente Haaren valt binnen het uitwerkingsplan Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel.
dit plan worden voor de periode tot 2015 de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vastgelegd. Uitwerkingsplan Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel De landelijke regio Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel wordt gekenmerkt door hoge natuur- en landschapswaarden. De regio is onderdeel van het groene hart tussen de drie stedelijke regio's Eindhoven, 's-Hertogenbosch en Tilburg. Het streekplan geeft aan de landelijke regio alleen de opdracht mee om ruimte te zoeken voor woningbouw en bedrijventerrein. De ontwikkelingen
het buitengebied zijn buiten dit plan gelaten en hebben hun beslag gekregen
het reconstructieproces. De gemeenten Haaren heeft een beperkte rol voor de ontwikkeling van bedrijvigheid
de regio. De gemeente wil ruimte geven aan startende bedrijven uit de eigen gemeente die goed
pasbaar zijn
de bestaande bebouwingsstructuur van de kern of
vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen
de kernrandzones. Het is van belang dat,
dien dergelijke bedrijven uit hun starterlocaties zijn gegroeid, ze op een plek verder kunnen groeien waar dat ruimtelijk gezien aanvaardbaar is. Figuur 9: uitsnede plankaart 'Uitwerkingsplan Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel Daarnaast is het van belang dat er ruimte is om bestaande bedrijvigheid die hinder
de bebouwde kom veroorzaakt, te verplaatsen. De vrijkomende locaties
de kern kunnen voor woningbouw of minder hinderlijke bedrijvigheid worden gebruikt. De gemeente Haaren heeft hiervoor de locatie 't Hopveld op het oog. Op de plankaart van het uitwerkingsplan zijn de gronden binnen 't Hopveld waar ontwikkelingen zijn voorzien aangegeven als een gebied waar transformatie afweegbaar is. De gronden ten noorden van de Kantstraat, waar geen ontwikkelingen zullen plaatsvinden, zijn aangewezen voor 'landschapsbeheer'. De voorgenomen ontwikkeling van 't Hopveld past binnen de provinciale beleidsuitgangspunten. Handleiding bedrijventerreinen Op 20 juli 2004 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de 'Handleiding voor ruimtelijke plannen' vastgesteld, met als onderwerp 'Beleidsbrief Bedrijventerreinen, zelfstandige kantoorvestigingen, detailhandel en voorzieningen'.
de handleiding zet de provincie een aantal uitgangspunten uiteen: voorkomen van oneigenlijk gebruik van bedrijventerreinen, bedrijventerreinen moeten passen
de omgeving, streven naar een
tensiever gebruik van de ruimte op nieuw aan te leggen bedrijventerreinen.
ruimtelijke plannen voor bedrijventerreinen dient aan de volgende eisen te worden voldaan: hanteren van minimale kavelgrootte van 1.000 m², hanteren van minimale bouwhoogtes, hanteren van een minimaal bebouwingspercentage van 50% van de kavel, bedrijven met een kavelgrootte groter dan 5.000 m² passen niet op een bedrijventerrein
een landelijke regio. Naast bovenstaande toetsende criteria adviseert de provincie rekening te houden met de volgende aspecten: toepassen van milieuzonering op bedrijventerreinen (clusteren van bedrijven die onder dezelfde milieucategorie vallen), parkeren op eigen terrein bij voorkeur ondergronds of op het dak oplossen (m.u.v. collectieve parkeerplaatsen), kantooractiviteiten bij voorkeur
pandig, mogelijkheden bezien om het eerste terugkooprecht van gemeenten bij het vertrek van een bedrijf op te nemen
het ruimtelijk plan, opstellen van een beeldkwaliteitplan. 3.1.3 Gemeentelijk beleid Bestemmingsplannen Voor de locatie 't Hopveld gelden momenteel drie bestemmingsplannen. Het grootste deel van het plangebied valt binnen bestemmingsplan ''t Hopveld'. Voor dit gebied gelden de bestemmingen 'eengezinshuizen', 'winkel met woning', 'agrarisch bouwblok en agrarisch gebied', 'bedrijventerreinen', 'tuinen', 'openbaar groen', 'waterloop', 'verkeersdoeleinden en zandwegen'. Een kleiner deel, gelegen op de hoek Kantsraat/Helvoirtseweg is opgenomen
het bestemmingsplan 'Buitengebied 1982'. Voor het deel waar dit bestemmingsplan geldt, vigeert de bestemming 'agrarisch gebied'. Tenslotte geldt voor het deel gelegen aan de Oude Baan, waar het 'Uitbreidingsplan
Hoofdzaak der Gemeente Haaren' vigeert, de bestemming 'landelijk gebied'. De realisatie van het bedrijventerrein 't Hopveld II is
strijd met de vigerende bestemmingsplannen. Structuurvisie Plus Het gemeentebestuur van de gemeente Haaren heeft
juni 2004 de structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie geeft richting aan de toekomst van de gemeente Haaren. Vanwege de positionering tussen de steden 's-Hertogenbosch, Tilburg en Eindhoven is een 'Duurzaam Streefbeeld' gewenst dat dient als bouwsteen voor het voorontwerp uitwerkingsplan voor de landelijke regio. Op de plankaart 'Duurzaam ruimtelijk structuurbeeld' wordt het midden en het noordelijk deel van het plangebied 't Hopveld aangegeven als 'uitbreidingslocatie bedrijventerrein I'. Uit de
ventarisatie, die is uitgevoerd
het kader van de structuurvisie, blijkt dat er
de Gemeente Haaren behoefte is aan 6 tot 7 ha bedrijventerrein. Daarbij dient prioriteit gegeven te worden aan het ontwikkelen van 't Hopveld II, aangezien deze locatie direct is gekoppeld aan de herstructurering van de 'bedrijfslocaties'
de bebouwde kom van Haaren. Welstandsnota
de welstandsnota van de gemeente Haaren staat het bedrijventerrein 't Hopveld beschreven als een bedrijventerrein (B3) daterend uit de jaren negentig.
vergelijking met andere bedrijventerreinen binnen de gemeente kent de bebouwing op het terrein enige samenhang. De hoofdbebouwing bestaat veelal uit grote bedrijfsgebouwen waarin de werkplaats en het kantoor zijn gevestigd. De gebouwen zijn opgebouwd uit rode bakstenen en grijze platen. De gebouwen hebben 1,5 tot 2 bouwlagen en platte afdekking. Het wegprofiel van het bedrijventerrein is breed en er is veel parkeergelegenheid op het terrein aanwezig. Voor 't Hopveld geldt welstandsniveau 3. Van belang bij de vormgeving van 't Hopveld is de landschappelijke
passing van het bedrijventerrein. Bij de situering van bedrijfshoofdgebouwen dient aansluiting te worden gezocht bij de uniforme opbouw van de werkgebieden. Voor het bedrijventerrein geldt tevens het themablad 'Dorps- en stadsranden'.
dit themablad wordt omschreven dat het van belang is dat bij een planmatige uitbreiding van een dorp de nieuwe rand
een keer wordt ontworpen. Daarbij zal extra aandacht uitgaan naar de landschappelijke
passing, bijvoorbeeld door het benutten van bestaande verkavelingpatronen. De zichtlijnen naar een nieuwe dorpsrand zijn erg belangrijk. 3.1.4 Onderbouwing uitbreiding 't Hopveld De gemeente Haaren heeft een gemeentelijke taak voor het opvangen van milieuhinderlijke bedrijvigheid en het bieden van voldoende vestigingsmogelijkheden voor de eigen ondernemers. Ook wil de gemeente werkgelegenheid binnen de gemeente stimuleren door ruimte te bieden aan de plaatselijke ondernemers. Het plangebied is één van de weinige vestigingsmogelijkheid voor bedrijven uit en
de gemeente Haaren. Ook
de overige kernen binnen de gemeente Haaren is niet of nauwelijks plaats voor de nieuwvestiging van plaatselijke ondernemers en bedrijven op een daarvoor
gericht bedrijventerrein. De uitbreiding van bedrijventerrein 't Hopveld is reeds gedurende tientallen jaren
beeld. Zowel
het gemeentelijke beleid als
het provinciale beleid (Structuurvisie-Plus dan wel het de
terim Structuurvisie Noord-Brabant/ Paraplunota Ruimtelijke Ordening) is een mogelijke uitbreiding aangekaart. Ook is het gedeelte van het plangebied waarop de uitbreiding van het bedrijventerrein is voorzien
het Uitwerkingsplan Boxtel, Haaren en Sint Michielsgestel aangewezen als te realiseren bedrijventerrein.
het gemeentelijke beleid vindt de uitbreiding van het 't Hopveld reeds zijn grondslag
de structuurschets Haaren dat een
spraakprocedure doorlopen heeft. Dit is nogmaals bevestigd
de Structuurvisie Plus uit 2004. Daarnaast is
het oude bestemmingsplan voor 't Hopveld (uit 1986) al aangegeven dat sprake is van uitbreiding van het bedrijventerrein
deze richting. De ontwikkeling van 't Hopveld past binnen het beleid voor de nationale landschappen. Er is geen sprake van verrommeling van het buitengebied, maar van
passing van de randen
de omgeving. Er is sprake van
tensief ruimtegebruik en er is voor deze locatie een goede afweging van alle aanwezige belangen gemaakt. De uitbreiding van 't Hopveld is reeds lange tijd voorzien
het planologische beleid van de gemeente en provincie. Dit is ook bevestigd door de provincie. Door de ontwikkeling van locatie 't Hopveld vindt geen aantasting plaats van de kernkwaliteiten van Nationaal landschap Het Groene Woud. 3.2 Sectorale beleidskaders
deze paragraaf is een opsomming gegeven van de relevante beleidskaders per (milieu)aspect. Achtereenvolgens wordt
gegaan op de aspecten verkeer/vervoer, luchtkwaliteit, geluidhinder, externe veiligheid, natuur/ecologie, archeologie/cultuurhistorie, water en bodem. 3.2.1 Verkeer en vervoer Nota Mobiliteit: van A naar Beter
de Nota Mobiliteit wordt het ruimtelijk beleid, zoals vastgelegd
de Nota Ruimte, verder uitgewerkt en wordt het verkeers- en vervoersbeleid beschreven voor de komende decennia. De overheid wil de groei opvangen en zowel de bereikbaarheid, veiligheid en kwaliteit van de leefomgeving verbeteren. De belangrijkste
strumenten hiertoe zijn: betere benutting van bestaande
frastructuur, prijsbeleid en uitbreiding van
frastructuur waar knelpunten blijven bestaan. Voor veiligheid en kwaliteit van de leefomgeving zijn daarnaast normstelling en handhaving de belangrijkste
strumenten. Ontwerp Provinciaal verkeer en vervoersplan 2006-2020
dit plan zoekt de provincie naar
novatieve en duurzame antwoorden op bereikbaarheids en verkeersintensiteit vraagstukken. Hierin staat
plaats van de
frastructuur, de reiziger centraal. Door middel van regionale samenwerking wil de provincie per gebied, op maat, een duurzame bereikbaarheid garanderen van deur tot deur.
het kader van de ontwikkeling van 't Hopveld is een verkeersstudie uitgevoerd. De resultaten van de studie zijn opgenomen
3.2.2 Luchtkwaliteit Besluit Niet
Betekenende Mate Bijdragen De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd
hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (Wm).
dit hoofdstuk heeft Nederland de Europese kaderrichtlijn (1996/62/EG), de eerste dochterrichtlijn (1999/30/EG) en de tweede dochterrichtlijn (2000/69/EG) geïmplementeerd
nationale wetgeving. Het doel is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De implementatie van de kaderrichtlijn en dochterrichtlijnen is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt.
de algemene maatregel van bestuur 'Niet
betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Voor de periode tussen het
werking treden van het besluit en het verlenen van derogatie (toestemming van de EU om op een bepaalde wijze van algemeen vastgestelde normen te mogen afwijken) is het begrip 'niet
betekenende mate' gedefinieerd als 1% van de grenswaarde voor NO2 en PM10.
de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (
richtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet
betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De ontwikkeling 't Hopveld valt niet onder de genoemde gevallen (NIBM) en is derhalve nader onderzocht (zie §4.4). 3.2.3 Akoestiek Wet geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van alle zoneplichtige wegen. De breedte van de geluidzone langs wegen is geregeld
artikel 74 Wgh en is gerelateerd aan het aantal rijstroken van de weg en het type weg (stedelijk of buitenstedelijk). De ruimte boven en onder de weg behoort eveneens tot de zone van de weg. Binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting op de binnen de zone gelegen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt de Lden-waarde
dB bepaald.
3.2.4 Externe veiligheid Besluit externe veiligheid
richtingen (Bevi) Sinds 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid
richtingen (Bevi) van kracht. Met de
werkingtreding van dit Besluit is het Plaatsgebonden Risico (PR) genormeerd en is doormiddel van een buitenwettelijk oriëntatiewaarde en de wettelijke verantwoordings¬plicht geregeld hoe om te gaan met het groepsrisico , waardoor
de ruimtelijke
richting duidelijkheid wordt geschapen ten aanzien van de
acht te nemen veiligheidsafstanden tussen risicobron en kwetsbare bestemmingen.
.10 wordt hier nader op
gegaan. 3.2.5 Natuur / ecologie Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn Deze richtlijnen zijn gericht op bescherming van planten en dieren en hun leefgebieden. Het beleid is gericht op het aanwijzen van te beschermen gebieden (speciale beschermingszones, afgekort sbz) en op de bescherming van soorten (ook buiten deze gebieden). Het soortenbeleid is
Nederland opgenomen
de Flora- en faunawet, het gebiedenbeleid
de Natuurbeschermingswet 1998. Het plangebied behoort niet tot een speciale beschermingszone
het kader van deze richtlijnen. Flora- en faunawet Volgens de Flora- en faunawet mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust- of verblijfplaatsen mogen niet worden beschadigd, vernield of verstoord. Beschermde planten mogen niet van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield.
de bijbehorende Algemene Maatregel van Bestuur zijn de beschermde soorten opgenomen
drie tabellen. Het zwaarste regiem van de wet geldt voor soorten van Tabel 3, de strikt beschermde soorten. Hiervoor is
het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing nodig, waarbij een uitgebreide toets aan de wettelijke criteria nodig is. Voor vogelsoorten geldt altijd de uitgebreide toets. Voor de andere beschermde soorten (tabel 1 en 2) geldt
het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling. Voor het uitvoeren van daadwerkelijke
richtingsmaatregelen kan
een later stadium wel een ontheffing nodig zijn, waarbij wordt getoetst aan het criterium of er geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van
standhouding van de soort. Verder geldt
het algemeen de eis, dat er zorgvuldig moet worden gehandeld.
dien er broedvogels aanwezig dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (vóór half maart en na half juli) plaats te vinden. Voor het plangebied is een natuurtoets uitgevoerd
het kader van de Flora- en faunawet. Tevens is een aanvullend steenuilenonderzoek uitgevoerd.
.5 wordt hier nader op
gegaan. 3.2.6 Archeologie en cultuurhistorie Verdrag van Malta
1992 is het Europese Verdrag van Valletta, aangaande de bescherming van het archeologisch erfgoed, ondertekend. Het Verdrag bepaalt onder andere dat archeologische belangen tijdig worden betrokken bij planvorming van ruimtelijke ontwikkelingen. Bij grootschalige werken
de bodem moeten archeologen worden geraadpleegd. Per 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg
werking getreden. Ook op grond van nationale wetgeving wordt het archeologisch erfgoed zo goed mogelijk beschermd.
het kader van de ontwikkeling van 't Hopveld is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen
het plangebied is geen sprake van een beschermd stads- of dorpsgezicht en zijn geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle panden aanwezig. Streekplan Noord-Brabant, cultuurhistorische waardenkaart Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is de ontwikkelingslocatie 't Hopveld opgenomen als een gebied met een overwegend middelhoge tot hoge kans op het aantreffen van archeologische sporen. Dit betekent dat bij ruimtelijke planvormingsprocessen voorwaarden worden gesteld om de eventuele aanwezige archeologische waarden te beschermen. 3.2.7 Water Kaderrichtlijn water
werking getreden. De KRW gaat uit van een stroomgebiedbenadering, waarbij voor Nederland de stroomge¬bieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems van belang zijn. Het doel van de KRW is dat al het water
de Europese Unie
2015
'goede chemische toestand' en een 'goede ecologische toestand' moet verkeren.
2009 moeten de stroomgebiedbeheersplannen gereed zijn, waarin opgenomen is hoe de doelen bereikt gaan worden. Hierop moet nu al geanticipeerd worden. De kaderrichtlijn Water wordt opgenomen
de nationale wetgeving middels de Waterwet. Waterbeheer 21e eeuw
het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw worden een aantal voorstellen gedaan op welke wijze het waterbeheer
de toekomst aangepast kan worden aan de gevolgen van klimaatverandering, stijging van de zeespiegel en bodemdaling. De oplossingsrichtingen die het rapport schetst zijn onder andere verwoord
de trits "vasthouden-bergen-afvoeren". Voor waterkwaliteit is de trits "schoon houden-scheiden-zuiveren" geïntroduceerd. Nationaal Bestuursakkoord Water Op basis van bovenstaand rapport en het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water' hebben het rijk, de provincies, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend. Het NBW is doorgevoerd
de provinciale en regionale beleidsplannen. Relevante aspecten uit het NBW zijn: Toepassen van de watertoets als procesinstrument op alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelen expliciet en op evenwichtige wijze
beschouwing worden genomen. Verankering van de Deelstroomgebiedsvisies
provinciale beleids- en streekplannen en vervolgens
Structuurplannen en bestemmingsplannen. Toepassen van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, met als eerste
steek het vasthouden van water
polderwatergangen of grotere plassen. Toepassen van de trits schoon houden - zuiveren - schoon maken, met als eerste
steek het voorkomen van vermenging van schoon hemelwater van dakvlakken en afvalwater en het gebruik van een bodempassage voor hemelwater van straatvlakken. Voorkomen van afwenteling van de kwantitatieve wateropgave en van verontreiniging. Wateropgave bepalen aan de hand van de NBW normen regionale wateroverlast. De resultaten van de voor het plangebied uitgevoerde watertoets zijn opgenomen
Provinciale Milieuverordening Ten oosten van het plangebied bevindt zich een grondwaterwinning ten behoeve van de drinkwatervoorziening. Hier wordt grondwater uit een diepe watervoerende laag opgepompt en gezuiverd tot drinkwater. Het plangebied is geheel gelegen binnen de boringsvrije zone behorende bij de winning 'Haaren' van Brabant Water (kaart 19 Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant, augustus 2008). Deze zone is
gesteld om te voorkomen dat afdichtende bodemlagen worden aangetast. De waterwinning ten behoeve van drinkwatervoorziening wordt zo duurzaam beschermd. Enkele activiteiten zijn hier niet toegestaan. Zo mogen geen boorputten dieper dan 10 m onder maaiveld worden aangelegd, is het niet toegestaan grond- en funderingswerken dieper dan 10 m onder maaiveld uit te voeren (bv. damwanden, hei- en mortelboorschroefpalen; en zijn (nog) niet toegestaan waterpompsystemen met een bodemwarmtewisselaar. 3.2.8 Bodem Wet bodembescherming Het nationale bodembeleid is geregeld
de Wet Bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven
welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is en waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen.
het kader van de ontwikkeling van 't Hopveld is een bodemonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten daarvan zijn opgenomen
4Realiserings- en uitvoeringsaspecten
het kader van de ontwikkeling van bedrijventerrein 't Hopveld is een aantal gebiedsonderzoeken uitgevoerd om de consequenties van de voorgenomen
grepen
beeld te brengen. Onderstaand zijn de voornaamste conclusies van de uitgevoerde onderzoeken weergegeven. 4.1 Bodemonderzoek Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740
het kader van de ontwikkeling van het bedrijventerrein 't Hopveld is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd4Verkennend bodemonderzoek Oude Baan / Kantstraat te Haaren, Oranjewoud B.V., juni 2007. Door middel van een verkennend bodemonderzoek is de bodemkwaliteit vastgelegd
het kader van de voorgenomen bestemmingswijziging en toekomstige gebruiksmogelijkheden van het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd op basisniveau. Derhalve is
formatie verzameld over de volgende aspecten van de locatie: historisch gebruik, huidig gebruik, toekomstig gebruik, bodemopbouw en geohydrologie. De verzamelde
formatie geeft geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van (voormalige) bodembedreigende activiteiten op het onderzoeksterrein. Ook is de verwachting dat de activiteiten op de omliggende percelen de bodemkwaliteit op het onderzoeksterrein niet negatief hebben beïnvloed. De onderzoekslocatie is op basis van het gebruik van de locatie en de geografische ligging
gedeeld
3 onverdachte deellocaties; Locatie gesloopte bebouwing, onverdacht (ONV), 1.200 m²; Gebied 1, zuidwestelijke terreindeel, grootschalig onverdacht (ONV-GR), 22.100 m²; Gebied 2, noordoostelijke terreindeel, grootschalig onverdacht (ONV-GR), 11.800 m². Deellocatie: 1. Ter plaatse van de gesloopte bebouwing Ter plaatse is een koeienstal aanwezig geweest welke is gesloopt. Voor aanvang van de sloop heeft een asbestinventarisatie plaatsgevonden. Hierbij is asbesthoudend materiaal aangetroffen. Ter plaatse heeft een asbestsanering plaatsgevonden.
de puin-, kolengruis- en/of baksteenhoudende bovengrond overschrijden de gehalten aan zink en/of PAK de streefwaarden.
de zintuiglijk schone boven- en ondergrond overschrijdt geen van de geanalyseerde parameters de streefwaarde.
het grondwater overschrijden de concentraties cadmium en nikkel de streefwaarden. Een op het maaiveld aangetroffen stukje plaatmateriaal blijkt asbesthoudend te zijn (2-5% chrysotiel). Deellocatie: 2. Gebied 1, zuidwestelijke terreindeel
zowel de baksteenhoudende bovengrond, als de zintuiglijk schone boven- en ondergrond overschrijdt geen van de geanalyseerde parameters de streefwaarde.
het grondwater overschrijdt het gehalte aan nikkel lokaal de
terventiewaarde en de gehalten aan cadmium en zink lokaal de streefwaarden. Onderstaande figuur toont de deellocaties van het bodemonderzoek. Figuur 10: deellocaties bodemonderzoek Deellocatie: 3. Gebied 2, noordoostelijke terreindeel
zowel de baksteenhoudende bovengrond, als de zintuiglijk schone boven- en ondergrond overschrijdt geen van de geanalyseerde parameters de streefwaarde.
het grondwater overschrijden de gehalten aan cadmium, nikkel en zink de streefwaarden. Toetsing hypothese De vooraf opgestelde hypotheses .onverdachte locatie. worden verworpen, vanwege de aangetoonde verhoogde gehalten
grond en/of grondwater. Het sterk verhoogde gehalte aan nikkel
het grondwater geeft
principe aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek of sanerende maatregelen. Echter, gezien de afwezigheid van een mogelijke bron en het feit dat
de regio vaker verhoogde gehalten aan nikkel worden aangetroffen, is,
overleg met het bevoegd gezag, besloten af te zien van nader onderzoek. Binnen een afstand van maximaal 1 km zijn vele bodemonderzoeken uitgevoerd en hierbij is altijd deze hogere waarde aan nikkel aangetroffen.
dien grond van de locatie wordt afgevoerd voor toepassing elders, volstaan de resultaten van het verrichte bodemonderzoek niet. Om te bepalen of de grond buiten de locatie kan worden hergebruikt, dient formeel een onderzoek conform het Bouwstoffenbesluit te worden verricht. Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740. Onderzoek naar asbest
de bodem vormt geen onderdeel van deze norm.
aanvulling op de NEN5740 heeft een identificatie van een stukje asbestverdacht plaatmateriaal plaatsgevonden, waaruit is gebleken dat sprake is van asbesthoudend materiaal. Het aantreffen van asbesthoudend materiaal geeft aanleiding voor de uitvoering van een nader onderzoek asbest conform de NEN5707 of NEN 5897. Nader asbestonderzoek Oude Baan/Kantstraat te Haaren (conform NEN 5707)
september 2007 is een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van asbest
de bodem ter plaatse een terrein aan de Oude Baan/Kantstraat te Haaren5Nader asbestonderzoek Oude Baan / Kantstraat te Haaren, Oranjewoud B.V., september 2007. De aanleiding voor het verrichten van het nader asbestonderzoek is het aantreffen van asbesthoudend plaatmateriaal tijdens het verkennend bodemonderzoek. Uit het nader onderzoek blijkt dat de grond zowel visueel als analytisch niet is verontreinigd met asbesthoudende materialen. Het tijdens het verkennend bodemonderzoek aangetroffen stukje plaatmateriaal betreft waarschijnlijk een
cidenteel stukje (zwerf)asbest. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot vervolgonderzoek of het nemen van sanerende maatregelen. Niet onderzochte plandelen Voor de gronden binnen het plangebied die niet zijn onderzocht, kan worden aangesloten op de conclusies van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek (Verkennend bodemonderzoek Oude Baan / Kantstraat te Haaren, Oranjewoud B.V., juni 2007). Bij dit onderzoek zijn namelijk tevens de gronden
de omgeving van de onderzochte percelen meegenomen. De verwachting is dat de conclusies uit het uitgevoerde bodemonderzoek tevens gelden voor het niet onderzochte gebied. Het huidig gebruik van de gronden is grasland, waarmee de locatie als onverdacht is te karakteriseren. Consequenties: De onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek en het aanvullend asbestonderzoek hebben geen consequenties voor onderhavig bestemmingsplan. 4.2 Archeologisch onderzoek
juli 2007 is een archeologisch onderzoek uitgevoerd op de locatie 't Hopveld6Bureauonderzoek en
ventariserend veldonderzoek 't Hopveld te Haaren, Oranjewoud B.V., juli 2007. Het onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en een verkennend veldonderzoek. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies van het onderzoek opgenomen. Bureauonderzoek Op de
dicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) en de CultuurHistorische Waardenkaart (CHW) is het plangebied aangegeven met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Op basis van het bureauonderzoek is de verwachtingswaarde van het plangebied hoog. Het advies luidt om een verkennend booronderzoek uit te voeren voor het gehele plangebied om te bepalen of en
welke mate een onverstoorde hoge zwarte enkeerdgrond aanwezig is
het plangebied. Op basis van een bureauonderzoek is een brede verwachting uitgesproken. Om de verwachting nader te specificeren, is gekozen voor een verkennend booronderzoek. Daarbij was het doel vooral de bodemopbouw en de mate van
tactheid daarvan
kaart te brengen. Booronderzoek Op basis van de opgeboorde profielen luidt voor het noordoostelijk terreindeel de conclusie dat sprake is van een gooreerdgrond, en dat
een gedeelte van de boringen het bodemprofiel geroerd is. Voor dit gebied wordt de verwachting bijgesteld naar laag. Het zuidwestelijk terreindeel kent een sterk wisselende bodem
tactheid. Deze bodemopbouw is matig
tact te noemen. Algehele conclusie voor het zuidwestelijke terrein luidt dan ook dat door agrarische activiteit en/of egalisatie het bodemprofiel onvoldoende
tact is om de hoge verwachting uit het bureauonderzoek te bevestigen. De verwachtingswaarde kan op basis van het booronderzoek worden bijgesteld naar laag. Het advies luidt dan ook dat vervolgonderzoek op grond van de aangepaste verwachting niet noodzakelijk is. Conclusie Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische
dicatoren of sporen aangetroffen. De bodemopbouw is zodanig slecht
tact dat de verwachting naar laag wordt bijgesteld. Er is derhalve geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Niet onderzochte plandelen Voor de gronden binnen het plangebied die niet zijn onderzocht, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. Op grond van verschuivende
zichten
de potentie van dergelijke gebieden kunnen deze niet onderzochte plandelen niet vrijgegeven worden zonder archeologisch onderzoek. Consequenties: De onderzoeksresultaten van het archeologisch onderzoek hebben geen consequenties voor onderhavig bestemmingsplan. Voor de gronden binnen het plangebied die niet zijn onderzocht is een beschermingsmaatregel opgenomen voor de mogelijk aanwezige archeologische waarden. 4.3 Akoestisch onderzoek - wegverkeerslawaai
het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen akoestisch onderzoek plaats te vinden. Het doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting - voor nieuw te realiseren (bedrijfs)woningen - vanwege het wegverkeer op de volgens de Wet geluidhinder (Wgh) gezoneerde wegen. Volgens de Wgh zijn dit voor onderhavig plangebied de Helvoirtseweg en de Kantstraat. De Oude Baan heeft geen wettelijk vastgelegde geluidzone, omdat het hier gaat om een weg met een 30 km/uur regime. De gedachtegang achter de Wgh is namelijk dat de geluidbelasting ten gevolge van 30 km wegen niet meer dan 48 dB (de voorkeursgrens¬waarde) zal bedragen, omdat het wegen betreft met een lage snelheid, weinig verkeer, secundaire of tertiaire wegen
een stad of dorp. Vanwege een goede ruimtelijke ordening is de Oude Baan evenwel meegenomen
het akoestisch onderzoek. Geluidsgevoelige bestemmingen zoals (bedrijfs)woningen dienen bij voorkeur buiten de voorkeursgrenswaarde van 48 dB geprojecteerd te worden. Voor gebieden binnen de bebouwde kom is op basis van de Wgh ontheffing mogelijk tot een waarde van 63 dB (uiterste grenswaarde). Voor gebieden buiten de bebouwde kom, zoals het plangebied, is de uiterste grenswaarde 53 dB. Het voornemen bestaat om de bebouwde komgrens 'op te schuiven' tot de aansluiting van de Helvoirtseweg met de Kantstraat. Dit heeft enerzijds tot gevolg dat de Helvoirtseweg wordt bestemd en
gericht als een 30 km/u-weg en anderzijds dat een hogere uiterste grenswaarde geldt. Voor het akoestisch onderzoek is hiervan uitgegaan.
april 2007 is een akoestisch onderzoek uitgevoerd op de locatie 't Hopveld7Akoestisch onderzoek Uitbreiding bedrijventerrein 't Hopveld II te Haaren, Oranjewoud B.V., april 2007.
deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies van het onderzoek opgenomen. Aan de Helvoirtseweg en de Kantstraat worden met dit bestemmingsplan (bedrijfs)woningen mogelijk gemaakt. Bij voorkeur dienen deze óf buiten de voorkeursgrenswaarde te worden gesitueerd óf dient hiervoor een hogere waarde vastgesteld te worden. Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dient een procedure te worden doorlopen voor het vaststellen van een hogere grenswaarde door het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haaren. Bij verlening van een hogere grenswaarde dienen zodanige maatregelen aan de gevels van de nieuw te realiseren woningen te worden getroffen, dat de maximale binnenwaarde binnen de verblijfsgebieden niet wordt overschreden. De maatregelen kunnen worden bepaald na vaststelling van de hogere grenswaarde. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de gevel van de bedrijfswoningen aan de Helvoirtseweg 57 dB bedraagt. Hierbij is uitgegaan van de maximale bebouwingsgrens aan de Helvoirtseweg. Aangezien de Helvoirtseweg wordt
gericht als 30 km/u-weg is deze weg niet-zoneringsplichtig, hoeft niet akoestisch getoetst te worden en is ontheffing van de Wgh niet aan de orde. De geluidbelasting op de woningen aan de Oude Baan ligt ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting op de woning op de hoek van de Oude Baan en de Kantstraat ligt boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidsbelasting bedraagt hier 51 dB. Om te voldoen aan artikel 76 Wgh stellen burgemeester en wethouders voor de betreffende woning een hogere waarde als de voorkeurswaarde vast. Samen met de tervisieleggig van het ontwerpbestemmingsplan zal het ontwerpbesluit voor het vaststellen van een hogere waarde ter visie worden gelegd. Consequenties: De resultaten van het uitgevoerde akoestische onderzoek hebben geen consequenties voor het bestemmingsplan. Wel dient voor de nieuwe woning op de hoek van de Oude Baan en de Kantstraat een hogere grenswaarde te worden vastgesteld. 4.4 Luchtkwaliteit Op basis van het vastgestelde stedenbouwkundig plan met bijbehorend programma is een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd om de gevolgen van de ontwikkeling voor de luchtkwaliteit ter plaatse te bepalen en om te bepalen of voldaan wordt aan het Besluit luchtkwaliteit8Rapport luchtkwaliteit, Bedrijventerrein 't Hopveld II te Haaren, Oranjewoud B.V., juni 2008. Onderstaand zijn de bevindingen van het onderzoek opgenomen. Resultaten Voor het berekenen van de luchtkwaliteit en de effecten daarop is gerekend met het softwarepakket CARII versie 7.0. De resultaten voor de beschouwde stoffen zijn: NO2 De grenswaarden voor het jaargemiddelde en de uurgemiddelde concentratie NO2 uit hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer worden
geen van de scenario's overschreden. PM10 De grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie voor PM10 worden
geen van de beschouwde scenario's overschreden. De grenswaarden voor de 24-uursgemiddelde concentratie van PM10 worden
geen van de beschouwde scenario's vaker dan 35 keer per jaar overschreden. Overige stoffen Bij de overige getoetste stoffen vinden geen overschrijdingen van grenswaarden plaats. Conclusie Uit de vergelijking tussen de autonome situatie en de situatie
clusief de ontwikkeling van bedrijventerrein 't Hopveld II te Haaren blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden zoals die gesteld zijn
hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Er wordt voldaan aan de voorschriften, behorende bij hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Consequenties: De resultaten van het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek hebben geen consequenties voor het bestemmingsplan. 4.5 Natuurtoets 4.5.1 Natuurtoets mei 2007
mei 2007 is een natuurtoets uitgevoerd op de locatie 't Hopveld9Natuurtoets 't Hopveld te Haaren, Onderzoek naar beschermde natuurwaarden, Oranjewoud B.V., mei 2007.
deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies van het onderzoek beschreven. Achtergrond Voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen
het landelijk en stedelijk gebied moet door middel van een natuurtoets worden vastgesteld op beschermde natuurwaarden
het geding zijn. Vanuit de Flora- en faunawet is bij ruimtelijke
grepen de
itiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde planten en/of diersoorten binnen het project gebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het
standhouden van de
heemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijke
grepen, stil te staan bij aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkomen of beperkt.
dien schade niet te voorkomen is, is een ontheffing ex art. 75 Flora- en faunawet noodzakelijk. Sinds 23 februari 2005 is het Vrijstellingsbesluit van kracht. Met dit besluit is geregeld dat voor algemeen voorkomende soorten een vrijstelling geldt bij ruimtelijke
grepen en geen ontheffing meer aangevraagd hoeft te worden. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. Conclusie Kort samengevat is het resultaat van de
spectie dat zich
het plangebied geen strikt beschermde dier- of plantensoorten bevinden die de voorgenomen bestemmingswijziging en bouwplannen wezenlijk kunnen beïnvloeden.
het kader van de ruimtelijke onderbouwing zijn er vanuit flora en fauna geen belemmeringen voor de bestemmingswijziging. Ontheffingsplicht Sinds de
werkingtreding van het Vrijstellingsbesluit geldt voor de groep van algemene soorten een vrijstelling van de ontheffingsplicht. De aangetroffen en verwachte soorten
het plangebied die effecten ondervinden van de voorgenomen
greep vallen onder deze groep van algemene soorten. Er hoeft dan ook geen ontheffing
het kader van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd voor uitvoering van de werkzaamheden. Zorgplicht Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 2 Flora- en faunawet). Deze zorgplicht houdt
dat de
itiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren
de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. Werken buiten kwetsbare periode De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt
het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet
winterslaap zijn.
dien voorbereidende werkzaamheden, als bouwrijp maken,
die periode worden uitgevoerd, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Werken
kwetsbare periode
dien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren die
winterslaap gaan.
dien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze
dividuen zo veel mogelijk te voorkomen. 4.5.2 Nader onderzoek steenuil januari 2009
de
spraak- en zienswijzenprocedure heeft ondermeer de Steenuilenwerkgroep Oisterwijk
samenwerking met het Brabants Landschap laten weten dat
het plangebied, nabij de te bebouwen locaties, een verblijfplaats van steenuilen aanwezig is en dat het plangebied fungeert als foerageergebied voor deze soort. Om te bepalen of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een negatief effect heeft op deze beschermde soort en het leefgebied, is nader onderzoek10Bedrijventerrein 't Hopveld, nader onderzoek steenuil, 26 januari 2009, Oranjewoud B.V. uitgevoerd. Hierbij is het plangebied en de omgeving beoordeeld als leef- en foerageergebied voor steenuilen en is onderzocht of de
standhouding van vaste verblijfplaatsen
het geding is. Bij verschillende steenuil- en vogelwerkgroepen zijn gegevens opgevraagd omtrent aanwezige territoria en broedsucces van steenuilen
het onderzoeksgebied. Hieruit blijkt dat van het afgelopen jaar
het onderzoeksgebied. Twee broedlocaties van de steenuil zijn binnen 100 meter van het plangebied gelegen. De andere locaties liggen op geruime afstand, vanaf circa 1,5 tot ruim 2 km. Uit de beoordeling van het plangebied en omgeving blijkt dat met name rondom de dorpskern van Haaren, 't Hopveld, Haerendael, ten noorden van Noenes en de directe omgeving van Gever (potentieel) geschikte leefgebieden zijn. Door de ontwikkelingen
het plangebied verdwijnen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van steenuilen en blijft de directe omgeving van de broedlocatie (bomen/gebouwen)
tact. Door de aanleg van het bedrijventerrein en de woningbouw zal er wel sprake zijn van een tijdelijke toename van verstoring. Doordat
de huidige situatie al sprake is van verstoring zal de tijdelijke toename van verstoring niet leiden tot een negatief effect. Het te ontwikkelen gebied vormt geschikt foerageergebied voor de steenuil. Door de ontwikkelingen
het plangebied gaat 3,5 hectare foerageergebied verloren. Dit betekent een negatief effect voor de steenuil.
de omgeving van de broedlocaties is echter voldoende geschikt foerageergebied aanwezig, waar de steenuilen van de nabij gelegen broedlocaties gebruik van kunnen maken. Door de ontwikkeling van het plangebied kan sprake zijn van een verlies van roestplekken (rustplek voor uilen).
de omgeving zijn echter voldoende alternatieve roestplekken aanwezig. Hierdoor is sprake van een zeer gering negatief effect, maar worden de wezenlijke kenmerken van het leefgebied van de steenuil niet aangetast. Uit het onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van steenuilen
de directe omgeving van het plangebied, de voorgenomen gebiedsontwikkeling niet wezenlijk kunnen beïnvloeden. Om te voorkomen dat
het kader van het bestemmingsplan vanuit de Flora- en faunawet belemmeringen voor de bestemmingswijziging optreden, is gezocht naar mitigerende maatregelen. Dit
overleg met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Kerkuil Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat door de ontwikkeling van het plangebied geen vaste verblijfplaatsen van de kerkuil aangetast. Ook komen de wezenlijke kenmerken van het leefgebied van deze soort niet
gevaar. Hierdoor heeft de planvorming geen effect op de gunstige staat van
standhouding van de kerkuil. Conclusie 't Hopveld en de directe omgeving i
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.