← Nederland

Besluit van Provinciale Staten van de provincie Flevoland houdende regels omtrent plannen omgeving Omgevingsprogramma Flevoland (Flevoland)

In het kort

Dit besluit van Provinciale Staten van Flevoland stelt regels vast voor plannen die de fysieke leefomgeving in Flevoland betreffen, in afwachting van de Omgevingswet. Het bundelt bestaand beleid in één Omgevingsprogramma en een Omgevingsverordening.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Besluit van Provinciale Staten van de provincie Flevoland houdende regels omtrent plannen omgeving Omgevingsprogramma Flevoland Gedeputeerde Staten van Flevoland maken overeenkomstig artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 136 van de Provinciewet bekend dat Provinciale Staten van Flevoland op 27 februari 2019 onder nummer 2338994 hebben besloten: A. Het Omgevingsprogramma Flevoland (Plan-ID: NL.IMRO.9924.OPFlevoland-VA01) vast te stellen; B. De Omgevingsverordening Flevoland (Plan-ID: NL.IMRO.9924.VFLFlevoland-VA01) vast te stellen; C. Het Intrekkingsbesluit beleidsarme omzetting beleid en regelgeving vast te stellen. De besluiten zijn bijgevoegd. De besluiten treden in werking op 15 maart

  1. Gedeputeerde Staten van Flevoland, de secretaris de voorzitter, De secretaris van Gedeputeerde Staten van Flevoland A. Omgevingsprogramma Flevoland 0 Inleiding/aanleiding Per 1 januari 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Op dat moment moet elke provincie beschikken over een Omgevingsvisie, een of meer programma's en een Omgevingsverordening. De grondslag van het voorliggende Omgevingsprogramma Flevoland is dan ook artikel 3.4 van de Omgevingswet. Daarnaast is de grondslag te vinden in diverse vigerende wetten, zoals de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet natuurbescherming. Het Omgevingsprogramma omvat daarmee de op dit moment verplichte plannen: het milieubeleidsplan, het regionale waterplan en het verkeer- en vervoersplan. In 2017 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie FlevolandStraks vastgesteld. Hierin is in hoofdlijnen de strategische visie op de toekomst van Flevoland weergegeven. In dit (eerste) Omgevingsprogramma Flevoland is er voor gekozen al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen het beste gewaarborgd. De provincie streeft ernaar om dit programma jaarlijks te actualiseren en waar nodig aan te vullen met overig provinciaal beleid. Zo kunnen in volgende versies onderwerpen worden toegevoegd die betrekking hebben op bijvoorbeeld economisch of sociaal beleid. . Ook kunnen programma's worden toegevoegd met een meer gebiedsgebonden of thematische aanpak. Het Omgevingsprogramma is in principe zelfbindend voor de provincie. Wel moet het waterschap bij vaststelling van een waterbeheerplan rekening houden met de door de provincie uitgewerkte kaderstelling in het regionale waterprogramma. Voor de doorwerking van andere thema’s uit het Omgevingsprogramma maakt de provincie waar nodig gebruik van gezamenlijke programma’s, bestuurlijke afspraken, convenanten, stimuleringsregelingen en de Omgevingsverordening Flevoland. Provinciale regelgeving voor de fysieke leefomgeving is opgenomen in de Omgevingsverordening. Het Omgevingsprogramma heeft ter inzage gelegen conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De reacties zijn verwerkt en beantwoord met een antwoordnota., Deze eerste versie van het Omgevingsprogramma is vastgesteld door Provinciale Staten van Flevoland op 27 februari
  2. Tegen de vaststelling van het Omgevingsprogramma is geen bezwaar en beroep mogelijk. Met de vaststelling van dit Omgevingsprogramma is een groot aantal beleidsnota's komen te vervallen. Voor zover nog actueel is dit beleid overgenomen in het Omgevingsprogramma. Omgevingsplan 2006 Partiële herziening Omgevingsplan 2006 – natuur Flevoland verrassend groen toekomstvisie voor het natuur- en landschapsbeleid in de provincie Flevoland Partiële herziening Omgevingsplan Flevoland water 2015 Nota duurzaam gebruik ondergrond (2013-2017) Partiële herziening Wind Mobiliteitsvisie 2030 Programma mobiliteit Uitwerking kaders wateropgave Nota stiltebeleid Nota luchtvaartterreinen Herijking waterveiligheidsbeleid buitendijkse gebieden Structuurvisie zon Beleidskader Oostvaardersplassen 1 Ruimte Het belangrijkste doel van de provincie is een goede woon-, werk- en leefomgeving in heel Flevoland. Daarbij moet verstedelijking worden ingepast in een hoogwaardig landschap en passen bij de gerealiseerde en de geplande infrastructuur. Aantrekkelijke woongebieden in een groen-blauwe omgeving maken Flevoland concurrerend met andere gebieden. Er is sprake van overloop uit de drukke, dure Randstad naar een ruimer, goedkoper Flevoland (push factor). Ook kiezen mensen bewust voor het attractieve woonmilieu van Flevoland (pull factor). De provincie wil verdere grootschalige ontwikkelingen mogelijk maken en deze deels zelf ter hand nemen, samen met partners. De provincie is bereid om ruimte te reserveren voor functies waarvoor in omliggende regio's onvoldoende ruimte is. De voorwaarde daarvoor is een evenwichtige ontwikkeling. Samen met partners binnen en buiten het gebied biedt de provincie zicht op oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken, die het tempo van de ruimtelijke ontwikkelingen in Flevoland met zich meebrengt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om achterblijvende bereikbaarheid, voorzieningenniveau en werkgelegenheid. 1.1 Stedelijk gebied Het verstedelijkingsbeleid is gericht op de ontwikkeling van vitale steden en dorpen. Het beleid maakt behoud en versterking van de kwaliteit van de fysieke omgeving mogelijk. Het gaat hierbij om efficiënt ruimtegebruik, kwaliteitsverbetering en herstructurering van het stedelijk gebied en versterking van het draagvlak voor voorzieningen. Deze doelen worden gediend door de stedelijke ontwikkeling van de kernen te bundelen. Nieuwe bebouwing wordt geconcentreerd in of aansluitend aan het bestaande bebouwde gebied. Dit ondersteunt de optimale benutting van infrastructuur en centrumvorming rondom belangrijke vervoerknooppunten. Het provinciale bundelingsbeleid is gebaseerd op de volgende principes: De specifieke ruimtelijke kwaliteiten van steden en dorpen worden benut door de kwaliteit van deze kenmerken te behouden en te versterken. Stedelijke uitbreiding moet aansluiten bij bestaande ruimtelijke structuren, zodat de vitaliteit van de kernen wordt ondersteund. Nieuwe solitaire clusters van bebouwing buiten de op de kaart Stedelijk gebied aangegeven stedelijke gebieden worden in principe uitgesloten. Hierop kan in het kader van verweving op experimentele basis een uitzondering worden gemaakt. Voorwaarde hiervoor is dat in een tussen gebiedspartners overeengekomen integraal ruimtelijk ontwerp wordt aangetoond dat het nieuwe cluster een wezenlijk onderdeel uitmaakt van een beoogde integrale kwaliteitsimpuls voor het betreffende gebied. De woonfunctie is in Flevoland sterk gebonden aan het stedelijk gebied. Er is vraag naar bijzondere woonmilieus en combinaties van wonen en werken. Voor een deel heeft deze vraag betrekking op wonen in het landelijk gebied. Infrastructuur wordt zo gebundeld dat versnippering van ruimtelijke eenheden wordt voorkomen en er geen omvangrijke barrières in stedelijke en ecologisch waardevolle gebieden ontstaan. De omvang van nieuwe ruimte voor wonen, werken en voorzieningen moet in verhouding staan tot de grootte van de kern en de positie ervan in de stedelijke en groen-blauwe hoofdstructuur. Permanente bewoning van recreatiewoningen in het buitengebied wordt uitgesloten Van de gemeenten wordt verwacht dat zij het provinciale bundelingsbeleid vertalen in lokaal beleid en in concrete (ruimtelijke) plannen. De gemeenten maken bij de uitwerking van het bundelingsbeleid een evenwichtige ontwikkeling van het stedelijk gebied mogelijk, waarbij tijdig voldoende ruimte voor wonen, bedrijven, voorzieningen en overige stedelijke functies wordt geboden. Daarbij wordt optimaal gebruik gemaakt van het bestaande bebouwd gebied. Bij de ontwikkeling van het stedelijke gebied nemen de gemeenten het initiatief. Plannen voor uitbreiding worden uitgewerkt in samenhang met herstructurering van het bestaande bebouwd gebied. De gemeente hanteert hierbij de ladder voor duurzame verstedelijking en de provincie houdt het generiek toezicht op de toepassing van deze Ladder. 1.1.1 Verstedelijking (wonen) De bevolkingsontwikkeling is sturend voor de groeiscenario's voor Flevoland. Het in balans houden van uitbreiding en herstructurering vormt de basis voor een kwaliteitsslag voor het gehele bebouwde gebied. Een goede woonkwaliteit voor iedereen is het uitgangspunt. Naast de woning is daarbij ook de woonomgeving belangrijk. Het gaat om kwaliteiten als voorzieningen, groenstructuren, recreatiemogelijkheden, veiligheid en een schone omgeving. De herstructurering wordt zo mogelijk gestimuleerd door de inzet van rijksmiddelen voor stedelijke vernieuwing In de afgelopen decennia is in Flevoland onvoldoende gedifferentieerd gebouwd. De nadruk lag op ruime eengezinswoningen. Hoewel Flevoland een opvangtaak voor andere delen van Nederland behoudt, komt de woningbehoefte van de huidige inwoners steeds nadrukkelijker op de voorgrond te staan. Hierbij moet rekening worden gehouden met de specifieke behoeften van ouderen, alleenstaanden en starters, omdat de bestaande woningvoorraad daar onvoldoende aan tegemoet komt. Daarnaast is er behoefte aan landelijk wonen nabij de stad. Hier wordt bijvoorbeeld in voorzien bij de ontwikkeling van het Oosterwold door Almere (zie ook 1.2.2.2 Transitiegebied). Naast de bouw van nieuwe woningen wordt kwaliteitsbehoud van de bestaande woningvoorraad steeds belangrijker. Een deel van het bebouwde gebied is toe aan herstructurering. Vooral in oudere wijken moeten de bestaande woningvoorraad en de zorginfrastructuur worden aangepast. De combinatie van uitbreidingsopgave en herstructureringsopgave biedt de mogelijkheid om in te spelen op de veranderende, meer gedifferentieerde behoefte aan woningen en andere functies. Via verdergaande verweving op wijk- en buurtniveau ontstaan goede mogelijkheden voor combinaties van wonen en werken. Invulling hiervan is in de eerste plaats een gemeentelijke aangelegenheid. Bij Almere en Lelystad is behoefte aan specifieke woonmilieus. De ontwikkeling van waterfronten kan hieraan bijdragen. Kernpunten zijn: huisvesting voor kleinere huishoudens; voldoen aan de behoefte aan goedkopere betaalbare (huur-)woningen voor starters, statushouders en andere groepen met een krappe beurs; terugdringing van tekorten aan woonzorgvormen voor mensen met een beperking, ouderen en andere zorgbehoevenden. Voor deze woonzorgvormen is de nabijheid van verschillende voorzieningen gewenst; differentiatie van woonmilieus; menging van wonen, voorzieningen en werken. De provincie houdt op grond van de Huisvestingswet toezicht op de mate waarin gemeenten voldoen aan hun taakstelling voor de huisvesting van statushouders. Voor het overige vervult de provincie een ondersteunende en gebiedsvertegenwoordigende rol gericht op: afstemming tussen de gemeenten; de huisvesting van kwetsbare groepen in de samenleving; het actief monitoren van veranderingen in de woningvoorraad; het stimuleren en ondersteunen van gemeenten, corporaties en marktpartijen bij de duurzame uitvoering van woon- en bouwplannen. 1.1.2 Werklocaties De ontwikkeling en realisatie van werklocaties is een verantwoordelijkheid van gemeenten en private partijen en is sterk afhankelijk van marktontwikkelingen. Met het provinciaal locatiebeleid vervult de provincie een faciliterende, ondersteunende, gebiedsvertegenwoordigende en regisserende rol. Het locatiebeleid draagt bij aan de volgende doelstellingen: versterking van de economische ontwikkeling van Flevoland; beheersing van de mobiliteit door een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer en fiets; efficiënt gebruik van infrastructuur en vervoermiddelen; verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid Het locatiebeleid voor het stedelijk gebied is gericht op een voldoende gedifferentieerd aanbod van werklocaties in Flevoland, zodat er voor ieder bedrijf en instelling een geschikte locatie gevonden kan worden. Daarbij moeten zowel kwantiteit als kwaliteit zodanig zijn dat het aansluit bij de regionale vraag en een optimale bijdrage levert aan de vitaliteit van steden en dorpen. Het locatiebeleid is verder uitgewerkt in een Ruimtelijke Visie Werklocaties Flevoland (vastgesteld 2016) , de Structuurvisie Werklocaties, de beleidsregel Locatiebeleid stedelijk gebied, de beleidsregel Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied en betreffende convenanten. Hierin is onder meer afgesproken dat de gemeenten eens in de vier jaar een strategische visie op werklocaties opstellen met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging met vier jaar als bijstelling niet eerder nodig is. In de veranderagenda in de Ruimtelijke Visie Werklocaties is opgenomen dat actualisatie van beleid en beleidsregels en convenanten gewenst is. Toelichting Flevoland heeft in alle gemeenten een divers en kwalitatief ruim aanbod van werklocaties voor bedrijven, kantoren en detailhandel. Door de economische omstandigheden is de vraag in alle segmenten minder groot geworden. Bovendien is er als gevolg van economische structuurveranderingen een andere vraag in de markt ontstaan. De vraag naar formele werklocaties op bedrijventerreinen en kantorenlocaties verschuift meer naar informele werklocaties in stedelijk gebied, met menging van wonen en werken. In tegenstelling tot andere regio’s in Nederland groeit bedrijvigheid in Flevoland nog steeds, maar met een andere vraag. De samenleving moet inspelen op de kansen en bedreigingen van deze ontwikkeling. Daarbij is aandacht nodig voor het terugdringen van overaanbod en de mismatch in enkele vastgoed¬segmenten. Bestemde en beschikbare uitbreidingsgronden blijven langer braak liggen. Voor betrokken gemeenten levert dit grote financiële lasten op en eventuele afboekingen op de grondexploitaties. De verminderde en veranderende vraag en het overaanbod van vastgoed in diverse bedrijfssegmenten raken naast de overheden ook de private bedrijven sterk. Als gevolg van de marktdruk en het overaanbod wordt privaat bedrijfsvastgoed minder waard. Door toenemende kansen op leegstand staat de ruimtelijke kwaliteit en een zorgvuldig ruimtegebruik onder druk. Een veranderopgave dient zich dus aan. De provincie gaat deze opgave aan met de gemeenten, ondernemers en onze buurprovincies in de economische regio. Onze aanpak heeft geleid tot de nieuwe visie op de werklocaties in Flevoland. Met de RO Visie Werklocaties geeft de provincie met de betrokken gemeenten en andere partners een stimulans aan de noodzakelijke omslag: ‘van overwegend nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen’. Toegroeien naar een sterke ruimtelijke kwaliteit draagt bij aan een gezonde ‘marktspanning’ en waardebehoud van vastgoed. 1.1.2.1 Kantoren De kantorenmarkt is de afgelopen jaren veranderd. Er is sprake van afnemende vraag en toenemende leegstand. Er is sprake van een vervangingsmarkt in plaats van een uitbreidingsmarkt. Het beleid richt zich op het verder terugbrengen van de planvoorraad voor kantoren. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk in gebieden met een kansrijk perspectief en na afweging langs de Ladder voor duurzame verstedelijking. De provincie richt zich op concentratie van kantoren op locaties die multimodaal ontsloten zijn bij voorkeur met hoogwaardig openbaar vervoer (HOV, centrumgebieden en stationsomgevingen). De provincie heeft met de gemeenten onderling en met het Rijk in MRA-verband afspraken gemaakt over de afstemming bij de ontwikkeling van werklocaties. Dit heeft geresulteerd in: Convenant Aanpak leegstand kantoren

(2012)– convenant Rijk – IPO Convenant bedrijventerreinen
(2009)– convenant Rijk – IPO – VNG Convenant voorraadbeheer en afstemming werklocaties
(2012)- convenant provincie - Flevolandse gemeenten Retaildeal
(2016)Rijk – IPO Uitvoeringsstrategie Plabeka 3.0
(2017)– vastgesteld in MRA-verband 1.1.2.2 Bedrijventerreinen De vraag naar bedrijventerreinen in Flevoland neemt af en verandert. Er zijn verschillen tussen de zes gemeenten, maar het algehele beeld is dat er nu en in de toekomst minder vraag is dan voorheen. Dit heeft geleid tot een herstructureringsopgave voor zowel de publieke als de private partners. Afspraken voor afstemming tussen gemeenten bij de ontwikkeling en herstructurering van werklocaties zijn vastgelegd in het 'Convenant voorraadbeheersing en afstemming werklocaties' en het 'Convenant bedrijventerreinen'. De provincie zet actief in op de realisatie van drie (boven-)regionale bedrijventerreinen: Lelystad Airport (zie 11.2 Luchthaven Lelystad) Maritieme servicehaven Noordelijk Flevoland bij Urk Flevokust (Lelystad) 1.1.2.3 Overig vastgoed De provincie signaleert dat er zonder actief handelen grootschalige leegstand kan optreden van zorgvastgoed, maatschappelijk vastgoed en vrijkomende agrarische bebouwing. Bij maatschappelijk vastgoed en zorgvastgoed gaat het om gebouwen voor functies als onderwijs en kinderopvang, zorg, cultuur, sport en ontspanning en overige functies als kerken en moskeeën. Hiervan is landelijk ongeveer een derde in bezit van de overheid. Het overige is in bezit van stichtingen, corporaties of private partijen. In Flevoland is er behoefte aan een beter inzicht in de markt van het maatschappelijk vastgoed. Dit betreft zowel het aanbod als de ontwikkeling van de vraag en de verhouding daartussen. Landelijk is de verwachting dat de behoefte aan maatschappelijk vastgoed met circa 25% zal afnemen. In Flevoland zal deze afname naar verwachting beperkter zijn vanwege de doorgaande bevolkingsgroei. Voor de vitaliteit van dorpen en steden is het van belang een oplossing wordt gevonden waar sprake is van veel leegstand. Andere invullingen (transformatie) zijn vaak mogelijk bij vastgoed dat aantrekkelijk is gelegen. 1.2 Landelijk gebied De provincie wil de vitaliteit van het landelijk gebied vergroten en de gebruiksmogelijkheden ervan meer afstemmen op de maatschappelijke behoeften. 1.2.1 Agrarische activiteiten Het landelijk gebied moet vitaal blijven. Ook in Flevoland is sprake van verdergaande schaalvergroting en herstructurering van de landbouw. De provincie wil agrarische bedrijvigheid die zich in de eerste plaats richt op duurzame productie en verwerking van landbouwproducten optimale ontwikkelingskansen geven. Bovendien wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied om het economisch draagvlak te verbreden en deze te verweven met de bestaande landbouwfunctie. In de beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied zijn de voorwaarden en maatvoering concreter uitgewerkt. Verder moet er voldaan worden aan een goede ruimtelijke ordening, waaronder een landschappelijke inpassing en een goede verkeersafwikkeling. 1.2.1.1 Vrijkomende agrarische erven De komende jaren wordt een forse leegstand van agrarische bedrijfslocaties verwacht. Door de schaalvergroting in de landbouw komen veel agrarische bouwpercelen vrij. In Flevoland is tussen nu en 2030 sprake van 400 tot 600 bedrijfsbeëindigingen. Recente berekeningen van Alterra laten zien dat er tot 2030 naar verwachting in Flevoland zo’n 1,3 miljoen vierkante meter agrarische bebouwing beschikbaar komt: in totaal een grotere oppervlakte dan de nu leegstaande kantoren. Zo’n 70% hiervan bevindt zich in de gemeente Noordoostpolder. Door ruimte te bieden voor invulling van vrijkomende agrarische bebouwing wil de provincie de unieke structuur van Flevoland behouden. De vrijgekomen boerderijwoningen kunnen worden gebruikt voor algemene bewoning, waarbij wordt uitgegaan van één woning per (voormalig) agrarisch bouwperceel. In het experimentenkader ‘Extra woningen op erven’ is een uitzondering gemaakt voor de toevoeging van 26 woningen in het landelijk gebied op erven in de gemeente Noordoostpolder (max. vier woningen per erf). Nieuwe (agrarische) bouwpercelen worden in principe niet toegestaan. 1.2.1.2 Schaalvergroting De landbouw verandert in hoog tempo van een beschermde en ondersteunde sector naar een sector die moet concurreren op de wereldmarkt. Bedrijven reageren hierop met schaalvergroting, specialisatie, intensivering en een verschuiving van akkerbouw naar veehouderij. Ook zijn er bedrijven die oplossingen zoeken in verbreding van de bedrijfsvoering, zoals verwerking van agrarische producten, het telen van energie- of andere gewassen, mestvergisting, recreatie en toerisme. De provincie wil de agrarische sector in de verdere ontwikkeling faciliteren en ondersteunen. In een duurzame, vitale landbouwsector ontstaan er meer mogelijkheden voor de ontwikkeling van andere economische functies in het landelijk gebied. 1.2.1.3 Grootschalige verwerking en ketenverlenging De provincie Flevoland heeft behoefte aan meer mogelijkheden voor be-/verwerking op of aansluitend aan het agrarisch erf. In principe zijn deze verwerkende activiteiten ook als agrarisch te beschouwen, totdat wordt overgegaan tot de vervaardiging van een product waarvoor de agrarische producten als grondstof dienen. Deze activiteiten horen niet meer thuis in het buitengebied. Bij de beleidsontwikkeling voor grootschalige verwerking/ketenverlenging wordt onderscheid gemaakt in activiteiten die nog als agrarisch zijn te bestempelen en activiteiten die naar aard en omvang thuishoren op een bedrijventerrein, zoals een agrobusinesspark. Daarbij wordt gekeken of het zwaartepunt van de dominante bedrijfsactiviteiten ligt aan de agrarische kant van het productieproces (binding met het land) of aan de bedrijfsmatige bewerkingskant van het productieproces (zoals verpakken). 1.2.1.4 Glastuinbouw De provincie handhaaft de concentratie van glastuinbouw in de gebieden bij Almere, Luttelgeest en Ens. In deze glastuinbouwgebieden kunnen bijbehorende activiteiten als verwerking, verpakking en logistiek gevestigd worden. Uitbreidingsmogelijkheden zijn er alleen bij Luttelgeest/Marknesse en Ens. Hier is ook herstructurering en revitalisering nodig om de concurrentiepositie voor de toekomst veilig te stellen. De bestaande infrastructuur, wateropvang, energiebehoefte, energiebesparingsmethoden en afvalwaterverwerking moeten daarbij duurzaam en toekomstgericht worden ingericht. Ook de landschappelijke inpassing is een aandachtspunt, in het bijzonder voor wat betreft lichthinder. De provincie ondersteunt het revitaliseringsproces. Buiten de glastuinbouwgebieden is alleen teeltondersteunend glas toegestaan. De maatvoering is opgenomen in de beleidsregel Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied. 1.2.1.5 Overige agrarische activiteiten Bollenteelt Op veel Flevolandse bedrijven wordt de bollenteelt als wisselteelt in het bouwplan ingepast. De provincie wijst de bezandingen van gronden af, gelet op de ongewenste grootschalige landschappelijke ingrepen die daaraan verbonden zijn. Clustering van fruit- en boomteelt en andere hoogopgaande houtige gewassen heeft vanuit het oogpunt van landschappelijke kwaliteit de voorkeur. In gebieden met karakteristieke openheid zijn hoogopgaande houtige teelten ongewenst. Voorkeurlocaties voor pot- en containerteelt zijn de glastuinbouwgebieden. Zie hiervoor de kaart Landelijke gebied en glastuinbouw. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitwerking van het betreffende ruimtelijk beleid. Intensieve veehouderij De intensieve veehouderij in Flevoland is van beperkte betekenis. Op nationaal niveau is de omvang van de intensieve veehouderij in de afgelopen jaren beduidend afgenomen. Schaalvergroting, specialisatie, kostprijsbeheersing en toenemende automatisering zijn voor de intensieve veehouderij de belangrijkste bedrijfsstrategieën. Dat geldt ook voor Flevolandse bedrijven. De provincie verstaat onder intensieve veehouderij het bedrijfsmatig houden van pluimvee (zoals kippen, kalkoenen, eenden, ganzen, struisvogels), varkens, runderen voor de vleesproductie, pelsdieren en konijnen. De intensieve veehouderij kan zich ontwikkelen binnen de in het bestemmingsplan aangegeven grenzen van het bestaande bouwperceel. Als een ondernemer kan aantonen dat grotere bedrijfsgebouwen en vergroting van het agrarisch bouwperceel nodig zijn om te kunnen voldoen aan de huisvestingseisen die ingevolge de nationale wet- en regelgeving worden gesteld en bedrijfseconomisch rendabel kunnen blijven ondernemen, kan van voorgaande bepaling worden afgeweken. Biologische landbouw Het belangrijkste productiegebied voor biologische landbouw bevindt zich ten noorden van Lelystad. In de nabije omgeving zijn toonaangevende instellingen gevestigd. Het is van belang om de combinatie van bedrijfsleven, onderzoek, voorlichting en onderwijs bij de verdere ontwikkeling van de biologische landbouw in Flevoland en daarbuiten te versterken. Als de verstedelijking van Lelystad op de lange termijn verhuizing noodzakelijk maakt, lijken er in de overige delen van Flevoland nog goede kansen te liggen. Visserij Op Urk staat de visserij door vangstbeperkende maatregelen onder druk. Behalve op stimulering van diversificatie naar andere sectoren blijft het provinciaal beleid gericht op versterking van het visserijcomplex. Om de positie van de verwerkende industrie veilig te stellen is een verdere internationale oriëntatie nodig, vooral gericht op de aanvoer van te verwerken vis uit het buitenland. Daarnaast dient de aandacht verder te verschuiven naar kwaliteitsproducten met een hoge toegevoegde waarde. De provincie kan met voorwaardenscheppend en stimulerend beleid bijdragen aan structuurversterkende ontwikkelingen, zoals de aanleg van bedrijventerreinen en de eventuele ontwikkeling van nieuwe havencapaciteit in de vorm van de Maritieme Servicehaven. Naast de internationaal georiënteerde zeevisserij blijft het behoud van de IJsselmeervisserij van belang. Agrobusinessparken In een agrobusinesspark worden verschillende agrarische activiteiten gecombineerd met niet-agrarische activiteiten. Zo is een combinatie van primaire productie en bewerking en verwerking van producten mogelijk. Agrobusiness kan worden ingedeeld in vestigingen ten behoeve van intensieve veehouderij, glastuinbouwgebieden, kleinschalige bewerking en verwerking van agrarische producten op het (voormalige) agrarische bouwperceel (conform de beleidsregel Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied) en grootschalige bewerking en verwerking van agrarische producten op reguliere bedrijventerreinen of industrieterreinen (conform de beleidsregel Locatiebeleid stedelijk gebied). De provincie wil initiatieven voor agrobusinessparken de ruimte bieden en stimuleren omdat ze in principe goed passen in de structuur van Flevoland. 1.2.2 Niet-agrarische activiteiten/stedelijke ontwikkeling Om het economisch draagvlak te verbreden wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied en deze verweven met de bestaande landbouwfunctie. Vestiging van activiteiten die bij uitstek thuishoren op een bedrijventerrein of aansluitend aan het bebouwde gebied worden in principe niet toegestaan. De activiteiten moeten in principe kleinschalig van karakter zijn. De bebouwingsmogelijkheden dienen hierop te zijn afgestemd. Effecten die milieuhygiënisch, landschappelijk en verkeerskundig (veiligheid en verkeersaantrekkende werking) ongewenst zijn, moeten worden voorkomen. Zo mogen nieuwe functies de landschappelijke en cultuurhistorische kern- en basiskwaliteiten van het gebied niet aantasten. De provincie ziet erop toe dat de mogelijkheden van verstedelijking in het landelijk gebied afdoende gemotiveerd zijn boven het gebruik maken van mogelijkheden in het stedelijk gebied. Zo ziet de provincie ook toe op een goede omgang met de Ladder voor duurzame verstedelijking van het Rijk. 1.2.2.1 Huisvesting arbeidsmigranten Flevolandse bedrijven zijn vaak afhankelijk van tijdelijke werknemers. De provincie wil ruimte bieden om de betreffende bedrijven te faciliteren in de huisvesting van hun arbeiders. Op dit moment is er geen concreet beleid geformuleerd voor de grootschalige huisvesting van arbeidsmigranten. Om deze ontwikkelingen toch te faciliteren, zijn er diverse experimentkaders opgesteld die getoetst zijn aan het provinciaal beleid. 1.2.2.2 Transitiegebied Een speciaal gebied is Oosterwold in Almere en Zeewolde. Dit gebied komt voort uit de Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM). De provincie heeft hier een uitzondering gemaakt op het bundelingsbeleid, en ruimte gegeven aan stedelijke ontwikkeling in combinatie met agrarisch gebruik, natuurontwikkeling en recreatieve mogelijkheden. Dit gebied wordt gekenschetst als ‘transitiegebied’. 1.2.2.3 Snel internet De provincie vindt het belangrijk dat het digitale netwerk binnen Flevoland en naar de omliggende gebieden wordt gecompleteerd. In stedelijk gebied wordt de aanleg van glasvezelverbindingen gerealiseerd. Daarnaast voorziet de provincie het landelijk gebied van Zuidelijk en Oostelijk Flevoland van een snellere internetverbinding. In de Noordoostpolder is al glasvezel aangelegd. 1.2.2.4 Grootschalige energieopwekking Zie 6.1.2 Duurzame energieproductie 1.3 Instrumenten De Omgevingsivisie FlevolandStraks gaat in op de opgaven en de ambities voor Flevoland. Het Omgevingsprogramma bevat een verdere uitwerking van de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid. Het is nodig om in dit programma een zekere flexibiliteit nodig: verwachte ontwikkelingen kunnen uitblijven of verlopen anders dan verwacht, of in een ander tempo. Het is belangrijk om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het is ook denkbaar dat er ontwikkelingen zijn waarin het plan nog niet voorziet. De provincie heeft voor haar ruimtelijke beleid een aantal essentiële elementen van beleid geformuleerd. De essentiële elementen worden van wezenlijke betekenis geacht voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. Gelet op het bestuurlijk belang dat aan de essentiële elementen wordt gehecht, zal de provincie niet lichtvaardig instemmen met ontwikkelingen die hier niet mee in overeenstemming zijn. Het accent van eventuele provinciale bemoeienis op het vlak van de ruimtelijke ordening ligt bij deze essentiële elementen. Voor afwijkingen van dit Omgevingsprogramma, gelden de volgende essentiële elementen in de zin van de Wet op de Ruimtelijke Ordening: Bij stedelijke uitbreiding moet worden aangesloten bij bestaande ruimtelijke structuren, zodat de vitaliteit van de steden en dorpen wordt ondersteund. Nieuwe solitaire clusters van bebouwing buiten de aangegeven stedelijke gebieden, weergegeven in de kaart Stedelijk gebied, worden in principe uitgesloten. Op deze regel kan in het kader van verweving op experimentele basis een uitzondering worden gemaakt als in een tussen gebiedspartners overeengekomen integraal ruimtelijk ontwerp wordt aangetoond dat het nieuwe cluster een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de beoogde integrale kwaliteitsimpuls voor het betreffende gebied. De omvang van nieuwe ruimte voor wonen, werken en voorzieningen moet in verhouding staan tot de grootte van de kern en de positie ervan in de stedelijke en groenblauwe hoofdstructuur. Permanente bewoning van recreatiewoningen in het buitengebied wordt in principe uitgesloten. Infrastructuur wordt zo gebundeld dat versnippering van ruimtelijke eenheden wordt voorkomen en geen omvangrijke barrières in stedelijke en ecologisch waardevolle gebieden ontstaan. Bij de locatiekeuze en invulling van werklocaties dient rekening te worden gehouden met: versterking van de economische ontwikkeling van Flevoland; beheersing van de mobiliteit door een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer; efficiënt gebruik van infrastructuur en vervoermiddelen; verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid, waarbij het parkeerbeleid een belangrijk ondersteunend instrument is. Tevens moet rekening worden gehouden met de potenties van de gemeenten en de positie van de kernen in de stedelijke en groenblauwe hoofdstructuur. Nieuwe niet-agrarische functies mogen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het gebied niet aantasten. Ook moet rekening gehouden worden met de landschappelijke en cultuurhistorische basiskwaliteiten. Vestiging in het buitengebied van activiteiten die thuishoren op een bedrijventerrein of in een woonkern is in principe niet toegestaan. Milieuhygiënisch, landschappelijk en verkeerstechnisch ongewenste effecten moeten worden voorkomen. Om gewenste integrale ontwikkelingen met wonen, recreatie en bedrijvigheid als economische dragers in een gebied mogelijk te maken kan op experimentele basis het planologische regime voor dat gebied worden verruimd. Voorwaarde is dan wel dat in een ruimtelijk ontwerp een integrale kwaliteitsimpuls voor het gebied wordt aangetoond. Nieuwe windmolens worden alleen in delen van Zuidelijk en Oostelijk Flevoland in principe alleen toegestaan indien deze windmolens gelijktijdig een equivalent aan windmolens vervangen. Gerekend over het gehele Flevolandse gebied zal het aantal windmolens in de periode tot 2015 geleidelijk met 50% dienen af te nemen. Bepalend daarvoor is de hoeveelheid geleverde energie van de te vervangen windmolens, het behoud van de daaruit verkregen inkomsten, het benodigde maatwerk per project en de vereiste structurele bijdrage uit de exploitatie aan gebiedsgebonden projecten. Doel van het NNN is de realisatie van een robuust, samenhangend netwerk van natuurgebieden dat voldoende (leef-)ruimte biedt voor soorten en waarden die karakteristiek zijn voor de Flevolandse natuur. Voor het NNN geldt in beginsel een 'nee, tenzij'-regime, maar wanneer door toepassing van de saldobenadering de maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen zodanig worden vormgegeven dat zij elkaar niet belemmeren maar versterken, en daarmee bijdragen aan het totale netwerk van het NNN, kan dit regime worden omgebogen in een 'ja, want'. De ontsluiting en integrale instandhouding van de archeologische waarden in Provinciaal Archeologische Kerngebieden (PArK'
  1. en)in samenhang met aardkundige en landschappelijke waarden is een essentieel element. De top-10 archeologische locaties vormen essentiële elementen. De provincie wil de cultuurhistorische kernkwaliteiten en het landschappelijke casco behouden en inzetten als ruimtelijke kwaliteit ter versterking van nieuwe ontwikkelingen. 1.3.1 Experimentenkader Mogelijk blijkt dat het beleidskader in dit programma en in de beleidsregel 'Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied' te beperkend zijn om gewenste integrale ontwikkelingen uit de Omgevingsvisie mogelijk te maken. In dat geval kan het planologisch regime voor dat gebied op experimentele basis worden verruimd. Voorwaarde is dat hieraan een tussen gebiedspartners overeengekomen integraal gebiedsplan ten grondslag ligt, waarin een kwaliteitsimpuls voor het gebied wordt aangetoond. De provincie kan aan de verruiming van het regime de voorwaarde stellen dat verevening plaatsvindt van kosten en opbrengsten van onderdelen van het plan of programma. Aan het experimentenkader zijn vijf voorwaarden verbonden. Er geldt een motiveringsplicht op basis van de Ladder van duurzame verstedelijking. Deze ladder, opgestekd door het Rijk, is bedoeld om een zo duurzaam mogelijk gebruik van de ruimte te waarborgen, en toetst de motivatie om de mogelijkheden in het landelijk gebied te benutten boven die in het stedelijk gebied. Het plan moet inzicht bieden in: de ambities voor versterking van de vitaliteit van het landelijk gebied; het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van het landelijk gebied (natuur, landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, extensieve vormen van recreatie), bijvoorbeeld door eisen van verevening en randvoorwaarden voor nieuwe functies te stellen; de wijze waarop met de bestaande situatie en functies in het gebied wordt omgegaan; de wijze waarop hierbij omgegaan wordt met natuurwaarden; de wijze waarop het experiment past binnen de Omgevingsvisie en bijdraagt aan de provinciale opgaven. Op basis van de uitkomst van experimenten kunnen voorstellen komen om het ruimtelijk beleid structureel aan te passen. Voordat Gedeputeerde Staten besluiten tot medewerking aan planontwikkeling op experimentele basis, worden Provinciale Staten geraadpleegd. Voor een aantal onderwerpen in paragraaf 1.3 beschreven essentiële elementen zijn het Provinciale Staten die de beslissingsbevoegdheid hebben. 2 Landschap & Cultuurhistorie 2.1 Landschap Landschap en cultuurhistorie Het typisch Flevolandse landschap zoals wij het nu kennen, is ontstaan in de twintigste eeuw. Als onderdeel van het Zuiderzeeproject zijn de IJsselmeerpolders drooggelegd. De Noordoostpolder is in 1942 drooggevallen, Oostelijk Flevoland in 1957 en Zuidelijk Flevoland in 1968. De inrichting van deze polders weerspiegelt de heersende tijdgeest. Dit verklaart de verschillen tussen de drie polders, in bijvoorbeeld schaal, verkaveling, erfgrootte, aantal dorpen, dorpsomvang, stedenbouwkundige opzet en architectuur. Veel bouwkundige objecten en landschappelijke structuren verwijzen naar de inpolderings- en ontginningsfase en zijn nog steeds in het landschap zichtbaar. In de polders worden ook sporen van eerdere landschappen en hun bewoners aangetroffen. Deze geven het twintigste-eeuwse ontwerp meer historie, identiteit en diepgang. De voormalige eilanden Urk en Schokland en de voormalige haven Oud-Kraggenburg herinneren aan de Zuiderzeegeschiedenis en creëren een unieke tegenstelling tussen oud en nieuw land. De Noordoostpolder is een waardevol toonbeeld van de wederopbouw vanwege de grootschalige droogmakerij met verspreide, rationeel geordende agrarische bebouwing en erven, de ring van dorpen rond de hoofdkern Emmeloord, en het functioneel patroon van wegen en waterwegen met bijbehorende beplantingsprofielen (Rijksvisie erfgoed en ruimte). Dit typische Flevolandse landschap met twintigste-eeuwse karakteristieken in contrast met relicten van ver daarvoor wil de provincie behouden door de landschappelijke waarden in te zetten als ruimtelijke kwaliteit ter versterking van nieuwe ontwikkelingen. Het Zwarte Meer is onderdeel van het Nationaal Landschap IJsseldelta, zoals te zien in de kaart Nationaal landschap IJsseldelta. De kwaliteiten van het Zwarte Meer zijn de weidsheid, de rust, de natuurwaarden en de beleving van het contrast tussen het oude en het nieuwe land. De opgave voor het Nationaal Landschap is het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten. Speciale aandachtspunten zijn het vergroten van de recreatieve toegankelijkheid en het versterken van de cultuurhistorische waarden. 2.1.1 Cultuurhistorische en landschappelijke kernkwaliteiten Cultuurhistorische en landschappelijke kernkwaliteiten zijn elementen en patronen die bepalend zijn voor het karakter van Flevoland en waarmee de essentie van het polderconcept wordt gewaarborgd. Het zijn de dijken, vaarten, interne ontsluiting, flankerende beplanting, wegbeplanting en de bosranden. Deze wil de provincie behouden en de kwaliteiten ervan inzetten bij nieuwe ontwikkelingen, zodat zij een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De cultuurhistorische en landschappelijke kernkwaliteiten en de landschapskunstwerken zijn indicatief aangegeven op de kaart Landschappelijk en cultuurhistorische kernkwaliteiten. De provincie werkt dit nader uit in het kader van de Omgevingsvisie FlevolandStraks. 2.1.2 Cultuurhistorische en landschappelijke basiskwaliteiten Cultuurhistorische en landschappelijke basiskwaliteitenzijn de overige kwaliteiten van de polder. Het gaat dan om openheid, de verkavelingstructuur, het bijzondere stedenbouwkundige concept van Nagele en het werkeiland Lelystad-Haven, de gemalen, hoge bruggen en de voormalige Zuiderzeekustlijn en de erfbeplanting. De provincie draagt voor de basiskwaliteiten geen verantwoordelijkheid, maar wil wel met de gebiedspartners vroegtijdig in dialoog blijven. De provincie verwacht van de gemeenten dat zij bij de besluitvorming over nieuwe ontwikkelingen expliciet rekening houden met zowel de cultuurhistorische en landschappelijke kern- als basiskwaliteiten. Zie de kaart Landschappelijk en cultuurhistorische basiskwaliteiten. 2.1.3 Land Art Flevoland heeft een unieke en groeiende status als het gaat om spraakmakende landschapskunst. De provincie leent zich bij uitstek voor werken die een relatie aangaan met het landschap en de ruimte. Verspreid over de provincie staan inmiddels zeven omvangrijke landschapskunstwerken van (inter)nationaal toonaangevende kunstenaars. Bij toekomstige kunstwerken is er altijd aandacht voor de relatie tussen het ontwerp en het Flevolandse landschap. De provincie wil Flevoland breed bekend maken als dé provincie van de landschapskunst (zie ook: Nota cultuurbeleid 2017-2020. Typisch Flevoland, net even anders). 2.2 Aardkunde Aardkundige waarden zijn onderdeel van de bodemkwaliteit en vormen als het ware het archief van de opbouw van de Flevolandse ondergrond. Het bestaat uit sporen van vroegere landschappen zoals oude geulsystemen in rivierduinen, zeldzame veenresten en bijzonder oude bodems. De provincie hecht aan het behoud van deze sporen van de ontstaansgeschiedenis. 2.2.1 Aardkundig waardevol De provincie heeft een inventarisatie en waardering van de aanwezige aardkundige waarden uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in een globale begrenzing, deze is aangegeven op de kaart Aardkundig waardevolle gebieden. Hierbinnen zijn sterlocaties aangegeven waar de waarden het hoogst zijn vanwege onder andere gaafheid, zeldzaamheid en combinatie met archeologische en landschappelijke waarden. Bescherming van de aardkundige waarden is voor de PArK-gebieden geregeld via vergunningverlening in het kader van de Ontgrondingenwet, conform het toetsingskader in de Beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving bij ontgrondingen. Via voorlichting en educatie geeft de provincie met andere partijen bekendheid aan dit geologisch erfgoed. Ook bevorderen zij aandacht voor aardkundige waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast wordt de relatie met toerisme uitgewerkt, bijvoorbeeld door aardkundige waarden in recreatieve routes te verwerken. Verder wordt de bescherming van aardkundige waarden ingevuld via het uitvoeringsprogramma Duurzaam Gebruik van de Flevolandse Ondergrond. Voor informatie over gebieden met aardkundige en archeologische waarden zie 2.3 Archeologie. 2.3 Archeologie Voordat de Zuiderzee ontstond, was het grondgebied van de provincie Flevoland al bewoond geweest. Duizenden jaren geleden hebben deze eerste bewoners sporen achtergelaten, die bewaard zijn gebleven in de bodem. Deze archeologische waarden zijn uniek. Daarnaast ligt er in Flevoland het grootste scheepswrakkenkerkhof ter wereld en zijn er resten te vinden van latere perioden zoals vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog. De provincie legt in haar beleid de nadruk op het vergroten van het maatschappelijk rendement van de archeologische monumentenzorg (via bijvoorbeeld educatie en recreatie) en wil hiertoe belangrijke archeologische waarden behouden en ontsluiten. Dit sluit aan bij de verplichting om archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem te behouden, voortvloeiend uit het Europees Verdrag voor de bescherming van archeologisch erfgoed. Als in de bodem laten niet mogelijk is, dienen belangrijke archeologische waarden door middel van opgravingen en onderzoek veilig te worden gesteld. Deze verplichting geldt voor heel Flevoland, zowel voor de provincie als voor de gemeenten. In het archeologiebeleid maakt de provincie een onderscheid tussen Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (PArK'en), archeologische aandachtsgebieden en de Top-10 archeologische locaties. Deze gebieden en locaties, zoals aangegeven op de kaart Archeologische beleidskaart, acht de provincie van provinciaal belang. Het grootste deel van het archeologisch erfgoed in de bodem is nog onbekend. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in PArK'en en archeologische aandachtsgebieden moet tijdig expertise bij het planproces worden betrokken. Hierbij gaat het om de deskundigheid over archeologische verwachting en de noodzaak voor inventariserend en waarderend onderzoek, als ook over te nemen behoudsmaatregelen. Bescherming van de archeologische waarden is geregeld via vergunningverlening in het kader van de Ontgrondingenwet en de Omgevingsverordening Flevoland, De provincie handelt en oordeelt conform de landelijke richtlijnen ten aanzien van de archeologie. Gemeenten worden gestimuleerd om gemeentelijke archeologische beleidskaarten op te stellen, waarmee zij de archeologische ruimtelijke prioriteiten vaststellen voorafgaand aan concrete ruimtelijke ontwikkelingen, in afstemming met andere ruimtelijke belangen. 2.3.1 Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (PArk'
  2. en)Er zijn vier PArK'en, te weten: Rivierduingebied Swifterbant, Unesco-monument Schokland, Urk en omgeving, Omgeving Kuinderschans en Kuinderburchten. De provincie richt zich in PArK'en op de ontsluiting en integrale instandhouding van de archeologische waarden in samenhang met aardkundige en landschappelijke waarden. Dit betekent dat archeologische waarden in PArK'en in principe niet mogen worden geroerd. Aanvullend hierop en voor zover noodzakelijk en mogelijk nemen de provincie en gebiedspartners in PArK'en maatregelen om de achteruitgang in kwaliteit van archeologische waarden, als gevolg van bijvoorbeeld verdroging en verzuring, te stoppen dan wel te vertragen. 2.3.2 Top 10 Archeologische locaties Naast de archeologische kerngebieden (PArK'
  3. en)heeft de provincie een Top 10 van archeologische locaties samengesteld uit de vele honderden archeologische locaties die Flevoland rijk is. De Top 10 vertegenwoordigt een dwarsdoorsnede van de Flevolandse archeologie. De provincie vindt het van wezenlijk belang dat de Top 10 locaties behouden blijven. Bij de bescherming en instandhouding van individuele archeologische locaties geeft de provincie voorrang aan de Top 10 locaties. 2.3.3 Archeologische aandachtsgebieden Archeologische aandachtsgebieden zijn gebieden met een relatief hoge dichtheid aan goed geconserveerde archeologische waarden. Zij omvatten delen van de prehistorische stroomgebieden van de Vecht, IJssel en Eem, waarin onder andere nederzettingen van de Swifterbantcultuur liggen. De inzet in archeologische aandachtsgebieden beperkt zich tot het opsporen en het planologisch beschermen, dan wel - indien niet anders mogelijk - opgraven van individuele archeologische waarden. Terreinen die op de landelijke Archeologische MonumentenKaart (AMK) staan vallen onder de aandachtsgebieden. Dit houdt in dat ze in principe altijd planologische bescherming moeten krijgen. 2.4 Cultureel erfgoed Dit beleid staat in de Nota cultuurbeleid 2017-2020. Typisch Flevoland, net even anders. 2.5 Cultuur Dit beleid staat in de Nota cultuurbeleid 2017-2020. Typisch Flevoland, net even anders. 3 Water Het waterbeleid is gericht op de ontwikkeling van een robuust watersysteem: vitaal, duurzaam, veilig, toegankelijk, aantrekkelijk en schoon. Dit watersysteem dient functies als wonen, natuur en agrarische activiteiten zoveel mogelijk te faciliteren. Daarbij dient er ruimte te zijn voor eigen verantwoordelijkheid van inwoners en (agrarische) bedrijven. De provincie koppelt de kansen die het watersysteem biedt voor ontwikkelingen als de toenemende verstedelijking en de klimaatverandering aan provinciale opgaven als de versterking van de economie, natuur, landschap, wonen en recreatie. Daarbij zoeken we synergievoordelen tussen binnen- en buitendijks en ruimtelijke ordening en economie. Bij het vormgeven van ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de eisen die het watersysteem aan de functies stelt. Het waterbeleid is gericht op: het voorkomen van overlast door een overschot aan water, waarbij de gebieden waar de bodem daalt bijzondere aandacht vragen; het voorkomen van een tekort aan water en een zo hoogwaardig mogelijk gebruik van water met een goede kwaliteit; het ontwikkelen en beschermen van een goede waterkwaliteit (chemisch/ecologisch) voor alle wateren: mooi en schoon water als voorwaarde voor een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving; de bescherming tegen buitendijks overstromingsgevaar; het ‘klimaatbestendig’ maken van de ruimtelijke inrichting van Flevoland: een duurzaam en robuust watersysteem is in staat om zelfstandig extreme weersomstandigheden op te vangen zonder dat er problemen in andere gebieden of later in de tijd ontstaan; het ontwikkelen en in stand houden van een zodanige grondwatersituatie (zowel kwalitatief als kwantitatief) dat - naast een duurzaam gebruik - een duurzame ontwikkeling van onder andere natuur en bosgebieden is gewaarborgd. Klimaatverandering, bodemdaling en waterkwaliteitsdoelen dwingen ons met een andere blik naar water te kijken. De hieruit voortvloeiende eisen zijn soms tegenstrijdig en maken dat de grenzen van een watersysteem in zicht komen. Dit heeft gevolgen voor de gebruikswensen: niet alles kan straks meer overal. Eisen en wensen moeten worden afgewogen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de diverse handelingsperspectieven op verschillende gebieden. Voor de verantwoordelijke overheden betekent dit dat deze op de middellange termijn nieuwe keuzes moeten maken. Hierbij dienen zij helder te maken hoever hun verantwoordelijkheden en inspanningen strekken. Voor burgers en (agrarische) ondernemers betekent het dat er in de toekomst een groter beroep op de eigen verantwoordelijkheid kan worden gedaan. 3.1 Functies watersysteem Dit plan geeft de functies van (onderdelen van) het watersysteem weer. Ze beschrijven de bestemming, in waterhuishoudkundige zin, van het op en in de bodem vrij aanwezige water (het watersysteem), met het oog op de daarbij betrokken belangen. Hierdoor wordt duidelijk welke waterhuishoudkundige eisen van toepassing zijn. De functie-eisen kunnen zowel betrekking hebben op de (grond)waterkwaliteit en -kwantiteit, als op de inrichting en het beheer van oevers, waterbodems en de waterhuishoudkundige infrastructuur. De functies en doelen zijn weergegeven kaart Functies en doelen water. Toegekende functies zijn richtinggevend voor alle bij de waterhuishouding betrokken instanties. Dat wil onder meer zeggen dat de waterbeheerders de zorgplicht hebben om door middel van het waterhuishoudkundige beheer het takenpakket en het daarbij behorende eisenpakket te (helpen) realiseren. Het waterschap kan in haar waterbeheerplan in detail functies aangeven en/of uitwerken voor de afzonderlijke wateren of delen daarvan. 3.1.1. Water voor het stedelijk gebied Onder stedelijk water wordt verstaan het onderdeel van het watersysteem binnen de grenzen van de bebouwde gebieden. De provincie Flevoland streeft naar aantrekkelijk, toegankelijk, veilig en schoon water in woongebieden, met een diversiteit aan waterplanten en waterdieren en betrouwbare gebruiksmogelijkheden. Vanwege klimaatverandering en voortgaande bodemdaling is het werken aan robuuste stedelijke watersystemen van groot belang. Een klimaatbestendig stedelijk watersysteem zorgt voor droge voeten in perioden van extreme neerslag en voldoende water ten tijde van droogte, en gaat hittestress tegen. De beschikbaarheid van goed water (neerslag en kwel) in een woongebied biedt kansen om aantrekkelijke woonmilieus te creëren, in combinatie met stedelijke ecologie. In stedelijke gebieden met ijzerrijke kwel ontstaat bruinrood, troebel en ecologisch arm stadswater dat voor de inwoners een lage belevingswaarde heeft. In deze gebieden is open water ongewenst, tenzij dit strikt noodzakelijk is voor ontwatering en afwatering. Deze gebieden zijn op de kaart Functies en doelen water weergegeven als ‘stedelijk water: risico slechte waterkwaliteit’. Als er sprake is van een wateropgave in het bestaand stedelijk gebied neemt het waterschap het initiatief om deze opgave samen met de gemeente op te lossen. 3.1.2. Water voor het agrarisch gebied Het agrarisch gebruik stelt specifieke eisen aan de waterhuishouding. Voor een optimale productie van gewassen worden eisen gesteld aan de grondwaterstand, het peilbeheer, de beschikbaarheid, de kans op wateroverlast en de kwaliteit van water voor beregening. De eisen verschillen per gewas. Op een aantal plaatsen, onder andere in de bodemdalingsgebieden, loopt het systeem tegen zijn grenzen aan. Dit vraagt om heroverweging, uitgaande van de samenhang tussen doelmatig waterbeheer en duurzaam bodemgebruik en -beheer. In gebieden met de functie ‘agrarisch water’ (zie kaart Functies en doelen water) worden de volgende doelen gesteld: De functietoekenning is leidend voor de watervoorziening. Een goede kwaliteit van zowel grond- als oppervlaktewater is een belangrijke randvoorwaarde. Opbrengstderving als gevolg van wateroverlast en vochttekort wordt geminimaliseerd. Plaatselijk is sprake van een beperkte en verslechterende drooglegging ten opzichte van de eisen van het agrarisch landgebruik. Hier is een overgang wenselijk naar een gebruik dat ook op langere termijn in overeenstemming is met de drooglegging. 3.1.3. Water voor natuur Het Natuurnetwerk Nederland vormt de ruggengraat van de natuur in Nederland. De provincie is verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk (zie ook 4.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN). Een specifieke status hebben de Natura 2000-gebieden vanwege de in stand te houden internationale doelstellingen (4.1.1 Natura 2000 gebieden). De watercondities voor de Natura 2000-gebieden worden samen met het waterschap zodanig verbeterd dat de gewenste kwaliteit van de natuur gewaarborgd wordt. Van alle natuurgebieden zijn de wezenlijke kenmerken en waarden alsmede de na te streven beheertypen vastgelegd in het provinciale Natuurbeheerplan. De facilitering van de functie natuur richt zich op het realiseren van de beheertypen. Grondwateronttrekkingen mogen niet leiden tot verdroging van natuur. Omdat Flevoland geen droogteafhankelijke natuur kent, is er voor wateroverlast geen norm toegekend aan de natuurgebieden. Bij het waterbeheer wordt rekening gehouden met de grondwaterafhankelijke natuur. Terreinbeheerders, waterschap en provincie hebben in de afgelopen periode de verdrogingsbestrijding in de landelijk afgesproken TOP-lijst gebieden voortvarend aangepakt. In 2013 waren in bijna 80% van de terreinen maatregelen genomen. Op basis van de gewenste grond- en oppervlaktewaterregime (GGOR) studies zijn maatregelpakketten opgesteld, waardoor het watersysteem beter aansluit bij de gewenste natuurdoelen. Waar mogelijk wordt naar een compromispeil gezocht waarbij de belangen van natuur en omliggende agrarische functies verenigd kunnen worden. Uit de GGOR-studies is gebleken dat het niet mogelijk is om met interne maatregelen binnen de gebieden 100% doelbereik te realiseren. De provincie gaat de effecten van de uitgevoerde maatregelen voor verdrogingsbestrijding monitoren. Er wordt aangesloten bij de monitoringsopzet die wordt uitgewerkt voor het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Hierbij wordt de natte natuur in Flevoland aan een evaluatie onderworpen. 3.1.4. Water voor archeologie De functie ‘Water voor behoud archeologisch’ erfgoed richt zich op het beschermen van de Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (zie 2.3 Archeologie). Voor deze PArK’en werkt het waterschap het GGOR uit. Het doel is om het grondwaterbeheer af te stemmen op de aanwezige archeologische waarden, zonder dat dit de agrarische functie van het gebied onevenredig schaadt. Schokland komt hierbij als eerste aan bod. 3.1.5. Zwemwater In Flevoland kan op veel plaatsen in open water gezwommen worden. Goede waterkwaliteit en hygiëne van zwemwater hebben een hoge prioriteit. Daarbij hoort actieve en tijdige communicatie om gebruikers bewust te maken van eventuele risico’s voor mens en dier. Tijdig informeren beperkt de tijdsduur van blootstelling aan gezondheidsrisico’s. De provincie faciliteert initiatieven van onder meer de lokale overheid voor nieuwe zwemlocaties. Bestaande en in onderzoek zijnde locaties zijn weergegeven op de kaart Functies en doelen water 3.2 Grondwater De provincie streeft naar het ontwikkelen en in stand houden van een zodanige grondwatersituatie (zowel kwalitatief als kwantitatief) dat - naast een duurzaam gebruik - tevens een duurzame ontwikkeling van onder andere natuur en bosgebieden is gewaarborgd. Van grondwater dient zo effectief mogelijk gebruik te worden gemaakt, waarbij verspilling wordt voorkomen. Bij grondwater is extra aandacht nodig voor een duurzaam en robuust watersysteem. Immers, als kwetsbaar grondwater verontreinigd raakt, is deze situatie niet meer terug te draaien. De provincie wil kwalitatief hoogwaardig grondwater beschermen. Zie ook 5.6.1 Bodemenergie Zie ook 5.5 Beschermen bodemkwaliteit 3.2.1 Grondwateronttrekkingen De provincie wil dat de beschikbare hoeveelheid grondwater zo efficiënt, doelmatig en hoogwaardig mogelijk wordt ingezet, omdat de duurzaam te winnen hoeveelheid beperkt is. Bij voorkeur sluit de kwaliteit aan bij de eisen die worden gesteld door het gebruiksdoel. Grondwateronttrekkingen worden niet toegestaan als deze schade veroorzaken aan natuurfuncties of archeologische waarden, tenzij met de onttrekking een groot maatschappelijk belang is gediend, zoals de openbare drinkwatervoorziening, en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen of beperkt. Met agrarisch gebruik van grondwater, vooral nabij verdroogde natuurgebieden, moet terughoudend worden omgegaan. Als oppervlaktewater geschikt is voor agrarische gebruiksdoeleinden, heeft dit de voorkeur boven het gebruik van grondwater. Wanneer er geen geschikt oppervlaktewater aanwezig is, kan grondwater worden onttrokken. Voor doeleinden waarvoor de oppervlakte- of grondwaterkwaliteit onvoldoende is kan leidingwater een alternatief zijn. Als oppervlaktewater geschikt is voor industriële gebruiksdoeleinden, heeft dit de voorkeur boven het gebruik van grondwater. Om te bepalen hoeveel grondwater kan worden onttrokken, wordt daar waar mogelijk uitgegaan van het hergebruik van het onttrokken water en het terugbrengen van het onttrokken water in de bodem. In dat laatste geval is aandacht voor de waterkwaliteit nodig, in verband met de bescherming van de grondwatervoorraad. 3.2.2 Drinkwater Het Flevolandse drinkwaterbeleid is gebaseerd op de volgende duurzaamheidsdefinitie: De drinkwatervoorziening voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen en levert continu voldoende water. De voorraad zoetwater wordt op lange termijn niet kleiner en er treedt geen verzilting op. Bronnen en infrastructuur kunnen langdurig worden gebruikt en staan zo min mogelijk bloot aan externe risico’s. De drinkwaterwinning heeft geen onaanvaardbare effecten op de omgeving en heeft een goed beschermbare bron. In Zuidelijk Flevoland speelt het diepe zoete grondwater ook in de toekomst een belangrijke rol in de drinkwatervoorziening. Daarom dient dit zoete grondwater in het derde watervoerende pakket op basis van het voorzorgsprincipe exclusief gereserveerd te blijven voor de openbare drinkwatervoorziening. Het reserveringsgebied voor de openbare drinkwatervoorziening wordt beperkt tot het gedeelte van Zuidelijk Flevoland dat op de kaart Grondwaterbeschermingsgebieden is weergegeven als ‘boringsvrije zone’. Met de winning van grondwater bestemd voor menselijke consumptie anders dan voor de openbare drinkwatervoorziening wordt terughoudend omgegaan. Uit oogpunt van beheersbaarheid wordt de voorkeur gegeven aan grotere grondwateronttrekkingen. Voor kleinere onttrekkingen met als gebruiksdoel ‘water voor menselijke consumptie’ gaat de voorkeur uit naar levering door het drinkwaterbedrijf. Buiten het gebied dat is gereserveerd voor de openbare drinkwatervoorziening, kan de provincie medewerking verlenen aan grotere onttrekkingen voor menselijke consumptie, als deze een groot maatschappelijk belang dienen. Vooral in de randmeerzone van Oostelijk Flevoland bevindt zich een grondwatervoorraad van uitstekende kwaliteit. In Flevoland wordt de functie ‘water voor de openbare drinkwatervoorziening’ toegekend aan het diepe zoete grondwater in Zuidelijk Flevoland en het grondwater rondom de winningen Harderbroek en Bremerberg. De gebieden zijn de kaart Grondwaterbeschermingsgebieden aangegeven als respectievelijk milieubeschermingsgebied voor grondwater en boringsvrije zone. Dit grondwater wordt gebruikt voor de onttrekking van water voor menselijke consumptie zoals bedoeld in de KRW. In deze gebieden is de inrichting en het beheer van de waterhuishouding gericht op een kwaliteit van het grondwater die overeenkomt met de eisen die zijn opgenomen in het waterleidingbesluit. Als de kwaliteit hoger is, dient deze behouden te blijven. Daarnaast is rond alle drinkwaterwinningen een waterwingebied begrensd. Binnen het waterwingebied mogen alleen activiteiten worden uitgevoerd die nodig zijn in het kader van de winning en bereiding van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening. De huidige grondwaterwinning voor de drinkwatervoorziening heeft een duurzaam karakter en de vergunde onttrekkingen kunnen zonder problemen worden voortgezet. Voor de eerstkomende decennia beschikken Oostelijk en Zuidelijk Flevoland over voldoende grondwater om in de drinkwaterbehoefte te kunnen voorzien, ook bij een eventuele maximale groeitaakstelling. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat het waterverbruik per inwoner niet groeit. Gelet op de trend van het gebruik is dit een reëel uitgangspunt. Van de drinkwaterbedrijven wordt verwacht dat zij het verstandig gebruik van drinkwater door afnemers stimuleren en het eigen verbruik terugdringen. Noordelijk Flevoland kan van drinkwater blijven worden voorzien door aanvoer uit Overijssel. Het jaarlijkse drinkwaterverbruik in dit gebiedsdeel zal naar verwachting beperkt groeien. Vanuit Zuidelijk Flevoland wordt grondwater geleverd aan Gelderland en Utrecht. Hierdoor hoeft in onze buurprovincies minder grondwater opgepompt te worden, zodat verdroging in natuurgebieden in die omgeving wordt tegengegaan. In de Omgevingsverordening voor de fysieke leefomgeving is een absoluut verbod opgenomen voor bodemverstoringen binnen de boringsvrije zone. Dit geldt bijvoorbeeld voor grondwateronttrekkingen uit en infiltraties in het diepe zoete grondwater in Zuidelijk Flevoland. Het doel is de bescherming van deze grondwatervoorraad. Vergunde bestaande onttrekkingen uit het diepe zoete grondwater mogen blijven bestaan tot uiterlijk 2025. Nieuwe grondwateronttrekkingen in Zuidelijk Flevoland blijven op basis van een vergunning- of meldingsplicht mogelijk, vooropgesteld dat zij niet putten uit het derde watervoerend pakket. 3.2.3 Kaderrichtlijn Water (KRW)-grondwater In Flevoland ligt één KRW-grondwaterlichaam, Zand Rijn Midden, dat ook deels in de provincies Gelderland en Utrecht ligt. De kwalitatieve en kwantitatieve toestand van het grondwaterlichaam is goed. In Flevoland is het grondwater, mede door de recente ontstaansgeschiedenis, relatief schoon. Ondanks dat er lokaal normoverschrijdingen zijn geconstateerd, voldoet het grondwater in Flevoland wat gewasbeschermingsmiddelen betreft aan de KRW-eisen. Om de kwaliteit van het grondwater en de drinkwatervoorziening op orde te houden en te anticiperen op de mogelijk toekomstige bedreigingen neemt de provincie een aantal maatregelen: Ernstig verontreinigde spoedlocaties (puntbronnen) met een risico voor verspreiding in het grondwater worden in het kader van de Wet bodembescherming aangepakt. Verdachte bodemverontreinigingslocaties nabij kwetsbare objecten (Natura 2000, EHS, zwemwater en oppervlaktewater) worden onderzocht op daadwerkelijke risico’s. In de buurt van de drinkwaterwinningen zijn geen risicovolle puntbronnen aanwezig. De winning Bremerberg onttrekt voor een deel water dat zijn oorsprong heeft in het Veluwemeer. De provincie gaat specifieker monitoren om de risico’s te beheersen. Het Actieplan Bodem en Water is er onder andere op gericht om de belasting van het grondwater door gewasbeschermingsmiddelen te verminderen. Op de kaart Functies en doelen water is aangegeven waar het ondiepe grondwater kwetsbaar is voor dergelijke middelen. Uit onderzoeken blijkt dat de Flevolandse onttrekkingen geen achteruitgang van de totale voorraad zoet grondwater veroorzaken. De voorraad zoet grondwater neemt zelfs enigszins toe. Lokaal zijn er bij agrarische onttrekkingen wel verziltingsverschijnselen. Het gaat om kleinschalige problematiek die veelal door betere informatievoorziening aan de grondwatergebruikers voorkomen kan worden. Dit wordt gedaan in het kader van het Voorzieningenniveau Zoetwater (zie 3.3.2 Waterkwantiteit). 3.3 Oppervlaktewater De provincie streeft naar een robuust watersysteem en naar mooi en schoon water als voorwaarde voor een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. De provincie streeft naar een robuust watersysteem dat optimaal is ingericht om voldoende water te bevatten, zonder te veel risico te lopen op wateroverlast. Het systeem is in staat om variaties in droge en natte periodes op te vangen. In de toekomst neemt de variatie in nattere en drogere omstandigheden toe, zowel in de tijd als in plaats. De wateropgave wordt in Flevoland vooral veroorzaakt door de bodemdaling en in mindere mate door klimaatverandering. Bodemdaling zorgt voor diepere plekken in de polder, waar de grondwaterstand ondieper wordt. Klimaatverandering zorgt voor een grotere kans op zwaardere buien en langere droge periodes. Het beleid van de provincie is erop gericht goede omstandigheden te creëren voor de functies en tegelijkertijd een veerkrachtig systeem te behouden. Dit betekent dat een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden tussen na te streven doelen, maatregelen, maatschappelijke kosten en baten en duurzaamheidsaspecten. Schoon water biedt een belangrijke meerwaarde aan functies als wonen, agrarisch gebruik, recreatie en natuur. Mensen genieten van schoon water en hechten er veel waarde aan om dit voor de toekomst te behouden. Schoon water is ook een economische factor van belang. Water bepaalt mede de kwaliteit van onze leefomgeving, nu en voor toekomstige generaties. De wateropgave betreft niet alleen wateroverlast bij extreme neerslag. Ook in de dagelijkse praktijk doen zich toenemende problemen voor vanwege de geringere drooglegging en daardoor hogere grondwaterstand. De wateropgave voor wateroverlast in de huidige situatie is naar verwachting niet tegen maatschappelijk redelijke kosten op te lossen. Bovendien betekent voldoen aan de normen van de wateroverlast in extreme situaties op te lossen, geen oplossing voor de geringe drooglegging in de dagelijkse situatie. Deze ontwikkelingen maken een heroriëntatie op het beleid nodig. Het streven naar een watersysteem waar maximale ontwikkelingsmogelijkheden binnen de functies het uitgangspunt zijn, is niet overal in Flevoland vol te houden. Microplastics, medicijnresten afkomstig van zowel humaan als veterinair gebruik en resistente bacteriën in oppervlaktewater vormen steeds meer een gezondheidsrisico. Voor deze stoffen is aanvullend (rijks)beleid nodig. De provincie zal daarnaast bij het Rijk blijvend aandacht vragen voor de problemen in grond- en oppervlaktewater als gevolg van de toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 3.3.1 Waterkwaliteit De provincie streeft naar mooi en schoon water als voorwaarde voor een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. De Kaderrichtlijn water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van alle Europese wateren in een goede toestand te brengen en te houden, met een focus op de goede ecologische kwaliteit van oppervlaktewateren. In dit kader zijn uniforme methodieken ontwikkeld om stroomgebieden te karakteriseren, grond- en oppervlaktewaterlichamen te definiëren, doelen af te leiden en monitoringsprogramma’s op te stellen. Bij het afleiden van de ecologische doelen voor het oppervlaktewater is rekening gehouden met de gebiedsspecifieke kenmerken en de ontwikkelingsmogelijkheden van het watersysteem. Dat heeft geleid tot differentiatie van de ecologische normen van de KRW. Als de kwaliteit in gebieden met een gunstige uitgangssituatie wordt behouden en versterkt, kunnen toekomstige provinciebrede (generieke) maatregelen worden beperkt of voorkomen. Voor wateren die niet als KRW-waterlichamen zijn aangewezen zijn nog geen ecologische doelen vastgelegd. Door het ontbreken van deze doelen is er geen toetsings-, afstemmings- of sturingskader (afgezien van 'geen achteruitgang') voor onder meer vergunningverlening en handhaving door het waterschap. Ook voor de stedelijke waterplannen is er behoefte aan een dergelijk kader om eigen ambities te kunnen nastreven. De ecologische doelen voor de overige wateren worden met de betrokken gebiedspartners afgeleid en in 2021 in provinciaal beleid vastgelegd. De methodiek om de doelen af te leiden is landelijk vastgesteld en kent de volgende uitgangspunten: De doelen leiden niet tot een extra monitoringsinspanning, de gegevensverzameling sluit aan bij de huidige monitoringsmeetnetten van de waterschappen. De methodiek is alleen van toepassing op regionale wateren die niet zijn aangewezen als KRW-waterlichaam. Deze categorie wateren en het herstel daarvan blijft buiten de verplichtingen (rapportage, monitoring en realisatietermijn) van de KRW vallen. Bij het afleiden van de doelen wordt gebruik gemaakt van de beschikbare informatie over de (bijzondere) waterkwaliteit zoals aangegeven op de kaart Functies en doelen water de natuurbeheerplannen en de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurgebieden. Alle KRW-relevante informatie over de waterlichamen, inclusief doelen en eventuele maatregelen, zijn door het waterschap, de provincie en Rijkswaterstaat per waterlichaam vastgelegd in een uniforme ‘factsheet’. De factsheets en de daaraan ten grondslag liggende landelijke database vormen de centrale informatiebron om informatie over het vastgestelde beleid te verzamelen en uit te wisselen. De informatie uit de factsheets is door het Ministerie van IenW samengevoegd in het Stroomgebiedbeheerplan Rijndelta 2016-2021, dat ter toetsing aan de Europese Commissie wordt gestuurd. De factsheets voor alle 19 (1 +18) grond- en oppervlaktewaterlichamen in Flevoland vormen een onderdeel van dit omgevingsprogramma en zijn, met de betreffende achtergronddocumenten, beschikbaar op de website www.waterkwaliteitsportaal.nl en in bijlage 1 Factsheet Kaderrichtlijn water grondwater en in bijlage 2 Factsheet Kaderrichtlijn water oppervlaktewater. 3.3.2 Waterkwantiteit De kans op wateroverlast wordt onder andere bepaald door de hoogteligging van een gebied en de mogelijkheid om water te bergen. Vooral de gebiedsdelen die door bodemdaling lager liggen dan de omgeving hebben een beperkte drooglegging en zijn daarmee gevoelig voor wateroverlast. Bodemdaling is een natuurlijk proces na de inpoldering van een gebied. Gelet op de veiligheid en bewoonbaarheid van het gebied en de waterhuishouding wordt de daling van het maaiveld verminderd. Het verlagen van peilen in bodemdalingsgebieden past daarom niet bij een robuust watersysteem. Onderbemalingen zijn onomkeerbare ingrepen die leiden tot een versnippering van het watersysteem, extra snelle bodemdaling, extra kwel en daarmee mogelijk tot een verslechtering van de waterkwaliteit. Bovendien leiden onderbemalingen tot afwenteling van de wateropgave op de rest van de polders. In gebieden die voor maaivelddaling gevoelig zijn, dient het waterbeheer zodanig uitgevoerd te worden dat de daling zo gering mogelijk is. Op lange termijn is mogelijk ook een overgang naar een ander landgebruik gewenst. Dit is aanleiding om de Flevolandse norm voor wateroverlast te heroverwegen. Het optimaliseren van de ontwatering op de percelen door middel van drainage is een eigen verantwoordelijkheid van de agrariërs. De formele wateropgave wordt bepaald door het deelgebied dat niet aan de inundatienorm voldoet. In bodemdalingsgebieden is er echter een sterk verband tussen overlast door beperkte drooglegging (en hoge grondwaterstanden) en inundatie. Om de wateropgave op duurzame wijze op te lossen, is het belangrijk om de sterke punten van het Flevolandse watersysteem te behouden. Daarvoor hanteert de provincie de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Deze methode kent de volgende uitgangspunten (zie ook bijlage 3 Uitwerking kaders wateropgave): Behoud van de grote peilvakken is gunstig voor horizontale berging. Een grote drooglegging is gunstig voor de verticale berging. Vasthouden waar het kan, bergen waar haalbaar, afvoeren waar het moet. Houd bij afwentelen rekening met de kwaliteit van het ontvangende water. Compenseer toenemende verharding. Versnipperen van het watersysteem en een lokaal hoog peil zijn soms nodig. Provincie en waterschap hanteren voor de korte termijn een tweesporenaanpak voor het bodemdalingsgebied in de Noordoostpolder: Provincie, waterschap en LTO-Noord voeren het Actieplan Bodem en Water uit om ervaring op te doen met een duurzame bedrijfsvoering in de bodemdalingsgebieden. Het waterschap neemt duurzame maatregelen die op korte termijn genomen kunnen worden om de kans op wateroverlast te verkleinen. Hoewel deze maatregelen de wateropgave niet volledig kunnen oplossen, kunnen ze deze wel beperken. Watersysteemtoetsing Het waterschap heeft het watersysteem in 2012 getoetst (zie kaart Wateropgave). Op dit moment voldoet zo’n 99% van het provinciale grondgebied aan de Flevolandse norm. In Zuidelijk en Oostelijk Flevoland zijn op korte termijn (tot 2024) geen maatregelen nodig. Voor Noordelijk Flevoland ligt de situatie anders. Net als tijdens de vorige watersysteemtoets in 2006/2007 is hier sprake van een wateropgave: in de huidige situatie met een omvang van 170 hectare en in 2024 naar verwachting zo'n 600 hectare. Voor het zichtjaar 2050 wordt in de bodemdalingsgebieden in geheel Flevoland een verdere toename verwacht (kaart Bodemdaling). Ook in Zuidelijk Flevoland (bij Almere) wordt dan een wateropgave berekend. Watertekort Om zoetwatergebruikers (gemeenten, agrariërs) duidelijkheid te geven over wat ze mogen verwachten in normale en droge situaties wordt als uitvloeisel van het Deltaprogramma een Waterbeschikbaarheidsplan opgesteld. Rijk, provincies en waterschappen leggen daarin vast tot waar hun verantwoordelijkheden en inspanningen gaan. Dit biedt gebruikers inzicht in wat zij zelf moeten doen en biedt hen de kans om hierop in te spelen, bijvoorbeeld met investeringen, innovatie of acceptatie. Het Waterbeschikbaarheidsplan kan tevens een bijdrage leveren aan het vergroten van het zoetwaterbewustzijn, zuinig watergebruik en kan invloed hebben op de ruimtelijke ordening. Voor het IJsselmeergebied komt een gebiedsdekkende afspraak over de waterbeschikbaarheid tot stand. De waterbeschikbaarheid is uiterlijk in 2021 geïmplementeerd. Voor watertekorten in extreem droge jaren vindt verdeling van het beschikbare rijkswater plaats conform de landelijke verdringingsreeks. Flevoland is, met uitzondering van enkele van de droogste dagen, netto waterleverancier voor de rijkswateren. Bij de afweging over waterverdeling wordt naast de watervraag ook het wateraanbod betrokken. Dit betekent voor Flevoland dat in toekomstige watertekort situaties altijd de actuele uitgemalen hoeveelheden worden betrokken. Daarbij wordt rekening gehouden met de gevolgen van het eventueel korten van inlaatwater op de waterkwaliteit van de Veluwerandmeren en op de grondwateronttrekking voor de drinkwatervoorziening bij Bremerberg. Ook onder normale omstandigheden kan de behoefte bestaan water van elders aan te voeren. Vanuit het streven om robuustere watersystemen te creëren, wil de provincie dat zo weinig mogelijk water wordt aangevoerd. Hierbij wordt de trits vasthouden-bergen-aanvoeren gehanteerd. Bij wateraanvoerprojecten dient te worden gekeken naar de noodzaak voor het gebruik en besparingsmogelijkheden. Daarnaast is optimale benutting van het lokale oppervlaktewatersysteem van belang. Tot slot kan grondwater mogelijk als alternatief ingezet worden. 3.4 Waterveiligheid Flevoland is en blijft goed beschermd tegen overstromingen door de sterke dijken die bij de inpoldering zijn gebouwd. Het doel is een basisveiligheid voor iedereen achter de dijk en het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting. Het Rijk kiest ervoor het gemiddeld winterpeil in het IJsselmeer tot 2050 niet mee te laten stijgen met de zeespiegel. Waterafvoer naar de Waddenzee wordt veiliggesteld door middel van een combinatie van pompen en spuien. De provincie Flevoland gaat er van uit dat spuien en pompen ook op langere termijn, na 2050, de oplossing bieden voor de verwachte zeespiegelstijging. Ontwikkelingen in bijvoorbeeld techniek, klimaat en maatschappij kunnen ervoor zorgen dat de toekomst er anders uit gaat zien. Hierdoor kan een winterpeilstijging in het IJsselmeer toch aan de orde blijken. De provincie zal bij ontwikkelingen op en bij de dijken initiatiefnemers wijzen op deze onzekere toekomst. Afhankelijk van het initiatief kan dan worden bekeken hoe hierop geanticipeerd wordt. Voor het Markermeer, IJmeer en de Randmeren is een stijging niet aan de orde. Deze ontkoppeling is vastgelegd in het Nationaal Waterplan. Een eventuele waterstandsverandering van het IJsselmeer heeft hierdoor geen effect op de belasting van de betreffende waterkeringen. De meerlaagsveiligheidbenadering werkt in drie ‘lagen’ aan de bescherming tegen overstromingen. De eerste laag is preventie door dijken: het voorkómen van een overstroming. Een overstroming is echter nooit uit te sluiten. De tweede en derde laag zijn dan ook gericht op het beperken van de gevolgen van een overstroming. De tweede laag richt zich op het realiseren van een duurzame ruimtelijke inrichting. De derde laag betreft de organisatorische voorbereiding op een mogelijke overstroming (rampenbeheersing). Dijken zijn de belangrijkste bescherming voor de Flevolandse polders. Vanwege de grote overstromingsdiepte en de bestaande bebouwing op polderniveau biedt de ruimtelijke inrichtingslaag weinig mogelijkheden als het erom gaat de bedreiging vanuit het buitenwater het hoofd te bieden. In de buitendijkse gebieden zijn er door de hoge ligging wel kansen voor de meerlaagsveiligheid. Op het gebied van rampenbestrijding wil de provincie optimale benutting van de huidige mogelijkheden stimuleren. Organisatie van rampenbestrijding blijft altijd nodig omdat de polders onder zeeniveau liggen. De goede bescherming door de dijken zorgt voor een kleine kans op een overstroming. Grote investeringen in middelen voor rampenbestrijding liggen hierom niet voor de hand. Flevoland dient uiteraard wel voorbereid zijn op de vraag wat er gedaan kan worden als het toch misgaat. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de Veiligheidsregio en is de zelfredzaamheid van burgers een aandachtspunt. 3.4.1 Primaire waterkeringen Naast het bieden van bescherming wil de provincie ook ontwikkelingen op- en rond primaire waterkeringen mogelijk maken vanuit maatschappelijke wensen of opgaven. Flevoland wil zijn dijken veilig houden en in de toekomst versterken. Tegelijkertijd bestaat er een brede wens vanuit diverse belanghebbenden om de kustzone rondom de dijken ruimtelijk en economisch te ontwikkelen. De provincie Flevoland wil werken aan synergie bij dijkversterkingen. Het verbreden van de opgave door andere belangen aan deze projecten te koppelen is belangrijk voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Flevoland, waarbij de veiligheid uiteraard te allen tijde gegarandeerd moet blijven. Door samenwerking kunnen bestaande ideeën groeien naar reële projecten, en ontstaan win-win situaties waarin waterveiligheid en andere maatschappelijke doelen elkaar versterken. De provincie vindt het daarom belangrijk dat de initiatiefnemer afweegt of andere plannen, maatregelen of doelen in de regio meegenomen kunnen worden in een integrale oplossing voor een dijkversterking. Voor het aanpassen of versterken van de primaire waterkeringen stelt de beheerder een projectplan op dat moet worden goedgekeurd door de provincie. Bij deze goedkeuring toetst de provincie het plan aan de wettelijke eisen en het algemeen belang. 3.4.2 Regionale waterkeringen De provincie wil meer ruimte bieden voor creatieve ruimtelijke oplossingen voor waterveiligheid, gebaseerd op de meerlaagsveiligheid. Tegelijkertijd dienen hoogwaterrisico’s serieus te worden meegewogen. Het proces en de verantwoordelijkheden zijn hierbij helder. De waterkerende voorzieningen rond de bestaande buitendijkse gebieden met bebouwing zijn door de provincie in de Omgevingsverordening aangewezen als regionale waterkering. Hierin zijn ook de bijbehorende normen vastgelegd. Voor nieuwe buitendijkse gebieden gelden de volgende uitgangspunten: De provincie legt alleen veiligheidsnormen vast voor grootschalige, vitale en/of kwetsbare functies in buitendijkse gebieden; Voor de overige functies in buitendijkse gebieden faciliteert de provincie gemeenten en initiatiefnemers door een risicobeoordelingssystematiek ter beschikking te stellen. Zie ook bijlage 4 Nadere uitwerking buitendijkse waterveiligheid 3.5 Waterketen Op grond van het Bestuursakkoord Water werken gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven intensief samen in de waterketen. De verantwoordelijkheid voor de doelmatigheid en efficiency van de waterketen ligt in beginsel bij deze partijen. Ten aanzien van de duurzaamheid en de robuustheid van de waterketen heeft de provincie waar nodig de rol van gebiedsregisseur. 4 Natuur De provincie is op basis van de wet Natuurbescherming verantwoordelijk voor de bescherming en instandhouding van de (internationale) natuurwaarden in de provincie. Door de ligging is Flevoland een belangrijke schakel tussen waterrijke gebieden in Utrecht, Noord-Holland, Gelderland, Overijssel en Friesland. De grote wateren de kustzones en de moerassen zijn belangrijke pleisterplaatsen voor watervogels op internationale trekroutes. Flevoland is van internationaal belang voor het voortbestaan van een groot aantal (vogel-soorten). Ook de bosgebieden langs de oostrand van Flevoland hebben een hoge en bijzondere biodiversiteit. De omvang en groeikracht van de Flevolandse bossen is bovendien zo groot dat Flevoland een groot deel van de Nederlandse houtoogst realiseert. 4.1 Natuurgebieden Beschermde gebieden Het fundament van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Natura 2000-gebieden. Deze beschermde gebieden vormen een robuust, samenhangend netwerk van natuurgebieden, dat voldoende leefruimte biedt voor soorten en waarden die karakteristiek zijn voor de Flevolandse natuur. De provincie zet daarnaast in op meer bekendheid en toegankelijkheid van de Flevolandse natuur. De doelen zijn dat de natuurgebieden aantrekkelijk zijn, beleefbaar voor verschillende doelgroepen en bereikbaar voor iedereen. 4.1.1 Natura 2000 gebieden Ongeveer de helft van Flevoland; de Oostvaardersplassen, de Lepelaarplassen en vrijwel alle grote wateren, is aangewezen als speciale beschermingszone onder de Europese Vogelrichtlijn en maakt deel uit van het internationale natuurnetwerk Natura 2000.De provincie is bevoegd gezag voor vergunningverlening en handhaving op grond van de Wet Natuurbescherming en voor het opstellen en uitvoeren van beheerplannen voor de binnendijks gelegen gebieden. De uitvoering in het gebied vindt idealiter plaats door de beheerder. Het beheerplan is een belangrijk hulpmiddel voor het beschermen van de natuur in de Natura 2000-gebieden. In het beheerplan staat wat de natuurdoelen zijn en of, en zo ja, hoe deze gecombineerd kunnen worden met menselijke activiteiten zoals visserij, recreatie en scheepvaart. Het beheerplan is daarmee een afwegingskader voor vergunningverlening. Het N2000-beheerplan bevat maatregelen om de natuurdoelen te realiseren. De Flevolandse N2000-gebieden zijn: De Oostvaardersplassen; De Lepelaarplassen; Het Vollenhovermeer als onderdeel van Natura 2000 gebied Wieden/Weerribben; Het IJsselmeergebied, bestaande uit de deelgebieden Markermeer & IJmeer, Zwarte Meer, Ketelmeer & Vossemeer, Veluwerandmeren, Eemmeer & Gooimeer Zuidoever en IJsselmeer. 4.1.1.1. Oostvaardersplassengebied Het Oostvaardersplassengebied is een bijzonder natuurgebied, tussen de stedelijke gebieden van Almere en Lelystad. Het is aangewezen als Natura 2000-gebied voor verschillende Vogelrichtlijnsoorten. In het gebied zijn groepen runderen, paarden en herten geïntroduceerd en die hebben de ruimte gekregen om zich op een natuurlijke wijze te ontwikkelen tot omvangrijke kuddes. Het is tegelijkertijd ook een maatschappelijk omstreden gebied vanwege juist de omvang van de kuddes en de sterfte die tijdens een aantal winterperiodes onder deze grote grazers heeft plaatsgevonden. In 2018 is een nieuw beleidskader vastgesteld voor het beheer van de Oostvaardersplassen. Zie bijlage 5 Beleidskader voor het beheer van de Oostvaardersplassen De maatregelen in het beleidskader richten zich op herstel van de optimale condities voor de realisatie van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen voor de Vogelrichtlijnsoorten. Het is ook gericht op het verminderen van de begrazingsdruk in het kerngebied. Daardoor zullen vegetatietypen en -structuren zich herstellen. Dat heeft ook effect op de landschapswaarden in het gebied. Vermindering van de begrazingsdruk en realisatie van beschuttingsmogelijkheden dragen bij aan een goede borging van het dierenwelzijn. 4.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Doel van het NatuurNetwerk Nederland (NNN) is de realisatie van een robuust landelijk samenhangend netwerk van natuurgebieden dat voldoende (leef-ruimte) biedt voor soorten en waarden die karakteristiek zijn voor de Nederlandse natuur. Daarnaast dient dit netwerk beleefbaar te zijn voor mensen en bij te dragen aan het maatschappelijk welzijn. In de Omgevingsverordening is de begrenzing van het Flevolandse Natuurnetwerk vastgelegd. Zie kaart Natuur en de site http://ehs.flevoland.nl/. Dit netwerk bestaat uit een groot aantal kerngebieden en onderlinge verbindingen. In Flevoland hebben de meeste tochten en vaarten een verbindende functie. Aanvullend hebben Gedeputeerde Staten de wezenlijke kenmerken en waarden van het netwerk aangewezen. Het is vervolgens aan gemeenten om voor de begrensde NNN-gebieden een passende bestemming op te nemen in hun eigen beleid. De natuurwetgeving hanteert binnen het NNN een 'nee, tenzij'-regime; nieuwe activiteiten zijn niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan geen schade ondervinden. De provincie Flevoland gaat zoveel mogelijk uit van een ja, mits- of een ja, want-benadering. De provincie maakt hiervoor gebruik van een systeem van saldobenadering en principes van natuurinclusief ontwerp. Uitgangspunt daarbij is dat maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen zodanig worden vormgegeven dat deze elkaar niet belemmeren, maar versterken. Dit is nader uitgewerkt in bijlage 6 Spelregels EHS Als een (ruimtelijk) initiatief desondanks gevolgen heeft voor het functioneren van het NNN ontstaat er een compensatieverplichting. Hierbij is de intiatiefnemer verplicht om de door de provincie opgelegde compensatie-opgave te realiseren. Eigenaren en beheerders van de natuurgebieden komen in aanmerking voor beheersubsidie op basis van de Subsidieverordening Natuur en Landschapsbeheer Flevoland. De voorwaarden en mogelijkheden zijn uitgewerkt in het Natuurbeheerplan Flevoland. 4.1.3 Natuur buiten Natuurnetwerk Voor het versterken van de samenhang in het NatuurNetwerk zijn ook de natuurwaarden buiten de beschermde gebieden van belang. Hoe groter de afstand tussen de kerngebieden des te groter het belang van tussentijdse stapstenen die als tijdelijk rustgebied kunnen fungeren. Dit kunnen bijvoorbeeld landschapselementen zijn, natuurvriendelijk ingerichte akkerranden, wegbermen of dorpsbossen. Naast de ecologische waarde dragen deze elementen ook bij aan de landschappelijke aantrekkelijkheid van Flevoland. 4.1.3.1 Agrarisch natuurbeheer Agrarisch natuurbeheer richt zich op het versterken van de natuurwaarden van het agrarisch gebied. Agrariërs krijgen de mogelijkheid om met subsidie gerichte beheermaatregelen te treffen. Deze worden vooral ingezet ten gunste van soorten van internationaal belang. Vanuit het oogpunt van effectiviteit en efficiëntie wordt een collectieve werkwijze gehanteerd. De beheerdoelen en voorwaarden zijn uitgewerkt in het Natuurbeheerplan Flevoland. 4.1.3.2 Landgoederen 'Klassieke' landgoederen komen door de recente ontstaansgeschiedenis in Flevoland niet voor. Ook zijn er weinig particuliere beheerders van bos- en natuurterreinen. Doordat particulieren vanuit passie en eigen inzichten bepaalde accenten aanbrengen kunnen landgoederen vaak wel een toegevoegde (belevings)waarde krijgen. De provincie ziet daarom naast de terreinbeherende organisaties ook graag initiatieven van particuliere beheerders. Er bestaan fiscale faciliteiten voor landgoederen op basis van de Natuurschoonwet. Om hiervoor in aanmerking te komen moet de eigenaar zijn landgoed laten ‘rangschikken’. De provincie adviseert (samen met Belastingdienst) over een verzoek om rangschikking aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die de Natuurschoonwet uitvoert. De provincie wil ruimte bieden voor de realisatie van nieuwe landgoederen die het NatuurNetwerk Nederland (NNN) versterken, bijdragen aan aantrekkelijke en beleefbare natuur of ruimte bieden aan een kleinschaliger verweving van functies in een overgangszone tussen natuur en agrarisch gebied of tussen stad en platteland. Een landgoed vormt een versterking voor het Natuurnetwerk als het een gat in het netwerk dicht, verbindingen versterkt of aansluit op smalle gedeelten. Een landgoed is aantrekkelijk door de combinatie van bos, natuur en landschapselementen al dan niet in combinatie met een landhuis en andere vormen van grondgebruik. Door een landgoed open te stellen voor publiek is het beleefbaar. Een landgoed is een esthetische eenheid van minimaal 5 hectare groot die voor ten minste 30% uit bos of natuurterrein bestaat. . Op een landgoed mag één (woon)gebouw van allure worden gerealiseerd, met maximaal drie wooneenheden per (woon)gebouw. Het landgoed wordt ontsloten en opengesteld voor publiek. Het gebruik van het landgoed mag niet ten koste gaan van de ontwikkeling van de bos- en natuurterreinen of de aantrekkelijkheid van het landgoed. Gemeenten bepalen in het ruimtelijk beleid waar nieuwe landgoederen kunnen worden toegestaan en besteden daarbij aandacht aan een goede landschappelijke inpassing. Naast landgoederen hebben gemeenten de mogelijkheid om hoogwaardige woonmilieus te realiseren in de vorm van nieuwe buitenplaatsen. Hierbij kan gedacht worden aan woningen van allure in een parkachtige setting. Uitgangspunt is een woningdichtheid van maximaal één woning per hectare en een oppervlakte die voor ongeveer 30% uit bos, natuur of groenvoorziening bestaat die opengesteld is voor publiek. Voor deze vorm van wonen ziet de provincie mogelijkheden in de overgangszone van het stedelijk naar het landelijk gebied aansluitend aan de kern. De provincie acht de ontwikkeling van landgoederen en buitenplaatsen ook mogelijk op (voormalige) agrarische bouwpercelen, mits dit niet ten koste gaat van de esthetische eenheid en het natuurschoon van het te ontwikkelen landgoed of de buitenplaats. Dit mag echter niet leiden tot solitaire woonclusters (zie 1.1 Stedelijk gebied) 4.2 Soorten 4.2.1 Beschermde soorten Bestaande populaties van in het wild levende soorten planten en dieren worden beschermd op grond van de wet Natuurbescherming. De provincie kan daarvan ontheffingen of vrijstellingen verlenen. Dit is uitgewerkt in de Wet Natuurbescherming en de Omgevingsverordening Flevoland. 4.2.1.1 Schadesoorten In de Omgevingsverordening heeft de provincie aangegeven voor welke beschermde soorten vrijstellingen zijn gegeven en welke eisen de provincie stelt aan een faunabeheerplan. Bij de afweging wordt gekozen voor een werkwijze die voldoende garanties geeft dat de soort duurzaam in Flevoland kan voortbestaan en tegelijkertijd mogelijkheden biedt voor ruimtelijke ontwikkelingen. Gekeken wordt onder andere naar de mate waarin de soort voorkomt, de maatregelen die de grondgebruiker heeft genomen om schade te voorkomen, het maatschappelijk belang van de ruimtelijke ingreep en de openbare veiligheid. 4.2.1.2 Actief stimuleren leefgebieden De provincie wil soorten beschermen via een leefgebiedenbenadering. Daartoe heeft de provincie in overleg met gebiedspartners uitwerkingen gemaakt van de leefgebieden moeras, grote wateren en kustzone. Deze bieden een basis voor concrete uitvoeringsmaatregelen. Voor strikt beschermde, maar in Flevoland algemeen voorkomende soorten, realiseert de provincie maatwerk, zoals het rugstreeppaddenmanagementplan. In samenspraak met initiatiefnemers wordt ernaar gestreefd om bij nieuwe ontwikkelingen het principe van natuurinclusief ontwerp te hanteren. Dit houdt in dat nieuwe projecten zo worden uitgevoerd dat de natuurwaarden er geen schade van ondervinden, maar eerder profijt ondervinden van de nieuwe maatregelen. 4.2.2 Exoten De provincie volgt hiervoor het landelijke beleid. 4.2.3 Houtopstanden Een van de doelen van de wet Natuurbescherming is dat de oppervlakte van houtopstanden in Nederland niet achteruit gaat. Daarbij is de kwaliteit van de houtopstanden van belang. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om dat de houtopstand de functies voor natuur, landschap, houtproductie en recreatie in zekere mate evenwichtig kan vervullen. Gelet op deze punten, wordt het begrip 'bosbouwkundig verantwoord', breed uitgelegd. Het gaat niet alleen om de houtteeltkundige kwaliteit van de houtopstand, maar ook om de natuur- en landschappelijke waarde. Het is verplicht om velling van houtopstanden bij de provincie te melden. In de Omgevingsverordening is uitgewerkt welke eisen worden gesteld aan herplant en in welke situaties een vrijstelling mogelijk is. 4.3 Vermaatschappelijking De provincie wil inspiratie en ruimte bieden aan gebiedspartijen en particulieren om samen te werken aan de kwaliteit van Flevoland. Bij gebiedsontwikkeling vormt de natuurkwaliteit onderdeel van de planvorming. Hiervoor hanteert de provincie een ‘ja-mits-benadering’. Het uitgangspunt is dat maatschappelijke en economische ontwikkelingen zo vorm krijgen dat ze de ecologische ontwikkelingen niet belemmeren maar versterken. De provincie is bij uitstek de bestuurslaag om de maatschappelijke, economische en ecologische opgaven aan te gaan met kennis van en gevoel voor lokale omstandigheden. Gebiedspartners worden uitgenodigd en uitgedaagd om kansen uit te werken. Daarbij ziet de provincie mogelijkheden voor partijen en sectoren die niet direct verantwoordelijk zijn voor de natuur. Deze kunnen de functies die de natuur biedt, duurzaam benutten. Het programma Nieuwe Natuur is een voorbeeld van de nieuwe rol; de wijze waarop de provincie initiatieven stimuleert, faciliteert en soms bijstuurt vanuit de verantwoordelijkheden voor behoud en bescherming van de natuurwaarden. 4.3.1 Nationaal Park De provincie wil samen met zes partijen Nationaal Park Nieuw Land ontwikkelen. Nieuw Land biedt grote kansen – niet alleen voor de natuur en natuurbeleving , maar bijvoorbeeld ook voor de stedelijke omgeving. De inzet is een Nationaal park van wereldklasse. Hiervoor wordt ondermeer gewerkt aan de ecologische ontwikkeling, de ruimtelijke structuur, duurzaamheid, onderzoek, educatie, marketing en communicatie, organisatie, financiën en planning. In 2018 heeft de minister van LNV de status van Nationaal Park toegekend. 4.3.2 Nieuwe Natuur Met het programma Nieuwe Natuur streeft de provincie ernaar om de natuur te versterken, en uit te breiden en om de beleefbaarheid en de functionaliteit ervan te stimuleren. De provincie hecht belang aan de inbreng en inzet van een grote groep gebiedspartners. Voor Nieuwe Natuur zijn ondernemers, bewoners, terreinbeherende organisaties en gemeenten uit Flevoland uitgenodigd om ideeën te leveren en samen met anderen en de provincie tot uitvoering te brengen. Als gebiedsregisseur probeert de provincie een brede betrokkenheid te realiseren en een actieve inzet van nieuwe, brede coalities. De provincie faciliteert de initiatiefnemers bij de uitwerking van projecten. De keuze voor projecten en de beschikbaarheid van budgetten zijn in december 2014 toegewezen door Provinciale Staten. Projectindieners zijn verantwoordelijk voor realisatie en beheer van hun project. Afspraken worden vastgelegd in respectievelijk een intentie-overeenkomst en een realisatieovereenkomst. 5 Milieu en Bodem 5.1 Geluid Het stiltebeleid van de provincie heeft tot doel voor de rustzoekende mens de aanwezige relatieve stilte in enkele gebieden voor de volgende generatie te behouden 5.1.1 Stiltebeleid De provincie heeft in de Omgevingsverordening Flevoland de stiltegebieden Kuinderbos, Roggebotzand en Horsterwold aangewezen zie ook de kaart Stiltegebieden, geluidzones en zoekgebieden, waar de geluidbelasting maximaal 35 dB(A) bedraagt. Die waardevolle stilte wordt beschermd. Om de relatieve stilte in het merendeel van het landelijk gebied te behouden, wordt bij nieuwe geluidsbronnen bundeling met bestaande geluidsbronnen nagestreefd. Bij de beoordeling van de hinder voor de omgeving wordt rekening gehouden met cumulatieve effecten. 5.1.2 Geluid langs provinciale wegen Het Flevolandse geluidsbeleid is erop gericht de huidige relatief gunstige situatie te behouden. De provincie gaat er van uit dat gemeenten terughoudend zijn in het toestaan van een hogere geluidbelasting op de gevel van woningen. Bij het maken van stedenbouwkundige ontwerpen van nieuwbouwlocaties dienen de kansen te worden benut om overschrijdingen van de wettelijke voorkeursgrenswaarde te voorkomen. Door de afstand tussen de weg en de woningen kan een gunstige uitgangsituatie voor een lage geluidsbelastingen van woningen worden behouden. Als dit door de toenemende mobiliteit niet meer mogelijk is, kan de provincie - waar effectief en kosteneffectief - maatregelen treffen om bij de inpassing van een weg rekening te houden met de ligging in haar omgeving. Het beleid wordt nader uitgewerkt in het Actieplan geluid 2018 (in voorbereiding). Zie ook 7.3.5 Leefbaarheid en Duurzaamheid voor het mobiliteitsbeleid over geluid. 5.1.3 Industrieel lawaai Lawaaiproducerende buitensporten zijn aan regels gebonden. Nieuwe vormen mogen plaatsvinden binnen de huidige daarvoor aangewezen inrichtingen. Uitbreiding van lawaai producerende buitensporten is mogelijk in het gebied bij luchthaven Lelystad en het Aviodrome. 5.1.4 Luchtvaart Dit beleid bevat de kaders waaraan moet worden voldaan indien de provincie een luchtvaartbesluit of – regeling vaststelt en bij de beoordeling van aanvragen in het kader van de Wet Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens (RBML). Naast Luchthaven Lelystad zijn er in Flevoland twee zweefvliegterreinen en één bedrijfsgebonden helihaven waarvoor de provincie bevoegd gezag is. Met deze bestaande terreinen kan worden voorzien in de vraag naar luchthavens. In de bijzondere situatie voor amfibieluchtvaartuigen, waarvoor een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet is afgegeven, is ook een luchthavenregeling vastgesteld. Voor nieuwe luchthaventerreinen moet een luchtvaartbesluit of – regeling worden opgesteld. Een luchthaventerrein mag niet binnen de 'uitsluitingsgebieden luchtvaartterreinen' liggen. Dit zijn: Natuurgebieden (Natura 2000 en NNN) met een beschermingszone van 500 meter; Stiltegebieden met een beschermingszone van 1500 meter; Grote en kleine kernen (gebouwde omgeving) met een beschermingszone van 500 meter. In verband met de mogelijke verstoring van broedvogels is ongemotoriseerde en gemotoriseerde luchtvaart niet toegestaan tijdens het broedseizoen, tenzij de aanvrager kan aantonen dat er geen strijdigheid is met de Wet natuurbescherming. Landen en opstijgen tijdens de nachtperiode is in de provincie Flevoland niet toegestaan. Dit geldt niet voor traumavluchten. Als wettelijke bepalingen dit vereisen dient een ruimere zone te worden aangehouden. Uitgangspunt is dat de zone in elk geval niet kleiner wordt dan 500 meter. Uitgezonderd van deze regeling zijn helihavens, waarvan de vestiging ingepast kan worden op gezoneerde industrieterreinen. Terreinen die maximaal 12 dagen per jaar worden gebruikt voor het starten en landen van luchtvaartuigen vallen onder tijdelijke en uitzonderlijk gebruikt (TUG). Ook bij deze terreinen kunnen er verstoringen optreden. Daarom gelden de uitgangspunten die gehanteerd worden bij een structureel gebruik in principe ook voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik. In afwijking van het afwegingskader voor structureel gebruik gelden de beperkingen niet voor: Kernen (inclusief de zone van 500 meter daar omheen); De zone van 500 meter rond de ecologische verbindingen; De zone van 500 meter rond natuurgebieden nabij grote dagrecreatieve voorzieningen. De aanvrager dient aan te tonen dat de beoogde luchtvaartactiviteiten geen negatieve effecten hebben op de leefomgevingkwaliteit van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bij besluiten voor ontheffing van het verbod met een luchtvaartuig op te stijgen of te landen buiten een luchthaventerrein geldt de Beleidsregel ontheffing voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik (TUG). 5.2 Luchtkwaliteit De provincie volgt het landelijke beleid. 5.3 Licht Flevoland is een relatief donkere provincie. Toch is er ook in Flevoland hinder van reclame- en kasverlichting. Het aantal potentieel hinderlijke lichtbronnen neemt toe. Het aantal inwoners van Flevoland dat zich vaak stoort aan licht in de directe woonomgeving (in 2004 11%) mag niet toenemen. De toename van kunstlicht in Flevoland is specifiek aan de orde in de kassengebieden Almere-De Vaart en Luttelgeest. Hinder door verlichting uit kassen wordt vooral via landelijke regelgeving aangepakt. De provincie ondersteunt en stimuleert innovaties op dit gebied, mede in relatie tot energiebesparing. Bij de uitvoering van eigen werken en bij de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer is het uitgangspunt dat terughoudend gebruik gemaakt wordt van verlichting. 5.3 Geur De provincie wil geurhinder voorkomen door hieraan bij planontwikkeling expliciet aandacht aan te besteden in het belang van de kwaliteit van het woon- en leefmilieu. Tussen een geurbron en woningen dient voldoende afstand te worden aangehouden. Als de noodzakelijke afstand niet gerealiseerd kan worden, moeten maatregelen worden genomen die geurhinder beperken. De mate waarin geurhinder acceptabel is, is afhankelijk van de gevoeligheid van de omgeving. Dit wordt beoordeeld bij de vergunningverlening en bij de toetsing van ruimtelijke plannen. De provincie heeft de praktische toepassing van het geurbeleid uitgewerkt in de beleidsregels voor de beoordeling van geur in de milieuvergunning en de ruimtelijke ordening. Nieuwe woongebieden en andere bestemmingen waar gedurende langere tijd grotere aantallen mensen aanwezig zijn (kampeerterreinen, ziekenhuizen, winkelcentra) worden als geurgevoelig beschouwd. Het uitgangspunt is dat de geurbijdrage van een specifieke geurbron zodanig laag moet zijn dat er geen nieuwe geurhinder ontstaat. In bestaande geurhindersituaties wordt binnen de wettelijke mogelijkheden gesaneerd door aanpak bij de bron. Het onderwerp geur is nader uitgewerkt in de beleidsregel voor de beoordeling van geurhinder 2008. 5.4 Omgevingsveiligheid De provincie volgt het landelijke beleid. 5.5 Beschermen bodemkwaliteit Bij de afweging of een ingreep duurzaam is, staat primair de notie 'beschermen gaat voor benutten' centraal. Daarnaast gaat het gebruik van hernieuwbare bronnen (grondwater, warmte) boven eenmalig gebruik (delfstoffen, permanente opslag). Ook gaat het benutten van de ondergrond ten behoeve van duurzaamheidsdoelen voor economisch gewin. Het proces naar implementatie van duurzaam gebruik van de ondergrond is te beschouwen als een transitieopgave. Deze transitieopgave is tweeledig: enerzijds gaat het om de overgang van saneren naar duurzaam beheer van de ondergrond. Anderzijds betreft het de overgang van ‘de ondergrond als black-box’ naar vroegtijdig benutten van bodemkennis. Ingrepen die onvermijdelijk leiden tot onomkeerbare negatieve gevolgen voor bodem en ondergrond zijn alleen toegestaan bij (onomstotelijk vaststaand) zwaarwegend maatschappelijk belang en alleen wanneer er tenminste compensatie van de geleden schade in het gebied plaatsvindt. 5.5.1 Nazorg stortplaatsen Op basis van de Wet milieubeheer heeft de provincie de verantwoordelijkheid voor de nazorg van stortplaatsen die na 1 september 1996 zijn gesloten. Voor de dekking van bij de nazorg behorende kosten wordt een objectgebonden heffing gehanteerd. De berekening van de hoogte van de heffing vindt plaats op basis van de door de stortplaatsexploitanten opgestelde nazorgplannen. De nazorgplannen worden getoetst aan de IPO-checklist nazorgplannen stortplaatsen. De berekening van het doelvermogen gaat via het Rekenmodel IPO Nazorg Stortplaatsen (RINAS). De provincie ziet erop toe dat voor de stortplaatsen Braambergen, Zeeasterweg en de stortlocatie voor baggerspecie IJsseloog een nazorgplan wordt opgesteld. 5.5.2 Bodem en grondwatersanering De Provincie Flevoland heeft een relatief schone bodem. Er zijn geen aanwijzingen voor diffuse verontreinigingen (Bodemkwaliteitskaart gemeenten Almere, Dronten, Lelystad, Noordoostpolder, Urk en Zeewolde 13 juli 2018). Bij bodemsanering wordt voor de terugsaneerwaarden aangesloten bij de generieke dan wel gebiedsspecifieke waarden die op grond van het Besluit bodemkwaliteit zijn vastgesteld. De Provincie Flevoland heeft echter altijd de mogelijkheid om hiervan af te wijken en gemotiveerd te kiezen voor een terugsaneerwaarde op basis van de toekomstige bestemming of de daadwerkelijke functie. Het doel is dat de bodemkwaliteit in 2025 in Flevoland voldoende is om de actuele gebruiksvormen en gebruiksfuncties van bodem en ondergrond langdurig te faciliteren. Er is veel kennis hierover ontwikkeld. De nu bekende bodemverontreinigingen en grondwaterverontreinigingen zijn gesaneerd of voldoende beperkt. Er zijn geen actuele risico’s voor de mens of het ecosysteem of voor verspreiding via grond- of oppervlaktewater. Ten opzichte van 2013 zijn er geen nieuwe spoedlocaties bij gekomen. Zie ook 3.2.1 Grondwateronttrekkingen en 3.2.3 Kaderrichtlijn Water (KRW)-grondwater 5.6 Benutten bodem De provincie streeft ernaar dat inwoners, bedrijven en overheden de ondergrond in 2025 op een bewuste, duurzame manier gebruiken bij de invulling van de maatschappelijke opgaven. De kwaliteiten van het bodem- en ondergrondsysteem worden daarbij niet aangetast. Ook worden activiteiten in de ondergrond zodanig ontplooid dat kwaliteitsaantasting zowel boven- als ondergronds wordt voorkomen of ten minste gecompenseerd of gemitigeerd. Bij de afweging of een ingreep duurzaam is, staat primair de notie 'beschermen gaat voor benutten' centraal. Daarnaast gaat het gebruik van hernieuwbare bronnen (grondwater, warmte) boven eenmalig gebruik (delfstoffen, permanente opslag). Ook gaat het benutten van de ondergrond ten behoeve van duurzaamheidsdoelen voor economisch gewin. De ondergrond van Flevoland wordt niet benut voor het opsporen en winnen van aardgas uit onconventionele voorkomens (zoals schaliegas), vanwege de risico’s die gepaard gaan met het opsporen en winnen ervan. De ondergrond van Flevoland wordt alleen benut voor het opsporen en winnen van olie en gas uit conventionele voorkomens als er geen onevenredige schade wordt toegebracht aan provinciale belangen, zoals natuur, water en waterkeringen, en als er verzachtende maatregelen worden getroffen. Uiteraard hebben duurzame bronnen de voorkeur. De provincie streeft naar een goede bodembiodiversiteit. In Flevoland wordt buiten de grondwaterbeschermingsgebieden optimaal ruimte geboden voor het winnen van duurzame bodemenergie. In het uitvoeringsprogramma Duurzaam Gebruik van de Flevolandse Ondergrond is een aantal maatregelen nader uitgewerkt. 5.6.1 Bodemenergie In Flevoland wordt buiten de beschermingsgebieden voor grondwater (zie ook 3.2.2 Drinkwater) optimaal ruimte geboden voor het winnen van duurzame bodemenergie. In het stedelijk gebied en op bedrijventerreinen wordt optimaal gebruik gemaakt van bodemenergie (WKO, HTO en geothermische energie), mits de negatieve effecten beperkt en beheersbaar zijn. Daarbij gaat beschermen voor benutten, zodat geen omkeerbare gevolgen optreden. Als het gaat om bodemenergiesystemen is de provincie een voorstander van grote collectieve systemen. Deze zijn beter controleerbaar, hebben een hoger rendement en gaan gepaard met minder doorboringen van de beschermende bodemlagen. De provincie stimuleert bodemenergie onder andere door zoveel mogelijk te voorkomen dat de bodem niet optimaal benut wordt als gevolg van negatieve interferentie tussen systemen. De provincie verwacht van de gemeenten dat zij hun bevoegdheid tot het aanwijzen van interferentiegebieden inzetten. De provincie behartigt de provinciale belangen zoveel mogelijk bij adviesaanvragen in het kader van de mijnbouwwet. 5.6.2 Ontgronden De provincie is bevoegd om vergunningen voor binnendijkse ontgrondingen te verlenen. De provincie verleent geen medewerking aan de winning van binnendijkse dieperliggende grondstoffen, vanwege de vaak nadelige effecten op de waterkwaliteit en het verlies van grondoppervlakte. Afhankelijk van de locatie kan een uitzondering gemaakt worden voor projecten die een bijdrage leveren aan de gebruikskwaliteit van de locatie en geen verslechtering van de milieukwaliteiten met zich meebrengen. Uitruil van de dieperliggende grondstoffen met gebiedseigen grond is daar toegestaan. Dit laat het provinciaal beleid t.a.v. permanente bollenteelt onverlet (zie 1.2.1.5 Overige agrarische activiteiten). Naast ontgronden met als eerste doel de winning van oppervlaktedelfstoffen (primaire ontgrondingen) wordt ook wel ontgrond ten behoeve van een ander doel (aanleg van wegen, kanalen, bouwputten, waterberging en recreatieplassen). Deze secundaire ontgrondingen zijn in Flevoland onder voorwaarden toelaatbaar. Deze voorwaarden zijn er onder andere op gericht om negatieve effecten als gevolg van het doorbreken van afsluitende deklagen zoveel mogelijk te voorkomen. Grondstoffen die bij ontgrondingen vrijkomen dienen zo hoogwaardig mogelijk te worden afgezet. De provincie bevordert daarom het 'werk met werk maken', waarbij klei of zand die bij secundaire ontgronding vrij komen en zonder tussenopslag direct worden ingezet als bouwstof in andere werken. Bij de winning van ophoog-/industriezand uit het IJsselmeer en Markermeer stelt de provincie voorwaarden met betrekking tot de bescherming van de primaire waterkeringen en het voorkomen van binnendijkse kwel. Daarnaast mag een zandwinput in principe niet leiden tot een verslechtering van de waterkwaliteit. 5.6.3 Hergebruik Het grondverzet in de provincie wordt getoetst aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en aan de regels die in de Nota bodembeheer zijn opgenomen. Deze nota is vastgesteld door de Flevolandse gemeenten. De onderliggende gemeentelijke en provinciale bodemkwaliteitskaarten vormen het kader voor vrijstelling van grondverzet. De nota is bedoeld om concrete richtlijnen te bieden voor optimaal hergebruik van (licht verontreinigde) grond binnen de wettelijke milieu hygiënische randvoorwaarden. Hergebruik is bedoeld om het gebruik van primaire grondstoffen te beperken en kosten te besparen. 6 Energie en Duurzaamheid Flevoland heeft de ambitie om in 2030 op duurzame energie te draaien. 6.1 Energieproductie 6.1.1 Fossiele energie Zie 5.6 Benutten bodem. 6.1.1.1 Schaliegas De ondergrond van Flevoland wordt niet benut voor het opsporen en winnen van aardgas uit onconventionele voorkomens (zoals schaliegas), vanwege de risico’s die gepaard gaan met het opsporen en winnen ervan. 6.1.1.2 Kernenergie De provincie verleent geen medewerking aan de vestiging van kerncentrales in Flevoland, omdat er geen afdoende oplossingen worden geboden met betrekking tot veiligheid en afval. Voor opslag van radioactief afval in klei wordt de “Boomse klei” in Nederland overwogen. In de ondergrond van Flevoland ligt een laag Boomse klei. De effecten van ondergronds opslaan van radioactief afval op de omgeving, nu en in de toekomst, zijn nog niet goed in beeld gebracht, maar kunnen wellicht groot zijn. Ook spelen de gevoelens van onveiligheid en risico’s bij inwoners een belangrijke rol bij de overwegingen. 6.1.2 Duurzame energieproductie Om de ambitie voor duurzame energie te realiseren is een energietransitie nodig. Samen met gemeenten en andere partners wordt zowel ingezet op duurzame productie als op energiebesparing. 6.1.2.1 Windenergie Als windrijke provincie wil Flevoland optimaal gebruik maken van de milieuvoordelen en economische potenties van opwekking van windenergie zonder de landschappelijke kwaliteiten van de provincie aan te tasten. Opwekking van windenergie levert de grootste bijdrage aan het bereiken van de Flevolandse klimaatdoelstelling. Windmolenopstellingen zijn in grote delen van de provincie het landschapsbeeld gaan beheersen. De provincie wil dit veranderen. De technische ontwikkeling van windmolens maakt het mogelijk dat met minder molens hetzelfde, of zelfs meer, windenergievermogen wordt opgewekt. De provincie wil een geleidelijk minder molens, maar tegelijkertijd een hoger opgesteld vermogen en verbetering van landschappelijke kwaliteit door ordening van molens in lijnopstellingen op een beperkt aantal locaties. De schaalvergroting van windenergie brengt met zich mee dat de effecten zich op grotere, gemeentegrensoverschrijdende afstanden manifesteren. Opschalen en saneren heeft daarmee impliciet een regionaal karakter. Gelet op de doelstelling voor windenergie en het cyclische karakter van het plaatsen en saneren van windmolens, wordt het beleid gevoerd zoals weergegeven in de paragrafen 6.1.2.1.1. t/m 6.1.2.1.4. 6.1.2.1.1 Tijdelijkheid van windmolens Nieuwe windmolens zijn alleen toegestaan voor een bepaalde periode. 6.1.2.1.2 Uitzonderingen op het beleid voor opschalen en saneren van windmolens Nieuwe windmolens worden alleen toegestaan op basis van ‘projecten voor opschalen en saneren’ binnen projectgebieden. Hiervan zijn uitgezonderd: windmolens die deel uitmaken van de testlocatie voor windmolens te Lelystad, die bestaat uit maximaal 12 prototype windmolens, als integraal onderdeel van een kennis- of ontwikkelcentrum duurzame energie in Flevoland; solitaire windmolens op bedrijventerreinen in de zes ‘hoofdkernen’ van het stedelijk gebied, als de windmolen overwegend een ander doel dient dan de opwekking van energie; kleine windmolens, waaronder wordt verstaan: windmolens in het stedelijk gebied met een (tip) hoogte van maximaal 5 meter gemeten van de grond of het dak waarop ze zijn geplaatst; windmolens met een (tip)hoogte van maximaal 15 meter gemeten vanaf het maaiveld, voor zover deze in het landelijk gebied op ((voormalige) agrarische) bouwpercelen staan; locatie Houtribdijk. 6.1.2.1.3 Projecten voor opschalen en saneren Nieuwe windmolens worden alleen toegestaan bij ‘projecten voor opschalen en saneren’ in projectgebieden. Voordat medewerking kan worden verleend aan een dergelijk project dient er een projectplan te worden voorgelegd aan de betreffende overheden. Het projectplan bevat de benodigde informatie om te beoordelen of het project voldoet aan het beleid. Een project voor opschalen en saneren omvat zowel nieuwe molens als bestaande molens in een projectgebied, waarbij het opgestelde vermogen van de nieuwe windmolens groter is dan het opgestelde vermogen van de te saneren windmolens. Een projectgebied moet voldoende perspectief bieden voor één initiatiefnemer (dat kan een samenwerkingsverband zijn) om één project van opschalen en saneren in zijn geheel te realiseren. Een tweede -gelijktijdig of later- project in hetzelfde projectgebied is uitgesloten. De toename van het opgestelde vermogen is toegestaan om de sanering te kunnen bekostigen van de bestaande windmolens in het projectgebied én een bijdrage te kunnen leveren aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied (versterken landschap, natuur, recreatie en leefbaarheid van het landelijke gebied). De bijdrage aan de ruimtelijke ontwikkelingen is mede bedoeld als compensatie van de impact van de nieuwe windmolens op de omgeving. In een uitvoeringsprogramma staat wanneer welke windmolen wordt gebouwd en wanneer welke windmolen wordt gesaneerd. Bestaande windmolens dienen volgens de planning in het uitvoeringsprogramma te zijn gesloopt of gemoderniseerd. Latere sloop houdt in dat de windmolen niet tijdig is gemoderniseerd. Het uitvoeringsprogramma maakt deel uit van het planologisch juridisch kader (bestemmingsplan, inpassingsplan of toekomstig omgevingsplan) dat het project voor opschalen en saneren juridisch mogelijk maakt. Binnen een projectgebied geldt dat: bestaande windmolens in aanmerking komen voor sanering/modernisering; er plaatsingszones worden aangewezen voor nieuwe windmolens. Verder gelden voor een project voor opschalen en saneren de volgende voorwaarden: A. De plaatsing van nieuwe windmolens moet voldoen aan de volgende eigenschappen: Er wordt voldaan aan de eisen van natuur, veiligheid, technische infrastructuur, geluid en slagschaduw en hoogtebeperkingen als gevolg van luchtvaart, zoals opgenomen in het Rijks-, provinciaal, waterschaps- en gemeentelijk beleid, wet- en regelgeving. Er wordt bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit door: herstel en versterking van het Flevolandse landschap regelmaat en eenheid van de nieuwe molens. B. Gekoppeld aan de bouw van nieuwe windmolens worden bestaande windmolens gesaneerd. Hiervoor geldt het volgende: Sanering van bestaande windmolens nabij de nieuwe windmolen heeft de voorkeur boven sanering van bestaande windmolens verder weg in het projectgebied. Sanering van een bestaande windmolen vindt plaats zo snel mogelijk na ingebruikname van de nieuwe windmolen waaraan deze gekoppeld is, maar uiterlijk na vijf jaar, waarbij de economische noodzaak van een termijn van langer dan een half jaar dient te worden aangetoond. C. Er wordt invulling gegeven aan participatie en draagvlak, waaronder in ieder geval het volgende wordt verstaan. Bewoners en ondernemers krijgen gelegenheid om financieel te participeren, waarbij geldt: dat bewoners en ondernemers in het buitengebied van het projectgebied de gelegenheid krijgen om financieel te participeren bij de ontwikkeling van nieuwe windmolens; bewoners en ondernemers in Flevoland krijgen de gelegenheid om financieel te participeren in de exploitatie van de nieuwe windmolens; beide vormen van financiële participatie zijn eerlijk, eenvoudig en evenwichtig vormgegeven. Ter compensatie van de impact van de nieuwe opstelling op de omgeving draagt de initiatiefnemer gedurende de exploitatie van de nieuwe windmolens bij aan de ruimtelijke kwaliteit in de directe omgeving met een gebiedsgebonden bijdrage. Bij de totstandkoming van het project stelt de initiatiefnemer omwonenden en andere betrokkenen in de gelegenheid om te participeren in de planvorming. 6.1.2.1.4 Gebieden waar projecten voor opschalen en saneren zijn uitgesloten De volgende gebieden zijn uitgesloten van aanwijzing van projectgebieden (voor het opschalen en saneren van windmolens): de woongebieden en binnen de stedelijke gebieden en de Oostvaardersplassen. de grondgebieden van de gemeenten Noordoostpolder en Urk, alsmede het Flevolandse deel van het Markermeer en IJmeer en het Drontense deel van het Ketelmeer. het watergebied ten zuiden van de Maximacentrale. Ruimte voor windmolens op land wordt geboden in delen van Zuidelijk en Oostelijk Flevoland en het deel van het IJsselmeer voor de kust van Dronten en Lelystad tot aan de huidige vaargeul Amsterdam en Lemmer en een zone ten noordoosten van de Houtribdijk. 6.1.2.2 Zonne-energie In deze paragraaf is de structuurvisie zon opgenomen, zoals deze is vastgesteld op 18 juli

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.