← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 (Rotterdam)

Kort samengevat

Deze beleidsregels van de gemeente Rotterdam leggen uit hoe de gemeente omgaat met aanvragen voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en hoe zij de relevante wetten interpreteert. Het doel is om de uitvoering van deze wetten transparanter en uniformer te maken voor Rotterdammers.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018De directeur Welzijn, Zorg & Jeugdhulp van de directie Publieke Gezondheid, Welzijn en Zorg binnen het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling, gelet op: artikel 1.4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Jeugdwet; de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018; de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018; Zorg voor Elkaar, het Rotterdamse plan voor de doorontwikkeling zorg, welzijn en jeugdhulp 2018; artikel het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rotterdam 2016; het Besluit ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging van de algemeen directeur 2016; het Besluit Ondermandaat, Ondervolmacht en Ondermachtiging cluster Maatschappelijke Ontwikkeling 2016; de artikelen 1.3, 2.1 en 4.1.2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018; overwegende: dat het noodzakelijk is om beleidsregels vast te stellen over de wijze waarop het college omgaat met de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van zijn bevoegdheden in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Jeugdwet; besluit vast te stellen: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 Artikel1Vaststelling beleidsregels De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 zijn opgenomen in bijlage 1. Artikel2Intrekking oude beleidsregels De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 worden ingetrokken. Artikel3Inwerkingtreding Deze beleidsregels worden gepubliceerd in het Gemeenteblad en treden in werking op 1 januari 2018. Artikel4Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018. Aldus vastgesteld op 21 december 2017.Namens het college van burgemeester en wethouders,de heer dr. O. deZwart, MPHdirecteur Welzijn, Zorg & JeugdhulpDirectie Publieke Gezondheid, Welzijn en ZorgCluster Maatschappelijke OntwikkelingBijlage1 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018InleidingDoel en grondslag van de beleidsregelsDe Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 (hierna: beleidsregels) bevatten de beleidsregels voor de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en Jeugdwet van de gemeente Rotterdam. Zij vormen het sluitstuk van de lokale regelgeving op het gebied van beide wetten. De grondslag voor deze beleidsregels wordt gevormd door de Algemene wet bestuursrecht, de Wmo 2015, de Jeugdwet, de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018. Daarnaast zijn ook de door de gemeenteraad vastgestelde plannen relevant, waaronder met name het Rotterdamse plan voor de doorontwikkeling zorg, welzijn en jeugdhulp 2018 “Zorg voor elkaar”. In deze beleidsregels legt het college uit hoe het gebruikt maakt van de verschillende bevoegdheden die het in dit verband heeft en hoe het diverse wettelijke omschrijvingen interpreteert. Dit bevordert de uniformiteit van het gemeentelijk handelen. En bovendien draagt het bij aan de transparantie bij de uitvoering van beide wetten en de rechtszekerheid voor Rotterdammers. Altijd moet echter in het achterhoofd worden gehouden dat de Wmo 2015, maar ook de Jeugdwet, maatwerk veronderstellen en dat de toepassing van de beleidsregels, zeker waar het de verstrekking van een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb betreft, wordt afgestemd op de individuele situatie van de cliënt. Beperkte toepasselijkheid voor de JeugdwetDe beleidsregels zijn hoofdzakelijk gericht op de uitvoering van de Wmo 2015. De beleidsregels hebben ook (deels) betrekking op de Jeugdwet voor de onderwerpen waarbij dit is aangegeven. Waar dit het geval is, is in de inhoudsopgave gemarkeerd met een (J). VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicapIn juli 2016 is het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van kracht geworden. Doel van dit verdrag is het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen. De doelgroep van het VN-verdrag omschrijft personen met een handicap als personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving. De gemeente Rotterdam werkt aan een lokale inclusie-agenda met maatregelen om de geleidelijke verwezenlijking van algemene toegankelijkheid te realiseren. Deze maatregelen zijn erop gericht om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen toegang te verlenen tot alle voorzieningen en diensten. Uitgangspunt bij de uitvoering van de Wmo-Jeugd beleidsregels is het alert zijn op en waar mogelijk wegnemen van letterlijke en figuurlijke drempels in de samenleving. LeeswijzerDe beleidsregels zijn als volgt opgebouwd: Inleiding Inhoudsopave Hoofdstuk 1: Kernbegrippen Begrippen die voorkomen in de wetten en de gemeentelijke regelgeving worden hier toegelicht. Hoofdstuk 2: Algemene bepalingen ondersteuning In dit hoofdstuk worden algemene onderwerpen besproken die bij de ondersteuning aan de orde kunnen zijn. De procedure van melding tot eventuele aanvraag, algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budget, ingang indicatie en indicatieduur, intrekking en terugvordering etc. Hoofdstuk 3: Maatwerkvoorzieningen dienstverlening In dit hoofdstuk worden de diverse resultaatgebieden toegelicht waarbinnen een cliënt ondersteuning kan ontvangen in de vorm van dienstverlening. Deze paragrafen met resultaatgebieden worden voorafgegaan door een algemene paragraaf over de toegang tot deze maatwerkvoorzieningen. Hoofdstuk 4: Overige maatwerkvoorzieningen In dit hoofdstuk komen de overige maatwerkvoorzieningen aan de orde, zoals rolstoelen, woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen. Het gaat om de meest voorkomende maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo 2015. Hoofdstuk 5: Jeugdhulparrangementen en Onderwijszorgarrangementen Hoofdstuk 6: Overgangsrecht Het gaat om het nog bestaande overgangsrecht vanuit de AWBZ voor beschermd wonen en om de terugvordering van pgb’s die onder de oude Wet maatschappelijke ondersteuning zijn verstrekt. Afkortingenlijst Indien er een (J) achter een hoofdstuk/paragraaf staat vermeld, betekent dit dat dit onderdeel zowel op de Wmo 2015 als op de Jeugdwet van toepassing is. Overal waar ‘hij’ staat, dient te worden gelezen als hij of zij. Hoofdstuk 1 Kernbegrippen1.1 InleidingIn de wet en in de verordening wordt een aantal begrippen gebruikt, die centraal staan in de ondersteuning in het kader van de Wmo 2015 en (indien dat is aangegeven) de Jeugdwet. Deze begrippen worden in dit hoofdstuk verder uitgewerkt. 1.2 Aanvaardbaar niveauHet aanbieden van maatschappelijke ondersteuning gebeurt met het streven om de persoon op een aanvaardbaar niveau van participatie en zelfredzaamheid te laten komen en houden. Het gaat dan om een niveau dat bij zijn situatie past. Een aantal factoren speelt een rol bij de vraag of er sprake is van een aanvaardbaar niveau. Zo gaat het om de situatie van de betrokkene voordat hij geconfronteerd werd met zijn beperkingen. Maar ook om de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. En de eigen mogelijkheden van de cliënt, al dan niet met hulp van zijn informele netwerk, spelen hier een rol. Aanvaardbaar wil van de andere kant zeggen, dat de persoon zich er soms bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij zich enige beperkingen zal moeten getroosten. De door het college te bieden ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van de versterking of het behoud van zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zover dat het college rekening kan en moet houden met wensen van de cliënt, wat betreft bijvoorbeeld persoonlijke voorkeuren, smaak, comfort en gewoontes. Steeds moet wel een afweging gemaakt worden in hoeverre dit zich verhoudt tot het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Dit verdrag geeft aan wat de overheid moet doen om ervoor te zorgen dat de positie van mensen met een beperking verbetert. 1.3 Algemeen gebruikelijkAls een voorziening als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden dan betekent dit dat het college geen maatwerkvoorziening hoeft te verstrekken. In die zin is het een criterium om te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de persoon met een beperking, aannemelijk is dat hij/zij hierover ook kon beschikken als er geen sprake was van een beperking. Bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is moet altijd gekeken worden naar de algemene situatie. Daarnaast moet ook beoordeeld worden of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de specifieke aanvrager. Het gaat zowel om de voorziening als zodanig als om de kosten. Te denken valt aan aspecten als de vraag of de voorziening specifiek is ontworpen voor mensen met een beperking en de vraag of de voorziening gewoon verkrijgbaar is. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die niet bij wet, waaronder de Wmo 2015, wordt aangeboden en die, indien voorhanden, in redelijkheid een oplossing kan bieden voor de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Het kan gaan om voorzieningen die: niet speciaal zijn bedoeld voor mensen met een beperking; in de reguliere handel verkrijgbaar zijn; en niet meer kosten dan een vergelijkbaar product. Te denken valt hierbij aan voorzieningen zoals een verhoogd toilet, een 1-greeps mengkraan, een elektrische of inductiekookplaat, een fiets met trapondersteuning, een auto. Maar ook om diensten, zoals bijvoorbeeld een boodschappendienst, maaltijdvoorziening, een klussendienst die via een thuisorganisatie worden aangeboden, hondenuitlaatdienst, niet-wettelijke kinderopvang, voorzieningen die via een aanvullende ziektekostenverzekering worden aangeboden, alarmering etc. Daarnaast zijn er kosten waarmee iedereen te maken kan krijgen. En dus niet specifiek te maken hebben met iemands beperking. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de kosten die samenhangen met het gebruik van een algemeen gebruikelijke voorziening of algemene voorziening, of de kosten van een verhuizing. Wel zal altijd in relatie tot de individuele situatie van de cliënt bekeken worden of de voorziening of de kosten ook in de concrete situatie algemeen gebruikelijk zijn. Zo zijn bijvoorbeeld de kosten van een fiets met trapondersteuning voor een kind niet algemeen gebruikelijk, maar wel voor een (bijna) volwassene. De kosten van het gebruik van de eigen auto zijn wel algemeen gebruikelijk voor de middellange en lange afstanden, maar niet voor een bestemming op korte afstand waar iemand zonder beperkingen lopend of op de fiets naar toe zou gaan. De korte afstand is de afstand die normaal gesproken niet per auto wordt afgelegd en waarvoor bijvoorbeeld ook het CAV niet adequaat is. De korte afstand wordt door gezonde mensen lopend of met de fiets afgelegd, door mensen met een beperking wordt hier vaak een scootmobiel voor gebruikt. Ook de financiële mogelijkheden van de cliënt kunnen hierbij een rol spelen. Hierbij geldt dat het aan de cliënt is om aannemelijk te maken een (in beginsel) algemeen gebruikelijke voorziening voor hem niet tot de (financiële) mogelijkheden behoort. Dit is uitdrukkelijk aan de cliënt. Want bij het onderzoek naar de vraag of een voorziening voor een ieder als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden, mag het inkomen en/of vermogen geen rol spelen. De financiële situatie speelt dus alleen een rol als een cliënt betwist dat hij een algemeen gebruikelijke voorziening kan betalen. In zo’n geval kan het inkomen van de cliënt een rol spelen, maar ook het feit dat hij door een schuldsaneringstraject of beslag op zijn inkomen geen financiële ruimte heeft om te sparen of een lening af te sluiten. Als er sprake is van een plotseling optredende, onvoorziene noodzaak kunnen voorzieningen of kosten, die normaal gesproken als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt, dat toch niet zijn. Zo is een verhuizing die plotseling noodzakelijk is omdat iemand een hersenbloeding heeft gekregen, niet algemeen gebruikelijk. Hetzelfde kan gelden als een voorziening plotseling noodzakelijk is en deze een recent aangeschaft algemeen gebruikelijk middel (bijvoorbeeld een fiets), vervangt. 1.4 ArrangementEen arrangement (of ondersteuningsarrangement) is een pakket van ondersteuning met maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening, bestaande uit één of meerdere resultaatgebieden. Aanbieders hebben een integrale leveringsplicht voor het totale arrangement. Het arrangement wordt ingezet voor zover andere mogelijkheden (zoals gebruikelijke hulp, mantelzorg en algemene voorzieningen) niet mogelijk zijn of onvoldoende tegemoetkomen aan de belemmeringen van cliënt. 1.5 Eigen krachtHet college hoeft alleen een maatwerkvoorziening te verstrekken als het (onder andere) van oordeel is dat iemand niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. Of als iemand niet is aanwezen op beschermd wonen of opvang, vanwege de eigen kracht. De eigen kracht van de cliënt heeft betrekking op de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan het verbeteren van zijn situatie. Het wordt gezien als normaal om je in spannen om je eigen situatie te verbeteren. Of dat je iets doet voor een partner of een familielid. Daarbij heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om te bevorderen dat burgers en hun omgeving hun eigen probleemoplossend vermogen benutten en versterken. En dus niet, of zo min mogelijk, aangewezen zijn op maatschappelijke ondersteuning. De eigen kracht is afhankelijk van de individuele situatie van de cliënt, waarbij zijn beperkingen en leerbaarheid van invloed zijn. Deze eigen kracht komt op verschillende momenten tot uitdrukking. Namelijk niet alleen als iemand al beperkingen heeft, maar ook in de situatie die daaraan voorafgaat. Bijvoorbeeld door te anticiperen op een levensfase waarin beperkingen niet ongebruikelijk meer zijn. Een jong stel bereidt zich voor op een levensfase waarin het kinderen krijgt en hiervoor kosten moet maken in verband met de aanschaf van de benodigde babyartikelen of een verhuizing naar een grotere woning. Op diezelfde wijze zal een ieder zich ook moeten voorbereiden op wat veelal hoort bij het ouder worden: de behoefte aan een kleinere woning in verband met het vertrek van kinderen, de nabijheid van winkels en gemaksdiensten, een gelijkvloerse woning in verband met verminderde mobiliteit. Het gebruik maken van de eigen kracht betekent ook dat de cliënt zelf voorziet in de kosten/voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn (zie ook onder 1.3). Een cliënt wordt geacht hiervoor op eigen kracht zorg te dragen. Gebruik maken van de eigen kracht veronderstelt daarnaast dat de cliënt zich voldoende verzekert, bijvoorbeeld door een passende aanvullende ziektekostenverzekering af te sluiten die aansluit bij de gezondheidssituatie en financiële mogelijkheden van de cliënt. Uitdrukkelijk behoort tot de eigen kracht ook het beroep doen op voorzieningen op grond van een andere wet. In het spraakgebruik worden dit ook wel voorliggende voorzieningen genoemd. Ook in die situatie hoeft het college, met een beroep op eigen kracht, geen voorziening te verstrekken op grond van de Wmo 2015. De eigen kracht bestaat dan uit het tot gelding brengen van de aanspraak op grond van de andere wet. Daarnaast behoort tot de eigen kracht ook het gebruik maken van de hulp van het netwerk, waar deze hulp beschikbaar is. Bij het onderzoek naar het vaststellen van de eigen kracht zijn de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt van belang. Daarnaast is het van belang te onderkennen dat er ook grenzen kunnen zijn aan wat de eigen kracht is van een cliënt. 1.6 Gebruikelijke hulp (J)InleidingGebruikelijke hulp wordt in de Wmo 2015 wet als volgt gedefinieerd: Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.De Jeugdwet kent het begrip “gebruikelijke hulp” niet. In het kader van “eigen kracht” wordt in dit verband verstaan het vermogen om in redelijkheid binnen de eigen mogelijkheden van de jeugdige, de ouders of het omringende sociale netwerk, een oplossing voor de hulpvraag te vinden, zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 2 sub a onder 2o van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018. De weging hiertoe wordt uitgevoerd door de wijkteammedewerkers Jeugd, die namens het college gemandateerd zijn om de behoefte aan Jeugdhulp vast te stellen. In het onderzoek van de wijkteammedewerker naar beperkingen, stoornissen en daardoor participatieproblemen van de jeugdige zal altijd de fysieke en sociale omgeving van de vrager worden meegenomen in de afweging. In geval er voor de jeugdige mantelzorg vrijwillig beschikbaar is kan dat deel van de hulpbehoefte buiten het besluit tot inzet Jeugdhulp blijven, omdat daar geen professionele hulp vanuit de Jeugdwet voor ingezet hoeft te worden. Na bepaling dat er sprake is van gebruikelijke zorg is het toekennen van jeugdhulp uitgesloten. Welke hulp/zorg de mantelzorger op zich neemt en in welke de omvang, wordt meegenomen in het afwegingskader van gebruikelijke zorg. Hulp die valt onder inzet van ouders en of verzorgers zal worden gezien als gebruikelijke zorg indien dit overeenkomt met de mate van zelfredzaamheid en mogelijkheden tot zelfverzorging die bij de leeftijd van de jeugdige past en inzet van ouders vraagt. In dat geval zal geen mantelzorg kan worden toegekend. Zorg voor kinderen vanaf 5 jaar beschouwt het college niet als gebruikelijke hulp als is vastgesteld dat het gaat om een kind met ernstige meervoudig complexe handicaps (MCG), ook wel genoemd ernstige meervoudige beperkingen (EMB). MCG/EMB-kinderen hebben een ernstige verstandelijke beperking met een blijvend zeer laag ontwikkelingsperspectief en een motorische beperking. Meestal is ook sprake van zintuiglijke problemen (waaronder prikkelverwerkingsstoornissen) en/of somatische aandoeningen. Voor andere groepen kinderen bekijkt het college dit per geval. De Jeugdwet kent het begrip “gebruikelijke hulp” niet. In het kader van “eigen kracht” wordt bij de ondersteuning aan jeugdigen (op grond van de Jeugdwet of een gezinsarrangement) gebruikelijke hulp van de ouders verwacht. De mogelijkheid van inzet van gebruikelijke hulp heeft tot gevolg dat voor dit deel ondersteuning door het college niet noodzakelijk is. Gebruikelijke hulp heeft, anders dan mantelzorg, een verplichtend karakter. De aanwezigheid van gebruikelijke hulp betekent dan ook dat er geen reden is om (voor dat deel van de ondersteuning) een maatwerkvoorziening of individuele voorziening toe te kennen. Wel moet altijd onderzocht worden of de personen die gebruikelijke hulp zouden moeten leveren, hiertoe ook daadwerkelijk in staat zijn. Gebruikelijke hulp moet dus worden onderscheiden van (niet-afdwingbare) mantelzorg. Van mantelzorg is sprake zodra de hulpbehoefte het niveau van gebruikelijke hulp overstijgt. Degenen van wie verondersteld wordt dat zij gebruikelijke hulp kunnen leveren (hierna voor het gemak huisgenoot genoemd), zijn verplicht om, binnen hun mogelijkheden, mee te werken aan zo’n onderzoek. Weigeren zij dit dan kan de omvang van de benodigde ondersteuning niet worden vastgesteld en kan worden besloten geen voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende voorziening in te trekken. Het onderzoek richt zich op twee aspecten: wat mag redelijkerwijs van de huisgenoot verwacht worden; en is die huisgenoot hiertoe ook daadwerkelijk in staat? Hierbij geldt dat iemands persoonlijke voorkeur en/of levensovertuiging geen rol speelt bij de beoordeling of iemand – objectief gesproken - gebruikelijke hulp kan leveren. Uitgangspunt is, dat gebruikelijke hulp geleverd kan worden, tenzij uit het onderzoek blijkt dat dit niet het geval is. Een huisgenoot kan bijvoorbeeld geen gebruikelijke hulp leveren: bij aanwezigheid van geobjectiveerde beperkingen op het gebied van de noodzakelijke ondersteuning; bij gebrek aan kennis/vaardigheden om de ondersteuning te bieden. Hier geldt wel dat tijdelijk een maatwerkvoorziening of individuele voorziening ingezet kan worden om de huisgenoot de gelegenheid te bieden de noodzakelijke vaardigheden aan te leren. Het leervermogen speelt hier wel een rol; bij (dreigende) overbelasting. Er wordt dan geen gebruikelijke hulp verwacht totdat deze (dreigende) belasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de huisgenoot heeft om de (dreigende) overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat de huisgenoot bereid is maatschappelijke activiteiten te beperken om zo de (dreigende) overbelasting op te heffen; bij fysieke afwezigheid. Deze afwezigheid moet wel een verplichtend karakter hebben, bijvoorbeeld vanwege werk (in het buitenland, offshore of als internationaal chauffeur). Daarnaast moet gekeken worden naar de aard van de ondersteuning en de duur van de afwezigheid. Als ondersteuning uitstelbaar is dan wordt pas uitgegaan van afwezigheid van gebruikelijke hulp als het om een aaneengesloten periode van tenminste zeven etmalen gaat. Bij personen die niet in dezelfde woning wonen, kan geen sprake zijn van gebruikelijke hulp. Wel kan mantelzorg aan de orde zijn. Bij een huisgenoot, anders dan ouder of kind, moet duidelijk zijn dat hij in dezelfde woning woont. Dit is bijvoorbeeld niet het geval als er sprake is van twee appartementen, elk met een eigen toegangsdeur, die slechts te bereiken zijn via een gezamenlijke ingang aan de openbare weg. Bij onduidelijkheid over de vraag of er sprake is van “dezelfde woning” zoekt het college in het onderzoek aansluiting bij de uitleg over zelfstandige woonruimte in het kader van de regelgeving over de huurtoeslag. Wat concreet valt onder “gebruikelijke hulp” wordt bepaald door wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder of het inwonend kind of de andere huisgenoot. Dit wordt bepaald door meerdere factoren, zoals bijvoorbeeld: de aard en intensiteit van de ondersteuning. Zo wordt bij het schoonhouden van de woning meer van een huisgenoot verwacht dan bij zelfzorg; de verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een kortdurende en langdurige ondersteuningsbehoefte. Er is sprake van een kortdurende ondersteuningsbehoefte als er binnen afzienbare tijd (richtlijn: maximaal drie maanden) uitzicht is op een dusdanige verbetering van de problematiek en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat ondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte wordt in principe uitgegaan van een periode van langer dan drie maanden. Hoe korter de verwachte duur van de ondersteuning, hoe meer men mag verwachten van een huisgenoot; wat de relatie is tot degene die ondersteuning nodig heeft. Van een partner worden andere dingen verwacht dan van een huisgenoot. En van een minderjarig kind kan minder verwacht worden dan van een meerderjarig kind; bij ondersteuning aan kinderen: de leeftijd van het kind. Deze aspecten worden in deze beleidsregels per resultaatgebied/aard van de voorziening verder uitgewerkt. 1.7 LeefeenheidOnder een leefeenheid wordt verstaan: alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren. Als er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden gerekend. De kamerhuurder heeft dan ook geen taken ten aanzien van de persoon met een beperking die in dezelfde woning woont. Hierbij gaat het wel om de feitelijke situatie. De kwalificatie die bewoners zelf aan hun situatie geven is niet doorslaggevend. 1.8 Mantelzorg (J)Mantelzorg wordt in de Wmo 2015 als volgt gedefinieerd: Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie beschermd wonen of opvang, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Hiermee is de mantelzorg onderdeel van de eigen kracht van cliënt. In tegenstelling tot gebruikelijke hulp is mantelzorg echter niet afdwingbaar. Concreet betekent dit dat de door de mantelzorger verleende ondersteuning wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. Wanneer de mantelzorger (al dan niet tijdelijk) wegvalt, dient de cliënt dit te melden. Dit kan vervolgens leiden tot aanvullende ondersteuning. De mate waarin mantelzorgers bereid en in staat zijn een deel van de indiceerbare ondersteuning te bieden, is bepalend voor de omvang van de (professionele) ondersteuning die iemand feitelijk krijgt. Hierbij speelt de belastbaarheid van mantelzorgers een grote rol. Deze is niet voor iedereen gelijk. Voor de ene persoon zal het bieden van lichte begeleiding per dag het maximum zijn dat hij of zij kan dragen, terwijl voor een ander de grens hoger kan liggen. Deze verschillen worden in belangrijke mate bepaald door de persoonlijke omstandigheden van de mantelzorger (leeftijd, gezinssituatie, eigen gezondheid et cetera). Bij het indicatieproces kan de mantelzorger aangeven welke ondersteuning hij nodig heeft om mantelzorg te kunnen bieden. De gemeente Rotterdam hecht waarde aan de inzet van mantelzorgers. Dit komt op verschillende manieren tot uitdrukking, bijvoorbeeld in de vorm van een mantelzorgwaardering. Ook door het aanbieden van verschillende faciliteiten probeert de gemeente mantelzorgers zo veel als mogelijk in staat te stellen om mantelzorg te kunnen (blijven) bieden. Er doen zich situaties voor waarbij een mantelzorger ondersteuning verleent, maar aangeeft hiervoor betaald te willen worden en de cliënt hiervoor een pgb aanvraagt. De Centrale Raad van Beroep heeft hierover het volgende bepaald: bij een situatie, waarin de mantelzorger heeft aangegeven de verleende hulp sowieso te willen continueren ongeacht de uitkomst van een juridische procedure in verband met de afwijzing van een pgb, is er sprake van mantelzorg. Deze vorm van hulp gaat dan voor op de door het college eventueel te bieden compensatie. Op het gebied van jeugdhulp is mantelzorg echter een ondersteuningselement, waarvoor aanvullende criteria gelden zoals opgenomen in artikel 3.1.9 van de Combiverordening Rotterdam 2018. Na de alinea die eindigt met “zo veel als mogelijk in staat te stellen om mantelzorg te kunnen blijven bieden” wordt de volgende tekst ingevoegd: Welke hulp/zorg de mantelzorger in het kader van ondersteuning aan jeugdigen op zich neemt en in welke omvang, wordt meegenomen in het afwegingskader van gebruikelijke hulp in het kader van jeugdhulp. Hulp die valt onder inzet van ouders en of verzorgers zal worden gezien als gebruikelijke hulp indien dit overeenkomt met de mate van zelfredzaamheid en mogelijkheden tot zelfverzorging die bij de leeftijd van de jeugdige past en inzet van ouders vraagt. In dat geval is er geen sprake van mantelzorg en kan de hulp ook worden afgedwongen. Toekenning van mantelzorgondersteuning in het kader van jeugdhulp is in dat geval uitgesloten. Mantelzorgondersteuning (O3) kan toegekend worden aan jeugdigen met een beperking indien deze ook Jeugdhulp genieten. In het onderzoek dat de wijkteammedewerker uitvoert voor een verzoek tot mantelzorgondersteuning, dient de gehele gezinssituatie voor vaststelling van gebruikelijke hulp en ontlasting van de ouders/verzorgers meegenomen worden. Toekenning van jeugdhulp/mantelzorgondersteuning bij gezondheidsproblematiek van ouders/verzorgers zal in eerste instantie de toekenning van jeugdhulp van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen; Toekenning van tijdelijke Jeugdhulp/mantelzorgondersteuning aan een ouder die ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen, is tijdelijk mogelijk. Toekenning van tijdelijke Jeugdhulp/mantelzorgondersteuning aan een ouder kan ook in geval de ouder een zeer korte, bekende levensverwachting heeft. Ter ontlasting van de leefeenheid/gezin van de ouder kan afgeweken worden van de normering van gebruikelijke hulp. Opvang is niet structureel jeugdhulp. Verzorging van de kinderen kan zonodig, gelet op de mate van beperking van een jeugdige, wel worden toegekend om het sociaal en persoonlijk functioneren zo optimaal mogelijk te laten zijn. Ter voorkoming van crisis, ontwrichting en of dreigende huisuitplaatsing van de jeugdige en alle mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig zijn, of als er slechts kortdurend overbrugging nodig is in noodgevallen, dan kan Jeugdhulp/mantelzorgondersteuning worden toegekend. Mantelzorgondersteuning kan ook tijdelijk huishoudelijke verzorging omvatten indien daarmee de inzet van jeugdhulp vermindert. Dit is van toepassing indien hiermee de ouder de jeugdige met een beperking meer kan blijven betrekken in bij het normale gezinsleven en vrije tijdsbesteding. 1.9 Onafhankelijke cliëntondersteuningDe cliënt en zijn mantelzorger worden voor het onderzoek gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. De cliëntondersteuning is onafhankelijk en helpt bij het verduidelijken van de hulpvraag, het maken van keuzes en het organiseren van de juiste hulp. Ook draagt de cliëntondersteuning bij aan een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Cliëntondersteuners zijn onafhankelijk en objectief. Een cliëntondersteuner kan meedenken met cliënt maar zelf geen beslissing nemen over een aanvraag voor ondersteuning of voor een voorziening. Rotterdammers met een ondersteuningsvraag kunnen een beroep doen op een cliëntondersteuner. Dit kan een vrijwilliger en/of een professional zijn. Deze kan helpen bij het formuleren van de hulpvraag en ondersteunend zijn bij het vinden van de weg in de toegang en zo nodig de verdere zorg en ondersteuning. Een cliëntondersteuner helpt de weg te vinden naar de oplossingen en als dat nodig is daarbij een gerichte aanspraak te doen op de gemeente Daarnaast kunnen Rotterdammers bij de VraagWijzer in hun gebied terecht voor cliëntondersteuning. In het geval van een melding voor een maatwerkvoorziening intramuraal (verstandelijk beperkt en/of OGGZ) kunnen zij zich wenden tot de stedelijke loketten Centraal Onthaal Jongeren en Centraal Onthaal Volwassenen. Voor cliëntondersteuning in het geval van een aanvraag (O)GGZ intramuraal kunnen ook inwoners van het centrumgemeentegebied Rotterdam terecht bij deze stedelijke loketten. Voor jeugdigen kunnen Rotterdammers ook terecht bij het Centrum voor Jeugd en Gezin. Mocht iemand belemmeringen ervaren bij het verkrijgen van toegang tot dit systeem of vastlopen binnen het gemeentelijk systeem van zorg- en dienstverlening, dan is daarvoor een vangnet van onafhankelijk cliëntondersteuners. Dit vangnet wordt bemenst door hooggekwalificeerde professionals. Dit vangnet is geen vervanging voor de ‘reguliere’ (toegang tot) zorg en ondersteuning via VraagWijzers en stedelijke loketten, maar vormt een aanvulling hierop waarvan gebruik gemaakt kan worden in bovengenoemde situaties. Rotterdammers kunnen zich zelf wenden tot vrijwilligersorganisaties met een verzoek om cliëntondersteuning. De gemeente faciliteert deze organisaties in deze rol. 1.10 ParticipatieDe wetgever verstaat onder participatie: het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke, verstandelijke beperkingen of psychiatrische of psychosociale problematiek, zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen. Participatie kan op verschillende manieren worden bevorderd. Onder andere door het treffen van algemene voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen. Ook kan participatie worden verbeterd door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten. Een cliënt kan echter niet gedwongen worden om, in ruil voor ondersteuning, activiteiten te verrichten in die zin dat hij de (aanspraak

  1. op)ondersteuning verliest als hij dit niet wil. 1.11 ResultaatgebiedDe ondersteuning die het college door middel van een maatwerkvoorziening of pgb verleent in de vorm van dienstverlening, vindt plaats binnen 1 of meerdere resultaatgebieden, die allemaal te maken hebben met het uiteindelijke doel van maatschappelijke ondersteuning: behoud en zo mogelijk versterking van de zelfredzaamheid en participatie; Opvang en beschermd wonen. De resultaatgebieden worden in hoofdstuk 2 verder uitgewerkt. Hierbij wordt ook aangegeven voor welke doelgroepen de resultaatgebieden van toepassing kunnen zijn. Ook andere ondersteuning dan dienstverlening kan worden verstrekt binnen deze resultaatgebieden. Zo zal binnen het resultaatgebied “sociaal en persoonlijk functioneren” een vervoersvoorziening voor sociaal recreatief vervoer aan de orde kunnen zijn om het de cliënt mogelijk te maken te participeren. Binnen een resultaatgebied wordt gewerkt aan subdoelstellingen die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Aan welke subdoelstellingen wordt gewerkt en met welke intensiteit hangt af van de individuele situatie van de cliënt. Aan de verschillende punten kan gelijktijdig worden gewerkt. (Voorbeelden van) subdoelstellingen zijn per resultaatgebied uitgewerkt in hoofdstuk 2. 1.12 Sociaal-recreatief vervoerHet gaat bij sociaal-recreatief vervoer om vervoer dat bestemd is voor participatie en zelfredzaamheid van een cliënt. Het gaat om vervoer naar bijvoorbeeld een buurtactiviteit, vrienden en familie, een theater, winkels of gewoon een ritje in de buitenlucht met de scootmobiel. Een voorziening voor sociaal-recreatief vervoer stelt de cliënt in staat zijn zelfredzaamheid te verbeteren of te handhaven, dan wel te participeren in de samenleving. 1.13 Vertegenwoordiger (J)Een vertegenwoordiger is op grond van de definitie in de Wmo 2015 de persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. In de Jeugdwet is dit begrip meer gericht op cliënten die vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden. Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij bijvoorbeeld het indienen van de aanvraag. Het begrip vertegenwoordiger wordt in de verordening gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget. Er zijn in de praktijk en in het spraakgebruik diverse soorten vertegenwoordigers. Deze zijn niet automatisch gelijk aan de vertegenwoordiger die handelt namens de cliënt in het kader van de Wmo 2015 of de Jeugdwet. In het maatschappelijk verkeer zijn er diverse vormen van wettelijke vertegenwoordigers, zoals de curator, de bewindvoerder, de mentor, de ouders en de voogd. Voorts zijn er persoonlijk vertegenwoordigers, zoals familieleden, beroepsgroepen, bureaus en overige natuurlijke en rechtspersonen. Een persoonlijk vertegenwoordiger kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze expliciet door de cliënt is gevolmachtigd. De wettelijk en persoonlijk vertegenwoordigers zijn niet per definitie de vertegenwoordiger in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Wanneer er sprake is van een (aanvraag voor een) pgb, zowel binnen de Wmo 2015 als de Jeugdwet, zijn er in de Rotterdamse regelgeving nadere eisen en voorwaarden gesteld aan degene die de rol van pgb-vertegenwoordiger op zich neemt. In de Jeugdwet is het begrip vertegenwoordiger niet gedefinieerd. In het kader van de Jeugdwet zal veelal sprake zijn van een wettelijk vertegenwoordiger in de zin van een bij gerechtelijke beschikking aangestelde vertegenwoordiger c.q. een door cliënt zelf aangewezen gevolmachtigde. De Jeugdwet kent daarnaast het begrip “vertrouwenspersoon” die de jeugdige, diens ouders of pleegouders, ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordlijkheden van diverse bij de jeugdhulp betrokken partijen. Het college ziet er op toe dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger vaak gelijk gesteld wordt) weigeren als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan. 1.14 Voorliggende voorziening (J)Een voorliggende voorziening is onderdeel van het beroep op eigen kracht (zie ook onder 1.5). Als voorliggende voorziening wordt beschouwd de bij wettelijk voorschrift geregelde voorziening waar de cliënt daadwerkelijk een beroep op kan doen en waardoor hij geen of in mindere mate een beroep hoeft te doen op ondersteuning. Voorbeelden hiervan zijn de Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet. De Participatiewet geldt niet als voorliggende voorziening op de Wmo 2015 of Jeugdwet. Opvang van jeugdigen die niet-structureel van aard is, bijvoorbeeld bij ontwrichting of calamiteiten, kan tijdelijk tot inzet van Jeugdhulp leiden. Het college heeft hiertoe als voorliggende voorziening ook andere instrumenten tot zijn beschikking zoals kinderopvang op Sociaal Medische Indicatie (SMI-opvang en -plusopvang) en opvang voor jeugdigen met een beperking. Deze vormen van opvang zijn geen jeugdhulp. 1.15 WaakvlamfunctieDe waakvlamfunctie is een preventieve vorm van ondersteuning die kan worden ingezet voor monitoring en incidentele ondersteuning nadat de structurele, intensieve ondersteuning binnen een resultaatgebied is afgerond. Het gaat bij een waakvlamfunctie om laagfrequente ondersteuning waarbij minder sprake is van vaste periodieke contactmomenten van de aanbieder met de cliënt. Om te voorkomen dat de situatie van de cliënt eventueel weer zou kunnen verslechteren, wordt van de aanbieder verwacht de benodigde ondersteuning, indien nodig, weer tijdig op te schalen. De waakvlamfunctie kan, behalve door de aanbieder die voorheen de structurele ondersteuning leverde, ook worden uitgevoerd door het wijkteam of de welzijnsaanbieder. De waakvlamfunctie is niet aan de orde bij intramurale arrangementen. 1.16 ZelfredzaamheidDe wetgever verstaat onder zelfredzaamheid: In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.Uit de definitie volgt dat zelfredzaamheid bestaat uit twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen; het voeren van een gestructureerd huishouden. Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging. Het gaat dan om: in en uit bed komen; aan‐ en uitkleden; bewegen; lopen; gaan zitten en weer opstaan; lichamelijke hygiëne (wassen); toiletbezoek; eten/drinken; medicijnen innemen; ontspanning; sociaal contact. In sommige gevallen valt de ondersteuning voor ADL onder de reikwijdte van de Zorgverzekeringswet. Dit komt in hoofdstuk 2 verder aan de orde. Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen ondersteuningParagraaf 2.1 InleidingHet college kan de ondersteuning voor haar burgers op 3 manieren regelen: door het beschikbaar stellen van algemene voorzieningen/overige voorzieningen; door een maatwerkvoorziening of individuele voorziening te verstrekken; door in plaats van een maatwerkvoorziening of individuele voorziening een persoonsgebonden budget (pgb) te verstrekken. In dit hoofdstuk worden algemene bepalingen over deze 3 verstrekkingsvormen van maatschappelijke ondersteuning verder uitgewerkt. Paragraaf 2.2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag2.2.1 Melding (J)Een burger kan zich bij de gemeente melden om zijn behoefte aan ondersteuning kenbaar te maken. Behalve door de burger zelf, kan de melding ook worden gedaan door een vertegenwoordiger (zoals de ouder), mantelzorger of hulpverlener. De cliënt, vertegenwoordiger of mantelzorger kan dit op verschillende manieren doen: telefonisch, via 14010; digitaal bij één van de VraagWijzers in het gebied waar hij woont; bij één van de stedelijke loketten ‘Jongerenloket’ en ‘Participatie en Stedelijke Zorg’; bij Veilig Thuis Rotterdam-Rijnmond (speciaal voor slachtoffers van huiselijk geweld); Centrum voor Jeugd en Gezin Rijnmond (jeugdhulp). Een schriftelijke melding bij een centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) dient te worden gericht aan het postadres van het CJG Rotterdam-Rijnmond via het contactformulier jeugd, zoals te vinden is op www.cjgrijnmond.nl/contact. Een digitale melding (jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning) dient te worden verricht via het contactformulier maatschappelijke ondersteuning, zoals te vinden is op https://concern.ir.rotterdam.nl/wmo/home?0 Een professionele hulpverlener, zoals een huisarts, kan de melding ook plaatsen bij het wijkteam. In het kader van de Jeugdwet wordt ook jeugdhulp verleend: na verwijzing door de behandelend huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder; op basis van een kinderbeschermingsmaatregel bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. Naar aanleiding van de melding wordt een onderzoek gestart. 2.2.2 Identificatieplicht en vreemdelingen2.2.2.1 Identificatieplicht Wmo 2015De Wmo 2015 vereist dat het college de identiteit van een cliënt vaststelt. Dit moet aan de hand van een geldig document in de zin van de Wet op de identificatieplicht. Voorbeelden van geldige legitimatiebewijzen zijn een rijbewijs, Nederlandse identiteitskaart, nationaal paspoort, diplomatiek paspoort en een document in het kader van het Gemeenschapsrecht. Ook reisdocumenten voor vreemdelingen kunnen een geldig identiteitsbewijs zijn. Het gaat dan om documenten in de zin van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit blijkt wie de vreemdeling is en wat zijn verblijfsrechtelijke positie is. Dit laatste is belangrijk omdat een vreemdeling slechts in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening als hij rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet. Op (de achterkant) van het verblijfsdocument staat vermeld op welke grondslag de vreemdeling in Nederland verblijft. Op die eis van rechtmatig verblijf geldt één uitzondering. Bij (eventuele) opvang in verband met risico’s voor de veiligheid van de betrokkene als gevolg van huiselijk geweld geldt dit niet. Daarnaast kan gelden dat een vreemdeling met een Nederlander gelijkgesteld is, dit ondanks het feit dat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. De situaties waarin er sprake is van zo’n gelijkstelling staan in artikel 2.1, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Ook vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven maar die al vóór 24 februari 2014 een beroep deden op maatschappelijke opvang, kunnen dit recht nog behouden. Het vaststellen van de identiteit is onderdeel van het onderzoek dat naar aanleiding van een melding plaatsvindt. Daarnaast moet iemand die een aanvraag indient zich, als het college daar om vraagt, kunnen identificeren. Op grond van de Wet op de identificatieplicht is een persoon pas vanaf de leeftijd van 14 jaar verplicht te beschikken over een dergelijk document. Dat betekent dat ten aanzien van een kind dat jonger is dan 14 jaar en dat niet over een geldig identiteitsbewijs beschikt, dit niet kan worden afgedwongen. Volstaan kan worden met de identificatie van de ouder die namens de cliënt de melding of aanvraag doet en een controle van de informatie uit de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP). Als van een cliënt in redelijkheid niet kan worden gevraagd om een nieuw identiteitsbewijs aan te vragen (bijvoorbeeld in verband met ernstige ziekte) en de identiteit van de cliënt op andere wijze afdoende kan worden vastgesteld, dan kan op deze identificatieplicht een uitzondering worden gemaakt. Dit moet wel toegelicht worden. Als een cliënt zich alleen meldt (al dan niet telefonisch) en meteen, zonder dat een onderzoek plaatsvindt, wordt doorverwezen naar een algemene voorziening, is identificatie op grond van de wet niet noodzakelijk. Dit is bijvoorbeeld aan de orde bij een melding voor het CAV omdat de persoon 75 jaar of ouder is. In dat geval vindt geen verder onderzoek plaats en kan op basis van de door de cliënt verstrekte informatie, in combinatie met de gegevens uit de (BRP), aan de cliënt een pasje worden verstrekt voor het CAV in de avonduren. 2.2.2.2 Identificatieplicht JeugdwetHet vaststellen van de identiteit is onderdeel van het onderzoek dat naar aanleiding van een melding plaatsvindt. Daarnaast moet iemand die een aanvraag indient zich, als het college daar om vraagt, kunnen identificeren. Op grond van de Wet op de identificatieplicht is een persoon pas vanaf de leeftijd van 14 jaar verplicht te beschikken over een dergelijk document. Dat betekent dat ten aanzien van een kind dat jonger is dan 14 jaar en dat niet over een geldig identiteitsbewijs beschikt, dit niet kan worden afgedwongen. Volstaan kan worden met de identificatie van de ouder die namens de cliënt de melding of aanvraag doet en een controle van de informatie uit de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP). Als van een cliënt in redelijkheid niet kan worden gevraagd om een nieuw identiteitsbewijs aan te vragen (bijvoorbeeld in verband met ernstige ziekte) en de identiteit van de cliënt op andere wijze afdoende kan worden vastgesteld, dan kan op deze identificatieplicht een uitzondering worden gemaakt. Dit moet wel toegelicht worden. 2.2.3 OnderzoekNaar aanleiding van een melding wordt een onderzoek uitgevoerd ter verheldering van de hulpvraag. Het onderzoek richt zich op degene die onderwerp is van de melding. Indien degene die het onderzoek namens het college uitvoert, of de cliënt, dit wenselijk of noodzakelijk acht, worden eventuele mantelzorgers, familieleden of reeds aanwezige hulpverleners bij het onderzoek betrokken. Dit neemt niet weg dat degene die het onderzoek uitvoert te allen tijde het recht heeft cliënt zonder aanwezigheid van derden te spreken. Het college kan, in het belang van het onderzoek, een reden hebben om de cliënt (ook) alleen te spreken, bijvoorbeeld als het college de indruk heeft dat er door de aanwezige derden ongeoorloofde druk of invloed wordt uitgeoefend op de cliënt, bijvoorbeeld om bepaalde dienstverlening al dan niet te betrekken. Een zorgaanbieder wordt in het stadium van het onderzoek naar aanleiding van de melding niet betrokken bij het onderzoek, tenzij het onderzoek c.q. de vraagverheldering in opdracht van het college door deze aanbieder wordt verricht. Een pgb zorgaanbieder is derhalve niet aanwezig in het kader van het onderzoek en komt pas concreet in beeld nadat het ondersteuningsplan is opgesteld, en het de wens is van de cliënt de verstrekking van de ondersteuning te laten plaatsvinden in de vorm van een pgb. Het college onderzoekt de onderwerpen die in de wet en de verordening staan opgenomen, zoals de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt, de mogelijkheden van cliënt en/of zijn netwerk om zelf oplossingen te vinden voor zijn belemmeringen. Ook verstrekt het college de benodigde informatie. Bijvoorbeeld over beschikbare voorliggende voorzieningen, algemene voorzieningen, vrijwilligerswerk en de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en pgb. Cliënt kan ook een persoonlijk plan overhandigen, waarin hij deze punten heeft beschreven en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest aangewezen is. Dit plan dient dan als basis voor het onderzoek. Het onderzoek wordt afgerond met een verslag, dat de cliënt wordt verstrekt. 2.2.4 Ondersteuningsverslag (J)Cliënt ontvangt van het onderzoek een ondersteuningsverslag dat in ieder geval een weergave van het gesprek bevat. Als de conclusie van het onderzoek is, dat cliënt in aanmerking komt voor ondersteuning, dan wordt hieraan een apart ondersteuningsplan toegevoegd. Ook als cliënt tijdens het onderzoek aangeeft dat hij in aanmerking wil komen voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening, wordt een ondersteuningsplan toegevoegd. Cliënt wordt in de gelegenheid gesteld om aanvullingen of correcties te plaatsen en ondertekent het ondersteuningsverslag voor gezien of akkoord. Na ondertekening van het verslag kan deze niet meer worden gewijzigd. Cliënt wordt in de gelegenheid gesteld om aanvullingen of correcties te plaatsen en ondertekent het ondersteuningsverslag voor gezien of akkoord. Het plan wordt vastgesteld uiterlijk binnen zes weken nadat is komen vast te staan welke jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling betrokken wordt. Na ondertekening van het verslag kan dit niet meer worden gewijzigd. Indien sprake is van pleegzorg, vindt over het plan tevens overleg met de betrokken pleegouder plaats. Indien het plan betrekking heeft op pleegzorg, behoeft het plan de instemming van de pleegouder, voor zover het betreft de omschrijving daarin van zijn rol in het hulpverleningsproces en van de wijze waarop de begeleiding door de pleegzorgaanbieder plaatsvindt. 2.2.5 AanvraagAls cliënt in aanmerking wil komen voor een individuele – of maatwerkvoorziening, moet hij daarvoor een aanvraag indienen (tenzij er sprake is van rechtstreekse toegang in het kader van de jeugdhulp, zoals vermeld bij 2.2.1). De aanvraag kan worden ingediend: door ondertekening van het ondersteuningsverslag; of door een apart daarvoor beschikbaar gesteld aanvraagformulier. In het kader van de Wmo 2015 kan een aanvraag in principe niet worden ingediend voordat het onderzoek is afgerond (behalve wanneer de onderzoekstermijn is verstreken). In zeer dringende gevallen kan een maatwerk- of individuele voorziening ook zonder aanvraag worden verstrekt. 2.2.6 Inlichtingenplicht (J)Iemand die een voorziening aanvraagt moet gegevens en bescheiden aanleveren die nodig zijn om een besluit te kunnen nemen. Het college mag geen gegevens of bescheiden vragen die niet relevant zijn voor het afhandelen van de aanvraag. Ook als een voorziening eenmaal is toegekend geldt een inlichtingenplicht. Die houdt in dat de cliënt of zijn vertegenwoordiger op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van de verstrekking van een voorziening. Concreet betekent dit dat een cliënt het college bijvoorbeeld actief moet informeren over: een wijziging in zijn beperking(
  2. en)die van invloed is op het gebruik van de maatwerkvoorziening of individuele voorziening; het toe- of afnemen van verleende mantelzorg; een gewijzigde gezinssituatie in de gevallen waar er sprake is/kan zijn van gebruikelijke hulp; een wijziging in de hulpvraag. Het niet of niet volledig nakomen van de inlichtingenplicht kan leiden tot intrekking of herziening van de maatwerkvoorziening. Het is dan ook belangrijk dat de cliënt op de hoogte is van de inlichtingenplicht en dat hij, als hij twijfelt of bepaalde informatie relevant is, hierover actief contact legt met de gemeente. 2.2.7 Medewerkingsplicht (J)In het verlengde van de inlichtingenplicht ligt de medewerkingsplicht. Die houdt in dat de cliënt alle medewerking moet verlenen aan de uitvoering van de Wmo 2015 of de Jeugdwet die het college noodzakelijk vindt. Zo is iemand verplicht om gehoor te geven aan een oproep van het college of om zich te onderwerpen aan onderzoek dat door (of namens) het college is ingesteld. Bij een onderzoek naar de vraag of er sprake is van gebruikelijke hulp geldt de medewerkingsplicht óók voor de huisgenoten van de cliënt. Als iemand niet voldoet aan de medewerkingsplicht dan kan dit gevolgen hebben voor het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening. Zo kan het zijn dat het college niet kan vaststellen of iemand (nog langer) recht heeft op een maatwerkvoorziening. Of dat de omvang van de voorziening niet kan worden vastgesteld. Van de cliënt aan wie een maatwerkvoorziening voor dienstverlening wordt toegekend, wordt verwacht dat hij naar vermogen meewerkt aan het opstellen van het ondersteuningsplan en het behalen van de daarin beschreven doelen en resultaten. Dit omvat ook de afspraken die worden gemaakt met de zorgaanbieder in het kader van de leveringsopdracht. Onder medewerking wordt dus ook verstaan het naleven van huis- en gedragsregels en/of omgangsvormen. Het al dan niet opzettelijk niet meewerken aan het behalen van de doelen en resultaten en/of het niet nakomen van gemaakte afspraken, kan leiden tot een tijdelijke opschorting van de ondersteuning of, in het uiterste geval, tot beëindiging daarvan. Uiteraard kan dit niet als uit de aard van iemands beperkingen voortvloeit dat die medewerking niet of in beperkte mate verleend kan worden. Paragraaf 2.3 Soorten voorzieningen2.3.1 Algemene voorzieningen Wmo 2015P.1.86 Inleiding Een algemene voorziening is volgens de Wmo 2015 een “aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning´. Iedere ingezetene die tot de doelgroep van de algemene voorziening behoort, kan hiervan gebruik maken. Dus ook ingezetenen die zorg ontvangen in het kader van de Wet langdurige zorg. Algemene voorzieningen zijn hierdoor laagdrempelig. De beschikbaarheid van een passende algemene voorziening voor de belemmeringen van de cliënt, betekent dat geen maatwerkvoorziening behoeft te worden verstrekt. Een algemene voorziening is in die zin voorliggend op een maatwerkvoorziening. 2.3.1.2 Aanbod algemene voorzieningenIn de gemeente Rotterdam worden algemene voorzieningen aangeboden door diverse, door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde partijen. Het aanbod bestaat uit: Ondersteuning door wijkteams De algemene voorziening die door het wijkteam wordt aangeboden bestaat uit: het bieden van informatie en advies Het gaat om het bieden van Informatie en advies waarmee cliënten en/of hun netwerk zelf aan de slag kunnen met de versterking/behoud van hun zelfredzaamheid en participatie; kortdurende ondersteuning Het wijkteam biedt kortdurende ondersteuning (in principe maximaal 6 maanden). Als duidelijk is dat kortdurende ondersteuning niet voldoende is, doch dat langere of meer gespecialiseerde ondersteuning (aanvullend) nodig is, geleidt het wijkteam de cliënt door naar een maatwerkvoorziening. Ook crisishulp kan hierbij aan de orde zijn. het bieden van casusregie Het wijkteam biedt casusregie in de situatie dat zich meerdere hulpverleners (behorende tot verschillende aanbieders) zich met de cliënt en/of het gezin van de cliënt bezighouden. Dit kan bijvoorbeeld een aanbieder van een maatwerkvoorziening en een aanbieder van jeugdhulp zijn, maar ook een aanbieder van een maatwerkvoorziening en het wijkteam zelf. het organiseren of vervullen van de waakvlamfunctie of monitoring De waakvlamfunctie en monitoring heeft als doel dat de cliënt, bijvoorbeeld na inzet van maatwerkvoorzieningen, geen terugval krijgt in zijn participatie, zelfredzaamheid of andere problematiek die aanleiding waren voor de inzet van de maatwerkvoorziening. Cliënt kan nog bijgestuurd worden, met vragen terecht en er wordt een vinger aan de pols gehouden. Dag- en nachtopvang Het betreft hier opvang voor dak- en thuislozen die uitsluitend bestaat uit slapen en eten zonder verdere individuele ondersteuning. Hieronder valt ook de winteropvang voor deze doelgroep. Voucher huishoudelijke hulp (HHT) Met de voucher huishoudelijke hulp kan een Wmo-cliënt, een 75-plusser of de mantelzorger (aanvullende) huishoudelijke ondersteuning inkopen. Voor cliënten die al een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke voorziening ontvangen, geldt dat met deze voucher alleen huishoudelijke hulp kan worden ingekocht voor werkzaamheden die niet onder de reikwijdte of omvang van de maatwerkvoorziening vallen. De kaders voor de voucher huishoudelijke hulp zijn vastgelegd in een aparte beleidsregel. Vervoer Sociaal-recreatief vervoer en vervoer van en naar de dagbesteding is normaal gesproken een maatwerkvoorziening. Dat is slechts anders indien het sociaal-recreatief vervoer betreft voor ingezetenen van 75 jaar of ouder die in de avonduren (na 19.00 uur) willen reizen. In dat geval kan betrokkene gebruik maken van het collectief vervoer met het CAV, ook als er geen sprake is van fysieke of psychosociale belemmeringen om van het openbaar vervoer gebruik te maken. WelzijnsaanbodIn ieder gebied van de gemeente is een welzijnsaanbieder gecontracteerd voor het aanbieden van maatschappelijke ondersteuning. Deze maatschappelijke ondersteuning is enerzijds gericht op de individuele burger (behoud en verbetering van eigen kracht, zelfredzaamheid en participatie), anderzijds ook op de wijk/het gebied als geheel in het kader van de verbetering van de leefbaarheid van de wijk. De algemene voorzieningen kunnen ten behoeve van de individuele burger individueel of in groepsverband worden aangeboden. Welke ondersteuning een welzijnsaanbieder aanbiedt en de wijze waarop, is mede afhankelijk van de behoeften in de wijk (bijvoorbeeld op grond van de bevolkingssamenstelling en specifieke problematiek in een wijk). In ieder geval vallen in alle wijken voorzieningen binnen de volgende 4 functies onder het welzijnsaanbod: Vroegsignalering en preventie Vroegsignalering betekent dat vragen om hulp en ondersteuning bekend zijn én dat vragers op de juiste plek terechtkomen. Concreet kan het gaan om de ondersteuning bij de preventie van schulden. Welzijnsaanbieders bieden ook activiteiten aan, gericht op gezondheidspreventie. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om het bevorderen van een gezonde leefstijl, meer bewegen, gezonder eten. Het tijdig signaleren van (dreigende) vereenzaming, psychosociale problematiek of verminderende zelfredzaamheid is belangrijk om te voorkomen dat cliënten later hun participatiemogelijkheden en zelfredzaamheid geheel verliezen en afhankelijk worden van zorg en ondersteuning. Aanjagen eigen kracht en talenten Door het aanjagen van de eigen kracht en talenten van Rotterdammers wordt de samenleving versterkt. In ieder gebied zijn Huizen (en/of huiskamers) van de Wijk die bedoeld zijn als centraal ontmoetingspunt van de wijk. Hier worden activiteiten georganiseerd, wijkbewoners kunnen hier binnenlopen voor advies of een praatje. De activiteiten en faciliteiten in de Huizen van de Wijk zijn gericht op de zelfredzaamheid en participatie van de individuele bewoner, maar ook op de samenredzaamheid en cohesie van de wijk. Activering en participatie Een grotere vrijwillige inzet van Rotterdammers draagt bij aan onderlinge hulp en participatie. De vrijwillige inzet is onmisbaar om eenzaamheid en overbelasting van Rotterdammers te voorkomen en langer thuis wonen mogelijk te maken. Vrijwilligerswerk is een belangrijke functie voor de stad, maar bevordert tevens de eigen kracht, zelfredzaamheid en participatie van de burger. Het is van belang om vraag en aanbod van vrijwilligerswerk goed op elkaar af te stemmen. Welzijnsaanbieders hebben hierbij een belangrijke rol. De mantelzorgondersteuning is er op gericht om ervoor te zorgen dat mantelzorgers hun vaak zware taak kunnen blijven uitoefenen, zonder overbelast te raken. Mantelzorgers kunnen terecht voor een gesprek, het uitwisselen van ervaringen en voor advies. Bijvoorbeeld over de mantelzorgtaken zelf, maar ook over de mogelijkheden van aanvullende ondersteuning. Welzijnsaanbieders hebben daarnaast een belangrijke taak in het aanbieden van activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van de arbeidsmarktpositie van de bewoners. Het kan hierbij gaan om bijvoorbeeld het verbeteren van het gedrag of een beter inzicht in de eigen kwaliteiten en mogelijkheden. Ook kan ondersteuning worden geboden bij het aanleren van praktische vaardigheden. Ondersteuning en dienstverlening Het gaat hierbij om eenvoudige ondersteuning bij het regelen van schulden. In het kader van zelfredzaamheid en participatie van personen die bijvoorbeeld dreigen te vereenzamen, hun dagstructuur verliezen of zichzelf verwaarlozen, kan dagbesteding een goede voorziening zijn. Ook kan dagbesteding een mogelijkheid zijn om een mantelzorger te ontlasten. Indien gespecialiseerde ondersteuning nodig is, wordt dagbesteding via een maatwerkvoorziening aangeboden. 2.3.1.3 WijkvoorzieningenIn bepaalde wijken kunnen voorzieningen aanwezig zijn, die door het college (aanvullend) worden gefinancierd en die (vaak door vrijwilligers) zijn opgericht vanuit een lokale behoefte. Zo rijdt er in meerdere wijken een wijkbus en zijn er wijktafels waar bewoners terecht kunnen voor een maaltijd. Dergelijke voorzieningen zijn voorliggend op een maatwerkvoorziening. Ook zijn er in sommige wijken pools met scootmobielen die gehuurd kunnen worden. 2.3.2 Gereserveerd2.3.3 Maatwerkvoorziening Wmo 2015Een maatwerkvoorziening wordt in de Wmo 2015 als volgt gedefinieerd: Op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelenten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; ten behoeve van beschermd wonen en opvang. Een maatwerkvoorziening vormt het sluitstuk van de Wmo 2015. Een maatwerkvoorziening is dus pas aan de orde als na onderzoek blijkt dat de situatie van de betrokkene niet (volledig) kan worden verbeterd op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met (niet-afdwingbare) mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of met algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen. De belangrijkste verschillen tussen een algemene en een maatwerkvoorziening zijn: de algemene voorziening is niet toegespitst op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een individuele persoon, terwijl een maatwerkvoorziening dat wel is; de algemene voorziening is vrij toegankelijk voor de doelgroep waarvoor deze bestemd is, maar een maatwerkvoorziening wordt op aanvraag verstrekt. Deze aanvraag kan worden ingediend na afronding van het onderzoek; Gevolg is dat tegen een (verwijzing naar een) algemene voorziening geen bezwaar open staat, maar wel tegen een besluit op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening; in plaats van een maatwerkvoorziening kan de cliënt, mits hij aan de voorwaarden voldoet, ook een pgb vragen om de ondersteuning zelf in te kopen. Cliënt kan geen pgb vragen in plaats van een algemene voorziening. Zie verder ook paragraaf 2.3.5 over het pgb; voor de eigen bijdrage gelden andere regels. Zie hiervoor ook paragraaf 2.4, punt 2.3.5 van dit hoofdstuk. Op de maatwerkvoorzieningen wordt in de hoofdstukken 3 en 4 verder ingegaan. Hoofdstuk 3 bevat de maatwerkvoorzieningen dienstverlening die in de vorm van resultaatgebieden worden verstrekt. Hoofdstuk 4 bevat veel voorkomende overige maatwerkvoorzieningen. 2.3.4 Gereserveerd2.3.5 Persoonsgebonden budget Wmo 2015 en JeugdwetInleidingEen persoonsgebonden budget (pgb) wordt in de Wmo 2015 als volgt gedefinieerd: “bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en een cliënt van derden heeft betrokken”.Een pgb is in de Jeugdwet niet gedefinieerd, maar uit de wetstekst blijkt dat hier hetzelfde mee wordt bedoeld. Een pgb stelt de cliënt/de ouder dus in staat om zelf de ondersteuning te regelen die het college anders via een maatwerkvoorziening (Wmo 2015) of individuele voorziening (Jeugdwet) zou hebben verstrekt. Het pgb is geen alternatief voor een algemene voorziening in het kader van de Wmo 2015 of een overige voorziening in het kader van de Jeugdwet. De maatwerkvoorziening en individuele voorziening worden in deze paragraaf verder Zorg in natura (ZIN) genoemd. Waar hier gesproken wordt over “cliënt” kan in het kader van de Jeugdwet ook worden gelezen: degene die aanspraak maakt op jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. 2.3.5.2 Verstrekkingsvorm en Pgb-planIn het kader van het onderzoek naar aanleiding van een melding gelden de algemene regels zoals opgenomen bij 2.2.3. Dat betekent dat ook wanneer er sprake zou kunnen zijn van een pgb, degene die het onderzoek uitvoert te allen tijde het recht heeft, om in het belang van het onderzoek, cliënt zonder aanwezigheid van derden te spreken. De mogelijke uitvoerder van de ondersteuning wordt in het stadium van het onderzoek naar aanleiding van de melding niet betrokken bij het onderzoek, tenzij dit noodzakelijk is in het kader van de vraagverheldering of het onderzoek c.q. de vraagverheldering in opdracht van het college door deze aanbieder wordt verricht. Een pgb aanbieder komt derhalve in beginsel pas concreet in beeld nadat het ondersteuningsplan is opgesteld, en het de wens is van de cliënt de verstrekking van de ondersteuning te laten plaatsvinden in de vorm van een pgb. Als tot de conclusie wordt gekomen dat ondersteuning nodig is, kan de cliënt aangeven of hij de verstrekking van de ondersteuning middels (het toegelichte aanbod
  3. in)zorg in natura wil ontvangen, of opteert voor het zelf inkopen via een pgb. Het uitgangspunt is dat een cliënt óf kiest voor ZIN, óf –daar waar mogelijk- voor een pgb. In het kader van jeugdhulp is binnen resultaatgebied a (ondersteunen van het sociaal en persoonlijk functioneren, ook wel R1 genoemd) en ondersteuningselement c (mantelzorgondersteuning, ook wel O3 genoemd) een combinatie van ZIN en pgb mogelijk. De benodigde zorg wordt dan of via een gecontracteerde aanbieder verleend, of via een niet-gecontracteerde pgb zorgaanbieder. Een gecontracteerde aanbieder kan zorg verlenen via een pgb, bijvoorbeeld wanneer cliënt te maken heeft met zorg vanuit meerdere wetten door dezelfde aanbieder. Wanneer dat gemotiveerd en met goede reden gebeurd, is een combinatie van ZIN en pgb eventueel mogelijk tussen de resultaatgebieden. Binnen één resultaatgebied is een combinatie van ZIN en pgb niet mogelijk. Wanneer een aanbod jeugdhulpverlening in de vorm van een pgb volledig overeenkomt met het aanbod van een gecontracteerde aanbieder, verstrekt het college de jeugdhulpverlening in de vorm van ZIN. Wanneer een aanbod voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb overeenkomt met het aanbod van een gecontracteerde aanbieder, zal het college dit onder de aandacht van de cliënt brengen. Immers, de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning moet minimaal voldoen aan de eisen die het college stelt aan de door haar gecontracteerde zorgaanbieders. Wanneer de cliënt het ondersteuningsverslag (zijnde het gespreksverslag + ondersteuningsplan) ontvangen heeft en geïnformeerd is over zijn maximale budget, moet de cliënt (of diens vertegenwoordiger) een pgb-plan opstellen. Dit pgb-plan wordt getoetst door de wijkteammedewerker of de Wmo-adviseur. Daarbij wordt beoordeeld of de omschreven ondersteuning in het pgb-plan van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van de in het ondersteuningsplan opgenomen doelen. Voorts wordt getoetst op (wettelijke) verlenings- en weigeringsgronden en de pgb-vaardigheid. In het pgb-plan motiveert de cliënt waarom er voor een pgb gekozen wordt, op welke manier de doelen uit het ondersteuningsplan behaald worden, welke doelen behaald zijn na 6 maanden, bij wie de ondersteuning wordt ingekocht, hoe deze wordt georganiseerd, hoe de kwaliteit is gewaarborgd. Ook moet hij een financieel overzicht opnemen. Bij LVB-problematiek kunnen de te behalen doelen worden geformuleerd binnen een termijn van een jaar. In dit plan legt de cliënt en, indien van toepassing, de vertegenwoordiger de pgb-verklaring af. De cliënt en zijn eventuele vertegenwoordiger dienen een verklaring te tekenen waaruit blijkt dat de cliënt en de eventuele vertegenwoordiger het pgb op een verantwoorde wijze kunnen beheren. Dit houdt onder andere in dat de cliënt en de eventuele vertegenwoordiger zich bewust is van de verantwoordelijkheid die de rol van budgethouder, dan wel vertegenwoordiger voor het pgb, inhoudt. Na het opstellen van het pgb-plan wordt er een gesprek ingepland met de cliënt. Wanneer er sprake is van een vertegenwoordiger, dient deze ook aanwezig te zijn bij het gesprek. 2.3.5.3 Wettelijke verlenings, intrekkings en weigeringsgrondenOp grond van de Jeugdwet en de Wmo 2015, dient de cliënt op eigen kracht voldoende in staat te zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat te zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Dit onderdeel wordt nader uitgewerkt bij punt 2.3.5.4. Voorts dient de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt te stellen dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen. Client moet dus motiveren waarom hij een pgb wil. De jeugdige of zijn ouders dienen zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten, en dat zij derhalve een pgb wensen. Middels het pgb dient te zijn gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening horen, veilig, doeltreffend en cliëntgerichtheid worden verstrekt, en dat de individuele voorziening van goede kwaliteit is. Een pgb kan worden geweigerd, dan wel ingetrokken, in de volgende situaties: voor zover de kosten van het pgb hoger te zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of individuele voorziening, met dien verstande dat, indien de cliënt dat wenst, hij zelf het verschil kan bijpassen en het college het pgb-budget verstrekt tot het maximale beschikbare budget; wanneer een beslissing op een aanvraag eerder is ingetrokken of herzien omdat de cliënt, dan wel de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens heeft of hebben verstrekt die tot een andere beslissing zouden hebben geleid; omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden; omdat de voorziening niet of voor een ander doel wordt gebruikt. 2.3.5.4 Pgb vaardigheidEen cliënt dient in staat te zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het beheren van een pgb is geen simpele en ook geen vrijblijvende taak. Met een pgb neemt een cliënt zelf de regie in handen over zijn ondersteuning. De cliënt moet zelf zorgverleners inhuren, goede afspraken maken, zorgverleners aansturen, zorgdragen voor tijdige declaratie van ondersteuning, de administratie bijhouden, bijdragen aan tijdige en correcte betaling door de Sociale verzekeringsbank (of het college) via het zogeheten trekkingsrecht, op basis van declaraties en zorgovereenkomsten. De cliënt is er primair zelf verantwoordelijk voor dat de kwaliteit van de ondersteuning die hij inhuurt voldoende is. Ook dient hij zelf zorg te dragen voor vervanging tijdens ziekte en verlof. Derhalve is het belangrijk dat de cliënt, of in voorkomende gevallen diens vertegenwoordiger, voldoende in staat is het pgb te beheren en zijn belangen te behartigen. Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren, als sprake is van de hieronder genoemde omstandigheden. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar dat dóór de omstandigheden, cliënt niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In het ondersteuningsverslag (en eventueel in de afwijzende beschikking) dient de beoordeling goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Mocht de cliënt alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren. De vertegenwoordiger dient ook te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de onderstaande aspecten. Bij de beoordeling van pgb-vaardigheid wordt gebruik gemaakt van de pgb-test zoals deze wordt aangeboden door Per Saldo. Voor deze test kan de cliënt niet slagen of zakken en de uitslag op zich kan dan ook geen reden zijn om een pgb af te wijzen. De test is bedoeld om cliënt en het college meer inzicht te geven in de mate waarin cliënt beschikt over de vaardigheden die noodzakelijk zijn om een pgb te beheren. De test is een hulpmiddel bij het gesprek dat het college voert met de cliënt over de keuze voor pgb of zorg in natura. Relevante omstandigheden met betrekking tot de pgb-vaardigheid: Problematische schuldenproblematiek Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat cliënt voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat een cliënt, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, zelf een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden bij de cliënt (of zijn vertegenwoordiger), zijn bijvoorbeeld dat de cliënt zelf aangeeft dat er (verwijtbare) schulden zijn, cliënt in de schuldsanering zit, onder bewindvoering staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’, zonder een vertegenwoordiger te hebben. Ernstige verslavingsproblematiek Ernstige verslavingsproblematiek bij een cliënt maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de cliënt bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat de cliënt minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij de cliënt, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont. Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag Wanneer een cliënt eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien de cliënt, dan wel vertegenwoordiger, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een (zeer) laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die- zonder ondersteuning- participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. Signalen die kunnen wijzen op een aanmerkelijke verstandelijke beperking bij de cliënt zijn bijvoorbeeld dat de cliënt behoort tot de cliëntgroep Verstandelijk Beperkten Intramuraal of Verstandelijk Beperkten Extramuraal en geen vertegenwoordiger heeft, of het ruim onvoldoende scoren op de Per Saldo test. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de cliënt om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de cliënt en de pgb-aanbieder. Een aanbod van zorg in natura past vaak beter in het (zorg)belang van de cliënt. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis Wanneer een cliënt een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie en de ziekte van Korsakov. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer cliënt de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen (en dus kunnen lezen) van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, zijn niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de SVB is en doet in relatie tot het pgb. Twijfels op andere gronden over de pgb-vaardigheid. Er kunnen, naast de eerder genoemde omstandigheden, ook twijfels zijn op andere gronden over de pgb-vaardigheid van de cliënt, dan wel vertegenwoordiger, waardoor sterk de indruk bestaat dat iemand niet in staat is om een pgb te beheren. Een beslissing hieromtrent dient goed onderbouwd en gemotiveerd worden. 2.3.5.5 Vertegenwoordiger pgbDe cliënt kan (of moet) zich, laten vertegenwoordigen in de uitoefening van het budgethouderschap. Een derde wordt dan gemachtigd om voor hem de taken, verbonden aan het pgb, uit te voeren. De vertegenwoordiger dient pgb-vaardig te zijn en de verklaring te ondertekenen. Uitgangspunt is dat degene die de cliënt vertegenwoordigt, de belangen van de cliënt centraal stelt. Deze vertegenwoordiger kan niet de uitvoerder zijn van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht. De vertegenwoordiger mag geen financiële relatie hebben met de uitvoerder van de ondersteuning. Hierdoor wordt immers een objectieve beoordeling van wat noodzakelijk is voor de cliënt, en de aansturing van de werkzaamheden bemoeilijkt. Dit kan ten koste gaan van het bereiken van de gewenste resultaten. Zo mag de vertegenwoordiger bijvoorbeeld niet betaald worden door de aanbieder van de zorg voor de betreffende cliënt. Dit geldt ook voor een pgb conform het informele tarief, wanneer bijvoorbeeld een familielid de hulp verleent. Het uitgangspunt is dat er geen belangenverstrengeling mag ontstaan doordat deze informele hulp twee taken in zich verenigt, namelijk van hulpverlener en beheerder van het pgb. In uitzonderlijke gevallen kan hier van worden afgeweken, wanneer dit, gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden. Dit kan aan de orde zijn wanneer de cliënt geen andere keuze kan maken, de kwaliteit van de verleende ondersteuning voldoende gewaarborgd is en het beheer van het pgb voldoende gewaarborgd is. In deze gevallen wordt de looptijd van de verstrekking beperkt of wordt frequent tussentijds te onderzocht hoe de ondersteuning en het beheer van het pgb verlopen. 2.3.5.6 Informele ondersteuningEen cliënt heeft de keuze om de ondersteuning in te kopen bij een professionele hulpverlener/ organisatie of ondersteuning te betrekken van een persoon of organisatie behorende tot het informele circuit of een combinatie daarvan. De gemeente toetst of een professioneel hulpverlener voldoet aan de daarvoor gestelde kwaliteitseisen als opgenomen in de regeling. Om de kwaliteit te kunnen wegen bij de inzet van het pgb via een persoon uit het sociaal netwerk, weegt het college of dit tot gelijkwaardig of beter resultaat leidt in vergelijking met de inzet van een professional. De cliënt kan voor het ene resultaatgebied / ondersteuningselement een persoon of organisatie behorende tot het informele circuit inzetten en voor het andere resultaatgebied / ondersteuningselement een professionele pgb hulpverlener inzetten. Een dergelijke combinatie van informeel en formeel (professioneel) is op het gebied van Jeugdhulp alleen mogelijk bij resultaatgebied a (ondersteunen van sociaal en persoonlijk functioneren, ook wel R1 genoemd) en ondersteuningselement c (mantelzorgondersteuning, ook wel O3 genoemd). Aan de geboden ondersteuning door pgb-zorgverleners worden bepaalde kwaliteitseisen gesteld. In eerste instantie is de budgethouder ervoor verantwoordelijk om toe te zien op de kwaliteit van de geleverde ondersteuning. Echter, het college heeft als verstrekker van de indicatie en het budget ook een rol. Er dient beoordeeld te worden of de pgb-zorgverlener voldoet aan de kwaliteitscriteria van professioneel of informeel pgb-hulpverlener. Ook kan het college de geboden ondersteuning periodiek toetsen aan gestelde kwaliteitseisen. Tijdens deze toets wordt gecontroleerd of de geboden ondersteuning uit het pgb-plan uitgevoerd wordt en of de gestelde doelen behaald worden. Voor zowel voor professionele als informele pgb-aanbieders, gelden, naast de overige kwaliteitseisen de volgende voorwaarden: De zorgverlener/-aanbieder biedt hulp die veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verleend. De zorgverlener/-aanbieder werkt actief en integraal samen met andere zorgverleners/-aanbieders in het belang van de cliënt. De zorgverlener/-aanbieder werkt aantoonbaar aan de doelen van het ondersteunings- en pgb-plan. De zorgverlener/-aanbieder is bij de gemeente niet bekend vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleiding en/of fraude. 2.3.5.7 Besteding pgb in het buitenlandHet is niet mogelijk een pgb in het buitenland, of elders in Nederland, te besteden, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college. De cliënt heeft een inlichtingenplicht en moet de gemeente vooraf toestemming vragen. Om te toetsen of een cliënt toestemming krijgt voor gebruik van het pgb in het buitenland, gelden de volgende criteria: cliënt heeft zijn hoofdverblijf in Rotterdam; cliënt verblijft maximaal 13 weken aaneengesloten dan wel per jaar in het buitenland; de geïndiceerde ondersteuning is noodzakelijk om tijdens het buitenlands verblijf te functioneren; het verblijf in het buitenland mag de zelfredzaamheid van de cliënt niet belemmeren. Dit moet aannemelijk gemaakt worden; ondersteuning die in het buitenland geleverd wordt moet bijdragen aan de doelstellingen van het ondersteuningsplan. Dit moet aannemelijk en controleerbaar zijn; een pgb dat naar zijn aard bedoeld is om in te zetten in en rond de woning van de cliënt kan niet tijdens een buitenlands verblijf worden ingezet (bijv. het pgb voor hulp bij het huishouden richt zich specifiek op het voeren van een huishouden in de gemeente Rotterdam); de hulpverlener moet in Nederland wonen (i.v.m. betaling door de SVB); het pgb mag niet worden ingezet voor het (deels) financieren van de vakantie (bv reis- en verblijfkosten). 2.3.5.8 Evaluatiegesprek / periodieke toetsingHet college heeft verschillende mogelijkheden om de uitvoering van het pgb-plan te toetsen. Allereerst wordt er een evaluatiegesprek gehouden binnen 6 maanden na de verstrekking. Tijdens dit gesprek wordt getoetst of de ondersteuning middels een pgb daadwerkelijk passend is bij de situatie van de cliënt. Naast dit evaluatiegesprek kan te allen tijde een periodieke toetsing gehouden worden, wanneer daar aanleiding toe is. Steekproefsgewijze controle behoort ook tot de mogelijkheden. In beide gesprekken wordt gecontroleerd of het pgb doel- en rechtmatig wordt ingezet. Onder doelmatig wordt verstaan of de doelen en resultaten, zoals geformuleerd in het ondersteuningsplan, worden gehaald. Onder rechtmatig wordt verstaan of de cliënt, de vertegenwoordiger en de hulpverlener(
  4. s)zich houden aan de afspraken zoals vastgelegd in het ondersteuningsplan, het pgb-plan en de zorgovereenkomst. Daarmee wordt getoetst of het budget aangewend wordt voor datgene waarvoor het bestemd is. Bij het evaluatiegesprek zijn in ieder geval de cliënt en vertegenwoordiger aanwezig. Het is aan de beoordeling van het college te bepalen wie er eventueel nog meer aanwezig zijn. 2.3.6 Wisseling verstrekkingsvorm of aanbiederHet is van belang dat er sprake is van continuïteit in de ondersteuning, zodat de ondersteuning uiteindelijk efficiënt kan worden uitgevoerd. Dit vergroot de doelmatigheid van de ondersteuning. Om deze reden zijn er grenzen gesteld aan de frequentie waarmee een cliënt mag wisselen tussen zorgaanbieders of tussen verstrekkingsvorm van een arrangement. Een cliënt kan maximaal 1 keer per jaar wisselen tussen zorg in natura en ondersteuning in de vorm van een pgb, tenzij de wisseling veroorzaakt wordt door een situatie die niet aan de cliënt valt te verwijten, zoals een faillissement van de aanbieder of aantoonbaar geleverde slechte kwaliteit van zorg door de aanbieder. Paragraaf 2.4 Indicatie2.4.1 Ingangsdatum ondersteuningUitgangspunt is dat de ingangsdatum van de ondersteuning ligt op of na de datum waarop op de aanvraag voor ondersteuning is beslist. Hierop is een uitzondering mogelijk als de ondersteuning, op verzoek of met toestemming van het college, is ingezet voordat het besluit tot toekenning is genomen. Bij het aflopen van een eerder toegekende voorziening geldt dat deze einddatum niet automatisch de ingangsdatum van de nieuwe voorziening is. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om tijdig opnieuw melding te doen van zijn voortgezette behoefte aan ondersteuning. Is er sprake van een lopende indicatie, maar cliënt wil overstappen van een arrangement in natura naar een pgb, dan zal hij dat tijdig moeten aanvragen. Op die manier kan de afronding van de levering van het arrangement en de beoordeling van het recht op een pgb zorgvuldig plaatsvinden. Als een cliënt de levering van het arrangement al heeft laten beëindigen, kan een pgb alleen met terugwerkende kracht worden verstrekt als vaststaat dat over die periode geleverd is én de cliënt ook verder voldoet aan de voorwaarden voor een pgb, waaronder een goedgekeurd pgb-plan. 2.4.2 Duur van de indicatie en getrapt indiceren2.4.2.1 Duur van de indicatieDe periode waarvoor een indicatie wordt afgegeven is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder: de beperkingen van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen; de woonomstandigheden en de samenstelling van het huishouden van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen; de leeftijd van de cliënt (speciaal voor jeugdigen). Ad a Bij een indicatie voor dienstverlening is het uitgangspunt dat deze voor langere tijd, maar maximaal voor de duur van 5 jaar wordt afgegeven. Uit het onderzoek moet wel blijken dat er sprake is van een stabiele situatie. Als sprake is van de verwachting dat de situatie van de cliënt verslechtert, bijvoorbeeld als gevolg van een progressief verlopende aandoening, kan de indicatie eveneens voor langere tijd worden afgegeven. In beide situaties is het mogelijk dat de omvang van de indicatie op verzoek van de cliënt wordt gewijzigd. Is er sprake van een situatie waarbij de verwachting bestaat dat er verbetering mogelijk is in de eigen kracht, al dan niet door inzet van gebruikelijke hulp, (niet-afdwingbare) mantelzorg of algemene voorzieningen, zal de indicatieduur worden beperkt tot de termijn waarbinnendeze verbeteringen verwacht worden, òf zal een getrapte indicatie plaatsvinden, waarmee de indicatie in 1 of meerdere stappen wordt af- of opgebouwd in omvang of intensiteit. Ad b Als het maatwerk bestaat uit dienstverlening kunnen ook de woonomstandigheden en samenstelling van het huishouden invloed hebben op de indicatieduur. Bij overige maatwerkvoorzieningen speelt dit minder. Als er bijvoorbeeld sprake is van kinderen in het gezin, zullen deze mogelijkerwijs naarmate zij ouder worden meer gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Ook kan het zijn dat na een beperkte ondersteuning van het gezin, bijvoorbeeld bij het anders organiseren van het huishouden of het aanleren van bepaalde vaardigheden, minder ondersteuning nodig is, omdat gezinsleden meer gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Ad cHet college laat in het kader van jeugdhulp het wijkteam de keuze uit een aantal standaard termijnen. De maximale duur van een arrangement is gesteld op 18 maanden. Na deze periode moet er een afweging plaatsvinden of er vervolghulp nodig is en zo ja vanuit welke opdracht. Er zijn de volgende uitzonderingen op deze maximale duur: Indien er sprake is van resultaatgebied b (herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdige) dan is in principe de maximale duur van het totale arrangement 12 maanden. Hier is voor gekozen omdat behandeling in principe eindig is. Ofwel de stoornis is zodanig behandeld dat de belemmeringen in het functioneren zijn opgeheven ofwel er is sprake van chroniciteit en is er (volgend op behandeling) begeleiding (resultaatgebied
  5. a)nodig om het gewenste niveau van functioneren te behouden. Hiervan kan worden afgeweken indien een jeugdige langdurige behandeling in combinatie met verblijf nodig heeft. Dit is vooral van toepassing op jeugdigen met een verstandelijke beperking welke in combinatie met gedragsproblemen langdurige vervangende opvoeding nodig hebben in bijvoorbeeld een setting van drie opvoedmilieus; Indien er geen perspectief is op verblijf in de thuissituatie kan voor ondersteuningselement a, trede 1 (pleegzorg) de maximale duur worden bepaald op 36 maanden. Voorwaarde hiervoor is dat voorafgaand aan dit arrangement de jeugdige reeds een periode van ten minste 12 maanden in een pleegzorgsituatie woont en het perspectief bestaat om langdurig in deze situatie op te groeien. Ad d gereserveerd 2.4.2.2 Getrapt indicerenIndien wordt vastgesteld dat de cliënt leerbaar is, kan een getrapte indicatie worden afgegeven. Dit betekent dat de indicatieperiode wordt ingedeeld in één of meerdere fasen, waarbij een andere (hogere of lagere) trede voor een resultaatgebied aan de orde is. Bij leerbaarheid is meestal sprake van een afbouw van intensiteit, doch bij arbeidsmatige dagbesteding kan juist sprake zijn van een opbouw. Ook als voorzien wordt dat mantelzorg (bijvoorbeeld door verhuizing van de mantelzorger) binnen afzienbare tijd komt te vervallen, kan indeling in een hogere trede aan de orde zijn. Bij de getrapte indicatie kan dus zowel een afbouw als opbouw in treden aan de orde zijn. 2.4.3 Wijziging situatie2.4.3.1 InleidingAls de situatie van de cliënt wijzigt kan dit gevolgen hebben voor zijn aanspraak op ondersteuning. Uit de inlichtingenplicht volgt dat de cliënt wijzigingen moet doorgeven. Er zijn verschillende situaties denkbaar, die in de volgende onderdelen worden beschreven. 2.4.3.2 Verlaging of verhoging van de indicatie op verzoek van de cliëntAls een cliënt aangeeft dat hij structureel minder of meer ondersteuning nodig heeft dan wordt er op basis van onderzoek een nieuw besluit genomen. De ingangsdatum van de wijziging wordt zo veel mogelijk in overleg met de cliënt vastgesteld. Waar mogelijk sluit de ingangsdatum aan op de periodes die het CAK hanteert. 2.4.3.3 Wijziging indicatie op grond van gewijzigde situatieAls een cliënt wordt opgenomen in een instelling ten laste van de Wet langdurige zorg, dan wordt de indicatie 1 dag na opname beëindigd. Er kan ook sprake zijn van tijdelijke afwezigheid van de cliënt. Bijvoorbeeld als gevolg van een ziekenhuisopname, vakantie of een verblijf in detentie. In principe blijft de indicatie in zo’n situatie gehandhaafd, maar wordt er niet geleverd. De betaling aan de zorgaanbieder wordt echter na 2 weken aangepast. Zodra de cliënt weer thuis is, hervat de leverancier de ondersteuning en zal deze de ondersteuning ook weer normaal declareren bij de gemeente. Als de cliënt, op wiens naam de indicatie is afgegeven, overlijdt of als hij permanent of voor lange tijd (naar verwachting langer dan 8 weken) afwezig zal zijn, eindigt de indicatie. Als er sprake is van een achterblijvende partner die eveneens ondersteuning nodig heeft, is het mogelijk om de indicatie, voor zover deze niet specifiek betrekking had op de ondersteuning van de overleden of opgenomen cliënt, voort te zetten totdat er op naam van de partner een nieuwe indicatie is afgegeven. 2.4.3.4 Bezwaar of beroepIn bezwaar en beroep wordt beoordeeld of een besluit terecht genomen is. Als blijkt dat dit niet het geval is, dan is het niet mogelijk om de situatie met terugwerkende kracht te herstellen. De aangepaste indicatie treedt zo snel mogelijk in werking nadat het besluit in bezwaar of beroep genomen is. In zo’n situatie moet wel altijd met de cliënt worden besproken of, en zo ja in hoeverre, hij in de afgelopen periode aantoonbare kosten heeft gemaakt die (achteraf bezien) wél tot de indicatie behoren. Bijvoorbeeld doordat de cliënt particuliere hulp heeft ingeschakeld. Dergelijke aangetoonde kosten kunnen eventueel in de vorm van een eenmalige schadevergoeding worden uitbetaald. Dit geldt zowel voor de situaties waarin er sprake is van maatwerk in de vorm van dienstverlening of de toekenning van een periodiek pgb. 2.4.3.5 Wijzigingen in de persoonlijke of gezinssituatieBij wijzigingen in de persoonlijke of gezinssituatie zal de medewerker beoordelen of dit gevolgen heeft voor de indicatie, bijvoorbeeld omdat er meer of minder gebruikelijke hulp kan worden geleverd. Is dit het geval, dan wordt de indicatie aangepast. Bij een verhuizing naar buiten de gemeente eindigt de indicatie op de dag van de verhuizing. Bij een verhuizing binnen de gemeente blijft de indicatie gehandhaafd, tenzij in verband met wijzigingen in verband met bijvoorbeeld de beschikbaarheid van mantelzorg of algemene voorzieningen in de nieuwe wijk een nieuwe indicatie noodzakelijk is. Wijzigingen bij resultaatgebied huisvestingDe indicatie vervalt niet door tijdelijke afwezigheid uit de opvang of beschermd wonen, bijvoorbeeld in verband met ziekenhuisopname, detentie of vakantie. Maar als de cliënt definitief vertrekt uit de opvang, vervalt de indicatie op de dag van vertrek. Dit geldt ook bij overlijden van de cliënt. Bij Jeugdhulp is het adres van de gezaghouder bepalend (bij co-ouderschap is het adres waar de jeugdige ingeschreven is leidend). Indien alleen de jeugdige verhuist, blijft alles hetzelfde in verband met woonplaatsbeginsel. Volgens de Jeugdwet heeft de gemeente Rotterdam de plicht om een voorziening door te laten lopen tot einde indicatie, maar de VNG adviseert om dit in overleg met de overnemende gemeente te beperken tot maximaal een jaar. 2.4.4 Intrekking, herziening en beëindiging (J)Van intrekking is sprake als achteraf gezien in het verleden geen recht op een voorziening bestond. Het gaat dus meestal om terugwerkende kracht (zo niet dan heet het “beëindiging”). Van intrekking is sprake als er in het geheel geen recht op de voorziening bestond. Als er nog wel enig, maar minder, recht op de voorziening bestaat dan is er sprake van herziening. Uit de Wmo 2015 volgt dat het college een besluit om een maatwerkvoorziening of een pgb toe te kennen kan intrekken of herzien. Maar dit mag alleen als wordt vastgesteld dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. De cliënt moet wel redelijkerwijs kunnen begrijpen dat hij ten onrechte een maatwerkvoorziening of een pgb ontving. Ook geldt hier dat de cliënt wel de mogelijkheid moet worden geboden om alsnog de juiste gegevens aan te leveren; de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of pgb is aangewezen. Hieronder valt ook de situatie dat beleid wijzigt en dat cliënt op grond van dat gewijzigde beleid niet langer in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening of het pgb. In dat geval dient wel een redelijke termijn in acht genomen te worden bij de wijziging. Wat een redelijke termijn is hangt af van de aard van de voorziening en de tijd die iemand naar verwachting nodig heeft om zich in te stellen op de nieuwe situatie; de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden. Dit speelt bijvoorbeeld als de cliënt niet langer in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. In dat geval moet het college wel nagaan om welke reden dit gebeurt. De omstandigheden van het geval spelen hier dus een rol. Als een cliënt bijvoorbeeld een pgb niet gebruikt, dan kan het college het recht hierop intrekken. Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op een individuele voorziening jeugdhulp, met dien verstande dat intrekking of herziening van een dergelijke voorziening ook plaatsvindt indien het handelen van een budgethouder of vertegenwoordiger niet het belang dient van de jeugdige voor wie de jeugdhulp bedoeld is. In al deze gevallen wordt de aanspraak dus (gedeeltelijk) beëindigd. In uitzonderingssituaties kan beëindiging ook op initiatief van de zorgaanbieder plaatsvinden. De reden voor beëindiging mag evenwel niet zijn oorzaak hebben in de beperking waarvoor de ondersteuning wordt verleend, tenzij de zorgaanbieder voor die ondersteuning niet is gecontracteerd. Bij beëindiging op initiatief van de zorgaanbieder geldt dat hij in beginsel gehouden is om bij beëindiging de opdrachtgever (gemeente) en cliënt alternatieven voor passende ondersteuning voor te stellen, tenzij dat vanwege de omstandigheden van het geval in redelijkheid niet van de zorgaanbieder kan worden verwacht. Tot beëindiging van de ondersteuning kan alleen worden overgegaan indien de zorgaanbieder gemotiveerd kan aantonen dat hij zich maximaal heeft ingespannen om ondersteuning te leveren en hij conform de zorgbeëindigingsprocedure schriftelijk toestemming heeft verkregen om de ondersteuning te beëindigen. 2.4.5 TerugvorderingHet college heeft de bevoegdheid om terug te vorderen. Dit mag alleen als: een verstrekte voorziening of een pgb is ingetrokken omdat de cliënt onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt (en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit had geleid), én dit door de cliënt opzettelijk is gedaan. In het kader van de Wmo 2015 geldt dat het college mag terugvorderen bij de cliënt zelf, maar ook bij degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend. De hoogte van de terugvordering is de gehele of de gedeeltelijke geldswaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Het bedrag van de terugvordering moet aan de gemeente betaald worden. Als uitgangspunt geldt dat het college een betalingstermijn biedt van zes weken. Het college is bevoegd een afbetalingsregeling te treffen met de cliënt en/of om uitstel van betaling te verlenen. Waar mogelijk kan het college overgaan tot verrekening van de vordering met (financiële) aanspraken die de cliënt op het college heeft. Het besluit tot terugvordering heeft geen executoriale titel. Als de cliënt in gebreke blijft om de vordering binnen de gestelde termijn te betalen, dan moet het college –nadat het cliënt schriftelijk heeft aangemaand- een dwangbevel uitvaardigen. Dit gebeurt door middel van de betekening van een exploot als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hiervoor is een deurwaarder nodig. Als de cliënt het niet eens is met een dwangbevel dan kan hij daartegen geen bezwaar of beroep instellen. Wel kan hij in verzet komen, bij de voorzieningenrechter van de rechtbank, sector civiel. Het verzet wordt aanhangig gemaakt in een dagvaardingsprocedure. Paragraaf 2.5 Eigen bijdrage Wmo 20152.5.1 Eigen bijdrage algemene voorzieningOver het gebruik van algemene voorzieningen hoeft geen eigen bijdrage te worden betaald, behalve voor de aanschaf van een voucher voor (extra) inkoop huishoudelijke hulp. Wel kunnen bij algemene voorzieningen algemeen gebruikelijke kosten in rekening worden gebracht. Dat zijn kosten die ook door mensen die niet tot de doelgroep van de Wmo 2015 behoren kwijt zouden zijn geweest. Bijvoorbeeld voor een kopje koffie, materiaal, een geringe bijdrage om mee te kunnen doen aan een activiteit. 2.5.2 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgbEen cliënt is voor een maatwerkvoorziening of pgb een eigen bijdrage verschuldigd, conform hetgeen hierover is bepaald in de wet en in de verordening. Het CAK stelt de hoogte van de eigen bijdrage vast. Er is op grond van deze regelgeving geen eigen bijdrage verschuldigd bij de verstrekking van: een rolstoel; een maatwerkvoorziening ten behoeve van een minderjarig kind (inclusief woningaanpassing); eenvoudige opvoedondersteuning in het kader van een gezinsarrangement, aangezien hier feitelijk sprake is van jeugdhulp in de zin van Jeugdwet die binnen het Wmo-arrangement wordt gebracht; het ambtshalve verstrekken van de maatwerkvoorziening; een tijdelijke maatwerkvoorziening in geval van spoedeisende ondersteuning; het gebruik van het Collectief Aanvullend Vervoer voor sociaal-recreatief vervoer; het gebruik van de doventolk; de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex. Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen dienstverleningParagraaf 3.1 Algemene bepalingen3.1.1 CliëntgroepenVoor de maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening is van belang te kunnen bepalen onder welke cliëntgroep deze valt. Enerzijds is dat van belang om te kunnen bepalen op welk soort ondersteuning een cliënt aanspraak kan maken. Anderzijds is dit van belang om vast te kunnen stellen welke aanbieder deze ondersteuning kan leveren. Er worden de volgende cliëntgroepen onderscheiden: Ouderen en Somatiek; Lichamelijk beperkten (waaronder Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH)); Verstandelijk beperkten extramuraal; Verstandelijk beperkten intramuraal (O)GGZ extramuraal; (O)GGZ intramuraal; Zintuiglijk beperkten. Ad a Cliëntgroep Ouderen en SomatiekHoewel de cliëntgroep Ouderen en Somatiek anders suggereert, gaat het hier niet alleen om ouderen, maar om cliënten met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking. Een somatische aandoening of beperking vindt veelal zijn oorzaak in een actuele somatische (lichamelijke) ziekte of aandoening. Een lichamelijke aandoening die gekenmerkt wordt door stabiele fases en bij verergering door medische en/of paramedische behandeling (nog) kan genezen of verbeteren, valt onder de cliëntgroep somatische aandoening, dus niet de cliëntgroep Lichamelijk beperkten. Wanneer de lichamelijke aandoening blijvend is, niet veroorzaakt door stoornissen van het zenuwstelsel of het bewegingsapparaat (bot/spierstelsel, gewrichten en bindweefsel), dan is de cliëntgroep Ouderen en Somatiek eveneens van toepassing. Dit is ook het geval bij een ongeneeslijke ziekte, waarbij geen zicht meer is op herstel of verbetering en die zeker tot het levenseinde zal leiden. Een psychogeriatrische aandoening wordt gevormd door een ziekte, aandoening of stoornis in of van de hersenen. Veelal is er een aantasting te zien van onder andere denkvermogen, gevoelsleven, intellect, geheugen of al of niet in combinatie met afname van motorische functies en vermindering van sociale zelfredzaamheid. Dementie is een verzamelnaam voor een aantal symptomen die allemaal veroorzaakt worden door een niet-aangeboren ziekte of stoornis in de hersenen. Dementie valt ook onder de psychogeriatrische aandoeningen. Ad b Cliëntgroep Lichamelijk beperktenBij deze cliëntgroep staat een lichamelijke beperking voorop: er is sprake van een fysieke aandoening als gevolg van stoornissen van het zenuwstelsel en het bewegingsapparaat (bot/-spierstelsel, gewrichten en bindweefsel), waarbij geen functionele verbetering meer te verwachten is (er kan nog wel sprake zijn van een verslechtering) en er geen sprake is van een terminale situatie. Ook mensen met een niet-aangeboren hersenletsel (NAH) vallen onder deze cliëntgroep. Het gaat hierbij om cliënten die als gevolg van een niet aangeboren hersenaandoening, zoals een hersentumor of een –bloeding, te kampen hebben met beperkingen. Veelal heeft de cliënt al een revalidatiefase achter de rug en moet hij vervolgens thuis verder werken aan herstel en/of het behouden van vaardigheden om terugval te voorkomen. Ad c Cliëntgroep Verstandelijk beperkten extramuraalHet gaat hier om cliënten die al als kind opvallend minder scoren op cognitief of intellectueel gebied en als gevolg hiervan kampen met problemen op het gebied van sociale (zelf)redzaamheid. De verstandelijke beperking kan ook gepaard gaan met gedragsproblematiek. De ernst van de problematiek is nog dusdanig dat zij ambulant ondersteund kunnen worden en de cliënt de beschikking heeft over woonruimte. Ad d Cliëntgroep Verstandelijk beperkten intramuraalOok bij deze cliëntgroep betreft het personen die als kind opvallend minder scoren op cognitief of intellectueel gebied en als gevolg daarvan kampen met problemen op het gebied van sociale (zelf)redzaamheid. Daarnaast is er veelal sprake van andersoortige (gedrags)problematiek Door deze combinatie van ernstige problematiek is er behoefte aan een beschermende woonomgeving om verslechtering van de situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken. Ambulante ondersteuning en dagbesteding zijn hiervoor onvoldoende. Deze beschermende woonomgeving is tijdelijk nodig, of er kan op dit moment nog niet worden vastgesteld dat de behoefte aan toezicht blijvend is. Een afwijzing voor een Wlz-indicatie kan dit onderstrepen, maar hoeft niet persé aanwezig te zijn. Ad e Cliëntgroep (O)GGZ extramuraalOnder deze cliëntgroep vallen allereerst personen met een vermoeden van beperkte zelfredzaamheid als gevolg van een verslavings-, psychisch of psychosociaal probleem dan wel een combinatie van deze problemen. Een aantal cliënten dat behoort tot de cliëntgroep (O)GGZ extramuraal kan worden ingedeeld in een bijzondere doelgroep. Het gaat om vier bijzondere doelgroepen: dak- en thuisloze volwassenen (vanaf 23 jaar); dak- en thuisloze jongeren (18 – 23 jaar); personen die in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld hun woning hebben verlaten; gezinnen met jeugdigen in de opvang. Het kan, zeker bij personen met psychiatrische of psychosociale aandoeningen en bij dak- en thuislozen, gaan om mensen met problemen op meerdere leefgebieden (wonen, werk, financiën etc.), (dreigende) dak- en thuisloosheid, verslaving, verwaarlozing. De ernst van de problematiek is echter nog dusdanig, dat zij ambulant ondersteund kunnen worden en de cliënt de beschikking heeft over woonruimte. Ad f Cliëntgroep (O)GGZ intramuraalVan intramuraal is sprake indien cliënten, zoals die staan beschreven bij de cliëntgroep (O)GGZ extramuraal, zelfs met ondersteuning niet in staat zijn zelfstandig een woning te bewonen vanwege de combinatie van problematiek. Er moet sprake zijn van problematiek op meerdere leefgebieden, waaronder de geestelijke gezondheid. Het gaat hier om cliënten met ernstige problematiek, veelal voortkomend uit een vermoeden van psychiatrische of psychosociale aandoeningen: problemen op meerdere leefgebieden (wonen, werk, financiën etc.), (dreigende) dak- en thuisloosheid, verslaving, verwaarlozing, gevaar voor zichzelf en/of de omgeving. De ernst van de problematiek is dusdanig dat zij niet meer zelfstandig kunnen wonen en functioneren, maar behoefte hebben aan een beschermende woonomgeving en permanent toezicht. Daarbinnen/-naast zijn dezelfde vier bijzondere doelgroepen te benoemen die beschreven staan bij cliëntgroep (O)GGZ extramuraal. Ad g Cliëntgroep Zintuiglijk BeperktenHet gaat hier om cliënten met een zintuiglijke beperking die als gevolg hiervan kampen met problematiek op meerdere leefgebieden en daardoor gespecialiseerde ondersteuning nodig hebben. De zintuiglijke beperking gaat derhalve gecombineerd met bijkomende beperkingen, psychosociale en/of psychiatrische problematiek. De gespecialiseerde ondersteuning is landelijk ingekocht door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Er worden drie groepen cliënten onderscheiden: cliënten met een visuele beperking die voldoet aan de NOG-richtlijn ‘Visusstoornissen, Revalidatie en Verwijzing’; vroegdove cliënten. Het gehoor is afwezig of dermate slecht, dat eventuele gehoorresten geen betekenis voor de communicatie hebben. Bij vroegdove cliënten dateert de doofheid van vóór het begin van de gesproken normale taalontwikkeling; doofblinde cliënten. Bij deze combinatie is er sprake van een ernstig verlies van de hoorfunctie, gecombineerd met verlies van visuele functies, met veelal een progressief karakter van beide of één van beide zintuigbeperkingen. 3.1.2 Indicatie binnen resultaatgebiedenDe ondersteunende dienstverlening is gericht op het compenseren van belemmeringen die een cliënt ondervindt binnen één of meerdere van de volgende resultaatgebieden: sociaal en persoonlijk functioneren; ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden; financiën; dagbesteding; ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid; nachtelijk toezicht (en huisvesting); mantelzorgondersteuning met verblijf; gespecialiseerde ondersteuning zintuiglijk beperkten. De resultaatgebieden worden vanaf paragraaf 3.2 verder uitgewerkt. In onderstaand schema is aangeven welke resultaatgebieden er per cliëntgroep aan de orde kunnen zijn. Cliëntgroep Resultaatgebieden Ouderen en Somatiek Alle resultaatgebieden, behalve f en h Lichamelijk beperkten Alle resultaatgebieden, behalve f en h Verstandelijk beperkten extramuraal Alle resultaatgebieden, behalve h Verstandelijk beperkten intramuraal Alle resultaatgebieden, behalve b, g en h (O)GGZ extramuraal Alle resultaatgebieden, behalve h (O)GGZ intramuraal Alle resultaatgebieden, behalve b, g en h Zintuiglijk beperkten Alle resultaatgebieden, behalve f Iedere aanbieder die gecontracteerd is voor een cliëntgroep wordt geacht voor alle relevante resultaatgebieden de ondersteuning te kunnen bieden. Hierbij geldt als uitzondering de cliëntgroep zintuiglijk beperkten, de cliënten die onder deze cliëntgroep vallen kunnen wél te maken krijgen met twee aanbieders. 3.1.3 Startarrangement3.1.3.1 Aard en doel startarrangementHet startarrangement is een tijdelijk (maximaal drie maanden) arrangement dat versneld wordt afgegeven op basis van een standaard indicatie en waarmee de aanbieder direct kan starten. Binnen drie maanden wordt deze omgezet naar een reguliere maatwerkindicatie. Het doel van het startarrangement is om dakloze volwassenen, jongeren en slachtoffers van huiselijk geweld, direct te helpen in situaties dat zij niet kunnen wachten op een standaard afhandelingsprocedure. Er wordt gezorgd voor huisvesting en de aanbieder start direct met het bieden van de noodzakelijke ondersteuning, waarmee de voorwaarden worden geschapen voor een vervolg binnen een regulier ondersteuningsarrangement. Een startarrangement kan alleen worden afgegeven als de cliënt meewerkt aan de ondersteuning, waardoor de basis weer op orde komt en hij zo spoedig mogelijk door kan stromen naar ondersteuning binnen een regulier arrangement of uit kan stromen. Hieronder valt ook dat hij meewerkt aan budgetbeheer. Als er sprake is van ernstige psychiatrische problematiek die de uitvoering van het startarrangement belemmeringen, kan een startarrangement niet worden aangeboden. 3.1.3.2 Gebruikelijke hulpHet verstrekken van een startarrangement impliceert dat er geen sprake is van gebruikelijke hulp. 3.1.3.3 Omvang resultaatgebiedDe ondersteuning vindt plaats binnen de volgende resultaatgebieden: Sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder zo nodig eenvoudige opvoedondersteuning; Financiën; Ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid; Daarnaast wordt (tijdelijke) huisvesting aangeboden. De uiteindelijk te behalen resultaten binnen het arrangement zijn: Stabilisatie van de cliënt of het cliëntsysteem in de eerste 24 uur. Hierbij is er speciale aandacht voor het nuttigen van maaltijden, het welzijn van eventuele kinderen en de veiligheid; Consistente en doorlopende begeleiding gedurende het verblijf in de aangeboden huisvesting; Inzet van noodzakelijke medische begeleiding is gerealiseerd (somatisch, verslaving of GGZ-zorg); Er zijn noodzakelijke verbindingen gelegd met één van de stedelijke loketten of wijkteam; De basis is op orde. Dat wil in ieder geval zeggen: cliënt beschikt over een identiteitsbewijs en zorgverzekering; het inkomen van cliënt is geregeld; cliënt staat geregistreerd als (urgent) woningzoekende en er wordt actief ondersteund bij het vinden van woonruimte; cliënt is aangemeld voor budgetbeheer; er wordt gewerkt aan de regeling van oude (huur)schulden; er is een inkomensverklaring van de belastingdienst geregeld. 3.1.3.4 Treden startarrangementHet arrangement wordt opgebouwd, afhankelijk van de vraag of de aanbieder wel of geen huisvesting organiseert. De opbouw van het startarrangement als de aanbieder geen huisvesting organiseert: Resultaatgebied Trede Sociaal en persoonlijk functioneren Midden/intensief Opvoedingsondersteuning1 Wanneer van toepassing. Midden Financiën Midden Zelfzorg en gezondheid Beperkt De opbouw van het startarrangement als de aanbieder wel huisvesting organiseert: Resultaatgebied Trede Sociaal en persoonlijk functioneren Midden/intensief Opvoedingsondersteuning2 Wanneer van toepassing. Midden Financiën Tijdelijk intensief Zelfzorg en gezondheid Beperkt 3.1.4 Omvang indicatieDe omvang van de indicatie per resultaatgebied wordt bepaald in intensiteitstreden. Het aantal treden verschilt per resultaatgebied. Het resultaatgebied of de resultaatgebieden die worden geïndiceerd vormt/vormen samen het ondersteuningsarrangement. Het ondersteuningsarrangement bepaalt het bedrag dat de gecontracteerde aanbieder ontvangt voor de verdere invulling van de ondersteuning aan de cliënt op basis van het ondersteuningsplan, dan wel het bedrag waarover de aanvrager maximaal kan beschikken om zijn ondersteuning zelf in te kopen met een persoonsgebonden budget. In elk model zal er een klein deel van de cliënten zijn wiens situatie niet past binnen de kaders van het model. Voor dit soort uitzonderingsituaties zal de medewerker de mogelijkheid krijgen om na bepaling van de zwaarte per resultaatgebied te komen tot een budget waarvan de hoogte nog meer op het individu is toegesneden. De omvang van de indicatie kan ook worden bepaald door de vraag of er in één huishouden bij meerdere personen een indicatie voor het betreffende resultaatgebied aan de orde is en in hoeverre de ondersteuning voor deze personen gecombineerd kan worden. Als dit laatste het geval is, kan dit betekenen dat de ondersteuning of slechts voor één persoon volledig wordt toegekend (bijvoorbeeld ondersteuning bij het overnemen van het huishouden) of dat één of beide personen de ondersteuning krijgen bij het overnemen van het huishouden of dat één of beide personen de ondersteuning krijgen op basis van een lagere trede. De bepaling van de trede waarop de cliënt een maatwerkvoorziening krijgt, is afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte, de mate van zelfredzaamheid, de beschikbaarheid en mogelijkheid van algemeen gebruikelijke en algemene voorzieningen etc. Daarnaast is de trede-indeling afhankelijk van het totaalbeeld van resultaatgebieden waarop ondersteuning nodig wordt geacht. Bij sommige resultaatgebieden is sprake van communicerende vaten, waardoor een indeling op de meest intensieve trede op beide resultaatgebieden niet reëel is. 3.1.5 Keuze tussen aanbiedersDe cliënt kan bij zijn aanvraag voor een maatwerkvoorziening de aanbieder kiezen waarvan hij de ondersteuning wenst te ontvangen. Indien de cliënt, ook na rappel, geen voorkeur aangeeft of wil geven, zal de medewerker die de aanvraag in behandeling neemt, een aanbieder selecteren die op basis van het onderzoek het best aansluit bij de cliënt en zijn ondersteuningsbehoefte. Deze keuzevrijheid geldt volledig voor de cliënten die vallen onder de reguliere cliëntgroepen Ouderen en Somatiek, Lichamelijk beperkten, Verstandelijk beperkten extramuraal, Zintuiglijk beperkten en (O)GGZ extramuraal. Voor cliënten die vallen onder de openbare geestelijke gezondheidszorg (de bijzondere doelgroepen (O)GGZ) of aan wie beschermd wonen (huisvesting) moet worden geboden, geldt dat zij wel hun voorkeur mogen aangeven, maar dat de gemeente uiteindelijk bepaalt aan welke aanbieder de opdracht tot levering van de ondersteuning wordt gegeven. Hierbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wens van de cliënt. Paragraaf 3.2 Resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren3.2.1 Inhoud resultaatgebiedHet resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren bestaat uit 2 varianten: Volwassene(n)/ouder; Opvoedondersteuning. Ad 1a Ondersteuning volwassene(n)/ouderBij dit onderdeel gaat het om ondersteuning wat betreft leven, wonen en relaties. Het gaat over begeleiding die gericht is op het geven van feedback op gedrag in sociale situaties, praktische ondersteuning, toezicht overdag (waaronder wordt verstaan het voorkomen van ongewenste situaties) en om het trainen van en coachen in vaardigheden. Om te komen tot een goede trede-indeling en ondersteuning wordt onder meer gekeken naar de volgende elementen: Voorspelbaarheid: is de problematiek van de cliënt goed bekend, is de hulp planbaar, is bekend wat goed werkt, wat het netwerk kan betekenen en hoe er bijvoorbeeld opgeschaald kan worden; Complexiteit: is er sprake van meerdere (forse) problemen, zijn de problemen moeilijk te hanteren. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor agressie, psychotische problematiek en andere ernstige psychiatrische problematiek; Zelfredzaamheid: kan de cliënt zelf hulp inschakelen, bellen, mailen, lezen, een beroep doen op zijn netwerk etc. Zijn er afspraken te maken over wat te doen als het niet goed gaat? Ad 1b OpvoedondersteuningIn het kader van een integrale aanpak binnen het gezin en om ontwikkelingsproblemen bij kinderen te voorkomen kan gezins-/opvoedingsondersteuning deel uitmaken van het Wmo-arrangement. Gezins-/opvoedondersteuning kan aan de orde zijn in twee situaties: de cliënt ontvangt een Wmo-arrangement en heeft op basis van zijn problematiek professionele ondersteuning nodig bij de opvoeding van de kinderen, of het gezin (partner en kinderen) en/of mantelzorger heeft integrale ondersteuning nodig bij het omgaan met de gevolgen van de beperkingen van de Wmo-cliënt. Als er ten behoeve van het kind ook jeugdhulp nodig is in het kader van de Jeugdwet, wordt de opvoedondersteuning meegenomen in het arrangement dat in het kader van die wet wordt verstrekt. Gespecialiseerde opvoedingsondersteuning wordt geleverd op grond van de Jeugdwet, maar ambulante opvoedhulp kan worden geïndiceerd op grond van dit resultaatgebied. Hierdoor blijft het aantal hulpverleners in het gezin beperkt. De aanbieder van de ondersteuning verplicht zich om goed oog te houden op de ontwikkeling van het kind en indien nodig schakelt men expertise van een jeugd- en gezinscoach van het wijkteam in als blijkt dat er specifieke jeugdhulp voor het kind noodzakelijk is. De ambulante opvoedhulp richt zich op het versterken en stimuleren van de opvoedingsvaardigheden van de ouder(
  6. s)zodat: de veiligheid van het kind te allen tijde is gewaarborgd; de sociaal en af

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.