← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening 2006 (Capelle aan den IJssel)

Kort samengevat

Deze verordening regelt de openbare orde en veiligheid in de gemeente Capelle aan den IJssel, en stelt regels voor het gebruik van de openbare weg en het organiseren van evenementen. Het doel is het beschermen van de openbare orde, het voorkomen van overlast en het waarborgen van de veiligheid.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Algemene Plaatselijke Verordening 2006De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 149, 149a, 150, 151a, 154, 154a van de Gemeentewet; b e s l u i t : I. in te trekken de Algemene Plaatselijke Verordening 2001 met ingang van 1 januari 2006; II. vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening 2006: HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bouwerk: elke constructie van enige omvang van hout en steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. b. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. c. voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al (aa el), van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van: treinen en trams; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. d. weg: 1.de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 2.de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3.de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4.andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten; 5.alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. Artikel1.2Voorschriften en beperkingen 1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1.3Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1.4Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt. Artikel1.5Termijnen Voorzover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. HOOFDSTUK2OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID Paragraaf1Samenkomsten Artikel2.1.1Samenscholing en ongeregeldheden Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel2.1.2Optochten 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester op of aan de weg een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.3, te doen plaatsvinden; De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Artikel2.1.3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 4 x 24 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.4, eerste lid hierover is bepaald. 2.Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Grondwet. 3.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving ontvankelijk verklaren. Artikel2.1.4Te verstrekken gegevens Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 2.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Artikel2.1.5Straatartiest Onder straatartiest wordt verstaan: een artiest die al dan niet beroepshalve aan, op, boven de weg zonder mechanische versterking zijn vertoning en/of muziek voor publiek ten gehore brengt. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Paragraaf2Bruikbaarheid van de weg Artikel2.2.1Voorwerpen of stoffen op, in, aan of boven de weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.Is het gebruik van de weg of een weggedeelte daarvan overeenkomstig de publieke functie en betreft het gemeentegrond dan is het privaatrecht op de weg van toepassing. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b.zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: -?geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; -?geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; -?geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; c.de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; evenementen als bedoeld in artikel 2.3.1; terrassen als bedoeld in artikel 2.11.10, vijfde lid; standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.2. Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien: a.deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg, b.gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg of een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Voor de toepassing van het derde lid, onder c, wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b.indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 7 a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wetbeheer rijkswaterstaatswerken of het Rijkswegenreglement of het Provinciaal wegenverkeersreglement Zuid-Holland. b.De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. De weigeringsgrond van het zesde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken; De weigeringsgrond van het zesde lid, onder c, geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel2.2.2Maken, veranderen van een uitweg Het is verboden zonder vergunning van het college: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 4 Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenverkeersreglement Zuid-Holland. Artikel2.2.3Winkelwagentjes 1.De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer van toepassing is. Paragraaf3Toezicht op evenementen Artikel2.3.1Begripsomschrijving In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawetgelegenheid geven tot dansen betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.2. van deze verordening. Artikel2.3.2Evenement 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Paragraaf4Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2.4.1Plakken en kladden 1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te (doen) bekrassen of te (doen) bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b.met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering ter stond ter inzage af te geven. Artikel2.4.2Vervoer plakgereedschap en dergelijke Het is verboden tussen des avonds 10.00 uur en des morgens 6.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.1. Artikel2.4.3Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden tussen des avonds 10.00 uur en des morgens 6.00 uur lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen, op de weg te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel2.4.4Hinderlijk gedrag op of aan de weg Het is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b.zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover artikelen 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet van toepassing is. Artikel2.4.5Hinderlijk drankgebruik Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Het is verboden op de weg, die deel uit maakt van een door de burgemeester aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor: een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b.de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel2.4.6Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen; indien en voorzover dit gedrag hinder veroorzaakt voor de bewoners of gebruikers van het betreffende gebouw. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel, op een voor de bewoners of gebruikers hinderlijke wijze, te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. Artikel2.4.7Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, overdekt winkelcentrum, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel2.4.8Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke overdekte en overkapte plaatsen Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in, op of onder een voor het publiek toegankelijke overdekte en overkapte plaatsen, zoals viaducten, tunnels en bruggen of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke plek dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende plek is bestemd. Artikel2.4.9Overlast van fiets, bromfiets en dergelijke Het is verboden zich met een fiets of bromfiets, op rollerskates of een skateboard, of iets dergelijke te bevinden in overdekte winkelcentra, dan wel op overige door de burgemeester aangewezen plaatsen op de daarin aangegeven uren. Artikel2.4.10Loslopende honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op de weg, zonder dat die hond aangelijnd is, op de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen; b.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats; c.op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband die de eigenaar of houder duidelijk doet kennen, of een identificatiekenmerk als bedoeld in het tweede lid van artikel 2.4.12. 2.Het verbod geldt niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel2.4.11Verontreiniging door honden 1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: a.op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers met uitzondering van door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen; b.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een andere door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel2.4.12Gevaarlijke honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat het college van burgemeester en wethouders aan de eigenaar of de houder heeft bekend gemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden; b.anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college van burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder heeft bekend gemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. 2.Voor het bepaalde in het eerste lid geldt bovendien dat de hond moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand ofwel van een identificatietransponder. 3.In dit artikel wordt verstaan onder: a. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d van de Regeling agressieve dieren; b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter; c. identificatietransponder: het identificatiekenmerk als bedoeld in artikel 2, letter d van het Ingrepenbesluit. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voorzover de Regeling agressieve dieren van toepassing is. Artikel2.4.13Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw (winkels daaronder begrepen) te bedelen om geld of andere zaken. Paragraaf5Vuurwerk Artikel2.5.1Begripsomschrijving In deze afdeling wordt verstaan onder vuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel2.5.2Afleveren van vuurwerk Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf vuurwerk af te leveren, dan wel ter aflevering aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van burgemeester en wethouders. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. Artikel2.5.3Bezigen van vuurwerk Het is verboden vuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. Het is verboden vuurwerk te bezigen op een door het college van burgemeester en wethouders in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover artikel 429, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 4.Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Paragraaf6Drugsoverlast Artikel2.6.1Coffeeshopverbod 1.Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat, is het verboden om in de gemeente een coffeeshop te vestigen en/of te exploiteren. 2.Onder coffeeshop wordt verstaan een ‘inrichting waar handel plaatsvindt in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet’. Artikel2.6.2Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Paragraaf7Bestuurlijke ophouding Artikel2.7.1Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154 van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2.1.1, 2.1.2, 2.2.1, 2.4.4, 2.4.5, 2.4.6, 2.4.7, 2.4.8 of 2.5.3 van deze verordening groepsgewijs niet naleven. Paragraaf8Veiligheidsrisicogebieden Artikel2.8.1Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbijbehorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Paragraaf9Verblijfsontzeggingen Artikel2.9.1Verblijfsontzegging 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met artikel 2.1.1, 2.2.4, 2.4.5, 2.4.6, 2.4.7, 2.4.8, 2.6.2 of 3.2.4 een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad (verblijfsontzegging). 2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad. 3.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verblijfsontzegging voor de duur van veertien dagen is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad. De burgemeester beperkt de in het eerste, tweede of derde lid genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod. Paragraaf10Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel2.10.1Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties 2.De burgemeester is bevoegd, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, andere plaatsen die voor een ieder toegankelijk dan als bedoelt in het eerste lid aan te wijzen voor de plaatsing van vaste camera’s. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing. 3.Dit artikel treedt in werking met ingang van de dag waarop bij Koninklijk Besluit wordt bepaald dat de Wet van 30 juni 2005 tot wijziging van de Gemeentewet en de Wet politieregisters in verband met de invoering van regels omtrent het gebruik van camera’s ten behoeve van toezicht op openbare plaatsen (cameratoezicht op openbare plaatsen) in werking treedt. Paragraaf11Toezicht op openbare inrichtingen Artikel2.11.1Begripsomschrijving In deze paragraaf wordt begrepen onder: A. Inrichting: a.een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daar bijhorende terrassen; b.alle voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbijbehorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar zijn - uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.2, voorzover daar regelmatig of op gezette tijden: 1.gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaren te verkrijgen, af te halen of te verbruiken, dan wel amusement of ontspanning wordt aangeboden, dan wel voorstellingen of vertoningen van porno-erotische aard worden gegeven dan wel door middel van automaten dergelijke voorstellingen of vertoningen kunnen worden gegeven; c.buurt- of winkelondersteunende inrichting: een inrichting als bedoeld in lid A, onder a en b, sub 1, die zich heeft gevestigd na 1 februari 2002 waarvan de activiteiten als genoemd onder b, sub 1, zich echter beperken tot eetwaren die geen maaltijd vormen en niet- of zwakalcoholhoudende drank. B. Bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: a.de levenspartner en kinderen van de exploitant van de inrichting, alsmede diens elders wonende bloed- of aanverwanten of die van zijn levenspartner; b.de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; c.de personen wier tegenwoordigheid in de inrichting wegens dringende omstandigheden vereist wordt. C. Exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een inrichting exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen. D. Beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een inrichting. Artikel2.11.2Vergunningplicht 1.Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2.11.5, verboden zonder voorlopige vergunning of vergunning van de burgemeester een inrichting als bedoeld in deze paragraaf te exploiteren (exploitatievergunning). 2.Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat of wordt voldaan aan de criteria, gesteld in artikel 2.11.9 tweede lid, of in artikel 2.11.10, kan door de burgemeester een vergunning worden afgegeven voor een proefperiode van ten hoogste een jaar (proefvergunning). Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid blijkt dat niet voldaan wordt aan de criteria, gesteld in artikel 2.11.9 tweede lid, of in artikel 2.11.10, kunnen door de burgemeester nadere voorschriften worden gesteld of kan de burgemeester de proefvergunning intrekken. Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant schriftelijk mede, dat de proefvergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning, als bedoeld in het eerste lid. Bij het onherroepelijk worden van een verleende nieuwe vergunning vervalt de oude vergunning van rechtswege. Artikel2.11.3Eisen exploitant en beheerder De exploitant en de beheerder(s): staan niet onder curatele; zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Artikel2.11.4Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 2.11.6 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie. Artikel2.11.5Categorale vrijstelling De burgemeester kan bij openbare bekendmaking: a.bepalen dat het exploiteren van categorieën inrichtingen, genoemd in artikel 2.11.1, onder A, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van vergunningplicht is vrijgesteld; b.voorschriften stellen aan de onder a genoemde vrijstelling. Artikel2.11.6Vergunningaanvraag 1.De burgemeester stelt nadere regels vast omtrent de gegevens en bescheiden die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd. Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag tegelijk in behandeling genomen. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant en op naam gezet van de exploitant en de beheerder van de inrichting; de vergunning is niet overdraagbaar. Artikel2.11.7Beslistermijn 1.De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij de aanvraag met de bijbehorende gegevens en bescheiden heeft ontvangen. 2.De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste twaalf weken worden verdaagd. Artikel2.11.8Weigerings- en intrekkingsgronden 1.De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan of een leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing. 2.De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting door de aanwezigheid van de inrichting nadelig wordt beïnvloed. 3.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: a.het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen; de aard van de inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; d.de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de inrichting in deze of in andere inrichtingen; de intrekkingsgronden als bedoeld in artikel 2.11.9, vierde lid, onder b tot en met i. De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen: a.indien blijkt, dat de vergunning tengevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; b.indien de exploitant of de beheerder de bepalingen in deze paragraaf, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt; c.indien aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; d.indien de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; e.indien de exploitant of beheerder zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid; f.indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; g.indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; h.indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; i.indien de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel 2.11.3 gestelde eisen. Artikel2.11.9Sluiting van inrichtingen De burgemeester kan een inrichting - al dan niet voor een bepaalde duur - gesloten verklaren: indien die inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; indien die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; c.indien de burgemeester oordeelt, dat een van de in artikel 2.11.9, vierde lid, genoemde situaties waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(

  1. n)door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4.Het is de exploitant of beheerder van de inrichting verboden na het van kracht worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven. 5.Het is eenieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten inrichting als bezoeker te verblijven. Artikel2.11.10Terrassen 1.Bij vergunningaanvragen voor een of meer bij de inrichting behorende terrassen, beslist de burgemeester - gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse - tevens over de ingebruikneming van de openbare weg. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.11.9, tweede lid, kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de openbare weg weigeren: als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b.als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c.als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. 3.Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, is de houder van de inrichting verplicht dit terstond of binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, te verwijderen. Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken: buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het bepaalde in het eerste lid is toegestaan; aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras aanwezige zitplaatsen. De exploitant of de beheerder is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van dat terras afkomstig, worden verwijderd. Artikel2.11.11Openings- en sluitingstijden 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor een of meer inrichtingen of de daarbij behorende terrassen de in het eerste en tweede lid genoemde openings- en sluitingstijden - al dan niet tijdelijk - beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden vaststellen. Het is verboden zich als bezoeker in een inrichting te bevinden op tijden waarop de inrichting voor het publiek gesloten moet zijn. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Artikel2.11.12Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.11.11 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet. Artikel2.11.13Geldigheidsduur vergunning 1.Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van drie jaren. 2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën van inrichtingen een andere geldigheidsduur vaststellen. Artikel2.11.14Beëindiging exploitatie De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van de inrichting feitelijk heeft beëindigd. Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester. Artikel2.11.15Wijziging beheer 1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 2.11.1, onder D, het beheer in de inrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de burgemeester op aanvraag van de exploitant heeft besloten een nieuwe vergunning te verlenen. Artikel2.11.16Overgangsbepaling De exploitant die voor de vaststelling van deze verordening een inrichting exploiteert wordt geacht in het bezit te zijn van een voorlopige vergunning van twee jaar, voor zover er geen wijziging in de exploitatie plaatsvindt. HOOFDSTUK3PROSTITUTIE C.A. Paragraaf1Begripsomschrijvingen en nadere regels Artikel3.1.1Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b.prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c.seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d.escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e.exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; f.beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf. Artikel3.1.2Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het college van burgemeester en wethouders over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Paragraaf2Seksinrichtingen, straat- en raamprostitutie en dergelijke Artikel3.2.1Seksinrichtingen Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning worden in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; het aantal m2 bedrijfsruimte; de vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant en op naam gesteld van de exploitant en de beheerder(s); de vergunning is niet overdraagbaar. Artikel3.2.2Gedragseisen exploitant en beheerder De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele; zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b.binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c.binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van vierhonderdvierenvijftig euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1.bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; 2.de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417 bis, 426, 429 quarter en 453 van het Wetboek van Strafrecht; 3.de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6, juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met de veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan driehonderdveertig euro bedraagt; b.een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4 De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a.bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b.bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5 De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door een college van burgemeester en wethouders is gesloten, of waarvan de vergunning, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder terzake geen verwijt treft. Artikel3.2.3Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal), en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie en b.geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3.2.4Straat- en raamprostitutie Het is verboden, door woorden, houding, gebaren of andere feitelijke gedragingen, op of aan de weg, op of in voor het publiek toegankelijke plaatsen (winkels daaronder begrepen), in deuropeningen, dan wel zich binnenshuis bevindende zichtbaar voor het publiek, zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking in te gaan. Artikel3.2.5Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin, daarop of daaraan, goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het college van burgemeester en wethouders aan de rechthebbende heeft bekend gemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b.anders dan overeenkomstig de door het college van burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Paragraaf3Beslissingstermijn en weigeringsgronden Artikel3.3.1Beslissingstermijn Het college van burgemeester en wethouders neemt het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerst lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het college van burgemeester en wethouders kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3.3.2Weigeringsgronden De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen; b de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, Bouwbesluit, gemeentelijke bouw- en of stadsvernieuwingsplan; c.er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van woon- en leefklimaat; in het belang van de veiligheid van personen of goederen; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; in het belang van arbeidsomstandigheden van de prostituee. Paragraaf4Beëindiging exploitatie, wijziging beheer Artikel3.4.1Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel3.4.2Wijziging beheer 1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen één week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het college van burgemeester en wethouders. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder indien het college van burgemeester en wethouders op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3.In afwachting van het besluit als bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. HOOFDSTUK4BESCHERMING VAN HET MILIEU EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Paragraaf1Geluid- en lichthinder Artikel4.1.1Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.besluit: het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer; b.inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit; c.houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; d.incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. Artikel4.1.2Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 uit de bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing zijn mits de houder van den inrichting tenminste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college van burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld. 2.Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij het voorschrift 1.5.1 uit de Bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college van burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld. 3.Het college van burgemeester en wethouders stelt een formulier vast voor het doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4.De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het derde lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college van burgemeester en wethouders op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Artikel4.1.3Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft, wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Artikel4.1.4Overige geluidhinder Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet, voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen van toepassing zijn. Artikel4.1.5Geluidhinder door dieren Degene die zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Paragraaf2Ontsierende reclame Artikel4.2.1Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en dergelijke 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de hoofdgebruiker van die zaak verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders deze zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. Het verbod geldt niet voor onverlichte: opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b.opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; c.opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: -?een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; -?het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; d.opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; e.opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het college; het college niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; d.deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. 4.Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 6. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordening. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel4.2.2Aanschrijving Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede lid van artikel 4.2.1, dan wel aangebracht voor een ander doel dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de rechthebbende onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de onroerende zaak aan te schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder. Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger, is verplicht deze aanschrijving op te volgen. Artikel4.2.3Aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen ten behoeve van handelsreclame Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van handelsreclame gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen op de weg onder publiek op welke wijze dan ook te (laten) verspreiden dan wel openlijk aan te (laten) bieden, aan te (laten) bevelen of bekend te (laten) maken. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Het verbod geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen ten behoeve van handelsreclame. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Paragraaf3Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel4.3.1Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. Artikel4.3.2Wegwerpen van reclame- of strooibiljetten Degene die op de weg reclame- of strooibiljetten of dergelijke geschriften onder het publiek verspreidt, is verplicht deze, indien zij in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen, terstond daarvan te verwijderen of te doen verwijderen. Artikel4.3.3Verlies (vloei)stoffen uit of van voorwerpen van voertuigen Degene die op de weg vanuit of vanaf zijn voertuig (vloei)stoffen of voorwerpen verliest, is verplicht deze terstond daarvan te verwijderen of te doen verwijderen. Paragraaf4MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel4.4.1Opslag voertuigen, vaartuigen, stoffen, enzovoorts 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen, anders dan op een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen, plaatsen, de hierna geduide voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b.caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; een verzameling afbraakmaterialen en oude metalen; In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale landsverordening. Artikel4.4.2Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. HOOFDSTUK5ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE Paragraaf1Parkeerexcessen Artikel5.1.1Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. weg; de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; b. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: treinen en trams; tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen; invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen; c. parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Artikel5.1.2Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, dan wel de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan één uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. Het is verboden een voertuig, waarvan redelijkerwijs is aan te nemen dat het te koop wordt aangeboden, op de weg te parkeren, ingeval in de nabijheid van dit voertuig één of meer voertuigen staan geparkeerd waarvan redelijkerwijs is aan te nemen dat zij met hetzelfde doel geparkeerd staan. 5.Het college van burgemeester en wethouders kan van de in het eerste en het vierde lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel5.1.3Voertuigwrakken Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben. Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. Artikel5.1.4Caravans en dergelijke 1.Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd langer dan op vier achtereenvolgende dagen te doen of laten staan, anders dan op een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen weg of plaats. 2.Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover de Provinciale caravan- en tentenverordening, het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landsverordening van toepassing is. Artikel5.1.5Parkeren van reclamevoertuigen Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel5.1.6Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter op de weg te parkeren, anders dan op een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen weg of plaats. 2.Het college van burgemeester en wethouders kan bij de aanwijzing nadere regels stellen met betrekking tot het gebruik van de in het eerste lid bedoelde aangewezen wegen of plaatsen. 3.Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel5.1.7Parkeren (brom)fietsen en dergelijke Het college van burgemeester en wethouders kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is (brom)fietsen en dergelijke, onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. Artikel5.1.8Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Dit verbod is niet van toepassing: op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a; op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; c.op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Paragraaf2Collecteren, standplaatsen en venten Artikel5.2.1Inzameling van geld of goed 1.Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. 2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. Het college van burgemeester en wethouders kan onder door het college te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen. Het eerste lid is niet van toepassing voorzover een andere verordening dit onderwerp regelt. Artikel5.2.2Standplaatsen: uitstallingen op de weg Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders op of aan de weg, dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats: met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden; b.anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek. 2.Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid. 3.Het in het eerste lid, onder b gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Alsdan geldt ook het in het tweede lid gestelde verbod niet. 4.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, of voor een evenement als bedoeld in artikel 2.3.1. Een vergunning kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; f.vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan. 6. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenverkeersreglement Zuid-Holland. b.De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer; De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor bouwwerken. Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het vijfde lid, tot de dag waarop de beslissing over de Wet-milieubeheervergunningaanvraag is genomen. 8.Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd nadere regels te stellen, waarbij het verbod van het eerste lid niet geldt. Artikel5.2.3Venten en dergelijke 1.Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders in de uitoefening van de handel op of aan de weg, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven dan wel diensten aan te bieden. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet; b.voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen door - of door huisgenoten of personeel van - hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; c.voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt; d.voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats bedoeld in artikel 5.2.2. 3.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd op de gronden als genoemd in artikel 5.2.2, lid 5 onder de letters a, b, d en e. Paragraaf3Verbod vuur te stoken Artikel5.3.1Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het verbod geldt niet voorzover het betreft: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvastoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3 Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4 De ontheffing kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde en veiligheid; ter bescherming van de woon- en leefomgeving; ter bescherming van de flora en de fauna. 5 Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening. Paragraaf4Verstrooiing van as Artikel5.4.1Begripsomschrijving In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een daartoe door de overledene of nabestaande(
  2. n)gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel5.4.2Verboden plaatsen 1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: (gemeentelijke) begraafplaatsen en crematoriumterreinen; verharde delen van de weg; overige door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wegen en plaatsen. 2.Het college van burgemeester en wethouders kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 3.Het college van burgemeester en wethouders kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. Artikel5.4.3Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt door derden. HOOFDSTUK6STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel6.1Strafbepaling 1.Overtreding van de artikelen van deze verordening en de krachtens deze artikelen gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet ten aanzien van overtredingen van bij of krachtens de artikelen 2.4.1, 2.4.2, 2.4.3, 2.4.4, 2.4.5, 2.4.6, 2.4.7, 2.4.8, 2.4.9. 2.4.10, 4.1.4 en 5.1.7 van deze verordening gegeven voorschriften en beperkingen. Overtreding van het bij of krachtens deze artikelen bepaalde wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. Artikel6.2Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester aangewezen personen. Artikel6.3Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel6.4Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2006. Artikel6.5Overgangsbepaling Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening 2001 blijven - indien en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening 2001 blijven - indien en voorzover de bepalingen - ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht. 3.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 2001 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvrage is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4 is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de Algemene Plaatselijke Verordening 2001. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend. 6.Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in de Algemene Plaatselijke Verordening 2001 zijn niet van toepassing: gedurende zes maanden na het inwerking treden van deze verordening; ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist. 7.De intrekking van de de Algemene Plaatselijke Verordening 2001 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. Artikel6.6Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel "Algemene Plaatselijke Verordening 2006". Vastgesteld in de openbare vergadering van 19 december 2005,de griffier, de voorzitter, TOELICHTING ALGEMEEN PLAATSELIJKE VERORDENING 2006 Inleiding APV 1998 en APV 2001 In 1998 zijn in het voorstel tot vaststelling van de Algemene Plaatselijke Verordening 1998 criteria neergelegd als toets waaraan regels moeten voldoen, willen zij worden opgenomen in de APV. Deze criteria zijn: de regeling heeft verband met het ordentelijk verloop van het moderne maatschappelijke verkeer; de regeling is niet elders op vergelijkbare wijze gereguleerd; de regeling behoort niet tot de privaatrechtelijke verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de burger; de regeling heeft niet – in hoofdzaak – een ondersteunende functie voor opsporing van strafbare feiten; de regeling heeft niet alleen een symbolische waarde, maar ook inhoudelijke betekenis; zogenaamde "vangnetartikelen"alleen opnemen waar niet regelen in voorkomend (incidenteel) geval ernstige gevolgen kan hebben; de regeling moet uitvoerbaar zijn: hierbij wordt gekeken naar de hiervoor beschikbare capaciteit en bijbehorende kostenplaatje; de regeling moet toepasbaar/handhaafbaar zijn: hierbij is een onderscheid gemaakt tussen regelingen die vooral op het bestuurlijke vlak liggen en regelingen die met name liggen op het terrein van de politie. Deze criteria zijn blijven gelden voor de Algemene Plaatselijke Verordening 2001. Op 27 juni 2005 heeft van de gemeenteraad de motie "Versterking APV" aangenomen waarbij het college wordt opgedragen met een voorstel te komen om de APV 2001 aan te passen en minimaal de door de heer Hoogeveen, voormalig hoofd wijkpolitie, genoemde onderwerpen daarbij te betrekken. Het college is hiertoe met een voorstel gekomen. Dit voorstel is in de raadscommissie Algemene en Bestuurszaken d.d. 29 augustus 2005 behandeld. De raadscommissie heeft ingestemd met het voorstel. Hierbij is geconstateerd dat de motie wel tot gevolg heeft dat de hiervoor genoemde uitgangspunten impliciet worden losgelaten. Vervanging APV 2001 Een aantal ontwikkelingen heeft ertoe bij gedragen dat een aanpassing APV 2001 wenselijk c.q. noodzakelijk was geworden. Ten eerste waren in de praktijk de "mazen" van de APV 2001 zichtbaar geworden. Ten tweede was de jurisprudentie aanleiding om op verschillende terreinen een aantal artikelen van de APV 2001 aan te passen. Ten derde stonden er redactionele omissies in de APV 2001. Ten vierde gaf de voornoemde motie d.d. 27 juni 2005 van de gemeenteraad aanleiding een aantal onderwerpen in de APV 2001 te regelen. Ten vijfde was in september 2005 uit het Bestuurlijk Justitiëel Overleg (BJO) een verzoek gekomen tot wijziging van de APV 2001. De aard van de aanpassingen en wijzigingen bracht met zich mee dat artikelen in de APV 2001 moesten worden toegevoegd, waardoor er met A en B nummers bij artikelen (bijvoorbeeld 2.2.2.A en 2.2.2.B) zou moeten worden gewerkt. Ter wille van de overzichtelijkheid en ter vermijding van verschrijvingen respectievelijk versprekingen waardoor besluiten onjuist zouden zijn respectievelijk misverstanden zouden ontstaan is er voor gekozen de APV 2001 te vervangen door de APV 2006. De technische en/of inhoudelijke wijzigingen in de APV 2006 ten opzichte van de APV 2001 zijn hieronder puntsgewijs vermeld. Technische wijzigingen 8?Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg; 8?Straatartiest; 8?Evenementen; 8?Plak- en kladverbod; 8?Collectevergunning en textiel; 8?Begripsomschrijvingen vuurwerk; 8?Loslopende honden; 8?Overgangsbepaling sexinrichtingen; 8?Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en dergelijke; 8?Caravans en dergelijke; 8?Standplaatsen: uitstallingen op de weg; 8?Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken. Nieuwe onderwerpen 8?Exploitatiestelsel horeca; 8?Terrassen; 8?Verbod bedelarij; 8?Drugshandel op straat; 8?Cameratoezicht op openbare plaatsen; 8?Verbod hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke overdekte en overkapte plaatsen; 8?Verbod aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen ten behoeve van handelsreclame; 8?Gebod wegwerpen van reclame- of strooibiljetten; 8?Verbod verlies (vloei)stoffen uit of van voorwerpen van voertuigen; 8?Opslagverbod voertuigen, vaartuigen, stoffen enz.; 8?Verbod stankoverlast door voertuigen; 8?Verbod aantasting groenvoorzieningen door voertuigen; 8?Maken, veranderen van een uiteg; 8?Verblijfsontzeggingen. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTINGAlgemeen APV 2006Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. AfbakeningVoor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepalingen bij de artikelen in de APV sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingenArtikel 1.1 BegripsomschrijvingenTen aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt. a.Bouwwerk Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de Bouwverordening van de Gemeente Capelle aan den IJssel. b.Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet dat zich volgens constante jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d. Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip "reclame" dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot "handelsreclame" heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Bij handelsreclame staat dus een materiële doelstelling voorop. Uiteraard zal de grens tussen handelsreclame en reclame voor ideële doeleinden niet altijd even scherp zijn. Het vorenstaande betekent overigens niet dat handelsreclame niet beschermd wordt. Voorschriften betreffende handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel. Onder een "commercieel belang te dienen" moet mede worden begrepen: dienstig te zijn tot koop en verkoop. HR 11-05-1982, NJ 1983, 68 c.Voertuigen De verwijzing naar artikel 1, onder a en onder al (aa el), van het RVV 1990 voorkomt verwarring over de inhoud van het begrip voertuigen. In artikel 1, onder a, worden aanhangwagens gedefinieerd als: voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers. In artikel 1, onder al, worden als voertuigen genoemd:, fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. De APV zondert van deze voertuigen uit: a. treinen en trams en b. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. d.Weg De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De in artikel 1.1 gegeven omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen). Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg": a.de "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); b.de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen; c.de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige "voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput. Onder "weg" in de APV vallen ook portieken. Over de vier onderdelen van de omschrijving van het begrip "weg" in artikel 1.1 kan het volgende worden opgemerkt: Onderdeel 1Teneinde verwarring te voorkomen wordt door de verwijzing de letterlijke tekst van artikel 1 WVW 1994 overgenomen. In artikel 1, eerste lid, onder B, zijn wegen gedefinieerd als: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Ook de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen worden daaronder begrepen geacht. Om iedere twijfel weg te nemen is een expliciete verwijzing naar parkeerterreinen gehandhaafd. Hiermee worden bedoeld: alle als zodanig herkenbare parkeerterreinen die - al dan niet tegen betaling - toegankelijk zijn voor het publiek. Onderdeel 2Door opneming van de woorden "al dan niet met enige beperking" is buiten kijf gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van "weg", indien de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is. Onderdelen 3 en 4In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen, portieken enz., die "uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven" (onder 3) en andere stoepen en trappen enz. (onder 4). De eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip "weg" indien deze niet afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen enz. uitgezonderd gehouden van het begrip "weg", óók indien het hek of de deur niet is afgesloten ("afsluitbaar"). Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van afsluiting op zich geen rol; het feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn, bepaalt of de APV van toepassing is. Bij deze categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In recentelijk gebouwde winkelcentra vindt men steeds meer kleine, veelal overdekte straatjes die voor het doorgaande verkeer nauwelijks een functie hebben. Sommige van deze bewust smal gehouden doorgangen of "passages" worden gedurende de avond- en nachtelijke uren afgesloten, omdat het uitoefenen van toezicht alsdan onmogelijk is. Ter verklaring van de zinsnede "die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is" wordt het volgende vermeld. Op de wegen in de zin van de Wegenwet kan het publiek vrijelijk vertoeven omdat het rechtens daartoe bevoegd is. In het bijzonder heeft de zakelijk gerechtigde op de betrokken weg niet de mogelijkheid hierin verandering te brengen. Bij andere wegen heeft de term "openbaar" slechts de betekenis van "feitelijk voor het publiek toegankelijk". Het publiek heeft toegang tot deze wegen krachtens gedogen van de zakelijk gerechtigde. Mits hij zich niet bij overeenkomst terzake heeft gebonden, is de zakelijk gerechtigde naar burgerlijk recht te allen tijde bevoegd in het gebruik van de weg door het publiek wijziging te brengen dan wel dit gebruik te beëindigen. Het mag duidelijk zijn dat in het geval de zakelijk gerechtigde het publiek de toegang ontzegt, op de desbetreffende weg de APV niet (meer) van toepassing is. Op of aan de wegVerschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Artikel 1.2 Voorschriften en beperkingenOfschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt gehuldigd dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan, verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de regeling, ter uitvoering waarvan vergunning of ontheffing wordt verleend. Daarbij dient tevens - ten overvloede - te worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1.4 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften een bestuursrechtelijke sanctie kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1.2 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Uiteraard is bestuursrechtelijke sanctie niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist. In de in deze APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6.1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor is ook het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften met straf bedreigd. Artikel 1.3 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingDe beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz. Persoonlijke werking zal eerder aanwezig moeten worden geacht bij de ontheffing dan bij de vergunning. Indien in een regeling de ontheffingsfiguur gebruikt is, geeft dit aan dat het de bedoeling van de wetgever is geweest slechts voor bijzondere gevallen de mogelijkheid te creëren een uitzondering te maken op de algemene regel. Zou een ontheffing bij rechtsopvolging zonder meer "mee overgaan" op de rechtsopvolger, dan zou daarmee aan de ontheffingsmogelijkheid het karakter van uitzonderingsbepaling ontnomen worden. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Dit hangt samen met de omstandigheid dat ingevolge deze wet voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma's moeten zijn gehaald. Als een persoonlijke vergunning kunnen ook de standplaatsvergunning en de ventvergunning worden beschouwd. Dit hangt samen zowel met het - persoonlijke - karakter van de ambulante handel als met de omstandigheid dat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen veelal verre overtreft, wat het bestuur noodzaakt een restrictief beleid te voeren. Het zou onredelijk zijn als een standplaats- of ventvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. Een zuiver voorbeeld van een zakelijke vergunning is de vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Deze vergunning is van de persoon van de aanvrager of vergunninghouder onafhankelijk. Indien in de verordening of in de vergunning is bepaald dat deze vergunning persoonsgebonden is, terwijl deze vergunning toch vooral verband houdt met de aard van het object waarop zij betrekking heeft, zal deze vergunning weliswaar niet automatisch overgaan op de rechtsopvolger doch aan hem in vele gevallen ook niet licht geweigerd kunnen worden. Zo is aan de exploitatievergunning voor horecabedrijven als bedoeld in artikel 2.7.2 een persoonlijk karakter toegekend. Bij het besluit tot weigeren van een dergelijke vergunning i.v.m. aantasting van het woon- en leefklimaat zal niet zonder meer voorbij gegaan kunnen worden aan het feit dat voorheen wel vergunning aan een ander was verleend. In de APV is in artikel 1.3 gekozen voor de persoonsgebondenheid van de vergunning of ontheffing. Hiervan kan worden afgeweken door toevoeging van de zinsnede "tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald" en expliciete vermelding van het zakelijk karakter in de desbetreffende APV-bepaling of de vergunning of ontheffing. Indien de vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtverkrijgende geldt, verdient het aanbeveling het voorschrift op te nemen dat de houder ervan in geval van rechtsovergang verplicht is hiervan binnen twee weken schriftelijk mededeling te doen aan het bevoegde orgaan, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing. Aldus blijft het bevoegde orgaan op de hoogte van de feitelijke houder van de vergunning of ontheffing. Artikel 1.4 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffingDe in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. In de APV is in artikel 1.3 gekozen voor de persoonsgebondenheid van de vergunning of ontheffing. Indien de vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtverkrijgende geldt, verdient het aanbeveling om onder e na 'houder' toe te voegen: of zijn rechtverkrijgende. Artikel 1.5 TermijnenIn artikel 145 van de Gemeentewet is bepaald dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Voorzover de APV termijnen bevat die in uren worden uitgedrukt, bepaald door terugrekening vanaf een tijdstip of een gebeurtenis, is de Algemene termijnenwet niet van toepassing. Artikel 1.5 bevat daartoe een terugrekeningsregeling die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken. Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheidParagraaf 1 SamenkomstenArtikel 2.1.1 Samenscholing en ongeregeldhedenEerste lidHet begrip 'samenscholing' is ontleend aan artikel 186 WvSr: "Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie." Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties (WOM) moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd. Tweede lidAan de politieambtenaar mag slechts een begrensde 'bevoegdheid' (tot het geven van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het strafbare feit. De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van het bewezene. Indien de rechter van oordeel is dat de politieambtenaar in zijn waardering van de gedraging heeft misgetast, laat hij de desbetreffende strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier om reeds bestaande politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid kan gestoeld worden op de artikelen 2 en 12 Politiewet. Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving der openbare orde begrepen is. Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element vormt. De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en 186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven politiebevel vindt plaats op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond van artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen van artikel 186 WvSr. Artikel 2.1.2 OptochtenHet houden van optochten, zoals carnavals en Sinterklaasoptochten, bloemencorso's enz, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet of het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties van toepassing. In het belang van de openbare orde, bijvoorbeeld de verkeersveiligheid, is het derhalve mogelijk om een regeling krachtens artikel 149 Gemeentewet in de APV op te nemen. Artikel 2.1.3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsenDit artikel vormt een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (WOM). Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten voor zover die op "openbare plaatsen" gehouden worden. Kortom, bijeenkomsten waarbij het uiten van meningen, gedachten of gevoelens zoals is bedoeld in de Grondwet centraal staat. Collectieve uitingenDe WOM heeft betrekking op "collectieve uitingen". Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 van de Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever achtte daartoe geen behoefte aanwezig. Overigens genieten deze individuele uitingen wel de bescherming van artikel 7 van de Grondwet. Van een collectieve uiting kan volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8). Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist. Openbare plaatsIn de WOM wordt “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid van artikel 1 WOM is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Godsdienstvrijheid). Het betreft hier een algemene toegankelijkheid van de plaats zonder belemmeringen. Iedereen moet er zonder meer kunnen komen. In dit verband kunnen bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken niet als "openbare plaatsen" worden aangemerkt. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip "openbare plaats". Het openstaan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogd. Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en de voor een ieder vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. BetogingHet begrip betoging behoeft enige nadere toelichting. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan van een "betoging" worden gesproken als: een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep er op uit is een mening uit te dragen. De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij een betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijke beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied (TK 1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting, openheid en groepsverband. Slechts een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 van de Grondwet heeft de regering erop gewezen, dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip "betoging" meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen. Een kennisgeving kan in principe elke dag worden gedaan. Echter het sturen van bijvoorbeeld een fax op zaterdagochtend, wanneer het gemeentehuis gesloten is, is niet voldoende. Artikel 2.1.4, tweede lid, geeft immers aan dat er vanwege de burgemeester een bewijs van kennisgeving verstrekt moet worden, waarmee de organisator (bijvoorbeeld ten opzichte van de politie) kan aantonen, dat kennisgeving is gedaan. Bovendien moet de burgemeester in de gelegenheid zijn om de kennisgeving te beoordelen. Hij zal bijvoorbeeld overleg moeten kunnen plegen met de politie. Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betogingHet recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden. Gemeentelijke bevoegdhedenLos van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Op de strekking en reikwijdte van artikel 175 en 176 Gemeentewet is tijdens de parlementaire behandeling en in de literatuur uitgebreid ingegaan. Door de staatssecretaris is tijdens de mondelinge behandeling van dit wetsontwerp in de Eerste Kamer opgemerkt: 'De gevallen waarin de noodbevoegdheden van de burgemeester kunnen worden toegepast, staan in een logisch verband met de gronden krachtens welke grondrechten als hier aan de orde mogen worden beperkt. De burgemeester heeft dus in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176, grondwettelijk de bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.' Een voorschrift, verbod of beperking van de burgemeester mag geen betrekking hebben op de inhoud van hetgeen wordt betoogd of beleden. Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden verboden. Zo’n beperking van het recht van demonstraties kan in beginsel niet gelegen zijn in de overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover deelnemers aan een betoging de verstoring van de openbare orde tot gevolg zullen hebben. Verder wordt aangegeven dat ook uit de toepassingshistorie van de artikelen 219 en 220 van de oude gemeentewet volgt dat de noodbevoegdheden passen in het kader van de beperkingsregelingen van grondrechten. Artikel 2.1.4 Te verstrekken gegevensDe onder a tot en met f genoemde onderdelen van de kennisgeving zijn essentieel voor de beoordeling door de burgemeester. Eventueel kan hiervoor een formulier worden vastgesteld. Artikel 2.1.5 StraatartiestDe activiteiten van de straatartiest, vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. De betekenis van het begrip 'openbaren van gedachten of gevoelens' moet blijkens de jurisprudentie en blijkens de toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig op basis van de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet. Paragraaf 2 Bruikbaarheid van de wegArtikel 2.2.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de wegDit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan gedacht worden aan het plaatsen van reclameborden of containers. Eerste en tweede lidBij de term ‘overeenkomstig de publieke functie’ gaat het er niet om welke bestemming er op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan geldt, maar om welke functie de weg of het weggedeelte heeft. Plaatst iemand voorwerpen op de weg, zoals bijvoorbeeld goederen, kisten, afval, bouwmaterialen of meubilair, dan wordt daardoor een gebruik van de (openbare) weg gemaakt dat de algemene gebruikswaarde als verkeersbaan aantast. Hierdoor is een vorm van gebruik aanwezig welk beslag legt op de weg als object ten nadele van het algemeen openstaand gebruik. Dit raakt wel de bruikbaarheid van de weg zelf, waarvoor de beheerder (de gemeente) van de weg heeft te verzorgen. Waar de weg wordt gebruikt dat inherent is aan zijn andere functie dan verkeersbaan (ter plaatse) geldt dat dit gebruik aanvaardt dient te worden. Het gaat hier normaliter om een veelheid van gebruikers, die vanuit een bepaalde kwaliteit in relatie tot de functie de mogelijkheid hebben om dat (functionele) gebruik van die weg te maken. Zo kan bijvoorbeeld zonder APV-vergunning door winkeliers op de weg die tevens de functie van winkelstraat heeft beperkte uitstallingen worden neergezet, voor zover deze uitstallingen niet worden bestreken door artikel 5.2.2 van de APV (standplaatsen). Dit laat onverlet dat aan gemeentelijk grondgebruik door gemeente een overeenkomst met voorwaarden onder andere ten behoeve van de veiligheid van de weg wordt geëist. Het spreekt voor zich dat er geen privaatrechtelijke gevolgen verbonden mogen zijn aan de ingevolge de verordening toegestane gebruiksmogelijkheden. Met andere woorden het gebruik mag niet worden geweigerd. Het kan wel worden gereguleerd. Waar de weg wordt gebruikt dat inherent is aan zijn andere functie dan verkeersbaan (ter plaatse) geldt niet dat dit gebruik aanvaardt dient te worden als het gebruik weliswaar verbonden is met de functie van de weg, doch de wijze waarop dat gebruik gestalte krijgt een belangrijke invloed heeft op het object weg (het weglichaam) zelf en de gerechtigheid tot dat gebruik aan een bepaalde (rechts)persoon toekomt, zoals bij gas, water- en electriciteitsleidingen het geval is. Ook hier geldt het privaatrecht ten volle naast het publiekrecht. Derde lid, onder eDit artikel is niet van toepassing op handelsreclame op een onroerende zaak. Op deze handelsreclame is artikel 4.2.1. van toepassing. Artikel 2.2.1 is van toepassing op roerende zaken waarop handelsreclame is aangebracht. Tevens is het artikel van toepassing op reclame-uitingen waarbij gedachten en gevoelens worden geopenbaard. Aan een vergunningenstelsel voor reclame voor ideële doeleinden staat echter artikel 7 van de Grondwet, regelende de vrijheid van meningsuiting, in de weg. In artikel 2.2.1, tweede lid, onder e, wordt dan ook een uitzondering gemaakt voor ideële reclame op de verbodsbepaling van het eerste lid. Wel kan het verboden worden om de ideële reclame op bepaalde plaatsen, zoals beschreven in het derde lid, aan te brengen. Derde lid, onder fIndien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van artikel 2.3.2, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel 2.2.1. Het tweede lid, onder f coördineert het voorkomen van een samenloop van beide vergunningen. In het kader van een vergunning voor een evenement kan immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd. Dit laat echter onverlet dat voor het plaatsen van aankondigingsborden voor het evenement wel een vergunning op basis van artikel 2.2.1 is vereist. Derde lid, onder gHet in artikel 2.2.1 bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester vergunning is verleend op grond van artikel 2.11.2. Een dergelijk terras maakt blijkens de definitie in artikel 2.11.1 deel uit van dat bedrijf. Daarom is in het tweede lid, onder g een afbakeningsbepaling opgenomen. In de APV is voor een terras behorend bij een horecabedrijf aansluiting gezocht bij het exploitatievergunningenstelsel, overeenkomstig de vergunning op grond van de Drank- en Horecawet voor het schenken van alcoholische dranken. In de gevallen van terrassen die niet vallen onder het exploitatievergunningenstelsel, maar wel behoren bij een voor het publiek openstaande gebouw, zal de toetsing van een vergunningsaanvraag, rechtstreeks gebaseerd moeten zijn op art. 174 Gemeentewet. Bestaat de wens om toch een vergunning te geven op grond van art. 2.2.1 dan moet men attent zijn op het feit dat het in dit artikel niet gaat om openbare orde-aangelegenheden, maar om hinder, gevaar of ontsiering door voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg of een weggedeelte. Dit houdt in dat op grond van deze bepaling geen voorwaarden kunnen worden gesteld i.v.m. de openbare orde. Dit zal dan moeten gebeuren op grond van artikel 174 Gemeentewet. Op grond van artikel 174 Gemeentewet blijft de burgemeester – ook bij toepassing van artikel 2.2.1 – op grond van jurisprudentie het bevoegd gezag. Voor de duidelijkheid: het gaat hier om een terras dat behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw. In het geval een terras niet valt onder artikel 2.11.2. (horecabedrijf of voor het publiek openstaand gebouw ) en het terras is gelegen op de weg of een weggedeelte kunnen alleen de in artikel 2.2.1 bedoelde eisen worden gesteld en is het college het bevoegd gezag. Het doel van artikel 2.2.1 houdt in dat aan het gebruik van een terras dat niet op de weg of een weggedeelte is gelegen, geen voorwaarden kunnen worden gesteld op grond van dit artikel. Derde lid, onder h.Het tweede lid, onder h, maakt tenslotte een uitzondering voor standplaatsen waarop artikel 5.2.2 van toepassing is. Zevende lid, onder bGedragingen waarop artikel 2.2.1 zien, kunnen onder de reikwijdte van artikel 5 van de WVW 1994 vallen. Dit artikel bepaalt dat het voor een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, zoals omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is dus voor zover artikel 2.2.1 niet van toepassing. Omdat het hier over gevaar op de weg gaat, is het artikel gekoppeld aan de weigeringsgrond van artikel 5, onder b. Zevende lid, onder cWaarom hier van bouwwerken wordt gesproken?Op 1 januari 2003 is het bouwvergunningstelsel van de Woningwet gewijzigd. Er zijn twee soorten bouwwerken: vergunningsplichtige (lichte- en reguliere bouwvergunningen) en vergunningsvrije. De meldingsplicht is verdwenen. Op de vergunningsplichtige bouwwerken vindt een preventieve welstandstoets plaats. Repressief welstandstoezicht rust zowel op bouwvergunningsplichtige als bouwvergunningsvrije bouwwerken. De Gemeente moest een welstandsnota hebben vastgesteld om na 1 juli 2004 (preventief of repressief) welstandstoezicht te kunnen (blijven) uitoefenen. Alle bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn dus onderhevig aan welstandstoetsing. Zevende lid, onder d.De Wet milieubeheer is van toepassing als een voorwerp op de weg wordt geplaatst dat een inrichting in de

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.