← Nederland

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Maasgouw houdende regels omtrent openbare orde en veiligheid Algemene plaatselijke verordening Maasgou

Kort gezegd

Deze verordening van de gemeente Maasgouw stelt regels vast over openbare orde en veiligheid, en definieert begrippen die hierbij komen kijken. Het regelt onder andere hoe aanvragen voor vergunningen en ontheffingen worden behandeld en welke verboden er gelden op openbare plaatsen.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Maasgouw houdende regels omtrent openbare orde en veiligheid Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2017Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1:1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit met betrekking tot een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of met betrekking tot een al verleende omgevingsvergunning; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond verbonden is, dan wel direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: wat in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk een commercieel belang wordt gediend; ideële reclame: iedere openbare aanprijzing waarmee een maatschappelijk of politiek belang wordt gediend; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar zijn of op andere wijze toegankelijk; openbare plaats: wat in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; reclame: verzamelterm voor de uiting van handels- en ideële reclame; weg: wat in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal acht weken verlengen. 3.In afwijking van het derde lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel1:3Indiening aanvraag Vervallen. Artikel1:4Voorschriften, voorwaarden en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften, voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Deze strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Het is verboden de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden en beperkingen te overtreden of te laten overtreden. Artikel1:5Persoonlijk karakter vergunning en ontheffing De vergunning en ontheffing zijn persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1:6Wijziging en intrekking van vergunning en ontheffing De vergunning en ontheffing kunnen worden gewijzigd of ingetrokken als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden of beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een redelijke termijn, als de vergunning of ontheffing hierover niets regelt. de houder daarom verzoekt. Artikel1:7Verlening voor onbepaalde tijd De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1:8Weigeringsgronden 1.De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu; en of het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk2Openbare orde Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.De burgemeester kan voor een bepaalde periode en in het belang van de openbare orde, een samenscholingsverbod instellen voor een duidelijk beschreven en aangewezen openbare plaats of gebied. 2.Het is verboden onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 3.Degene die op een openbare plaats: aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt bij een op grond van het eerste lid ingesteld samenscholingsverbod; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam voor de gemeente Maasgouw zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen. 4.Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan zijn afgezet in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden. 5.De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het vierde lid gestelde verbod. 6.Wat staat in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 7.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:2Gebiedsontzegging 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten: een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden; en bevelen zich zodanig buiten dat gebied te gedragen dat het effect daarvan ook in dit gebied direct merkbaar zijn. 2.In het geval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als de overtreding binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. 5.Wat staat in het eerste tot en met het vierde lid geldt niet als degene die voor de gebiedsontzegging in aanmerking komt in het door de burgemeester aangewezen gebied zijn woning heeft, zijn werk of beroep uitoefent of hulpverlenende instanties bezoekt. In dit laatste het geval, dan wordt de kortste route aangewezen, waar langs degene die de gebiedsontzegging krijgt opgelegd het gebied moet betreden of verlaten. Afdeling 2 Betoging Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Het is verboden een betoging op een openbare plaats te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, tenzij degene die dit voornemen heeft daarvan vóór de openbare aankondiging en tenminste twee werkdagen voordat de betoging wordt gehouden, daarvan een schriftelijke kennisgeving doet aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Het verbod dat staat in het eerste lid, is niet van toepassing als naar het oordeel van de burgemeester bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven en in de kennisgeving daarom wordt verzocht. Afdeling 3 Vertoningen e.d. op de weg Artikel2:4Straatartiest e.d. 1.Het is verboden om voor van publiek langer dan 30 minuten per dag in een straal van 100 meter rondom detailhandel en horeca binnen de gemeente als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of straatmuzikant op te treden.

  1. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling 4 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel2:5Voorwerpen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg, een weggedeelte of andere openbare plaats anders te gebruiken, in de vorm van het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Hiervan is in ieder geval sprake als: het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.Het bevoegd gezag kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen die gelden voor de plaatsing van voorwerpen op of aan de weg (zie bijlage, “Nadere regels plaatsen containers, steigers, uitstallingen op of aan de weg”). 3.Het is verboden om te handelen in strijd met de nadere regels zoals bedoeld in het tweede lid. 4.Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5.Het bevoegde bestuursorgaan kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6.Het verbod in het eerste lid geldt niet in het geval van: evenementen als bedoeld in artikel 2:13; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:16; terrassen als bedoeld in artikel 2:14; steigers, containers en uitstallingen, als bedoeld in de nadere regels plaatsen containers, steigers en uitstallingen op of aan de weg; reclame als bedoeld in de nadere regels reclame, onverminderd artikel 4:10; situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; 7.Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:6(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of door het college in de overige gevallen. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 5.Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:7Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg, daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.
  4. De melding wordt op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend gemaakt.
  5. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
  6. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. Deze termijn begint de dag na de datum van ontvangst van de melding.
  7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken en de Waterschapskeur. Afdeling 5 Veiligheid op de weg Artikel2:8Hinderlijke beplanting en gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op een wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel2:9Openen straatkolken e.d. Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2:10Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden in bossen en bosschages, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: te roken; of voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3.De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen of op aangrenzende erven.
  8. De rechthebbende van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die voor meer dan de helft bestaat uit: naaldhout; een heideveld; een veen, of een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 1.
  9. van het Bouwbesluit 2012 en dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand. Artikel2:11Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Afdeling 6 Evenementen Artikel2:12Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:20 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en 2:29 van deze verordening; 2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; vechtsportgala’s waarbij activiteiten in het kader van vecht- of verdedigingssporten worden georganiseerd; 3.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid een activiteit die in de daarvoor bestemde inrichting zal plaatsvinden aanmerken als een evenement als bedoeld in het eerste lid. 4.Conform de definities van het regionale evenementenbeleid van de Veiligheidsregio Limburg-Noord wordt verstaan onder: A-evenement: regulier eenvoudig evenement; B-evenement: evenement met verhoogde aandacht en een gemiddeld risico. Dit is een evenement met een lokale of regionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt niet veel publiek van buiten de gemeente verwacht; C-evenement: grootschalig evenement met een verhoogd risico. Dit is een evenement met een sterke bovenregionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt ook publiek van buiten de regio verwacht. De vaststelling van de bovenvermelde klasse-indeling vindt plaats aan de hand van het scoreformulier risicopotentie evenement (zie bijlage). Artikel2:13Evenement 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.De burgemeester kan nadere regels vaststellen ten aanzien van evenementen (zie bijlage) en voorschriften verbinden aan een evenementenvergunning. 3.Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet als: sprake is van een A-evenement; wordt voldaan aan de door de burgemeester vastgestelde ‘Nadere regels evenementen’; de organisator van het evenement het houden daarvan schriftelijk meldt bij de burgemeester door middel van het naar waarheid en volledig ingevulde door de burgemeester vastgestelde meldformulier (zie bijlage); en de melding geschiedt minimaal 8 weken voorafgaand aan het begin van het evenement. 4.Een vergunning voor een B-evenement moet minimaal 14 weken voorafgaand aan het begin van het evenement worden aangevraagd. 5.Een vergunning voor een C-evenement moet minimaal 26 weken voorafgaand aan het begin van het evenement worden aangevraagd. 6.Het is verboden om te handelen of nalaten in strijd met de nadere regels en voorschriften, zoals bedoeld in het tweede lid. 7.Bij het indienen van een melding, bedoeld in het derde lid, onderdeel c en bij het indienen van een vergunningaanvraag, bedoeld in het vierde en vijfde lid worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd. 8.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd wegens strijdigheid met het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening en overige plaatsen. 9.De burgemeester kan naar aanleiding van de melding, bedoeld in het derde lid onder c, binnen 15 werkdagen dagen na ontvangst van de melding, voorschriften verbinden aan het te houden evenement in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu.
  10. De burgemeester kan binnen 15 werkdagen na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid onder c, besluiten het organiseren van een A-evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
  11. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
  12. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 7 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel2:14Begripsbepalingen 1.In deze afdeling wordt verstaan onder: openbare inrichting: een hotel, (afhaal)restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis; elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, rookwaren of voedsel voor directe consumptie worden verstrekt of bereid die al dan niet op een andere plek worden genuttigd, met uitzondering van supermarkten en andere vormen van detailhandel waarin in hoofdzaak waren worden verkocht om ergens anders te nuttigen; terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of voedsel voor directe consumptie kan worden bereid of verstrekt; exploitant: degene op wiens naam de exploitatievergunning staat; natte horeca: horecabedrijf waarbij de activiteit in ieder geval bestaat uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse; droge horeca: openbare inrichtingen waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse; winkel: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin goederen aan particulieren worden verkocht; handelaar: handelaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2.Onder openbare inrichting wordt mede verstaan: een terras; een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van wat in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als onder andere een smartshop, headshop of growshop of een combinatie van deze winkelvormen; een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een coffeeshop.
  13. Het aantal vergunningen, bedoeld in artikel 2:14, tweede lid onder c, dat de burgemeester kan verlenen bedraagt op grond van het coffeeshopbeleid maximaal
  14. Zie bijlage.
  15. Onder leidinggevende wordt verstaan: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgeoefend (de ondernemer); de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de uitoefening van het horecabedrijf (de bedrijfsleider); de natuurlijke persoon die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van het horecabedrijf (de beheerder).
  16. In deze Afdeling worden niet als bezoekers van de openbare inrichting aangemerkt: de gezinsleden van de exploitant alsmede diens bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; in de inrichting op dat moment werkzaam personeel; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht (nachtregister); de personen waarvan aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel2:15Exploitatie openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld (elektronisch) formulier. (zie bijlage). 3.De burgemeester weigert of trekt de vergunning in als: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; voor de exploitatie van de openbare inrichting ook andere publiekrechtelijke toestemmingen zijn vereist die op grond van of krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend; of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 4.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigerings- of intrekkingsgrond onder a houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; de aard van de openbare inrichting; de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat; de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende; en het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende. 5.De vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 6.Voor de uitoefening van zijn bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester nadere regels vaststellen (zie bijlage “Nadere regels terrassen”). Ten aanzien van het exploiteren of laten exploiteren van een terras dat deel uitmaakt van een openbare inrichting kan de burgemeester in ieder geval nadere regels vaststellen voor: het waarborgen van de verkeersveiligheid; de inrichting van terrassen, inclusief het voeren van reclame op terrassen; het voorkomen van overlast voor eigenaren en gebruikers van aangrenzende percelen. 7.Het is verboden om te handelen in strijd met de door de burgemeester vastgestelde nadere regels als bedoeld in het zesde lid. 8.Als uit de aanvraag en de daarbij behorende stukken blijkt dat het voorgenomen terras niet voldoet aan de door de burgemeester vastgestelde nadere regels, kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd. 9.Geen vergunning als bedoeld in het eerste lid is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: winkel voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een ondergeschikte activiteit vormen van de winkelactiviteit. zorginstelling; museum; of een bedrijfskantine of – restaurant. 10.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid. Artikel2:15aBijlage vergunning en aanwezigheid leidinggevende 1.De burgemeester vermeldt in een bijlage bij de vergunning de leidinggevenden. Als de openbare inrichting wordt uitgeoefend door een paracommerciële rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 2:21, dan worden tenminste twee leidinggevenden op de bijlage vermeld. 2.Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in die inrichting niet aanwezig is: een leidinggevende die vermeld staat in de bijlage van de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot die inrichting of; een persoon wiens bijschrijving in de bijlage, zoals bedoeld in het eerste lid, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist. 3.Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het voor een paracommerciële rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 2:21, verboden een openbare inrichting geopend te houden, indien in de inrichting niet aanwezig is: een barvrijwilliger, die vermeld staat op een door het bestuur van de paracommerciële rechtspersoon samengestelde lijst, welke lijst in de inrichting aanwezig is. 4.In de openbare inrichting moet een afschrift aanwezig zijn van: de vergunning en de bijlage of; van een aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid, onder b, of; de ontvangstbevestiging van een aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid, onder b. Artikel2:15bMelding bijschrijving leidinggevende 1.Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens: een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven. 2.Deze melding geldt als een aanvraag tot wijziging van de bijlage behorende bij de vergunning. 3.De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld (elektronisch) formulier. Zie bijlage. 4.De burgemeester bevestigt schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag. 5.De burgemeester weigert de aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid: als ten aanzien van de persoon als bedoeld in het eerste lid, sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2:15, derde lid, onderdeel a en artikel 2:15, vierde lid, onderdeel e. Artikel2:15cVervalgronden 1.De vergunning vervalt als: sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. Artikel2:16Sluitingstijd 1.Het is de exploitant en de leidinggevende van een openbare inrichting, die een horecabedrijf is in de zin van artikel 1 van de Drank- en Horecawet, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02:00 uur en 07:00 uur. 2.Het is de exploitant en de leidinggevende van een openbare inrichting, die een horecabedrijf is in de zin van artikel 2:14, eerste lid, sub a van deze verordening, waar voedsel voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02:30 uur en 07:00 uur. 3.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt: met carnaval in de nachten van zaterdag op zondag, van zondag op maandag en van maandag op dinsdag van 03:00 uur tot 07:00 uur; tijdens de kermisdagen, uitsluitend voor de kern waar de kermis plaatsvindt, in de nachten van zaterdag op zondag en van zondag op maandag van 03:00 uur tot 07:00 uur; en op Koningsnacht en van 5 op 6 mei van 03:00 tot 07:00 uur. 4.Het in het tweede lid genoemde verbod geldt: met carnaval in de nachten van zaterdag op zondag, van zondag op maandag en van maandag op dinsdag van 03:30 uur tot 07:00 uur; tijdens de kermisdagen, uitsluitend voor de kern waar de kermis plaatsvindt, in de nachten van zaterdag op zondag en van zondag op maandag van 03:30 uur tot 07:00 uur; en op Koningsnacht en van 5 op 6 mei van 03:30 uur tot 07:00 uur. 5.Het in het eerste lid opgenomen verbod geldt niet op 1 januari. 6.De exploitant of de leidinggevende van een openbare inrichting, die een horecabedrijf is in de zin van artikel 1 van de Drank- en Horecawet, kan maximaal 5 keer per jaar een schriftelijke melding doen bij de burgemeester van het verlengen van de sluitingstijd naar 03:00 uur. Zie voor het meldformulier bijlage. 7.Het is verboden de sluitingstijd te verlengen als de schriftelijke melding als bedoeld in het zesde lid niet minimaal 5 werkdagen voor de datum waarop de verlenging van de sluitingstijd betrekking heeft, wordt gedaan en de buurtbewoners niet minimaal 5 werkdagen van tevoren door de exploitant of de leidinggevende hierover zijn geïnformeerd. 8.Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers daar te laten verblijven na sluitingstijd. 9.Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel (2.20, zevende lid, onder a), gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 10.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. Artikel2:17Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid dan wel in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare gelegenheden tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:16 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel2:18Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: de orde te verstoren; zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:17, eerste lid; of op het terras voedsel of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel2:19Handel binnen openbare inrichtingen 1.In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2.De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Artikel2:20Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, dan treedt het college bij de toepassing van artikel 2:15 tot en met 2:19 op als bevoegd bestuursorgaan. Afdeling 8 Bijzondere bepalingen horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet. Artikel2:21Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank; horecabedrijf; horecalokaliteit; inrichting; paracommerciële rechtspersoon; sterke drank; slijtersbedrijf; en zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. Artikel2:22Schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1.Een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt, kan alcoholhoudende drank verstrekken. Dit mag echter alleen vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die wordt gehouden in verband met de statutaire doelen van deze paracommerciële rechtspersoon. Maar niet later dan 02.00 uur. 2.Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen alcoholhoudende drank verstrekken vanaf één uur voor aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van deze paracommerciële rechtspersoon met inachtneming van de volgende schenktijden: maandag tot en met vrijdag vanaf 16.00 uur tot 00.00 uur; zaterdag en zondag vanaf 10.00 uur tot 00.00 uur. Artikel2:23Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die zijn gericht op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Artikel2:24Stellen van voorschriften en beperken vergunning De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, zedelijkheid, volksgezondheid en ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Drank- en Horecawet voorschriften aan de vergunning verbinden en de vergunning beperken tot zwak alcoholhoudende drank. Afdeling 9 Toezicht op gelegenheden voor nachtverblijf Artikel 2:25 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke ruimte waarin, in de uitoefening van beroep, bedrijf of vereniging aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of kamperen wordt gegeven. Artikel2:26Melding exploitatie Het is verboden een inrichting op te richten, over te nemen, te verplaatsen dan wel de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting te staken, zonder dit schriftelijk te melden aan de burgemeester, binnen drie dagen direct daarna. Artikel2:27Nachtregister Het is verboden een inrichting als bedoeld in deze Afdeling te exploiteren, zonder een nachtregister bij te houden als bedoeld in artikel 438 Wetboek van Strafrecht. Dit verbod geldt eveneens voor de exploitant of beheerder van, dan wel anderszins rechthebbende op een recreatiepark dat gelegenheid geeft tot nachtverblijf. Artikel2:28Verschaffing gegevens nachtregister Het is verboden in een inrichting de nacht door te brengen zonder naar waarheid en volledig het nachtregister in te vullen als bedoeld in artikel 2:
  17. Daarbij wordt in ieder geval melding gemaakt van naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en dag van vertrek. Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden Artikel2:29Speelgelegenheden 1.In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden een spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
  18. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te laten exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
  19. De burgemeester weigert de vergunning als: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
  20. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:30Speelautomaten 1.In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
  21. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal 2 kansspelautomaten toegestaan.
  22. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten verboden. Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2:31Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel2:32Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare onroerende zaak te beschadigen waaronder te bekrassen of te bekladden. 2.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 3.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. Artikel2:33Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing als de inbrekerswerktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel2:34Vervoer geprepareerde voorwerpen 1.Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels een voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben dat kennelijk is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel2:35Rijden over bermen e.d. 1.Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Limburg. Artikel2:36Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekwerk, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder oplevert.
  23. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
  24. Artikel2:37Verboden drankgebruik 1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben: binnen het openbaar gebied in de omgeving van Kloosterhof zoals aangegeven op de bijgevoegde situatietekening. Zie bijlage; die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied.
  25. Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.
  26. Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op: een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel2:38Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. b. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning dan wel van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel2:38aGedragsaanwijzing 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid. 3.De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Artikel2:39Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel2:40Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek als: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; daardoor die ingang wordt versperd; of de verkeersveiligheid in gedrang komt. Artikel2:41Bespieden van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden. 2.Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt, te bespieden. Artikel2:42Verblijven honden en loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of begraafplaats of op een andere door het college aangewezen plaats; binnen de bebouwde kom op een voor publiek toegankelijke plaats zonder dat die hond is aangelijnd; buiten de bebouwde kom zonder dat die hond is aangelijnd: op de locaties Beegderheide, Heelderpeel zoals aangegeven op bijgevoegde situatietekening. Zie bijlage; op de locatie Leerkeven zoals aangegeven op bijgevoegde situatietekening. Zie bijlage; op een door het college aangewezen plaats. buiten de bebouwde kom zonder onmiddellijk toezicht; op de weg als de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
  27. Onder het genoemde in het eerste lid, aanhef en onder b vallen in ieder geval de locaties: het Breerpark te Maasbracht, en; het park gelegen aan de Parklaan/Julianalaan te Maasbracht.
  28. Het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen .
  29. Het eerste lid, aanhef onder b en c zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die: zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel2:43Verontreiniging door honden 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van de hond onmiddellijk worden verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3.De opruimplicht geldt niet : op de volgende locaties die als uitlaatplaatsen en losloopgebieden ter plaatse zijn aangeduid: Uitlaatplaatsen: kern Beegden, ter hoogte van de Gaardweg; kern Heel, ter hoogte van het Sleydal; kern Linne, ter hoogte van de onderste Boord en Oeveren; kern Maasbracht, ter hoogte van de Haverkamp, de Sint Joosterweg en de Kanaalweg; kern Ohé en Laak, ter hoogte van de Bosstraat en de Moeder Magdalenastraat en de Contelmostraat; kern Stevensweert, ter hoogte van de Maasdijk en het eiland; kern Thorn, ter hoogte van de Panheeldersteeg en het Lindepad; kern Wessem, ter hoogte van de oude Thornerweg. Losloopgebieden kern Beegden, ter hoogte van de Oosderweg en de Eerdweg; kern Linne, ter hoogte van de Akkerweg; kern Maasbracht, ter hoogte van de Broekstraat en de Trambaan; kern Ohé en Laak, ter hoogte van de weg over de Dijk; kern Stevensweert, ter hoogte van de weg langs de Grinderkens; kern Wessem en ter hoogte van de Polstraat. in de overige openbare ruimten buiten de bebouwde kom. 4.Het college kan buiten de bebouwde kom gebieden en locaties aanwijzen waar wel een opruimplicht geldt. Artikel2:44Gevaarlijke honden 1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijn- en/of muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zo rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zo is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.Onverminderd artikel 2:42, eerste lid, aanhef onder e dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel2:45Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben in strijd met de door het college gestelde nadere regels; en/of te voeren.
  30. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van één of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
  31. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:46Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee), die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat maatregelen worden getroffen zodat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel2:47Bijen 1.Het is verboden bijen te houden binnen een afstand van 30 meter van: woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; en/of de weg.
  32. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een legale afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
  33. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.
  34. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Limburg.
  35. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.
  36. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:48Bedelarij Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2:49Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:50Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te maken van alle gebruikte en ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend, door of namens de burgemeester (digitaal) gewaarmerkt register en daarin onmiddellijk op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover mogelijk - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
  37. Onder een handelaar als bedoeld in het eerste lid valt in ieder geval een: goud en edelsmid; diamantair; koperhandelaar.
  38. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van de verplichtingen genoemd in het eerste lid.
  39. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:51Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; en dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Afdeling 13 Vuurwerk Artikel2:52Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit). Artikel2:53Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen 1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen of voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college. 2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:54Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast veroorzaakt of kan veroorzaken. 3.De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 14 Drugsoverlast Artikel2:55Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel2:56Bestuurlijke ophouding De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:36, 2:37, 2:38, 2:39, 2:54, 2:55, 5:49 of 5:50 van de Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2017 groepsgewijs niet naleven. Artikel2:57Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2:58Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn: openbare plantsoenen; speelplekken; openbare weg; en parkeerplaatsen. Hoofdstuk3Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling 1 Begripsbepalingen Artikel3:1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; Bevoegd bestuursorgaan: In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze verordening; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel3:2Nadere regels Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, kan het college en in het voorkomende geval de burgemeester, nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk. Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel3:3Seksinrichtingen 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2.In de aanvraag om vergunning wordt gebruik gemaakt van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier. 3.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning worden in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; en de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3:4Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
  40. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
  41. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.
  42. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
  43. De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel3:5Sluitingstijden 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 en 14.00 uur. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens deze Afdeling gesloten dient te zijn. 4.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel3:6Tijdelijke afwijking sluitingstijden en (tijdelijke) sluiting 1.Met het oog op de openbare orde en de weigeringsgronden voor de vergunning, of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens deze Afdeling geldende sluitingstijden vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
  44. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid bekend op de wijze als bedoeld in artikel 3:42, tweede lid Algemene wet bestuursrecht. Artikel3:7Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of de beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3:8Straatprostitutie 1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel te lokken: op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden; gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.
  45. Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
  46. Met het oog op de openbare orde en de belangen als neergelegd in de weigeringsgronden van de vergunning, kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
  47. De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen als neergelegd in de weigeringsgronden van de vergunning, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid.
  48. De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. Artikel3:9Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel3:10Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: als het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.
  49. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Afdeling 3 Beslistermijn en weigeringsgronden Artikel3:11Beslistermijn 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, binnen twaalf weken. Deze beslistermijn begint de dag na de ontvangst van de aanvraag. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3:12Weigeringsgronden 1.De vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, wordt geweigerd als: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:4 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit of er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht dan wel met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
  50. Voor seksinrichtingen en escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee; of bij strijdigheid met het regionale prostitutiebeleid.
  51. Een vergunning als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, kan voorts worden geweigerd als bij vestiging of exploitatie het door de burgemeester vastgestelde lokale of regionale maximum van het aantal toegelaten seksinrichtingen wordt overschreden.
  52. Een vergunning als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
  53. Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. Afdeling 4 Beëindiging exploitatie en wijziging beheer Artikel3:13Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig artikel 3:3 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de exploitant dit schriftelijk aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel3:14Wijziging beheer 1.Als de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, meldt de exploitant dit binnen één week schriftelijk aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, als het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:12, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting Artikel4:1Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; drijver van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting exploiteert; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de desbetreffende inrichting; geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de desbetreffende inrichting; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt Artikel4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:4 van deze verordening gelden niet voor de volgende collectieve festiviteiten gedurende de volgende dagen of dagdelen: carnaval vanaf carnavalszaterdag 16:00 uur tot carnavals dinsdag 24:00 uur; Koningsnacht en Koningsdag vanaf 26 april 20.00 uur tot 27 april 02.00 uur en van 09.00 uur tot 24.00 uur; oudejaarsavond vanaf 31 december 20.00 uur tot 1 januari 02.00 uur; kermis Beegden vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Beegden; kermis Heel vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kernen Heel en Panheel; kermis Wessem vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Wessem; kermis Thorn vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Thorn; kermis Stevensweert vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Stevensweert; kermis Ohé en Laak vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Ohé en Laak; kermis Maasbracht vanaf kermiszaterdag 14.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Maasbracht/Brachterbeek; kermis Linne vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur en voor het alternatief evenement winterkermis Linne van zaterdag 20.00 uur tot zondag 02.00 uur voor de kern Linne;
  54. Het college kan als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet was te voorzien, een festiviteit onmiddellijk als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
  55. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk een half uur voor sluitingstijd te worden beëindigd, met uitzondering van inrichtingen waar op de aangewezen dagen een ruimere sluitingstijd geldt. In die gevallen dient het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de genoemde geluidsnormen om 02:00 uur te worden beëindigd.
  56. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
  57. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.
  58. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
  59. De geluidsnorm als bedoeld in het eerste lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. Artikel4:3Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:4 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting dit ten minste één week voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting dit ten minste één week voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, op tijd is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan als het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, onmiddellijk toestaat. 6.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid moet het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:4 van deze verordening- uiterlijk een half uur voor sluitingstijd worden beëindigd. Deze verplichting is niet van toepassing op inrichtingen waarvoor tijdens de incidentele festiviteit een ruimere sluitingstijd geldt. In die gevallen moet het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de genoemde geluidsnormen, om 02:00 uur worden beëindigd. 7.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 8.De geluidsnormen in deze bepaling gelden voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 9.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 10.De geluidswaarde als bedoeld in het negende lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 11.Het college kan nadere regels en voorschriften vaststellen voor van een incidentele festiviteit. Artikel4:4Onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit, vanwege het oefenen en het geven van uitvoeringen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of laten uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, als het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimte; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel 7.00-10.00 uur 10.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) n.v.t. 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) n.v.t 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) n.v.t. 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) n.v.t. 45 dB(A)
  60. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.
  61. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 of artikel 4:
  62. Artikel4:5Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer of van het Besluit op een wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben, handelingen te verrichten of na te laten zodat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Limburg. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4:6(Geluid)hinder door dieren Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel4:7Natuurlijke behoefte doen Het is voor personen verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn of haar natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel4:8Toestand van sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel4:9Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz. 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen dan wel aanwezig te hebben: op een door het college aangewezen plaats: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:12 of onderdelen daarvan, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur dan wel anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen, en oude metalen. landbouwplastic op alle percelen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom.
  63. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, nadere regels stellen.
  64. Het college stelt in nadere regels vast in welke gevallen het verbod in het eerste lid, onderdeel b niet van toepassing is (zie bijlage, “Nadere regels landbouwplastic”).
  65. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of een provinciale verordening. Artikel4:10Reclameverbod en nadere regels 1.Het is verboden reclame te maken. 2.Het college stelt in nadere regels vast in welke gevallen het verbod in het eerste lid van dit artikel niet van toepassing is(zie bijlage , “Nadere regels reclame”). Artikel4:11Handhaving reclame Vervallen. Afdeling 4 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel4:12Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig, waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel4:13Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat zo in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt ook voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende van een terrein. 3.Het in het tweede lid gestelde geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen, korter dan één week, in de besloten achtertuin voor eigen gebruik door de rechthebbende. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap; of een stadsgezicht. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4:14Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het verbod van artikel 4:13, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:13, vijfde lid. Afdeling 5 Bescherming van flora en fauna Artikel4:15Bescherming paddenstoelen 1.Het college is bevoegd plaatsen aan te wijzen waar het, ter bescherming van het natuur-, landschap- of dorpsschoon, verboden is paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben. 2.Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben. 3.Het verbod geldt niet: ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel elders afkomstige paddenstoelen; als de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel5:1Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990). Artikel5:2Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan het gebruiken van een voertuig voor het: geven van lessen; vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:4Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Na deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd. Artikel5:5Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.
  66. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel5:6Kampeermiddelen, aanhangwagens, e.a. 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; of gedurende een periode langer dan 5 aaneengesloten dagen te parkeren op een plaats, zichtbaar vanaf de openbare weg. Na deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a. 3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:7Parkeren van grote voertuigen
  67. Vanwege de schadelijke afbreuk aan het uiterlijk van de gemeente is het verboden een voertuig dat, inclusief van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op alle wegen of weggedeelten gelegen binnen de bebouwde kom, van de kernen Maasbracht, Brachterbeek, Linne, Stevensweert, Ohé en Laak, Heel, Beegden, Thorn, Panheel en Wessem . 2.Van de onder het eerste lid aangewezen wegen of weggedeelten zijn de volgende wegen en weggedeelten uitgezonderd: in de kern Maasbracht: Haverkamp, gedeelte van Battenweg richting Hazenspoor; St. Joosterweg, Industrieterrein; S. Houbenweg; Brouwersstraat, gedeelte bij S. Houbenweg (niet de doorgaande weg). in de kern Linne: Maasbrachterweg, parkeerplaats bij de artsenpraktijk; Leppingtonweg/Oudeweg; Akkerweg gedeeltelijk. in de kern Stevensweert: Parkeerplaats Sportlaan. in de kern Ohé en Laak: Contelmostraat, gedeeltelijk. in de kern Thorn: (bus)parkeerplaats Meers; parkeerplaats Waterstraat. in de Kern Wessem: Waage Naak, gedeelte van Verbindingsweg tot Kloosterlaan/Maasboulevard; Maasdijk incl. parkeerplaats; Schippersveld; parkeerplaats Achter de Biënberg. De uitgezonderde wegen en weggedeelten zijn aangegeven op de bij dit artikel behorende situatietekeningen (zie bijlagen). 3.Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:8Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op die manier dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel5:9Parkeren van voertuigen met stank verspreidende stoffen Vervallen. Artikel5:10Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door of dit te doen of te laten staan in een park of plantsoen dan wel een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
  68. Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en voertuigen, waarmee een standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
  69. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
  70. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:11Overlast van fiets of bromfiets Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. Afdeling 2 Collecteren Artikel5:12Inzameling van geld of goederen 1.Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. 2.Onverminderd het bepaalde in het derde lid, stelt het college in nadere regels vast in welke gevallen het verbod in het eerste lid niet van toepassing is (zie bijlage, “Nadere regels collecteren”). 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 3 Venten Artikel5:13Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;
  71. Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:20; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:
  72. Artikel5:14Ventverbod 1.Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
  73. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op: zondagen; maandag t/m zaterdag tussen 17.00 en 09.00 uur.
  74. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
  75. Het verbod bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.
  76. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.
  77. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:15Vrijheid van meningsuiting Vervallen. Afdeling 4 Standplaatsen Artikel5:16Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
  78. Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een: jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een snuffelmarkt op een openbare plaats als bedoeld in artikel 5:20; evenement als bedoeld in artikel 2:
  79. Artikel5:17Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: als de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 4.Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de standplaatsvergunning en weigeringsgronden (Zie bijlage, “Nadere regels standplaatsen”). 5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:18Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een standplaats wordt of is ingenomen. Artikel5:19Afbakeningsbepalingen 1.Het verbod van artikel 5:17, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Omgevingsplan Limburg. 2.De weigeringsgrond van artikel 5:17, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Afdeling 5 Snuffelmarkten Artikel5:20Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of openbare plaats waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. 2.Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een evenement als bedoeld in artikel 2:
  80. Artikel5:21Organiseren van een snuffelmarkt 1.Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren als: de burgemeester het organiseren van de snuffelmarkt heeft verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de leefomgeving, de volksgezondheid of het milieu; degene die voornemens is een snuffelmarkt te organiseren dit niet tevoren schriftelijk heeft gemeld bij de burgemeester. 2.De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid, onder b uiterlijk vier weken voorafgaand aan de snuffelmarkt met vermelding van: naam en adres van de organisator; adres van het gebouw waar de snuffelmarkt wordt gehouden; de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt gehouden; de frequentie van het houden van de snuffelmarkt; het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden en verhandeld; het aantal standplaatsen; het te verwachten aantal bezoekers. 3.De snuffelmarkt kan worden gehouden als de burgemeester niet binnen tien werkdagen na ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de leefomgeving, de volksgezondheid of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen tien werkdagen na ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van redenen bericht. 4.Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend of nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. Afdeling 6 Openbaar water Algemene bepalingen Artikel5:22Begripsbepalingen 1.In deze afdeling wordt verstaan onder: aanlegsteiger: voorziening waaraan schepen kunnen afmeren en ligplaats kunnen nemen; afmeren: het vastleggen van een schip aan wal; ankeren: het vastleggen van een vaartuig aan de bodem van het vaarwater; bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of dienstvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep met dat vaartuig dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten; dag: de periode tussen 00:00 uur en 24:00 uur; haven: een tot duurzame exploitatie bestemde accommodatie te land en/of te water, waar bedrijfsmatig gelegenheid wordt geboden tot het ter plaatse al of niet onder toezicht gedurende langere tijd achterlaten van een vaartuig, ongeacht of met die exploitatie al of niet winst wordt beoogd; klein schip: een vaartuig, zijnde een schip waarvan de lengte minder dan 20 meter bedraagt, waartoe als lengte wordt aangemerkt de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de romp, zonder boegspriet, de papegaaistok en het trim vlak, dit met uitzondering van: een schip dat is gebouwd of ingericht om andere dan kleine schepen te assisteren, te duwen of om langs de zijkant vastgemaakt mee te voeren; een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren; een veerpont, een visserschip en een duwbak. ligplaats: een gedeelte van het openbaar water dat ingevolge deze verordening door een schip met bijbehorende voorzieningen mag worden ingenomen; oever: overgang tussen land en het openbaar water; openbaar water: water zoals omschreven in artikel 1:1, aanhef, onder h. passagiersvaartuig: een bedrijfsvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot: vervoer van personen, of; om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen; passantenplaats; een ligplaats uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen; pleziervaartuig: een vaartuig dat is bestemd voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding, met een romplengte van minimaal 2,5 meter en maximaal 24 meter; rietkraag: rand van riet langs de oever; rondvaartboten/feestboten: een passagiersvaartuig, zoals gedefinieerd in onderdeel i, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot het vervoer van personen, of om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen; scheepswerf: een bedrijf waar schepen worden gebouwd, verbouwd, gerepareerd of geassembleerd. schip: elk vaartuig of watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water; snelle motorboot: een klein schip dat, bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, sneller kan varen dan 20 kilometer per uur; surfoever: een veelal door borden of andere merktekens aangeduide plaats op de oever waar door surfers pleegt te worden aangeland; tijdelijke ligplaats: het innemen van een ligplaats korter dan 3 achtereenvolgende dagen; werkstrook: strook in en/of langs het water, waarbinnen werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, die onlosmakelijk verbonden zijn met de vestiging en/of uitvoering van bedrijfsactiviteiten zoals deze zijn toegelaten op een daarvoor bestemde scheepswerf; zwemgelegenheid in oppervlaktewater: locatie in oppervlaktewater, niet zijnde een zweminrichting, waar door een aanmerkelijk aantal personen in elkaars nabijheid pleegt te worden gezwommen; zweminrichting: een voor het publiek toegankelijke plaats die is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen, tezamen met de daarbij behorende terreinen, bouwwerken en uitrustingen. 2.Onder oevers zijn mede begrepen de oeverbeschermingen en de daarvan deel uitmakende beplantingen. Artikel5:23Voorwerpen op, in of boven openbaar water Vervallen (Tijdelijke) ligplaats Artikel5:24Ligplaats pleziervaartuigen 1.Het is verboden met een pleziervaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een pleziervaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een pleziervaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement en de Waterwet. Artikel5:25(Tijdelijke) ligplaats buiten de havens 1.Het is verboden met een vaartuig buiten de havens langer dan 3 achtereenvolgende dagen op dezelfde locatie een ligplaats in te nemen of, als het vaartuig is verplaatst, binnen 3 dagen weer dezelfde ligplaats in te nemen. Onder een dag wordt verstaan de tijd tussen 00:00 uur en 24:00 uur. 2.Ten aanzien van het genoemde in het eerste lid geldt dat als het vaartuig wordt verplaatst naar een plaats gelegen binnen een afstand van 500 meter hemelsbreed gemeten van een eerder ingenomen verboden ligplaats, het vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats te zijn blijven liggen. 3.Het in het eerste lid vermelde verbod geldt niet: voor bedrijfsvaartuigen die direct of indirect betrokken zijn bij ontgronding of bij de inrichting van de wateren; op de bestemde werkstroken ten behoeve van de scheepsbouw. 4.Het is verboden met een vaartuig buiten de havens: aan de oever een (tijdelijke) ligplaats in te nemen; met een vaartuig een (tijdelijke) ligplaats in te nemen in de voor de oever gelegen rietkraag; in de rietkraag of oever te ankeren; een vaartuig te water te laten, uit het water te halen, op gronden neer te leggen of te laten leggen aan de oever anders dan op de daarvoor door het college aangewezen of bestemde plaatsen die ter plaatse nader zijn aangeduid. Artikel5:26Aanwijzingen (tijdelijke) ligplaats 1.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een (tijdelijke) ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne of het aanzien van de gemeente. 2.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een (tijdelijke) ligplaats op te volgen. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement en de Waterwet. Artikel5:27Verbod innemen (tijdelijke) ligplaats Het is verboden een (tijdelijke) ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met artikel 5:26, tweede lid. Artikel5:28Verbod innemen ligplaats buiten de havens Vervallen. Artikel5:29Verbod innemen ligplaats/verbod tot ankeren Vervallen. Openbare orde en veiligheid Artikel5:30Beschadigen van waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de Waterwet. Artikel5:31Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel of voor onmiddellijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel5:32Veiligheid op het water 1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2.Het verbod waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement of de Waterwet. Artikel5:33Overlast aan vaartuigen 1.Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Artikel5:34Verstoren goede orde 1.Het is verboden op het openbaar water de goede orde te verstoren, onder meer door: het veroorzaken van geluidhinder, in welke vorm ook; op enigerlei wijze de rust te verstoren tussen 22.00 uur 's avonds en 07.00 uur ’s morgens; het verontreinigen van het terrein, het water, de gebou¬wen, de stei¬gers en andere werken door vuilnis, olie, chemicaliën, bilgewater, etc.; het gebruik van een boordtoilet of het anderszins storten van fecaliën en bijkomend afvalwater in openbaar water; het onvoorzichtig omgaan met vuur, daaronder begrepen het aan te water liggende vaartuigen uitvoeren van werkzaamheden, waarbij hoge temperatu¬ren ontstaan, alsmede het onvoor¬zichtig omgaan met benzine, gas of andere ontvlambare stoffen; het laten proefdraaien van boordmotoren met ingeschakelde schroef. 2.Het is voorts verboden: aan steigers of palen te spijkeren of enige andere voorziening te maken waarvoor geen toestemming is verleend door het college; aanpassingen aan de waterbodem en/of puinbestortingen te maken; aanlegtouwen etc. over het loopvlak van de steigers of voet¬paden te bevestigen; oevergroen te snoeien en/of te maaien. Artikel5:35Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet Passagiersvaartuigen en waterscooters Artikel5:36Afmeren passagiersvaartuigen (o.a. rondvaartboten, feestboten en riviercruises) 1.Het is verboden met een passagiersvaartuig af te meren. 2.Het verbod in het eerste lid geldt niet: voor het afmeren aan de aanlegsteigers binnen de kernen: Stevensweert, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening; Thorn, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening; Wessem, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening. en een daartoe strekkende vergunning is verleend door het college. Artikel5:37Waterscooters Het is verboden op een oever en het openbaar water een waterscooter, die zich in een kennelijk voor onmiddellijk gebruik geschikte en beoogde staat bevindt, bij zich te hebben anders dan op daartoe door of namens de Minister, ingevolge het Binnenvaartpolitiereglement, of door het college aangewezen plaatsen. Overig verbod Artikel5:38Overig verbod Het is verboden binnen twintig meter van een in gebruik zijnde zweminrichting, zwemgelegenheid of surfoever te ankeren. Passantenhavens Artikel5:39Bestemming passantenhavens 1.De binnen de gemeente als zodanig aangeduide passantenhavens zijn uitsluitend bestemd voor: pleziervaartuigen met een maximale lengte van 15 meter, en; een maximale diepgang van 1.80 meter. 2.Het is verboden met andere vaartuigen een ligplaats in te nemen in de passantenhavens. 3.Het is verboden een ligplaats in te nemen op de volgens aanduiding voor anderen gereserveerde gedeelten van de steigers in de passantenhavens. 4.Het verbod genoemd in het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de passantenhaven in Maasbracht. In de passantenhaven Maasbracht betreft de maximale lengte voor pleziervaartuigen 20 meter. 5.Het college kan van het onder het eerste en tweede lid bepaalde vrijstelling verlenen. Artikel5:40Tijden van verblijf passantenhavens 1.Het is verboden langer dan 3 achtereenvolgende dagen een ligplaats in dezelfde passantenhaven in te nemen en nadat deze periode is verstreken, binnen 12 uren opnieuw ligplaats in dezelfde passantenhaven in te nemen. 2.Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang een ligplaats in te nemen, vaartuigen te verplaatsen of de passantenhaven te verlaten. 3.Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op de passantenhaven in Maasbracht. 4.Het college kan van het onder het eerste en tweede lid bepaalde vrijstelling verlenen. Artikel5:41Afmeren passantenhavens De schipper op een vaartuig moet ervoor te zorgen, dat het vaartuig op deugdelijke wijze is afgemeerd, op een manier dat het vrij van andere vaartuigen, steigers of palen blijft. Artikel5:42Liggeld passantenhavens 1.Voor het verblijf met een vaartuig in de passantenhaven tussen 18.00 en 07.00 uur is liggeld verschuldigd. 2.De hoogte van het liggeld en de wijze van inning wordt door het college vastgesteld. Artikel5.43Gebruiksregels passantenhavens 1.Het is verboden in de passantenhaven te zwemmen, te spelevaren, te hengelen of te surfen. 2.Van 22.00 uur tot de volgende ochtend 7.00 uur moet de nachtrustperiode in acht worden genomen. Ook daarbuiten is geluidhinder of anderszins hinderlijk gedrag verboden. Artikel5:44Milieuhygiëne en veiligheid passantenhavens 1.Het is niet toegestaan roerende zaken op de kaden te plaatsen en deze kaden anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming. 2.Het verwijderen of achterlaten van afval, vuilnis en het lozen van de inhoud van vuilwatertanks, chemische toiletten etc. is op de locatie van de passantenhaven verboden. Gebruik moet worden gemaakt van elders door derden ter beschikking gestelde voorzieningen. 3.Indien als gevolg van een ongeval, lekkage of anderszins benzine, andere ontvlambare of verontreinigde stoffen overboord gaan of anderszins in het water of op de oever terechtkomen, is de schipper op een vaartuig verplicht dit onmiddellijk aan de beheerder van de passantenhaven of bij diens afwezigheid aan de politie te melden. 4.Het gebruik van een direct op het water lozend toilet is verboden. 5.Het vaartuig dient te zijn uitgerust met een goed functionerende brandblusser. Artikel5:45Verbod onderhoudswerkzaamheden passantenhavens Het is verboden in de passantenhaven zonder ontheffing van het college belangrijke reparaties of groot onderhoud aan vaartuigen te verrichten of te laten verrichten. Artikel5:46Ordebepaling passantenhavens De rechthebbende op een vaartuig is zolang het vaartuig in de passantenhaven verblijft, verplicht alle aanwijzingen op te volgen van de beheerder en toezichthoudende ambtenaren van de gemeente Maasgouw. Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel5:47Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet
  81. Artikel5:48Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.
  82. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel5:49Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.
  83. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek.
  84. Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
  85. Het in het eerste lid opgenomen verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die zijn gelegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden en terreinen; binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.
  86. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid opgenomen verbod.
  87. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 8 Verbod vuur stoken Artikel5:50Verbod verbranden afvalstoffen 1 Afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (art. 1.1 lid 1 Wm). buiten inrichtingen of anderszins vuur stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, als geen afvalstoffen worden verbrand 2 Bij sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven, mag slechts droog, schoon en onbehandeld hout worden gestookt.; vuur voor koken, bakken en braden; Sint Maartensvuren, mits wordt voldaan aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals opgenomen in de “Nadere regels evenementen Maasgouw 2018” (zie bijlage) en de voorschriften zoals opgenomen in de verleende ontheffing op grond van artikel 10.2 en 10.63 Wet Milieubeheer. 3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Limburg. 6.Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 9 Verstrooiing van as Artikel5:51Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele as verstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel5:52Verboden plaatsen 1.Incidentele as verstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2.Het college kan voor een bepaalde periode verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid as verstrooiing plaatsvindt. 3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de as bus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod opgenomen in het eerste lid, met uitzondering van de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve besch

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.