Beleidsregels Wet Werk en BijstandBeleidsregels Wet Werk en Bijstand Hoofdstukwerk ArtikelW001 Afspraken met UWV inzake aanbieden voorzieningen aan personen met uitkering via UWV Afspraken inzake het aanbieden van voorzieningen aan personen met uitkering via UWV. Indien de klant zijn hoofdinkomen ontvangt uit een uitkering van het UWV, is het UWV de instantie die de klant voorzieningen in het kader van de reïntegratie aanbiedt. Ontvangt de klant zijn hoofdinkomen uit een WWB- of IOAW-uitkering, is de gemeente de instantie die de klant voorzieningen in het kader van reïntegratie aanbiedt. ArtikelW002 Procedure aanvraag en toekenning reïntegratievoorzieningen De gemeente Heerenveen heeft geen aanvraagprocedure voor reïntegratievoorzieningen. ArtikelW003 Afspraken met cliënt over de gevolgen van het niet nakomen/ voortijdig afbreken van een reïntegratie Bij verwijtbaar vroegtijdig beëindigen van het reïntegratietraject door de verzoeker, is deze aan de gemeente een bedrag verschuldigd is van 75% van de, in verband met het reïntegratietraject, aangegane financiële verplichtingen door de gemeente. De verwijtbaarheid wordt beoordeeld door de medewerker van team Werk en Inkomen, daarin geadviseerd door het reïntegratiebedrijf indien deze partij is geweest in de uitvoering van de trajectovereenkomst. ArtikelW004 Overzicht aangeboden reïntegratievoorzieningen (vervallen) Overzicht aangeboden reïntegratievoorzieningen Inhoud Externe expertise en Verzuimbegeleiding No Riskpolis Achmea Landschap en reïntegratie Ergo Control Thuiszorg De Friese Wouden Hulp in Huis Leerwerkplekken, tijdelijke en "definitieve" Direct Werk/Fase 1-klanten Detacheringsbanen Reïntegratietrajecten kort en lang Basisvaardighedentrajecten Loonkostensubsidie Kinderopvang Jongeren Scholing en Vorming Zorgtrajecten Sociaal activeringsplan
(0513)617 777 ma-vrij: van 08.00 uur tot 14.00 uur; na 14.00 uur op afspraak telefonisch van 08.00 tot 16.00 uur ArtikelB007 Overdrachtstermijn De overdrachtstermijn wordt niet verlengd. Hoofdstukrecht op bijstand ArtikelB012 Bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie KOSTEN BIJ GEZINSHERENIGING Algemeen Asielzoekers die toegelaten zijn als vluchteling (in het bezit van document II, verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, regulier) kunnen, na toestemming van het Ministerie van Justitie, hun echtgenoot en/of kind(eren) over laten komen. Als de gezinsleden hier eenmaal zijn, moeten zij zich in laten schrijven bij de gemeentelijke basisadministratie. Deze inschrijving is noodzakelijk voor de verstrekking van een sofi-nummer. Op grond van de geldende voorschriften kan pas na verstrekking van een sofi-nummer aan de gezinsleden, de bijstandsuitkering van de toegelaten vreemdeling (in het algemeen norm alleenstaande) worden aangepast. Aan de inschrijving bij de gemeentelijke basisadministratie zijn bepaalde kosten verbonden, waarvoor bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Kosten toegelaten vreemdeling bij gezinshereniging Voor inschrijving bij de gemeentelijke basisadministratie moet de toegelaten vreemdeling ( in het bezit van document II, verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, regulier) in het kader van de gezinshereniging hoge kosten maken: leges. Vrijstelling van legeskosten is niet mogelijk; vertalingen, verplicht gemaakt door een beëdigd vertaler, van relevante officiële documenten zoals trouwakte en geboortebewijzen. De kosten bedragen gemiddeld € 45,-- per pagina. Vertaalkosten van de asielzoeker De afdeling Burgerzaken stelt zwaardere eisen aan de inschrijving van personen met een vaste verblijfsvergunning, dan aan hen die met een tijdelijke verblijfsvergunning in Heerenveen wonen. Hierdoor krijgen asielzoekers en bezitters van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (VVTV), zodra zij erkend zijn als vluchteling of een vergunning tot verblijf of een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden krijgen, soms te maken met hoge vertaalkosten van persoonsdocumenten om zich te kunnen laten inschrijven bij de afdeling Burgerzaken. Bijzondere bijstand Aan deze toegelaten vreemdelingen kan voor de leges- en vertaalkosten, die zij moeten maken voor de inschrijving bij de gemeentelijke basisadministratie, bijzondere bijstand worden verstrekt. Aan andere migranten kan voor deze kosten geen bijzondere bijstand worden verstrekt, daar bij hen geen sprake is van een vluchtelingensituatie maar van een verblijf alhier uit (in hoge mate) vrije wil. Voor een vergunning tot gezinshereniging moeten zij beschikken over voldoende inkomsten (geen bijstandsuitkering). ArtikelB013 Bijstand voor vaste lasten woning gedetineerde Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het aanhouden van de woning tijdens detentie. Alleen ingeval van "zeer dringende redenen" kan hiervan worden afgeweken. Dit kan alleen plaatsvinden na een strikt individuele beoordeling. Uit beperkte jurisprudentie inzake artikel 16 WWB (voorheen artikel 11 Abw) volgt dat er dan sprake moet zijn "acute levensbedreigende omstandigheden". Hiervan zal in situaties van detentie geen sprake zijn, zodat in de praktijk de verlening van bijstand in geval van detentie vrijwel uitgesloten is. Eventueel met hulp van de reclassering, zal de gedetineerde zelf zorg moeten dragen voor het (kunnen) aanhouden van de woning door tijdige reservering voor deze kosten, het afsluiten van een lening of het tijdelijk (onder)verhuren van de woning. ArtikelB014 Bijstand voor reiskosten bezoek gedetineerde Reiskosten bezoek aan gedetineerde Algemeen In beginsel behoren de reiskosten tot de algemene bestaanskosten. Hieronder zijn ook begrepen de reiskosten voor regulier bezoek aan familieleden, zowel thuis als in een bejaardenoord alsmede het bijwonen van een begrafenis of crematie van een familielid. Voor afzonderlijke bijstandsverlening is in het algemeen geen plaats. Reiskosten die gemaakt worden voor bezoek aan verpleegden, verzorgden, uit huis geplaatste kinderen of gedetineerden, worden als bijzondere kosten beschouwd. Noodzaak De noodzaak wordt individueel vastgesteld. De reiskosten voor bezoek aan een gedetineerd gezinslid worden als in ieder geval als noodzakelijk beschouwd. Voorliggende voorziening Er is geen voorliggende voorziening voor deze kosten. Bijzondere bijstand voor de kosten van bezoek aan een gedetineerde De reiskosten worden vergoed op basis van openbaar vervoer. Indien men reist met de auto, dan bedraagt de kilometerprijs € 0,14 (per 1 september 2012, was € 0,13). De kosten worden vergoed na overleggen van bewijsstukken. Maximale frequentie De frequentie van de bezoeken is maximaal twee maal per maand voor twee personen. Bijzonderheden gedetineerden Aard delict De aard van het delict speelt geen enkele rol voor de bijstandverlening. Gedetineerd buiten Nederland Bij de bijzondere bijstandsverlening voor reiskosten in verband met bezoeken aan in het buitenland gedetineerden zal met het volgende rekening moeten worden gehouden: de beperking van de bijstandverlening tot de partner of een ander gezinslid als de partner niet in staat is om te reizen; er moet gebruik worden gemaakt van de goedkoopste vorm van vervoer. Heeft de gedetineerde geen echtgenoot, dan kan een eventueel gezinslid bijzondere bijstand voor deze reiskosten aanvragen. De frequentie voor bezoek aan in het buitenland gedetineerde gezinsleden ligt lager dan de boevengenoemde De kosten voor bezoek in het buitenland kunnen zo hoog zijn, dat het maximum per maand wordt overschreden. In dat geval kan incidenteel een hoger bedrag worden uitgekeerd onder het voorbehoud dat het maximum bedrag aan bijzondere bijstand per jaar niet wordt overschreden. Voor de verblijfskosten kan geen bijzondere bijstand worden verleend. ArtikelB015 Bijstand en het vervullen van alternatieve straffen Algemeen Onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden is het mogelijk een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf te vermijden door middel van het verrichten van alternatieve dienstverlening (taakstraf). Ontvangt de veroordeelde een uitkering met arbeidsverplichtende voorwaarden, dan dient de vraag zich aan of tijdens de periode waarin de alternatieve dienstverlening wordt verricht, het recht op uitkering blijft voortbestaan. Reële beschikbaarheid Dienstverlening als alternatieve straf hoeft bijstandverlening niet in de weg te staan, mits de reële beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet wordt aangetast. In deze situaties moeten drie aspecten worden beoordeeld: heeft de klant de arbeidsverplichting; voldoet de klant verder aan alle verplichtingen zoals die in de WWB worden gesteld; passen de werkzaamheden, die inzake de dienstverlening worden verricht, in het kader van de aan werklozen toegestane activiteiten. Geen belemmeringen De betreffende werkzaamheden mogen geen belemmering opleveren voor het verwerven van betaalde arbeid en voor het voldoen aan de daartoe opgelegde verplichtingen. In dat kader past ook een onderzoek door de gemeente van de mogelijkheden om de betreffende dienstverlening te verrichten tijdens de avonduren, in de weekeinden, of binnen het tijdsbestek van de aan de klant met behoud van uitkering toegestane vakantieperiode. Als de klant ervoor kiest om bijvoorbeeld vier weken te werken en besluit daarvoor geen vakantieaanvraag in te dienen, dan is hij niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt en dan is er geen recht op bijstand. Indien de klant de werkzaamheden niet naar behoren verricht kan de vrijheidsstraf alsnog ten uitvoer worden gelegd. Op het moment dat de klant wordt ingesloten is er geen recht meer op bijstand. ArtikelB016 Meldingsplicht studie Meldingsplicht bij studie Uitgangspunt is dat een studie van tevoren gemeld moet worden. Dit kan door middel van het mutatieformulier Naar aanleiding van de melding beoordeelt het college (de klantmanager) of het toestemming kan verlenen voor het volgen van die studie met behoud van uitkering. Middels een beschikking wordt de belanghebbende op de hoogte gesteld van de beslissing. Indien het college toestemming verleent wordt in de beschikking duidelijk omschreven waarvoor toestemming is verleend en onder welke voorwaarden. De belanghebbende dient binnen een maand na aanvang van de studie een bewijs van inschrijving van het opleidingsinstituut te overleggen. Uitgangspunt is dat iemand die een WWB-uitkering ontvangt, beschikbaar moet zijn voor algemeen geaccepteerde arbeid, dan wel voor reïntegratie-voorzieningen. Een door de cliënt gekozen studie past niet altijd bij dit uitgangspunt. Daarom: het (achteraf) melden via het eerste volgend mutatieformulier na aanvang kan dus tot gevolg hebben dat een reeds aangevangen studie gestaakt moet worden, indien dit de arbeidsinschakeling belemmert of als het een universitaire studie overdag betreft en de belanghebbende de arbeidsverplichtingen opgelegd geeft gekregen. ArtikelB017 Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland Vakantie/verblijf in het buitenland De afhandeling van aanvragen om toestemming voor verblijf in het buitenland gebeurt door de klantmanager. Voor klanten met een leeftijd van 60 jaar of ouder en klanten met de norm voor zak- en kleedgeld handelt de inkomensconsulent deze aanvragen af. Waar gesproken wordt over vakantie, wordt ook ieder ander verblijf in het buitenland bedoeld. Melding en beschikking De belanghebbende moet uiterlijk 4 weken voor het begin van de vakantie in het buitenland, hiervoor toestemming vragen. Dit kan door middel van een aanvraagformulier. Als de belanghebbende ingeschreven staat bij UWV Werkbedrijf, moet hij ook daar de vakantie melden. De belanghebbende krijgt het besluit op de aanvraag in de vorm van een beschikking. Op het aanvraagformulier meldt belanghebbende wanneer en hoe lang hij naar het buitenland gaat. De belanghebbende ontvangt het besluit op de aanvraag altijd in de vorm van een beschikking. Bij terugkomst De belanghebbende is verplicht op de eerste dag na terugkeer in Nederland zijn terugkomst te melden bij het college, in casu bij de gemeentelijke balie in WerkState. Belanghebbende dient zijn paspoort te overleggen en relevante reisbescheiden zoals bijvoorbeeld een vliegticket. Wanneer zich in die periode wijzigingen hebben voorgedaan dient belanghebbende tevens zijn mutatieformulier in te leveren. Niet tijdige terugkeer Alleen bij een tijdelijk verblijf in het buitenland kan (een deel van) de vakantieperiode worden doorbetaald. Een verblijf in het buitenland van meer dan 4 respectievelijk 13 weken, om welke reden dan ook, kan niet meer als tijdelijk worden beschouwd. De bijstand wordt derhalve na 4 c.q. 13 weken beëindigd. Na terugkeer kan belanghebbende opnieuw bijstand aanvragen. Vakantie aanvragen voor een langere periode moeten afgewezen worden. Bij te late terugkeer moet steeds toepassing van een maatregel overwogen worden. Zie hiervoor de “Maatregelenverordening” Hoofdstukmiddelentoets ArtikelB147 Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating Vrijlating inkomsten uit arbeid Van de inkomsten uit arbeid wordt 25% vrijgelaten, met een maximum van € 193,00 per maand, voor zover de cliënt algemene bijstand ontvangt en deze vrijlating naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling. De vrijlating mag gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden worden toegepast. De gemeente Heerenveen heeft nadere criteria gesteld om te kunnen bepalen of de vrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de cliënt. De volgende overwegingen liggen daaraan ten grondslag. Door het verrichten van arbeid in deeltijd doet de cliënt werkervaring op, went de cliënt aan een arbeidsritme, ervaart de cliënt wat zijn mogelijkheden zijn en maakt de cliënt bij eventuele sollicitaties een gemotiveerde indruk. Om die reden zal niet gauw kunnen worden geconcludeerd dat deeltijdarbeid niet bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling. Dit is anders als de cliënt al een recent arbeidsverleden heeft. Dan zal het verrichten van arbeid in deeltijd niet wezenlijk bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling. De gemeente Heerenveen heeft er daarom voor gekozen om als enig criterium voor het toepassen van de vrijlatingsregeling te hanteren dat de cliënt in de voorafgaande 12 maanden geen arbeid heeft verricht. Dit betekent dat: personen die vanuit werk in de uitkering komen, het eerste jaar niet in aanmerking kunnen komen voor de vrijlating; de cliënten die wisselend werk hebben niet steeds in aanmerking komen voor een korte periode vrijlatingsregeling: is de vrijlatingsregeling eenmaal in een maand toegepast, raakt hij daarna kortdurend werkloos en krijgt hij dan opnieuw een deeltijdbaan, dan komt hij niet opnieuw in aanmerking voor de vrijlating. Dit is een expliciete consequentie van de wetsbepaling: de vrijlating kan gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden worden toegepast. Dat betekent dat de zes maanden geen recht is, maar een maximum en dat bovendien de vrijlating aaneengesloten toegepast moet worden; ook de persoon die kortdurend volledig is uitgestroomd, weer in de uitkering terugkomt en vervolgens binnen een jaar deeltijdarbeid aanvaardt, dus niet in aanmerking komt voor toepassing van de vrijlatingsregeling. Gehuwden Bij gehuwden kan zich de situatie voordoen, dat beiden arbeid in deeltijd aanvaarden, (gedeeltelijk) gelijktijdig of volgtijdelijk. Het recht op de vrijlating wordt in dat geval per persoon vastgesteld. Dat wil zeggen dat per persoon wordt gekeken of hij het afgelopen jaar inkomsten uit arbeid heeft genoten. Uiteraard is het niet mogelijk de in de wet genoemde maximum vrijlating te overschrijden. Dat wil zeggen dat als de toegepaste vrijlating samen hoger uitkomt dan de maximale vrijlating, de vrijlating op dit bedrag wordt gemaximeerd. De vrijlatingsregeling geldt ook voor de Ioaw en Ioaz. Experiment alleenstaande ouders De gemeente Heerenveen doet mee aan het Experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB. Dit houdt in dat alleenstaande ouders met de volledige zorg voor kinderen tot 12 jaar recht kunnen hebben een vrijlating van inkomsten naast die op grond van art. 31 WWB. De vrijlating vindt plaats op grond van het Tijdelijk besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB, art. 3 eerste lid onder b. De hoogte van de vrijlating hangt af van het gemiddeld aantal per week verloonde uren en bedraagt maximaal € 120 per maand. Als de alleenstaande ouder gemiddeld over 12 uur per week loon ontvangt, bedraagt de vrijlating € 48 per maand. Voor elk uur dat de alleenstaande ouder meer of minder werkt dan 12 uur, wordt de vrijlating met € 4 verhoogd of verlaagd. Ook als de alleenstaande ouder per week gemiddeld minder dan 12 uur per week werkt, bestaat er recht op de vrijlating, naar rato van het aantal uren. (Het minimum van 12 uur per week geldt alleen voor de omvang van een eventueel dienstverband met de arbeidspool). In onderstaand tabel een aantal voorbeelden van combinaties van verloonde uren en de bijbehorende vrijlating. Alle tussenliggende aantallen uren kunnen uiteraard ook voorkomen. Gemiddeld aantal verloonde uren per week Vrijlating per maand 4 uur € 16 8 uur € 32 12 uur € 48 16 uur € 64 20 uur € 80 24 uur € 96 28 uur € 112 30 uur € 120 Samenloop van vrijlatingen In het Tijdelijk besluit over het experiment is geregeld dat andere inkomstenvrijlatingen en premies die de alleenstaande ouder tijdens het experiment ontvangt op de vrijlating in mindering moeten worden gebracht. De bedoeling hiervan is om samenloop van vrijlatingen en/of premies voor dezelfde inspanningen (lees: hetzelfde deeltijdwerk) te voorkomen, en ook de armoedevaleffecten die hiermee samenhangen. Het gaat hierbij om: a. de algemene inkomstenvrijlating (artikel 31, tweede lid, onderdeel o, WWB). Deze bedraagt 25% van de inkomsten uit arbeid, tot maximaal € 184 per maand; b. gemeentelijke premies in het kader van de arbeidsinschakeling, tenzij deze premies geen relatie hebben met de verwerving van inkomen in het kader van het experiment. Toelichting bij a: algemene inkomstenvrijlating Deze vrijlating bedraagt 25% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 184 en is daarmee altijd hoger dan de vrijlating in het kader van het experiment. De 'experimentvrijlating' valt in deze gevallen als het ware weg tegen de hogere algemene inkomstenvrijlating (komt niet tot uitbetaling). Deze algemene vrijlating geldt voor een periode van maximaal zes maanden. Na afloop van deze periode kan de alleenstaande ouders alsnog de experimentele vrijlating gaan ontvangen. Toelichting bij b: gemeentelijke premies in het kader van de arbeidsinschakeling Premies die de gemeente tijdens het experiment toekent aan de alleenstaande ouder in verband met het deeltijdwerk, moeten op de 'experimentvrijlating' in mindering worden gebracht. Als dat niet zou gebeuren zou de alleenstaande ouder twee keer een 'bonus' ontvangen voor dezelfde prestatie. Premies voor andere prestaties/inspanningen die geen verband houden met het deeltijdwerk (of de scholing) in het kader van het experiment, kunnen buiten beschouwing blijven. ArtikelB018 Wijze van korten inkomsten i.v.m. kamerhuurders/kostgangers Inkomsten uit kamerverhuur/kostganger De gemeente heeft geen beleid voor wat betreft de korting inkomsten ivm kamerhuurders/kostgangers. Overeenkomstig de Toeslagen- en verlagingenverordening wordt een korting op de toeslag toegepast. Bij vermoeden van bedrijfsmatig handelen zal een nader onderzoek hiernaar plaats moeten vinden. ArtikelB149 Vermogensvaststelling gedurende de periode van bijstandsverlening (vervallen) Vermogensvaststelling tijdens de bijstand Als tijdens de bijstandsperiode het vermogen toeneemt dient er een nieuwe vermogenberekening te worden gemaakt. Uitgangspunt is hierbij het vermogenssaldo van de laatste vaststelling (bij aanvang van de bijstand of vorig (her)onderzoek). Tel hierbij op de: + Ontvangsten die zijn genoten na het laatste besluit waarin het vermogenssaldo is vastgesteld; + Waardevermeerdering van bezittingen, voor zover het geen spaarvermogen is dat tijdens de uitkeringsperiode is ontstaan; + Aflossing van schulden sinds de laatste vaststelling; + Kwijtschelding van schulden sinds de laatste vaststelling. Daarvan wordt afgetrokken: - Nieuwe schulden sinds de vorige vaststelling, alleen als er sprake is van toename van het vermogen. ========================================================= Resultaat is een nieuw vermogenssaldo. Gevolgen van vermogensmutaties Indien het nieuwe vermogenssaldo lager is dan de actuele van toepassing zijnde vermogensgrens (artikel 34 lid 3 WWB) blijft er recht bestaan op algemene bijstand; zie ook B4.3.7.2). Is het nieuwe vermogenssaldo daarentegen hoger dan de vermogensgrens dan moet het college de algemene bijstand beëindigen. De belanghebbende zal eerst zijn vermogensoverschot moeten interen voordat er weer recht op algemene bijstand ontstaat (zie B4.3.10). Ontvangsten sinds de vorige vaststelling Als de belanghebbende tijdens de bijstandsverlening vermogen ontvangt, dan moet het college dit ontvangen vermogen meenemen bij het bepalen van het nieuwe vermogenssaldo, voor zover dit niet is vrijgelaten. Belangrijke voorbeelden van ontvangen vermogen zijn: Het ontvangen van een gift die niet geheel of gedeeltelijk wordt vrijgelaten (zie over een eventuele vrijlating hiervan ook B4.1.3.12); Het ontvangen van een erfenis. Het ontvangen van een uitkering krachtens een (levens)verzekering (zie CRvB 18-02-2003, nr. 00/2982 NABW). Het winnen van een prijs. Zie over vrijgelaten vermogen ook B4.3.7 en B4.3.8. Aflossing en kwijtschelding van schulden Schulden worden bij de vaststelling van het vermogen alleen meegenomen indien het feitelijk bestaan ervan aantoonbaar is en er een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting aan vast zit (zie B4.3.5.1). In bovenstaande systematiek leiden schulden per saldo tot een verruiming van de vermogensvrijlating. Keerzijde van de medaille is dat aflossing en kwijtschelding van schulden leidt tot een hoger vermogen en daarmee tot een lager restant van de vermogensvrijlating. Het niet meenemen van aflossing en kwijtschelding van schulden zou belanghebbenden met schulden blijvend bevoordelen ten opzichte van belanghebbenden zonder schulden. Dit is onbillijk en niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Nieuwe schulden sinds de vorige vaststelling Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat er in de WWB, mede op grond van jurisprudentie over de Abw, voor gekozen is om rekening te houden met schulden ongeacht of die bij aanvang van de bijstand aanwezig zijn, dan wel tijdens de bijstandsverlening zijn ontstaan (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 61-64 en TK 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 10 alsmede CRvB 02-05-2000, nr. 98/5326 NABW en CRvB 02-01-2001, nr. 99/373 NABW). Door in bovenstaande systematiek bij de bepaling van het vermogenssaldo tijdens de bijstand nieuwe schulden (d.w.z. schulden die na aanvang van de bijstandsverlening zijn ontstaan) in mindering te brengen op het vorige vermogenssaldo wordt bereikt dat schulden die tijdens de bijstandsverlening ontstaan exact hetzelfde effect hebben op het vermogenssaldo (en daarmee op het recht op bijstand) als schulden die reeds bij aanvang bestaan. Bestedingen/interen Besteding van/interen op contant geld of geld dat op bank- en spaarrekeningen staat heeft tijdens de bijstand geen invloed op het vermogenssaldo. Met andere woorden: een daling van het banksaldo na aanvang van de bijstand leidt niet tot een daling van het vermogen. Zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 61-64 en TK 2002-2003, 28 870, nr. 13, p. 167-168. Negatief vermogenssaldo De vaststelling van het vermogen geschiedt zowel bij aanvang als tijdens de bijstandsverlening door het maken van een optelsom van positieve en negatieve vermogensbestanddelen. Indien de negatieve bestanddelen groter zijn dan de positieve is de uitkomst negatief. Een negatief vermogenssaldo is dus gewoon mogelijk. Het kan het beste worden vergeleken met een negatief banksaldo. Een negatief vermogenssaldo betekent dat er recht op bijstand blijft bestaan zolang de som van de vermogensmutaties kleiner is dan het verschil tussen het negatieve vermogen en de toepasselijke actuele vermogensgrens. Zie ook onderstaande voorbeelden. Rapportage en beschikking Uit de rapportage zal moeten blijken op welke wijze het vermogenssaldo is vastgesteld. Daartoe zal de berekening opgenomen moeten worden onder verwijzing naar bewijsstukken. Indien het vermogenssaldo lager is dan de toepasselijke actuele vermogensgrens bestaat er recht op bijstand. In de beschikking kan dan worden volstaan met vermelding van het vermogenssaldo en de van toepassing zijnde vermogensgrens. Een weergave van de vermogensberekening kan achterwege blijven aangezien het college vaststelt dat er recht op bijstand bestaat. Pas indien als gevolg van vermogensmutaties het vermogenssaldo boven de vermogensgrens uitkomt, zal het college inzage moeten geven in de wijze waarop het vermogenssaldo berekend is. In deze situatie moet een gespecificeerde berekening van het vermogenssaldo in de beschikking worden opgenomen. Voorbeeld 1 Bij aanvang van de algemene bijstand bedraagt het vermogen van het gezin Jakobse € 4.500,--, opgebouwd uit een auto van € 3.500,-- en een spaarrekening met een saldo van € 1.000,--. De toepasselijke vermogensgrens bedraagt bij aanvang € 9.950,--. Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand. Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van € 9.000,--. De actuele vermogensgrens bedraagt inmiddels € 10.250,--. De vermogensmutatie tijdens de bijstand is € 9.000,--. De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 13.500,-- (€ 4.500,-- plus € 9.000,--). Dit bedrag is hoger dan de actuele vermogensgrens. Het college moet de algemene bijstand beëindigen. Voorbeeld 2 Bij aanvang van de bijstand bedraagt het vermogen van het gezin Jakobse € 4.500,--, opgebouwd uit een auto van € 3.500,-- en een spaarrekening met een saldo van € 1.000,--. De toepasselijke vermogensgrens bedraagt bij aanvang € 9.950,--. Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand. Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van € 9.000,--. Bovendien is er een schuld ontstaan van € 6.000,--. De actuele vermogensgrens bedraagt inmiddels € 10.250,--. De vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 3.000,-- (€ 9.000,-- minus € 6.000,--). De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 7.500,-- (€ 4.500,-- plus € 3.000,--). Dit bedrag is lager dan de actuele vermogensgrens. Er bestaat nog steeds recht op algemene bijstand. Het restant van het vrij te laten vermogen bedraagt € 10.250,-- minus € 7.500,-- = € 2.750,--. Voorbeeld 3 Bij aanvang van de bijstand bedragen de schulden van het gezin Jacobse meer dan de bezittingen. Er is een negatief vermogen van € 20.000,--. Het vrij te laten vermogen wordt niet aangesproken. Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand. Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van € 25.000,--. De actuele vermogensgrens bedraagt op dat moment € 10.250,--. De vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 25.000,--. De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 5.000,-- (- € 20.000,-- plus € 25.000,--). Dit bedrag is lager dan de actuele vermogensgrens. Er bestaat nog steeds recht op algemene bijstand. Het restant van het vrij te laten vermogen bedraagt € 10.250,-- minus € 5.000,-- = € 5.250,--. De in de voorbeelden genoemde bedragen dienen enkel ter illustratie. Zie de overzichtspagina voor links naar de overige actuele bedragen en historische bedragen. Verantwoording systematiek Bovenstaande systematiek betreft een op de praktijk toegesneden uitleg van artikel 54 WWB. De wet en de toelichting op de wet spreken elkaar hierin soms tegen. De gekozen systematiek probeert zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bedoeling van de wetgever, in het bijzonder ten aanzien van de beoogde omgang met schulden die zijn ontstaan na aanvang van de bijstandsverlening. ArtikelB019 Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling Omdat bij een achterafbetaling van loon of uitkering, het inkomen van de voorafgaande maand bestemd is voor het levensonderhoud van de lopende maand, kan dit (gedeeltelijk) worden vrijgelaten. Deze vrijlating bedraagt echter nooit meer dan: het positieve saldo van de bank- of girorekening; dat tegelijkertijd niet hoger is dan het bedrag van de toepasselijke maandnorm. Let op dat hierbij het "vermogen" niet meegenomen wordt dit is namelijk vastgelegd in het vermogendsaldo. ArtikelB020 Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating Vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlaging Uitgangspunt is dat het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. In één situatie kan van deze hoofdregel worden afgeweken, te weten: als de aanvrager verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure of indien er sprake is van een verlating, en; als de aanvrager slechts kan beschikken over een vermogen dat minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens. In dat geval kan gewacht worden met de vermogensvaststelling totdat de boedelscheiding een feit is. In de toekenningsbeschikking moet dan de mededeling worden opgenomen dat het vermogen na afwikkeling van de echtscheiding wordt vastgesteld en dat bij overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens de teveel betaalde bijstand zal worden teruggevorderd (artikel 58 lid 1 WWB). Indien het meteen duidelijk is dat het vermogen na de boedelscheiding boven de vermogensgrens uitkomt, maar belanghebbende in afwachting van de boedelscheiding niet kan beschikken over een vermogen boven de vermogensgrens, kan bijstand in de vorm van een geldlening worden verstrekt (zie ook paragraaf B9.3 onderdeel 2.1). Voorbeeld Annelies vraagt bijstand aan. Tijdens het intakegesprek blijkt dat Annelies gaat scheiden van haar man Kees. Annelies en Kees beschikken over een huis met een waarde van € 150.000,00 waarop een hypotheek rust van € 110.000,00. Daarnaast is er een spaarrekening met een saldo van € 12.000,00. Afgesproken is dat Kees in het huis blijft wonen. Annelies kan over het volledige spaartegoed beschikken. De aanvraag om bijstand moet worden afgewezen. Nu Annelies kan beschikken over een vermogen dat ruim boven de voor haar geldende vermogensgrens ligt, is het niet nodig om de vermogenstoets uit te stellen tot na de afwikkeling van de echtscheiding. Indien er geen spaarrekening was geweest kon de aanvraag worden toegewezen met uitstel van de vermogenstoets. ArtikelB021 Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente Bij overname van een belanghebbende uit een andere gemeente stelt het college het vermogen en de toepasselijke vermogensgrens opnieuw vast. Artikel 40 lid 1 WWB bepaalt namelijk dat het recht op bijstand geldt jegens het college van de gemeente waar belanghebbende woonplaats heeft. Daardoor moet bij verhuizing naar een andere gemeente bijstandsuitkering in de oude gemeente beëindigd worden en moet de belanghebbende een nieuwe aanvraag indienen bij het college van de nieuwe gemeente. Gezien de algehele verantwoordelijkheid van het college voor de uitvoering van de WWB, is het college dus ook verantwoordelijk voor het vaststellen van het vermogen van belanghebbende bij de aanvraag voor bijstand. ArtikelB022 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm De wijze waarop bij wijzigingen in de gezinssamenstelling het bescheiden vrij te laten vermogen wordt vastgesteld, is niet in de WWB geregeld. Een redelijke oplossing wordt bereikt door in dat geval de vermogensvrijlating als volgt vast te stellen: bij de overgang van de alleenstaande- naar de gehuwdennorm geldt als vrijlating de som van de vrijlating, die voor ieder van de partners geldt. Was slechts één van beide partners bijstandsgerechtigd, dan kan de ten aanzien van hem vastgestelde vrijlating worden verhoogd met het vrijlatingsbedrag dat, op het moment van de normwijziging, voor een alleenstaande geldt; bij gehuwden met een bijstandsuitkering die uit elkaar gaan wordt de vastgestelde vermogensvrijlating over beiden verdeeld; bij een wijziging van de norm alleenstaande in de norm alleenstaande ouder kan aan de vastgestelde vrijlating het vrijlatingsbedrag dat, op het moment van de normwijziging, voor een alleenstaande geldt, worden toegevoegd; bij een wijziging van de norm alleenstaande ouder in de norm alleenstaande, wordt de vrijlating gesteld op het vrijlatingsbedrag dat, op het moment van de normwijziging, voor een alleenstaande geldt. ArtikelB023 Beleid inzake korten voorlopige teruggave Voorlopige teruggaaf heffingskortingen van de Belastingdienst Ontvangen bedragen aan teruggave en voorlopige teruggave worden gekort, voorzover deze betrekking hebben op een periode waarin bijstand wordt verleend. Indien de cliënt recht heeft op een voorlopige teruggave van heffingskortingen, dient deze onmiddellijk te worden verwezen naar de Belastingdienst om de aanvraag in te dienen. Bij de berekening van de uitkering wordt direct rekening gehouden met dit inkomen ook al ontvangt de cliënt het nog niet. Het is tenslotte een middel waarover hij kan beschikken (artikel 31 lid 1 WWB). ArtikelB024 Vrijlaten giften Giften Giften en andere dan de bij ministeriële regeling aangewezen vergoedingen voor materiële en immateriële schade (artikel 31 lid 2 onder l WWB) worden in beginsel geheel vrijgelaten, tenzij deze zijn bestemd voor de kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen (lees: kosten van levensonderhoud). ArtikelB025 Spaarloon (vervallen) Spaarloon Bij aanvraag Als een cliënt deelneemt aan een spaarloonregeling moet het netto-inkomen worden gecorrigeerd, aangezien dan een lager inkomen wordt ontvangen, dan wanneer van deelname afgezien wordt. Als inkomen wordt in aanmerking genomen het feitelijk ontvangen nettoloon volgens de loonstrook plus het nettobedrag aan spaarloon. Het nettospaarloon wordt berekend door het brutobedrag van het ingehouden spaarloon te verminderen met het geldende percentage van de loonheffing. De cliënt is niet verplicht om de spaarloonregeling voort te zetten. Hij kan te allen tijde de maandelijkse inleg beëindigen. Het opgebouwde saldo blijft ter beschikking van de cliënt en moet bij de vermogensvaststelling bij aanvraag als vermogen in aanmerking genomen worden. Tijdens de bijstandsperiode Komt het spaarloon vrij tijdens de bijstandsperiode en is het inkomen steeds op de juiste wijze berekend, dan kan het deel dat tijdens de bijstandsperiode is gespaard vrijgelaten worden. Het is mogelijk om het opgebouwde tegoed van de spaarloonregeling aan te wenden voor een lijfrente of pensioenvoorziening. Wanneer de spaaropbrengsten als lijfrentepremie worden aangewend voor een aanvullend pensioen of een pre-pensioneringsinkomen, is die lijfrentepremie aftrekbaar in het kader van de inkomstenbelasting. Dit kan leiden tot een teruggave van belasting, Dit zou dan bij de bijstand als middelen in aanmerking moeten worden genomen en derhalve naar de gemeente dienen terug te vloeien. Achteraf gezien is bij het bepalen van de aanvullende bijstand immers van een lager netto inkomen uitgegaan. Dit is niet aan de orde bij de Ioaw en Ioaz omdat die een bruto verrekeningssystematiek kennen. Er is een verschil tussen bijstand, waarbij wordt uitgegaan van een bestaansbehoefte en de Ioaw/Ioaz, die inkomensvoorzieningen zijn met daaraan gekoppeld een beperkte middelentoets, Vanwege dit verschil is er geen aanleiding de belastingteruggave als gevolg van de lijfrentepremie buiten beschouwing te laten bij de inkomenstoets in de bijstand. ArtikelB026 Ex-partner betaalt woonkosten Betaling kosten eigen woning Betaalt de (ex)-echtgenoot, voordat de boedelscheiding heeft plaatsgevonden, de kosten van de koopwoning, dan wordt dat bedrag beschouwd als alimentatie tot maximaal het bedrag dat in de norm is begrepen voor woonkosten. Aflossing van de hypotheek telt niet mee in dit bedrag. Woonkostentoeslag is niet van toepassing. Na de boedelscheiding moeten door de ex-echtgenoot betaalde bedragen, voor zover zij als middelen aangemerkt worden, volledig als inkomen worden aangemerkt. Huurbetaling Betaalt een derde (bijvoorbeeld de ex-echtgenoot) de huur, dan wordt de cliënt geacht geen woonlasten te hebben. De norm c.q. de toeslag wordt in die zin aangepast. ArtikelB027 Waarde auto bij vermogensvaststelling Algemeen gebruikelijk Op grond van artikel 34 lid 2 onder a WWB worden niet alleen bezittingen in natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn, niet als vermogen aangemerkt, maar ook bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn. Het college vindt: motorvoertuigen zoals auto’s en motoren, vaartuigen en caravans met een waarde tot € 2.492,-- algemeen gebruikelijk (bedrag per 1-1-2009). Indien de waarde het bedrag van € 2.492,-- overstijgt, wordt het meerdere als vermogen aangemerkt. Motorvoertuigen van zeven jaar en ouder worden geacht minder waard te zijn dan € 2.492,-- tenzij de werkelijke waarde aanzienlijk hoger is. De waarde van een auto tot 7 jaar oud wordt indien nodig bepaald aan de hand van de inkoopwaarde volgens de ANWB/BOVAG-koerslijst. De gemeente heeft een abonnement op de koerslijst, die is te raadplegen via de cd-rom (op het netwerk) of op papier (bij de kwaliteitsmedewerkers). ArtikelB028 Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling Vermogen voor begrafenis of crematie Vermogen dat is bestemd voor begrafenis- of crematiekosten en dat wordt vastgezet op een depositorekening kan buiten beschouwing worden gelaten als: het te storten bedrag, verminderd met de waarde van begrafenisverzekeringen, niet hoger is dan het hieronder genoemde bedrag; het op de rekening te storten bedrag uitsluitend is bestemd voor de kosten van de uitvaart en overigens uitsluitend bij emigratie opgenomen kan worden. Vrij te laten vermogen voor begrafenis- en crematiekosten per 1-1-2010: alleenstaande € 3.423 gehuwden/alleenstaand ouder € 6.845 Bedragen per 1-1-2009: alleenstaande € 3.379,-- gehuwden € 6.757,-- Hoofdstukverplichtingen, afstemming en bestuurlijke boete ArtikelB029 Inschrijving bij uitzendbureaus Het college legt hiervoor geen specifieke verplichtingen op. ArtikelB030 Beleidsregels ontheffing arbeidsplicht Ontheffing en afstemming van de arbeidsplicht Zie voor de integrale tekst van het Ontheffings- en afstemmingsbeleid GB 23 , in die gemeentelijke bijlage staat ook een verkorte versie in een tabel. Hieronder staat een samenvatting van het beleid. Inhoud Ontheffing en afstemming van de arbeidsverplichten Toetsingskader algemeen Beperkingen wegens gezondheid en belastbaarheid Alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar Mantelzorgers (alleenstaande ouders met een gehandicapt kind tot 18 jaar) Overige mantelzorgers Arbeidsplicht 57,5 jarigen en ouder Dualiteit Uitvoeringsafspraak: ontheffing van welke verplichting(
- en)1. Ontheffing en afstemming van de arbeidsverplichten Voor het gros van de cliënten voldoet het reïntegratiebeleid. In individuele gevallen en onder bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het beleid om de effectiviteit van een reïntegratieactiviteit te vergroten. De wet maakt onderscheid tussen ontheffing en afstemming van arbeidsverplichtingen. Ontheffing: het op grond van dringende redenen in individuele gevallen het tijdelijk niet van toepassing verklaren van de arbeidsverplichtingen voor de betreffende cliënt; (zorgtaken kunnen een dringende redenen worden aangemerkt) kan ook worden verleend als er geen voorziening als bedoeld in art. 7 eerste lid van de Reïntegratieverordening is te treffen; is altijd hooguit voor de duur van één jaar tenzij er sprake is van het ontbreken van een voorziening zoals in bovenstaand lid beschreven; een dergelijk besluit wordt altijd op individuele gronden genomen, jaarlijks wordt beoordeeld of sprake is van dringende redenen. Afstemming: als de bijzondere omstandigheden van de cliënt hiertoe aanleiding zijn kunnen de arbeidstoeleidingsvoorzieningen en de op te leggen verplichtingen die hiermee verbandhouden worden afgestemd op de mogelijkheden die op dat moment aanwezig zijn. Bij het beoordelen van een afstemmings- of ontheffingsverzoek wordt een toetsingskader toegepast. Aanvullende bepalingen gelden voor : mensen met vastgestelde psychische of medische beperkingen, alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar, alleenstaande ouders met gehandicapte kinderen tot 18 jaar, mantelzorgers en ouderen 2. Toetsingskader algemeen (in acht te nemen bij de boordeling van een verzoek tot afstemming of ontheffing van de reïntegratie- of arbeidsplicht): voor iedere uitkeringsgerechtigde, ongeacht leefsituatie, wordt gestreefd naar economische zelfstandigheid; medische belemmeringen, de zorg voor jonge of gehandicapte kinderen of een andere persoon zijn als zodanig geen aanleiding voor afstemming of ontheffing van de arbeidsplicht en/of de reïntegratieplicht; alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar: de onderzoeksplicht van het college naar de randvoorwaarden is alleen aan de orde als de in deze doelgroep vallende klant algemene arbeid niet aanvaardt, dan wel het voornemen heeft dit niet te doen. In alle andere gevallen moet de klant zelf voor de juiste randvoorwaarden zorgen om aan de verplichtingen te kunnen voldoen; Het college honoreert uitsluitend een afstemmings- of ontheffingsverzoek als het zich heeft vergewist van: o het feit dat de wens van de klant gekoppeld is aan een specifieke, bijzondere situatie, en o het feit dat de klant naar vermogen heeft getracht de juiste omstandigheden te creëren om aan diens uitkeringsgerelateerde verplichtingen te voldoen maar hierin niet is geslaagd; o dat de klant geen aanspraak kan maken op andere voorzieningen om de mogelijkheid om deel te nemen aan een reïntegratietraject dan wel het aanvaarden van een baan, te vergroten; (Gedacht kan worden aan het persoonsgebonden budget (inkoop van zorg) dan wel het aanbieden van een zorgtraject o.g.v. de reïntegratieverordening) afstemming gaat voor ontheffing: ontheffing wordt uitsluitend verleend als onverkorte handhaving van de verplichtingen via afstemming daarvan op de situatie van de uitkeringsgerechtigden nog steeds bezwaarlijk is; ontheffing of afstemming van de reïntegratie- en/of de arbeidsverplichtingen is altijd tijdelijk en wordt eens elk jaar opnieuw beoordeeld; ontheffing mag niet resulteren in langdurige afhankelijkheid van de uitkering en/of het vergroten van de afstand tot de arbeidsmarkt; Bij afstemming of ontheffing wegens medische beperkingen mag de termijn van ontheffing verlengd worden als op grond van een externe medische diagnose of beoordeling een langere termijn voor afstemming of ontheffing wordt geadviseerd (altijd na overleg met/toetsing door kwaliteitsmedewerker); Er mag nooit sprake zijn van ontheffing of afstemming voor onbepaalde tijd. 3. Beperkingen wegens gezondheid en belastbaarheid Geeft de klant aan dat het (aangeboden) werk of de (aangeboden) voorziening niet aansluit bij zijn mogelijkheden in verband met gezondheid en belastbaarheid, dan vult de klantmanager de eigen diagnose aan met externe medische/arbeidskundige diagnostiek. Uit de diagnose blijkt welke de mogelijkheden van de klant zijn, wat zijn belastbaarheid is en welke extra voorzieningen mogelijke inzet kunnen worden om de belanghebbende alsnog en onverkort te kunnen laten voldoen aan zijn of haar arbeids- en/of reïntegratieverplichting (bijvoorbeeld via zorgtraject). De inhoud van het trajectplan wordt zoveel afgestemd op de uitkomsten van de diagnose. Ook hier is sprake van jaarlijkse herbeoordeling tenzij op grond van de externe medische diagnose anders wordt geadviseerd (toetsing door kwaliteitsmedewerker). 4. Alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar Voor deze groep gelden alleen bijzondere bepalingen ten aanzien van de verplichting tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Geeft de alleenstaande ouder aan vanwege zorgtaken, aangeboden werk niet aanvaard te hebben of niet te zullen aanvaarden, moet het college onderzoeken of aan een aantal voorwaarden is voldaan, te weten: Passende kinderopvang incl. tussen- en buitenschoolse opvang Dit is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de belanghebbende. Zijn er via de reguliere weg (tijdelijk) geen mogelijkheden en onderzoek door de klantmanager bevestigt dit en er kan geen adequate alternatieve voorziening aangeboden worden, dan rechtvaardigt dit het weigeren van een aangeboden baan. De aansluiting op schooltijden (rekening houden met reistijd en werktijden) Als één of meerdere kinderen extra zorg behoeven, dan dient een externe deskundige deze zorgbehoefte indiceren. Kan de gemeente geen passende oplossing bieden, hetzij vanuit de reïntegratieverordening hetzij met een andere voorziening, dan is het niet-aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid gelegitimeerd. In dat geval is dan dus vastgesteld dat uitsluitend de ouder zelf in staat is de juiste zorg voor het kind te bieden. Aanwezigheid van voldoende scholing. Uitgangspunt hierbij is dat er, gelet op de belastbaarheid van de betrokkene, een zodanig scholingsniveau wordt gerealiseerd dat er met een deeltijdbaan onafhankelijkheid van de bijstand kan worden verworven. Het moet uiteindelijk voor een alleenstaande ouder mogelijk zijn d.m.v. een parttime baan arbeid en zorg te combineren. Rekening houdend met fiscale toeslagen kan een alleenstaande ouder zich met een arbeidscontract van 28 uur per week een inkomen verwerven dat hoger is dan de geldende bijstandsnorm (uitgaande van het wettelijk minimumloon). De klant mag een baan met een grotere omvang van 28 uur in eerste instantie niet weigeren. Voert de klant de zorgtaak aan als weigeringsgrond dan gelden dezelfde overwegingen ten aanzien van zorgbehoefte als onder 2. Voor wat betreft de reïntegratie- en sollicitatieplicht gelden voor alleenstaande ouders geen bijzondere bepalingen. Het algemene toetsingskader is onverkort van toepassing. 5. Mantelzorgers (alleenstaande ouders met een gehandicapt kind tot 18 jaar) Als de betreffende ouder een zorgwens heeft ten aanzien van een inwonend gehandicapt kind tot 18 jaar, kan de gemeenet ontheffing verlenen voor de plicht tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. 6. Overige mantelzorgers De gemeente verleent alleen ontheffing of afstemming aan een klant die zorg verleent aan familieleden in de eerste of tweede graad. Het besluit moet gebaseerd zijn op het onderstaande toetsingskader: In beginsel geen ontheffing van de plicht tot aanvaarden van werk. Wel afstemmen op de situatie van de mantelzorger. Streven naar een combinatie van de mantelzorg en (parttime) werk. Idem voor de sollicitatieplicht. In het oordeel meewegen of de zorgbehoevende aanspraak kan maken op andere voorzieningen, gelijkwaardig aan de zorg van de mantelzorger In beginsel duurt de afstemming of ontheffing niet langer dan een jaar, langere duur alleen bij uitzondering (toetsing door kwaliteitsmedewerkers). In beginsel geen ontheffing van de reïntegratieplicht, afstemming is wel mogelijk Een indicatie voor ontheffing van de arbeidsplicht is er als de zorgbehoevende is aangewezen op permanente zorg en aandacht van de mantelzorger en dat aanvaarden van arbeid door de mantelzorger ertoe zou leiden dat de zorgbehoevende in kwestie raakt aangewezen op permanente intramurale zorg (een gezinsvervangend tehuis, verpleeghuis, instelling voor wonen en zorg). 7. Arbeidsplicht 57,5 jarigen en ouder (nieuwe klanten) Geen categoriale ontheffing meer. Artikel 9 lid 1 WWB geldt ook voor deze categorie. Bij een verzoek tot afstemming of ontheffing past de gemeente het algemene toetsingskader toe (zie boven). Arbeidsplicht 57,5 jarigen en ouder (zittend bestand) De kansen op werk voor het zittende bestand van 57,5 jarigen en ouder zijn op dit moment niet groot. Het is daarom voor deze categorie niet wenselijk en niet noodzakelijk dat de gemeente hen intensief gaat controleren op het nakomen van de arbeidsverplichtingen, als de kansen op betaalde arbeid zeer gering of niet aanwezig zijn. De gemeente kan daarom voor het zittende bestand volstaan met een zorgvuldige, eenmalige individuele beoordeling of voor deze persoon perspectief bestaat op betaalde arbeid. Indien echter al tijdens deze eerste beoordeling geconcludeerd wordt dat de afstand tot de arbeidsmarkt nauwelijks meer valt te overbruggen met de voorzieningen die de gemeente in de reïntegratieverordening heeft vastgesteld, geldt de volgende werkwijze: Er kan worden volstaan met een ontheffing van de reïntegratieverplichting en de sollicitatieplicht, na toetsing door één van de kwaliteitsmedewerkers. De verplichting algemeen geaccepteerd werk te aanvaarden indien dat wordt aangeboden, blijft echter onverkort bestaan. De verplichting zich als werkloos werkzoekende te laten inschrijven bij het CWI, blijft eveneens bestaan (zij het vanwege registratiedoeleinden). Maatschappelijke participatie in de vorm van vrijwilligerswerk en/of mantelzorg zijn dan alternatieven. De oudere wordt, daar waar mogelijk, gestimuleerd zich in te zetten voor maatschappelijk nuttige activiteiten. (Richtlijn o.a. ontleend aan de verzamelbrief SZW van december 2003) Zijn er wel kansen, dan maken we met de klant afspraken over hoe deze kansen te benutten. 8. Dualiteit De gemeenten beogen met het nieuw vastgestelde beleid meer dualiteit (werk in combinatie met vorming) aan te brengen in de reïntegratietrajecten die worden aangeboden aan uitkeringsgerechtigden. Vanuit die visie wordt in alle andere dan hierboven genoemde gevallen, geen ontheffing verleend van de arbeidsplicht voor de duur van het reïntegratietraject. De klantmanager stelt vast, in overleg met het reïntegratiebedrijf, hoe, wanneer en in welke mate aan de arbeidsplicht gedurende een reïntegratietraject, inhoud wordt gegeven. Dit geldt ook voor personen die een inburgeringstraject in het kader van de WIN volgen: men wordt niet ontheven van de arbeidsplicht, maar in de toepassing ervan wordt uiteraard rekening gehouden met het inburgeringsprogramma. Dualiteit in het traject voor deze groep heeft eveneens een positief effect op de kwaliteit van het programma. 9. Uitvoeringsafspraak: ontheffing van welke verplichting(
- en)In het verleden werd vrijwel nooit ontheffing van de plicht tot inschrijving bij het CWI gegeven, o.a. om redenen van registratie. De WWB geeft wel de mogelijkheid tot ontheffing van deze plicht. Interne afspraak is dat bij een ontheffing van een jaar of korter, de plicht tot inschrijving bij het CWI opgelegd blijft. Bij een langere ontheffing kan hiervan afgeweken worden na afweging van de individuele omstandigheden van de cliënt. Hierover wordt dus een expliciet besluit genomen. ArtikelB031 Betekenis "onverwijld uit eigen beweging" in artikel 17 lid 1 WWB Onverwijld en uit eigen beweging Het begrip onverwijld is in de wet niet verder ingevuld. Volgens het woordenboek van Van Dale betekent het "zonder uitstel, dadelijk of meteen" In ieder geval is tijdig en behoorlijk aan de informatieplicht voldaan als de belanghebbende een wijziging opgeeft op het mutatieformulier, dat betrekking heeft op de periode waarin de wijziging zich heeft voorgedaan. Wanneer het mutatieformulier niet meer tijdig kan worden ingeleverd, is de melding in ieder geval “onverwijld”, als dit gebeurt binnen twee weken nadat een feit of een omstandigheid, die van invloed kan zijn op het recht op de hoogte van de uitkering of de arbeidsinschakeling, zich heeft voorgedaan dan wel de cliënt wist of kon weten dat een wijziging zich zou gaan voordoen. ArtikelB032 Belanghebbende beschikt niet meer over bewijsstukken Verwijtbaarheid ontbreken bewijsstukken De cliënt dient, nadat hij hierover is geïnformeerd, alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor het beoordelen van het recht op bijstand of noodzakelijk is voor de arbeidstoeleiding. Het overleggen van relevante bewijsstukken maakt deel uit van de informatieplicht. Uitgangspunt hierbij is dat de cliënt over alle opgevraagde bewijsstukken dient te kunnen beschikken dan wel hierover (alsnog) kan beschikken door deze, op eigen initiatief en voor eigen rekening, op te vragen. Indien de cliënt de gevraagde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig verstrekt wordt de mate van verwijtbaarheid altijd individueel beoordeeld. Op grond van het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van de gevraagde bewijsstukken, binnen de daarvoor gestelde termijn, dient een rapportage te worden opgemaakt waarop het college op grond van de feiten en omstandigheden kan besluiten tot: het buiten behandeling stellen van de aanvraag met in achtneming van artikel 4:5 Awb (zie B2.1.8 of, het opschorten van de bijstand op grond van artikel 54 WWB (zie B5.4.3.2). ArtikelB033 Periode over te leggen bankafschriften Periode te overleggen bankafschriften Bij aanvraag en overige onderzoeken (te denken valt aan hoogwaardig handhaven) is de belanghebbende verplicht van alle bank-, giro-, krediet-, creditcard-, spaar- en effectenrekeningen (van alle gezinsleden) alle afschriften te overleggen die betrekking hebben op de periode van 3 maand voorafgaande aan de datum van de aanvraag of de periode waarop het onderzoek betrekking heeft. Bij gerichte individuele fraude-onderzoeken kan deze periode worden verlengd. ArtikelB034 Procedure inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring Wanneer mutatieformulier inleveren Bij ongewijzigde omstandigheden is het niet noodzakelijk maandelijks een inkomstenverklaring/ROF in te leveren. Belanghebbenden moeten wel bij wijziging van persoonlijke of financiële omstandigheden de relevante inlichtingen vermelden op het Mutatieformulier. Dit formulier dient op de uiterste inleverdag van de maand waarop de mutatie betrekking heeft, te worden ingeleverd bij Werk & Inkomen. Werkwijze: In principe worden alle uitkeringen betaalbaar gesteld, tenzij via een mutatieformulier duidelijk is dat de betaling opgeschort moet worden. Uitzondering: cliënten van wie bekend is dat zij wisselende inkomsten hebben. Deze cliënten moeten maandelijks een mutatieformulier inleveren. Hun uitkering wordt niet betaalbaar gesteld tenzij het mutatieformulier is ingeleverd. Deze klanten krijgen automatisch maandelijks een formulier toegestuurd. UA geeft in GWS4ALL aan welke cliënten wel of niet maandelijks een formulier in moeten leveren, en bewaakt ook de verdere verwerking. UA beoordeelt, in overleg met de inkomensconsulent of klantmanager, of deze cliënten wel of niet maandelijks een formulier moeten inleveren. Schema: wie moet maandelijks inleveren? Mutatieformulieren worden in eerste instantie ontvangen door de medewerker van de Uitkeringsadministratie. De UA-medewerker verwerkt de mutatie voorzover deze op UA-gebied ligt. Bij verhuizing wijzigt de UA-medewerker de NAW-gegevens. De UA-medewerker zorgt er altijd voor dat de cliënt een nieuw mutatieformulier ontvangt. Een nieuw formulier kan uit GWS gegenereerd worden als vrij document. Mutatieformulieren die UA niet kan verwerken, gaan door naar de klantmanager (i.v.m. de regiefunctie). De klantmanager beoordeelt of het formulier door moet naar de inkomensconsulent. De klantmanager en/of de inkomensconsulent handelen de mutatie verder af. Het “automatisch” opleggen van hersteltermijnen en maatregelen vervalt bij het in gebruik nemen van de mutatieformulieren. Iedere eventueel op te leggen hersteltermijn en mogelijke maatregel zal individueel bekeken moeten worden. Jaarlijks wordt aan de cliënten een overzicht gestuurd waarop de uiterste inleverdatum en de betaaldatum van de uitkering vermeld staat. Schema: hoe verloopt het betalen van de uitkering? ArtikelB136 ROF of Mutatieformulier Mutatieformulier Belanghebbende dient, in het geval van wijzigingen in zijn situatie welke mogelijk relevant zijn in verband met zijn mogelijkheden voor de arbeidsinschakeling en/of zijn recht op uitkering, deze inlichtingen te vermelden op het Mutatieformulier en uiterlijk op de laatste inleverdatum, zoals vermeld op het inleverschema, in te leveren. zie ook richtlijn b034 ArtikelB035 Categorieën die zijn vrijgesteld inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring Het college maakt geen gebruik van het ROF. Zie paragraaf B5.3.5 ArtikelB036 Meldingsplicht vrijwilligerswerk Melden vrijwilligerswerk Indien een cliënt vrijwilligerswerk wil gaan verrichten dient hij of zij hiervoor toestemming te krijgen. Uitgangspunt is dat vrijwilligerswerk altijd van tevoren gemeld moet worden. De cliënt kan hiervoor het mutatieformulier gebruiken. Naar aanleiding van de melding beoordeelt het college of het toestemming kan verlenen voor het verrichten van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering. Goedkeuring zal worden verleend indien het vrijwilligerswerk naar het oordeel van het college kan bijdragen aan betere uitstroomkansen naar betaald werk. Middels een beschikking wordt de belanghebbende op de hoogte gesteld van de beslissing. Indien het college toestemming verleent, wordt in de beschikking duidelijk omschreven waarvoor toestemming is verleend en onder welke voorwaarden. Let wel: het achteraf melden via het mutatieformulier kan dus tot gevolg hebben dat het aangevangen vrijwilligerswerk beëindigd moet worden omdat het de arbeidsinschakeling belemmert. ArtikelB037 Duur aanvultermijn bij aanvraag op grond van artikel 4:5 lid 1 Awb Voorbeeldbeleid: De aanvultermijn krachtens artikel 4:5 lid 1 Awb bedraagt in beginsel 10 werkdagen. Indien belanghebbende redelijkerwijs meer of minder tijd nodig heeft kan deze termijn langer of korter worden vastgesteld. De maximale aanvultermijn bedraagt 8 weken. Zie ook B2.1. ArtikelB038 Duur hersteltermijn tijdens bijstand In het geval belanghebbende verwijtbaar de van belang zijnde gegevens niet, niet tijdig of niet volledig heeft verstrekt of anderszins onvoldoende medewerking verleent, wordt belanghebbende een termijn van orde verleend van vijf werkdagen om zijn verzuim te herstellen. Na afloop van de termijn van orde schort het college het recht op uitkering op conform de procedure van artikel 54 WWB. De termijn waarbinnen belanghebbende zijn verzuim kan herstellen bedraagt in beginsel tien werkdagen. De maximale hersteltermijn bedraagt 8 weken. ArtikelB039 Beleidsregels huisbezoek Protocol huisbezoek De volledige tekst van het protocol is te lezen in de Informatiemap Hoogwaardig Handhaven in Heerenveen. Hieronder staat een samenvatting. Het protocol heeft alleen bestrekking op huisbezoekn die medewerkers afleggen in het kader van de Wet werk en bijstand en aanverwante wetten, met het oogop dienstverlening of de vaststelling of verificatie van het recht op uitkering. Vuistregels Het huisrecht en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy) zijn grondrechten die onder meer in de Grondwet en internationale verdragen zijn verankerd. In-breuken zijn alleen toegestaan voor zover daarvoor een basis is te vinden in bijzondere wet-geving en er een redelijke grond voor is. Dat geldt ook voor het afleggen van een huisbezoek. Wees je ervan bewust dat een huisbezoek een vergaande inbreuk op de genoemde grondrech-ten oplevert en houdt daar ook in de praktijk rekening mee door onderstaande vuistregels in acht te nemen: Zorg ervoor dat de procedure voor, tijdens en na het huisbezoek transparant en controleer-baar in je rapportage is vastgelegd. Behandel de bewoner met respect, kortom op een manier zoals je zelf in vergelijkbare omstandigheden behandeld zou willen worden. Legitimeer je altijd bij het eerste contact met de bewoners. De legitimatieplicht geldt in het bijzonder voor degene die de leiding van het onderzoek heeft. Leg in begrijpelijke taal uit waarvoor je komt (doel) en wat de rechten en plichten van de bewoner zijn. Treedt nooit tegen de wil van de bewoner een woning binnen. Wijs de bewoner op de eventuele gevolgen voor het recht op uitkering als toestemming wordt geweigerd. Houd de grenzen van je bevoegdheden in de gaten. Deel de uitkomst van het huisbezoek zo spoedig mogelijk aan de klant mee. Soorten huisbezoeken Huisbezoeken kunnen om diverse redenen worden afgelegd. Hieronder wordt kort beschreven welke soorten huisbezoeken we kennen. Een huisbezoek kan worden afgelegd als onderdeel van de dienstverlening (in het kader van het zorgaspect) als de klant zelf niet in staat is om een bezoek te brengen aan het dis-trictskantoor of de afdeling, bijvoorbeeld door ziekte. Ook kan een huisbezoek gebruikt worden om de algehele situatie van de klant in kaart te brengen. Een huisbezoek kan worden afgelegd als verificatiemiddel tijdens het aanvraagproces eerste uitkering of bijzondere bijstand (bijvoorbeeld inrichtingskosten). Een huisbezoek kan worden afgelegd als controle-instrument; om de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking vast te stellen. Wanneer er sprake is van het toetsen van de rechtmatigheid van de uitkering, wordt dit gedaan door de klantmanager. Wanneer er sprake is van een strafrechtelijk onderzoek, wordt het huisbezoek afgelegd door een soci-aal rechercheur. In het eerste geval zal het huisbezoek meestal plaatsvinden op verzoek van of namens de klant. In het tweede en derde geval zal de afdeling WIMO meestal het initiatief nemen. In dit protocol worden de richtlijnen gegeven voor het correct uitvoeren van een huisbezoek. Het protocol is bedoeld voor huisbezoeken in het kader van verificatie en controle. Aangekondigd of onaangekondigd Een dienstverlenend huisbezoek zal worden aangekondigd. Een huisbezoek als verificatie- of controle-instrument vindt onaangekondigd plaats. Wie voert het huisbezoek uit Een medewerker maakt de afweging of het huisbezoek alleen of samen met een collega wordt uitgevoerd. Een huisbezoek in het kader van controle en/of preventie wordt altijd door twee medewerkers uitgevoerd. Dit zowel voor de bewijslast en om wederzijdse beschuldigingen te voorkomen, maar ook voor de veiligheid van de medewerkers. Bij een duidelijk “oranje” controleonderzoek (concreet fraudevermoeden gebaseerd op feiten en omstandigheden) wordt het huisbezoek uitgevoerd door de preventiemedewerker samen met een tweede medewerker. Werkwijze huisbezoek in “oranje” controleonderzoeken Er is een duidelijke werkwijze afgesproken omtrent het uitvoeren van het huisbezoek. Zie Stroomschema werkwijze huisbezoek in de infomap. Wettelijke kader Voor een goede uitvoering van het huisbezoek is kennis van de rechten en plichten van zowel de ambtenaar als de klant essentieel. De ambtenaar moet op wettelijke gronden onderbouwen waarom bepaalde beslissingen zijn genomen tijdens het huisbezoek. Voor het huisbezoek is kennis van de volgende wetgeving nodig: Algemene Wet Bestuursrecht (rechten en plichten ambtenaar) De Grondwet en het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (regels aangaande inbreuk op privé-leven) Algemene Wet op het binnentreden (privacy en regels aangaande binnentre-ding) Wet bescherming Persoonsgegevens (privacy; subsidiariteits- en proportionali-teitsbeginsel) WWB (inlichtingenplicht) De bevoegdheden van de ambtenaar De ambtenaar, zowel de consulent als een preventiemedewerker, is een toezichthouder als be-doeld in de Algemene Wet Bestuursrecht (art. 5:11). De toezichthouder is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde, bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, in dit geval de WWB. De ambtenaar is volgens de Algemene Wet Bestuursrecht (art. 5:12) verplicht zich te kunnen legitimeren met een door de gemeente uitgegeven legitimatiebewijs. Rechten van de klant Een huisbezoek kan voor een klant een behoorlijke inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer met zich meebrengen. Het is daarom noodzakelijk om de rechten en de plichten die de klant heeft goed te beschrijven. Dit houdt ook in, dat de medewerker zich aan bepaalde regels moet houden als hij op huisbezoek gaat. De inbreuk op iemands privé-leven De inbreuk op iemands privé-leven wordt allereerst beschreven in de Wet Bescherming Per-soonsgegevens. Deze wet gaat uit van twee begrippen (algemene beginselen van behoorlijk bestuur) die gebruikt worden om de inbreuk op iemands privé-leven aan banden te leggen: Subsidiariteitsbeginsel: Als het doel via een minder ingrijpende weg bereikt kan worden, dan moet die weg genomen worden. Proportionaliteitsbeginsel: De inbreuk op de privacy van de klant moet in redelijke ver-houding staan tot het doel. Ook betekent dit dat je niet meer informatie mag vragen dan noodzakelijk is voor dat doel Daarnaast worden zowel in de grondwet (art. 10) als in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens art. 8) grenzen gesteld aan de inbreuk op iemands privé-leven. Uit deze artikelen blijkt dat de inbreuk op iemands privé-leven alleen gerechtvaardigd is op grond van de in de wet gestelde beperkingen. Een huisbezoek is dus niet zonder meer in elke situatie toegestaan. Het binnentreden van de woning Het binnentreden van een woning tegen de wil van de bewoner is volgens de Grondwet (art. 12) alleen toegestaan in bijzondere gevallen (bijvoorbeeld als hiervoor een machtiging van de Officier van Justitie is afgegeven). Een medewerker namens de afdeling WIMO heeft deze bevoegdheden niet. Een medewerker mag dus nooit tegen de wil van een klant een woning binnengaan! De voorwaarden die de Grondwet verbindt aan het binnentreden van een woning zijn verder uitgewerkt in de Algemene wet op het binnentreden (art. 1). Dit artikel beschrijft de wijze waarop een medewerker zich moet gedragen bij een huisbezoek. De medewerker die tijdens het huisbezoek de leiding heeft moet zich legitimeren met een daarvoor door de dienst uitgereikt legitimatiebewijs. Daarna moet worden uitgelegd met welk doel hij/zij de woning wil binnentreden. Tenslotte dient toestemming tot het binnentreden van de woning te worden gevraagd. Deze toestemming moet in vrijheid gegeven worden, er mag dus geen onevenredige druk op de klant worden uitgeoefend. De klant moet nadrukkelijk toestemming geven voordat de woning daadwerkelijk binnengegaan kan worden, met andere woorden: er zal sprake moeten zijn van een wilsverklaring van de klant. Als het voor de medewerker niet duidelijk is of de klant toestemming verleent, moet hij/zij aannemen dat de klant de toestemming weigert. Ook als de klant niets zegt, mag niet automa-tisch worden aangenomen dat de klant geen bezwaar maakt. Als een klant in eerste instantie toestemming verleent, maar na binnenkomst de toestemming weer intrekt, zal de medewerker de woning zo snel mogelijk moet verlaten. Wanneer er sprake is van kamerbewoning en zowel de hoofdbewoner als de kamerbewoner zijn aanwezig, moeten beiden toestemming geven tot het binnentreden in de woning. Als één van beiden er niet is, kunnen problemen ontstaan. Als de hoofdbewoner toegang tot de wo-ning verleent en de kamerbewoner (de klant) is niet aanwezig, dan is het niet mogelijk, in verband met de privacy, om de kamer van de klant te betreden als deze er niet is en hiervoor geen toestemming heeft verleend. Wel kunnen alvast vragen aan de hoofdbewoner gesteld worden. Hoofdbewoner weigert toestemming Als de hoofdbewoner toegang tot de woning weigert en deze is geen klant dan ontstaat een ander probleem. Als de kamerbewoner (de klant) zelf aanwezig is, zou er misschien tot een bepaalde overeenstemming kunnen worden gekomen om de woning te betreden. Is de kamer-bewoner (de klant) er niet, dan zal het op een ander tijdstip nogmaals geprobeerd moeten worden. Als een medewerker tegen de wil van de klant toch de woning binnengaat, kan er sprake zijn van ‘ambtelijke huisvredebreuk’. Dit is vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht (art. 370). De plichten van de klant Een klant moet volgens de WWB (art. 17), als dit voor de uitvoering van de wet noodzakelijk is, medewerking verlenen aan een huisbezoek. Belangrijk hierbij is wel dat het middel huis-bezoek in verhouding dient te staan tot het doel dat men wil bereiken (subsidiariteits- en pro-portionaliteitsbeginsel). De gegevens die de klant verstrekt mogen door de dienst onderzocht worden op juistheid en volledigheid (art. 53a WWB). Het afleggen van een huisbezoek kan een onderdeel vormen van het onderzoek of de verificatie van de gegevens die de klant verstrekt. De weigering tot toelating van de woning Uit het bovenstaande blijkt dat de klant niet verplicht is om medewerking te verlenen aan een huisbezoek. Tevens blijkt uit het bovenstaande dat de klant de dienst wel in gelegenheid moet stellen om de rechtmatigheid vast te stellen. Ten slotte blijkt uit het bovenstaande dat de me-dewerker het huisbezoek enkel als controle-instrument kan inzetten als dit instrument in ver-houding staat tot het doel dat hij wil bereiken. Indien een huisbezoek noodzakelijk is om de rechtmatigheid vast te stellen, zal weigering tot toelating van de woning consequenties heb-ben voor de WWB-uitkering. Een weigering van toelating tot de woning kan alleen consequenties hebben voor het vaststellen van recht op WWB, indien: De rechtmatigheid niet via een minder ingrijpende manier kan worden vastgesteld; De aanleiding voor het huisbezoek is gebaseerd op individuele feiten en omstandig-heden. Indien hier geen sprake van is dient de medewerker de klant hiervan op de hoogte te stellen en te melden dat weigering van toelating tot de woning geen consequenties zal hebben voor de uitkering. Veiligheid tijdens het huisbezoek Bij het afleggen van een huisbezoek staat de veiligheid van de medewerker voorop. Als de situatie dreigt te escaleren en pogingen om de situatie te normaliseren blijken niet te helpen, dient de medewerker de woning zo snel mogelijk te verlaten. Leg de klant uit, indien dit nog mogelijk is, dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld met de daarbij bijbehorende consequenties. Als de klant of een huisgenoot van de klant overgaat tot bedreiging met geweld of daadwerkelijk geweld, wordt met behulp van de dienst aangifte gedaan. Hieronder volgt een aantal voorwaarden en tips om de veiligheid tijdens een huisbezoek te vergroten: Laat aan collega’s weten dat je op huisbezoek gaat. Geef het adres op waar jij en je collega naartoe gaan. Geef de naam en het klantnummer van de klant op. Geef aan op welk tijdstip het huisbezoek begint. Geef aan op welk tijdstip je denkt terug te zijn en meldt het aan je collega als je weer terug bent. Neem de mobiele telefoon mee (verkrijgbaar bij de teamleiders) en laat het nummer achter bij collega’s. Indien bekend, geef dan ook het telefoonnummer van de klant op. Laat een collega bellen als je op het afgesproken tijdstip niet terugbent op de afdeling. Spreek dit goed af met één collega. Neem hier zelf het initiatief in. Mocht men geen contact met je krijgen, laat dan de teamleider de politie waarschuwen en informeer deze zo goed mogelijk. Parkeer de auto of ander vervoermiddel uit het zicht van het adres waar je op huisbe-zoek gaat. Blijf tijdens het huisbezoek voortdurend bij elkaar. Vraag bij het naar binnen gaan wie er nog meer in de woning zijn en waar deze zich bevinden. Laat de klant zelf als eerste een bepaalde ruimte betreden. Laat de klant voorgaan bij het op- en aflopen van een trap. Blijf steeds goed om je heen kijken. Let op voorwerpen die eventueel als wapen ge-bruikt zouden kunnen worden (bijv. een mes, een schroevendraaier, een schaar etc. etc.). Open zelf geen laden of kasten, vraag aan de klant of hij dat wil doen Pak geen voorwerpen/papieren op zonder dit te vragen. Vraag ook toestemming om in papieren te kijken. Voer het gesprek het liefst in de woonkamer en niet bijv. in de keuken (i.v.m. messen op het aanrecht en in laden). Geef de klant wel de gelegenheid tot het stellen van vragen, maar ga geen discussie aan. Informeer de bewoner zo mogelijk en als de veiligheid het toelaat, over de bevindin-gen en laat hem daar op reageren. Kan dat niet, bespreek de bevindingen dan later op de dag of de volgende dag tijdens het gesprek op kantoor. Vertel dit ook aan de klant. Leg uit wat het vervolg op het huisbezoek is. Blijf beleefd en kalm. Ga zelf niet over tot het aanwenden van geweld. Voorbereiding van het huisbezoek Een huisbezoek moet goed voorbereid worden door middel van een bronnenonderzoek. De voornaamste bron bij een lopende uitkering zal het dossier van de klant zijn. Bij een eerste aanvraag zal het bronnenonderzoek vooral plaatsvinden vanuit het setje van het CWI. In het dossier of het setje van het CWI blijken vaak al onduidelijkheden te zitten, die misschien fraudesignalen zouden kunnen zijn. Raadpleeg voor het herkennen van fraudesignalen het fraudekompas. Praktische uitvoering van het huisbezoek Het huisbezoek wordt uitgevoerd gedurende kantoortijden (8.30– 17.00 uur). Hiervan kan bij uitzondering worden afgeweken. Wanneer 2 medewerkers het huisbezoek uitvoeren, blijf in de woning dan bij elkaar. Dit in verband met de eigen veiligheid en bewijskracht Bij het vermoeden van dat 2 belanghebbenden, die op afzonderlijke adressen staan inge-schreven, een gezamenlijke huishouding voeren, verdient het aanbeveling om op beide adressen een huisbezoek te verrichten. Dit kan ook indien 1 van de partijen geen belanghebbende is. Echter mocht de niet-belanghebbende geen medewerking verlenen, dan kunnen daar geen consequenties aan worden verbonden. Parkeer de auto of ander vervoermiddel uit het zicht van het adres waar je op huisbezoek gaat. Kijk in de omgeving of je een auto (kenteken) ziet van een mogelijke partner Kijk welke naam of namen je op het naambordje ziet. Kijk of de gordijnen zijn gesloten of geopend. Legitimeer jezelf en je collega en deel het doel van je komst mee. Houdt bij het legitimeren rekening met de privacy van de klant. De buurtbewoners en eventuele derden in de woning hoeven niet te weten dat de klant medewerkers van WIMO op bezoek krijgt. Voer het gesprek binnen en niet aan de deur omwille van de privacy. Vraag toestemming om binnen te komen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wijs dan op de consequenties daarvan (recht kan niet worden vastgesteld, aanvraag afgewezen, bijstand wordt beëindigd). Indien klant de vervolgens wel toestemming geeft, ga je naar binnen en vang je met het huisbezoek aan. Indien de klant bij zijn weigering blijft, vertrek je. Maak direct rapport op omtrent de be-vindingen. Vraag voor je naar binnen gaat altijd hoeveel en welke personen in de woning aanwezig zijn. Als er andere personen in de woning aanwezig zijn, vraag de klant dan of hij/zij er be-zwaar tegen heeft om de aanvraag te bespreken in het bijzijn van derden. Noteer alleen de feiten en maak geen interpretaties. Vraag aan de klant de kamer, kast of lade te openen. Doe dit niet zelf tenzij hij/zij daar-voor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven. Maak direct na terugkomst op de sociale dienst rapport op met je bevindingen. Voorzie het rapport van de datum van het opmaken en de handtekening van de beide rapporteurs. Geef in je rapportage heel duidelijk aan wanneer en hoe laat je bij de woning bent geweest en wat je er hebt aangetroffen. Vaak wordt een huisbezoek uitgevoerd aansluitend op een gesprek in het gemeentehuis. Laat de klant dan tijdens het gesprek de woning beschrijven en hoe deze is ingericht (of een plattegrondje maken). Het huisbezoek kan hierna gericht worden uitgevoerd om te controleren of de werkelijke situatie overeenkomt met hetgeen door de klant is beschreven. ArtikelB040 Personen zonder identiteitsbewijs De belanghebbende die bij de aanvraag van bijstand niet beschikt over een (geldig) identiteitsbewijs zal zelf en voor eigen rekening een dergelijk document opnieuw moeten aanvragen. Er is een beperkt aantal klanten, dat niet over een officieel identificatiebewijs kan beschikken en/of dit binnen de kortste keren weer kwijt zal zijn. Hierbij valt te denken aan de categorie daklozen, thuislozen, verslaafden en psychiatrische patiënten. In individuele gevallen kan voor hen worden afgezien van de identificatieplicht ingevolge de WID en blijft het bestaande systeem van legalisatieverklaringen en –passen van kracht. Hierbij geldt nadrukkelijk de voorwaarde, dat uit het dossier moet blijken dat de gemeente de identiteit zo goed mogelijk heeft gecontroleerd en op grond van welke feiten deze uitzondering tot stand is gekomen. Zie ook onderstaande richtlijn betreffende het aantonen van de identiteit van 65-jaren en ouder. ArtikelB041 Personen zonder geldig identiteitsbewijs Bij aanvraag van een uitkering moet altijd een geldig legitimatiebewijs getoond worden. Dit betekent dat de identiteit van de belanghebbende zorgvuldig is vastgesteld. Uit jurisprudentie blijkt dat indien eenmaal de identiteit van een belanghebbende zorgvuldig is vastgesteld, het bij heronderzoek en vervolgcontacten niet redelijkerwijs nodig is dat een belanghebbende een geldig legitimatiebewijs in bezit heeft. Het is dus mogelijk om bij vervolgcontacten te volstaan met een rijbewijs of een reeds verlopen document. Bij twijfel is er altijd de mogelijkheid om te vergelijken met de kopie in het dossier. Deze procedure geldt ook voor belanghebbenden die reeds een uitkering van de dienst ontvangen en een aanvraag voor bijzondere bijstand indienen. N.B. Indien een uitkering is beëindigd en belanghebbende dient weer opnieuw een aanvraag in, dan dient wel een geldig identiteitsbewijs getoond te worden. Identificatieplicht voor 65-jarigen en ouder Voor een aanvraag voor bijzondere bijstand is een geldig identificatiebewijs nodig. Het komt regelmatig voor dat bewoners van een verzorgingstehuis of zelfstandig wonende ouderen bij het indienen van een aanvraag geen geldig identiteitsbewijs kunnen tonen. Alleen indien 65-plussers niet over een geldig identiteitsbewijs beschikken kan de identiteit van de belanghebbende als volgt worden vastgesteld: verlopen paspoort 65-plus kaart zorgpas inschrijving verzorgingshuis of verpleegtehuis N.B. Deze regeling geldt alleen voor personen van 65 jaar en ouder die een aanvraag voor bijzondere bijstand indienen. De norm blijft dus dat iedere aanvrager een geldig id-bewijs moet kunnen tonen, tenzij: de aanvrager 65 jaar of ouder is en een aanvraag voor bijzondere bijstand indient en niet beschikt over een geldig identiteitsbewijs. Om de rechtmatigheid te waarborgen wordt bij elke aanvraag standaard een onderzoek gedaan naar de gegevens die in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) zijn vermeld. ArtikelB042 Uitleg budgetteringsplicht artikel 57 WWB Budgetteringsplicht Het college legt een budgetteringsplicht op, indien er bij belanghebbende sprake is van (problematische) schulden waardoor de betaling van de maandelijkse vaste lasten in het gedrang komt. De budgetteringsplicht wordt op een minder formele wijze toegepast door artikel 57 onder a WWB ruim uit te leggen en de formele handeling van het ondertekenen van een machtiging door de belanghebbende achterwege te laten. Zodra de budgetteringsverplichting door middel van een beschikking is opgelegd, gaat het college direct over tot rechtstreekse betaling van de maandelijkse huur- en energierekeningen van de belanghebbende aan de desbetreffende schuldeisers door middel van inhoudingen op de uitkering. Alleen wanneer de belanghebbende hier bezwaar tegen maakt, zal de formele weg bewandeld moeten worden door de belanghebbende een machtiging te laten ondertekenen. Zie voor de vraag of niet nakomen van de verplichting tot ondertekening van de machtiging leidt tot een verlaging van de bijstand paragraaf B5.10 ArtikelB043 Gevallen waarin wordt afgezien van een verlaging Afzien van maatregel Het college ziet af van het opleggen van een maatregel (getShowGB(1, 307, 292); ?>) indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden, of het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. ArtikelB150 Verlagen algemene bijstand, bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag Verlagen algemene bijstand, bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag De verlaging wordt toegepast over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Soms is het mogelijk dat de verlaging ook wordt toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. Dit is ten eerste mogelijk voor de bijzondere bijstand die verstrekt wordt op grond van artikel 12 WWB aan jongeren van 18 tot 21 jaar. Ten tweede is dit mogelijk voorzover er een verband bestaat tussen de gedraging van belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende door eigen nalatigheid geen aanspraak meer kan maken op een voorliggende voorziening. ArtikelB044 Overzicht hoogte verlagingen Overzicht hoogte verlagingen Op grond van de Maatregelenverordening WWB worden de volgende verlagingen toegepast: ArtikelB045 Hoogte verlaging bij samenloop Hoogte verlaging bij meerdere gedragingen Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen, die elk tot een maatregel krachtens de Maatregelenverordening kunnen leiden, voor het bepalen van de hoogte van de maatregel wordt uitgegaan van een cumulatie van maatregelen (Maatregelenverordening WWB). ArtikelB046 Recidive Recidive • De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld een besluit om daarvan af te zien. • Indien een belanghebbende na de recidive, als bedoeld in het bovenstaande, zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het recidivebesluit wederom schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie, kan het college de bi