← Nederland

Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013 (Zaanstad)

In het kort

Deze verordening regelt de openbare orde, veiligheid, leefbaarheid en het milieu in de gemeente Zaanstad. Het bevat regels voor gedrag op openbare plaatsen, evenementen, horeca, en andere zaken die het dagelijks leven in de gemeente beïnvloeden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 0 Opschriften (

  1. z)Artikel 1:1 Begripsbepalingen Artikel 1:2 Beslistermijn Artikel 1:3 Indiening aanvraag Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing (
  2. z)Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing (
  3. z)Artikel 1:7 Termijnen Artikel 1:8 Weigeringsgronden (
  4. z)Artikel 1:9 Hoofdstuk 2 Openbare orde Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Artikel 2.1a Straatintimidatie (
  5. z)Afdeling 2. Betoging Artikel 2:2 Optochten Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Artikel 2:4 Afwijking termijn Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens Afdeling 3. Verspreiden van stukken en aanbieden van andere activiteiten op de openbare weg (
  6. z)Artikel 2:6 Verspreiden van stukken en aanbieden van andere activiteiten (
  7. z)Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. Artikel 2:8 Dienstverlening Artikel 2:9 Straatartiest e.d.. Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg (
  8. z)Artikel 2:10a Vastmaken van voorwerpen (
  9. z)Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 2:12 Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg (
  10. z)Afdeling 6 Veiligheid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid Artikel 2:14 Winkelwagentjes (
  11. z)Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Artikel 2:16 Open straatkolken e.d. Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Artikel 2:19a Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (
  12. z)Artikel 2:19b Gevaarlijke voorwerpen (
  13. z)Artikel 2:20 Vallende voorwerpen Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs (
  14. z)Afdeling 7 Evenementen (
  15. z)Artikel 2:24 Begripsbepaling (
  16. z)Artikel 2:25 Evenement (
  17. z)Artikel 2:25a Vechtsportwedstrijden (
  18. z)Artikel 2:26 Ordeverstoring (
  19. z)Afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven en op voor publiek toegankelijke gebouwen (
  20. z)Artikel 2:27 Begripsbepalingen (
  21. z)Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf (
  22. z)Artikel 2:28a Vergunningsaanvraag (
  23. z)Artikel 2:28b Algemene weigerings- en intrekkingsgronden exploitatievergunning (
  24. z)Artikel 2:28c Bijzondere intrekkings- of wijzigingsgronden van de exploitatievergunning (
  25. z)Artikel 2:29 Sluitingstijd (
  26. z)Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden en afwijkende voorschriften en beperkingen horecabedrijf (
  27. z)Artikel 2:30a Sluiting horecabedrijf (
  28. z)Artikel 2:30b Sluiting gebouw of ruimte (
  29. z)Artikel 2:30c Regels met betrekking tot sluiting (
  30. z)Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Artikel 2:32 Handel binnen horecabedrijven Artikel 2:33 Ordeverstoring (
  31. z)Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Artikel 2:34a Schenktijden paracommerciële rechtspersonen (
  32. z)Artikel 2:34b Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen (
  33. z)Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Begripsbepaling Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Artikel 2:37 Nachtregister Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister (
  34. z)Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden (
  35. z)Artikel 2:39 Speelgelegenheden (
  36. z)Artikel 2:40 Speelautomaten (
  37. z)Afdeling 10a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat (
  38. z)Artikel 2:40a Begripsbepalingen (
  39. z)Artikel 2:40b Aanwijzing gebouwen, straten, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten (
  40. z)Artikel 2:40c Exploitatievergunning uitoefening bedrijf (
  41. z)Artikel 2:40d Eisen aan de exploitant en de bedrijfsleider (
  42. z)Artikel 2:40e Weigeringsgronden (
  43. z)Artikel 2:40f Intrekking- en wijzigingsgronden (
  44. z)Artikel 2:40g Sluiting (
  45. z)Artikel 2:40h Overgangsrecht (
  46. z)Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Artikel 2:42 Plakken en kladden Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen (
  47. z)Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (
  48. z)Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Artikel 2:53 Bespieden van personen (
  49. z)Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (
  50. z)Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (
  51. z)Artikel 2:56 Alarminstallaties (
  52. z)Artikel 2:57 Loslopende honden Artikel 2:58 Verontreiniging door honden (
  53. z)Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren (
  54. z)Artikel 2:61 Wilde dieren Artikel 2:62 Loslopend vee Artikel 2:63 Duiven (
  55. z)Artikel 2:64 Bijen (
  56. z)Artikel 2:65 Bedelarij (
  57. z)Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Begripsbepaling Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Artikel 2:70 Handel binnen horecabedrijven Afdeling 13 Vuurwerk Artikel 2:71 Begripsbepalingen Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvoorwerk tijdens de verkoopdagen Artikel 2:73 Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Afdeling 14 Drugsoverlast (
  58. z)Artikel 2:74 Drugshandel op straat Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheids-risicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen en verblijfsontzeggingen Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:78 Verblijfsontzegging (
  59. z)Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikel 3:1 Afbakening Artikel 3.2 Begripsbepalingen (
  60. z)Artikel 3:2a Bevoegd bestuursorgaan (
  61. z)Artikel 3:2b Nadere regels (
  62. z)Afdeling 2 Exploitatievergunning seksbedrijf Artikel 3:3 Exploitatievergunning seksbedrijf (
  63. z)Artikel 3:3a Overgangsbepaling seksbedrijven (
  64. z)Artikel 3:4 Concentratie seksbedrijven (
  65. z)Artikel 3:5 Maximum aantal vergunningen voor seksbedrijven (
  66. z)Artikel 3:6 Aanvraag (
  67. z)Artikel 3:7 Weigeringsgronden (
  68. z)Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot de vergunning (
  69. z)Artikel 3:9 Intrekkingsgronden (
  70. z)Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden (
  71. z)Artikel 3:11 Geldigheidsduur vergunning (
  72. z)Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf Artikel 3:12 Sluitingstijden seksbedrijven, aanwezigheid en toegang (
  73. z)Artikel 3:13 Adverteren (
  74. z)Artikel 3:13a Tijdelijke afwijking sluitingstijden en tijdelijke sluiting (
  75. z)Artikel 3:13b Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder (
  76. z)Artikel 3:13c Beëindiging exploitatie (
  77. z)Artikel 3:13d Wijziging beheer (
  78. z)Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf (
  79. z)Artikel 3:14a Overgangsbepaling minimale leeftijd prostituees (
  80. z)Artikel 3:15 Bedrijfsplan (
  81. z)Artikel 3:16 Minimale verhuurperiode werkruimte Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf (
  82. z)Artikel 3:18 Raamprostitutie (
  83. z)Artikel 3:19 Straatprostitutie (
  84. z)Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie (
  85. z)Afdeling 4. Overige bepalingen Artikel 3:21 Verbodsbepaling klanten Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting Artikel 4:1a Begripsbepalingen Artikel 4:1b Horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen (
  86. z)Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten (
  87. z)Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten (
  88. z)Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten Artikel 4:5 Onversterkte muziek (
  89. z)Artikel 4:6 Overige geluidhinder Artikel 4:6a Mosquito Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Ongeadresseerde reclame (
  90. z)Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Artikel 4:9a Oplaten van ballonnen (
  91. z)Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10 Begripsbepalingen Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Artikel 4:11a Bestrijding iepziekte Artikel 4:12 Herplant-/instandhoudingsplicht Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen Artikel 4:15 Verbod ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclame (
  92. z)Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Begripsbepaling Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5:1 Begripsbepalingen Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 5:4 Defecte voertuigen Artikel 5:5 Overlastgevende voertuigen (
  93. z)Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Artikel 5:10 Parkeren anders dan op de rijbaan Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Artikel 5:11a Aantasting van groenvoorziening door vaartuigen (
  94. z)Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets (
  95. z)Afdeling 2 Collecteren Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen (
  96. z)Afdeling 3 Venten Artikel 5:14 Begripsbepaling Artikel 5:15 Ventverbod Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting Afdeling 4 Standplaatsen Artikel 5:17 Begripsbepaling Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht Afdeling 5 Snuffelmarkten (
  97. z)Artikel 5:22 Begripsbepaling Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt Afdeling 6 Openbaar water Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water (
  98. z)Artikel 5:25 Het innemen van een ligplaats (
  99. z)Artikel 5:25a Pleisterplaatsen (
  100. z)Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats Artikel 5:28 Beschadigingen van waterstaatswerken Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Artikel 5:30 Veiligheid op het water Artikel 5:30a Brug klimmen en springen in openbaar water (
  101. z)Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen Paragraaf 2 Bijzondere bepalingen met betrekking tot scheepvaart en havens (
  102. z)Artikel 5:32 Werkingssfeer (
  103. z)Artikel 5:33 Het nakomen van aanwijzingen (
  104. z)Artikel 5:34 Rondvaart- en verhuurbedrijf (
  105. z)Artikel 5:35 Veren (
  106. z)Artikel 5:36 Het besturen van vaartuigen onder invloed van alcoholhoudende dranken en/of andere stoffen (
  107. z)Artikel 5:37 Het gebruiken van vaartuigen als opslagplaats of bedrijfsruimte (
  108. z)Artikel 5:38 Het breken van ijs (
  109. z)Artikel 5:39 Het economisch opleggen van vaartuigen (
  110. z)Artikel 5:40 Baggeren (
  111. z)Artikel 5:41 Het bouwen, herstellen, droogzetten en slopen van vaartuigen (
  112. z)Artikel 5:42 Toegang tot openbare trappen en steigers (
  113. z)Artikel 5:42a Veilige toegang (
  114. z)Artikel 5:43 Bijzondere verplichtingen voor gezagvoerders van zeevaartuigen (
  115. z)Artikel 5:43a Verhalen anders dan op eigen aanvraag (
  116. z)Artikel 5:43b Verbod gebruik hoofdmotor of hulpmotor (
  117. z)Paragraaf 3 Bijzondere bepalingen met betrekking tot woonschepen (
  118. z)Artikel 5:44-5:48 Paragraaf 4 Ontvangstvoorzieningen voor olie van zeevaartuigen (
  119. z)Artikel 5:49-5:53 Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd- en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:54 Crossterreinen Artikel 5:55 Beperking verkeer in natuurgebieden Afdeling 8 Verbod vuur te stoken Artikel 5:56 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Afdeling 9 Verstrooiïng van as Artikel 5:57 Begripsbepaling Artikel 5:58 Verboden plaatsen Artikel 5:59 Hinder of overlast Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling (
  120. z)Artikel 6:2 Toezichthouders (
  121. z)Artikel 6:3 Binnentreden woningen Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening (
  122. z)Artikel 6:5 Overgangsbepaling Artikel 6:6 Citeertitel Algemene plaatselijke verordening (APV) Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel0Opschriften (
  123. z)Waar in artikelen wordt afgeweken van de modelverordening van de VNG of daar een nadere invulling aan wordt gegeven, wordt dit aangegeven met (z). Artikel1:1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a l van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV1990) met uitzondering van kleine wagens, zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; (
  124. z)vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, glijboten en ponten,met uitzondering van woonschepen; (
  125. z)woonschip: woonark of woonboot, uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd tot dag- of nachtverblijf van een of meer personen, niet zijnde een waterwoning; (
  126. z)vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II van de Meststoffenwet; (
  127. z)pleziervaartuig: een schip waarvan de lengte minder dan 20 meter bedraagt, waartoe als de lengte wordt aangemerkt de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de romp, zonder de boegspriet, de papegaaistok en het trimvlak, zulks met uitzondering van, zulks met uitzondering van: (
  128. z)een schip dat een groot schip sleept, assisteert, duwt of langszijde vastgemaakt meevoert; een passagiersschip: een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren; een veerpont: een schip dat een veerdienst onderhoudt, waarbij de vaarweg wordt overgestoken, en dat door de bevoegde autoriteit als veerpont is aangemerkt; een vissersschip: een schip dat vist met netten, lijnen, sleepnetten of ander vistuig, die de manoeuvreerbaarheid beperken; een duwbak: een schip dat is gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd. binnenschip: vaartuig dat is bestemd voor de vaart op de binnenwateren of op dienovereenkomstige buitenlandse wateren; drijvend werktuig: drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals grind- of zandzuigers, baggermolens, hei-installaties, kranen en elevatoren. schip: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water; zeeschip: schip dat blijkens zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor de vaart op zee; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; college: het college van burgemeester en wethouders. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 4:11. Artikel1:3Indiening aanvraag [vervallen] Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing (
  129. z)De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. De exploitatievergunning is naast persoonlijk ook locatiegebonden. Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing (
  130. z)De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; indien aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; of indien de houder dit verzoekt. Artikel1:7Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1:8Weigeringsgronden (
  131. z)1.De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3.In afwijking van het bepaalde in lid 2, kan een vergunning voor een evenement worden geweigerd als niet is voldaan aan de in artikel 2:25 lid 6 opgenomen termijnen voor het indienen van de aanvraag. Artikel1:9 Geschrapt: in afzonderlijke artikelen opgenomen. Hoofdstuk2Openbare orde Afdeling1.Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. Degene die op een openbare plaats: aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 4.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.1a Straatintimidatie (
  132. z)(vervallen) Afdeling2.Betoging Artikel2:2Optochten [zie evenementenbepaling: artikel 2.24] Artikel2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12:00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12:00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel2:4Afwijking termijn [Vervallen; opgenomen in artikel 2:3] Artikel2:5Te verstrekken gegevens [Vervallen; opgenomen in artikel 2:3] Afdeling3.Verspreiden van stukken en aanbieden van andere activiteiten op de openbare weg (
  133. z)Artikel2:6Verspreiden van stukken en aanbieden van andere activiteiten (
  134. z)1.Ieder, die op of aan de weg reclamebiljetten, promotiemateriaal of andere geschriften onder het publiek verspreidt, is verplicht deze, voorzover zij in de omgeving op de weg of op een ander voor het publiek toegankelijke plaats worden achtergelaten, terstond te verwijderen. 2.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen reclamebiljetten, promotiemateriaal of andere geschriften aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken, leden, donateurs of klanten te werven, producten of monsters van producten uit te delen dan wel personen staande te houden ten behoeve van het uitvoeren van een enquête of een onderzoek. 3.Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 4.Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling4Vertoningen e.d. op de weg Artikel2:7Feest, muziek en wedstrijd e.d. [zie evenementenbepaling: artikel 2.24] Artikel2:8Dienstverlening (vervallen) Artikel2:9Straatartiest e.d.. 1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: op maandagen tot en met zaterdagen tussen 09.00 uur en 18.00 uur, op koopavonden tot 21.00 uur en op zondagen tussen 12:00 uur en 18:00 uur; wanneer de straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids zich telkens minimaal 100 meter verplaatst, zich niet langer dan 30 minuten op een en dezelfde plaats ophoudt en zich niet vaker dan tweemaal per dag op een en dezelfde plaats ophoudt en; indien geen overlast wordt veroorzaakt voor winkelend publiek en overige voetgangers en gebruikers van de openbare ruimte. Afdeling5Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel2:10Voorwerpen op of aan de weg (
  135. z)Vervallen (opgenomen in artikel 5.50 Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel2:10aVastmaken van voorwerpen (
  136. z)1.Het is verboden voorwerpen aan te brengen of vast te maken aan bomen of aan objecten die zijn bestemd voor of gebruikt worden ten behoeve van de openbare dienst indien er (onderhouds) werkzaamheden plaatsvinden aan of rondom het betreffende object. Artikel2:11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Vervallen (opgenomen in artikel 5.51 Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel2:12Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg (
  137. z)Vervallen (opgenomen in artikel 5.52 Verordening Fysieke Leefomgeving) Afdeling6Veiligheid op de weg Artikel2:13Veroorzaken van gladheid (gereserveerd) Artikel2:14Winkelwagentjes (
  138. z)Het bedrijf dat winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf, anders dan op plaatsen die daartoe door het bedrijf dat winkelwagentjes beschikbaar stelt zijn aangewezen. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten, anders dan op plaatsen die daartoe door het bedrijf dat winkelwagentjes beschikbaar stelt zijn aangewezen. Het is verboden zich met een winkelwagentje op of aan de weg te bevinden op een afstand van meer dan 100 meter van het bedrijf dat het winkelwagentje ter beschikking heeft gesteld of indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum op een afstand van meer dan 100 meter van het winkelcentrum. Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel2:15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel2:16Open straatkolken e.d. (vervallen) Artikel2:17Kelderingangen e.d. (vervallen) (
  139. z)Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen (vervallen) Artikel2:19aGevaarlijk of hinderlijk voorwerp (
  140. z)1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet t.a.v. prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Artikel2:19bGevaarlijke voorwerpen (
  141. z)Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende bij de categorieën I, II, III, IV Wet wapens en munitie of voorzover door het bij zich dragen van de voorwerpen bedoeld in het eerste lid de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel2:20Vallende voorwerpen (vervallen) Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting Vervallen (opgenomen in artikel 2.9 Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel2:22Objecten onder hoogspanningslijn Vervallen (opgenomen in artikel 5.20 Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel2:23Veiligheid op het ijs (
  142. z)(vervallen) Afdeling7Evenementen (
  143. z)Artikel2:24Begripsbepaling (
  144. z)In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover deze worden gehouden in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; activiteiten in horecabedrijven die in de uitoefening van het bedrijf gebruikelijk zijn; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportgala’s als bedoeld in het tweede lid, onder g. Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een snuffelmarkt; een voor publiek toegankelijke (dans)feest op een passagiersschip als bedoeld bij of krachtens de Binnenvaartwet; vechtsportgala’s. Hieronder worden tevens verstaan: Free-, cage-, en ultimate fightevenement of daarmee vergelijkbare evenementen; Mixed Martial Arts, ook wel genoemd gemengde vechtkunst, waaronder in ieder geval worden begrepen free fight (het vrije vechten), vale tudo (Braziliaans Mixed Martial Arts) en cage fight (kooigevecht); Kickboksen en Muay Thai (Thaiboksen) in al hun varianten; een erotisch evenement. Hieronder wordt verstaan: een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak waarbij vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden; een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak waarbij aan het publiek de gelegenheid wordt geboden op fysieke wijze deel te nemen aan het erotische vermaak. Onder klein evenement wordt verstaan: een evenement dat voldoet aan de in artikel 2:25, derde lid, genoemde criteria. Artikel2:25Evenement (
  145. z)Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 75 bezoekers / personen; het evenement tussen 07.00 uur en 23.00 uur plaats vindt; geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur; het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan van een doorgaande weg en/of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer of hulpdiensten; slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 30 m2; er een organisator is; en de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester; voldoende afvalbakken zijn geplaatst; er geen vuurwerk wordt afgestoken. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. Voor het aanvragen van een vergunning voor een evenement dat geen klein evenement is in de zin van het derde lid gelden de volgende termijnen voor indienen: voor een A-evenement acht weken voorafgaande aan het evenement; voor een B- en C- evenement veertien weken voorafgaande aan het evenement. Naast op grond van de in artikel 1:8 genoemde weigeringsgronden kan de burgemeester de vergunning weigeren als naar zijn oordeel: van het evenement een onevenredige belasting voor het woon- of leefklimaat in de omgeving te verwachten is; het evenement verontreiniging tot gevolg heeft, afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de omgeving dan wel schade toebrengt aan groenvoorzieningen of voorzieningen van openbaar nut. De burgemeester wijst plaatsen aan waar geen vergunning wordt afgegeven voor het afsteken van vuurwerk. De burgemeester weigert de vergunning als deze geheel of gedeeltelijk ziet op het afsteken van vuurwerk op deze plaatsen. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:25aVechtsportwedstrijden (
  146. z)Naast de in artikel 1:8 genoemde weigeringsgronden kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportgala/vechtsportwedstrijd voorts weigeren: bij overschrijding van het aantal van 2 commerciële vechtsportgala’s/wedstrijden met veel landelijke belangstelling per jaar; wanneer er vanuit politie of toezicht/handhaving van de gemeente zodanige signalen bestaan dat sprake is van criminele activiteiten, dan wel reële vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde; de burgemeester kan nadere eisen en voorschriften verbinden aan een vergunning. De gronden voor deze nadere eisen en voorschriften zijn geen andere dan de hierboven en in artikel 1:8 genoemde. De nadere eisen en voorschriften worden bepaald in het zogeheten Evenementenoverleg tussen de betrokken veiligheidsdiensten, conform beleid uit Veiligheid bij evenementen (februari 2012); de burgemeester weigert de vergunning als de organisator/ vergunningaanvrager van een vechtsportgala/wedstrijd niet van onbesproken levensgedrag is. Artikel2:26Ordeverstoring (
  147. z)Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Het verbod van lid 3 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Afdeling8Toezicht op horecabedrijven en op voor publiek toegankelijke gebouwen (
  148. z)Artikel2:27Begripsbepalingen (
  149. z)In deze afdeling wordt verstaan onder: horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is logies wordt verstrekt en/of dranken worden geschonken en/of rookwaren en/of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt en bereid. En elke andere inrichting, waarvan de bedrijvigheid in ieder geval in belangrijke mate mede gericht is op het verstrekken van etenswaren en/of dranken, ten einde deze ter plaatse te nuttigen, het bieden van amusement en het gelegenheid geven tot ontspanning. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, discotheek, buurthuis, clubhuis, grillroom, coffeeshop, shishalounge en zalenverhuur. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden; terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden bereid en verstrekt. Exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd. Leidinggevende: degene die als zodanig staat vermeld op het aanhangsel bij de verleende Alcoholwetvergunning of exploitatievergunning. Restaurant: een horecabedrijf primair gericht op verstrekking van volledige maaltijden. Coffeeshop: een alcoholvrij horecabedrijf waar verstrekking en gebruik van softdrugs kan plaatsvinden door middel van een exploitatievergunning voor een horecabedrijf met de aantekening ‘coffeeshop’ en een gedoogverklaring, beiden met voorschriften. Shishalounge: een horecabedrijf waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruik van waterpijpen door middel van een exploitatievergunning voor een horecabedrijf met de aantekening ‘shishalounge’. Onder bezoeker wordt in deze afdeling verstaan: een ieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: leidinggevenden; personen die in de inrichting dienst doen; personen wier aanwezigheid in de inrichting vanwege dringende redenen noodzakelijk is. Onder sterke drank in deze paragraaf wordt verstaan: sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet. Artikel2:28Exploitatievergunning horecabedrijf (
  150. z)Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Het is verboden een commercieel horecabedrijf voor het publiek geopend te hebben als de exploitant of de leidinggevende niet in de inrichting aanwezig is. De exploitant en de leidinggevende doen wat nodig is voor een goede gang van zaken in het horecabedrijf en in de directe omgeving daarvan en zijn verantwoordelijk voor een deugdelijke exploitatie. De vergunninghouder van het horecabedrijf dient regelmatig in het horecabedrijf aanwezig te zijn. De vergunning kan voor bepaalde termijn worden verleend indien niet met voldoende zekerheid de mate van nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde kan worden beoordeeld. De vergunning, al dan niet met aantekening, wordt voor bepaalde termijn verleend conform het desbetreffende beleid wanneer het aantal vergunningen of ontheffingen beperkt is en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft (schaarse vergunning). De burgemeester wijst categorieën van voorzieningen aan, waar horeca een nevenactiviteit is, waarvoor de vergunningplicht genoemd in het eerste lid niet geldt. Voor zover het horecabedrijf gelegen is in een vaartuig dat gebruikt wordt voor het vervoeren van personen is hiervoor, tijdens hun gebruik als zodanig, geen exploitatievergunning vereist. Voor zover het horecabedrijf een bed and breakfast betreft is hiervoor geen exploitatievergunning vereist indien: tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in maximaal twee kamers Bed & Breakfast diensten worden aangeboden; niet anderen dan de Bed & Breakfast gasten toegang hebben. De vergunning vervalt zodra de exploitant van de vergunning, de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk heeft beëindigd. Van beëindiging is in ieder geval sprake, indien: het horecabedrijf blijkens de registers van de Kamer van Koophandel niet meer voor rekening van de exploitant, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd; op grond van andere informatie blijkt, dat het horecabedrijf niet meer voor rekening van de exploitant, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd. De vergunning vervalt eveneens: indien sinds de vergunning onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. Artikel2:28aVergunningsaanvraag (
  151. z)De vergunning kan uitsluitend worden aangevraagd door middel van een door de gemeente Zaanstad gehanteerd aanvraagformulier. Bij de aanvraag om een exploitatievergunning moeten in ieder geval worden overgelegd: een schriftelijk stuk waaruit de juridische relatie van de exploitant met het desbetreffende perceel tot uitdrukking komt, zoals een huurovereenkomst, pachtovereenkomst of eigendomsbewijs; een ondernemingsplan met informatie over de aard van het horecabedrijf, de exploitatievorm en de beoogde doelgroep; een op grond van de wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB) vastgesteld en volledig ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden; indien de aanvraag een terras betreft, een locatietekening met afmetingen; een uittreksel van de inschrijving van het horecabedrijf bij de Kamer van Koophandel waarop het adres van het horecabedrijf staat vermeld. Bij de aanvraag voor het bijschrijven van een leidinggevende op het aanhangsel behorende bij een exploitatievergunning moeten in ieder geval worden overlegd: kopie geldig legitimatiebewijs; ondertekende arbeidsovereenkomst van de exploitant met de leidinggevende. In afwachting van het besluit bedoeld in het derde lid, mag een nieuwe leidinggevende werkzaamheden uitoefenen vanaf het moment waarop de exploitant een ontvangstbevestiging heeft gekregen op zijn aanvraag als bedoeld in het derde lid, totdat op de aanvraag is besloten. In bijzondere gevallen kan de burgemeester van het voorgaande afwijken. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:28bAlgemene weigerings- en intrekkingsgronden exploitatievergunning (
  152. z)1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en 1:8 weigert de burgemeester de aangevraagde horeca-exploitatievergunning of trekt deze in indien: de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmings- of omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of leidinggevende niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; de exploitant of leidinggevende onder curatele of bewind is gesteld; de ingediende bescheiden niet of niet langer overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen of genomen beslissing; 2.De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf, dan wel indien de veiligheid en gezondheid van de bezoekers van die inrichting, gelet op de wijze waarop die inrichting zal worden of wordt geëxploiteerd, in gevaar gebracht kan worden en daar redelijkerwijze niet in kan worden voorzien door het stellen van voorschriften en/of beperkingen. Bij de toepassing van de genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen; de aard van het horecabedrijf; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf; de wijze van exploitatie van de vergunninghouder en leidinggevende(
  153. n)in dit horecabedrijf of andere horecabedrijven; 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden tevens over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 4.Onverminderd het voorgaande kan de burgemeester de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf behorende terrassen weigeren: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan, in door de burgemeester aangewezen gebieden. 5.Voor de voorzieningen als bedoeld in het derde lid kan de burgemeester nadere regels stellen. Artikel2:28cBijzondere intrekkings- of wijzigingsgronden van de exploitatievergunning (
  154. z)Onverminderd de in artikel 1:6 en 2:28b genoemde gronden voor het intrekken of wijzigen van een vergunning, en onverminderd de bepalingen van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, kan de burgemeester de exploitatievergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen indien: zich binnen de inrichting gedragingen hebben voorgedaan zoals omschreven in artikel 36 van de Wet op de kansspelen; wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf door de aanwezigheid van het horecabedrijf nadelig wordt beïnvloed; in strijd is gehandeld met artikel 2 en/of 3 van de Opiumwet of aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet; aannemelijk is dat de exploitant of de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf, die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf dan wel als naar het oordeel van de burgemeester de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag als bedoeld in artikel 2:28b, een dergelijk gevaar of bedreiging vormen; de exploitant of de leidinggevende toelaat of gedoogt dat in zijn horecabedrijf strafbare en/of beboetbare feiten worden gepleegd; zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; er aanwijzingen zijn dat in het horecabedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; de vergunninghouder, exploitant of leidinggevende bij of krachtens deze verordening gestelde regels niet nakomt; de vergunninghouder, exploitant of leidinggevende de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt. Artikel2:29Sluitingstijd (
  155. z)1.het is verboden een horecabedrijf van de bestemmingsplancategorie lichte horeca voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in het horecabedrijf toe te laten of te laten verblijven tussen 0:00 en 7:00 uur; dit met uitzondering van het hierna onder c. bepaalde (voor horecazaken in het horeca concentratiegebied in Zaandam) het is verboden een horecabedrijf van bestemmingsplancategorie zware en middelzware horeca voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in het horecabedrijf toe te laten of te laten verblijven tussen 02:00 en 07:00 uur; dit met uitzondering van het hierna onder c. bepaalde in een horecabedrijf waarvoor de exploitant het geldende horecaconvenant heeft getekend is het verboden bezoekers: toe te laten tussen 03:00 en 07:00 uur te laten verblijven tussen 05:00 en 07:00 uur; Het is verboden een terras voor bezoekers geopend te hebben of daarop bezoekers toe te laten of te laten verblijven: * tussen 23.00 uur en 10.00 uur als het horecabedrijf niet is gevestigd in het horeca concentratiegebied van Zaandam; * tussen 02.00 uur en 10.00 uur als het horecabedrijf is gevestigd in het horecaconcentratiegebied van Zaandam. 2.De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras. 3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel2:30Afwijking sluitingstijden en afwijkende voorschriften en beperkingen horecabedrijf (
  156. z)De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven – al dan niet tijdelijk – : andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden; en/of afwijkende voorschriften en beperkingen opleggen, zoals het opleggen van een portiers plicht of de exploitant te gelasten zorg te dragen dat steeds wanneer horecabezoekers in de zaak aanwezig zijn van buitenaf kan worden waargenomen hetgeen binnen voorvalt. Artikel2:30aSluiting horecabedrijf (
  157. z)1.De burgemeester kan een horecabedrijf tijdelijk of voor onbepaalde tijd sluiten indien: dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning; het horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; zich een of meer van de in artikel 2:28b en c genoemde situaties voordoen. 2.Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet. Artikel2:30bSluiting gebouw of ruimte (
  158. z)De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat, de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar: zich binnen de inrichting gedragingen hebben voorgedaan zoals omschreven in artikel 36 van de Wet op de kansspelen; door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet. Artikel2:30cRegels met betrekking tot sluiting (
  159. z)De burgemeester kan het besluit tot sluiting verlengen indien de gronden die tot sluiting hebben geleid nog steeds aanwezig zijn. De burgemeester kan het sluitingsbevel intrekken dan wel niet verlengen als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bijbehorend erf. Artikel2:31Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn. Artikel2:32Handel binnen horecabedrijven (vervallen) Artikel2:33Ordeverstoring (
  160. z)Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. De exploitant en/of leidinggevende van het horecabedrijf draagt zorg dat personen die de orde verstoren terstond uit het horecabedrijf worden verwijderd en verwijderd blijven. De exploitant en/of leidinggevende draagt zorg voor het herstel van de orde in de inrichting indien deze wordt verstoord. Bij dreigende of plaatshebbende ordeverstoring in het horecabedrijf is (zijn) de bezoeker(
  161. s)verplicht zich op eerste vordering van de politie uit het bedrijf te verwijderen. In het belang van de openbare orde en ter voorkoming van verstoring van het woon- en leefklimaat is het verboden in een publiek toegankelijke inrichting of gebouw verdovende middelen als bedoeld in lijst I en II behorend bij de Opiumwet, te gebruiken dan wel dit gebruik toe te staan, anders dan in een coffeeshop waarvoor een gedoogverklaring en exploitatievergunning is verleend. Artikel2:34Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Afdeling8aBijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Artikel2:34aSchenktijden paracommerciële rechtspersonen (
  162. z)Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard kunnen uitsluitend alcohol houdende drank verstrekken op: maandag tot en met vrijdag na 18.00 uur en tot 00.00 uur; zaterdag, zondag en feestdagen na 12.00 uur en tot 22.00 uur. Voor zover er bij paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid verenigings- of wedstrijdactiviteiten plaatsvinden die eindigen binnen het laatste uur vóór het verlopen; of na afloop van de in dat lid genoemde schenktijden, is het deze paracommerciële rechtspersoon toegestaan, in aanvulling op de schenktijden genoemd in dat lid, alcoholhoudende drank te verstrekken tot één uur na beëindiging van deze activiteiten. Paracommerciële rechtspersonen waarbij het faciliteren van sociale interactie direct voortvloeit uit de doelstellingen zoals buurt- en dorpshuizen, kunnen uitsluitend alcoholische drank verstrekken: op zondag tot en met donderdag na 12.00 uur en tot 00.00 uur; op vrijdag en zaterdag na 12.00 uur en tot 00.00 uur. Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken gedurende de periode beginnende met één uur voor aanvang en eindigende met één uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. Artikel2:34bBijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen (
  163. z)Paracommerciële rechtspersonen zoals omschreven in artikel 2:34a, derde lid, mogen tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aarden bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtreeks betrokken zijn bij de activiteiten van de betreffende rechtspersonen, alcoholhoudende dranken verstrekken binnen de in artikel 2:34a, derde lid, vastgestelde schenktijden. Afdeling9Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2:35Begripsbepaling (vervallen) Artikel2:36Kennisgeving exploitatie (vervallen) Artikel2:37Nachtregister (vervallen) Artikel2:38Verschaffing gegevens nachtregister (
  164. z)(vervallen) Afdeling10Toezicht op speelgelegenheden (
  165. z)Artikel2:39Speelgelegenheden (
  166. z)(zie Verordening speelautomatenhallen gemeente Zaanstad) Artikel2:40Speelautomaten (
  167. z)(zie Verordening speelautomatenhallen gemeente Zaanstad) Afdeling 10a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat (
  168. z)Artikel 2:40a Begripsbepalingen (
  169. z)bedrijfsmatige activiteit: een activiteit die anders dan om niet plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw of een daarbij horend perceel, in de openbare ruimte, of in enige andere ruimte. exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of de gevolmachtigden voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd of de bedrijfsmatige activiteiten worden geëxploiteerd; bedrijfsleider: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten. Artikel 2:40b Aanwijzing gebouwen, straten, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten (
  170. z)De burgemeester kan gebouwen, straten, gebieden, bedrijfsmatige activiteiten of een combinatie daarvan aanwijzen wanneer in of rondom dat gebouw, die straat, dat gebied of ten gevolge van die bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid, de openbare orde of veiligheid onder druk staat of aannemelijk is dat deze onder druk kan komen te staan of indien er signalen zijn van ondermijnende activiteiten. Een gebouw, straat of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in die straat dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester het woon- en leefklimaat of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of er signalen zijn van ondermijnende activiteiten. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat of er signalen zijn van ondermijnende activiteiten. Artikel 2:40c Exploitatievergunning uitoefening bedrijf (
  171. z)Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen: in een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2:40b aangewezen gebouw, straat of gebied; of indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2:40b aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt aangevraagd door de exploitant. Bij het aanwijzen van gebouwen, straten, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40b stelt de burgemeester vast welke gegevens en bescheiden bij de aanvraag moeten worden ingediend. De burgemeester stelt een aanvraagformulier voor de indiening van een vergunningaanvraag vast. Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40d Eisen aan de exploitant en de bedrijfsleider (
  172. z)De exploitant en de bedrijfsleider: staan niet onder curatele of bewind; of zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag. Artikel 2:40e Weigeringsgronden (
  173. z)Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40b geweigerd: als de exploitant of de bedrijfsleider niet voldoet aan de in artikel 2:40d gestelde eisen; op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; als de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan of omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; als de exploitant of een van de bedrijfsleiders van het bedrijf drie jaar voor de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, aantasting van het woon- en leefklimaat gesloten is geweest of waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken; of als niet wordt voldaan aan specifieke voorwaarden die zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40b weigeren: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf of de openbare orde of veiligheid, door de wijze van exploitatie, dreigt te worden beïnvloed of indien er signalen zijn van ondermijnende activiteiten; als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; of als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. Artikel 2:40fIntrekking- en wijzigingsgronden (
  174. z)Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40b in: er in het bedrijf of bij de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd; of op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40b intrekken of wijzigen als: door het bedrijf of de bedrijfsmatige activiteiten de openbare orde of veiligheid wordt aangetast; door het bedrijf of de bedrijfsmatige activiteiten de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2:40d gestelde eisen; de exploitant of leidinggevende(
  175. n)bij of krachtens deze verordening gestelde regels niet nakomt; de exploitant of leidinggevende(
  176. n)betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed; er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. Artikel 2:40gSluiting (
  177. z)De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of locatie bevelen indien daar een bedrijf of bedrijfsmatige activiteiten worden uitgevoerd in strijd met het verbod uit het eerste lid van artikel 2:40c. Het is eenieder verboden een gesloten gebouw of locatie te betreden of daarin te verblijven. De sluiting wordt door de burgemeester opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. Artikel 2:40h Overgangsrecht (
  178. z)Voor aangewezen gebouwen, straten, gebieden waarbinnen reeds bedrijfsmatige activiteiten worden geëxploiteerd of voor aangewezen bedrijfsmatige activiteiten die op het tijdstip van aanwijzing reeds worden geëxploiteerd stelt de burgemeester een termijn vast waarop de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:40b in werking treedt. Afdeling11Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. 4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. (
  179. z)Artikel2:42Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel2:43Vervoer plakgereedschap e.d. 1.Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. 2.Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel2:44aVervoer geprepareerde voorwerpen (
  180. z)1.Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel2:45Betreden van plantsoenen e.d. 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3.van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:46Rijden over bermen e.d. (vervallen) Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, heining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich zodanig op te houden dat aan andere gebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:48Verboden drankgebruik Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op: een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet; een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel 2:48a verkoop en gebruik van lachgas Onder lachgas wordt verstaan: (distikstofmonoxide, N2O), een anorganische verbinding van stikstof en zuurstof met als bruto formule N2O, waarvan de verkoop en het gebruik - al dan niet in combinatie met gaspatronen, ballonnen, (slagroom)spuiten of een tank - voor recreatieve doeleinden plaatsvindt. Het is verboden op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen lachgas te gebruiken als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Het is verboden op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen, die deel uitmaken van een door de burgemeester aangewezen gebied, lachgas te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of al dan niet tegen betaling aan te bieden. Artikel2:49Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw. Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (
  181. z)Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:51Neerzetten van fietsen e.d. 1.Vervallen (opgenomen in artikel 5:12) 2.vervallen Artikel2:52Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Vervallen (opgenomen in artikel 5:12) Artikel2:53Bespieden van personen (
  182. z)(vervallen) Artikel2:54Bewakingsapparatuur (
  183. z)(vervallen) Artikel2:55Nodeloos alarmeren (
  184. z)(vervallen) Artikel2:56Alarminstallaties (
  185. z)(vervallen) Artikel2:57Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.De verboden genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a en b gelden niet voorzover: de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel2:58Verontreiniging door honden (
  186. z)1.De eigenaar of houder van of degene, die het toezicht heeft over een hond is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van het in deze afdeling bepaalde, aan te tonen dat hij bij het uitlaten van die hond (een) hulpmiddel(
  187. en)bij zich heeft, bestemd om uitwerpselen te kunnen verwijderen. 2.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 4.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel2:59Gevaarlijke honden Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister op aanvraag verstrekt uniek identificatiemiddel door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel 2:59aGevaarlijke honden op eigen terrein Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid OF heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel2:60Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren (
  188. z)[Vervallen] Artikel2:61Wilde dieren gereserveerd Artikel2:62Loslopend vee (vervallen) Artikel2:63Duiven (
  189. z)(vervallen) Artikel2:64Bijen (
  190. z)(vervallen) Artikel2:65Bedelarij (
  191. z)Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. Afdeling12Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2:66Begripsbepaling [Vervallen] Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister [Vervallen] Artikel2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht [Vervallen] Artikel2:69Vervreemding van door opkoop verkregen goederen gereserveerd Artikel2:70Handel binnen horecabedrijven Verplaatst naar artikel 2:32 Afdeling13Vuurwerk Artikel2:71Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit). Artikel2:72Ter beschikking stellen van consumentenvoorwerk tijdens de verkoopdagen 1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college. 2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:73Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:73a Carbidschieten Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. Afdeling14Drugsoverlast (
  192. z)Artikel2:74Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Afdeling15Bestuurlijke ophouding, veiligheids-risicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen en verblijfsontzeggingen Artikel2:75Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 of artikel 5:35 van de Algemene plaatselijke verordening of de voorschriften en beperkingen groepsgewijs niet naleven die, met toepassing van artikel 1:4, verbonden zijn aan een vergunning of ontheffing, verleend ingevolge een van de vorengenoemde artikelen. Artikel2:76Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2:77Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: ·(door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn) Artikel2:78Verblijfsontzegging (
  193. z)Het is degene aan wie door de burgemeester, in het belang van de openbare orde, een verblijfsontzegging is bekendgemaakt, verboden zich te bevinden op of aan de door de burgemeester in die verblijfsontzegging aangewezen wegen of plaatsen, gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende een in de verblijfsontzegging genoemde periode van ten hoogste twaalf

(12)weken. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien degene aan wie de verblijfsontzegging is bekendgemaakt zich bevindt in een openbaar vervoermiddel, tenzij in de verblijfsontzegging uitdrukkelijk anders is bepaald. De burgemeester stelt nadere regels omtrent de toepassing van dit artikel, de omstandigheden die kunnen leiden tot een verblijfsontzegging en de duur ervan. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Als de burgemeester een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Hoofdstuk3Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling1Algemene bepalingen Artikel3:1Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel3:2Begripsbepalingen (
  1. z)In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; escortbedrijf: het bedrijfsmatig aan een prostituee gelegenheid geven tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen vergoeding door te bemiddelen tussen de prostituee en de derde met het oog op prostitutie die plaats vindt op een ander adres dan de woning van de prostituee of een seksinrichting; exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt geëxploiteerd; klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een seksbedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen vergoeding; prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen vergoeding; prostitutiebedrijf: het bedrijfsmatig aan een prostituee gelegenheid geven tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen vergoeding; seksbedrijf: het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot: het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen vergoeding (=prostitutiebedrijf); of prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee (=escortbedrijf); of het verrichten van seksuele handelingen met en voor een derde (niet tegen vergoeding) (=overig seksbedrijf); of het verrichten van seksuele handelingen voor een derde tegen vergoeding (=overig seksbedrijf); of het aanbieden van fysieke vertoningen van erotisch-pornografische aard (al dan niet tegen vergoeding) (=overig seksbedrijf). seksinrichting: voor een derde toegankelijke besloten ruimte die onderdeel is van een seksbedrijf. sekswerker: de natuurlijke persoon die tegen vergoeding seksuele handelingen verricht met een derde (prostitutie), of die tegen vergoeding seksuele handelingen verricht voor een derde (onder meer bij live seksshows, peepshows en striptease-bars). sekswinkel: winkel waar goederen van erotisch-pornografische aard worden verkocht of verhuurd; thuiswerker: degene die zich vanuit huis beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen vergoeding zonder bedrijfsmatig karakter. werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin seksuele handelingen met een derde tegen vergoeding worden verricht. Artikel3:2aBevoegd bestuursorgaan (
  2. z)In dit hoofdstuk wordt onder het bevoegd bestuursorgaan verstaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3:2bNadere regels (
  3. z)Met het oog op de openbare orde, de belangen genoemd in artikel 3:7, zesde lid, of de maatregelen, bedoeld in artikel 3:15, eerste lid, kan het bevoegd bestuursorgaan nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk. Afdeling2Exploitatievergunning seksbedrijf Artikel3:3Exploitatievergunning seksbedrijf (
  4. z)Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksbedrijf uit te oefenen of te wijzigen. De vergunning is locatie- en persoonsgebonden en niet overdraagbaar. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Een vergunning kan voor één of meerdere seksinrichtingen binnen het seksbedrijf worden verleend. Artikel3:3aOvergangsbepaling seksbedrijven (
  5. z)Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening verleende vergunning voor een seksbedrijf die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet is ingetrokken of vervallen, geldt gedurende 26 weken na de inwerkingtreding van deze verordening als een vergunning krachtens deze verordening. Indien binnen deze periode een aanvraag voor een nieuwe vergunning is ingediend, blijft deze vergunning van kracht totdat met toepassing van deze verordening op de aanvraag is beslist. Artikel3:4Concentratie seksbedrijven (
  6. z)Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksbedrijf geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard. Artikel3:5Maximum aantal vergunningen voor seksbedrijven (
  7. z)Binnen de gemeente Zaanstad worden maximaal één vergunning voor een escortbedrijf, twee vergunningen voor een prostitutiebedrijf (niet zijnde raamprostitutie of escort) en twee vergunningen voor een overig seksbedrijf verleend. Een vergunning als bedoeld in artikel 3:3 kan alleen worden verleend indien het maximum voor het aantal te verlenen vergunningen niet bereikt is en na het volgen van de geldende Aanvraag- en selectieprocedure exploitatievergunning seksbedrijf een gegadigde in aanmerking komt voor het aanvragen van een vergunning. Artikel3:6Aanvraag (
  8. z)Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld en volledig ingevuld formulier met daarbij behorende bescheiden, evenals een op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur vastgesteld en volledig ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit(
  9. en)de vergunning wordt gevraagd. Het bevoegd bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen. Artikel3:7Weigeringsgronden (
  10. z)Een vergunning wordt geweigerd als: de exploitant of de beheerder onder curatele staat; de exploitant of de beheerder jonger dan 21 jaar is op het moment van de aanvraag; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die: als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het andere personen dan prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel, of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen. het maximum aantal vergunningen, zoals door het bevoegd bestuursorgaan is vastgesteld, is bereikt. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijkgesteld: een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt: bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning; bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder f en g, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. Een vergunning wordt geweigerd als de vestiging of de exploitatie van het seksbedrijf in strijd is met een geldend bestemmings- of omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee(s); een weigeringsgrond voortvloeiend uit de wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Een vergunning kan tevens worden geweigerd indien: de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig opzicht van slecht levensgedrag is; de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of als in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; het bedrijfsplan niet voldoet aan de door het bevoegd bestuursorgaan gestelde nadere regels als bedoeld in artikel 3:2b. Artikel3:8Eisen met betrekking tot de vergunning (
  11. z)De vergunning vermeldt in ieder geval: de naam van de exploitant(en); voor zover van toepassing, die van de beheerder(s); het adres waar het seksbedrijf wordt gevestigd en/of uitgeoefend; het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; de activiteit(
  12. en)waarop de vergunning ziet; de seksinrichting(
  13. en)welke binnen het seksbedrijf is/zijn gevestigd; de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; de geldigheidsduur van de vergunning; het nummer van de vergunning. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan: aanwezig is en/of digitaal getoond kan worden in het seksbedrijf waarvoor de vergunning is verleend; dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel3:9Intrekkingsgronden (
  14. z)De vergunning als bedoeld in artikel 3:3 wordt ingetrokken indien: de ingediende bescheiden niet of niet langer overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen of genomen beslissing; de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, 3:14 eerste lid, 3:15 en/of de wet Bibob; zich in of vanuit het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of veiligheid, of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het seksbedrijf; wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; in strijd is gehandeld met artikel 2 en/of 3 van de Opiumwet of aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet; zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met g; de vergunninghouder dat verzoekt. De vergunning als bedoeld in artikel 3:3 kan tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd indien: is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; de exploitant of leidinggevende het bepaalde bij of krachtens artikel 3:17 niet of onvoldoende naleeft; is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan opgenomen maatregelen; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; zich binnen de inrichting gedragingen hebben voorgedaan zoals omschreven in artikel 36 van de Wet op de kansspelen. Artikel3:10Melding gewijzigde omstandigheden (
  15. z)De vergunninghouder meldt elke verandering van de gegevens in de exploitatievergunning zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen twee weken, aan het bevoegd bestuursorgaan. Deze verleent alleen bij een ondergeschikte wijziging een gewijzigde vergunning. Indien er sprake is van een niet ondergeschikte wijziging dient er een nieuwe vergunning te worden verleend conform de geldende Aanvraag- en selectieprocedure exploitatievergunning seksbedrijf. Na verlening van de vergunning mogen geen nieuwe bestuurders/vennoten tot de bedrijfsvoering worden toegevoegd. Artikel3:11Geldigheidsduur vergunning (
  16. z)De vergunning als bedoeld in artikel 3:3 heeft een geldigheidsduur van vijf jaar. Afdeling3Uitoefenen seksbedrijf Artikel3:12Sluitingstijden seksbedrijven, aanwezigheid en toegang (
  17. z)Het is verboden een seksbedrijf voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tussen 02:00 en 07:00 uur of te laten verblijven tussen 05:00 en 07:00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald. Het is bezoekers van een seksbedrijf verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf gesloten dient te zijn voor bezoekers. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen onder de 18 jaar toe te laten tot of te laten verblijven in een seksbedrijf. Artikel3:13Adverteren (
  18. z)Het is verplicht om het volgende in een advertentie te vermelden: de bedrijfsnaam van het seksbedrijf, het telefoonnummer van het seksbedrijf en het nummer van de vergunning van het seksbedrijf. Het is verboden in advertenties van een prostitutiebedrijf onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen. Artikel3:13aTijdelijke afwijking sluitingstijden en tijdelijke sluiting (
  19. z)Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:7, zesde lid of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:12, eerste lid, geldende sluitingstijden vaststellen; of van een seksbedrijf al dan niet tijdelijk gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid bekend op grond van het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht. Artikel3:13bAanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder (
  20. z)Het is verboden een seksbedrijf voor bezoekers te hebben geopend zonder dat de exploitant of beheerder als bedoeld in artikel 3:2 in het seksbedrijf aanwezig is. De exploitant en de beheerder zien er onder andere op toe dat in het seksbedrijf: geen strafbare feiten plaatsvinden; geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. De exploitant en beheerder doen wat nodig is voor een goede gang van zaken in het seksbedrijf en in de directe omgeving daarvan en zijn verantwoordelijk voor een deugdelijke exploitatie. Artikel3:13cBeëindiging exploitatie (
  21. z)De vergunning vervalt van rechtswege zodra een of meer van de exploitanten die in de vergunning is vermeld, de exploitatie van het seksbedrijf feitelijk heeft beëindigd. Van beëindiging is in ieder geval sprake, indien: het seksbedrijf blijkens het register van de Kamer van Koophandel niet meer voor rekening van de exploitant, op wiens naam de vergunning is gesteld of mede is gesteld, wordt geëxploiteerd, of op grond van andere informatie blijkt, dat het seksbedrijf niet meer voor rekening van de exploitant, op wiens naam de vergunning is gesteld of mede is gesteld, wordt geëxploiteerd. Artikel3:13dWijziging beheer (
  22. z)Indien sprake is van een wijziging van de beheerder van het seksbedrijf, brengt de exploitant de burgemeester daarvan onverwijld schriftelijk in kennis. Bij de aanvraag voor het wijzigen van beheer op de exploitatievergunning moeten in ieder geval worden overlegd: kopie identiteitsbewijs / paspoort van de nieuwe beheerder; arbeidsovereenkomst van de exploitant met de nieuwe beheerder. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door die nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een ontvangstbevestiging heeft ontvangen op zijn aanvraag als bedoeld in het tweede lid, totdat op de aanvraag is besloten. In bijzondere gevallen kan de burgemeester van het voorgaande afwijken. Artikel3:14Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf (
  23. z)Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: jonger dan 21 jaar is, of in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000. Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksbedrijf is verleend. Het is verboden om als prostituee jonger dan 21 jaar werkzaam te zijn voor personen. Artikel3:14aOvergangsbepaling minimale leeftijd prostituee (
  24. z)Het verbod als bedoeld in artikel 3:14, eerste lid, wordt van kracht: een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening voor prostituees die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de leeftijd van 20 jaar hebben bereikt; twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening voor prostituees die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de leeftijd van 19 jaar hebben bereikt; drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening voor prostituees die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Artikel3:15Bedrijfsplan (
  25. z)Een seksbedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: op het gebied van hygiëne; ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees en de klanten als het seksbedrijf een prostitutiebedrijf is; ter bescherming van de gezondheid van de klanten; ter voorkoming van strafbare feiten. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, waarborgen dat: de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de geldende Hygiënerichtlijn voor seksbedrijven en sekswerkers van het Landelijk Centrum voor Hygiëne en Veiligheid (LCHV) en dat dit controleerbaar is; inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; de prostituee vrij is in de keuze van de arts(
  26. en)die zij wil bezoeken; de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft; de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft; aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin; de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen; de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt; de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt; de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie; de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt. Het bedrijfsplan wordt overlegd bij de aanvraag om een vergunning. De exploitant dient een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegd bestuursorgaan te melden. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegd bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt. Artikel3:16Minimale verhuurperiode werkruimte (gereserveerd) Artikel3:17Verdere verplichtingen van de exploitatie en beheerder prostitutiebedrijf (
  27. z)De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat: de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen en het aantal uren dat zij achtereen werkzaam zijn; hij altijd zaken doet met de prostituee zelf en nooit met een vertegenwoordiger van de prostituee; de rechten voor prostituees op schrift zijn gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal zijn uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant; in het prostitutiebedrijf in tenminste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend wordt gemaakt dat een prostituee klanten, diensten en seksuele handelingen zonder condoom mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken; er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt bijgehouden waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval; de naam, geboortedatum, burgerservicenummer, nationaliteit, adres, woonplaats en een kopie van het identiteitsbewijs of verblijfsdocument van de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees; de verhuuradministratie; de getekende kopieën van de intakeformulieren die de exploitant met de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees heeft gehouden; de met de prostituee gemaakte afspraken over de prijzen; de werkroosters van de beheerders. de bedrijfsadministratie altijd beschikbaar is voor toezichthouders en opsporingsambtenaren, met inachtneming van de wettelijke termijnen; medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksbedrijven als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden; ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang of uitbuiting onverwijld bij de burgemeester en de politie wordt gemeld. Artikel3:18Raamprostitutie (
  28. z)Het is een prostituee verboden: zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan (potentiële) klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen, of passanten op hinderlijke wijze te bejegenen, zich aan passanten op te dringen, of zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksbedrijf of bij de toegang tot een seksbedrijf op te houden. Artikel3:19Straatprostitutie (
  29. z)Het is een ieder verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksbedrijf waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel zich beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan de weg seksuele handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie. Artikel3:20Handhaving straatprostitutie (
  30. z)Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19, kan door een opsporingsambtenaar het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:5, vijfde lid, kan door een opsporingsambtenaar aan personen die zich bevinden op de openbare plaatsen, bedoeld in artikel 3:19, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:5, vijfde lid, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het tweede lid, verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar vervoermiddel, te bevinden op de in dat besluit aangegeven openbare plaats(en). De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het derde lid indien dat in verband met persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk is. Afdeling4Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel3:21Verbodsbepalingen klanten (gereserveerd) Artikel3:22Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling1Geluidhinder en verlichting Artikel4:1aBegripsbepalingen Vervallen (opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:1bHoreca-, sport- en recreatie-inrichtingen (
  31. z)Vervallen Artikel4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten (
  32. z)Vervallen (opgenomen in artikel 5.40 Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:3Kennisgeving incidentele festiviteiten (
  33. z)Vervallen (opgenomen in artikel 5.41 Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:4Verboden incidentele festiviteiten (vervallen) Artikel4:5Onversterkte muziek (
  34. z)Vervallen (opgenomen in artikel 5:42 van de Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:6Overige geluidhinder Vervallen (opgenomen in artikel 5.43 van de Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:6aMosquito 1.In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert. 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 3.De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4.Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5.Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste 3 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste 3 maanden verlengen. Afdeling2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel4:7Ongeadresseerde reclame (
  35. z)Ingetrokken. Artikel4:8Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel4:9Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Vervallen (opgenomen in artikel 2.6 van de Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:9aOplaten van ballonnen (
  36. z)Vervallen (opgenomen in artikel 2.10 van de Verordening Fysieke Leefomgeving) Afdeling3Het bewaren van houtopstanden Artikel4:10Begripsbepalingen [Vervallen (opgenomen in artikel 1.1 Verordening Fysieke Leefomgeving] Artikel4:11Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden [Vervallen (opgenomen in de artikelen 5.80, 5.83 en 5.84 Verordening Fysieke Leefomgeving)] Artikel4:11aBestrijding iepziekte [Vervallen (opgenomen in artikel 5.85 Verordening Fysieke Leefomgeving)] Artikel4:12Herplant-/instandhoudingsplicht [Vervallen (opgenomen in artikel 5.81 Verordening Fysieke Leefomgeving)] Afdeling4Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel4:13Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. 4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Landschapsverordening Noord-Holland 2010. Artikel4:14Stankoverlast door gebruik van meststoffen (vervallen) Artikel4:15Verbod ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclame (
  37. z)1.In dit artikel wordt onder reclame verstaan: het aanprijzen van of de aandacht vestigen op diensten, goederen, activiteiten, doelstellingen of namen. 2.Het is verboden op of aan een roerende of een onroerende zaak reclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding , indien daardoor: het verkeer in gevaar wordt gebracht; ernstige hinder ontstaat voor de omgeving; het stadsbeeld ernstig wordt ontsierd, of afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de openbare ruimte. 3.Het college kan nadere regels stellen voor reclame in bepaalde gebieden en aangeven wanneer reclame niet toelaatbaar is, omdat deze naar het oordeel van het college ernstig ontsierend is voor het stadsbeeld of afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Artikel4:16Vergunningplicht lichtreclame (vervallen) Afdeling5Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel4:17Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel4:18Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; de bescherming van een stadsgezicht. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4:19Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het verbod van artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid. Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling1Parkeerexcessen Artikel5:1Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a l, van het reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen. Aanhangwagens en scootmobielen vallen uitdrukkelijk onder de begripsbepaling voertuigen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Artikel5:2Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:4Defecte voertuigen (vervallen) Artikel5:5Overlastgevende voertuigen (
  38. z)1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op of aan de weg te parkeren. 2.Het is verboden een voertuig dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig geldig wettelijk verplicht kenteken, op de openbare weg te parkeren. 3.Het is verboden om een voertuig, dat bestemd is voor andere dan verkeersdoeleinden, te parkeren of geparkeerd te hebben op de openbare weg voor een tijdsduur langer dan 2 maanden. 4.Het verbod in lid 1 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 5.Het verbod in lid 3 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5:6. Artikel5:6Kampeermiddelen e.a. 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Landschapsverordening Noord-Holland 2010. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:7Parkeren van reclamevoertuig

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.