In het kort
Deze verordening regelt de huisvestingsvoorzieningen voor scholen in de gemeente Tilburg en beschrijft de procedures voor het aanvragen en toekennen van deze voorzieningen. Het vervangt de eerdere verordening uit 2010.
Wat het reguleert
- De soorten huisvestingsvoorzieningen die scholen kunnen aanvragen.
- De procedure voor het indienen van aanvragen voor deze voorzieningen.
- De wijze waarop de vergoeding voor voorzieningen wordt vastgesteld.
- De informatie die scholen moeten verstrekken aan de gemeente.
Wie het aangaat
- Het bevoegd gezag van scholen voor primair onderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente Tilburg.
- De gemeente Tilburg (het college van burgemeester en wethouders).
Kernpunten
- Aanvragen voor opname in het programma moeten vóór 1 januari van het jaar van vaststelling van het programma worden ingediend.
- De verordening onderscheidt voorzieningen zoals nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming van bestaande gebouwen, verplaatsing van noodlokalen, terrein, inrichting en herstel van schade.
- De vergoeding voor voorzieningen kan gebaseerd zijn op vooraf genormeerde bedragen of op feitelijk voorziene kosten.
- Onvolledige aanvragen kunnen door het college buiten behandeling worden gelaten.
Wettekst
Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg 2016De raad van de gemeente Tilburg; -gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; Besluit
- Ten opzichte van de huidige Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg 2010 de volgende artikelen aan te passen: Artikel 2, onderdelen b en c; Artikel 4, lid 3, verwijzing naar artikel 2,onder b en c; Artikel 7, lid 2, onder b, tekst 'uit onderhoud aan een gebouw voor het basisonderwijs of het (voortgezet) speciaal onderwijs'; Bijlage I, deel A, onder 1.9, 1.10, 2.9 en 2.10; Bijlage I, deel B, onder 1.9, 1.10, 2.9 en 2.10; Bijlage I, deel B, overzicht activiteiten onderhoud en aanpassingen; Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses' actualiseren; Bijlage V 'Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen' vervangen door een nieuwe bijlage V; en voor zover noodzakelijk de Toelichting. De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg 2010, zoals vastgesteld op 19 juli 2010 In te trekken. De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg 2016 vast te stellen. Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg 2016 HOOFDSTUK1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet) speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs; school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra, artikel X van de wet van 31 mei 1995 (Stb. 319) of artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht; voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze verordening; programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze verordening; overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze verordening; aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft ingediend; aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om bekostiging van bouwvoorbereiding; vervallen: vervallen permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 40 jaren als huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; niet-permanent gebouw: verplaatsbare of niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; unilocatie: hoofdgebouw met eventueel een ander gebouw dat op eigen terrein ligt, dan wel op een aangrenzend of zeer nabijgelegen terrein. onderwijsgebied: geografisch gedeelte van de gemeente Tilburg, gebaseerd op de indeling voor gebiedsgericht werken: gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in lichamelijke oefening; advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs; verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden; gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs; beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108, tweede lid van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u, tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs; eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel2Omschrijving voorzieningen in de huisvesting Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden: de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen bestaande uit: 1 nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie; 2 uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; 3 gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school; 4 verplaatsing van één of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de huisvesting van een school; 5 terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1 tot en met 4 omschreven voorziening; 6 inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking zijn gebracht; 7 inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht; 8 medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een gymnastiekruimte en een bad voor watergewenning of bewegingstherapie; herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, alsmede uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; herstel en vervanging van schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket en leer- en hulpmiddelen en meubilair als gevolg van brand, storm, inbraak of vandalisme. huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school of scholengemeenschap voor vwo, avo en vbo ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening. Artikel3Bouwvoorbereiding voorzieningen Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a 1 en a 2 kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing. Artikel4Vaststelling vergoeding voorzieningen 1.Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, dan wel bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval. 2.De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV deel A en is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a 1, 2, 6, 7 en d. 3.De bekostiging op basis van feitelijke kosten is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a 3,4, b, c, en artikel
- Artikel5Informatieverstrekking 1.Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek van het college gegevens die noodzakelijk zijn voor een adequate uitvoering van het bepaalde in deze verordening. 2.Ter uitvoering hiervan kunnen door het college nader aanwijzingen worden gegeven. HOOFDSTUK2Programma en overzicht Paragraaf2.1Aanvragen programma Artikel6Indiening aanvraag 1.Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt voor 1 januari van het jaar van vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het college. 2.Indien de aanvraag na die datum is ingediend kan het college besluiten de aanvraag toch in behandeling te nemen. Artikel7Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag 1.De aanvraag vermeldt in ieder geval: de naam en het adres van de aanvrager; de dagtekening de naam van de school, en voor zover van toepassing, het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd; welke voorziening wordt aangevraagd; de onderbouwing van de noodzaak en omvang van de gewenste voorziening; de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening. 2.In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de aanvraag zonodig vergezeld van: de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 1tot en met 4; een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt indien het een voorziening betreft bestaande uit nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw of het (voortgezet) speciaal onderwijs of uit herstel van een constructiefout; een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is. een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27; 3.Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld binnen een bij de mededeling vermelde termijn de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de mededeling vermelde termijn heeft verstrekt, kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen. 4.Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag betrekking heeft op een voorziening voor een school waarvan de beoordeling van de noodzaak mede gebaseerd is op het aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager onverwijld aan het college een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de school. Indien het college het afschrift niet binnen een week na het tijdstip van de wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld het afschrift van de opgave alsnog binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in te dienen. Indien het afschrift van de opgave niet binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te behandelen. Artikel8 Vervallen Paragraaf2.2Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht Artikel9Toelichting aanvraag 1.De aanvraag kan op verzoek van de aanvrager of het college nader worden toegelicht. 2.Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij toepassing van het gestelde in paragraaf 2.
- Artikel10Overleg programma en overzicht; advies onderwijsraad 1.Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen. 2.De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. 3.De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis. 4.Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. 5.Een bevoegd gezag of het college dat een advies wenst van de Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. 6.De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het overleg als bedoeld in het vierde lid. 7.Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag van het overleg.
- Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad. 9.Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoeld in het vierde lid. Paragraaf2.3Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht Artikel11Tijdstip vaststelling 1.Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per voorziening. 2.Het programma en het overzicht worden vastgesteld uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt. Artikel12Inhoud programma 1.De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen van de in de wet opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma. Bij deze vaststelling past het college de regels toe met betrekking tot: de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in bijlage III. Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn. 2.Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10 kan het college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V. 3.Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt, voor zover van toepassing, door het college aangegeven: het genormeerde bedrag dat ingevolge de financiële normering als bedoeld in bijlage IV voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld; het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin; de voorwaarden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen. Artikel13Inhoud overzicht Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn opgenomen. Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen. Artikel14Bekendmaking besluit vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht 1.De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt zo spoedig mogelijk na de datum van vaststelling door toezending door het college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling aan de overige bevoegde gezagsorganen. 2.De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd. Paragraaf2.4Uitvoering programma Artikel15 Vervallen Artikel16Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes Voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken in het overleg, zoals genoemd in artikel 95 van de Wet op het Primair Onderwijs, artikel 93 van de Wet op de Expertisecentra dan wel artikel 76f van de Wet op het Voortgezet Onderwijs, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen ter instemming in bij het college. Het college beslist zo spoedig mogelijk over de instemming met de bouwplannen en de desbetreffende begroting, alsmede over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking. De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven, als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening. 4.Nadat het college het bouwplan van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin heeft goedgekeurd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist zo spoedig mogelijk na ontvangst van de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de offerte met de laagste prijsstelling bepalend. Artikel16aGemeentelijk aanbestedingsbeleid Voor de prijsvorming van werken en leveringen voorzover betrekking hebbend op voorzieningen als bedoeld in artikel 4, lid 3, dient de aanvrager de richtlijnen van het aanbestedingsbeleid van de gemeente Tilburg te hanteren. Artikel17 Vervallen Artikel18Vervallen aanspraak op bekostiging 1.De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarop het programma betrekking heeft, een bouwopdracht heeft verleend dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, binnen welke het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijns onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding , alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop. 2.De aanspraak op vergoeding vervalt niet, indien de overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 15 oktober een verzoek tot verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft ingediend.. 3.Het college beslist voor 15 november op het verzoek als bedoeld in het tweede lid. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd. HOOFDSTUK3Aanvragen met spoedeisend karakter Paragraaf3.1Aanvraag Artikel19Indiening aanvraag Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting die, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden, kan worden ingediend bij het college. Artikel20Inhoud aanvraag 1.De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de volgende gegevens te verstrekken: een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de huisvesting spoedeisend maken; de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma; een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. 2.Indien naar het oordeel van het college één of meer gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld binnen een bij de mededeling vermelde termijn de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te behandelen. Paragraaf3.2Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit Artikel21Tijdstip beslissing 1.Het college beslist binnen acht weken na ontvangst of binnen acht weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het college. 2.Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Artikel22Inhoud beslissing 1.De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de in de wet opgenomen weigeringsgronden van toepassing zijn. Bij deze vaststelling past het college regels toe met betrekking tot: de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III. 2.De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening omvatten. 3.Het college vermeldt welk bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening maximaal beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Artikel23 Vervallen. Artikel24 Vervallen. HOOFDSTUK4Bekostiging bouwvoorbereiding Artikel25Aanvraag 1.Een bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding van die voorziening. 2.De aanvraag wordt gedaan voor 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de vergoeding wordt gewenst. 3.De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: de naam en het adres van de aanvrager; de dagtekening; de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt gewenst; de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste locatie van de voorziening; het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening; een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand gebouw. een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de vergoeding kosten bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. 4.Bij het ontbreken van één of meerdere gegevens als bedoeld in het derde lid, deelt het college dit schriftelijk mee aan de aanvrager en stelt hem in de gelegenheid de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing. Artikel26Toelichting en overleg aanvraag 1.Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige artikel, is het bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing. 2.Voordat het college een besluit neemt over de bekostiging van bouwvoorbereiding treedt het college in overleg met de aanvrager. Artikel27Beschikking op aanvraag 1.Het college neemt voor het tijdstip als bedoeld in artikel 11 een beslissing over de aanvraag. 2.De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover: er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn; de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat; er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht. 3.Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt vermeldt de beschikking tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het bedrag. 4.Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing van de nieuwbouw op enig toekomstig programma. Artikel28 Vervallen. HOOFDSTUK5Medegebruik en verhuur Paragraaf5.1Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie. Artikel29Aanduiding omstandigheden Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of terrein, bestemd voor het basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien: er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend; het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien; er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school gangbare berekeningswijze; er sprake is van leegstand in een lesgebouw; er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school. Artikel30Omschrijving leegstand 1.Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde school of scholen; wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters bruto vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of lesroosters voor het lopende of het eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan vierkante meters bruto vloeroppervlakte geen sprake is van onderbenutting van de onderwijsruimten. 2.Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte: wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of meer scholen voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het aantal klokuren gebruik dat wordt vergoed op grond van artikel 38 minder is dan 40 klokuren. wanneer het een gebouw betreft van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is. wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert. Artikel31Nalaten vordering; volgorde van vorderen 1.Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan die school of scholen. 2.Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit. 3.Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst bij of in het voedingsgebied van het hoofdgebouw ligt, tenzij uit het oogpunt van doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw een betere oplossing biedt. 4.Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in het derde lid opgenomen volgorde afwijken. Artikel32Overleg en mededeling 1.Indien het college voornemens is over te gaan tot vordering van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. 2.Binnen vier weken na de bekendmaking van het programma als bedoeld in artikel 14, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben. 3.Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. 4.Binnen twee weken na afloop van het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet het college mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan wordt gevorderd. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de vordering te hebben. 5.De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het tweede en vierde lid, bevat in ieder geval: de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt gevorderd; een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat wordt gevorderd; een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking heeft; een aanduiding van het aantal en type ruimten dat gevorderd wordt; de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het medegebruik. Artikel33Vergoeding De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg een vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen door het ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma's van eisen, zoals jaarlijks gepubliceerd door het ministerie van OCW. Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden Artikel34Aanduiding omstandigheden Het college kan overgaan tot vordering indien: er sprake is van leegstand van een lesgebouw of gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30; er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken. Artikel35Overleg en mededeling Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met het bevoegd gezag. In dat overleg komt in ieder geval aan de orde: voor welke activiteit of activiteiten wordt gevorderd; of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school; welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt; wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor medegebruik is; de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan nemen. Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag. Indien het overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden afgezien. Paragraaf5.3Verhuur Artikel36Toestemming college 1.Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het toestemming voor verhuur aan het college 2.Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming van de te verhuren ruimte en inzicht in de huurafspraken met de huurder. 3.Het college verleent in ieder geval geen toestemming indien: de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met bepalingen daaromtrent uit de wet; de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school. 4.Het college kan aan het verlenen van toestemming voor verhuur de voorwaarde verbinden dat het bevoegd gezag (een deel van) de huurinkomsten overdraagt aan de gemeente. HOOFDSTUK6Einde gebruik gebouwen en terreinen Artikel37Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud 1.Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft voor de huisvesting van een school wordt het gebruik van het gebouw of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke akte. 2.Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt, een staat van onderhoud opgemaakt. 3.De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college na overleg met het bevoegd gezag. 4.Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college wordt betaald. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze wordt gevolgd. 5.Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit naar het oordeel van het college niet nodig is. HOOFDSTUK7Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. Artikel38Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering gebruik 1.Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1 juni voorafgaand aan het volgende schooljaar aan het college een opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave wordt beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel van toepassing is. 2.Het college stelt jaarlijks vóór 1 oktober van het lopende schooljaar, op basis van de ingediende opgaven een overzicht vast van het onderwijsgebruik door scholen voor primair onderwijs en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Voorzover daarbij wordt afgeweken van de ingediende opgaven wordt hierover overleg gepleegd met het bevoegd gezag. 3.Het college neemt bij de vaststelling van het overzicht het volgende in acht: de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I, deel B; een school, waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van de gymnastiekruimte, wordt het eerste voor die ruimte op het overzicht opgenomen; het gymnastiekonderwijs van een school vindt zoveel mogelijk in één gymnastiekruimte plaats. 4.Het overzicht vermeldt per school voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende gegevens: het aantal klokuren waarvoor een school van een gymnastiekruimte gebruik kan maken; de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin het onderwijsgebruik plaatsvindt; een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan 1 ruimte plaatsvindt; voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal klokuren dat ingevolge artikel 38, eerste lid, voor bekostiging in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de school. 5.Het overzicht wordt door het college binnen twee weken na vaststelling aan de bevoegde gezagsorganen voor primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs toegezonden. Het overzicht is te beschouwen als een beslissing in de zin van artikel
- 6.Het bevoegd gezag, dat eigenaar van een gymnastieklokaal is en op grond van artikel 38, lid 2, een vergoeding voor medegebruik ontvangt, roostert in overleg met de mede gebruikende scholen de aan de betreffende gymnastiekruimte toegewezen klokuren in. Een voorlopige inroostering vindt plaats voor 1 juli op basis van de opgave als bedoeld in lid
- 7.Indien het bevoegd gezag van een mede gebruikende school niet kan instemmen met het rooster, legt de eigenaar van het gymnastieklokaal dit rooster ter goedkeuring aan het college voor. 8.Het college beslist, beide partijen gehoord. 9.Het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs, dat uitbreiding van het aantal klokuren wenst vanwege een stijging met een of meer leerlingen op de meest recente teldatum, dient een aanvraag bij het college in. HOOFDSTUK8Overgangs- en slotbepalingen Artikel40Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel40aWijziging van de verordening. Bij een voorstel tot wijziging van deze verordening is de procedure genoemd in artikel 10 van overeenkomstige toepassing. Artikel41Indexering Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling. Artikel42Citeertitel; inwerkingtreding De verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg
- Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
- Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 4 juli 2016.de griffier, de voorzitter,Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere voorwaarden waaronder – behoudens de financiële toets – de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen vallen uiteen in twee delen: – deel A: lesgebouwen; – deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening. DEEL A Lesgebouwen1 School voor basisonderwijs1.1 NieuwbouwDe noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. 1.2 Vervangende bouwDe noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens een bouwkundige opname, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging); het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college; vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een herschikkingoperatie; vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. 1.3 Uitbreiding1.3.1 Uitbreiding AlgemeenDe noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt; en het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren voor een uitbreiding in permanente vorm deze leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren voor een uitbreiding in niet-permanente vorm deze leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal één jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren. 1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaalDe noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten; het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste zes jaren zal blijven bestaan en het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is en evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, inpandig een speellokaal te maken. 1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouwDe noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en er in het onderwijsgebied binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. 1.5 TerreinDe noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing van een niet-permanent gebouw toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D. 1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilairDe noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school en voor zo'n uitbreiding nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs uitgebreid wordt met een speellokaal. 1.7 MedegebruikDe noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt. 1.8 Herstel van constructiefoutenDe noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout. 1.9 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandighedenDe noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. 2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs2.1 NieuwbouwDe noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een permanent gebouw, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een niet-permanent gebouw, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 2 jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. 2.2 Vervangende bouwDe noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens een bouwkundige opname, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging); het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor een niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college; vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een herschikkingoperatie; vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. 2.3 Uitbreiding2.3.1 Uitbreiding algemeenDe noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: het feit, dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte,zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C, genoemde drempelwaarde overschrijdt, en het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren voor een uitbreiding in permanente vorm deze leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten tenminste twee jaren voor een voor een uitbreiding in niet-permanente vorm deze leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal één jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren. 2.3.2 Uitbreiding met een speellokaalDe noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten; het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste zes jaren zal blijven bestaan en het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is en evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken. 2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouwDe noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en er in het onderwijsgebied binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. 2.5 TerreinDe noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D. 2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilairDe noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt uit het feit dat er sprake is van een toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school en voor zo'n uitbreiding voor 1 januari 2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal blijkt uit het feit dat de school uitgebreid wordt met een speellokaal. 2.7 MedegebruikDe noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in de bijlage III, deel C, genoemde drempelwaarde overschrijdt. 2.8 Herstel van constructiefoutenDe noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout. 2.9 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandighedenDe noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. 3 School voor voortgezet onderwijs3.1 NieuwbouwDe noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een niet-permanent gebouw, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. 3.2 Vervangende bouwDe noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens een bouwkundige opname, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging); het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor een niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college; vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een herschikkingoperatie; vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. 3.3 UitbreidingDe noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen, vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A – voor de aanwezige capaciteit – en bijlage III, deel B -voor de ruimtebehoefte -, aangeeft en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren voor een permanent gebouw of gedurende ten minste twee jaren voor uitbreiding met een niet-permanent gebouw deze aantallen leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. 3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouwDe noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en er in het onderwijsgebied binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. 3.5 Vervallen3.6 TerreinDe noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D. 3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilairAanspraak op eerste inrichting van leer en hulpmiddelen en meubilair bestaat wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school. Tevens bestaat aanspraak op eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair indien een toegekende uitbreiding van het aantal leslokalen is gerealiseerd door middel van een inpandige aanpassing. Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra leer en hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende scholen. 3.8 MedegebruikDe noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a. 3.9 Herstel van constructiefoutenDe noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout. 3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandighedenDe noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening1 School voor basisonderwijs1.1 Nieuwbouw1.2 Vervangende bouw1.3 Uitbreiding1.4Ingebruikneming van een gymnastiekruimte Zie omschrijvingen bij schoolgebouw. De noodzaak blijkt uit het feit, dat de school niet beschikt over een gymnastiekaccommodatie en: er geen sporthal of andere gymnastiekaccommodatie binnen een loopafstand van 1000 meter beschikbaar is dan wel binnen een redelijke termijn beschikbaar zal komen en tevens het gebruik door de school zodanig zal zijn, dat een verantwoorde exploitatie mogelijk zal zijn. 1.5 TerreinDe noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit,dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is. 1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakketDe noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is verstrekt. 1.7 Eerste inrichting meubilairDe noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit: het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt. De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt. 1.9 AanpassingDe aanpassingen bestaan uit: het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte; het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte; wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en D; voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet en regelgeving; vervangen van olie- of gasgestookte verwarmingsinstallaties. Ad 1 De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn. Ad 2 De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn. Ad 3 De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. Ad 4 De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de geldende wet en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven. Ad 5 De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte installatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging noodzakelijk is. Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten van extra voorzieningen, die als gevolg van voorschriften van de overheid moeten worden getroffen. De kosten van het vervangen van de cv-ketels zijn voor rekening van het bevoegd gezag. 2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijsDe bepalingen van hoofdstuk 1 worden naar analogie toegepast. Afwijkende bepalingen volgen hieronder. De bepalingen gelden eveneens voor een goedgekeurde nevenvestiging. Zie omschrijvingen bij schoolgebouw. De noodzaak blijkt uit het feit, dat de school niet beschikt over een gymnastiekaccommodatie en: er geen sporthal of andere gymnastiekaccommodatie binnen een loopafstand van 1000 meter beschikbaar is dan wel binnen een redelijke termijn beschikbaar zal komen en tevens het gebruik door de school zodanig zal zijn, dat een verantwoorde exploitatie mogelijk zal zijn. 3 School voor voortgezet onderwijsDe bepalingen van hoofdstuk 1 worden naar analogie toegepast. Afwijkende bepalingen volgen hieronder. De bepalingen gelden eveneens voor een goedgekeurde nevenvestiging. Zie omschrijvingen bij schoolgebouw. De noodzaak blijkt uit het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten. 3.1 Huur van een sportterreinDe noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit: het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag. Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses Burgemeester en wethouders hanteren voor het opmaken van de leerlingprognose het programma GO4PRO. De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25, derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren, te starten met het gewenste jaar van bekostiging. De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen in het voedingsgebied van de school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met: a de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen; b de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele uitbreiding van het voedingsgebied; c de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als gevolg van migratie, sterfte en geboorte; d de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad; e de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de school De gemeente maakt elke 2 jaar een bevolkingsprognose. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van historische gegevens van de afgelopen vijf jaar. De leerlingenprognose wordt gemaakt op basis van de meest recent beschikbare bevolkingsprognose. Deze prognoses zijn goedgekeurd door de VNG en het Ministerie van OCW. Het betreft integrale wijkgerichte prognoses. De bevolkingsprognose voor de gemeente Tilburg wordt in opdracht van de gemeente door Pronexus gemaakt met behulp van het programma GBPro. In dat programma wordt rekening gehouden met de aanwezige bevolking, naar leeftijd en geslacht, migratie, sterfte, geboorte, migratie, de aanwezige woningvoorraad en de woningbouwplanning. Als in een bepaald voedingsgebied van een school de woningvoorraad wordt uitgebreid dan komt dit ook terug in de bevolkingsprognose. Voor bevolkingsprognoses van omringende gemeenten wordt gebruik gemaakt van de bevolkingprognoses van de Provincie Noord-Brabant. In de leerlingenprognose wordt op basis van de bevolkingsprognose de verdeling van de leerlingen berekend als gevolg van de belangstelling per school. Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Met de leerlingenprognose, apart voor het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs, krijgen we per school zicht op het aantal leerlingen. 1 Primair onderwijsDe relevante leeftijdsgroepen zijn: – kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 30% van de 12 jarigen 2 Voortgezet onderwijsDe relevante leeftijdsgroepen zijn: – 70% van de 12-jarige kinderen en – jongeren in de leeftijd van 13 tot en met 18 jaar Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen: – deel A: de bepaling van de capaciteit; – deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte; – deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning; – deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen. DEEL A De bepaling van de capaciteit1 School voor basisonderwijsDe capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke ( waaronder kinderopvang) en recreatieve doeleinden. 1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en B-dislocaties met een tijdelijke of permanente bouwaard.De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’. BasisschoolDe capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het bruto vloeroppervlak van het gebouw. Tot de capaciteit behoren ook de speellokalen. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-nettoverhouding in het oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het college in overleg met het betreffende schoolbestuur een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling vaststellen. Speciale school voor basisonderwijsVoor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is en de school voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, paragraaf 1.3.2, wordt op het bruto vloeroppervlak 90 m² in mindering gebracht. 1.2Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het gestelde onder 1.1.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocatiesDe vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist. 1.4 TerreinOnder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd. 1.5 InventarisVoor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen voor (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris. 1.6 Gymnastiekruimten1.6.1 GymnastiekruimteDe capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40 klokuren. 1.6.2 TerreinDe terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. 1.6.3 InventarisDe inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn. 2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijsDe capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. 2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaardDe brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’. De capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, paragraaf 2.3.2 sub a en sub b, wordt op de bruto vloeroppervlakte 90 m² in rekening gebracht. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-nettoverhouding in het oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het college in overleg met het betreffende schoolbestuur een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling vaststellen. 2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een tijdelijke bouwaardVoor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1 2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocatiesDe vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist. 2.4 TerreinOnder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd. 2.5 InventarisVoor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris. 2.6 Gymnastiekruimten2.6.1 GymnastiekruimteDe capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs bedraagt 40 klokuren. 2.6.2 TerreinDe terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. 2.6.3 InventarisDe inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn. 3 School voor voortgezet onderwijsDe capaciteit van gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in gegevens over: – de bruto vloeroppervlakte van gebouwen; het aantal specifieke ruimten; het aantal werkplaatsen; het aantal gymnastieklokalen. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. 3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of een tijdelijke bouwaardDe bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’. Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven ‘aantal gymnastieklokalen’ moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven ‘aantal specifieke ruimten en werkplaatsen’ indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven ‘aantal specifieke ruimten en werkplaatsen’ moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden zoals die binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. 3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocatiesDe vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist. 3.3 TerreinOnder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd. 3.4 InventarisVoor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. Het aantal lesruimten als zodanig is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris. 3.5 Gymnastiekruimten3.5.1 GymnastiekruimteDe capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40 klokuren. 3.5.2 TerreinDe terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. 3.5.3 InventarisDe inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn. DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte1 School voor basisonderwijs1.1Lesgebouwen BasisschoolVoor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor de huisvestingsbehoefte. De berekening van de huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo'n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de gewichtensom. De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule: B= 200 + 5,03 L, waarbij B = basisruimtebehoefte in m² bruto vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante meters. L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. De toeslag wordt berekend met de formule: T= 2*G, waarbij T= toeslag in bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante meters en G= gecorrigeerde gewichtensom. De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald: bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen); verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter grootte van 6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal; als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80% van het aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80% van het aantal ingeschreven leerlingen. Speciale school voor basisonderwijsVoor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend voor de ruimtebehoefte. De berekening van de huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo'n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met de formule: R= 250+8*L, waarbij R= ruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante meters en L= het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 m². 1.2 GymnastiekruimtenBasisschool Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen, zoals bepaald in de beleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. Per gymgroep 6-12- jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur gymnastiek. Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie voor een basisschool wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal leerlingen,dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft, op de school zal zijn ingeschreven. Speciale school voor basisonderwijsVoor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek, indien de school niet de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de ‘N-factor’. De ‘N-factor’ is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is
- Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan
- In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond. Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie voor een speciale school voor basisonderwijs wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. 2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs2.1 LesgebouwenVoor een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs is de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de huisvestingsbehoefte. De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt berekend met de volgende formule: R=V+f*L, waarbij R= ruimte behoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante meters, en V= vaste voet in m² bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor alle onderwijssoorten 370 m², behalve voor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste voet 250 m
- Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing, en f= factor (m² bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaande tabel, en L= het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. De tabel geeft een overzicht van f(m² bruto-vloeroppervlakte per leerling), per onderwijssoort. Onderwijssoort SO VSO • Slechthorende kinderen (SH) • Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES) • Visueel gehandicapten (VISG) • Langdurig zieke kinderen (LZ) 8,8 12,2 • Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK) • Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten (PI) • Dove kinderen (DO) • Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG) 13,8 15,5 • Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)* • Zeer moeilijk lerende kinderen 8,8 9,2 * tenzij bij beschikking van de minister van OCW de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N=2 geldt 56,75, voor VSO-MG met N=2 geldt 57,5, voor SO-MG met N=3 geldt 56,75 en voor VSO-MG met N=3 geldt 57,5 Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de vaste voet slechts eenmaal van toepassing. Voor een school met meer onderwijssoorten is voor elk van de schoolsoorten de vaste voet van toepassing. De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde ruimtebehoeften worden gesommeerd. Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte van 90 m². 2.2 GymnastiekruimtenHet aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de beleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek, indien de school of de nevenvestiging niet de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. De bepaling van het aantal gymgroepen van een SOVSO school of een SO school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk plaats. 3 School voor voortgezet onderwijs3.1 LesgebouwenVoor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten, te weten: een leerlinggebonden component; een vaste voet. ad 1 Een leerlinggebonden componentDeze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, leerweg of sector die de leerling volgt. ad 2 Een vaste voetDe vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen bruto vloeroppervlakten per instelling of sector . De vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg. Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en, indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling. Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage. Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald. Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijsOnderwijssoort Leerweg Ruimtetype BVO/leerling Onderbouw (leerjaar 1 en 2) Algemeen 6,18 Bovenbouw AVO/VWO Algemeen 5,85 Bovenbouw theoretische leerweg TLW Algemeen 6,41 LWOO Algemeen 7,07 Bovenbouw techniek GLW Algemeen 5,98 Specifiek 5,47 BLW Algemeen 4,69 Specifiek 8,99 LWOO Algemeen 4,44 Specifiek 12,72 Bovenbouw economie GLW Algemeen 5,95 Specifiek 0,89 BLW Algemeen 5,56 Specifiek 2,25 LWOO Algemeen 5,85 Specifiek 3,06 Bovenbouw zorg/welzijn GLW Algemeen 5,33 Specifiek 2,10 BLW Algemeen 4,71 Specifiek 4,22 LWOO Algemeen 4,85 Specifiek 5,53 Bovenbouw landbouw GLW Algemeen 5,94 Specifiek 0,78 BLW Algemeen 5,37 Specifiek 2,34 LWOO Algemeen 5,03 Specifiek 4,69 Praktijkonderwijs Algemeen 4,41 Specifiek 7,72 Legenda TLW theoretische leerweg LWOO leerwegondersteunend onderwijs GLW gemengde leerweg BLW beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs Onderwijssoort Ruimtetype Vaste voet Hoofdvestiging Algemeen 980 Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak Algemeen 550 Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak 0 VMBO-techniek BLW Specifiek 299 VMBO-economie BLW Specifiek 196 VMBO-zorg/welzijn BLW Specifiek 168 VMBO-landbouw BLW Specifiek 117 Praktijkonderwijs Algemeen 306 Legenda: BLW beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) De vaste voet per instelling is 980 m² bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet van 550 m² BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die afdelingen waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig is. 3.2 GymnastiekruimtenDe in onderstaande tabel 7.2 ‘Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs’ vermelde bruto vloeroppervlakten vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs. Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs Onderwijssoort Leerweg BVO/leerling Onderbouw (leerjaar 1 en 2) 1,66 Bovenbouw AVO/VWO 0,78 Bovenbouw theoretische leerweg TLW 1,11 LWOO 1,26 Bovenbouw techniek GLW 1,11 BLW 1,38 LWOO 1,57 Bovenbouw economie GLW 1,11 BLW 1,38 LWOO 1,57 Bovenbouw zorg/welzijn GLW 1,11 BLW 1,38 LWOO 1,57 Bovenbouw landbouw GLW 1,11 BLW 1,38 LWOO 1,57 Praktijkonderwijs 1,99 legenda TLW theoretische leerweg LWOO leerwegondersteunend onderwijs GLW gemengde leerweg BLW beroepsgerichte leerweg DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenningDe bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële consequenties vast te stellen. 1 School voor (speciaal) basisonderwijs1.1 Permanente gebouwen en niet-permanente gebouwenDe omvang van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw permanent gebouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting tenminste zes jaren noodzakelijk is. De omvang van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw niet-permanent gebouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor de huisvesting tenminste twee jaren en korter dan zes jaren noodzakelijk is. Het bijbehorende aantal vierkante meter wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtehoefte’. De omvang van de goedgekeurde voorziening • uitbreiding permanent gebouw, dan wel • uitbreiding permanent gebouw ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel •uitbreiding niet-permanent gebouw, dan wel • ingebruikneming, dan wel • medegebruik wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in deel B van deze bijlage. Het verschil moest tenminste bedragen: •55 m² bruto-vloeroppervlakte voor een permanent gebouw voor een basisschool; •40 m² bruto-vloeroppervlakte voor een niet-permanent gebouw voor een basisschool; •50 m² bruto-vloeroppervlakte voor een permanent of niet-permanent gebouw voor een speciale school voor basisonderwijs De omvang van de goedgekeurde voorziening, uitbreiding niet-permanent gebouw, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand niet-permanent gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste twee jaar en korter dan zes jaar noodzakelijk is en het aantal leerlingen waarvoor huisvesting aanwezig is. Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte voor een speellokaal 90 m². 1.2 Overige voorzieningenDe omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D. Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, en meubilair bepaald door de omvang in m² bruto-vloeroppervlakte van de toegekende voorziening in de huisvesting. De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. 1.3 GymnastiekruimtenDe omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage. De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I). De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte. De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. 2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs2.1 Permanente gebouwen en niet-permanente gebouwenDe omvang van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw permanent gebouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting tenminste zes jaren noodzakelijk is. De omvang van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw niet-permanent gebouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor de huisvesting tenminste twee jaren en korter dan zes jaren noodzakelijk is. Het bijbehorende aantal vierkante meter wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtehoefte’. De omvang van de goedgekeurde voorziening • uitbreiding permanent gebouw, dan wel • uitbreiding permanent gebouw ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel •uitbreiding niet-permanent gebouw, dan wel • ingebruikneming, dan wel • medegebruik wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50 m² bruto-vloeroppervlakte bedragen. Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van het speellokaal 90 m² bvo. 2.2 Overige voorzieningenDe omvang van de goedgekeurde voorziening, terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D. De omvang van de goedgekeurde voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door de omvang in m² bruto-vloeroppervlakte van de toegekende voorziening in de huisvesting. De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. 2.3 GymnastiekruimtenDe omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage. De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I). De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte. De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. 3 School voor voortgezet onderwijs3.1 Permanente gebouwenDe omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw permanent gebouw, dan wel vervangende nieuwbouw permanent gebouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste zes jaar noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage. De omvang van de goedgekeurde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste zes jaar noodzakelijk is en de huisvesting die aanwezig is. De omvang van de goedgekeurde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste zes jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. De omvang van de goedgekeurde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijk lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. 3.2 Niet-permanente gebouwenDe omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw niet-permanent gebouw, dan wel vervangende nieuwbouw niet-permanent gebouw, wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste twee jaar doch korter dan zes jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. De omvang van de goedgekeurde uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste twee jaar doch korter dan zes jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals opgenomen in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. De omvang van de goedgekeurde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste twee jaar en korter dan zes jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. De omvang van de goedgekeurde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijk lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. De omvang van de voorziening huur sportterrein wordt bepaald aan de hand van het lesrooster. 3.3 Overige voorzieningenDe omvang van de voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte. De omvang van de goedgekeurde voorziening eerste aanschaf van leer en hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening in de huisvesting. De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing, waarbij algemene en specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte. De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. 3.4 GymnastiekruimtenDe omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting bij deze bijlage. De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is. De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte. De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym) :
- Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym):
- Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1). DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen1 School voor basisonderwijs– minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m²/ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m² netto; minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m² netto. voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van 84 m² voor een speellokaal. 2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs– minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m²/ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m² netto; – een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m²; – minimum oppervlakte onderwijsruimte: 8 m² netto. 3 School voor voortgezet onderwijsMinimum afmetingen, uitgedrukt in netto m²: theorielokaal: 42 m² theorievaklokaal: 50 m² vaklokaal natuurkunde: 50 m² vaklokaal biologie: 50 m² vaklokaal scheikunde: 60 m² vaklokaal handvaardigheid: 60 m² vaklokaal overig: 80 m² specifiek vaklokaal lassen: 50 m² specifiek vaklokaal meten: 50 m² werkplaats: 115 m² restaurant: 80 m² 4 Gymnastiekruimten– De oefenruimte is minimaal 252 m² netto. – De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m. – Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een was- /douchegelegenheid. III-1 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’De vaststelling van de bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw: De bruto vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle vloerniveaus. De bruto vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op vloerhoogte. De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de bruto vloeroppervlakte te worden gerekend. De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in of aanpandige gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw. Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in of aanpandig gelegen gymnastieklokalen wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie. Tot de bruto vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een vide, voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m². Uitzonderingen: In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend. Indien de bruto vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen de netto oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto vloeroppervlakte wordt dan verkregen door de gevonden nettovloeroppervlakte te vermenigvuldigen met de factor 1,
- Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of andere ruimte, wordt de bruto vloeroppervlakte bepaald door de nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte > 2,60 m te vermenigvuldigen met de factor 1,
- Voorzover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging, keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de bruto vloeroppervlakte. III-2 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het ministerie van OCenW. De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende ‘beloopbare’ binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte behoort eveneens: – de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau; – de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 m². Uitzonderingen: – De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en dergelijke. – Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto o
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.