Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant; Overwegende dat Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB EU L 347/487) van toepassing is op de uitvoering van deze verordening; Overwegende dat Verordening (EU) 1306/2013 en 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake financiering, beheer en monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB EU L 347/549 van toepassing is op de uitvoering van deze verordening; Overwegende dat Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betaling aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB EU L 347/608) van toepassing is op de uitvoering van deze verordening; Overwegende dat Gedeputeerde Staten het vanwege het grote aantal noodzakelijke wijzigingen in het onderdeel agrarisch natuurbeheer van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Brabant wenselijk achten een geheel nieuwe subsidieregeling vast te stellen; Besluiten vast te stellen de volgende regeling: § 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: beheeractiviteit: activiteit opgenomen in bijlage 3; beheerfunctie: functie van een beheeractiviteit bijdrage gescheperde schaapskuddes: vergoeding voor de inzet van gescheperde schaapskuddes ten behoeve van het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen; certificaat: certificaat afgegeven door de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer, waarmee wordt gewaarborgd dat een natuurbeheerder of agrarisch collectief voldoet aan bepaalde beheereisen en het beheer op de afgesproken manier uitvoert gescheperde schaapskudde: rondtrekkende schaapskudde die niet permanent op een plaats graast en die gehoed wordt door een herder met een of meer honden; grote onderneming: onderneming waar minstens 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen overschrijdt, en daarmee niet voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 2 van bijlage I van Verordening (EU) 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 193); knooppuntennetwerk: bij de Stichting Landelijk Fietsplatform of de Stichting Wandelnet geregistreerd routenetwerk voor fietsen of wandelen bestaande uit genummerde knooppunten en bewegwijzering tussen de knooppunten; landbouwer: natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel een groep van natuurlijke personen of rechtspersonen die een landbouwactiviteit als bedoeld in de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB uitoefent op landbouwgrond; landbouwgrond: landbouwareaal als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van verordening 1305/2013, met daarbij eventuele landschapselementen of watergangen, waarbij er sprake kan zijn van een scheiding van die landbouwgrond door een kavelpad of watergang; landbouwsteunkader: Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PbEU 2014, C 204); landelijke fietsroutes: bij de Stichting Landelijk Fietsplatform geregistreerde landelijke fietsroutes en ANWB-bewegwijzerde routes als onderdeel van een landelijk fietsroutenetwerk; landelijke wandelroutes: bij de Stichting Wandelnet geregistreerde Lange-Afstand-Wandelpaden en Streekpaden als onderdeel van een landelijk wandelroutenetwerk; landschapsbeheertype: in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen en nader beschreven beheertype; leefgebied: in het natuurbeheerplan begrensde landbouwgronden waarop planten of dieren voorkomen of kunnen voorkomen die bepaalde eisen stellen aan de inrichting, het beheer en het gebruik van hun omgeving; monitoringsbijdrage: vergoeding voor het uitvoeren van metingen en het vastleggen van de ontwikkelingen op het natuurterrein; monitoringsprogramma: door Gedeputeerde Staten vastgesteld meerjarig programma van metingen om de effecten van maatregelen en ingrepen te kunnen volgen vanuit vastgestelde beleidsdoelen en beleidstaken; natuurbeheerplan: provinciaal plandocument waarin de overeengekomen doelen op het gebied van natuur- en landschapsbeheer en agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn vastgelegd;natuurbeheertype: in bijlage 2 bij deze regeling opgenomen en nader beschreven beheertype; natuurcompensatie: het nemen van maatregelen om het verlies van beschermde natuur als gevolg van ingrepen, elders te compenseren; natuurterrein: binnen de provincie gelegen grond met als hoofdfunctie natuur die in het natuurbeheerplan is aangeduid, alsmede gronden waarvoor een subsidie functieverandering is verstrekt als bedoeld in de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Brabant en de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant; normbedrag: bedrag voor de voorzieningenbijdrage, monitoringsbijdrage, bijdrage gescheperde schaapskuddes, of de vaarbijdrage, zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling; opslag voor de prijsstijging: op de consumentenprijsindex gebaseerde opslag van de subsidie om de kostenstijging gedurende de looptijd van de beschikking te compenseren; tarief: tarief voor de in artikel 2.2 genoemde subsidiabele activiteiten, opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling; transactiekosten: kosten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder e, van verordening 1305/2013, die niet direct met de uitvoering van de dienst te maken hebben, maar verbonden zijn aan het vervullen van de randvoorwaarden zodat de dienst daadwerkelijk uitgevoerd kan worden; vaarbijdrage: vergoeding voor transportkosten in verband met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt, opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling; verordening 1305/2013: Verordening (EU) 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU 2013, L 347); verordening 640/2014: Gedelegeerde verordening (EU) 640/2014 van de commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (PbEU 2014, L 181); verordening 809/2014: Uitvoeringsverordening (EU) 809/2014 van de commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PbEU 2014, L 227); verordening 908/2014: Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 908/2014 van de commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie. voorzieningenbijdrage: extra vergoeding voor het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein. Artikel 1.2 Natuurbeheerplan 1 Gedeputeerde Staten stellen het natuurbeheerplan vast. 2 Als onderdeel van het natuurbeheerplan stellen Gedeputeerde Staten in ieder geval een elektronische kaart met topografische ondergrond vast, waarop is aangeduid: voor welke natuurterreinen een subsidie op grond van deze subsidieregeling kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding: welk natuurbeheertype in stand kan worden gehouden; welke landschapsbeheertypen in stand kunnen worden gehouden; of het natuurterrein in aanmerking komt voor een vaarbijdrage; of het terrein in aanmerking komt voor een bijdrage gescheperde schaapskuddes. voor welk leefgebied, of onderdeel van een leefgebied een subsidie agrarisch natuur- en landschapsbeheer kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding: open akkerland; open grasland; droge dooradering; natte dooradering; categorie water. 3Als onderdeel van het natuurbeheerplan stellen Gedeputeerde Staten een elektronische ambitiekaart met een topografische ondergrond vast, waarop de begrenzing is vastgelegd van alle bestaande en nog te realiseren natuur waarvoor Gedeputeerde Staten een investeringssubsidie willen verstrekken met daarbij de aanduiding van de kwaliteit per natuurbeheertype of landschapselement. Artikel 1.3 Nadere regels certificering 1 Gedeputeerde Staten besluiten op basis van het Programma van Eisen genoemd in de Nadere regels certificering Subsidiestelsel Natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant op een aanvraag om afgifte van certificaten: natuurbeheer; samenwerkingsverband natuurbeheer; collectief agrarisch natuurbeheer. 2 Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om de in het eerste lid genoemde certificaten te schorsen of in te trekken. 3 Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot de afgifte, schorsing of intrekking van certificaten. Artikel 1.4 Verplichtingen algemeen Aan de subsidieontvanger wordt in ieder geval de verplichting opgelegd dat de administratie en de daartoe behorende bescheiden die betrekking hebben op de verstrekte subsidie ten minste gedurende een periode van vijf jaar na vaststelling van de desbetreffende subsidie worden bewaard. Artikel 1.5 Verplichtingen algemeen [vervallen] § 2 Natuur- en landschapsbeheer Artikel 2.1 Doelgroep 1 Subsidie kan worden aangevraagd door: natuurlijke personen, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; privaatrechtelijke rechtspersonen en Staatsbosbeheer, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid met als leden natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b; rechtspersonen die overeenkomstig het in bijlage 6 opgenomen model een overeenkomst zijn aangegaan met natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b. In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, onder b, kan Staatsbosbeheer subsidie aanvragen voor een natuurterrein waarvan het geen eigenaar of erfpachter is, indien dit natuurterrein op het moment van aanvragen in eigendom van het Rijk is en Staatsbosbeheer dit natuurterrein vóór 15 augustus 2009 reeds feitelijk in beheer had.
- Onverminderd het eerste lid kan subsidie worden aangevraagd door gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen, voor zover deze voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd, subsidie ontvangen op basis van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant, waarbij: de periode waarvoor de subsidie overeenkomstig de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant wordt verstrekt op of na 31 december 2017 eindigt; of de periode waarvoor de subsidie overeenkomstig de onderhavige regeling wordt verstrekt op of na 31 december 2021 eindigt; en de subsidie natuur- en landschapsbeheer die op grond van de onderhavige regeling kan worden verstrekt niet later ingaat dan 1 januari van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin de onder a of onder b bedoelde subsidie eindigt. 3 Onverminderd het eerst lid, kan subsidie worden aangevraagd door personen als bedoeld in het eerste lid voor een natuurterrein waarvan zij nog geen eigenaar of erfpachter is indien tussen de aanvrager en de provincie voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd op het moment van aanvragen een koopovereenkomst is gesloten. Artikel 2.
- Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor: het beheer van natuurbeheertypen; het beheer van landschapsbeheertypen; begrazing van natuurterrein door schapen; monitoring van natuurterrein; recreatief toegankelijk maken en houden van natuurterrein. Artikel 2.3 Weigeringsgronden 1 Subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien: de subsidieaanvrager een rechtspersoon is die waterwinning als doelstelling heeft; de subsidieaanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is die kennelijk is opgericht ten behoeve van het beheer van grond of water, waarvan de eigendom geheel of gedeeltelijk berust bij de rechtspersoon, bedoeld onder a of een publiekrechtelijke rechtspersoon niet zijnde Staatsbosbeheer; de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in het landbouwsteunkader; jegens de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard; de subsidieaanvrager het natuurterrein waarop de subsidieaanvraag ziet heeft verkregen van: een gemeente; een samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen; het Rijksvastgoed- en ontwikkelbedrijf van het ministerie van Financiën; een waterschap; of een waterleidingmaatschappij.
- In afwijking van het eerste lid, onder e, kan subsidie worden verstrekt, indien het natuurterrein waarop de subsidieaanvraag ziet is aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan worden aangevraagd in het natuurbeheerplan. Artikel 2.4 Subsidievereisten 1.Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten: de activiteiten vinden plaats op een natuurterrein dat is aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan worden aangevraagd in het natuurbeheerplan; de activiteiten zijn gericht op de instandhouding van het natuurbeheertype of landschapsbeheertype; de activiteiten zijn gericht op een beheer van 200 hectare of meer; de subsidieaanvrager, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en b, beschikt over een certificaat natuurbeheer; de subsidieaanvrager, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c en d, beschikt over een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer, of de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a of b, die het beheer uitvoeren beschikken elk afzonderlijk over een certificaat natuurbeheer; de subsidieaanvrager, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, dient bij de subsidieaanvraag afschriften in van de in dat artikel genoemde overeenkomst die hij heeft gesloten met de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, die het beheer uitvoeren; de subsidieaanvrager, uitgezonderd de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, vraagt subsidie aan voor een perceel waarvoor na 1 januari 2010 subsidie is verstrekt voor: dezelfde subsidiabele activiteit op grond van deze subsidieregeling; dezelfde subsidiabele activiteiten op grond van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant; dezelfde subsidiabele activiteit op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Brabant 2010; dezelfde subsidiabele activiteit op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Brabant; hetzelfde natuurterrein ten behoeve van inrichting, verwerving of functieverandering op grond van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Brabant; of hetzelfde natuurterrein voor inrichting, verwerving of functieverandering op grond van de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant, tenzij het gaat om grond waarvan de functie wordt gecombineerd met natuurwaarden. 2.Indien de subsidieaanvrager niet voldoet aan een van de vereisten in het eerste lid, onder g, wordt voldaan aan het vereiste dat het project wordt uitgevoerd: op percelen met het label Nieuwe Natuur, als aangeduid op de kaart, genoemd in artikel 1.2, tweede lid; op percelen met het label Bestaande natuur, als aangeduid op de kaart, genoemd in artikel 1.2, tweede lid, die zijn ingericht in het kader van natuurcompensatie waarbij de termijn voor het beheer op kosten van de initiatiefnemer geëindigd is; op percelen van de in bijlage 7 opgenomen voormalige militaire terreinen; of op percelen met het label Bestaande natuur, als aangeduid op de kaart, genoemd in artikel 1.2, tweede lid, waarvan de subsidieaanvrager aannemelijk kan maken dat de aanwezigheid van bodemverontreiniging of saneringsverplichting er toe geleid heeft dat de gronden na 1 januari 2010 verworven zijn, middels eigendom of erfpacht. 3.Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder c, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten: de subsidieaanvrager ontvangt voor deze percelen tevens subsidie voor het beheer van natuurbeheertypen; de begrazing wordt uitgevoerd door een gescheperde schaapskudde, bestaande uit Kempische Heideschapen. 4.Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder d, in aanmerking te komen voldaan aan het vereiste dat de subsidieaanvrager tevens subsidie ontvangt voor het beheer van natuurbeheertypen. 5.Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder e, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten: de subsidieaanvrager ontvangt voor deze percelen tevens subsidie voor het beheer van natuurbeheertypen; het natuurterrein is niet ingevolge artikel 2.9, zesde lid, vrijgesteld van de openstellingsplicht; de subsidieaanvrager is geen gemeente of samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen. In afwijking van het derde lid kan in geval van een vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 2.9, zesde lid, onderdelen a en d, een voorzieningenbijdrage worden verstrekt, indien de betreffende afsluiting in een jaar maximaal zes maanden duurt.
- Indien een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, niet beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onder d en e, gaat de subsidieaanvraag vergezeld van een kopie van de aanvragen van het certificaat.
- Indien de subsidieaanvrager een grote onderneming is, dient de subsidieaanvraag vergezeld te gaan van een uitgebreide beschrijving van het contrafeitelijke scenario waarin de begunstigde van geen enkele overheidsinstantie steun voor de kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, toegekend krijgt. Artikel 2.5 Subsidiabele kosten 1Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder a, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende kosten in aanmerking: kosten voor het beheer van een natuurterrein; kosten voor het transport in verband met het beheer van natuurbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt. 2Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder b, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie in aanmerking: kosten voor het beheer van landschapsbeheertypen; kosten voor het transport in verband met het beheer van landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt. 3Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder c, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie in aanmerking de kosten voor de inzet van gescheperde schaapskuddes op een natuurterrein. 4Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder d, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie in aanmerking, de kosten voor monitoring. 5.Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder e, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie in aanmerking de kosten voor het recreatief toegankelijk maken en houden van het betreffende natuurterrein. 6 In afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, zijn kosten slechts subsidiabel indien zij zijn gemaakt nadat de aanvraag om subsidie is ingediend. Artikel 2.5a Niet-subsidiabele kosten In afwijking van artikel 2.5 komen kosten waarvoor voor het betreffende natuurgebied al op grond van deze of enige andere regeling voor dezelfde periode of een deel van de periode een subsidie is verstrekt met betrekking tot natuurbeheer of agrarisch natuurbeheer in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 2.5b Vereisten subsidieaanvraag Subsidieaanvragen worden ingediend: van 15 november 2018 tot en met 31 december 2018; van 15 november 2019 tot en met 31 december 2019; van 15 november 2020 tot en met 31 december 2020; van 15 november 2021 tot en met 31 december
- Artikel 2.5c Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidie voor nieuwe aanvragen als bedoeld in artikel 2.2 en aanvragen tot wijziging als bedoeld in artikel 2.13 vast op: € 15.600.000 voor de periode genoemd in artikel 2.5b, onder a; € 54.000.000 voor de periode genoemd in artikel 2.5b, onder b; € 5.700.000 voor de periode genoemd in artikel 2.5b, onder c; van op € 8.800.000 voor de periode genoemd in artikel 2.5b, onder d. Artikel 2.6 Subsidiehoogte 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, wordt bepaald door het aantal subsidiabele hectares van het desbetreffende natuurbeheertype, en het aantal subsidiabele hectares, meters of stuks van het desbetreffende landschapsbeheertype, te vermenigvuldigen met het tarief vermenigvuldigd met zes jaar. 2Indien van toepassing wordt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met het normbedrag voor de vaarbijdrage, vermenigvuldigd met het aantal subsidiabele hectares. 3De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.2, onder c, d en e, wordt bepaald door het aantal subsidiabele hectares van het desbetreffende natuurbeheertype te vermenigvuldigen met de desbetreffende normbedragen vermenigvuldigd met zes jaar. 4 Het tarief, bedoeld in het eerste lid, en de normbedragen, bedoeld in het tweede en derde lid, worden verhoogd met de opslag voor de prijsstijging. 5Indien toepassing van het eerste tot en met vierde lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 1.200, wordt de subsidie niet verstrekt. Artikel 2.7 Verdeelcriteria 1Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen. 2Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is geldt, voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst. 3Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.
- De loting vindt plaats middels trekking in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.
- De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris.
- De eerst getrokken aanvraag, wordt als hoogste gerangschikt.
- De hoogst gerangschikte aanvraag komt het eerst in aanmerking voor subsidie.
- Subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden. Artikel 2.8 Subsidieverlening De subsidie, bedoeld in artikel 2.2, wordt verleend voor een periode van zes aaneengesloten jaren, welke periode steeds begint op 1 januari. Artikel 2.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger 1 Onverminderd artikel 1.4 worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd: het verrichten van het beheer dat noodzakelijk is voor de instandhouding van de natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen en geen handelingen te verrichten of te gedogen die afbreuk doen aan de instandhouding daarvan; er voor zorgdragen dat door of vanwege Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd op het desbetreffende natuurterrein; het van zonsopgang tot zonsondergang kosteloos openstellen en toegankelijk houden van het desbetreffende natuurterrein op ten minste 358 dagen per jaar; ervoor zorg te dragen dat namens Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorwaarden; voor de gehele duur van de subsidie over een certificaat natuurbeheer of certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer te beschikken. 2In afwijking van het eerste lid, onder e, dient een aangevraagd certificaat natuurbeheer of certificaat samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onder d en e, te zijn ontvangen binnen negen maanden na aanvang van het eerste beheerjaar. 3Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder c, de volgende verplichtingen: bij het in standhouden van het op het natuurterrein aanwezig natuurbeheertype wordt gebruik gemaakt van een of meerdere rondtrekkende schaapskuddes, begeleid door een herder en bestaande uit Kempische Heideschapen; het gebruik van de onder a bedoelde schaapskuddes strekt zich uit over de gehele oppervlakte waarvoor de bijdrage wordt verstrekt; indien de subsidieontvanger niet zelf over een schaapskudde beschikt, sluit hij voor de gehele duur van de subsidieperiode waarvoor de subsidie wordt verstrekt een overeenkomst voor het uit te voeren beheer met de eigenaar van een schaapskudde. 4 Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder d, de verplichting de monitoring te verrichten overeenkomstig het monitoringsprogramma van de provincie Noord-Brabant. 5 Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder e, de volgende verplichtingen: het natuurterrein is voldoende toegankelijk en bevat voldoende wegen, vaarwegen of paden, die recreatief gebruik mogelijk maken; de wegen, vaarwegen of paden als bedoeld onder a, worden onderhouden; de subsidieontvanger verleent medewerking aan de markering en beheer van routes voor wandelen en fietsen in het kader van de landelijke wandelroutes, landelijke fietsroutes en knooppuntennetwerken voor wandelen en fietsen. 6De subsidieontvanger is vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onder c, indien: sluiting nodig is bij of krachtens de Wet natuurbescherming; het terrein naar zijn aard buiten machte van de subsidieontvanger niet toegankelijk is; er bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk is tot een maximum van een hectare; het terrein vrijgesteld is op grond van het natuurbeheerplan. 7Indien de subsidieontvanger niet kan voldoen aan een of meerdere verplichtingen als bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, doet hij daar een keer per jaar uiterlijk op 1 november melding van. 8Indien subsidie wordt verstrekt aan een subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, heeft de subsidieontvanger de verplichting dit natuurterrein alsnog in eigendom te verwerven of in erfpacht te verkrijgen voor 1 januari
- Artikel 2.10 Verplichtingen van de niet-gecertificeerde subsidieontvanger [vervallen] Artikel 2.11 Verplichtingen van de gecertificeerde subsidieontvanger [vervallen] Artikel 2.12 Bevoorschotting en betaling 1 Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van vijf zesde deel van het verleende subsidiebedrag, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald. 2 Gedeputeerde Staten verstrekken het voorschot in 5 gelijke jaarlijkse termijnen, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald.
- Het voorschot wordt uitbetaald uiterlijk binnen zes weken na afloop van het kalenderjaar waarin de subsidiabele activiteiten hebben plaatsgevonden, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald. Artikel 2.13 Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting areaal 1 De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar, gericht op vergroting van het areaal. 2Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om, overeenkomstig de aanvraag bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen voor de resterende looptijd van de subsidie, indien: de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 2.4, uitgezonderd het eerste lid onder c; en die wijziging leidt in de resterende looptijd van de verlening tot een verhoging van het subsidiebedrag van minimaal € 1.
- 3 De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van het tarief en het normbedrag die van toepassing waren ten tijde van het nemen van de beschikking tot subsidieverlening. 4 Een subsidieontvanger die subsidie ontvangt voor dezelfde subsidiabele activiteit op grond van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant kan overeenkomstig het eerste lid ook eenmaal per kalenderjaar een uitbreiding verzoeken vanwege vergroting van het areaal. 5 Het tweede en derde lid is in het geval genoemd in het vierde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de subsidie wordt verleend voor de resterende looptijd van de subsidie op grond van de hiervoor genoemde subsidieregeling.
- In afwijking van het derde lid blijven op aanvragen als bedoeld in het eerste lid, indien de subsidieontvangers bij hun aanvraag gedaan in 2017 gebruik hebben gemaakt van de ‘tarieven 2017 ten behoeve van herbeschikken’, de hiervoor genoemde ‘tarieven 2017 ten behoeve van herbeschikken’ van toepassing.
- Indien op het moment van de beschikking tot subsidieverlening nog geen normbedrag was vastgesteld voor het betreffende natuurbeheertype, landschapsbeheertype of bijdrage, wordt in afwijking van het derde en zesde lid het normbedrag en opslag voor de prijsstijging gehanteerd dat geldt in het jaar waarin voor het eerst het normbedrag is vastgesteld voor het betreffende natuurbeheertype, landschapsbeheertype of bijdrage. Artikel 2.13a Tarieven en normbedragen Onverminderd de artikelen 2.6 en 2.13, derde tot en met vijfde lid, worden met ingang van 1 januari 2021 de tarieven en normbedragen die van toepassing zijn op beschikkingen tot subsidieverlening waarvan het subsidietijdvak is ingegaan vóór 1 januari 2021, alsmede de daarop ingediende vergrotingen, voor de resterende beheerjaren, verhoogd van 75% van de relevante standaardkostprijs naar 84% van de relevante standaardkostprijs. [Dit artikel werkt terug tot en met 1 januari 2016.] Artikel 2.14 Subsidievaststelling 1 Gelet op de toepasselijke Europese regelgeving stellen Gedeputeerde Staten, in afwijking van de artikelen 13, 20, 21 en 22 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, de subsidie na afloop van de zes aaneengesloten beheerjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, ambtshalve vast. 2 Het resterende bedrag wordt uitbetaald binnen zes weken na de subsidievaststelling. Artikel 2.15 Voortijdige vaststelling wegens wijziging natuurbeheertype
- Een ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder a, kan een aanvraag indienen voor het geheel of gedeeltelijk voortijdig vaststellen van die subsidie, als hij op het natuurterrein of deel daarvan waarvoor hij de subsidie ontvangt, inrichtingsmaatregelen als bedoeld in paragraaf 1 van de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant, treft die zijn gericht op een wijziging van het op dat natuurterrein in stand te houden natuurbeheertype.
- Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, voortijdig naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk vaststellen vanaf het moment dat de inrichtingsmaatregelen, bedoeld in het eerste lid, van start gaan, als: de wijziging van het natuurbeheertype op grond van het natuurbeheerplan is toegestaan; de wijziging van het natuurbeheertype gericht is op een versterkte natuurkwaliteit; en de subsidieontvanger schriftelijk verklaart ten minste zes jaar of minder in geval van eenmalige gelijktrekking van beheerperiodes na afronding van de inrichtingsmaatregelen als bedoeld in paragraaf 1 van de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant, beheer gericht op de instandhouding van het gewijzigde natuurbeheertype te blijven voeren. Deze verplichting vervalt voor zover hij voor die gewijzigde instandhouding een subsidie natuurbeheer op grond van de onderhavige verordening heeft aangevraagd en ontvangt.
- De subsidieaanvraag voor het beheer van het gewijzigde natuurbeheertype wordt ingediend in de eerstvolgende openstellingsperiode na het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in 1.24 van de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Brabant.
- Indien een subsidie voor het beheer van het gewijzigde natuurbeheertype als bedoeld in het tweede lid, onder c, wordt ingetrokken omdat de subsidieontvanger toerekenbaar niet voldaan heeft aan de subsidieverplichtingen, dan is voor de resterende periode de instandhoudingsplicht als bedoeld in het tweede lid, onder c, weer van toepassing tot de termijn van zes jaar, of minder in geval van eenmalige gelijktrekking van beheerperiodes, na afronding van de inrichtingsmaatregelen is verstreken. § 3 Agrarisch natuur- en landschapsbeheer Artikel 3.1 Doelgroep Subsidie kan worden aangevraagd door een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond. Artikel 3.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor projecten met beheeractiviteiten gericht op behoud en versterking van: het leefgebied open grasland natte dooradering; het leefgebied akkerlandschap op klei natte dooradering; het leefgebied akkerlandschap op zand; het leefgebied natte dooradering laagveen; het leefgebied droge dooradering vochtig; het leefgebied droge dooradering Maasheggen; het leefgebied water in het werkgebied van waterschap De Dommel; het leefgebied water in het werkgebied van waterschap Aa en Maas; het leefgebied water in het werkgebied van waterschap Rivierenland; het leefgebied water in het werkgebied van waterschap Brabantse Delta. Artikel 3.3 Weigeringsgronden [vervallen] Artikel 3.4 Subsidievereisten Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de aanvrager beschikt over een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer; het project voldoet aan de beoordelingscriteria voor gebiedsaanvragen zoals die in het natuurbeheerplan zoals geldend op het moment van indiening van de subsidieaanvraag in paragraaf 4.5 zijn opgenomen en wordt uitgevoerd binnen een leefgebied dat is aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan worden aangevraagd in het natuurbeheerplan; aan het project ligt een gebiedsaanvraag ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: het minimum en maximum aantal hectares waarvoor per leefgebied, of onderdeel van het leefgebied beheeractiviteiten worden uitgevoerd, waarbij het maximum aantal hectares niet meer dan 15% meer mag zijn dan het minimum aantal hectares; per leefgebied, of onderdeel van het leefgebied een projectomschrijving op het niveau van beheerfunctie, een en ander afhankelijk van het gekozen abstractieniveau voor de beoordelingscriteria voor gebiedscriteria in het natuurbeheerplan, zoals geldend op het moment van indiening van de subsidieaanvraag. de te realiseren doelen; een berekening van de kosten voor het uitvoeren van het project, gesplitst naar leefgebied of onderdeel van het leefgebied; een of meer topografische kaarten met een schaal van 1:5.000 of een of meer digitale bestanden waarop de buitengrenzen van de leefgebieden, of onderdelen van de leefgebieden waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zijn aangegeven. Artikel 3.5 Subsidiabele kosten Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: kosten voor het uitvoeren van beheeractiviteiten; gederfde inkomsten als gevolg van het uitvoeren van beheeractiviteiten; transactiekosten. Artikel 3.6 Niet subsidiabele kosten In afwijking van artikel 3.5 komen kosten waarvoor voor het betreffende leefgebied al op grond van deze of enige andere regeling voor dezelfde periode of een deel van de periode een subsidie is verstrekt met betrekking tot natuurbeheer of agrarisch natuurbeheer in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 3.6a Vereisten subsidieaanvraag Subsidieaanvragen worden ingediend van 3 september 2019 tot en met 3 oktober
- Artikel 3.6b Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode genoemd in artikel 3.6a, voor nieuwe aanvragen en aanvragen om wijziging, als bedoeld in artikel 3.13, voor subsidies als bedoeld in: artikel 3.2, onder a tot en met f, vast op € 0; artikel 3.2, onder g, vast op € 280.000; artikel 3.2, onder h, vast op € 124.000; artikel 3.2, onder i, vast op € 40.000; artikel 3.2, onder j, vast op € 240.
- Artikel 3.7 Subsidiehoogte 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt bepaald door het maximumaantal hectares per leefgebied dat voldoet aan de subsidievereisten, genoemd in artikel 3.4, te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, vermenigvuldigd met zes. 2 De gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald door de begrote kosten per leefgebied, bedoeld in artikel 3.4, onderdeel c, onder 4, te delen door zes en daarna te delen door maximumaantal hectares dat voor dat leefgebied is aangevraagd. 3 Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 50.000, wordt de subsidie niet verstrekt. Artikel 3.8 Verdeelcriteria 1Indien binnen de aanvraagperiode meerdere volledige subsidieaanvragen of wijzigingsverzoeken van reeds afgegeven subsidiebeschikkingen voor dezelfde locatie binnen een leefgebied zijn ingediend, wordt een aanvraag geselecteerd door te bepalen welke aanvraag het meest ecologisch effectief wordt uitgevoerd. 2 Na toepassing van het eerste lid maken Gedeputeerde Staten, indien de binnen de aanvraagperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de dekkingsgraad, zijnde de verhouding van het aantal hectares beheer dat is aangevraagd tot het totaal aantal hectares leefgebied waarop dat gedeelte van de aanvraag ziet, te waarderen met maximaal 50 punten; de kwaliteit van beheer, zijnde: variatie in beheer, te waarderen met maximaal 40 punten; intensiteit van beheer, te onderscheiden in: het aantal verschillende vormen van beheer dat is aangevraagd, te waarderen met maximaal 20 punten; de zwaarte van het aangevraagde beheer, te waarderen met maximaal 20 punten. 3[vervallen] 4 Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen en het subsidieplafond te boven gaan, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald door de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, waarbij de aanvraag met de laagste gemiddelde kosten het hoogst wordt gerangschikt. 5 Indien toepassing van het tweede en vierde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen en het subsidieplafond te boven gaan, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting uitgevoerd door een notaris. Artikel 3.9 Externe adviescommissie Gedeputeerde Staten kunnen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 voor advies over artikel 3.8 voorleggen aan de adviescommissie. Artikel 3.10 Subsidieverlening De subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt verleend voor een periode van drie aaneengesloten kalenderjaren, welke periode steeds begint op 1 januari. Artikel 3.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger
- Onverminderd artikel 1.4 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: hij voert het project uit in leefgebieden; hij doet uiterlijk voor 1 januari van ieder beheerjaar in het daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen systeem een opgave op perceelsniveau van de beheeractiviteiten per leefgebied of onderdeel van een leefgebied waarvoor is beschikt; hij kiest een beheeractiviteit of combinatie van beheeractiviteiten die past bij de gekozen beheerfunctie zoals beschikt en het bijbehorende leefgebied zoals aangewezen in het natuurbeheerplan dat geldt voor het beheerjaar waarop de gekozen beheeractiviteit of beheeractiviteiten zien; hij meldt wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden aan Gedeputeerde Staten door die wijzigingen binnen de termijnen, bedoeld in bijlage 8, onder 1, tweede kolom, bij deze regeling en uiterlijk 30 september van het lopende beheerjaar door te voeren via het systeem, bedoeld onder b; hij meldt wijzigingen bestaande uit het toevoegen van percelen met de daarbij horende beheeractiviteit in het lopende beheerjaar aan Gedeputeerde Staten door die wijzigingen binnen de termijnen, bedoeld in bijlage 8, onder 1, tweede kolom, bij deze regeling en uiterlijk op de laatste dag waarop de Gecombineerde data inwinning kan worden ingediend door te voeren via het systeem, bedoeld onder b; hij meldt wijzigingen bestaande uit het terugtrekken van percelen met de daarbij horende beheeractiviteit uiterlijk 30 september van het lopende kalenderjaar via het systeem, bedoeld onder b, tenzij artikel 3, tweede lid, van verordening 809/2014 zich tegen de wijziging verzet, in welk geval wijzigingen niet mogelijk zijn; hij dient gedurende de periode waarin de Gecombineerde data inwinning wordt ingediend, ieder kalenderjaar tevens een verzoek in tot betaling van de jaarvergoeding voor dat kalenderjaar via het daartoe door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde formulier; hij dient uiterlijk 1 oktober van ieder kalenderjaar een verantwoording in waarin is beschreven: welke activiteiten als bedoeld onder b, daadwerkelijk zijn uitgevoerd; of en welke wijzigingen als bedoeld onder d, e en f, hebben plaatsgevonden en waarom; hij beschikt voor de gehele duur van de subsidie over een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer; hij verleent medewerking aan door of vanwege Gedeputeerde Staten uit te voeren audits in het kader van de naleving van de certificeringsvoorwaarden; hij verleent medewerking aan een toezichthouder als bedoeld in artikel 25 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant om toezicht te houden op de naleving van de subsidieverplichtingen en verleent een toezichthouder ongehinderd toegang tot percelen; hij draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd in het desbetreffende leefgebied; hij meldt de in bijlage 8, onder 2, bij deze regeling genoemde activiteiten, binnen de termijnen genoemd in bijlage 8, onder 2, tweede kolom, bij deze regeling, via het systeem, bedoeld onder b; hij verleent medewerking aan een auditor van de Auditdienst Rijk van het Ministerie van Financiën, voor zover dit nodig is ter uitvoering van de gegevensgerichte toetsing, bedoeld in artikel 7, derde lid, van verordening 908/2014, en verleent die auditor ongehinderd toegang tot percelen.
- Indien op een perceel meerdere activiteiten worden uitgevoerd, worden al deze activiteiten in het systeem, bedoeld in het eerste lid, onder b, opgenomen onder één en hetzelfde leefgebied en beheerfunctie. Artikel 3.12 Bevoorschotting en betaling 1Gedeputeerde Staten verstrekken na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren een voorschot op het verleende subsidiebedrag naar aanleiding van het ingediende betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onder h, en de verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onder i. 2 Gedeputeerde Staten nemen binnen tien weken na afloop van ieder kalenderjaar een beslissing tot voorschotverlening. 3 De beslissing, bedoeld in het tweede lid, kan eenmaal met ten hoogste tien weken worden verdaagd. 4Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt steeds betaald binnen 6 weken na afloop van de beslissingstermijn, bedoeld in het tweede of derde lid. 5De hoogte van het voorschot wordt bepaald door per leefgebied het totaal aantal subsidiabele hectares, waarvoor daadwerkelijk subsidiabele beheeractiviteiten zijn uitgevoerd, te vermenigvuldigen met de voor het betreffende leefgebied geldende gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid en de daaruit resulterende bedragen bij elkaar op te tellen. 6 Als het bedrag, bedoeld in het vijfde lid, hoger is dan het totaalbedrag dat voor de uitgevoerde beheeractiviteiten op grond van de vergoeding opgenomen in bijlage 4 maximaal mag worden vergoed, geldt voor de berekening van het voorschot dit maximum bedrag.
- Het uitrijden van ruige stalmest is ten hoogste subsidiabel voor éénmaal de oppervlakte van het betreffende perceel, ook al maakt de subsidieontvanger in een kalenderjaar meerdere keren melding van het uitrijden van ruige stalmest op dat perceel. Artikel 3.13 Wijziging subsidieverlening 1De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar, gericht op: de vergroting van het areaal; de verhoging van het bedrag per leefgebied per ha per jaar. 2 De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beoordeeld aan de hand van het natuurbeheerplan dat geldt voor het beheerjaar waarvoor het wijzigingsverzoek is ingediend. 3 Onder vergroting van het areaal, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan: vergroting van de minimale en maximale oppervlakte van het leefgebied of onderdeel van het leefgebied waarvoor reeds een beschikking is afgegeven; uitbreiding van de bestaande beschikking met een nieuw leefgebied of een onderdeel daarvan. 4Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om overeenkomstig de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen voor de resterende looptijd van de subsidie voor zover: de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 3.4; die wijziging leidt tot een verhoging van minimaal € 1.200; de vergroting van de oppervlakte is aangevraagd in het eerste of het tweede beheerjaar; en de vergroting in vergelijking met de oorspronkelijke beschikking niet leidt tot een toename van de totale maximale oppervlakte van meer dan 20 procent. 5 De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid. Artikel 3.14 Subsidievaststelling 1 Gelet op de toepasselijke Europese regelgeving stellen Gedeputeerde Staten, in afwijking van de artikelen 13, 20, 21 en 22 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, de subsidie na afloop van de zes aaneengesloten beheerjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, ambtshalve vast. 2 Het restantbedrag wordt binnen zes weken na afloop van de beslissing, bedoeld in het eerste lid uitbetaald. 3 De hoogte van het resterende bedrag wordt bepaald door het totaal aantal hectares opgegeven in het betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onder h, en waarvoor daadwerkelijk beheeractiviteiten zijn uitgevoerd, per leefgebied te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid. 4 Als het bedrag, bedoeld in het derde lid, hoger is dan het totaal bedrag dat voor de uitgevoerde beheeractiviteiten op grond van de vergoeding opgenomen in bijlage 4 maximaal mag worden vergoed, geldt voor de berekening van het resterende bedrag dit maximum bedrag. Artikel 3.15 Sancties 1 Ter uitvoering van verordening 640/2014 verlagen Gedeputeerde Staten de verleende of vastgestelde subsidie indien bij de uitvoering van controles als bedoeld in artikel 28 en 37 van verordening 809/2014 is geconstateerd dat de subsidieontvanger niet voldoet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 2 Indien een landbouwer, of andere grondgebruiker van landbouwgrond, die ten behoeve van de subsidieontvanger beheeractiviteiten uitvoert, subsidieverplichtingen, de baseline of randvoorwaarden schendt, wordt de schending toegerekend aan de subsidieontvanger.
- Gedeputeerde Staten verklaren het sanctiebeleid betreffende het plattelandsontwikkelingsprogramma 2 en 3 opgenomen in de Beleidsregel verlagen subsidie POP, van toepassing op deze paragraaf. 4 [vervallen] § 4 Slotbepalingen Artikel 4.1 Evaluatie [vervallen] Artikel 4.2 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4.3 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant
- ’s-Hertogenbosch, 14 april 2015Gedeputeerde Staten voornoemd,de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donkde secretaris mw. ir. A.M. Burger Bijlage 1 bij de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016 Index Landschap Leeswijzer T.a.v. versie 0.
- Bij de beheertypen die zijn vervallen is de vervaldatum met een eenduidige notatiewijze toegevoegd. De beheerpakketten voor landbouw en niet gecertificeerde beheerders zijn vervallen en weggehaald. De beheereisen die eerder voor beheerpakketten op landbouwgrond van toepassen waren zijn weggehaald. Waar wordt verwezen naar een vervallen beheertype is de verwijzing naar het vervallen beheertype weggehaald (landschapspakketten op landbouwgrond). Systematiek In het kader van de vereenvoudiging en transparantie van het Stelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) is een systematiek ontwikkeld die aansluit op de systematiek van de onderdelen Natuur en Agrarisch: L =Landschap L01 = landschapselemententypen L01.01 = landschapsbeheertypen Binnen het onderdeel Landschap zijn er 4 natuurtypen vastgesteld met daaronder 20 beheertypen. Uitgangspunten van de typologie zijn: Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en regionaal niveau. Natuurtypen zijn bruikbaar om afspraken op het gebied van landschapsbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu op elkaar af te stemmen zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden. Natuurbeheertypen zijn bruikbaar voor het typeren van een doelstelling van grote gebieden. Zowel natuurlijke landschappen als groene cultuurhistorische elementen zijn geïntegreerd in de natuurtypen. De indeling in natuurtypen zowel gebaseerd op abiotische als op biotische condities en op cultuurhistorie. Beheertypen zijn bedoeld voor de classificering en indeling van het beheer. Beheertypen kunnen (op regionaal niveau) beschouwd worden als eenheden met een kleine variatie in natuurwaarde en abiotische randvoorwaarden. Beheertypen zijn geschikt om zowel actuele situaties als doelen mee te beschrijven. Binnen een beheertype is sprake van een vergelijkbaar beheer en vergelijkbare kosten (koppeling doelen en middelen). Van alle landschapselemententypen is een algemene beschrijving opgenomen. De algemene beschrijving geeft een indruk van het voorkomen en geografische verspreiding van de beheertypen, de kenmerkende natuurwaarden en belangrijkste abiotische en ruimtelijke condities. Ook van alle landschapsbeheertypen is een algemene beschrijving opgenomen die samen met de afbakening de basis vormt voor de classificering van de beheertypen. Daarnaast zijn de afbakeningen met name gebaseerd op de minimale oppervlakte en/of afmeting in het kader van ecologische en financiële haalbaarheid van de vergoedingen. L01 Groenblauwe landschapselementen Algemene beschrijving In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse landschapselementen verschenen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie was vaak meerledig: zo dienden dergelijke landschapselementen als perceelsscheiding, veekering of drinkwatervoorziening voor het vee maar ze leverden ook gebruikshout op. Door de komst van prikkeldraad, de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers en hectares van deze elementen verdwenen. Deze landschapselementen vertegenwoordigen vaak een hoge natuurwaarde, doordat veel dieren en planten er beschutting, dekking en voedsel vinden. De lijnvormige landschapelementen worden gebruikt als migratieroute door veel zoogdieren als vleermuizen en das. De blauwe landschapselementen dienen als voortplantingsplaats van amfibieën en insecten. Veel vogels vinden nestgelegenheid in de dichtte begroeiing of juist in de ontstane holtes als gevolg van het intensieve beheer dat bij deze landschapelementen plaatsvindt. Planten en insecten profiteren optimaal van de vele microklimaten die de landschapelementen bieden. Beheertypen Dit natuurtype omvat de volgende beheertypen: L01.01 Poel en klein historisch water L01.02 Houtwal en houtsingel L01.03 Elzensingel L01.04 Bossingel en bosje (vervallen per 1-1-2017) L01.05 Knip- en scheerheg L01.06 Struweelhaag L01.07 Laan L01.08 Knotboom L01.09 Hoogstamboomgaard L01.10 Struweelrand (vervallen per 1-1-2017) L01.11 Hakhoutbosje (vervallen per 1-1-2017) L01.12 Griendje (vervallen per 1-1-2017) L01.13 Bomenrij en solitaire boom (vervallen per 1-1-2017) L01.14 Rietzoom en klein rietperceel (vervallen per 1-1-2017) L01.15 Natuurvriendelijke oever (vervallen per 1-1-2017) L01.16 Bossingel (nieuw per 1-1-2017) L01.01 Poel en klein historisch water Algemene beschrijving Poelen zijn natuurlijke of gegraven laagtes, gemaakt om over water voor vee te kunnen beschikken. Andere al dan niet gegraven kleine wateren met een historische betekenis zijn bijvoorbeeld voorraadbassins voor bluswater, visvijvers, schapenwasplaatsen, pingoruïnes en veenputten. Vaak vervulden poelen meerdere functies. De mens heeft altijd water nodig gehad en daarvoor zijn zowel bestaande natuurlijke wateren als zelf gegraven laagtes gebruikt. Ook uit de middeleeuwen zijn putten en kuilen bekend. Tot op de dag van vandaag worden poelen gegraven en gebruikt. Poelen en kleine wateren in het landschap kunnen dus al eeuwen oud zijn, alhoewel sommige van zeer recente datum zijn, denk aan nieuw gegraven amfibieënpoelen. Het beheertype Poel en klein historisch water is te vinden in heel Nederland. Er zijn diverse vormen bekend. In het waterrijke West-Nederland dienden de sloten veelal als veedrinkplek en waren poelen dan ook minder noodzakelijk. In dit gebied vinden we de veenputten die door het kleinschalig afgraven van veen zijn ontstaan. Als drinkplaats voor vee zijn poelen daar te vinden waar ander drinkwater niet voorhanden was. Vooral in Oost- en Zuid-Nederland zijn poelen veel voorkomende landschapselementen. In de kustgebieden zijn poelen aangelegd om in zoet water te voorzien in een zilte omgeving. Deze poelen werden dan in een kunstmatige verhoging gegraven. Dit zijn de zogenaamde hollestelles. Deze zijn vooral in Zeeland te vinden en liggen vaak buitendijks. Wateren die als bluswater dienden zijn veel nabij boerderijen en nederzettingen te vinden. Visvijvers komen vooral veel in Brabant en Zuid-Limburg voor. Het is belangrijk de historische contouren/vormen te behouden, zeker bij de visvijvers. Openheid rondom (een deel van) de poel kan de zichtbaarheid en beleefbaarheid vergroten en is van belang om een goed voortplantingsbiotoop voor amfibieën te behouden. In het verleden was zeker bij veedrinkpoelen het element bereikbaar voor vee en dus in ieder geval deels onbegroeid. Vaak stonden er wel enkele bomen bij een poel voor schaduw voor de dieren en tegen verdamping. Soms kennen poelen gemetselde randen, zoals uit Zuid-Limburg bekend is. Poelen zijn van groot belang als voortplantingsbiotoop voor amfibieën en libellen in het cultuurlandschap. Afbakening Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied. Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are. In Zuid-Limburg heeft een voortplantingspoel voor amfibieën een oppervlakte van minimaal 0,2 are. Vijvers die een onderdeel zijn van een park- of tuinaanleg vallen niet onder dit beheertype, maar onder beheertype L02.03 Historische tuin. Wateren die onder N06.06 ‘Zuur ven of hoogveenven’ of N06.05‘Zwakgebufferd ven’ vallen horen niet tot dit beheertype. Sloten behoren niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.02 Houtwal en houtsingel Algemene beschrijving Houtwallen en houtsingels komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten zoals; graften, grubben, dykswâlen, schurvelingen of houtkaden. Houtwallen komen vooral voor in cultuurlandschappen in het Zandgebied, Heuvelland en het Duingebied. Lijnvormige landschapselementen met wallichaam in het laagveengebied worden houtkade genoemd. Ook de begroeiing op graften en holle wegen in Zuid-Limburg valt onder dit type. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Afbakening Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd. De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.03 Elzensingel. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Bijlage 2 bij de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016 Index Natuur Leeswijzer T.a.v. versie 0.5 De versie 0.5 van het onderdeel natuurbeheertypen van de index natuur- en landschap betreft een versie met beschrijvingen van de beheertypen waar net als in versie 0.3 de landschapselementen zijn uitgehaald en elders in een apart onderdeel Landschapselementen zijn ondergebracht. Ten opzichte van versie 0.
- zijn enkele kleine aanpassingen aan de tekst van de beheertypen gedaan ter verdere verduidelijking van de afbakening van de beheertypen, naar aanleiding van gebleken onduidelijkheden tijdens het omzettingsproces vanuit oude typologieën begin
- T.a.v. versie 0.7 In versie 0.7 zijn ten opzichte van versie 0.6 de natuurbeheertypen 05.03 (Veenmoeras) en 05.04 (Dynamisch moeras) toegevoegd. Het natuurbeheertype 05.01 (Moeras) vervalt per 1-1-
- T.a.v. versie 0.8 In versie 0.8 is ten opzichte van versie 0.7 het natuurbeheertype 05.01 (Moeras) vervallen. Waar wordt verwezen naar een vervallen beheertype is de verwijzing aangepast naar het nieuwe beheertype. In de lopende tekst is de code van het natuurbeheertype toegevoegd (conform de werkwijze bij Landschap). 1 natuurbeheertypen De natuur- en beheertypen zijn in nauwe samenwerking met IPO en LNV en met uitgebreide consultatie ontwikkeld binnen het Project Waarborgen Natuurkwaliteit om de bestaande planning en evaluatiesystemen op het gebied van natuurbeheer te verbeteren. Het ging om de volgende doelen en wensen: Samenvoegingen en vervanging van bestaande systemen, Verbetering waar nodig, echter geen radicaal andere uitgangspunten. Stroomlijning met doelen van N2000 en Kaderrichtlijn water Vereenvoudiging door reductie van het aantal typen Binnen het onderdeel natuur zijn er nu 17 natuurtypen en daaronder 49 beheertypen. Uitgangspunten van de typologie zijn: Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en regionaal niveau. Natuurtypen zijn bruikbaar om afspraken op het gebied van natuurbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu op elkaar af te stemmen zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden. De indeling in natuurtypen is met name gebaseerd op abiotische condities (waterhuishouding en voedselrijkdom). Beheertypen zijn bedoeld voor de aansturing van het beheer. De indeling is praktisch en sluit aan op de schaal waarop beheerders werken. In het algemeen betekent dit dat de index toepasbaar moet zijn op een schaal 1:25.
- Kleine delen van andere beheertypen worden niet apart weergegeven, de grenzen van het doelgebied komen op duidelijk herkenbare structuren zoals wegen en paden, bosranden etc. Alle subsidiabele natuur van terreinbeherende organisaties en particulieren kan worden ondergebracht in de typologie. Voor niet subsidiabel beheer kan door de beheerders een aantal extra typen voor interne sturing worden gehanteerd (bv regulier verpachte gronden, gebouwen en erf). Deze typen zijn niet in de typologie opgenomen. Beheertypen kunnen op regionaal niveau beschouwd worden als eenheden met een kleine variatie in natuurwaarde en abiotische randvoorwaarden. Beheertypen zijn geschikt om zowel actuele situatie als doelen mee te beschrijven. Binnen een beheertype is sprake van een vergelijkbaar beheer en vergelijkbare kosten (koppeling doelen en middelen). Waar echter verschillende maatregelen tot een zelfde resultaat kunnen leiden, is rekening gehouden met de verschillende beheermethoden. Zowel natuurlijke landschappen als groene cultuurhistorische elementen zijn geïntegreerd in de beheertypen. Om een houtproductiedoelstelling apart te kunnen weergeven is het natuurtype multifunctionele bossen onderscheiden. Bij het ontwerp van de beheertypen in de eerste 16 natuurtypen (met als belangrijkste aandachtsveld Natuur of Bos met productiefunctie) is rekening gehouden met drie aspecten: Ecosysteembenadering; processen, structuur en levengemeenschappen Mate van natuurlijkheid Hanteren van kwaliteitsniveaus per type Naast deze 17 natuurtypen en 49 beheertypen van het onderdeel natuur is er nog het natuurtype N00 Nog om te vormen naar natuur en het beheertype N00.01 Nog om te vormen naar natuur om gronden die nog moeten worden ingericht of omgevormd naar andere beheertypen in omvang en ligging voor beleid en beheer inzichtelijk te maken. Van alle natuurbeheertypen is een algemene beschrijving en afbakening opgenomen. De algemene beschrijvingen geven een indruk van het voorkomen en geografische verspreiding van de beheertypen, de kenmerkende natuurwaarden en belangrijkste abiotische en ruimtelijke condities. Voor de afbakening van de beheertypen is een aantal uitgangspunten geformuleerd: de afbakening is goed toepasbaar en helder voor deskundige (gecertificeerde) beheerders, de indeling is eenduidig toe te passen, de typen sluiten elkaar onderling zoveel mogelijk uit. De afbakeningen zijn met name gebaseerd op vegetatiestructuur, abiotische condities en voorkomen in geografische regio’s. In een aantal gevallen wordt het voorkomen van soorten en vegetatietypen gebruikt om het type te karakteriseren. Indien het beheer onlosmakelijk verbonden is met het beheertype wordt dit bij de afbakening vermeld. De afbakening tussen de natuurtypen vochtig bos en droog bos en bos met productie is gebaseerd op hoeveelheid oogst in relatie tot gemiddelde jaarlijkse bijgroei (conform FSC-certificering voor Small and Low Intensity Managed Forest). De opschaling tot eenheden die praktisch hanteerbaar zijn voor beheerders heeft tot gevolg dat er, ten opzichte van de gehanteerde indeling in het handboek natuurdoeltypen, ook in de typeomschrijvingen een opschaling plaats vindt. Het gaat dus vaak om een combinatie van natuurkwaliteiten: Bij moerassen bijvoorbeeld gaat het om de combinatie van open waterriet, gesloten rietlanden, ruigten en struwelen. Bossen behoren open plekken, zomen en struwelen te bevatten. In de veenweidegebieden gaat het dan niet meer om graslanden, oevers en sloten afzonderlijk, maar juist om de combinatie van deze drie elementen en de overgangen er tussen. Soms zijn bijzondere kwaliteiten juist gebonden aan gradiënten. De beheertypen herbergen dus meer gradiënten dan de natuurdoeltypen. In de kwaliteitsbeoordeling komt dit aspect o.a. terug in het onderdeel structuur. De kwaliteit van het leefgebied van veel diersoorten wordt bepaald door de aanwezigheid van meerdere structuurelementen. In de vertaaltabel worden deze kleinschalige elementen als sloten en ruigten en zomen uit oude typologieën niet overal genoemd bij de vertaling. In principe worden ze opgenomen in aanliggende beheertypen. Grootschalige dynamische natuur bestaat met uitzondering van Zee en wad altijd uit een combinatie van andere beheertypen. Bij grootschalige beheertypen wordt beschreven welke combinaties van de andere beheertypen te verwachten zijn. De kwaliteit van deze beheertypen wordt bepaald door de kwaliteit van de andere beheertypen die in dit type voorkomen en door de mate van natuurlijkheid. De aanwezigheid van landschapsvormende en hydrologische processen is belangrijk voor het laatste aspect. De omschrijvingen in de natuur- en beheertypen zijn niet bedoeld als kookboeken voor het beheer. De werkelijkheid is daarvoor veel te ingewikkeld, maatwerk zal nodig blijven. De omschrijvingen zijn bedoeld om duidelijk te maken wat er onder een type valt. Bij de beheertypen zal een foto opgenomen worden ter illustratie van een goed ontwikkelde vorm van het beheertype. Daarnaast wordt een aantal voorbeeldgebieden genoemd, waar het type goed ontwikkeld voorkomt. Over de schaal van toepassing van de beheertypen in de nieuwe subsidieregeling en de sturingsrelatie SBB-EZ is ook een praktische insteek noodzakelijk. Omdat veel beheertypen vaak in kleinschalig mozaïek voorkomen (praktisch niet karteerbaar) moet er ruimte zijn voor het kleinschalig voorkomen van andere beheertypen binnen begrensde eenheden. Daarbij is gehanteerd dat 20% van de oppervlakte kleinschalig en in menging tot een ander beheertype mag behoren. Deze ruimte is niet telkens apart genoemd in de afzonderlijke beschrijvingen van de afbakeningen per beheertype. N00.01 Nog om te vormen naar natuur 1.1 Algemene beschrijving Gronden met een intensief agrarisch of ander verleden die een natuurbestemming krijgen, hebben meestal niet van de ene op de andere dag natuurwaarden. Hiervoor is eerst een omvormingsbeheer (verschraling) nodig of inrichting, zoals het afvoeren van de voedselrijke bouwvoor of bosaanplant. Dit kan vaak niet meteen. Vaak is er wel al aangepast beheer nodig. Om deze gronden met een natuurbestemming toch op de kaart te kunnen zetten is er het beheertype ‘nog om te vormen naar natuur’. Hiermee is voor het beheer en beleid inzichtelijk waar en hoeveel natuur nog omgevormd of ingericht moet worden. Als ook voor de toekomst nog niet duidelijk is tot welke natuur het omgevormd wordt kan het ook op ambitiekaart van de Provincie staan aangegeven, totdat daadwerkelijk aan een inrichting wordt gewerkt. 1.2 Afbakening Dit beheertype omvat gronden die in het verleden een andere functie dan natuur hebben gekend en nog niet tot andere beheertypen te rekenen zijn. N01 Grootschalige, dynamische natuur Algemene beschrijving Grootschalige, dynamische natuur is een natuurtype waar natuurlijke processen een bepalende invloed hebben op het landschap. Als gevolg hiervan zijn jonge successiestadia zoals open grond, open water of grasland aanwezig, maar ook oude successiestadia zoals bossen of venen. Er is daarom sprake van een ruime variatie in levensgemeenschappen en soorten. In een land zoals Nederland zijn vooral processen actief onder invloed van water. Voorbeelden daarvan zijn: de stroming van oppervlaktewater, waardoor pioniermilieus kunnen ontstaan; stagnatie van grond- en regenwater, waardoor veenvorming kan optreden; de toestroom van zilt water, waardoor bepaalde soorten worden bevoordeeld en andere (onder andere alle bomen en struiken) worden uitgesloten. In droge gebieden kan ook begrazing, brand of wind ervoor zorgen dat plaatselijk lage vegetaties ontstaan op plaatsen die anders geheel zouden dichtgroeien met bos of struweel. Ontstaansgeschiedenis Grootschalige, dynamische natuur is aanwezig als er weinig of geen menselijke invloed is op het landschap. Die omstandigheden zijn op de meeste plaatsen in Nederland al lang verdwenen. In de eerste plaats doordat gebieden in gebruik werden genomen voor landbouw, bewoning, enzovoorts. In de tweede plaats doordat men uit veiligheidsoverwegingen bescherming wenste tegen natuurlijke processen, zoals overstroming, brand, dierziekten en dergelijke. Na de middeleeuwen heeft het natuurtype zich voornamelijk langs de kust redelijk weten te handhaven. De binnenlandse beheertypen van dit natuurtype zijn in de loop van de eeuwen vrijwel verdwenen. Dit laatste gebeurde zowel direct, door het ontginnen van gebieden en het indammen en bestrijden van dynamische processen, als indirect doordat resterende natuurgebieden steeds kleiner werden en daarmee geen ruimte meer boden voor landschapsvormende processen. Tegenwoordig bestaat grote belangstelling om grootschalige, dynamische natuur (weer) te ontwikkelen. Daarvoor zijn grote gebieden nodig die ruimte bieden aan landschapsvormende processen binnen de omstandigheden van de 21e eeuw. Het laatste betekent dat het natuurtype ook kan worden nagestreefd in bijvoorbeeld afgesloten zeearmen die door de mens zijn drooggelegd. Zelfs enige mate van actieve menselijke beïnvloeding behoort tot de mogelijkheden, vanuit de overweging dat natuurlijke processen bijna nergens in Nederland nog geheel ongestoord kunnen verlopen, en omdat vaak niet valt te reconstrueren hoe de natuurlijke referentie eruit ziet. Men kan daarom besluiten om gewenste ruimtelijke variatie te bereiken door de landschapsvormende processen af en toe een handje te helpen. Beheertypen Afhankelijk van de regionale omstandigheden en de landschapsvormende processen die er optreden, omvat dit natuurtype de volgende 4 beheertypen: N01.01 Zee en wad N01.02 Duin en kwelderlandschap N01.03 Rivier- en moeraslandschap N01.04 Zand- en kalklandschap N01.01 Zee en wad 1.1 Algemene beschrijving Zee en wad omvat het water en de niet begroeide droogvallende zand- en slikplaten die door de zee overstroomd worden. Het gaat om droogvallende platen, geulen, zandbanken en diepere zeebodems met een grote variatie aan bodemleven. In meer stabiele stadia, die ook niet zwaar door de mens beïnvloed worden, ontwikkelen zich schelpenbanken. Op plaatsen waar ook zoet water instroomt kunnen zeegrasvelden aanwezig zijn. Zee en wad komt voor langs de gehele kust en met name in de Waddenzee en het Deltagebied. De vroegere geleidelijke overgangen naar zoet water zijn door de aanleg van dijken veelal scherp geworden en zoet-zout overgangen met hun bijbehorende flora en fauna zijn dan ook zeldzaam geworden. Door de stroming van het zeewater zijn er erosie en sedimentatieprocessen aanwezig die leiden tot variatie in diepte, substraat en ontwikkelingsstadium van de bodem. Met name grootschalig intensief menselijk gebruik zoals bodemvisserij leidt tot zware en langdurige bodemverstoring met tot gevolg een sterke afname van oudere stadia met schelpdierbanken. Hierdoor is er onder andere minder voedsel voor vogels. Recreatie kan daarnaast leiden tot veel verstoring. Het natuurbeheer bestaat hier vooral in het waarborgen van voldoende rust voor de fauna en het beschermen tegen intensieve ingrepen in de bodem. Het type is van Europees groot belang voor veel trekvogels, bodemdieren en vissoorten. Verder zijn voor dit type Gewone en Grijze zeehond karakteristiek. 1.2 Afbakening Zee en wad omvat de zee, zeearmen en niet begroeide droogvallende zand- en slikplaten. Begroeide platen onder grootschalige natuur worden tot het beheertype N01.02 Duin- en kwelderlandschap gerekend. Het landschap wordt gevormd door natuurlijke processen. Met name door de werking van de zeewaterstromen en wind. De tot dit type behorende eenheid is tenminste 500 ha groot of maakt onderdeel uit van een groter gebied behorend bij grootschalige dynamische natuur. Het beheertype heeft alleen betrekking op de kustzône. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Waddenzee, Dollard en Oosterschelde. N01.02 Duin- en kwelderlandschap 1.1 Algemene beschrijving Duin- en kwelderlandschap omvat de kustduingebieden en kwelders waar wind- en waterdynamiek vrij spel hebben en veelal ook integrale begrazing door grote zoogdieren aanwezig is. Het bestaat uit beheertypen Strand en embryonaal duin, Open duin, Vochtige duinvallei, Duinheide, Duinbos en Schor of kwelder die echter vanwege het veranderlijke landschap niet in omvang en ligging apart in het beheer worden vastgelegd. Door de dynamiek in het landschap is er sprake van allerlei in ligging en omvang variërende successiestadia. Het gaat hierbij om een variatie die alle hierboven genoemde beheertypen omvat. Door het aan banden leggen van wind- en waterdynamiek is er weinig ruimte meer voor dit beheertype en is het beperkt tot een aantal gebieden waar deze dynamiek nog wel vrij spel mag hebben. Met name het frequent ontstaan van pionierstadia maakt dit beheertype van belang voor veel hieraan gebonden zeldzame soorten. 1.2 Afbakening Duin- en kwelderlandschap omvat in tijd en ruimte wisselende beheertypen N08.01 Strand en embryonaal duin, N08.02 Open duin, N08.03 Vochtige duinvallei, N08.04 Duinheide, N15.01 Duinbos, N04.02 Zoete plas en N09.01 Schor of kwelder. Het landschap wordt gevormd door natuurlijke processen zoals de werking van wind, zeewaterstromen en/of grote grazers. De tot dit type behorende eenheid is tenminste 500 ha groot of maakt onderdeel uit van een groter gebied behorend bij grootschalige dynamische natuur. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Oostpunt Schiermonnikoog, oostpunt Terschelling en Kwade Hoek. N01.03 Rivier- en moeraslandschap 1.1 Algemene beschrijving Rivier- en moeraslandschap omvat enerzijds de gebieden langs rivieren waar de waterdynamiek van de rivieren en successie in combinatie met integrale begrazing door grote grazers het landschap bepalen en anderzijds veen- en kleigebieden waar waterstandfluctuaties, hoogteverschillen, successie en integrale begrazing het landschap bepalen. Langs de rivieren gaat het ook om kleine in het overstromingsbereik van de rivier liggende gebieden die tezamen langs een rivier een landschappelijke eenheid vormen. Al naar gelang de ligging van het gebied bestaat het uit een groot scala van andere in rivier- en veen- en kleigebieden voorkomende beheertypen (zoals rivier, zoete plas, moeras, droog schraalland, zilt grasland en overstromingsgrasland, ruigteveld, rivier en beekbegeleidend bos of hoog- en laagveenbos) die echter vanwege het veranderlijke landschap niet in omvang en ligging apart in het beheer worden vastgelegd. De overstromingsdynamiek is langs de rivieren een belangrijke factor. Deze is echter door allerlei ingrepen bovenstrooms en door het dieper komen te liggen van de rivier veranderd van bijna jaarlijkse lage overstromingen tot onvoorspelbare hoge overstromingen. Hierdoor hebben concurrentiekrachtige soorten van storingsmilieus een groot aandeel gekregen en is begrazing belangrijk om ook andere soorten nog kansen te geven. In dit grootschalig voorkomende beheertype zijn ook toppredatoren als zeearend karakteristiek en daarnaast kan ook de bever invloed hebben op het landschap. Ook aanwezigheid van grote zoogdieren zoals edelhert in meer natuurlijke dichtheden zijn van belang. 1.2 Afbakening Rivier- en moeraslandschap is gelegen in het Rivierenlandschap of in het landschapstype Laagveen en zeeklei en omvat in tijd en ruimte wisselende in dit landschap behorende typen. Het landschap wordt gevormd door natuurlijke processen zoals de werking van water, wind en/of grote grazers. De tot dit type behorende eenheid is tenminste 500 ha of maakt onderdeel uit van een groter gebied behorende bij grootschalige dynamische natuur. Voor gebieden liggend aan de rivier vormt de rivier een verbindende schakel mits de gebieden niet meer dan 5 km van elkaar af liggen. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Gelderse Poort, Oostvaardersplassen en Tiengemeten. N01.04 Zand- en kalklandschap 1.1 Algemene beschrijving Zand- en kalklandschap omvat de meer natuurlijke gebieden in het zand- en het kalklandschap waar vooral grondwaterstandfluctuaties, successie en waterdynamiek van beken in combinatie met integrale begrazing het landschap vormen. Al naar gelang de ligging van het gebied bestaat het uit een groot scala van andere in zand- en kalkgebieden voorkomende beheertypen (zoals N03.01 Beek en Bron, N06.03 Hoogveen, N06.04 Vochtige heide, N06.06 Zuur ven of hoogveenven, N07.01 Droge heide, N11.01 Droog schraalland, N14.03 Haagbeuken- en essenbos en N15.02 Dennen- eiken en beukenbos) die echter vanwege continue veranderingen in het landschap niet in omvang en ligging apart in het beheer kunnen worden vastgelegd. Om natuurlijke processen in dit beheertype het landschap te kunnen laten bepalen is een grote oppervlakte nodig. Er is hiervoor in Nederland slechts weinig ruimte overgebleven. De natuurwaarden hangen vooral samen met de variatie in de ruimtelijke gradiënt in vochthuishouding en successiestadia. Bij ontwikkeling vanuit een in het recente verleden intensief geëxploiteerd landschap zijn met name oude ontwikkelingsstadia met bijvoorbeeld dikke en dode bomen van belang voor de biodiversiteit. Naar verloop van tijd wordt het voldoende ontstaan van pioniersituaties voor de biodiversiteit belangrijk, die door begrazing ook langer aanwezig kunnen blijven. Met de mate waarin begrazing in dit landschapstype een rol speelt in relatie tot de biodiversiteit is nog veel onbekend, omdat dit landschapstype in Europa al lange tijd niet meer voorkomt en er slechts recent gestart is met de ontwikkeling ervan. De mate waarin bomen het landschapsbeeld in dit verband zullen domineren is nog onzeker maar zal naar waarschijnlijkheid in ruimte en tijd fluctueren. Karakteristieke soorten zijn al degenen die voor de andere beheertypen van zand- en kalkgebieden genoemd zijn. Specifieke soorten die als karakteristiek voor het grootschalig voorkomen van dit type kunnen worden gezien zijn nog grotendeels onbekend, maar omvatten waarschijnlijk een aantal grote roofvogels en toppredatoren als de lynx. Verder zijn meer natuurlijke dichtheden van wild zwijn en Eedelhert van belang. 1.2 Afbakening Het beheertype Zand- en kalklandschap is gelegen in de Zandlandschappen of het Heuvellandschap en omvat in tijd en ruimte wisselende in dit landschap thuishorende typen. Het landschap wordt gevormd door natuurlijke processen zoals de werking van wind, water (o.a. periodiek hoge grondwaterstanden) en/of grote grazers. De tot dit type behorende eenheid is tenminste 500 ha groot of maakt onderdeel uit van een groter gebied behorend bij grootschalige dynamische natuur. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Veluwezoom. N02 Rivieren Algemene beschrijving Onder het type rivieren vallen de brede stromende wateren, inclusief hun oevers en de buitendijkse wateren in de uiterwaarden die tijdens hoge waterstanden in contact staan met de rivieren. In vergelijking met het buitenland stromen onze rivieren langzaam. Verder is opvallend dat de rivieren in Nederland zijn vastgelegd in een korset van kribben, kades, dijken en (soms) stuwen, waardoor bijvoorbeeld geen rivierverleggingen meer optreden en er over korte afstand minder variatie is in waterdiepte en stroomsnelheid dan vroeger het geval was. Dezelfde kunstwerken dragen er ook aan bij dat in natte perioden zeer hoge piekafvoeren kunnen voorkomen met kortdurende, hoge stroomsnelheden. Toch hebben de verschillende riviertrajecten een duidelijk eigen karakter. Zo ondervinden alleen de westelijke riviertrajecten getijde-invloed van de zee en heeft de Rijn in de zomer een constantere aanvoer van (smelt)water dan de andere rivieren. Ontstaansgeschiedenis In vroegere tijden waren de rivieren in Nederland een wirwar (in tijd en ruimte) van hoofd- en nevengeulen en een afwisseling van zandplaten, rivierduinen, slibrijke oevers en grindige aanwassen. Op de overstromingsvlakten kwamen uitgestrekte zeggemoerassen en ooibossen voor. Deze natuurlijke rivieren zijn vanaf de Middeleeuwen steeds meer aan banden gelegd. Eerst vooral door het aanleggen van dijken om overstromingen te beperken, later ook door de aanleg van kribben, stuwen en beschoeiingen om erosie en sedimentatie in de hand te houden. Sommige trajecten zijn gegraven zoals de Bergse Maas, het Pannerdens kanaal en de vele bochtafsnijdingen. De meeste en meest radicale ingrepen vonden plaats in de tweede helft van de negentiende eeuw. In de 20e eeuw is de waterkwaliteit dramatisch verslechterd, om pas weer langzaam te verbeteren in de afgelopen decennia. Beheertypen Dit natuurtype omvat één beheertype: N02.01 Rivier N02.01 Rivier 1.1 Algemene beschrijving Rivier omvat al het stromend water van de rivieren Rijn en zijtakken, Maas en Overijsselse vecht. Het gaat om alle buitendijkse wateren met hun oevers in de uiterwaarden van deze rivieren. Iedere rivier en ieder riviertraject heeft een eigen karakter. De Grensmaas heeft een wat groter verval, stroomt daardoor wat sneller en heeft grindoevers. Niers, Roer (zijtakken van de Maas) en Overijsselse vecht zijn kleine rivieren met in de zomer soms weinig wateraanvoer. De Rijn met haarzijtakken heeft in de zomer een wat constantere wateraanvoer. De rivieren in het oosten en het zuiden stromen door zandige gebieden, meanderen breed en hebben vrij hoge zandige oeverwallen. De rivieren in de Betuwe liggen in komkleigebieden, meanderen wat minder en liggen tegenwoordig hoog in het landschap. De westelijke rivieren vormen een netwerk, zijn breed, stromen heel traag en zijn te beschouwen als zoetwatergetijde rivieren. De variatie in stroomsnelheid en waterkwaliteit is groot, in afgesnoerde strangen en wielen staat het water stil terwijl de stroming in buitenbochten van de rivier juist groot is. De stilstaande wateren kunnen dichtslibben en verlanden, bij hoog water in de winter kan de geul weer uitschuren. In de zomer kunnen de oevers en stranden breed zijn en begroeid raken met pioniers als slijkgroen. De stilstaande wateren in de uiterwaarden zoals oude geulen, afgesneden meanders en wielen lijken veel op zoete plas. Juist deze afwisseling en verandering zorgen voor een hoge diversiteit. Rivieren zijn internationaal en nationaal van groot belang als leefgebied voor trekvogels, vissen, libellen, kokerjuffers, steenvliegen en haften. Het gaat bijvoorbeeld om rivierrombout, bataafse stroommossel, platte zwanenmossel, bever, barbeel, kopvoorn, rivierdonderpad, meerval, riviergrondel, sneep, winde, rivierprik, zeeprik en aal. Vooral voor trekvissen is het internationale belang groot. De trekvissen elft, fint, houting, steur, zalm komen in Nederland vrijwel niet meer voor. Slechts enkele waterplanten komen voor in de rivier zelf; rivierfonteinkruid, doorgroeid fonteinkruid (nu alleen kleine rivieren), en vlottende waterranonkel in de Grensmaas. Het karakter van rivier is blijvend veranderd. De versnelde afvoer van water en hogere piekafvoeren worden veroorzaakt door de ontginning van de oorspronggebieden, de veranderingen in klimaat, de bedijkingen en het rechtrekken van stroomgeulen. Kribben en versteende oevers verhinderen erosie. Zandwinputten en grindgaten zijn zeer diep en veranderen het proces van sedimentatie van zand en slib en stroming van oppervlakte- en grondwater. Door afdammingen langs de kust is de invloed van het getij verminderd. Getijdeslag kwam voor tot de lijn Wijk bij Duurstede, Tiel, Oss. Door vergroting van de overstromingsvlakten, verbetering van waterkwaliteit, verbetering van de mogelijkheden voor vistrek, verbetering van de aansluitingen op beken, en vergroting van de variatie in verschillende typen water, het spontaan laten ontstaan van zandige oevers kan echter veel gewonnen worden. Vooral de kleine rivieren bieden hiervoor perspectief. 1.2 Afbakening Het beheertype rivier omvat alle wateren (incl. strangen, grindgaten en oude rivierlopen) in de buitendijkse gebieden van Maas, Roer, Niers, Bergse maas, Afgedamde maas, Nederrijn, Lek, Nieuwe Maas, Waal, Merwede, Amer, Oude Maas, Nieuwe Waterweg, Rijn, IJssel, Overijsselse Vecht en Zwarte Water. Kanalen met stromend water; oude stroomgeulen en kreken in het laagveen- en kleigebied (Reitdiep, Amstel, IJ); en oude zijtakken van de Rijn die nu afgekoppeld zijn (Kromme Rijn Hollandse IJssel) worden tot zoete plas gerekend. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Roer N03 Beken en bronnen Algemene beschrijving Beken en bronnen zijn kleine stromende wateren waar grondwater uittreedt en als oppervlaktewater zijn weg zoekt in (uiteindelijk) de richting van de zee. In relatief natuurlijke omstandigheden hebben (laagland)beken een meanderend verloop temidden van bossen en/of graslanden. Tegenwoordig echter komen ze meestal voor in de vorm van rechtgetrokken waterlopen met stuwen, zeker op plaatsen waar ze in rationeel verkavelde landbouwgebieden liggen. Bronnen liggen vaak nog steeds in moerassen of bossen en vormen daar het begin van een beek, maar zijn daarvoor niet de enige voedingsbron. Stroomafwaarts worden beken bovendien zijdelings gevoed door grondwater (en door het aantakken van zijbeken). De stroomsnelheid is afhankelijk van het verhang in het landschap en natuurlijk de hoeveelheid neerslag. In de ecologie van beken is het heel belangrijk dat er op allerlei schaalniveaus verschillen zijn in stroomsnelheid, waterdiepte, sediment, lichtinval, enzovoorts. Ontstaansgeschiedenis Beken en bronnen hebben altijd een belangrijke rol gespeeld in het wonen en werken van mensen. Omdat bijna alle beken door de eeuwen heen onderhevig zijn geweest aan allerlei aanpassingen, is niet altijd duidelijk hoe natuurlijk of cultuurlijk bepaalde beken zijn. Het minst natuurlijk zijn ongetwijfeld de sprengenbeken, die vanaf de middeleeuwen zijn gegraven voor de aanvoer van drinkwater en om watermolens aan te drijven. Ook was het schone water zeer geschikt voor o.a. papierfabricage en wasserijen. Vanuit de gegraven sprengkop werd het water dan geleid richting watermolen, wasserij of kasteelgracht, via een gegraven sprengenbeek of een beek die al bestond. Andere beken zijn gegraven om graslanden te bevloeien. Dit water werd meestal afgetapt van bestaande beken. Beheertypen Het natuurtype omvat één beheertype: N03.01 Beek en bron N03.01 Beek en bron 1.1 Algemene beschrijving Het beheertype Beek en bron komt voor op de zand- en lössgronden van noord, oost en zuid Nederland en in de duinen. Het gaat om kleine stromende wateren met hun bronnen, zoals Regge, Dinkel, Berkel, Dommel, en Swalm, die uiteindelijk uitmonden in een rivier, in oost- en zuid Nederland, of op een (voormalig) estuarium (Drentse Aa, Boorne in noord Nederland). (Mee)stromende wateren zoals molenkolken, sprengen en opgeleide beken behoren eveneens tot dit type. Ieder bekenstelsel kent brongebieden, bovenlopen, een of twee middenlopen en een benedenloop. Bronnen en bovenlopen liggen vaak heel verspreid en hoog in het landschap en zijn vaak gedeeltelijk ge- of vergraven. Middenlopen liggen vaak wat dieper in laagten en trekken daardoor ook veel grondwater aan. De benedenlopen liggen in vlakke veengebieden en overstromingsvlakten, ze kunnen zo breed worden dat ze lijken op kleine rivieren (Eem, Dieze, Reitdiep). De meeste beken behoren tot de zogenaamde laaglandbeken daarnaast komen heuvellandbeken voor. De ecologische verschillen tussen beide type beken is groot door de variatie in bodem en de verschillen tussen rustig en turbulent water. Beken in de duinen, duinrellen, hebben vaak kenmerken van beide typen. Laaglandbeken zijn langzaam stromende, vaak vrij brede beken, met een regelmatige waterafvoer. Ze komen voor in vrij vlakke zandgebieden; het Drents plateau, de Achterhoek, de grote glaciale bekkens in midden Nederland en in grote delen van Noord-Brabant. Laaglandbeken ontsprongen vaak in hoogveen, heide of laagveen. Duidelijk herkenbare bronnen ontbreken vaak. In de laaglandbeken komen zeer rustige stukken voor, waar slib en zand afgezet wordt, plaatselijk komt wat grover zand of fijn grind voor. De beken in reliëfrijke gebieden; zuid en midden Limburg en stuwwallen van midden Nederland, hebben vaak duidelijk herkenbare bronnen, stromen sneller, slijten wat dieper in en vormen makkelijker zandbanken. De bodems zijn zandig of vaak grindrijk, slib komt slechts plaatselijk voor. Beken en bronnen zijn van groot belang voor waterranonkels, fonteinkruiden en sterrekroossoorten, platwormen, waterkevers, libellen, waterjuffers en kokerjuffers, rivierkreeft en een groot aantal vissen: beekforel, beekprik, elrits, serpeling. kwabaal (benedenloop), rivierdonderpad, zeeprik, rivierprik, gestippelde alver en vlagzalm. De laaglandbeken met beekprik, zeeprik, gaffellibel, begroeiingen met drijvende waterweegbree, waterranonkels of teer vederkruid zijn in internationaal opzicht belangrijk. Vrijwel alle beken zijn door de mens vergraven. Beken zijn verlengd, verbreed, verdiept, gekanaliseerd en met elkaar verbonden om water versneld af te voeren. De meeste beken zijn in de benedenloop gestuwd en lozen op kanalen en vaarten met vaste peilen. De waterkwaliteit van het beekwater is meestal niet goed door vermesting of vervuiling. Voor vissen is het ongehinderd kunnen trekken van zee naar de paaiplaatsen in beken is van groot belang. Door afdamming en opstuwing is dit vaak niet goed mogelijk. Het recht trekken van beken en opstuwen verminderd ook de overlevingskansen voor libellen, haften, kokerjuffers en platwormen. Herstel van de waterkwaliteit is echter mogelijk en is bij de heuvellandbeken ook al succesvol. Voor de laaglandbeken is de situatie echter beduidend minder rooskleurig. Door kanalisatie en vervuiling zijn de condities van dit type beken vrijwel nergens op orde. Vooral de kleinere, zwakgebufferde en voedselarme bovenlopen en duinrellen zijn vrijwel verdwenen. 1.2 Afbakening Het beheertype Beek en bron omvat bronnen en stromend water (gemiddeld meer dan 10 cm/sec) met bronmos, bronkruid, beekstaartjesmos, waterranonkels, sterrekroossoorten, vederkruiden, waterviolier en enkele fonteinkruiden. De vegetaties zijn erg variabel in bedekking, ook binnen één seizoen. Omringend water en zandbanken zonder deze soorten wordt ook tot het beheertype gerekend. Langzaam stromende riviertjes in het laagveen en kleigebied behoren tot de beheertypen N04.02 Zoete plas. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Drentse Aa, Linde, Dinkel, Dal van de Mosbeek, Beerze, Geul en Veluwe. N04 Stilstaande wateren Algemene beschrijving Tot dit natuurtype behoren allerlei plassen, meren en andere stilstaande of zwakstromende wateren die niet al te voedselarm, maar ook niet heel voedselrijk zijn. Ze liggen overwegend in het laag-Nederland. Het water kan zowel zoet, brak als zout zijn. In het water groeien waterplanten, en de een rijke fauna van vogels, vissen en andere diergroepen. De variatie in soorten en processen is onder andere afhankelijk van grootte, diepte, grondsoort, en van aanbod aan slib en voedingsstoffen. Zo zijn er bijvoorbeeld diepe wateren waar alleen ondergedoken fonteinkruiden voorkomen, ondiepere wateren met drijvende bladeren van waterlelie en gele plomp, en grote diepe wateren die weinig waterplanten herbergen vanwege de windwerking. Ontstaansgeschiedenis Het natuurtype kan op zeer verschillende manieren zijn ontstaan. Sommige meren zijn van oorsprong natuurlijk, zoals het Naardermeer. De meeste laagveenplassen zijn ontstaan door het afgraven van veen en vervolgens erosie door wind en golfslag. IJsselmeer, Haringvliet en Kromme Rijn zijn voorbeelden van (vrijwel) stilstaande wateren met een natuurlijke ontstaanswijze, die later opzettelijk zijn afgesloten van de zee of de rivier. Kanalen en zandwinplassen zijn kunstmatig gegraven wateren. Beheertypen Dit natuurtype omvat vier beheertypen: N04.01 Kranswierwater. Dit beheertype heeft zeer helder water nodig, en ontstaat uitsluitend als zowel waterlaag als de bodem voedselarm zijn. N04.02 Zoete plas. Bij dit beheertype is het water weliswaar tamelijk voedselarm, maar de bodem is er (matig) voedselrijk. N04.03 Brak water. Dit beheertype kan een hoge voedselrijkdom verdragen, in tegenstelling tot de voorgaande twee beheertypen. N04.04 Afgesloten zeearm N04.01 Kranswierwater 1.1 Algemene beschrijving Kranswieren zijn grote vertakte algen met fijne bladeren, ze groeien meestal dicht bij de bodem en kunnen grote aaneengesloten velden vormen. Ze komen voor in meren van het laagveen- en IJsselmeergebied. Het water moet zeer helder, voedselarm en niet vervuild zijn. Doorgaans is het water zeer mineraalrijk, omdat het onder invloed van toestromend grondwater staat of omdat het een beetje brak is. Kranswierwater komt nu vooral voor in het IJsselmeergebied en in meren waar toestroom is van grondwater uit de Veluwe of de Utrechtse heuvelrug plaats vindt. De klassieke vindplaatsen zijn de laagveenplassen, kleinere watertjes in het duingebied en de binnenduinrand en kwelgebieden op de overgang van de zandgronden naar het laagveengebied. De begroeiingen bestaan uit vrij eenvormige vegetatiematten, vaak een beetje aangedrukt op de bodem liggend. Kranswieren sterven soms in de winter af en moeten dan vanuit sporen opnieuw uitlopen. Voor duurzaam behoud van kranswierwater moet het water zeer voedselarm en zeer helder zijn. Worden kranswieren met slib bedekt, dan sterven ze meestal snel af. Niet alle kranswiervegetaties worden tot kranswierwater gerekend. Het gaat om grote aaneengesloten vegetaties van kranswieren, niet om kranswieren die verspreid tussen andere waterplanten of in kleine poeltjes tussen moerasplanten groeien. Belangrijke soorten zijn sterkranswier, stekelharig kransblad, ruw kransblad, kraaltjes glanswier, kleinhoofdig glanswier, klein en groot boomglanswier, brakwaterkransblad, kustkransblad en gebogen kransblad. De krooneend is in belangrijke mate afhankelijk van kranswieren. De grote plassen en meren met kranswieren in ons land behoren tot de grootste vindplaatsen hiervan in Europa. Ook is de soortenrijkdom in ons land hoog: van de ruim veertig kranswiersoorten in Europa komt de helft in ons land voor. Nederland is daarom van zeer groot belang voor dit type. Door vervuiling van het water zijn veel vindplaatsen verdwenen. De toekomst van kranswierwater in het IJsselmeergebied is onzeker. Experimenten met defosfateren van het water zijn hoopvol. In het Naardermeer bijvoorbeeld hebben de kranswieren zich weten te herstellen na het in gebruik nemen van een defosfateringsinstallatie. De kranswieren die van min of meer brak water afhankelijk zijn, blijven echter sterk bedreigd. 1.2 Afbakening Het beheertype Kranswierwater omvat waterlichamen, zowel groot als klein, met een vegetatie die gedomineerd wordt door kranswieren. In de vegetatie komt tenminste één van de volgende kranswieren voor: sterkranswier, stekelharig kransblad, brokkelig kransblad, fijnstekelig kransblad, harig kransblad, ruw kransblad, teer kransblad, kraaltjesglanswier, kleinhoofdig glanswier, puntdragend glanswier, klein of groot boomglanswier, vertakt boomglanswier, brakwaterkransblad, kustkransblad en gebogen kransblad. De vegetaties zijn erg variabel in bedekking, ook in één seizoen. Omringend helder water zonder kranswieren kan daarom ook tot het beheertype gerekend worden. Enkele kranswieren komen in de beheertypen N 06.05 Zwak gebufferd ven of in N08.03 Vochtige duinvallei voor en worden dan tot dat type gerekend. Sommige algemene kranswieren (gewoon kransblad, breekbaar kransblad en buigzaam glanswier) komen ook voor in vegetaties die gedomineerd worden door waterplanten van voedselrijk water, zoals fonteinkruiden. Dergelijke vegetaties behoren niet tot het beheertype Kranswierwater. Soms is het onderscheid met brak water niet groot, alleen als de kranswieren domineren worden deze wateren tot dit beheertype gerekend. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden De Wieden, Botshol, Naardermeer, Gouwzee, IJmeer, Veluwe randmeren, Vechtplassen en Nieuwkoopse plassen. N04.02 Zoete plas 1.1 Algemene beschrijving Zoete plassen komen vooral voor in het lage deel van Nederland. Het gaat om grote en kleine wateren met voedselrijk, vrij helder, (vrijwel) stilstaand water, waarin waterplanten groeien en verlanding vanaf de oever plaatsvindt. Het kan gaan om meren, plassen, wielen, kolken en dobben, maar ook om relatief smalle, trek- of petgaten, vaarten, kanalen en afgekoppelde rivierarmen. (zoals Kromme Rijn, Hollandse IJssel en Amstel). Sommige meren, zoals de Leijen, Zuidlaardermeer en Naardermeer, hebben (gedeeltelijk) een natuurlijke oorsprong. De meeste laagveenplassen zijn ontstaan door vergraving, vervening of erosie. Bij grote plassen in het laagveengebied heeft de wind veel grip op het water waardoor hoge golven ontstaan en de kans op erosie toeneemt. De zeer grote meren in het Delta- en IJsselmeergebied zijn ontstaan na afsluiting van de zee. Het Markermeer en de meeste randmeren (zie afbakening) zijn door compartimentering zodanig veranderd dat ze nu het beste opgevat kunnen worden als zoete plas. Ook de gegraven wateren van de zandgronden, kunnen gerekend worden tot zoete plas. De meeste van deze plassen hebben echter zulke steile oevers en zijn zo diep dat ze nauwelijks van ecologische betekenis zijn. De variatie in een plas hangt af van verschillende factoren; wind, stroming van het water, diepte, grondsoort, helderheid van het water, aanwezigheid van slib, sloef of bagger en aanbod van voedingstoffen en mineralen. Planten en dieren hebben ook een grote invloed, watervlooien kunnen zoveel algen eten dat het water helder blijft, bodemwoelende vissen vertroebelen het water, waterplanten verminderen de golfslag en versnellen verlanding. De stroming in het water is meestal niet groot, maar wind en peilverschillen tussen verschillende waterlichamen kunnen wel stroming veroorzaken. De wind stuwt het water een beetje op aan de loefzijde zodat er over de bodem een stroming ontstaat naar de lijzijde. Het water stroomt min of meer een cirkelvormig; aan de oppervlakte met de wind mee en over de bodem tegen de wind in. De lage stroom, over de bodem, neemt licht bodemmateriaal mee. Omdat de overheersende windrichting zuidwest is, zal de bodem juist aan deze kant bestaan uit week en slap sediment. Helderheid en doorzicht worden mede bepaald door het aanbod van voedingstoffen. Algen groeien snel bij veel voedsel en vertroebelen het water. De variatie in de plassen hangt samen met deze verschillende omstandigheden. In de diepste delen komen ondergedoken grote fonteinkruiden voor, wat ondieper staan waterplanten met grote drijvende bladen zoals witte waterlelie en gele plomp. De ondergedoken watervegetaties kunnen in mozaïek voorkomen met kranswierwater. Dit is bijvoorbeeld in sommige delen van de randmeren het geval. In de luwte achter de drijvende waterplanten komen, in ondiep water, andere waterplanten zoals krabbenscheer en groot blaasjeskruid voor. De oevers bestaat uit drijftillen met grote zeggen of riet- en biezenkragen. Op windstille plaatsen kunnen deze zoneringen heel breed zijn, aan de windzijde zijn ze heel smal of ontbreken. Grote laagveenplassen zijn in Europa zeer zeldzaam. Ze zijn internationaal van belang voor visetende en grazende watervogels, rivierdonderpad, gestreepte waterroofkever, meervleermuis en krabbenscheer. Zoete plas is nationaal van grote betekenis als leefgebied voor otter, vissen zoals paling, kwabaal en snoek, libellen en kokerjuffers, zoals groene glazenmaker, plasrombout, en waterplanten zoals langstengelig fonteinkruid en watergentiaan. Troebel water en een zeer hoog aanbod van voedingstoffen komen veel voor. Vermesting, uit landbouwgebieden of bij lozingspunten veroorzaken deze problemen. Ook het inlaten van gebiedsvreemd water waardoor uiteindelijk veel fosfaat vrijkomt in het water is een belangrijke oorzaak. Andere grote problemen zijn de vast ingestelde waterstanden; de waterpeilen zijn in de zomer lager dan in de winter, het gebrek aan mogelijkheden om te trekken en een tekort aan geleidelijke overgangen en ondiepe paaiplaatsen voor vissen en amfibieën. 1.2 Afbakening Het beheertype Zoete plas omvat waterlichamen, breder dan 4 m. en dieper dan 20 cm. (gemiddelde waterdiepte), van stilstaande, of zeer langzaam stromende wateren, met fonteinkruiden, zannichellia, waterlelies, gele plomp, watergentiaan, krabbenscheer, kikkerbeet, groot blaasjeskruid, waterpesten, hoornbladen, vederkruiden, waterviolier, waterranonkels en soms ook sterrenkrozen. De vegetaties zijn erg variabel in bedekking, ook in één seizoen. Omringend water zonder de genoemde soorten en de drijftillen worden daarom ook tot het beheertype gerekend. Stromende wateren (meer dan 10 cm/sec) behoren tot de beheertypen N03.01 Rivier of N03.01 Beek en bron. De wielen, strangen en oude rivierlopen in het buitendijkse deel van het rivierengebied worden tot het beheertype N02.01 Rivier gerekend. Watervegetaties (binnendijks) met indicatoren voor brak water zoals ruppia, zeegras of zilte waterranonkel behoren tot het beheertype N04.03 Brak water. Zie ook afbakening bij het beheertype N04.04 Afgesloten zeearm. De daar genoemde wateren worden niet tot het beheertype N04.02 Zoete plas gerekend. In het beheertype N06.05 Zwakgebufferd ven of in N08.03 Vochtige duinvallei kunnen ook enkele waterranonkels, fonteinkruiden en sterrenkrozen voorkomen en worden tot het beheertype N06.05 Zwakgebufferd ven of N08.03 Vochtige duinvallei gerekend. Grote diepe duinplassen kunnen wel tot het beheertype N04.02 Zoete plas behoren. Water met dominantie van kranswieren wordt gerekend tot N04.01 Kranswierwater. Kleine wateren die tot L01.01 poel of klein historisch water kunnen worden gerekend vallen onder dat beheertype. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Kortenhoefse plassen, Vuntus, Naardermeer, Zuidlaardermeer, diverse Veluwe randmeren, Markermeer, petgaten in Weerribben, Wieden en Apeldoorns kanaal (NB: de meeste meren zijn niet optimaal). N04.03 Brak water 1.1 Algemene beschrijving Brak water komt voor in het kustgebied en de laagveengebieden die ooit onder invloed van de zee gestaan hebben. Het gaat vaak om ondiepe en kleine watertjes; kolkgaten, poelen en dobben van kwelders of inlagen en kwelsloten achter de dijk, maar ook om oude (geïsoleerd liggende) kreken. De bodem kan zowel zandig, venig als kleiig zijn. Het water kan brak zijn door zout spatwater van de zee, door incidentele overstromingen of door zout water dat onder de dijk door stroomt en in lage binnendijks gelegen gebieden opwelt. In de laagveengebieden gaat het vaak om fossiel grondwater of om zeewater dat bij sluizen toch weet binnen te dringen en zich vervolgens via sloten en kanalen kan verspreiden. Het zoutgehalte van Brak water kan heel erg wisselen, in de zomer kan het water door verdamping zeer zout zijn en in de winter vrijwel zoet door het vele regenwater. Deze grote wisselingen worden alleen door een aantal gespecialiseerde planten en dieren verdragen. Brak water is vaak helder ondanks het van nature hoge fosfaatgehalte. Vermoedelijk is stikstof een beperkende factor. De bodem kan zwart, zuurstofloos zijn en daardoor sulfiden bevatten die stinken als rotte eieren. Brak water is van belang voor enkele waterplanten en voor biezen; ruppiasoorten, groot nimfkruid, zilte waterranonkel, brede zannichellia, zeegras, ruwe bies en heen. Ook algen zijn van belang: verschillende soorten darmwier, zeesla, roodwieren, groene draadalgen en kiezelwieren. Brak water kan ondiep zijn, warmt dan snel op en is daarom een goede paaiplaats voor brakwatergrondel, driedoornige stekelbaars, grote koornaarvis, zwarte grondel, dikkopje en andere vissen. Een verbinding met de zee is voor vissen van groot belang. In brak water leven vele kleine organismen als mosdiertjes, brakwaterpoliep, roeipootkreeftjes, brakwatervlokreeften, muggenlarven, zeeduizendpoot, kokerjuffers, aasgarnaal, brakwatergarnaal, vorksprietgarnaal, oprolpissebed, brakwaterpissebed, bootsmannetjes, waterkevers, schelpen en vele slakjes. Het rijke onderwaterleven is voedsel voor o.a. lepelaar, tureluur, kluut, en trekvogels. Noordse woelmuis komt vaak voor in de oeverzone en in de begeleidende ruigten. Verzoeting en vermesting zijn de grootste bedreiging. Het afsluiten van de estuaria Zuiderzee, Haringvliet, Hollands diep, Krammer en Volkerak heeft geleid tot een enorme afname van het areaal. Veel van de verbindingen van oude kreken met de zee zijn verdwenen door dijkverbeteringen en het doorspoelen van waterlopen met zoet water. Ook rond het Waddengebied is veel areaal Brakwater verdwenen door dijkverzwaringen, het verminderen van het aantal spuipunten en het doorspoelen met zoet water. Brak water is internationaal van bijzonder waarde door de macrofauna, de paaimogelijkheden voor grote koornaarvis, als doorgang voor trekvissen (paling, elft, fint) en als foerageergebied voor bijvoorbeeld lepelaar en kluut. 1.2 Afbakening Het beheertype brak water omvat waterlichamen breder dan 4 m. en dieper dan 20 cm., met zwakstromend of stilstaand brakwater (met een hoge saliniteit: Chloride > 300 mg CL- /l.) en organismen die typerend zijn voor brak water. Brak water waarin kranswieren dominant voorkomen worden tot het beheertype N04.01 Kranswierwater gerekend. Kreken onder invloed van met getijdenwerking worden tot N09.01 Schor of kwelder of tot N01.02 Duin en kwelderlandschap gerekend, Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Inlagen rond de Ooster- en Westerschelde, Dijkwater, Prunjepolder, Den Inkel, Roggesloot, De Bol en Kimswerd, Westzaan, Oostzaan en Ilperveld. N04.04 Afgesloten zeearm 1.1 Algemene beschrijving Afgesloten zeearmen zijn kunstmatige wateren die vanaf 1930 ontstaan zijn door het afsluiten van getijdengebieden en estuaria. Het zijn grote meren, met aanvoer van zoet water uit rivieren of beken, die door te spuien het water lozen op zee. Alleen de Grevelingen bevat zout water en het Veerse meer is brak door een verbinding met de Oosterschelde. Er zijn geen natuurlijke equivalenten van deze grote meren te vinden. De geomorfologische processen die langs de kust voorkomen zijn niet meer aanwezig. De daarbij behorende landschapstructuren: geulen, kreken, ondiepten, platen en oeverlanden, zijn er nog wel. De verschillen tussen de gebieden zijn groot. Ze verschillen in grootte, ouderdom en waterhuishouding. Het Lauwersmeer ontvangt bijvoorbeeld water uit de Friese en Groningse boezem, het Hollands diep water uit de Maas, de randmeren Zwarte Meer en Vossemeer vormen een verbinding tussen IJssel en IJsselmeer, enz.. De belangrijkste sturende factoren zijn peilbeheer en spuiregime. Het peilbeheer is vaak tegen de natuurlijke jaarlijkse fluctuaties in en op momenten van grote toevoer wordt maximaal gespuid. In diep water kan een koude sprong in het water aanwezig zijn waardoor de diepere lagen zuurstofarm zijn. Golfslag en stuwing van water kunnen zorgen voor stroming, transport van sediment en daarmee voor verschillen in vorm en begroeiing van de oevers. Deze kenmerken maken ieder gebied uniek. Waterplanten groeien in ondiep of matig diep water. Bij zeer grote meren is er alleen een zoom van waterplanten in de windluwe delen en langs de oever. De oever zelf is vaak begroeid met riet of met biezen. Hier en daar komen nog driekantige bies, ruwe bies en fransje voor, typische soorten van het zoetwatergetijdengebied. In het diepere water kunnen grote schelpenbanken voorkomen. Deze filteren het water en zorgen voor helderheid. De meren kunnen van betekenis zijn voor meervleermuis, otter en bever. De meren zijn, ook internationaal, zeer belangrijk als rust en foerageergebied van watervogels, zoals lepelaar, aalscholver, kleine zwaan, meerkoet, verschillende soorten ganzen en eenden en als broedgebied voor kluut, grote stern en visdiefje. De uitwaterende sluizen vormen nu voor veel vissen een onneembare barrière. De internationale betekenis voor trekvissen zoals elft, fint, houting, steur en zalm kan toenemen door deze barrières op te heffen. Afgesloten zeearm is ook van internationale betekenis voor rivierdonderpad, zeeprik en rivierprik. De oevers van gebieden in het Deltagebied zijn leefgebied van noordse woelmuis en zijn daarom van zeer groot belang. De helderheid van het water komt in het gedrang door overmaat van fosfaten of door opwerveling van slib. Het eerste probleem ontstaat vooral in de wat kleinere meren die water ontvangen uit landbouwgebieden. In de loop van de jaren neemt de beschikbaarheid van fosfaten toe. Algenbloei kan het gevolg zijn met woekering van de giftige blauwalgen. De problemen kunnen vermeden worden door te spoelen met zoet water uit andere gebieden, het water te defosfateren of door zout water in te laten. Inlaten van zout water heeft als voordeel dat de oppervlakte brak water toeneemt. Opwervelen van slib kan voorkomen worden door minder scheepvaart toe te staan of door het slib in diepe putten op te vangen. 1.2 Afbakening Het beheertype Afgesloten zeearm omvat het water van de gebieden: Lauwersmeer, IJsselmeer, Ketelmeer, Vossemeer, Zwarte meer, Hollands diep, Haringvliet, Grevelingen, Krammer, Volkerak, Veerse meer, Zoommeer en Markizaatsmeer, met de daarin gelegen (kunstmatige) eilandjes die kunnen dienen als rust- en broedgebied voor vogels. Tot het beheertype Afgesloten zeearm worden ook de kleinere wateren gerekend die ermee in open verbinding staan, of regelmatig vanuit de afgesloten zeearm overstroomd worden. Water waarin kranswieren domineren behoren tot het beheertype N04.01 Kranswierwater. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Zwarte meer, Ketelmeer, Vossemeer, Haringvliet en Grevelingen. N05 Moerassen Algemene beschrijving Moerassen zijn ecosystemen op de grens van water en land. De begroeiing varieert van open water met riet of biezen tot wateren die dicht zijn begroeid met zeggen, riet en kruiden op tijdelijk droogvallende bodems. Moerassen zijn van nature voedselrijk en gelegen in overstromingsvlakten. In het verleden traden soms inbraken op vanuit een rivier of de zee, maar tegenwoordig niet meer. Dit heeft onder andere tot gevolg dat het natuurtype nu veelal een sterke neiging heeft om zich - méér dan vroeger - te ontwikkelen in de richting van bos en hoogveen. Ontstaansgeschiedenis Vooral in het vlakke, westelijk deel van Nederland zijn vroeger grote moerassen ontstaan in ondiepe, al dan niet tijdelijke wateren die werden gevoed door grond- en/of rivierwater. In deze moerassen kwamen allerlei stadia van verlanding voor, van open water tot en met broekbossen en hoogvenen. Later zijn deze gebieden overal wel op een of andere manier ontgonnen. Ook nu ondervinden de overgebleven moerassen bijna overal nog de invloed van de mens, o.a. door verdroging als gevolg van ontwatering, ook als die moerassen het stempel natuur hebben. Dit heeft ertoe geleid dat bijvoorbeeld zoute en zoete kwel, inbraken vanuit de zee en toestroom van schoon beek- en rivierwater zijn verdwenen of afgezwakt. Deze processen waren voorheen de aanjagers voor een grote verscheidenheid aan ecotopen en soorten. Beheertypen Dit natuurtype omvat vier beheertypen: N05.01 Moeras (vervallen per 1-1-2021) N05.02 Gemaaid rietland N05.03 Veenmoeras (nieuw per 1-1-2021) N05.04 Dynamisch moeras (nieuw per 1-1-2021) Bij alle typen wordt riet gemaaid, maar met verschillende doelstellingen. In geval van Moeras, Veenmoeras en Dynamisch moeras gebeurt dit vooral om de soortenrijkdom te bewaren, in het geval van Gemaaid rietland ligt de nadruk op de oogst van riet. N05.01 Moeras (vervallen per 1-1-2021) 1.1 Algemene beschrijving Moerassen komen voor op de overgang van zoet water naar land. Het lage deel van Nederland is vrijwel volledig ontstaan als moeras. Het zwaartepunt van de verspreiding ligt in de laaggelegen veen- en kleigebieden van Nederland. Moeras ontstaat in stilstaand voedselrijk, zoet water achter de duinen, in overstromingsvlakten van rivieren en beken of in kwelgebieden langs de randen van de zandgronden en in beekdalen. De bodems zijn zeer nat, voedselrijk en matig zuur tot neutraal. Typische moerasplanten zijn hoge grassen als riet en rietgras, grote zeggen, biezen en galigaan. Moeras is van groot belang voor vogels, libellen, vissen, amfibieën en enkele zoogdieren als bever, otter, noordse woelmuis en waterspitsmuis. Moeras omvat open begroeiingen van riet, lisdodde en biezen in water; rietlanden en rietruigten. Hierin weerspiegelt zich de overgang van water naar land. Aan de waterkant vormen losgeslagen planten drijftillen met waterscheerling, zeggen, galigaan en slangenwortel. Het rietland kan vrij open zijn met poeltjes waarin waterplanten groeien, kruidenrijk met diverse orchideeën en blauwe knoop of mosrijk met blad- en levermossen of al ouder met hoog opgaand riet die geleidelijk overgaan in ruigten met moerasspirea of poelruit. Door de grote stapeling van organisch materiaal in oude rietlanden en ruigten kunnen deze vegetaties (tijdelijk) overgaan in een grasrijke vegetatie. De kruidenrijke of mosrijke fase met vrij open riet kan duiden op een wat lagere voedselrijkdom in combinatie met matig zure omstandigheden. In dit milieu kunnen veenmossen zich vestigen. Een deel van de rietlanden wordt gemaaid, maar niet jaarlijks (overjarig riet). De Nederlandse moerassen zijn vrijwel volledig ontgonnen of verveend; het resterende deel wordt bedreigd door vermesting, verdroging en verbossing. De grote menselijke invloed is in de laagveenmoerassen te herkennen aan het verveningspatroon, ook de moerassen in de jonge polders staan onder grote menselijke invloed. Voor een goede kwaliteit en duurzame instandhouding is een natuurlijk fluctuerend waterpeil en een goede waterkwaliteit essentieel. Thans is er veelal sprake van gebrek aan nieuwvorming en versnelde successie waardoor extra beheer nodig is om voldoende oppervlak en kwaliteit te behouden. Moeras kan een voorstadium vormen voor Veenmosrietland en moerasheide en uiteindelijk overgaan in Hoogveen. In voedselrijke gebieden kunnen ruigte en bosvorming (afhankelijk van peilregime en aanwezigheid van grote herbivoren en beheer) na verloop van tijd de overhand nemen. 1.2 Afbakening Het beheertype moeras omvat verlandingsvegetaties zoals riet- en biezenvegetaties, natte ruigte en grote zeggenvegetaties. Moeras kan tot 20% uit open water bestaan en tot 10% uit struweel. De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 cm. onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperioden. Droge rietruigten vallen niet onder dit beheertype maar onder het beheertype N12.06 Ruigteveld. In de nattere delen varieert de grondwaterstand tussen 0 en – 20 cm. Gebieden waar grootschalige processen voorkomen, vallen onder het natuurtype N01 Grootschalige dynamische natuur. Voorbeeldgebieden: Zuidlaardermeer, Wieden, Weerribben, Rottige meenthe, Naardermeer, Oostelijke vechtplassen, Botshol en Nieuwkoopse Plassen. N05.02 Gemaaid rietland 1.1 Algemene beschrijving Gemaaid rietland is rietland dat grotendeels jaarlijks in het winterhalfjaar gemaaid wordt. Het kan gaan om het oogsten van riet, in sommige gebieden een traditie, of om behoud van soorten die afhankelijk zijn van een open structuur. Randen met oud riet, kleine ruigten, struweel en bomen op kaden, zorgen voor broedgelegenheid voor vogels en zijn belangrijk voor andere dieren zoals muizen of salamanders. Het meeste gemaaide rietland komt voor in laagveengebieden, vaak gezamenlijk met andere moerassen. In mindere mate komt het ook voor op klei. Gemaaid rietland komt voor op natte tot vochtige bodems en staat onder invloed van oppervlaktewater. Belangrijk voor de rietgroei is enige aanvoer van voedingsstoffen via het water om er voor te zorgen dat de bodem niet te zuur wordt. Gemaaid rietland is ontstaan als typisch cultuurlijke exponent van moeras: het riet werd gemaaid en gebonden ten behoeve van dakbedekking of op een andere manier gebruikt. Gemaaid rietland wordt gedomineerd door riet en kan vrij rijk zijn aan mossen of moerasplanten zoals moerasvaren, kamvaren, moeraswalstro, waterzuring, watermunt, grote watereppe, moeraswederik, pluimzegge, echte koekoeksbloem en echte valeriaan. Bij een goede waterkwaliteit zijn de rietlanden soms soortenrijk met rietorchis en zelfs groenknolorchis. De oevers, rietranden en –stroken vormen biotoop voor rietvogels als kleine karekiet en insecten. Gemaaid rietland kan, als de kragge dikker wordt, overgaan naar Veenmosrietland en moerasheide. Zonder maaibeheer en watertoevoer zal gemaaid rietland overgaan naar struweel en bos. 1.2 Afbakening Het beheertype gemaaid rietland omvat rietvegetaties die jaarlijks gemaaid worden, waarbij het riet wordt verwijderd. Tot 10% van het beheertype kan bestaan uit struweel. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Wieden, Weerribben, Nieuwkoopse Plassen, Vechtplassen, Botshol, Naardermeer en oevers Zwarte Meer. N05.03 Veenmoeras (nieuw per 1-1-2021) Algemene beschrijving Veenmoerassen komen voor op de overgang van water naar land. Ze zijn gelegen in historisch laag- en eventueel hoogveengebieden. Kenmerkend voor deze moerassen is dat ze in de huidige situatie zeer nat zijn, maar een geringe waterdynamiek kennen. Soms is er zelfs sprake van een omgekeerd peil. Hierdoor neemt de snelheid van verbossing en verzuring toe. Om het moeras in stand te houden is daarom intensief beheer nodig. Typische moerasplanten zijn hoge grassen als riet en rietgras, grote zeggen, biezen en galigaan. Veenmoeras is van groot belang voor vogels, libellen, vissen, amfibieën en enkele zoogdieren als otter, noordse woelmuis en waterspitsmuis. Goed ontwikkelde moerassen behoren tot de soortenrijkste levensgemeenschappen in Nederland, en zijn daarom van groot b