Verordening fysieke leefomgeving ErmeloDe raad van de gemeente Ermelo; gelezen het voorstel van het college van 9 februari 2023, nr. e230003751; Overwegende dat : op 7 december 2022 de Verordening Fysieke Leefomgeving Ermelo (hierna: verordening) is vastgesteld; gebleken is dat in deze verordening abusievelijk de strafbepalingen niet zijn opgenomen; het wenselijk is deze omissie te herstellen, door deze strafbepalingen alsnog toe te voegen om strafrechtelijke handhaving mogelijk te maken; de betreffende strafbepalingen zijn opgenomen in de artikelen 2.18, 7.21, 8.7 en 11.4 van deze verordening; de verordening fysieke leefomgeving gewijzigd wordt vastgesteld in onderstaande geconsolideerde versie. b e s l u i t : De Verordening Fysieke Leefomgeving, zoals op 7 december 2022 vastgesteld, gewijzigd vast te stellen via geconsolideerde versie Verordening (kenmerk 02330000153064). Verordening fysieke leefomgeving Ermelo Deze Verordening is een voorbereiding op de Omgevingswet. De regels over de fysieke leefomgeving uit diverse verordeningen worden (beleidsneutraal) overgezet in deze ene nieuwe verordening, als tussenstap naar het toekomstige omgevingsplan. Het doel hiervan is overzicht creëren welke regels in lokale verordening gelden voor de fysieke leefomgeving. Dit overzicht helpt straks bij het opstellen van het omgevingsplan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal deze verordening worden verwerkt in het omgevingsplan. Inhoud Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Hoofdstuk 2:Bescherming milieu, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Hoofdstuk 3: Geluidhinder Hoofdstuk 4:Bomen Hoofdstuk 5:Standplaatsen Hoofdstuk 6:Openbaar water en waterstaatswerken Hoofdstuk 7:Erfgoed Hoofdstuk 8:Afvalstoffen Hoofdstuk 9:Begraafplaatsen Hoofdstuk 10:Ondergrondse infrastructuren Hoofdstuk 11:Markt Hoofdstuk 12:Bodem Hoofdstuk 13:Riool Hoofdstuk 14:Overgangs- en slotbepalingen Toelichting HOOFDSTUK1:ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt per onderwerp verstaan onder: BESCHERMING MILIEU, UITERLIJK AANZIEN EN GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN (HOOFDSTUK 2) Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; Beperkingengebiedactiviteit: een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Ter bescherming gelden beperkingen die het bevoegd gezag aanwijst;; Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), dan wel de Omgevingswet; Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo; Evenemententerrein: de ruimte die in de evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daarnaar te kijken en/of eraan deel te nemen; Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, van de Woningwet, dan wel in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; Kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, dan wel artikel 5.1 van de Omgevingswet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. GELUIDHINDER (HOOFDSTUK 3) Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal bedrijven is verbonden; Geluidgevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving dan wel in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer, met uitzondering van gebouwen behorende bij de desbetreffende inrichting; Geluidgevoelig terrein: bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft; Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal bedrijven; Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. BOMEN (HOOFDSTUK 4) Houtopstand: hakhout, een houtwal, een singel of een of meer bomen; Hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; Houtwal: lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk bestaande uit inheemse heesters, struiken en boomvormers of één of meer rijen bomen staande op een kunstmatige aarden wal of kunstmatige verhoging; Singel: lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk bestaande uit inheemse heesters, struiken en boomvormers of één of meer rijen bomen; Dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand; Iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); Iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus. Vellen: rooien, met inbegrip van verplanten, het snoeien van meer dan 20% van het kroonvolume, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. STANDPLAATSEN (HOOFDSTUK 5) Incidentele standplaats: een standplaats die gedurende een maximum van zes dagen per kalenderjaar zal worden gebruikt; Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in de algemene plaatselijke verordening. Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel; Tijdelijke standplaats: een standplaats die gedurende ten hoogste twee aaneengesloten maanden zal worden gebruikt met een maximum van zes dagen per week; Vaste standplaats: een standplaats die gedurende een onbepaalde tijd zal worden gebruikt met een minimum van één dag en een maximum van zes dagen per week. OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN (HOOFDSTUK 6) Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn. ERFGOED (HOOFDSTUK 7) Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wabo, dan wel artikel 5.1 van de Omgevingswet; Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. AFVALSTOFFEN (HOOFDSTUK 8) Inzamelen: de activiteiten gericht op het ophalen of innemen van afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen en innemen daarvan; Ter inzameling aanbieden: de wijze van overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of -voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats; Inzameldienst: de krachtens artikel 2, eerste lid, aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen; Inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box, papierkrat of big bag, ten behoeve van één huishouden; Inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(
- e)bewaarmiddel of -plaats, bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer of brengdepot, ten behoeve van meerdere huishoudens; Andere inzamelaars: de krachtens artikel 2, tweede lid, aangewezen personen en instanties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen; Gebruiker van een perceel: degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt; Straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel; Wegen: de wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; Motorrijtuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c van de Wegenverkeerswet 1994; College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo. BEGRAAFPLAATSEN (HOOFDSTUK 9) Begraafplaats: de gemeentelijke begraafplaats aan de Varenlaan te Ermelo; Graf: een zandgraf of keldergraf; Grafkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin een of meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet; grafkelders kunnen onderdeel zijn van een bovengrondse muur of wand; Urn: een voorwerp ter berging van één of meer asbussen; Asbus: een bus ter berging van as van een overledene; Algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer, waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven en begraven houden van lijken; Particulier graf: een graf, waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: het doen begraven en begraven houden van lijken; het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen, met of zonder urnen; het doen verstrooien van as. Particulier urnengraf: een graf, waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen, met of zonder urnen; het doen verstrooien van as. Particuliere urnennis: een nis waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen, met of zonder urnen; Gedenkplaats: een plaats ingericht om overledenen te gedenken; Verstrooiingsplaats: een plaats waarop as wordt verstrooid; Gedenkteken: voorwerp op het graf voor het aanbrengen van opschriften, figuren of rand; Gedenkplaat: afdekplaat voor de urnennis; Grafbedekking: gedenkteken en/of grafbeplanting op een graf, gedenkplaats of verstrooiingsplaats; Grafbeplanting: winterharde beplanting die door de rechthebbende en/of gemeente op een graf wordt/is aangebracht; Beheerder: de ambtenaar die belast is met de dagelijkse leiding van de begraafplaats of Degene die hem vervangt; Rechthebbende: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een uitsluitend recht is verleend op een particulier graf, een particulier urnengraf of een particuliere gedenkplaats, dan wel degene die redelijkerwijs geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden; Vergunninghouder: degene aan wie een vergunning is verleend voor het plaatsen van een grafbedekking; Belanghebbende: de belanghebbende van een graf of een urnenruimte; Gebruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een recht tot gebruik van een ruimte in een algemeen graf of een algemeen urnengraf is verleend, dan wel degene die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden; Columbarium: een voorziening, ingericht voor de uitgifte van particuliere urnennissen; Schoonhouden: het tweemaal per jaar reinigen van het gedenkteken; Algemeen kindergraf: een daarvoor aangewezen gedeelte van de begraafplaats, bestemd als graf, bij de gemeente in beheer, voor overledenen van ten hoogste 12 jaar; Immatuur: een na een zwangerschapsduur van minder dan 24 complete weken (168 dagen) levenloos ter wereld gekomen menselijke vrucht; Immaturenveld: een daarvoor aangewezen gedeelte van de begraafplaats, bij de gemeente in beheer, waarin aan een ieder de gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van een immatuur. ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN (HOOFDSTUK 10) College: college van burgemeester en wethouders van gemeente Ermelo; Regio Noord-Veluwe: samenwerking van de gemeenten Putten, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Elburg en Oldebroek, plus de gemeenten Hattem en Heerde, waarbinnen uniforme afspraken gelden voor netbeheerders; Net of netwerk: samenstel van ondergrondse kabel(
- s)en/of leiding(en), bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie (een, al dan niet openbaar, elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1 onder e en h van de Telecommunicatiewet); Kabels en leidingen: kabels en/of leidingen als onderdeel van een net(werk), daaronder ook begrepen de daarmee verbonden (bovengrondse) transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, behalve voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer, en ook omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken; voorbeelden van deze kabels en leidingen zijn telecommunicatie- en omroepkabels, elektriciteitskabels (koppel-, transport- en distributiekabels),gasleidingen (transport-, distributie- en dienstleidingen), waterleidingen en kabels en leidingen voor industriële netwerken; (Huis)aansluiting: het gedeelte van de kabel of leiding door openbare grond dat een netwerk verbindt met een netwerkaansluitpunt ten behoeve van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16,onderdelen a tot en met d, van de Wet Waardering Onroerende Zaken, of met een ander netwerk; Openbare gronden: openbare gronden, als genoemd in artikel 1.1, onder aa, van de Telecommunicatiewet; Netbeheerder: de rechtspersoon die is aangewezen als beheerder van een net of netwerk voor de levering van elektriciteit, gas, water, aardwarmte of WKO (Warmte Koude Opslag), dan wel aanbieder is van een (al dan niet openbaar) elektronisch communicatienetwerk; Grondroerder: degene, waaronder de netbeheerder, onder wiens verantwoordelijkheid of leiding, graafwerkzaamheden worden verricht; Gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 1, van de Belemmeringenwet Privaatrecht of in artikel 5.2, eerste lid, van de Telecommunicatiewet; Coördinatieverplichting: de coördinerende rol van de gemeente over de aanleg, instandhoudingen opruiming van alle kabels en leidingen in de gehele openbare grond binnen de gemeentelijke grenzen; Werkzaamheden: handmatige en mechanische (graaf)werkzaamheden in de openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen, en daarnaast alle werkzaamheden die de gemeente uit hoofde van haar functie als beheerder van openbare grond in het kader van kabels en leidingen dient uit te voeren; Spoedeisende werkzaamheden: reparatie of onderhoudswerk waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening via het betreffende net is opgetreden; Werkzaamheden van minder ingrijpende aard: Het aanbrengen en/of verwijderen van kabels en leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen (mantelbuizen); Reparaties, aanlegwerkzaamheden en/of onderhoudswerk aan kabels en leidingen met een lengte van minder dan vijfentwintig
(25)meter en niet vallend onder onderdeel l van artikel 1 van deze verordening; het maken van (huis)aansluitingen, tot een lengte van vijfentwintig
(25)meter; Instemmingbesluit: besluit van het college op een aanvraag van voorgenomen werkzaamheden; Werken: een constructie, of werkzaamheden, niet zijnde een gebouw, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; Niet-openbare kabels en leidingen: kabels en leidingen (dan wel het netwerk waartoe deze behoren)die niet gebruikt worden om openbare (voor het publiek beschikbare) diensten aan te bieden; Marktconforme kosten: kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt; Breekverbod: verbod voor het uitvoeren van breek- en/of graafwerkzaamheden in de grond, geldend bij extreme weersomstandigheden; Uitvoeringsvoorschriften: uitvoeringsvoorschriften volgens het “Handboek kabels en leidingen van de Regio Noord-Veluwe” (bijlage I); Omwonenden: de bewoners en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en leidingen; Registratiesysteem: geautomatiseerd systeem waarin meldingen van (graaf)werkzaamheden aan kabels en leidingen worden verwerkt door of namens de gemeente. MARKT (HOODSTUK 11) Geen begripsbepalingen. BODEM (HOOFDSTUK 12) Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; Bouwtoezicht: degene die belast is met het toezicht op het bouwen; Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; Gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580; Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld; NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voor norm; Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, dan wel artikel 5.1 van de Omgevingswet; Straatpeil: voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; Weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. RIOOL (HOOFDSTUK 13) Aansluitleiding: de particuliere afvoerleiding, het aansluitpunt en de perceelaansluiting tezamen. Aansluitpunt: De ontstoppingsvoorziening, gelegen op of binnen één meter van de kadastrale eigendomsgrens, al dan niet op het terrein van de particulier; bij afwezigheid van de ontstoppingsvoorziening bij een vrij vervalstelsel het punt waar de aansluitleiding de kadastrale eigendomsgrens snijdt; bij afwezigheid van de ontstoppingsvoorziening bij een mechanisch stelsel het punt, gelegen op 0,5 meter van een gemeentelijke voorziening. Aansluitvergunning: het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo waarbij toestemming is afgegeven om een perceel aan te kunnen sluiten op het openbaar riool. Afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan, bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. Bedrijfsafvalwater: al het water afkomstig van een bedrijfsperceel, waarvan de houder zich –met het oog op de verwijdering daarvan- ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Beheerder: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Bronneringswater: grondwater, onttrokken ten behoeve van een tijdelijke verlaging van de grondwaterstand. Drainagewater: grondwater, ingezameld door een ingegraven doorlatend buizensysteem. Drainagestelsel: gemeentelijk leidingstelsel, bestemd voor de afvoer van overtollig grondwater. Drukriolering: het openbaar riool voor de afvoer van afvalwater waarbij het transport plaatsvindt door middel van met pompinstallaties veroorzaakte druk. Gemeente: gemeente Ermelo. Gemengd stelsel: het openbaar riool voor de afvoer van afvalwater. Gescheiden stelsel: het openbaar riool met een buizenstelsel voor de afvoer van hemelwater dat tevens dienst kan doen als leiding voor de afvoer van drainagewater en bronneringswater, een buizenstelsel voor de afvoer van afvalwater en/of een buizenstelsel voor de afvoer van drainagewater en bronneringswater. Hemelwater: regenwater en andere neerslag afvloeiend via al dan niet verharde oppervlakken, daken en andere verhardingen. Huishoudelijk afvalwater: al het water afkomstig van een perceel, waarvan de houder zich –met het oog op de verwijdering daarvan- ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Omgevingsvergunning: een vergunning krachtens artikel 2.1 van de Wabo, dan wel artikel 5.1 van de Omgevingswet Openbaar hemelwaterriool: het openbaar riool met een buizenstelsel voor de afvoer van hemelwater, drainagewater en bronneringswater. Infiltratiestelsel: gemeentelijk leidingstelsel, bestemd voor de infiltratie van hemelwater. Mechanische riolering: drukriolering en vacuümriolering. Openbaar riool: het gedeelte van de riolering dat bij de gemeente in eigendomen beheer is voor de inzameling en transport van afvalwater, met inbegrip van de daartoe behorende rioolgemalen, persleidingen, vacuümleidingen en werken en installaties van overeenkomstige aard. Onjuist gebruik: Het via de perceelaansluitleiding lozen van stoffen die, vanwege hun aard en samenstelling, verstoppingen in het aansluitriool of openbaar riool veroorzaken; het via de perceelaansluitleiding lozen van stoffen die, door hun aard en concentratie, de constructie van het aansluitriool of openbaar riool aantasten; lozen van afvalwater of deelstromen daarvan, waaronder begrepen hemelwater, bronneringswater en drainagewater, op een niet daarvoor bedoeld stelsel. Ontstoppingsvoorziening: voorziening in aansluitleiding voor inspectie en onderhoud van de Particuliere afvoerleiding: de binnen de kadastrale eigendomsgrenzen van het aan te sluiten perceel gelegen binnen- of buiten- of terreinrioolleidingen tot aan het aansluitpunt. De particuliere afvoerleiding wordt ook wel particulier rioolgenoemd. Perceelaansluitleiding: gedeelte van het riool dat de particuliere afvoerleiding vanaf het aansluitpunt verbindt met het overige deel van het openbaar riool. Rechthebbende: De eigenaar, de vereniging van eigenaren of beperkt zakelijkgerechtigde van het perceel ten behoeve waarvan de aansluiting danwel aansluitingen op het openbaar riool worden gerealiseerd en in stand gehouden, of; de rechtsverkrijgende onder algemene of bijzondere titel van de onder
- bedoelde personen. RWZI: rioolwaterzuiveringsinstallatie. Toezichthouder: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens een wettelijk voorschrift. Vacuümriolering: het openbaar riool, voor de afvoer van afvalwater, waarbij het transport plaatsvindt door middel van een vacuümsysteem. Vrijverval riool: het openbaar riool waarbij afvalwater doormiddel van de zwaartekracht wordt getransporteerd. Artikel1.2Toepassingsbereik Deze verordening bevat regels over de fysieke leefomgeving, die overgenomen zijn uit de lokale verordeningen van de gemeente Ermelo die benoemd zijn in artikel 14.1, welke regels niet meteen al van rechtswege onderdeel uitmaken van het omgevingsplan op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel1.3Doelen van de verordening 1.Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. Deze regels worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) verwerkt in het omgevingsplan. 2.Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel1.4Beslistermijn 1.Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het college kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. 4.Paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing, tenzij in het specifieke hoofdstuk van deze verordening is aangegeven, dat deze paragraaf wel van toepassing is op dat specifieke gebied, dan wel dat dit in een specifieke wet geregeld is. Artikel1.5Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en/of beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het algemeen belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1.6Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1.7Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de vergunninghouder dit verzoekt. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1.8termijnen vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1.9weigeringsgronden 1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel1.10handhaving door toezichthouders en/of opsporingsambtenaren Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen. Artikel1.11Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening. HOOFDSTUK2:BESCHERMING MILIEU, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN PARAGRAAF1BRUIKBAARHEID UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN Artikel2.1Voorwerpen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg of een weggedeelteanders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of toeziet op het aanbrengen van reclame; of niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 3.Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod, genoemd in het eerste lid. 4.Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder b. gestelde verbod tot een maximum van 50 lichtmastreclames in de gehele gemeente. 5.De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het opslaan van roerende zaken of als een eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente toestaat of gedoogd dat daar roerende zaken worden opgeslagen. 6.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: evenementen, als bedoeld in artikel 1.1 van deze verordening; standplaatsen als bedoeld in artikel 1.1 van deze verordening; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet
- 8.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de Stationsstraat en de direct daarop aansluitende pleinen en de Branderskamp, voor zover het bevoegd bestuursorgaan een ontheffing heeft verleend voor een reclame-uiting, uitstalling en/of terras. 9.Het beoogde gebruik als bedoeld in het eerste lid onder b mag, voor wat betreft spandoeken ten behoeve van activiteiten behoudens handelsreclame, alleen gedurende een aaneengesloten periode van drie weken op de daarvoor bestemde gemeentelijke voorzieningen op de: Hoek Ericalaan – Putterweg Hoek Harderwijkerweg – Prins Hendriklaan Hoek Telgterweg – Arendlaan Hoek Leuvenumseweg - Jacob Catslaan 10.Het bevoegd bestuursorgaan stelt beleidsregels vast, waar de in het achtste lid genoemde ontheffingsaanvragen aan moeten voldoen. Artikel2.2Omgevingsvergunning voor handelsreclame 1.Het is verboden om in de Stationsstraat en de direct daarop aansluitende pleinen en de Branderskamp zonder omgevingsvergunning van het bevoegd bestuursorgaan op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die van af de weg zichtbaar is. 2.Het bevoegd bestuursorgaan stelt beleidsregels vast, waar de in het eerste lid genoemde vergunningaanvragen aan moeten voldoen. Artikel2.3(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapsverordening, de omgevingsverordening Gelderland de Telecommunicatiewet of deze verordening. 5.Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. 6.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel2.4Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van uitwegen. 3.Bij de aanvraag wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto of situatieschets van de bestaande uitweg overlegd. 4.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.9 kan de vergunning slechts worden geweigerd: ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg te koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; of als de afwatering van de weg of het aanliggend terrein wordt geschaad of dreigt te worden geschaad. 5.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van of door een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 6.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor die woningen waarbij, vanuit planologisch oogpunt, een uitrit logischerwijs noodzakelijk is. 7.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Artikel2.5Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel2.6Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden in bossen, op heide of veengronden, dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan te roken gedurende de periode van 1 maart tot 1 november; voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel2.7Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. Artikel2.8Veiligheid op het ijs 1.Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. Artikel2.9Bescherming groenvoorzieningen Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, bossen, heidevelden, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk dan wel aldaar bloemen te plukken. Artikel2.10Beschermde planten; hout sprokkelen 1.Het college kan plaatsen aanwijzen waarbij het is toegestaan daarbij aangeduide bloemen, planten of paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben. 2.Behoudens de door het college aangewezen plaatsen als bedoeld in het eerste lid, is het verboden: bloemen, planten of paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben; hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben. 3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet: ten aanzien van door of met schriftelijke toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel van elders afkomstige bloemen of planten of delen van planten of paddenstoelen of hout; indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet natuurbescherming. 4.Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt voorts niet: ten aanzien van hout dat afkomstig is van houtopstanden waarop het in artikel 4.1, lid 1 gestelde verbod niet van toepassing is; ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens een verordening van het Bosschap. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 6.Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend dood hout. PARAGRAAF2BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING Artikel2.11Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel2.12Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Artikel2.13Verbod oplaten ballonnen 1.Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen. 2.Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, sfeerballon, geluks-lampion, (Thaise) wensballon, papierballon en geluks-ballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur of gas opstijgt en zonder sturing wegdrijft. 3.Onder een ballon wordt in dit verband niet bedoeld een luchtballon voor personenvervoer. PARAGRAAF3KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN Artikel2.14Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de ontheffing voorts worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap; of een stadsgezicht. Artikel2.15Aanwijzing kampeerplaatsen Artikel 2.14, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 2.14, vierde lid. PARAGRAAF4GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN Artikel2.16Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die zijn gelegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de provinciale verordening stiltegebieden aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. PARAGRAAF5VUURVERBOD Artikel2.17Verbod afvalstoffen te verbranden buiten bedrijven of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten bedrijven of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna en ter bescherming van het woon- en leefklimaat. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening. Artikel2.18Sanctiebepaling Overtreding van het bij of krachtens de in dit hoofdstuk 2 van deze verordening genoemde artikelen en de op grond van artikel 1:5 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien gestraft worden met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. HOOFDSTUK3:GELUIDHINDER Artikel3.1Melding incidentele feesten 1.Het is een inrichting (in de zin van de Wabo) dan wel een bedrijf (in de zin van de Omgevingswet) toegestaan op maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel artikel 5.65 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving niet van toepassing zijn, mits de inrichting dan wel het bedrijf ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2.Het is een inrichting dan wel bedrijf toegestaan om tijdens maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten, waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de inrichting dan wel het bedrijf ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4.De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van de inrichting dan wel de houder van het bedrijf een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel artikel 5.65 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 7.De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting dan wel het bedrijf en niet voor de buitenruimte. 8.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel3.2Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting dan wel bedrijf op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit Activiteiten Leefomgeving, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, het Besluit Bouwwerken Leefomgeving of de provinciale omgevingsverordening Gelderland. HOOFDSTUK4:BOMEN Artikel4.1Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1.Het college stelt een Lijst waardevolle bomen en een Groenkaart stedelijk gebied Ermelo vast waarop de beschermenswaardige bomen en houtopstanden in de gemeente worden vermeld. 2.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende houtopstanden te vellen of te doen vellen: houtopstanden vermeld op de in het eerste lid genoemde Lijst Waardevolle bomen; houtopstanden vastgelegd in de (concept)lijst monumentale bomen; houtopstand die is geplant volgens lid 8 van dit artikel; houtopstanden met een stamomtrek van minimaal 65 cm op een hoogte van 1,30 m boven het maaiveld die staan op de gemeentelijke hoofdgroenstructuur en nevengroenstructuur zoals aangegeven op de in het eerste lid genoemde Groenkaart stedelijk gebied Ermelo; houtwallen en singels, alsmede knotbomen en bomen met een stamomtrek van minimaal 65 cm op een hoogte van 1,30 m boven het maaiveld die deel uitmaken van een singel of houtwal; houtopstanden met een stamomtrek van minimaal 65 cm op een hoogte van 1,30 m boven het maaiveld die zijn vastgelegd in de soortenlijst Groenvisie Ermelo, te weten: zomereik, wintereik, beuk, grove den, linde en al hun soorten en variëteiten. 3.Het verbod zoals opgenomen in lid 2c geldt niet voor een natuurlijk afgestorven houtopstand die korter dan 3 jaar geleden is geplant. 4.In afwijking van artikel 1.9 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 5.Het onder het tweede lid genoemde verbod tot vellen van houtopstanden geldt niet voor: het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; het periodiek snoeien, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel om een reeds aanwezige habitus in stand te houden; dunning van gemeentelijke houtopstand of particuliere houtopstand dat is gebaseerd op een door het bevoegd gezag goedgekeurd en vastgesteld beheerplan; houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.
- 6.Het tweede lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. 7.Het verbod in het tweede lid geldt niet voor een houtopstand die staat buiten de door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom en die: een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of; bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. 8.Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. Artikel4.2Bestrijding iepziekte 1.Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen; of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod. Artikel4.3Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op nihil voor bomen, heggen en heesters. HOOFDSTUK5:STANDPLAATSEN Artikel5.1Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de vergunning worden geweigerd als: de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5.2Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel5.3Afbakeningsbepalingen 1.Artikel 5.1, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2.De weigeringsgrond van artikel 5.1, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Artikel5.4Indieningsvereisten 1.Een aanvraag voor een standplaatsvergunning moet worden ingediend op een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 2.Het aanvraagformulier en eventuele bijlagen bevatten de volgende gegevens: De naam en het adres van de aanvrager. De dagtekening van de aanvraag. Een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. De plaats waarvoor de standplaats wordt verzocht. Een situatietekening, schaal 1:1000, of een luchtfoto met de beoogde plaats indien het een niet aangewezen standplaats is. 3.Een aanvraag die niet met het aanvraagformulier is ingediend en/of niet is voorzien van de benodigde gegevens, wordt niet in behandeling genomen. Artikel5.5Aangewezen standplaatsen Een standplaatsvergunning voor een in bijlage 1 genoemde standplaats wordt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en verder, uitsluitend verleend indien de aanvraag voldoet aan de in die bijlage gestelde eisen. Artikel5.6Niet-aangewezen standplaatsen 1.Een standplaatsvergunning voor een niet in bijlage 1 genoemde standplaats wordt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en verder, geweigerd indien: Deze een commercieel karakter heeft en is gelegen binnen de bebouwde kom van de kern Ermelo. Deze niet is geprojecteerd in de nabijheid van bestaande winkels voor detailhandel. Gebruik wordt gemaakt van bak-, braad, of verwarmingsapparatuur en de afstand tot de dichtstbijzijnde gevel met gevelopeningen minder dan 5 meter bedraagt. Voetgangersstromen in onevenredige mate worden gehinderd. Een onevenredige parkeer- of verkeersoverlast ontstaat. Een verkeersgevaarlijke situatie ontstaat. Een toegang of (nood)uitgang van een gebouw wordt geblokkeerd. De afstand tot de woonbebouwing niet dusdanig groot is dat daardoor in onevenredige mate geuroverlast wordt veroorzaakt. Een vaste of een tijdelijke standplaats bij een monument is geprojecteerd en er geen positief advies is uitgebracht door de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Artikel5.7Procedure 1.Aanvragen voor een standplaatsvergunning worden in behandeling genomen, indien zij zijn ingediend na 1 november in het jaar voorafgaand aan het (eerste) kalenderjaar waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Aanvragen die wij eerder ontvangen, nemen wij niet in behandeling. 2.Aanvragen worden beoordeeld op volgorde van ontvangst. 3.Indien meerdere aanvragen zien op dezelfde standplaats en tijdstip, dan wordt de vergunning verleend aan degene waarvan de aanvraag als eerste door ons is ontvangen. Overige aanvragen worden geweigerd. Artikel5.8Voorwaarden 1.Aan een standplaatsvergunning worden de voorwaarden in bijlage 2 verbonden. 2.Aan een standplaatsvergunning voor activiteiten die een verhoogd risico voor de brandveiligheid met zich meebrengen, zoals oliebollen- en gebakkramen, worden tevens de voorwaarden in bijlage 3 verbonden. Artikel5.9Persoonsgebonden vergunning 1.Een standplaatsvergunning wordt uitsluitend verleend aan natuurlijke personen. 2.Per natuurlijk persoon wordt per dag niet meer dan één standplaatsvergunning verleend. 3.De standplaats moet gebruikt worden door de houder van de standplaatsvergunning. In geval van ziekte of vakantie mag een vervanger de standplaats gebruiken, mits hij voldoende gekwalificeerd is. 4.Een standplaats mag niet (onder)verhuurd worden. Artikel5.10Duur vergunning 1.Vergunningen voor vaste en tijdelijke standplaatsen kunnen worden verleend voor een aaneensluitende periode tot uiterlijk 31 december
- 2.Vergunningen voor incidentele standplaatsen worden verleend voor de activiteiten die plaatsvinden gedurende maximaal één kalenderjaar. Artikel5.11Intrekking of wijziging van een vergunning 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 van deze verordening kan een vergunning worden ingetrokken of gewijzigd, indien: Veranderde omstandigheden of inzichten aanleiding geven om deze beleidsregels te herzien en de vergunning niet in overeenstemming is met de herziene beleidsregel. De standplaats gedurende drie achtereenvolgende weken of gedurende zes maal per kwartaal niet wordt ingenomen, gevallen van overmacht en incidentele standplaatsen uitgezonderd. Artikel5.12Overdracht 1.Een standplaatsvergunning kan worden overgedragen aan: Familie in eerste of tweede graad of; Een werknemer die aantoonbaar tenminste drie jaar in loondienst is, mits diegene voldoet aan alle voorwaarden in deze verordening. HOOFDSTUK6:OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN Artikel6.1Ligplaats vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement. 4.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. HOOFDSTUK7:ERFGOED PARAGRAAF1:ALGEMEEN Artikel7.1Gemeentelijk erfgoedregister 1.Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (gemeentelijk erfgoedregister). 2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet. PARAGRAAF2:AANWIJZING VAN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE CULTUURGOEDEREN EN VERZAMELINGEN Artikel7.2Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoeder of beschermde gemeentelijke verzameling 1.Het college kan ambtshalve besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed. 2.Het college kan ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als beschermde gemeentelijk verzameling. 3.Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4.Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5.Dit artikel is niet van toepassing op: beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel7.3Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1.Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 7.2, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 7.2, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 3.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. PARAGRAAF3:AANWIJZING GEMEENTELIJK MONUMENT Artikel7.4Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.Het college kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2.Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten, en monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel7.5Voornemen tot aanwijzing 1.Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 7.4 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel7.6Voorbescherming 1.De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 7.5 is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel7.7Advies gemeentelijke adviescommissie 1.Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 7.4 advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur. 2.De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3.De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel7.8Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel7.9Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel7.10Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 7.7 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het colleges een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 7.
- 3.Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 7.9 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel7.11Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. PARAGRAAF4:BESCHERMING GEMEENTELIJK MONUMENT Artikel7.12Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel7.13Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Artikel7.14Intrekken van de omgevingsvergunning 1.De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken: 2.Als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; 3.Voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. Artikel7.15Weigeringsgronden 1.De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2.Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. PARAGRAAF5:RIJKSMONUMENTEN Artikel7.16Advies omgevingsvergunning rijksmonument Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 5.1 aanhef en lid 1 sub c van de Omgevingswet en artikel 4.20 van het Omgevingsbesluit voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid. Artikel 7.7, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. PARAGRAAF6:GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN Artikel7.17Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2.Het college zendt het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid. Artikel 7.7, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.De gemeenteraad beslist binnen 26) weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4.Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6.Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre locaties van het omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt. 7.Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 2.34 lid 3 van de Omgevingswet of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 5.4 van de Omgevingswet. Artikel7.18Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 7.17, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.34 lid 3 van de Omgevingswet, of beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 5.4 van de Omgevingswet; 3.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel7.19Verbodsbepaling en aanvraag vergunning 1.Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, aanhef en eerste lid van de Omgevingswet, een bouwwerk te slopen. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.De artikelen 7.14 en 7.15 zijn van overeenkomstige toepassing. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in artikel 4.3 lid 1 onder a van de Omgevingswet. PARAGRAAF7VANGNET ARCHEOLOGIE Artikel7.20Vangnet archeologie 1.Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht, tenzij: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 van de Omgevingswet; het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of een vooronderzoek is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2.Bij opgravend onderzoek moet het Programma van Eisen altijd vooraf worden goedgekeurd door het college. Artikel7.21.Strafbepaling Degene die handelt in strijd met artikel 7:12 of het bepaalde in artikel 7:13, eerste lid, van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. HOOFDSTUK8:AFVALSTOFFEN Artikel8.1Inzamelmiddelen en -voorzieningen 1.De inzameling kan plaatsvinden via: een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel; een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen; een inzamelvoorziening op wijkniveau; een brengdepot op lokaal of regionaal niveau; 2.Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening en waar de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Artikel8.2Frequentie van inzamelen 1.Huishoudelijk restafval wordt ten minste eenmaal per twee weken bij elk perceel ingezameld; 2.Groente-, fruit- en tuinafval wordt ten minste eenmaal per twee weken afzonderlijk bij elk perceel ingezameld; 3.Het college kan de frequentie van inzameling vaststellen van de overige categorieën huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk in aangewezen delen van de gemeente bij elk perceel worden ingezameld. Artikel8.3Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging 1.Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde plaats en buiten een bedrijf een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu; 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen; 3.Het verbod is niet van toepassing op: het overeenkomstig deze verordening ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen; het thuis composteren van groente-, fruit- en tuinafval; voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Besluit bodemkwaliteit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu. Artikel8.4Afvalbakken in bedrijven voor het verbruiken van eet- en drinkwaren 1.De eigenaar van een bedrijf waar eet- en/of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht: een afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp in of nabij het bedrijf op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan achterlaten; zorg te dragen dat deze afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die afvalbak, -mand of voorwerp steeds tijdig wordt geledigd; zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van het bedrijf, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met de toezicht op de naleving van dit artikel, in de nabijheid van het bedrijf achtergebleven afval, voor zover kennelijk uit of van het bedrijf afkomstig, wordt opgeruimd. Artikel8.5Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden 1.Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig kan worden beïnvloed; 2.Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen deze weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene die genoemde werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te reinigen of te laten reinigen: direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert; direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert; indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke dag direct na beëindiging van de werkzaamheden. Artikel8.6Verbod opslag van afvalstoffen 1.Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een bedrijf op te slaan of opgeslagen te hebben; 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod; 3.Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars of de personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel8.7Strafbepaling Een gedraging in strijd met de volgende artikelen is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 3º, Wet op de economische delicten: Artikel 8:3 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging Artikel 8:4 Afvalbakken in bedrijven voor het verbruiken van eet- en drinkwaren Artikel 8:5 Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden Artikel 8:6 Verbod opslag van afvalstoffen HOOFDSTUK9:BEGRAAFPLAATSEN Artikel9.1Uitbreiding begrip particulier graf en algemeen graf 1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt, voor zover van belang onder "particulier graf" mede verstaan: particulier kindergraf, particulier urnengraf, particuliere urnennis en particuliere gedenkplaats. 2.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt, voor zover van belang onder “algemeen graf” mede verstaan: algemeen urnengraf en algemeen kindergraf. Artikel9.2Gebruik materiaal voor stoffelijke omhulsels 1.Een lijk mag uitsluitend worden begraven in een kist of ander omhulsel, eventueel met gebruikmaking van een lijkhoes, die voldoen aan de in de volgende twee leden opgenomen eisen: 2.Bij de vervaardiging van lijkkisten zijn voor de volgende onderdelen of bewerkingen de volgende kunststoffen of toepassingen van kunststoffen toegelaten: Spaanplaat: verlijmde houtspaanders/houtvezels. Het spaanplaat bevat niet meer dan 10 mg vrij of gemakkelijk vrij te maken formaldehyde per 100 gram plaatmateriaal. Gemeten met de fotometrische methode is dit 8 mg formaldehyde per 100 gram droog plaatmateriaal (normuitgave NEN-EN 120 uit 1991). Lijm: verwerkt in houtspaanplaat: ureumformaldehyde-lijm of isocyanaat-lijm; verwerkt in schottenlijm: ureumformaldehyde-lijm en/of PVAC-lijm; verwerkt in perslijm: PVAC lijm -polyvinylacetaat; verwerkt in constructielijm: PVAC lijm- polyvinylacetaat. Lak: nitrocelluloselak dan wel een combinatielak van nitrocellulose, alkydharsen, en -eventueel - polyesterharsen. Handgrepen, sierschroeven en andere ornamenten: handgrepen, ornamenten en accessoires van graf- en crematiekisten dienen uitgevoerd te worden in vergankelijk materiaal, dan wel van buitenaf verwijderd te kunnen worden. Hoofdkussen of hoofdsteun: Zak van vergankelijk materiaal gevuld met houtkrullen of kartonnen hoofdsteun. Binnenbekleding: niet geïmpregneerd papier aan de binnenkant van de deksel en de wanden; katoen, zijde, rayon, of celluloseacetaat dan wel een mengsel van genoemde stoffen, en wel zo dat de stof van de binnenbekleding niet in één stuk over de bodem en wanden van de kist wordt gespreid, maar dat voor de bodem een los stuk stof wordt gebruikt. Bodembedekking: niet-geïmpregneerd papier op de bodem, al dan niet voorzien van een extra celstof onderlegger. Print en kantenband: basispapier op edelcellulosebasis met anorganische pigmenten 3.Materiaal voor lijkhoezen dient aan de volgende eisen te voldoen: Doorlaatbaarheid: Van water: gedurende zeven dagen voortdurend contact met water van 5°C en 20°C bij pH = 7,0 mag het materiaal niet meer dan 1 mg vloeibaar water per vierkante meter per uur doorlaten, gemeten volgens norm DIN 53122 of een vergelijkbare norm. Van gas: na veertien dagen mag de doorlaatbaarheid voor gasvormig kooldioxide, gemeten volgens norm DIN 53122 of een vergelijkbare norm, niet minder zijn dan 150 ml per vierkante meter per uur en voor zuurstof niet minder dan 200 ml per vierkante meter per uur. Mechanische eigenschappen: Treksterkte: de treksterkte van het materiaal en van de lasverbindingen mag niet minder bedragen dan 1 N per millimeter, gemeten volgens norm DIN 53455 of een vergelijkbare norm. Vouwbestendigheid: als het materiaal wordt dubbelgevouwen en de vouw gedurende dertig minuten wordt belast bij een druk van 5 N per vierkante centimeter, mag het materiaal in de vouw geen scheur vertonen. Vorm: Gedurende twee jaar opslag bij 20°C mag de krimp in de lengte- en breedterichting niet meer dan 10% bedragen, gemeten volgens norm ASTM: D 2732-83 of een vergelijkbare norm. Biologische afbreekbaarheid: Het materiaal van de lijkhoezen dient binnen 90 dagen voor meer dan 98% te worden afgebroken, gemeten volgens norm ASTM: D 5338-92 of een daarmee vergelijkbare norm. Daarnaast dienen uit de lijkhoezen, zowel bij de biologische afbraak als bij crematie, geen schadelijke stoffen vrij te komen. Voor zware metalen (Pb, Cr, Ni, Cu, Cd, Zn) en gechloreerde koolwaterstoffen dient voldaan te worden aan de Duitse Bundesgütegemeinschaft-norm RAL GZ 251 of een daaraan gelijk te stellen norm. Voor de bepaling hiervan dient gebruik te worden gemaakt van de norm ASTM: D 5152-91 of een vergelijkbare norm. 4.Andere omhulsels dan lijkkisten en lijkhoezen die op het doel van begraven of verbranden zijn afgestemd, zijn toegestaan bij begraven of verbranden mits zij voldoen aan de hierboven gestelde eisen van doorlatendheid voor lucht en biologische afbreekbaarheid voor zover deze omhulsels dan wel onderdelen daarvan niet verwijderd worden voorafgaand aan het begraven of verbranden. Artikel9.3Indeling graven en asbezorging 1.Op de begraafplaats kunnen worden uitgegeven: particuliere graven; algemene graven. 2.Het college bepaalt bij nader vast te stellen regels hoeveel lijken en hoeveel asbussen met of zonder urnen er kunnen worden bijgezet in de particuliere graven. Het college bepaalt tevens bij nader vast te stellen regels de afmetingen en de uitgifteduur van de particuliere graven. De uitgifteduur kan niet korter zijn dan de minimumtermijn vastgesteld in de Wet op de lijkbezorging. 3.Het college kan gedeelten van de begraafplaats aanwijzen voor asverstrooiing. 4.Op de begraafplaats kunnen worden uitgegeven: Particuliere kindergraven; Algemene kindergraven. 5.Op de begraafplaatsen kan een gedeelte worden aangewezen waarin aan een ieder de gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van een immatuur of onrijpe menselijke vrucht. Voor een begraven immatuur geldt een termijn van 20 jaar. Artikel9.4Aantal overledenen in algemene graven Het college bepaalt bij nader vast te stellen uitvoeringsregels hoeveel lijken er kunnen worden bijgezet in de algemene graven. Artikel9.5Categorieën Het college kan bij nader vast te stellen regels de algemene en particuliere graven onderverdelen in categorieën. Zij bepalen voor de verschillende categorieën de situering en oppervlakte. Artikel9.6Grafkelder Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een grafkelder overeenkomstig de door hen te stellen voorwaarden op een daartoe aangewezen gedeelte van de begraafplaats Artikel9.7Onderhoud door de gemeente 1.Het college voorziet in het, na verzakking, opnieuw stellen van het gedenkteken op de algemene graven met uitzondering van die waarvan de onderhoudsstaat, de constructie en/of de aard van de materialen een risico vormen tot beschadiging van het gedenkteken. 2.Voor particulieren geldt dat zij bij het college een aanvraag kunnen indienen voor het laten rechtzetten van het gedenkteken. 3.Het college voorziet in het schoonhouden van het gedenkteken op particuliere graven, indien de rechthebbende hiertoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend bij de beheerder en de daarvoor geldende rechten heeft betaald. 4.Het college kan een verzoek als bedoeld in het tweede lid van dit artikel weigeren indien de staat van onderhoud, de constructie en/of de aard van de materialen een verhoogd risico vormen tot beschadiging van het gedenkteken. Artikel9.8Onderhoud door rechthebbende of gebruiker 1.De in artikel 8.18 bedoelde gedenktekens, beplantingen of andere grafbedekkingen worden geacht voor rekening en risico van de rechthebbende of vergunninghouder te zijn aangebracht. 2.Schade als gevolg van brand, vandalisme, vorst, wateroverlast en andere van buiten komende oorzaken, of ontstaan door het weghalen en terugplaatsen van een grafbedekking ten behoeve van een bijzetting, en eventuele gevolgschade voor derden, is voor rekening van de rechthebbende of vergunninghouder. 3.De rechthebbende van een particulier graf of de vergunninghouder is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen. 4.Indien de rechthebbende of gebruiker nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is. 5.De verwijdering vindt niet plaats dan nadat het college de rechthebbende of de gebruiker door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende of de gebruiker niet bekend is, maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht. 6.Het college kan de rechthebbende of de gebruiker per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen binnen de door het college gestelde termijn indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van de grafbedekking gevaar op levert voor derden. Artikel9.9Verwijdering grafbedekking na verstrijken van uitgifte termijn 1.De grafbedekking kan na het verstrijken van de uitgiftetermijn van een graf door het college worden verwijderd. 2.Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking maakt het college tenminste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd per brief aan de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende bekend. Wanneer het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats bekend. 3.Indien de grafbedekking niet binnen dertien weken na het verstrijken van de uitgiftetermijn is afgehaald, vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is. 4.De rechthebbenden op graven zijn verplicht bij begraving in of voor noodzakelijk onderhoud aan belendende graven, de tijdelijke verwijdering toe te staan van al hetgeen op of om hun graven is geplaatst of geplant. 5.Bij de begraving of bijzetting in, de ruiming van en opgraving uit graven, dient het afnemen en aanbrengen van daarop aanwezige grafbedekking en het openen en sluiten van grafkelders door een erkende steenhouwer of gemeente te geschieden en voor rekening van de rechthebbende. Artikel9.10Ruiming, bezorging van overblijfselen van as 1.Na het verstrijken van een grafrusttermijn van tenminste 20 jaar kunnen graven worden geruimd. Dit geldt voor alle graven. 2.Het voornemen van het college om een graf te ruimen wordt tenminste één jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf geruimd zal worden per brief aan de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende bekend gemaakt. Wanneer het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot ruiming van het graf bekend gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip van ruiming door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord. 3.De bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten worden (her)begraven en de as uit de asbus wordt verstrooid op een daartoe bestemd gedeelte van de begraafplaats. 4.Nabestaanden van een overledene die begraven is in een algemeen graf, kunnen gedurende de in het eerste lid van dit artikel bedoelde termijn bij de beheerder een aanvraag indienen om bij ruiming de menselijke resten, indien mogelijk, bijeen te doen brengen voor crematie of herbegraving elders. 5.Nabestaanden van een overledene waarvan een asbus al of niet met een urn is bijgezet in een algemeen graf, kunnen bij de beheerder een aanvraag indienen om deze ter beschikking te houden voor herbegraving of verstrooiing elders. 6.De rechthebbende op een particulier graf kan bij de beheerder een aanvraag indienen om de menselijke resten te doen verzamelen om deze opnieuw in dezelfde grafruimte te doen plaatsen dan wel om deze te cremeren of elders opnieuw te doen (her)begraven. De rechthebbende op een particulier urnengraf of particuliere urnennis kan bij de beheerder een aanvraag indienen de asbus ter beschikking te houden om elders bij te zetten of om de as te doen verstrooien. Artikel9.11Algemene graven 1.De algemene graven hebben een lengte van 2,60 meter en een breedte van 1,00 meter met een onderlinge tussenruimte van 0,30 meter. 2.In de algemene graven wordt tot drie lagen begraven. 3.Voor een gedenkteken op een algemeen graf gelden de volgende eisen: 4.Toegestaan is een liggende steen of lessenaarmodel met afmetingen lengte x breedte = 60 x 40 cm en hoogte maximaal 40 cm of een staande steen, zuil of sculptuur met een hoogte van maximaal 75 cm. 5.Volgorde van plaatsing op het graf is van achter naar voren. Artikel9.12Particuliere graven 1.De particuliere graven hebben een lengte van 2,60 meter en een breedte van 1,00 meter met een onderlinge tussenruimte van 0,30 meter. 2.De particuliere graven die zijn aangewezen voor het daarin doen aanbrengen van grafkelders hebben een lengte van 2,45 meter, een breedte van 1,10 meter. 3.De particuliere graven zijn bestemd voor het begraven van ten hoogste drie lijken en het bezorgen van de as van ten hoogste vier overledenen. 4.De aanvraag door een rechthebbende om menselijke resten te herschikken in een bestaand particulier graf kan afgewezen worden als blijkt dat de benodigde werkzaamheden technisch niet uitvoerbaar zijn. De beheerder beoordeelt de aanvraag. 5.De bezorging van as in een particulier graf kan plaatsvinden door middel van plaatsing van de asbus met of zonder urn in het graf, plaatsing van de asbus met urn op het graf, dan wel verstrooiing van de as in het graf. 6.Tijdelijke grafaanduiding in afwachting van het aanbrengen van een definitief gedenkteken wordt na maximaal één jaar na begraven verwijderd. 7.Voor een gedenkteken op een particulier graf gelden de volgende eisen: De afmetingen van liggende gedenktekens bedragen in lengte x breedte maximaal 2,00 x 0,90 meter. Het staande element mag niet hoger zijn dan 1,20 meter en niet breder dan 0,90 meter. De hoogte van kettingen en hekwerken mag maximaal 0,50 meter bedragen. Fundatie van de liggende steen is van gewapend beton met een afmeting van 2,00 x 0,90 meter en met een dikte van minimaal 6 cm. Voor de gedenktekens mogen alleen duurzame materialen worden gebruikt, zoals natuursteen, metaal, keramiek, duurzame kunststoffen of een duurzame houtsoort. De onderdelen moeten vast aan het gedenkteken zijn verbonden. Het gebruik van grind, marmerslag of een ander los duurzaam materiaal met een doorsnede van minder dan 25mm is toegestaan tenzij dit wordt aangebracht op een betonplaat die voldoet de vermelde afmetingen in artikel 4 lid 7, en het materiaal wordt opgesloten tussen de banden. Het gebruik van grind, marmerslag of een ander los duurzaam materiaal met een doorsnede van meer dan 25mm is toegestaan tenzij dit wordt aangebracht op een betonplaat die voldoet de vermelde afmetingen in artikel 4 lid 7, en het materiaal op de betonplaat in specie wordt gelegd. Artikel9.13Particuliere kindergraven 1.De particuliere kindergraven hebben een lengte van 1,80 meter en een breedte van 0,80 meter met een onderlinge tussenruimte van 0,30 meter. 2.De particuliere kindergraven zijn bestemd voor het begraven van ten hoogste één lijk. 3.Voor een gedenkteken op een particulier kindergraf gelden de volgende eisen: Afmetingen lengte x breedte bedragen maximaal 1,50 x 0,80 meter. Het staande element mag niet hoger zijn dan 0,90 meter en niet breder dan 0,80 meter. De fundatie van de liggende steen is van gewapend beton en maximaal 1,50 x 0,80 meter. 4.Voor de gedenktekens mogen alleen duurzame materialen worden gebruikt, zoals natuursteen, metaal, keramiek, duurzame kunststoffen of een duurzame houtsoort" 5.De onderdelen moeten vast aan het gedenkteken zijn verbonden. 6.Het gebruik van grind, marmerslag of een ander los duurzaam materiaal met een doorsnede van minder dan 25mm is toegestaan tenzij dit wordt aangebracht op een betonplaat die voldoet de vermelde afmetingen in lid 3 van dit artikel en het materiaal wordt opgesloten tussen de banden. 7.Het gebruik van grind, marmerslag of een ander los duurzaam materiaal met een doorsnede van meer dan 25mm is toegestaan tenzij dit wordt aangebracht op een betonplaat die voldoet de vermelde afmetingen in lid 3 van dit artikel en het materiaal op de betonplaat in specie wordt gelegd. Artikel9.14Immaturen veld 1.De plek van begraven op het immaturenveld wordt in overleg met de beheerder bepaald 2.Voor het plaatsen van een gedenkteken op het immature veld gelden de volgende eisen: Een keivorm met maximale afmetingen lengte x breedte x hoogte = 20 x 20 x 10cm De gedenktekens op het immaturen veld mogen rond de gedenksteen worden geplaatst. Het gedenkteken mag geen vaste verbinding hebben met de ondergrond. Voor gedenktekens op het immature veld mogen alleen duurzame materialen worden gebruikt in de vorm van natuursteen. Artikel9.15Particuliere urnengraven De particuliere urnengraven worden uitgegeven voor bepaalde tijd (twintig jaren) met de mogelijkheid van verlenging voor telkens tien jaren. De particuliere urnengraven hebben een lengte van 0,50 meter en een breedte van 0,50 meter en een diepte van 0,40 meter en worden standaard voorzien van een urn keldertje. De particuliere urnengraven zijn bestemd voor het plaatsen van ten hoogste vier asbussen. Voor een gedenkteken op een urnengraf gelden de volgende eisen: Liggende steen of lessenaarmodel: maximale afmetingen lengte x breedte x hoogte = 50 x 50 x 20 cm. Staande steen of zuil of sculptuur maximaal 60 cm hoog. Voor de gedenktekens mogen alleen duurzame materialen worden gebruikt, zoals natuursteen, metaal, keramiek, duurzame kunststoffen of een duurzame houtsoort. Artikel9.16Particuliere urnen nissen 1.De particuliere urnennissen worden uitgegeven voor bepaalde tijd (vijf, tien of twintig jaren) met de mogelijkheid van verlenging voor telkens vijf, tien of twintig jaren. 2.De particuliere urnennissen worden onderverdeeld in: urnennissen in het binnencolumbarium, bestemd voor de plaatsing van ten hoogste twee asbussen met urnen in een open nis; urnennissen in het buitencolumbarium, bestemd voor de plaatsing van ten hoogste twee asbussen met urnen in een open nis, dan wel plaatsing van ten hoogste twee asbussen met of zonder urnen in een afgesloten nis. Artikel9.17Strooiveld 1.Voor het plaatsen van een gedenkplaatje aan de herdenkingsstenen op het strooiveld, gelden de volgende eisen: een bronzen plaatje (hoogte x breedte = 10 x 15cm) op het monument ter plaatse van het strooiveld. plaatsing in overleg met beheerder. Artikel9.18Aanvraag vergunning grafbedekking 1.Een vergunning voor het hebben van een grafbedekking moet schriftelijk bij het college worden aangevraagd met behulp van daartoe door hen beschikbaar gestelde formulier. Dit geldt niet voor gedenktekens op het immature veld. 2.Bij de aanvraag van een vergunning voor het hebben van een gedenkteken behoort een werktekening te worden ingediend, waarop tenminste voorkomen: een boven-, voor- en zijaanzicht met alle hoogte-, breedte-, dikte- en lengtematen; de tekst van het opschrift, de afbeelding van de figuratie(s) en de plaats van tekst en figuraties de soort van het materiaal van de fundering en de wijze van bevestiging van het gedenkteken daarop. de onderdelen moeten vast aan het gedenkteken zijn verbonden Het vermelden van een firmanaam of enige andere reclame op een gedenkteken, tijdelijke grafaanduiding, of onderdeel daarvan is verboden. Artikel9.19Winterharde meerjarige gewassen 1.De winterharde grafbeplanting dient in overleg met de beheerder te worden aangebracht. De winterharde meerjarige gewassen, die op de graven worden geplant, mogen bij volle wasdom de voor het graf beschikbare oppervlakte niet overschrijden of moeten door besnoeiing binnen de oppervlakte worden gehouden en niet hoger worden dan 1.20m; 2.Voldoet de beplanting hier niet aan de afgesproken afmeting dan wordt die door de beheerder verwijderd zonder aanspraak op vergoeding. HOOFDSTUK10:ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN Artikel10.1Toepasselijkheid Deze verordening is van toepassing op de procedures en voorschriften voor het aanleggen, in standhouden en opruimen van kabels en leidingen in openbare gronden, voor zover de gemeente Ermelo deze gronden beheert, in eigendom heeft dan wel daarover coördinatieverplichtingen heeft. Artikel10.2Nadere regels 1.Het college kan ter uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen; 2.Deze nadere regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: de wijze van uitvoering bij de aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen, het medegebruik van voorzieningen en het opstellen van voorschriften op het gebied van markering, afzetting en het toepassen van proefsleuven. Artikel10.3Instemmingvereiste en meldingsplicht 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college verleend instemmingbesluit overplaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden, medegebruik van voorzieningen ende afstemming van voorgenomen werkzaamheden met overige netbeheerders, kabels en/of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, in stand te houden of op te ruimen; 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor spoedwerkzaamheden; 3.Het instemmingbesluit vervalt als daarvan niet uiterlijk binnen één jaar na het onherroepelijk zijn van het besluit gebruik wordt gemaakt; 4.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij het uitvoeren van haar publiekrechtelijke taak; 5.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor werkzaamheden van minder ingrijpende aard in de zin van artikel 1, onder m, voor zover er voorafgaand aan de werkzaamheden een melding is gedaan en geaccepteerd in het registratiesysteem; 6.In geval van spoedeisende werkzaamheden, als bedoeld in de begripsbepalingen behorende tot dit hoofdstuk (zie artikel 1.1), volstaat een melding voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen één werkdag na de start van de uitvoering van de werkzaamhedengemotiveerd worden gedaan aan het college; 7.In uitzondering op het tweede lid geldt dat voor werkzaamheden die worden verricht binnen een straal van 5 meter van een hoge druk gasleiding, vooraf tevens rechtstreeks contact dient te worden opgenomen met de Gasunie. Artikel10.4Aanvragen en melden 1.Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten, vraagt daarvoor een instemmingbesluit, als bedoeld in artikel 10.3, aan bij het college, dan wel meldt deze werkzaamheden in het registratiesysteem; 2.Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten kan hierover vooroverleg voeren met het college om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden; 3.Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente Ermelo wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de aanvraag of de melding, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomsten van het(voor)overleg tussen de grondroerder en de overige gedoogplichtige(n). Het vorenstaande geldt niet voor zover artikel 5.5 van de Telecommunicatiewet van toepassing is. Artikel10.5Gegevensverstrekking Voor het aanvragen van een instemmingbesluit, als bedoeld in artikel 10.3, moet gebruik worden gemaakt van daartoe door het college vastgestelde formulier(en); Het college kan nadere regels stellen betreffende de te verstrekken gegevens, maar ook over de wijze waarop die moeten worden verstrekt. Artikel10.6Termijnen 1.Een beslissing op een aanvraag wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag, dit geldt ook als er meerdere gedoogplichtigen zijn betrokken; 2.De termijnen, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen eenmaal met uiterlijk acht weken worden verlengd; 3.Als van de bevoegdheid tot verlenging gebruik wordt gemaakt, stuurt het college vóór afloop van de termijnen zoals genoemd in het eerste en tweede lid, een schriftelijke bevestiging met motivering aan de grondroerder; 4.Paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen)is niet van toepassing. Artikel10.7Voorschriften en beperkingen 1.Het college kan aan het instemmingbesluit of aan de acceptatie van de melding nadere voorschriften of beperkingen verbinden in het belang van: de openbare orde; veiligheid, waaronder ook verstaan wordt de verkeersveiligheid en/of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van schade of overlast; waaronder ook verstaan wordt de bescherming van eventuele archeologische vondsten, van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; de bereikbaarheid van gronden of gebouwen; waaronder ook wordt verstaan het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen en het doelmatig beheer en onderhoud ervan en het belang van nader aan te geven grote lokale evenementen als weekmarktenen kermissen; de ondergrondse ordening, waaronder ook verstaan wordt het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor reeds in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zondernoodzaak bemoeilijken van deze werken, waaronder ook verstaan worden werken ten behoeve van de riolering en de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water en elektriciteit; 2.De voorschriften of beperkingen, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering bij aanleg, instandhouding, opruiming, onderhoud en verplaatsing van kabels en leidingen; het medegebruik van voorzieningen, zoals kabelgoten en geleidingen, die door derden of de gemeente Ermelo tegen marktconforme prijzen ter beschikking worden gesteld; een zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen die gesteld zijn bij de voorschriften en beperkingen aan het instemmingbesluit; afmetingen van kasten en andere toebehoren behorende bij het netwerk; 3.De grondroerder informeert omwonenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 1.1 van de begripsbepalingen behorende tot dit hoofdstuk minimaal drie en maximaal 15 werkdagen voor de start van de werkzaamheden schriftelijk over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden; 4.De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen en medegebruik van voorzieningen moet gebeuren conform in de gemeente van toepassing zijnde uitvoeringsvoorschriften zoals bedoeld in artikel 1.1 van de begripsbepalingen behorende tot dit hoofdstuk. 5.In dat kader is het college ook bevoegd voorschriften te stellen op het gebied van markering, afzetting en het toepassen van proefsleuven. Bij tegenstrijdigheden van de bepalingen van deze verordening en de bepalingen uit de uitvoeringsvoorschriften, hebben de bepalingen van deze verordening voorrang; 6.De grondroerder vergoedt aan de gemeente Ermelo de schade voortvloeiend uit de werkzaamheden, waarbij de omvang beperkt is tot vergoeding van de marktconforme kosten van de door de gemeente ter beschikking gestelde voorzieningen en van de meerdere marktconforme kosten van onderhoud; 7.De grondroerder is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen terug te brengen in de oude staat, tenzij het college vooraf heeft aangegeven hier zelf zorg voor te willen dragen; 8.De grondroerder draagt in het geval van werkzaamheden voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen de marktconforme kosten voor herstel die gebaseerd zijn op“ De grondslagen van de tarieven voor het herstel van schaden aan elementen verhardingen”, welke jaarlijks worden geïndexeerd (prijsindexcijfer CROW voor grond-, weg- en waterbouw). Dit document is opgenomen in bijlage 4 bij deze verordening; 9.Als binnen vijf jaar na groot onderhoud of herinrichting van openbare gronden een grondroerderwerkzaamheden moet uitvoeren, verlangt het college specifiek schadeherstel ten einde de situatie terug te brengen in de oude staat. De hiermee gepaard gaande kosten zijn voor rekening van de grondroerder; 10.Als een grondroerder werkzaamheden moet uitvoeren in bijzondere bestrating, is hij verplicht de specifieke schade te herstellen ten einde de situatie terug te brengen in de oude staat. 11.Het verkrijgen van een instemmingbesluit laat onverlet dat in voorkomende gevallen ook een omgevingsvergunning is vereist. Het college draagt zorg voor een samenhangende behandeling van vergunning en aanvraag voor een instemmingbesluit; 12.Voor de afgifte van een instemmingbesluit zijn leges verschuldigd conform de Legesverordening van de gemeente Ermelo. Artikel10.8(Mede)gebruik van voorzieningen en vooroverleg 1.Een grondroerder moet op verzoek van het college bij de aanleg van kabels en leidingen in openbare gronden zoveel mogelijk (mede)gebruik maken van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen. Deze verplichting geldt als dit technisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid; 2.Het vooroverleg als bedoeld in artikel 10.4, tweede lid, dan wel een door het college geïnitieerd overleg naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in artikel 10.4, eerste lid, is er ook op gericht te bepalen of en zo ja langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid; 3.Als een grondroerder een marktconform aanbod wordt gedaan om gebruik te maken van voor-aangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels, is een grondroerder verplicht om voor de aanleg of uitbreiding van zijn netwerk van deze voorzieningengebruik te maken; 4.Als de openbare gronden geen ruimte bieden voor de aanleg van nieuwe kabels en leidingen, moet een grondroerder een alternatief tracé kiezen. Artikel10.9Verleggingen 1.Op het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, waaronder het verplaatsen, op verzoek van de gemeente zijn de wettelijke regels van de Telecommunicatiewet van toepassing; 2.Op het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen die ten dienste staan van een netwerk ten behoeve van nutsvoorzieningen in of op openbare gronden en niet vallend onder het eerste lid, gelden de volgende bepalingen, tenzij en voor zover daarover andersluidende afspraken bestaan of zijn overeengekomen tussen partijen: 3.De netbeheerder is verplicht op aanwijzing van de gemeente over te gaan tot het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen ten dienste van zijn netwerk, waaronder het verplaatsen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege de gemeente; 4.Compensatie wordt uitsluitend verleend op basis van de Verlegregeling Ermelo 2013; 5.Het college en de netbeheerder zullen bij verwijdering, verlegging of aanpassing van kabels en/of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken; 6.Na een aanwijzing tot het nemen van maatregelen gaat de netbeheerder zo snel mogelijk over tot de uitvoering, maar niet later dan zestien
(16)weken na de datum van ontvangst van het verzoek. Artikel10.10Breekverbod 1.Indien naar het oordeel van het college sprake is van extreme weersomstandigheden, is het college bevoegd een breekverbod in te stellen; 2.Het is verboden tijdens een breekverbod breek- en graafwerkzaamheden uit te voeren in de openbare grond en/of bestrating; 3.Tijdig of in ieder geval één dag voor beëindiging van het breekverbod, zal het college de betrokkengrondroerders hierover schriftelijk informeren; 4.Het tweede lid is niet van toepassing in geval van spoedeisende werkzaamheden ten gevolge vaneen ernstige belemmering of storing. Artikel10.11Niet-openbare kabels en leidingen 1.Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet-openbare kabels en leidingen in openbaar gebied is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing; 2.Het opnemen van het eerste lid van dit artikel in deze verordening houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente Ermelo met betrekking tot niet-openbare kabels en leidingen. Artikel10.12Informatieplicht De netbeheerder stelt het college schriftelijk in kennis van het feit dat een kabel of leiding niet langer ten dienste staat van een net of netwerk in of op openbare gronden. In dit kader zal de netbeheerder, eenmaal per jaar en voor zover mogelijk, op verzoek van het college een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen aanleveren. De bewijslast van ingebruikname ligt bij de netbeheerder. HOOFDSTUK11:MARKT Artikel11.1Toepassingsgebied Deze verordening is van toepassing op de warenmarkt die wordt gehouden op dinsdag van 08:30 uur tot 12:30 uur op het Raadhuisplein in Ermelo. Artikel11.2Inrichtingsplan 1.Het college stelt een inrichtingsplan vast, dat in elk geval bevat: een aanduiding van de dagen en de uren waarop de markt wordt gehouden (markttijd); een kaart van de markt; een mededeling dat het anciënniteitsstelsel van toepassing is; een aanduiding van de werkwijze waarop nieuwe vaste-standplaatsvergunningen kunnen worden verstrekt; een verbod om te bedienen van toepassing is. 2.Op de kaart zijn aangegeven: de grenzen van de markt; de plaatsen die bestemd zijn voor houders van een vaste-standplaatsvergunning; de plaatsen die bestemd zijn voor een standwerkvergunning. 3.Als een standplaats, bestemd voor de houder van een vaste-standplaatsvergunning bij aanvang van de markt nog niet door de vergunninghouder of diens plaatsvervanger is ingenomen, kan daarvoor een dagplaatsvergunning worden afgegeven. 4.Het inrichtingsplan is gedurende markttijd bij de markt aanwezig en in te zien. Artikel11.3Vergunningen 1.Het is verboden, op de markt zonder vaste-standplaatsvergunning of dagplaatsvergunning van het college een standplaats voor het uitoefenen van markthandel in te nemen. 2.Een vaste-standplaatsvergunning geldt voor onbepaalde tijd en voor de op de vergunning vermelde standplaats, tenzij de vergunning anders bepaalt. Het college kan in bijzondere gevallen een andere standplaats aanwijzen. 3.Een dagplaatsvergunning geldt voor één dag en voor de op de vergunning vermelde standplaats. 4.Het is verboden, op een markt zonder standwerkvergunning van het college als standwerker op te treden op een markt. Onder standwerker wordt verstaan: iemand die publiek om zich heen verzamelt en dat door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen artikelen te kopen. 5.Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 6.Een vergunning kan enkel worden verleend aan een handelingsbekwame persoon die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten en die geen vaste-standplaatsvergunning heeft. Artikel11.4Strafbepaling Overtreding van het bepaalde bij of krachtens het bepaalde in dit hoofdstuk 11 van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden. HOOFDSTUK12:BODEM PARAGRAAF1INLEIDENDE BEPALING Artikel12.1Indeling van het gebied van de gemeente 1.Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: het gebied binnen de bebouwde kom; het gebied buiten de bebouwde kom. 2.Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. PARAGRAAF2GEGEVENS EN BESCHEIDEN Artikel12.2Bodemonderzoek 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid bestaat uit: de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740,uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur
- indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave
- 2.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen vaneen onderzoeksrapport indien voor toepassing van artikel 11.3 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 3.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn, als bedoeld in artikel 5.36 van de Omgevingswet, indien uit het in NEN5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen. PARAGRAAF3HET TEGENGAAN VAN BOUWEN OP VERONTREINIGDE BODEM Artikel12.3Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel12.4Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 12.3 kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. PARAGRAAF4VOORSCHRIFTEN VAN STEDENBOUWKUNDIGE AARD EN BEREIKBAARHEIDSEISEN Artikel12.5Anti-cumulatiebepaling Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. Artikel12.6Ligging van de voorgevelrooilijn De voorgevelrooilijn is: langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg. Artikel12.7Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn Onverminderd het bepaalde in artikel 12.18 is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Artikel12.8Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op: onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen; Andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder veranderingen, te weten: ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden. Artikel12.9Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn 1.In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil; bouwwerken, geen gebouw zijnde die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn; laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden; erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden; trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in artikel 11.8; overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwe