Nota Omgevingskwaliteit TilburgVoorwoord wethouder Nederland kent een rijke traditie van ontwerp- en bouwcultuur. Een bewonderde traditie die ingezet kan worden als inspiratie en aansporing naar de toekomst toe. Zo zijn onze ruimtelijke ordening, de inrichting van het landschap, de hoogwaardige sociale woningbouw, het landelijk architectuurbeleid en de integrale gebiedsontwikkelingen gebed in historie, en tevens actueel voor het oplossen van tegenwoordige opgaven. Een goede ontwerp- en bouwcultuur is ook in Tilburg diepgeworteld. De ontwikkeling van de stad is er nadrukkelijk door gestuurd. De verstedelijking, als gevolg van de opkomende textielindustrie, laat dat goed zien. Tilburg transformeerde vanuit een organisch gegroeide lintenstructuur naar een moderne stad. Het structuurplan van Rückert stuurde die ontwikkeling door de introductie van de ringbanen en de eerste sociale woningbouw. Ook in de daaropvolgende perioden speelde het ruimtelijk ontwerp vaak een belangrijke rol. In de wederopbouwperiode vonden stevige ingrepen in de stedelijke structuur plaats. In de jaren tachtig moest de stad het hoofd bieden aan de ruimtelijke gevolgen van het wegvallen van de textielindustrie, de economische terugval en een hoge werkeloosheid. Het leidde tot lege plekken in de stad, gevolgd door een periode van stadsherstel. Tilburg slaagde uit de neerwaartse spiraal te ontsnappen door zich opnieuw uit te vinden. Dit ging samen met de opkomst van consistent Tilburgs architectuurbeleid en de oprichting van een lokaal architectuurcentrum. Ruimtelijk én architectonisch wist de stad zich te onderscheiden met een doelgerichte aanpak van plekken en door de keuze voor goed gekozen architectonische accenten in de stad. Een praktijk die succesvol bleek en bekend is geworden onder de term ‘archipunctuur’. Zo is er de afgelopen decennia met succes en overtuiging ingezet op het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van de stad en de dorpen. Deze manifesteert zich in de lintenstructuur, in gebiedsontwikkelingen en in de alledaagse leefomgeving. Er wordt flink geïnvesteerd in wijkgerichte ontwikkelingen, de dorpen en het buitengebied. Daarnaast is er een hoog ambitieniveau bij het ontwikkelen van bijzondere locaties, zoals de Piushaven, de Spoorzone, het Stadsforum en Koningswei. Ook aan de volgende opgaven werken we koersvast en met ambitie verder. Vanuit de overtuiging dat we samen toekomstbestendig willen vormgeven aan onze leefomgeving, duurzaam en met kwaliteit voorop. Met deze nota omgevingskwaliteit ligt er vernieuwend kwaliteitsbeleid dat onze ambities uitwerkt vanuit een heldere analyse naar concrete uitgangspunten. Hiermee geven we richting aan de manier waarop er met ambitie, optimisme, lef én historisch besef aan de verdere ontwikkeling van onze stad en dorpen gewerkt gaat worden. Het kwaliteitsbeleid doet daarnaast ook uitspraken over de manier waarop we de opgaven bij grote gebiedsontwikkelingen zoals de Oostflank, Kenniskwartier, Stappegoor, Tilburg noord en de revitalisatie van de bedrijventerreinen gaan vormgeven en wat hierbij belangrijke uitgangspunten zijn. Daarnaast regelt de nota het organiseren van kwaliteitsteams bij deze grote gebiedsontwikkelingen en zet de nota in op de doorontwikkeling van verschillende instrumenten, zoals het stadsatelier dat met ontwerpend onderzoek bijdraagt aan het vinden van de juiste oplossingen voor de grote opgaven in de stad en de dorpen. Het Tilburg van de toekomst krijgt zo ruimtelijk vorm door creatieve en actieve samenwerking én het streven naar een inclusieve, duurzame, gezonde en vitale stad. De nota biedt een goede basis, van waaruit we de komende jaren het kwaliteitsbeleid verder kunnen verdiepen en uitwerken. Zo groeit Tilburg verder vanuit het geloof dat we samen, met kwaliteit voorop én met verbeeldingskracht, werken aan een goede leef- en werkomgeving van vandaag en morgen. Bas van der Pol Wethouder Economie, Stedelijke ontwikkeling en Omgevingskwaliteit Samenvatting De nota omgevingskwaliteit zet kwaliteit voorop bij ruimtelijke ontwikkelingen en geeft richting aan een voorbeeldige ontwerp- en bouwcultuur. Daarmee is de nota de basis van ons kwaliteitsbeleid. Het geeft duidelijkheid over hoe we in de gemeente Tilburg werken aan het stimuleren en borgen van omgevingskwaliteit. Zowel qua inhoud als qua proces. Binnen de gemeente en de regio spelen er grote ruimtelijke opgaven. Het realiseren van ruim 25.000 woningen grotendeels binnen de bestaande stad en dorpen vraagt om een heldere visie op omgevingskwaliteit. Een goede omgevingskwaliteit zorgt voor een aangename woonomgeving en een duurzaam vestigingsklimaat. Het streven naar een goede omgevingskwaliteit is naast gezondheid en veiligheid één van de drie maatschappelijke doelstellingen van de nieuwe omgevingswet. Goede omgevingskwaliteit is ook één van de doelen van de Omgevingsvisie Tilburg
- Deze nota vormt een uitwerking van de ambities zoals gesteld in deze omgevingsvisie en bouwt daarnaast voort op bestaand kwaliteitsbeleid. Het brengt inhoudelijke aspecten samen met hoe wij als gemeente samen met u die kwaliteitsambities gaan organiseren. De nota omgevingskwaliteit stuurt op verschillende schaalniveaus, van gemeentelijk tot gebieds- en projectgericht schaalniveau, en thema's op het realiseren van een goede omgevingskwaliteit. Het vormt een bron van informatie en inspiratie voor initiatiefnemers, belanghebbenden en de gemeente. De nota is voor de gemeente het uitgangspunt bij de begeleiding van een initiatief en stimuleert initiatiefnemers om de kwaliteitsambities na te streven en de juiste afwegingen te maken. Daarnaast is de nota een beoordelingskader bij vergunningplichtige activiteiten en voor handhaving bij bestaande situaties (excessen). De nota bestaat uit vier onderdelen: A.Tilburgse omgevingskwaliteit Omgevingskwaliteit wordt gezien als een balans tussen herkomst-, belevings-, gebruiks-, en toekomstwaarde. In Tilburg hebben we deze waarden uitgewerkt onder het motto 'Samen werken aan een genereus Tilburg’. Een genereuze grondhouding zorgt ervoor dat er bij elke ruimtelijke ontwikkeling collectieve waarden toegevoegd worden aan de stad, de dorpen of het buitengebied. Hierbij wordt gewerkt vanuit drie fundamenten:
- voortbouwen op de identiteit van Tilburg,
- plekken voor en van iedereen creëren en
- de toekomst begint nu. Ze vormen samen de basis voor deze nota en zijn leidraad bij elke planontwikkeling en -beoordeling. Elk gebied heeft zijn eigen geschiedenis, gebruikers, functies, uitstraling en ontwikkeling en daarmee ook een eigen omgevingskwaliteit. Daarom werken we met een gebiedsgerichte aanpak. Als basis voor gebiedsgericht kwaliteitsbeleid is het ruimtelijk weefsel van Tilburg kwalitatief in beeld gebracht en gewaardeerd. Het doorontwikkelen van dit ruimtelijk weefsel in gebiedsgerichte kwaliteitskaders geeft vervolgens integraal (vanuit verschillende beleidsvelden zoals ruimtelijk erfgoed, stedenbouw en landschap) en op verschillende schaalniveaus verdieping aan de kwaliteitsambities. We zetten hierbij verschillende vormen van kwaliteitssturing in, mede afhankelijk van de mate van impact dat een initiatief heeft op zijn (directe) omgeving. B.Beleidsregels Vanuit het motto ‘samen werken aan een genereus Tilburg’ zijn in deel B 13 basisregels uitgewerkt in concrete beoordelingscriteria voor bouwwerken, ruimtelijk erfgoed en de inrichting van de openbare ruimte. Daarnaast zijn er in de nota ook thematische uitwerkingen opgenomen zoals voor hoogbouw, toekomstbestendig bouwen en wonen voor iedereen. C.Samenhangend kwaliteitsstelsel Kwaliteit ontstaat niet door ambities en regels alleen. Kwaliteitsbeleid heeft een open karakter; over kwaliteit ga je in gesprek en dat gesprek doe je samen. Deel C geeft inzicht in welke kwaliteitsprocessen en -producten er zijn om tot een integrale afweging van kwaliteitsambities te komen. Deze processen en producten vormen samen een samenhangend kwaliteitsstelsel. Met dit stelsel krijgen verschillende stakeholders binnen en buiten de gemeente handreikingen hoe je goed opdrachtgeverschap organiseert en hoe je ontwerpkracht in kan zetten binnen ruimtelijke opgaven. Ook geeft de nota inzicht hoe de kwaliteitsadvisering binnen de gemeente is georganiseerd en hoe we werken met de omgevingscommissie en kwaliteitsteams. D. Uitvoering en doorwerking Na vaststelling van de nota door de Raad wordt de nota omgevingskwaliteit omgezet naar een programma onder de omgevingswet. Hiermee wordt het kwaliteitsbeleid onderdeel van het stelsel onder de omgevingswet en wordt omgevingskwaliteit geborgd van omgevingsvisie tot omgevingsvergunning. Daarnaast wordt het huidige uitvoeringsplan omgevingskwaliteit geëvalueerd en geactualiseerd. 1.Inleiding 1.1.Waarom een nota omgevingskwaliteit Het streven naar een goede omgevingskwaliteit is naast gezondheid en veiligheid één van de maatschappelijke doelstellingen van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De gemeente Tilburg werkt al sinds 2012 met een brede omgevingscommissie, die aan de hand van de Welstandsnota 2017 (actualisatie 2020) het college integraal adviseert op omgevingkwaliteit. Dit kwaliteitsbeleid is met deze nota omgevingskwaliteit geactualiseerd en in lijn gebracht met de Omgevingswet. Actualisering is nodig omdat ons grondgebied uitgebreid is en onze ruimtelijke opgave in rap tempo verandert, zowel in aantal als in complexiteit. De sterke groei van de stad met ruim 25.000 woningen met bijbehorende voorzieningen en werkgelegenheid, de mobiliteitsopgave en de energietransitie gaat grotendeels plaats vinden binnen de bestaande stad en de dorpen. Dit vraagt om slimme en kwalitatief hoogwaardige (ontwerp)oplossingen, waarmee optimaal ruimtegebruik en versterking van de leefomgeving bereikt wordt. Met deze nota omgevingskwaliteit brengen we samenhang en organisatie in ons kwaliteitsbeleid. De nota kan op verschillende manieren gebruikt worden: als bron van informatie en inspiratie voor initiatiefnemers, belanghebbenden en de gemeente; voor de begeleiding van een initiatief waarbij de gemeente de nota als uitgangspunt neemt en initiatiefnemers stimuleert om de kwaliteitsambities na te streven; als beoordelingskader bij vergunningplichtige activiteiten en voor handhaving bij bestaande situaties (excessen). ‘Van achteraf toetsen naar vooraf sturen op kwaliteitsambitie’ De nota omgevingskwaliteit regelt niet alleen de toetsing achteraf bij de vergunningverlening, maar biedt al veel eerder in het ontwerpproces goede uitgangspunten en kaders voor initiatiefnemers, opdrachtgevers en ontwerpers. Door op tijd in het proces een inhoudelijk goed gesprek te voeren over omgevingskwaliteit kan deze brede ambitie in ontwikkelingen en initiatieven vroegtijdig meegenomen worden. Dit komt de snelheid van ontwikkeltrajecten ten goede. Kwaliteitsteams vervullen hierin naast de ambtelijke organisatie een sleutelrol, zoals bewezen in de ontwikkeling van de Piushaven en de Spoorzone. 1.2.Wat is omgevingskwaliteit Zorg voor een goede omgevingskwaliteit betekent aandacht voor het samengaan van aspecten met betrekking tot ruimtelijk erfgoed, de kwaliteit van natuur en landschap, de stedenbouwkundige kwaliteit, de architectonische kwaliteit van bouwwerken en de inrichting van de openbare ruimte. Daarbij wordt ook gestreefd naar samenhang in kwaliteit op verschillende ruimtelijke schaalniveaus: stad, structuur, gebieden, typologie, openbare ruimte en gebouwen. Deze nota is een beleidsinstrument uit het vastgestelde Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit. Met het Uitvoeringsplan wordt kwaliteit vooropgezet in de uitvoering en daarnaast wordt een voorbeeldige ontwerp- en bouwcultuur stimuleert. Deze ambitie wordt in deze nota verder uitgewerkt. Daarbij is er rekening mee gehouden dat een goede omgevingskwaliteit geen objectief gegeven is. Omgevingskwaliteit gaat over de waardering die mensen hebben voor bepaalde kenmerken van hun leefomgeving. Die waardering wordt altijd vanuit vakmanschap en expertise besproken en afgewogen. Samen maken we de stad en de dorpen tot een aantrekkelijke leefomgeving die meerwaarde creëert en waar we trots op zijn. ‘Samen werken aan een genereus Tilburg’ De gemeente Tilburg is ervan overtuigd dat een goede omgevingskwaliteit voortkomt uit een genereuze grondhouding. Maar wat betekent genereus in dit verband? Bij het genereus werken aan de stad, de dorpen en het buitengebied gaat het om het toevoegen van waarden. Die kunnen zowel ruimtelijk als maatschappelijk van aard zijn. Maar het belangrijkste is de erkenning dat een plek pas genereus is wanneer er rekening wordt gehouden met verschillende en wederzijdse belangen, dromen en verlangens van mensen. De stad, samen met de dorpen, moet hier een vervlechting van zijn. Dat maakt een plek gelaagd, gevarieerd én interessant. (uit publicatie “Kwaliteit Voorop! Samen werken aan een genereus Tilburg", 2025) Omgevingskwaliteit wordt bepaald door de waardering voor: kenmerken die samenhangen met de herkomstwaarde, die de geschiedenis van een gebied herkenbaar houden. Het kan gaan om plekken met historische betekenis, zoals monumenten, maar het kan ook een persoonlijk verhaal zijn bij een bepaalde plek; kenmerken die samenhangen met de belevingswaarde, zoals het groen, het uiterlijk van de bebouwing, de geborgenheid, de afwisseling of juist de rust; kenmerken die samenhangen met het gebruikswaarde van een gebied, zoals de verschillende functies, de bereikbaarheid en de toegankelijkheid; kenmerken die samenhangen met de mogelijkheden voor de toekomstwaarde, zoals kansen voor groei, duurzaamheid, robuustheid en waardevastheid. In Tilburg hebben we deze waarden uitgewerkt onder het motto 'Samen werken aan een genereus Tilburg’ en drie fundamenten (zie hoofdstuk 2). 1.3.Naar een programma omgevingskwaliteit De omgevingsvisie van Tilburg stelt ambities, doelen en kaders voor de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen vast. De nadere uitwerking van de omgevingsvisie kan onder de Omgevingswet met gebieds-, thema- of opgavegerichte omgevingsprogramma’s plaatsvinden. De nota omgevingskwaliteit wordt zo opgebouwd dat deze na vaststelling in de raad uitgewerkt wordt als een themagericht omgevingsprogramma. Het hoofddoel van dit programma is het behouden en bevorderen van een goede omgevingskwaliteit ten behoeve van de identiteit van een plek of gebied. Het programma is uitvoeringsgericht en bij uitstek geschikt om een brug te slaan tussen de omgevingsvisie (ambities in hoofdlijnen) en het omgevingsplan (concrete regelgeving). De nota omgevingskwaliteit zal periodiek aangevuld worden en minstens elke 5 jaar vindt er een evaluatie plaats. De doorwerking in het omgevingsprogramma is verder uitgewerkt in deel D van deze nota. ‘Omgevingsvisie Tilburg 2050’ Met de Omgevingsvisie worden de ambities en doelen voor de fysieke leefomgeving vastgelegd. De visie is richtinggevend met ruimtelijke keuzes op strategisch niveau waar de gemeente samen met partners mee aan de slag gaat. Het is daarom belangrijk ook de ambitie voor een goede omgevingskwaliteit in de omgevingsvisie te borgen. Daarbij is het benoemen van de Tilburgse kwaliteitsambitie aan de hand van fundamentele uitgangspunten nuttig. Deze geven richting aan de ambities en doelen die je als gemeente hebt ten aanzien van omgevingskwaliteit en bieden een kader voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving voor de komende decennia. 1.4.Wie gaat over omgevingskwaliteit Een goede omgevingskwaliteit bereiken we in samenwerking met onze inwoners, initiatiefnemers en partners. Bij het werken aan de ruimtelijke opgaven vormt de nota een concreet en inhoudelijk kader om het gesprek te kunnen voeren over kwaliteit op verschillende schaalniveaus, zowel binnen de gemeentelijke organisatie als daarbuiten. De nota creëert concrete afwegingsruimte om tot een goede omgevingskwaliteit te komen, rekening houdend met andere ambities die ook in de ruimtelijke opgaven landen. Als gemeente nemen we de verantwoordelijkheid om sturing te geven aan het publieke belang van omgevingskwaliteit. Dat betekent dat we zorgdragen voor een goed proces waarbij omgevingskwaliteit een evenredige rol krijgt bij de planvorming. Wij voeren daarbij de regie, die zwaarder zal zijn naarmate de ingreep en de specifieke kwaliteiten van het gebied daarom vragen. In deze nota is uitgewerkt welke rol wij als gemeente hebben, welke mate van kwaliteitssturing wordt gevoerd en welke processen daarbij horen. 1.5.Opbouw van de nota De nota omgevingskwaliteit is opgedeeld in vier onderdelen: Deel A. Omgevingskwaliteit in Tilburg Dit eerste deel vertaalt de ambitie ten aanzien van omgevingskwaliteit in fundamenten en bevat een analyse van het ruimtelijk weefsel met waarderingen en uitgangspunten. Deze vormen het vertrekpunt voor het maken van gebiedsgerichte kwaliteitskaders en geven daarmee richting bij gebiedsontwikkelingen en initiatieven, inspireren en informeren. Ook de manier van kwaliteitssturing hangt hiermee samen. Hiermee leggen we vanuit een genereuze grondhouding een stevige basis voor het uitwerken van de beoordelingskaders in deel B. Deel B. Beleidsregels In deel B zijn de beoordelingskaders aan de hand waarvan plannen en vergunningsaanvragen beoordeeld worden uitgewerkt. Dit gebeurt aan de hand van 13 basisregels en criteria voor ruimtelijk erfgoed, bouwwerken, de inrichting van de openbare ruimte en thematische criteria. De beleidsregels geven duidelijke kaders en concrete uitwerkingen aan de hand waarvan vergunningaanvragen beoordeeld worden. Deel C. Samenhangend kwaliteitsstelsel Dit deel beschrijft de kwaliteitsprocessen en –producten die nodig zijn om tot een integrale afweging van kwaliteitsambities te komen en geeft inzicht hoe dit binnen de gemeente is georganiseerd. Dit vormt tezamen een samenhangend kwaliteitsstelsel dat het streven naar omgevingskwaliteit stimuleert maar ook borgt. Deel D. Uitvoering, fasering en participatie In het laatste deel is de beleidsmatige en juridische context van de nota omgevingskwaliteit onder de Omgevingswet opgenomen. De uitwerking van de nota als thematisch omgevingsprogramma en de relatie van dit programma met de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning wordt hier nader omschreven. A. Tilburgse omgevingskwaliteit Deel A vertaalt de ambitie van de gemeente Tilburg ten aanzien van omgevingskwaliteit in fundamenten en bevat een overzicht van het ruimtelijk weefsel met waarderingen, kwaliteiten en uitgangspunten. Deze vormen het vertrekpunt voor het maken van gebiedsgerichte kwaliteitskaders en geven daarmee richting bij gebiedsontwikkelingen en initiatieven, inspireren en informeren. Ook de manier van kwaliteitssturing hangt hiermee samen. In dit deel leggen we vanuit een genereuze grondhouding een stevige basis voor het uitwerken van de beoordelingskaders in deel B. 2.Kwaliteit voorop! 2.1.Omgevingskwaliteit in Tilburg Tilburg heeft een grote kwantitatieve opgave in de groei van de stad met ruim 25.000 woningen tot 2040 met bijbehorende voorzieningen en werkgelegenheid (Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen 2021). Deze opgaven landen grotendeels in de bestaande stadswijken en de dorpen. Daarbij stelt Tilburg zichzelf de ambitie en behoefte om kwaliteit voorop te zetten, zowel de kwaliteit van gebouwen als van de openbare ruimte. De groeiopgave biedt Tilburg veel kansen om kwalitatief hoogwaardige dorpse en stedelijke omgevingen te maken, die op enkele plekken zelfs hoogstedelijke vormen gaat krijgen; woon- en werkmilieus die we in Tilburg op dit moment nog niet kennen. Dat biedt ruimte voor vernieuwing en experiment. Daarnaast is het door de verdichting van onze bestaande woongebieden noodzakelijk om de opgaven integraal te benaderen en de kwaliteiten van het landschap als groene contramal te versterken en nog beter te verbinden met de stad en de dorpen. Tilburg kent in haar stedelijke ontwikkeling al lang een sterke bouw- en ontwerpcultuur, waarin identiteit, kwaliteit en vernieuwing altijd een rol hebben gespeeld. Met de snelle groei van de stad tijdens de industrialisatie van de textielindustrie eind 19e/begin 20e eeuw vormde het structuurplan van Rückert
(1917)de eerste grootschalige ruimtelijke sturing op de ontwikkeling van de stad met de aanzet voor de ontwikkeling van de ringbanen rond de oude stad. Na de tweede wereldoorlog ontstonden de eerste grootschalige uitbreidingswijken in Noord, West en Zuid en leidde het wegvallen van de industrie in de jaren 70 en 80 tot grote leegstand in het centrum en aan de linten. Het Structuurplan Oude Stad zette in op grootschalig stadsherstel dat ruimte maakte voor nieuwe stedelijke structuren. Er ontstond ruimte voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in de directe nabijheid van het stadscentrum, wat kansen bood voor nieuwe voorzieningen, zoals de schouwburg, poppodium 013 en het Interpolis gebouw. Daarnaast zette Tilburg in op het realiseren van hoogwaardige architectonische accenten in de stad, landelijk aangeduid als ‘archipunctuur'. Met de ontwikkeling van onder andere de Piushaven en de Spoorzone is er het laatste decennium al veel ervaring opgedaan met het binnenstedelijk ontwikkelen van hoogwaardige en duurzame woon-werk omgevingen, die een nieuwe vorm van stedelijkheid en een nieuwe laag aan de identiteit van de bestaande stad toevoegen. Tilburg is een eigenzinnige stad, waar met lef, creativiteit en experiment aan de toekomst wordt gewerkt. Om de ambities voor omgevingskwaliteit in Tilburg bij toekomstige ontwikkelingen goed te kunnen duiden zijn in de volgende paragraaf drie fundamenten voor een goede omgevingskwaliteit uitgewerkt. 2.2.Drie fundamenten voor goede omgevingskwaliteit Goede omgevingskwaliteit vraagt al vanaf het begin van het planproces een genereuze grondhouding waarbij elke ontwikkeling waarden toevoegt aan de stad, de dorpen of het buitengebied. Hierbij wordt gewerkt vanuit drie fundamenten: Voortbouwen op de identiteit van Tilburg – respect voor de gelaagde geschiedenis en herkenbare plekken, gecombineerd met ruimte voor vernieuwing. Plekken voor en van iedereen creëren – hoogwaardige, inclusieve en veilige openbare ruimte waarin ontmoeting, beleving en natuur samenkomen. De toekomst begint nu – keuzes van vandaag dragen bij aan duurzaamheid, flexibiliteit en toekomstbestendigheid. Met deze drie fundamenten sturen we op herkomst-, belevings-, gebruiks- en toekomstwaarden. Afhankelijk van de plek, opgave en betrokkenen kunnen deze waarden verschillend worden ingevuld. De verschillende waarden in relatie tot de drie fundamenten zijn in een schema op pagina 15 uitgewerkt naar Tilburgse waarden. In deel B van de nota zijn de drie fundamenten uitgewerkt in 13 regels voor een goede omgevingskwaliteit. Deze regels vormen de basis voor de beoordelingscriteria en geven initiatiefnemers samen met de gebiedsgerichte kwaliteitscriteria aan de voorkant van een ontwikkeling een goed beeld van de kwaliteitsambitie van de gemeente. Ze vormen een handreiking aan de hand waarvan het gesprek over kwaliteit tot stand kan komen. Zo ontstaat er een gelijk speelveld om samen over de gewenste kwaliteit verder te kunnen nadenken, praten en ontwerpen. Voortbouwen op de identiteit van Tilburg De identiteit van Tilburg is veelzijdig en gelaagd. Elke plek, wijk of gebied kent zijn eigen ontwikkeling en draagt daarmee bij aan deze rijke diversiteit. Dit resulteert in een schat aan betekenissen, gevormd door verhalen, mensen, gebruik, architectuur, stedenbouw, landschap en geschiedenis. Veranderingen zijn passend wanneer ze bijdragen aan deze gelaagde identiteit, waardoor een rijkgeschakeerd palet ontstaat dat voortdurend wordt aangevuld. Deze verschillende 'kleuren' maken plekken herkenbaar en vertrouwd, creëren verbondenheid en bieden aanknopingspunten voor een aantrekkelijk toekomstig woon- en vestigingsklimaat. Het respecteren en creatief voortbouwen op deze gelaagdheid is een belangrijke pijler van een genereus Tilburg. Het respect voor het bestaande en het verleden getuigt bovendien van goed rentmeesterschap; de aanwezige waarden worden behouden voor toekomstige generaties. In Tilburg hebben we hierin een lange traditie, waarbij op belangrijke plekken in de stad ook ruimte is voor eigenzinnige, hoogwaardige architectonische ingrepen. Deze ingrepen vormen speldenprikken in het stedelijke weefsel en hebben ongeacht hun soms kleine omvang toch een grote impact op hun omgeving. Landelijk wordt dit aangeduid als ‘archipunctuur’. Voorafgaand aan veranderingen of toevoegingen is het essentieel om kennis over de omgeving te verzamelen. Dit omvat zowel zichtbare waarden, zoals architectonische, stedenbouwkundige en landschappelijke kenmerken, als onzichtbare waarden, zoals verhalen, gewoontes en de beleving van mensen. Woonwijk Jeruzalem De jaren 50 Airey woningen in de wijk Jeruzalem zijn bij de herstructurering en uitbreiding van de wijk behouden en in de nieuwe wijkopzet geïntegreerd. De woningen houden als identiteitsdragers de geschiedenis van de ontwikkeling van de wijk door de tijd heen zichtbaar en beleefbaar. Plekken voor en van iedereen creëren Het weefsel van wijken, linten, straten, pleinen en groenstructuren vormt de basis voor een publieke en collectieve beleving. Dit weefsel creëert ruimte voor verbondenheid en interactie tussen mensen, planten en dieren, en biedt ook veilige plekken voor beschutting en individuele rust. Door publieke ruimten te waarderen en zorgvuldig te ontwikkelen, kunnen bestaande betekenissen behouden blijven en nieuwe functies worden toegevoegd. Een doordachte inrichting bevordert inclusiviteit, sociale veiligheid en cohesie. Het wordt zo een weefsel dat verbindt, maar ook voedt, prikkelt en nieuwsgierigheid oproept. Het uitgangspunt is een comfortabele, hoogwaardige en uitnodigende openbare ruimte die ruimte biedt aan een actieve, gezonde en natuurlijke leefomgeving. De menselijke maat is hierbij richtinggevend door in te spelen op wat je vanaf de straat ervaart en door de omvang, aard en vormgeving van gebouwen af te stemmen op het gebruik van de omliggende ruimte. Ook een zorgvuldig vormgegeven overgang tussen het gebouw en publieke ruimte speelt hierbij een belangrijke rol. Spoorpark Het Spoorpark dat op initiatief van bewoners en ondernemers tot ontwikkeling is gekomen is een bijzonder stadspark in het hart van de stad. Het park biedt ruimte aan activiteiten en sportvoorzieningen, een stadscamping en horeca. Het park is daarmee een verbindend element in het weefsel van de stad. De toekomst begint nu Beslissingen en veranderingen vandaag hebben een directe invloed op de toekomst. Daarom is zorgvuldigheid en een vooruitziende blik bij veranderingen in de omgeving essentieel. Dit geldt niet alleen voor functionele aspecten, maar ook voor duurzaamheid op alle schaalniveaus. Toekomstbestendig bouwen gaat over duurzaam, circulair, energieneutraal en biobased bouwen, maar vraagt ook aandacht voor flexibiliteit en waardevastheid. Soms vragen ingesleten gewoontes en eenduidige ontwerpprincipes om verandering vanwege de complexiteit van meervoudige opgaven en belangen. Waar een park vroeger een groene ruimte voor ontspanning en spelen was, biedt het nu ook verkoeling voor inwoners en ruimte voor biodiversiteit. Het combineren van functies draagt bij aan een toekomstbestendige leefomgeving en verhoogt de leefkwaliteit op de lange termijn. Innovatieve oplossingen maken bestaande plekken interessant en veelzijdiger. Daken worden groen, gebouwen worden publieke ruimtes, en pleinen krijgen meervoudige functies, zoals ontmoetingsplekken en regenwateropvang. Hierdoor worden de stad, dorpen en het buitengebied veelzijdiger, intelligenter en meer gelaagd. Bovenal worden ze verrassender, aantrekkelijker en duurzamer. Koningsoord Het voormalige kloostercomplex is bij de herontwikkeling van het gebied als drager ingezet voor het nieuwe dorpshart van Berkel-Enschot. Door het combineren van functies als wonen en verblijven, goede voorzieningen en natuur is er een toekomstbestendig dorpshart ontstaan. Voortbouwen op de identiteit Een plek voor en van iedereen creëren De toekomst begint nu Herkomstwaarde Gelaagde identiteit met een rijke diversiteit aan erfgoed Tilburgse geschiedenis als onderdeel van een uniek woon- en vestigingsklimaat Vertrouwde en herkenbare omgevingen Plekken met herinneringen en verhalen Ruimtelijk erfgoed als inspiratie Historische groen- en waterstructuren als basis voor biodiversiteit en klimaatadaptatie Duurzaamheid door behoud van erfgoed. Belevingswaarde Eigenheid en herkenbaarheid van plekken in Tilburg Aantrekkelijke, hoogwaardige uitstraling Inzet van kunst en cultuur Veilig en prettig gevoel; menselijke maat en ooghoogte Uitnodigende plint: gebouw-publieke ruimte zorgvuldig vormgeven Gevarieerde groene landschappen voor beleving Ruimtelijke samenhang op alle schaalniveaus Gebruikswaarde Continuïteit in gebruik; hergebruik en herbestemming van bestaand erfgoed Comfortabele, hoogwaardige en uitnodigende openbare ruimte Ruimte voor ontmoeting en spontane interactie Meervoudig ruimtegebruik: combineren van meerdere functies op een plek Gezonde, actieve leefomgevingen Interactie tussen mens en natuur Toekomstwaarde Met respect en creativiteit voortbouwen op het bestaande Gezamenlijke verantwoordelijkheid en eigenaarschap Levendige gemeenschappen Circulair, natuurinclusief, energiezuinig en –bewust ontwerpen en bouwen Klimaat- en toekomstbestendig De verschillende waarden in relatie tot de drie fundamenten zijn in dit schema uitgewerkt. Deze zijn niet allesomvattend, maar geven wel aspecten die houvast bieden bij gesprekken over kwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen en ingrepen in de openbare ruimte of bij gebouwen. 3.Ruimtelijk weefsel van Tilburg 3.1.Ruimtelijk weefsel van Tilburg Elk gebied heeft zijn eigen geschiedenis, gebruikers, functies, uitstraling en ontwikkeling en daarmee ook een eigen omgevingskwaliteit. Daarom werken we met een gebiedsgerichte aanpak, afgestemd op de kwaliteiten en opgaven in het gebied. Het doel is om hiermee een goede omgevingskwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen en te stimuleren. Waarbij het vooral gaat om een samenhangend ruimtelijk weefsel van Tilburg. Als basis om te komen tot gebiedsgericht kwaliteitsbeleid en kwaliteitskaders wordt het ruimtelijk weefsel als vertrekpunt genomen. Dit is opgebouwd uit structuren, gebieden en plekken welke samen de identiteit van de gemeente Tilburg vormen. Aan de hand van een aantal thema's is het ruimtelijk weefsel in beeld gebracht om zo inzicht te geven in het rijke palet van kwaliteiten dat de gemeente Tilburg typeert. Deze thema's zijn: Geomorfologie Ruimtelijk erfgoed Stadsontwikkeling Werklandschappen Groen/blauwe leefomgeving Karakter van de hoofdinfrastructuur Betekenis en beleving Per thema volgt in deze paragraaf een compacte uitwerking met een omschrijving van de waarden en kwaliteiten, de opgaven en de ambitie ten aanzien van omgevingskwaliteit. Bijlage 1 bevat een verdiepende analyse van het ruimtelijk weefsel. Sommige onderdelen uit het ruimtelijk weefsel zijn op het thema omgevingskwaliteit al verder uitgewerkt in thematisch beleid of in gebiedsgerichte visies. Andere thema's zijn nog minder ver of vragen om actualisering van bestaand beleid. De analyse van het ruimtelijk weefsel vormt een vertrekpunt voor het maken van gebiedsgerichte kwaliteitskaders, en vormt daarnaast een breed beoordelingskader voor nieuwe initiatieven en ontwikkelingen. 3.1.1.Geomorfologie De geomorfologische ondergrond is letterlijk de basis voor de ruimtelijke ontwikkeling van Tilburg, Berkel-Enschot, Udenhout en Biezemortel. Beekdalen vormden natuurlijke watersystemen en op dekzandgronden ontstond de eerste bebouwing. Op sommige plekken is de bodemsamenstelling nog goed zichtbaar, bijvoorbeeld waar oude beekdalen meanderen in het (stedelijk) landschap. De ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen te sturen op basis van het principe ‘bodem- en watersturend’, waarbij kennis over de ondergrond wordt ingezet voor oplossingen rond klimaatadaptatie (zoals wateroverlast), energietransitie (zoals geothermie) en voor keuzes in woningbouwlocaties en gebiedsinrichting. Dit geldt voor ontwikkelingen buiten en binnen de stad en de dorpen. Dit verhoogt de herkomst-, belevings-, gebruiks- en toekomstwaarde van de openbare ruimte. Naast bodem- en watersturende ontwerpprincipes kan archeologisch onderzoek inspiratie bieden voor locatie-specifieke ontwerpoplossingen die het verhaal en de ontstaansgeschiedenis van een plek zichtbaar en beleefbaar maken. Onze bodem draagt zo letterlijk en figuurlijk de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg en versterkt de lokale identiteit en het verhaal van Tilburg. Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema. Geomorfologie l Stad en dorpen tussen beekdalen op hoge koppen 3.1.2.Ruimtelijk erfgoed Ruimtelijk erfgoed vormt een wezenlijk onderdeel van de identiteit van Tilburg en de omliggende dorpen. Het gaat om monumenten, cultuurlandschappen, historische structuren en waardevolle bebouwing die het ruimtelijk weefsel van stad en dorpen blijvend kenmerken. De kracht van dit erfgoed ligt niet alleen in de formeel beschermde objecten en gebieden, maar ook in de grote diversiteit aan onbeschermde kwaliteiten die bijdragen aan herkenbaarheid, continuïteit en lokale identiteit. De ambitie is om ruimtelijk erfgoed niet uitsluitend te conserveren, maar als identiteitsdrager actief in te zetten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dat doen we door erfgoed onderdeel uit te laten maken van het dagelijks leven en mee te laten bewegen met nieuwe functies. Dat vraagt om een zorgvuldige afweging bij transformaties en gebiedsontwikkelingen, waarbij erfgoedkwaliteiten richtinggevend zijn. Hiervoor maken we gebiedsbiografieën en transformatiekaders, waarbij erfgoed ingezet wordt als basis en inspiratiebron bij nieuwe ontwikkelingen. Kwaliteitssturing richt zich bij ruimtelijk erfgoed op behoud, beheer én doorontwikkeling van het erfgoed, waarbij recht wordt gedaan aan herkomstwaarde, maar ook aan belevings-, gebruiks- en toekomstwaarde. Zo blijft erfgoed niet alleen zichtbaar, maar draagt het actief bij aan een genereus, betekenisvol en toekomstbestendig Tilburg. Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema. Basiskaart (steden)bouwkundig erfgoed, 2024 3.1.3.Stadsontwikkeling Aan de hand van de ontwikkeling van de stad en de dorpen is er een onderverdeling gemaakt in gebieden die op de schaal van de stad onderscheidend zijn in hun stedenbouwkundige ontwikkeling en typologie. Deze gebieden worden hieronder beknopt benoemd aan de hand van de opgaven en kwaliteitsambities die de gebieden typeren. De bijlage bevat meer informatie over de ontwikkeling van de stad en de opgaven en ambities per deelgebied. Stadsontwikkeling l Stedenbouwkundige typologieën Hoogstedelijke gebieden In de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen 2021 is de opgave voor het bouwen van ruim 25.000 woningen opgenomen. Grotendeels in de bestaande stad en dorpen. Uit deze woningbouwopgave volgt ook de toenemende vraag naar bijbehorende maatschappelijke voorzieningen, werklocaties, infrastructuur en groenvoorzieningen. In de Omgevingsvisie 2050 worden specifieke gebieden onderscheiden die een hoogstedelijk karakter krijgen en een regionale (bovenlokale) opgave kennen. Deze gebieden zijn in de kaart stadsontwikkeling zichtbaar gemaakt als de ‘hoogstedelijke gebieden’. Hier landen een aantal grote verdichtingsopgaven, zoals de Spoorzone, Piushaven, Stappegoor en het Kenniskwartier, die zorgen voor een nieuw type stedelijkheid welke we in Tilburg nog niet kennen. We hebben hierbij de ambitie om een hoogwaardige stedelijke kwaliteit toe te voegen aan de bestaande stad. Deze kwaliteit onderscheid zich door in te zetten op het verweven van functies, de inzet van meervoudig ruimtegebruik en activering van plinten, interactie en levendigheid in de openbare ruimte, de inzet van gedeelde voorzieningen, een hoge bebouwingsdichtheid en een goede ontsluiting via het openbaar vervoer. Bij de ruimtelijke verdichtingsopgaven die landen buiten deze hoogstedelijke gebieden hebben we de ambitie om aan het bestaande weefsel verschillende lagen van nieuwe kwaliteiten en passende voorzieningen toe te voegen en zo het bestaande weefsel te versterken. Dit geldt zowel voor de stad als voor de dorpen. Deze nieuwe lagen mogen herkenbaar en afleesbaar zijn. Dit vraagt om zorgvuldigheid en goed ontwerpend onderzoek om per locatie tot de juiste passende oplossing te komen. De identiteit van de bestaande omgeving is hierbij het vertrekpunt. Nieuwe waarden en kwaliteiten worden toegevoegd en maken de leefomgeving toekomstbestendig. Daarnaast zijn er nog een aantal bijzondere stedenbouwkundige typologieën met regionale functies in de kaart opgenomen. Dit zijn de twee grote ziekenhuislocaties, de universiteit, de hogescholen, sportlocaties en bijzondere zorglocaties zoals Huize Assisië, Vincentius en Amarant. Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema. Vooroorlogse stad Binnen de ringbanen ligt het grootste gedeelte van de Oude Stad, die grotendeels vooroorlogs is en is gegroeid vanuit het historische netwerk van linten, pleinen en herdgangen. Bij ontwikkelingen in de Oude Stad is het belangrijk om de groei van de stad en de historische structuur herkenbaar te houden en waar mogelijk te versterken. Daarnaast is het voor een leefbare binnenstad van groot belang dat de samenhang tussen de verschillende grote ontwikkelingen in het centrum, zoals de Piushaven, Koningswei en het Louis Bouwmeesterplein goed met elkaar en de bestaande omgeving verweven worden, zowel ruimtelijk als qua programma. Een groot deel van deze opgave landt in de openbare ruimte. Daarbij heeft de gemeente de ambitie om voetgangers en fietsers meer ruimte te geven en ligt er een grote opgave op het vlak van hittestress en vergroening. Naoorlogse stad Na de aanleg van de ringbanen is de Oude Stad met typische naoorlogse stempelstructuren richting de contouren van de ringbanen gegroeid en zijn er in de jaren 50-60-70 grote uitbreidingswijken gerealiseerd; Tilburg Noord, Tilburg West en Groenewoud. In algemene zin hebben deze wijken een sterke hoofdstructuur met veel kwaliteit in de openbare ruimte met ruime groenvoorzieningen. Bij ruimtelijke verdichtingsopgaven is het belangrijk om deze groene kwaliteit goed te (re)activeren en programmeren. Daarnaast biedt verdichting, woningsplitsing en optoppen van bestaande bebouwing in deze wijken kansen voor een diverser woningaanbod, het behouden en verbeteren van maatschappelijke voorzieningen en bevorderen van de sociale cohesie. Dit kan door verschillende vormen van ontmoeting te stimuleren en faciliteren. Woonerf/-hof In de jaren 70 en 80 zijn er nieuwe stedenbouwkundige typologieën in de stad geïntroduceerd, namelijk de woonerven Zorgvlied West en een gedeelte van de huidige wijk Groenewoud. Deze wijken kennen een eigen maat en schaal binnen de context van de stad. De ambitie is om de samenhang en kwaliteit van de erven en hoven te behouden en te versterken. Waar mogelijk is verdichting, woningsplitsing en optoppen van bestaande bebouwing wenselijk. Bloemkoolwijk Woonwijk de Blaak is in de jaren ‘80 als een bijzondere vorm van het woonerf, namelijk binnen een zogenaamde ‘bloemkool’ structuur, ontworpen en ontwikkeld. De wijk heeft een sterke relatie met het buitengebied en in de wijk zijn veel water- en groenpartijen opgenomen. De ambitie is om de samenhang binnen de wijk, de relatie met natuurgebied De Blaak en de kwaliteit van het groene karakter in de wijk te behouden en te versterken. Waar mogelijk is verdichting, woningsplitsing en optoppen van bestaande bebouwing wenselijk. Dorpen De drie dorpen Berkel-Enschot, Udenhout en Biezenmortel zijn organisch gegroeid en tot de jaren '90 steeds met kleinschalige bebouwing uitgebreid. De dorpen hebben elk hun eigen unieke karakter. De dorpse bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit een fijne korrel van tweekappers, vrijstaande huizen en soms korte rijwoningen. Sinds de jaren ‘90 zijn er enkele grotere uitbreidingen aan de dorpen toegevoegd. Bij het vaststellen van het Koersdocument Oostflank
(2024)is de bouwopgave vanuit de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen voor de dorpen vastgelegd. Belangrijke thema's hierbij zijn toekomstbestendig en betaalbare huisvesting voor starters en het stimuleren van doorstroming op de woningmarkt door meer diversiteit in het woningaanbod aan te brengen. Het toevoegen van woningen gebeurt enerzijds door dorps te verdichten en anderzijds door nieuwe dorpsranden te ontwikkelen die kansen bieden voor nieuwe vormen van wonen (nieuwe dorpse woontypologieën) en die daarnaast de aanhechting van de dorpen op het omliggende landschap versterken. Met het toevoegen van woningen in de dorpen is er meer draagvlak voor voorzieningen en wordt de leefbaarheid vergroot. VINEX (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra) In de afgelopen decennia is de woonwijk Reeshof ontwikkeld, een van de eerste bodem- en watergestuurde gebiedsontwikkelingen in Nederland. De wijk is door de jaren heen steeds verder gegroeid en wordt gekenmerkt doordat de wijk volledig zelfvoorzienend is en daarmee als een zelfstandig stadsdeel functioneert. Binnen de wijk liggen verschillende buurten, die als een eenheid ontworpen zijn. Het behouden en versterken van (de bereikbaarheid van) goede voorzieningen is daarom belangrijk. Binnen de Reeshof verandert door de tijd heen de bevolkingssamenstelling. Mede daardoor veranderen de behoeftes aan maatschappelijke voorzieningen en ontstaan er vraagstukken omtrent de mogelijkheden tot het aanbrengen van een grotere diversiteit aan woonvormen door bijvoorbeeld verdichting, woningsplitsing en het optoppen van bestaande bebouwing. Hedendaags Aan de zuidkant van Tilburg en tegen de dorpen zijn vanaf de jaren ‘90 nieuwe woongebieden ontwikkeld. Dit zijn deels transformaties van bestaande complexen, zoals het Cenakel, deels doorontwikkelingen, zoals het nieuwe dorpshart in Berkel-Enschot, deels nieuwe uitbreidingen, zoals bij de Mortel in Udenhout. Deze hedendaagse uitbreidingslocaties zijn veelal projectmatig tot stand gekomen en hebben een samenhangende stedenbouwkundige structuur en een eigen architectonische uitstraling. Incidenteel komen er ook gebieden voor waar ruimte is gegeven voor individuele invulling van kavels met (half)vrijstaande woningbouw. Kleine nieuwe ontwikkelingen binnen deze gebieden sluiten aan op de kwaliteiten van de omgeving. Dit zijn vooral woningaanpassingen en –uitbreidingen. Bedrijventerreinen/ Werklocaties De bedrijventerreinen en werklocaties zijn apart uitgelicht en beschreven in de volgende subparagraaf Werklandschappen aan de hand van het programma Revitalisering Bedrijventerreinen. 3.1.4.Werklandschappen In Tilburg is er een grote diversiteit aan verschillende soorten werklandschappen. Er zijn gemengde en meer grootschalige bedrijventerreinen, maar ook diverse kleinschalige en binnenstedelijke werkgebieden. Ook de agrarische productielandschappen, ziekenhuislocaties, de Kennisas en het centrum zijn op het niveau van de gemeente belangrijke werklocaties. Samen vertellen ze het verhaal en de economische ontwikkeling van de werkstad Tilburg. Werklandschappen Vanuit het programma Revitalisering Bedrijventerreinen worden samen met het bedrijfsleven toekomstbeelden en kansrijke ontwikkellocaties geformuleerd. Deze komen voort uit gebiedsgerichte, ontwerpende onderzoeken en gebiedsagenda's. Een aantrekkelijke werkomgeving is een steeds belangrijker wordende vestigingsfactor voor bedrijven. De ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen heeft daarom in de afgelopen jaren steeds meer aandacht gekregen. Daarnaast is de beschikbare ontwikkelruimte schaars en hebben we de ambitie om de werklandschappen toekomstbestendig door te ontwikkelen. De dynamiek binnen deze werkgebieden vraagt om sturing op de ruimtelijke opgaven. Daarnaast hebben we de ambitie om in te zetten op een goede omgevingskwaliteit. Vanuit de programmatische revitaliseringsaanpak wordt gewerkt aan een gebiedsgericht kwaliteitskader voor bedrijventerreinen. Dit beschrijft de ambities en uitgangspunten voor een goede omgevingskwaliteit op bedrijventerreinen en bevat regulerende en stimulerende criteria waar de omgevingscommissie bij omgevingsvergunningen aan toetst. Deze criteria bieden ondernemers en hun adviseurs houvast. Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema. 3.1.5.Groen/blauw netwerk Tilburg ligt ingebed in een divers landschap met waardevolle natuursystemen zoals De Brand en de Leemkuilen, die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant en Natura
- In de stad en de dorpen is sprake van een fijnmazig groen/blauw netwerk. Rondom de stad liggen drie grote landschapsparken – Stadsbos 013, Landschapspark Pauwels en Moerenburg-Koningshoeven. Het gehele groen/blauwe netwerk draagt wezenlijk bij aan omgevingskwaliteit: het vormt een belangrijke basis voor een gezonde, klimaatbestendige en aantrekkelijke leefomgeving. De aanwezigheid van groen en water vergroot de belevingswaarde, biedt verkoeling, bevordert sport en ontmoeting, versterkt biodiversiteit en verbindt de stad ruimtelijk en ecologisch met haar omgeving. De ambitie is om bij ruimtelijke ontwikkelingen dit netwerk te behouden, te versterken en optimaal te benutten als contramal voor de verdichting van de bestaande woon-werk gebieden. Dit betekent werken aan robuuste verbindingen, zachte overgangen tussen stad/dorp en landschap en een sterke verweving van groen en water tot diep in de wijken. In het programma 013 Parken zijn deze verbindingen aangeduid als de waterlijn, de boslijn en de cultuurlijn. Ook de beekdalen vervullen een sleutelrol als ecologische en recreatieve dragers. Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema. Groen/blauw netwerk l totaalbeeld met identiteitsdragers Programma 013 parken Identiteitsdragers Programma 013 parken 3.1.6.Karakter hoofdinfrastructuur Naast het belang van een klimaatrobuuste, groene en biodiverse leefomgeving wordt de beleving en het gebruik van de openbare ruimte sterk bepaald door de manier waarop de (hoofd)infrastructuur wordt ingepast in zijn omgeving. De ringbanen, het spoor, het kanaal en de snelwegen vormen lange lijnen door bebouwd en onbebouwd gebied en zijn daarmee zeer beeldbepalende structuren in het ruimtelijk weefsel. Ze zorgen voor verbinding tussen de verschillende woon-, werk- en buitengebieden, maar werpen daarnaast ook fysieke barrières op. De wijkontsluitingswegen en historische linten verzorgen een fijnmazige verbinding tussen deze lange lijnen. Karakter Hoofdinfrastructuur l Lange belevingslijnen en duidelijke entrees De belevingswaarde van de verschillende elementen uit de hoofdinfrastructuur is heel divers en wordt gekenmerkt door uiteenlopende kwaliteiten; van landschappelijke oevers, tot versteende stadsstraten. De manier waarop onze (hoofd)infrastructuur wordt ingebed in het landschap en de dorpse en stedelijke omgevingen is sterk bepalend voor de identiteit van wijken en gebieden. Het is onze ambitie om bij onze mobiliteitsopgave de beleving- en gebruikswaarde te vergroten en in samenhang te ontwerpen. De hoofdinfrastructuur bevat belangrijke identiteitsdragers. We koesteren de bestaande kwaliteiten van de oude, lommerrijke lanen, de ecologische verbindingszones gekoppeld aan het spoor en het kanaal, de groene parkways en zorgen voor toegankelijke en uitnodigende verbindingen, knooppunten en entreemomenten naar de stad, de dorpen en de wijken. De verbindende continuïteit van deze structuren speelt een belangrijke rol, mede door de inrichting en herkenbaarheid. Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema. 3.1.7.Betekenis en beleving Naast fysieke kwaliteiten kent Tilburg een laag van immateriële waarden: ervaringen, verhalen en herinneringen die verbonden zijn met specifieke plekken. Ook deze laag geeft de stad, dorpen en plekken betekenis en identiteit. Het gaat om een collectieve waardering, niet altijd zichtbaar, maar sterk bepalend voor hoe bewoners en bezoekers de omgeving ervaren. Het gevoel van thuiskomen, veiligheid of maatschappelijke verbondenheid maakt deze plekken tot smaakmakers van de stad. Ontwerp van bijzondere gebouwen (‘archipunctuur’) en van bijzondere elementen in de openbare ruimte kan daarop aanhaken en de plek verbijzonderen. Bij het ontwikkelen van gebiedsbiografieën worden immateriële waarden ook in beeld gebracht en kunnen zo meegenomen worden bij gebieds- en planontwikkelingen. In relatie tot omgevingskwaliteit vormt deze laag een essentiële aanvulling op de fysieke structuren. Waar landschap, erfgoed en stedelijke ontwikkeling de ruimtelijke basis leggen, voegt betekenis en beleving de zachte waarden toe die boven projecten uitstijgen. Zij inspireren, agenderen nieuwe kansen en maken duidelijk welke plekken bijdragen aan identiteit, verbondenheid en leefkwaliteit. De ambitie is om deze waarden actief te verankeren in ruimtelijke ontwikkeling. Dat vraagt om participatie, waarbij bewoners en gebruikers hun verhalen en betekenissen toevoegen. Bijvoorbeeld met een interactieve kaart of bij het opstellen van gebiedsvisies. Zo ontstaat een breed gedragen beeld van collectieve waarden dat richting kan geven aan functies, planontwikkeling en ontwerp. Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema. ‘Een nieuwe torenspits’ In 1992 werd de torenspits van de Sacramentskerk wegens instortingsgevaar verwijderd onder protest van de omwonenden. In 2005 werd de kerk aan de eredienst onttrokken. In 2017 werden het schip en het koor van het kerkgebouw gesloopt. De toren en de façade werden behouden en in de toren werd een woning gemaakt. In datzelfde jaar richtte een groep omwonenden de stichting Spits Armhoefse Akkers op, vernoemd naar de wijk waar de kerk stond. Na decennia van inspanningen, beraadslagingen en vooral doorzettingsvermogen heeft de initiatiefgroep het voor elkaar gekregen dat er in 2025 een nieuwe spits, ontworpen door architect en wijkbewoner Jos ten Brink, op de toren is gehesen, die is voorzien van een zelfgenererend lichtkunstwerk door kunstenaar Sigrid Calon. De spits weerspiegelt overdag de lucht en toont in de avond een langzaam veranderend patroon van vormen en kleuren. Een van de initiatiefnemers: "Veel mensen zijn in deze kerk gedoopt, getrouwd, of hun ouders zijn er begraven. Kerken herinneren aan die collectieve geschiedenis. Hier maak je het oude verleden relevant voor de huidige tijd." Het kunstwerk markeert dat verleden en draagt bij aan de identiteit van de wijk: dit zijn wij! Van verre fungeert het als een baken en roept voor velen een ‘we-zijn-weer-thuis’ gevoel op. 3.2.Gebiedsgericht kwaliteitskader Het ruimtelijk weefsel op gemeentelijk niveau vormt een basis om te sturen op de gewenste kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. We streven hierbij naar aansluiting op en versterking van dit weefsel. Voor de afzonderlijke gebieden zijn de ruimtelijke opgaven vastgelegd in gebiedsperspectieven, -programma's, -visies of koersdocumenten. Om hierbij goed te kunnen sturen op de gewenste omgevingskwaliteit is verdieping van de kennis van het ruimtelijk weefsel nodig in de vorm van gebiedsgerichte kwaliteitskaders. In een gebiedsgericht kwaliteitskader worden de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied benoemd, waarbij de relatie wordt gelegd met de meer opgavegerichte gebiedsperspectieven/-programma’s. Het vormt een inspiratie- en toetsingsdocument en verbindt de schaal van de stad met die van de concrete projecten. Het bouwt voort op het gemeentelijk ruimtelijk weefsel en biedt ruimte om specifieke thema’s (zoals verdichting of toekomstbestendig bouwen) gebiedsgericht en concreet uit te werken. Het kwaliteitskader kan voortkomen uit een gebiedsbiografie die de identiteit van een gebied beschrijft. Op projectniveau is vaak een aanvullend beoordelingskader nodig, bijvoorbeeld in de vorm van een beeldkwaliteitsplan. Dit heeft een ontwikkelgericht karakter en bevat ambities en criteria voor gebouwen en de openbare ruimte. Het helpt gebiedsambities op projectniveau verder uit te werken zonder het ontwerp al vast te leggen. Een beeldkwaliteitsplan is vooral geschikt voor grotere of gefaseerde ontwikkelingen met meerdere partijen. De gemeenteraad stelt zowel gebiedsgerichte kwaliteitskaders als beeldkwaliteitsplannen vast als beleidsregel, als aanvulling op de Nota Omgevingskwaliteit. Zo ontstaat een consistent stelsel van instrumenten dat richting geeft aan de gewenste omgevingskwaliteit op verschillende schaalniveaus. Instrumenten per schaalniveau De Nota Omgevingskwaliteit werkt op drie niveaus: gemeente, gebied en project. Op elk niveau zijn instrumenten beschikbaar die samen één consistent stelsel vormen. Zo ontstaat een doorlopende lijn van visie tot uitvoering, waarmee sturing wordt gegeven op omgevingskwaliteit. Gemeente Gebied Project Nota omgevingskwaliteit: Omvat het gemeentelijk kwaliteitsbeleid op basis van de ambities in de omgevingsvisie. Geeft kaders voor alle schaalniveaus, maar niet altijd concrete uitwerking op gebieds- of projectniveau. Wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Gebiedsbiografie: Geeft inzicht in de ontwikkeling en context van een gebied en benoemt landschappelijke, stedenbouwkundige, architectonische en cultuurhistorische waarden. Dient als identiteits- en tijdsdrager met een analyse van bestaande kwaliteiten en tekortkomingen. Kan basis zijn of onderdeel uitmaken van een gebiedsgericht kwaliteitskader. Waar nodig leidt dit tot bescherming van waardevolle objecten, ensembles en structuren in het omgevingsplan. Gebiedsgericht kwaliteitskader: Verdiept het ruimtelijk weefsel naar gebiedsniveau en omvat beschrijvingen, richtlijnen en gebiedscriteria. Biedt ruimte voor thema’s als verdichting of toekomstbestendig bouwen. Het resultaat is een visie op de gebouwde en openbare ruimte, gekoppeld aan een beoordelingskader dat richting geeft aan ruimtelijke initiatieven. Wordt door de gemeenteraad vastgesteld als onderdeel van de Nota Omgevingskwaliteit. Beeldkwaliteitsplan: Aanvullend beoordelingskader op projectniveau, voortkomend uit ontwerpend onderzoek. Heeft een ontwikkelgericht karakter en helpt gebiedsambities op projectniveau verder uit te werken zonder het ontwerp al helemaal uit te denken. Bevat ambities en criteria voor gebouwen, stedenbouw en openbare ruimte. Wordt als beleidsregel vastgesteld door de gemeenteraad, als aanvulling op de Nota Omgevingskwaliteit. 4.Sturen op kwaliteit 4.1.Vormen van kwaliteitssturing Elk gebied verdient specifieke aandacht voor de aanwezige karakteristieken zodat bij ontwikkelingen de identiteit van het gebied en de gehele gemeente wordt versterkt. Tegelijkertijd moet er ruimte zijn voor ontwikkeling, vernieuwing en individuele (woon)wensen. Dat vraagt een genuanceerde sturing op kwaliteit die per gebied en afhankelijk van het initiatief kan verschillen. De basis hiervoor wordt gelegd met verschillende vormen van kwaliteitssturing; standaard, maatwerk, sturing bij grote ontwikkelingen en minimale sturing. ‘Kwaliteitsambities’ De gemeente geeft prioriteit aan de kwaliteitsambitie in de gebieden waar de opgaven groot zijn zoals bij grote ontwikkelingen in Tilburg West, Tilburg Noord, Tilburg Zuid, de Oostflank en de bedrijventerreinen. Voor andere gebieden zoals de Oude stad, Spoorzone, Piushaven en de binnenstad houden we de koers aan van het vastgestelde beleid, zoals het koersdocument Spoorzone, de routekaart ruimtelijk erfgoed en het hoogbouwbeleid. Voor gebieden waar de bouwopgave minder groot is, zoals De Reeshof en De Blaak, staat het behouden en versterken van de bestaande kwaliteiten voorop. De gemeente stuurt op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving via regelgeving en processen voor kwaliteitsbeoordeling en -advisering. Bij elke ontwikkeling is de gemeente actief betrokken. De mate waarop kan verschillen. Dat hangt onder meer af van de opgave, de aanwezige kwaliteiten, het gebruik en de mate van openbaarheid, diversiteit en dynamiek van een gebied. Om hier richting aan te geven, onderscheiden we in deze nota vier vormen van kwaliteitssturing. 1.Standaard Bij standaard kwaliteitssturing staat het behoud en versterken van een hoge kwaliteit voorop. De kwaliteit kan per gebied verschillen en wordt bepaald door de beleving van aanwezige karakteristieken, de aanwezige functies en het gebruik van de openbare ruimte. Elk gebied heeft een eigen karakter en uitstraling, herkenbaar aan de architectuur, stedenbouw en het landschap. Als er sprake is van een gaaf architectonisch of stedenbouwkundig totaalbeeld, is het doel deze kwaliteit minimaal te behouden. Bij veranderingen of nieuwe ontwikkelingen is de regie erop gericht dat ingrepen aansluiten bij de omgeving of daar een nieuwe kwaliteit aan toevoegen. Bijzondere architectonische experimenten die inzetten op een brede kwaliteitsimpuls kunnen een nieuwe dynamiek aan de bestaande gebieden toevoegen en zullen als maatwerk beoordeeld worden. 2.Maatwerk Het doel van sturen op maatwerk is om aanwezige cultuurhistorische, architectonische, stedenbouwkundige, landschappelijke kwaliteiten te versterken en verbeteren. Maatwerk en zorgvuldigheid staan centraal. Alle ingrepen moeten zorgvuldig uitgevoerd worden met respect voor de cultuurhistorische, architectonische, stedenbouwkundige, landschappelijke en/of natuurwaarden. Voor de ingreep is naast een goed ontwerp ook een beschrijving met motivering nodig, waaruit blijkt dat de ontwikkeling past in de context en de omgevingskwaliteit verbetert. Maatwerksturing is in ieder geval van toepassing bij beschermde erfgoed- en natuurgebieden. Daarnaast kunnen unieke situaties aanleiding geven voor maatwerk, bijvoorbeeld als sprake is van bijzondere landschappen, stedenbouw en/of architectuur (archipunctuur). Hiermee wordt ruimte geboden voor bijzondere experimenten die een positieve kwaliteitsimpuls geven. 3.Ontwikkel Het doel van op ontwikkelingen gerichte kwaliteitssturing is het veranderen en toevoegen van nieuwe kwaliteiten. Het gaat dan om hoogdynamische ontwikkelgebieden zoals het Kenniskwartier, Spoorzone en Piushaven. De omgevingsvisie van Tilburg geeft hieraan richting. Bij deze grotere ontwikkelingen is een eigen gebiedsaanpak noodzakelijk, omdat hier een nieuw soort gebied met een eigen aanpak ontstaat. Er zal altijd een nadere uitwerking nodig zijn met een gebiedsgericht kwaliteitsplan waar een stedenbouwkundig plan en de uitwerking van de openbare ruimte onderdeel van zijn. Gemeentelijke betrokkenheid is altijd vereist. Kleine projecten binnen ontwikkelgebieden kunnen afhankelijk van hun impact met maatwerk of standaard sturing beoordeeld worden. 4.Minimaal Het doel van minimale kwaliteitssturing is het tegengaan van ernstige verstoring van de omgevingskwaliteit. De gemeente grijpt alleen in als er sprake is van een exces (zie hoofdstuk 8). De initiatiefnemer voorkomt een exces als de ingreep in overeenstemming is met de criteria en rekening wordt gehouden met de karakteristieken van de omgeving. Een minimale kwaliteitssturing is van toepassing bij de voormalige welstandsvrije gebieden in de Nieuwe Warande en voor een aantal situaties op het achtererfgebied. In de volgende situaties zal vooraf geen beoordeling plaatsvinden: veranderen van een bestaand gebouw aan de achterkant: waarbij het hoofdgebouw geen achter- of zijgevel heeft gericht naar het openbaar toegankelijk gebied; tot maximaal het hoogste punt van het gebouw, waarbij de bestaande nok intact blijft; bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied waarbij het hoofdgebouw geen achter- of zijgevel heeft gericht naar het openbaar toegankelijk gebied; tot maximaal 5.00 meter hoog; veranderingen aan gebouwen en andere bouwwerken waarbij het uiterlijk niet wijzigt. Bovenstaande geldt niet voor beschermde ruimtelijk erfgoed. Dan wordt altijd vooraf beoordeeld of een ingreep voldoet aan criteria. 4.2.Mate van impact Naast de vormen van kwaliteitssturing is ook de impact van het initiatief bepalend. De schaal en betekenis van een ruimtelijke ingreep bepaalt mede de mate van aandacht en zorgvuldigheid die vereist is. Kleinere private initiatieven worden primair beoordeeld op hun effect op het gebouw en/ of de directe omgeving en op de impact bezien vanuit de publieke ruimte. Maar als er sprake is van een ingreep met een grotere ruimtelijke of maatschappelijke betekenis zal de lat hoger liggen. In dat geval wordt ook gekeken naar de samenhang en meerwaarde die een initiatief biedt voor de omgeving en de stad. Het publieke belang staat daarbij voorop, boven individuele wensen of programmatische voorkeuren. Er is onderscheid te maken in verschillende maten van impact: Weinig impact: opname in de omgeving Dit gaat om kleinere ingrepen en ontwikkelingen die, wanneer goed ontworpen, weinig invloed hebben op de omgeving. Denk aan kleine bouwwerken of inrichtingsplannen. Een ingreep wijzigt de structuur en de typologie van het gebied nagenoeg niet. Beperkte impact: inpassing in de omgeving Hierbij gaat het om ingrepen en ontwikkelingen die een kleine wijziging in de ruimtelijke structuur of typologie van het gebied met zich meebrengen. Als zo’n ontwikkeling de bestaande identiteit en context van het gebied respecteert, blijven de ruimtelijke karakteristieken nagenoeg gelijk. De impact is daardoor beperkt. Grote impact: verandering van de omgeving In deze gevallen gaat het om ingrepen die grootschalig zijn ontwikkelingen en die de ruimtelijke structuur of typologie structureel veranderen. Veelal gericht op ingrepen die een transformatie met nieuwe kwaliteiten beogen. De ontwikkeling heeft daarmee invloed op de identiteit van het hele gebied. Schema vormen van kwaliteitssturing versus mate van impact: Standaard Maatwerk Ontwikkel Minimaal Weinig impact gericht op ingrepen die zich eenvoudig laten opnemen in de omgeving. • Ingrepen die vallen onder concrete criteria (hoofdstuk 7) zoals ondergeschikte uitbreidingen aan de voorzijde van bestaande panden zoals een dakkapel of een erker. • Ondergeschikte herinrichting van en aanpassingen in de openbare ruimte, zoals plaatsen van straatmeubilair, -verlichting, -reclames e.d.. • Ondergeschikte ingrepen in, bij, op of aan bestaande panden bij beschermd erfgoed en in beschermde natuurgebieden, zoals een uitbouw aan een monument. • Ondergeschikte ingrepen met een bijzondere (architectonische) kwaliteit Niet van toepassing • Normaal onderhoud • Ondergeschikte uitbreidingen aan de achterzijde van bestaande panden Beperkte impact gericht op ingrepen die de aanwezige kwaliteit kunnen versterken of verbeteren. • Nieuwbouw, herstructurering en renovatie passend binnen de kaders van het omgevingsplan, maar ook deze nota. • Kleinschalige herinrichting van de openbare ruimte en plaatsen van kleinere bouwwerken zoals nutsvoorzieningen in de openbare ruimte. - Nieuwbouw, herstructurering en renovatie NIET passend binnen de kaders van het omgevingsplan, maar WEL binnen de kaders van deze nota. - Ingrepen met een bijzondere (architectonische) kwaliteit (archipunctuur). - Grotere wijzigingen aan een monument of beeldbepalend pand (bijvoorbeeld aan de linten) • Kleinschalige herinrichting van openbare ruimte in beschermde stads- en dorpsgezichten, de linten en beschermde natuurgebieden. • Plaatsen van reclamezuilen en reclame aan gevels in beschermde stads- en dorpsgezichten en aan of nabij monumenten. • Nieuwbouw en herstructurering passend binnen de vastgestelde kwaliteitskaders van een gebiedsontwikkeling. Niet van toepassing Grote impact gericht op ingrepen die grootschalig zijn en een verandering met nieuwe kwaliteiten beogen. Niet van toepassing • Nieuwbouw van grootschalige publieke functies zoals een school of een ziekenhuis. • Grootschalige nieuwbouw en herstructurering in beschermde stads- en dorpsgezichten. • Plaatsen van windmolens, zonneweides, reclamemasten etc. in het landschap en langs hoofdwegen. • Grootschalige nieuwbouw en herstructurering waarvoor een nieuw stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan nodig is. • Aanleg of grootschalige herinrichting van de openbare ruimte op gebiedsniveau. Niet van toepassing B. BELEIDSREGELS In de Omgevingswet wordt ons allemaal (inwoners, bedrijven en overheid) de plicht opgelegd om te zorgen voor een goede omgevingskwaliteit. De basis voor deze zorgplicht ligt in deze nota bij de beleidsregels die in dit deel uitgewerkt zijn. Deze beleidsregels bestaan uit 13 basisregels en criteria voor ruimtelijk erfgoed, bouwwerken, de inrichting van de openbare ruimte en thematische criteria. De beleidsregels geven duidelijke kaders en concrete uitwerkingen aan de hand waarvan initiatieven en vergunningaanvragen beoordeeld worden.
- De basis 5.1.De 013 Regels Tilburg zet kwaliteit voorop door te werken vanuit een genereuze grondhouding en drie fundamenten: voortbouwen op de identiteit van de stad, plekken voor en van iedereen creëren, en handelen vanuit het besef dat de toekomst nu begint. Genereus als grondhouding De gemeente Tilburg is ervan overtuigd dat een goede omgevingskwaliteit voortkomt uit een genereuze grondhouding. Bij het genereus werken aan de stad, de dorpen en het buitengebied gaat het om het toevoegen van waarden. Die kunnen zowel ruimtelijk als maatschappelijk van aard zijn. De waarden die we gebruiken om omgevingskwaliteit te definiëren gaan over herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde (zie ook hoofdstuk 2). Als uitwerking hiervan zijn 13 basisregels opgesteld die altijd gelden, ongeacht de omvang of locatie van een ingreep. Ze ondersteunen zowel de beginfase van een opgave bij programmatische en ontwerpkeuzes, als bestuurlijke afwegingen bij de beoordeling van initiatieven. ‘Voortbouwen op de identiteit van Tilburg’ De identiteit van Tilburg is gelaagd, waar elke nieuwe plek weer iets aan toevoegt. Het is belangrijk om hierbij de aanwezige identiteit te respecteren. Dit maakt plekken herkenbaar en vertrouwd, maar zorgt ook voor verbondenheid en een aantrekkelijke woon- en vestigingsklimaat. Identiteit is niet alleen afleesbaar aan de fysieke leefomgeving, maar vooral ook aan de mensen die er gebruik van maken. Een mooi voorbeeld is de transformatie van het kloostercomplex aan de Oude Dijk in Tilburg. Hier wordt creatief voortgebouwd op bestaande waarden en een verbinding gelegd met grote stedelijke vraagstukken van nu, zoals binnenstedelijke verdichting, de zorgopgave, vergroening en hergebruik. Dat vraagt naast goed ontwerp ook goed opdrachtgeverschap, daarvoor hebben we elkaar nodig.
- Ga uit van de bestaande kwaliteiten Er is nooit sprake van een ‘tabula rasa’, oftewel een leeg canvas. Elke plek heeft zijn eigen geschiedenis met materiële en immateriële identiteitsdragers op verschillende schaalniveaus. Door kennis hiervan te nemen en dit als vertrekpunt te nemen bij de planontwikkeling borduurt de ontwikkeling voort op de geschiedenis, de identiteit en het karakter van het gebied of de plek. Benut de kansen om de identiteit te behouden, te versterken en kwaliteiten hieraan toe te voegen.
- Kijk over de grenzen van het plangebied heen naar een breder studiegebied Bij het onderzoeken van de kwaliteiten en mogelijke ontwikkelkansen op een locatie biedt analyse van de plek vanuit verschillende schaalniveau's – de locatie, de wijk, het gebied - nieuwe inzichten. Op een hoger schaalniveau worden andere kwaliteiten en kansen zichtbaar en veranderd het perspectief op de opgave. Dit leidt vaak tot nieuwe inzichten, die helpen bij het streven naar een ruimtelijke samenhang. Daarnaast komen er andere oplossingen of verdiepende thema's voor de ontwikkeling van de specifieke plek in beeld. Daarom is het van belang om naast het plangebied ook een studiegebied te definiëren.
- Houd rekening met het laadvermogen van de plek of een gebouw Een te grote programmatische druk kan het bestaande karakter en de identiteit van een gebied of een specifiek gebouw onevenredig aantasten. Maak keuzes daarom proportioneel en zorgvuldig: zoek naar optimalisatie in plaats van maximalisatie. Zo ontstaat het juiste programma op de juiste plek en wordt waarde toegevoegd aan de omgeving. De context van de plek en/of het gebouw vormt de basis voor het juiste programma op de juiste plek en voegt zo waarde toe aan de directe omgeving.
- Sloop niet; ga uit van hergebruik of transformatie Vanuit het oogpunt van identiteit zijn de kwaliteit en betekenis van een gebouw, gebied of structuren bepalend voor de keuze voor behoud/transformatie. Sloop is niet vanzelfsprekend, ook vanuit het oogpunt van duurzaamheid. Wanneer sloop toch onvermijdelijk blijkt, is circulariteit het uitgangspunt, ligt hergebruik van materialen voor de hand en moet minimaal gelijkwaardige kwaliteit worden teruggebracht. Ook de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte spelen hierin een belangrijke rol. Bestaande groenstructuren, routes, pleinen en andere ruimtelijke dragers bepalen vaak onzichtbaar maar krachtig de identiteit en samenhang van een gebied. Ook deze kwaliteiten verdienen erkenning en zorgvuldige inpassing bij iedere ontwikkeling, in plaats van te worden verwijderd.
- Mensen maken het verhaal Zonder mensen wordt een gebouw en publieke ruimte niet geleefd en beleefd. De bestaande verhalen van mensen versterken de identiteit en geven betekenis aan plekken en gebouwen. Geef aan op welke wijze het plan of de ontwikkeling voortborduurt op deze belevingswaarde. Geef bestaande verhalen een plek in nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn gebiedsbiografieën ondersteunend. ‘Plekken voor en van iedereen creëren’ Tilburg is er voor iedereen, zowel in de stad als in het omliggende landelijk gebied en de dorpen. Het stedelijk weefsel van straten, lanen, pleinen, groenstructuren en parken vormt de basis voor een collectief gevoel en verbondenheid. De verbindingen strekken zich ook uit naar de dorpen en het groene landschap eromheen. In Tilburg Noord tussen de wijken Quirijnstok en Heikant is het Quirijnpark ontwikkeld dat door een stelsel van paden en verblijfsplekken beide wijken met elkaar verbindt. Naast een ontmoetingsfunctie heeft het park ook een ecologische waarde en zijn er waterbergingen en infiltratiezones gemaakt die regenwater opnemen. Zo voegt het park vanuit verschillende invalshoeken kwaliteit toe aan beide wijken en zorgt op grotere schaal ook voor een verbinding met het buitengebied.
- Ontwerp vanuit de beleving van de stad op ooghoogte. Gebouwen en de inrichting van de openbare ruimte worden als prettig ervaren als er ontworpen wordt met aandacht voor de beleving van de gebruikers. Een belangrijk thema hierbij is de stad op ooghoogte. Door goed rekening te houden met wat je vanaf de straat ervaart, en met welke snelheid mensen zich door de ruimte bewegen draagt het ontwerp bij aan een prettige leefomgeving. De grootte, positionering en architectuur van gebouwen spelen hierbij een belangrijke rol, maar ook de inrichting van een veilige en toegankelijke openbare ruimte, sociale voorzieningen zoals ontmoetingsplekken en ogen op straat dragen hieraan bij.
- Ontwerp aan levendige gemeenschappen Door niet alleen woningen te ontwikkelen, maar te ontwerpen aan levendige gemeenschappen worden bestaande buurten verrijkt. Bijzondere woonvormen, collectief particulier opdrachtgeverschap, maar ook ontmoetingsruimte voor (kleine) gemeenschappen en collectieve voorzieningen dragen bij aan saamhorigheid, herkenbaarheid en een prettig leefklimaat. Creëer waar mogelijk ruimte voor ontmoeting. Zie trottoirs niet alleen als verkeersruimte, maar richt ze ook in als verblijfsruimte. Dit kan door ze breder te maken met zitgelegenheid of aansluitend groen. Ook in het gebouwontwerp kan hierop worden ingespeeld met bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte bij de entree van collectieve woongebouwen en een ruime maat van interne verkeersruimten zoals galerijen met verblijfsruimte. Ook details maken daarbij het verschil: bredere vensterbanken, ruime portalen en ramen die contact met de straat stimuleren dragen bij aan levendigheid en sociale interactie.
- Integraal ontwerpen aan een comfortabele, hoogwaardige en uitnodigende openbare ruimte is het vertrekpunt voor een goede planontwikkeling In de openbare ruimte komen veel opgaven samen, zoals de mobiliteitstransitie, energietransitie en de klimaatopgaven. Daarnaast is de openbare ruimte de plek waar spontane en onverwachte ontmoetingen plaatsvinden tussen bewoners, bezoekers en andere gebruikers. Een plek die ruimte geeft om actief bezig te zijn, te ontspannen en elkaar te ontmoeten. Kwaliteit in de openbare ruimte ontstaat als er integraal naar de verschillende opgaves en ontwerpoplossingen wordt gekeken, waarbij het collectieve gebruik en de belevingswaarde goed ingebed is. Wat in gebouwen niet opgelost kan worden, mag niet worden afgewenteld op de openbare ruimte. Los dit zoveel mogelijk binnen de enveloppe van het gebouw op. Alleen als dat niet kan, licht dit goed toe en motiveer je keuze.
- Ontwerp actief aan de overgang tussen het (private) gebouw en (publieke) openbare ruimte, deze verdient liefdevolle aandacht en zorgvuldigheid Een goede overgang tussen het gebouw, privé en openbare ruimte is van groot belang voor het realiseren van een aantrekkelijke leefomgeving. Met verblijfs- en ontmoetingsruimtes in de plint van een gebouw ontstaat er levendigheid en sociale controle. Ondersteunende functies zoals bergingen en parkeerruimten worden dusdanig ingepast dat deze geen afbreuk doen aan de beleving van een actieve, levendige plint. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld collectieve afvalcontainers in de openbare ruimte. De begane grondlaag van een gebouw is uitnodigend en biedt ruimte aan diverse, zowel gebouwgebonden als stedelijke, functies. Een aantrekkelijke buitenruimte rondom het gebouw nodigt uit tot verblijven en draagt ook bij aan een goede overgang tussen private en openbare ruimte. Bijvoorbeeld met aantrekkelijke entrees en voortuinen met mee ontworpen lage (groene) erfafscheidingen.
- Vertrekpunt is meervoudig ruimtegebruik en de gemixte stad als bijdrage aan een toekomstbestendige leefkwaliteit Met de veelheid aan veranderende opgaven biedt de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik perspectief. Door het combineren van voorzieningen, multifunctionele plekken in de openbare ruimte en adaptieve gebouwen waarin functies gemengd kunnen worden ontstaat er flexibiliteit en aanpasbaar vermogen. Naast de woonopgave is er ook ruimte nodig voor werken, recreëren, groen en water. Dit kan bijvoorbeeld door het combineren van zoveel mogelijk functies zoals groene daken of collectieve daktuinen. Maar ook in de publieke ruimte door (parkeer)voorzieningen te combineren met ruimte voor waterberging, groen en spelen (spons- en speelstraten). Meervoudig ruimtegebruik kan toegepast worden op verschillende schaalniveaus, ook op het niveau van een enkel gebouw.
- Een verandering draagt altijd bij aan een duurzame ontwikkeling Draag bij aan het duurzaam ontwikkelen van onze leefomgeving door duurzame ingrepen integraal mee te nemen in het gebouwontwerp en/of het ontwerp van de openbare ruimte. Oplossingen voor hittestress en het creëren van koelte en waterberging, hergebruik van materialen en het toepassen van natuurlijke materialen draagt bij aan het duurzaam ontwikkelen van een plek. Het is belangrijk om daarnaast in het ontwerp rekening te houden met het aanpassingsvermogen van een gebouw en de omgeving.
- Klimaatbestendig en toekomstbestendig ontwerpen vormen het uitgangspunt voor een gezonde leefomgeving Bij het realiseren van een gezonde leefomgeving is klimaat- en toekomstbestendig ontwerpen onmisbaar. Goed ingerichte, toegankelijke en groene plekken nodigen uit om buiten te bewegen en te verblijven. Zorg in het ontwerp voor een goede, uitnodigende verbinding tussen gebouwen en openbare ruimte. Ook zicht op kwalitatief hoogwaardig groen, mogelijkheid tot ontmoeting en het bouwen met natuurlijke materialen draagt bij aan de gebruiks- en belevingswaarde. Met een inrichting die door een aangenaam en gevarieerd microklimaat ook een bijdrage levert aan een actieve, gezonde natuurrijke leefomgeving, en uiteraard ten goede komt aan klimaatadaptatie. ‘De toekomst begint nu’ Beslissingen en veranderingen vandaag hebben een directe invloed op de toekomst. Daarom is zorgvuldigheid en een vooruitziende blik bij veranderingen in de omgeving essentieel. Dit geldt niet alleen voor functionele aspecten, maar ook voor duurzaamheid op alle schaalniveaus. Zo vertelt het Landschapspark Pauwels in Tilburg een verhaal van vernieuwing en duurzaamheid met het project Waterharmonica Noorderbos. Waterschap De Dommel en gemeente Tilburg herstellen en hergebruiken hier historische vloeivelden, oorspronkelijk bedoeld voor zuivering van afvalwater uit de textielindustrie. Dit erfgoed, zichtbaar in bezinkbakken, pompgemaal en slotenstructuur, vormt nu de basis voor innovatief waterbeheer. De Waterharmonica verbindt verleden, heden en toekomst. Wat ooit vervuiling symboliseerde, is nu een bron van schoon water en ecologische rijkdom. Door erfgoed te benutten voor hedendaagse klimaatuitdagingen, beschermt dit unieke project cultuurhistorische waarden en voorkomt het verlies van historisch erfgoed. Tilburg wordt zo leverancier van schoon water. Dankzij steun van de Erfgoed Deal heeft het vergeten erfgoed een tweede, duurzame toekomst gekregen.
- Wees creatief en innovatief vanuit de bestaande context. Het vraagt maatwerk en vindingrijkheid om tot nieuwe inzichten en ontwerpen te komen die oplossingen bieden voor een langere tijd. Het verleden kan ook verrassende oplossingen bieden voor de opgaven van nu. Daarnaast kan de inzet van kunst en cultuur zorgen voor een nieuwe blik op de opgave en het ontwerp daarmee verrijken. Onalledaagse, eigentijdse architectuur, nieuwe woonvormen en woonwerkvormen, de ontwikkeling van de deeleconomie, er zijn veel aanleidingen om tot creatieve en innovatieve ruimtelijke ontwikkelingen te komen. Zet daarom in op het experiment en op vernieuwing en betrek geïnteresseerde bewoners en gebruikers daarbij. 5.2.Werken met de basisregels De basisregels vormen een belangrijk onderdeel van de bestuurlijke afweging om wel of niet mee te werken aan een initiatief. Initiatiefnemers dienen daarom hun plan te onderbouwen aan de hand van de basisregels. Deze worden vooraf gedeeld en besproken tijdens de intake en verdere planuitwerking. De mate van onderbouwing is proportioneel: een dakopbouw vraagt om een lichtere onderbouwing dan een grootschalige gebiedsontwikkeling. Initiatiefnemers kunnen de volgende acties oppakken om aan te tonen in welke mate rekening is gehouden met de basisregels. Vanuit een genereuze grondhouding begint een planontwikkeling altijd met de volgende drie kernvragen: Wat is het verhaal van de plek? Wat doe je met dat verhaal? Wat voeg je toe aan de omgeving en de stad? De antwoorden bieden inzicht over de meerwaarde die het plan kan gaan bieden ten aanzien van de gemeentelijke ambities en beleidsdoelstellingen. Daarnaast helpen de volgende handelingen om het toepassen van de basisregels concreet te maken. Verken de identiteit van de plek: onderzoek de historische context en laat zien hoe deze is meegenomen in de planvorming (historische analyse). Analyseer het bredere studiegebied: maak inzichtelijk hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de directe omgeving en bovenliggende structuren (ruimtelijke analyse). Sloop niet: zet in op/onderzoek transformatie en hergebruik, motiveer waarom sloop noodzakelijk is. Bij sloop; beargumenteer en onderbouw waarom hergebruik van (delen van het) gebouw en materialen geen optie is. Onderbouw programmatische keuzes: laat de plek en omgeving leidend zijn voor het programma en ontwerp. Voorkom overbelasting van een gebied of gebouw. Maak een 3D massastudie: laat zien hoe nieuwe bouwmassa's en -vormen zich verhouden tot de private en openbare ruimten. Maak 3D visualisaties: visualiseer de beleving hoe het plan wordt ervaren vanaf de openbare ruimte, met nadruk op ooghoogte en de menselijke maat. Geef aan hoe plinten en entrees bijdragen aan levendigheid en verblijfskwaliteit van de omgeving. Onderzoek meervoudig ruimtegebruik: maak inzichtelijk hoe functies worden gecombineerd en hoe flexibiliteit voor toekomstige veranderingen is ingebouwd. Meervoudig ruimtegebruik moet herkomst-/gebruiks-/belevings-/ toekomstwaarde toevoegen. Ontwerp voor leefgemeenschappen: beschrijf en visualiseer hoe het plan bijdraagt aan ontmoeting, sociale samenhang en een aantrekkelijke openbare ruimte. Veranker duurzaamheid en klimaatadaptatie: motiveer vanuit de duurzaamheidsambities van de gemeente de keuzes voor energie, water, groen en materiaalgebruik. Ontwerpkeuzes hebben invloed op het realiseren van deze beleidsambities. Denk hierbij aan de oriëntatie van gebouwen in hun stedenbouwkundige setting, de hoofdvorm en het architectonisch concept en uitwerking hiervan. Betrek de omgeving: leg vast hoe bewoners en andere betrokkenen zijn geraadpleegd en hoe hun inbreng is verwerkt. Zet in op creativiteit en innovatie: selecteer een passende ontwerper voor de opgave die ook durft te onderzoeken, experimenteren en vernieuwen. Laat zien hoe je tot de keuze van de ontwerper bent gekomen. 6.Algemene criteria Dit hoofdstuk bevat de algemene criteria voor ruimtelijk erfgoed, bouwwerken en de inrichting van de openbare ruimte. De 13 regels uit hoofdstuk 5 vormen hiervoor de basis. De algemene criteria zijn altijd van toepassing en worden gebruikt voor de beoordeling van plannen. Naast de opgenomen criteria in deze nota zijn er per gebied of thema aanvullende deeluitwerkingen van toepassing, zoals het hoogbouwbeleid, gebiedsgerichte kwaliteitskaders en beeldkwaliteitsplannen. De deeluitwerkingen zijn reeds vastgesteld of nog in ontwikkeling. Nieuwe thematische of gebiedsuitwerkingen worden apart vastgesteld als bijlage of uitwerking van deze nota (zie ook hoofdstuk 10.1). Wanneer er sprake is van een deeluitwerking zoals een beeldkwaliteitsplan zijn de criteria uit deze nota van toepassing wanneer een deeluitwerking hierover geen uitspraak doet. 6.1.Ruimtelijk erfgoed Het ruimtelijk erfgoed van stad, dorp en landschap vertelt een verhaal. De aanwezigheid van (historische) bebouwing en structuren in zijn stedenbouwkundige of landschappelijke context vergroot de identiteit van een plek of gebied. Monumenten en andere cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken en openbare ruimte verdienen daarom altijd maatwerk en zorgvuldige omgang gebaseerd op de historische karakteristieken. Het waarderen van zowel beschermde als onbeschermde kwaliteiten van bebouwing en structuren is belangrijk om ook het erfgoed van de toekomst in beeld te brengen. Daarom hebben we ook oog voor ons naoorlogs erfgoed. Zo ontstaat er een accentverschuiving van alleen beschermd erfgoed, naar inzichten in waardevol erfgoed in de bestaande stad. Dit is een belangrijke stap om kwaliteit in brede zin te (h)erkennen, te behouden en/of te verhogen. Zo wordt een bijdrage geleverd aan ons doel om de omgevingskwaliteit te borgen en te verhogen. Het beoordelingskader voor de omgang met het ruimtelijk erfgoed heeft betrekking op ingrepen: aan, op of bij beschermde monumenten inclusief de cultuurhistorisch waardevolle objecten met een aanduiding ‘waarde cultuurhistorie’ of vergelijkbare aanduiding in het omgevingsplan; in beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; aan op of bij waardevolle gebieden, structuren en gebouwen zoals aangegeven op de basiskaart (steden-)bouwkundig erfgoed. Onder monument wordt verstaan een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed (begripsbepaling Omgevingswet verwijst naar begripsbepaling in artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit zijn gemeentelijke, provinciale of rijksmonumenten of monumenten met een andere beschermingsvorm, bijvoorbeeld cultuurhistorisch waardevolle objecten of karakteristieke panden. Er kan sprake zijn van gebouwde en aangelegde (groene) monumenten. Bij een wijziging dient altijd rekening te worden gehouden met de karakteristieke ruimtelijke structuur, die samenhangt met de historische ontwikkeling en met de architectonische, stedenbouwkundige en/of landschappelijke kwaliteit. Maak een analyse van het gebied of het gebouw (binnen zijn context) en zorg voor een goede historische onderbouwde relatie van het gebouw met de omgeving en omgekeerd. Bij grotere gebiedsontwikkelingen kan op basis van de Omgevingswet nader onderzoek in de vorm van een gebiedsbiografie met transformatiekader nodig zijn. Het uitgangspunt is dat het ruimtelijke erfgoed voor de toekomst behouden blijft en waar mogelijk versterkt wordt. Wat de reden van ingrijpen ook is, de basis moet zijn om alleen te doen wat nodig is voor het voortbestaan van het monument of andere beschermd erfgoed, en dit op een zorgvuldige manier te doen. De cultuur- en bouwhistorische kwaliteiten en de geschiedenis van de omgeving en het gebouw vormen altijd het startpunt voor programma en ontwerp. De criteria geven inzicht in hoe er wordt gekeken naar de omgang met het erfgoed op verschillende schaalniveaus. Daarnaast is het beoordelingskader voor het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken van toepassing (paragraaf 6.2). Bij eventuele conflicten zijn de hierna volgende criteria voor de beoordeling leidend. Iedere wijziging vraagt om zorgvuldigheid en maatwerk Bij de beoordeling van de plannen zal worden gekeken of de waardevolle aspecten van het erfgoed voldoende worden onderkend en gerespecteerd. De beschermde monumenten en beschermde stads- of dorpsgezichten zijn beschreven in een ‘registeromschrijving’. Dat is de officiële beschrijving van een object of gebied. Deze beschrijving alleen, geeft niet altijd voldoende informatie over de erfgoedwaarden om een verantwoord plan (bouwplan en/of functiewijziging) te kunnen maken. Zo nodig moet door de initiatiefnemer een aanvullend (onafhankelijk uitgevoerd) bouwkundige inspectie en/of bouwhistorisch onderzoek worden aangeleverd. Restauratie wordt (afhankelijk van de aard en omvang) voorafgegaan door een restauratievisie met daaropvolgend een restauratieplan, conform de richtlijnen van de ERM. Behoud de bestaande karakteristieken en kwaliteiten Bij beoordeling vormt het behoud van het bijzondere karakter van het bouwwerk en de waardevolle elementen (exterieur en interieur) die het bevat, het uitgangspunt. Zorg ervoor dat ze door de beoogde verandering niet aangetast worden of verloren gaan. Het komt voor dat een monument niet meer gebruikt kan worden voor zijn oorspronkelijke functie. Dan is het vinden van een passende herbestemming een goede oplossing. Niet alle monumenten zijn geschikt voor alle vormen van gebruik. Bij veranderingen zal steeds gezocht moeten worden naar een goede balans tussen de erfgoedwaarden en de eisen van een nieuwe functie. De nieuwe functie moet in het gebouw passen. Respecteer de directe omgeving van een monument De stedenbouwkundige en landschappelijke structuur heeft invloed op de manier waarop monumenten van oudsher zijn gelegen. De situering van een gebouw, het bodemtype, de zichtlijnen, de opbouw van de stad of het landschap eromheen zeggen iets over het karakter en uitstraling van het monument. Omgekeerd hebben monumenten ook effect gehad op de omgeving. Denk aan tuinen, toegangswegen en -poorten en andere elementen ten behoeve van het bouwwerk. Bij ingrepen is het daarom belangrijk dat het geheel niet wordt verstoord. Een ingreep of ontwikkeling respecteert zoveel als mogelijk de historische omgeving van het gebouw. Respecteer waardevol groen erfgoed en openbare ruimte Bij de beoordeling van beschermde openbare ruimte en groene monumenten zoals historisch gegroeide landschappelijke of stedenbouwkundig patronen, begraafplaatsen, bomenrijen, straten, parken en pleinen wordt gekeken of de ingreep de aanwezige erfgoedwaarde en de historische context respecteert. Daaronder vallen ook de gebouwen, straatmeubilair en andere inrichtingselementen. Bij beheer en nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk om een integrale visie te hanteren waarin naast de beleving ook de gebruiks- en toekomstwaarde centraal staat. Bijvoorbeeld door historische gelaagdheid en uitstraling te respecteren en oorspronkelijke materialen en plantsoorten te gebruiken, terwijl ook rekening wordt gehouden met het gewenste functioneel gebruik en klimaatuitdagingen. Deskundigheid op gebied van cultuurhistorie bij ingrepen, onderhoud en beheer zijn daarbij onmisbaar. Behoud de ensemblewerking van een complex Een deel van de monumenten zijn onderdeel van een complex of maken onderdeel uit van een bijzondere stedenbouwkundige context. Individuele wijzigingen aan een pand mogen de samenhang van het complex niet verstoren. Collectieve oplossingen zorgen ervoor dat het ensemblebeeld beter behouden blijft. Houd de oorspronkelijke hoofdvorm, opbouw en indeling afleesbaar Bij de beoordeling wordt gekeken of de oorspronkelijke hoofdvorm, opbouw en indeling van het monument behouden blijven. De bouwkundige structuur – het casco, bestaande uit funderingen, muren, vloer- en dakconstructies, trappen en rookkanalen – en de schil van het gebouw bepalen de hoofdvorm. De ruimtelijke structuur (indeling) is typerend voor het type en de functie van het monument. Behoud van zowel de bouwkundige structuur als de ruimtelijke opbouw is van belang voor de cultuurhistorische waarde. Noodzakelijke aanpassingen en uitbreidingen dienen bij voorkeur aan de achterzijde te worden gerealiseerd en altijd ondergeschikt te blijven aan het hoofdvolume, waarbij vorm, hoogte, uitstraling en materiaalgebruik zorgvuldig worden afgestemd op het bestaande gebouw. Maak de ingrepen reversibel, duurzaam en van hoge kwaliteit Uitgangspunt bij ingrepen is dat deze reversibel, duurzaam en van hoge kwaliteit zijn. Reversibel betekent dat ingrepen bij voorkeur terug te draaien moeten zijn: ze tasten de bouwhistorische waarde daarmee niet wezenlijk aan en kunnen desgewenst zonder schade worden verwijderd. Niet alleen op zicht, maar ook op constructie. (Her)gebruik kenmerkende detailleringen, materialen en interieurafwerking Bij de beoordeling gaan we uit van het gebruik van historische materialen en behoud van de oorspronkelijke constructie, afwerking, details en interieurelementen. (Her)gebruik van historisch materiaal heeft de voorkeur. Als dat niet beschikbaar is gebruik dan een passend alternatief. Dat betekent bijvoorbeeld dat kunststof kozijnen niet zomaar toegestaan zijn. Een ander essentieel aspect waar bij de beoordeling naar gekeken wordt is de bouwwijze en het technisch vakmanschap: hoe de constructie in elkaar steekt, en hoe details en afwerking zijn uitgevoerd. De mate van oorspronkelijkheid is daarbij leidend. Geef aandacht aan oorspronkelijke karakteristieke kleurstellingen Voor schilderwerk van kozijnen en wanden is het uitgangspunt om de oorspronkelijke kleuren van het monument of ander cultuurhistorisch waardevol object te behouden of te herstellen. Indien er een kleur wordt toegepast die afwijkt van de huidige kleur moet door de initiatiefnemer een aanvullend cultuurhistorisch kleurenonderzoek worden aangeleverd. Als door een kleurhistorisch onderzoek geen oorspronkelijke kleuren meer kunnen worden aangetoond, of als overwogen wordt andere kleuren dan de oorspronkelijke kleuren te gebruiken, dan zal bij de beoordeling gekeken worden of de nieuwe kleuren passen bij het historische straatbeeld. Verduurzaam met respect voor de aanwezige waarden Verduurzaming is een kans om een monument of andere cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken toekomstbestendig te maken. Energiebesparende en binnenklimaat verbeterende ingrepen zijn veelal ingrijpend. Uitgangspunt is dat voorzieningen ten behoeve van verduurzaming met uiterste zorg en respect voor de cultuurhistorische waarde en bouwfysische kenmerken worden vormgegeven. Voor verduurzamingsmaatregelen geldt dat er (afhankelijk van de aard en omvang) een onafhankelijk DuMO-onderzoek moet worden overlegd. Hierin zijn de specifieke uitdagingen met betrekking tot het zorgvuldig verduurzamen op alle schaalniveaus en in samenhang in beeld gebracht. Behalve esthetische aspecten van verduurzaming is er dan ook aandacht voor het bouwfysische maatwerk dat vaak nodig is. 6.2.Bouwwerken Voor alle bouwplannen is een beoordelingskader van toepassing met betrekking tot het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; de architectonische verschijningsvorm. De algemene criteria hebben zowel betrekking op verbouw- als op nieuwbouwplannen. Bij de beoordeling van een bouwwerk zal worden gelet op de volgende aspecten: omgeving, hoofdvorm, architectuur, duurzaamheid, detaillering, materiaal, kleur en textuur. Daarbij blijft in redelijkheid sprake van een beperkte mate van interpretatie en afwegingsruimte. Omgeving Het bouwwerk staat niet op zichzelf, maar gaat een relatie aan met het karakter (sfeer, identiteit) van de bestaande omgeving; de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context en de aanwezige architectuur. Het bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij kunnen hogere eisen worden gesteld naarmate de (toekomstige) betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Samenhang tussen stedelijke structuur, gebouwvorm en verschillende functies zorgt voor een solide, aantrekkelijke en kwalitatieve omgeving. Het bouwwerk reageert op en maakt verbinding met de omgeving en creëert ruimtes die meer zijn dan een opeenvolging van losse elementen. Er is hierbij aandacht voor de schaal en maat. Ruimtelijke criteria die gelden voor een goede stad op ooghoogte zijn een royale verdiepingshoogte, zorgvuldige detaillering, hoogwaardige uitstraling en duidelijk herkenbare entrees die zorgen voor interactie tussen het gebouw en de straat. De plint van het gebouw aan de openbare weg voegt zich naar de hoogwaardige sfeer van de openbare ruimte of verbeterd en versterkt de beleving van de openbare ruimte. Er is sprake van zorgvuldige overgangen tussen openbaar en privégebied. Ook van bouwwerken die afwijken van hun omgeving mag worden verwacht dat ze zorgvuldig zijn ontworpen, een helder ontwerpidee hebben en de omgeving respecteren en zo de variatie van stedelijke ruimtes en gebouwtypen verrijken. Hoofdvorm Het bouwwerk past qua architectonisch concept, vorm, maat en schaal in de stedenbouwkundige structuur van de directe bebouwde omgeving en /of het landschap. De bouwmassa's zijn harmonieus van vorm, afmetingen en verhoudingen, ze vertonen een duidelijk samenhang en zijn helder gepositioneerd. De massaopbouw is in overeenstemming met de architectonische vorm, de plattegronden en de constructie van het gebouw. Er is balans tussen helderheid en complexiteit. Architectonische uitwerking De hoofdvorm en het gevelontwerp versterken elkaar en zijn passend binnen de architectonische opzet van het gebouw. Er is structuur en samenhang in het gevelbeeld met betrekking tot de vorm, afmetingen en verhoudingen van de gevelelementen. Het uiterlijk van het gebouw heeft een herkenbare relatie met het (oorspronkelijk) gebruik van het gebouw. Bij renovatie blijft de oorspronkelijke stijl, gevelopbouw en –indeling behouden. Het gebouw wordt alzijdig ontworpen. Overgang publiek-privaat Stedelijke functies bevinden zich vaak op het grensvlak van het publiek-private domein. Dit vraagt om een zorgvuldige overgang tussen gebouw en openbare ruimte. Bij halfopen of gesloten bouwblokken is de overgang publiek-privaat nadrukkelijk onderdeel van de ontwerpopgave. Een gebouw heeft een uitnodigende plint en bevat gebouwgebonden en stedelijke functies. Entrees zijn zorgvuldig ontworpen en stedenbouwkundig goed ingepast. Een goede overgang tussen gebouw en omgeving is essentieel voor de kwaliteit van de openbare ruimte. Er sprake is van een goed ontworpen overgang tussen gebouw en omgeving (bijvoorbeeld door middel van een overgangszone). De openheid van de plint en interactie met de stoep stimuleert ontmoeting. Eventuele erfafscheidingen zijn onderdeel van het ontwerp en de ruimtelijke impact van afval en logistiek is tot een minimum beperkt. Collectieve- en privébuitenruimte Balkons en terrassen worden mee-ontworpen in de architectonische opzet van het gebouw. Belevingswaarde en gebruikswaarde zijn op elkaar afgestemd. Galerijen/ gangen/ entreeruimtes bieden mogelijkheden voor ontmoeting en creëren een goede overgang tussen de privé en collectieve ruimte. Collectieve buitenruimtes zijn goed toegankelijk en bieden meerwaarde voor de doelgroep. De overgangszone is zacht, groen en zorgvuldig ontworpen. Duurzaamheid Duurzaamheid dient als ontwerpuitdaging te worden gehanteerd, zowel stedenbouwkundig en/of landschappelijk op gebiedsniveau als architectonisch op gebouwniveau. Bij individuele nieuwbouw van een woning, pand of complex kan duurzaamheid ook de basis zijn voor de algehele vormgeving en/of de gekozen hoofdvorm. In projecten wordt de ambitie aan de voorkant vastgelegd. Er is op verschillende niveaus nagedacht over duurzaamheid, waaronder bestendigheid, energie- en klimaatbeheer, (circulair) materiaalgebruik, afvalstromen, mobiliteit, ecologie en natuur etc. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt het behouden en zo mogelijk vergroten van de biodiversiteit door middel van natuurinclusief bouwen en ontwerpen meegenomen in de plan- en realisatiefase (zie voor meer informatie o.a. de Beleidsnota biodiversiteit 2024, Puntensysteem voor natuur en groeninclusief bouwen 2021 en Klimaatscores nieuwbouwontwikkelingen
- Natuurinclusief, duurzaam en toekomstbestendig bouwen is van toepassing op alle gebouwen. Aan de voorkant van projecten wordt de omvang en de maatregelen besproken. Uitgangspunt is de toepassing van voorzieningen voor duurzaamheid zoals zonnecollectoren/ -panelen, groene daken en gevels, isolatiemaatregelen, mits deze passen binnen het architectonische concept van het gebouw of de stedenbouwkundige of landschappelijk context. Technische installaties voor duurzaamheid (zoals zonnepanelen of warmtepompen) zijn achter de voorgevellijn geplaatst of bij nieuwbouw integraal mee ontworpen. Installaties op het dak zijn aan het zicht onttrokken. Detaillering, materiaal, kleur en textuur Het bouwwerk is zo ontworpen dat sprake is van detailleringen die consequent zijn toegepast en die passen bij de (gekozen) architectuurstijl. Bij renovatie en verbouw zijn de aanwezige fijne en ambachtelijke onderdelen en kenmerkende ornamentiek als overstekken, dak- en gevellijsten en luiken behouden. Het bouwwerk is zo ontworpen dat textuur, materiaal- en kleurgebruik in harmonie zijn met het ontwerp en met de omgevingskarakteristiek ofwel vanuit een overtuigend architectonisch concept weloverwogen constrasterend zijn. Het materiaal is (technisch) goed toepasbaar voor de gekozen vormgeving en detaillering. Er is gebruik gemaakt van duurzame materialen die langdurig mooi blijven. 6.3.(Semi-)openbare ruimte De inrichting van het openbaar gebied is bij uitstek een taak van de gemeente. Hierbij komen veel urgente maatschappelijke opgaven samen. Denk aan klimaatadaptatie, waterberging, de parkeeropgave, ontmoetingsruimte, speelruimte, etc. Daarnaast is de diversiteit aan omvang van plannen en karakteristieken van gebieden en structuren groot. Maatwerk vormt dan ook de basis bij de beoordeling van plannen in de openbare ruimte. Op verzoek van het college adviseert de Omgevingscommissie over plannen voor de inrichting van de openbare ruimte. De gemeente Tilburg wil een comfortabele en aantrekkelijke leefomgeving bieden. Comfortabel in de zin van toegankelijkheid en bruikbaarheid. Aantrekkelijk in de zin van dat het er prettig leven is en dat het er goed uitziet. Bij het inrichten van de openbare ruimte moet er een goede balans zijn tussen de verschillende functies en gebruikersgroepen. Onderstaand beoordelingskader is bedoeld om sturing en richting te geven bij het werken aan en beoordelen van een ingreep in de openbare ruimte. Ook bij gebiedsontwikkelingen is een goed ontwerp van de openbare ruimte van groot belang. Het uitgangspunt is dat de kwaliteit van de openbare ruimte verbeterd wordt en op niveau blijft. Dit vraagt om een situatie, waarin ontwerp, uitvoering en beheer goed op elkaar zijn afgestemd. Een integrale aanpak van ontwerpopgaven en een goede afstemming tussen de betrokken diensten en de gebruikers is hierbij noodzakelijk. De expertise van de omgevingscommissie kan ingezet worden bij het afwegen van ontwerpkeuzes en bij het formuleren van de ruimtelijke kaders. De commissie wordt om advies gevraagd op de grotere ingrepen in de (landschappelijke) structuren van de stad. Het gaat om ingrepen die er wezenlijk toe doen, zoals bijvoorbeeld de aanpak van de linten, herinrichting/ transformatie van parken en wegprofielen en bij gebiedsontwikkelingen. Bij grote gebiedsontwikkelingen wordt de expertise van een kwaliteitsteam ingezet om de ontwerpkeuzes vanuit een integraal oogpunt te begeleiden. Respecteer de context en betekenis binnen het ruimtelijk systeem van Tilburg Het is belangrijk om bij ruimtelijke ingrepen in de openbare ruimte door de verschillende schaalniveaus heen te kijken en in te zetten op samenhangende verbindingen binnen de openbare ruimte. Daarbij hoort ook de relatie met de bebouwing. Veranderingen in de openbare ruimte dienen altijd rekening te houden met de context de karakteristieke ruimtelijke structuur, die is gevormd door de historische ontwikkeling en die verbonden is met de aanwezige architectonische, stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteiten. Dit betekent het identificeren van het type ruimte en de positie ervan in de stad, binnen de stedenbouwkundige en typologische setting. Bestaande elementen zoals bomen, groenstructuren, cultuurhistorische kenmerken, zichtlijnen en aanwezige bebouwing vormen hierbij belangrijke aanknopingspunten. Het “Handboek Inrichting Openbare Ruimte Tilburg” (HIOR) biedt richtlijnen, zowel voor het ontwikkelen van een ruimtelijke of landschappelijke visie als voor het daadwerkelijk ontwerpen van de openbare ruimte. Beeldkwaliteitsplannen geven aanvullend richting aan de gewenste landschappelijke uitstraling en dragen zo bij aan een samenhangend en kwalitatief hoogwaardig ruimtelijk systeem. Stimuleer ontmoeting en menselijke maat Faciliteer ontmoeting tussen bewoners onderling en bezoekers met een uitnodigende en toegankelijke openbare ruimte. Collectiviteit, flexibiliteit en gebruikskwaliteit zijn hierbij van belang. Naast dat gebouwen goede privébuitenruimte bieden wordt er steeds vaker collectief gebruik van buitenruimtes gerealiseerd. Hiermee worden mogelijkheden voor ontmoeting en gemeenschappelijkheid gecreëerd. Aandacht voor sociale veiligheid en privacy is hierbij ook belangrijk. In de openbare ruimte is het daarnaast van belang dat het ontwerp inspeelt op de beleving en ervaring van de omgeving gezien vanuit de verschillende gebruikersgroepen en leeftijden die gebruik maken van het publieke domein. Er dient samenhang te zijn in schaal en menselijke maat. Houdt rekening met duurzaamheid, meervoudig ruimtegebruik, natuur en klimaat Ruimte is schaars. Meervoudig ruimtegebruik of dubbel grondgebruik wordt zo veel mogelijk toegepast. Tevens wordt in de advisering over bouwplannen en schetsontwerpen de groen- blauw component integraal meegenomen. Verdichten, vergroenen, verduurzamen en vernieuwen gaan hand in hand. Uiteindelijk gaat het om het maken van een inrichting die herkenbaar, aantrekkelijk en duurzaam is. Herkenbaarheid gaat over specifieke ruimtelijke identiteit en integrale functionaliteit (de verkeers- en verblijfsfunctie). Aantrekkelijkheid gaat over de leefbaarheid en de algehele uitstraling (relatie met vestigingsklimaat, woonsfeer en bijvoorbeeld toerisme). De belevingswaarde staat voorop. Eenheid, ‘rust’ en samenhang spelen belangrijke rollen in de uiteindelijke kwaliteit. Is er sprake van mooie materialen, een goede detaillering en een passende aankleding (groen, straatmeubilair of kunst)? Duurzaamheid gaat over de toekomstkansen van het ontwerp. Ook ecologie en biodiversiteit spelen hierin belangrijke rollen. Voor het overige gelden ook veel praktische aspecten; Verouderen materialen mooi? Is het ontwerp goed uitgevoerd, is het goed te onderhouden? Is het vandalismebestendig, klimaatbestendig etc. Faciliteer ruimte voor ‘schone‘ vormen van mobiliteit Mobiliteit staat in dienst van de gezonde leefomgeving en de ruimtelijke verdichting. Dit betekent dat we op zoek moeten naar een goede balans tussen voetganger, fietser, OV en auto. We zetten in op nieuwe schone vervoersmiddelen en duurzaam reisgedrag. Er gelden lagere autoparkeernormen voor nabijheid van OV-stations, extra fietsparkeerruimte en deelmobiliteit. Elk plan moet voorzien in beweeg- en parkeerruimte voor fietsen, voetgangers, auto’s, scooters, bakfietsen etc. en laadfaciliteiten hiervoor, en moet voldoen aan bijbehorende kwaliteitseisen. Logistieke voorzieningen worden inpandig ingepast, waarbij de bevoorrading vlot, veilig en schoon plaats kan vinden (bijvoorbeeld door inpandig laden & lossen, laad & los routes, restricties aan formaat/emissies voertuigen, etc.). Dit vindt niet plaats aan de meest publieke kant van een initiatief. STOMP principe, mobiliteitstransitie betekent duurzame mobiliteit vooropstellen Toegankelijkheid minder validen, minder draagkrachtigen, kinderen De verschillende doelgroepen bewegen veilig en op een aantrekkelijke manier door het gebied Energievoorzieningen worden in samenhang met de omgeving ontworpen en stand-alone oplossingen zijn niet wenselijk. Gekozen wordt voor inpandige voorzieningen of voorzieningen die landschappelijk ingebed zijn in de context. Deze voorzieningen zijn zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken en groen aangekleed. Ruimte voor energie In het Beleidskader Energie
(2024)zijn ruimtelijke aspecten opgenomen waar rekening mee gehouden dient te worden bij gebieds- en planontwikkelingen: Bij de stedenbouwkundige opzet van de gebiedsontwikkeling wordt energievraag en -aanbod waar mogelijk ruimtelijk bij elkaar gepland en rekening gehouden met de benutting van de energiepotentie in het gebied. Dit geldt niet enkel voor gebiedsontwikkelingen maar is bijvoorbeeld ook van toepassing bij transformaties. De ruimtelijke inpassing van het energiesysteem (boven- en ondergronds) is onderdeel van de stedenbouwkundige en architectonische uitwerking van de ontwikkeling. Een optimale benutting van de energiepotentie in het gebied en meervoudig ruimtegebruik zijn hierbij het uitgangspunt. In straatprofielen met beperkte ruimte in de ondergrond worden kabels en leidingen zoveel mogelijk verticaal geordend. Bronnen voor gebouwgebonden bodemenergiesystemen, decentrale energiecentrales, trafo’s en andere onderdelen voor het energiesysteem worden bij nieuwbouw inpandig of op het private perceel ingepast. Hoogwaardig ontwerp wordt ingezet om weloverwogen doelen in de openbare ruimte te bereiken Insteek is dat alle functionele ingrepen op een zodanige wijze vormgegeven worden dat het de kwaliteit op die plek ondersteunt of versterkt. Een fraaie vormgeving kan ook ingezet worden om functies en gebruiksmogelijkheden te verhelderen of te accenturen. Op deze manier kan de gemeente aangeven hoe belangrijk een bepaalde plek in de stad is. Zo is de inrichting van de pleinen en het voetgangersgebied in het centrum altijd hoogwaardig. Maar ook buiten het centrum komen diverse plekken voor waar het inrichtingsniveau het belang van de locatie onderstreept: bijvoorbeeld bij parken, wijkcentra en bijzondere gebieden zoals bijvoorbeeld de cultuurhistorisch waardevolle dorpskernen. Het is van belang dat deze kwaliteit wordt onderstreept door de kwaliteit van de bebouwing en andersom. Bij omvangrijke particuliere complexen met een publieke betekenis zoals bijvoorbeeld het universiteitscomplex, Interpolis-Tivoli, de Muzentuin en museum De Pont moeten bebouwing en (semi)openbaar gebied in een samenhangende kwaliteit worden ontworpen. De kwaliteit van openbare ruimte valt en staat met een goed beheer. Het ontwerpen en inrichten van een ruimte op basis van een doordacht plan leidt in beginsel tot een verzorgde omgeving. Maar als het onderhoud van deze ruimte in gebreke blijft kan verval en verrommeling optreden. Bij een goed ontwerp wordt nagedacht over het beheer en onderhoud. Een goed ontwerp gaat daarom altijd gepaard met een beheerplan en bijbehorende financiën. ‘Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR)’ In het HIOR zijn drie kwaliteitsniveaus vastgesteld; een minimale basiskwaliteit, pluskwaliteit en sterkwaliteit. In de hele gemeente streven we naar een minimale basiskwaliteit. Op plekken waar veel voetgangers komen, streven we naar een pluskwaliteit. Het gaat om routes naar scholen, treinstations en belangrijkste bushaltes (‘top-haltes’), grote zorginstellingen, winkelcentra, voorzieningen (bijv. musea, bioscopen en theaters), groen/parken en belangrijke autoparkeergarages en fietsenstallingen. Dit geldt ook voor sommige linten en herdgangen. Uiteindelijk moeten de plekken met pluskwaliteit met elkaar worden verbonden om zo een plusnetwerk te vormen; Op plekken die echt het domein zijn van de voetganger, werken we naar sterkwaliteit. Het gaat om het voetgangersgebied centrum, de Museumroute en de Kennisas (inclusief de Campus); Er zijn aparte eisen voor bedrijventerreinen opgesteld. Die mogen op een paar punten aan lagere eisen voldoen dan de basiskwaliteit. Cultuurhistorisch waardevolle plekken en gebouwen verdienen extra aandacht om het verhaal van de plek te behouden of te versterken. Voor de bijzondere cultuurhistorisch waardevolle plekken en omgeving van monumenten dient met extra zorg rekening te worden gehouden met het behouden of versterken van het historische karakter. Een passende historische uitstraling heeft de voorkeur. De inrichting dient in ieder geval niet de zichtbaarheid van historische plek of gebouw zoals een monument te beperken. Zie ook de algemene criteria voor het ruimtelijk erfgoed in paragraaf 6.1. Kunst in de openbare ruimte In 2023 is de visie ‘Cultuur in het publieke domein – over het benutten van het maatschappelijk potentieel van kunst’ door de raad vastgesteld. In zijn meest compacte vorm stelt de visie: “in Tilburg draagt kunst bij aan het collectief eigenaarschap van een betekenisvolle publieke ruimte”. De publieke ruimte is in principe van iedereen. Waar iedereen een plaats heeft, en belangen. En waar we zeggenschap over hebben. Maar in de praktijk vermindert het publieke karakter steeds verder door de beperkingen die we ervaren. Kunst bevordert een persoonlijke relatie met een omgeving, en een gevoel van zeggenschap, of: eigenaarschap, daarover. Een ruimte is betekenisvol als mensen zich kunnen identificeren met een plek. Bijvoorbeeld doordat ze zich aangesproken voelen door het ‘verhaal’ dat deze biedt. Kunst kan hier een belangrijke rol spelen door haar zeggingskracht, meervoudigheid, gelaagdheid, en door die plek te verbijzonderen. Zo’n publieke ruimte, die van betekenis is, kent een betere verblijfskwaliteit, stimuleert interactie en nodigt je misschien uit om je te verhouden tot individuele of gemeenschappelijke thema’s. Het Tilburgs beleid beoogt betrokkenheid, verbondenheid en zeggenschap van de bewoners te versterken, is wijkgericht, kent kunst en cultuur een belangrijke rol toe bij stadsontwikkeling, en zoekt daarbij naar maatschappelijk draagvlak voor de kunst. Als het gaat om kunst in het kader van stads- of gebiedsontwikkeling is de onlangs opgerichte stichting SPOOR het eerste aanspreekpunt. SPOOR is Tilburgs onafhankelijk expertisecentrum voor kunst in het publieke domein en daarmee de organisatie die gestalte en invulling geeft aan gemeentelijk beleid op het gebied van kunst in de publieke ruimte. ‘Zandpoort’ Dit kunstwerk van kunstenaarscollectief Observatorium is op initiatief van bewoners van de Reeshof langs het Wilhelminakanaal gerealiseerd. Het ‘jaagpad voor racefietsen en e-bikes’ is verrijkt met een Japans aandoend paviljoen. Een plek om wat tijd door te brengen, bij zinnen te komen, een praatje te maken. Een grote schommel en ander zitmeubilair bieden een uitzicht over het kanaal en op de indrukwekkende kranen aan de overkant waarmee containers worden geladen en gelost. De detaillering van het kunstwerk lijkt dan wel Japans, maar blijkt tegelijkertijd een beeldecho van de kranen aan de overkant te zijn. Een plek met verblijfskwaliteit, dus. 6.4.Thematische beoordelingskaders Er zijn ook beleidsambities die niet direct vallen onder een concrete omgevingsplanactiviteit, maar waarbij we wel willen sturen op kwaliteit. Dit gaat dan over ambities ten aanzien van de verdichtingsopgave, toekomstbestendig bouwen en het realiseren van goede woningen voor verschillende doelgroepen. Deze paragraaf bevat algemene uitgangspunten voor deze thema's. Sommige thema's zijn al (deels) uitgewerkt in vastgesteld beleid (zoals de hoogbouwvisie). Andere thema's vragen juist nog om een nadere uitwerking. In deze paragraaf wordt een eerste aanzet voor een uitwerking gedaan. Daarmee heeft deze paragraaf ook een agenderend doel. 6.4.1.Verdichting Tilburg is gegroeid naar circa 230.000 inwoners
(2024)en is daarmee de zevende stad van Nederland. Deze ontwikkeling is lange tijd geleidelijk gegaan, maar heeft ook enkele groeispurten gekend. Tijdens de opkomst van de textielindustrie tussen 1860 en 1870 groeide het inwonertal met 44%. In de jaren ’50, ’60 en ’70 groeide de stad eveneens snel, net als met de inlijving van Berkel-Enschot en Udenhout in de jaren ’90 en Biezenmortel in 2021. Nu wordt er weer een sterke groei voorspeld in een in een relatief korte periode; naar 262.000 inwoners in 2040 (Trends en ontwikkelingen Tilburg 2050, februari 2024). De Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie wonen
(2021)gaat uit van het realiseren van ruim 25.000 nieuwe woningen tot 2040, grotendeels binnen de bestaande buurten en wijken. Deze update bevat ook richtinggevende verdichtingsprincipes. Hierbij sluiten we aan op de speerpunten als opgenomen in het Woonbeleid 2025-2030. Dat betekent dat we voor belangrijke keuzes staan, zowel in de dorpen als in de stad. ‘Verdichtingsprincipes uit de Update Stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen
(2021)’ Met een menselijke maat: een omgeving waarin mensen zich prettig voelen, met een stedelijk leven op ooghoogte, interactie tussen gebouwen en openbare ruimte, een fijnmazig netwerk van openbare ruimte en inrichting en beheer van de openbare ruimte die aansluit op toekomstig gebruik. Daarbij vinden we ook het kwaliteitsniveau en de representativiteit van de openbare ruimte belangrijk. Duurzaam en toekomstgericht: een klimaatadaptieve, klimaatneutrale en gezonde omgeving die ontmoeting stimuleert, en verstedelijking in combinatie met veranderende duurzame mobiliteit. Voortbouwend op het Tilburgse weefsel: de cultuurhistorische tijdslagen en het DNA van stad blijven zichtbaar. Daarvoor het nodig dat we gebiedsgericht werken en er op een passende wijze en mate wordt verdicht, ingeweven en vermengd. Met maatschappelijk rendement en betrokkenheid: we creëren een actief proces van denken en doen met bewoners, marktpartijen, instellingen en andere partners om toegevoegde waarde te realiseren in de stad. Dit vindt plaats op verschillende abstractieniveaus; van het opstellen van beleid, het ontwikkelen van visies tot en met het ontwerpproces in verschillende gradaties van participatie tot co-creatie. De gebruiker staat hierbij centraal. Verdichting kan niet los gezien worden van andere (ruimtelijke) opgaven. De opgaven die voortkomen uit de Woonzorgvisie en de lokale paragraaf vormen een onderdeel van de gebiedsvisies en -agenda’s. Verdichting gaat daarmee ook over het integreren van sociaal beleid in gebiedsgerichte afwegingen en bij concrete ruimtelijke ontwikkelingen. Verdichting in de stad De verdichtingsopgave in de stad biedt allerlei mogelijkheden om de kwaliteit van de leefomgeving van zowel de buurt, de stad als de regio te versterken. Meer stedelijkheid en meer natuur en landschap creëert kansen voor een aantrekkelijk vestigingsmilieu, onder meer voor onderwijs, cultuur en werkgelegenheid, en daarmee draagvlak voor voorzieningen en aantrekkelijke stedelijke woonomgevingen. Hierbij streven we naar een goede stedelijke woonkwaliteit. Deze bestaat onder meer uit een aantrekkelijke woonomgeving, hoogwaardige architectonische verschijningsvorm, goede fysieke woningkenmerken en een goede mix van functies en doelgroepen. Dit alles in toegankelijke en veilige gebouwen met functies die ook ten dienste staan van de bestaande omgeving. Met de ontwikkeling van de hoogbouwvisie
(2025)zijn uitgangspunten en criteria voor de verdichtingsopgave in de stad uitgewerkt. Naast verdichting door hoogbouw ligt er ook een grote opgave voor intensieve verdichting in naoorlogse woonwijken, zoals Tilburg Noord, Tilburg West en Groenewoud. Deze wijken zijn grotendeels opgebouwd als Post 65 structuren. De vastgestelde gebiedsperspectieven en het omgevingsprogramma voor het kenniskwartier beschrijven de opgaven die gelden voor deze gebieden. Om deze perspectieven en het programma ook kwalitatief goed in te bedden in de bestaande omgeving is een aanvullend gebiedsgericht kwaliteitskader noodzakelijk. De analyse van het stedelijk weefsel, het ruimtelijk systeem (hoofdstuk 3) en de 13 basisregels (hoofdstuk 5) geven hier een eerste aanzet voor. Een gebiedsgericht kwaliteitskader geeft inzicht in de samenhang bij het werken aan de verschillende opgaves in het gebied en zorgt voor een gemeenschappelijke toolbox ten aanzien van kwaliteit. De gebiedsbiografie wordt hierbij als instrument ingezet om voor het kwaliteitskader de juiste bestaande waarden en kwaliteiten te benoemen, waarop de ontwikkelingen kunnen voorborduren. Een visie op de waarden van het Post 65 erfgoed is hier onderdeel van. Andere aandachtspunten zijn de inzet van collectieve gebruiksruimtes, de invulling van plinten, daktuinen, afsluitbaarheid, algemene toegankelijkheid en het stimuleren van ontmoeting. Verdichting in dorpen Ook verdichting in de dorpen vraagt om een visie; wat is de betekenis van de plek en hoe wordt nieuw dorps wonen in deze context toegepast? Welke kansen biedt dorpse verdichting die ontmoeting stimuleert? De opgaven voor de dorpen Berkel-Enschot, Udenhout en Biezemortel zijn omvangrijk en divers, de koers is uitgezet in het Koersdocument Oostflank. De inzet is het vergroten van de leefbaarheid van de dorpen en buitengebied, door het realiseren van een prettig verblijfsklimaat dat ontmoeting bevordert. De linten en hoofdwegen vormen de lange lijnen die Tilburg met het buitengebied, de dorpskernen onderling en het landschap verbinden. De dorpskernen en OV knopen lenen zich voor het combineren van voorzieningen met wonen rondom aantrekkelijke verblijfsgebieden. De doelstelling bij verdichting in de dorpen is om een diverser woningaanbod te creëren, zodat starters en doorstromers een passende (betaalbare) woning in de dorpen kunnen vinden. Goede dorpse woonkwaliteit, het Nieuw Dorps Wonen, stimuleert ontmoeting en het gevoel van samenhorigheid. Het bestaande landschap wordt behouden en versterkt door niet overal te bouwen. Erfgoed maakt deel uit van de bestaande dorpse identiteit. Aantrekkelijke woonomgevingen zijn in samenhang met de buurt ontworpen waarbij de natuur en het landschap de ruimte krijgt. Stedenbouwkundige typologieën en passende architectonische verschijningsvormen, goede fysieke woningkenmerken en een mix van functies voor verschillende doelgroepen zorgen voor een onalledaags woningaanbod in een groene omgeving waarin ruimte is voor collectiviteit. Ook bij de doorontwikkeling van de dorpen en het buitengebied geeft een gebieds- en ontwikkelgericht kwaliteitskader sturing en inspiratie op het kwalitatief goed inbedden van de ruimtelijke verdichtingsopgave in de bestaande omgeving. De analyse van het stedelijk weefsel, het ruimtelijk