← Nederland

Besluit algemene voorschriften regeling melkrundveehouderijen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997 (Limburg)

In het kort

Dit besluit stelt algemene voorschriften vast voor melkrundveehouderijen die gevestigd zijn in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg, met als doel het grondwater te beschermen tegen verontreiniging. Het regelt de opslag van mest, veevoer en diverse vloeistoffen en chemicaliën.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Besluit algemene voorschriften regeling melkrundveehouderijen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997BESLUITEN ALGEMENE VOORSCHRIFTEN REGELING GRONDWATER-BESCHERMINGSGEBIEDEN 1997 Artikel 1 In dit besluit en de bijlage bij dit besluit wordt verstaan onder: Een melkrundveehouderij: een melkrundveehouderij die valt onder de werking van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer (Stb. 1991, 324); Grondwaterbeschermingsgebied: een als grondwaterbeschermingsgebied nader aangeduid milieubeschermingsgebied als aangewezen in bijlage 6, artikel II van de Provinciale milieuverordening Limburg; Bevoegd gezag: het gezag, dat overeenkomstig artikel 8.2 van de Wet milieubeheer bevoegd is of zou zijn een vergunning voor een melkrundveehouderij te verlenen; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Limburg; Waterleidingbedrijf: het waterleidingbedrijf ten behoeve waarvan het grondwaterbeschermingsgebied waarin de inrichting is gelegen wordt beschermd; CPR 9-1: de richtlijn CPR 9-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Vloeibare aardolieproducten, ondergrondse opslag in stalen tanks en afleverinstallaties voor motorbrandstof", vijfde druk 1993, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; CPR 9-6: de richtlijn CPR 9-6 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Vloeibare aardolieproducten, Buitenopslag van K3-producten in bovengrond¬se stalen tanks (0,2 tot 150 m3)", eerste druk 1993, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; CPR 15-1: de richtlijn CPR 15-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Opslag gevaarlijke stoffen in emballage", voor opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0-10 ton), tweede druk 1990, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; KIWA: KIWA N.V., Instituut voor certificatie, keuringen en advisering integrale kwaliteitszorg voor bouw-, water- en milieusector, gevestigd te Rijswijk; Streefwaarden: de waarden zoals die zijn opgenomen in de circulaire van 9 mei 1994, no. DBO/07494013 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 (BRM 1990): een door de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer(VROM) en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij(LNV) uitgegeven publicatie ten behoeve van de aanleg van nieuwe mestopslagen; Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins (HBRM 1991): een door het Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving (CUR) en het DLO Instituut voor Mechanisatie, Arbeid en Gebouwen (IMAG DLO) opgestelde richtlijn, tweede druk 1991. ISBN 90 5406 003 4; Vormgegeven bouwstof: bouwstof, met een volume per kleinste eenheid van tenminste 50 cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft; Niet vormgegeven bouwstof: bouwstof, niet zijnde een vormgegeven bouwstof; Grond: niet vormgegeven bouwstof met een vaste structuur, die van natuurlijke oorsprong is, niet door de mens is geproduceerd en onderdeel van de Nederlandse bodem kan uitmaken; Melding: een melding als bedoeld in artikel 4 van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer; Emballage: glazen flessen tot 5 liter, kunststof flessen of vaten tot 60 liter, metalen bussen tot 25 liter, stalen vaten en kunststof drums tot 100 liter en papieren of kunststof zakken; Schadelijke stoffen: stoffen of combinaties van stoffen, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval verwacht kan worden dat ze de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen. Artikel 2 Het verbod in artikel 5.25, eerste lid van de Provinciale milieuverordening Limburg geldt niet voor melkrundveehouderijen die zijn gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften in bijlage I behorend bij dit besluit. Artikel 3 Diegene die voornemens is een melkrundveehouderij op te richten meldt dit tenminste vier weken voor het oprichten aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden of wijzigen van een melkrundveehouderij, dan wel met betrekking tot het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit uitbreiden, wijzigen of veranderen van de werking van de inrichting geen afwijking ontstaat van de bij die eerdere melding verstrekte gegevens. Bij een melding als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt in ieder geval het tijdstip vermeld, waarop men met de bouw van de melkrundveehouderij begint of de uitbreiding of wijziging daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn, en worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven. De melding dient te worden gedaan op een formulier waarvan het model in het kader van het Besluit algemene voorschriften melkrundveehouderijen in grondwaterbeschermingsgebieden is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Wanneer Gedeputeerde Staten van mening zijn dat de melding niet terecht is gedaan, delen zij dit binnen vier weken schriftelijk mede aan degene die de melding heeft gedaan, alsmede aan het bevoegde gezag. Een op het moment van inwerkingtreding van dit besluit in werking zijnde inrichting dient uiterlijk met ingang van 1 januari 2001 te voldoen aan de in bijlage I van dit besluit vermelde voorschriften. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst. Het Besluit Algemene voorschriften melkrundveehouderijen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg (Besluit van 19 december 1995, provinciaal blad 1995, 51) wordt op de in het eerste lid bedoelde dag ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling kan worden aangehaald als Besluit algemene voorschriften melkrundveehouderijen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. Gedeputeerde Staten voornoemd, mr. B.J.M. Baron van Voorst tot Voorst, voorzitter. mr. H.W.M. Oppenhuis de Jong, griffier. Uitgegeven, 4 maart 1997. de griffier der Staten van Limburg mr. H.W.M. Oppenhuis de Jong BIJLAGE I, behorende bij het besluit algemene voorschriften melkrundveehouderijen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. II Voorschriften 1. De opslag van mest 1.1 Algemeen. 1.1.11 Voor een opslag van mest welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit dient, waar in het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer, de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 of de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins sprake is van "mestdichte voorzieningen" te worden gelezen "vloeistofdichte voorzieningen". 1.1.12 Op een mestopslag welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit is de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins van toepassing. 1.1.13 Bij een mestkelder welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit dient bij de aansluiting van de wand op de vloer een kimplaat te zijn aangebracht, welke steeds voorkomt dat er ter plaatse lekkage optreedt. 1.1.14 Bij gebruik van beton als vloeistofdichte voorziening dient (dienen) bij een mestkelder welke tot stand wordt gebracht na het inwerking treden van dit besluit: de beton van de kwaliteit B35 te zijn; de vloeistofindringing van de vloeistofdichte constructie niet meer dan 30 mm te bedragen. Hiertoe dienen per 100 m3 te gebruiken betonmortel 3 proefkubussen (met een minimum van 2) op vloeistofindringing te worden onderzocht conform de proef beschreven in de norm ISO/DIS 7031. De beproeving dient plaats te hebben met water; dilatatievoegen alsmede doorvoeringen voor de bekisting vloeistofdicht te zijn afgewerkt met daartoe geschikt voegvullingsmateriaal. 1.1.15 Mestopslagen dienen eenmaal per 10 jaar door een onafhankelijke instantie te worden geïnspecteerd op hun technische toestand en op vloeistofdichtheid. De resultaten van een dergelijke inspectie moeten aan het bevoegd gezag worden overgelegd. 1.2 Mestsilo's. 1.2.20 Bij een mestsilo welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit moet voor het ontwerp van de constructie vooraf door of namens het KIWA een geschiktheidsverklaring zijn afgegeven en zijn op de levering of aanneming tot vervaardiging van de silo de Standaard Aannemingsvoorwaarden Mestbassins 1988 (SAVM '88) van toepassing, zoals deze door het KIWA zijn uitgebracht. 1.2.21 Op de vloer van een mestsilo welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit, zijn de desbetreffende bepalingen van de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 en van de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins van toepassing. 1.2.22 Bij een mestsilo welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit dient bij de aansluiting van de wand op de vloer een kimplaat of een vergelijkbare voorziening te zijn aangebracht, welke steeds voorkomt dat er ter plaatse lekkage optreedt. 1.2.23 Bij gebruik van beton voor de vloer van de mestsilo dient (dienen): de beton van de kwaliteit B35 te zijn; de vloeistofindringing van de vloeistofdichte constructie niet meer dan 30 mm te bedragen. Hiertoe dienen per 100 m3 te gebruiken betonmortel 3 proefkubussen (met een minimum van 2) op vloeistofindringing te worden onderzocht conform de proef beschreven in de norm ISO/DIS 7031. De beproeving dient plaats te hebben met water; dilatatievoegen vloeistofdicht te zijn afgewerkt met daartoe geschikt voegvullingsmateriaal. 1.3 Foliebassins. 1.3.23 Het gebruik van foliebassins in grondwaterbeschermingsgebieden is niet toegestaan. 1.4 De opslag van vaste mest in stallen. 1.4.1 De opslag van vaste dierlijke mest in de stallen moet geschieden op een vloeistofdichte vloer, die is voorzien van een opstaande rand of een gelijkwaardige voorziening, welke voorkomt dat uitzakkend mestvocht in de bodem kan geraken. 1.4.2 Op een opslag van vaste dierlijke mest, welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit zijn de desbetreffende bepalingen van de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 en van de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins van toepassing. 1.4.3 Bij een opslag van vaste mest welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit dient bij de aansluiting van de wand op de vloer een kimplaat of een vergelijkbare voorziening te zijn aangebracht, welke steeds voorkomt dat er ter plaatse lekkage optreedt. 1.5 De opslag van kunstmest. 1.5.1 Een opslag van kunstmest dient te zijn voorzien van een bodembeschermende voorziening welke steeds voorkomt, dat schadelijke stoffen in de bodem geraken. Het functioneren van deze voorziening dient regelmatig te worden gecontroleerd. 1.5.2 Vloeistoffen, afkomstig van de in voorschrift 1.5.1 van dit besluit bedoelde bodembeschermende voorziening dienen zodanig te worden afgevoerd, dat ze niet in de bodem kunnen geraken. 1.6 De opslag van organische meststoffen, niet zijnde dierlijke mest. 1.6.1 Een opslag van organische meststoffen, niet zijnde dierlijke mest, moet geschieden op een vloeistofdichte mestplaat, die is voorzien van een opstaande rand of een gelijkwaardige voorziening. De stapeling van de mest moet zodanig geschieden dat uitzakkend vocht niet van de mestplaat kan vloeien. 1.6.2 Op een opslag van organische meststoffen, niet zijnde dierlijke mest, welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit zijn de bepalingen van de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 en van de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins van toepassing. 1.6.3 Bij een opslag van organische meststoffen, niet zijnde dierlijke mest, welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit dient bij de aansluiting van de wand op de vloer een kimplaat of een vergelijkbare voorziening te zijn aangebracht, welke steeds voorkomt dat er ter plaatse lekkage optreedt. 2. De opslag van veevoer 2.7 Een kuilvoeropslag moet zodanig zijn uitgevoerd dat er geen perssap of uitzakkend vocht in de bodem kan geraken. 9. Bewaren bestrijdingsmiddelen, K1 , K2 en K3 vloeistoffen en chemicaliën in emballage 9.4 De vloer en de wanden van de opslagruimte moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij een vloeistofdichte bak vormen, dan wel dienen de opgeslagen producten in een vloeistofdichte bak te zijn geplaatst. 9.5 Indien de opslag aan K1 , K2 , K3 vloeistoffen en chemicaliën in emballage meer bedraagt dan 25 liter dan dienen ten behoeve van deze opslag de bodembeschermende voorzieningen te zijn getroffen als bedoeld in de CPR 15 1. 9.6 Indien het vaatwerk bestemd is tot het aftappen van vloeistoffen, moeten vloeistofdichte lekbakken zijn geplaatst, dan wel moet het vaatwerk zijn geplaatst op een vloeistofdichte vloer. 12. Voorschriften voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen in ondergrondse stalen tanks (nieuwe installaties) 12.11 Het plaatsen van een nieuwe ondergrondse tank voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen is niet toegestaan. 13. Voorschriften voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen in ondergrondse stalen tanks (bestaande installaties). 13.14 Indien een ondergrondse tank op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt reeds 20 jaar of langer geleden is geplaatst, wordt deze tank uiterlijk binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit buiten gebruik gesteld en verwijderd. Dit ongeacht de uitslag van de beoordeling overeenkomstig voorschrift 5.2.1.3 en 5.2.1.4 van de CPR 9 1. Indien het verwijderen van de tank niet mogelijk is, of onevenredig hoge kosten met zich meebrengt, kan de tank op een andere wijze buiten bedrijf worden gesteld. 13.15 Op het verwijderen of het anderszins buiten gebruik stellen van een ondergrondse tankinstallatie voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen is het gestelde in bijlage VI van het Besluit ondergronds opslaan in tanks (Stb. 1993, 46) van toepassing. 13.16 Een verwijderde tank, dan wel een op een andere wijze definitief buiten gebruik gestelde tank mag niet worden vervangen door een nieuwe ondergrondse tank. 13.17 Voor een bestaande ondergrondse tank, welke bij het in werking treden van dit besluit jonger is dan 20 jaar geldt voor de periode dat deze nog in bedrijf is het keuringsregime zoals dit is aangegeven in paragraaf 9.3.1 van hoofdstuk 9 van de CPR 9 1. Indien de tank wordt afgekeurd geldt het gestelde in voorschrift 13.14 van dit besluit. Indien de tank wordt goedgekeurd mag hij in gebruik blijven tot maximaal 20 jaar nadat hij geplaatst is. 16 Voorschriften voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks met een inhoud van meer dan 200 liter en ten hoogste 5000 liter 16.2 Constructievoorschriften. 16.2.17 Ten aanzien van de installatie en het gebruik van een nieuw te plaatsen tank en de bijbehorende voorzieningen geldt het gestelde in de CPR 9 6. 16.2.18 Bij zowel nieuwe als bestaande opslagen dienen de bodembeschermende voorzieningen te zijn getroffen als aangegeven in hoofdstuk 5, artikel 5.7.2 en 5.7.3 van de CPR 9 6. 17. Afleverpompen voor motorbrandstoffen 17.14 Indien aan een tank een afleverinstallatie (elektrisch of handbediend) met een doorzet van 10.000 liter per jaar of meer is verbonden, dan dienen de maatregelen en voorzieningen te zijn getroffen zoals die in hoofdstuk 8.28 onder artikel 8.28.5 van de CPR 9 1 zijn aangegeven. 17.15 Indien aan een tank een afleverinstallatie (elektrisch of handbediend) met een doorzet van minder dan 10.000 liter per jaar is verbonden, dan dienen de maatregelen en voorzieningen te zijn getroffen zoals die in hoofdstuk 5.3 artikel 5.3.11 van de CPR 9 6 zijn aangegeven. Indien daar sprake is van "aaneengesloten verharding" moet daar voor worden gelezen "vloeistofdichte verharding". 18. Bodemonderzoek 18.1 Binnen 4 maanden na acceptatie van de melding door het bevoegd gezag en Gedeputeerde Staten dient de bodem van de inrichting ter plaatse van een bestaande olie opslag, een nieuw te plaatsen olie opslag en bij de afleverpomp(

  1. en)te worden onderzocht om de bestaande kwaliteit vast te leggen (nulsituatie). De bepaling van de nulsituatie dient te worden uitgevoerd conform de NVN 5740 of het protocol Nulsituatie/BSB onderzoek. Het chemisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert, dat is gebaseerd op de Europese norm NEN.EN 45.001 (Algemene criteria voor de beoordeling van beproevingslaboratoria). De resultaten van het onderzoek dienen binnen een maand nadat het onderzoek is afgerond te worden gezonden aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. 18.2 Bij beëindiging van de inrichting dient een herhalingsonderzoek te worden uitgevoerd conform het gestelde in voorschrift 18.1 van dit besluit. 19. Het uitvoeren van werkzaamheden 19.1 In toe te passen grond mogen geen verontreinigingen voorkomen in concentraties die de streefwaarden overschrijden, tenzij het een lichte overschrijding van de genoemde waarden betreft welke ook regionaal in het gebied voorkomen. Een dergelijke situatie dient ten genoegen van het bevoegd gezag te worden aangetoond. Indien de streefwaarden voor de stoffen genoemd in bijlage III, tabel 3, lager liggen dan de in deze tabel opgenomen waarden, dan gelden de hogere regionale referentiewaarden van tabel 3. 19.2 Voor toe te passen overige niet vormgegeven bouwstoffen geldt dat deze ten aanzien van de chemische samenstelling en de uitloging moeten voldoen aan de waarden die zijn genoemd in bijlage III, tabel 1. Dit geldt tevens voor vormgegeven bouwstoffen, voor zover bij de productie daarvan gebruik gemaakt is van secundaire bouwstoffen (m.u.v. niet teerhoudend asfalt). 19.3 Ten einde na te gaan of de te (her)gebruiken materialen voldoen aan de eisen gesteld in voorschrift 19.1 en 19.2 dienen deze te worden bemonsterd en op hun chemische samenstelling en uitloging te worden onderzocht. Hierbij geldt het volgende: a. van iedere afzonderlijke partij dient tenminste een monster te worden genomen. Voor partijen groter dan 500 m3 moet per 500 m3 een monster worden genomen; b. ieder monster van een niet vormgegeven bouwstof moet worden samengesteld uit een minimaal aantal grepen zoals aangegeven in bijlage III, tabel 2 behorende bij dit besluit; c. grond dient tenminste te worden onderzocht op zware metalen (Cr, Cd, Ni, Cu, Zn, Hg, Pb), arseen, PAK, EOX, aromaten, minerale olie, lutum en organisch stof. De materialen als bedoeld onder voorschrift 19.2 dienen te worden onderzocht op de parameters als genoemd in bijlage III, tabel 1 van dit besluit. Indien er aanwijzingen zijn, dat er ook andere verontreinigingen in het betreffende materiaal aanwezig kunnen zijn, dient ook hiernaar onderzoek te worden verricht. 19.4 Tenminste twee werkdagen voorafgaand aan het verwerken van de bouwstof dient een verklaring, waarin de resultaten van het onderzoek als bedoeld in voorschrift 19.3 zijn opgenomen, alsmede de herkomst van het materiaal, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd. 20. Wasplaatsen 20.1 Het wassen van motorvoertuigen en werktuigen mag alleen plaats vinden op een daarvoor bestemde wasplaats.20.2 De wasplaats moet zodanig zijn ingericht, dat de nevel ten gevolge van het wassen, zich niet buiten de wasplaats kan verspreiden. 20.3 De vloer van de wasplaats moet vloeistofdicht zijn. 20.4 De vloer moet afwaterend gelegd zijn naar een of meer schrobputten of afvoergoten of een vloeistofdichte opvangvoorziening. Doorvoeringen van kabels en leidingen moeten vloeistofdicht zijn afgewerkt. 20.5 Oliën, vetten, modder of water mogen niet over de rand van de vloer van de wasplaats, anders dan in de schrobput of afvoergoot worden geveegd of geschrobd. 21. Inspectie bodemvoorzieningen 21.1 De in dit besluit voorgeschreven voorzieningen ter bescherming van de bodem dienen jaarlijks visueel te worden gecontroleerd op de technische toestand en de goede werking. De resultaten van deze inspectie dienen in een logboek te worden vermeld, dat te allen tijde voor het bevoegd gezag ter inzage moet liggen. Eventuele gebreken dienen onmiddellijk te worden hersteld. BIJLAGE II, behorende bij het besluit algemene voorschriften melkrundveehouderijen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997.Bij een melding of kennisgeving als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid van dit besluit moeten de navolgende gegevens worden verstrekt: a. de gegevens als bedoeld in bijlage II van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer (staatsblad 324, 1991), b. een verklaring waaruit blijkt: 1. dat voor het ontwerp van de constructie van een mestsilo door of namens het KIWA een geschiktheidsverklaring is afgegeven en 2. dat op de levering of aanneming tot vervaardiging van de silo de Standaard Aannemingsvoorwaarden Mestbassins 1988 (SAVM '88) van toepassing zijn, zoals deze door het KIWA zijn uitgebracht. c. een verklaring waaruit blijkt, dat voldaan wordt aan de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins, d. een verklaring waaruit blijkt, dat bij de aansluiting van de wand op de vloer van een mestkelder, een mestsilo, een mestplaat of een opslag voor organische meststoffen, niet zijnde dierlijke mest een kimplaat is of zal worden aangebracht, e. een verklaring waaruit blijkt dat de beton voldoet aan de kwaliteit B35 en de vloeistofindringing niet meer bedraagt dan 30 mm; f. een verklaring waaruit blijkt, dat de mestopslag geen foliebassin betreft, g. een verklaring waaruit blijkt, dat er geen ondergrondse tanks voor de opslag van aardolieproducten aanwezig zijn welke ouder zijn dan 20 jaar, h. bij gebruik van secundaire bouwstoffen, gegevens omtrent de chemische samenstelling en de uitloging. BIJLAGE III, tabel 1 behorende bij het Besluit algemene voorschriften melkrundveehouderijen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. EISEN VOOR BOUWSTOFFEN, NIET ZIJNDE GROND. type eis: max. imissie samenstelling soort bouwstof: niet-vromgegeven vormgegeven eenheid: mg/m2 per 100 jaar mg/kg mg/kg 1. METALEN Cr (chroom) 1500 - - Co (cobalt) 300 - - Ni (nikkel) 525 - - Cu (koper) 540 - - Zn (zink) 2100 - - As (arseen) 435 - - Mo (molybdeen) 150 - - Cd (cadmium) 12 - - Sb (antimoon) 39 - - Se (seleen) 15 - - Sn (tin) 300 - - Ba (barium) 3000 - - Hg (kwik) 4,5 - - Pb (lood) 1275 - - V (vanadium) 1020 - - 2. ANORGANISCHE VERBINDINGEN F.tot (fluoride) 7500 - - CN.-tot. vrij (cyanide) 15 - - CN.-tot. complex 75 - - SO4 (sulfaat) 45000/9000 1) - - Br. (bromide) 300 - - Cl. (chloride) 30000/60000 1) - - 3.AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen - 1,25 1,25 Ethylbenzeen - 1,25 1,25 Tolueen - 1,25 1,25 Xylenen (som) 2) - 1,25 1,25 Fenolen - 1,25 1,25 4. PAK'S 0,5 1 Naftaleen - 3 5 Fenantreen - 3 5 Antraceen - 3 5 Fluoranteen - 1 1 Chryseen - 25 50 Benzo(a)antraceen - 3 5 Benzo(a)pyreen - 25 50 Benzo(k)fluoranteen - 25 50 Indeno (1,2,3cd)pyreen - 25 50 Benzo (ghi)peryleen - 25 50 PAK's (som 10) 3) - 50 50 5. OVERIGE ORGANISCHE STOFFEN PCB's (som 7) 4) - 0,5 0,5 EOCI totaal (mg CI/
  2. kg)- 3 3 Organochloorhoudende bestrijdingsmid.(som) 5) - 0,5 0,5 Niet- chloorhoudende bestrijdingsmid.(som) 6) - 0,5 0,5 Minerale olie 7) - 250 250 Legenda bij tabel 1 Voor de niet vormgegeven bouwstoffen dient de uitloging te worden bepaald door middel van de kolomproef volgens NEN 7343. Deze waarde betreft de cumulatieve uitloging, uitgedrukt in mg/kg bouwstof bij L/S=10. Voor de vormgegeven bouwstoffen dient de uitloging te worden bepaald door middel van de diffusieproef volgens NEN 7345. Deze waarde betreft de emissie, uitgedrukt in mg/m2 bouwstof over 64 dagen. De genoemde uitloogwaarden dienen te worden omgerekend naar immissiewaarden volgens de methodiek als beschreven in het rapport "Milieuhygiënische kwaliteit van primaire en secundaire bouwmaterialen in relatie tot hergebruik en bodem en oppervlaktewaterenbescherming", no. 771402006 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Voetnoten: 1) De in de tabel aangegeven immissiewaarden voor sulfaat en chloride zijn uitgedrukt in mg/m2 per 1 jaar. De eerste waarden hebben betrekking op toepassingen op of in de "droge" bodem met een infiltratie van regenwater of een grondwaterstroming van 300 mm/jaar. De tweede waarden hebben betrekking op toepassingen in de "natte" waterbouw met een infiltratie van oppervlaktewater of een grondwaterstroming van 600 mm/jaar. 2) Onder "Xylenen (som)" wordt verstaan: de som van m Xyleen, p Xyleen en o Xyleen. 3) Onder "PAK (som 10)" wordt verstaan: de som van Naftaleen, Fenantreen, Antraceen, Fluoranteen, Chryseen, Benzo(a)antraceen, Benzo(a)pyreen, Benzo(k)fluoranteen, Indeno(1,2,3cd)pyreen, Benzo(ghi)peryleen, PAK's totaal. 4) Onder "PCB's (som 7) wordt verstaan: de som van PCB 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180. 5) Onder "Organochloorhoudende bestrijdingsmid. (som)" wordt verstaan: de som van alle chloor bevattende bestrijdingsmiddelen. 6) Onder "niet chloorhoudende bestrijdingsmid. (som)" wordt verstaan: de som van alle bestrijdingsmiddelen met uitzondering van chloorhoudende bestrijdingsmiddelen. 7) Voor de hierna genoemde bouwstoffen geldt in afwijking van de tabel voor minerale olie geen samenstellingswaarde: a. asfalt of asfaltbeton, inclusief mogelijke oppervlakbehandelingen, tussenlagen en deklagen, zijnde een bouwstof die bestaat uit een bindmiddel op basis van bitumen, steenachtig materiaal, zand en vulstof en die als zodanig regulier in wegen of waterbouw, danwel voor constructies van al dan niet vloeistofdichte vloeren wordt gebruikt; b. gestabiliseerd asfaltgranulaat, zijnde een bouwstof die bestaat uit zand, cement en/of bitumenemulsie, water en ten minste 70% (m/
  3. m)asfaltgranulaat, die als zodanig regulier in de wegen en of waterbouw wordt gebruikt en waarbij het gehalte aan asfaltbeton in het asfaltgranulaat ten minste 40% bedraagt; c. asfaltgranulaat, zijnde een bouwstof die als zodanig regulier in funderingen in de wegenbouw wordt gebruikt en die bestaat uit ten minste 80% gebroken of gefreesd asfalt of asfaltbeton; d. gemineraliseerde bitumen dakbedekkingsmaterialen zoals die regulier in de burger en of utiliteitsbouw worden gebruikt. BIJLAGE III, tabel 2 behorende bij het besluit algemene voorschriften melkrundveehouderijen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. AANTAL GREPEN EN OMVANG GREPEN BIJ ONDERZOEK NIET VORMGEGEVEN BOUWSTOFFEN. Totale hoeveelheid Minimaal aantal materiaal grepen m3 0 - 1 1 1 - 2 2 2 - 5 4 5 - 10 6 10 - 15 8 15 - 20 10 20 - 50 20 50 - 100 30 100 - 150 40 150 - 500 50 Aantal (gelijkmatig te verdelen) monsterpunten = aantal grepen gem. laagdikte [m] Maximale korrelgrootte mm Omvang v.d. greep dm3 40 1,0 50 1,7 75 4,0 100 7,0 125 10,0 150 en meer 16,0 Per monsterpunt "greep" over gehele diepte of "top ", "midden " en "bodem "monster. BIJLAGE III, tabel 3 behorende bij het besluit algemene voorschriften melkrundveehouderijen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. REGIONALE REFERENTIEWAARDEN soort bouwstof grond type eis: samenstelling eenheid mg/kg 1. METALEN Cr (Chroom) 38 Cu (koper) 19 Zn (zink) 110 As (arseen) 14 Cd (cadmium) 0,8 Hg (kwik) 0,2 Pb (lood) 37 2. PAK'S Naftaleen 0,15 Fenantreen 0,18 Antraceen 0,03 Fluoranteen 0,45 Chryseen 0,22 Benzo(a)antraceen 0,15 Benzo(a)pyreen 0,15 Benzo(k)fluoranteen 0,15 Indeno (1,2,3cd)pyreen 0,14 Benzo(ghi)peryleen 0,17 PAK's (som 10) 1,2 3. OVERIGE EOX 0,3 BESLUIT ALGEMENE VOORSCHRIFTEN AKKERBOUWBEDRIJVEN IN GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN IN LIMBURG 1997 Artikel 1 In dit besluit en de bijlage bij dit besluit wordt verstaan onder: a. Een akkerbouwbedrijf: een akkerbouw of tuinbouwbedrijf met open grondteelt, dat valt onder de werking van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer (Stb. 1991, 107); b. Grondwaterbeschermingsgebied: een als grondwaterbeschermingsgebied nader aangeduid milieubeschermingsgebied als aangewezen in bijlage 6, artikel II van de Provinciale milieuverordening Limburg; c. Bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.2 van de Wet milieubeheer voor de betrokken inrichting te verlenen; d. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Limburg; e. Waterleidingbedrijf: het waterleidingbedrijf ten behoeve waarvan het grondwaterbeschermingsgebied waarin de inrichting is gelegen wordt beschermd; f. CPR 9-1: richtlijn CPR 9-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Vloeibare aardoliepro¬ducten, onder¬grondse opslag in stalen tanks en afleverinstalla¬ties voor mo¬torbrand¬stof", vijfde druk 1993, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; g. CPR 9-6: concept richtlijn CPR 9-6 van de Commissie Preventie van Rampen door Ge¬vaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Vloeibare aardolieproducten, Buitenopslag van K3-producten in bovengrond¬se stalen tanks (0,2 tot 150 m3)", eerste druk 1993, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; h. CPR 15-1: richtlijn CPR 15-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Opslag gevaarlijke stoffen in emballage", voor opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0-10 ton), tweede druk 1990, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewe¬zen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; i. CPR 15-3: richtlijn CPR 15-3 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Opslag bestrijdingsmiddelen in emballage", voor opslag van bestrijdingsmiddelen in distributiebedrijven en aanverwante bedrijven (vanaf 400 kg), eerste druk 1990, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; j. KIWA: KIWA N.V., Instituut voor certificatie, keuringen en advisering integra¬le kwaliteitszorg voor bouw-, water- en milieusector, gevestigd te Rijs¬wijk; k. Streefwaarden: de waarden zoals die zijn opgenomen in de circulaire van 9 mei 1994, no. DBO/07494013 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; l. Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 (BRM 1990): een door de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer(VROM) en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij(LNV) uitgegeven publicatie ten behoeve van de aanleg van nieuwe mestopslagen; m. Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins (HBRM 1991): een door het Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving (CUR) en het DLO Instituut voor Mechanisatie, Arbeid en Gebouwen (IMAG DLO) opgestelde richtlijn, tweede druk 1991. ISBN 90 5406 003 4; n. Vormgegeven bouwstof: bouwstof, met een volume per kleinste eenheid van tenminste 50 cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft; o. Niet vormgegeven bouwstof: bouwstof, niet zijnde een vormgegeven bouwstof; p. Grond: niet vormgegeven bouwstof met een vaste structuur, die van natuurlijke oorsprong is, niet door de mens is geproduceerd en onderdeel van de Nederlandse bodem kan uitmaken; q. Emballage: glazen flessen tot 5 liter, kunststof flessen of vaten tot 60 liter, metalen bussen tot 25 liter, stalen vaten en kunststof drums tot 100 liter en papieren of kunststof zakken; r. Schadelijke stoffen: stoffen of combinaties van stoffen, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval verwacht kan worden dat ze de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen. Artikel 2 Het verbod in artikel 5.25, eerste lid van de Provinciale milieuverordening Limburg geldt niet voor akkerbouwbedrijven die zijn gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften in bijlage I behorend bij dit besluit. Artikel 3 1. Diegene die voornemens is een akkerbouwbedrijf op te richten meldt dit tenminste vier weken voor het oprichten aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden of wijzigen van een akkerbouwbedrijf, dan wel met betrekking tot het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit uitbreiden, wijzigen of veranderen van de werking van de inrichting geen afwijking ontstaat van de bij die melding eerder verstrekte gegevens. 3. Bij een melding als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt in ieder geval het tijdstip vermeld, waarop men met de bouw van het akkerbouwbedrijf begint of de uitbreiding of wijziging daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn, en worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven. De melding dient te worden gedaan op een formulier waarvan het model in het kader van het Besluit algemene voorschriften akkerbouwbedrijven in grondwaterbeschermingsgebieden is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. 4. Wanneer Gedeputeerde Staten van mening zijn dat de melding niet terecht is gedaan, delen zij dit binnen vier weken schriftelijk mede aan degene die de melding heeft gedaan, alsmede aan het bevoegde gezag. 5. Een op het moment van inwerkingtreding van dit besluit in werking zijnde inrichting dient uiterlijk met ingang van 1 januari 2001 te voldoen aan de in bijlage I van dit besluit vermelde voorschriften. Artikel 4 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst. 2. Het Besluit Algemene voorschriften akkerbouwbedrijven in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg (Besluit van 19 december 1995, provinciaal blad 1995, 51) wordt op de in het eerste lid bedoelde dag ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling kan worden aangehaald als: Besluit algemene voorschriften akkerbouwbedrijven in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. BIJLAGE I, behorende bij het besluit algemene voorschriften akkerbouwbedrijven in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. II Voorschriften 1. De opslag van mest 1.1 Algemeen. 1.1.11 Voor een opslag van mest dient waar in het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 of de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins sprake is van "mestdichte voorzieningen" te worden gelezen "vloeistofdichte voorzieningen". 1.1.12 Op een mestopslag welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit is de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins van toepassing. 1.1.13 Bij een mestkelder welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit dient bij de aansluiting van de wand op de vloer een kimplaat te zijn aangebracht, welke steeds voorkomt dat er ter plaatse lekkage optreedt. 1.1.14 Bij gebruik van beton als vloeistofdichte voorziening dient (dienen) bij een mestkelder welke tot stand wordt gebracht na het inwerking treden van dit besluit: de beton van de kwaliteit B35 te zijn; de vloeistofindringing van de vloeistofdichte constructie niet meer dan 30 mm te bedragen. Hiertoe dienen per 100 m3 te gebruiken betonmortel 3 proefkubussen (met een minimum van 2) op vloeistofindringing te worden onderzocht conform de proef beschreven in de norm ISO/DIS 7031. De beproeving dient plaats te hebben met water; dilatatievoegen alsmede doorvoeringen voor de bekisting vloeistofdicht te zijn afgewerkt met daartoe geschikt voegvullingsmateriaal. 1.1.15 Mestopslagen dienen eenmaal per 10 jaar door een onafhankelijke instantie te worden geïnspecteerd op hun technische toestand en op vloeistofdichtheid. De resultaten van een dergelijke inspectie moeten aan het bevoegd gezag worden overgelegd. 1.2 Mestsilo's. 1.2.20 Bij een mestsilo welke tot stand wordt gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit moet voor het ontwerp van de constructie vooraf door of namens het KIWA een geschiktheidsverklaring zijn afgegeven. Op de levering of aanneming tot vervaardiging van de silo zijn de Standaard Aannemingsvoorwaarden Mestbassins 1988 (SAVM '88) van toepassing, zoals deze door het KIWA zijn uitgebracht. 1.2.21 Op de vloer van een mestsilo welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit zijn de desbetreffende bepalingen van de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 en van de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins van toepassing. 1.2.22 Bij een mestsilo welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit dient bij de aansluiting van de wand op de vloer een kimplaat of een vergelijkbare voorziening te zijn aangebracht, welke steeds voorkomt dat er ter plaatse lekkage optreedt. 1.2.23 Bij gebruik van beton voor de vloer van de mestsilo dient (dienen): de beton van de kwaliteit B35 te zijn; de vloeistofindringing van de vloeistofdichte constructie niet meer dan 30 mm te bedragen. Hiertoe dienen per 100 m3 te gebruiken betonmortel 3 proefkubussen (met een minimum van 2) op vloeistofindringing te worden onderzocht conform de proef beschreven in de norm ISO/DIS 7031. Beproeving dient plaats te hebben met water; dilatatievoegen vloeistofdicht te zijn afgewerkt met daartoe geschikt voegvullingsmateriaal. 1.3 Foliebassins. 1.3.23 Het gebruik van foliebassins in grondwaterbeschermingsgebieden is niet toegestaan. 1.4 De opslag van vaste mest in stallen. 1.4.1 De opslag van vaste dierlijke mest in de stallen moet geschieden op een vloeistofdichte vloer, die is voorzien van een opstaande rand of een gelijkwaardige voorziening, welke voorkomt dat uitzakkend mestvocht in de bodem kan geraken. 1.4.2 Op een opslag van vaste dierlijke mest, welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit zijn de desbetreffende bepalingen van de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 en van de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins van toepassing. 1.4.3 Bij een opslag van vaste mest welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit dient bij de aansluiting van de wand op de vloer een kimplaat of een vergelijkbare voorziening te zijn aangebracht, welke steeds voorkomt dat er ter plaatse lekkage optreedt. 1.5 De opslag van kunstmest. 1.5.1 Een opslag van kunstmest dient te zijn voorzien van een bodembeschermende voorziening welke steeds voorkomt, dat schadelijke stoffen in de bodem geraken. 1.5.2 Vloeistoffen, afkomstig van de in voorschrift 1.5.1 van dit besluit bedoelde bodembeschermende voorziening dienen zodanig te worden afgevoerd, dat ze niet in de bodem kunnen geraken. 2. De opslag van organische meststoffen niet zijnde dierlijke mest. 2.6 Op een opslag van organische meststoffen, niet zijnde dierlijke mest, welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit zijn de bepalingen van de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 en van de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins van toepassing. 2.7 Bij een opslag van organische meststoffen, niet zijnde dierlijke mest welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit dient bij de aansluiting van de wand op de vloer een kimplaat of een vergelijkbare voorziening te zijn aangebracht, welke steeds voorkomt dat er ter plaatse lekkage optreedt. 3. De opslag van veevoer. 3.6 Een kuilvoeropslag moet zodanig zijn uitgevoerd dat er geen perssap of uitzakkend vocht in de bodem kan geraken. 5. Bestrijdingsmiddelen 5.2 De opslag van bestrijdingsmiddelen. 5.2.9 De vloer en de wanden van de opslagruimte moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij een vloeistofdichte bak vormen, dan wel dienen de opgeslagen producten in een vloeistofdichte lekbak te zijn geplaatst. 5.2.10 De opslag van bestrijdingsmiddelen tot 400 kg dient plaats te hebben overeenkomstig het bepaalde in de CPR 15 1, voor zover deze bepalingen betrekking hebben op het aspect bodembescherming. 5.2.11 De opslag van bestrijdingsmiddelen vanaf 400 kg dient plaats te hebben overeenkomstig het bepaalde in de CPR 15 3, voor zover deze bepalingen betrekking hebben op het aspect bodembescherming. 6. Onderhoudswerkplaats 6.7 Een onderhoudswerkplaats dient te zijn voorzien van een vloeistofdichte vloer, welke steeds voorkomt dat er schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen. 11. Centrale verwarmingsinstallaties voor ruimteverwarming of warmwatervoorziening 11.2 Constructie, installatie en gebruik. 11.2.7 Bij oliegestookte stooktoestellen dienen bodembeschermende voorzieningen te zijn aangebracht welke steeds voorkomen, dat schadelijke stoffen in de bodem geraken. Het functioneren van deze voorzieningen dient regelmatig te worden gecontroleerd. De van deze voorziening afkomstige vloeistoffen dienen zodanig te worden afgevoerd, dat ze niet in de bodem kunnen komen. 20 Voorschriften voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks met een inhoud van meer dan 200 liter 20.6 Bij de installatie dienen de bodembeschermende voorzieningen te zijn getroffen als aangegeven in hoofdstuk 5, artikel 5.7.2 en 5.7.3 van de CPR 9 6. 21. Afleverpompen voor motorbrandstoffen 21.15 Indien aan een tank een afleverinstallatie (elektrisch of handbediend) met een doorzet van 10.000 liter per jaar, of meer is verbonden, dan dienen de maatregelen en voorzieningen te zijn getroffen zoals die in hoofdstuk 8.28 onder artikel 8.28.5 van de CPR 9 1 zijn aangegeven. 21.16 Indien aan een tank een afleverinstallatie (elektrisch of handbediend) met een doorzet van minder dan 10.000 liter per jaar is verbonden, dan dienen de maatregelen en voorzieningen te zijn getroffen zoals die in hoofdstuk 5.3 artikel 5.3.11 van de CPR 9 6 zijn aangegeven. Indien daar sprake is van "aaneengesloten verharding" moet daar voor worden gelezen "vloeistofdichte verharding". 22. Voorschriften voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen in ondergrondse stalen tanks (nieuwe installaties) 22.1 Het plaatsen van een nieuwe ondergrondse tank voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen is niet toegestaan. 23. Voorschriften voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen in ondergrondse stalen tanks (bestaande installaties) 23.1 Indien een ondergrondse tank op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt reeds 20 jaar of langer geleden is geplaatst, wordt deze tank uiterlijk binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit buiten gebruik gesteld en verwijderd. Dit ongeacht de uitslag van de beoordeling overeenkomstig voorschrift 5.2.1.3 en 5.2.1.4 van de CPR 9 1. Indien het verwijderen van de tank niet mogelijk is, of onevenredig hoge kosten met zich meebrengt, kan de tank op een andere wijze buiten bedrijf worden gesteld. 23.2 Op het verwijderen of het anderszins buiten gebruik stellen van een ondergrondse tankinstallatie voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen is het gestelde in bijlage VI van het Besluit ondergronds opslaan in tanks (Stb. 1993, 46) van toepassing. 23.3 Een verwijderde tank, dan wel een op een andere wijze definitief buiten gebruik gestelde tank mag niet worden vervangen door een nieuwe ondergrondse tank. 23.4 Voor een bestaande ondergrondse tank, welke bij het in werking treden van dit besluit jonger is dan 20 jaar geldt voor de periode dat deze nog in bedrijf is het keuringsregime zoals dit is aangegeven in paragraaf 9.3.1 van hoofdstuk 9 van de CPR 9 1. Indien de tank wordt afgekeurd geldt het gestelde in voorschrift 23.1. 24. Bodemonderzoek 24.1 Binnen 4 maanden na acceptatie van de melding door het bevoegd gezag en Gedeputeerde Staten dient de bodem van de inrichting ter plaatse van een bestaande olie opslag, een nieuw te plaatsen olie opslag en bij de afleverpomp(
  4. en)te worden onderzocht om de bestaande kwaliteit vast te leggen (nulsituatie). De bepaling van de nulsituatie dient te worden uitgevoerd conform de NVN 5740 of het protocol Nulsituatie/BSB onderzoek. Het chemisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert, dat is gebaseerd op de Europese norm NEN.EN 45.001 (Algemene criteria voor de beoordeling van beproevingslaboratoria). De resultaten van het onderzoek dienen binnen een maand nadat het onderzoek is afgerond te worden gezonden aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. 24.2 Bij beëindiging van de inrichting dient een herhalingsonderzoek te worden uitgevoerd conform het gestelde in voorschrift 24.1 van dit besluit. 25. Het uitvoeren van grondwerkzaamheden 25.1 In toe te passen grond mogen geen verontreinigingen voorkomen in concentraties die de streefwaarden overschrijden, tenzij het een lichte overschrijding van de genoemde waarden betreft welke ook regionaal in het gebied voorkomen. Een dergelijke situatie dient ten genoegen van het bevoegd gezag te worden aangetoond. Indien de streefwaarden voor de stoffen genoemd in bijlage III, tabel 3, lager liggen dan de in deze tabel opgenomen waarden, dan gelden de hogere regionale referentiewaarden van tabel 3. 25.2 Voor toe te passen overige niet vormgegeven bouwstoffen geldt dat deze ten aanzien van de chemische samenstelling en de uitloging moeten voldoen aan de waarden die zijn genoemd in bijlage III, tabel 1. Dit geldt tevens voor vormgegeven bouwstoffen, voor zover bij de productie daarvan gebruik gemaakt is van secundaire bouwstoffen (m.u.v. niet teerhoudend asfalt). 25.3 Ten einde na te gaan of de te (her)gebruiken materialen voldoen aan de eisen gesteld in voorschrift 25.1 en 25.2 dienen deze te worden bemonsterd en op hun chemische samenstelling en uitloging te worden onderzocht. Hierbij geldt het volgende: a. van iedere afzonderlijke partij dient tenminste een monster te worden genomen. Voor partijen groter van 500 m3 moet per 500 m3 een monster worden genomen; b. ieder monster van een niet vormgegeven bouwstof moet worden samengesteld uit een minimaal aantal grepen zoals aangegeven in bijlage III, tabel 2 behorende bij dit besluit; c. grond dient tenminste te worden onderzocht op zware metalen (Cr, Cd, Ni, Cu, Zn, Hg, Pb), arseen, PAK, EOX, aromaten, minerale olie, lutum en organisch stof. De materialen als bedoeld onder voorschrift 25.2 dienen te worden onderzocht op de parameters als genoemd in bijlage III, tabel 1 van dit besluit. Indien er aanwijzingen zijn, dat er ook andere verontreinigingen in het betreffende materiaal aanwezig kunnen zijn, dient ook hiernaar onderzoek te worden verricht. 25.4 Tenminste twee werkdagen voorafgaand aan het verwerken van de bouwstof dient een verklaring, waarin de resultaten van het onderzoek als bedoeld in voorschrift 25.3 zijn opgenomen, alsmede de herkomst van het materiaal, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd. 25.5 De opslag van schadelijke stoffen en het tanken van motorvoertuigen, werktuigen en machines moet op een centrale plaats gebeuren. Deze plaats moet zijn voorzien van een vloeistofdichte vloer. Het op deze vloer vallende hemelwater moet worden afgevoerd naar de riolering. Opslagmiddelen van brandstoffen en andere schadelijke stoffen dienen in een vloeistofdichte bak te zijn geplaatst. 25.6 Te gebruiken machines en materieel dienen zodanig te zijn uitgerust en te worden gebruikt, dat verontreiniging van de bodem met schadelijke stoffen redelijkerwijs niet kan optreden. 25.7 Afvalwater afkomstig van te plaatsen (bouw)keten of verblijven dient te worden afgevoerd naar de openbare riolering. Ten behoeve van de verwarming van dergelijke verblijven mag geen gebruik worden gemaakt van vloeibare schadelijke stoffen. 25.8 Bij het beëindigen van de (bouw)werkzaamheden dienen de in voorschrift 25.7 van dit besluit bedoelde verblijven, de daarbij behorende voorzieningen, de voor de uitvoering van de werkzaamheden benodigde schadelijke stoffen en de ten gevolge van de uitvoering van de werkzaamheden ontstane schadelijke stoffen op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze te worden verwijderd. 26. Wasplaatsen 26.1 Het wassen van motorvoertuigen en werktuigen mag alleen plaats vinden op een daarvoor bestemde wasplaats. 26.2 De wasplaats moet zodanig zijn ingericht, dat de nevel ten gevolge van het wassen, zich niet buiten de wasplaats kan verspreiden. 26.3 De vloer van de wasplaats moet vloeistofdicht zijn. 26.4 De vloer moet afwaterend gelegd zijn naar een of meer schrobputten of afvoergoten of een vloeistofdichte opvangvoorziening. Doorvoeringen van kabels en leidingen moeten vloeistofdicht zijn afgewerkt. 26.5 Oliën, vetten, modder of water mogen niet over de rand van de vloer van de wasplaats, anders dan in de schrobput of afvoergoot worden geveegd of geschrobd. 27. Inspectie bodemvoorzieningen 27.1 De in dit besluit voorgeschreven voorzieningen ter bescherming van de bodem dienen jaarlijks visueel te worden gecontroleerd op de technische toestand en de goede werking. De resultaten van deze inspectie dienen in een logboek te worden vermeld, dat te allen tijde voor het bevoegd gezag ter inzage moet liggen. Eventuele gebreken dienen onmiddellijk te worden hersteld. BIJLAGE II, behorende bij het besluit algemene voorschriften akkerbouwbedrijven in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997.Bij een melding of kennisgeving als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid van dit besluit moeten de navolgende gegevens worden verstrekt: a. de gegevens als bedoeld in bijlage II van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer; b. een verklaring waaruit blijkt: 1. dat voor het ontwerp van de constructie van een mestsilo door of namens het KIWA een geschiktheidsverklaring is afgegeven, 2. dat op de levering of aanneming tot vervaardiging van de silo de Standaard Aannemingsvoorwaarden Mestbassins 1988 (SAVM '88) van toepassing zijn, zoals deze door het KIWA zijn uitgebracht; c. een verklaring waaruit blijkt, dat voldaan wordt aan de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins; d. een verklaring waaruit blijkt, dat bij de aansluiting van de wand op de vloer van een mestkelder, een mestsilo, een mestplaat of een opslag voor organische meststoffen, niet zijnde dierlijke mest een kimplaat is of zal worden aangebracht; e. een verklaring waaruit blijkt dat de beton voldoet aan de kwaliteit B35 en de vloeistofindringing niet meer bedraagt dan 30 mm; f. een verklaring waaruit blijkt, dat het geen foliebassin betreft; g. een verklaring waaruit blijkt, dat er geen ondergrondse tanks voor de opslag van aardolieproducten aanwezig zijn welke ouder zijn dan 20 jaar; h. bij gebruik van secundaire bouwstoffen, gegevens omtrent de chemische samenstelling en de uitloging . BIJLAGE III, tabel 1 behorende bij het Besluit algemene voorschriften akkerbouwbedrijven in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. EISEN VOOR BOUWSTOFFEN, NIET ZIJNDE GROND. type eis: max. imissie samenstelling soort bouwstof: niet-vormgegeven vormgegeven eenheid: mg/m2 per 100 jaar mg/kg mg/kg 1. METALEN Cr (chroom) 1500 - - Co (cobalt) 300 - - Ni (nikkel) 525 - - Cu (koper) 540 - - Zn (zink) 2100 - - As (arseen) 435 - - Mo (molybdeen) 150 - - Cd (cadmium) 12 - - Sb (antimoon) 39 - - Se (seleen) 15 - - Sn (tin) 300 - - Ba (barium) 3000 - - Hg (kwik) 4,5 - - Pb (lood) 1275 - - V (vanadium) 1020 - - 2. ANORGANISCHE VERBINDINGEN F.tot (fluoride) 7500 - - CN.-tot. vrij (cyanide) 15 - - CN.-tot. complex 75 - - SO4 (sulfaat) 45000/9000 1) - - Br. (bromide) 300 - - Cl. (chloride) 30000/60000 1) - - 3. AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen - 1,25 1,25 Ethylbenzeen - 1,25 1,25 Tolueen - 1,25 1,25 Xlenen (som) 2) - 1,25 1,25 Fenolen - 1,25 1,25 4. PAK'S - 0,5 1 Naftaleen - 3 5 Fenantreen - 3 5 Antraceen - 3 5 Fluoranteen - 1 1 Chryseen - 25 50 Benzo(a)antraceen - 3 5 Benzo(a)pyreen - 25 50 Benzo(k)fluoranteen - 25 50 Indeno (1,2,3cd)pyreen - 25 50 Benzo(ghi)peryleen - 25 50 PAK's (som 10) 3) - 50 50 5. OVERIGE ORGANISCHE STOFFEN PCB's (som 7) 4) - 0,5 0,5 EOCI totaal (mg CI/
  5. kg)- 3 3 Organochloorhoudende bestrijdingsmid. (som) 5) - 0,5 0,5 Niet-chloorhoudende bestrijdingsmid.(som) 6) - 0,5 0,5 Minerale olie 7) - 250 250 Legenda bij tabel 1 Voor de niet vormgegeven bouwstoffen dient de uitloging te worden bepaald door middel van de kolomproef volgens NEN 7343. Deze waarde betreft de cumulatieve uitloging, uitgedrukt in mg/kg bouwstof bij L/S=10. Voor de vormgegeven bouwstoffen dient de uitloging te worden bepaald door middel van de diffusieproef volgens NEN 7345. Deze waarde betreft de emissie, uitgedrukt in mg/m2 bouwstof over 64 dagen. De genoemde uitloogwaarden dienen te worden omgerekend naar immissiewaarden volgens de methodiek als beschreven in het rapport "Milieuhygiënische kwaliteit van primaire en secundaire bouwmaterialen in relatie tot hergebruik en bodem en oppervlaktewaterenbescherming", no. 771402006 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Voetnoten: 1) De in de tabel aangegeven immissiewaarden voor sulfaat en chloride zijn uitgedrukt in mg/m2 per 1 jaar. De eerste waarden hebben betrekking op toepassingen op of in de "droge" bodem met een infiltratie van regenwater of een grondwaterstroming van 300 mm/jaar. De tweede waarden hebben betrekking op toepassingen in de "natte" waterbouw met een infiltratie van oppervlaktewater of een grondwaterstroming van 600 mm/jaar. 2) Onder "Xylenen (som)" wordt verstaan: de som van m Xyleen, p Xyleen en o Xyleen. 3) Onder "PAK (som 10)" wordt verstaan: de som van Naftaleen, Fenantreen, Antraceen, Fluoranteen, Chryseen, Benzo(a)antraceen, Benzo(a)pyreen, Benzo(k)fluoranteen, Indeno(1,2,3cd)pyreen, Benzo(ghi)peryleen, PAK's totaal. 4) Onder "PCB's (som 7) wordt verstaan: de som van PCB 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180. 5) Onder "Organochloorhoudende bestrijdingsmid. (som)" wordt verstaan: de som van alle chloor bevattende bestrijdingsmiddelen. 6) Onder "niet chloorhoudende bestrijdingsmid. (som)" wordt verstaan: de som van alle bestrijdingsmiddelen met uitzondering van chloorhoudende bestrijdingsmiddelen. 7) Voor de hierna genoemde bouwstoffen geldt in afwijking van de tabel voor minerale olie geen samenstellingswaarde: asfalt of asfaltbeton, inclusief mogelijke oppervlakbehandelingen, tussenlagen en deklagen, zijnde een bouwstof die bestaat uit een bindmiddel op basis van bitumen, steenachtig materiaal, zand en vulstof en die als zodanig regulier in wegen of waterbouw, danwel voor constructies van al dan niet vloeistofdichte vloeren wordt gebruikt; gestabiliseerd asfaltgranulaat, zijnde een bouwstof die bestaat uit zand, cement en/of bitumenemulsie, water en ten minste 70% (m/
  6. m)asfaltgranulaat, die als zodanig regulier in de wegen en of waterbouw wordt gebruikt en waarbij het gehalte aan asfaltbeton in het asfaltgranulaat ten minste 40% bedraagt; asfaltgranulaat, zijnde een bouwstof die als zodanig regulier in funderingen in de wegenbouw wordt gebruikt en die bestaat uit ten minste 80% gebroken of gefreesd asfalt of asfaltbeton; gemineraliseerde bitumen dakbedekkingsmaterialen zoals die regulier in de burger en of utiliteitsbouw worden gebruikt. BIJLAGE III, tabel 2 behorende bij het besluit algemene voorschriften akkerbouwbedrijven in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. AANTAL GREPEN EN OMVANG GREPEN BIJ ONDERZOEK NIET VORMGEGEVEN BOUWSTOFFEN. Totale hoeveelheid Minimaal aantal materiaal grepen m3 0 - 1 1 1 - 2 2 2 - 5 4 5 - 10 6 10 - 15 8 15 - 20 10 20 - 5 20 50 - 100 30 100 - 150 40 150 - 500 50 Aantal (gelijkmatig te verdelen) monsterpunten =aantal grepen gem. laagdikte [m] Maximale korrelgrootte mm Omvang v.d. greep m3 40 1,0 50 1,7 75 4,0 100 7,0 125 10,0 150 en meer 16,0 Per monsterpunt "greep" over gehele diepte of "top ", "midden " en "bodem "monster. BIJLAGE III, tabel 3 behorende bij het besluit algemene voorschriften akkerbouwbedrijven in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. REGIONALE REFERENTIEWAARDEN soort bouwstof: grond type eis: samenstelling eenheid mg/kg 1.METALEN Cr (chroom) 38 Cu (koper) 19 Zn (zink) 110 As (arseen) 14 Cd (cadmium) 0,8 Hg (kwik) 0,2 Pb (lood) 37 2. PAK'S Naftaleen 0,15 Fenantreen 0,18 Antraceen 0,03 Fluoranteen 0,45 Chryseen 0,22 Benzo(a)antraceen 0,15 Benzo(a)pyreen 0,15 Benzo(k)fluoranteen 0,15 Indeno(1,2,3cd)pyreen 0,14 Benzo(ghi)peryleen 0,17 PAK's (som 10) 1,2 3. OVERIGE EOX O,3 BESLUIT ALGEMENE VOORSCHRIFTEN MESTBASSINS IN GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN IN LIMBURG 1997 Artikel 1 In dit besluit en de bijlage bij dit besluit wordt verstaan onder: a. Een bassin: een bassin dat valt onder de werking van het Besluit mestbassins milieubeheer (Stb. 1990, 618); b. Grondwaterbeschermingsgebied: een als grondwaterbeschermingsgebied nader aangeduid milieubeschermingsgebied als aangewezen in bijlage 6, artikel II van de Provinciale milieuverordening Limburg; c. Bevoegd gezag: het bestuursorgaan, dat bevoegd is of zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.2 van de Wet milieubeheer voor de inrichting waar de dunne mest wordt bewaard te verlenen; d. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Limburg; e. Waterleidingbedrijf: het waterleidingbedrijf ten behoeve waarvan het grondwaterbeschermingsgebied waarin de inrichting is gelegen wordt beschermd; f. Melding: een melding als bedoeld in artikel 4 van het Besluit mestbassins milieubeheer; g. KIWA: KIWA N.V., Instituut voor certificatie, keuringen en advisering integra¬le kwaliteitszorg voor bouw-, water- en milieusector, gevestigd te Rijs¬wijk; h. Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 (BRM 1990): een door de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer(VROM) en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij(LNV) uitgegeven publicatie ten behoeve van de aanleg van nieuwe mestopslagen; i. Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins (HBRM 1991): een door het Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving (CUR) en het DLO Instituut voor Mechanisatie, Arbeid en Gebouwen (IMAG DLO) opgestelde richtlijn, tweede druk 1991. ISBN 90 5406 003 4. Artikel 2 Het verbod in artikel 5.25, eerste lid van de Provinciale milieuverordening Limburg geldt niet voor mestbassins die zijn gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften in bijlage I behorend bij dit besluit. Artikel 3 1. Diegene die voornemens is een inrichting op te richten, voor zover dit betrekking heeft op het bewaren van dunne mest, meldt dit tenminste vier weken voor het oprichten aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden of wijzigen van een inrichting dan wel het veranderen van de werking daarvan, voor zover dat betrekking heeft op het bewaren van dunne mest. Deze melding is niet vereist indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit uitbreiden, wijzigen of veranderen van de werking van de inrichting geen afwijking ontstaat van de bij die melding eerder verstrekte gegevens. 3. Bij een melding als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt in ieder geval het tijdstip vermeld, waarop de bouw begint, de inrichting of de uitbreiding of wijziging daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de veranderingen van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn, en worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven. De melding dient te worden gedaan op een formulier waarvan het model in het kader van het Besluit algemene voorschriften mestbassins in grondwaterbeschermingsgebieden is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. 4. Wanneer Gedeputeerde Staten van mening zijn dat de melding niet terecht is gedaan, delen zij dit binnen vier weken schriftelijk mede aan degene die de melding heeft gedaan, alsmede aan het bevoegde gezag. 5. Een op het moment van inwerkingtreding van dit besluit in werking zijnde opslag voor dunne mest dient uiterlijk met ingang van 1 januari 2001 te voldoen aan de in bijlage I van dit besluit vermelde voorschriften. Artikel 4 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst. 2. Het Besluit Algemene voorschriften mestbassins in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg (Besluit van 19 december 1995, provinciaal blad 1995, 51) wordt op de in het eerste lid bedoelde dag ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling kan worden aangehaald als: Besluit algemene voorschriften mestbassins in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. Gedeputeerde Staten voornoemd. BIJLAGE I, behorende bij het besluit algemene voorschriften mestbassins in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. II Voorschriften 1 De uitvoering van een bassin 1.6 Voor een bassin voor het bewaren van dunne mest dat tot stand wordt gebracht na het inwerkingtreden van dit besluit dient waar in de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 of de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins sprake is van "mestdichte voorzieningen" te worden gelezen "vloeistofdichte voorzieningen". 1.7 Op een bassin voor het bewaren van dunne mest dat tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit is de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins van toepassing. 1.8 Bij een mestkelder welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit dient bij de aansluiting van de wand op de vloer een kimplaat te zijn aangebracht, welke steeds voorkomt dat er ter plaatse lekkage optreedt. 1.9 Bij gebruik van beton als vloeistofdichte voorziening dient (dienen) bij een mestkelder welke tot stand worden gebracht na het inwerking treden van dit besluit: de beton van de kwaliteit B35 te zijn; de vloeistofindringing van de vloeistofdichte constructie niet meer dan 30 mm te bedragen. Hiertoe dienen per 100 m3 te gebruiken betonmortel 3 proefkubussen (met een minimum van 2) op vloeistofindringing te worden onderzocht conform de proef beschreven in de norm ISO/DIS 7031. Beproeving dient plaats te hebben met water; dilatatievoegen alsmede doorvoeringen voor de bekisting vloeistofdicht te zijn afgewerkt met daartoe geschikt voegvullingsmateriaal. 1.10 Een bassin voor het bewaren van dunne mest dient eenmaal per 10 jaar door een onafhankelijke instantie te worden geïnspecteerd op technische toestand en op vloeistofdichtheid. De resultaten van een dergelijke inspectie moeten aan het bevoegd gezag worden overgelegd. 1.11 Bij een mestsilo welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit moet voor het ontwerp van de constructie vooraf door of namens het KIWA een geschiktheidsverklaring zijn afgegeven en zijn op de levering of aanneming tot vervaardiging van de silo de Standaard Aannemingsvoorwaarden Mestbassins 1988 (SAVM '88) van toepassing, zoals deze door het KIWA zijn uitgebracht. 1.12 Op de vloer van een mestsilo welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit zijn de desbetreffende bepalingen van de Bouwtechnische richtlijnen mestbassins 1990 en de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins van toepassing. 1.13 Bij een mestsilo welke tot stand is gebracht na de inwerkingtreding van dit besluit dient bij de aansluiting van de wand op de vloer een kimplaat of een vergelijkbare voorziening te zijn aangebracht, welke steeds voorkomt dat er ter plaatse lekkage optreedt. 1.14 Bij gebruik van beton voor de vloer van de mestsilo dient deze te voldoen aan het gestelde in voorschrift 1.9. 7. Foliebassins 7.1 Het gebruik van foliebassins is in grondwaterbeschermingsgebieden niet toegestaan. 8 Uitvoering van werkzaamheden 8.1 In toe te passen grond mogen geen verontreinigingen voorkomen in concentraties die de streefwaarden overschrijden, tenzij het een lichte overschrijding van de genoemde waarden betreft welke ook regionaal in het gebied voorkomen. Een dergelijke situatie dient ten genoegen van het bevoegd gezag te worden aangetoond. Indien de streefwaarden voor de stoffen genoemd in bijlage III, tabel 3, lager liggen dan de in deze tabel opgenomen waarden, dan gelden de hogere regionale referentiewaarden van tabel 3. 8.2 Voor toe te passen overige niet vormgegeven bouwstoffen geldt dat deze ten aanzien van de chemische samenstelling en de uitloging moeten voldoen aan de waarden die zijn genoemd in bijlage III, tabel 1. Dit geldt tevens voor vormgegeven bouwstoffen, voor zover bij de productie daarvan gebruik gemaakt is van secundaire bouwstoffen (m.u.v. niet teerhoudend asfalt). 8.3 Ten einde na te gaan of de te (her)gebruiken materialen voldoen aan de eisen gesteld in voorschrift 8.1 en 8.2 dienen deze te worden bemonsterd en op hun chemische samenstelling en uitloging te worden onderzocht. Hierbij geldt het volgende: a. van iedere afzonderlijke partij dient tenminste een monster te worden genomen. Voor partijen groter dan 500 m3 moet per 500 m3 een monster worden genomen; b. ieder monster van een niet vormgegeven bouwstof moet worden samengesteld uit een minimaal aantal grepen zoals aangegeven in bijlage III, tabel 2 behorende bij dit besluit; c. grond dient tenminste te worden onderzocht op zware metalen (Cr, Cd, Ni, Cu, Zn, Hg, Pb), arseen, PAK, EOX, aromaten, minerale olie, lutum en organisch stof. De materialen als bedoeld onder voorschrift 8.2 dienen te worden onderzocht op de parameters als genoemd in bijlage III, tabel 1 van dit besluit. Indien er aanwijzingen zijn, dat er ook andere verontreinigingen in het betreffende materiaal aanwezig kunnen zijn, dient ook hiernaar onderzoek te worden verricht. 8.4 Tenminste twee werkdagen voorafgaand aan het verwerken van de bouwstof dient een verklaring, waarin de resultaten van het onderzoek als bedoeld in voorschrift 8.3 zijn opgenomen, alsmede de herkomst van het materiaal, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd. BIJLAGE II, behorende bij het besluit algemene voorschriften mestbassins in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. Bij een melding of kennisgeving als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid van dit besluit moeten de navolgende gegevens worden verstrekt: a. de gegevens als bedoeld in lid 1. van bijlage II van het Besluit mestbassins milieubeheer; b. een verklaring waaruit blijkt: 1. dat voor het ontwerp van de constructie van een mestsilo door of namens het KIWA een geschiktheidsverklaring is afgegeven en 2. dat op de levering of aanneming tot vervaardiging van de silo de Standaard Aannemingsvoorwaarden Mestbassins 1988 (SAVM '88) van toepassing zijn, zoals deze door het KIWA zijn uitgebracht; c. een verklaring waaruit blijkt, dat voldaan wordt aan de Handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins; d. een verklaring waaruit blijkt, dat bij de aansluiting van de wand op de vloer een kimplaat is of zal worden aangebracht; e. een verklaring waaruit blijkt, dat het geen foliebassin betreft. f. een verklaring waaruit blijkt dat de beton voldoet aan de kwaliteit B35 en de vloeistofindringing niet meer bedraagt dan 30 mm. BIJLAGE III, tabel 1 behorende bij het Besluit algemene voorschriften mestbassins in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. EISEN VOOR BOUWSTOFFEN, NIET ZIJNDE GROND. type eis: max. imissie samenstelling soort bouwstof: niet-vormgegeven vormgegeven eenheid: mg/m2 per 100 jaar mg/kg mg/kg 1.METALEN Cr (chroom) 1500 - - Co (cobalt) 300 - - Ni (nikkel) 525 - - Cu (koper) 540 - - Zn (zink) 2100 - - As (arseen) 435 - - Mo (molybdeen) 150 - - Cd (cadmium) 12 - - Sb (antimoon) 39 - - Se (seleen) 15 - - Sn (tin) 300 - - Ba (barium) 3000 - - Hg (kwik) 4,5 - - Pb (lood) 1275 - - V (vanadium) 1020 - - 2. ANORGANISCHE VERBINDINGEN F.tot (fluoride) 7500 - - CN.-tot. vrij (cyanide) 15 - - CN.-tot. complex 75 - - SO4 (sulfaat) 45000/9000 1) - - Br. (bromide) 300 - - Cl. (chloride) 30000/60000 1) - - 3. AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen - 1,25 1,25 Ethylbenzeen - 1,25 1,25 Tolueen - 1,25 1,25 Xylenen (som) 2) - 1,25 1,25 Fenolen - 1,25 1,25 4. PAK'S - 0,5 1 Naftaleen - 3 5 Fenantreen - 3 5 Antraceen - 3 5 Fluoranteen - 1 1 Chryseen - 25 50 Benzo(a)antraceen - 3 5 Benzo(a)pyreen - 25 50 Benzo(k)fluaoranteen - 25 50 Indeno(1,2,3cd)pyreen - 25 50 Benzo(ghi)peryleen - 25 50 PAK's (som 10) 3) - 50 50 5. OVERIGE ORGANISCHE STOFFEN PCB's (som 7) 4) - 0,5 0,5 EOCI totaal (mg CI/
  7. kg)- 3 3 Organochloorhoudenden bestrijdingsmid.(som) 5) - 0,5 0,5 Niet-chloorhoudende bestrijdingsmid.(som) 6) - 0,5 0,5 Minerale olie 7) - 250 250 Legenda bij tabel 1 Voor de niet vormgegeven bouwstoffen dient de uitloging te worden bepaald door middel van de kolomproef volgens NEN 7343. Deze waarde betreft de cumulatieve uitloging, uitgedrukt in mg/kg bouwstof bij L/S=10. Voor de vormgegeven bouwstoffen dient de uitloging te worden bepaald door middel van de diffusieproef volgens NEN 7345. Deze waarde betreft de emissie, uitgedrukt in mg/m2 bouwstof over 64 dagen. De genoemde uitloogwaarden dienen te worden omgerekend naar immissiewaarden volgens de methodiek als beschreven in het rapport "Milieuhygiënische kwaliteit van primaire en secundaire bouwmaterialen in relatie tot hergebruik en bodem en oppervlaktewaterenbescherming", no. 771402006 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Voetnoten: 1)De in de tabel aangegeven immissiewaarden voor sulfaat en chloride zijn uitgedrukt in mg/m2 per 1 jaar. De eerste waarden hebben betrekking op toepassingen op of in de "droge" bodem met een infiltratie van regenwater of een grondwaterstroming van 300 mm/jaar. De tweede waarden hebben betrekking op toepassingen in de "natte" waterbouw met een infiltratie van oppervlaktewater of een grondwaterstroming van 600 mm/jaar. 2) Onder "Xylenen (som)" wordt verstaan: de som van m Xyleen, p Xyleen en o Xyleen. 3) Onder "PAK (som 10)" wordt verstaan: de som van Naftaleen, Fenantreen, Antraceen, Fluoranteen, Chryseen, Benzo(a)antraceen, Benzo(a)pyreen, Benzo(k)fluoranteen, Indeno(1,2,3cd)pyreen, Benzo(ghi)peryleen, PAK's totaal. 4) Onder "PCB's (som 7) wordt verstaan: de som van PCB 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180. 5) Onder "Organochloorhoudende bestrijdingsmid. (som)" wordt verstaan: de som van alle chloor bevattende bestrijdingsmiddelen. 6) Onder "niet chloorhoudende bestrijdingsmid. (som)" wordt verstaan: de som van alle bestrijdingsmiddelen met uitzondering van chloorhoudende bestrijdingsmiddelen. 7) Voor de hierna genoemde bouwstoffen geldt in afwijking van de tabel voor minerale olie geen samenstellingswaarde: asfalt of asfaltbeton, inclusief mogelijke oppervlakbehandelingen, tussenlagen en deklagen, zijnde een bouwstof die bestaat uit een bindmiddel op basis van bitumen, steenachtig materiaal, zand en vulstof en die als zodanig regulier in wegen of waterbouw, danwel voor constructies van al dan niet vloeistofdichte vloeren wordt gebruikt; gestabiliseerd asfaltgranulaat, zijnde een bouwstof die bestaat uit zand, cement en/of bitumenemulsie, water en ten minste 70% (m/
  8. m)asfaltgranulaat, die als zodanig regulier in de wegen en of waterbouw wordt gebruikt en waarbij het gehalte aan asfaltbeton in het asfaltgranulaat ten minste 40% bedraagt; asfaltgranulaat, zijnde een bouwstof die als zodanig regulier in funderingen in de wegenbouw wordt gebruikt en die bestaat uit ten minste 80% gebroken of gefreesd asfalt of asfaltbeton; gemineraliseerde bitumen dakbedekkingsmaterialen zoals die regulier in de burger en of utiliteitsbouw worden gebruikt. BIJLAGE III, tabel 2 behorende bij het besluit algemene voorschriften mestbassins in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. AANTAL GREPEN EN OMVANG GREPEN BIJ ONDERZOEK NIET VORMGEGEVEN BOUWSTOFFEN. Totale hoeveelheid Minimaal aantal materiaal grepen m3 0 - 1 1 1 - 2 2 2 - 5 4 5 - 10 6 10 - 15 8 15 - 20 10 20 - 50 20 50 - 100 30 100 - 150 40 150 - 500 50 Aantal (gelijkmatig te verdelen) monsterpunten = aantal grepen gem. laagdikte [m] Maximale korrelgrootte Omvang v.d. greep mm dm3 40 1,0 50 1,7 75 4,0 100 7,0 125 10,0 150 en meer 16,0 Per monsterpunt "greep" over gehele diepte of "top ", "midden " en "bodem "monster. BIJLAGE III, tabel 3 behorende bij het besluit algemene voorschriften mestbassins in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. REGIONALE REFERENTIEWAARDEN soort bouwstof: grond type eis: samenstelling eenheid mg/kg 1.METALEN 38 Cr (chroom) 19 Cu (koper) 110 As (arseen) 14 Cd (cadmium) 0,8 Hg (kwik) 0,2 Pb (lood) 37 2. PAK'S Naftaleen 0,15 Fenantreen 0,18 Antraceen 0,03 Fluoranteen 0,45 Chryseen 0,22 Benzo(a)antraceen 0,15 Benzo(a)pyreen 0,15 Benzo(k)fluoranteen 0,15 Indeno(1,2,3cd)pyreen 0,14 Benzo(ghi)peryleen 0,17 PAK's (som 10) 1,2 3. OVERIGE EOX 0,3 BESLUIT ALGEMENE VOORSCHRIFTEN TANKSTATIONS IN GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN IN LIMBURG 1997 Artikel 1 In dit besluit en de bijlage bij dit besluit wordt verstaan onder: a. Een tankstation: een tankstation dat valt onder de werking van het Besluit tankstations milieubeheer (Stb 1994,53); b. Grondwaterbeschermingsgebied: een als grondwaterbeschermingsgebied nader aangeduid milieubeschermingsgebied als aangewezen in bijlage 6, artikel II van de Provinciale milieuverordening Limburg; c. Bevoegd gezag: het gezag, dat overeenkomstig artikel 8.2 van de Wet milieubeheer bevoegd is of zou zijn een vergunning voor het tankstation te verlenen; d. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Limburg; f. Waterleidingbedrijf: het waterleidingbedrijf ten behoeve waarvan het grondwaterbeschermingsgebied waarin de inrichting is gelegen wordt beschermd; e. Melding: een melding als bedoeld in artikel 4 van het Besluit tankstations milieubeheer; f. Streefwaarden: de waarden zoals die zijn opgenomen in de circulaire van 9 mei 1994, no. DBO/07494013 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; g. Vormgegeven bouwstof: bouwstof, met een volume per kleinste eenheid van tenminste 50 cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft; h. Niet vormgegeven bouwstof: bouwstof, niet zijnde een vormgegeven bouwstof; i. Grond: niet vormgegeven bouwstof met een vaste structuur, die van natuurlijke oorsprong is, niet door de mens is geproduceerd en onderdeel van de Nederlandse bodem kan uitmaken; j. CPR 15-1: de richtlijn CPR 15-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Opslag gevaarlijke stoffen in emballage", voor opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0-10 ton), tweede druk 1990, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewe¬zen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; k. NPR 3218: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Insti¬tuut, Buitenriolering onder vrij verval "Aanleg en onderhoud", eerste druk, juli 1984, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; l. NPR 3220: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Insti¬tuut, Buitenriolering "Beheer", eerste druk, juni 1987, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrek¬king tot dat onderwerp de geldende norm is; m. NPR 3221: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Insti¬tuut, Buitenriolering onder over- en onderdruk "Ontwerp criteria, aanleg en onderhoud" eerste druk, juni 1986, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrek¬king tot dat onderwerp de geldende norm is; n. NPR 3398: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Insti¬tuut, Buitenriolering "Inspectie en toestandsbeoordeling", eerste druk, april 1992, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; o. Emballage: glazen flessen tot 5 liter, kunststof flessen of vaten tot 60 liter, metalen bussen tot 25 liter, stalen vaten en kunststof drums tot 100 liter en papieren of kunststof zakken; p. Schadelijke stoffen: stoffen of combinaties van stoffen, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval verwacht kan worden dat ze de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen. Artikel 2 1. Dit besluit is niet van toepassing op het oprichten van een tankstation. 2. Het verbod in artikel 5.25, eerste lid van de Provinciale milieuverordening Limburg geldt niet voor tankstations die zijn gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften in bijlage I behorend bij dit besluit. Artikel 3 1. Diegene die voornemens is een tankstation uit te breiden of te wijzigen, dan wel de werking daarvan te veranderen meldt dit tenminste vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. Deze melding is niet vereist indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit uitbreiden, wijzigen of veranderen van de werking van de inrichting geen afwijking ontstaat van de bij die melding eerder verstrekte gegevens. 2. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval het tijdstip vermeld, waarop de uitbreiding of wijziging van het tankstation in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn en worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven. De melding dient te worden gedaan op een formulier waarvan het model in het kader van het Besluit algemene voorschriften tankstations in grondwaterbeschermingsgebieden is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. 3. Wanneer Gedeputeerde Staten van mening zijn dat de melding niet terecht is 4. Een op het moment van inwerkingtreding van dit besluit in werking zijnde inrichting dient uiterlijk met ingang van 1 januari 2001 te voldoen aan de in bijlage I van dit besluit vermelde voorschriften. Artikel 4 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst. 2. Het Besluit Algemene voorschriften tankstations in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg (Besluit van 19 december 1995, provinciaal blad 1995, 51) wordt op de in het eerste lid bedoelde dag ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling kan worden aangehaald als: Besluit algemene voorschriften tankstations in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. BIJLAGE I, behorende bij het besluit algemene voorschriften tankstations in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. Aanvullende voorschriften bij bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer. II Voorschriften 1. Bodembescherming 1.12 De in voorschrift 1.1. van bijlage 1 behorend bij het Besluit tankstations milieubeheer bedoelde bodembeschermende verharding dient te zijn uitgevoerd conform het gestelde in de aanvullende eisen in 8.28.5 van de CPR 9-1. De aan te brengen verharding mag uitsluitend bestaan uit een verharding waarvoor door het KIWA een beoordelingsrichtlijn (BRL) is ontwikkeld en vastgesteld. Het aanleggen en het eventueel herstellen van de vloeistofdichte verharding moet geschieden door een bedrijf dat hiertoe erkend is door het KIWA of door een andere door de Raad voor de Certificatie erkende certificatie-instelling. 5. Voorschriften voor het opslaan van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen in ondergrondse stalen tanks 5.1. Constructie en installatie van nieuwe installaties. 5.1.12 Een nieuw te plaatsen tank moet dubbelwandig zijn uitgevoerd. De tank moet voldoen aan de KIWA-beoordelingsrichtlijn BRL-K 786/02. Alvorens een tank in gebruik wordt genomen moet deze worden beproefd overeenkomstig het gestelde in 8.2.3 van de CPR 9-1. 5.1.13 Een dubbelwandige tank dient te zijn goedgekeurd door het KIWA. Een certificaat waaruit dit blijkt moet vóór het plaatsen van een tank worden overgelegd aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten (KIWA-keurverklaring). 5.1.14. Een bodemweerstandrapport alsmede de installatiecertificaten moeten voor ingebruikneming van de installatie worden overgelegd aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. Ten aanzien van de kathodische bescherming geldt het gestelde in 8.2.7 van de CPR 9-1. 5.1.15 De beschermende bekleding van de dubbelwandige tank dient gekeurd te worden overeenkomstig het gestelde in 8.2.8 van de CPR 9-1. 5.1.16 De dubbelwandige tank moet zijn voorzien van een doelmatig lekdetectiesysteem, dat aangeeft wanneer de buitentank en/of binnentank lek is. Voor dit lekdetectiesysteem gelden de voorschriften zoals gesteld in 8.2.4.1 en 8.2.5 van de CPR 9-1. 5.1.17 Rond het vulpunt dient, op de plaats waar handelingen met vulslangen worden verricht, een vloeistofdichte, product¬bestendige opvangvoorziening voor gemorst product te zijn aangebracht met een minimale oppervlakte van 12 m2. De opvangvoorziening dient af te wateren op een of meerdere putten welke zijn aangesloten op de openbare riolering. Gemorst product dient direct te worden verwijderd zonder dat bodem- of grondwaterverontreiniging kan plaatsvinden. Het aanleggen en het eventueel herstellen van de vloeistofdichte verharding moet geschieden door een bedrijf dat hiertoe erkend is door het KIWA of door een andere door de Raad voor de Certificatie erkende certificatie-instelling. 5.1.18 Nieuwe leidingen moeten zijn uitgevoerd en zijn geïnstalleerd overeenkomstig paragraaf 5.3 van CPR 9-1. 5.1.19 Onverminderd het gestelde in voorschrift 5.1.18 moet de vulleiding van een nieuw te leggen tank dubbelwandig zijn uitgevoerd. Deze vulleiding moet voldoen aan de KIWA-beoordelingsrichtlijn BRL-K 784 en dient te zijn voorzien van een lekdetectiesysteem. Voor het lekdetectiesysteem gelden de voorschriften zoals gesteld in 8.2.4.1 en 8.2.5 van de CPR 9-1. 5.1.20 Alvorens de vloeistofdichte verharding als bedoeld in paragraaf 6 van dit hoofdstuk wordt aangebracht moeten eventueel reeds bestaande leidingstukken, welke onder deze verharding komen te liggen door of namens het KIWA worden gecontroleerd teneinde na te gaan in hoeverre ook op langere termijn deze leidingen nog voldoen aan voorschriften uit paragraaf 5.3 van de CPR 9-1. Zonodig moeten deze leidingen c.q. leidingstukken worden vervangen. Van deze controle dient een rapport te worden gezonden aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. 5.1.21 Kunststof leidingen zijn niet toegestaan. 5.2 Installatie en keuringsvoorschriften voor bestaande installaties. 5.2.8 Een bestaande ondergrondse tank moet ten hoogste 20 jaar nadat hij geïnstalleerd is buiten bedrijf worden gesteld conform het bepaalde in voorschrift 5.2.9. Dit ongeacht de uitslag van de beoordeling overeenkomstig voorschrift 5.2.1.3 en 5.2.1.4 van de CPR 9 1. 5.2.9 Indien een ondergrondse tank bij het inwerkingtreden van dit besluit ouder is dan 20 jaar moet: - dit terstond worden gemeld aan het bevoegde gezag en aan Gedeputeerde Staten; - de vloeistof worden verwijderd; - de lege tank uiterlijk binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit buiten gebruik worden gesteld en worden verwijderd overeenkomstig de voorschriften 10.1 tot en met 10.3 van bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer. 5.2.10 De vulleiding van een bestaande ondergrondse tank welke ouder is dan 20 jaar dient te worden verwijderd. 5.3 Gebruik en controle. 5.3.9 De dichtheidsbeproeving van dubbelwandige tanks te worden uitgevoerd conform 8.2.3 van de CPR 9-1. 5.3.10 Jaarlijks dienen de lekdetectiesystemen bij dubbelwandige tanks en leidingen gecontroleerd te worden conform het gestelde in 8.2.4.2 van de CPR 9-1. 6. Voorschriften voor het opslaan van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen in een ondergrondse kunststoftank 6.1.2 Het gebruik van kunststoftanks is niet toegestaan. 7. Voorschriften voor het opslaan van afgewerkte olie in een ondergrondse stalen tank 7.1. Constructie en installatie van nieuwe installaties. 7.1.3 Het plaatsen van een ondergrondse tank voor de opslag van afgewerkte olie is niet toegestaan. 7.2 Installatie en keuringsvoorschriften voor bestaande installaties. 7.2.7 Een bestaande ondergrondse tank moet ten hoogste 20 jaar nadat hij geïnstalleerd is buiten bedrijf worden gesteld conform het bepaalde in voorschrift 5.2.9. Dit ongeacht de uitslag van de beoordeling overeenkomstig voorschrift 5.2.1.3 en 5.2.1.4 van de CPR 9 1. 7.2.8 Indien een ondergrondse tank bij het inwerkingtreden van dit besluit ouder is dan 20 jaar moet: - dit terstond worden gemeld aan het bevoegde gezag en aan Gedeputeerde Staten; - de vloeistof worden verwijderd; - de lege tank uiterlijk binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit buiten gebruik worden gesteld en worden verwijderd overeenkomstig de voorschriften 10.1 tot en met 10.3 van bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer. 7.5 Leidingen en appendages. 7.5.2 Een enkelwandige vulleiding van een bestaande ondergrondse tank welke ouder is dan 20 jaar dient te worden verwijderd. 8. Voorschriften voor het opslaan van afgewerkte olie in een ondergrondse kunststoftank 8.1 Toepassingsgebied. 8.1.2 Het gebruik van kunststoftanks is niet toegestaan. 9 Voorschriften voor het opslaan van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen en afgewerkte olie in een bovengrondse tank met een inhoud van meer dan 200 liter en ten hoogste 3000 liter 9.3 Bij zowel nieuwe als bestaande opslagen dienen de bodembeschermende voorzieningen te zijn getroffen als aangegeven in hoofdstuk 5, artikel 5.7.2 en 5.7.3 van de CPR 9 6. 10. Voorschriften voor het schoonmaken en onklaar maken van ondergrondse tanks 10.1 Toepassingsgebied. 10.1.2. Buiten gebruik gestelde tanks dienen steeds te worden verwijderd. 10.1.3 Het schoonmaken van een te verwijderen tank dient te gebeuren overeenkomstig de voorschriften 10.1 tot en met 10.3 van bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer. 12. Riolering 12.1 Aanleg respectievelijk beheer en onderhoud van leidingen en de daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van het transport van afvalwater, moeten plaats vinden overeenkomstig de van toepassing zijnde praktijkrichtlijnen NPR 3218, NPR 3221 respectievelijk NPR 3220 en NPR 3398. 12.2 De leidingenstelsels voor de afvoer van afvalwater en de daarbij behorende voorzieningen dienen steeds vloeistofdicht te zijn. 12.3 Nieuw te leggen stelsels voor de afvoer van afvalwater dienen voor de ingebruikname te worden gecontroleerd op vloeistofdichtheid middels afpersen. De resultaten hiervan dienen voor de ingebruikname te worden gezonden aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. 13. Het uitvoeren van (grond)werkzaamheden 13.1 In toe te passen grond mogen geen verontreinigingen voorkomen in concentraties die de streefwaarden overschrijden, tenzij het een lichte overschrijding van de genoemde waarden betreft welke ook regionaal in het gebied voorkomen. Een dergelijke situatie dient ten genoegen van het bevoegd gezag te worden aangetoond. Indien de streefwaarden voor de stoffen genoemd in bijlage III, tabel 3, lager liggen dan de in deze tabel opgenomen waarden, dan gelden de hogere regionale referentiewaarden van tabel 3. 13.2 Voor toe te passen overige niet vormgegeven bouwstoffen geldt dat deze ten aanzien van de chemische samenstelling en de uitloging moeten voldoen aan de waarden die zijn genoemd in bijlage III, tabel 1. Dit geldt tevens voor vormgegeven bouwstoffen, voor zover bij de productie daarvan gebruik gemaakt is van secundaire bouwstoffen (m.u.v. niet teerhoudend asfalt). 13.3 Ten einde na te gaan of de te (her)gebruiken materialen voldoen aan de eisen gesteld in voorschrift 13.1 en 13.2 dienen deze te worden bemonsterd en op hun chemische samenstelling en uitloging te worden onderzocht. Hierbij geldt het volgende: a. van iedere afzonderlijke partij dient tenminste een monster te worden genomen. Voor partijen groter dan 500 m3 moet per 500 m3 een monster worden genomen; b. ieder monster van een niet vormgegeven bouwstof moet worden samengesteld uit een minimaal aantal grepen zoals aangegeven in bijlage III, tabel 2 behorende bij dit besluit; c. grond dient tenminste te worden onderzocht op zware metalen (Cr, Cd, Ni, Cu, Zn, Hg, Pb), arseen, PAK, EOX, aromaten, minerale olie, lutum en organisch stof. De materialen als bedoeld onder voorschrift 13.2 dienen te worden onderzocht op de parameters als genoemd in bijlage III, tabel 1 van dit besluit. Indien er aanwijzingen zijn, dat er ook andere verontreinigingen in het betreffende materiaal aanwezig kunnen zijn, dient ook hiernaar onderzoek te worden verricht. 13.4 Tenminste twee werkdagen voorafgaand aan het verwerken van de bouwstof dient een verklaring, waarin de resultaten van het onderzoek als bedoeld in voorschrift 13.3 zijn opgenomen, alsmede de herkomst van het materiaal, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd. 13.5 De opslag van schadelijke stoffen en het tanken van motorvoertuigen, werktuigen en machines moet op een centrale plaats gebeuren. Deze plaats moet zijn voorzien van een vloeistofdichte vloer. Het op deze vloer vallende hemelwater mag niet op of in de bodem geraken. Opslagmiddelen van brandstoffen en andere schadelijke stoffen dienen in een vloeistofdichte bak te zijn geplaatst. 13.6 Te gebruiken machines en materieel dienen zodanig te zijn uitgerust en te worden gebruikt, dat verontreiniging van de bodem met schadelijke stoffen redelijkerwijs niet kan optreden. 13.7 Afvalwater afkomstig van te plaatsen (bouw)keten of verblijven mag niet op of in de bodem geraken. Ten behoeve van de verwarming van dergelijke verblijven mag geen gebruik worden gemaakt van vloeibare schadelijke stoffen. 13.8 Bij het beëindigen van de (bouw)werkzaamheden dienen de in voorschrift 13.7 van dit besluit bedoelde verblijven, de daarbij behorende voorzieningen, de voor de uitvoering van de werkzaamheden benodigde schadelijke stoffen en de ten gevolge van de uitvoering van de werkzaamheden ontstane schadelijke stoffen op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze te worden verwijderd. 15. Inspectie riolering 15.1 De riolering dient éénmaal in de 10 jaar na aanleg te worden gecontroleerd op technische toestand en vloeistofdichtheid. Voor een riolering, welke op het moment van melding ouder is dan 10 jaar geldt, dat deze binnen één jaar na acceptatie van de melding door Gedeputeerde Staten moet worden gecontroleerd. De controle dient te worden uitgevoerd middels video inspecties, foto's en spiegelen een en ander conform de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 3398. De beschrijving van de toestandgegevens dient plaats te hebben conform het in de NEN 3399 beschreven ontwerp classificatiesysteem bij visuele inspectie van riolen, dan wel middels een vergelijkbare methodiek. Van een dergelijke controle dient een rapport te worden overgelegd aan het bevoegd gezag en Gedeputeerde Staten. 15.2 Naar aanleiding van de inspectieresultaten moet een plan van aanpak worden gemaakt van de uit te voeren herstellingen. Een dergelijk plan bevat ten minsten een overzicht van de te nemen maatregelen en een tijdsplan. Dit plan moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. 16. Inspectie bodemvoorzieningen 16.1 De in dit besluit voorgeschreven voorzieningen ter bescherming van de bodem dienen jaarlijks visueel te worden gecontroleerd op de technische toestand en de goede werking. De resultaten van deze inspectie dienen in een logboek te worden vermeld, dat te allen tijde voor het bevoegd gezag ter inzage moet liggen. Eventuele gebreken dienen onmiddellijk te worden hersteld. 17. Bodemonderzoek 17.1 Binnen 4 maanden na acceptatie van de melding door het bevoegd gezag en Gedeputeerde Staten dient de bodem van de inrichting te worden onderzocht om de bestaande kwaliteit vast te leggen (nulsituatie). De bepaling van de nulsituatie houdt in, dat de bodemkwaliteit wordt vastgelegd op die plaatsen van het bedrijf waar potentieel bodembedreigende handelingen hebben plaatsgevonden, plaatsvinden of zullen plaatsvinden. Het onderzoek moet worden uitgevoerd conform de NVN 5740 of het protocol Nulsituatie/BSB onderzoek. De resultaten van het vooronderzoek, alsmede de te kiezen onderzoeksstrategie moeten binnen 6 weken na acceptatie van de melding ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten worden overgelegd. Het chemisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert, dat is gebaseerd op de Europese norm NEN.EN 45.001 (Algemene criteria voor de beoordeling van beproevingslaboratoria). De resultaten van het onderzoek dienen binnen een maand nadat het onderzoek is afgerond te worden gezonden aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. 17.2 Bij beëindiging van de inrichting dient een herhalingsonderzoek te worden uitgevoerd conform het gestelde in voorschrift 17.1 van dit besluit. BIJLAGE II, behorende bij het Besluit algemene voorschriften tankstations in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. Bij een melding als bedoeld in artikel 3, eerste lid van dit besluit moeten de navolgende gegevens worden verstrekt: a. de gegevens als bedoeld in bijlage II van het Besluit tankstations milieubeheer; b. een beschrijving waaruit blijkt op welke wijze de bodembeschermende verharding bij de tankplaats is/wordt uitgevoerd en door wie deze is/wordt uitgevoerd; c. een overzicht waarbij voor de reeds aanwezige ondergrondse tanks is aangegeven wanneer ze zijn gelegd; d. een plattegrond van het tankstation met toebehoren met daarop aangegeven de ligging van het rioleringssysteem en de plaatsen waar afvalstoffen en schadelijke stoffen worden opgeslagen; e. een tekening waarop de afwatering van de parkeerplaatsen en de toe en afritten van het tankstation is aangegeven, alsmede de constructie van deze voorzieningen; f. bij gebruik van secundaire bouwstoffen, gegevens omtrent de chemische samenstelling en de uitloging. BIJLAGE III, tabel 1 behorende bij het Besluit algemene voorschriften tankstations in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. EISEN VOOR BOUWSTOFFEN, NIET ZIJNDE GROND. type eis: max. imissie samenstelling soort bouwstof: niet-vormgegeven vormgegeven eenheid: mg/m2 per 100 jaar mg/kg mg/kg 1. METALEN Cr (chroom) 1500 - - Co (cobalt) 300 - - Ni (nikkel) 525 - - Cu (koper) 540 - - Zn (zink) 2100 - - As (arseen) 435 - - Mo (molybdeen) 150 - - Cd (cadmium) 12 - - Sb (antimoon) 39 - - Se (seleen) 15 - - Sn (tin) 300 - - Ba (barium) 3000 - - Hg (kwik) 4,5 - - Pb (lood) 1275 - - V (vanadium) 1020 - - 2. ANORGANISCHE VERBINDINGEN F.tot (fluoride) 7500 - - CN.-tot. vrij (cyanide) 15 - - CN.-tot. complex 75 - - SO4 (sulfaat) 45000/9000 1) - - Br. (bromide) 300 - - Cl. (chloride) 30000/60000 1) - - 3. AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen - 1,25 1,25 Ethylbenzeen - 1,25 1,25 Tolueen - 1,25 1,25 Xylenen (som) 2) - 1,25 1,25 Fenolen - 1,25 1,25 4.PAK'S - 0,5 1 Naftaleen - 3 5 Fenantreen - 3 5 Antraceen - 3 5 Fluoranteen - 1 1 Chryseen - 25 50 Benzo(a)antraceen - 3 5 Benzo(a)pyreen - 25 50 Benzo(k)fluoranteen - 25 50 Indeno(1,2,3cd)pyreen - 25 50 Benzo(ghi)peryleen - 25 50 PAK's (som 10) 3) - 50 50 5.OVERIGE ORGANISCHE STOFFEN PCB's (som 7) 4) - 0,5 0,5 EOCI totaal (mg CI/
  9. kg)- 3 3 Organochloorhoudende bestrijdingsmid. (som) 5) - 0,5 0,5 Niet-chloorhoudende bestrijdinsmid.(som) 6) - 0,5 0,5 Minerale olie 7) - 250 250 Legenda bij tabel 1 Voor de niet vormgegeven bouwstoffen dient de uitloging te worden bepaald door middel van de kolomproef volgens NEN 7343. Deze waarde betreft de cumulatieve uitloging, uitgedrukt in mg/kg bouwstof bij L/S=10. Voor de vormgegeven bouwstoffen dient de uitloging te worden bepaald door middel van de diffusieproef volgens NEN 7345. Deze waarde betreft de emissie, uitgedrukt in mg/m2 bouwstof over 64 dagen. De genoemde uitloogwaarden dienen te worden omgerekend naar immissiewaarden volgens de methodiek als beschreven in het rapport "Milieuhygiënische kwaliteit van primaire en secundaire bouwmaterialen in relatie tot hergebruik en bodem en oppervlaktewaterenbescherming", no. 771402006 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Voetnoten: 1) De in de tabel aangegeven immissiewaarden voor sulfaat en chloride zijn uitgedrukt in mg/m2 per 1 jaar. De eerste waarden hebben betrekking op toepassingen op of in de "droge" bodem met een infiltratie van regenwater of een grondwaterstroming van 300 mm/jaar. De tweede waarden hebben betrekking op toepassingen in de "natte" waterbouw met een infiltratie van oppervlaktewater of een grondwaterstroming van 600 mm/jaar. 2) Onder "Xylenen (som)" wordt verstaan: de som van m Xyleen, p Xyleen en o Xyleen. 3) Onder "PAK (som 10)" wordt verstaan: de som van Naftaleen, Fenantreen, Antraceen, Fluoranteen, Chryseen, Benzo(a)antraceen, Benzo(a)pyreen, Benzo(k)fluoranteen, Indeno(1,2,3cd)pyreen, Benzo(ghi)peryleen, PAK's totaal. 4) Onder "PCB's (som 7) wordt verstaan: de som van PCB 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180. 5) Onder "Organochloorhoudende bestrijdingsmid. (som)" wordt verstaan: de som van alle chloor bevattende bestrijdingsmiddelen. 6) Onder "niet chloorhoudende bestrijdingsmid. (som)" wordt verstaan: de som van alle bestrijdingsmiddelen met uitzondering van chloorhoudende bestrijdingsmiddelen. 7) Voor de hierna genoemde bouwstoffen geldt in afwijking van de tabel voor minerale olie geen samenstellingswaarde: - asfalt of asfaltbeton, inclusief mogelijke oppervlakbehandelingen, tussenlagen en deklagen, zijnde een bouwstof die bestaat uit een bindmiddel op basis van bitumen, steenachtig materiaal, zand en vulstof en die als zodanig regulier in wegen of waterbouw, danwel voor constructies van al dan niet vloeistofdichte vloeren wordt gebruikt; - gestabiliseerd asfaltgranulaat, zijnde een bouwstof die bestaat uit zand, cement en/of bitumenemulsie, water en ten minste 70% (m/
  10. m)asfaltgranulaat, die als zodanig regulier in de wegen en of waterbouw wordt gebruikt en waarbij het gehalte aan asfaltbeton in het asfaltgranulaat ten minste 40% bedraagt; - asfaltgranulaat, zijnde een bouwstof die als zodanig regulier in funderingen in de wegenbouw wordt gebruikt en die bestaat uit ten minste 80% gebroken of gefreesd asfalt of asfaltbeton; - gemineraliseerde bitumen dakbedekkingsmaterialen zoals die regulier in de burger en of utiliteitsbouw worden gebruikt. BIJLAGE III, tabel 2 behorende bij het besluit algemene voorschriften tankstations in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. AANTAL GREPEN EN OMVANG GREPEN BIJ ONDERZOEK NIET VORMGEGEVEN BOUWSTOFFEN. Totale hoeveelheid Minimaal aantal materiaal grepen m3 0 - 1 1 1 - 2 2 2 - 5 4 5 - 10 6 10 - 15 8 15 - 20 10 20 - 50 20 50 - 100 30 100 - 150 40 150 - 500 50 Aantal (gelijkmatig te verdelen) monsterpunten = aantal grepen gem. laagdikte [m] Maximale korrelgrootte Omvang v.d. greep mm dm3 40 1,0 50 1,7 75 4,0 100 7,0 125 10,0 150 en meer 16,0 Per monsterpunt "greep" over gehele diepte of "top ", "midden " en "bodem "monster. BIJLAGE III, tabel 3 behorende bij het besluit algemene voorschriften tankstations in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. REGIONALE REFERENTIEWAARDEN soort bouwstof grond type eis: samenstelling eenheid mg/kg 1.METALEN Cr (chroom) 38 Cu (koper) 19 Zn (zink) 110 As (arseen) 14 Cd (cadmium) 0,8 Hg (kwik) 0,2 Pb (lood) 37 2. PAK'S Naftaleen 0,15 Fenantreen 0,18 Antraceen 0,03 Fluoranteen 0,45 Chryseen 0,22 Benzo(a)antraceen 0,15 Benzo(a)pyreen 0,15 Benzo(k)fluoranteen 0,15 Indeno(1,2,3cd)pyreen 0,14 Benzo(ghi)peryleen 0,17 PAK's (som 10) 1,2 3.OVERIGE EOX 0,3 BESLUIT ALGEMENE VOORSCHRIFTEN HERSTELINRICHTINGEN VOOR MOTORVOERTUIGEN IN GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN IN LIMBURG 1997 Artikel 1 In dit besluit en de bijlage bij dit besluit wordt verstaan onder: a. Een herstelinrichting voor motorvoertuigen: een herstelinrichting die valt onder de werking van het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (Stb. 1990, 51); b. Grondwaterbeschermingsgebied: een als grondwaterbeschermingsgebied nader aangeduid milieubeschermingsgebied als aangewezen in bijlage 6, artikel II van de Provinciale milieuverordening Limburg; c. Bevoegd gezag: het gezag, dat overeenkomstig artikel 8.2 van de Wet milieubeheer bevoegd is of zou zijn een vergunning voor de herstelinrichting voor motorvoertuigen te verlenen; d. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Limburg; e. Waterleidingbedrijf: het waterleidingbedrijf ten behoeve waarvan het grondwaterbeschermingsgebied waarin de inrichting is gelegen wordt beschermd; f. Melding: een melding als bedoeld in artikel 4 van het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer; g. Streefwaarden: de waarden zoals die zijn opgenomen in de circulaire van 9 mei 1994, no. DBO/07494013 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; h. Vormgegeven bouwstof: bouwstof, met een volume per kleinste eenheid van tenminste 50 cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft; i. Niet vormgegeven bouwstof: bouwstof, niet zijnde een vormgegeven bouwstof; j. Grond: niet vormgegeven bouwstof met een vaste structuur, die van natuurlijke oorsprong is, niet door de mens is geproduceerd en onderdeel van de Nederlandse bodem kan uitmaken; k. CPR 15-1: de richtlijn CPR 15-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Opslag gevaarlijke stoffen in emballage", voor opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0-10 ton), tweede druk 1990, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewe¬zen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; l. NPR 3218: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Insti¬tuut, Buitenriolering onder vrij verval "Aanleg en onderhoud", eerste druk, juli 1984, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; m. NPR 3220: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Insti¬tuut, Buitenriolering "Beheer", eerste druk, juni 1987, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrek¬king tot dat onderwerp de geldende norm is; n. NPR 3221: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Insti¬tuut, Buitenriolering onder over- en onderdruk "Ontwerp criteria, aanleg en onderhoud" eerste druk, juni 1986, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrek¬king tot dat onderwerp de geldende norm is; o. NPR 3398: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Insti¬tuut, Buitenriolering "Inspectie en toestandsbeoordeling", eerste druk, april 1992, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; p. Emballage: glazen flessen tot 5 liter, kunststof flessen of vaten tot 60 liter, metalen bussen tot 25 liter, stalen vaten en kunststof drums tot 100 liter en papieren of kunststof zakken; q. Schadelijke stoffen: stoffen of combinaties van stoffen, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval verwacht kan worden dat ze de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen. 1. Dit besluit is niet van toepassing op het oprichten van herstelinrichtingen voor motorvoertuigen welke voorkomen op de in bijlage 10, onderdeel 1 van de Provinciale milieuverordening Limburg opgenomen lijst. 2. Het verbod in artikel 5.25, eerste lid van de Provinciale milieuverordening Limburg geldt niet voor herstelinrichtingen voor motorvoertuigen die zijn gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften in bijlage I. De voorschriften opgenomen in de hoofdstukken 17 t/m 22, 25 en 26 van bijlage I zijn niet van toepassing op een tankstationgedeelte Wat betreft het tankstationgedeelte moet worden voldaan aan de voorschriften van bijlage 1a behorend bij dit besluit. 1. Diegene die voornemens is een herstelinrichting voor motorvoertuigen op te richten, niet voorkomende op de lijst in bijlage 10, onderdeel 1, een bestaande herstelinrichting voor motorvoertuigen uit te breiden of te wijzigen, dan wel de werking daarvan te veranderen meldt dit tenminste vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. Deze melding is niet vereist indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit uitbreiden, wijzigen of veranderen van de werking van de inrichting geen afwijking ontstaat van de bij die melding eerder verstrekte gegevens. 2. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval het tijdstip vermeld, waarop men met de bouw van de herstelinrichting voor motorvoertuigen begint, de uitbreiding of wijziging daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn en worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven. De melding dient te worden gedaan op een formulier waarvan het model in het kader van het Besluit algemene voorschriften herstelinrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. 3. Wanneer Gedeputeerde Staten van mening zijn dat de melding niet terecht is gedaan, delen zij dit binnen vier weken schriftelijk mede aan degene die de melding heeft gedaan, alsmede aan het bevoegde gezag. 4. Een op het moment van inwerkingtreding van dit besluit in werking zijnde inrichting dient uiterlijk met ingang van 1 januari 2001 te voldoen aan de in bijlage I van dit besluit vermelde voorschriften. 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst. 2. Het Besluit Algemene voorschriften herstelinrichtingen voor motorvoertuigen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg (Besluit van 19 december 1995, provinciaal blad 1995, 51) wordt op de in het eerste lid bedoelde dag ingetrokken. Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5Deze regeling kan worden aangehaald als: Besluit algemene voorschriften herstelinrichtingen voor motorvoertuigen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. BIJLAGE I, behorende bij het Besluit algemene voorschriften herstelinrichting voor motorvoertuigen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. Aanvullende voorschriften bij bijlage I van het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hoofdstukken 17 t/m 22, 25 en 26 gelden niet voor het tankstationgedeelte: zie bijlage Ia). II Voorschriften 1. Herstelinrichtingen voor motorvoertuigen 1.19 De vloeren van ruimten waar met schadelijke stoffen wordt gewerkt of waar deze worden opgeslagen moeten vloeistofdicht zijn uitgevoerd. De vloeren moeten bestand zijn tegen de betreffende stoffen. 1.20 Opslag van schadelijke stoffen in emballage, niet zijnde K1 , K2 , K3 vloeistoffen, chemicaliën of afvalstoffen dient steeds plaats te hebben in vloeistofdichte emballage. De emballage dient op een vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte opvangbak te zijn geplaatst, zodanig dat bij het morsen deze vloeistoffen niet kunnen afstromen. De opvangvoorziening moet bestand zijn tegen de stoffen waarmee deze in aanraking kan komen en moet groot genoeg zijn om de daarin opgeslagen schadelijke stoffen op te kunnen vangen. 2. Het wassen en deconserveren van motorvoertuigen 2.9 De wasplaats moet zodanig ingericht zijn, dat de nevel ten gevolge van het reinigen niet buiten de vloeistofdichte vloer kan geraken. 2.10 Schrobputten of afvoergoten moeten vloeistofdicht aansluiten op de vloer. 5. Afvalstoffen 5.8 Een opslag van afvalstoffen, zijnde schadelijke stoffen, dient te zijn voorzien van een bodembeschermende voorziening welke steeds voorkomt, dat schadelijke stoffen in de bodem geraken. Het functioneren van deze voorzieningen dient regelmatig te worden gecontroleerd. 5.9 De verpakkingen waarin de afvalstoffen worden opgeslagen, alsmede de bodembeschermende voorzieningen moeten bestand zijn tegen de stoffen die worden opgeslagen. 5.10 Vloeistoffen, afkomstig van de in voorschrift 5.8 van dit besluit bedoelde bodembeschermende voorzieningen dienen zodanig te worden afgevoerd, dat ze niet in de bodem kunnen geraken. 13 Bewaren van vloeistoffen 13.1 Algemeen. 13.1.3 Vloeistoffen, zijnde schadelijke stoffen moeten op een vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte lekbak zijn opgeslagen. Deze voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat ze voldoende sterk zijn, bestand zijn tegen de opgeslagen stoffen en voldoende groot zijn om de opgeslagen producten te kunnen opvangen. 13.1.4 Het vullen van, of aftappen van de vloeistoffen uit de opslagmiddelen dient zonder morsen te geschieden. Indien het vaatwerk bestemd is tot het aftappen van vloeistoffen, moeten vloeistofdichte lekbakken zijn geplaatst dan wel moet het vaatwerk zijn geplaatst op een vloeistofdichte vloer, zodanig dat bij eventueel morsen de vloeistoffen niet afstromen. 17 Voorschriften voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen in ondergrondse stalen tanks (nieuwe installaties) 17.10 Het plaatsen van ondergrondse tanks voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen is niet toegestaan. 18 Voorschriften voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen in ondergrondse stalen tanks (bestaande installaties) 18.13 Indien een bestaande ondergrondse tank bij het inwerkingtreden van dit besluit ouder is dan 20 jaar moet deze uiterlijk binnen twee jaar na in werkingtreding van dit besluit buiten gebruik worden gesteld en worden verwijderd. Dit ongeacht de uitslag van de beoordeling overeenkomstig voorschrift 5.2.1.3 en 5.2.1.4 van de CPR 9 1. 18.14 Een verwijderde tank, dan wel een op een andere wijze definitief buiten gebruik gestelde tank mag niet worden vervangen door een nieuwe ondergrondse tank. 18.15 Het gebruik van kunststof leidingen is niet toegestaan. 20. Gebruiksvoorschriften voor ondergrondse tankinstallatie voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen 20.1 Algemeen. 20.1.15 Op het verwijderen of het anderszins buiten gebruik stellen van een ondergrondse tankinstallatie voor de opslag van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen is het gestelde in bijlage VI van het Besluit ondergronds opslaan in tanks (Stb. 1993, 46) van toepassing. 21. Voorschriften voor de opslag van afgewerkte olie in ondergrondse tanks 21.10 Het plaatsen van een nieuwe ondergrondse tank voor de opslag van afgewerkte olie is niet toegestaan. 21.11 Ten aanzien van een bestaande ondergrondse tank voor de opslag van afgewerkte olie zijn de voorschriften 18.13 en 18.14 van dit besluit van overeenkomstige toepassing. 21.12 Zowel rond het vulpunt als rond de aansluiting voor het leegzuigen dient, een vloeistofdichte, productbestendige opvangvoorziening voor gemorst product te zijn aangebracht. Deze opvangvoorziening dient tenminste een oppervlak van 0,25 m2 te hebben. 21.13 Indien een ondergrondse tank voor de opslag van afgewerkte olie buiten gebruik wordt gesteld is het bepaalde in voorschrift 20.1.15 van dit besluit van overeenkomstige toepassing. 22. Voorschriften voor het afleveren van motorbrandstoffen 22.14 Indien aan een tank een afleverinstallatie (elektrisch of handbediend) met een doorzet van 10.000 liter per jaar of meer is verbonden, dan dienen de maatregelen en voorzieningen te zijn getroffen zoals die in hoofdstuk 8.28 onder artikel 8.28.5 van de CPR 9 1 zijn aangegeven. 22.15 Indien aan een tank een afleverinstallatie (elektrisch of handbediend) met een doorzet van minder dan 10.000 liter per jaar is verbonden, dan dienen de maatregelen en voorzieningen te zijn getroffen zoals die in hoofdstuk 5.3, artikel 5.3.11 van de CPR 9 6 zijn aangegeven. Indien daar sprake is van "aaneengesloten verharding" moet daar voor worden gelezen "vloeistofdichte verharding". 23 Voorschriften voor de opslag van gasolie, lichte stookolie smeerolie of afgewerkte olie in bovengrondse tanks met een inhoud van meer dan 200 liter en ten hoogste 3000 liter 23.2 Constructievoorschriften. 23.2.21 Ten aanzien van de installatie en het gebruik van een nieuw te plaatsen tank en de bijbehorende voorzieningen geldt het gestelde in de CPR 9 6. 23.2.22 Bij zowel nieuwe als bestaande opslagen dienen de bodembeschermende voorzieningen te zijn getroffen als aangegeven in hoofdstuk 5, artikel 5.7.2 en 5.7.3 van de CPR 9 6. 23.2.23 Bij een opslag voor afgewerkte olie dient zowel rond het vulpunt als rond de aansluiting voor het leegzuigen, een vloeistofdichte, productbestendige opvangvoorziening voor gemorst product te zijn aangebracht. Deze opvangvoorziening dient tenminste een oppervlak van 0,25 m2 te hebben. 24. Centrale verwarmingsinstallaties met een gezamenlijke nominale belasting van meer dan 130 kW 24.4. Opstelling stooktoestellen. 24.4.3 Bij oliegestookte stooktoestellen dienen bodembeschermende voorzieningen te zijn aangebracht welke steeds voorkomen, dat schadelijke stoffen in de bodem geraken. Het functioneren van deze voorzieningen dient regelmatig te worden gecontroleerd. 25. Voorschriften voor het opslaan van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen in een ondergrondse kunststoftank 25.1 Toepassingsgebied. 25.1.2 Het gebruik van kunststoftanks is niet toegestaan. 26. Voorschriften voor het opslaan van afgewerkte olie in een ondergrondse kunststoftank 26.1 Toepassingsgebied. 26.1.2 Het gebruik van kunststoftanks is niet toegestaan. 27. Riolering 27.1 Aanleg respectievelijk beheer en onderhoud van leidingen en de daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van het transport van afvalwater, moeten plaats vinden overeenkomstig de van toepassing zijnde praktijkrichtlijnen NPR 3218, NPR 3221 respectievelijk NPR 3220 en NPR 3398. 27.2 De leidingenstelsels voor de afvoer van afvalwater en de daarbij behorende voorzieningen dienen steeds vloeistofdicht te zijn. 27.3 Nieuw te leggen stelsels voor de afvoer van afvalwater dienen voor de ingebruikname te worden gecontroleerd op vloeistofdichtheid middels afpersen. De resultaten hiervan dienen voor de ingebruikname te worden gezonden aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. 28. Het uitvoeren van (grond)werkzaamheden 28.1 In toe te passen grond mogen geen verontreinigingen voorkomen in concentraties die de streefwaarden overschrijden, tenzij het een lichte overschrijding van de genoemde waarden betreft welke ook regionaal in het gebied voorkomen. Een dergelijke situatie dient ten genoegen van het bevoegd gezag te worden aangetoond. Indien de streefwaarden voor de stoffen genoemd in bijlage III, tabel 3, lager liggen dan de in deze tabel opgenomen waarden, dan gelden de hogere regionale referentiewaarden van tabel 3. 28.2 Voor toe te passen overige niet vormgegeven bouwstoffen geldt dat deze ten aanzien van de chemische samenstelling en de uitloging moeten voldoen aan de waarden die zijn genoemd in bijlage III, tabel 1. Dit geldt tevens voor vormgegeven bouwstoffen, voor zover bij de productie daarvan gebruik gemaakt is van secundaire bouwstoffen (m.u.v. niet teerhoudend asfalt). 28.3 Ten einde na te gaan of de te (her)gebruiken materialen voldoen aan de eisen gesteld in voorschrift 28.1 en 28.2 dienen deze te worden bemonsterd en op hun chemische samenstelling en uitloging te worden onderzocht. Hierbij geldt het volgende: a. van iedere afzonderlijke partij dient tenminste een monster te worden genomen. Voor partijen groter dan 500 m3 moet per 500 m3 een monster worden genomen; b. ieder monster van een niet vormgegeven bouwstof moet worden samengesteld uit een minimaal aantal grepen zoals aangegeven in bijlage III, tabel 2 behorende bij dit besluit; c. grond dient tenminste te worden onderzocht op zware metalen (Cr, Cd, Ni, Cu, Zn, Hg, Pb), arseen, PAK, EOX, aromaten, minerale olie, lutum en organisch stof. De materialen als bedoeld onder voorschrift 28.2 dienen te worden onderzocht op de parameters als genoemd in bijlage III, tabel 1 van dit besluit. Indien er aanwijzingen zijn, dat er ook andere verontreinigingen in het betreffende materiaal aanwezig kunnen zijn, dient ook hiernaar onderzoek te worden verricht. 28.4 Tenminste twee werkdagen voorafgaand aan het verwerken van de bouwstof dient een verklaring, waarin de resultaten van het onderzoek als bedoeld in voorschrift 28.3 zijn opgenomen, alsmede de herkomst van het materiaal, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd. 30. Inspectie riolering 30.1 De riolering dient éénmaal in de 10 jaar na aanleg te worden gecontroleerd op technische toestand en vloeistofdichtheid. Voor een riolering, welke op het moment van melding ouder is dan 10 jaar geldt, dat deze binnen één jaar na acceptatie van de melding door Gedeputeerde Staten moet worden gecontroleerd. De controle dient te worden uitgevoerd middels video inspecties, foto's en spiegelen een en ander conform de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 3398. De beschrijving van de toestandgegevens dient plaats te hebben conform het in de NEN 3399 beschreven ontwerp classificatiesysteem bij visuele inspectie van riolen, dan wel middels een vergelijkbare methodiek. Van een dergelijke controle dient een rapport te worden overgelegd aan het bevoegd gezag en Gedeputeerde Staten. 30.2 Naar aanleiding van de inspectieresultaten moet een plan van aanpak worden gemaakt van de uit te voeren herstellingen. Een dergelijk plan bevat tenminste een overzicht van de te nemen maatregelen en een tijdsplanning. Dit plan moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. 31. Inspectie bodemvoorzieningen 31.1 De in dit besluit voorgeschreven voorzieningen ter bescherming van de bodem dienen jaarlijks visueel te worden gecontroleerd op de technische toestand en de goede werking. De resultaten van deze inspectie dienen in een logboek te worden vermeld, dat te allen tijde voor het bevoegd gezag ter inzage moet liggen. Eventuele gebreken dienen onmiddellijk te worden hersteld. 32. Bodemonderzoek 31.1 Binnen 4 maanden na acceptatie van de melding door het bevoegd gezag en Gedeputeerde Staten dient de bodem van de inrichting te worden onderzocht om de bestaande kwaliteit vast te leggen (nulsituatie). De bepaling van de nulsituatie houdt in, dat de bodemkwaliteit wordt vastgelegd op die plaatsen van het bedrijf waar potentieel bodembedreigende handelingen hebben plaatsgevonden, plaatsvinden of zullen plaatsvinden. Het onderzoek moet worden uitgevoerd conform de NVN 5740 of het protocol Nulsituatie/BSB onderzoek. De resultaten van het vooronderzoek, alsmede de te kiezen onderzoeksstrategie moeten binnen 6 weken na acceptatie van de melding ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten worden overgelegd. Het chemisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert, dat is gebaseerd op de Europese norm NEN.EN 45.001 (Algemene criteria voor de beoordeling van beproevingslaboratoria). De resultaten van het onderzoek dienen binnen een maand nadat het onderzoek is afgerond te worden gezonden aan het bevoegd gezag en aan Gedeputeerde Staten. 31.2 Bij beëindiging van de inrichting dient een herhalingsonderzoek te worden uitgevoerd conform het gestelde in voorschrift 31.1 van dit besluit. BIJLAGE Ia, behorende bij het Besluit algemene voorschriften herstelinrichting voor motorvoertuigen in grondwaterbeschermingsgebieden in Limburg 1997. (voor het tankstationgedeelte) Aanvullende voorschriften bij bijlage Ia van het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer. II Voorschriften 1. Bodembescherming 1.12 De in voorschrift 1.1. van bijlage 1 behorend bij het Besluit tankstations milieubeheer bedoelde bodembeschermende verharding dient te zijn uitgevoerd conform het gestelde in de aanvullende eisen in 8.28.5 van de CPR 9-1. De aan te brengen verharding mag uitsluitend bestaan uit een verharding waarvoor door het KIWA een beoordelingsrichtlijn (BRL) is ontwikkeld en vastgesteld. Het aanleggen en het event

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.