Kort samengevat
Deze verordening regelt activiteiten in de fysieke leefomgeving van de gemeente Oldebroek, met als doel regels samen te brengen en een veilige, gezonde en doelmatige leefomgeving te waarborgen. Het is een voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Wat het reguleert
- Activiteiten in de fysieke leefomgeving die onder de toekomstige Omgevingswet vallen.
- Het samenbrengen van regels uit diverse gemeentelijke verordeningen.
- De beslistermijnen voor vergunningen en ontheffingen.
- De voorwaarden voor het vellen van houtopstanden.
Wie het aangaat
- Inwoners en bedrijven die activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving van de gemeente Oldebroek.
- Rechthebbenden van percelen waar standplaatsen worden ingenomen.
Kernpunten
- Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken, tenzij anders bepaald, en kan deze termijn eenmaal met ten hoogste 6 weken verlengen.
- Een vergunning of ontheffing is persoonlijk en geldt voor onbepaalde tijd, tenzij anders bepaald of de aard zich daartegen verzet.
- Vergunningen of ontheffingen kunnen geweigerd worden in het belang van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of milieubescherming, of als de aanvraag minder dan drie weken voor de activiteit is ingediend.
- Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben, of een waardevolle of gemeentelijke houtopstand te vellen.
Wettekst
Verordening voor de fysieke leefomgeving gemeente Oldebroek 2024De raad van de gemeente Oldebroek; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 september 2023; overwegende dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking treedt; overwegende dat het om redenen als verwoord in het voorstel van het college burgemeester en wethouders wenselijk is om een Verordening voor de fysieke leefomgeving vast te stellen. Overwegende dat wij op 10 november 2022 hebben ingestemd met het plan van aanpak voor transitie naar een omgevingsplan hebben en dat in dit plan van aanpak de vaststelling van een verordening voor de fysieke leefomgeving als beslispunt opgenomen is; gelet op de artikelen 2.4, 4.1 en 22.4 van de Omgevingswet en artikel 149 van de Gemeentewet, B E S L U I T: vast te stellen de volgende verordening: Verordening voor de fysieke leefomgeving gemeente Oldebroek
- Hoofdstuk1Inleidende regels Artikel1.1.Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze verordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving college: het college van burgemeester en wethouders; openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan. Artikel1.2Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de toekomstige Omgevingswet en die opgenomen gaan worden in het Omgevingsplan. Artikel1.3Doelen van de verordening 1.Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. Deze regels betrekking zullen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) worden verwerkt in het omgevingsplan. 2.Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel1.4(verhouding tot andere regelgeving) Deze verordening is niet van toepassing op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, die bij of krachtens een wet, een algemene maatregel van bestuur, een ministeriële regeling of provinciale verordening uitputtend zijn geregeld, tenzij uit de bepalingen van deze verordening anders blijkt Artikel1.5Beslistermijn. 1.Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag of melding, tenzij in een hoofdstuk een andere beslistermijn is vastgesteld. 2.Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn eenmaal met ten hoogste 6 weken verlengen 3.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel1.6Voorschriften en beperkingen. 1.Aan een besluit kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee het besluit is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel1.7Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing. 1.Een vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel1.8Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing. 1.De vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of indien de houder dit verzoekt. 2.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel1.9Termijnen. 1.De vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing of aanvaarding van een melding anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing of aanvaarding van een melding zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1.10Algemene weigeringsgronden. 1.Een vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; of de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk2Ambulante handel AFDELING2.
- MARKTEN vervallen AFDELING2.
- STANDPLAATSEN Artikel2.28Definitie 1.In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2.Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet, of; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening. Artikel2.29Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: als de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand, of; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:30Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel2.31Afbakeningsbepalingen 1.Artikel 2.29, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening 2.De weigeringsgrond van artikel 2:29,derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. Hoofdstuk3HOUTOPSTANDEN Artikel3.1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Bomenlijst Oldebroek: een lijst met houtopstanden die een bijzondere waarde hebben voor de leefomgeving; boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam; boomtechnisch deskundige: een deskundige die ten minste beschikt over het European TreeTechnician (ETT) certificaat; college: het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek; dunning: het binnen een houtopstand, waarin meerdere houtige gewassen gezamenlijk opgroeien en ontwikkelen en bij volle wasdom een aaneengesloten kronendak vormen, verwijderen van individuele houtige gewassen ten gunste van de beoogde ontwikkeling van de overblijvende houtige gewassen van die houtopstand; herplantwaarde: de financiële waarde van een herplant op basis van de actuele richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere lintbegroeiing van heesters en struiken of een beplanting van bosplantsoen; iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus (F.)en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus; iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn.Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); kandelaberen: het voor de eerste maal afzetten van een bestaande regulier uitgegroeide kroon tot takstompen met als doelstelling het ingrijpend reduceren van de kroonomvang; kappen: het geheel of grotendeels bovengronds verwijderen van een houtopstand knotten: het periodiek terugzetten van de gehele kroon middels het verwijderen van opnieuw uitgelopen loten, twijgen en takken met als doelstelling het terugzetten van de kroon tot op het meerjarige hout; rooien: het ondergronds verwijderen van de stobbe of wortelkluit van een houtopstand; taxateur van bomen: een boomtaxateur, officieel als zodanig geregistreerd bij de beroepsvereniging Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; vellen: het kandelaberen, knotten, kappen of rooien van een houtopstand, met inbegrip van verplanten alsmede het verrichten van andere handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of beschadiging van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben; waardevolle houtopstand: een houtopstand die is opgenomen in de Bomenlijst Oldebroek. Artikel3.2Toepassingsbereik Deze verordening is van toepassing op houtopstanden: die gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, van de Wet Natuurbescherming, en: die niet gelegen zijn binnen de bebouwde kom, voor zover het gaat om houtopstanden als bedoeld in artikel 4.1, onderdelen b (houtopstanden op erven of in tuinen) Artikel3.3Aanwijzing waardevolle houtopstanden 1.Het college stelt de lijst van waardevolle houtopstanden vast. 2.De in lid 1 bedoelde lijst kan ambtshalve en op verzoek van belanghebbenden aangepast worden. 3.Het college deelt haar besluit omtrent plaatsing op de lijst schriftelijk mede aan de eigenaar en andere zakelijk gerechtigde en, voor zover van toepassing, aan degene die om plaatsing heeft verzocht. Artikel3.4Verbod vellen waardevolle houtopstanden en gemeentelijke houtopstanden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen indien: deze is benoemd op de in artikel 3.3, eerste lid genoemde lijst, of het een gemeentelijke houtopstand betreft. 2.Het in het eerste lid opgenomen verbod geldt niet voor: het vellen van een houtopstand krachtens de Plantenziektewet; het vellen van een houtopstand op bevel van de burgemeester danwel op grond van een door het college op basis van deze verordening opgelegde verplichting danwel in verband met een voornemen daartoe, of: het knotten als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen, of: het periodiek vellen van hakhout of uitvoeren van een dunning in een houtopstand ter uitvoering van het reguliere onderhoud. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt eveneens voor een boom die is geplant op grond van de verplichting die voortvloeit uit de herplantplicht nadat een houtopstand van de Bomenlijst is geveld. 4.Het college kan een vergunning voor vellen verlenen indien sprake is van: instandhouding niet langer verantwoord is; het verplanten van een houtopstand, waarbij dit geen bedreiging vormt voor het duurzaam behoud van deze houtopstand; een zwaarwegende maatschappelijke reden voor kap van een houtopstand, waarbij alle redelijke alternatieven zijn onderzocht; een gemeentelijke houtopstand waarbij het vellen daarvan past binnen de visie van geldende omgevings-, groen-, of landschapsplannen. Voordat het college een vergunning verleent wegens grond a of b, dient door de aanvrager van de vergunning een advies te worden overgelegd van een boomtechnisch deskundige. Het college kan besluiten dat van deze verplichting kan worden afgezien, indien naar het oordeel van het college uit de aanvraag reeds genoegzaam blijkt dat aan grond a of b voldaan wordt. Artikel3.5Intrekken vergunning vervallen Artikel3.6Herplantplicht en overige voorschriften 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 verbindt het college aan een vergunning in ieder geval als voorschrift dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen wordt herplant, tenzij omstandigheden zich daartegen verzetten. 2.Bij een voorschrift als bedoeld in het eerste lid kan tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3.Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in, op en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna. Artikel3.7Herplantplicht bij overtreding verbod 1.Indien een houtopstand in strijd met een in deze verordening opgenomen verbod zondervergunning is geveld, kan het college de verplichting opleggen dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen, wordt herplant. Deze verplichting wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond, danwel aan degene die de houtopstand heeft geveld dan wel heeft doen vellen. 2.Indien herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, kan in plaats van de in het eerste lid bedoelde verplichting worden opgelegd dat een door het college te bepalen bedrag, dat gelijk is aan de herplantwaarde ter compensatie wordt gestort in het Bomenfonds als genoemd in de Bomenverordening. Artikel3.8 Vervallen Artikel3.9Instandhoudingsplicht 1.Indien een waardevolle houtopstand mogelijk teniet dreigt te gaan, dan is de eigenaar verplicht dit te melden bij het bevoegd gezag. 2.Wordt een waardevolle houtopstand in het voortbestaan ernstig bedreigd door menselijk handelen, dan kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt, danwel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van maatregelen bevoegd is, de lastopleggen om: een advies op te laten stellen door een boomtechnisch deskundige, waarin de gevolgen van het menselijk handelen voor de houtopstand en mogelijke maatregelen worden weergegeven; overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen en binnen een door het college te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. Artikel3.10 vervallen Artikel3.11Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 1 meter voor gemeentelijke bomen en op 2 meter voor overige bomen. Artikel3.12Bestrijding van iepziekte 1.Indien zich op een perceel één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, kan het college aan de zakelijk gerechtigde de verplichting opleggen binnen een door het college te bepalen termijn: de iepen te vellen; de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen; delen van iepen te vernietigen, of: iepen zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden te hebben of te vervoeren, met uitzondering van geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een diameter van minder dan 4 centimeter. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het in het vorige lid opgenomen verbod. Artikel3.13verplichting en rechtsopvolger Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, of in artikel 3.7 is gegeven, onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in artikel 3.8 is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is gehouden dienovereenkomstig te handelen. Artikel3.14Overgangsbepaling Vervallen HOOFDSTUK4.BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE AFDELING4.
- VOORKOMEN OF BEPERKEN GELUIDHINDER EN HINDER DOOR VERLICHTING Artikel4.1Definities In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4.2 tot en met 4.5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel4.2 vervallen Artikel4.3Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4.5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan via het daarvoor vastgestelde formulier in kennis heeft gesteld. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werk- dagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan via het daarvoor vastgestelde formulier in kennis heeft gesteld. 3.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het daarvoor vastgestelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 4.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, direct toestaat. 5.Het equivalente geluidsniveau LAr,LTeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan: 60 dB(A) en 70 dB(C) vanwege muziekgeluid, gemeten in gemiddelden van 1 minuut op de gevel van geluidgevoelige gebouwen binnen de bebouwde kom op een hoogte van 1,5 meter als de incidentele activiteit plaatsvindt bij een inrichting in de bebouwde kom; 70 dB(A) en 80 dB(C) vanwege muziekgeluid, gemeten in gemiddelden van 1 minuut op 50 meter (als woningen dichterbij staan is die gevel maatgevend) van het podium en/of plaats waar muziek wordt gemaakt buiten de bebouwde kom op een hoogte van 1,5 meter als de incidentele activiteit plaatsvindt bij een inrichting buiten de bebouwde kom; 70 dB(A) niet zijnde muziekgeluid, gemeten in gemiddelden van 1 minuut op 50 meter (als woningen dichterbij staan is die gevel maatgevend) van het dichtstbijzijnde geluidproducerende punt op een hoogte van 1,5 meter. 6.In de geluidswaarden als genoemd in het vijfde lid wordt ook onversterkte muziek betrokken. Voor de geluidmetingen is de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (HMRI) is van toe- passing met de volgende aanpassing: er wordt geen muziekgeluidcorrectie, -bedrijfsduurcorrectie en/of meteocorrectie toegepast; de meet- en beoordelingstijd bestaat uit aaneengeschakelde perioden van 3 minuten, dit is een continu proces; er wordt altijd gemeten en gerekend met meewind; de gestelde geluidsnormen worden op zeer korte afstand (ca. 2 meter) voor de gevel van de woning genormeerd. Hiervoor wordt geen correctie voor de gevelreflectie toegepast. 7.De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid geldt voor zowel het bebouwde gedeelte als het niet bebouwde gedeelte van de inrichting. 8.Op de dagen dat een incidentele activiteit is toegelaten moet deze uiterlijk om 00:00 worden beëindigd. Artikel4.5Onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit, binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel 7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 2.Voor de duur van 4 uur in de week en maximaal 2 uur per oefening, is onversterkte muziek, van- wege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 3.Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit dit artikel niet van toepassing. 4.Het eerste lid geldt niet als artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is. Artikel4.5dGeluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel4.6Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve be- schikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. AFDELING4.
- MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel4.13Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke. 1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid nadere regels stellen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. AFDELING4.
- KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN Artikel4.17Definitie In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel4.18(Recreatief) nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap, of; de bescherming van een stadsgezicht. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve be- schikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4.19Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4.18, eerste lid niet geldt. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4.18, vierde lid. HOOFDSTUK5.ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE AFDELING5.
- PARKEEREXCESSEN EN STOPVERBOD Artikel5.1Definities In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990); voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen. Artikel5.2Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden, of; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 20 meter met als middelpunt een van deze voertuigen, of; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5.3 Vervallen Artikel5.4 Vervallen Artikel5.5Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving Artikel5.6Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente, of; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5.7 vervallen Artikel5.8Parkeren van grote voertuigen 1.Het is, met het oog op het uiterlijk aanzien van de gemeente en de verdeling van beschikbare parkeerruimte, verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter en/of een breedte van meer dan 2 meter op een openbare plaats te parkeren buiten de door het college aangewezen plaatsen. 2.Het verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 3.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 4.Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve be- schikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5.9Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel5.10 Vervallen Artikel5.11Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2.Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:12Overlast van fietsen of bromfietsen
- Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
- Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen langer dan achtentwintig dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking gebruik te maken van voorzieningen bestemd voor het stallen van fietsen of bromfietsen.
- Het college stelt nadere regels op over de wijze waarop de bevoegdheid van lid 1 en lid 2 wordt uitgeoefend. AFDELING5.
- CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN Artikel5.31aDefinities In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet
- Artikel5.32Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden, of; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren Artikel5.33Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen, alsmede op door het college aangewezen weilanden en akkerlanden te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig , een bromfiets, een fiets of een paard. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden, of; in het belang van de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld, of; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, of; binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel 5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. AFDELING5.
- VUURVERBOD Artikel5.34Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben 2.Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand, of; vuur voor koken, bakken en braden. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. Hoofdstuk6Reclame Artikel6.1.Begripsbepalingen In dit hoofdstuk van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct en indirect met de gronden verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Gebouw: een geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten, voor mensen toegankelijke, ruimte dat voorzien is van een dak. Wegen: alle wegen als bedoeld in artikel 1, lid 1 sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide pleinen, straten, parkeerterreinen, lanen, bermen en andere zijkanten van wegen alsmede stegen, sloppen, plantsoenen, parken, stranden, bos, heide, trottoirs, stoepen, trappen, portiekruimten, gangen, passages, galerijen, telefooncellen, liften, tunnels, vluchtheuvels, kaden, terreinen, en een en ander voor zover zij, zij het ook met enige beperking, voor het publiek feitelijk toegankelijk zijn, onverschillig wie daarvan eigenaar is. Rechthebbende: Ieder, die over enig goed (roerend of onroerend) enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, dan wel daarover enige feitelijke zeggenschap uitoefent. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Soorten reclame (zie nadere uitwerking hoofdstuk 2 toelichting kenmerk:200024): Reclame op gevels, weilandborden, driehoek borden/aankondigingsborden, sandwichborden, reclamezuilen, aanplakbiljetten, uithangborden, abri’s, lichtbakken, reclame bij sportaccommodaties, reclame langs de snelweg, plattegronden, Reclame op schakelkasten, reclame op zonweringen, rolluiken en luifels, vlaggen en spandoeken, bouwborden, draaiend reclamebord stoepborden, uitstallingen, rotonde reclame en lichtmastreclame. Artikel6.2.Uitsluiting toepassingsgebied Deze verordening is niet van toepassing op openbaarmakingen van gevoelens en/of gedachten als bedoeld in artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 10 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en artikel 7 van de Grondwet. Artikel6.3.Verbodsbepalingen 1.In alle gebieden zoals weergegeven op de bij deze verordening behorende kaarten is het verboden om ten behoeve van reclame-uitingen in de vorm van billboards, weilandborden, reclame op voertuigen en reclame op rotondes te plaatsen of te doen plaatsen dan wel als eigenaar of andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak plaatsing toe te staan. 2.In alle gebieden zoals weergegeven op de bij deze verordening behorende kaarten is het verboden om ten behoeve van reclame opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, constructies ten behoeve daarvan, of kennelijk voor reclamedoeleinden gebezigde vervoersmiddelen (verder te noemen: reclame) te plaatsen of te doen plaatsen dan wel als eigenaar of andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak plaatsing toe te staan. 3.Het in artikel 6.3.2 vervatte verbod is niet van toepassing op reclame-uitingen die is aangebracht in de gebieden aangeduid “bedrijventerrein en/of centrum” en voor zover deze reclame betrekking heeft op een aldaar uitgeoefend beroep, bedrijf of dienst en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan: reclame-uitingen bij horeca en/of winkels dienen geplaatst te worden op winkelniveau (de verdieping waarop de winkel zich bevindt); reclame-uitingen in de vorm van stoepborden mogen niet buiten openingstijden buiten geplaatst worden; per horeca en/of winkel mogen maximaal vier reclame-uitingen in de vorm van stoepborden worden geplaatst. in de gebieden aangeduid als “bebouwde kom en/of buitengebied” zijn reclame-uitingen toegestaan ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep, een bed en breakfast of een (al dan niet agrarisch) bedrijf en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan in onderstaande tabel: Gevelreclame Aantal Waar Omvang Wonen of Bed & Breakfast 1 Loodrecht op, of evenwijdig en vlak aan, de gevel. Niet geplaatst boven de verdiepingsvloer Maximale oppervlakte; 0.40m2 Bedrijven & detailhandel 2 De reclame dient te worden aangebracht op begane grond niveau, in ieder geval onder de ramen van de verdieping aan de voorgevel Gezamenlijk maximaal totaal; 4 m2 Bord in de tuin Aantal Hoogte Oppervlakte Wonen of Bed &Breakfast 1 De maximale hoogte bedraagt 1 meter Maximale oppervlakte 0,40 m2 Bedrijven & detailhandel 1 De maximale hoogte bedraagt 2,5 meter. Maximale oppervlakte 4m
- op reclame die is aangebracht op een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; op reclame aan of bij een onroerende zaak, waarbij deze te koop, te huur, of in pacht wordt aangeboden; op reclame in het inwendige deel van een onroerende zaak en niet zichtbaar van buitenaf; op reclame-uitingen in de gebieden aangeduid als “sportvelden en/of buitengebied” waar een openbare wedstrijd, manifestatie of tentoonstelling wordt gehouden en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan: reclame-uitingen zijn toegestaan, mits het is beperkt tot en gericht op het sportpark en/of evenemententerrein; reclame mag twee weken voor aanvang van een evenement worden geplaatst; de reclame dient te worden verwijderd indien het evenement is afgebroken. op reclame van tijdelijke aard, voor de verkoop van seizoensgebonden agrarische producten ter plaatse waar deze worden gekweekt, geteeld en/of geproduceerd; op reclame die betrekking heeft op een werk in uitvoering, mits zij onmiddellijk bij het werk is geplaatst en niet langer aanwezig is dan de uitvoering van dat werk duurt; op verwijsborden als het gaat om toeristische, recreatieve of culturele objecten en/of activiteiten. Deze mogen enkel door of namens de gemeente, de provincie Gelderland en Rijkswaterstaat worden geplaatst en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan: verwijsborden met betrekking tot evenementen dienen binnen 10 dagen na afloop van een evenement te zijn verwijderd; verwijsborden zelf geplaatst door eigenaren van campings/parken of andere toeristische activiteiten/objecten zijn niet toegestaan; het is niet toegestaan om aan de reguliere verwijssystemen andere verwijsborden te plaatsen. op reclame- of aankondigingsborden (driehoeksborden/sandwichborden) en spandoeken voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan: binnen de gemeente Oldebroek mogen tegelijk maximaal 2 activiteiten voor driehoeksborden/ sandwichborden en maximaal 1 activiteit voor spandoeken worden bevestigd; binnen de gemeente Oldebroek mogen per activiteit maximaal 10 reclame-uitingen worden bevestigd. Een melding (telefonisch/per brief of per email) van het plaatsen van deze uitingen is noodzakelijk; reclame-uitingen moeten een tijdelijk karakter hebben. Reclame-uitingen worden als tijdelijk beschouwd indien deze niet langer dan twee weken worden geplaatst; de uiting moet op minimaal 10 meter afstand (vanaf de zijkant) van het kruispunt worden geplaatst; op een trottoir/voetgangerszone wordt ten minste een doorgang van 1,20 meter vrijgehouden; tijdelijke reclame-uitingen dienen binnen 10 dagen na afloop te zijn verwijderd. In de gevallen waar dit toch niet geschiedt, behoudt de gemeente zich het recht voor om de betreffende reclame-uiting te verwijderen. De kosten worden verhaald op de overtreder; het formaat van de tijdelijke reclame-uiting is inclusief constructie maximaal 1,20 meter bij 0,90 meter; spandoeken zijn uitsluitend toegestaan voor het bekendmaken en de aankondiging van organisaties, diensten, activiteiten en evenementen; spandoeken mogen worden geplaatst op een hoogte van minimaal 4,2 meter boven het rijgedeelte van de weg en een minimale hoogte van 2,3 meter boven een voor voetgangers toegankelijk gebied; bij plaatsing van een tijdelijke reclame-uiting zonder melding behoudt de gemeente zich het recht om de betreffende reclame-uiting te verwijderen. De gemaakte kosten worden verhaald op de overtreder. op reclame ten behoeve van een bedrijf indien deze niet op het bedrijfsperceel wordt geplaatst en indien en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan: het bedrijf kan geen gebruik maken van bebording in het kader van de provinciale circulaire 'Richtlijnen Uitvoering Toeristische Bewegwijzering’; het bedrijf mag ten hoogste twee borden plaatsen; borden mogen uitsluitend verwijzen naar het bedrijf dan wel producten van het bedrijf; borden mogen uitsluitend worden geplaatst binnen een straal van 500 meter van de grens van het bedrijfsperceel zoals is vastgelegd in het Omgevingsplan; borden mogen niet in de functies 'Natuur', 'Bos' of daarmee vergelijkbare functies in het Omgevingsplan worden geplaatst; borden mogen niet groter zijn dan 1.00 m²; op bebording en/of aankondigen met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 1.00 m² bij de oprit van een bedrijf indien en voor zover de oprit geen deel uitmaakt van het bedrijfsperceel; op reclame van tijdelijke aard ten behoeve van een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling met een grootschalig karakter en als zodanig door het college erkend, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft en voor zover zij niet eerder dan vier weken daaraan voorafgaand is geplaatst en voor zover een voor reclame gebruikt bord de omvang van 4 vierkante meter niet overstijgt. Op alle reclame-uitingen zijn de navolgende voorwaarden van toepassing: bewegende, flikkerende, fluorescerende of reflecterende reclame-uitingen zijn niet toegestaan; reclame-uitingen mogen niet aanstootgevend zijn; reclame-uitingen dienen constructief veilig te worden geplaatst; reclame-uitingen mogen geen afbreuk doen aan het straat- en bebouwingsbeeld reclame-uitingen die op of aan een gebouw worden geplaatst dienen architectonisch ondergeschikt te zijn aan het gebouw; de verkeersveiligheid mag bij reclame-uitingen niet in het geding zijn. Artikel6.4.Bestuursrechtelijke Handhaving vervallen. Artikel6.5.Strafbepalingen vervallen. Artikel6.6.Overgangsrecht Reclame uitingen die aanwezig waren voor 3 mei 2010 en niet voldoen aan het genoemde in de bepalingen van artikel 6.3 van deze verordening, mogen aanwezig blijven, mits de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot en mits de verkeersveiligheid en constructieve veiligheid gegarandeerd blijft. Hoofdstuk7Wegen en water AFDELING7.1 BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN Artikel7.1Plaatsen van voorwerp op of aan de weg in strijd met publieke functie van de weg 1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, of; het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 5.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 Artikel7.2(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Het verbod in het eerste lid geldt niet als in opdracht van een bestuursorgaan of een openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 3.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel7.3Maken of veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of een verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 3.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. Artikel7.4Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Hoofdstuk8Afvalstoffen AFDELING8.
- ALGEMEEN Artikel8.1Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: inzamelmiddel: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, ten behoeve van een huishouden; inzamelplaats: daartoe op grond van artikel 8.5 aangewezen plaats; inzamelvoorziening: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats ten behoeve van meerdere huishoudens; perceel: perceel waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Artikel8.2Doelstelling De toepassing van dit hoofdstuk van deze verordening is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen. AFDELING8.2.HUISHOUDELIJKE AFVALSTOFFEN Artikel8.3Aanwijzing van de inzameldienst 1.Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2.Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissing beslissen) is niet van toepassing. 3.Het college kan nadere regels stellen over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Artikel8.4Regulering van andere inzamelaars 1.Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: daartoe is aangewezen door het college; bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2.Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 8.3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel8.5Aanwijzing van inzamelplaats Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats, binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel8.6Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid; over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid; of achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel
- Artikel8.7Gescheiden afvalinzameling 1.Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2.In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: groente-, fruit- en tuinafval (GFT)/bio-afval; papier en karton (OPK); glas; textiel; elektrische of elektronische apparatuur (AEEA); klein chemisch afval (KCA)/gevaarlijk afval; grof huishoudelijk afval; grof tuin afval (takken en snoeihout). 3.Overeenkomstig artikel 2, onder b van het Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen worden kunststofverpakkingsmateriaal, metalen en drankenkartons (PMD) niet afzonderlijk ingezameld. Artikel8.8Gescheiden aanbieding 1.Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 8.7, anders dan afzonderlijk: ter inzameling aan te bieden; achter te laten op een inzamelplaats als bedoeld in artikel
- 2.In afwijking van het eerste lid is het verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen waarvoor geen gescheiden inzameling geldt als bedoeld in artikel 8.7 anders aan te bieden dan afzonderlijk of gezamenlijk met de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, genoemd in artikel 8.7, derde lid. 3.Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel8.9Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door burgemeester en wethouders daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel8.10Wijze en plaats van aanbieding 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van: inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. 2.Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 8.9, buiten een perceel te laten staan. 3.Het is verboden voor anderen dan de gebruiker van een perceel ten behoeve van wie krachtens artikel 8.10, eerste lid, een inzamelmiddel is verstrekt of aangewezen, hun afvalstoffen ter inzameling aan te bieden via dit inzamelmiddel. 4.Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. AFDELING8.3 BEDRIJFSAFVALSTOFFEN Artikel8.11Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 8.3, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens de Verordening afvalstoffenheffing verschuldigde heffing is voldaan. Artikel8.12Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 8.11 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, aan de inzameldienst over te dragen of bij de een inzamelplaats als bedoeld in artikel 8.5, achter te laten. Artikel8.13Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 8.11 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het tweede lid, inhouden. AFDELING8.4 ZWERAFVAL EN OVERIGE Artikel8.14Dumpingsverbod 1.Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Omgevingswet of het Besluit bodemkwaliteit. 3.Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel8.15Zwerfafval in de openbare ruimte 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2.Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3.Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. Artikel8.16Zwerfafval rondom inrichtingen Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. Artikel8.17Afval en verontreiniging op de weg 1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, of diens opdrachtgever, zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel8.18Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met afdeling 2 van hoofdstuk 8 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Het verbod geldt niet als voor de opslag van afvalstoffen een omgevingsvergunning is afgegeven Artikel8.19Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan de houder van een omgevingsvergunning voor het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen. AFDELING8.4a KADAVERS VAN GEZELSCHAPSDIEREN Artikel8.19a.Kadavers van gezelschapsdieren 1.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gezelschapsdier verstaan: een dier dat de mens in of rond het huis houdt en verzorgt, niet zijnde een hobby- of landbouwhuisdier. 2.Het college wijst een of meer verzamelplaatsen aan waar kadavers van gezelschapsdieren worden ingezameld. Het college kan een ondernemer aanwijzen die tevens belast is met de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren. 3.Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren. 4.Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, geeft de houder van het kadaver dit af op een aangewezen verzamelplaats of aan de ondernemer, bedoeld in het tweede lid. 5.Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal. 6.Het vierde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG. Hoofdstuk9Grafbedekkingen Artikel9.1Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: begraafplaatsen: de vier gemeentelijke begraafplaatsen, gelegen aan respectievelijk de Stationsweg te Wezep, de Bovenheigraaf te Wezep, de Mheneweg Zuid te Oldebroek en de Oostendorperstraatweg te Oosterwolde. graf: een daartoe aangewezen gedeelte op de begraafplaatsen waarin één, twee of drie overledenen kunnen worden begraven en/of één, twee of drie asbussen kunnen worden bijgezet. particulier graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend om: het begraven en begraven houden van overledenen; het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urn; het doen verstrooien van as. particulier urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van maximaal twee asbussen met of zonder urn. particuliere urnennis: een nis waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het bijzetten en bijgezet houden van maximaal twee asbussen met of zonder urn. algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van lijken. asbus: een bus voor de berging van de as van één overledene. urn: een voorwerp voor de berging van één of meerdere asbussen. verstrooiingsplaats: een daartoe bestemde plaats waarop as wordt verstrooid. grafbedekking: gedenkteken en/of grafbeplanting op een graf of een urnengraf of dekplaat voor een urnennis. beheerder: de ambtenaar die belast is met de dagelijkse leiding van de begraafplaatsen of degene die hem vervangt. duurzame materialen: vaste, niet buigzame materialen van natuursteen, glas, hout, keramiek, kunststof en metaal welke van nature of middels een daartoe speciale behandeling weerbestendig en niet breukgevoelig zijn en waarvan de constructie uit één geheel bestaat en waarvan de praktische toepasbaarheid zoals opnemen, verplaatsen en dergelijke gewaarborgd is. rechthebbende: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het uitsluitend recht heeft verkregen tot het doen begraven en begraven houden van overledenen of het doen bijzetten en bijzethouden van asbussen in een particulier graf. gebruiker: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het gebruik van een grafruimte in een algemeen graf is verleend. grafakte: het document waarin overeenkomstig de bepalingen van de Beheersverordening begraafplaatsen Oldebroek door of namens het college een grafrecht wordt verleend. grafrecht: het uitsluitend recht op het begraven en begraven houden in een particulier graf of particulier urnengraf. immatuur: een na een zwangerschap van minder dan 24 weken levenloos ter wereld gekomen menselijke vrucht. sterretjesveld: een daarvoor aangewezen gedeelte van de begraafplaats waarin de gelegenheid wordt geboden tot het toen begraven van een immatuur. Artikel9.18Plaatsing grafbedekking 1.Voor het hebben van een grafbedekking is een aanvaarde melding nodig van het college. 2.Omtrent de wijze van melden, de aard en de afmetingen van de grafbedekking en de wijze van aanbrengen kan het college nadere regels vaststellen. 3.Het college kan ontheffing verlenen van de door het college vastgestelde nadere regels. 4.Het college kan weigeren de gemelde grafbedekking te aanvaarden indien: niet voldaan wordt aan de door het college vastgestelde nadere regels; de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats; de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is; de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is. Artikel9.19Verwijdering grafbedekking 1.De grafbedekking kan na het verstrijken of eindigen van de uitgiftetermijn van het (particuliere) (urnen)graf en de particuliere urnennis door de beheerder worden verwijderd. 2.Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking wordt ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd schriftelijk door het college aan de rechthebbende bekendgemaakt of, als het adres van rechthebbende onbekend is, door middel van een op het te ruimen graf te plaatsen bordje en een mededeling op het infobord op de begraafplaatsen. 3.Op grond van een daartoe door de rechthebbende bij het college ingediende aanvraag, blijft de grafbedekking na verwijdering nog gedurende drie maanden ter beschikking van degene die een aanvaarde melding als bedoeld in artikel 9.18, eerste lid, heeft en van degene aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 9.18, derde lid. De aanvraag kan worden ingediend gedurende de in het tweede lid genoemde termijn. 4.De grafbedekking vervalt aan de gemeente indien: geen verzoek op grond van het derde lid is ingediend en de termijn waarbinnen dit verzoek had kunnen worden ingediend, is verstreken; de grafbedekking niet binnen drie maanden nadat deze van het (urnen)graf of urnennis is verwijderd, is afgehaald. Artikel9.20.Tijdelijke verwijdering grafbedekking 1.Het afnemen en herplaatsen van een gedenkteken op een graf of een afdekplaat op een urnennis of urnengraf ten behoeve van een begraving of een bijzetting geschiedt namens de rechthebbende en is voor rekening en risico van de rechthebbende. 2.Een rechthebbende is verplicht te gedogen dat de op een graf aanwezige gedenktekens, beplantingen en voorwerpen door de gemeente tijdelijk geheel of gedeeltelijk worden verwijderd en herplaatst, indien dit voor een begraving of bijzetting in de nabijheid van het graf of om een andere reden nodig is. 3.Een rechthebbende is verplicht te gedogen dat bij het delven van een nabijgelegen graf tijdelijk grond op of bij het graf waarvan hij rechthebbende is wordt neergelegd. Artikel9.21.Niet-blijvende grafbeplanting Niet-blijvende beplantingen, bloemen, kransen en dergelijke op een graf die in een verwaarloosde staat verkeren kunnen door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. Artikel9.22.Onderhoud 1.De rechthebbende is verplicht het eigen grafoppervlak en de grafbedekking op het particuliere graf behoorlijk te onderhouden of te herstellen. Onder dit onderhoud wordt verstaan: het uitvoeren van herstellingen aan de gedenktekens en losse voorwerpen. het indien nodig na verzakking opnieuw stellen van het gedenkteken. het verven of vergulden van de opschriften en andere figuren op het gedenkteken. het aanbrengen, onderhouden en vernieuwen van losse planten, potplanten en één- of meerjarige gewassen en het verwijderen van dode planten, zaailingen en ongewenste kruiden. 2.Als de rechthebbende, na (schriftelijk) verzoek, nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor aanvaarde melding intrekken. In dat geval is artikel 9.19 van toepassing. 3.Het afval dat vrijkomt bij het onderhoud dient door de rechthebbende in de daarvoor aanwezige afvalbakken te worden gedeponeerd. 4.De gemeente draagt zorg voor het algemene onderhoud op begraafplaats Stationsweg en de oude gedeelten van de begraafplaatsen Oldebroek en Oosterwolde. 5.Het algemene onderhoud en het dagelijks onderhoud van de graven, op de begraafplaats Bovenheigraaf en de nieuwe gedeelten op de begraafplaatsen Oldebroek en Oosterwolde, wordt door gemeente verzorgd tegen betaling van het in de ‘Verordening onderhoudsrechten gemeentelijke begraafplaatsen, periode vóór 1 april 2017’ opgenomen onderhoudsrecht of via het grafrecht zoals opgenomen in de “Verordening op de heffing en de invordering van rechten gemeentelijke begraafplaatsen 2017”: 6.Onder het dagelijks onderhoud van de graven wordt verstaan: het twee keer per jaar schoonmaken van de geplaatste grafmonumenten; ongedaan maken van verzakkingen (niet zijnde gedenktekens); verzorgen van de eventuele door de rechthebbende geplaatste winterharde beplanting. Artikel9.23.Aansprakelijkheid grafbedekking 1.Het (doen) plaatsen of aanbrengen, herstellen of vernieuwen van gedenktekens, afsluitplaten of beplantingen op particuliere graven geschiedt door of namens de rechthebbende en komen voor rekening en risico van de rechthebbende. 2.Al hetgeen dat op het graf geplaatst is, wordt geacht voor rekening en risico van de rechthebbende of gebruiker te zijn aangebracht. 3.Schade en eventuele gevolgschade voor derden is voor rekening en risico van de rechthebbende of gebruiker en deze dient de daaraan toegebrachte schade, door welke omstandigheid ook, op eerste aanschrijven te (doen) herstellen, indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het aanzien van de begraafplaats schaadt. 4.Indien door een ondeugdelijke (of: ondeugdelijk geworden) constructie naar het oordeel van het college een gevaarlijke situatie is ontstaan, kan het college direct maatregelen treffen teneinde de situatie op te heffen. De hierbij ontstane kosten zullen worden verhaald op de rechthebbende. Hoofdstuk10Straf-, overgangs- en slotregels AFDELING10.1 SANCTIEBEPALING, TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel10.1.Sanctiebepaling 1.Behoudens het bepaalde in de Wet economische delicten wordt overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2.Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 8.4, 8.6, 8.8 tot en met 8.10 en 8.12 tot en met 8.19[a] bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten. Artikel10.2Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de krachtens artikel 18.6 van de Omgevingswet door burgemeester en wethouders aangewezen personen. 2.Onverminderd het eerste lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften. Artikel10.3Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. AFDELING 10.2 INWERKINGTREDING, OVERGANGSRECHT EN CITEERTITEL Artikel10.4Overgangsrecht 1.Besluiten, waaronder vergunningen, ontheffingen, aanvaarding van meldingen, nadere regels, uitvoeringsbesluiten, aanwijzingsbesluiten, anciënniteitslijst, bomenlijst en gebiedsaanwijzingen, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 10.5, tweede en derde lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2.Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing op: de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing of aanvaarding van een melding waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend, de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing of aanvaarding van een melding waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, indien voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of een vergunning of ontheffing of aanvaarding van een melding waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is. 3.In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt: een vergunning of ontheffing of melding gelijkgesteld met een vergunning of ontheffing of melding op grond van deze verordening; een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing of melding gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing of aanvaarden van een melding op grond van deze verordening, op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden. 5.Beperkingen waaronder een beschikking als bedoeld in het eerste of derde lid is verleend, worden gelijkgesteld aan voorschriften als bedoeld in deze verordening. Artikel10.5.Inwerkingtreding verordening en intrekking oude verordeningen 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari
- 2.Op de dag van inwerkingtreding worden ingetrokken: Afvalstoffenverordening gemeente Oldebroek Reclameverordening Oldebroek 2015 3.Op de dag van inwerkingtreding vervallen de volgende bepalingen: de artikelen 2:10, 2:11 2:12, 2:15, 4:1, 4:3, 4:5, 4:5d, 4:6, 4:13, 4:17, 4:18, 4:19, 5:1 5:2, 5:5, 5:6, 5:8, 5:9, 5:11, 5:12, 5:17, 5:18, 5:19, 5:20, 5:31a, 5:32, 5:33 en 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening Oldebroek de artikelen 18, 19, 20, 21, 22 en
- van de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen 2017 de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 11, 12, 13 en 14 van de Bomenverordening Artikel10.6.Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Verordening voor de fysieke leefomgeving gemeente Oldebroek
- Aldus besloten in de openbare vergaderingvan de gemeenteraad van Oldebroekop 9 november 2023., voorzitter T.H. Haseloop-Amsing, griffier J. Tabak.Verordening voor de fysieke leefomgeving gemeente Oldebroek 2024, bijlage 1 Verordening voor de fysieke leefomgeving gemeente Oldebroek 2024, bijlage 2 TOELICHTING Algemeen Op 1 januari 2024 zal de Omgevingswet in werking treden. Na de inwerking van de Omgevingswet ontstaat van rechtswege een tijdelijk omgevingsplan. Dit tijdelijk omgevingsplan bestaat uit de dan geldende bestemmingsplannen, rijksregels die overgeheveld worden naar de gemeente (de bruidsschat) en een drietal met name genoemde verordeningen. Alle overige verordeningen die geheel of gedeeltelijk regels bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving maken geen deel uit van dit tijdelijk omgevingsplan. In de transitieperiode die loopt van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2031 moet het tijdelijk omgevingsplan omgezet worden naar een definitief omgevingsplan. Tot deze transitie behoort ook de omzetting van de regels van verordeningen die betrekking op de fysieke leefomgeving in regels in het omgevingsplan. We hebben als gemeente een plan van aanpak gemaakt voor deze transitie. De gemeenteraad van Oldebroek heeft in de raadsvergadering van 10 november 2022 ingestemd met dit plan van aanpak. In dit plan aanpak wordt deze transitie op basis van 31 keuzes vormgegeven. Eén van deze keuzes (keuze 22) betreft het vaststellen van een verordening voor de fysieke leefomgeving. Met de vaststelling van de nu voorliggende verordening wordt uitvoering gegeven aan deze keuze. Bij het samenstellen van de verordening is gebruik gemaakt van voorbeelden van andere gemeenten en adviezen van VNG en IPLO (informatiepunt Leefomgeving). Het vaststellen van een verordening voor de fysieke leefomgeving vergroot de overzichtelijkheid van de gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving Met het opstellen van één verordening voor de fysieke leefomgeving wordt er duidelijkheid gecreëerd in de regels die de fysieke leefomgeving raken. De verordening-regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving worden op deze wijze grotendeels geïntegreerd en geharmoniseerd. Het merendeel van deze regels staat gebundeld in één document. De verordening voor de fysieke leefomgeving sluit aan bij de doelen van de Omgevingswet. Met het vaststellen van de verordening voor de fysieke leefomgeving wordt gevolg gegeven aan de doelen van de Omgevingswet: beter inzicht in, voorspelbaarheid van en gebruiksgemak voor inwoners, adviseurs en gemeentelijk medewerkers van de regels van het omgevingsrecht en meer samenhang in beleid, besluitvorming en regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Het vaststellen van een verordening voor de fysieke leefomgeving is wenselijk uit oogpunt van klantvriendelijkheid. Inwoners die willen weten welke gemeentelijke ruimtelijke regels naast het tijdelijk omgevingsplan gelden op hun perceel hoeven in de transitieperiode maar in één document te kijken: de verordening fysieke leefomgeving. De verordening voor de fysieke leefomgeving kan ook in zijn geheel opgenomen worden in het DSO. Het opnemen (en onderhouden) van regels uit allerlei zelfstandige verordeningen is technisch en juridisch veel lastiger. Het vaststellen van een verordening voor de fysieke leefomgeving vereenvoudigt de transitie naar het definitieve omgevingsplan. De verordening kan in de transitieperiode op een nader te bepalen moment in zijn geheel of gefaseerd worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Voordeel daarvan ten opzichte van het laten voortbestaan van de afzonderlijke verordeningen is dat de inhoudelijke beoordeling die bepaalt welke regels het fysieke domein betreffen nu al plaatsgevonden heeft en de omzetting in het definitieve omgevingsplan daarmee een in hoge mate technische operatie zal zijn. Als de afzonderlijke verordeningen voorlopig blijven voortbestaan, zal te zijner tijd bij iedere verordening afzonderlijk moeten worden bepaald en bestuurlijk moeten worden besloten welke bepalingen worden overgeheveld naar het definitieve omgevingsplan, omdat deze de fysieke leefomgeving raken. Het tijdens de transitieperiode onderhouden van de verordening fysieke leefomgeving is eenvoudiger dan het onderhouden van zelfstandige verordeningen Het omgevingsrecht staat niet stil. In de transitieperiode kan de regelgeving wijzigen en kan jurisprudentie ontstaan die gevolgen heeft voor de verordening-regels. Het is dan eenvoudiger om één verordening hierop aan te passen, dan allemaal afzonderlijke verordeningen. Het samenvoegen van de regels over de fysieke leefomgeving in één verordening gebeurtbeleidsneutraal. De verordening voor de fysieke leefomgeving bestaat grotendeels uit een samenvoeging van (delen van) bestaande verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving. Dit is ook het criterium dat de Omgevingswet hanteert voor het opnemen van regels uit verordeningen in het Omgevingsplan. In de verordening voor de fysieke leefomgeving zijn de volgende verordeningen of onderdelen daarvan opgenomen: Bestaande verordening Volledig of gedeeltelijk opgenomen Plaats in Verordening voor fysieke leefomgeving Afvalstoffenverordening Volledig hoofdstuk 8 Reclameverordening Volledig hoofdstuk 6 Bomenverordening Gedeeltelijk hoofdstuk 3 Algemene plaatselijke verordening Gedeeltelijk hoofdstuk 2, afdeling 2.2, hoofdstuk 4, hoofdstuk 5, hoofdstuk 7 Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Gedeeltelijk hoofdstuk 9 Uitgangspunt bij de samenvoeging in één verordening is het beleidsneutraal overnemen van regels. Deze verordening bevat hoofdzakelijk regels die al eerder zijn vastgesteld door de raad. Bij het samenvoegen zijn deze regels waar nodig geactualiseerd, geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst. Er zijn dus redactionele en technische wijzigingen doorgevoerd die de leesbaarheid en toepasbaarheid ten goede komen. Deze wijzigingen zijn wel allemaal beleidsneutraal.. Er worden dus geen nieuwe afwegingen gemaakt. De regels zijn thematisch gerangschikt, waardoor herkenbaar is uit welke oorspronkelijke verordening zij afkomstig zijn. Het vaststellen van de verordening voor de fysieke leefomgeving biedt gelegenheid een actualiseringsslag te maken. Hoewel de verordening voor de fysieke leefomgeving grotendeels bestaat uit een samenvoeging van bestaande regels, biedt het vaststellen van een nieuwe verordening gelegenheid om een actualiseringsslag te maken. Bij het overzetten van de Afvalstoffenverordening is deze actualiseringsslag gemaakt. Dit is nodig vanwege veranderingen in landelijke wet- en regelgeving. De regels zijn geactualiseerd op basis van de nieuwste modelverordening van de VNG. Artikel 8:19a is een nieuw artikel. Dit betreft geen beleidsmatige wijziging maar de juridische vertaling in een verordening van een bestaande praktijk. Het opnemen van deze regeling is wettelijk verplicht. Voor de overige regels in de verordening fysieke leefomgeving geldt dat deze aangepast zijn aan de Omgevingswet Het samenvoegen van de regels over de fysieke leefomgeving tot één verordening leidt tot intrekking en wijziging van diverse verordeningen. Omdat de regels uit de Afvalstoffenverordening, Reclameverordening geheel zijn opgenomen in de verordening voor de fysieke leefomgeving, kunnen deze verordeningen worden ingetrokken. Deze intrekking gebeurt in artikel 10.5, tweede lid van de verordening voor de fysieke leefomgeving. Van de APV, Bomenverordening en de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen zijn slechts delen opgenomen in de verordening voor de fysieke leefomgeving. Namelijk niet alle regels uit deze verordeningen hebben betrekking op de fysieke leefomgeving, dat zoals eerder aangegeven het criterium is voor opname in het Omgevingsplan. Regels die een ander motief hebben (bijvoorbeeld openbare orde en veiligheidsmotieven of financiële motieven) en/of waarbij niet het college maar de burgemeester het bevoegd gezag is, komen niet in aanmerking voor opname in de verordening voor de fysieke leefomgeving. Omdat de APV, de Bomenverordening en de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen niet geheel opgaan in de verordening voor de fysieke leefomgeving blijven deze verordening zelfstandig bestaan. Wel geldt dat de artikelen die wel opgaan in de verordening voor de fysieke leefomgeving, worden ingetrokken. Dit gebeurt in artikel 10.5, derde lid van de verordening voor de fysieke leefomgeving. Zeven bestaande gemeentelijke verordeningen bevatten regels die de fysieke leefomgeving raken, maar worden om moverende redenen niet meegenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving Het gaat daarbij om de volgende verordeningen. erfgoedverordening geurverordening rioolaansluit- en afkoppelverordening bouwverordening brandbeveilingsverordening exploitatieverordening Algemene verordening ondergrondse infrastructuur (AVOI) stelt erfgoedverordening Deze verordening (de opvolger van de monumentenverordening) wordt niet opgenomen omdat die van rechtswege deel uitmaakt van het tijdelijk omgevingsplan geurverordening Deze verordening wordt niet opgenomen omdat die van rechtswege deel uitmaakt van het tijdelijk omgevingsplan. Op het moment dat de erfgoedverordening in werking treedt, vervalt de oude monumentenverordening. rioolaansluit- en afkoppelverordening Deze verordening worden niet opgenomen omdat die van rechtswege al gedeeltelijk deel uitmaakt van het tijdelijk omgevingsplan. Het gaat daarbij om het gedeelte van de rioolaansluit- en afkoppelverordening dat betrekking heeft op de afvoer van regen- en grondwater (i.c. hoofdstuk V Afvoer van Hemelwater). bouwverordening De bouwverordening wordt op advies van de VNG niet opgenomen in de verordening voor de fysieke leefomgeving Met het inwerking treden van de Omgevingswet komt de bouwverordening van rechtswege te vervallen. De bouwverordening regelt twee onderwerpen: het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond en welstandsadvisering. De bouwverordening heeft artikel 8 van de Woningwet als basis. Maar de Invoeringswet schrapt dit artikel. Dit wordt op de volgende manier opgelost: Bepalingen over bouwen op verontreinigde bodem gaan via de bruidsschat naar het omgevingsplan. Het Aanvullingsbesluit bodem regelt dit. Het Aanvullingsbesluit voegt beoordelingsregels en vergunningvoorschriften toe voor een omgevingsplanactiviteit over bouwen. Het gaat specifiek om artikelen 22.29, 22.30 en 22.31 van de bruidsschat. Daarnaast komen er via het Aanvullingsbesluit bodem instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl. De gemeente moet bij een wijziging van het omgevingsplan die instructieregels toepassen. De gemeenteraad moet op grond van artikel 17.9 Omgevingswet opnieuw een welstandscommissie instellen. Deze wordt een gemeentelijke adviescommissie. De gemeente moet vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet in ieder geval een commissie instellen voor omgevingsplanactiviteiten voor gebouwde of aangelegde rijksmonumenten. Op 4 februari 2021 heeft onze gemeenteraad besloten de nieuwe verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit vast te stellen. Deze verordening regelt de instelling van de nieuwe gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit om het college te adviseren over monumenten, welstandsgebieden en beeldkwaliteitsplannen om een goede omgevingskwaliteit te bereiken en te behouden. Ook is besloten dat bij de inwerkingtreding van de verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit de regels met betrekking tot de commissie in de artikelen 9.1 tot en met 9.8 van de Bouwverordening Oldebroek en de Monumentenverordening Oldebroek ingetrokken zijn. De verordening is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.. brandbeveiligingsverordening De brandbeveiligingsverordening wordt op advies van de VNG niet opgenomen in de verordening voor de fysieke leefomgeving Artikel 3 van de Wet Veiligheidsregio stelt het vaststellen van een brandbeveiligingsverordening verplicht. Deze verordening regelt het brandveilig gebruik buiten bouwwerken (bijvoorbeeld bij evenementen). Echter dit is vanaf 2018 geregeld in het landelijk Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Daarmee is de brandbeveilingsverordening een loze verordening geworden die alleen nog niet ingetrokken is omdat artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s het vaststellen van een verordening verplicht stelt. Zodra de Wet veiligheidsregio’s is gewijzigd, zal de verordening ingetrokken kunnen worden. Exploitatieverordening De exploitatieverordening wordt op advies van de VNG niet opgenomen in de verordening voor de fysieke leefomgeving De exploitatieverordening bevat bepalingen over grondexploitatieovereenkomsten. De bepalingen gaan over de inhoud en de procedure. Een exploitatieverordening die onder de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) tot stand is gekomen, is gebaseerd op artikel 6.23 Wro. De Wro en daarmee de rechtsgrond van de verordening komt te vervallen. Afdeling 13.6 van de Omgevingswet regelt het kostenverhaal bij grondexploitatie. Een gemeente moet regels over kostenverhaal opnemen in het omgevingsplan voor zover sprake is van aangewezen kostensoorten en activiteiten. De regeling voor kostenverhaal van de Omgevingswet is uitputtend bedoeld. Dat betekent dat het niet mogelijk is om op grond van artikel 121 van de Gemeentewet een aparte verordening voor kostenverhaal op te stellen. Wel bevat artikel 4.112 van de Invoeringswet Omgevingswet een regeling voor grondexploitatieovereenkomsten die vóór inwerkingtreding van Omgevingswet zijn gesloten. Hiervoor blijft het oude recht gelden, inclusief de oude exploitatieverordening. Zodra de oude grondexploitatieovereenkomsten uitgewerkt zijn, kan de oude exploitatieverordening worden ingetrokken Algemene verordening ondergrondse infrastructuur (AVOI) Tot slot wordt ook de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur (AVOI) niet opgenomen in de verordening voor de Fysieke Leefomgeving. De verordening stelt regels betreffende werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van ondergrondse infrastructuren in openbare gronden. Dit betreft regels die de fysieke leefomgeving raken en daarom in het Omgevingsplan moeten worden opgenomen in het Omgevingsplan en de verordening Fysieke Leefomgeving. Maar dat geldt niet voor alle regels uit de verordening. De verordening stelt ook regels die zien op telecommunicatie en regels over telecommunicatie mogen niet opgenomen worden in het omgevingsplan. De regels die gaan over telecommunicatie blijven dus ook in de toekomst in een afzonderlijke verordening staan. De regels in de verordening die gaan over telecommunicatie zijn niet als afzonderlijk hoofdstuk opgenomen maar zijn vervlochten met de regels over overige ondergrondse infrastructuur. Het splitsen van de verordening in een deel dat wel meegaat en een deel dat niet meegaat, is niet eenvoudig maar vergt een behoorlijke ontvlechtingsoperatie. Daar komt bij dat de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur in regionaal verband tot stand gekomen is, omdat het wenselijk was dat er in de regio een gelijkluidende regeling zou zijn. Het is niet wenselijk om dan nu zelfstandig al tot ontvlechting over te gaan. Ook onze software-leverancier heeft dringend verzocht om deze verordening vooralsnog niet onder te brengen in de DSO en het omgevingsplan (en daarmee in de verordening voor de fysieke leefomgeving). Het onderbrengen in de DSO betekent een onaanvaardbare verstoring van het proces inzake kabels en leidingen, omdat er (nog) geen koppeling is tussen de DSO en het huidige automatiseringsprogramma voor kabels en leidingen. De verordening en de hierin opgenomen voorschriften is tot stand gekomen op basis van de huidige inzichten. Er heeft op basis van de huidige inzichten een beoordeling plaatsgevonden welke regelingen en voorschriften de fysieke leefomgeving raken en t.z.t. opgenomen moeten worden in het Omgevingsplan. Het recht staat echter niet stil en dat geldt zeker voor het omgevingsrecht. Dat betekent dat op voorhand niet uit te sluiten is dat als gevolg van ontwikkelingen in jurisprudentie en wetgeving, in de toekomst geconcludeerd moet worden dat een voorschrift ten onrechte wel of niet aangemerkt is als een voorschrift dat de fysieke leefomgeving raakt en opgenomen moet worden in het Omgevingsplan. Dat zou dan kunnen betekenen dat een voorschrift die nu in de verordening voor de fysieke leefomgeving staat toch niet opgenomen wordt in het Omgevingsplan of dat een voorschrift uit een andere verordening die nu niet opgenomen is in de Verordening voor de fysieke leefomgeving toch opgenomen wordt in het Omgevingsplan. Dat is uit juridisch oogpunt niet bezwaarlijk en geen belemmering om de voorgestelde verordening vast te stellen. De verordening ziet slechts op (delen van) bestaande verordeningen en niet op bestaande beleidsnota’s De verordening ziet dus niet op bestaande beleidsnota’s. Bestaande beleidsnota’s zullen in de transitieperiode een plaats moeten krijgen in het Omgevingsplan, het Omgevingsprogramma of de Omgevingsvisie, of als zelfstandige nota. Bij bestaand en nieuw op te stellen beleid wordt in de transitieperiode de afweging gemaakt waar het beleid een plek. De hoofdstukken 2 tot en met 9 van de toelichting bestaan uit de toelichtingen van de oorspronkelijke verordeningen, dan wel uit de toelichting behorend bij de respectievelijke model-verordening. Daar waar in deze toelichtingen verwezen wordt naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en/of andere regelgeving, die golden voordat de Omgevingswet in werking trad, geldt dat hier de Omgevingswet of de hierop gebaseerde regelgeving voor gelezen moet worden. Als er in de toelichting van de hoofdstukken 2 tot en met 9 gesproken wordt over de “verordening”, moet hiervoor “dit hoofdstuk van de verordening” of “deze afdeling van dit hoofdstuk van de verordening” worden gelezen. Omdat in de tekst van toelichting verwezen kan worden naar de artikelen uit de voormalige verordeningen is ten behoeve van de leesbaarheid aan het einde van de toelichting een transponeringstabel opgenomen. De toelichting heeft geen zelfstandige juridische binding en moet altijd in samenhang met de regels gelezen worden. Daar waar de toelichting afwijkt van de tekst van de verordening, is de tekst van de verordening bepalend. Hoofdstuk
- Inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit een aantal inleidende regels. Dit betreft enerzijds algemene regels die van toepassing op de regels uit de andere hoofdstukken. Deze regels zijn van toepassing tenzij dit in de regels uit de andere hoofdstuk uitgesloten wordt. Ook kan in de andere hoofdstukken een aanvulling op de algemene regels zijn opgenomen Daarnaast zijn in dit hoofdstuk regels opgenomen over het toepassingsbereik en de doelen van de verordening en de verhouding tot andere regelgeving. Hoofdstuk
- Ambulante handel AFDELING 2.1 Markten vervallen AFDELING 2.2 STANDPLAATSEN Artikel 2.28 Definitie Artikel 2.28 bevat een definitie en voorziet ook in uitzonderingen. Het gaat bij een standplaats om het te koop aanbieden van goederen of diensten vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen of diensten. Bij het venten met goederen of diensten wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen of diensten vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet. Tweede lid Het innemen van een standplaats op een markt, ingesteld op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet, valt niet onder het begrip standplaats . Degene die op een dergelijke markt een standplaats wil innemen, zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze zijn in veel gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen worden ingenomen in de open lucht. Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn. Artikel 2.29 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Algemeen De VNG acht een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6). Op het vergunningstelsel is de Dienstenrichtlijn van toepassing. Dat geldt ook als de standplaats wordt gebruikt voor de verkoop van goederen. Die activiteit vormt voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn namelijk een ‘dienst’. Er kan sprake zijn van een schaarse vergunning, waardoor de vergunning niet voor onbepaalde tijd kan worden verleend en de selectie- en vergunningprocedure aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Zie hiervoor de toelichting op artikel 1:
- Vrijheid van meningsuiting Voor het aanbieden van gedrukte stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard kan geen vergunning worden geëist in verband met artikel 7 van de Grondwet. Het aanbieden van zodanige gedrukte stukken wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen. Tweede lid De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats hebben als doel de ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet ruimtelijke ordening, zoals een omgevingsplan, een zelfstandige toetsingsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het desbetreffende ruimtelijke plan voortvloeien. Als bijvoorbeeld het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of het voorbereidingsbesluit is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Derde lid, onder a De weigeringsgrond met betrekking tot redelijke eisen van welstand kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen. Derde lid, onder b In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal in de praktijk niet snel sprake zijn. Voor de vraag of een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan, komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of voor een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen moet worden gevreesd, maar het doorslaggevende criterium is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Bijvoorbeeld ABRvS 13-01-2016, ECLI:NL:RVS:2016:
- Ook de Dienstenrichtlijn staat een redelijk voorzieningenniveau niet toe als weigeringsgrond voor standplaatsen , omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten (artikel 14, punt 5, van de Dienstenrichtlijn). Op grond van de Dienstenrichtlijn mag wel een kwantitatieve of territoriale beperking worden gesteld, mits: geen sprake is van discriminatie naar nationaliteit of statutaire zetel (discriminatieverbod); er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid); en de maatregelen zijn geschikt om het nagestreefde doel te bereiken en gaan niet verder dan nodig is en het doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt (evenredigheid) (artikel 15 Dienstenrichtlijn). De formulering van onderdeel b van het derde lid is hierop afgestemd. Zie de toelichting op artikel 1:7 voor het begrip ‘dwingende reden van algemeen belang’. Vierde lid De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. In verband hiermee is het onwenselijk dat de lex silencio positivo van toepassing is. Jurisprudentie ABRvS 13-01-2016, ECLI:NL:RVS:2016:
- Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Het doorslaggevende criterium is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. HvJEU 30-01-2018, ECLI:EU:C:2018:44 (Visser Vastgoed Beleggingen/Appingedam). De activiteit bestaande in detailhandel in goederen vormt voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn een ‘dienst’. Artikel 15, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn staat er niet aan in de weg dat voorschriften van een bestemmingsplan van een gemeente de activiteit bestaande in niet-volumineuze detailhandel in geografische gebieden buiten het stadscentrum van die gemeente verbieden, mits alle in artikel 15, derde lid, van die richtlijn genoemde voorwaarden vervuld zijn. Maximumstelsel De Afdeling heeft bepaald, dat het in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare orde in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is. De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van artikel 9 juncto 10 van de Dienstenrichtlijn dat er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn. Bij het vaststellen van een maximum aantal vergunningen, eventueel uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche, moet rekening gehouden worden met het aantal reeds afgegeven vergunningen. Zie ook het algemene deel van de toelichting en de toelichting op hoofdstuk 1 ‘Algemene bepalingen’. Beleidsregels Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het vaststellen van een dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte criteria worden aangegeven, die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd, is blijkens de jurisprudentie toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te voeren beleid niet mag leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde vergunning die niet kan worden herleid tot één van de in artikel 1:8 genoemde weigeringsgronden. Rb. Utrecht 23-12-1998, KG 1999,
- Ook beleidsregels zijn volgens artikel 4 van de Dienstenrichtlijn onderworpen aan dwingende reden van algemeen belang: de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Vergunningsvoorschriften Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de toelichting bij dit artikel. Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen: het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen standplaats is ingenomen; de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen voor de consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen zijn; de grootte van de standplaats; de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden; het uiterlijk aanzien van de standplaats; tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats; eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid; opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie. Overige regelgeving Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de APV van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de straathandel. Te noemen zijn de Wro, de Winkeltijdenwet, de Warenwet en de Wm. Artikel 2.30 Toestemming rechthebbende Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt, maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat. Jurisprudentie Rechtbank Limburg 26-04-2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:
- De rechtbank is van oordeel dat de gemeente het terrein waarop de ijsverkoopkar zal worden geplaatst, ondanks dat het gaat om een eigen terrein van vergunninghoudster, terecht heeft aangemerkt als een ‘openbare plaats’ als bedoeld in artikel 1:1, onder a, van de APV. Het terrein dat direct grenst aan de openbare weg is, gedurende de openingstijden, zonder beperkingen bereikbaar. Eenieder is dan vrij om er te komen, te vertoeven en te gaan. Daarnaast heeft het gebruik van het terrein een publiek karakter. Vergunninghoudster beoogt het (passerend) publiek ten behoeve van de verkoop van ijs en frisdrank vrij toegang te verschaffen tot het terrein waarop de ijsverkoopkar zal worden geplaatst. Ook de beoogde planologische situatie, waarbij gedurende 10 jaar het plaatsen van ijsverkoopkar wordt toegestaan, duidt op een publiek karakter van het terrein. Daarmee wordt voldaan aan de definitie van ‘standplaats’ in artikel 4.2 van de APV. Hoofdstuk 3 Houtopstanden Toepassingsbereik: bebouwde kom In artikel 2 is voor wat betreft de toepassing aangesloten bij de definitie van bebouwde kom uit de Wet Natuurbescherming. In dit verband geldt dat de Wet Natuurbescherming hoger recht betreft en deze wet is gelet daarop van belang voor de reikwijdte van de verordening. De Wet Natuurbescherming, hoofdstuk 4, heeft tot doel om bossen te beschermen. Onder de Wet Natuurbescherming vallen bossen die gelegen zijn buiten de bebouwde kom, zoals vastgesteld op grond van de Wet Natuurbescherming. Onder bossen worden gerekend: alle beplantingen van bomen die als geheel groter zijn dan 10 are; bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan twintig bomen bestaat. Deze houtopstanden worden beschermd via de nationale wetgeving. Voor deze houtopstanden mag de gemeenteraad in principe geen regels vaststellen. De gemeenteraad is wel bevoegd regels te stellen ter bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom, als het gaat om: houtopstanden op erven en in tuinen; Dat doet de gemeenteraad van Oldebroek via artikel 2, lid 1, onderdeel b van deze verordening. Op bijgevoegde tekening zijn de bebouwde komgrenzen Wet Natuurbescherming opgenomen. Deze zijn gelijk gesteld aan hetgeen is geregeld in de APV in artikel 1:1.: “Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.” Waardevolle houtopstanden Waardevolle houtopstanden vormen de ‘top’ van het bomenbestand of het betreft een wijk met een overwegend groene uitstraling. Deze bomen hebben een bijzondere waarde voor de leefomgeving. Het college bepaalt welke houtopstanden als zodanig worden gekwalificeerd en neemt ze op in de Bomenlijst Oldebroek. De Bomenlijst bestaat uit: Individuele particuliere bomen, die van grote waarde zijn, de waardevolle bomen. De bomen die zijn aangewezen als waardevolle boom worden opgenomen in de Bomenlijst. Bomen die geplant zijn in het kader van een herplantplicht. Bomen die geplant zijn in het kader van een herplantplicht worden opgenomen in de Bomenlijst. Dit geldt voor herplant die wordt opgelegd na vaststelling van de Bomenlijst. Wijken met een overwegend groene uitstraling (op tekening is de begrenzing van deze wijken weergegeven). De bescherming loopt grotendeels parallel aan beschermingsmaatregelen via het ter plaatse geldende bestemmingsplan (omgevingsvergunning onderdeel aanleg is in een aantal gevallennoodzakelijk voor het vellen van bomen in deze wijken) De lijst wordt elke 4 jaar opnieuw door het college vastgesteld. Vergunningsplicht voor het vellen van een waardevolle houtopstand Voor de houtopstanden die zijn opgenomen op de lijst met waardevolle houtopstanden (Bomenlijst)geldt dat een vergunning van het college noodzakelijk is voor het kandelaberen, kappen, knotten, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben. Alleen in uitzonderlijke gevallen Er is sprake van een ‘nee, tenzij’-regime voor wat betreft het vellen van beschermingswaardige houtopstanden. Slechts in uitzonderlijke gevallen geldt dat het mogelijk is om een waardevolle houtopstand te kappen. Hierbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegende maatschappelijke reden of een situatie dat instandhouding niet langer verantwoord is. Voor waardevolle houtopstanden geldt dus dat voor kappen niet zomaar toestemming wordt gegeven en dat een bepaalde mate van overlast dient te worden geaccepteerd. Overlast door vruchten en luizen of opdrukkende wortels kunnen in beginsel geen reden zijn voor het verlenen van een vergunning. Indien plannen voor nieuwbouw of de aanleg van infrastructuur ter plaatse van een beschermde houtopstand reden is tot een vergunningsaanvraag is, moet allereerst duidelijk zijn dat met de realisatie een zwaarwegend maatschappelijk belang is gemoeid. Individuele particuliere belangen of kleine maatschappelijke belangen kunnen dus niet tot velling van een waardevolle houtopstand leiden. Wel zou verplanting hoe dan ook een mogelijkheid kunnen zijn. In geval het velwerkzaamheden betreft in wijken met een overwegend groene uitstraling, dan geldteen lichter toetsingskader wanneer het gaat om werkzaamheden die normaal gesproken moeten worden uitgevoerd om overige bomen betere groeiomstandigheden te geven (dunning). Vergunningsplicht voor het vellen van een gemeentelijke houtopstand Een gemeentelijke boom mag niet zomaar gekapt worden. Ook voor deze bomen geldt dat een vergunning van het college noodzakelijk is voor het kandelaberen, kappen, knotten, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben. Echter is hier meer ruimte om een vergunning toe te kennen, mits sprake is van een maatschappelijker eden welke deugdelijk gemotiveerd kan worden en transparant toetsbaar is. Het kappen van een gemeentelijke boom moet passen binnen de visie van geldende bestemmings-, groen-, of landschapsplannen, waaraan dan ook getoetst moet worden, voor zover relevant voor de betreffendekap. Advies boom-technisch deskundige Om te beoordelen of instandhouding niet langer verantwoord is dan wel dat verplaatsing van een houtopstand mag plaatsvinden, dient de aanvrager van de ontheffing een advies te overleggen vaneen boom-technisch deskundige. Dunning Bij houtopstanden waarin meerdere individuele houtige gewassen gezamenlijk opgroeien, zich onder invloed van elkaar ontwikkelen en bij volle wasdom een aaneengesloten kronendak vormen, kan het noodzakelijk zijn om periodiek onderhoud te plegen in de vorm van dunning. Deze dunning dient een positieve uitwerking te hebben op de beoogde ontwikkeling van de houtopstand. Dunning kan omvatten: Het verwijderen van snelgroeiende en/of concurrerende houtige gewassen ten gunste van de ontwikkeling van langzamer groeiende houtige gewassen; Het verwijderen van houtige gewassen die een lage toekomstverwachting hebben door een ongunstige concurrentiepositie, een verminderde conditie en/of onoplosbare mechanische gebreken; Het systematisch verkleinen van het totale aantal houtige gewassen ten gunste van de ontwikkeling van de resterende houtige gewassen. Herplantplicht en compensatie In de artikelen 6 en 7 is onder meer een herplantplicht opgenomen om ervoor te zorgen dat het vellen van bomen zoveel mogelijk “in natura” wordt gecompenseerd. Een herplantplicht wordt in beginsel altijd als voorschrift aan een vergunning verbonden. Herplant dient zoveel mogelijk ter plaatse te gebeuren en indien dat niet mogelijk is, moet worden gezocht naar mogelijkheden om bomen in de directe omgeving te herplanten. Verder is in het tweede lid van artikel 7 is geregeld dat bij het zonder vergunning vellen de mogelijkheid bestaat om een bedrag gelijk aan de waarde van de herplant in het Bomenfonds te laten storten. (Artikel 8 van deze verordening).Deze voorziening is door het college in het leven geroepen en bevat gelden ten behoeve van herplant van bomen op andere locaties in de gemeente, maar ook voor groeiplaatsverbetering bij bestaande bomen van de gemeente Oldebroek. In artikel 6 lid 1 wordt gesproken over omstandigheden die zich verzetten tegen herplant. Onder deze omstandigheden moet onder andere worden gedacht aan: afstand tot aanwezige kabels en leidingen; afstand tot de erfgrenslijn; afstand tot bestaande of nog te realiseren bebouwing; beschikbare boven- en/of ondergrondse groeiruimte; Afstand tot erfgrenslijn In artikel 11 wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die in het Burgerlijk Wetboek wordt geboden om de afstand van bomen tot de erfgrenslijn op een andere afstand te bepalen dan dat in artikel 5:42is opgenomen. In de praktijk blijkt dat het wenselijk is dat er onderscheid gemaakt wordt tussen de afstand die gemeentelijke bomen en overige bomen moeten hebben tot de erfgrenslijn. De afstand van 1 meter voor gemeentelijke bomen zorgt er voor dat nu aanwezige gemeentelijke bomen worden beschermden dat bij vervangingen bomen op dezelfde locatie kunnen worden herplant. Voor de overige bomen en voor heggen en heesters wordt aangesloten op de in het Burgerlijk Wetboek opgenomen afstanden. Spoedeisend belang bij kap De gemeenteraad neemt geen bevoegdheid op voor het college om toestemming te geven tot direct vellen in het belang van de openbare orde of veiligheid. De burgemeester beschikt ter zake over toereikende bevoegdheden. Het algemene kapverbod geldt bij gebruikmaking daarvan op grond van de verordening niet. Hoofdstuk
- Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente AFDELING 4.
- VOORKOMEN OF BEPERKEN GELUIDHINDER EN HINDER DOOR VERLICHTING Artikel 4.1 Definities Algemeen Op grond van de Wm moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken over een milieuvergunning beschikken of voldoen aan een AMvB die artikelen met betrekking tot de bescherming van het milieu bevat. Het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder. Deze afdeling bevat daarover voorschriften. Voor de definitie van begrippen die aan aanpalende regelgeving – waaronder het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet milieubeheer – ontleend zijn, wordt aangesloten bij de betekenis uit die regelgeving. Artikel 4.3 Melding incidentele festiviteiten Eerste lid De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onder b, kan de raad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een ‘vroege vogels’-toernooi. Meerdaagse festiviteiten zijn denkbaar. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal twaalf dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen. In het onderhavige artikel dient de raad in de verordening te bepalen hoeveel dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn toegestaan in de gem
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.