Provinciale Staten van Flevoland, Overwegende dat het noodzakelijk is de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland aan te passen aan de Waterwet, daarbij in aanmerking nemend het overgangsrecht met betrekking tot het vaarwegbeheer zoals opgenomen in de Invoeringswet Waterwet, Dat het wenselijk is de verordening te actualiseren en een aantal technische en ambtshalve wijzingen door te voeren, Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 25 september 2012, nummer 1351828; Gelet op het bepaalde in de Ontgrondingenwet, de Waterwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming, de Wegenwet, de Wegenverkeerswet 1994, de Algemene wet bestuursrecht en de Provinciewet; Besluiten: Vast te stellen de navolgende verordening en de daarbij behorende bijlagen: Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 HOOFDSTUK
- BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: algemene vergadering: de Algemene Vergadering van Waterschap Zuiderzeeland; bebouwde kom: bebouwde kom, vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beheerplan: een plan als bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet; Bestemmingsplan: bestemmingsplan, inpassingsplan of beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening met inbegrip van een wijzigingsplan of een uitwerkingsplan alsmede een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een geval als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. boorput: een door boring of verdringing gevormde kokervormige al dan niet opgevulde diepte; college van dijkgraaf en heemraden: het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Zuiderzeeland; dijkring: een dijkring als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet; ecologische hoofdstructuur (EHS): stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten; evaluatieverslag: een verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; evenementen: tijdelijke, niet routegebonden activiteiten zoals feesten, markten en braderieën; gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van Flevoland; geluidsniveau: geluidsniveau gemeten en berekend volgens voorschriften gegeven bij of krachtens de Wet geluidhinder; geluidsbron: inrichting, toestel, hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet geluidhinder en activiteit in het kader van de ontwikkeling of bestemming van de in een streek-, structuur- of bestemmingsplan begrepen gronden; geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder; gesloten stortplaats: een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer; grond(water)sanering: het verrichten van handelingen met het oogmerk het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreiging van verontreiniging van de bodem; infiltratie: infiltreren van water als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet; inrichting: onder een inrichting als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 4 wordt verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer; milieubeschermingsgebied: een gebied als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer; nazorgvoorzieningen: de maatregelen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer; nazorgplan: een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming; onttrekkingsinrichting: onttrekkingsinrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet. openbare vaarweg: elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor openbaar scheepvaartverkeer met alle bijbehorende werken, voorzieningen en begroeiingen; openbare weg: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen, en bermsloten, met alle bijbehorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen; oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewater als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet; Opsporen: het opsporen van delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Mijnbouwwet. pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur; primaire waterkering: een primaire waterkering als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet; projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet; Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden: de gebieden Rivierduingebied Swifterbant, UNESCO-monument Schokland, Urk en omgeving en Omgeving Kuinderschans en Kuinderburcht die in het Omgevingsplan Flevoland 2006 zijn aangemerkt als Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden. Provinciale belangen: de belangen die de provincie heeft uit hoofde van haar beleid en/of politieke opvattingen en/of haar rol als beheerder of private partij. richtwaarde: richtwaarde als bedoeld in artikel 5.1, derde lid, van de Wet milieubeheer; reconstrueren: het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico's voor de grondwaterkwaliteit. Onder reconstrueren wordt niet verstaan het uitvoeren van de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden; regionaal waterplan: een plan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet; regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening; ruimtelijk plan of besluit: een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken; saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen; Top-10 Archeologische locaties: de gebieden die een dwarsdoorsnede van de Flevolandse archeologie vertegenwoordigen en die in het Omgevingsplan Flevoland 2006 zijn aangemerkt als Top-10 Archeologische locatie. uitweg: elke rechtstreekse, in de zin van de Wegenwet niet openbare, ontsluitingsmogelijkheid naar of vanaf een in deze verordening bedoelde openbare weg; verkeer: voertuigen zoals beschreven in de Wegenverkeerswet; watergang: een waterloop die noodzakelijk is voor de aan- en afvoer van water; waterschap: Waterschap Zuiderzeeland; watersysteem: watersysteem als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet; werk: een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk; wezenlijke kenmerken en waarden: aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden die bestemd zijn voor natuur of zijn aangewezen voor natuurdoeleinden, tevens de potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste milieucondities; Winnen: het winnen van delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Mijnbouwwet. HOOFDSTUK
- STORTPLAATSEN EN AFVALWATER Titel 2.1 Nazorg gesloten stortplaatsen Artikel 2.1 Verbodsbepaling 1 Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd: werken te maken of te behouden; stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op: het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer; handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan. Artikel 2.2 Ontheffing Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 2.1, eerste lid, gestelde verbod indien het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet. Artikel 2.3 Aanvraag ontheffing De aanvraag om ontheffing, bedoeld in artikel 2.2, bevat tenminste de volgende gegevens en bescheiden: naam en adres van de aanvrager; het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen; het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart, die uiterlijk dertien weken voor de aanvraag van de ontheffing door het kadaster is afgegeven, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik als bedoeld onder b is aangegeven; de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder c; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren; de maatregelen die worden getroffen om: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder f bedoelde maatregelen. Titel 2.2 Afvalwater Artikel 2.4 Aanvraag ontheffing zorgplicht De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer bevat tenminste de volgende gegevens en bescheiden: het gemeentelijk rioleringsplan bedoeld in artikel 4.22 van de Wet milieubeheer of, indien het plan nog niet is vastgesteld, een overzicht van de aanwezige voorzieningen en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4.22, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft; een overzicht van de lozingssituatie in dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft; een weergave van de gevolgen voor het milieu wanneer geen voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater worden getroffen; een weergave van de alternatieve voorzieningen voor verwerking van het afvalwater van de betreffende percelen; het advies of het resultaat van het overleg dat is gevoerd met de waterbeheerder. HOOFDSTUK
- BODEMSANERING Artikel 3.1 Wijze van melden 1 Het rapport van het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag, het nazorgplan en de melding als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming worden met de daarbij behorende stukken in enkelvoud bij gedeputeerde staten ingediend op een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. 2 Bij de indiening van stukken, genoemd in het eerste lid, worden in ieder geval vermeld het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, aangegeven op een kadastrale kaart die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de I-contour(en) van de bodemverontreiniging. 3 Bij de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van de Wet bodembescherming, in ieder geval vermeld; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden dan wel handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst. Artikel 3.2 Inhoud saneringsplan Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het saneringsplan de volgende gegevens vermeld: Algemene gegevens het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder 1°, alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden; de naam en het adres van degene die de sanering feitelijk uitvoert; een tijdschema met een planning van de werkzaamheden, waarbij in ieder geval de datum is aangegeven, waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen; indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming: de voorgenomen fasering, alsmede de argumentatie om de sanering gefaseerd uit te voeren; indien een deelsanering wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming: de redenen daarvoor. De te nemen maatregelen een beschrijving van maatregelen die milieuhygiënisch ongewenste effecten als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken; een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding plaatsvindt, waartoe in elk geval behoort: het bijhouden van een logboek. Artikel 3.3 Meldingsplichten saneringsuitvoering 1 Degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk bij gedeputeerde staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering, alsmede een specificatie van de bij de uitvoering betrokken bedrijven en instanties. 2 Indien de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon dit onverwijld schriftelijk aan gedeputeerde staten, onder opgave van de nieuwe aanvangsdatum. Indien de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon de nieuwe aanvangsdatum minimaal twee weken voor deze datum schriftelijk aan gedeputeerde staten. 3 Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de in het eerste lid bedoelde persoon uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het gehele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan gedeputeerde staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte. 4 De in het eerste lid bedoelde persoon meldt de beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering binnen een week na beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk aan gedeputeerde staten. 5 Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door gedeputeerde staten is ingestemd met een gefaseerde aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere afzonderlijke fase op de in het vierde lid beschreven wijze gemeld. 6 Indien de in het eerste lid bedoelde persoon niet degene is die het saneringsplan heeft ingediend, geldt een in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van dit artikel bedoelde verplichting tot melding niet indien degene die het saneringsplan heeft ingediend, die melding overeenkomstig het in het betreffende lid bepaalde heeft gedaan. Artikel 3.4 Wijziging saneringsplan Bij een melding inzake wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: alle gegevens die afwijken van het saneringsplan, waarmee gedeputeerde staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd; de inhoud van de wijziging; de reden van de wijziging; de gevolgen van de wijziging voor de oorspronkelijk beoogde saneringsdoelstelling en de ter uitvoering daarvan te treffen saneringsmaatregelen. Artikel 3.5 Evaluatieverslag 1 Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan. 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het evaluatieverslag de volgende gegevens vermeld: een korte omschrijving van de kwaliteit van de bodem voor het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging; gegevens over het verloop van de sanering, waaronder in elk geval: de relevante data van de uitvoering; een beschrijving van de uitvoering van de sanering, voor zover deze wijzigingen betreft van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd alsmede de reden voor deze wijzigingen, die zijn gemeld ingevolge artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming; een beschrijving van de uitvoering van de sanering naar aanleiding van aanwijzingen ingevolge artikel 38, vierde lid, en 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd; een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen, waaronder afmetingen van ontgravingen, de analyseresultaten van de controlegrondmonsters, depotmonsters, in- en effluentmonsters en monsters uit waarnemingsfilters; indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven: een beschrijving van deze verontreiniging, als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder b, van de Wet bodembescherming met hierbij een verwijzing naar het nazorgplan dat op deze verontreiniging ziet en dat tegelijkertijd met het evaluatieverslag wordt ingediend bij gedeputeerde staten. Artikel 3.6 Nazorgplan Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming worden in het nazorgplan de volgende gegevens vermeld: Algemene gegevens het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan; indien een ander dan degene die de bodem heeft gesaneerd in het nazorgplan wordt aangewezen als degene die is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen: de door betrokken partijen ondertekende contractuele afspraken die gelden en waaruit blijkt dat diegene zich tot de uitvoering hiervan verbindt. Rapportage en evaluatie de tijdstippen waarop over de resultaten van de nazorg aan het bevoegd gezag verslag wordt gedaan. Financiële aspecten een begroting van de kosten van de nazorgmaatregelen, inclusief de eventueel noodzakelijke vervangingen van de voorzieningen. Artikel 3.7 Instellen projectgroep 1 Indien gedeputeerde staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. 2 Het bepaalde in het eerste lid voorziet in de betrokkenheid als bedoeld in artikel 52 van de Wet bodembescherming, waarbij wordt afgeweken van de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.8 Taak en samenstelling projectgroep 1 Een projectgroep heeft tot taak gedeputeerde staten haar zienswijze te geven over de uitvoering van het in artikel 3.7 bedoelde onderzoek, respectievelijk de in dat artikel bedoelde sanering. 2 Een projectgroep bestaat ten minste uit: een vertegenwoordiger van gedeputeerde staten; een vertegenwoordiger van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen het geval van verontreiniging is gelegen; voorzover mogelijk een vertegenwoordiger van de ingezetenen van de betrokken gemeente en van andere belanghebbenden bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval. HOOFDSTUK
- BIJZONDERE GEBIEDEN Titel 4.1 Aanwijzing milieubeschermingsgebieden algemeen Artikel 4.1 Aanwijzing 1 Milieubeschermingsgebieden zijn de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten 4.1 tot en met 4.
- 2 Het begin en het eind van een milieubeschermingsgebied voor grondwater wordt aangeduid door middel van borden, waarvan een model in bijlage I bij deze verordening is opgenomen. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die het milieubescher-mingsgebied doorkruisen of die daaraan grenzen en wel aan de buitengrens van het milieubeschermingsgebied. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar bedreigingen ten aanzien van de grondwaterkwaliteit dienen te worden gemeld. 3 Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor de op de kaart 4.1 aangewezen boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland, het zuidelijk gelegen waterwingebied op kaart 4.3 en het waterwingebied op kaart 4.
- 4 Het begin en het eind van een milieubeschermingsgebied voor stilte wordt aangeduid door middel van borden, waarvan een model in bijlage I bij deze verordening is opgenomen. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die het milieubescher-mingsgebied doorkruisen of die daaraan grenzen en wel aan de buitengrens van het milieubeschermingsgebied. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar bedreigingen ten aanzien van de stilte dienen te worden gemeld. Titel 4.2 Zorgplicht en meldplicht Artikel 4.2 Zorgplicht 1 Ieder die in een milieubeschermingsgebied handelingen verricht en weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen in dat gebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als milieubeschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan - danwel, indien dat achterwege laten niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. 2 Het eerste lid is niet van toepassing: op handelingen verricht in inrichtingen, waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod geldt; op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer; voorzover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1 van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is. Artikel 4.3 Meldplicht Ieder die kennis draagt van een voorval binnen een milieubeschermingsgebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als milieube-schermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten. Titel 4.3 Milieubeschermingsgebieden voor grondwater Artikel 4.4 Grondwaterbeschermingszones Een gebied ter bescherming van het grondwater kan bestaan uit de volgende zones: waterwingebied; beschermingsgebied; boringsvrije zone. § 4.3.1 Inrichtingen Artikel 4.5 Waterwingebied: verbod tot oprichten inrichting 1 Het is verboden in waterwingebieden een inrichting als bedoeld in onderdeel B en C van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht op te richten. 2 Het verbod in het eerste lid geldt niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover een in het eerste lid bedoelde oprichting redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie. Artikel 4.6 Beschermingsgebied: verbod tot oprichten en in werking hebben inrichting Het is verboden in beschermingsgebieden: een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in de in bijlage II van deze verordening opgenomen lijst; een inrichting op te richten of in werking te hebben als bedoeld in onderdeel B en C van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht, 10 waarbinnen of waarin de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen ondergronds plaatsvindt; 20 waarbinnen energie-uitwisseling ondergronds plaatsvindt. Artikel 4.7 Beschermingsgebied en boringsvrije zone: verbod bodemverstoring binnen AMvB-inrichting 1 Het is verboden in beschermingsgebieden en boringvrije zones een inrichting waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod niet geldt op te richten of in werking te hebben waarbinnen de bodem wordt geroerd, doorboord of anderszins doordrongen door: werken te maken of te behouden; handelingen te verrichten. 2 De in het eerste lid gestelde verboden gelden niet voor: het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring; het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven; het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet; het slaan of hebben van heipalen, mits geen palen met verbrede voet en geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt; het uitvoeren van sonderingen, mits het boorgat, wanneer dit de op de kaarten 4.1 tot en met 4.5 aangegeven diepte overschrijdt, direct na uitvoering wordt opgevuld met een waterondoorlatend materiaal, zoals bentoniet; overige werken of handelingen tot en met de op de kaarten 4.1 tot en met 4.5 aangegeven diepte met uitzondering van werken en handelingen ten behoeve van een boorput die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van. 3 Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing indien het een inrichting betreft waarop de in artikel 4.6 gestelde verboden van toepassing zijn. Artikel 4.8 Beschermingsgebied en boringsvrije zone: algemene regels voor boorputten 1 De in artikel 4.7, eerste lid, gestelde verboden gelden niet voor het maken of behouden van werken of het verrichten van handelingen ten behoeve van een boorput ondieper dan de op de kaarten 4.1 tot en met 4.5 aangegeven diepte die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie indien degene die een boorput opricht of wijzigt ten minste twee weken voor de werkzaamheden de exacte datum en begintijd waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd schriftelijk meldt aan gedeputeerde staten. 2 Bij een melding als bedoeld in het eerste lid voor een boorput, niet geschikt voor het onttrekken van grondwater maar wel voor de uitwisseling van energie, worden aanvullend de navolgende gegevens verstrekt: de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput; een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt; een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen; de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd; de diepte van de boorput ten opzichte van maaiveld. § 4.3.2 Buiten inrichtingen Artikel 4.9 Waterwingebied en beschermingsgebied: verboden werken en handelingen 1 Het is verboden in waterwingebieden en beschermingsgebieden buiten inrichtingen: werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken; wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; een lozing op of in de bodem uit te voeren; de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen; bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken, tenzij uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast; ondergrondse energie uit te wisselen. 2 Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden. Artikel 4.10 Waterwingebied en beschermingsgebied: uitgezonderde werken en handelingen 1 Het in artikel 4.9, eerste lid, onder a gestelde verbod geldt niet voor werken die voorzien in: het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik; het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen. 2 Het in artikel 4.9, eerste lid, onder d gestelde verbod geldt niet voor lozingen als bedoeld in artikel 2 van het Lozingenbesluit bodembescherming. 3 Het in artikel 4.9, eerste lid, onder e gestelde verbod geldt niet voor onderhoudsbaggerwerkzaamheden. Artikel 4.11 Waterwin-, beschermingsgebied en boringsvrije zone: verbod bodemverstoring 1 Het is verboden in waterwingebieden, beschermingsgebieden en boringsvrije zones buiten inrichtingen de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen door: werken te maken of te behouden; handelingen te verrichten. 2 De in het eerste lid gestelde verboden gelden niet voor: het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring; het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven; het verrichten van werkzaamheden in beschermingsgebieden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet; het slaan of hebben van heipalen, mits geen palen met verbrede voet en geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt; het uitvoeren van sonderingen, mits het boorgat, wanneer dit de op de kaarten 4.1 tot en met 4.5 aangegeven diepte overschrijdt, direct na uitvoering wordt opgevuld met een waterondoorlatend materiaal, zoals bentoniet; onderhoudsbaggerwerkzaamheden; overige werken of handelingen tot en met de op de kaarten 4.1 tot en met 4.5 aangegeven diepte met uitzondering van werken en handelingen ten behoeve van een boorput die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie. 3 Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder de in artikel 4.9 gestelde verboden. Artikel 4.12 Waterwin-, beschermingsgebied en boringsvrije zone: algemene regels voor boorputten 1 De in artikel 4.11, eerste lid, gestelde verboden gelden niet voor het maken of behouden van werken of het verrichten van handelingen ten behoeve van een boorput ondieper dan de op de kaarten 4.1 tot en met 4.5 aangegeven diepte die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie indien degene die een boorput opricht of wijzigt ten minste twee weken voor de werkzaamheden de exacte datum en begintijd waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd schriftelijk meldt aan gedeputeerde staten. 2 Bij een melding als bedoeld in het eerste lid voor een boorput, niet geschikt voor het onttrekken van grondwater maar wel voor de uitwisseling van energie, worden aanvullend de navolgende gegevens verstrekt: de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput; een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt; een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen; de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd; de diepte van de boorput ten opzichte van maaiveld. Artikel 4.13 Waterwingebied en beschermingsgebied: ontheffing werken en handelingen Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 4.9, eerste lid onder a, b, c, d en e gestelde verboden indien het belang waartoe het milieubeschermingsgebied voor grondwater is aangewezen zich daartegen niet verzet. Titel 4.4 Milieubeschermingsgebieden voor stilte Artikel 4.14 Richtwaarde 1 Als richtwaarde voor de maximale geluidsbelasting vanwege een geluidsbron binnen het milieubeschermingsgebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter van de geluidsbron. 2 Als richtwaarde voor de maximale geluidsbelasting vanwege een geluidsbron buiten het milieubeschermingsgebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter in het milieubeschermingsgebied gerekend vanaf de grens van het milieube-schermingsgebied. Artikel 4.15 Doorwerking richtwaarde Bij het uitoefenen van de navolgende bevoegdheden moet rekening worden gehouden met de in artikel 4.14 bedoelde richtwaarde: de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorzover burgemeester en wethouders dan wel gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn; de bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 3.1, 3.6 en 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening, de bevoegdheid te beslissen over een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 30, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken, alsmede de bevoegdheden als bedoeld in de artikel 3.10 en 3.27 van de Wet ruimtelijke ordening voor zover deze artikelen op grond van het in de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht opgenomen overgangsrecht van toepassing zijn; de bevoegdheden als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordeningen van de gemeenten als bedoeld in artikel 147 van de Gemeentewet; de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet
- Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing voor zover de uitoefening van de in het eerste lid aangewezen bevoegdheid gevolgen heeft voor het belang, waarvoor de richtwaarde in artikel 4.14 is gesteld. Artikel 4.16 Uitzondering Het bepaalde in artikel 4.15 is niet van toepassing indien de genoemde bevoegdheden betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies. Artikel 4.17 Verbodsbepalingen 1 Het is binnen milieubeschermingsgebieden voor stilte verboden buiten inrichtingen een toestel als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord. 2 Tot een toestel als bedoeld in de voorgaande volzin behoren in ieder geval: airgun- en andere knalapparatuur en motorisch aangedreven werktuigen met bijbehorende transportmiddelen, te bezigen in het kader van seismologisch onderzoek en opspo-ringsonderzoek naar de ontginning van de in de bodem aanwezige stoffen; een motorisch aangedreven werktuig, te bezigen in het kader van de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem; een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen; een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; een muziekinstrument en een andere daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker; een jetski die wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; een vuurwapen. 3 Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. 4 Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of aan een zodanige toertocht deel te nemen waarvoor geen ontheffing is verleend. 5 Het is verboden met een recreatievaartuig door middel van een motor sneller te varen dan 6 km per uur. Artikel 4.18 Vrijstellingen De verboden van artikel 4.17, eerste en tweede lid gelden niet voor zover zij betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies; een werktuig als bedoeld in artikel 4.17, tweede lid, onder b, dat wordt gebruikt ten behoeve van directe woonaansluitingen; het gebruik van een toestel als bedoeld in artikel 4.17, tweede lid, onder c, indien dat noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anderszins uit een oogpunt van algemene veiligheid; een geluidsapparaat als bedoeld in artikel 4.17, tweede lid, onder e, dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis en mits niet hoorbaar op een afstand van meer dan 50 meter van het apparaat; een vuurwapen als bedoeld in artikel 4.17, tweede lid, onder g, indien dat wordt gebruikt 10 door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; 20 in geval het een noodseinmiddel betreft: in geval van nood; 30 met inachtneming van het bepaalde in de Flora- en Faunawet. Artikel 4.19 Ontheffing Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 4.17 gestelde verboden indien het belang waartoe het milieubeschermingsgebied voor stilte is aangewezen zich daartegen niet verzet. Titel 4.5 Andere gebieden Artikel 4.20 Industrieterrein van regionaal belang Als industrieterrein van regionaal belang, als bedoeld in artikel 110a, zevende lid, van de Wet geluidhinder, wordt aangewezen het bedrijventerrein Luchthaven Lelystad en omgeving, zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart 4.
- HOOFDSTUK
- WATERSYSTEEM Titel 5.1 Regionaal waterplan Artikel 5.1 Inhoud 1 Het regionaal waterplan bevat, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4 van de Waterwet, één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht. 2 De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet worden in het regionaal waterplan aangeduid. Artikel 5.2 Voorbereiding 1 Gedeputeerde staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het college van dijkgraaf en heemraden, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat IJsselmeergebied en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten. 2 Gedeputeerde staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de minister van Infrastructuur en Milieu en gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies en de beheerder van de grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen. 3 Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 4 Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het regionaal waterplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. Artikel 5.3 Uitwerking regionaal waterplan 1 Voor zover het regionaal waterplan hierin voorziet, zijn gedeputeerde staten bevoegd het regionaal waterplan uit te werken. 2 Een besluit van gedeputeerde staten, inhoudende een uitwerking van het regionaal waterplan, maakt deel uit van het plan. 3 Artikel 5.2 is van overeenkomstige toepassing op de uitwerking van het regionaal waterplan. 4 Zo spoedig mogelijk na vaststelling van de uitwerking brengen gedeputeerde staten de in artikel 5.2 genoemde bestuursorganen en provinciale staten op de hoogte van de vaststelling van de uitwerking. Titel 5.2 Beheerplan Artikel 5.4 Inhoud beheerplan 1 Het beheerplan bevat onverminderd artikel 4.6 van de Waterwet tenminste: een beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt; het beleid inzake het beheer van het watersysteem gericht op de aan het watersysteem toegekende functies en doelstellingen; een of meer toelichtende kaarten waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken zijn aangegeven en waarop een overzicht wordt gegeven van de bestaande en nagestreefde toestand van het watersysteem; een omschrijving van de maatregelen die door de beheerder en/of door derden moeten worden genomen om de in het regionaal waterplan en in het beheerplan genoemde doelstellingen te bereiken, alsmede de fasering en prioriteitenstelling bij deze maatregelen; een raming van de kosten van de maatregelen, voorzover deze gedurende de planperiode tot stand worden gebracht, een overzicht van de wijze waarop deze worden gedekt, alsmede een indicatie van de kosten van door derden te nemen maatregelen als gevolg van het plan; 2 Het beheerplan gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen: de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van verrichte onderzoeken; Artikel 5.5 Raadplegen Het college van dijkgraaf en heemraden raadpleegt bij de opstelling van het beheerplan ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterschappen, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat IJsselmeergebied, gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders in Flevoland. Artikel 5.6 Openbare voorbereiding 1 Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in tenminste het kantoor van Waterschap Zuiderzeeland en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft. 2 Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheerplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. 3 Het college van dijkgraaf en heemraden kan besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder d indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat. 4 Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan de instanties als bedoeld in artikel 5.5 en aan de minister van Infrastructuur en Milieu. Artikel 5.7 Goedkeuring [Vervallen] Artikel 5.8 Uitwerking beheerplan 1 In het beheerplan kan worden bepaald dat het college van dijkgraaf en heemraden het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens in het beheerplan gegeven regels. 2 Alvorens het college van dijkgraaf en heemraden een besluit vaststelt met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid, worden de in artikel 5.5 bedoelde bestuursorganen in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen daarover kenbaar te maken. 3 Het besluit van het college van dijkgraaf en heemraden tot uitwerking van het beheerplan maakt deel uit van het beheerplan. 4 Artikel 5.6 is van overeenkomstige toepassing op het in het derde lid genoemde besluit. Artikel 5.9 Toezending aan gedeputeerde staten 1 Een besluit als bedoeld in artikel 5.6, derde lid wordt binnen vier weken na vaststelling aan gedeputeerde staten toegezonden. 2 Een besluit ter uitvoering van de in 5.8, eerste lid genoemde bevoegdheid, wordt binnen vier weken na vaststelling aan gedeputeerde staten toegezonden. Artikel 5.10 Algemene Voortgangsrapportage 1 Het college van dijkgraaf en heemraden rapporteert tenminste een maal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het geldende beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen. 2 Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot de inhoud van de rapportage, gehoord het college van dijkgraaf en heemraden, nadere voorschriften geven omtrent de inhoud van de rapportage. Titel 5.3 Toedeling beheer en vaarwegenbeheer Artikel 5.11 Toedeling (vaarweg)beheer 1 Waterschap Zuiderzeeland is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 4 van het Reglement voor Waterschap Zuiderzeeland
- 2 De provincie Flevoland is belast met het vaarwegbeheer van de op kaart 7.1 aangegeven regionale wateren. Titel 5.4 Peilbesluiten Artikel 5.12 Aanwijzing verplichte peilbesluiten 1 De algemene vergadering stelt voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer een of meer peilbesluiten vast. 2 Gedeputeerde staten verlenen op verzoek van het college van dijkgraaf en heemraden van het bepaalde in het eerste lid ontheffing ten aanzien van gebiedsdelen waar een regeling van de waterstand redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 5.13 Inhoud van het peilbesluit 1 Het peilbesluit bevat onverminderd het bepaalde in artikel 5.2 van de Waterwet: een kaart met de begrenzing van de gebieden waarbinnen oppervlaktewateren gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft, en de te handhaven waterstanden, aangegeven in hoogte ten opzichte van NAP, met daarbij aangegeven de perioden en de peilvakken waarvoor de waterstanden gelden. 2 Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen: de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken; de verwachte grondwaterstanden waarop de gekozen waterstanden gebaseerd zijn en de afwijking ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewater regime. Artikel 5.14 Openbare voorbereiding Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 5.15 Herziening Een peilbesluit wordt tenminste eens in de tien jaren herzien. Op een herziening en een wijziging van een peilbesluit zijn de artikelen 5.13 en 5.14 van overeenkomstige toepassing. Titel 5.5 Normering Artikel 5.16 Aanwijzen regionale waterkeringen Deze titel is van toepassing op de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de kaarten 5.2 tot en met 5.
- Artikel 5.17 Normering regionale waterkeringen 1 In bijlage III bij deze verordening is voor elke regionale waterkering de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar. 2 Gedeputeerde staten kunnen een technische leidraad vaststellen voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder. 3 Gedeputeerde staten stellen voorschriften vast voor de door het college van dijkgraaf en heemraden te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen. 4 Gedeputeerde staten stellen de hydraulische randvoorwaarden vast voor de door de beheerder te verrichten toetsing van regionale waterkeringen. Artikel 5.18 Normering wateroverlast 1 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom, met uitzondering van onroerende zaken in de gebieden die zijn aangewezen op de kaart 5.1, een overstromingskans van ten hoogste 1/100 per jaar. 2 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom, met uitzondering van onroerende zaken in de gebieden die zijn aangewezen op de kaart 5.1, een gemiddelde overstromingskans van ten hoogste 1/50 per jaar en gemiddeld per deelgebied 1/80 per jaar. 3 Gedeputeerde staten stellen regels vast voor de door het college van dijkgraaf en heemraden te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. Artikel 5.19 Inrichting watersysteem 1 De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de regionale waterkeringen Urk (middenterrein), Urk (overige terreinen), Schokkerhaven, Parkhaven, Flevocentrale, De Eemhof, Haven Zeewolde, Harderhaven, Zuiderzee op Zuid, Muiderzand en Almere Haven. uiterlijk in 2015 voldoen aan de in artikel 5.17 opgenomen normen. 2 De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de regionale waterkeringen Houtribstrand, Ketelhaven, Flevo Marina, Deko Marine, Houtribhaven, Bataviahaven, Kade Lelystad haven, Zilverstrand, Erkemederstrand, Woldstrand, De Harder, Bremerbergse hoek, De Klink en Spijkstrand uiterlijk in 2018 voldoen aan de in artikel 5.17 opgenomen normen. 3 De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de Knardijk uiterlijk vier jaar na de voorziene wijziging van de Waterwet in verband met de wettelijke verankering van de Deltabeslissing Waterveiligheid voldoet aan de in artikel 5.17 opgenomen norm. 4 De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de oppervlaktewaterlichamen uiterlijk in 2015 zijn ingericht volgens de in artikel 5.18 opgenomen normen. 5 Gedeputeerde staten kunnen voor bepaalde tijd ontheffing verlenen van de zorgplicht als bedoeld in het tweede lid. Titel 5.6 Legger Artikel 5.20 Legger waterstaatswerken 1 De legger bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet bevat onverminderd het bepaalde in het tweede lid van dat artikel in ieder geval: de dwarsprofielen van de primaire- en regionale waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire- en regionale waterkering, oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. 2 Artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet is tot 1 januari 2015 niet van toepassing op de regionale waterkeringen die zijn aangewezen op de kaarten 5.2 t/m 5.
- Artikel 5.21 Uitzondering leggerplicht Gedeputeerde staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen dan wel van geringe afmetingen zijn. Artikel 5.22 Openbare voorbereiding Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op voorbereiding van de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. Titel 5.7 Meten en beoordelen Artikel 5.23 Verslag toetsing watersysteem 1 Het college van dijkgraaf en heemraden brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 5.17, eerste lid, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer. 2 Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, technische leidraad, hydraulische randvoorwaarden en voorschriften bedoeld in artikel 5.17 en de legger bedoeld in artikel 5.
- 3 Het college van dijkgraaf en heemraden brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen, bedoeld in artikel 5.18, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer. 4 Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de normen en voorschriften bedoeld in artikel 5.18 en de legger bedoeld in artikel 5.
- 5 Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht. 6 Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het college van dijkgraaf en heemraden, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal worden uitgebracht. 7 Gedeputeerde staten kunnen afwijken van het bepaalde in het eerste en derde lid. Artikel 5.24 Nadere voorschriften Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in artikel 5.
- Titel 5.8 Projectprocedure voor waterstaatswerken Artikel 5.25 Projectprocedure Waterwet 1 Paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet is van toepassing op projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen die zijn aangewezen op de bij deze verordening behorende kaarten 5.2, 5.3, 5.5, 5.8, 5.12, 5.14, 5.18, 5.19 en 5.
- 2 Gedeputeerde staten kunnen paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op: projectplannen tot aanleg of wijziging van regionale waterkeringen die zijn aangewezen op de bij deze verordening behorende kaarten 5.4, 5.6, 5.7, 5.9, 5.10, 5.11, 5.13, 5.15, 5.16, 5.17, 5.20, 5.21, 5.22, 5.23 en 5.24; projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen; projectplannen tot de aanleg en wijziging van oppervlaktewaterlichamen. Artikel 5.26 Toezending projectplan voor primaire waterkeringen 1 Een aan gedeputeerde staten ter goedkeuring toegezonden projectplan, als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet, dat betrekking heeft op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie of andere provincies wordt door het college van dijkgraaf en heemraden tevens toegezonden aan gedeputeerde staten van die andere provincie of provincies. 2 Het eerste lid is van toepassing op projectplannen als bedoeld in artikel 5.7 van de Waterwet die zijn gericht op het grondgebied van twee of meer provincies. HOOFDSTUK
- GRONDWATERONTTREKKINGEN Artikel 6.1 Grondwaterregister 1 Gedeputeerde staten houden een register bij waarin onttrekkingsinrichtingen worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van het tweede lid en artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt. 2 Het college van dijkgraaf en heemraden verstrekt jaarlijks aan gedeputeerde staten de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt. 3 Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen aangaande het tijdstip en de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden aangeleverd. Artikel 6.2 Uitzondering vergunningplicht en meet- en registratieplicht 1 Een vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet is niet vereist ten aanzien van onttrekkingsinrichtingen met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur. 2 De in artikel 6.11 van het Waterbesluit genoemde verplichtingen met betrekking tot het meten en registreren van een grondwateronttrekking zijn niet vereist ten aanzien van onttrekkingsinrichtingen als bedoeld in het eerste lid waarbij het onttrokken water in een aaneengesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken. Artikel 6.3 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister 1 Gedeputeerde staten kunnen een onttrekkingsinrichting die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is gemeld, ambtshalve in het register, genoemd in artikel 6.1, inschrijven. 2 Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen. Artikel 6.4 Instructiebepalingen waterschap 1 De algemene vergadering regelt in de verordening als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet dat het absoluut verboden is grondwater te onttrekken of water te infiltreren in een op de kaarten 4.1 t/m 4.5 aangegeven zone indien de onttrekking of infiltratie plaatsvindt op een grotere diepte dan in die zone is toegestaan. 2 De instructieregel als bedoeld in het eerste lid heeft geen betrekking op: onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie; onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem danwel onttrekkingen ten behoeve van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging in de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven. 3 De algemene vergadering regelt bij verordening dat tenminste degene die meer dan 10.000 m3 grondwater per jaar onttrekt en degene die water infiltreert voor andere doeleinden dan genoemd in artikel 6.4 van de Waterwet, de gegevens bedoeld in artikel 6.11 van het Waterbesluit verstrekt aan het college van dijkgraaf en heemraden. HOOFDSTUK
- WEGEN EN VAARWEGEN Titel 7.1 Algemene bepalingen Artikel 7.1 Doelstelling 1 Dit hoofdstuk stelt regels ter instandhouding van de bij de provincie Flevoland in beheer zijnde openbare wegen en vaarwegen en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die openbare wegen en vaarwegen. 2 Toepassing van dit hoofdstuk kan mede strekken tot bescherming van landschappelijke, ecologische of andere natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin de openbare weg of vaarweg is gelegen, doch enkel voor zover daarin niet is voorzien door een in of krachtens een andere wet gestelde bepaling. Artikel 7.2 Toepassingsgebied 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op: openbare wegen en vaarwegen en de daarbij behorende kunstwerken en hetgeen verder naar de aard van de openbare weg of vaarweg daartoe behoort, in beheer bij de provincie Flevoland; evenementen buiten het areaal van de onder a genoemde openbare wegen en vaarwegen voor zover de in artikel 7.1 bedoelde belangen in het geding zijn. 2 De in het eerste lid sub a genoemde openbare wegen in beheer bij de provincie Flevoland zijn aangegeven op kaart 7.
- 3 De in het eerste lid sub a genoemde openbare vaarwegen in beheer bij de provincie Flevoland zijn aangegeven op kaart 7.
- Titel 7.2 Verbodsbepaling Artikel 7.3 Verbodsbepaling Het is verboden gebruik te maken van een openbare weg of vaarweg, anders dan waartoe deze is bestemd, door: daarin, daarop, daaronder of daarboven werken te maken of te behouden; daarin, daarop, daaronder of daarboven vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; daarin, daarop, daaronder of daarboven op andere wijze dan vermeld onder a of b handelingen te verrichten. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor handelingen ten behoeve van het beheer en onderhoud van openbare wegen of vaarwegen door of in opdracht van gedeputeerde staten. Titel 7.3 Algemene regels Artikel 7.4 Schriftelijke melding 1 Degene die voornemens is: een uitweg aan te leggen conform het bepaalde in artikel 7.5 eerste lid; een bord of herdenkingsteken te plaatsen conform het bepaalde in artikel 7.6 eerste lid; meldt dit tenminste vier weken voor de daadwerkelijke aanleg of plaatsing schriftelijk aan gedeputeerde staten. 2 Bij een schriftelijke melding als bedoeld in het eerste lid worden de navolgende gegevens verstrekt: de naam en het adres van de melder; het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de betrokken locatie; een tekening van de voorgenomen constructie en een opsomming van de te gebruiken materialen; de duur van het voorgenomen gebruik van de openbare weg of vaarweg, anders dan waartoe deze is bestemd. Artikel 7.5 Algemene regels uitwegen 1 Het in artikel 7.3 gestelde verbod geldt niet voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het veranderen van het gebruik daarvan, indien en voor zover de voorgenomen uitweg voldoet aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid. 2 De aanleg, de constructie en de aanwezigheid van de uitweg veroorzaken geen schade aan de openbare weg en zijn niet strijdig met het veilig en doelmatig gebruik van de openbare weg. 3 Per woning of vestiging van een bedrijf wordt maximaal één uitweg aangelegd. 4 De uitweg voldoet aan de volgende (technische) specificaties: De afstand van de uitweg tot bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in- en uitwegen en bochten bedraagt meer dan 200 meter; de uitweg is dusdanig geconstrueerd dat het verkeer vooruitrijdend de kavel zonder nadere manoeuvres op en af kan rijden; de uitweg heeft een gesloten of elementenverharding. 5 Het eerste lid is niet van toepassing: indien de voorgenomen uitweg uitkomt op de N 301 (Nijkerkerweg), N 302 (Larserweg, Gooiseweg, Ganzenweg), N 305 (Waterlandseweg, Gooiseweg, Biddingringweg), N 307 (Hanzeweg, Dronterringweg, Overijsselseweg), N 702 (Hogering, Buitenring), of N 703 (Tussenring); indien de voorgenomen uitweg wordt aangelegd ten behoeve van een benzineverkooppunt; indien de voorgenomen uitweg wordt aangelegd ten behoeve van een voorziening die een groot aantal bezoekers trekt. Artikel 7.6 Algemene regels borden en herdenkingstekens 1 Het in artikel 7.3, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor het plaatsen van een bord of een herdenkingsteken in de berm van de openbare weg of in het talud van de openbare vaarweg, indien en voor zover het voorgenomen bord of herdenkingsteken voldoet aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid. 2 De plaatsing, de constructie en de aanwezigheid van het bord of het herdenkingsteken veroorzaken geen schade aan de openbare weg of vaarweg en zijn niet strijdig met het veilig en doelmatig gebruik van de openbare weg of vaarweg. 3 Het bord of herdenkingsteken voldoet aan de volgende (technische) specificaties: het bord of herdenkingsteken is niet groter dan 0,8 meter bij 0,8 meter; het bord of herdenkingsteken spiegelt niet, fluoresceert niet, is niet verlicht en heeft geen bewegende delen; het bord of herdenkingsteken is minimaal 0,5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld bevestigd; het bord of herdenkingsteken is voldoende stevig in de grond verankerd; het bord of herdenkingsteken staat meer dan 200 meter van bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in- en uitwegen en bochten; het bord of herdenkingsteken staat meer dan 50 meter voor of 50 meter voorbij bestaande bewegwijzering of verkeersborden; het bord of herdenkingsteken staat meer dan 1,8 meter van de asfaltverharding; het bord of herdenkingsteken staat niet in de middenberm. 4 Degene die een bord of een herdenkingsteken heeft geplaatst, verwijdert dit bord of herdenkingsteken uiterlijk drie jaar na plaatsing en herstelt daarbij de berm of het talud in de oorspronkelijke staat. Titel 7.4 Ontheffingverlening Artikel 7.7 Ontheffing 1 Onverminderd het bepaalde in de artikelen 7.5 en 7.6 kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van het in artikel 7.3, eerste lid, gestelde verbod, indien de belangen bedoeld in artikel 7.1 zich daar niet tegen verzetten. 2 De aanvraag om ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens: de naam en het adres van de aanvrager; het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de betrokken locatie; een tekening van de voorgenomen constructie en een opsomming van de te gebruiken materialen; de duur van het voorgenomen gebruik van de openbare weg of vaarweg. Artikel 7.8 Evenementen 1 Gedeputeerde staten kunnen voor het houden van evenementen ontheffing verlenen van het in artikel 7.3, eerste lid, gestelde verbod, indien de belangen bedoeld in artikel 7.1 zich daar niet tegen verzetten. 2 Een verzoek om ontheffing als bedoeld in het eerste lid dient ten minste acht weken voor het begin van het evenement bij gedeputeerde staten te worden ingediend. 3 De aanvraag om ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens: de naam en het adres van de aanvrager; een omschrijving van het voorgenomen evenement; de datum en de duur van het voorgenomen evenement; het verwachte aantal bezoekers van het voorgenomen evenement. Titel 7.5 Nadere regels Artikel 7.9 Nadere regels Gedeputeerde Staten kunnen, indien de belangen bedoeld in artikel 7.1 zich daar niet tegen verzetten, nadere regels stellen voor door hen aangewezen openbare wegen en vaarwegen. HOOFDSTUK
- ONTGRONDINGEN Titel 8.1 Ontgrondingen algemeen Artikel 8.1 Toepassing Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden twee of meer uit te voeren ontgrondingen die in elkaars directe nabijheid liggen en een samenhangend geheel vormen als één ontgronding beschouwd. Titel 8.2 Vrijstelling van de vergunningplicht Artikel 8.2 Vrijstellingen 1 Geen ontgrondingsvergunning is vereist voor ontgrondingen waarbij niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond en bovendien een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden. 2 Geen ontgrondingsvergunning is vereist voor: het aanleggen, verbreden en verdiepen van watergangen voorzover de ontgronding niet leidt tot een watergang met een insteek breder dan 15 meter en een diepte van meer dan 3 meter beneden het maaiveld, en mits daaraan een geldig besluit van het college van dijkgraaf en heemraden ten grondslag ligt; het verbreden en verdiepen van watergangen ten behoeve van de aanleg van duurzame of natuurvriendelijke oevers, mits niet dieper wordt ontgraven dan tot 3 meter beneden het maaiveldniveau direct buiten de insteek, en de insteek aan weerszijden niet meer wordt verbreed dan met: 5 meter voor watergangen met een breedte tot 20 meter op het moment van inwerking treden van deze verordening; 10 meter voor watergangen met een breedte van meer dan 20 meter op het moment van inwerking treden van deze verordening; het aanleggen, wijzigen of verwijderen van waterkeringen door of op last van het rijk, provincie of waterschap; het maken of wijzigen van een bouwwerk krachtens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een vergunning op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet en het opruimen van een dergelijk bouwwerk; het aanleggen, onderhouden, wijzigen en verwijderen van openbare wegen, spoorwegen, rioleringen en leidingen, mits een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden en mits dit plaatsvindt in overeenstemming met: een in werking zijnd en onherroepelijk bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of een in werking zijnd en onherroepelijk provinciaal inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening, dat niet ouder is dan 10 jaar op het moment van ontvangst door gedeputeerde staten van de melding als bedoeld in artikel 8.3 of een onherroepelijke omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 30, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken of een onherroepelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening voor zover deze vrijstelling zijn gelding heeft behouden danwel op grond van het in de Invoeringswet ruimtelijke ordening opgenomen overgangsrecht nog van toepassing is, of een onherroepelijk tracébesluit; bodemsaneringen door of op last van het provinciaal bestuur; het verwijderen of vervangen van een bestaande natuurlijke of kunstgrasmat voor nieuw natuurlijk of kunstgras voor sportvelden waarbij niet dieper wordt ontgrond dan 0,5 meter beneden maaiveld. 3 Het bepaalde in het eerste lid en het tweede lid onder a en b geldt niet voor: ontgrondingen die primair gericht zijn op het winnen van oppervlaktedelfstoffen; ontgrondingen met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de op de kaarten 8.1 en 8.2 aangegeven Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden en Top-10 Archeologische locaties. Artikel 8.3 Melding 1 Degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren die ingevolge artikel 8.2, tweede lid, is vrijgesteld van de vergunningplicht, meldt dit tenminste vier weken voor het daadwerkelijk ontgronden aan gedeputeerde staten. De melding wordt gedaan op een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. 2 De verplichting tot melding is niet van toepassing op ontgrondingen waarbij de te ontgraven hoeveelheid minder is dan 1500 m
- 3 Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden of wijzigen van de ontgronding die ingevolge artikel 8.2, tweede lid, is vrijgesteld van de vergunningplicht. Titel 8.3 Vergunningprocedure Artikel 8.4 Eenvoudige vergunningprocedure 1 Het bepaalde in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Ontgrondingenwet is niet van toepassing op ontgrondingen van eenvoudige aard, waarbij andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken en die betreffen: ontgrondingen in de op de kaarten 8.1 en 8.2 aangewezen Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden en Top-10 Archeologische locaties., voor zover het ontgrondingen betreft met een diepte van maximaal 0,3 meter beneden het maaiveld en tevens niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond; ontgrondingen in de op de kaarten 8.1 en 8.2 aangewezen Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden en Top-10 Archeologische locaties. met een diepte van meer dan 3 meter beneden het maaiveld, mits de ontgronding plaats vindt ten behoeve van archeologisch onderzoek voortkomend uit zuiver wetenschappelijke motieven; de aanleg van waterpartijen en –bassins waarbij een oppervlakte van 2.000 m2 en een diepte van 3 meter beneden het maaiveld niet worden overschreden en mits deze waterpartijen en –bassins niet in verbinding komen te staan met het watersysteem en geen sprake is van een ontgronding in een op de kaarten 8.1 en 8.2 aangegeven Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden en Top-10 Archeologische locaties; Ontgrondingen ten behoeve van de aanleg van tijdelijke depotkades om baggerspecie te ontwateren waarbij de diepte 0,5 meter beneden maaiveld niet overschreden wordt en mits de ontgronding vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaar oplevert; het aanleggen, onderhouden, wijzigen en verwijderen van riolering en leidingen mits een diepte van 5 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden en geen sprake is van een ontgronding in een op de kaarten 8.1 en 8.2 aangegeven Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden en Top-10 Archeologische locaties. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van een vergunning betreffende verlenging van de geldigheidstermijn of betreffende de tenaamstelling. Artikel 8.5 Aanvraag vergunning 1 Een aanvraag tot verlening of wijziging van een ontgrondingsvergunning wordt schriftelijk in drievoud bij gedeputeerde staten ingediend. 2 Indien de aanvrager niet de eigenaar is van de te ontgronden onroerende zaak, legt hij een verklaring van toestemming van de eigenaar over. HOOFDSTUK
- BESCHERMING LANDSCHAP Artikel 9.1 Toepassingsgebied en bijzondere begripsbepaling 1 Dit hoofdstuk is alleen van toepassing buiten de bebouwde kom. 2 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder de term borden: opschriften, aankondigingen, ver- of afbeeldingen, borden, vlaggen, spandoeken, bijbehorende constructies en kennelijk voor deze doeleinden gebezigde transportmiddelen en constructies, in welke vorm dan ook. Artikel 9.2 Verboden 1 Het is verboden één of meer borden als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, te plaatsen, te doen plaatsen, geplaatst te houden, aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden op of aan een onroerende zaak. 2 Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak verboden deze onroerende zaak te gebruiken of te laten gebruiken voor het plaatsen, doen plaatsen, geplaatst houden, aanbrengen, doen aanbrengen of aangebracht houden van één of meer borden als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid. Artikel 9.3 Uitzonderingen op de verboden 1 Het in artikel 9.2 gestelde verbod geldt niet voor borden: die niet zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar water, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats; die betrekking hebben op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, en die borden zijn geplaatst of aangebracht op de bouwkavel waar dat beroep, bedrijf of die dienst wordt uitgeoefend of op of in de directe nabijheid van de inrit daarnaar toe; die zijn geplaatst of aangebracht op, in of aan een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; die op of aan een onroerende zaak zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkoop, verhuur of verpachting van deze zaak, mits niet langer aanwezig dan voor de verkoop, verhuur of verpachting noodzakelijk is; die ofwel zijn geplaatst of aangebracht op een terrein waar een grootschalige publieke gebeurtenis zoals een openbare wedstrijd, manifestatie, tentoonstelling of evenement, plaatsvindt, ofwel zijn geplaatst of aangebracht ter bekendmaking van of de bewegwijzering naar die gebeurtenis en mits: die gebeurtenis niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst, op borden, die zijn geplaatst buiten het terrein waar de gebeurtenis plaats vindt, eventuele handelsreclame duidelijk ondergeschikt is aan de bekendmaking c.q. bewegwijzering en het bord niet langer aanwezig is dan gedurende één maand voor die gebeurtenis tot één week erna; die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een bestemmingsplan in gebruik zijnd sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsoring van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg; die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een bestemmingsplan in gebruik zijnd bedrijventerrein; die betrekking hebben op een werk in uitvoering, waarvoor van overheidswege opdracht is gegeven, voorzover zij in de directe nabijheid van het werk zijn geplaatst of aangebracht en niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van het werk duurt; die zijn geplaatst of aangebracht in een wegberm en kunnen worden beschouwd als een herdenkingsteken als bedoeld in artikel 7.7; die vanwege of met toestemming van het bevoegd gezag zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkeersveiligheid of de verkeersinformatie; die zijn geplaatst of aangebracht op of aan zuilen, muren en andere constructies, die daarvoor door de overheid zijn aangewezen of ten aanzien waarvan gedeputeerde staten in een ander kader met het gebruik daarvoor hebben ingestemd; die zijn geplaatst of aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting; die dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet, mits niet meer dan één bord per onroerende zaak wordt aangebracht en mits dat bord niet langer dan drie maanden ter plaatse aanwezig is; die dienen tot het aankondigen van verkiezingen voor een gemeenteraad, provinciale staten, de Tweede Kamer, de algemene vergadering of het Europees parlement en tot het presenteren van daaraan deelnemende politieke partijen, mits niet langer aanwezig dan gedurende één maand voor de verkiezing tot één week na die verkiezing. die dienen ter aanduiding van gewassen, proefvelden, productinformatie of demonstratievelden, ter plaatse waar het product geteeld wordt, mits het bord geen merknaam bevat, niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2; die dienen ter bewegwijzering naar een verkooppunt van agrarische producten, naar een mini-camping of naar een andere, aan het agrarisch bedrijf gerelateerde nevenactiviteit, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2; die dienen ter bewegwijzering naar een natuurgebied, mits het bord niet is verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m
- 2 Borden als bedoeld in het eerste lid van dit artikel zijn deugdelijk geconstrueerd en verkeren in goede staat van onderhoud. Artikel 9.4 Ontheffingen Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het artikel 9.2 gestelde verbod indien het belang van de bescherming van het landschap en het belang van de verkeersveiligheid zich daartegen niet verzet. Artikel 9.5 Aanvraag ontheffing De aanvraag van een ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens en bescheiden: de naam van degene die de zakelijk gerechtigde of de gebruiker is van de locatie waar het bord is beoogd en een verklaring van deze waaruit blijkt dat hij instemt met het plaatsen of het aanbrengen van het bord; het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de locatie waar het aanbrengen van het bord is beoogd; een beschrijving van de vorm en de afmetingen van het bord, en van het doel en de inhoud daarvan; de voorgenomen duur van de plaatsing van het bord. HOOFDSTUK
- Ruimtelijke ordening Titel 10.1 Ecologische hoofdstructuur Artikel 10.1 Kader 1 Deze titel geeft regels als bedoeld in artikel 4.1 en 4.3 van de Wet ruimtelijke ordening en hoofdstuk IX van de Provinciewet en geeft uitvoering aan titel 2.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. 2 Het werkingsgebied van deze titel is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.9924.PV2013VF01-VA01.gml en weergegeven in bijlage IV op kaart 10.
- 3 Het doel van deze titel is: het begrenzen, aanwijzen en beschermen van de op land gelegen ecologische hoofdstructuur (EHS); het aanwijzen en veiligstellen van de wezenlijke kenmerken en waarden van de begrensde gebieden; het geven van een afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de ecologische hoofdstructuur en voorwaarden voor herbegrenzing; het instellen van een registratie voor planologische besluiten bij het wijzigen van de ecologische hoofdstructuur. Artikel 10.2 Begrenzing Als ecologische hoofdstructuur zijn als zodanig aangewezen de begrensde gebieden zoals geometrisch vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.9924.PV2013VF01-VA01.gml en weergegeven in bijlage IV op kaart 10.
- Artikel 10.3 Wezenlijke kenmerken en waarden Gedeputeerde Staten wijzen zo spoedig mogelijk na het inwerkingtreden van deze titel de wezenlijke kenmerken en waarden aan van de ecologische hoofdstructuur. Deze worden vastgelegd in de digitale dataset IMRO.9924.PV20xxVFxx en opgenomen in bijlage V. Artikel 10.4 Bescherming 1Een ruimtelijk plan of besluit, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij de aangewezen ecologische hoofdstructuur: strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied; maakt geen activiteiten mogelijk ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van deze titel van de verordening geldende bestemmingsplan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden. 2 Voor zover een bestemmingsplan strijdig is met de bescherming en de mogelijkheden bedoeld in het eerste lid stelt de gemeenteraad binnen drie jaar na het inwerkingtreden van deze titel dat plan opnieuw vast met inachtneming van de bepalingen in het eerste lid. Artikel 10.5 Wijziging 1 Provinciale Staten kunnen de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur of de wezenlijke kenmerken en waarden wijzigen: ten behoeve van andere activiteiten dan mogelijk gemaakt op grond van artikel 10.4, eerste lid, sub b indien: een ingreep onvermijdelijk blijkt, er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd, ten behoeve van een combinatie van projecten of handelingen die tevens tot doel heeft om de kwaliteit of kwantiteit van de ecologische hoofdstructuur op gebiedsniveau per saldo te verbeteren, ten behoeve van de herijking van de ecologische hoofdstructuur, naar aanleiding van wijziging in hogere beleidskaders en wet en regelgeving. 2 Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur of de wezenlijke kenmerken en waarden wijzigen: ten behoeve van een verbetering van de samenhang van de ecologische hoofdstructuur, of een betere planologische inpassing van de ecologische hoofdstructuur, voor zover: de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur worden behouden, en de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur tenminste gelijk blijft. b. ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, voor zover: de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van de ecologische hoofdstructuur beperkt is, de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur en een vergroting van de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur 3 Gedeputeerde Staten kunnen de wezenlijke kenmerken en waarden wijzigen naar aanleiding van natuurlijke ontwikkelingen in het gebied Artikel 10.6 Procedure 1Burgemeester en wethouders kunnen verzoeken de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur en de wezenlijke kenmerken en waarden te wijzigen ten behoeve van een activiteit genoemd in artikel 10.5, eerste lid, onderdeel a of een kleinschalige ontwikkeling als genoemd in artikel 10.5, tweede lid, onderdeel b. 2 Een ruimtelijk plan of besluit ten behoeve waarvan de ecologische hoofdstructuur wordt gewijzigd gaat vergezeld van een toelichting of onderbouwing waarin wordt aangetoond dat: de uitvoervoering en langdurige instandhouding van de versterking of vergroting van de ecologische hoofdstructuur is gewaarborgd, de uitvoering van de versterking of vergroting uiterlijk aansluitend aan het realiseren van de kleinschalige ontwikkeling plaats vindt. 3 De voorbereiding en bekendmaking van de besluiten tot het wijzigen van de verordening en het vaststellen van het ruimtelijk plan of besluit worden in voorkomend geval gecoördineerd, zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, artikel 3.
- 4 Wanneer de beoogde ontwikkeling of activiteit ten behoeve waarvan de ecologische hoofdstructuur is gewijzigd niet of niet geheel plaats vindt verzoeken burgemeester en wethouders tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de wijziging. Artikel 10.7 Registratie 1 Gedeputeerde Staten houden een actuele en digitale registratie bij van de besluiten in verband met wijzigingen van de ecologische hoofdstructuur. 2 De registratie is gericht op het inzichtelijk maken van een sluitende compensatieboekhouding en het volgen van de uitvoering. HOOFDSTUK 10A DUURZAAMHEID EN RUIMTELIJKE KWALITEIT Artikel 10a.1 Opsporing en winning van schaliegas en schalieolie 1 Het opsporen en winnen van schaliegas en schalieolie is alleen toegestaan als uit onderzoek onomstotelijk blijkt dat de provinciale belangen hiermee niet worden geschaad. Bij een dergelijk onderzoek moet in ieder geval worden ingegaan op de belangen genoemd in Bijlage VI. 2 In een bestemmingsplan dat ziet op het toelaten van het opsporen of winnen van schaliegas en schalieolie wordt op basis van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid, gemotiveerd dat de ruimtelijke provinciale belangen niet worden geschaad. 3 Voor zover op basis van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid, andere provinciale belangen aan de orde zijn dan ruimtelijke, is het opsporen of winnen van schaliegas en schalieolie alleen toegestaan met een ontheffing van Gedeputeerde Staten. 4 Een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het derde lid, bevat in ieder geval: een beschrijving van de bestaande situatie en de ontwikkelingen waarvoor een ontheffing wordt gevraagd; een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor de provinciale belangen; één of meer kaarten op een schaal van minimaal 1:10.000 dat een duidelijk beeld geeft van de plaats waarop de aanvraag betrekking heeft. 5 Bij de beoordeling van de aanvraag om ontheffing als bedoeld in het derde lid, besluiten gedeputeerde staten gehoord de Statencommissie Ruimte & Leefomgeving. HOOFDSTUK
- HANDHAVING Artikel 11.1 Verbodsbepaling Een gedraging in strijd met de artikelen 7.3, 7.4, 7.5, 7.6 en 9.2 of met één of meer voorschriften of beperkingen die aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 7.7, 7.8 en 9.4 zijn verbonden is verboden. Artikel 11.2 Strafbepaling 1 Een gedraging in strijd met artikel 2.1, 4.2, 4.3, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8, 4.9, 4.11, 4.12, 4.17, 7.3, 7.4, 7.5, 7.6, 9.2 en 12.7 of met één of meer voorschriften of beperkingen die aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 2.2, 4.13, 4.19, 7.7, 7.8 en 9.4 zijn verbonden is een strafbaar feit. 2 Gedragingen in strijd met artikel 7.3, 7,4, 7.5, 7.6 en 9.2 of met één of meer voorschriften of beperkingen die aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 7.7, 7.8 en 9.4 worden bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel 11.3 Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening gestelde zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren. HOOFDSTUK
- PROCEDUREBEPALINGEN ONTHEFFINGEN Artikel 12.1 Aanvraag ontheffing Een aanvraag voor ontheffing wordt schriftelijk bij gedeputeerde staten ingediend. Artikel 12.2 Ontheffingsprocedure 1 Gedeputeerde staten beslissen op een aanvraag om ontheffing of het wijzigen of intrekken van een ontheffing binnen dertien weken na ontvangst van de complete aanvraag. 2 In afwijking van het eerste lid beslissen gedeputeerde staten op een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 7.8 binnen acht weken na ontvangst van de complete aanvraag. 3 In afwijking van het eerste lid is op een aanvraag om ontheffing of het wijzigen of intrekken van een ontheffing afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, indien sprake is van samenloop met een beschikking die met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt voorbereid. 4 In afwijking van het eerste lid passen gedeputeerde staten afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht toe indien zienswijzen worden verwacht. Artikel 12.3 Advies grondwaterbescherming Indien een beschikking betrekking heeft op een in titel 4.3 opgenomen verbod worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over de aanvraag of het voornemen: de inspecteur als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer; burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden; de directeur van het waterleidingbedrijf dat grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening onttrekt in Flevoland. Artikel 12.4 Advies bij omgevingsvergunning In de gevallen waarin een op grond van deze verordening vereiste ontheffing opgaat in een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarvoor gedeputeerde staten niet het bevoegde gezag zijn, stelt het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.26, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten in de gelegenheid advies over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning uit te brengen. Artikel 12.5 Ontheffingverlening 1 Gedeputeerde staten kunnen de ontheffing verlenen indien de belangen die deze verordening beschermt zich daartegen niet verzetten. 2 Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van de belangen die deze verordening beoogt te dienen. 3 Een ontheffing kan voorts worden gewijzigd of ingetrokken indien: gedurende een aaneengesloten periode van meer dan een jaar na dagtekening van de ontheffing dan wel binnen een bij de ontheffing te bepalen andere termijn, van de ontheffing geen gebruik is gemaakt; de in de ontheffing bedoelde werken of handelingen niet meer worden gebruikt of niet meer plaatsvinden. Artikel 12.6 Ontheffingvoorschriften 1 Aan een ontheffing kunnen ter bescherming van de belangen die deze verordening beoogt te dienen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 2 Aan een ontheffing op grond van artikel 7.7 en 7.8 kan een financieel voorschrift worden verbonden voor het gebruik van de openbare weg of vaarweg. Artikel 12.7 Rechtsopvolging 1 Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald. 2 De rechtsopvolger van degene aan wie de ontheffing is verleend doet binnen vier weken nadat de ontheffing voor hem is gaan gelden, daarvan mededeling aan gedeputeerde staten. HOOFDSTUK
- OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 13.1 Intrekken verordening De Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland wordt ingetrokken. Artikel 13.2 Evaluatie Gedeputeerde staten zenden binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan provinciale staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening. Artikel 13.3 Overgangsrecht plannen, ontheffingen en vergunningen 1 Op procedures op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland die zijn aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening blijft het op dat moment geldende recht van toepassing 2 De op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist. 3 Meldingen die op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland zijn afgedaan, worden gelijkgesteld met een melding op grond van deze verordening. 4 De op de dag voorafgaande aan 1 september 2007 geldende besluiten die op grond van de Provinciale milieuverordening Flevoland, de Ontgrondingenverordening Flevoland 2002 en de Landschapsverordening Flevoland 2004 zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist. 5 Een melding op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996, gedaan voor 1 september 2007, die betrekking heeft op grondwateronttrekkingen dieper dan de op kaart 13.1 aangegeven maximale diepte wordt gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet. Artikel 13.4 Overgangsrecht algemene regels voor boorputten Een melding of een vergunning voor een inrichting op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996 ondieper dan de in kaart 13.1, die voor 1 september 2007 respectievelijk is ontvangen of verleend wordt gelijkgesteld met een melding als bedoeld in de artikelen 4.8 en 4.
- Artikel 13.5 Overgangsrecht bodemverstoringen 1 Een melding of een vergunning op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996 voor een inrichting tot een diepte van 20 meter beneden maaiveld die voor 1 september 2007 respectievelijk is ontvangen of verleend wordt gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 4.13 indien voor de inrichting op kaart 13.1 een dieptegrens van 10 meter is opge-nomen terwijl op grond van kaartnummer G6 van de Provinciale milieuverordening Flevoland een dieptegrens van 20 meter van toepassing was. 2 Een bestaande bodemverstoring tot maximaal 20 meter beneden maaiveld, waarvoor de Grondwaterwet niet geldt, wordt binnen twee maanden na 1 september 2007 gemeld. Deze melding wordt gelijk gesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 4.13 indien voor de bodemverstoring op kaart 13.1 een dieptegrens van 10 meter is opgenomen terwijl op grond van kaartnummer G6 van de Provinciale milieuverordening Flevoland een dieptegrens van 20 meter van toepassing was. Artikel 13.6 Overgangsrecht wegen en vaarwegen Voor werken die op 1 september 2007 op grond van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke toestemming van de provincie Flevoland of haar rechtsvoorgangers aanwezig waren, wordt de door deze verordening vereiste ontheffing geacht te zijn verleend respectievelijk de vereiste melding te zijn gedaan. Artikel 13.7 Overgangsrecht voor onttrekkingen in derde watervoerende pakket 1 Ontheffingen voor boorputten die vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 4.7 en 4.11 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland blijven van kracht tot het moment dat het gebruik van de boorput wordt beëindigd of tot 1 januari 2025; 2 De algemene vergadering regelt in de verordening als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet dat vergunningen voor onttrekkingen die op het moment van inwerkingtreding van de Wijziging Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2009 vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 6.4 blijven bestaan tot het moment dat de onttrekking wordt beëindigd of tot 1 januari
- Artikel 13.8 Overgangsrecht heipalen met verbrede voet Artikel 4.7, tweede lid, onder e en artikel 4.11, tweede lid, onder e gelden niet voor heipalen met verbrede voet die tussen 1 september 2007 en 22 december 2009 zijn aangebracht. Artikel 13.9 Overgangsrecht aanwijzingsbesluiten toezichthouders Na de inwerkingtreding van deze verordening berusten besluiten, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening berustten op artikel 12.3 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland, op artikel 11.3 van deze verordening. Artikel 13.10 Overgangsrecht uitvoeringsregelingen Na de inwerkingtreding van deze verordening berusten nadere regels en beleidsregels, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening berustten op de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland, op deze verordening. Artikel 13.11 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 22 december
- Artikel 13.12 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012". Aldus besloten in de openbare vergadering van Provinciale Staten van Flevoland d.d. 12 december 2012 griffier, voorzitter, TOELICHTING VERORDENING VOOR DE FYSIEKE LEEFOMGEVING FLEVOLAND 2012 ALGEMENE TOELICHTING §
- Leeswijzer In deze toelichting wordt in het algemene deel een aantal ontwikkelingen beschreven die geleid hebben tot de Verordening voor fysieke leefomgeving Flevoland 2012 (hierna: de verordening). Vervolgens wordt ingegaan op de aanleiding tot het actualiseren van de verordening en de omvang daarvan. Daarna wordt kort ingegaan op de hoofdlijnen van de inhoud van de verordening met aansluitend een uitgebreide toelichting voor die hoofdstukken die ten opzichte van de hoofdlijnen aanvulling behoeven. Hierna komen aspecten aan de orde als de rechtsbescher¬ming van burgers, de handhaving en de administratieve lasten van de verordening voor bedrijven en burgers. Tot slot volgt een artikelsgewijze toelichting. §
- Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland Achtergrond In 2005 is door het college van gedeputeerde staten besloten de totstandkoming van één integrale Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland (hierna: VFL) te bevorderen. Het programma “Andere Overheid” van kabinet Balkenende II uit 2005 en –als uitvloeisel daarvan- de keuze voor een andere sturingsfilosofie waren hiervoor de aanleiding. In het programma “Andere Overheid” is opgenomen dat de overheid zich, in plaats van een intensieve, vaak gedetailleerde sturing, meer moet concentreren op globale kaderstelling. In de praktijk zal de bedoelde globale kaderstelling, volgens het kabinet, gestalte kunnen krijgen door het veranderen van gedetailleerde regelgeving in meer globale regulering, hetgeen veelal tot het gedeeltelijk afschaffen van bepaalde regels gaat leiden. Integratie van provinciale regelgeving kan derhalve een bijdrage leveren aan de deregulering. Deregulering gaat gepaard met een andere sturingsfilosofie. De sturingsfilosofie is een visie op de eigen rol en die van anderen bij het ontwikkelen en uitvoeren van het overheidsbeleid. De sturingsfilosofie van de provincie Flevoland gaat uit van de volgende uitgangspunten: ▪ lokaal besluiten wat lokaal kan worden besloten; ▪ wanneer sprake is van bovenregionale belangen is er een provinciale rol; ▪ samenwerken op basis van respect voor de eigen doelen van alle partners; ▪ afspraken worden gemaakt over kaders waarbinnen de uitvoering tot stand komt; ▪ de provincie doet een appèl op de eigen verantwoordelijkheid van de betrokken partners; ▪ een slagvaardige en resultaat gerichte beleidsaanpak; ▪ burgers en belangengroepen worden actief betrokken bij planvorming en uitvoering. De deregulering onder invloed van het programma “Andere Overheid” en de gekozen sturingsfilosofie heeft ook tot de volgende andere accenten in de provinciale regelgeving geleid: ▪ meer dan voorheen wordt een appèl gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van betrokken overheden; ▪ de regels richten zich meer op de hoofdlijnen en minder op de details; ▪ er wordt meer gebruik gemaakt van algemene regels; ▪ de regels uit de verschillende sectorale verordeningen zijn beter op elkaar afgestemd. Het bovenstaande heeft ertoe geleid dat in de VFL zes provinciale verordeningen zijn geïntegreerd en is een nieuwe publiekrechtelijke regeling voor de provinciale wegen en vaarwegen opgenomen. Dit is ten goede gekomen aan de handhaafbaarheid en de duidelijkheid voor de belanghebbenden van de provinciale regelgeving. Ook is er één procedure gekozen voor het tot stand brengen van ontheffingen. Met deze integratieslag is een belangrijke bijdrage geleverd aan de deregulering van provinciale regelgeving, waarbij gestreefd is naar een zo licht mogelijke regeldruk. Deze verordening is op 1 september 2007 inwerking getreden. Wijzigingen van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland Sindsdien is de VFL drie keer gewijzigd. De eerste wijziging betrof een wijziging van technische aard vanwege de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. De tweede wijziging vloeide voort uit de inwerkingtreding van de Waterwet, omdat veel beheerwetten op het terrein van water met de komst van deze wet zijn komen te vervallen. De derde wijziging betrof vooral technische wijzigingen naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). §
- Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 Aanleiding actualiseren Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland De directe aanleiding om te komen tot het actualiseren van de VFL is de wettelijke verplichting op grond van de Waterwet en de Invoeringswet Waterwet om voor 22 december 2012 het vaarwegbeheer in de provincie bij verordening geregeld te hebben. Daarnaast is sinds 2007 ervaring opgedaan met de VFL en de wetten waarop zij is gebaseerd. Op basis daarvan is de behoefte ontstaan de VFL te actualiseren. De verplichting tot het regelen van het vaarwegbeheer biedt de kans om ook deze technische wijzigingen mee te nemen en de verordening up-to-date te maken. Bovendien is vanaf 1 januari 2013 de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek operationeel. Van belang is dat zij dan beschikt over een up-to-date toetsingskader om haar taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving goed te kunnen uitvoeren. Vaarwegbeheer De Waterwet beoogd een meer integrale benadering en doelmatige organisatie van het waterbeheer. Ten aanzien van het vaarwegbeheer heeft die wet bepaald, dat de provincies andere overheden dan waterschappen kunnen aanwijzen als beheerder van een vaarweg of een haven. Dit alleen voor zover de vaarwegbeheerder niet dezelfde is als de watersysteembeheerder en de kosten van het vaarwegbeheer substantieel zijn ten opzichte van die voor het watersysteembeheer door het waterschap. In de andere gevallen wordt geen vaarwegbeheer onderscheiden en maken de eventuele werkzaamheden en maatregelen onderdeel uit van het waterkwantiteitsbeheer door het waterschap. Dit proces is in Flevoland in 2010 gestart en de uitkomsten daarvan moeten op grond van het overgangsrecht van de Waterwet uiterlijk eind 2012 zijn vastgelegd in een provinciale verordening. De provinciale vaarten zijn reeds in de VFL als vaarwegen aangewezen. In de onderhavige verordening wordt overeenkomstig de Waterwet het beheer van deze vaarten expliciet bij de provincie belegd. Voor alle andere wateren in Flevoland geldt dat het vaarwegbeheer ondergeschikt is aan het watersysteembeheer door het waterschap en derhalve geen vaarwegbeheerder onderscheiden hoeft te worden. Technische wijzigingen Uit praktijkervaringen is gebleken dat de VFL nog steeds voldoet aan de voorafgaand aan de vaststelling van deze verordening geformuleerde uitgangspunten. De praktijkervaringen hebben daarnaast een lijst met verbetervoorstellen en aandachtspunten opgeleverd. Het betreft met name: ▪ kleine correcties van onderdelen van de verordening die nodig zijn in verband met ervaring met de verordening zelf, de Waterwet en de Wabo, ▪ het stelsel van algemene regels ten aanzien van uitwegen het doelmatig en veilig gebruik van de zogenaamde stroomwegen, zoals Hoge Ring, Larserweg en Gooiseweg, onvoldoende waarborgt, ▪ het aantal in te dienen exemplaren van meldingen en aanvragen om ontheffing, ▪ de omschrijving van vrijstellingen en uitzonderingen op een verbod, ▪ de omschrijving van gevallen van ontgrondingen van eenvoudige aard, ▪ het aanpassen van de procedurebepalingen aan de Algemene wet bestuursrecht en de Wet milieubeheer, ▪ de verwijzingen naar andere artikelen in de verordening en landelijke wetgeving niet kloppen, ▪ door de drie wijzigingen van de verordening de leesbaarheid van de gecombineerde toelichtingen te wensen overlaat, ▪ het ontbreken van een integrale toelichting, ▪ kaartmateriaal dat niet meer up-to-date is en ▪ overgangsrecht dat niet langer van toepassing is. Relatie met evaluaties van provinciaal beleid en regelgeving De actualisatie van de VFL is voorbereid op het moment dat de stiltegebieden worden geëvalueerd en de evaluatie van de Grondwaterheffingsverordening aanstaande is. Ook wordt onderzocht of het plaatsen van reclameborden op rotondes/in het buitengebied mogelijk kan worden gemaakt. Verbetervoorstellen en aandachtspunten uit deze evaluaties kunnen een beleidsmatige koerswijzigingen inhouden. Gevolgen daarvan voor de in de verordening neergelegde regels zijn niet meegenomen in de actualisatie van de VFL, omdat deze alleen ziet op de implementatie van het vaarwegbeheer en het up-to-date maken van de verordening. Voorbereiding Het bovenstaande heeft geresulteerd in de voorbereiding van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland
- Halverwege 2012 is een ontwerp van de verordening gepubliceerd en ter inzage gelegd. Het ontwerp van de verordening is separaat voor commentaar toegezonden aan de betrokken medeoverheden en de diverse maatschappelijke belangenorganisaties. §
- Opzet van de verordening op hoofdlijnen De verordening bevat twaalf hoofdstukken. Per hoofdstuk is hierna een korte inhoudsbeschrijving aangegeven. De hoofdstukken van de verordening zijn voorzien van een titel om de toegankelijkheid van de verordening te vergroten. De titel heeft geen inhoudelijke status. In hoofdstuk 1 zijn de begripsbepalingen opgenomen. Het totale aantal begripsbepalingen is ten opzichte van de VFL ongeveer gelijk gebleven. Toegevoegd is de definitie van het begrip ‘bebouwde kom’. Dit begrip komt voor in hoofdstuk 5 over het provinciale watersysteem en hoofdstuk 9 over (reclame)borden buiten de bebouwde kom. In hoofdstuk 2 zijn de bepalingen opgenomen over de bescherming van de nazorgvoorzieningen op gesloten stortplaatsen en de wijze waarop een gemeente ontheffing dient aan te vragen van de zorgplicht voor afvalwater. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de Wet milieubeheer. In hoofdstuk 3 zijn de bepalingen over bodemsanering opgenomen. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de Wet bodembescherming. In hoofdstuk 4 zijn de bepalingen opgenomen over de milieubeschermingsgebieden. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de Wet milieubeheer. In hoofdstuk 5 zijn de bepalingen over het provinciale watersysteem opgenomen. De bepalingen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het regionaal waterplan van de provincie, het beheerplan en de voortgangsrapportage van het waterschap. Daarnaast bevat dit hoofdstuk bepalingen over onder meer de aanwijzing en normering van regionale waterkeringen, de legger voor waterstaatswerken, de verslaglegging over de waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen, de projectprocedure voor waterstaatswerken en de toezending van projectplannen voor primaire waterkeringen. In hoofdstuk 6 zijn de bepalingen over grondwateronttrekkingen opgenomen. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de Waterwet en betreffen gedeeltelijk instructiebepalingen voor Waterschap Zuiderzeeland. In hoofdstuk 7 zijn ten eerste alle bepalingen opgenomen over activiteiten op, boven of onder provinciale wegen en vaarwegen. Deze bepalingen zijn voorzover betrekking hebbende op de provinciale wegen gebaseerd op de Wegenwet en de Wegenverkeerswet
- Voorzover de bepalingen betrekking hebben op activiteiten op, in, boven of onder de provinciale vaarwegen zijn de bepalingen gebaseerd op de Waterwet. Ten opzichte van de VFL is het toestemmingenregime voor uitwegen op de zogenaamde stroomwegen, zoals Hoge Ring, Larserweg en Gooiseweg, gewijzigd. Het stelsel van algemene regels ten aanzien van uitwegen bleek het doelmatig en veilig gebruik van deze stroomwegen onvoldoende te waarborgen. Dit geldt ook voor de aanleg van benzineverkooppunten en voor uitwegen die bedoeld zijn voor een voorziening die een groot aantal bezoekers trekt. In verband daarmee is gekozen voor de rechtsfiguur ‘ontheffing’ voor het realiseren van uitwegen op de stroomwegen. In hoofdstuk 8 zijn de bepalingen opgenomen over ontgrondingen. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de Ontgrondingenwet. In hoofdstuk 9 zijn de bepalingen opgenomen die de (reclame)borden buiten de bebouwde kom reguleren. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de autonome verordenende bevoegdheid die in de Provinciewet is opgenomen. Op 1 oktober 2012 is een wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden die provincies verplicht om de ecologische hoofdstructuur in een verordening vast te leggen. In hoofdstuk 10 zijn onder titel 10.1 de bepalingen opgenomen voor de planologische borging van de ecologische hoofdstructuur. Wanneer op een later moment andere onderwerpen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening een regeling behoeven kunnen deze in dit hoofdstuk onder opeenvolgende titels worden ondergebracht. Een provinciale verordening die (mede) is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening dient onder meer te voldoen aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 (Rsro2012) voor wat betreft vormgeving, inrichting en elektronische beschikbaarstelling. Wijzigingen in de VFL2012, voor zover die betrekking hebben op hoofdstuk 10, zullen daarom steeds conform Rsro2012 worden voorbereid, vastgesteld en beschikbaar gesteld. Ter wille van de overzichtelijkheid zal steeds een integrale tekst van de VFL2012 na wijziging als afzonderlijke bijlage bij de toelichting worden gevoegd. Deze bijlage wordt tevens gebruikt bij de verplichte aanmelding van de verordening in de Centrale voorziening decentrale regelgeving (CVDR). In de hoofdstukken 11, 12 en 13 zijn de handhavings-, procedure- en slotbepalingen opgenomen. In hoofdstuk 11 zijn de handhavingsbepalingen opgenomen. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de eerder genoemde wetten. In hoofdstuk 12 zijn de procedurebepalingen bij elkaar gebracht die betrekking hebben op het verlenen, wijzigen of intrekken van ontheffingen op grond van deze verordening. Deze procedurebepalingen zijn niet van toepassing op het verlenen van vergunningen op grond van de Waterwet en de Ontgrondingenwet. In hoofdstuk 13 zijn tenslotte de overgangs- en slotbepalingen opgenomen. In dit hoofdstuk wordt de verordening benoemd die wordt ingetrokken, is het overgangsrecht weergegeven alsmede de citeertitel van de verordening. §
- Algemene toelichting per hoofdstuk § 5.1 Stortplaatsen en afvalwater (Hoofdstuk 2) In dit hoofdstuk zijn twee verschillende onderwerpen samengebracht, die beide tot de uitvoering van de Wet milieubeheer worden gerekend, maar die geheel los van elkaar (en van de andere hoofdstukken van deze verordening) staan. § 5.1.1 Nazorg gesloten stortplaatsen (Titel 2.1) Met ingang van 1 april 1998 (Stb. 143) is titel 8.3 van de Wet milieubeheer, houdende regels met betrekking tot gesloten stortplaatsen, in werking getreden. De regeling heeft betrekking op gesloten stortplaatsen, waar op of na 1 september 1996 nog afval is gestort en het Stortbesluit bodem-bescherming van toepassing is dan wel uitsluitend baggerspecie is gestort. Daarbij is de provincie als voor de nazorg verantwoordelijke instantie aangewezen. Voor de nazorg – zowel voor de instandhouding van de nazorgvoorzieningen als voor het nemen van nazorgmaatregelen – is het van belang dat voorwaarden kunnen worden gesteld aan de activiteiten die na het aanbrengen van de eindafdichting op de stortplaats zullen worden verricht. De aan deze activiteiten te stellen voorwaarden hebben tot doel, dat de nazorgvoorzieningen bereikbaar blijven, milieumaatregelen genomen kunnen worden en aantasting van de nazorgvoorzieningen voorkomen wordt. Om deze voorwaarden te kunnen stellen is een regeling in de verordening noodzakelijk. Hoewel deze regeling niet direct betrekking heeft op de afvalstoffen bestaat er wel een verband met de aanwezigheid van deze afvalstoffen. Gedeputeerde staten verklaren ingevolge art. 8.47, derde lid, Wet milieubeheer een stortplaats voor gesloten, indien: • het storten van afvalstoffen is beëindigd, • voor zover een daartoe strekkend voorschrift voor de inrichting geldt, een bovenafdichting is aangebracht, en • een eindinspectie door het bevoegd gezag is uitgevoerd waaruit is gebleken dat aan alle voorschriften, verbonden aan de vergunning voor de stortplaats, is voldaan en dat ook geen andere maatregelen ingevolge de Wet bodembescherming getroffen dienen te worden door degene die de stortplaats drijft, in geval van verontreiniging of aantasting van de bodem onder de stortplaats. Ingevolge artikel 8.49, derde lid, Wet milieubeheer stelt degene die de stortplaats drijft een nazorgplan op ter uitvoering van de nadien door gedeputeerde staten te nemen nazorgmaatregelen. Gedeputeerde staten moeten het plan goedkeuren. Zij kunnen – zolang de stortplaats nog niet is gesloten - degene die een stortplaats drijft bevelen het nazorgplan, waarmee zij hebben ingestemd, aan te passen gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu, dan wel in verband met een verandering van de stortplaats sedert de datum van goedkeuring van het nazorgplan (artikel 8.49, vierde lid, Wet milieubeheer). Op grond van artikel 8.50, eerste lid, Wet milieubeheer zijn vervolgens gedeputeerde staten van de provincie waarin een gesloten stortplaats is gelegen, belast met het treffen van nazorgmaatregelen. Onder nazorg wordt verstaan het nemen van maatregelen om de milieuvoorzieningen in stand te houden, te controleren en te vervangen. Met name het vervangen van de bovenafdichting is een aanzienlijke kostenpost. De totale kosten van nazorg in Nederland worden geraamd op vele honderden miljoenen euro's. Ter dekking van de kosten leggen de provincies een heffing op aan de exploitanten. Deze heffing is bedoeld ter financiering van het doelvermogen. Het doelvermogen is het totale geraamde gekapitaliseerde bedrag dat beschikbaar moet zijn na de sluiting van de stortplaats om de nazorg te kunnen bekostigen. Deze heffing kan worden opgelegd totdat de stortplaats gesloten is en aan de provincie is overgedragen. Nadien kunnen eventuele tekorten niet meer op de exploitant verhaald worden. De verplichting van artikel 8.50 Wet milieubeheer tot het nemen van nazorgmaatregelen is niet aan een termijn gebonden. Zolang de wettelijke regeling niet wordt gewijzigd, blijft de verplichting om nazorgmaatregelen te nemen dus op de provincie rusten. In dat verband wordt wel gesproken van "eeuwig durende"of "altijd durende" nazorg. De provincies hebben daarom groot belang bij een goed functionerend systeem van nazorgvoorzieningen en nazorgmaatregelen. Nut en noodzaak van een regeling in een provinciale verordening Voor de nazorg – zowel voor de instandhouding van nazorgvoorzieningen als voor het nemen van nazorgmaatregelen – is het van belang dat voorwaarden kunnen worden gesteld aan de activiteiten die na het aanbrengen van de eindafdichting op de stortplaats zullen worden verricht: de “eindbestemming” en het gebruik van de gesloten stortplaats. De wetgever heeft de provinciale milieuverordening aangewezen als het instrument om die voorwaarden te stellen. In IPO-verband is daartoe een aanvulling op het model van de provinciale milieuverordening opgesteld, waarvan de regeling in de onderhavige verordening deel uit maakt. Het doel van de in de verordening te stellen voorwaarden is er voor te zorgen dat: a. nazorgvoorzieningen bereikbaar blijven; b. milieumaatregelen (bijv. vervanging bovenafdekking) genomen kunnen worden; c. aantasting van de nazorgvoorzieningen (bijvoorbeeld beschadiging afdekking of peilbuizen) voorkomen wordt. Deze voorwaarden kunnen niet in voldoende mate met behulp van andere, al bestaande juridische instrumenten worden gesteld. Wel zal de gesloten stortplaats planologisch een zekere mate van bescherming kunnen worden geboden, maar dat kan niet voldoende worden geacht. Verder heeft de provincie niet in alle gevallen, als eigenaar of anderszins, de mogelijkheid om privaatrechtelijk eisen aan het gebruik van de gesloten stortplaats te stellen. Inhoud van de regeling ten aanzien van activiteiten buiten inrichtingen Degene die een gesloten stortplaats (of een deel daarvan) wil gebruiken, dient tevoren terdege na te gaan welke nazorgvoorzieningen en welke maatregelen zijn getroffen en hij zal zijn plan waar nodig daaraan moeten aanpassen. Hij heeft daarvoor inzicht nodig in de getroffen en te treffen nazorgmaatregelen. Deze zullen onder meer blijken uit het nazorgplan. De actuele informatie over de nazorgmaatregelen en –voorzieningen kan altijd worden verkregen bij de provincie. Gedeputeerde staten kunnen van de op grond van artikel 2.1 geldende verbodsbepaling ontheffing verlenen voor een toekomstig gebruik van de plaats waar de in artikel 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, voorzover het althans activiteiten betreft die niet binnen een inrichting plaatsvinden. Bij het verzoek om ontheffing moet de aanvrager aangeven hoe hij de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen denkt te garanderen, hoe aantasting van de nazorgvoorzieningen zal worden voorkomen en welke andere maatregelen hij zal nemen om te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg wordt belemmerd. Gedeputeerde staten kunnen vervolgens zo nodig verdergaande voorschriften aan de ontheffing verbinden. Het risico bestaat dat door het voorgenomen gebruik de voorzieningen worden beschadigd of maatregelen niet kunnen worden genomen. Als de te treffen maatregelen dat risico onvoldoende kunnen beperken, wordt de ontheffing geweigerd. Anders kan immers niet worden gewaarborgd dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt (hetgeen volgens artikel 8.49 Wet milieubeheer de doelstelling van nazorg is). § 5.1.2 Afvalwater (Titel 2.2) In het onderdeel afvalwater gaat het om het volgende. Op grond van artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen aan gemeen¬ten van de zorgplicht voor de inzameling en het transport van afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeente. Het is ge¬wenst in de verordening te regelen waaraan de aanvraag van zo’n ontheffing moet voldoen. Overigens is het beleid dat gedeputeerde staten voeren met betrekking tot deze ontheffingen neergelegd in een beleidsregel. § 5.2 Bodemsanering (Hoofdstuk 3) Dit hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op de Wet bodembescherming, die in diverse artikelen aan provinciale staten de bevoegdheid toekent om nadere regels te stellen, bijvoorbeeld over de inhoud van een saneringsplan, een evaluatieverslag en een nazorgplan. In IPO-verband is er indertijd voor gekozen die nadere regels op te nemen in een apart hoofdstuk in het model voor de provinciale milieuverordening. Omdat de gedetailleerdheid van dit IPO-model niet past bij het detailleringsniveau van de onderhavige verordening is de structuur van het model wel overgenomen, maar zijn bepalingen waarin ook kan worden voorzien door het vaststellen van een formulier voor de aanvraag of indiening niet in de verordening overgenomen. De in het IPO-model facultatief opgenomen procedures zijn evenmin overgenomen. Ook met dit hoofdstuk is aangesloten bij de algemene procedureregeling van hoofdstuk
- Dit hoofdstuk dient te worden gelezen in samenhang met de Wet bodembescherming zelf, omdat wettelijke bepalingen en begripsomschrijvingen zelf niet in de verordening zijn herhaald. Daar waar sprake is van aanvulling op de Wet bodembescherming – te weten de in artikel 3.3 opgenomen meldingsplichten – vindt de verordening zijn basis in artikel 1.2 van de Wet milieubeheer. § 5.3 Bijzondere gebieden (Hoofdstuk 4) Dit hoofdstuk bevat voornamelijk de juridische vertaling van het in het Omgevingsplan Flevoland 2006 neergelegde beleid voor milieube¬schermingsge¬bieden voor grondwater en stilte. Omdat het ook over een aanwijzing van gebieden gaat is als vijfde titel daaraan ook de aanwijzing van een industrieterrein van regionaal belang toegevoegd, waaraan echter geheel andere rechtsgevolgen zijn verbonden. Daarop wordt in de artikelgewijze toelichting ingegaan. Aan de uitspraken in het Omgevingsplan Flevoland 2006 met betrekking tot de milieubescher-mingsgebieden zijn als zodanig voor burgers of andere overheden geen rechtsgevolgen verbonden. Voor hen ontstaan eventu¬ele rechtsgevolgen eerst als in de milieuverordening voor die gebieden regels worden gesteld. De moge¬lijkheid dat uit andere hoofde rechtsgevolgen intreden, bijvoorbeeld op grond van de aanwijzing van een gebied ingevolge de Natuurbescher¬mings¬wet, door het opnemen van een aanlegvergunningenstelsel in een bestem¬mings¬plan of door het opnemen van strafbepalingen in de algemene plaatse¬lijke verorde¬ningen, wordt hier niet uitgewerkt. Aanwijzing van milieubeschermingsgebieden De Wet milieubeheer verplicht de provincie om in de verordening ten min¬ste voor een tweetal categorieën van gebie¬den regels op te nemen: a. regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden; b. regel