← Nederland

Subsidieverordening gemeente Eindhoven 2008 (Eindhoven)

Kort samengevat

Deze verordening regelt de subsidieverstrekking door de gemeente Eindhoven en beschrijft de algemene regels, procedures en specifieke beleidsterreinen waarvoor subsidies kunnen worden aangevraagd. Het doel is om duidelijkheid te scheppen over hoe subsidies worden verleend, vastgesteld en beheerd.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Subsidieverordening gemeente Eindhoven 2008 De integrale tekst van de Subsidieverordening gemeente Eindhoven 2008, gelet op gemeenteblad 2008, nr. 16 , gemeenteblad 2008, nr. 17, gemeenteblad 2008, nr. 60, gemeenteblad 2008, nr. 68, gemeenteblad 2008, nr. 77, gemeenteblad 2008, nr. 81, gemeenteblad 2008, nr. 83, gemeenteblad 2009, nr. 3, gemeenteblad 2009, nr. 32, gemeenteblad 2009, nr.76 , gemeenteblad 2010, nr. 33, gemeenteblad 2010, nr. 53 en gemeenteblad 2010, nr. 66, gemeenteblad 2011, nr. 7, gemeenteblad 2011, nr. 8, 2011, nr. 22 luidt als volgt: Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Algemene subsidiebepalingen Inleidende bepalingen Subsidieverlening Verplichtingen van de subsidieontvanger Subsidievaststelling Lagere verlening/vaststelling subsidie en buiten behandeling laten van subsidieaanvragen Bevoorschotting en betaling Toezicht Per boekjaar verstrekte subsidie aan rechtspersonen Actualisatie en evaluatie Hoofdstuk 2 Ruimte 2.1. Ruimtelijke ordening 2.1.1. Gemeentelijke monumenten Eindhoven 2.1.2. – ingetrokken - 2.1.3. Reserve economische ontwikkeling 2.1.4. Reserve technologie 2.1.5. Subsidiëring stadsdeelgericht werken 2.1.6. Huurgewenningsbijdragen 2.1.7. Waardebonnensysteem bewonersinitiatieven 2.1.8. Stimulering onderhoud particuliere woningen 2.2. Milieu 2.2.1 Stimulering energiebesparende maatregelen 2.2.2. Stimulering afkoppelen hemelwaterafvoer van verhard oppervlak Hoofdstuk 3 Sociaal 3.1. Cultuur 3.1.1. Stimulering amateurkunst 3.1.2. Gilden 3.1.3. Amateurkunst incidenteel 3.1.4. Cultuurspreiding 3.1.5. –vervallen- 3.1.6. –verva3.1.7. Incidentele subsidies Urban Culture 3.1.8. Incidentele subsidies Cultuur 2010-2011 3.2. Sport 3.2.1. Sportverenigingen 3.2.2. Bekers/prijzen sportevenementen 3.3. Welzijn 3.3.1. – ingetrokken - 3.3.2. – ingetrokken - 3.3.3. Vrijwillig jeugdwerk 3.3.4. – ingetrokken - 3.3.5. – vervallen - 3.3.6. Woontussenvoorzieningen 3.3.7. Bevordering maatschappelijke participatie(reductieregeling) 3.3.8. – vervallen - 3.3.9. Actieve en zorgzame burgers 3.3.10. Samenleven in Zorgzame en Leefbare Buurten en Wijken 3.3.11. Opplusregeling 3.3.12. Preventieve aanpak eergerelateerd geweld 3.4. Onderwijs 3.4.1. –ingetrokken- 3.4.2. Brabants VerkeersveiligheidsLabel 3.5. Internationale coördinatie 3.5.1. Contactsteden en verdubbelingsbijdragen 3.5.2. Mondiale bewustwording Hoofdstuk 4 Economie 4.1. Versterking economische structuur 4.1.1. Bedrijvensteun 4.1.2. –ingetrokken- 4.1.3. Het Investeringsfonds Eindhoven 4.1.4. Cameratoezicht bedrijventerreinen 4.2. Werkgelegenheid en arbeidsmarkt 4.2.1. Gesubsidieerde arbeid, flexvergoeding en opstapbaan 4.2.1.1. –ingetrokken- 4.2.1.2. Opstapbaan 4.2.1.3. Flexvergoeding (begeleidingsvoucher) 4.2.2. Voortgezette regeling gesubsidieerde arbeid voor ID-werknemers vanaf 2008 4.2.3. Subsidieregeling regulier maken ID-banen (aanvullend op Stimuleringsregeling) en WIW-detachering voor onbepaalde tijd 4.2.3.1. Subsidie regulier malen ID-banen aanvullend op Stimuleringsregeling 4.2.3.2. Subsidie regulier maken ID-banen 4.2.3.3. Subsidie regulier maken WIW-detachering voor onbepaalde tijd 4.2.4. Tegemoetkoming Wet Kinderopvang 2005 4.2.5. –ingetrokken- 4.2.6. Regeling compensatie kosten kinderopvang bij arbeidsinschakeling 4.2.7. –ingetrokken- 4.2.8. Regeling subsidie bij uitstroom Hoofdstuk 5 Slotbepalingen 5.1. Hardheidsclausule, onvoorziene gevallen en nadere regels 5.2. Overgangsrecht en slotbepalingen Hoofdstuk1Algemene subsidiebepalingen Paragraaf1.1.Inleidende bepalingen. Artikel1.Begripsomschrijvingen. 1.aanvrager: een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een of meer natuurlijke personen, die een aanvraag heeft of hebben ingediend; 2.Awb: de Algemene wet bestuursrecht; 3.incidentele subsidie: subsidie voor activiteiten met een tijdelijk of eenmalig karakter alsmede de subsidies, zoals bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder d van de Awb. Onder incidentele subsidie wordt in ieder geval begrepen: exploitatiesubsidie: een subsidie in de exploitatiekosten van activiteiten van aanvrager, niet zijnde kosten als opgenomen onder b; investeringssubsidie: een subsidie in de kosten van aanleg, aankoop, herstel, verbouwing en uitbreiding van roerende of onroerende zaken; waarderingssubsidie: een van de exploitatieresultaten onafhankelijke subsi­die, bedoeld voor het geven van waardering aan activiteiten of het aanmoe­digen van activiteiten; 4.duursubsidie: subsidie voor activiteiten met een structureel karakter die jaarlijks terugkeren of zich over meerdere jaren uitstrekken. Onder duursubsidie wordt in ieder geval begrepen: exploitatiesubsidie: een subsidie in de exploitatiekosten van activiteiten van de aanvrager, niet zijnde kosten als opgenomen onder het derde lid, onder b van dit artikel; budgetsubsidie: een subsidie aan een rechtspersoon in de vorm van een budget voor de periode van één en maximaal vier jaren, waarbij het subsi­diebedrag is gerelateerd aan een bepaald niveau van prestaties of activi­teiten. Artikel2.Reikwijdteverordening. 1.De bepalingen van de hoofdstukken 1 en 5 zijn van toepassing op alle door ge­meentelijke bestuursorganen te verstrekken subsidies, behoudens in gevallen dat bij afzonderlijk besluit van de raad bepalingen buiten toepassing zijn of worden verklaard. 2.Het bepaalde in de hoofdstukken 2 t/m 4 is aanvullend op het bepaalde in de hoofdstukken 1 en 5. 3.Indien in een afzonderlijk besluit van de raad of in de hoofdstukken 2 t/m 4 is af­geweken van het bepaalde in de hoofdstukken 1 en 5, prevaleert het afzonder­lijke besluit, respectievelijk het bepaalde in de hoofdstukken 2 t/m 4 voor dat onderdeel. Paragraaf1.2.Subsidieverlening. Artikel3.Subsidieverlening. 1.Subsidie kan worden verleend indien en voor zover daarvoor door de raad op de vastgestelde gemeentelijke begroting middelen zijn opgenomen, dan wel de raad bij afzonderlijk besluit middelen beschikbaar heeft gesteld. 2.Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld wordt ver­leend onder de voorwaarde als bedoeld in artikel 4:34, eerste lid van de Awb. 3.Besluiten in het kader van deze verordening met betrekking tot subsidiever­lening, subsidieweigering, subsidievaststelling, wijziging of intrekking van de subsidieverlening of subsidievaststelling, bevoorschotting of terugvordering van subsidie worden genomen door het college, tenzij de raad zich de bevoegdheid daartoe heeft voorbehouden, of bij of krachtens wettelijk voorschrift of in deze verordening is bepaald dat de raad bevoegd is. 4.Voor het tijdstip van indiening van de subsidieaanvraag geldt de dag waarop de aanvraag door het college is ontvangen. Artikel4.Subsidieplafonds 1.De raad kan bij of krachtens deze verordening of bij afzonderlijk besluit subsidie­plafonds vaststellen. 2.Indien in een van de paragrafen van de hoofdstukken 2 t/m 4 is bepaald dat het college het subsidieplafond vaststelt, kan het college dit subsidieplafond slechts vaststellen, binnen de door de raad vastgestelde begroting. 3.Het college maakt de subsidieplafonds voor aanvang van het tijdvak waarvoor ze zijn vastgesteld, bekend. 4.De raad kan richtlijnen vaststellen op basis waarvan het vaststellen van subsidie­plafonds door het college dient plaats te vinden. Artikel5.Subsidieaanvragers. 1.Een rechtspersoon kan slechts in aanmerking komen voor subsidie indien deze blijkens de statuten in Eindhoven gevestigd is, of de activiteiten van de rechts­persoon in overwegende mate ten goede komen aan ingezetenen van Eindhoven. 2.Eén of meer natuurlijke personen kunnen slechts in aanmerking komen voor een incidentele subsidie, behoudens in de gevallen waarin in de hoofdstukken 2 t/m 4 anders is bepaald. Artikel6.Budgetsubsidiëring. 1.Een budgetsubsidie wordt per boekjaar verleend. 2.Indien subsidie in de vorm van een vast budget wordt verleend, is de hoogte van de subsidie - uitgaande van dezelfde activiteiten qua aard en omvang - maximaal gelijk aan de verleende subsidie over het voorafgaande jaar, waarbij een indexe­ring wordt toegepast conform de van toepassing zijnde begrotingsrichtlijnen. Artikel7.Indieningtermijn subsidieaanvraag. 1.Een subsidieaanvraagwordt schriftelijk ingediend bij het college. 2.Een subsidieaanvraag wordt uiterlijk ingediend 13 weken voor aanvang van de activiteiten respectievelijk het kalender- of boekjaar waar deactiviteiten be­trekking op hebben, behoudens in de gevallen waarin in een van dehoofd­stukken 2 t/m 4 een andere indieningtermijn is bepaald. 3.Een aanvraag voor een duursubsidie die nog niet eerder is verleend, een aanvraag inhoudende eenuitbreiding of een verhoging van een reeds bestaande duur­subsidie in verband met de aard of omvang van de activiteiten, of een aanvraag voor een duursubsidie gericht op een nieuwe periode van meer dan één jaar, wordt ingediend voor 1 februari voorafgaande aan het jaar waar de aanvraag betrekking op heeft Artikel8.Gegevens subsidieaanvraag. 1.Een subsidieaanvraag gaat naast het bepaalde in artikel 4:2 van de Awb vergezeld van: een omschrijving van de activiteiten met vermelding van de aard en het doel ervan en de datum waarop of het tijdvak waarbinnen de activiteiten uitge­voerd worden en voor zover het een aanvraag voor een duursubsidie betreft eventuele afwijkingen ten opzichte van het voorgaande jaar; een sluitende begroting met betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, tenzij een begroting naar het oordeel van het college voor de berekening van het bedrag vande subsidie niet van belang is; een toelichting op de begroting, met voor zover van toepassing inzicht in de kosten van de investeringen, de exploitatieopzet, of het financieringsplan; een opgave van subsidieaanvragen bij andere instanties voor activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, onder vermeldingvan de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvragen, dan wel reeds ontvan­gen subsidies of bijdragen van andere instanties; de samenhang van de te subsidiëren activiteiten met activiteiten van derden voor zover dit relevant is; en gegevens over eventuele organisatorische verbanden met andere rechtsperso­nen en van eventuele banden van financiële aard die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de kosten van subsidiabele activiteiten of op de inkomsten daaruit; gegevens over de actuele samenstelling van het bestuur; indien een duursubsidie wordt aangevraagd, een ondertekende standaardverklaring, waarin wordt aangegeven op er op het niveau van bestuur, directie of management (zakelijke) relaties bestaan met bloed- of aanverwanten dan wel eigen bedrijven, stichtingen of andere rechtspersonen, de aard van deze verhoudingen alsmede de financiële impact ervan. Indien een aanvrager voor de eerste maal subsidie aanvraagt, verstrekt de aanvra­ger naast het bepaalde in het eerste lid,voor zover sprake is van eenrechtsper­soon, tevens: een afschrift van de statuten of het reglement of de notariële akte; een bewijs van inschrijvinguithet handelsregister van de Kamer van Koop­handel en Fabrieken; en een overzicht van de financiële toestand ophet moment van de aanvraag. 2.Indien door het college een formulier is vastgesteld voor het indienen van een aanvraag, wordt voor het indienen van de aanvraag gebruikgemaakt van het aanvraagformulier. 3.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze van inrichting van de krachtens deze verordening door de aanvrager in te dienen bescheiden. Artikel9.Subsidieweigering. 1.Subsidie wordt geweigerd indien de doelstelling of activiteiten van de aanvrager dan wel het beoogde gebruik van de subsidie: strijd opleveren met de wet of het algemeen belang, de openbare orde; of discriminatie opleveren wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke ge­zindheid, ras, geslacht, burgerlijke staat, seksuele geaardheid of op welke grond dan ook; gericht zijn op werving of toerusting met betrekking tot een bepaalde levens­beschouwelijke of politieke richting. 2.Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b laat onverlet demogelijkheid, dat activiteiten gericht kunnen zijn op specifieke doelgroepen ter opheffing van hun maatschappelijke achterstand. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder c is niet van toepassing op het levensbeschouwelijke onderwijs. 3.Een subsidie kan naast de gevallen, zoals bedoeld in artikel 4:25 en artikel 4:35 van de Awb geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien gegronde reden be­staat om aan te nemen dat: de gelden niet of in onvoldoende mate besteedzullen worden voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld; de aanvrager ook zonder subsidie over voldoende gelden, hetzij uit eigen mid­delen, hetzij uit middelen van derden, kan beschikken om de kosten van de ac­tiviteiten te dekken; de gelden niet doelmatig en doeltreffend zullen worden besteed; de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn opde gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van de gemeente; de subsidieverstrekking niet past binnen het door de raad vastgestelde beleid van de gemeente; of de activiteiten waarvoor in de loop van een jaar een verhoging van de subsidie wordt gevraagd, geacht kunnen worden onderdeel uit te maken van de eer­dere subsidieverlening, respectievelijk kunnen worden uitgevoerd met de reeds verleende subsidie; de standaardverklaring, zoals opgenomen onder artikel 8, onderdeel i, aantoont dat op het niveau van bestuur, directie of management (zakelijke) relaties bestaan met bloed- of aanverwanten dan wel eigen bedrijven, stichtingen of andere rechtspersonen, de aard van deze verhoudingen en de (financiële) impact ervan leiden tot ongewenste bestuurlijke verhoudingen of relaties. 4.Naast het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid,kan subsidie worden ge­weigerd, respectievelijk wordt subsidie geweigerd in de gevallen genoemd in een van de paragrafen van de hoofdstukken 2 t/m 4 en in de gevallen waarin niet aan de criteria voor subsidieverlening zoals opgenomen in de paragrafen van de hoofdstukken 2 t/m 4 wordt voldaan. Artikel10.Beslissing op de aanvraag. 1.Op een aanvraag voor subsidie wordt beslist binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, behoudens in de gevallen waarin in een van de hoofdstukken 2 t/m 4 voor de beslissing op de aanvraag een andere termijn is bepaald of in andere door het college te bepalen gevallen. 2.Indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een kalenderjaar of een boekjaar wordt op een aanvraag beslist, uiterlijk voor 1 januari van het jaar waar de aan­vraag betrekking op heeft. Artikel11.Vergoeding vermogensvorming. 1.In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Awb is de subsidieont­vanger aan de gemeente Eindhoven een vergoeding van vermogenswaarden verschuldigd. 2.Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Awb wordt uitgegaan van: de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van een aanspraak op schadevergoeding voor verlies of beschadiging van za­ken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de sub­sidieontvanger wordt ontvangen; de mate waarin de subsidiëring door de gemeente heeft bijgedragen tot het verwerven van eigendommen of het vormen van vermogen; indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling, zoals be­doeld in het vorige lid door een onafhankelijke deskundige. 3.Het college kan besluiten dat geen vergoeding verschuldigd is indien de activi­teiten of werkzaamheden van de subsidieontvanger worden overgenomenen voortgezet door een rechtspersoon met een gelijke of nagenoeg gelijke doelstel­ling en de activa en passiva tegen boekwaarde worden overgenomen. Artikel12.Intrekking, wijziging van de subsidieverlening. Gelet op en met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:48 van de Awb, kan het college, de subsidieverlening, zolang de subsidie nog niet is vastgesteld, intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien de subsidieontvanger: een financieel wanbeleid voert en ondanks waarschuwing van het college daarin geen wijziging brengt; niet overeenkomstig zijn doelstelling werkzaam is; een zodanig beleid voert dat het niet behalen van het beoogde resultaat aan de subsidieontvanger moet worden toegerekend; de rechtspersoon bij rechterlijk vonnis wordt ontbonden; bij de rechtspersoon conservatoir of executoriaal beslag is gelegd op het vermo­gen of een deel daarvan; de rechtspersoon in surseance van betaling verkeert; of de rechtspersoon failliet is verklaard. Paragraaf1.3.Verplichtingen van de subsidieontvanger. Artikel13.Algemene verplichtingen. 1.Bij de subsidieverlening worden de volgende verplichtingen opgelegd: het college terstond te berichten omtrent: besluiten of procedures die zijn gericht op beëindiging van de activiteiten van de aanvrager dan wel ontbinding van de rechtspersoon; wijzigingen in de algemene en financiële situatie dan wel in de financiële of organisatorische verhoudingen met derden; ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat gemaakte afspraken voort­vloeiende uit een tussen gemeente en subsidieontvanger gesloten uit­voeringsovereen­komst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb niet kunnen worden verwezenlijkt; op inzichtelijke wijze een administratie bij te houden zodat op eenvoudige wijze een overzicht kan worden verkregen van bezittingen, schulden, finan­ciële resultaten en activiteiten van de subsidieontvanger, de vermogens­positie van de subsidieontvanger en de mate waarin hij door leden, donateurs en anderen financieel wordt gesteund; medewerking te verlenen aan controle en onderzoek uit te voeren door de raad of het college aangewezen personen, deze toegang te verlenen tot de betreffende accommodatie van de subsidieontvanger en inzage te verlenen in de boekhouding en administratie van de subsidieontvanger; binnen een bepaalde door het college te bepalen termijn inlichtingen te ver­schaffen welke nodig zijn voor de beoordeling van de doelmatigheid en de doeltreffendheidvan de verstrekte subsidie; mededeling te doen van na de subsidieverlening en voor de subsidievaststel­ling verworven subsidies of bijdragen van andere overheden, dan wel van derden; voor zover sprake is van een rechtspersoon aan het college mededeling te doen van wijzigingen in de notariële akte, statuten en reglementen, werk- en beleidsplannen en een andere samenstelling van het bestuur; toestemming te vragen voor het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan indien deze geheel of gedeeltelijk zijn verworven of bekostigd met gemeentelijke subsidie; de van toepassing zijnde gegevens te verstrekken ten behoeve van de vast­stelling van subsidie zoals opgenomen in deze verordening en nader aange­duid in de beschikking tot subsidieverlening. de beloning van medewerkers van de gesubsidieerde instelling, inclusief directie en interne inhuur, bedraagt per kalenderjaar ten hoogste het WOPT-normbedrag, zoals bedoeld in artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens. 2.Onverminderd de in artikel 4:37 van de Awb bedoelde verplichtingen, het be­paalde in het eerste lid en het overigens in deze verordening bepaalde omtrent verplichtingen voor de subsidieontvanger, kunnen ingevolge het bepaalde in artikel 4:38 van de Awb bij de subsidieverlening (nadere) verplichtingen worden opgelegd: die betrekking hebben op de wijze waarop de administratie moet worden gevoerd; die betrekking hebben op de wijze waarop dient te worden gerapporteerd over de activiteiten; alsmede andere verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 3.Het college kan nadere regels stellen aangaande de bevoegdheid de subsidie­ontvanger de verplichting op te leggen een accountantsverklaring te overleggen als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. 4.In het geval een waarderingssubsidie wordt verstrekt, kunnen bij de subsidie­verlening één of meer verplichtingen, zoals bedoeld in het eerste of tweede lid worden opgelegd. Paragraaf1.4.Subsidievaststelling. Artikel14.Aanvraag tot subsidievaststelling. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven dient de subsidieontvanger bij het college de aanvraag tot subsidievaststelling in: binnen vier maanden na afloop van de activiteiten; binnen vier maanden na afloop van het tijdvak of een gedeelte van een tijdvak, zoals aangegeven in de beschikking tot subsidieverlening; binnen vier maanden na afloop van het boekjaar waarvoor subsidie is verleend; binnen de termijn zoals genoemd in de beschikking tot subsidieverlening indien artikel 4:44, eerste lid onder c, van de Awb van toepassing is of; binnen de termijn als genoemd in een van de hoofdstukken 2 t/m 4; bij een subsidie verleend op grond van artikel 3a van hoofdstuk 1 binnen de ter­mijn, zoals in de beschikking is opgenomen. Artikel15.Gegevens voor de subsidievaststelling. 1.Bij de aanvraag tot subsidievaststelling dient door de subsidieontvanger, ter uit­voering vanhet bepaalde in artikel 4:45 van deAwb, een inhoudelijke en finan­ciële verantwoording verstrekt te worden, waaronder in ieder geval een activitei­tenoverzicht of activiteitenverslag waarin inzicht wordt gegeven in de aard en de omvang van de verrichte activiteiten en een financieel verslag inhoudende een verantwoording van inkomsten en uitgaven. 2.Indien een duursubsidie is verleendvoor meerdere jaren, dient de subsidieont­vanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling voor aanvang van het laatste jaar een evaluatieverslag in waarin verantwoording wordt gegeven over de inzet van de middelen, de verrichte activiteiten, de gevolgde werkwijze en eenvergelijking tussen de nagestreefde en gerealiseerde doelen. 3.Indien door het college een formulier is vastgesteld voor het indienen van een aanvraag tot vaststelling van de subsidie, wordt voor het indienen van de aan­vraag tot vaststelling van de subsidie gebruikgemaakt van het aanvraagformulier. 4.Indien sprake is van een subsidieontvanger, waarop artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens van toepassing is, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van de gegevens en de motivering zoals bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid van dat artikel. Artikel16.Vaststelling van subsidie. Het college beslist binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling, tenzij in een van de hoofdstukken 2 t/m 4 een andere termijn voor de vaststelling van de subsidie is bepaald. Paragraaf1.5.Lagere verlening/vaststelling subsidie en buiten behandeling laten van subsidieaanvragen. Artikel17.Lagere verlening subsidie en buiten behandeling laten van subsidie­aanvragen. 1.Indien een instelling zich niet houdt aan het gestelde in de Awb en deze veror­dening, kan het college besluiten: een lagere subsidie te verlenen, of; de subsidieaanvraag buiten behandeling te laten. 2.Het college kan nadere regels stellen aangaande het gestelde in het eerste lid. Artikel18.Lagere vaststelling subsidie. 1.Indien een instelling zich niet houdt aan het gestelde in de Awb en deze verorde­ning, kan het college besluiten de subsidie op een lager bedrag vast te stellen. 2.Het college kan nadere regels stellen aangaande het gestelde in het eerste lid. Paragraaf1.6.Bevoorschotting en betaling. Artikel19.Bevoorschotting. 1.Het college kan voorschotten verlenen. 2.Het college kan bevoorschottingsschema’s of nadere regels met betrekking tot bevoorschotting vaststellen. Artikel20.Betaling subsidiebedrag. Het subsidiebedrag wordt binnen 8 weken na de subsidievaststelling betaald, tenzij in de hoofdstukken 2 t/m 4 anders is bepaald. Paragraaf1.7.Toezicht. Artikel21.Toezicht. Het college kan ambtenaren aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de nale­ving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde. Paragraaf1.8.Per boekjaar verstrekte subsidie aan rechtspersonen. Artikel22.Toepasselijkheid afdeling 4.2.8 van de Awb. 1.De bepalingen in deze paragraaf zijn aanvullend op de overige bepalingen van deze verordening. 2.Afdeling 4.2.8 van de Awb is van toepassing op: per boekjaar verleende duursubsidie als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a en b aan rechtspersonen, niet zijnde vrijwilligersinstanties voor zover de subsi­die meer dan € 50.000,-- bedraagt; per boekjaar verleende duursubsidie aan rechtspersonen met door de ge­meente gesubsidieerde beroepskrachten op het terrein van welzijn, kunst en cultuur, sport en recreatie; subsidies waarvan bij besluit van het college is bepaald dat afdeling 4.2.8 van toepassing is. 3.Het college kan nadere regels stellen aangaande het overleggen van de accoun­tantsverklaring, zoals bedoeld in artikel 4:78 van de Awb. 4.Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor per boekjaar verleende subsidies die vallen onder de werkingssfeer van de hoofdstukken 2 t/m 4. 5.Het bepaalde in het tweede lid geldt eveneens niet indien de raad bij afzonderlijk besluit daarvan afwijkt. Artikel23.Egalisatiereserve. Het college kan nadere regels stellen omtrent een door de subsidieontvanger te vor­men egalisatiereserve alsmede omtrent de maximale jaarlijkse toevoeging en maxi­male omvang daarvan. Artikel24.Financieel verslag. Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten in overwegende mate ontleent aan sub­sidie die op basis van deze verordening wordt verstrekt, is artikel 4:76 van de Awb van overeenkomstige toepassing op het financiële verslag. Artikel25.Extra taak accountant. 1.Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 4:78 van de Awb onderzoekt de accountant tevens de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 2.Het college stelt een aanwijzing vast over de reikwijdte en de intensiteit van de controle als bedoeld in artikel 4:79, tweede lid, van de Awb. Artikel26.Aanvullende verplichtingen voor de subsidieontvanger. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 13 en 15 kan het college bij de subsidie­verlening verplichtingen opleggen die zijn gericht op de (tussentijdse) financiële en inhoudelijke verantwoording van de subsidie inhoudende: een gestandaardiseerde en uniforme wijze van verantwoording in de jaarrekening alsmede het verstrekken van nader inzicht in financiële risico’s; het verstrekken van aanvullende informatie met betrekking tot: het al dan niet uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten; het oplossen van een eventuele vermogens- c.q. financieringstekort; verplichtingen als gevolg van voorwaarden door externe financiers; kengetallen die aansluiten bij de productbegroting; het overleggen van een inhoudelijke en financiële voorjaars- en najaarsrappor­tage, vóór respectievelijk 1 mei en 1 oktober) inclusief eventuele financiële risi­co’s, volgens een door het college vastgesteld format; de opdracht aan de accountant om te verklaren dat: voldaan is aan de subsidievoorwaarden van de gemeente Eindhoven; de subsidiegelden zijn besteed conform het doel waarvoor ze beschikbaar zijn gesteld. Paragraaf1.9.Actualisatie en evaluatie. Artikel27.Actualisatie. Jaarlijks beoordeelt het college of de verordening actualisatie behoeft. Indien dit noodzakelijk blijkt, doet het college daartoe een voorstel aan de raad. Artikel28.Evaluatie. 1.Eenmaal in de vier jaar zal het college een verslag publiceren over de doeltref­fendheid en de effecten van de subsidies die worden verstrekt op grond van deze verordening, waarbij het college tevens zal bezien of de verordening voldoet aan de ontwikkelingen binnen de beleidsvelden zoals die in de paragrafen zijn opge­nomen 2.Het verslag als bedoeld in het eerste lid zal aan de raad worden toegezonden Hoofdstuk2Ruimte Paragraaf2.1.Ruimtelijke ordening Sub-paragraaf2.1.1.Gemeentelijke monumenten Eindhoven Artikel1.Begripsomschrijvingen. In deze paragraaf wordt verstaan onder: eigenaar: degene die in de kadastrale registers als eigenaar c.q. zakelijk gerechtigde van een monument is ingeschreven; monument: monumenten vermeld op de monumentenlijst, bedoeld in artikel 1, onder 2, van de Monumentenverordening 1991. Hieronder worden tevens begrepen rijksmonumenten die niet in aanmerking kunnen komen voor een onderhoudssubsidie van rijkswege of voor een fiscale aftrek van onderhoudskosten. Artikel2.Subsidieverlening. Het college kan een incidentele subsidieverlenen in de restauratiekosten, - indien en voor zover subsidiabel op grond van het bepaalde in artikel 8, tweede lid - die moe­ten worden gemaakt voor de instandhouding van de monumentale waarde en het monumentale karakter van het desbetreffende monument. Artikel3.Subsidieaanvragers. Voor subsidie komt slechts in aanmerking de eigenaar van een monument, zoals bedoeld in artikel 1. Artikel4.Subsidieweigering. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot subsidieweigering, kan het college subsidie weigeren: in gevallen van brand- en/of stormschade, voor zover de schade door een ver­zekeringsuitkering wordt gedekt; indien de kosten van de voorzieningen minder bedragen dan € 1.000,--; indien met het treffen van de voorzieningen het belang, genoemd in artikel 2 niet of niet in voldoende mate wordt gediend; indien de kosten van de voorzieningen niet geacht kunnen worden te staan in een redelijke verhouding tot het te verkrijgen resultaat; indien met het treffen van de voorzieningen een aanvang is gemaakt voordat de subsidiabele kosten zijn vastgesteld; indien de monumentencommissie negatief heeft geadviseerd over het restaura­tieplan of de werkomschrijving; of indien de uit te voeren werkzaamheden niet zijn opgenomen in het jaarlijkse urgentieplan, bedoeld in artikel 9, tweede lid, voor zover de noodzaak om een urgentieplan op te stellen aanwezig is. Artikel5.Gegevens subsidieaanvraag. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen gege­vens bij de subsidieaanvraag wordt een aanvraag ingediend met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier onder overlegging van de daarin opgenomen ge­gevens. Artikel6.Indieningtermijn aanvraag. Een aanvraag voor subsidie dient uiterlijk 1 april van het betreffende jaar waarin de activiteiten plaatsvinden, te worden ingediend. Artikel7.Beslistermijn subsidieaanvraag. 1.Het college beslist binnen drie maanden na de sluitingstermijn van 1 april van het lopende subsidiejaar. 2.De termijn vermeld in het eerste lid kan door het college éénmaal met acht weken verlengd worden. Artikel8.Subsidiebedrag. 1.De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 10.000,-- per gebouwde onroerende zaak, voor zover het betreft woonhuizen of overige monumenten met een totale inhoud van minder dan 800 m3 en een maximum van € 50.000,-- voor de overige gebouwde onroerende zaken. De sub­sidie kan mede afhankelijk zijn van een urgentieplan als bedoeld in artikel 9, tweede lid. 2.Als subsidiabele kosten worden aangemerkt: Werk met restauratiekosten: Subsidiabele kosten: Herstel rieten/leien dak 100% Houtwormbehandeling !00% Siersmeedwerk herstellen 100% Vervangen van luiken 100% Glas-in-loodramen 100% Reconstructie van verdwenen onderdelen 100% Herstel gevels, cementplinten en vervangen voegwerk 100% Vervangen natuurstenen onderdelen 100% Herstel originele stucornamenten, plafonds en muur-schilderingen 100% Reparatie kozijnen, ramen, deuren, windveren en kraaldelen 50% Herstellen/vervangen houten gootconstructie, goten enhemelwaterafvoeren (zink) 50% Vervangen dakpannen (oud model) 50% Herstel dak- of draagconstructie van kerken en van overige monumenten voor zover daterend van vóór 1920 50% Schilderen (buiten) 50% 3.Het college kan, gehoord de monumentencommissie, van het in het eerste lid genoemde maximum afwijken, indien de grootte van het gebouw of het uit­zonderlijke belang, dat met de voorzieningen gemoeid is, daartoe aanleiding geeft. 4.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de subsidie, indien reeds uit anderen hoofde een subsidie of geldelijke bijdrage is of wordt verleend, zodanig verminderd dat het geheel van de geldelijke bijdrage niet meer dan 50% van de subsidiabele kosten bedraagt. Artikel9.Subsidieplafond. 1.Het subsidieplafond is gelijk aan het bedrag dat voor het subsidiëren van de in artikel 2 bedoelde activiteiten in de gemeentelijke concernbegroting of de vak­dienstbegroting voor het dienstjaar waarin de activiteiten plaatsvinden, is opge­nomen. 2.Indien het totaalbedrag aan te verlenen subsidies, naar aanleiding van de inge­komen aanvragen, hoger is dan het op de gemeentebegroting uitgetrokken be­drag, zoals bedoeld in het eerste lid, stelt het college in overleg met de monu­mentencommissie voor dat jaar een urgentieplan vast, waarin de volgorde van subsidieverlening voor dat jaar wordt bepaald. 3.Bij het opstellen van het in het tweede lid bedoelde urgentieplan wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met: de landschappelijke, karakteristieke of esthetische waarde van het object in zijn omgeving; de aard of bestemming van het object; de toestand waarin het betreffende gebouw verkeert; en of uit anderen hoofde een subsidie of geldelijke bijdrage is of wordt verleend. Artikel10.Verplichtingen subsidieontvangers. 1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot verplichtingen voor de subsidieontvanger, gelden voor de subsidieontvanger de volgende ver­plichtingen: de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door bedrijven die kunnen aantonen ter zake kundig te zijn; binnen drie maanden na de verlening van de subsidie dient met het treffen van de voorzieningen een aanvang te worden gemaakt; binnen één jaar na de verlening van de subsidie dienen de voorzieningen ge­reed te zijn; aan de door het college met de controle belaste personen dient op de door hen te bepalen tijdstippen: - toegang te worden verleend tot het gebouwd onroerend goed; - gelegenheid te worden gegeven tot inzage en controle van de op het tref­fen van de voorzieningen betrekking hebbende gegevens, zoals bestek en tekeningen; de bescheiden die nodig zijn voor de juiste toepassing van het bepaalde in deze paragraaf, dienen te worden overgelegd; de gebouwde onroerend zaak dient blijvend voldoende tegen brand-, storm- en bliksemschade te worden verzekerd. 2.Het college kan in bijzondere gevallen afwijkingen van de in het eerste lid, onder b en c, vermelde termijnen toestaan. 3.Het college kan in het kader van de bescherming van de belangen die deze rege­ling beoogt te dienen nadere verplichtingen aan de subsidieverlening verbinden. Artikel11.Subsidievaststelling en uitbetaling. 1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de gegevens bij de aanvraag tot vaststelling van subsidie vindt vaststelling en uitbetaling van de subsidie plaats nadat de in de aanvraag opgenomen werkzaamheden schriftelijk zijn gereed gemeld met gebruikmaking van het door het college vast te stellen gereedmeldingsformulier en na overlegging van de daarop betrekking hebbende gegevens waaronder rekeningen en betaalbewijzen. 2.Ten behoeve van de vaststelling van subsidie door het college zal door of vanwe­ge het college de uitvoering van voornoemde werkzaamheden alsmede de reke­ningen en betaalbewijzen inzake de uitgevoerde werkzaamheden worden ge­controleerd en goedgekeurd. 3.Vaststelling en uitbetaling vindt plaats binnen zes maanden nadat de gegevens, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn ontvangen. Sub-paragraaf2.1.2. Stimulering onderhoud Eindhovense wonigvoorraad -Ingetrokken- Sub-paragraaf2.1.3.Reserve economische ontwikkeling Artikel1.Subsidieverlening. 1.Het college kan indien en voor zover passend binnen het economisch beleid een investeringssubsidie verlenen ten behoeve van activiteiten: gericht op het vestigen, verplaatsen of willen uitbreiden van bedrijven in de gemeente Eindhoven. Onder uitbreiden wordt ook verstaan het uitbreiden van het aantal arbeidsplaatsen, maar ook het stichten van een bedrijf indien reeds een bedrijf in de gemeente Eindhoven is gevestigd dat aan de ondernemer of tot dezelfde groep als de ondernemer behoort; gericht op initiatieven, haalbaarheidsonderzoeken of analyses ten behoeve van gemeentelijke projecten waarbij gemeentelijke deelfinanciering nodig is of om marktpartijen te ondersteunen om een groter project te kunnen realise­ren; gericht op het realiseren van bidbooks of plannen om in aanmerking te komen voor provinciale, rijks- of EG-subsidies, of gericht op initiatieven, onderzoeken of projecten die passen in de stadsvisie 2000 van het Stedelijke Ontwikkelingsprogramma 1999-2003 indien en voor zover deze een bijdrage leveren aan de economische structuurversterking en voldoende ander geld genereren. 2.De activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder a, dienen verder te voldoen aan de volgende criteria om in aanmerking te kunnen komen voor sub­sidie: ze dienen gericht te zijn op het realiseren van structurele werkgelegenheid in de vorm van langdurige arbeidsplaatsen; ze dienen gericht te zijn op versterking, dan wel diversificatie van de economi­sche structuur; ze dienen te zorgen voor een spin-off; ze dienen aan te sluiten op het opleidingsniveau van de beroepsbevolking waarvoor te weinig werkgelegenheid is in de regio Eindhoven; ze mogen niet leiden tot onevenredige verstoring van de concurrentieverhou­ding; en ze mogen niet leiden tot een doorkruising van het rijks-, of provinciaal beleid of het beleid van de Europese Gemeenschap. 3.De activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder b, dienen te voldoen aan de vol­gende criteria om in aanmerking te komen voor subsidie: ze dienen gericht te zijn op structurele werkgelegenheid in de vorm van lang­durige arbeidsplaatsen; ze dienen gericht te zijn op een versterking dan wel diversificatie van de eco­nomische structuur; en ze dienen te zorgen voor een spin-off. 4.Activiteiten die in eerste instantie niet of nauwelijks binnen het economisch be­leidsterrein zijn te rekenen, maar op termijn wel structurele arbeidsplaatsen ge­nereren kunnen eveneens in aanmerking komen voor subsidie, bijvoorbeeld als het betreft projecten in de sfeer van toerisme en recreatie, milieutechnologie, verkeer en vervoer of kennistransfer, indien ze voor het overige voldoen aan het bepaalde in dit artikel. Artikel2.Subsidieweigering. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot subsidieweigering, wordt door het college geen subsidie verleend aan activiteiten, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, die gericht zijn op: arbeidsinpassing, c.q. arbeidsvoorzieningenbeleid; of betrekking hebben op de sectoren verzorgende dienstverlening (waaronder detail­handel) en de bouw. Artikel3.Subsidieaanvragers. Voor subsidie kunnen in aanmerking komen één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen. Artikel4.Subsidiebedrag. 1.De in artikel 1, eerste lid, onder a, bedoelde activiteiten kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage in: de kosten van grondaankoop; in de grondprijs via tussenkomst van het Grondbedrijf; de additionele investeringen op de kavel. 2.Voor de overige activiteiten zoals genoemd in artikel 1, eerste lid onder b, c en d, wordt het subsidiebedrag bepaald aan de hand van de mate waarin sprake is van: een redelijke verhouding van de kosten waarvoor een subsidie wordt ge­vraagd in relatie tot de totale kosten van de uit te voeren activiteiten; en een redelijke verhouding van de bijdrage tot de positieve effecten op de eco­nomische ontwikkeling van de stad. Artikel5.Subsidieplafond. 1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben. 2.Indien het bedrag waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie zou moeten worden verleend aan degenen die daartoe tijdig een aanvraag hebben inge­diend, groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, beslist het college op de aanvragen in volgorde van binnenkomst. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aan­vraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, voor de ver­deling als datum van ontvangst. Artikel6.Verslag. Het college publiceert jaarlijks een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verstrekte subsidies in het kader van deze paragraaf. Sub-paragraaf2.1.4.Reserve technologie. Artikel1.Subsidieverlening. 1.Het college kan, indien en zover passend binnen het technologiebeleid, een in­vesteringssubsidie verlenen ten behoeve van activiteiten gericht op: op het verbeteren van het vestigingsklimaat voor bedrijven uit de ICT-sector; op het digitaal beschikbaar maken van overheidsdiensten en overheidsinfor­matie voor burgers en bedrijfsleven; het bevorderen van de toepassing van ICT binnen de gemeentelijke organisa­tie; het stimuleren van onderzoek naar nieuwe technologie die een brug slaat tus­sen economie en ecologie; of het stimuleren van de toepassing van moderne milieutechnologie. 2.De activiteiten bedoeld in het eerste lid dienen aan de volgende criteria te vol­doen om in aanmerking te komen voor subsidie: de projecten moeten een voor de regio vernieuwend karakter op het gebied van technologie/ICT hebben; ter bevordering van het draagvlak moet minimaal één van de deelnemers in een project een Eindhovens c.q. regionaal bedrijf zijn; en in een project moeten de participanten zich verplichten om, bij gebleken toe­pasbaarheid, de resultaten van het project ook daadwerkelijk door te voeren. 3.Naast het bepaalde in het tweede lid moeten de projecten, willen zij voor subsidie in aanmerking komen: een economische spinn-off hebben; een positieve invloed hebben op het vestigingsklimaat voor op technologie of ICT georiënteerde ondernemingen; een verbetering van de kwaliteit van leven tot stand brengen; of een bijdrage leveren aan de versterking van het motto Leading in technology. Artikel2.Subsidieaanvragers. Voor subsidie kunnen en aanmerking komen één of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen. Artikel3.Subsidieplafond. 1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben. 2.Indien het bedrag waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie zou moeten worden verleend aan degenen die daartoe tijdig een aanvraag hebben inge­diend, groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, beslist het college op de aanvragen in volgorde van binnenkomst. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aan­vraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, voor de ver­deling als datum van ontvangst. Artikel4.Subsidiebedrag. De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van: de mate waarin sprake van een redelijke verhouding van de kosten waarvoor sub­sidie wordt gevraagd in relatie tot de totale kosten van de uit te voeren activitei­ten; en de mate waarin sprake is van een redelijke verhouding van de bijdrage tot de po­sitieve effecten op het technologiebeleid van Eindhoven Artikel5.Verslag. Het college publiceert jaarlijks een verslag van de doeltreffendheid en de effecten van de verstrekte subsidies in het kader van deze paragraaf. Sub-paragraaf2.1.5.Subsidiëring stadsdeelgericht werken. Artikel1.Begripsomschrijvingen. In deze paragraaf wordt verstaan onder: stadsdeelgericht werken: samen met bewoners- en ondernemersorganisaties, professionele partners en de gemeente werken aan het behoud en verbetering van de leefbaarheid van wijken en buurten; wijkvernieuwingsgebied: door het college aangewezen gebied, dat gekenmerkt wordt door duurzaam herstel van de fysieke en de sociale kwaliteit, door het tegengaan van ruimtelijke segregatie en door het veranderen van de verhouding huur - koop naar meer koop; actiegebied: door het college aangewezen gebied, dat gekenmerkt wordt door leefbaarheidsimpulsen gericht op preventie van verval; overige gebieden: alle gebieden in Eindhoven die niet de bestuurlijke status van wijkvernieuwings- of actiegebied hebben gekregen; buurtthermometer: een instrument, dat objectieve indicatoren bevat om de leef­baarheid tussen gebieden te vergelijken; dit instrument vormt samen met buurt­analyses en enquêtes leefbaarheid en veiligheid de basis voor het bestuurlijk aan­wijzen van wijkvernieuwingsgebieden, actiegebieden en overige gebieden; voorts kan dit instrument samen met beide andere instrumenten benut worden voor het verlenen van extra subsidie, zoals bedoeld in deze regeling; de buurt­thermometer wordt iedere twee jaar uitgebracht; jaarlijks heeft een actualisatie plaats; bewonersorganisatie: organisatie op stadsdeelniveau, wijk-, buurt-, complex- en/of straatniveau, die in redelijkheid kan aantonen niet alleen geografisch maar ook qua belangen de bewoners van het betreffende gebied te vertegenwoordi­gen en dit draagvlak door regelmatige terugkoppeling naar de achterban ook daadwerkelijk weet te behouden; de organisatievorm is vrij; ondernemersorganisatie: organisatie op stadsdeelniveau, wijk- en/of buurtniveau, die in redelijkheid kan aantonen niet alleen geografisch maar ook qua belangen de ondernemers van het betreffende gebied te vertegenwoordigen en dit draag­vlak door regelmatige terugkoppeling naar de achterban ook daadwerkelijk weet te behouden; professionele partners: in het gebied werkzame instanties, die zich bezighouden met de leefbaarheid zoals politie, woningcorporaties, welzijnswerk, scholen en overige instellingen; buurtinfowinkel/steunpunt: een door een bewonersorganisatie met hulp van de gemeente en professionele partners geëxploiteerde kleinschalige voorziening, waar bewoners kunnen vergaderen, ontmoeten, wijk- en buurtinformatie halen en leefbaarheidsignalen afgeven. Artikel2.Subsidieverllening. 1.Het college kan incidentele subsidies en duursubsidies verlenen in de kosten van: het zich organiseren van bewoners en ondernemers; het hebben van een bewonersorganisatie of een ondernemersorganisatie; het ondersteunen van initiatieven van bewoners en ondernemers; het lid zijn van overkoepelende instellingen; het hebben van een buurtinfowinkel of een steunpunt; het geven van zeggenschap en beslissingsbevoegdheid in een gebied; het geven van invloed op gemeentelijke plannen; het vergroten van de zelfwerkzaamheid en zelfredzaamheid; het versterken van de sociale cohesie; het zich kunnen bedienen van methodieken om het probleemoplossend ver­mogen van bewonersorganisaties en ondernemersorganisaties te vergroten. 2.De kosten dienen direct gerelateerd te zijn aan huisvesting, organisatie, activitei­ten en projecten in het kader van burgerparticipatie en actief burgerschap ten be­hoeve van het behoud en verbetering van de leefbaarheid van wijken en buurten. Artikel3.Subsidieweigering. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 wordt de subsidie geweigerd: indien en voor zover op grond van een andere regeling subsidie aan de subsidie­aanvrager voor dezelfde activiteiten is of kan worden verstrekt; indien het activiteiten betreft op het gebied van excursies, uitstapjes, gemeen­schappelijke afsluitingen, creatieve en recreatieve uitingen en verteer en vertier, die geen enkele relatie hebben met het behoud en verbetering van de leefbaar­heid in een wijk of buurt; indien de onder b genoemde activiteiten wel een relatie hebben met het behoud en verbetering van de leefbaarheid in een wijk of buurt, maar de kosten de toets van redelijkheid niet kunnen doorstaan. Artikel4.Subsidieaanvragers. 1.Voor subsidie kunnen in aanmerking komen bewoners- en ondernemersorgani­saties. 2.Bewonersorganisaties kunnen zowel uit groepen van natuurlijke personen als rechtspersonen bestaan. 3.Ondernemersorganisaties hebben rechtspersoonlijk­heid. Artikel5.Subsidiebedrag wijkvernieuwings- en actiegebieden. 1.De subsidie voor de buurtinfowinkel of steunpunt aan bewonersorganisaties be­draagt op jaarbasis maximaal € 10.000,--. 2.De subsidie voor organisatiekosten aan bewonersorganisaties bedraagt op jaar­basis 100% van de kosten tot een maximum van € 10.000,--. 3.De subsidie in de kosten van projecten en activiteiten aan bewonersorganisaties bedraagt op jaarbasis 100% van de kosten tot een maximum van € 15.000,--. 4.Indien het college van oordeel is, dat extra impulsen noodzakelijk zijn, is een extra subsidie van maximaal € 10,-- per woning mogelijk. Deze subsidie wordt slechts eenmaal in de drie jaar verleend. Artikel6.Subsidiebedrag overige gebieden. 1.De subsidie in de kosten van een steunpunt aan bewonersorganisaties bedraagt op jaarbasis maximaal € 6.000,--. 2.De subsidie voor organisatiekosten aan bewonersorganisaties bedraagt op jaar­basis 100% van de kosten tot een maximum van € 2.500,--. 3.De subsidie in de kosten voor projecten en activiteiten aan bewonersorganisaties bedraagt op jaarbasis maximaal € 5,-- per woning. 4.Indien het college van oordeel is, dat extra impulsen noodzakelijk zijn, is een extra subsidie aan bewonersorganisaties van maximaal € 5,-- per woning mogelijk. Deze subsidie wordt slechts eenmaal in de drie jaar verleend. 5.De subsidie voor organisatiekosten en voor kosten voor projecten en activiteiten aan bewonersorganisaties op wijkoverstijgend tot maximaal stadsdeelniveau of aan stedelijke instellingen bedraagt op jaarbasis 100% van de kosten tot een maximum van € 5.000,--. Artikel7.Subsidiebedrag ondernemersorganisaties. De subsidie aan ondernemingsorganisaties voor organisatiekosten en voor kosten voor projecten en activiteiten bedraagt op jaarbasis 100% van de kosten tot een maximum van € 3.000,--. Artikel8.10%-Reservering. Van de deelplafonds bedoeld in artikel 16, onder b, c, e en f wordt jaarlijks tot 1 juli 10% gereserveerd. Artikel9.Indieningtermijn subsidieaanvraag. 1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 dient de aanvraag voor een inciden­tele subsidie uiterlijk 6 weken voor aanvang van de activiteit te worden inge­diend. 2.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 dient de aanvraag voor een duursub­sidie voor 1 november van de periode waar de subsidie betrekking op heeft te worden ingediend. 3.In bijzondere omstandigheden - nader te bepalen door het college - kan een aan­vraag voor een duursubsidie in de loop van het kalenderjaar worden ingediend, doch uiterlijk 9 weken voor de aanvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. Artikel10.Gegevens subsidieaanvraag. 1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen gegevens bij de subsidieaanvraag verstrekt de subsidieaanvrager een document, waaruit blijkt, dat hij niet alleen geografisch maar ook qua belangengroepen de bewoners of ondernemers van het betreffende gebied vertegenwoordigt en dit draagvlak door regelmatige terugkoppeling naar de achterban ook daadwerkelijk weet te behouden. 2.De subsidieaanvraag geschiedt middels een door het college vastgesteld formu­lier. Artikel11.Beslissing op de aanvraag. 1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 beslist het college binnen 3 weken na ontvangst van de aanvraag voor een incidentele subsidie. 2.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 beslist het college voor de aanvang van de periode waarvoor de aanvraag voor een duursubsidie is bedoeld. Artikel12.Bevoorschotting en betaling. 1.Bij de beschikking tot subsidieverlening wordt door het college het bedrag en de termijnen van de bevoorschotting vermeld. 2.Voor incidentele subsidies geldt een bevoorschotting van 95% van het verleende subsidie. 3.Voor duursubsidies geldt een bevoorschotting in 4 gelijke termijnen tot 95% van het verleende subsidie. 4.Bij vaststelling van de subsidie vindt verrekening plaats met al uitbetaalde voor­schotten en wordt het restant binnen zes weken na de vaststelling uitbetaald. Artikel13.Aanvraag subsidievaststelling. 1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 dient de subsidieontvanger van een incidentele subsidie binnen 4 weken na beëindiging van de activiteit een aan­vraag voor subsidievaststelling in. 2.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 dient de subsidieontvanger van een duursubsidie voor 1 april van de periode volgend op de subsidieverlening een aanvraag voor subsidievaststelling in. 3.De in het eerste en tweede lid genoemde aanvragen geschieden middels een door het college vastgesteld formulier. 4.Indien de looptijd van de subsidieverlening langer dan een jaar is en het subsidiebedrag minder €5.000,-- of meer bedraagt, dient tussen­tijds binnen 3 maanden na afloop van het betreffende jaar een inhoudelijk en financieel verslag op hoofdlijnen uitgebracht te worden op een door het college vastgesteld formulier. 5.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden incidentele subsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht. 6.In afwijking van het bepaalde in het tweede lid worden duursubsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 4 maanden na afloop van het boekjaar waarvoor subsidie is verleend. 7.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het vijfde en zesde lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel14.Beslistermijn subsidievaststelling. 1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 beslist het college binnen 8 weken na indiening van een aanvraag voor vaststelling van een incidentele subsidie. 2.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 beslist het college voor 1 juni van de periode volgend op de subsidieverlening op een aanvraag voor vaststelling van een duursubsidie. Artikel15.Bijzondere omstandigheden. 1.Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van de bepalingen in deze paragraaf over de omvang van de subsidie; in die gevallen kan het college met inachtneming van het bepaalde in deze paragraaf overgaan tot een subsi­dieverlening van maximaal € 25.000,-- voor activiteiten en projecten gericht op behoud en verbetering van de leefbaarheid. 2.De in het eerste lid genoemde subsidie kan ook verleend worden aan professio­nele partners, die ten behoeve van en in overleg met bewonersorganisaties acti­viteiten en projecten in het kader van het behoud en verbetering van de leef­baarheid opzetten. Artikel16.Subsidieplafonds. 1.Het subsidieplafond voor de subsidieverlening wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de werkzaamheden/activiteiten, als bedoeld in deze paragraaf betrekking op hebben, met dien verstande, dat deelplafonds worden vastgesteld voor: duursubsidies (artikelen 5 en 6); incidentele subsidies (artikelen 5 en 6); ondernemersorganisaties (artikel 7); 10%-reservering incidentele projecten en activiteiten (artikel 8); bijzondere omstandigheden (artikel 15); waarderingssubsidies (artikel 17). 2.Indien het bedrag, waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie zou moeten worden verleend, hoger is dan de op grond van het eerste lid vastgestelde deel­plafond duursubsidies, worden de betrokken subsidies, naar evenredigheid ver­minderd op grondslag van het vastgestelde deelplafond. 3.Indien de bedragen waarvoor op grond van alle tijdig ingediende aanvragen sub­sidie wordt gevraagd groter zijn dan de op grond van het eerste lid vastgestelde deelplafonds onder b tot en met f, beslist het college op de aanvragen in de volg­orde waarin de aanvragen zijn ingekomen. Wanneer de aanvrager krachtens arti­kel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad om de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum voor ontvangst. Artikel17.Waarderingssubsidies. 1.Het college kan tot een maximaal bedrag van € 1.000,-- een incidentele subsidie verlenen aan een bewoners- of ondernemersorganisatie om waardering te geven aan activiteiten zonder dat hier een tegenprestatie tegenover staat. 2.De vaststelling van een waarderingssubsidie vindt op het moment van verlening van de subsidie plaats. Artikel18.Overgangsregelingen. 1.Indien een wijkvernieuwings- of actiegebied de status krijgt van overig gebied wordt de subsidie in vier jaren afgebouwd naar het niveau van de nieuwe status, waarbij de mate van afbouw zich richt op het behoud van de opgebouwde basis­structuur in de wijk of buurt. 2.In voorkomende gevallen kan het college na de afbouwperiode voor een periode van maximaal nog eens vier jaren een extra subsidie verlenen van maximaal € 10,- per woning. 3.De huidige subsidie aan impulsgebieden tevens integrale wijkvernieuwingsge­bieden wordt vanaf het jaar 2008 in vier jaren afgebouwd naar het niveau van de in artikel 5 opgenomen subsidiebedragen. Sub-paragraaf2.1.6.Huurgewenningsbijdragen. Artikel1.Begripsomschrijvingen. In deze paragraaf wordt verstaan onder: integrale wijkvernieuwing (afgekort IWV): een door de gemeenteraad van Eindhoven vastgesteld geheel van maatregelen dat is gericht op het tot stand brengen van een meer gedifferentieerde woningvoorraad in gebieden waar leefbaarheidsproblemen mede veroorzaakt worden door een eenzijdig samen­gestelde voorraad van overwegend goedkope woningen; integraal wijkvernieuwingsgebied (IWV-gebied): een door de raad van aangewe­zen gebied dat voor een wijkgerichte aanpak als bedoeld in a. in aanmerking komt; huurder: een huurder met een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met een Eindhovense woningcorporatie die woont in of komt uit een herstructurerings­gebied; woning: de zelfstandige huurwoning; bijdrage(n): de huurgewenningsbijdrage als bedoeld in artikel 3; sociaal plan: schriftelijke afspraken tussen huurder(

  1. s)en verhuurder/woningcor­poratie op wijkniveau over de verhuizing en/of terugkeer van de huurder(
  2. s)in het kader van de integrale wijkvernieuwing (IWV); aanvrager: de natuurlijke persoon die: - huurder is of is geweest van een woning van een Eindhovense woningcorpo­ratie in een IWV-gebied; - voor die woning een huurovereenkomst had voor onbepaalde tijd; - verhuisd is naar een huurwoning van een Eindhovense woningcorporatie in Eindhoven als gevolg van integrale wijkvernieuwing waarvan de huurprijs ho­ger ligt dan de huurprijs van de verlaten woning; - voor de nieuwe huurwoning een huurovereenkomst heeft gesloten voor onbe­paalde tijd; tijdelijke woonruimte: de woonruimte die een bewoner die verhuist uit een voor afbraak bestemd pand tijdelijk bewoont totdat hij een andere woning krijgt toe­gewezen waarvoor hij een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd sluit; de tijde­lijke woonruimte wordt ook wel wisselwoning genoemd; bewoningsverklaring: een door de aanvrager ondertekend document waarop hij verklaart dat hij de woning waarvoor hij de huurgewenningsbijdrage aanvraagt als hoofdverblijf bewoont of gaat bewonen. Artikel2.Reikwijdte. 1.Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing op: huurwoningen van Eindhovense woningcorporaties (toegelaten instellingen ingevolge de Woningwet) in een IWV-gebied. In dit gebied moet tussen de woningcorporatie/verhuurder van de betrokken woning(
  3. en)en de huurder(
  4. s)een sociaal plan zijn overeengekomen; oude woningen die deel uitmaken van een door het college aangewezen inci­denteel plan tot sloop en vervanging buiten een IVW-gebied, voor zover de bij het sloop- en vervangingsplan betrokken woningcorporatie ten genoegen van het college aantoont dat voldaan wordt aan de bedoeling van het gemeente­lijke IVW-beleid. 2.Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op de periode dat de huur­der die verhuist gebruik maakt van tijdelijke woonruimte (wisselwoning). Artikel3.Subsidieverlening. Het college kan een aanvrager een eenmalige bijdrage verlenen van € 500,-- (vijf­honderd euro) als tegemoetkoming in de hogere huurprijs die een bewoner be­taalt indien deze als gevolg van IWV verhuist naar een duurdere huurwoning in de gemeente Eindhoven. De bijdrage bedoeld onder a. wordt niet verleend indien de activiteiten van de aanvrager in de nieuwe woning strijd opleveren met de wet of het algemeen belang of de doelstellingen van de IWV. Het college kan de uitvoering van deze paragraaf in handen stellen van een of meerdere Eindhovense woningcorporaties. Artikel4.Subsidieaanvrager. Voor de subsidie kan slechts in aanmerking komen de aanvrager die: gedurende ten minste één jaar de woning waarvoor een sloopvergunning is of wordt verleend heeft bewoond; en voor de onder a. bedoelde woning een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd had; en in aanmerking komt voor een huurtoeslag als bedoeld in de Wet op de huurtoe­slag, zoals deze geldt op de datum van de aanvraag om een huurgewennings­bijdrage. Artikel5.Subsidieaanvraag. Het college kan een aanvraagformulier vaststellen voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens. Aanvragen als bedoeld in deze paragraaf moeten worden gedaan door middel van het door het college vastgestelde aanvraagformulier. Artikel6.Subsidieplafond. 1.Het subsidieplafond wordt voor de periode tot en met 31 december 2010 vast­gesteld door het college binnen de door de raad vastgestelde begroting. 2.Indien het bedrag waarvoor op grond van tijdig ingediende aanvragen subsidie wordt gevraagd groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde sub­sidieplafond, wordt op de aanvragen beslist in de volgorde waarin deze zijn binnengekomen. 3.Een aanvrager wiens aanvraag wordt afgewezen op grond van het tweede lid kan zijn aanvraag opnieuw indienen als de raad een extra budget beschikbaar stelt op grond waarvan het subsidieplafond wordt verhoogd. Artikel7.Hardheidsclausule. Het college kan in uitzonderingsgevallen afwijken van de bepalingen in deze para­graaf, mits de afwijking past binnen de strekking ervan. Onder afwijken is het ver­lenen van een vrijstelling begrepen. Artikel8.Geldigheidsduur. Deze paragraaf geldt tot 1 januari 2011. Sub-paragraaf2.1.7.Waardebonnensysteem bewonersinitiatieven. Artikel1.Begripsomschrijvingen. In het bij of krachtens deze paragraaf bepaalde wordt verstaan onder: waardebon: subsidie, waarbij de hoogte van één waardebon maximaal € 5.000,-- is; bewoners van een bestuurlijk aangewezen gebied kunnen hiermede diensten en producten inkopen om hun initiatief uit te voeren; initiatief: een plan om de leefbaarheid in de eigen wijk, buurt of straat te verbe­teren en/of de sociale cohesie te versterken; initiatiefnemer(s): individuele of georganiseerde bewoners, die een aanvraag in­dienen om een initiatief uit te voeren; leefbaarheid: de kwaliteit van de woon- en leefomgeving; sociale cohesie: sociale samenhang binnen een wijk en tussen bewoners; regiegroep: een door het college gemandateerde groep bewoners uit de wijk waar het waardebonnensysteem zal worden uitgevoerd dan wel een voor de uitvoering van het waardebonnensysteem gevormde groep, bestaande uit een afvaardiging van voor de wijk relevante groepen uit bijvoorbeeld het verenigingsleven, eventueel ondersteund door woningbouwcorporatie, professionals of de gemeente; kasbeheerder: degene die door het college is aangewezen voor de verzilvering van waardebonnen; wijkraadpleging: een bijeenkomst in de wijk, een digitale of schriftelijke raadple­ging van bewoners van de wijk of een andere vorm, waarbij een of meer initiatie­ven worden voorgelegd. Artikel2.Subsidieverstrekking. 1.Het college is bevoegd een of meer wijken aan te wijzen waar het waardebonnen­systeem van toepassing is ten behoeve van de verbetering van de leefbaarheid en de versterking van de sociale cohesie. 2.Het college stelt per aangewezen gebied op basis van het inwoneraantal het sub­sidieplafond vast. 3.Het college kan bepalen dat maximaal 10% van het beschikbare bedrag wordt ge­reserveerd voor de kosten die de gemeente maakt bij de uitvoering van de deze paragraaf. 4.Het college is bevoegd tot het aanwijzen van een regiegroep die mandaat krijgt om de waardebonnen te beheren en te verstrekken. Artikel3.Reikwijdte van de paragraaf 1.Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van waardebonnen uit de integra­tie-uitkering in het Gemeentefonds. 2.De bepalingen van hoofdstuk 1 van de Subsidieverordening gemeente Eindhoven 2008 zijn niet van toepassing op deze paragraaf. Artikel4.Aanvraag waardebonnen. 1.Initiatiefnemers kunnen een of meer waardebonnen aanvragen bij het college. 2.De aanvraag wordt schriftelijk ingediend en omvat de volgende gegevens: naam, contactadres, telefoonnummer en handtekening van de initiatiefnemer; een beschrijving van de inhoud, uitvoering, planning en eventuele borging van het initiatief, waarbij wordt aangegeven hoe dit de leefbaarheid in de wijk, buurt of straat verbetert dan wel de sociale cohesie wordt versterkt; melding van het bestaan van draagvlak onder de bewoners als de aard van het initiatief dat noodzakelijk maakt; een kostenraming en het gewenste aantal waardebonnen voor de uitvoering van het initiatief; een mededeling of tevens elders subsidie is aangevraagd. 3.De aanvragen met betrekking tot het jaar 2008 kunnen worden ingediend tot 1 juni 2009. 4.De aanvragen met betrekking tot het jaar 2009 kunnen worden ingediend vóór 1 april 2010. 5.De aanvragen met betrekking tot de jaren 2010 en 2011 kunnen worden ingediend vóór 31 december van het betreffende kalenderjaar. 6.Het college beslist op de aanvragen in volgorde waarin de aanvragen zijn binnen­gekomen. Wanneer de aanvraag onvolledig is geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld ingevolge artikel 4:5 van de Awb, als de datum van ontvangst van de aanvraag. Artikel5.Verstrekking waardebonnen. 1.Het college beslist binnen vier weken na de ontvangst van een aanvraag over het verstrekken van de waardebonnen. 2.Indien de aanvraag voldoet aan de eisen van deze paragraaf, verstrekt het college het aantal waardebonnen dat nodig is voor uitvoering van het initiatief. 3.Bij initiatieven boven de € 10.000,-- kan het college in het belang van betrokken­heid van of draagvlak in een wijk, buurt of straat bepalen, dat van de aanvraag een wijkraadpleging onderdeel uitmaakt. 4.Bij de verstrekking van waardebonnen kan het college als voorwaarde bepalen dat bin­nen een bepaalde termijn met de uitvoering van het initiatief wordt gestart; een initiatief betrekking hebbende op het jaar 2008 dient uiterlijk 31 december 2009 te zijn uitgevoerd; initiatieven betrekking hebbende op het jaar 2009 dienen uiterlijk 30 september 2010 te zijn uitgevoerd; initiatieven betrekking hebbende op het jaar 2010 en 2011 dienen binnen zes maanden na afloop van het betreffende kalenderjaar te zijn uitgevoerd. Artikel6.Weigeringsgronden. Naast de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 4:35 Awb kan subsidie worden geweigerd indien gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: de initiatiefnemer doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of het plaatselijk beleid; het initiatief betrekking heeft op privébelangen van de initiatiefnemer; het beheer en onderhoud van de voorgestelde fysieke verbeteringen van de leef­omgeving niet kunnen worden gewaarborgd; aan de initiatiefnemer op grond van een andere regeling voor dezelfde activiteit reeds subsidie is verstrekt. Artikel7.Wijze van besteding van de waardebonnen. 1.De initiatiefnemer kan voor de betaling van de kosten van uitvoering van het ini­tiatief een waardebon verzilveren bij de kasbeheerder. 2.De waardebon kan worden verzilverd door: in te kopen diensten en producten door de kasbeheerder te laten betalen; deze om te zetten in contant geld, tot maximaal € 500,-- per keer. Artikel8.Citeertitel. Deze paragraaf wordt aangehaald als "paragraaf 2.1.7. waardebonnensysteem bewonersinitiatieven". Artikel9.Duur. 1.Deze paragraaf komt te vervallen op 1 januari 2012. 2.In afwijking van het eerste lid blijft deze paragraaf van toepassing op de afwikkeling van op grond van deze paragraaf verleende subsidies en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Sub-paragraaf2.1.8.Stimulering onderhoud particuliere woningen - ingetrokken - Paragraaf2.2.Milieu Sub-paragraaf2.2.1.Stimulering energiebesparende maatregelen Artikel1.Begripsomschrijvingen. In deze paragraaf wordt verstaan onder: energiebesparende maatregelen: maatregelen genoemd in de onder artikel 8 opgenomen lijst van energiebesparende maatregelen; SVn: stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten; Gemeenterekening “Stimulering energiebesparing”: De bij de SVn in beheer zijnde voorziening waaruit de gemeente incidentele subsidies toekent ter sti­mulering van energiebesparende maatregelen; BKR: Bureau Krediet Registratie te Tiel. Artikel2.Subsidieverlening. 1.Het college kan incidentele subsidies verstrekken voor het treffen van ener­giebesparende maatregelen indien en voor zover passend binnen het ge­meentelijk klimaatbeleid. 2.De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een laagrentende geldlening, die wordt beheerd en bewaakt door de SVn. 3.De lening heeft de volgende kenmerken: de looptijd is maximaal 10 jaar; boven een bedrag van € 12.500,-- is de looptijd maximaal 15 jaar; het rentepercentage bedraagt 2%; de aflossing gaat in op het moment van vaststelling van de subsidie; de lening wordt afgelost op basis van het annuïteitensysteem; extra aflossingen op de lening zijn altijd mogelijk; bij verkoop van de woning,waaraan de energiebesparende maatregelen zijn getroffen, dient de restantschuld ineens en volledig afgelost te worden; de algemene voorwaarden van de SVN zijn op de geldlening van toepassing; de afsluitprovisie bedraagt 1,5%. Artikel3.Subsidieaanvrager. 1.Voor subsidie komt in aanmerking een natuurlijke persoon die eigenaar-bewoner is van een in Eindhoven gelegen bestaande woning. 2.De subsidieaanvrager dient voor minstens 50% eigenaar te zijn van de woning. Artikel4.Indieningtermijn aanvraag. 1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de indiening­termijn van een subsidieaanvraag, kan een aanvraag voor een subsidie door­lopend bij het college worden ingediend. 2.Een aanvraag wordt minstens ingediend 6 weken voorafgaand aan de start van de realisering van de te treffen maatregelen. Artikel5.Subsidieweigering. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 wordt subsidie geweigerd indien: de woning waaraan de energiebesparende maatregelen worden getroffen een WOZ-waarde van € 500.000,-- te boven gaat, waarbij dit bedrag jaarlijks wordt geïndexeerd met de gemiddelde stijging van de WOZ-waarde; de financiële lasten van de subsidieaanvrager(
  5. s)bij toekenning van de subsidie de normen van de Nationale Hypotheek Garantie te boven gaan. Artikel6.Subsidieaanvraag. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen gegevens bij de subsidieaanvraag worden bij een subsidieaanvraag de volgende bescheiden overgelegd: inkomensbescheiden als loonstroken en/of andere gegevens waaruit een reëel inzicht in het inkomen van aanvrager(
  6. s)en eventuele partner(
  7. s)kan worden verkregen. Bescheiden waaruit de schuldpositie van aanvrager(
  8. s)en eventuele partner(
  9. s)blijkt; offertes van aannemers, installateurs en/of leveranciers ter zake van te treffen maatregelen als bedoeld in artikel 8 en/of de bijdrage die de aanvrager met het oog op het treffen van die maatregelen verschuldigd is aan de vereniging van eigenaren; uitkomsten van de energiebesparingsverkenner, zoals genoemd in artikel 8.2. Artikel7.Subsidiebedrag. Het subsidiebedrag dat wordt verstrekt bedraagt minimaal € 2.500,-- en maximaal € 15.000,-- en wordt berekend aan de hand van de overgelegde offertes en/of bijdrage als bedoeld bij artikel 6 sub c en de verschuldigde afsluitprovisie. Artikel8.Lijst subsidiabele maatregelen. 1.Voor subsidiering komen in aanmerking: warmtepomp; zonnepanelen; zonneboiler; kleinschalige windturbine; gevelisolatie; dakisolatie; vloerisolatie; raamisolatie; verwarmingsinstallatie. 2.De maatregelen als genoemd in lid 1 e t/m i komen eerst in aanmerking als ze op zich dan wel gezamenlijk leiden tot een klassenverbetering op de door SenterNovem gehanteerde energiebesparingsverkenner. Artikel9.Subsidieplafond. 1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waarop de activiteiten betrekking hebben. 2.Indien het bedrag waarvoor op grond van alle tijdig ingediende aanvragen subsidie wordt gevraagd, groter is dan het op grond van het eerste lid vast­gestelde subsidieplafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aanvragen zijn ingekomen. 3.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aan­gevuld voor de verdeling als datum van ontvangst. Artikel10.Advisering. 1.Alvorens te beslissen op de subsidieaanvraag wordt advies gevraagd bij de SVn. 2.Een BKR-toets en een toets aan de normering van de Nationale Hypotheek Garantie maken deel uit van de advisering. Artikel11.Beslistermijn subsidieaanvragen. 1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de beslis­termijn, besluit het college binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.De termijn als bedoeld in het eerste lid kan door het college met een termijn van 4 weken worden verlengd. Artikel12.Samenloop subsidieaanvragen.. Bij samenloop van subsidieaanvragen op basis van deze regeling en die van de paragraaf “Stimulering particulier onderhoud” wordt één subsidiebedrag toe­gekend waarbij hypothecaire zekerheid wordt verlangd boven een bedrag groot € 12.500,--. Artikel13.Bevoorschotting. 4.Het college kan op verzoek van de subsidieontvanger de rekeningen van aan­nemers, erkende installateurs en leveranciers rechtstreeks uit de verleende subsidie betalen. 5.Over de aldus opgenomen gelden is de subsidieontvanger rente verschuldigd. 6.Vanaf het moment dat het gehele subsidiebedrag is opgenomen is de sub­sidieontvanger rente en aflossing verschuldigd als ware de subsidie vast­gesteld. Artikel14.Aanvraag tot subsidievaststelling. 1.De ontvanger van de stimuleringslening meldt het project uiterlijk binnen één jaar na het verlenen van de subsidie gereed bij het college doch uiterlijk twee maanden na het treffen van de energiebesparende maatregelen. 2.De gereedmelding is tevens een aanvraag om vaststelling en geschiedt aan de hand van een door het college vastgesteld gereedmeldingsformulier. 3.De gereedmelding als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een verant­woording van de gemaakte kosten door overlegging van rekeningen van aan­nemers, erkende installateurs en leveranciers. 4.Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van de gereedmelding. Artikel15.Subsidievaststelling. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 van de verordening met betrekking tot de vaststelling van de subsidie, wordt de subsidie binnen 2 maanden na gereedmelding door het college vastgesteld. Sub-paragraaf2.2.2.Stimulering afkoppelen hemelwaterafvoer van verhard oppervlak Artikel1.Begripsomschrijvingen. In deze paragraaf wordt verstaan onder: Schoon verhard oppervlak: het oppervlak (daken, wegen, verharde terreinen) waar­van het hemelwater, dat tot afstroming komt, als schoon kan worden aangemerkt; Gemengd rioolstelsel: gecombineerde afvoer van afvalwater en hemelwater in één riool; Regenwaterstelsel: rioolstelsel waarmee alleen regenwater wordt ingezameld; Infiltratie: hemelwater dat van wegen en daken afstroomt in de bodem infiltreren; Groen dak: dakoppervlak dat bedekt is met een begroeiing en een minimaal water­bergend vermogen van 15 liter per m2; Afkoppelen: het onderbreken van de afvoer van op verhard oppervlak vallend hemelwater naar een gemengd rioolstelsel. In plaats daarvan wordt het hemel­water nuttig gebruikt of via infiltratie in de bodem gebracht of via afstroming naar oppervlaktewater afgevoerd. Artikel2.Subsidieverlening. 1.Het college van burgemeester en wethouders kan, voor zover passend binnen het gemeentelijk waterbeleid, een incidentele subsidie verstrekken voor: het afkoppelen van bestaand schoon verhard oppervlak in het bestaand stede­lijk gebied met een bestaande afvoer van het regenwater naar een gemengd rioolstelsel; het vervangen van bestaande daken door groene daken in het bestaand stede­lijk gebied met een bestaande afvoer van het regenwater naar een gemengd rioolstelsel. 2.De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een financiële bijdrage per m2 afgekop­peld schoon verhard oppervlak dan wel gerealiseerd groen dakoppervlak. Als on­dergrens geldt dat minimaal 20 m2 schoon verhard oppervlak wordt afgekoppeld dan wel groen dak wordt aangelegd. Artikel3.Subsidieaanvrager. 1.Voor subsidie komt in aanmerking een rechtspersoon met volledige rechtsbe­voegdheid of een natuurlijk persoon die eigenaar is van een in Eindhoven gelegen schoon verhard oppervlak aangesloten op het gemengde rioolstelsel. Artikel4.Indieningtermijn aanvraag. 1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de indiening­termijn van een subsidieaanvraag, kan een aanvraag voor een subsidie doorlopend bij het college worden ingediend. 2.Een aanvraag wordt uiterlijk ingediend 8 weken voorafgaand aan de start van de realisering van de te treffen maatregelen. Artikel5.Subsidieplafond. 1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waarop de activiteiten be­trekking hebben. 2.Indien het bedrag waarvoor op grond van alle tijdig ingediende aanvragen subsidie wordt gevraagd, groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidie­plafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aanvragen zijn binnengekomen. 3.Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld voor de verdeling als datum van ontvangst. Artikel6.Subsidieaanvraag. 1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen ge­gevens bij de subsidieaanvraag worden bij een subsidieaanvraag de volgende bescheiden overgelegd: een opgave over de aard en omvang van het af te koppelen schoon verhard oppervlak of te realiseren groen dak en de bestemming van het afgekoppelde water; een kadastrale kaart van het projectgebied; het tijdstip waarop met de uitvoering wordt gestart en de vermoedelijke datum van oplevering; een opgave van de uitvoeringskosten. 2.De subsidieaanvraag geschiedt middels een door het college vastgesteld aan­vraagformulier. 3.Indien een groen dak wordt toegepast is het de verantwoordelijkheid van de aanvrager om te zorgen voor een deugdelijke constructie die voldoet aan de bouwvoorschriften. Artikel7.Subsidiebedrag. Het subsidiebedrag dat wordt verleend bedraagt € 25,-- per m2 afgekoppeld schoon verhard oppervlak dan wel te realiseren groen dak met een maximum van 50% van de werkelijke uitvoeringskosten. Het subsidiebedrag bedraagt maximaal € 25.000,-- per aanvraag en wordt berekend aan de hand van de overgelegde opgave als bedoeld bij artikel 6, eerste lid, onder a. Artikel8.Samenloop. Indien sprake is van samenloop van deze regeling met een vergelijkbare andere regeling en uit hoofde van die andere regeling een subsidiebedrag is verstrekt, wordt dit bedrag in mindering gebracht bij de vaststelling van het subsidiebedrag. Artikel9.Beslistermijn subsidieaanvraag. 1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de beslistermijn, besluit het college binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.De termijn als bedoeld in het eerste lid kan door het college met een termijn van 4 weken worden verlengd. Artikel10.Subsidieverplichtingen. 1.Binnen 6 maanden na de subsidieverlening moet zijn gestart met de te realiseren maatregelen en deze maatregelen moeten binnen één jaar na de subsidieverle­ning zijn uitgevoerd. 2.In de beschikking tot subsidieverlening kunnen andere verplichtingen of nadere uitvoeringsvoorschriften worden gegeven die strekken tot het doel van de sub­sidie. Artikel11.Subsidieweigering. Subsidie wordt geweigerd indien het college van oordeel is het hemelwater niet nuttig gebruikt kan worden of infiltratie niet haalbaar is of afvoer via afstroming naar opper­vlaktewater niet mogelijk is. Artikel12.Aanvraag tot subsidievaststelling. 1.De aanvraag tot subsidievaststelling geschiedt middels een door het college vast­gesteld aanvraagformulier. 2.De ontvanger van de subsidie meldt het project uiterlijk binnen één jaar na het ver­lenen van de subsidie gereed bij het college. 3.De gereed melding als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een verantwoor­ding van de gemaakte kosten door overlegging van rekeningen. Artikel13.Subsidievaststelling. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de vaststelling van de subsidie, wordt de subsidie binnen 8 weken na gereed melding door het college vast­gesteld. Hoofdstuk3Sociaal Paragraaf3.1.Cultuur. Sub-paragraaf3.1.1.Stimulering amateurkunst. Artikel1.Begripsomschrijvingen. In deze paragraaf wordt verstaan onder: activiteiten: de artistiek gerichte werkzaamheden van een organisatie binnen de verschillende secties van amateurkunst; actieve leden: contributiebetalende leden van een organisatie, die de artistieke activiteiten van de organisatie mede uitvoeren. De artistieke en organisatorische leiders, bestuursleden, ereleden en dergelijke worden niet als zodanig aange­merkt; amateurkunst: niet-beroepsmatige beoefening van kunst in verenigingsverband; basisbudget: het subsidiebedrag voor algemene kosten uitgedrukt in een geld­waarde die wordt berekend op basis van een score; dansgroep: een organisatie die één of meer dansvormen beoefent, zoals volks­dans, jazzdans of moderne dans; groep voor beeldende kunst en vormgeving: een organisatie die één of meer vor­men van beeldende kunst en vormgeving be­oefent, zoals tekenen, schilderen, beeldhouwen of keramische technieken met als primaire doelstelling het tot stand brengen van kunst. Hiertoe worden niet gere­kend organisaties in de hobbysfeer; groep voor audiovisuele kunst: een organisatie die één of meer technieken op het gebied van foto-, film- of audiokunst beoefent; groottetoeslag: een sectieafhankelijke toeslag op het basisbudget, uitgedrukt in een score en die is gebaseerd op het aantal actieve leden van een organisatie; hoofdkorps: het centrale onderdeel van een muziekkorps, waaraan het in het al­gemeen zijn naam ontleent; instrumentaal ensemble: een organisatie die muziek beoefent en bestaat uit in­strumentalisten, in uiteenlopende bezetting zoals een kamerorkest, symfonie­orkest, blokfluit-, klarinet-, saxofoonensemble, accordeon-, mandolineorkest of andere divers samengestelde ensembles, waaronder ensembles voor etnische muziek. In deze verordening worden hiertoe niet gerekend ensembles op het gebied van pop, jazz en geïmproviseerde muziek, amusementsorkesten, dans­orkesten en hieraan verwante ensembles; muziekkorps: een organisatie, zoals een harmonie, fanfare, drumband of show­corps dan wel een combinatie van deze; muziektheatergroep: een organisatie bestaande uit vocalisten en instrumentalis­ten, die het opera-operette- en/of musicalrepertoire middels geënsceneerde pro­ducties beoefent; nieuwe productie/nieuwe werken: door een organisatie openbaar gepresen­teerde stukken of werken, die in de voorgaande drie jaren door dezelfde orga­nisatie niet openbaar zijn gepresenteerd; niveautoeslag: een sectieafhankelijke toeslag op het basisbudget voor het artis­tiek functioneren van een organisatie, uitgedrukt in een score, gebaseerd op diplomering en/of ervaring van de artistieke leiding of op klassering van een muziekkorps; openbare uitvoering/presentatie: een in het algemeen door de organisatie zelf georganiseerde, voor het algemeen publiek openbaar toegankelijke volwaardige voorstelling of expositie binnen de in de verordening onderscheiden secties van amateurkunst, waaraan door publiciteit, zoals via de media, affiches en program­mabladen bekendheid wordt gegeven. Een tentoonstelling is tenminste gedu­ren­de een geheel weekend openbaar toegankelijk; organisatie: een in de gemeente Eindhoven gevestigde en werkzame rechtsper­soon met volledige rechtsbevoegdheidzijnde een vereniging, die als primaire doel­stelling heeft het niet beroepsmatig beoefenen van een binnen deze para­graaf verschillende sectie van kunst en waarvan de activiteiten voornamelijk openbaar toegankelijk zijn; score: het puntenaantal op grond waarvan de subsidie wordt berekend; specifieke toeslag: een sectieafhankelijke toeslag op het basisbudget, uitgedrukt in een score, in relatie tot een sectiekarakteristieke extra kostensoort; theatergroep: een organisatie die de toneelkunst beoefent, daaronder ook caba­ret begrepen; vocaal ensemble: een organisatie die muziek beoefent en bestaat uit vocalisten, zoals een kamerkoor, gemengd koor, univocaal koor, oratoriumkoor, kinderkoor en opera- en operettekoor, voor zover deze geen geënsceneerde producties uit­voeren. Artikel2.Subsidieverlening. 1.Het college kan een duursubsidie verlenen ter stimulering van het niet-beroeps­matig beoefenen van kunst in organisatieverband voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 1, onder1, die resulteren in het jaarlijks openbaar uitvoeren van nieuwe producties van amateurkunst in de volgende secties: muziekkorpsen; vocale ensembles; instrumentale ensembles; theatergroepen; muziektheatergroepen; dansgroepen; groepen voor beeldende kunst en vormgeving; of groepen voor audiovisuele kunst. 2.Om in aanmerking te komen voor subsidie dient te worden voldaan aan de vol­gende criteria: de wekelijkse repetities c.q. werkbijeenkomsten dienen plaats te vinden op een adres in Eindhoven; per jaar dienen tenminste 30 repetities c.q. werkbijeenkomsten te worden ge­houden; een organisatie behorend tot de secties theatergroepen of muziektheater­groe­pen dient per jaar tenminste een openbare uitvoering in de gemeente Eindhoven te geven van tenminste een nieuwe geënsceneerde productie; een organisatie behorend tot een van de overige secties dient per jaar ten­minste een openbare presentatie in Eindhoven te geven, waarbij tenminste éénderde deel van de in het desbetreffend jaar openbaar gepresenteerde werken bestaat uit nieuwe werken; en dient van de actieve leden tenminste 50% woonachtig te zijn in de gemeente Eindhoven. 3.Per sectie, zoals bedoeld onder A t/m H van het eerste lid gelden voorts de vol­gende criteria om in aanmerking te komen voor subsidie: A. Muziekkorpsen: de organisatie heeft tenminste 25 actieve leden; de organisatie is lid van een erkende landelijke muziekfederatie en tevens van de Bond van Eindhovense Muziekgezelschappen; het hoofdkorps neemt tenminste één keer per vijf jaar deel aan een kwalificatie­concours van de erkende landelijke muziekfederatie, waarbij de organisatie is aangesloten; en muzikale wandelingen en dergelijke gelden niet als een openbare uitvoering in de zin van artikel 1, vijftiende lid. B. Vocale ensembles: de organisatie heeft tenminste 10 actieve leden; de organisatie is lid van een landelijke koepelorganisatie en tevens van de Eindhovense Koren Federatie en; de bescheiden voor de subsidieaanvraag worden ingediend via de Eindhovense Koren Federatie. C. Instrumentale ensembles: de organisatie heeft tenminste 15 actieve leden. D. Theatergroepen: de organisatie heeft tenminste 10 actieve leden; de organisatie is lid van een landelijke koepelorganisatie en tevens van de Eindhovense Theater Bond; een organisatie, die is ingedeeld in grootteklasse II realiseert per jaar tenminste twee nieuwe producties en geeft van elk in het desbetreffend jaar een openbare uitvoering in de gemeente Eindhoven; en een niveautoeslag kan worden toegekend indien tenminste 50% van het jaarlijks aantal repetities plaatsvindt onder leiding van een regisseur die in het bezit is van het voor het desbetreffend niveau vereiste diploma. E. Muziektheatergroepen: de organisatie heeft tenminste 40 actieve leden. F. Dansgroepen: de organisatie heeft tenminste 15 actieve leden. G. Beeldende kunst en vormgeving: de organisatie heeft tenminste 60 actieve leden; een organisatie die is ingedeeld in grootteklasse II en III realiseert per jaar in de gemeente Eindhoven tenminste twee openbare tentoonstellingen; en een niveautoeslag kan worden verleend indien tenminste 50% van het jaarlijks aantal werkbijeenkomsten wordt geleid door een artistiek leider die in het bezit is van het voor het desbetreffend niveau vereiste diploma. H. Audiovisuele kunst: de organisatie heeft tenminste 15 actieve leden; een organisatie die is ingedeeld in grootteklasse II realiseert per jaar in de ge­meente Eindhoven tenminste twee openbare tentoonstellingen; voor fotogroepen geldt het vereiste van minimaal 20 werkbijeenkomsten per jaar; en kan een niveautoeslag worden verleend indien tenminste 50% van het jaarlijks aantal werkbijeenkomsten wordt geleid door een artistiek leider die in het bezit is van het voor het desbetreffend niveau vereiste diploma. 4.Het college kan in bijzondere gevallen aan een organisatie ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede en het derde lid. Artikel3Subsidieaanvragers. 1.Voor subsidie komen slechts in aanmerking organisaties die: tenminste een jaar gerekend vanaf datum van statutaire oprichting activi­teiten, zoals genoemd in artikel 1, onder 1, juncto artikel 2, ontplooien; en aangesloten zijn bij een voor de desbetreffende organisatie relevante lan­delijke koepelorganisatie. 2.Het college kan in bijzondere gevallen van het bepaalde in het eerste lid ont­heffing verlenen. 3.Organisaties die voornamelijk activiteiten ontplooien ten behoeve van kerkelijke, levensbeschouwelijke of politieke instellingen of groepen alsmede organisaties met min of meer besloten karakter die gelieerd zijn aan bedrijven of instellingen zonder primaire doelstelling op het gebied van amateurkunst, komen niet voor subsidie in aanmerking. Artikel4.Indieningtermijn aanvraag. Een aanvraag voor subsidie moet worden ingediend vóór 1 mei van het jaar, vooraf­gaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt gevraagd. Artikel5.Gegevens subsidieaanvraag. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent de in te dienen gegevens bij een aanvraag voor subsidie, dienen de volgende bescheiden te worden overgelegd: een staat van wekelijkse repetities en werkbijeenkomsten met vermelding van adres(sen) van de repetities en bijeenkomsten en van de naam van de artistiek leider(s); een betaalbewijs van lidmaatschap van de landelijke koepelorganisatie, waarbij de organisatie per 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidieaanvraag wordt ingediend, was aangesloten; een lijst van actieve leden per 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidieaanvraag wordt ingediend, met per actief lid vermelding van naam, adres, functie(
  10. s)binnen de organisatie en lengte van diens lidmaatschap van de desbetreffende organisatie; bewijsstukken van het jaar waarvoor al subsidie is verleend in de gemeente Eindhoven gerealiseerde openbare uitvoeringen c.q. presentaties met nieuwe producties c.q. nieuwe werken; opgave van mutaties in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie­aanvraag wordt ingediend, ten aanzien van de artistieke leiding, vergezeld van een kopie van het voor de niveau-indeling vereiste diploma van een nieuwe leider. Een muziekkorps overlegt een (mutatie)bewijs van klassering door de landelijke muziekfederatie, waarbij de organisatie is aangesloten; en de goedgekeurde jaarrekening van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag voor subsidie wordt ingediend. Artikel6.Subsidiebedrag. 1.Als grondslag voor de berekening van het subsidiebedrag wordt gehanteerd: scores per organisatie voor basis- en algemene kosten, vermeerderd met toe­slagen voor de grootte en het niveau van de organisatie, dan wel van de artistieke leiding, alsmede voor specifieke kosten van muziekkorpsen; de geldwaarde van de score wordt als volgt berekend: het voor het uitvoeren van de verordening voor het desbetreffend jaar beschikbare bedrag op de ge­meentebegroting gedeeld door het totaal van de scores van de subsidiabele organisaties voor het desbetreffend jaar; voor de basis- en algemene kosten ontvangt de organisatie een basisbudget. De score bedraagt: 2. 2.De indeling in grootteklasse geschiedt jaarlijks aan de hand van het werkelijk aan­tal actieve leden per peildatum 31 december van het voorgaande jaar van het jaar van indiening. De indeling in niveaus geschiedt per peildatum 31 december van het voorgaande jaar aan de hand van de door de organisatie overgelegde be­scheiden. Bij het niet binnen de gestelde termijnen, zoals bedoeld in artikel 5 van deze paragraaf, overleggen van de vereiste diploma's wordt de organisatie inge­deeld in niveau I. Een muziekkorps wordt ingedeeld aan de hand van bewijsstuk­ken van de klassering door de erkende landelijke muziekfederatie, waarbij het korps is aangesloten. 3.Voor het toekennen van de toeslagen worden de organisaties als volgt onderver­deeld en zijn per sectie de volgende scores van toepassing: A. Muziekkorpsen. 1. Groottetoeslag: grootteklasse I: score 0: indien de organisatie minder dan 55 actieve leden heeft; grootteklasse II: score 2: indien de organisatie 55 tot 95 actieve leden heeft; grootteklasse III: score 4: indien de organisatie tenminste 95 actieve leden heeft. 2. Niveautoeslag: niveau I: score 0: indien het hoofdkorps speelt in de introductieafdeling c.q. divisi van de Koninklijke Nederlandse Federatie van Muziekverenigingen c.q. de Brabantse Bond van Muziekverenigingen en/of indien de organisatie te kennen heeft gegeven niet aan een kwalificatieconcours te willen deelnemen; niveau II: score 2: indien het hoofdkorps speelt in de introductiedivisie van de Koninklijke Nederlandse Federatie van Muziekverenigingen c.q. de Brabantse Bond van Muziek­verenigingen; niveau III score 4: indien het hoofdkorps speelt in de 4e of 5e divisie dan wel promotieklasse van de Koninklijke Nederlandse Federatie van Muziekverenigingen c.q. de Brabantse Bond van Muziekverenigingen; niveau IV score 6: indien het hoofdkorps speelt in de 1e, 2e of 3e divisie dan wel de kampioensklasse van de Koninklijke Nederlandse Federatie van Muziekverenigingen c.q. de Bra­bantse Bond van Muziekverenigingen. 3. Specifieke toeslag voor opleiding en instrumentarium: categorie I: score 1: indien de organisatie is ingedeeld in niveau I; categorie II: score 2: indien de organisatie is ingedeeld in niveau II of hoger en minder dan 95 actie­ve leden heeft; categorie III: score 3: indien de organisatie is ingedeeld in niveau II of hoger en tenminste 95 actieve leden heeft. B. Vocale ensembles. 1. Groottetoeslag: grootteklasse I: score 0:indien de organisatie minder dan 70 actieve leden heeft; grootteklasse II: score 2: indien de organisatie tenminste 70 actieve leden heeft. 2. Niveautoeslag: niveau I: score 0: indien de dirigent niet in het bezit is van een voor niveau II of hoger vereist diploma; niveau II: score 1: indien de dirigent in het bezit is van het Getuigschrift Ensemblebegeleiding (1-jarige cursus), o.a. onderdeel van de opleiding Docent Muziek (voorheen schoolmuziek) niveau III: score 2: indien de dirigent in het bezit is van een einddiploma Docent Muziek van een van rijkswege erkend conservatorium dan wel van een vergelijkbaar diploma, zoals de Meerjarige Dirigenten opleiding van het Centrum voor Amateurkunst, die opleidt tot het landelijk erkende diploma Amateur-Koordirigent; 2.4.niveau IV: score 3: indien de dirigent in het bezit is van een Bachelor diploma Koordirectie (voorheen Praktijkdiploma) van een van rijkswege erkend conservatorium. niveau V: score 4; indien de dirigent in het bezit is van een Master diploma Koordirectie (voorheen Uitvoerend Musicus/Tweede Fase) van een van rijkswege erkend conservatorium. C. Instrumentale ensembles. 1. Groottetoeslag: grootteklasse I: score 0: indien de organisatie minder dan 40 actieve leden heeft; grootteklasse II: score 2: indien de organisatie tenminste 40 actieve leden heeft; grootteklasse III: score 4: indien de organisatie tenminste 55 actieve leden heeft. 2. Niveautoeslag: niveau I: score 0: indien de dirigent niet in het bezit is van een voor niveau II of hoger vereist diploma; niveau II: score 2: indien de dirigent in het bezit is van een Bachelor-diploma directie (HaFaBra-, Koor- en Orkest) van een van rijkswege erkend conservatorium of van een vergelijkbaar, voor de leiding van betreffende organisaties, relevant diploma; niveau III: score 4: indien de dirigent in het bezit is van een Master-diploma Koor en Orkestdirectie van een van rijkswege erkend conservatorium of van een vergelijkbaar, relevant diploma; niveau III: score 6: indien het een symfonieorkest betreft en de dirigent in het bezit is van een Master diploma Koor- en Orkestdirectie van een van rijkswege erkend conservatorium of van een vergelijkbaar, relevant diploma. D. Theatergroepen. I. Groottetoeslag: grootteklasse I: score 0: indien de organisatie minder dan 30 actieve leden heeft; grootteklasse II: score 2: indien de organisatie tenminste 30 actieve leden heeft. 2. Niveautoeslag: niveau I: score 0: indien de regisseur niet in het bezit is van een voor niveau II of hoger vereist diploma; niveau II: score 2: indien de regisseur in het bezit is van een diploma van een regieopleiding van het Landelijk Centrum voor Amateur-theater of van een vergelijkbaar diploma c.q. ervaringsniveau; niveau III: score 4: indien de regisseur in het bezit is van een einddiploma drama of regie van een van rijkswege erkende theatervakopleiding of van een vergelijkbaar diploma c.q. ervaringsniveau. E. Muziektheatergroepen. I. Groottetoeslag: grootteklasse I: score 0: voor elke organisatie. 2. Niveautoeslag: niveau I: score 0: indien noch de dirigent noch de regisseur in het bezit is van een voor niveau II of hoger vereist diploma; niveau II: score 4: indien alleen de dirigent of de regisseur in het bezit is van het voor niveau III vereiste diploma; niveau III: score 8: indien: de dirigent in het bezit is van een einddiploma koor- of orkestdirectie van een van rijkswege erkend conservatorium of van een vergelijkbaar diplo­ma; en de regisseur in het bezit is van een einddiploma van een van rijkswege er­kende theatervakopleiding of van een vergelijkbaar diploma. F. Dansgroepen: 1. Groottetoeslag: grootteklasse I: score 0: indien de organisatie minder dan 50 actieve leden heeft; grootteklasse II: score 2: indien de organisatie 50-100 actieve leden heeft; grootteklasse III: score 4: indien de organisatie tenminste 100 actieve leden heeft. 2. Niveautoeslag: niveau I: score 0: indien de artistiek leider niet in het bezit is van een voor niveau II vereist diploma; niveau II: score 2: indien de artistiek leider in het bezit is van: voor dansgroepen: een docentdiploma dansvakopleiding of van een vergelijkbaar diploma. voor volksdansgroepen: een diploma Volksdansleider van het Landelijk Centrum voor Amateur-dans of van een vergelijkbaar diploma; G. Groepen voor beeldende kunst. 1. Groottetoeslag: grootteklasse I: score 1: indien de organisatie minder dan 120 actieve leden heeft; grootteklasse II: score 3: indien de organisatie 120-150 actieve leden heeft; grootteklasse III: score 5: indien de organisatie tenminste 150 actieve leden heeft. 2. Niveautoeslag: niveau I: score 0: indien de artistiek leider niet in het bezit is van een voor niveau II of hoger vereist diploma; niveau II: score 4: indien de artistiek leider in het bezit is van een diploma van een voor de op­leiding van de desbetreffende organisatie relevante vakopleiding of van een vergelijkbaar diploma; niveau III: score 6: indien de artistiek leider in het bezit is van een einddiploma van een voor de leiding van de desbetreffende organisatie relevante van rijkswege erkende kunstvakopleiding of van een vergelijkbaar diploma. H. Groepen voor audiovisuele kunst. 1. Groottetoeslag: grootteklasse I: score 1: indien de organisatie minder dan 75 actieve leden heeft; grootteklasse II: score 2: indien de organisatie tenminste 75 actieve leden heeft en is ingedeeld in niveau II. 2. Niveautoeslag: niveau I: score 0: indien de artistiek leider niet in het bezit is van een voor niveau II vereist diploma; nieau II: score 2: indien de artistiek leider in het bezit is van een einddiploma van een voor de leiding van de desbetreffende organisatie relevante van rijkswege erkende kunstvakopleiding. 4.Het college kan voor het toekennen van toeslagen op grond van het derde lid na advies van een op het desbetreffende gebied erkend instituut of landelijke orga­nisatie afwijken van het in het derde lid bepaalde. 5.Indien niet aan alle subsidievoorwaarden wordt voldaan, kan het subsidiebedrag worden teruggebracht tot alleen het basisbudget. Artikel7.Subsisdieplafond 1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten be­trekking op hebben. 2.Indien het bedrag waarvoor op grond van deze verordening subsidie zou moeten worden verleend aan degenen die daartoe tijdig een aanvraag hebben ingediend groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, wor­den de betrokken subsidies naar evenredigheid verminderd op grondslag van het subsidieplafond. Artikel8.Vaststelling. 1.De subsidieontvanger dient de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij het college voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie is ver­leend. 2.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de overleggen gegevens bij de aanvraag tot vaststelling van subsidie, verstrekt de subsidie­ontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling de vol­gende gegevens: de goedgekeurde jaarrekening van het jaar waarop de vaststelling betrekking heeft; een betaalbewijs van lidmaatschap van de landelijke koepelorganisatie, waar­bij de organisatie per 31 december van het jaar waarop de vaststelling betrek­king heeft was aangesloten; een lijst van actieve leden per 31 december van het jaar waarop de vaststelling betrekking heeft, met per actief lid vermelding van naam, adres, functie(
  11. s)bin­nen de organisatie en lengte van diens lidmaatschap van de desbetreffende organisatie; een staat van wekelijkse repetities en werkbijeenkomsten met vermelding van adres(sen) van de repetities en bijeenkomsten en van de naam van de artistiek leider(s); bewijsstukken van in de gemeente Eindhoven gerealiseerde openbare uit­voeringen c.q. presentaties met nieuwe producties c.q. nieuwe werken in het jaar waarvoor subsidie is verleend; opgave van mutaties in het desbetreffend jaar ten aanzien van de artistieke leiding, vergezeld van een kopie van het voor de niveau-indeling vereiste diploma van een nieuwe leider. Een muziekkorps overlegt een (mutatie)bewijs van klassering door de landelijke muziekfederatie, waarbij de organisatie is aangesloten. 3.De subsidie wordt vastgesteld door het college uiterlijk voor 1 januari volgend op het jaar waarin de gegevens, zoals be­doeld in dit artikel, zijn ingediend. 4.In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid worden subsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 4 maanden na afloop van het boekjaar waarvoor subsidie is verleend. 5.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het vierde lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Sub-paragraaf3.1.2.Gilden. Artikel1.Begripsomschrijvingen. In deze paragraaf wordt verstaan onder: gilde: een in de gemeente Eindhoven gevestigde en werkzame rechtspersoon, die vanuit een eeuwenoud verleden de specifieke gildentradities -waarbij in oor­sprong een of ander sociaal, charitatief of geestelijk doel voorop stond - in stand houdt en daaraan op al of niet vernieuwende wijze uitvoering geeft; gilde-attributen: de bij een gilde in gebruik zijnde trommen, vendels, gildezilver, uniformen en schietuitrustingen; specifieke gilde-activiteiten: vendelzwaaien, trommelen, (vogel)schieten, deel­nemen aan en organiseren van gilde kringdagen en het zich geüniformeerd pre­senteren tijdens openbare evenementen; actieve leden: contributie betalende leden van een gilde, die de activiteiten uit­voeren. Artikel2.Subsidieverlening. 1.Het college kan een duursubsidie verlenen voorhet in stand houden van de van oudsher in de gemeente Eindhoven gevestigde en actief bestaande gilden indien en voor zover passend binnen het gemeentelijk beleid. 2.Subsidie kan worden verleend indien: het gilde in de loop van het jaar tenminste vier keer in het openbaar optreedt op met specifieke gildenactiviteiten; en tenminste 50% van de actieve leden woonachtig is in de gemeente Eindhoven. Artikel3.Subsidieaanvragers. 1.Voor subsidie komen slechts in aanmerking komen de van oudsher in de gemeen­te Eindhoven gevestigde en actief bestaande gilden welke zijn aangesloten bij de Bond van Schuttersgilden Kring Kempenland en waarvan het schutterslokaal, de gildenkamer en het schietterrein zijn gelegen in de gemeente Eindhoven. 2.Indien sprake is van heroprichting kan het college gilden voor subsidiëring in aan­merking laten komen na twee volle kalenderjaren gerekend vanaf de datum van statutaire oprichting. 3.Voordat het college op de aanvraag van een gilde, zoals bedoeld in het tweede lid beslissen, vragen zij via het District Centrum van de Bond van Schuttersgilden Kring Kempenland advies. Artikel4.Indieningtermijn aanvraag. Een aanvraag voor subsidie moet worden ingediend vóór 1 mei van het jaar vooraf­gaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Artikel5.Subsidieaanvraag. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen gege­vens bij de subsidieaanvraag, dienen bij de aanvraag om subsidie de volgende be­scheiden te worden overgelegd: de door het bevoegde bestuursorgaan van het gilde vastgestelde jaarrekening van het voorafgaande jaar; een verklaring van lidmaatschap van de Bond van Schuttersgilden Kring Kempen­land; een door het bevoegde bestuursorgaan van het gilde vastgestelde lijst van actie­ve leden naar de situatie per 31 december van het jaar waarop de in te dienen jaarrekening betrekking heeft, met per actief lid vermelding van naam, woon­plaats, functie(
  12. s)binnen het gilde en van de in het desbetreffende jaar betaalde contributie; en een door het bevoegd bestuursorgaan van het gilde vastgesteld activiteitenover­zicht, gespecificeerd naar datum, plaats en aard van de activiteit. Artikel6.Advisering. Voordat het college op de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 4 beslist, vraagt zij via het District Centrum van de Bond van Schuttersgilden Kring Kempenland advies. Artikel7.Subsidiebedrag. 1.Als grondslagen voor de berekening van de subsidie worden gehanteerd: een basisbudget ter grootte van 50% van de uitgaven ten behoeve van huis­vesting en gildenattributen tot een maximum van € 600,--; en een bedrag per actief lid. 2.De hoogte van het bedrag, zoals bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt als volgt berekend: het voor het uitvoeren van deze regeling voor het desbetreffende jaar beschikbare bedrag op de gemeentebegroting na aftrek van de voor toepassing van het eerste lid, onder a benodigde subsidie, gedeeld door het totaal aantal ac­tieve leden van de gilden naar de situatie per de in het derde lid bepaalde datum. 3.Het aantal actieve leden wordt berekend naar de situatie per 31 december van het jaar waarop de in artikel 5 bedoelde jaarrekening betrekking heeft. 4.Op grond van het eerste lid, onder a zijn subsidiabel: wat betreft huisvesting: de uitgaven ten behoeve van huur, hypotheekrente, afschrijving en onder­houd van het schutterslokaal, de gildenkamer en het schietterrein; wat betreft gildenattributen: de uitgaven ten behoeve van aanschaf, afschrij­ving en onderhoud van gildenattributen. Artikel8.Subsidieplafond. 1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben. 2.Indien het bedrag waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie zou moeten worden verleend aan degenen die daartoe tijdig een aanvraag hebben ingediend groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, wor­den de betrokken subsidies naar evenredigheid verminderd op grondslag van het subsidieplafond. Artikel9.Vaststelling. 1.De subsidieontvanger dient de aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij het college in voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie is ver­leend. 2.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de te overleggen gegevens bij de aanvraag tot vaststelling van subsidie, dienen bij de aanvraag tot vaststelling de volgende bescheiden te worden overgelegd: de door het bevoegde bestuursorgaan van het gilde vastgestelde jaarrekening van het voorafgaande jaar; een verklaring van lidmaatschap van de Bond van Schuttersgilden Kring Kem­penland; een door het bevoegde bestuursorgaan van het gilde vastgestelde lijst van actieve leden naar de situatie per 31 december van het jaar waarop de in te dienen jaarrekening betrekking heeft, met per actief lid vermelding van naam, woonplaats, functie(
  13. s)binnen het gilde en van de in het desbetreffende jaar betaalde contributie; en een door het bevoegd bestuursorgaan van het gilde vastgesteld activiteiten­overzicht, gespecificeerd naar datum, plaats en aard van de activiteit. 3.De subsidie wordt door het college vastgesteld uiterlijk voor 1 januari volgend op het jaar waarin de gegevens, zoals bedoeld in dit artikel zijn ingediend. 4.In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid worden subsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 4 maanden na afloop van het boekjaar waarvoor subsidie is verleend. 5.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het vierde lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Sub-paragraaf3.1.3.Amateurkunst incidenteel. Artikel1.Begripsomschrijvingen. In deze paragraaf wordt verstaan onder: activiteiten: de gebruikelijke artistiek gerichte werkzaamheden van een organisa­tie binnen de onderscheiden secties van amateurkunst; amateurkunst: niet-beroepsmatige beoefening van kunst in verenigingsverband; openbare uitvoering/presentatie: een in het algemeen door de organisatie zelf in Eindhoven georganiseerde, voor het algemeen publiek openbaar toegankelijke volwaardige voorstelling of expositie binnen de in de verordening onderscheiden secties van amateurkunst, waaraan door publiciteit, zoals via de media, affiches en programmabladen, bekendheid wordt gegeven. Een tentoonstelling is ten­minste gedurende een geheel weekend openbaar toegankelijk; organisatie: een in de gemeente Eindhoven gevestigde en werkzame rechtsper­soon zijnde een vereniging, die als primaire doelstelling heeft het niet beroeps­matig beoefenen van een binnen de paragraaf "stimulering amateurkunst", on­derscheiden sectie van kunst en waarvan de activiteiten voornamelijk openbaar toegankelijk zijn. Artikel2.Subsidieverlening. 1.Het college kan een incidentele subsidie verlenen ter stimulering van bijzondere activiteiten welke plaatsvinden in de gemeente Eindhoven op het gebied van de amateurkunst. 2.De volgende activiteiten komen voor subsidie in aanmerking: activiteiten in het kader van culturele uitwisseling tussen een in de gemeente Eindhoven gevestigde en een in het buitenland gevestigde organisatie; bijzondere activiteiten; activiteiten van niet westerse (amateur)kunst en niet westerse amateurkunst beoefening met bijbehorende randactiviteiten waarbij zowel een artistieke als sociale dialoog kan ontstaan, met als voorwaarde dat de activiteit in de ge­meente Eindhoven plaatsvindt, de activiteit gratis is zodat er geen drempel is om deze te bezoeken, de activiteit minimaal 100 bezoekers zal trekken en een multiculturele uitstraling naar de stad heeft; nieuwe activiteiten met een beoogd permanent karakter, waarvan de levens­vatbaarheid nog moet worden bewezen. 3.Voor activiteiten, zoals bedoeld in het tweede lid, onder a en b, kunnen alleen or­ganisaties aanspraak op subsidie maken, zoals genoemd in de paragraaf "stimu­lering amateurkunst" aanspraak op subsidie maken. 4.De activiteiten genoemd in het tweede lid, onder a, kunnen voorts slechts voor subsidie in aanmerking komen indien: deze voornamelijk in de gemeente Eindhoven plaatsvinden gedurende ten­minste twee achtereenvolgende dagen; bestaan uit tenminste één openbare uitvoering of tentoonstelling in de ge­meente Eindhoven door de gastorganisatie; de in Eindhoven gevestigde organisatie reeds een tegenbezoek aan de gast­organisatie in het desbetreffend land heeft gebracht met aldaar tenminste één openbare uitvoering of tentoonstelling of kan aantonen dit tegenbezoek bin­nen één jaar te realiseren; of de leden van de gastorganisatie tijdens het bezoek zoveel mogelijk op gast­adressen worden ondergebracht. 5.De activiteiten, zoals bedoeld in het tweede lid onder b, dienen van een zodanige kwaliteit opzet en financiële omvang in relatie tot de financiële positie van de organisatie te zijn, dat niet mag worden verondersteld, dat deze kunnen worden uitgevoerd binnen de werking van de paragraaf "stimulering amateurkunst". 6.De activiteiten, zoals bedoeld in het tweede lid onder d dienen een aantoonbare additionele waarde te bezitten en komen maximaal één keer per jaar gedurende maximaal twee achtereenvolgende jaren voor subsidie in aanmerking. 7.Bij de beoordeling van de aanvraag wordt verder betrokken: de kwaliteit van de uitvoering/presentatie; het eigen karakter van de uitvoering/presentatie; de zeggingskracht van de uitvoering/presentatie; de adequate uitvoering van de uitvoering/presentatie Artikel3.Subsidieaanvragers. Voor subsidie komen slechts in aanmerking organisaties zoals bedoeld in artikel 1. Artikel4.Indieningtermijn aanvraag. 1.Een aanvraag voor subsidie moet worden ingediend tenminste 12 weken voordat de activiteit plaatsvindt. 2.Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken indien gemotiveerd kan worden aangetoond dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op kortere termijn moeten worden georganiseerd. Artikel5.Subsidiebedrag. 1.Als grondslag voor de berekening van het subsidiebedrag wordt gehanteerd: de ingediende begroting en het activiteitenplan; de verhouding tussen de kosten van de activiteiten in relatie tot de aard en de omvang van de activiteiten. 2.Het subsidiebedrag bedraagt niet meer dan het exploitatietekort tot een maxi­mum van € 3.500,--. Artikel6.Subsidieplafond. 1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben. 2.Van de jaarlijks storting in de reserve zal tenminste eenderde deel beschikbaar zijn voor vocale ensembles voor de in artikel 2, tweede lid, onder b bedoelde activiteiten. 3.Indien het bedrag waarvoor op grond van deze verordening subsidie zou moeten worden verleend aan degenen die een aanvraag hebben ingediend welke gelijk­tijdig met elkaar beoordeeld worden, groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, geeft het college prioriteit aan de aanvragen waar­van de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen meer van belang is voor de stimulering van bijzondere activiteiten op het gebied van de amateurkunst en meer zal bijdragen aan de verwezenlijking van het doel waarvoor subsidiegelden in het kader van deze paragraaf beschikbaar zijn gesteld. Artikel7.aanvraag tot vaststelling van subsidie. 1.De subsidieontvanger dient een aanvraag tot subsidievaststelling in bij het college binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden subsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht. 3.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Sub-paragraaf3.1.4.Cultuurspreiding. Artikel1.Begripsomschrijvingen. In deze paragraaf wordt verstaan onder: culturele activiteiten: voorstellingen op het terrein van toneel, muziek, dans, mime, film en andere audiovisuele activiteiten, literaire manifestaties, tentoon­stellingen op het terrein van beeldende kunst, vormgeving en architectuur als­mede evenementen die ten doel hebben aandacht te vragen voor zaken van historische waarden. centrale culturele instellingen: Stadsschouwburg, Muziekcentrum Frits Philips, Centrum voor de Kunsten Eindhoven, Openbare Bibliotheek Eindhoven, De Krabbedans, Museum Kempenland, Plaza Futura, De Effenaar, Pop-Ei, Het Klein en het Prehistorisch Huis. Artikel2.Subsidieverlening. 1.Het college kan ter spreiding van cultuur een incidentele subsidie verlenenvoor het organiseren van professionele culturele activiteiten in wijken en buurten van Eindhoven. 2.Om in aanmerking te komen voor subsidie dienen de activiteiten: van professionele aard te zijn; inhoudelijk en organisatorisch van voldoende kwaliteit te zijn; en een openbaar karakter te hebben. 3.Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten: die georganiseerd worden door de centrale culturele instellingen; waarvan de organisatoren en uitvoerenden dezelfde personen zijn; waarvoor de gemeente reeds op een andere wijze subsidie verleent. Artikel3.Subsidieaanvragers./ Voor subsidie kunnen in aanmerking komen natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel4.Indieningtermijn aanvraag. 1.Een aanvraag voor subsidie moet worden ingediend tenminste vier weken voor­dat de activiteit plaatsvindt. 2.Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken indien ge­motiveerd kan worden aangetoond dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op kortere termijn moet worden georganiseerd. Artikel5.Subsidiebedrag. Het subsidiebedrag wordt bepaald aan de hand van het exploitatietekort van de acti­viteit met een maximum van € 700,--. Bij uitzonderlijke kwaliteit, omvang en kosten en bij wijk/buurtoverschrijdende evenementen kan een hogere subsidie worden ver­leend. Artikel6.Subsidieplafond. 1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben. 2.Indien het bedrag waarvoor op grond van alle tijdig ingediende aanvragen subsi­die wordt gevraagd groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestel­de subsidieplafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aanvrage

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.