Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 (Gelderland)
Waar gaat deze regeling over?
Deze regeling beschrijft de voorwaarden voor het aanvragen van subsidies voor activiteiten die bijdragen aan de vitaliteit van Gelderland, specifiek gericht op natuur, landschap en leefomgeving. Het gaat om financiële ondersteuning voor projecten die de kwaliteit van het Gelderse landschap verbeteren, de Nationale Landschappen promoten en natuurbeheer met schaapskuddes ondersteunen.
Voor wie: Gemeenten; Bos- of landgoedeigenaren.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 498
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De aanleg en het herstel van landschapselementen en cultuurhistorische landschapselementen.
- De promotie en marketing van de Gelderse Nationale Landschappen.
- Het inzetten van gehoede schaapskuddes voor begrazing en het gebruik van schaapskooien.
- De voorwaarden waaronder subsidie wordt verstrekt, inclusief criteria, subsidiabele kosten en weigeringsgronden.
Voor wie geldt deze regeling?
- Gemeenten.
- Bos- of landgoedeigenaren.
- Rechtspersonen die niet gericht zijn op winst (voor promotie en marketing van Nationale Landschappen).
- Natuurlijke personen of rechtspersonen die zeggenschap hebben over een gebied of schaapskooi (voor natuurbeheer met schaapskuddes).
Wat zijn de kernpunten?
- Subsidie voor landschapselementen en cultuurhistorische landschapselementen kan tot 75% van de kosten bedragen voor gemeenten binnen Nationale Landschappen, en 50% daarbuiten, met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 200.000 per gemeente.
- Bos- en landgoedeigenaren kunnen tot 75% subsidie ontvangen, met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 200.000 per eigenaar.
- Voor promotie en marketing van Nationale Landschappen bedraagt de subsidie maximaal 50% van de kosten, met een minimum van € 25.000 per aanvraag en een maximum van € 70.000 per Nationaal Landschap.
- Voor het inzetten van gehoede schaapskuddes is er maximaal € 16.000 per jaar voor kuddes van 100-249 ooien en maximaal € 28.000 per jaar voor kuddes van ten minste 250 ooien; voor het gebruik van een schaapskooi is dit € 5.000 per jaar.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (498)
- Artikel 1.1.1.1
- Artikel 2.1.1.1
- Artikel 3.1.1.1
- Artikel 3.1.1.2
- Artikel 3.1.1.3
- Artikel 3.1.1.4
- Artikel 3.1.1.5
- Artikel 3.1.1.6
- Artikel 3.1.1.7
- Artikel 3.1.1.8
- Artikel 3.1.2.1
- Artikel 3.1.2.2
- Artikel 3.1.2.3
- Artikel 3.1.2.4
- Artikel 3.1.2.5
- Artikel 3.1.3.1
- Artikel 3.1.3.2
- Artikel 3.1.3.3
- Artikel 3.1.3.4
- Artikel 3.1.3.5
- Artikel 3.1.3.6
- Artikel 3.1.3.7
- Artikel 3.1.3.8
- Artikel 3.1.3.9
- Artikel 3.1.4.1
- Artikel 3.1.4.2
- Artikel 3.1.4.3
- Artikel 3.1.4.4
- Artikel 3.1.4.5
- Artikel 3.1.4.6
- Artikel 3.1.4.7
- Artikel 3.1.4.8
- Artikel 3.1.4.9
- Artikel 4.1.1.1
- Artikel 4.1.2.1
- Artikel 4.1.2.2
- Artikel 4.1.2.3
- Artikel 4.1.3.1
- Artikel 4.1.3.2
- Artikel 4.1.3.3
- Artikel 4.1.3.5
- Artikel 4.1.4.1
- Artikel 4.1.4.2
- Artikel 4.1.4.3
- Artikel 4.1.4.4
- Artikel 4.1.5.1
- Artikel 4.1.5.2
- Artikel 4.1.5.3
- Artikel 4.1.6.1
- Artikel 4.1.6.2
- Artikel 4.1.6.3
- Artikel 4.1.6.4
- Artikel 4.1.7.1
- Artikel 4.1.7.2
- Artikel 4.1.7.3
- Artikel 4.1.8.1
- Artikel 4.1.8.2
- Artikel 4.1.8.3
- Artikel 4.1.9.1
- Artikel 4.1.9.2
- Artikel 4.1.9.3
- Artikel 4.2.1.1
- Artikel 4.2.2.1
- Artikel 4.2.2.2
- Artikel 4.2.2.3
- Artikel 4.2.2.4
- Artikel 4.2.2.5
- Artikel 4.2.3.1
- Artikel 4.2.3.2
- Artikel 4.2.3.3
- Artikel 4.2.3.4
- Artikel 4.2.3.5
- Artikel 4.2.4.1
- Artikel 4.2.4.2
- Artikel 4.2.4.3
- Artikel 4.2.4.4
- Artikel 4.2.4.5
- Artikel 4.2.4.6
- Artikel 4.2.4.7
- Artikel 4.4.1.1
- Artikel 4.4.1.2
- Artikel 4.4.1.3
- Artikel 4.4.1.4
- Artikel 4.4.1.5
- Artikel 4.5.1.1
- Artikel 4.5.1.2
- Artikel 4.5.1.3
- Artikel 4.5.1.4
- Artikel 4.5.1.5
- Artikel 4.5.1.6
- Artikel 4.5.1.7
- Artikel 5.2.1.1
- Artikel 5.2.2.1
- Artikel 5.2.2.2
- Artikel 5.2.2.3
- Artikel 5.2.2.4
- Artikel 5.2.3.1
- Artikel 5.2.3.2
- Artikel 5.2.3.3
- Artikel 5.2.3.4
- Artikel 5.2.3.5
- Artikel 5.2.4.1
- Artikel 5.2.4.2
- Artikel 5.2.4.3
- Artikel 5.2.4.4
- Artikel 5.2.4.5
- Artikel 5.3.1.1
- Artikel 5.3.1.2
- Artikel 5.3.1.3
- Artikel 5.3.1.4
- Artikel 5.3.1.5
- Artikel 5.3.1.6
- Artikel 5.3.1.7
- Artikel 5.3.1.8
- Artikel 5.3.1.9
- Artikel 5.4.1.1
- Artikel 5.4.1.2
- Artikel 5.4.1.3
- Artikel 5.4.1.4
- Artikel 5.4.1.5
- Artikel 5.5.1.1
- Artikel 5.5.1.2
- Artikel 5.5.1.3
- Artikel 5.5.2.1
- Artikel 5.5.2.2
- Artikel 5.5.2.3
- Artikel 5.5.2.4
- Artikel 5.5.2.5
- Artikel 5.5.3.1
- Artikel 5.5.3.2
- Artikel 5.5.3.3
- Artikel 5.5.3.4
- Artikel 5.5.3.5
- Artikel 5.5.3.6
- Artikel 5.5.4.1
- Artikel 5.5.4.2
- Artikel 5.5.4.3
- Artikel 5.5.4.4
- Artikel 5.5.4.5
- Artikel 5.5.4.6
- Artikel 5.5.5.1
- Artikel 5.5.5.3
- Artikel 5.5.5.4
- Artikel 5.5.5.5
- Artikel 5.5.5.6
- Artikel 5.5.6.1
- Artikel 5.5.6.2
- Artikel 5.5.6.3
- Artikel 5.5.6.4
- Artikel 5.5.6.5
- Artikel 5.6.1.1
- Artikel 5.6.2.1
- Artikel 5.6.2.2
- Artikel 5.6.2.3
- Artikel 5.6.2.4
- Artikel 5.6.2.5
- Artikel 5.6.3.1
- Artikel 5.6.3.2
- Artikel 5.6.3.3
- Artikel 5.6.3.4
- Artikel 5.6.4.1
- Artikel 5.6.4.2
- Artikel 5.6.4.3
- Artikel 5.6.5.1
- Artikel 5.6.5.2
- Artikel 5.6.5.3
- Artikel 5.6.5.4
- Artikel 5.6.6.1
- Artikel 5.6.6.2
- Artikel 5.6.6.3
- Artikel 5.6.6.4
- Artikel 5.6.7.1
- Artikel 5.6.7.2
- Artikel 5.6.7.3
- Artikel 5.6.7.4
- Artikel 5.6.8.1
- Artikel 5.6.8.2
- Artikel 5.6.8.3
- Artikel 5.6.8.4
- Artikel 5.6.8.5
- Artikel 5.6.8.6
- Artikel 5.6.9.1
- Artikel 5.6.9.2
- Artikel 5.6.9.3
- Artikel 5.6.9.4
- Artikel 5.6.10.1
- Artikel 5.6.10.2
- Artikel 5.6.10.3
- Artikel 5.6.10.4
- Artikel 5.6.11.1
- Artikel 5.6.11.2
- Artikel 5.6.11.3
- Artikel 5.6.11.4
- Artikel 5.6.11.5
- Artikel 5.7.1.1
- Artikel 5.7.2.1
- Artikel 5.7.2.2
- Artikel 5.7.2.3
- Artikel 5.7.2.4
- Artikel 5.7.2.5
- Artikel 5.7.2.6
- Artikel 5.7.3.1
- Artikel 5.7.3.2
- Artikel 5.7.3.3
- Artikel 5.7.3.4
- Artikel 5.7.3.5
- Artikel 5.7.3.6
- Artikel 5.7.4.1
- Artikel 5.7.4.2
- Artikel 5.7.4.3
- Artikel 5.7.4.4
- Artikel 5.7.4.5
- Artikel 5.7.4.6
- Artikel 5.7.4.7
- Artikel 5.7.4.8
- Artikel 5.7.5.1
- Artikel 5.7.5.2
- Artikel 5.7.5.3
- Artikel 5.7.5.4
- Artikel 5.7.5.5
- Artikel 5.7.6.1
- Artikel 5.7.6.2
- Artikel 5.7.6.3
- Artikel 5.7.6.4
- Artikel 5.7.6.5
- Artikel 5.7.7.1
- Artikel 5.7.7.2
- Artikel 5.7.7.3
- Artikel 5.7.7.4
- Artikel 5.7.7.5
- Artikel 5.7.7.6
- Artikel 5.7.7.7
- Artikel 5.7.9.1
- Artikel 5.7.9.2
- Artikel 5.7.9.3
- Artikel 5.7.9.4
- Artikel 5.7.10.1
- Artikel 5.7.10.2
- Artikel 5.7.10.3
- Artikel 5.7.10.4
- Artikel 5.7.11.1
- Artikel 5.7.11.2
- Artikel 5.7.11.3
- Artikel 5.7.11.4
- Artikel 5.7.11.5
- Artikel 5.7.11.6
- Artikel 5.7.11.7
- Artikel 5.8.1.1
- Artikel 5.8.2.1
- Artikel 5.8.2.2
- Artikel 5.8.2.3
- Artikel 5.8.2.4
- Artikel 5.8.2.5
- Artikel 5.8.3.1
- Artikel 5.8.3.2
- Artikel 5.8.3.3
- Artikel 5.8.3.4
- Artikel 5.8.3.5
- Artikel 5.8.3.6
- Artikel 5.8.4.1
- Artikel 5.8.4.2
- Artikel 5.8.4.3
- Artikel 5.8.4.4
- Artikel 5.8.5.1
- Artikel 5.8.5.2
- Artikel 5.8.5.3
- Artikel 5.8.5.4
- Artikel 5.8.5.5
- Artikel 5.8.5.6
- Artikel 5.8.6.1
- Artikel 5.8.6.2
- Artikel 5.8.6.3
- Artikel 5.8.6.4
- Artikel 5.8.6.5
- Artikel 5.8.6.6
- Artikel 5.8.6.7
- Artikel 5.8.6.8
- Artikel 5.8.7.1
- Artikel 5.8.7.2
- Artikel 5.8.7.3
- Artikel 5.8.7.4
- Artikel 5.8.7.5
- Artikel 5.8.9.1
- Artikel 5.8.9.2
- Artikel 5.8.9.3
- Artikel 5.8.9.4
- Artikel 5.8.9.5
- Artikel 5.8.9.6
- Artikel 5.8.10.1
- Artikel 5.8.10.2
- Artikel 5.8.10.3
- Artikel 5.8.10.4
- Artikel 5.8.11.1
- Artikel 5.8.11.2
- Artikel 5.8.11.3
- Artikel 5.8.11.4
- Artikel 5.8.11.5
- Artikel 5.8.11.6
- Artikel 5.8.11.7
- Artikel 5.8.12.1
- Artikel 5.8.12.2
- Artikel 5.8.12.3
- Artikel 5.8.12.4
- Artikel 5.8.13.1
- Artikel 5.8.13.2
- Artikel 5.8.13.3
- Artikel 5.8.13.4
- Artikel 5.8.13.5
- Artikel 5.8.13.6
- Artikel 5.8.13.7
- Artikel 5.8.14.1
- Artikel 5.8.14.2
- Artikel 5.8.14.3
- Artikel 5.8.14.4
- Artikel 5.8.15.1
- Artikel 5.8.15.2
- Artikel 5.8.15.3
- Artikel 5.8.15.4
- Artikel 5.8.15.5
- Artikel 5.8.16.1
- Artikel 5.8.16.2
- Artikel 5.8.16.3
- Artikel 5.8.16.4
- Artikel 5.8.17.1
- Artikel 5.8.17.2
- Artikel 5.8.17.3
- Artikel 5.8.17.4
- Artikel 5.8.18.1
- Artikel 5.8.18.2
- Artikel 5.8.18.3
- Artikel 5.8.18.4
- Artikel 5.8.18.5
- Artikel 5.8.18.6
- Artikel 5.9.1.1
- Artikel 5.9.2.1
- Artikel 5.9.2.2
- Artikel 5.9.2.3
- Artikel 5.9.2.4
- Artikel 5.9.2.5
- Artikel 5.9.2.6
- Artikel 5.9.2.7
- Artikel 5.9.2.8
- Artikel 5.9.3.1
- Artikel 5.9.3.2
- Artikel 5.9.3.3
- Artikel 5.9.3.4
- Artikel 5.9.3.5
- Artikel 5.9.4.1
- Artikel 5.9.4.2
- Artikel 5.9.4.3
- Artikel 5.9.4.4
- Artikel 5.9.4.5
- Artikel 5.9.4.6
- Artikel 5.9.4.7
- Artikel 5.9.4.8
- Artikel 5.9.5.1
- Artikel 5.9.5.2
- Artikel 5.9.5.3
- Artikel 5.9.5.4
- Artikel 5.9.5.5
- Artikel 5.9.5.6
- Artikel 5.9.5.7
- Artikel 5.9.6.1
- Artikel 5.9.6.2
- Artikel 5.9.6.3
- Artikel 5.9.6.4
- Artikel 5.9.6.5
- Artikel 5.9.6.6
- Artikel 5.9.6.7
- Artikel 5.10.1.1
- Artikel 5.10.2.1
- Artikel 5.10.2.2
- Artikel 5.10.2.3
- Artikel 5.10.2.4
- Artikel 5.10.2.5
- Artikel 5.10.2.6
- Artikel 5.10.3.1
- Artikel 5.10.3.2
- Artikel 5.10.3.3
- Artikel 5.10.3.4
- Artikel 5.10.3.5
- Artikel 5.10.3.6
- Artikel 5.10.4.1
- Artikel 5.10.4.2
- Artikel 5.10.4.3
- Artikel 5.10.4.4
- Artikel 5.10.4.5
- Artikel 5.10.4.6
- Artikel 5.10.4.7
- Artikel 5.10.4.8
- Artikel 5.10.5.1
- Artikel 5.10.5.2
- Artikel 5.10.5.3
- Artikel 5.10.5.4
- Artikel 5.10.5.5
- Artikel 5.10.6.1
- Artikel 5.10.6.2
- Artikel 5.10.6.3
- Artikel 5.10.6.4
- Artikel 5.10.6.5
- Artikel 5.10.7.1
- Artikel 5.10.7.2
- Artikel 5.10.7.3
- Artikel 5.10.7.4
- Artikel 5.10.8.1
- Artikel 5.10.8.2
- Artikel 5.10.8.3
- Artikel 5.10.8.4
- Artikel 5.10.9.1
- Artikel 5.10.9.2
- Artikel 5.10.9.3
- Artikel 5.10.9.4
- Artikel 5.10.9.5
- Artikel 5.10.9.6
- Artikel 5.10.9.7
- Artikel 5.10.10.1
- Artikel 5.10.10.2
- Artikel 5.10.10.3
- Artikel 5.10.10.4
- Artikel 5.10.10.5
- Artikel 5.10.10.6
- Artikel 5.10.11.1
- Artikel 5.10.11.2
- Artikel 5.10.11.3
- Artikel 5.10.11.4
- Artikel 5.10.11.5
- Artikel 5.10.11.6
- Artikel 5.10.12.1
- Artikel 5.10.12.2
- Artikel 5.10.12.3
- Artikel 5.10.12.4
- Artikel 5.10.12.5
- Artikel 5.10.13.1
- Artikel 5.10.13.2
- Artikel 5.10.13.3
- Artikel 5.10.13.4
- Artikel 5.10.13.5
- Artikel 5.10.13.6
- Artikel 5.10.13.7
- Artikel 5.10.14.1
- Artikel 5.10.14.2
- Artikel 5.10.14.3
- Artikel 5.10.14.4
- Artikel 5.10.14.5
- Artikel 5.10.15.1
- Artikel 5.10.15.2
- Artikel 5.10.15.3
- Artikel 5.10.15.4
- Artikel 5.10.15.5
- Artikel 5.10.16.1
- Artikel 5.10.16.2
- Artikel 5.10.16.3
- Artikel 5.10.16.4
- Artikel 5.10.16.5
- Artikel 5.10.16.6
- Artikel 5.10.16.7
- Artikel 5.10.17.1
- Artikel 5.10.17.2
- Artikel 5.10.17.3
- Artikel 5.10.17.4
- Artikel 5.10.17.5
- Artikel 5.10.17.6
- Artikel 5.10.18.1
- Artikel 5.10.18.2
- Artikel 5.10.18.3
- Artikel 5.10.18.4
- Artikel 5.10.18.5
- Artikel 5.10.18.6
- Artikel 5.10.19.1
- Artikel 5.10.19.2
- Artikel 5.10.19.3
- Artikel 5.10.19.4
- Artikel 5.10.19.5
- Artikel 5.10.20.1
- Artikel 5.10.20.2
- Artikel 5.10.20.3
- Artikel 5.10.20.4
- Artikel 5.10.20.5
- Artikel 5.10.20.6
- Artikel 5.10.20.7
- Artikel 5.10.21.1
- Artikel 5.10.21.2
- Artikel 5.10.21.3
- Artikel 5.10.21.4
- Artikel 5.10.21.5
- Artikel 5.10.21.6
- Artikel 5.10.21.7
- Artikel 5.10.21.8
- Artikel 5.10.22.1
- Artikel 5.10.22.2
- Artikel 5.10.22.3
- Artikel 5.10.22.4
- Artikel 5.10.22.5
- Artikel 5.10.22.6
- Artikel 6.1.1.1
- Artikel 6.1.1.2
- Artikel 6.1.1.3
- Artikel 6.1.1.4
GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Gelet op artikel 1.2, tweede lid, van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011;
BESLUITEN Vast te stellen de volgende gewijzigde regeling: Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011
Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen
Artikel 1.1.1.1Begripsomschrijvingen
In deze regels wordt verstaan onder:
AsG: Algemene subsidieverordening Gelderland 1998; business case: een document waarin, in samenhang met de planning, de haalbaarheid, een exploitatiemodel en de risico's, het doel en de realisatie van een project wordt beschreven; eigenaar: natuurlijk persoon of rechtspersoon die de eigendom heeft over een zaak als bedoeld in artikel 5:1 Burgerlijk Wetboek; experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema's of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procedés of diensten; fundamenteel onderzoek: experimentele of theoretische activiteiten die voornamelijk worden verricht om nieuwe kennis te verwerven over de fundamentele aspecten van verschijnselen en waarneembare feiten, zonder dat hiermee een rechtstreekse praktische toepassing of gebruik wordt beoogd; grote onderneming: een onderneming die gelet op de grootte niet behoort tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling (EG) nr. 2003/361 van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124); industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de vervaardiging van onderdelen van complexe systemen, die noodzakelijk is voor industrieel onderzoek, met name voor algemene validering van technologieën, met uitzondering van prototypes; innovatie: het proces waarbij kennis en technologie, worden samengebracht met het benutten van marktkansen voor nieuwe of betere producten, diensten en zakelijke processen ten opzichte van wat al op de markt beschikbaar is; onderneming: elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd;
SvG: Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011.
Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen
Artikel 2.1.1.1Communautaire toetsingskader
Indien de verstrekking van subsidie als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moet worden aangemerkt, wordt de subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun (PbEU L 352).
Hoofdstuk 3 Natuur en Leefomgeving
Titel 3.1 Natuur en Landschap
Paragraaf 3.1.1 Landschap en Landgoederen
Artikel 3.1.1.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: bos- of landgoed: een voor het publiek opengestelde onroerende zaak, geheel of gedeeltelijk bezet met bossen, natuurterreinen of landschapselementen; bos- of landgoedeigenaar: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechthebbende is op een bos- of landgoed en de instandhouding daarvan nastreeft; cultuurhistorische landschapselementen: elementen die kenmerkend zijn voor de lokale ontstaansgeschiedenis van het landschap;
EHS: ecologische hoofdstructuur, zijnde een samenhangend netwerk van grote en kleine natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen, zoals begrensd door Provinciale Staten bij besluit van 1 juli 2009 (PS2009-260) of een daarvoor in de plaats tredende begrenzing; erfbeplanting: beplanting binnen het agrarisch bouwblok;
EVZ: ecologische verbindingszone, aangeduid in het Natuurbeheerplan Gelderland; hagen en heggen: opgaande lijnvormige elementen bestaande uit loofhoutsoorten, niet zijnde vlecht-, knip- of scheerheggen; klein historisch water: wielen en kolken; landschapselementen: groene opgaande elementen bestaande uit inheemse loofhoutsoorten;
Nationale Landschappen: Nationale Landschappen zoals aangewezen in de Uitwerking streekplan Gelderland 2005; poel: waterelement gelegen in een EVZ met als doeltype "kamsalamander" of waterelement dat bijdraagt aan instandhouding van de boomkikker, heikikker en kamsalamander;
Programma Buiten Gewoon Groen: programma waarin uitvoering wordt gegeven aan de Beleidsuitwerking natuur en landschap zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 27 juni 2012 (PS2012-401). rijks beschermde buitenplaatsen: buitenplaatsen aangewezen als rijksmonument;
Artikel 3.1.1.2Subsidiabele activiteit
1 Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1 van de SvG kan worden verstrekt voor: de aanleg van nieuwe en het herstel van bestaande landschapselementen en cultuurhistorische landschapselementen; de aanleg van poelen; het wegwerken van achterstallig onderhoud aan de volgende elementen: poelen; hagen en heggen en klein historisch water voor zover deze als identiteitsbepalend element zijn aangemerkt in het gemeentelijke landschapsbeleid; lanen ouder dan 60 jaar gelegen op landgoederen; de aanleg van eenvoudige openbaar toegankelijke onverharde paden; de aanleg van kleinschalige recreatieve voorzieningen; de aanleg van eenvoudige houten loopbruggetjes in openbaar toegankelijke routes wanneer de oorspronkelijke brug verdwenen is; educatieve voorlichting gericht op onderwijs, burgerparticipatie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij het landschap.
2 Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die plaatsvinden op terreinen in eigendom van een publiekrechtelijke rechtspersoon met uitzondering van de terreinen in eigendom van Staatsbosbeheer.
Artikel 3.1.1.3Criteria
1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de activiteiten, als bedoeld in artikel 3.1.1.2, passen binnen een (inter)gemeentelijk landschapsbeleid-, landschapsontwikkel- of landschapuitvoeringsplan of een daarmee vergelijkbaar plan dat door de gemeenteraad is vastgesteld; de nieuw aan te leggen landschapselementen, niet zijnde heggen en hagen, aan de volgende omvangscriteria voldoen: de aan te leggen houtopstanden omvatten tenminste 10 are; de aan te leggen rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, omvatten tenminste 20 bomen; de aan te leggen hoogstamfruitgaarden omvatten tenminste 15 en maximaal 50 bomen. poelen een minimale omvang hebben van 3 are en de poelen gelegen zijn op een locatie met grondwatertrap 3 of ondieper; heggen en hagen gelegen zijn buiten de EHS; de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.1.2, aanhef en onder a tot en met f, voldoen aan de normen uit het Normenboek Alterra.
2 Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie voor activiteiten die worden uitgevoerd op een bos- of landgoed slechts verstrekt indien: het bos- of landgoed tenminste 50 jaren bestaat; de activiteiten passen binnen een vastgesteld toekomstplan voor het bos- of landgoed en aantoonbaar en duurzaam bijdragen aan het behoud en de versterking van de in dat plan opgenomen landschappelijke kernkwaliteiten.
Artikel 3.1.1.4Subsidiabele kosten
De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking, kosten voor: natuurontwikkeling binnen de EHS; projectleiding, coördinatie, rapportage, verantwoording; planvorming; aankoop of verkoop van onroerende goederen en waardedaling van grond; ambtelijke inzet.
Artikel 3.1.1.5Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan: gemeenten; bos- of landgoedeigenaren.
Artikel 3.1.1.6Hoogte van de subsidie
1 De subsidie aan gemeenten bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten voor activiteiten binnen de begrenzing van de Nationale Landschappen. Voor activiteiten buiten de begrenzing van de Nationale Landschappen bedraagt de subsidie aan gemeenten ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.
2 Voor de subsidie aan gemeenten geldt een minimum van € 25.000 per subsidieaanvraag en een maximum van € 200.000 per gemeente.
3 De subsidie aan bos- en landgoedeigenaren bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 10.000 per subsidieaanvraag en een maximum van € 200.000 per bos- en landgoedeigenaar.
Artikel 3.1.1.7Weigeringsgrond
Subsidie wordt geweigerd indien het activiteiten betreft: binnen de begrenzing van een rijks beschermde buitenplaats; op agrarische bouwpercelen (erfbeplanting).
Artikel 3.1.1.8Verplichtingen
1 De subsidieontvanger is verplicht een de voortgangsrapportage, als bedoeld in artikel 4.4 van de AsG, te voorzien van een topografische kaart waarop de activiteiten op een topografische ondergrond zijn vastgelegd.
2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor subsidieontvangers die een subsidie ontvangen voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.1.2, eerste lid, aanhef en onder g.
Paragraaf 3.1.2 Promotie en marketing Nationale Landschappen
Artikel 3.1.2.1Subsidiabele activiteit
Subsidie, als bedoeld in artikel 3.1.1 van de SvG, kan worden verstrekt voor activiteiten ten behoeve van de generieke promotie en marketing van de Gelderse Nationale Landschappen.
Artikel 3.1.2.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien de activiteiten als genoemd in artikel 3.1.2.1 zijn opgenomen in een business case.
Artikel 3.1.2.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen die niet zijn gericht op het behalen van winst.
Artikel 3.1.2.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een: minimum van € 25.000 per aanvraag; en maximum van € 70.000 per Nationaal Landschap.
Artikel 3.1.2.5Verplichtingen
De subsidieontvanger is verplicht de voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 4.4 van de AsG uiterlijk op 1 juli van elk jaar volgend op het jaar waarin de subsidie is verstrekt te overleggen.
Paragraaf 3.1.3 Natuurbeheer met schaapskuddes en schaapskooien
Artikel 3.1.3.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: ambitiekaart: kaart als bedoeld in artikel 7 van de Subsidieverordening Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Gelderland; gehoede schaapskudde: een schaapskudde, bestaande uit minimaal 100 ooien van een zeldzaam schapenras, die wordt gehoed door een herder met gebruik van één of meer honden; beheersequivalent: een rekeneenheid bedoeld om de effectiviteit van het beheer te kunnen bepalen en gedefinieerd als het quotiënt van de per jaar gevraagde subsidies en het aantal hectares dat in die periode wordt begraasd; schaapskooi: een potstal die dient als onderkomen voor een gehoede schaapskudde die een nabijgelegen heidegebied begraast; natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 2.1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2009; gebied: natuurgebied waarop een natuurbeheerplan van toepassing is; zeldzaam schapenras: Blauwe Texelaar, Drents heideschaap, Kempisch heideschaap, Mergellandschaap, Schoonebeker heideschaap, Veluws heideschaap, Zeeuws/Fries melkschaap en Zwartbles.
Artikel 3.1.3.2Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1 van de SvG kan worden verstrekt voor: het inzetten van een gehoede schaapskudde voor het begrazen van één of meerdere gebieden; het gebruik van een schaapskooi door een gehoede schaapskudde.
Artikel 3.1.3.3Criteria
1 Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a, wordt slechts verstrekt indien het inzetten van de gehoede schaapkudde bijdraagt aan het verwezenlijken van de doelstellingen uit het Natuurbeheerplan;
2 Subsidie als bedoeld onder artikel 3.1.3.2, aanhef en onder b, wordt slechts verstrekt indien de schaapskooi is opengesteld voor publiek en door de subsidieontvanger in of rond de schaapskooi publieksactiviteiten worden georganiseerd die bijdragen aan natuurbeleving en natuureducatie.
Artikel 3.1.3.4Rangschikking
1 Bij de verdeling van het beschikbare budget voor subsidies als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a, krijgen die activiteiten voorrang die de laagste beheersequivalent hebben.
2 Gedeputeerde Staten plaatsen de aanvragen in een prioriteitsvolgorde.
3 De prioriteitsvolgorde wordt bepaald door de mate waarin de aanvragen aan het selectiecriterium voldoen.
4 Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit.
Artikel 3.1.3.5Aanvrager
1 Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a, wordt verstrekt aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die middels eigendom of erfpacht zeggenschap uitoefent over het gebied.
2 Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder b, wordt verstrekt aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die middels eigendom of erfpacht zeggenschap uitoefent over de schaapskooi.
Artikel 3.1.3.6Aanvraag
Aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a, in worden ingediend voor 1 mei 2014.
Artikel 3.1.3.7Hoogte van de subsidie
1 Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a, bedraagt, voor iedere dag dat een gehoede schaapskudde van ten minste 100 en maximaal 249 ooien, maximaal € 16.000,- per jaar.
2 Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a, bedraagt voor een gehoede schaapskudde van ten minste 250 ooien maximaal € 28.000,- per jaar.
3 Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder b, bedraagt € 5.000,- per jaar.
4 De subsidie kan worden aangevraagd voor een periode van minimaal één kalenderjaar tot een maximum van zes aaneengesloten kalenderjaren.
Artikel 3.1.3.8Weigeringsgronden
Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a wordt geweigerd indien: aan de aanvrager voor het gebied geen subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2009 of de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000; het gebied niet op de ambitiekaart in het natuurbeheerplan is begrensd als Gelders Natuurnetwerk met voor ten minste 70% natuurtype N06 Voedselarme venen en vochtige heiden, N07 Droge heiden of N11 Droge schraalgraslanden.
Artikel 3.1.3.9Communautair toetsingskader
Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2 aanhef en onder a wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met beschikking N 376/2010 van de Europese Commissie van 20 april 2011.
Paragraaf 3.1.4 Faunavoorzieningen
Artikel 3.1.4.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: bedreigde diersoorten: soorten als genoemd in de bijlagen bij het Besluit Rode lijsten flora en fauna van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 november 2004, nummer TRCJZ/2004/5727;
EHS: Ecologische hoofdstructuur, zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland de in Structuurvisie Aanpassing EHS 2012, op 29 mei 2013;
EHS verbindingen: verbindingen tussen de Ecologische hoofdstructuur, zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland de in Structuurvisie Aanpassing EHS 2012, op 29 mei 2013; faunavoorziening: een voorziening inclusief toeleidende rasters die het dieren mogelijk maakt openbare infrastructuur veiliger over te steken; knelpunt: een locatie waarvan door onderzoek is gebleken dat daar regelmatig dieren worden aangereden of verdrinken of waarbij het voor ter plaatse levende dieren onmogelijk is om de overkant van infrastructuur te bereiken.
Artikel 3.1.4.2Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1 van de SvG kan worden verstrekt voor de aanleg van een faunavoorziening.
Artikel 3.1.4.3Criteria
Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2 wordt slechts verstrekt: voorzover de subsidiabele activiteit op een locatie wordt gerealiseerd die gelegen is binnen de aandachtsgebieden die zijn opgenomen in het vigerende programma Ontsnippering Natuur; indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor fauna; op locaties binnen de EHS: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor fauna; op locaties buiten de EHS: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor bedreigde diersoorten en dassen; op locaties binnen de EHS verbindingen: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor bedreigde diersoorten en dassen.
Artikel 3.1.4.4Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor: de aanleg van de faunavoorziening; de kosten voor procesondersteuning en begeleiding.
Artikel 3.1.4.5Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan: het Rijk: voor locaties genoemd in artikel 3.1.4.3 aanhef en onder d waarbij het Rijk eigenaar of beheerder is van openbare infrastructuur; en aan andere eigenaren en beheerders van openbare infrastructuur: voor locaties als genoemd in artikel 3.1.4.3 aanhef en onder a, b en c.
Artikel 3.1.4.6Aanvraag
Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG worden bij de aanvraag in elk geval een GIS kaart met daarop de faunavoorziening en het onderzoek waaruit blijkt dat er sprake is van een knelpunt gevoegd.
Artikel 3.1.4.7Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000,- en een maximum van € 150.000,-.
De subsidie als bedoeld in artikel 3.1.4.4 aanhef en onder b bedraagt ten hoogste 10% van de subsidie met een maximum van € 15.000,-.
Artikel 3.1.4.8Weigeringsgrond
Subsidie wordt niet verstrekt indien de faunavoorziening wordt aangelegd op grond van een verplichting tot mitigatie of compensatie.
Artikel 3.1.4.9Verplichtingen
De subsidieontvanger is verplicht na de realisatie van de subsidiabele activiteit een GISkaart te overhandigen waarop de aangelegde faunavoorziening staat aangegeven.
Titel 3.2 Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP)
Gereserveerd
Titel 3.3 Water
Gereserveerd
Titel 3.4 Externe Veiligheid
Gereserveerd
Titel 3.5 Faunabeheer
Gereserveerd
Hoofdstuk 4 Ruimte en Bereikbaarheid
Titel 4.1 Mobiliteit
Paragraaf 4.1.1 Algemene bepalingen
Artikel 4.1.1.1Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder: goederenvervoer: vervoer van goederen over de weg en over water; halteplaats: punt van het regionet met wacht- en informatievoorziening waar de reiziger kan in- en uitstappen; mobiliteitsmanagement: alle activiteiten gericht op het afstemmen van vraag en aanbod van verkeer en vervoer gericht op het keuzeproces en bewustwording van de reiziger en goederen; openbaar vervoer: vervoer per trein, bus, tram of regiotaxi dat wordt verzorgd door een vervoerder waaraan op grond van de Wet personenvervoer 2000 een concessie is verleend; regionet: netwerk van buslijnen, buurtbusvervoer en regiotaxi ter ontsluiting van dorpen, steden en regio's met een inwonertal; snelnet: netwerk van snelle buslijnen en regionale railverbindingen die zowel de belangrijkste relaties binnen regio's als de relaties met belangrijke bovenregionale centra binnen en buiten de provincie op hoogwaardige manier verbinden; sociale veiligheid: objectieve veiligheid en het gevoel van veiligheid onder reizigers en personeel, ten aanzien van misdaad en wangedrag binnen het openbaar vervoer, bij transferpunten en halteplaatsen; toegankelijkheid: toegankelijkheid van voertuigen, halteplaatsen en de route naar halteplaatsen voor openbaar vervoer voor mensen met een mobiliteitsbeperking; transferpunt: punt van het snelnet met wacht- en informatievoorziening waar de reiziger kan in-, uit- of overstappen op andere vormen van vervoer; vervoerder: de rechtspersoon die openbaar vervoer verricht, waaronder begrepen regiotaxi.
Paragraaf 4.1.2 Gemeentelijke projecten in het kader van de Brede Doeluitkering (BDU)
Artikel 4.1.2.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder a, van de SvG kan worden verstrekt voor: infrastructuur projecten; intergemeentelijke niet-infrastructuur projecten.
Artikel 4.1.2.2Criteria
Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.2.1 wordt slechts verstrekt voor projecten die zijn opgenomen in het Bestedingsplan Brede Doeluitkering als bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU Verkeer en Vervoer.
Artikel 4.1.2.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten en gemeenschappelijke regelingen die rechtspersoonlijkheid bezitten.
Artikel 4.1.2.3Hoogte van de subsidie
1 De subsidie bedraagt ten hoogste:
50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 50.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.2.1, aanhef en onder a;
75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.2.1, aanhef en onder b.
2 Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.
Paragraaf 4.1.3 Verkeersveiligheid
Artikel 4.1.3.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder b, van de SvG kan worden verstrekt voor niet-infrastructurele verkeersveiligheidsactiviteiten.
Artikel 4.1.3.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt als de niet infrastructurele activiteiten voldoen aan eisen vermeld in het werkplan van het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Gelderland.
Artikel 4.1.3.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen die zich krachtens hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden inzetten voor de verkeersveiligheid in Gelderland.
Artikel 4.1.3.5Hoogte van de subsidie
1 De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 1.000.
2 Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.
Paragraaf 4.1.4 Openbaar vervoer waaronder begrepen regiotaxi
Artikel 4.1.4.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder e, van de SvG kan worden verstrekt voor het verrichten van: openbaar vervoer; of vervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
Artikel 4.1.4.2Criteria
Subsidie voor het verrichten van openbaar vervoer wordt slechts verstrekt voor de duur van de concessie of voor de duur van de overeenkomst tussen de provincie en vervoerder.
Artikel 4.1.4.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan: vervoerders voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.4.1, aanhef en onder a; gemeenten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.4.1, aanhef en onder b.
Artikel 4.1.4.4Hoogte van de subsidie
De subsidie, als bedoeld in artikel 4.1.4.1, aanhef en onder a, bedraagt maximaal het bedrag zoals is overeengekomen in de concessie. De subsidie wordt jaarlijks geïndexeerd.
Paragraaf 4.1.5 Infrastructurele openbaarvervoervoorzieningen
Artikel 4.1.5.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder f, van de SvG kan worden verstrekt voor: de aanpassing van bestaande treinstations; de aanpassing van de omgeving van bestaande treinstations; nieuwe of te verplaatsen treinstations; planstudies voor nieuwe of te verplaatsen treinstations; het verbeteren van de doorstroming van het openbaar vervoer op het snelnet; de aanleg of verbetering van transferpunten op de routes van het snelnet; de aanleg of verbetering van halteplaatsen op de routes van het regionet; de plaatsing van zuilen en panelen voor reisinformatie voor reizigers van het openbaar vervoer bij transferpunten en halteplaatsen; uitbreiding van fietsenstallingen bij stations in het kader van het programma van Ruimte voor de Fiets van Prorail.
Artikel 4.1.5.2Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan publiekrechtelijke rechtspersonen, vervoerders en rechtspersonen die zich krachtens hun statuten inzetten voor het openbaar vervoer in Gelderland.
Artikel 4.1.5.3Hoogte van de subsidie
1 De subsidie bedraagt ten hoogste 66% van subsidiabele kosten tot een maximum van € 350.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.5.1, aanhef en onder a tot en met d;
90% van subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.5.1, aanhef en onder e;
50% van subsidiabele kosten tot een maximum van € 45.000 per transferpunt voor activiteiten als bedoeld artikel 4.1.5.1, aanhef en onder f;
35% van subsidiabele kosten voor tot een maximum van € 10.000 per halteplaats voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.5.1, aanhef en onder g;
100% van subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.5.1, aanhef en onder h;
40% van subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.5.1, aanhef en onder i.
2 Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.
Paragraaf 4.1.6 Sociale veiligheid en toegankelijkheid
Artikel 4.1.6.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder g en h, van de SvG kan worden verstrekt voor activiteiten ter verbetering van de: sociale veiligheid; en toegankelijkheid.
Artikel 4.1.6.2Criteria
Subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die plaatsvinden in gebieden waar en ten behoeve van bus- en treinlijnen waarvoor de provincie Gelderland bij of krachtens de Wet personenvervoer 2000 verantwoordelijk is voor het openbaar vervoer.
Artikel 4.1.6.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten en vervoerders.
Artikel 4.1.6.4Hoogte van de subsidie
1 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.6.1, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten.
2 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.6.1, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste:
80% van de subsidiabele kosten voor vervoerders;
90% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 5.400 per halteplaats voor gemeenten;
90% van de subsidiabele kosten tot een minimum van € 5.400 en een maximum van € 13.500 per moeilijk aanpasbare halte voor gemeenten;
100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 250 per geplaatst bankje bij een halteplaats.
3 Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.
Paragraaf 4.1.7 Fietsvoorzieningen
Artikel 4.1.7.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder i, van de SvG 2011 kan worden verstrekt voor: het aanleggen van funderingen, verhardingen, kunstwerken, oversteekvoorzieningen, bermen, taluds en bermsloten; het aanbrengen van verlichting ten behoeve van vrij liggende fietspaden; het plaatsen van verkeerstekens behorende bij een fietsreconstructie, oversteekvoorzieningen en verkeersregelinstallaties.
Artikel 4.1.7.2Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.
Artikel 4.1.7.3Hoogte van de subsidie
1 De subsidie bedraagt ten hoogste:
50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 35.000 en een maximum van € 500.000;
50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 750.000 voor nieuwe, vrijliggende fietspaden, fietstunnels of fietsbruggen.
2 Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.
Paragraaf 4.1.8 Mobiliteitsprojecten
Artikel 4.1.8.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder j, van de SvG kan worden verstrekt voor haalbaarheidsstudies, onderzoek, pilots en promotieprojecten gericht op mobiliteitsmanagement.
Artikel 4.1.8.2Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan: gemeenten; privaatrechtelijke rechtspersonen: voor zover de activiteit gericht is op de eigen organisatie en uitsluitend voor eigen gebruik is; of die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van mobiliteitsmanagement.
Artikel 4.1.8.3Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 50.000.
Paragraaf 4.1.9 Goederenvervoer
Artikel 4.1.9.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder l, van de SvG kan worden verstrekt voor: haalbaarheids- en onderzoeksstudies voor multimodaal of efficiënt en schoon goederenvervoer; investeringsprojecten infrastructuur ten behoeve van overslagvoorzieningen voor multimodaal goederenvervoer; pilots of praktijkproeven voor multimodaal of efficiënt en schoon goederenvervoer.
Artikel 4.1.9.2Criteria
Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.9.1 wordt slechts verstrekt indien: de activiteiten worden uitgevoerd in de provincie Gelderland dan wel, in geval van een provinciegrensoverschrijdende goederenvervoerstroom, het eind- of beginpunt in Gelderland ligt; de activiteiten passen binnen het strategisch uitvoeringsprogramma logistiek en Goederenvervoer 2012-2015; en voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 4.1.9.1, onder c, de beoogde innovatie een bijdrage of besparing oplevert voor de Gelderse logistieke sector.
Artikel 4.1.9.3Hoogte van de subsidie
1 De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.9.1, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 100.000.
2 De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.9.1, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 1.000.000.
3 De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.9.1, aanhef en onder c, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van: € 100.000 voor zover deze betrekking hebben op transport over de weg; € 200.000 voor zover deze geen betrekking hebben op transport over de weg; € 300.000 voor zover deze worden uitgevoerd door publiekrechtelijke rechtspersonen of publiekrechtelijke instellingen.
4 Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.
Titel 4.2 Gelderse Gebiedsontwikkeling
Paragraaf 4.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 4.2.1.1Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder: cultuurhistorisch object: elk object behorende tot tenminste een van de volgende categorieën: andere objecten dan de waterlinieforten genoemd in artikel 4.2.1.1 onder e en die een functie hadden in de militaire werking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie; relicten van landschappelijke veranderingen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie tot en met 1945 die direct het gevolg zijn van doorbraken van een kade of dijk van een inundatiekom; relicten van maatregelen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie tot en met 1945 om schade als gevolg van een doorbraak van kade of dijk van een inundatiekom te herstellen; relicten van menselijke ingrepen in het landschap van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als onderdeel van ontginningen voor landbouwkundig gebruik tot en met 1945. normaal onderhoud: regulier onderhoud dat noodzakelijk is om de functie en zichtbare kenmerken van een object te behouden; restauratie: werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en noodzakelijk zijn voor het herstel van een object of om verval van een object te voorkomen; voorbereiding: alle handelingen, die nodig zijn om met de uitvoering van werkzaamheden te kunnen starten, inclusief het aanvragen van vergunningen; waterliniefort: een van de navolgende objecten:
Complex Fort bij Asperen;
Complex Fort aan de Nieuwe Steeg;
Complex Fort bij Vuren;
Complex Werk op de Spoorweg bij de Diefdijk;
Complex Batterij onder Poederoijen;
Complex Batterij onder Brakel;
Complex Fort Everdingen.
Paragraaf 4.2.2 Ontwikkeling forten
Artikel 4.2.2.1Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de SvG kan worden verstrekt voor: de restauratie of voorbereiding van de restauratie van een waterliniefort; het voorbereiden of het realiseren van fysieke veranderingen aan een waterliniefort.
Artikel 4.2.2.2Criteria
Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.2.1, aanhef en onder a, wordt slechts verstrekt indien: de wijze van uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden, en; de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor leerlingen in de restauratiebouw.
Artikel 4.2.2.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van een waterliniefort.
Artikel 4.2.2.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste:
100% van de subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.2.1, aanhef en onder a, ten behoeve van de waterlinieforten genoemd in artikel 4.2.1.1, aanhef en onder e, onderdelen i tot en met vi;
50% van de subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.2.1, aanhef en onder a, ten behoeve van het waterliniefort genoemd in artikel 4.2.1.1, aanhef en onder e, onderdeel vii, met uitzondering van monumentnummers 531684, 531664 en 531666;
75% van de subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.2.1, aanhef en onder b.
Artikel 4.2.2.5Communautair toetsingskader
Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.2.1, aanhef en onder a, wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd zijn met Beschikking N 606/2009 van de Europese Commissie van 15 december 2009 inzake de Nationale regeling voor de instandhouding en het herstel van beschermde historische monumenten.
Paragraaf 4.2.3 Gebiedsontwikkeling
Artikel 4.2.3.1Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de SvG kan worden verstrekt voor de voorbereiding of uitvoering van werkzaamheden waarmee: een cultuurhistorisch object wordt gerestaureerd; bewegwijzering of straatmeubilair wordt aangeschaft en geplaatst; informatiepanelen worden aangeschaft en geplaatst; straatverlichting wordt aangeschaft en geplaatst; wandel- of rolstoelpaden worden aangelegd of aangepast; aanleg of aanpassingen worden gerealiseerd van parkeerplaatsen; landschappelijke of bouwkundige aanpassingen worden gerealiseerd ten gunste van het overwinteren, het zwermen of migreren van vleermuizen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Artikel 4.2.3.2Criteria
1 Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder a, wordt slechts verstrekt indien: de wijze van uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden; en de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor leerlingen in de restauratiebouw.
2 Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder b, wordt slechts verstrekt indien: de plaatsing van de bewegwijzering of het straatmeubilair gebeurt op openbaar terrein in de Nieuwe Hollandse Waterlinie, en; de bewegwijzering of het straatmeubilair worden geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie.
3 Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder c, wordt slechts verstrekt indien: de informatiepalen worden geplaatst op openbaar terrein in de Nieuwe Hollandse Waterlinie; de informatiepanelen worden geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie; en de informatiepanelen bevatten informatie over het historische, militaire systeem de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
4 Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder d, wordt slechts verstrekt indien: de straatverlichting wordt geplaatst op openbaar terrein aan de Diefdijk in de gemeenten Vianen en Leerdam, de Meerdijk, de Nieuwe Zuiderlingedijk of de Zuiderlingedijk in de gemeente Lingewaal; en de straatverlichting wordt geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie.
5 Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder e, wordt slechts verstrekt indien: de wandel- of rolstoelpaden openbaar toegankelijk zijn; en de wandel- of rolstoelpaden leiden naar een cultuurhistorisch object of vormen een aaneengesloten route om een cultuurhistorisch object.
6 Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder f, wordt slechts verstrekt indien: de parkeerplaatsen openbaar toegankelijk zijn; en de ingang van de parkeerplaatsen is gelegen op een afstand van minder dan 200 meter van objecten die zijn aangewezen als Rijksmonumenten en die een functie hadden in de militaire werking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Artikel 4.2.3.3Aanvrager
1 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder a en g, wordt verstrekt aan de eigenaar van het cultuurhistorisch object.
2 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder b tot en met f, wordt verstrekt aan de eigenaar van het terrein waarop de werkzaamheden plaatsvinden of de materialen worden geplaatst.
Artikel 4.2.3.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.
Artikel 4.2.3.5Communautair toetsingskader
Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder a, wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd zijn met Beschikking N 606/2009 van de Europese Commissie van 15 december 2009 inzake de Nationale regeling voor de instandhouding en het herstel van beschermde historische monumenten.
Paragraaf 4.2.4 Beleef de Waal
Artikel 4.2.4.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Beleef de Waal: het deelproject van het Uitvoeringsprogramma WaalWeelde 2013 - 2017 zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 5 maart 2013; samenwerking "Rondje Pontje": een samenwerkingsverband van ondernemers en initiatiefnemers rond twee pontjes en de routes daartussen op de beide oevers van de Waal; vertierplek: plek aan de Waal die met minimale aanpassingen zodanig is ingericht dat er toegang is tot de oever en gelegenheid om aan het water te recreëren;
WaalWeeldegebied: het gebied omvattende het grondgebied van de gemeenten Beuningen, Druten, Lingewaal, Lingewaard, Maasdriel, Millingen a/d Rijn, Neerijnen, Neder- Betuwe, Nijmegen, Overbetuwe, Rijnwaarden, Tiel, Ubbergen, West Maas en Waal en Zaltbommel.
Artikel 4.2.4.2Subsidiabele activiteiten
1 Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, van de SvG kan worden verstrekt voor: de voorbereiding van de aanleg en de realisatie van vertierplekken en veerstoepen en de ontwikkeling, productie en plaatsing van informatievoorzieningen; de ontwikkeling van producten en arrangementen op het gebied van duurzaam toerisme; het opzetten en ontwikkelen van de samenwerking "Rondje Pontje"; het organiseren en uitvoeren van evenementen en manifestaties.
2 Geen subsidie wordt verstrekt voor de aanleg of wijziging van wegen of dijken.
Artikel 4.2.4.3Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten die: worden uitgevoerd in het WaalWeeldegebied; passen binnen de doelstellingen van Beleef de Waal; positief zijn beoordeeld door burgemeester en wethouders van de gemeente in het WaalWeeldegebied waar de activiteit plaatsvindt, voor zover het activiteiten betreft als bedoeld in artikel 4.2.4.2, eerste lid, aanhef en onder a, b en d; en passen in een duurzame ontwikkeling van het WaalWeeldegebied.
Artikel 4.2.4.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan: een natuurlijk persoon die woonachtig is in het WaalWeeldegebied; een gemeente in het WaalWeeldegebied; rechtspersonen die blijkens hun statutaire doelen en activiteiten een bijdrage kan leveren aan Beleef de Waal;
Artikel 4.2.4.5Aanvraag
Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een schriftelijke verklaring van burgemeester en wethouders waaruit blijkt dat de betreffende subsidiabele activiteit positief is beoordeeld, voor zover het een activiteit als bedoeld in artikel 4.2.4.2, eerste lid, aanhef en onder a, b of d betreft; een uiteenzetting dat de betreffende subsidiabele activiteit past in een duurzame ontwikkeling van het WaalWeeldegebied.
Artikel 4.2.4.6Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 75.000.
Artikel 4.2.4.7Weigeringsgrond
Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.2, eerste lid, aanhef en onder b tot en met d, wordt geweigerd voor zover fysieke voorzieningen niet worden aangelegd of gewijzigd op grond die in eigendom is van publiekrechtelijke rechtspersonen.
Titel 4.3 Ruimtelijke Ontwikkeling
Gereserveerd
Titel 4.4 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap
Paragraaf 4.4.1 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap
Artikel 4.4.1.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: collectief: een groep natuurlijke personen die zich verenigd hebben in een rechtspersoon die beoogt hun belangen in een CPO-woningbouwproject te behartigen.
CPO: Collectief Particulier Opdrachtgeverschap;
CPO-woningbouwproject: de bouw en realisatie van minimaal 3 woningen door een collectief.
Artikel 4.4.1.2Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1 van de SvG kan worden verstrekt ten behoeve van: procesbegeleidingsactiviteiten door een procesbegeleider of architect met ervaring in procesbegeleiding; ontwerpactiviteiten door een deskundige voor woningbouwprojecten die gerealiseerd worden door middel van CPO; eenmalige niet-reguliere activiteiten ter stimulering van woningbouw met CPO.
Artikel 4.4.1.3Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, nog niet verleend is; de maximale koopprijs van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject bij indienen van de aanvraag beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie ligt; en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente een positief advies heeft afgegeven ten behoeve van het CPO-woningbouwproject.
Artikel 4.4.1.4Aanvrager
1 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1.2, aanhef en onder a en b, wordt verstrekt aan een collectief.
2 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1.2, aanhef en onder c, wordt verstrekt aan gemeenten.
Artikel 4.4.1.5Hoogte van de subsidie
1 De subsidie, als bedoeld in artikel 4.4.1.2, aanhef en onder a en b, bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten en maximaal: € 5.000 per woning, tot een maximum van € 50.000 per CPO-woningbouwproject indien het nieuwbouw betreft; € 8.000 per woning, tot een maximum van € 80.000 per CPO-woningbouwproject indien het bestaande bouw betreft of sloop met nieuwbouw.
2 De subsidie, als bedoeld in artikel 4.4.1.2, aanhef en onder c, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten van niet reguliere werkzaamheden, tot een maximum van € 25.000 per gemeente.
Titel 4.5 Impulsplan Wonen
Paragraaf 4.5.1 Procesondersteuning Impulsplan Wonen
Artikel 4.5.1.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: domotica: technische hulpmiddelen in woningen om de kwaliteit van wonen en leven op peil te houden;
Gelderse huistest: een mede door de provincie Gelderland ontwikkeld instrument waarmee ouderen en mensen met een beperking zelf de geschiktheid van hun woning voor hun situatie kunnen bepalen;
Impulsplan Gelderse Woningmarkt: beleidsplan vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 26 september 2012, PS2012-656, inzake het stimuleren van projecten op het gebied van binnenstedelijk wonen, functieverandering van leegstaande gebouwen, herstructurering als verdunningsopgave, revitalisering van kernen in krimpgebieden of gebieden met soortgelijke problematiek, langer zelfstandig wonen en innovatieve initiatieven; intentieovereenkomst: overeenkomst waarin partijen de intentie vastleggen een project gezamenlijk te realiseren; kleinschalige voorziening: voorziening waar een bewonersgroep samen met het personeel een gezamenlijke huishouding voert, ondersteund met zorg; project: activiteit die voldoet aan de inhoudelijke criteria uit het Vervolgvoorstel Uitwerking Impulsplan Gelderse Woningmarkt (PS 2012-656).
Artikel 4.5.1.2Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 4.5.1 van de SvG kan worden verstrekt voor: het verrichten van een studie naar de technische haalbaarheid van een project; het verrichten van een studie naar de financiële uitvoerbaarheid van een project; het opstellen van een plan van aanpak voor de uitvoering van een project.
Artikel 4.5.1.3Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt: wanneer de aanvrager met deelnemende partijen een intentieovereenkomst heeft gesloten; voor zover de aanvraag een project op het gebied van langer zelfstandig wonen betreft, sprake is van een samenhangende aanpak van wonen, welzijn en zorg; het plan van aanpak maatregelen omvat die, op grond van de Gelderse huistest en met toepassing van domotica, leiden tot woon- en zorgtechnologische aanpassingen; en maatregelen bevat die leiden tot een kleinschalige woonvoorziening voor dementerenden; voor zover de aanvraag een project op het gebied van leegstaande gebouwen betreft en aannemelijk is dat: revitalisering bijdraagt aan de vermindering van de leegstand; de uitvoering van het plan van aanpak leidt tot een functieverandering van de gebouwen; de in het plan van aanpak voorgestelde maatregelen de functiewijziging mogelijk maken.
Artikel 4.5.1.4Subsidiabele kosten
1 Voor subsidie komen de kosten van inhuur van deskundigen in aanmerking.
2 De kosten die voorafgaand aan het sluiten van de intentieovereenkomst worden gemaakt, komen niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel 4.5.1.5Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.
Artikel 4.5.1.6Aanvraag
Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de aanvraag een ondertekende intentieovereenkomst overgelegd waarin zijn opgenomen de aanleiding van de overeenkomst, het doel van het te realiseren project, de werkwijze waarlangs partijen tot realisering van het project willen komen, de financiering van het project en een planning van de werkzaamheden.
Artikel 4.5.1.7Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000 per aanvraag en tot een maximum van € 100.000 per gemeenten per jaar.
Hoofdstuk 5 Economie en Samenleving
Titel 5.1 Cultuur
Gereserveerd
Titel 5.2 Erfgoed
Paragraaf 5.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 5.2.1.1Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder: cultuurparticipatie: niet-professionele bemoeienis met de kunsten en deelname aan het culturele leven; vrijetijdseconomie: economie die bestaat uit ondernemingen die zich in hoofdzaak bezighouden met dienstverlening ten behoeve van recreanten en toeristen; waardenkaart: een besluit van een gemeentebestuur waarin de cultuurhistorische of archeologische waarden binnen het gehele grondgebied van de gemeente zijn weergegeven en dat gebruikt kan worden bij het voorbereiden van ruimtelijke planvorming; draaipremie: subsidie verstrekt voor het jaar 2012 op grond van artikel 7 van de Verordening Cultuurhistorie Gelderland; instandhouding: activiteiten die worden uitgevoerd overeenkomstig de Uitvoeringsvoorschriften Duurzame Instandhouding Cultuurhistorische Waarden (PB 2006/17) en de Lijst met subsidiabele kosten en werkzaamheden ten behoeve van de berekening van de subsidiabele instandhoudingskosten (PB 2006/18); gemeentelijk monument: een object dat op grond van een gemeentelijke verordening bescherming geniet vanwege bijzondere cultuurhistorische of architectonische waarden; historische molen: een door wind, water of ros aangedreven krachtwerktuig inclusief het bouwwerk, geschikt of bedoeld voor een historisch maal- productieactiviteitbedrijf; stoomgemaal: een door stoom aangedreven krachtwerktuig bedoeld voor het bemalen van een polder.
Paragraaf 5.2.2 Cultuur- en erfgoedpacten
Artikel 5.2.2.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.2.2 van de SvG kan worden verstrekt voor de uitvoering van een intergemeentelijk meerjarenprogramma 2014-2016 dat is gericht op de versterking van de vrijetijdseconomie of cultuurparticipatie.
Artikel 5.2.2.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien:
De aanvrager samen met één of meer andere gemeenten uitvoering geeft aan de subsidiabele activiteit; het programma de gezamenlijke doelen van de participerende gemeenten, gericht op versterking van vrijetijdseconomie of cultuurparticipatie beschrijft; het programma beschrijft hoe de gemeenten de in b. genoemde doelen met inzet van cultuur of erfgoed willen realiseren; en het programma beschrijft hoe de programmaresultaten bij beëindiging van het programma is geborgd.
Artikel 5.2.2.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan de gemeente die blijkens de aanvraag optreedt als penvoerder van de samenwerkende gemeenten.
Artikel 5.2.2.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten in de periode 2014-2016 tot een maximum van € 41.000,- per gemeente.
Paragraaf 5.2.3 Instandhouding gemeentelijke monumenten, historische molens en stoomgemalen
Artikel 5.2.3.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.2.1, onder e en f van de SvG kan worden verstrekt voor: het verstrekken van subsidie voor de instandhouding van gemeentelijke monumenten; het verstrekken van subsidie voor de instandhouding van historische molens en stoomgemalen; het opstellen van een archeologische of cultuurhistorische waardenkaart.
Artikel 5.2.3.2Criteria
1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien de aanvrager beschikt over een subsidieregeling op grond waarvan aan een: eigenaar van een gemeentelijk monument subsidie kan worden verstrekt voor het instandhouden van het monument; eigenaar van een historische molen of stoomgemaal subsidie kan worden verstrekt voor het instandhouden van de historische molen of stoomgemaal.
2 Subsidie wordt voor het vervaardigen van een archeologische of cultuurhistorische waardenkaart slechts eenmaal verstrekt.
Artikel 5.2.3.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.
Artikel 5.2.3.4Hoogte van de subsidie
1 De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 5.2.3.1 onder a bedraagt niet meer dan 50% van de door de aanvrager op grond van de in artikel 5.2.3.2, eerste lid, bedoelde regeling verstrekte subsidie.
2 De subsidie als bedoeld in artikel 5.2.3.1 onder b bedraagt € 2.100,- per historische molen of stoomgemaal die een draaipremie heeft ontvangen.
3 De subsidie als bedoeld in artikel 5.2.3.1 onder c bedraagt niet meer dan € 10.000,- per type waardenkaart.
Artikel 5.2.3.5Verplichtingen
De aanvrager is verplicht om in de subsidieregeling als bedoeld in artikel 5.2.3.2 te bepalen dat: de subsidie aangevraagd wordt door de eigenaar van het monument of de molen waaraan de subsidie ten goede komt; de subsidie aangevraagd wordt tussen 1 maart 2014 en 31 december 2016; de subsidie uitsluitend wordt verstrekt voor de instandhouding van monumenten; de subsidie uitsluitend wordt verstrekt aan eigenaren van historische molens of stoomgemalen die een provinciale draaipremie hebben ontvangen; geen subsidie wordt verstrekt aan een gemeente, de Staat of een provincie.
Paragraaf 5.2.4 Draaisubsidie
Artikel 5.2.4.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.2.1 onderdeel f van de SvG kan worden verstrekt voor de asomwenteling van een monumentale molen.
Artikel 5.2.4.2Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of beheerder van een monumentale molen.
Artikel 5.2.4.3Hoogte van de subsidie
1 De subsidie bedraagt: € 1,- per 300 asomwentelingen voor molens met kleppen; of € 1,- per 200 asomwentelingen voor molens met zeilen tot een maximum van € 1.200,- per jaar.
2 De subsidie voor het jaar waarvoor de aanvraag wordt ingediend wordt verstrekt op basis van het aantal asomwentelingen dat de molen heeft gemaakt in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.
3 De draaisubsidie voor een molen die niet door wind wordt aangedreven bedraagt € 450,- per jaar en wordt verstrekt indien er naar het oordeel van Gedeputeerde Staten sprake is van het regelmatig draaien van deze molen.
Artikel 5.2.4.4Weigeringsgrond
Geen subsidie wordt verstrekt, indien het subsidiebedrag op grond van artikel 5.2.1.3 eerste lid minder dan € 70,- zou bedragen.
Artikel 5.2.4.5Indieningstermijn aanvraag
De aanvraag wordt ingediend voor 1 april.
Titel 5.3 Sociaal Profiel
Paragraaf 5.3.1 Sociaal Profiel
Artikel 5.3.1.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Beleidskader Sociaal Profiel: bijlage 3 bij het Statenvoorstel Beleidsuitwerkingen Uitdagend Gelderland (PS2011-644), met uitzondering van de thema’s Leefbaarheid en Gemeenschapsvoorzieningen en Jeugd;
Uitvoeringsagenda: de Uitvoeringsagenda 2014: Verbinden, verbreden, versnellen (PS2013-480) met uitzondering van de thema’s Leefbaarheid en Gemeenschapsvoorzieningen en Jeugd; doelgroep: gebruikers of vertegenwoordigers van gebruikers van zorg en welzijn, kwetsbare groepen in de samenleving en burgers of groepen burgers die deelnemen aan en verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van publieke taken binnen het sociale domein; preventieve zorg: preventiemaatregelen ter voorkoming of vermindering van zorg; eerstelijns zorg: rechtstreeks toegankelijke zorg; anderhalvelijns zorg: eerstelijnszorg die gegeven wordt door een specialist uit de tweede lijn; tweedelijnszorg: zorg die slechts toegankelijk is na verwijzing; kwetsbare groepen: groepen in de samenleving die om wat voor reden dan ook de aansluiting met de samenleving dreigen te verliezen, zoals beschreven in de Uitvoeringsagenda; actief burgerschap: het deelnemen aan en verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van publieke taken binnen het sociale domein.
Artikel 5.3.1.2Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1 van de SvG kan worden verstrekt voor projecten waarin werkwijzen worden ontwikkeld die: gericht zijn op een verbeterde aansluiting tussen preventieve zorg, eerstelijnszorg, anderhalvelijnszorg en tweedelijnszorg; gericht zijn op een verbeterde economische of maatschappelijke participatie van kwetsbare groepen; of actief burgerschap bevorderen.
Artikel 5.3.1.3Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten die: passen binnen het Beleidskader Sociaal Profiel en de Uitvoeringsagenda; aantoonbaar uitzicht bieden op structurele voortzetting of overname van de ontwikkelde werkwijze; en een leereffect of voorbeeldwerking opleveren die aan derden kan worden overgedragen.
Artikel 5.3.1.4Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking: de kosten voor inzet van uren van de subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit; de kosten voor inzet van externe ondersteuning in opdracht van de subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd is aan de subsidiabele activiteit; inzet van goederen en diensten door de subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit.
Artikel 5.3.1.5Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon.
Artikel 5.3.1.6Aanvraag
1 De subsidie wordt aangevraagd voor 15 mei 2014.
2 Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de aanvraag in elk geval een verklaring verstrekt van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd, waarin het college verklaart geen bezwaar te hebben tegen de subsidiabele activiteit.
Artikel 5.3.1.7Selectiecriteria
Bij de verdeling van de beschikbare middelen krijgen die activiteiten voorrang die: aantoonbaar bijdragen aan de doelstellingen uit de Uitvoeringsagenda; elders binnen Gelderland kunnen worden toegepast; op korte termijn tot resultaat leiden; geïnitieerd en uitgevoerd worden in samenwerking tussen verschillende partijen, met name gemeenten, maatschappelijke organisaties en burgers; nog niet eerder in Gelderland zijn uitgevoerd; en de doelgroep actief betrekken bij de voorbereiding en realisatie van de subsidiabele activiteit.
Artikel 5.3.1.8Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 20.000,- en een maximum van € 100.000,-.
Artikel 5.3.1.9Weigeringsgrond
Subsidie wordt geweigerd: indien er sprake is van uitvoering van wettelijke taken; aan een rechtspersoon die subsidie ontvangt op grond van het besluit van Provinciale Staten (PS2011-787, onder 6).
Titel 5.4 Jeugd
Paragraaf 5.4.1 Jeugd
Artikel 5.4.1.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Regio Achterhoek: de samenwerkende gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost-Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk;
Regio Arnhem: de samenwerkende gemeenten Arnhem, Doesburg, Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Wageningen, Westervoort en Zevenaar;
Regio Food-Valley: de samenwerkende gemeenten Barneveld, Ede, Nijkerk en Scherpenzeel;
Regio Nijmegen: de samenwerkende gemeenten Beuningen, Druten, Groesbeek, Heumen, Millingen a/d Rijn, Nijmegen, Ubbergen en Wijchen;
Regio Noord-Veluwe: de samenwerkende gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek en Putten;
Regio Oost-Veluwe Midden-IJssel: de samenwerkende gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Hattem, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen;
Regio Rivierenland: de samenwerkende gemeenten Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neder-Betuwe, Neerijnen, Tiel, West Maas en Waal en Zaltbommel. transitie van de jeugdzorg: overdracht van bevoegdheden en taken voor jeugdzorg van het provinciebestuur naar de gemeentebesturen en de daarmee gepaard gaande transformatie van de jeugdzorg;
Artikel 5.4.1.2Subsidiabele activiteit
Subsidie, als bedoeld in artikel 5.4.1 van de SvG, kan worden verstrekt voor activiteiten die tot doel hebben de transitie van de jeugdzorg voor te bereiden en uit te voeren.
Artikel 5.4.1.3Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten: die tot doel hebben de transitie structureel te verankeren of als werkwijze over te nemen na de transitie van de jeugdzorg; en waarvan de resultaten en opgedane kennis en ervaringen door de aanvrager overgedragen aan andere Gelderse regio's of betrokkenen partijen en worden gepubliceerd op de website www.voordegeldersejeugd.nl.
Artikel 5.4.1.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een regio als bedoeld in artikel 5.4.1.1, aanhef en onder a tot en met g.
Artikel 5.4.1.5Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 400.000 per regio.
Titel 5.5 Leefbaarheid en gemeenschapsvoorzieningen
Paragraaf 5.5.1 Algemene bepalingen
Artikel 5.5.1.1Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder: burgerinitiatief: een rechtspersoon die tot doel heeft de leefbaarheid van een gemeenschap te bevorderen of te verbeteren; dorpscontactpersoon: persoon die, in opdracht van een dorpsraad of een bestuur van een gemeenschapsvoorziening, tot taak heeft voor een dorp activiteiten te bevorderen die leiden tot verbetering van de leefbaarheid; dorpsraad: een rechtspersoon die de belangen in brede zin van een dorp en zijn omgeving behartigt en zich richt op versterking van de sociale structuur van een dorpsgemeenschap; gemeenschapsvoorziening: openbaar toegankelijk gebouw of gedeelte van een gebouw dat gedurende ruime openstellingstijden openbaar toegankelijk is en, dat in overwegende mate gebruikt wordt door non-profit organisaties; leefbaarheid: de mate van aantrekkelijkheid van het sociale en bestuurlijke klimaat in een dorp en de omgeving; ontmoetingsplek: kosteloos toegankelijke multifunctionele publieke openluchtvoorziening binnen de bebouwde kom waar bewoners elkaar ontmoeten, bijeenkomsten houden en activiteiten organiseren; vernieuwing: ontwikkeling van voor Gelderland nieuwe activiteiten ten behoeve van verbetering van de leefbaarheid binnen een kern of meerdere kernen of ter verhoging van de kwaliteit of doelmatigheid van activiteiten op dit terrein; zelf organiserend vermogen: de mate waarin burgers zelfvorm geven aan hun leefomgeving; bestuurlijke samenwerking: afstemming van taken en activiteiten tussen: een dorpsraad; een burgerinitiatief; een gemeente; een rechtspersoon die tot doel of mede tot doel heeft een gemeenschapsvoorziening te beheren en in stand te houden; of andere maatschappelijke organisaties.
Artikel 5.5.1.2Indieningstermijn
Subsidie op grond van deze titel kan worden aangevraagd voor 10 april 2014 en voor 11 september 2014.
Artikel 5.5.1.3Selectiecriteria
Bij de verdeling van de beschikbare middelen krijgen die activiteiten voorrang: die aantoonbaar breed draagvlak hebben in dorp en regio; die een vernieuwend karakter hebben; die voorzien in activiteiten die voor de langere tijd zijn geborgd; die niet-concurrerend zijn met nabij gelegen gelijksoortige voorzieningen; waarbij gebruik wordt gemaakt van nieuwe technologieën; waarvoor niet eerder subsidie is ontvangen; die bijdragen aan een evenredige spreiding van de subsidiabele activiteit over de provincie Gelderland.
Paragraaf 5.5.2 Versterken van duurzame exploitatie van gemeenschapsvoorzieningen
Artikel 5.5.2.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.5.1 van de SvG kan worden verstrekt voor de: ondersteuning bij het opstellen van een exploitatiebegroting voor ten minste twee jaar van een gemeenschapsvoorziening die voor meerdere jaren dekkend en realistisch is; ondersteuning bij het opstellen van een programma voor ten minste twee jaar van een gemeenschapsvoorziening; ontwikkeling binnen een gemeenschapsvoorziening van vernieuwende vormen van: exploitatie; bestuurlijke samenwerking; beheer; of programmering.
Artikel 5.5.2.2Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking: de kosten voor inzet van uren van de subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit; de kosten voor inzet van externe ondersteuning in opdracht van de subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit; ontwikkelingskosten gemaakt door de subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit.
Artikel 5.5.2.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon die tot doel of mede tot doel heeft een gemeenschapsvoorziening te beheren en in stand te houden.
Artikel 5.5.2.4Aanvraag
Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de aanvraag in elk geval een verklaring verstrekt van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd, waarin het college verklaart geen bezwaar te hebben tegen de subsidiabele activiteit.
Artikel 5.5.2.5Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000,- en een maximum van € 20.000-.
Paragraaf 5.5.3 Creëren van samenhang van functies en voorzieningen
Artikel 5.5.3.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.5.1 van de SvG wordt verstrekt voor de voorbereiding en uitwerking van afspraken tussen dorpsraden, bestuurders van gemeenschapsvoorzieningen, burgerinitiatieven, gemeente en mogelijke andere partners over afstemming van functies en voorzieningen.
Artikel 5.5.3.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien bij de subsidiabele activiteiten minste drie van de volgende functies zijn betrokken: welzijn, educatie, cultuur, zorg, maatschappelijke dienstverlening en zakelijke dienstverlening.
Artikel 5.5.3.3Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking: de kosten voor inzet van uren van de subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit; de kosten voor inzet van externe ondersteuning in opdracht van de subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit.
Artikel 5.5.3.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan: een dorpsraad; een rechtspersoon die tot doel of mede tot doel heeft een gemeenschapsvoorziening te beheren en in stand te houden; een burgerinitiatief; of een gemeente.
Artikel 5.5.3.5Aanvraag
Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de aanvraag in elk geval een verklaring verstrekt van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd, waarin het college verklaart geen bezwaar te hebben tegen de subsidiabele activiteit.
Artikel 5.5.3.6Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000,- en een maximum van € 20.000,-.
Paragraaf 5.5.4 Versterken van zelforganiserend vermogen
Artikel 5.5.4.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.5.1 van de SvG wordt verstrekt voor: de ondersteuning bij het opstellen van een activiteitenprogramma voor één of meer woonkernen met als doel de leefbaarheid te bevorderen; de activiteiten van een dorpscontactpersoon voor een periode van maximaal twee jaar; de ondersteuning bij de opzet en ontwikkeling van een burgerinitiatief voor een of meer dorpen met als doel de leefbaarheid te bevorderen.
Artikel 5.5.4.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien sprake is van structurele verankering van activiteiten.
Artikel 5.5.4.3Subsidiabele kosten
1 Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.5.4.1, aanhef onder a en c, komen de volgende kosten in aanmerking: de kosten voor inzet van uren van de subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit; de kosten voor inzet van externe ondersteuning in opdracht van de subsidieontvanger welke aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit.
2 Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.5.4.1, aanhef onder b, komen de kosten van een dorpscontactpersoon in aanmerking.
Artikel 5.5.4.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan: een dorpsraad; een rechtspersoon die tot doel heeft of mede tot doel heeft een gemeenschapsvoorziening te beheren en in stand te houden; een burgerinitiatief.
Artikel 5.5.4.5Aanvraag
Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de aanvraag in elk geval een verklaring verstrekt van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd, waarin het college verklaart geen bezwaar te hebben tegen de subsidiabele activiteit.
Artikel 5.5.4.6Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000,- en een maximum van € 20.000,-.
Paragraaf 5.5.5 Investering in een gemeenschapsvoorziening
Artikel 5.5.5.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.5.1 van de SvG wordt verstrekt voor: de ombouw van bestaand vastgoed tot een gemeenschapsvoorziening; de verbouw van een bestaande gemeenschapsvoorziening; of vervangende nieuwbouw van een bestaande gemeenschapsvoorziening.
Artikel 5.5.3.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien bij de subsidiabele activiteit ten minste drie van de volgende functies zijn betrokken: welzijn, educatie, cultuur, zorg, maatschappelijke dienstverlening en zakelijke dienstverlening.
Artikel 5.5.5.3Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking: de kosten voor inzet van externe ondersteuning in opdracht van de subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit; de kosten voor het verrichten van grond- en bouwwerkzaamheden van een gemeenschapsvoorziening.
Artikel 5.5.5.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon die tot doel of mede tot doel heeft een gemeenschapsvoorziening te beheren en in stand te houden.
Artikel 5.5.5.5Aanvraag
Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd, waarin het college verklaart geen bezwaar te hebben tegen de subsidiabele activiteit; een realistische en dekkende exploitatiebegroting voor een periode van ten minste twee jaar; en een programma voor ten minste twee jaar waarin aangegeven wordt welke partners structureel aan de subsidiabele activiteit deelnemen.
Artikel 5.5.5.6Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 20.000,- en een maximum van € 100.000,-.
Paragraaf 5.5.6 Ontmoetingsplek
Artikel 5.5.6.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.5.1 van de SvG wordt verstrekt voor de aanleg of verbetering van een ontmoetingsplek.
Artikel 5.5.6.2Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking: kosten voor het ontwerp van de ontmoetingsplek; kosten voor werkzaamheden die aantoonbaar gerelateerd kunnen worden aan gronden bouwwerken en (her)inrichting van een ontmoetingsplek.
Artikel 5.5.6.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een dorpsraad; een rechtspersoon die tot doel of mede tot doel heeft een gemeenschapsvoorziening te beheren en in stand te houden.
Artikel 5.5.6.4Aanvraag
Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd, waarin het college verklaart geen bezwaar te hebben tegen de subsidiabele activiteit. een programma voor ten minste twee jaar voor het gebruik van de ontmoetingsplek waarin aangegeven wordt welke activiteiten plaatsvinden op de ontmoetingsplek.
Artikel 5.5.6.5Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 20.000,- en een maximum van € 75.000,-.
Titel 5.6 Sport
Paragraaf 5.6.1 Algemene bepalingen
Artikel 5.6.1.1Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder: breedtesport: sport die wordt beoefend door grote groepen uit alle lagen van de bevolking vanwege de sportieve, gezonde en sociale functie ervan; buurtsportcoach: functionaris die sportbeoefening bevordert in buurten en wijken, zoals bedoelt in de Junicirculaire Gemeentefonds 2012, met kenmerk 2012-0000347887, van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
FieldLab: locatie voor veldonderzoek in de topsport onder de hoede van Stichting InnosportNL;
InnoSportlab: test- en onderzoeksfaciliteiten om innovatieve activiteiten ten uitvoer te brengen onder de hoede van Stichting InnosportNL, de landelijke organisatie die sport, bedrijfsleven en kennisinstellingen bij elkaar brengt teneinde sportinnovaties tot stand te brengen; interventie: elke planmatige en doelgerichte aanpak om het gedrag van burgers te veranderen en hun omstandigheden te beïnvloeden, met als doel de kwaliteit van het leven of het samenleven te vergroten; jongeren: personen jongeren dan 18 jaar; kernsport: de zes sporten atletiek, hippische sport, wielersport, volleybal, judo en tennis, zoals aangewezen door Provinciale Staten op 30 juni 2010 in het document ‘Gelderland Sportland: Programma 2010-2016’ en op 11 december 2013 in hetdocument Uitvoeringsprogramma Gelderland Sport! 2014; kernsportbond: voor de atletiek:
Koninklijke Nederlandse Atletiekunie (KNAU);
KNBLO Wandelsportorganisatie Nederland (KNBLO-NL);
Nederlandse Wandelsportbond (NWB); voor de hippische sport: Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS); voor de wielersport:
Koninklijke Nederlandsche Wielrenunie (KNWU);
Nederlandse Toerfietsunie (NTFU); voor het volleybal: Nederlandse Volleybalbond (Nevobo); voor de judosport: Judobond Nederland (JBN); voor de tennissport: Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB); lage sociaal-economische status: personen met een lage sociaal- economische status hebben een laag opleidingsniveau;
MBvO: Meer Bewegen voor Ouderen; deze activiteit wordt begeleid door speciaal opgeleide docenten; mensen met een functiebeperking: personen die in het dagelijks leven beperkingen ondervinden door chronische problemen van lichamelijke, psychische of verstandelijke aard; multifunctionele breedtesportaccommodatie: accommodatie waarin breedtesport centraal staat en geschikt is voor andere publieke functies; niet-economische activiteit: activiteiten waarbij geen goederen of diensten op een bepaalde markt worden aangeboden; onrendabele top: berekening van de contante waarde van de projectkosten voor realisering van een accommodatie minus de contante waarde van de netto inkomsten gedurende een periode van twintig jaar, waarbij een discontovoet van 5,5% wordt gehanteerd; publieke functie: niet aan sport gerelateerde functies op het gebied van cultuur, welzijn, zorg en educatie; regionaal talentencentrum: een organisatievorm waarin voor een geselecteerde groep talenten in een kernsport in hun directe leefomgeving onafhankelijk van en aanvullend op hun eigen vereniging extra faciliteiten worden georganiseerd;
RIVM: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;
RIVM Centrum voor Gezond Leven: Rijksorganisatie die de kwaliteit van lokale gezondheidsbevordering versterkt, onder meer door interventies te beoordelen op effectiviteit; senioren: personen van 55 jaar en ouder; side event: stimuleringsevenement voor Gelderse burgers, dat georganiseerd wordt rondom een topsportevenement of topsportwedstrijd met als doel de participatie in de sport te verbeteren; spin-off: bestedingen door burgers en organisaties, of investeringen door bedrijven die zonder de te subsidiëren activiteit niet zouden plaatsvinden; sportevenement: evenement dat tot de categorie internationaal topevenement f landelijk kampioenschap behoort, of tot de categorie breedtesport, waarbij verbindingen worden gemaakt met sport, economie en ruimte; sporttalent: Gelderse sporter waaraan NOC*NSF of Topsport Gelderland de talentenstatus heeft toegekend; topaccommodatie: sportaccommodatie die ten behoeve van de te beoefenen kernsporten voldoet aan de in de betreffende tak van sport, door de betreffende sportbond, gestelde wedstrijdeisen; tweede ring van potentiële kernsporten: de sporten golf, gymnastiek, handbal, hockey, schaatsen (inclusief skeeleren), schermen, vrouwenvoetbal, waterpolo en zwemmen die zijn aangewezen door Provinciale Staten op 30 juni 2010 in het document Gelderland Sportland: Programma 2010-2016 (besluit PS2010-510; zaaknummer 2010-009055) als mogelijke toekomstige kernsport; vitale bedrijven: bedrijven of instellingen die activiteiten ondernemen met betrekking tot vitaliteitsmanagement binnen hun organisatie; vitale werknemers: werknemers in dienst bij bedrijven of instellingen gevestigd in Gelderland die activiteiten of maatregelen ondernemen ter bevordering van hun eigen gezondheid of levensstijl.
Paragraaf 5.6.2 Vitale samenleving - sportieve bewegingsruimte
Artikel 5.6.2.1Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1, aanhef en onder a, van de SvG kan worden verstrekt voor: de aanleg van outdoor fitnessvoorzieningen; het inrichten van sport- en speelterreinen op een voor Gelderland andere manier dan de reeds bestaande; het realiseren van toeristische of recreatieve voorzieningen, die de aansluiting van wandel-, hardloop-, fiets-, paardrij- of menroutes op elkaar verbeteren; het realiseren van voor Gelderland innovatieve voorzieningen voor wandel-, hardloop-, fiets-, paardrij- of menroutes waardoor deze aantrekkelijker worden voor de beoefenaars van kernsporten en de tweede ring van potentiële kernsporten; de aanleg van nieuwe beachvolleybalvelden in de buitenruimte.
Artikel 5.6.2.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten: als bedoeld in artikel 5.6.2.1, aanhef en onder a, indien bij de aanvraag een activiteitenplan wordt overgelegd waaruit blijkt dat de aanvrager borgt dat de voorzieningen structureel gebruikt zullen worden in de eerste vier jaar na de aanleg van de voorzieningen; als bedoeld in artikel 5.6.2.1, aanhef en onder b, indien: bij de aanvraag een activiteitenplan wordt overgelegd waaruit blijkt dat de aanvrager borgt dat de voorzieningen structureel gebruikt zullen worden in de eerste vier jaar na de aanleg van de voorzieningen; de voorzieningen passen binnen het gemeentelijksport beleid; als bedoeld in artikel 5.6.2.1, aanhef en onder e, indien: ten minste drie velden op één locatie worden aangelegd; de velden in aanmerking komen voor classificatie door de Nevobo; ten aanzien van de materiële veldeisen, de materiële zandeisen en de veldafmetingen ten minste de B-status kan worden verkregen van de Nevobo; een bij de Nevobo aangesloten vereniging toeziet op het gebruik, het onderhoud en de veiligheid van de velden.
Artikel 5.6.2.3Aanvrager
Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.2.1, aanhef en onder e, wordt verstrekt aan: een volleybalvereniging die is aangesloten bij de Nevobo; een gemeente.
Artikel 5.6.2.4Aanvraag
Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de SvG wordt bij de aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 5.6.2.1, aanhef en onder a en b, een vierjarig activiteitenplan als bedoeld in artikel 5.6.2.2, aanhef en onder a en onder b sub i, overgelegd.
Artikel 5.6.2.5Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van: € 50.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.2.1, aanhef en onder a; € 25.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.2.1, aanhef en onder b; € 100.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.2.1, aanhef en onder c; € 50.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.2.1, aanhef en onder d; € 25.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.2.1, aanhef en onder e.
Paragraaf 5.6.3 Vitale samenleving - actieve senioren
Artikel 5.6.3.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1 van de SvG kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op het door middel van sporten en bewegen bevorderen van de fysieke inspanning door senioren.
Artikel 5.6.3.2Criteria
1 Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten: die worden georganiseerd als onderdeel van een programma of project gericht op de gezonde leefstijl van senioren; gericht op de uitbreiding van het scholingsaanbod voor MBvO-docenten, of professionals en vrijwilligers die senioren begeleiden in hun sport- of bewegingsactiviteiten; gericht op valpreventie in combinatie met bewegings- of sportactiviteiten; waarbij maatschappelijke participatie van senioren een effect is van de georganiseerde activiteiten; of waar de inzet van mee-sportende senioren of begeleiding in de vorm van onder meer intermediairs en professionals werkzaam ten behoeve senioren een onderdeel vormt van de methodiek.
2 De activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.3.1 worden in meer dan één gemeente uitgevoerd.
Artikel 5.6.3.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een organisatie, gemeente of kernsportbond, die activiteiten ontplooit voor senioren; of andere organisaties ondersteund bij het organiseren of uitvoeren van activiteiten voor senioren.
Artikel 5.6.3.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 400.000 per activiteit.
Paragraaf 5.6.4 Vitale samenleving - sport en gezondheid bij jeugd
Artikel 5.6.4.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1 van de SvG kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op het door middel van sporten en bewegen bevorderen van fysieke inspanning door jongeren.
Artikel 5.6.4.2Criteria
1 Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten: die door een kernsportbond of een sportbond uit de tweede ring van potentiële kernsporten erkend zijn als activiteiten om jongeren met deze kernsport, of tweede ring van potentiële kernsporten in aanraking te brengen; of waarbij leefstijlinterventies uit de Interventiedatabase van het Loket Gezond Leven van het RIVM of van de Menukaart van het samenwerkingsverband Effectief Actief worden ingezet.
2 De activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.4.1 worden in meer dan één gemeente uitgevoerd.
Artikel 5.6.4.3Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 400.000 per activiteit.
Paragraaf 5.6.5 Vitale samenleving - sport en gezondheid bij mensen met een lage sociaal- economische status
Artikel 5.6.5.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1 van de SvG kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op het door middel van sporten en bewegen bevorderen van fysieke inspanning door personen met een lage sociaaleconomische status.
Artikel 5.6.5.2Criteria
1 Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten die worden georganiseerd als onderdeel van een programma of project gericht op een gezonde leefstijl van personen met een lage sociaal- economische status.
2 De activiteiten als bedoeld in het eerste lid worden in meer dan één gemeente uitgevoerd.
Artikel 5.6.5.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een organisatie, gemeente of kernsportbond die: activiteiten ontplooit voor personen met een lage sociaal- economische status; of andere organisaties ondersteunt bij het organiseren of uitvoeren van activiteiten voor personen met een lage sociaal- economische status.
Artikel 5.6.5.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 400.000 per activiteit.
Paragraaf 5.6.6 Vitale samenleving - sport en gezondheid bij mensen met een functiebeperking
Artikel 5.6.6.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1 van de SvG kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op het door middel van sporten en bewegen bevorderen van fysieke inspanning door mensen met een zodanige functiebeperking, dat zij niet in staat zijn om een reguliere of aangepaste vorm van een sport te beoefenen.
Artikel 5.6.6.2Criteria
1 Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten die worden georganiseerd als onderdeel van een programma of project gericht op mensen met een zodanige functiebeperking dat zij niet in staat zijn om een reguliere of aangepaste vorm van een sport te beoefenen.
2 De activiteiten als bedoeld in het eerste lid worden in meer dan één gemeente uitgevoerd.
Artikel 5.6.6.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een organisatie, gemeente of kernsportbond, die activiteiten ontplooit voor mensen met een functiebeperking; of andere organisaties ondersteunt bij het organiseren of uitvoeren van activiteiten voor mensen met een functiebeperking.
Artikel 5.6.6.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 400.000 per activiteit.
Paragraaf 5.6.7 Excellente prestaties - Talentontwikkeling
Artikel 5.6.7.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1, aanhef en onder c van de SvG, kan worden verstrekt voor: het oprichten en opstarten van een Regionaal Talenten Centrum ten behoeve van één van de kernsporten; de opleiding van coaches tot topsportcoach; scholingsactiviteiten gericht op de ondersteuning van jeugdige sporttalenten en hun ouders of pleegouders bij het opgroeien en opvoeden van die sporttalenten.
Artikel 5.6.7.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.7.1, aanhef en onder a en b, zijn erkend door de betreffende kernsportbond en stichting Topsport Gelderland; de scholingsactiviteiten als bedoeld in artikel 5.6.7.1, aanhef en onder c, zijn erkend door stichting Topsport Gelderland.
Artikel 5.6.7.3Hoogte van de subsidie
1 De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten en: ten hoogste € 20.000 per jaar met een maximum van € 60.000 per Regionaal Talentencentrum voor subsidies als bedoeld in artikel 5.6.7.1, aanhef en onder a; minimaal € 1.250 en maximaal € 2.500 per aangevraagde opleidingsplaats, met een maximum van € 20.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 5.6.7.1, aanhef en onder b; minimaal € 2.500 en maximaal € 5.000 per aanvraag voor subsidies als bedoeld in artikel 5.6.7.1, aanhef en onder c.
2 De subsidie als bedoeld in artikel 5.6.7.1, aanhef en onder a, wordt ten hoogste voor een periode van drie jaren verstrekt.
Artikel 5.6.7.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan: een kernsportbond; stichting Topsport Gelderland.
Paragraaf 5.6.8 Excellente prestaties - Accommodaties
Artikel 5.6.8.1Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan worden verstrekt voor: de bouw van een topaccommodatie; de verbouw van een accommodatie tot een topaccommodatie; de bouw van een multifunctionele breedtesportaccommodatie.
Artikel 5.6.8.2Criteria
1 Accommodaties als bedoeld in artikel 5.6.8.1: worden ten minste gebruikt voor de beoefening van een kernsport; zijn geschikt voor de beoefening van sport door zowel sporters met als zonder functiebeperking; worden ten minste gebruikt door inwoners uit ten minste twee Gelderse gemeenten; worden voor minimaal 80% ter beschikking gesteld aan gebruikers die niet-economische activiteiten verrichten tegen tarieven die ten hoogste kostprijs dekkend zijn; worden onverminderd het bepaalde onder d ter beschikking gesteld aan gebruikers die economische activiteiten verrichten tegen tarieven die ten minste marktconform zijn; en komen slechts voor subsidie in aanmerking indien de accommodatie past binnen het provinciaal sportbeleid en het sportbeleid van de gemeente waarin de accommodatie wordt gerealiseerd dan wel de gemeenten waarvoor de accommodatie bestemd is.
2 Accommodaties als bedoeld in artikel 5.6.8.1, aanhef en onder c, dienen huisvesting te bieden aan ten minste twee publieke functies die minimaal drie jaren nadat de subsidie is vastgesteld in stand worden gehouden.
3 Subsidieverstrekking voor accommodaties als bedoeld in artikel 5.6.8.1 heeft een stimulerend effect. Dit is het geval:
Indien het gaat om kleine- of middelgrote ondernemingen: wanneer de subsidieaanvrager een subsidieaanvraag heeft ingediend voordat de werkzaamheden aan het project zijn begonnen;
Indien het gaat om grote ondernemingen: wanneer wordt voldaan aan de voorwaarde genoemd onder a; indien de subsidieverstrekking een wezenlijke toename van de omvang en de reikwijdte van het project tot gevolg heeft; en indien de subsidieverstrekking zorgt voor een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de subsidieontvanger voor het project en zorgt voor een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het project wordt voltooid.
Artikel 5.6.8.3Subsidiabele kosten
1 Voor subsidie komen kosten die rechtstreeks betrekking hebben op de bouw of verbouw van de accommodatie die voldoet aan de door de sportbonden gestelde eisen om wedstrijden breedtesporten te kunnen beoefenen in aanmerking.
2 Niet voor subsidie komen in aanmerking kosten die betrekking hebben op: de aankoop van grond, eventuele opstallen en de waarde van de grond; de aanleg van parkeervoorzieningen; de aanleg van groenvoorzieningen; de aanleg van voorzieningen die niet op de bouwkavel zijn gelegen waar de accommodatie wordt gerealiseerd dan wel verbouwd; de inrichting van de accommodatie, welke niet aard- en nagelvast met de accommodatie zijn verbonden.
Artikel 5.6.8.4Weigeringsgrond
Geen subsidie wordt verstrekt voor: de verbouw van of de aanbouw aan bestaande accommodaties, tenzij er sprake is van het bepaalde in artikel 5.6.8.1, aanhef en onder b; de bouw of verbouw van een accommodatie in een gemeente waar in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag reeds voor een accommodatie ten behoeve van dezelfde kernsport subsidie is verstrekt; ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB C 244 van 1.10.2004); ondernemingen ten aanzien waarvan er een uitstaand bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere beschikking van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.
Artikel 5.6.8.5Hoogte van de subsidie
1 De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van: € 5.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.8.1, aanhef en onder a en b; € 2.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.8.1, aanhef en onder c.
2 Het subsidiebedrag als bedoeld in het eerste lid bedraagt ten hoogste de onrendabele top die het gevolg is van het bepaalde in artikel 5.6.8.2, eerste lid, aanhef en onder d.
3 Ter vaststelling van de onrendabele top dient de subsidieaanvrager een realistisch onderbouwd bedrijfsplan te overleggen. In dit bedrijfsplan is ten minste een bezettingsindicatie, een risicoparagraaf en een investerings- en exploitatiebegroting opgenomen.
4 De subsidieaanvrager is verplicht een gescheiden boekhouding te voeren dan wel een ander monitoringssysteem te hanteren waaruit blijkt dat er geen sprake is van overcompensatie.
Artikel 5.6.8.6Verplichtingen
1 De subsidieontvanger is verplicht de inkomsten die boven de geraamde inkomsten worden gegenereerd terug te betalen aan de provincie naar evenredigheid van de verleende subsidie. Deze inkomsten worden daarbij vermeerderd met die overstijgende inkomsten, die ten goede komen aan een subsidieontvanger.
2 Tot de topaccommodatie of multifunctionele breedtesportaccommodatie wordt op transparante en niet discriminerende basis toegang verleend.
3 Ondernemingen die ten minste 30% van de investeringskosten van de topaccommodatie of multifunctionele breedtesportaccommodatie hebben gefinancierd, kunnen bevoorrechte toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, mits die voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld.
4 Indien de subsidieontvanger gebruik maakt van derden om de accommodatie te bouwen, verbouwen of te exploiteren, neemt hij hierbij de geldende aanbestedingsregels in acht.
Paragraaf 5.6.9 Economische impact - Sportevenementen
Artikel 5.6.9.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1, aanhef en onder b van de SvG kan worden verstrekt voor de organisatie van: nationale en internationale kernsportevenementen of sportevenementen op het gebied van de tweede ring van potentiële kernsporten; regionale breedtesportevenementen die zijn gericht op de kernsporten en de tweede ring van potentiële kernsporten; een reeks van Europa Cup wedstrijden inclusief voorrondewedstrijden, waaraan wordt deelgenomen door Gelderse clubteams in de kernsporten of tweede ring van potentiële kernsporten.
Artikel 5.6.9.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten: als bedoeld in artikel 5.6.9.1, aanhef en onder a en b, indien rondom het sportevenement een programma van breedtesport stimuleringsactiviteiten wordt georganiseerd in ten minste vier Gelderse WGR-regio's en in samenwerking met scholen en sportverenigingen of lokale sportbedrijven; als bedoeld in artikel 5.6.9.1, aanhef en onder b, indien het evenement een beoogd bereik heeft van minimaal 2.000 deelnemers; als bedoeld in artikel 5.6.9.1, aanhef en onder c, indien: een programma van breedtesportstimuleringsactiviteiten rondom het evenement wordt georganiseerd; dit programma in ten minste drie gemeenten van de betreffende WGR-regio wordt uitgevoerd; en een samenwerking wordt aangegaan met scholen en sportverenigingen of lokale sportbedrijven.
Artikel 5.6.9.3Hoogte van de subsidie
1 De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.9.1, aanhef en onder a bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van: € 75.000 voor een Nederlands Kampioenschap of een evenement met een vergelijkbare status op het hoogste nationale niveau van sportbeoefening; € 150.000 voor een Europees Kampioenschap of een evenement met een vergelijkbare status op het hoogste Europese niveau van sportbeoefening; € 200.000 voor een Wereldkampioenschap of een evenement met een vergelijkbare status op het hoogste wereldniveau van sportbeoefening.
2 De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.9.1, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste 50 % van de subsidiabele kosten met een maximum van € 35.000.
3 De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.9.1, aanhef en onder c, bedraagt ten hoogste 50 % van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000 per reeks van Europa Cup wedstrijden.
Artikel 5.6.9.4Verplichtingen
Bij een subsidie van meer dan € 25.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.9.1, is de subsidieontvanger verplicht binnen zes maanden na het einde van het evenement een onderzoeksrapport te overleggen, met de resultaten van een onderzoek naar de economische spin-off van het evenement voor het bedrijfsleven in Gelderland conform de methodiek van de landelijke Werkgroep Evaluatie Sportevenementen.
Paragraaf 5.6.10 Economische impact - Kennis en innovatie
Artikel 5.6.10.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1 van de SvG kan worden verstrekt voor: activiteiten die bijdragen aan de toepassing van innovatie op het gebied van top en breedtesport in Gelderland; de realisering van een FieldLab of InnoSportLab in de provincie Gelderland dat zich richt op een kernsport of de tweede ring van potentiële kernsporten.
Artikel 5.6.10.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.10.1, aanhef en onder a, betrekking hebben op een kernsport of een sport uit de tweede ring van potentiële kernsporten; ten aanzien van de activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.10.1, aanhef en onder b, een positief advies is uitgebracht door de betrokken sportbond(en) en door InnosportNL; uit de aanvraag blijkt dat de resultaten van een innovatie in eerste instantie ten goede komen aan Gelderse sporttalenten.
Artikel 5.6.10.3Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000 per activiteit.
Artikel 5.6.10.4Weigeringsgronden
Geen subsidie wordt verstrekt voor het verrichten van fundamenteel onderzoek.
Paragraaf 5.6.11 Economische impact - Vitale bedrijven, vitale werknemers
Artikel 5.6.11.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1 van de SvG kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op het verspreiden van kennis, het verbinden en bijeen brengen van bedrijven of instellingen met betrekking tot het thema vitaliteit en gezondheid van werknemers.
Artikel 5.6.11.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt voor het organiseren van bijeenkomsten, waar ten minste vijf bedrijven of instellingen, welke in Gelderland gevestigd zijn, aan deelnemen.
Artikel 5.6.11.3Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking: het organiseren van bijeenkomsten; het inhuren van sprekers of deskundigen; of het opstellen dan wel laten opstellen van communicatie uitingen.
Artikel 5.6.11.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan de organisator van een bijeenkomst.
Artikel 5.6.11.5Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 25.000 per bijeenkomst.
Titel 5.7 Topsectoren en Innovatie
Paragraaf 5.7.1 Algemene bepalingen
Artikel 5.7.1.1Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder: arbeidsmarktdiscrepantie: kwalitatief of kwantitatief verschil tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt; basisvoorwaarden: voorwaarden waaraan een business case moet voldoen, zijnde duidelijkheid omtrent een beproefde techniek, aangetoonde marktkansen, een beschouwing van de financiering van de marktintroductie en de organisatorische inbedding van de marktintroductie; bedrijfsverzamelgebouw: een gebouw bedoeld voor de huisvesting van meerdere afzonderlijke ondernemingen die in dezelfde sector of fase in het bestaan van de onderneming actief zijn; concept: een schriftelijke uitwerking van een innovatie met een onderbouwing ter voldoening aan ten minste één van de basisvoorwaarden; incubator: broedplaats die tot doel heeft om startende ondernemingen te ondersteunen in hun groei naar gezonde, goed draaiende ondernemingen, door hen huisvesting, seedcapital, administratie, technische ondersteuning, contacten en managementadvies te bieden; innovatie-infrastructuur: fysieke faciliteiten, zoals laboratoria en onderzoeksruimten, waar onderzoek kan worden gedaan door of in opdracht van verschillende ondernemingen als onderdeel van het innovatieproces door deze ondernemingen; innoverende onderneming: een onderneming waarvan aantoonbaar is, door middel van een door een externe deskundige uitgevoerde evaluatie, op basis van met name een businessplan, dat zij in de voorzienbare toekomst producten, diensten of procedés zal ontwikkelen die technologisch nieuw zijn of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van de state-of-the-art in deze sector in de Europese Gemeenschap, en die een risico op technologische of industriële mislukking inhouden, of een onderneming waarvan de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling ten minste 15% van haar totale exploitatiekosten bedragen in ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de steunverlening of, in het geval van een startende onderneming zonder enige financiële voorgeschiedenis, bij de audit van haar lopende belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke accountant; kennisinstelling: universiteiten, hogescholen en academische ziekenhuizen, instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs en onderzoeksinstellingen die zonder winstoogmerk onderzoek en ontwikkeling verrichten en voor minimaal 10% meerjarig structureel door de overheid worden gefinancierd; maakindustrie: het met behulp van machines bedrijfsmatig bewerken van grondstoffen en produceren van halffabricaten en eindproducten voor de commerciële markt;
marktfalen: situatie waarin ondernemingen activiteiten niet of niet voldoende zouden verrichten als zij alleen naar de signalen van de markt zouden kijken; marktintroductie: overgang van de eindfase van het innovatieproces naar de pioniersfase van ondernemerschap; fase waarin afnemers en producenten van innovatieve producten overeenkomsten aangaan;
MKB-onderneming: een onderneming die behoort tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling (EG) nr. 2003/361 van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124); proeftuinen: fysieke of virtuele proefomgeving voor meerdere onafhankelijke ondernemingen en organisaties waar eindgebruikers van innovatieprojecten of innovatieprocessen in participeren teneinde te komen tot versnelde marktintroducties van een innovatief product; programma: samenhangende reeks van projecten en activiteiten met een gezamenlijk doel;
Regionale Centra voor Technologie: de stichting Achterhoeks Centrum voor Technologie te Doetinchem, de stichting Platform Creatieve Technologie te Arnhem, de stichting RCT Rivierenland te Tiel, de stichting RCT Vallei te Ede, stichting Regionaal Nijmeegs Centrum voor Technologie te Nijmegen, stichting Innovatienetwerk Stedendriehoek te Apeldoorn, de stichting Veluws Centrum voor Technologie te Nunspeet; technische haalbaarheidsstudie: een studie naar de technische onzekerheden bij de ontwikkeling van producten, processen of diensten teneinde de slagingskans van een innovatie te vergroten;
Valleybureau's: Stichting Food Valley te Wageningen en de Stichting Health Valley te Nijmegen.
Paragraaf 5.7.2 Versnellen van innovaties Food, Health en Maakindustrie
Artikel 5.7.2.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de SvG kan worden verstrekt voor het ten behoeve van MKB-ondernemingen laten doen van onderzoek gericht op: de fase van het innovatieproces waarbinnen ideeën worden omgezet in concepten; deelname aan programma's van de Europese Unie.
Artikel 5.7.2.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health en Maakindustrie.
Artikel 5.7.2.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan:
Valleybureaus;
Regionale Centra voor Technologie.
Artikel 5.7.2.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000.
Artikel 5.7.2.5Weigeringsgrond
Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit betrekking heeft op fundamenteel onderzoek.
Artikel 5.7.2.6Verplichtingen
De subsidieontvanger is verplicht de subsidie zodanig aan te wenden dat per kalenderjaar per onderneming ten behoeve waarvan het onderzoek wordt uitgevoerd maximaal € 10.000 wordt aangewend en maximaal 50% van de onderzoekskosten wordt vergoed.
Paragraaf 5.7.3 Collectief onderzoek
Artikel 5.7.3.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de SvG kan worden verstrekt voor: industrieel onderzoek; experimentele ontwikkeling; technische haalbaarheidsstudies.
Artikel 5.7.3.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health en Maakindustrie; en de aanvrager daarbij voor gezamenlijke rekening en risico met ten minste één andere onderneming of kennisinstelling samenwerkt en de voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd.
Artikel 5.7.3.3Subsidiabele kosten
1 Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.3.1, aanhef en onder a en b, komen in aanmerking: personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, technische kennis en octrooien die tegen marktprijzen worden verworven bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, mits de transactie conform het arm's length-beginsel plaatsvond en er geen sprake is van collusie. Voorts ook kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor de onderzoeksactiviteiten worden gebruikt; extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het onderzoeksproject voortvloeien.
2 Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.3.1, aanhef en onder c komen de studiekosten in aanmerking.
Artikel 5.7.3.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan MKB-ondernemingen.
Artikel 5.7.3.5Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste:
30% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.7.3.1, aanhef en onder a en c;
25% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.7.3.1, aanhef en onder b;
Artikel 5.7.3.6Communautair toetsingskader
1 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.7.3.1, aanhef en onder a en b, wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Module 1 van de Omnibus Decentraal Regeling zoals die door de Europese Commissie is goedgekeurd bij beschikkingen N 726a/2007 en N 726b/2007.
2 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.7.3.1, aanhef en onder c, wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd zijn met Module 2 van de Omnibus Decentraal Regeling zoals die door de Europese Commissie is goedgekeurd bij beschikkingen N 726a/2007 en N 726b/2007.
Paragraaf 5.7.4 Projectsubsidie
Artikel 5.7.4.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de SvG kan worden verstrekt voor: industrieel onderzoek; experimentele ontwikkeling.
Artikel 5.7.4.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health en Maakindustrie; de aanvrager daarbij voor gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met meerdere andere ondernemingen of kennisinstellingen en de voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd; en de subsidiabele activiteit binnen de betreffende sector betrekking heeft op een keten van producent, leverancier en eindgebruiker.
Artikel 5.7.4.3Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking: personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, technische kennis en octrooien die tegen marktprijzen worden verworven bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, mits de transactie conform het arm's length-beginsel plaatsvond en er geen sprake is van collusie. Voorts ook kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor de onderzoeksactiviteiten worden gebruikt; extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het onderzoeksproject voortvloeien.
Artikel 5.7.4.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen.
Artikel 5.7.4.5Aanvraag
Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de aanvraag in elk geval een schriftelijk bewijsstuk verstrekt waar uit blijkt dat de subsidiabele activiteit binnen de betreffende sector betrekking heeft op de keten van producent, leverancier en eindgebruiker.
Artikel 5.7.4.6Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste:
40% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 250.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.7.4.1, aanhef en onder a;
25% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 250.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.7.4.1, aanhef en onder b.
Artikel 5.7.4.7Weigeringsgrond
Subsidie wordt geweigerd indien de aanvrager niet beschikt over een aantoonbaar marktaandeel van de betreffende markt waarbinnen de innovatie plaatsvindt.
Artikel 5.7.4.8Communautair toetsingskader
Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Module 1 van de Omnibus Decentraal Regeling zoals die door de Europese Commissie is goedgekeurd bij beschikkingen N 726a/2007 en N 726b/2007.
Paragraaf 5.7.5 Innovatie-infrastructuur
Artikel 5.7.5.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de SvG kan worden verstrekt voor: het realiseren van innovatie-infrastructuur; het beschikbaar stellen van innovatie-infrastructuur.
Artikel 5.7.5.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health en Maakindustrie; en de innovatie-infrastructuur is bedoeld voor industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.
Artikel 5.7.5.3Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking: kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten in aanmerking.
Artikel 5.7.5.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste:
50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 300.000 voor innovatie-infrastructuur die is bedoeld voor industrieel onderzoek;
25% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 300.000 voor innovatie-infrastructuur die is bedoeld voor experimentele ontwikkeling.
Artikel 5.7.5.5Communautair toetsingskader
Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Module 1 van de Omnibus Decentraal Regeling zoals die door de Europese Commissie is goedgekeurd bij beschikkingen N 726a/2007 en N 726b/2007.
Paragraaf 5.7.6 Proeftuinen ten behoeve van marktintroducties
Artikel 5.7.6.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de SvG kan worden verstrekt voor het: ontwikkelen van proeftuinen ten behoeve van marktintroducties; generiek promoten van het Gelderse proeftuinklimaat; generiek promoten van het Gelderse ondernemingsklimaat voor innoverende ondernemingen.
Artikel 5.7.6.2Criteria
1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health en Maakindustrie.
2 Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.6.1, aanhef en onder c, wordt slechts verstrekt indien de aanvrager daarbij voor gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste één andere onderneming, kennisinstelling of publiekrechtelijke rechtspersoon en de voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd.
Artikel 5.7.6.3Aanvrager
1 Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.6.1, aanhef en onder a, wordt verstrekt aan ondernemingen.
2 Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.6.1, aanhef en onder b, wordt verstrekt aan Valleybureaus en Regionale Centra voor Technologie.
3 Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.6.1, aanhef en onder c, wordt verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen; privaatrechtelijke rechtspersonen.
Artikel 5.7.6.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50 % van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000.
Artikel 5.7.6.5Weigeringsgrond
Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit betrekking heeft op de realisatie, verkrijging, gebruik of beheer van onroerende zaken en infrastructuur.
Paragraaf 5.7.7 Ondersteunen innovatieve starters
Artikel 5.7.7.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de SvG kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een programma gericht op het ondersteunen van innovatieve starters teneinde innovatie en ondernemerschap te bevorderen.
Artikel 5.7.7.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health en Maakindustrie; de begunstigde onderneming een kleine onderneming is die minder dan zes jaar bestaat op het tijdstip dat de steun wordt toegekend; en de begunstigde onderneming een innoverende onderneming is.
Artikel 5.7.7.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon die deels of volledig statutair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van onderwijs- of kennisinstellingen en die zich blijkens zijn statuten het bevorderen van het ontstaan van jonge innoverende ondernemingen tot doel stelt.
Artikel 5.7.7.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 3.000.000.
Artikel 5.7.7.5Weigeringsgrond
Subsidie wordt geweigerd indien samenwerking met andere door de provincie ondersteunde programma's ter bevordering van ondernemerschap ontbreekt.
Artikel 5.7.7.6Verplichtingen
De subsidie ontvanger is verplicht: de steun per innovatieve starter te beperken tot ten hoogste € 1.000.000; per innovatieve starter in de periode dat deze als zodanig wordt beschouwd niet meer dan één keer steun te verlenen.
Artikel 5.7.7.7Communautair toetsingskader
Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Module 4 van de Omnibus Decentraal Regeling zoals die door de Europese Commissie is goedgekeurd bij beschikkingen N 726a/2007 en N 726b/2007.
Paragraaf 5.7.8 Internationalisering
Gereserveerd.
Paragraaf 5.7.9 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie sectoren Food, Health en Maakindustrie
Artikel 5.7.9.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder c, van de SvG kan worden verstrekt voor het verkleinen van arbeidsmarktdiscrepanties.
Artikel 5.7.9.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health en Maakindustrie; en bij de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten één of meerdere ondernemingen zijn betrokken.
Artikel 5.7.9.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan: ondernemingen; verenigingen van ondernemingen; kennisinstellingen; gemeenten.
Artikel 5.7.9.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000.
Paragraaf 5.7.10 Ondersteuning Valleybureaus als innovatie-intermediair
Artikel 5.7.10.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder d, van de SvG kan worden verstrekt voor: opleiding met het oog op meer en beter gekwalificeerd personeel; verspreiding van onafhankelijke onderzoeksresultaten; activiteiten inzake technologieoverdracht in de vorm van licentiëring, creatie van spinoffs of andere gecreëerde vormen van kennisbeheer.
Artikel 5.7.10.2Criteria
1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit plaatsvindt ten behoeve van de sector Food of Health.
2 Subsidie, als bedoeld in artikel 5.7.10.1, aanhef en onder c, wordt slechts verstrekt indien: het kennisbeheer door de aanvrager zelf, al dan niet in samenwerking met een andere onderzoeksorganisatie of innovatie-intermediair, wordt uitgevoerd; en eventuele inkomsten uit deze activiteit geïnvesteerd worden in kennisbeheer door aanvrager.
Artikel 5.7.10.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan de Valleybureaus.
Artikel 5.7.10.4Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 500.000.
Paragraaf 5.7.11 Aanjagen en stimuleren van regionale gebiedsontwikkeling
Artikel 5.7.11.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder e, van de SvG kan worden verstrekt voor activiteiten die betrekking hebben op de fysieke realisatie van een incubator, een bedrijfsverzamelgebouw of een gedeelde onderzoeksfaciliteit.
Artikel 5.7.11.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health en Maakindustrie; en de bij de subsidiabele activiteit betrokken publieke en private partijen hun samenwerkingsafspraken schriftelijk hebben vastgelegd en daarbij ten minste regelingen hebben getroffen terzake de financiering van de voorgenomen fysieke realisatie en de verdeling van financiële risico's.
Artikel 5.7.11.3Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking: het opstellen van een ruimtelijk-planologische visie of een ruimtelijk plan; het opstellen van een business case; het financieren van een onrendabele top in de vorm van kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als subsidiabele kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten in aanmerking.
Artikel 5.7.11.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen; privaatrechtelijke rechtspersonen.
Artikel 5.7.11.5Hoogte van de subsidie
1 De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 100.000 voor kosten als bedoeld in artikel 5.7.11.3, aanhef en onder a of b;
2 De subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 5.7.11.3, aanhef en onder c, bedraagt ten hoogste:
50% van de subsidiabele kosten indien en voor zover de betreffende gebouwen en grond als bedoeld in artikel 5.7.11.1 worden gebruikt voor industrieel onderzoek;
25% van de subsidiabele kosten indien en voor zover de betreffende gebouwen en grond als bedoeld in artikel 5.7.11.1 worden gebruikt voor experimentele ontwikkeling.
Artikel 5.7.11.6Weigeringsgronden
Subsidie wordt geweigerd indien: niet uit een marktonderzoek het nut, de noodzaak en de realiseerbaarheid van de subsidiabele activiteit volgt; de uitgangspunten van de subsidiabele activiteit niet in overleg met de provincie zijn opgesteld.
Artikel 5.7.11.7Communautair toetsingskader
Subsidie ten behoeve van de onrendabele top in de zin van artikel 5.7.11.3, aanhef en onder c, wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Module 1 van de Omnibus Decentraal Regeling zoals die door de Europese Commissie is goedgekeurd bij beschikkingen N 726a/2007 en N 726b/2007.
Titel 5.8 Economisch beleid
Paragraaf 5.8.1 Algemene bepalingen
Artikel 5.8.1.1Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
Actieplan Vrijetijdseconomie: het actieplan zoals vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland van 22 mei 2012 (zaaknummer 2012-008498); arbeidsmarktdiscrepantie: kwalitatief of kwantitatief verschil tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt; basisvoorwaarden: voorwaarden waaraan een business case moet voldoen, zijnde duidelijkheid omtrent een beproefde techniek, aangetoonde marktkansen, een beschouwing van de financiering van de marktintroductie en de organisatorische inbedding van de marktintroductie; businessplan voor de fysieke bedrijfsomgeving: een uitgewerkt plan dat inzicht geeft in de knelpunten, investeringskansen op zowel publiek als privaat terrein, beoogde maatregelen inclusief begroting en een visie op toekomstig beheer en onderhoud van het desbetreffende bedrijventerrein; concept: een schriftelijke uitwerking van een innovatie met een onderbouwing ter voldoening aan ten minste één van de basisvoorwaarden; creatieve sector: sector van ondernemingen die gericht zijn op de exploitatie van kunstzinnigheid en intellectueel eigendom; economische spin-off: positieve (boven)regionale economische effecten voorafgaand aan, tijdens of na het evenement; evenement: een bestaand één- of meerdaags sport- of cultuurevenement met een (boven)regionaal karakter dat georganiseerd wordt in Gelderland en past binnen het "Gelders Evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken"; innovatie-infrastructuur: fysieke faciliteiten, zoals laboratoria en onderzoeksruimten, waar onderzoek kan worden gedaan door of in opdracht van verschillende ondernemingen als onderdeel van het innovatieproces door deze ondernemingen; innoverende onderneming: een onderneming waarvan aantoonbaar is, door middel van een door een externe deskundige uitgevoerde evaluatie, op basis van met name een businessplan, dat zij in de voorzienbare toekomst producten, diensten of procedés zal ontwikkelen die technologisch nieuw zijn of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van de state-of-the-art in deze sector in de Europese Gemeenschap, en die een risico op technologische of industriële mislukking inhouden, of een onderneming waarvan de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling ten minste 15% van haar totale exploitatiekosten bedragen in ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de steunverlening of, in het geval van een startende onderneming zonder enige financiële voorgeschiedenis, bij de audit van haar lopende belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke accountant;