Nota bodembeheer werkgebied ODRUDe raad van de gemeente Stichtse Vecht; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders; gelet op het bepaalde in de Nota bodembeheer werkgebied ODRU; heeft op 20 december 2022 besloten om: De “Nota bodembeheer werkgebied ODRU” met de bijbehorende bodemkwaliteitskaarten voor PFAS en standaardstoffen en de bodemfunctiekaart vast te stellen; De bevoegdheid tot het nemen van besluiten met een uitvoerend karakter, zoals opgenomen in hoofdstuk 11 van de “Nota bodembeheer werkgebied ODRU”, aan het college te delegeren. Het betreft de volgende onderwerpen: Wijzigen bodemfunctiekaart; Verlengen geldigheid bodemkwaliteitskaarten; Accepteren bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten; Uitbreiden “bodembeheergebied ODRU” met het grondgebied van een buur- of regiogemeente die buiten het bodembeheergebied ODRU ligt. De voorgaande “Nota bodembeheer regio Noordwest Utrecht” die op 30 juni 2015 door de gemeenteraad is vastgesteld, in te trekken op de dag van inwerkingtreding van de “Nota bodembeheer werkgebied ODRU”. Inzage: De vastgestelde Nota bodembeheer werkgebied ODRU en bijbehorende kaarten liggen na de bekendmaking, gedurende zes weken ter inzage. Op afspraak kunt u deze ook inzien bij de gemeente. Kijk voor actuele informatie omtrent de openingstijden/kantoortijden en het maken van een afspraak, op de website van de gemeente. Voor meer informatie kunt u contact opnemen via telefoonnummer: 14 0346 of via e-mailadres: info@stichtsevecht.nl Beroep: Een belanghebbende die tijdig zijn zienswijze kenbaar heeft gemaakt of die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om zijn zienswijze kenbaar te maken, kan binnen zes weken beroep aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. De termijn van zes weken start een dag na de terinzagelegging van de stukken. Informatie: Voor specifieke informatie over het besluit en de nota kunt u contact opnemen met Jan Hijzelendoorn, bodemadviseurvan de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU), telefoonnummer 088-022 5071 of e-mail j.hijzelendoorn@odru.nl. gemeente Stichtse Vecht Beleidskader voor grondverzet en bodemsanering 23 mei 2022 door de gemeenteraad vastgesteld op 20 december 2022 Samenvatting Aanleiding Aanleiding voor het opstellen van dit nieuwe regionale beleid is de wens van de 15 gemeenten in het werkgebied van de ODRU 1 Dit zijn de volgende gemeenten: Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Montfoort, Oudewater, Renswoude, , Rhenen, Stichtse Vecht, Utrechtse Heuvelrug, IJsselstein, Veenendaal, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden en Zeist., om te komen tot een gezamenlijk beleid voor het grondverzet en een gezamenlijke bodemkwaliteitskaart voor het werkgebied van de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU). De in deze Nota beschreven beleidskeuzes zijn vooraf uitgebreid besproken met de bij dit project betrokken contactpersonen bij de betreffende gemeente. Het in deze Nota beschreven beleid bouwt voort op het oude beleid voor het grondverzet van de deelnemende gemeenten, maar is geactualiseerd (o.a. vanwege veranderde wet- en regelgeving) en bevat een aantal aanscherpingen of juist versoepelingen ten opzichte van het oude beleid om nog beter aan te kunnen sluiten op de lokale bodemsituatie en de gemeentelijke ambities en maatschappelijke opgaven. Het bodembeheergebied waarop het nieuwe beleid van toepassing is, omvat het hele werkgebied van de ODRU en wordt in deze Nota “Bodembeheergebied ODRU” genoemd. Voor wat betreft het beleid voor het grondverzet t.a.v. PFAS, omvat het bodembeheergebied de hele provincie Utrecht. Dit wordt “Bodembeheergebied PFAS” genoemd. Door het nieuwe beleid vast te stellen wordt het toepassen van grond en bagger en het uitwisselen hiervan tussen de ODRU-gemeenten, op een eenvoudige en kostenefficiënte wijze mogelijk gemaakt. Opbouw van de Nota Deel 1: Het nieuwe beleid voor het grondverzet in het werkgebied van de ODRU Het Besluit bodemkwaliteit stelt regels aan het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en baggerspecie. Dit Besluit geeft gemeenten tevens de beleidsvrijheid om, op sommige onderdelen, af te wijken van de landelijk geldende regels (ook wel het Generieke kader genoemd). Bijvoorbeeld als deze niet passen bij de lokale of regionale bodemsituatie of niet voldoende aansluiten bij de gemeentelijke ambities op bodemgebied. In deze Nota wordt beschreven hoe (en waarom) de gemeenten in het werkgebied van de ODRU, deze lokale beleidsruimte invullen (Gebiedsspecifieke beleidskader). Motto bij het opstellen van dit Gebiedsspecifieke beleidskader is: “streng waar het moet en soepel waar het kan”. Deel 2: Graven in de bodem met en zonder saneringsdoel Zolang er geen sprake is van gezondheids- en milieurisico’s is het uitgangspunt van het opgestelde beleidskader: het zoveel mogelijk herbenutten van vrijkomende grond, liefst binnen hetzelfde werk. Hierbij is het uitvoeren van een goed vooronderzoek van belang. De wijze van onderzoek kan per situatie verschillen. Voor kleinschalige projectmatige ontgravingen zonder saneringsdoel, zijn de regels versimpeld. De komende jaren zullen bodemsaneringen vaker in de vorm van kleinere en meer incidentele projecten, als onderdeel van ruimtelijke ontwikkelingen aan de orde zijn en is nauwelijks meer sprake van omvangrijke bodemsaneringssituaties, zoals voorheen bij bijvoorbeeld voormalige gasfabrieken. Dat stelt andere eisen aan het graven in de bodem. De visie van de gemeente op (de aanpak van) bodemverontreinigingen is beschreven in par. 9.5 en zal in het Omgevingsplan uitgewerkt worden als de Omgevingswet inwerking getreden is. Daadwerkelijk saneren wordt, steeds meer dan voorheen, gekoppeld aan ruimtelijke ontwikkelingen, tenzij er sprake is van acute risico’s. Dan wordt er direct ingegrepen. Deel 3: Vaststellingsprocedure, delegeren van bevoegdheden en communicatie Vaststelling van Gebiedsspecifiek beleid voor het grondverzet is volgens art. 44, lid 1 van het Besluit bodemkwaliteit, voorbehouden aan de gemeenteraad. Wel kunnen na vaststelling, bepaalde onderdelen van het beleid gedelegeerd worden aan het college van burgemeester en wethouders. Om de van te voren verwachte baten van het opgestelde Gebiedsspecifieke beleid en de bijbehorende kaarten in de praktijk te verzilveren, is het van groot belang dat iedereen die grond verplaatst of toepast weet dat dit beleid vastgesteld is, wat de lokaal geldende Gebiedsspecifieke regels zijn en hoe de bijbehorende tools (ontgravings- en toepassingskaarten) gebruikt moeten worden. Daarom is goede en breed uitgezette communicatie binnen de gemeentelijke organisatie, maar ook extern (bodemadviesbureaus, aannemers van grondwerken, waterschappen, overige lokale bodembeheerders) van groot belang. Doel van het nieuwe beleid Het in deze Nota beschreven beleid wil enerzijds ruimte scheppen voor ontwikkelingen (woningbouw, aanleg van wegen, energietransitie, e.d.) en andere maatschappelijke en regionale opgaven, en anderzijds richt het beleid zich op bescherming van gezondheid van mens, dier en plant, en het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze geschikt blijft voor meerdere gebruiksdoeleinden. Het centrale uitgangspunt van het gemeentelijk bodembeleid is dat de kwaliteit van de bodem binnen het vastgestelde bodembeheergebied per saldo niet verslechtert en verbetert wordt waar dit nodig geacht wordt. Baten van het nieuwe beleid Door de opgestelde Ontgravingskaarten en Toepassingskaarten in de praktijk te gebruiken, kunnen veel kosten (en ook tijd) bespaard worden in de uitvoering, omdat in veel gevallen een partijkeuring niet meer nodig zal zijn. Getracht is het beleid voor vergelijkbare situaties voor alle gemeenten hetzelfde te houden. Dit vergroot de kwaliteit van de uitvoering en het nalevingsgedrag van de regels. Bovendien is hierdoor de handhaving vanuit de ODRU, efficiënter te organiseren. Door het nieuwe beleid worden de hergebruiksmogelijkheden van gebiedseigen grond in de regio verruimd en zijn er minder primaire grondstoffen nodig. Bovendien zijn er minder transportbewegingen nodig en zijn de transportafstanden geringer, omdat grond vaker dichtbij de ontgravingslocatie toegepast kan worden. Dit leidt niet alleen tot minder verkeersbelasting, maar ook tot minder uitstoot van CO2 en fijnstof. Dat alles maakt het bodembeheer een stuk duurzamer. Omvang bodembeheergebied Door de Gebiedsspecifieke regels die in de eigen gemeente gelden, ook van toepassing te verklaren op grond afkomstig uit andere gemeenten, kan het uitwisselen op een simpele wijze plaatsvinden. Het gebied waarbinnen voor alle gemeenten dezelfde Gebiedsspecifieke regels gelden, wordt het bodembeheergebied genoemd. 1.Inleiding 1.1.Aanleiding Aanleiding voor het opstellen van dit nieuwe beleid is de wens van de 15 gemeenten in het werkgebied van de ODRU om te komen tot een gezamenlijk beleid voor het grondverzet en een gezamenlijke bodemkwaliteitskaart voor het werkgebied van de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU). Met het vaststellen van het nieuwe beleid vervalt eventueel eerder beleid dat voor de in de onderhavige nota beschreven thema’s door een gemeente is vastgesteld. Het in deze Nota beschreven beleid bouwt voort op het oude beleid voor het grondverzet van de deelnemende gemeenten, maar is geactualiseerd (o.a. vanwege veranderde wet- en regelgeving) en bevat een aantal aanscherpingen of juist versoepelingen ten opzichte van het oude beleid om nog beter aan te kunnen sluiten op de lokale bodemsituatie en de gemeentelijke ambities en maatschappelijke opgaven. Het beleid dat geldt voor het toepassen van grond en baggerspecie afkomstig uit de eigen gemeente wordt ook van toepassing verklaard voor grond afkomstig uit de andere ODRU- gemeenten. Het bodembeheergebied waar het gebiedsspecifieke beleid voor opgesteld is, wordt het Bodembeheergebied ODRU genoemd. Bovendien worden de bij dit beleid behorende bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel voor het toepassen van grond van elkaar geaccepteerd.2 onder grond wordt ook gerijpte baggerspecie verstaan Dit maakt uitwisseling van grond tussen de ODRU-gemeenten, op een eenvoudige en kostenefficiënte wijze mogelijk. Door het nieuwe beleid wordt hergebruik van gebiedseigen grond binnen het werkgebied van de ODRU verruimd, zijn er minder primaire grondstoffen nodig en blijven transportafstanden voor het vervoer beperkt, omdat de grond vaker dichtbij de ontgravingslocatie toegepast kan Worden. Dit leidt tot minder verkeersbelasting en minder uitstoot van CO2 en fijnstof. Dat maakt het grondverzet binnen het werkgebied van de ODRU een stuk duurzamer. Het in deze Nota beschreven beleid, is een leidraad voor de uitvoering van de taken die de gemeente heeft als bevoegd gezag vanuit het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) voor het toepassen van grond, voor het graven in de grond en voor bodemsaneringen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de gemeente bevoegd gezag voor (bijna alle) bodemsaneringen en wordt de aanpak van bodemverontreinigingen (veel meer) ontwikkeling gestuurd. 1.2.Leeswijzer Deel 1 van deze Nota gaat over het beleid voor het toepassen en tijdelijk opslaan van grond (hoofdstuk 2 t/m 7). Naast de achtergronden van de regels die landelijk gelden voor het toepassen van grond, wordt in deel 1 ook uitgelegd wat het gemeentelijk Gebiedsspecifieke beleid voor het grondverzet inhoudt en waarom de gemeenten hiervoor gekozen hebben. In hoofdstuk 7 (par. 7.3) is een Stappenschema voor het grondverzet opgenomen. Deel 2 van deze Nota gaat over het graven in de bodem met en zonder saneringsdoel (hoofdstuk 9). In dit hoofdstuk wordt het belang van een goed vooronderzoek bij het graven toegelicht. In dit hoofdstuk wordt ook beschreven wat de visie van de gemeente is op (de aanpak van) bodemverontreinigingen. In hoofdstuk 10 wordt een kleine doorkijk gegeven naar de Omgevingswet. Er wordt aangegeven wat er voor de activiteiten graven en saneren gaat veranderen ten opzichte van de regels die nu voor deze activiteiten gelden. Deel 3 van deze Nota beschrijft de procedures voor de vaststelling van het Gebiedsspecifieke beleid en delegatie van sommige onderdelen van gemeenteraad naar het college van burgemeester en wethouders (hoofdstuk 11). Ook wordt hierin vast een voorschot genomen hoe de communicatie over en implementatie van het nieuwe beleid en de bijbehorende kaartlagen tot stand zou kunnen komen. In veel hoofdstukken zijn tabellen opgenomen waarin bodemfunctieklassen en bodemkwaliteitsklassen worden benoemd. In de tabellen worden kleuren gebruikt om de bodemkwaliteits- of functieklasse aan duiden. In tabel 1 wordt aangegeven welke kleuren worden gebruikt om de kwaliteitsklassen aan te duiden (in volgorde van beste naar minder goede kwaliteit). Tabel 1: Kleuren die gebruikt worden om de bodemkwaliteitsklasse aan te duiden Klasse Landbouw/Natuur 3 In de aangepaste Regeling bodemkwaliteit 2021 is de term “Achtergrondwaarde” vervangen door “klasse Landbouw/Natuur”. Om deze reden wordt deze nieuwe term in deze Nota gebruikt. Klasse Wonen Klasse Industrie In tabel 2 wordt aangegeven welke kleuren in deze Nota worden gebruikt om de functieklassen aan te duiden (in volgorde van gevoelig naar minder risicogevoelig bodemgebruik): Tabel 2: Kleuren de gebruikt worden om de bodemfunctieklasse aan te duiden Klasse Landbouw/Natuur Klasse Wonen Klasse Industrie Alle percelen in een gemeenten zijn ingedeeld in een bepaalde zone. Van elke zone is de bodemkwaliteitsklasse en de bodemfunctieklasse bekend. Bij elke bodemfunctieklasse hoort een minimale eis voor de gewenste bodemkwaliteit. De corresponderende kleuren geven aan welke bodemkwaliteitsklasse bij welke bodemfunctieklasse past. Hoofdlijn van het beleid is dat grond uit een zone met een betere kwaliteit altijd mag worden toegepast op een perceel in een zone met een slechtere bodemkwaliteit. Bij het beoordelen of een voorgenomen toepassing van grond is toegestaan, is soms de bodemkwaliteitsklasse van een zone en soms de bodemfunctieklasse leidend voor de toepassingseis die geldt op de toepassingslocatie. DEEL1 Dit deel gaat over het Gebiedsspecifieke beleidskader voor het grondverzet De beleidsregels uit dit deel komen via Overgangsrecht automatisch in z’n geheel in het Tijdelijk deel van het Omgevingsplan terecht. 2.Achtergronden beleid grondverzet 2.1.Doelstelling nieuwe beleid Sinds 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) van kracht. Dit besluit stelt regels aan het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en bagger. Dit wordt ook wel het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit genoemd. Gemeenten hebben echter de mogelijkheid om van een aantal regels uit het Generieke kader af te wijken en hiervoor lokale regels vast te stellen (art. 44, lid 1, Bbk). Dit wordt het Gebiedsspecifieke beleidskader genoemd. De gemeenten in het werkgebied van de ODRU hebben er voor gekozen om voor een aantal toepassingen Gebiedsspecifieke beleidsregels vast te stellen, omdat de regels uit het Generieke kader niet voor alle toepassingen aansluiten bij de lokale bodemsituatie en de gemeentelijke ambities. Om die bestuurlijke afwegingsruimte concreet te maken eist de wet dat het lokale bodembeleid vastgelegd wordt in een gemeentelijke Nota bodembeheer en vastgesteld wordt door de gemeenteraad. In de voorliggende Nota wordt beschreven hoe (en waarom) de gemeenten in het werkgebied van de ODRU, deze lokale beleidsruimte invullen. Een zorgvuldig beheer van de bodem staat voorop, zodat de bestaande bodemkwaliteit binnen het bodembeheergebied niet zal verslechteren (stand-still principe) en de bodem niet op een andere manier aangetast wordt in haar functies. Onder de Omgevingswet, die binnen afzienbare tijd inwerking zal treden, wordt het in deel 1 van deze Nota beschreven Gebiedsspecifieke beleid, straks, via Overgangsrecht, automatisch onderdeel van het Tijdelijk deel van het gemeentelijk Omgevingsplan. Waar mogelijk wordt er in deze Nota geanticipeerd op de bodemregelgeving onder de Omgevingswet. Door het vaststellen van het in deze Nota beschreven Gebiedsspecifieke beleid wordt het grondverzet gefaciliteerd en wordt het mogelijk om op een milieuverantwoorde, duurzame en kostenefficiënte wijze grond en baggerspecie op de landbodem toe te passen en her te gebruiken. Het in deze Nota beschreven beleid wil enerzijds ruimte scheppen voor ontwikkelingen (woningbouw, aanleg van wegen, energietransitie, e.d.), en anderzijds richt het beleid zich op bescherming van gezondheid van mens, dier en plant, en het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze geschikt blijft voor allerlei gebruiksdoeleinden, nu en in de toekomst. 2.2.Doelgroep Het in deze Nota beschreven beleid en de bijbehorende kaarten, is niet alleen opgesteld voor gemeentelijke afdelingen die veel met grondverzet te maken hebben, maar voor een ieder die met grondverzet te maken heeft of kan krijgen. Naast en aannemers- en loonbedrijven, kunnen dit ook zijn (bodem)adviesbureaus, waterschappen, andere overheidsorganen, maatschap- pelijke organisaties en burgers. Op deze manier kunnen ook zij kosten besparen, omdat in veel gevallen geen partijkeuring meer uitgevoerd hoeft te worden. 2.3.(Veranderingen) bevoegd gezag taken Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente is onder het Besluit bodemkwaliteit het bevoegd gezag voor toepassingen en opslag van grond en bagger op de landbodem. Dit blijft ook zo als de Omgevingswet van kracht wordt. De regels voor het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en bagger, worden opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL). Gelijktijdig met het inwerking treden van de Omgevingswet worden gemeenten straks het bevoegd gezag voor de aanpak van alle, nog niet eerder door de provincie beschikte, niet spoedeisende, bodemverontreinigingen. Voor alle bodemsaneringssituaties die onder het overgangsrecht vallen, blijft de provincie Utrecht het bevoegd gezag. 2.4.Verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid De verantwoordelijkheid voor het naleven van wet- en regelgeving bij handelingen met grond en baggerspecie ligt bij de initiatiefnemer. De initiatiefnemer is verplicht om de voorgenomen handeling te (laten) melden en de daarop van toepassing zijnde regels na te leven. Via een privaatrechtelijke machtiging kan deze verplichting ook bij een aannemer, adviseur of andere betrokkenen worden neergelegd. De wetgever gaat echter uit van ketenaansprakelijkheid. Dat houdt in dat alle bij een werk of project betrokken partijen medeverantwoordelijk zijn en dienen te werken volgens de geldende wet- en regelgeving. Dat geldt ook ten aanzien van eventueel lokaal of regionaal geldende regels, zoals de regels van het Gebiedsspecifieke beleid dat in deze Nota beschreven is. Het onderhavig beleid, met bijbehorende kaarten, is zeer zorgvuldig opgesteld. Echter, een bodemkwaliteitskaart doet alleen uitspraken over de te verwachten gemiddelde bodemkwaliteit binnen een bepaalde zone. Binnen een zone is het dus denkbaar dat de kwaliteit van een individuele partij ontgraven grond afwijkt van de gemiddelde bodemkwaliteit in die zone. De gemeenten zijn echter niet aansprakelijk voor schade als gevolg van die mogelijke afwijking tussen de verwachte bodemkwaliteit, die aangeduid wordt op de Ontgravingskaart, en de grondkwaliteit van een individuele partij grond. Als men als initiatiefnemer van een werk, vooraf meer zekerheid wil hebben over de kwaliteit van de te ontgraven grond, staat het hem of haar vrij om zelf een bodemonderzoek of partijkeuring te laten uitvoeren, conform de geldende normen. De verantwoordelijkheid voor het toepassen van grond/baggerspecie blijft altijd bij degene die de grond en/of baggerspecie toepast of tijdelijk opslaat. 2.5.Reikwijdte van het Gebiedsspecifieke beleid Het Gebiedsspecifieke beleid gaat alleen over het toepassen en tijdelijk opslaan van grond op de landbodem. Voor het toepassen van grond in oppervlaktewateren is de desbetreffende waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Het Gebiedsspecifieke beleid dat in deze Nota beschreven wordt voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket, geldt voor het toepassen (en tijdelijk opslaan) van grond en baggerspecie binnen het werkgebied van de ODRU. Dit wordt het Bodembeheergebied ODRU genoemd. Voor PFAS omvat het bodembeheergebied de hele provincie Utrecht. Dit wordt het Bodembeheergebied PFAS genoemd. Het in deze Nota beschreven beleid is een leidraad voor de uitvoeringspraktijk van het grondverzet. Er wordt beschreven hoe de gemeenten de bodemregelgeving vertalen naar lokale regels en beleid. Ook staat beschreven wanneer de bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) geldt als wettig bewijsmiddel voor de milieuhygiënische kwaliteit van een toe te passen partij grond. Het Besluit bodemkwaliteit is alleen van toepassing op situaties waarin sprake is van: Nuttige en functionele toepassingen van grond en/of baggerspecie (zie art. 35 en art. 5 van het Besluit bodemkwaliteit). in bijlage 16 wordt een limitatieve opsomming gegeven van nuttige toepassingen conform dit artikel. Let op: Het in deze Nota beschreven beleid is bedoeld om het grondverzet in het werkgebied van de ODRU te faciliteren en de geldende toepassingseis te kunnen bepalen. Dit beleid is niet bedoeld om te bepalen of er sanerende maatregelen getroffen moeten worden als de heersende bodemkwaliteit op een perceel niet aan de gewenste bodemkwaliteit voldoet. Deze Nota richt zich alleen op de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Of de grond civieltechnisch, fysisch of landbouwkundig geschikt is, laat deze Nota buiten beschouwing. De in deze Nota beschreven Gebiedsspecifieke toepassingseisen, zijn niet van toepassing op de volgende situaties: Het toepassen van grond in de kern van een Grootschalige Bodem Toepassing (GBT), omdat hiervoor een apart toetsingskader is opgenomen in het Bbk. In bijlage 11 wordt uitgelegd wat een GBT is en welke eisen eraan gesteld worden; Het verspreiden en tijdelijk opslaan van bagger op aan de watergang grenzende percelen. In bijlage 12 van deze Nota wordt verder op deze activiteit ingegaan. Voor de landelijk geldende regels wordt verwezen naar het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit [Lit. 1 en 2]. 3.Wettelijk kader grondverzet In dit hoofdstuk wordt eerst beschreven wat de landelijk geldende regels voor het grondverzet zijn (Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit). Vervolgens worden de randvoorwaarden aangegeven, die gelden voor het opstellen van Gebiedsspecifiek beleid voor het grondverzet. En tot slot worden in dit hoofdstuk de voordelen van het vaststellen van een Gebiedsspecifieke kader voor grondverzet beschreven, waar de gemeenten in het werkgebied van de ODRU voor gekozen hebben. 3.1.Landelijk kader 3.1.1.Onderscheiden bodemfuncties Onderstaand is aangegeven welke bodemfuncties (a t/m
- g)in het Besluit bodemkwaliteit onderscheiden worden. Fig. 1: Overzicht van de bodemfunctie die het Besluit bodemkwaliteit onderscheidt In de Regeling bodemkwaliteit zijn de bovenstaande bodem(sub)functies samengevoegd tot 3 hoofdbodemfunctieklassen: Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. Hieronder is aangegeven wat de hoofdbodemfunctieklassen omvatten: Bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur omvat de bodem(sub)functies: c, d en e; Bodemfunctieklasse Wonen omvat de bodem(sub)functies: a, b en f; Bodemfunctieklasse Industrie omvat de bodem(sub)functies: g. 3.1.2.Maximale Waarden (MW) Voor de 3 bodemfunctieklassen die het Besluit bodemkwaliteit onderscheidt, is in de Regeling bodemkwaliteit voor alle stoffen uit het standaard stoffenpakket grond aangegeven aan welke kwaliteitseis grond en bagger bij toepassing op de landbodem moeten voldoen volgens de landelijk geldende regels (Generieke kader). Bij elke klasse horen Maximale Waarden (MW) die verschillen per stof. Een overzicht van de MW is opgenomen in bijlage 10. Tabel 3: Bodemfunctieklassen met bijbehorende toepassingseis (in het Generieke kader) Bodemfunctieklasse Wat is de toepassingseis in het Generieke kader? Landbouw/Natuur Klasse Landbouw/Natuur-grond Wonen Klasse Wonen-grond Industrie Klasse Industrie-grond Toelichting: Klasse Landbouw/Natuur-grond, afgekort klasse L/N-grond en ook wel klasse AW-grond genoemd, voldoet in het Generieke kader voor toepassing op de bodemfuncties: Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie; Klasse Wonen-grond voldoet in het Generieke kader voor toepassing op de functies: Wonen en Industrie; Klasse Industrie-grond voldoet in het Generieke kader alleen voor toepassing op de functie: Industrie. Grond die een slechtere kwaliteit heeft dan klasse Industrie grond, wordt nu ook wel Niet toepasbare grond genoemd. Deze grond is, onder dit beleid, voor geen enkele toepassing geschikt en mag daarom niet worden toegepast of hergebruikt, maar moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Onder de Omgevingswet komt iets meer ruimte om ook Niet Toepasbare grond te kunnen her benutten. Hieraan worden stringente voorwaarden verbonden. Omdat hierover nog te veel onzeker is, wordt het Gebiedsspecifieke beleid alleen van toepassing verklaard op grond die valt in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur, Wonen of Industrie. 3.2.Randvoorwaarden Gebiedsspecifiek beleid 3.2.1.Lokale Maximale Waarden (LMW) De heersende bodemkwaliteit past niet altijd bij de bodemkwaliteit die op grond van de bodemfunctie gewenst is. Door het vaststellen van Gebiedsspecifiek beleid, kan een gemeente de meest gewenste situatie (balans tussen afwegen risico’s en streven naar optimaal hergebruik van grond) creëren door bij de toepassingseis rekening te houden met de bestaande bodemkwaliteit én de risicogevoeligheid van het bodemgebruik van een bepaalde bodemfunctie, binnen de beleidsruimte die het Besluit bodemkwaliteit daarvoor aan de gemeenten gegeven heeft (art. 44 van het Besluit bodemkwaliteit). De gemeenten kan voor bepaalde toepassingen/gebieden zogeheten Lokale Maximale Waarden (LMW) vaststellen, die de MW voor die bepaalde toepassingen/gebieden vervangen. Het Besluit bodemkwaliteit stelt eisen aan het opstellen van Gebiedsspecifiek beleid. De gemeente moet bijvoorbeeld beschikken over een geldende bodemkwaliteitskaart. Daarnaast is de gemeente verplicht om haar beleidskeuzes vast te leggen in een Nota bodembeheer. Het Besluit bodemkwaliteit geeft een aantal voorwaarden voor het vaststellen van Gebiedsspecifiek beleid: Er is sprake van stand-still op het niveau van het bodembeheergebied (per saldo geen achteruitgang van de chemische bodemkwaliteit binnen het gebied waarvoor het Gebiedsspecifieke beleid wordt vastgesteld); Een gemeenteraad kan voor een bepaald gebied of stof een Lokale Maximale Waarde (LMW) vaststellen. Een LMW is een waarde die de generieke Maximale Waarden (MW) uit de Regeling bodemkwaliteit vervangt; Er mogen door het vaststellen van LMW, geen onaanvaardbare risico’s ontstaan voor mens en milieu; Het voorgenomen beleid wordt afgestemd met overige lokale bodembeheerders, waaronder het bevoegd gezag Wet bodembescherming (provincie Utrecht); De Gebiedsspecifieke beleidskeuzes worden ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. 3.3.Voordelen Gebiedsspecifieke beleid 3.3.1.Kostenreductie Door het opstellen van een bodemkwaliteitskaart kan bij ontgravingen ter plaatse van onverdachte terreindelen vaak volstaan worden met een (historisch) vooronderzoek en is het uitvoeren van een partijkeuring in de meeste gevallen overbodig geworden. Omdat de opgestelde beleidsregels en de daarbij behorende bodemkwaliteitskaart zijn gebaseerd op de lokale of regionale bodemsituatie zijn de mogelijkheden om grond toe te passen bovendien verruimd en hoeft de ontvangende bodem niet meer onderzocht te worden. Dit scheelt tijd en geld. 3.3.2.Uniforme regels Uniformiteit in kaart en beleid vergroot de kwaliteit van de uitvoering en bevordert het spontane naleefgedrag van de vastgestelde regels voor het grondverzet. Daarom is het beleid voor alle gemeente in het werkgebied van de ODRU, voor vergelijkbare situaties, zoveel mogelijk hetzelfde. Initiatiefnemers en uitvoerders in de keten van het grondverzet krijgen daardoor niet te maken met onnodige verschillen tussen gemeenten. Daarnaast maken een uniforme bodemkwaliteitskaart en uniform beleid het mogelijk om grond tussen de ODRU- gemeenten uit te wisselen op een eenvoudige en kostenefficiënte wijze. 3.3.3.Duurzaamheid De gemeenten in het werkgebied van de ODRU, hebben duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Met duurzaam bodembeheer wordt in deze Nota bedoeld: de bodem zodanig gebruiken, benutten en beschermen dat deze ook voor toekomstige generaties zonder onaanvaardbare risico’s te gebruiken is voor diverse doeleinden. Als hergebruik van gebiedseigen grond in de regio verruimd wordt, zijn er minder primaire grondstoffen nodig. Bovendien zijn er hierdoor minder transportbewegingen nodig en blijven transportafstanden beperkt, wat leidt tot minder verkeersbelasting en minder uitstoot van uitlaatgassen, CO2 en fijnstof. Omdat duurzaamheid ook betekent dat de bodem geschikt moet blijven voor toekomstige generaties, is het uitgangspunt van het nieuwe beleid (Gebiedsspecifieke beleidskader) dat er door grondverzet geen (nieuwe) milieu- en gezondheidsrisico’s mogen ontstaan bij huidig en toekomstig bodemgebruik. 3.4.Toezicht en handhaving Besluit bodemkwaliteit De gemeenten zijn bevoegd gezag voor de taken die voortkomen uit het Besluit bodemkwaliteit. De gemeenten hebben de uitvoering van deze taken gemandateerd aan de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU). Deze taken bestaan onder meer uit het behandelen van meldingen Besluit bodemkwaliteit en het houden van toezicht in het veld bij tijdelijke opslag en toepassingen van grond en bagger. Wanneer het nodig is treedt de ODRU namens de gemeenten handhavend op bij overtredingen. 3.4.1.Erkenningen bodemintermediairs In het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer (KWALIBO) is geregeld welke certificaten of erkenningen bodemintermediairs moeten hebben om bepaalde werkzaamheden uit te mogen voeren. Op de website van Bodemplus (www.bodemplus.
- nl)kan men vinden of de desbetreffende veldwerker of bedrijf beschikt over het juiste certificaat of erkenning en of deze nog geldig is. Bodemplus is inmiddels samen met andere helpdesks op het gebied van omgevingsrecht, opgegaan in het “Informatiepunt Leefomgeving”, www.iplo.nl. Zonder deze erkenning mogen werkzaamheden als veldwerk, laboratoriumonderzoek, het samenvoegen of opbulken van grond e.d. niet worden uitgevoerd. De inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), is namens het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) het bevoegd gezag voor het uitoefenen van toezicht op de erkende intermediairs en certificerende instellingen. In deze hoedanigheid kan ILT zo nodig bestuurlijk handhavend optreden als de vereiste erkenningen of certificaten ontbreken en kan zij ook erkenningen schorsen of intrekken. Het lokale bevoegd gezag (gemeente, provincie of waterschap) kan optreden als bouwstoffen, grond of baggerspecie in strijd met de Generieke of Gebiedsspecifieke regels worden toegepast. Bij het Toezichtloket Bodem kunnen lokale toezichthouders, bedrijven en burgers signalen indienen over mogelijke overtredingen van het Besluit bodemkwaliteit waarvoor ILT verantwoordelijk is voor het toezicht. Zie www.ilent.nl/onderwerpen/bodemtoezicht. 4.Kaarten behorende bij het beleid 4.1.Bodemfunctiekaart Elke gemeente heeft een Bodemfunctiekaart4 Dit is de term die onder de Omgevingswet gebruikt zal gaan worden. Nu wordt vaak nog de term Bodemfunctieklassenkaart gebruikt. Dit is sinds 1 juli 2008 (datum waarop het Besluit bodemkwaliteit van kracht is geworden voor de landbodem) een verplichting. Op een Bodemfunctiekaart wordt het grondgebied van een gemeente ingedeeld in bodemfunctieklassen (Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie). Deze kaart zegt niets over de (verwachte) bodemkwaliteit, maar geeft alleen de bodemfunctieklasse van een bepaalde zone weer. Bij de onderscheiden bodemfuncties (Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie) horen specifieke bodemgebruiken. In onderstaande tabel wordt dit duidelijk. Tabel 4: Onderscheiden bodemfunctieklassen met bijbehorend bodemgebruik Bodemfunctieklasse Bijbehorende bodemgebruik * Landbouw/Natuur Moestuinen en volkstuinen Natuur Landbouw Wonen Wonen met tuin Plaatsen waar kinderen spelen Groen met natuurwaarden Industrie Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie * zie ook figuur 1 in par. 3.1.1 Op de Bodemfunctiekaart is het werkgebied van de ODRU ingedeeld in de bodemfunctieklassen: Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. De indeling is gebaseerd op risicogevoeligheid van het bodemgebruik en afgeleid van de functies uit bestemmingsplannen. Globaal zijn de bebouwde gebieden ingedeeld in de bodemfunctieklasse Wonen. De meeste (grotere) bedrijfs- en industrieterreinen zijn ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. Het buitengebied is doorgaans niet ingedeeld en valt daarmee automatisch in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. Voor deze bodemfunctieklasse geldt, in de meeste gevallen, de strengste toepassingseis, nl. klasse L/N-grond. De Bodemfunctiekaart is feitelijk geen kaartlaag van de Bodemkwaliteitskaart, maar wordt, in combinatie met de Ontgravingskaart (zie par. 4.2.2), gebruikt om de toepassingseis te kunnen bepalen. De Bodemfunctiekaart van het werkgebied van de ODRU is opgenomen in bijlage 4 van deze Nota. Doel van een Bodemfunctiekaart is: om aan de hand van de bodemfunctieklasse waarin een perceel is ingedeeld, in combinatie met de bodemkwaliteit van dat perceel, de eis te kunnen bepalen die geldt voor het toepassen van grond op dat betreffende perceel (toepassingseis) in het Generieke kader. Wanneer er Gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld, is de Bodemfunctiekaart minder belangrijk, omdat de kwaliteitseis voor de toe te passen grond dan direct afgelezen kan worden van de Gebiedsspecifieke Toepassingskaart. 4.2.Bodemkwaliteitskaart voor standaardstoffen (BKK-S) Er is een bodemkwaliteitskaart opgesteld voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket5 De BKK-S is opgesteld voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket bodem + Arseen en Chroom. In deze Nota wordt dit aangeduid met de term “standaardstoffen”. én apart een bodemkwaliteitskaart voor PFAS. Dat is omdat de bodemkwaliteitskaart voor de standaardstoffen alleen is opgesteld voor het werkgebied van de ODRU (15 gemeenten) en de bodemkwaliteitskaart voor PFAS voor de hele provincie Utrecht (26 gemeenten). Bovendien is de opbouw van de zones anders. In deze paragraaf worden alleen de kaartlagen toegelicht die betrekking hebben op de BKK-S. De kaartlagen die betrekking hebben op PFAS zijn uitgewerkt in par. 4.3. De bodemkwaliteitskaart voor standaardstoffen (afgekort BKK-S), bestaat uit de volgende kaartlagen: Zoneringskaart; Ontgravingskaart (boven- en ondergrond); Toepassingskaart (boven- en ondergrond). In het rapport “Bodemkwaliteitskaart gemeente Vijfheerenlanden” (MARMOS Bodemmanagement, projectnr. P19-11, d.d. 4 augustus 2020), is beschreven hoe de BKK-S voor de gemeente Vijfheerenlanden tot stand gekomen is [lit. 11]. De bodemkwaliteitskaarten van Vijfheerenlanden, IJsselstein (Lit. 13) en van de overige 13 gemeenten (Lit. 17), vormen samen de BKK-S voor het hele werkgebied van de ODRU. Hierna wordt ingegaan op functie en gebruik van de onderscheiden kaartlagen in de BKK-S. Let op: De kaartlagen van de BKK-S kunnen alleen gebruikt worden in combinatie met de kaartlagen van BKK- PFAS (zie par. 4.3) of een partijkeuring op PFAS.” 4.2.1.Zoneringskaart-S Het werkgebied van de ODRU is ingedeeld in gebieden met dezelfde kenmerken (o.a. bebouwingshistorie, bodemopbouw, bodemkwaliteit). Dit worden ook wel bodemkwaliteits- zones genoemd. De bodemkwaliteit van een zone wordt veelal bepaald door een combinatie van factoren. Dit betreft onder andere de bodemopbouw (grondsoort) en het historische bodemgebruik, dat vaak gerelateerd is aan de bebouwingsgeschiedenis. Voor het opstellen van de BKK-S zijn deze onderscheidende kenmerken in samenhang met de bodemkwaliteits- gegevens verwerkt tot een definitieve Zoneringskaart. De Zoneringskaart werkgebied ODRU voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket is opgenomen als bijlage 5A van deze Nota.6 De Zoneringskaarten van de gemeente Vijfheerenlanden en IJsselstein, zijn samengevoegd met die van de overige 13 gemeenten. Binnen het werkgebied van de ODRU zijn in totaal 34 bodemkwaliteitszones (bk-zones) te onderscheiden (watergangen, natte oevers en uiterwaarden zijn niet gezoneerd). Een uitgebreide beschrijving van alle bk-zones is opgenomen in bijlage 19. In tabel 5 is een overzicht gegeven van alle bk-zones. De 34 bk-zones zijn samengevoegd tot 10 beleidszones. Voor de Gebiedsspecifieke beleidsregels die alleen voor een bepaalde bk-zone of beleidszone gelden, wordt verwezen naar par. 5.3 van deze Nota. Voor de statistische kengetallen per bk-zone wordt verwezen naar bijlage 3. Tabel 5: Onderscheiden bk-zones en vertaling naar beleidszones (alle ODRU-gemeenten) Bodemkwaliteitszone Beleidszone7 1/1 staat voor resp. boven en ondergrond. Het cijfer geeft de mate van verontreiniging aan: 1 is kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur, 2 is kwaliteitsklasse Wonen, 3 is kwaliteitsklasse Industrie Bebouwing 1/1 NWU (bijl. 3, tabel 8-1) Bebouwing 1/1 kleigrond ZOU (bijl. 3, tabel 8-2) Bebouwing 1/1 zandgrond ZOU (bijl. 3, tabel 8-3) Veengrond Veenendaal, bebouwde deel (bijl. 3, tabel 8-24) Bebouwing 1/1: zone A op bkk Vijfheerenlanden (bijl. 3, tabel 6A) Bebouwing 1/1, bkk IJsselstein (bijl. 3, tabel 8A) Bebouwing 1/1 Bebouwing 2/1 NWU (bijl. 3, tabel 8-4) Bebouwing 2/1 kleigrond ZOU (bijl. 3, tabel 8-5) Bebouwing 2/1 zandgrond ZOU (bijl. 3, tabel 8-6) Droogmakerijen De Ronde Venen, bebouwde deel (bijl. 3, tabel 8-15) Kievitsbuurt, bebouwde deel (bijl. 3, tabel 8-19) Bebouwing 2/1: zone B op bkk Vijfheerenlanden (bijl. 3, tabel 6B) Bebouwing 2/1, bkk IJsselstein (bijl. 3, tabel 8B) Bebouwing 2/1 Bebouwing 2/2 NWU/ZOU (bijl. 3, tabel 8-7) Bebouwing 2/2: zone C op bkk Vijfheerenlanden (bijl. 3, tabel 6C) Bebouwing 2/2 Bebouwing 3/1 overgang Noorderpark (bijl. 3, tabel 8-8) Bebouwing 3/1 zandgrond ZOU (bijl. 3, tabel 8-9) Bebouwing 3/1 Bebouwing 3/2 NWU (bijl. 3, tabel 8-10) Bebouwing 3/2 kleigrond ZOU (bijl. 3, tabel 8-11) Bebouwing 3/2 Noorderpark (bijl. 3, tabel 8-12) Bebouwing 3/2 Veenendaal (bijl. 3, tabel 8-13) Toemaakdek De Venen I Overig, bebouwde deel (bijl. 3, tabel 8-17) Bebouwing 3/2 Bebouwing 3/3 (bijl. 3, tabel 8-14) Toemaakdek De Venen I, bebouwde deel (bijl. 3, tabel 8-16) Bebouwing 3/3: zone D op de bkk Vijfheerenlanden (bijl. 3, tabel 6D) Bebouwing 3/3, bkk IJsselstein (bijl. 3, tabel 8C) Bebouwing 3/3 Buitengebied Overig NWU (bijl. 3, tabel 8-22) *) Buitengebied kleigrond ZOU (bijl. 3, tabel 8-23) *) Veengrond Veenendaal, onbebouwde deel (bijl. 3, tabel 8-24) Buitengebied zandgrond ZOU (bijl. 3, tabel 8-25) *) Buitengebied 1/1: zone E op de bkk Vijfheerenlanden (bijl. 3, tabel 6E) Buitengebied 1/1, bkk IJsselstein (bijl. 3, tabel 8D) Buitengebied 1/1 Droogmakerijen De Ronde Venen, onbebouwde deel (bijl. 3, tabel 8-15) Toemaakdek De Venen II (bijl. 3, tabel 8-18) *) Kievitsbuurt, onbebouwde deel (bijl. 3, tabel 8-19) Noorderpark (bijl. 3, tabel 8-20) *) Buitengebied 2/1 Voorveldse Polder (bijl. 3, tabel 8-21) Buitengebied 3/1 Toemaakdek De Venen I Overig, onbebouwde deel (bijl. 3, tabel 8-17) Buitengebied 3/2 *) Deze zone bevat tevens kleine stukken buitengebied (weiland, bos) die op de Bodemfunctiekaart zijn ingedeeld in bodemfunctieklasse Wonen of Industrie. Doel van de Zoneringskaart is: Weergave van de bodemkwaliteitszones die in de ODRU-gemeenten voorkomen. Sommige Gebiedsspecifieke beleidsregels gelden alleen voor een bepaalde bk-zone. Hierop wordt ingegaan in paragraaf 5.3 (zone-gerelateerde beleidsregels). 4.2.2.Ontgravingskaart-S Per zone wordt op de Ontgravingskaart de te verwachten bodemkwaliteit weergegeven, voor zowel de bovengrond (0 – 0,5 m -
- mv)als voor de ondergrond (0,5 – 2 m -mv). De bodemkwaliteit is gebaseerd op analysegegevens van bodemonderzoeken die uitgevoerd zijn op relatief onbelaste locaties binnen de betreffende zone en afgeleid met behulp van statistiek. De Ontgravingskaart geeft aan wat de verwachte kwaliteit van de grond is bij ontgraving op onverdachte plaatsen binnen de zone, gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van alle voor de bkk gebruikte meetgehalten van die zone. Dit wordt ook wel de ontgravingskwaliteit genoemd. De Ontgravingskaarten boven- en ondergrond voor de standaardstoffen, zijn opgenomen als resp. bijlage 5B en 5C van deze Nota. 8 De Ontgravingskaarten die al eerder zijn opgesteld voor de gemeente Vijfheerenlanden en IJsselstein, zijn samengevoegd met die van de overige 13 gemeenten om een compleet overzicht te geven. In de tabellen van bijlage 3 zijn voor alle in het werkgebied van de ODRU onderscheiden bk- zones, naast het rekenkundig gemiddelde, ook enkele andere statische kengetallen opgenomen die van belang zijn, o.a. de 95-percentielwaarde (P95). Wanneer de P95 van een bk-zone de interventiewaarde overschrijdt, kan de Ontgravingskaart niet als bewijsmiddel gebruikt worden, maar is altijd een partijkeuring nodig om de kwaliteit van de te ontgraven grond vast te stellen. Hierop wordt verder ingegaan in par. 5.3.2 en 5.3.3. Doel van de Ontgravingskaart is: Dat je van te voren kunt zien welke kwaliteit grond je kunt verwachten in de zone waar je gaat graven. Om de Ontgravingskaart als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de te ontgraven grond te mogen gebruiken, moet de initiatiefnemer voorafgaande aan de ontgraving, door middel van een (historisch) vooronderzoek, aantonen dat er sprake is van een onverdachte ontgravingslocatie. In par. 7.3 (Stappenschema voor het grondverzet), wordt verder ingegaan op het gebruik van de Ontgravingskaart in de praktijk. In bijlage 17 wordt aangegeven wat het (historisch) vooronderzoek minimaal moet inhouden. Klasse Landbouw/Natuur: Een zone wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “Landbouw/Natuur” als het rekenkundig gemiddelde van alle voor die zone gebruikte meetwaarden onder de Maximale Waarde (MW) van bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur ligt. Klasse Wonen: Een zone wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “Wonen” als het rekenkundig gemiddelde van alle voor die zone gebruikte meetwaarden onder de Maximale Waarde (MW) van bodemfunctieklasse Wonen ligt. Klasse Industrie: Een zone wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “Industrie” als het rekenkundig gemiddelde van alle voor die zone gebruikte meetwaarden onder de Maximale Waarde (MW) van bodemfunctieklasse Industrie ligt. De Maximale Waarden (MW) voor elke bodemfunctieklasse, zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit. De MW verschillen per stof. Bijlage 10 bevat een overzicht van de MW van de stoffen die in de BKK-s zijn meegenomen (omgerekend naar een standaardbodem). 4.2.3.Toepassingskaart-S Op de Toepassingskaart wordt voor elke bodemkwaliteitszone aangegeven aan welke kwaliteitseis de grond moet voldoen die hier toegepast wordt. De toepassingseisen zijn voor een aantal bk-zones gebiedsspecifiek. De vastgestelde Lokale Maximale Waarden (LMW) gelden dan voor die bk-zone in plaats van de Generieke eisen uit het Besluit bodemkwaliteit. Doel van de Toepassingskaart is: Dat je van te voren kunt zien welke grondkwaliteit minimaal in de zone of op de bodemfunctie waar je grond gaat toepassen. In par. 7.3 (Stappenschema voor het grondverzet), wordt verder ingegaan op het gebruik van de Toepassingskaart in de praktijk. Er is een Gebiedsspecifieke en een Generieke Toepassingskaart opgesteld. Generieke Toepassingskaart: De Generieke Toepassingskaart geeft voor het dieptetraject 0 – 2 m -mv, aan welke toepassingseisen gelden voor grond die afkomstig is van buiten het bodembeheergebied ODRU. De Generieke Toepassingskaart is opgenomen in bijlage 5E van deze Nota. Gebiedsspecifieke Toepassingskaart: De Gebiedsspecifieke Toepassingskaart geeft voor het dieptetraject 0 – 2 m -mv, aan welke toepassingseisen gelden voor grond die afkomstig is van binnen het bodembeheergebied ODRU. Als een gemeente dit bodembeheergebied nog verder heeft uitgebreid zijn de Gebiedsspecifieke beleidsregels ook van toepassing op grond afkomstig uit dit uitgebreidere bodembeheergebied. De Gebiedsspecifieke Toepassingskaart van alle 15 ODRU-gemeenten, is opgenomen in bijlage 5D van deze Nota. Let op: Omdat het onmogelijk is om alle Gebiedsspecifieke eisen op de Gebiedsspecifieke Toepassingskaart-S weer te geven, moet daarnaast ook altijd hoofdstuk 5 van deze Nota geraadpleegd worden om na te gaan welke Gebiedsspecifieke eisen eventueel nog meer aan de orde zijn. Voor PFAS zijn de Gebiedsspecifieke eisen uitgewerkt in hoofdstuk 6 van deze Nota. De Gebiedsspecifieke eisen die gelden voor standaardstoffen zijn uitgewerkt in par. 5.2. en 5.3. 4.3.Bodemkwaliteitskaart voor PFAS (BKK-PFAS) Deze bodemkwaliteitskaart, wordt, om verwarring met de bodemkwaliteitskaart voor stoffen uit het standaardstoffenpakket grond te voorkomen, ook wel BKK-PFAS genoemd. De BKK-PFAS bestaat uit de volgende kaartlagen: Zoneringskaart-PFAS Ontgravingskaart-PFAS (boven- en ondergrond); Toepassingskaart-PFAS (boven- en ondergrond). In het rapport “Bodemkwaliteitskaart PFAS provincie Utrecht”, (opgesteld door de ODRU en de RUD Utrecht, rapportdatum 6 april 2021), is beschreven hoe de BKK-PFAS tot stand gekomen is [Lit. 16]. Hierna wordt ingegaan op de functie en het gebruik van de onderscheiden kaartlagen. Let op: De BKK-PFAS kan alleen gebruikt worden in combinatie met de BKK-S (zie par. 4.2) of een partijkeuring op stoffen die in de grond op de ontgravingslocatie verwacht kunnen worden (tenminste stoffen uit het “standaardstoffenpakket grond” onderzoeken). 4.3.1.Zoneringskaart-PFAS Op deze kaart is de hele provincie Utrecht ingedeeld in gebieden met dezelfde bodemkwaliteit v.w.b. PFAS. Dit worden ook wel PFAS-zones genoemd. De stoffen die tot de PFAS-groep behoren, komen in het milieu door emissies uit fabrieken die de stoffen maken of gebruiken. Door verspreiding via de lucht en/of via water is de bodem in de provincie Utrecht, in meer of mindere mate, afhankelijk van de afstand tot een PFAS-bronlocatie, belast geraakt met PFAS. Voor het opstellen van de BKK-PFAS, zijn bodemonderzoeken waarin de gehalten aan PFAS bepaald zijn, verwerkt tot een definitieve Zoneringskaart-PFAS. Doel van de Zoneringskaart-PFAS is: Weergave van de PFAS-zones die in de provincie Utrecht voorkomen. De volgende PFAS-zones komen voor in de provincie Utrecht. Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv): PFAS B1: omvat het grondgebied van: Vijfheerenlanden (westelijk deel) en Lopik. PFAS B2: omvat het grondgebied van: Vijfheerenlanden (oostelijk deel), Woerden (ten zuiden van de A12), Utrecht (ten zuiden van de A12), Oudewater, Montfoort en IJsselstein. PFAS B3: omvat uit het grondgebied van Woerden (ten noorden van de A12), Utrecht (ten noorden van de A12) en de overige gemeenten in de provincie Utrecht. Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv): PFAS O1: omvat het grondgebied van: Vijfheerenlanden (westelijk deel). PFAS O2: omvat het grondgebied van: Vijfheerenlanden (oostelijk deel) en de overige gemeenten in de provincie Utrecht, m.u.v. Lopik. 4.3.2.Ontgravingskaart-PFAS Op deze kaart is per onderscheiden PFAS-zone het verwachte gemiddelde gehalte aan PFAS aangegeven voor zowel de bovengrond (0 – 0,5 m -
- mv)als voor de ondergrond (0,5 – 2 m - mv). Dit is gebaseerd op analysegegevens van PFAS uit bodemonderzoeken en in-situ partijkeuringen, die verricht zijn buiten PFAS-bronlocaties en afgeleid met behulp van statistiek. Voor alle in het “Bodembeheergebied PFAS” onderscheiden PFAS-zones, zijn naast het rekenkundig gemiddelde, die de ontgravingskwaliteit aangeeft, ook enkele andere statische kengetallen opgenomen die van belang zijn, o.a. de 95-percentielwaarde (P95). Wanneer de P95 van een PFAS-zone de risicowaarde voor Wonen/Industrie overschrijdt, kan de Ontgravingskaart-PFAS niet als bewijsmiddel gebruikt worden, maar is altijd een partijkeuring nodig om de kwaliteit van de te ontgraven grond vast te stellen. Dit is het geval in de volgende PFAS-zones: Zone PFAS B1 Zone PFAS O1. Doel van de Ontgravingskaart-PFAS is: Dat je van te voren kunt zien welke kwaliteit grond v.w.b. PFAS, je kunt verwachten in de PFAS-zone waar je gaat graven. In par. 7.3 (Stappenschema voor het grondverzet), wordt verder ingegaan op het gebruik van de Ontgravingskaart-PFAS in de praktijk. De Ontgravingskaarten-PFAS voor boven- en ondergrond zijn opgenomen als resp. bijlage 6A en 6B van deze Nota. Anders dan bij de Ontgravingskaart-S, worden op de Ontgravingskaart-PFAS geen bodemkwaliteitsklassen aangegeven, maar worden de daadwerkelijk gemeten gemiddelde gehalten van de stoffen uit de PFAS-groep aangegeven. Dit is omdat er voor PFAS (nog) geen klasse-indeling bekend is. In tabel 6 is de “ontgravingskwaliteit” voor de stoffen uit de PFAS-groep per PFAS-zone aangegeven. Tabel 6: Ontgravingskwaliteit per PFAS-zone (gecorrigeerde gemiddeld gemeten gehalten in µg/
- kg)Zone Ontgravingskwaliteit PFAS PFOS PFOA PFAS Overig Bovengrond (0,0 – 0,5 m-
- mv)PFAS B1 0,5 3,9 0,2 PFAS B2 0,7 2,3 0,3 PFAS B3 0,6 1,0 0,4 Ondergrond (0,5 – 2,0 m-
- mv)PFAS O1 0,4 2,6 0,2 PFAS O2 0,3 0,5 0,2 Verklaring Gemiddelde waarde in deze zone ligt onder de landelijke achtergrondwaarden PFAS (THK 2020) Gemiddelde waarde in deze zone ligt boven de landelijke achtergrondwaarden PFAS (THK 2020) De landelijke achtergrondwaarden voor PFOS, PFOA en PFAS Overig zijn: PFOS: 1,4 µg/kg PFOA: 1,9 µg/kg PFAS Overig: 1,4 µg/kg 4.3.3.Toepassingskaart-PFAS Op deze kaart is aangegeven welke toepassingseisen gelden voor PFAS. Deze toepassingseisen verschillen per bodemfunctie en zijn afhankelijk van de risicogevoeligheid van het bodemgebruik t.a.v. PFAS. Er is een Toepassingskaart-PFAS voor de bovengrond (0 – 0,5 m -
- mv)en voor de ondergrond (0,5 – 2 m -
- mv)opgesteld. De toepassingseisen zijn voor een aantal PFAS-zones/toepassingen gebiedsspecifiek. De vastgestelde Lokale Maximale Waarden (LMW) gelden dan voor die PFAS-zones/toepassingen in plaats van de toepassingswaarden uit het Tijdelijk Handelingskader PFAS van 2 juli 2020 (THK 2020), [Lit. 3]. De Toepassingskaart-PFAS voor de boven- en ondergrond is opgenomen in resp. bijlage 6C en 6D van deze Nota. Doel van de Toepassingskaart-PFAS is: Dat je van te voren kunt zien welke grondkwaliteit t.a.v. PFAS minimaal vereist is in de PFAS- zone of op de bodemfunctie waar je grond gaat toepassen. Om de grond daadwerkelijk te mogen toepassen, moet de toepasser, door middel van een (historisch) vooronderzoek, aantonen dat de ontgravingslocatie gelegen is buiten een PFAS-bronlocatie. In par. 7.3 (Stappenschema voor het grondverzet), wordt verder ingegaan op het gebruik van de Toepassingskaart PFAS in de praktijk en onder stap 1 van het Stappenschema is een lijst opgenomen van activiteiten die specifiek PFAS-verdacht zijn. De Gebiedsspecifieke beleidsregels die gelden voor de PFAS zijn uitgewerkt in par. 6.2. Let op: Omdat het onmogelijk is om alle Gebiedsspecifieke eisen op Toepassingskaart-PFAS weer te geven, moet daarnaast ook altijd hoofdstuk 6 van deze Nota geraadpleegd worden om na te gaan welke Gebiedsspecifieke eisen er voor PFAS eventueel nog meer aan de orde zijn. 5.Gebiedsspecifiek beleid voor standaardstoffen Alle 15 gemeenten in het werkgebied van de ODRU, kiezen ervoor om voor een aantal toepassingen Gebiedsspecifieke beleidsregels vast te stellen, omdat de regels uit het Generieke kader niet voor alle onderdelen passen bij de lokale bodemsituatie en/of de ambitie van de gemeente. In dit hoofdstuk is het Gebiedsspecifieke beleid van de 15 ODRU-gemeenten weergegeven. 5.1.Uitgangspunten van het gemeentelijk bodembeleid De gemeenten hanteren de volgende uitgangspunten voor hun bodembeleid: De kwaliteit van de bodem moet zodanig zijn dat de functies wonen, werken, infrastructuur, natuur en landbouw op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze uitgeoefend kunnen worden; Milieuhygiënische risico’s worden tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht door het stellen van een helder toetsingskader in combinatie met de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven (bijv. door opvolgen gebruiksaanwijzingen bij loodhoudende grond in (moes)tuinen en op plaatsen waar kinderen spelen); Het Gebiedsspecifieke kader maakt het mogelijk om het bodembeheer kostenefficiënt uit te kunnen voeren; Vanuit de duurzaamheidsgedachte worden hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond optimaal benut en gefaciliteerd en worden transportafstanden voor het vervoer van grond, waar mogelijk, verkleind; Procedures en spelregels zijn zoveel mogelijk vereenvoudigd en gelijk voor alle gemeenten in het werkgebied van de ODRU, zodat het bodembeleid uitlegbaar blijft en draagvlak houdt. Bij het vaststellen van de Lokale Maximale Waarden (LMW) is rekening gehouden met de bodemfuncties in relatie tot eventuele risico’s die op kunnen treden bij een “normaal” gebruik van de bodem behorende bij de betreffende functie. Op deze wijze wordt het gewenste beschermingsniveau nader gespecificeerd en wordt gestuurd op de toepassingsmogelijkheden voor grond en baggerspecie. 5.1.1.Stand-still op niveau van bodembeheergebied De gemeenten kiezen als uitgangspunt voor hun Gebiedsspecifieke beleid voor het grondverzet: stand-still op niveau van het bodembeheergebied. Het stand-still principe op dit niveau houdt in dat de bestaande bodemkwaliteit binnen het werkgebied van de ODRU per saldo niet verslechtert. Plaatselijke verslechteringen van de bodemkwaliteit binnen dit gebied worden alleen toegelaten, als dit milieuhygiënisch verantwoord is (dit wordt onderbouwd door een risicotoetsing van de te kiezen lokale norm aan de risicogrenswaarden) én door aan grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied strengere kwaliteitseisen te stellen dan aan grond die afkomstig is van binnen het bodembeheergebied. Het bodembeheergebied omvat het grondgebied van alle 15 gemeenten binnen het werkgebied van de ODRU, waarvoor de bodemkwaliteitskaart is opgesteld (verder Bodembeheergebied ODRU genoemd). Het Gebiedsspecifieke beleid geldt alleen voor grond afkomstig uit een gemeente die binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied ligt. 5.1.2.Gebiedsspecifiek versus Generiek Het Gebiedsspecifieke beleid van de gemeenten is deels strenger en deels ruimer dan het Generieke kader voor het grondverzet. Hieronder worden een aantal voorbeelden genoemd. Strenger: In het Generieke kader mag in particuliere tuinen en op plaatsen waar kinderen spelen, klasse Wonen-grond toegepast worden. Dat betekent dat toe te passen grond een loodgehalte kan bevatten van (maximaal) 210 mg/kg. Vanwege het blootstellingsrisico van lood voor jonge kinderen (0 – 6 jaar) is het maximaal toegestane loodgehalte in grond die wordt toegepast in particuliere tuinen in het Gebiedsspecifieke beleid gesteld op maximaal 100 mg/kg en voor kinderspeelplaatsen op maximaal 50 mg/kg (hier mag alleen klasse L/N- grond toegepast worden). Gebiedsspecifieke toepassingseisen die strenger zijn dan de toepassingseisen die gelden in het Generieke kader, gelden ook voor grond die afkomstig is van buiten het bodembeheergebied. Ruimer: 9 hier zijn uiteraard wel voorwaarden aan verbonden (zie paragraaf 5.2 en 5.3) In het Gebiedsspecifieke beleidskader mag grond uit onverdachte wegbermen, zonder bodemonderzoek of partijkeuring, uitgewisseld worden met andere wegbermen binnen het bodembeheergebied. In het Generieke kader moet elke keer opnieuw de kwaliteit van de grond afkomstig uit de wegberm vooraf vastgesteld worden; Grond, afkomstig van een boomgaardperceel mag in het Gebiedsspecifieke beleidskader, toegepast worden op andere boomgaardpercelen in het buitengebied als aangetoond kan worden dat de gehalten aan bestrijdingsmiddelen in de bovengrond de interventiewaarden niet overschrijden. Dit is in het Generieke kader bijna nooit mogelijk omdat de grond vanwege de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen, als klasse Industrie-grond beschouwd moet worden en daarom vaak afgevoerd moet worden naar een erkend verwerker of alleen toegepast kan worden in een GBT; Op veel industrieterreinen mag in het Gebiedsspecifieke beleidskader klasse Industrie- grond worden toegepast. De industrieterreinen waar klasse Industrie-grond toegepast mag worden, zijn voor alle 15 ODRU-gemeenten, aangegeven op de Gebiedsspecifieke toepassingskaart in bijlage 5D. In het Generieke beleid mag je alleen klasse Industrie- grond toepassen als ook de ontvangende bodem op het betreffende industrieterrein in de bodemkwaliteitsklasse Industrie valt. Dat is echter lang niet altijd het geval. Gebiedsspecifieke toepassingseisen die soepeler zijn dan de toepassingseisen die gelden in het Generieke kader, gelden alleen voor grond die afkomstig is van binnen het bodembeheergebied. In het Generieke kader (dat geldt als er geen Gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld) is soms de bodemfunctieklasse en soms de bodemkwaliteit van het perceel waar de grond wordt toegepast, leidend bij de toepassingseis die geldt. De strengste van deze twee is leidend voor de geldende toepassingseis. In het Gebiedsspecifieke kader voor standaardstoffen (dat beschreven is in paragraaf 5.2 en 5.3 van deze Nota) is de toepassingseis die geldt, in de meeste gevallen gebaseerd op de kwaliteit die het beste past bij de bodemfunctieklasse waarin het perceel is ingedeeld. De heersende bodemkwaliteit is daaraan vaak ondergeschikt gemaakt. Er is bij de gekozen toepassingseis uiteraard wel rekening gehouden met de risicogevoeligheid van de bodemgebruiksfunctie. 5.1.3.Bodembeheergebied ODRU Door de Gebiedsspecifieke regels die in de eigen gemeente gelden ook van toepassing te verklaren op grond afkomstig uit andere ODRU-gemeenten, kan het uitwisselen van grond tussen de ODRU-gemeenten op een simpele en kostenefficiënte wijze plaatsvinden. De deelnemende gemeenten hebben ervoor gekozen om het hele werkgebied van de ODRU aan te merken als bodembeheergebied. Dat houdt in dat het Gebiedsspecifieke beleid van toepassing is op grond die afkomstig is uit de volgende 15 gemeenten: Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Montfoort, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Stichtse Vecht, Utrechtse Heuvelrug, IJsselstein, Veenendaal, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden en Zeist. Hieronder is de omvang van “bodembeheergebied ODRU” afgebeeld. Fig. 2: Geografische weergave van “Bodembeheergebied ODRU” voor de standaardstoffen De Gebiedsspecifieke regels, hebben enerzijds betrekking op algemene toepassingen die in principe in elke zone/gebied kunnen voorkomen (zie par. 5.2) en anderzijds hebben ze betrekking op een bepaalde bodemkwaliteitszone (bk-zone) of gebied (zie par. 5.3). De Gebiedsspecifieke beleidsregels zijn (zoveel mogelijk) verwerkt in de Gebiedsspecifieke Toepassingskaart-S, (zie bijlage 5D). Deze kaart geldt alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied. Niet voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone is een Gebiedsspecifieke toepassingseis vastgesteld. In sommige zones is dat niet nodig, bijvoorbeeld omdat het hanteren van de Generieke toepassingseisen genoeg mogelijkheden voor het grondverzet en voldoende bescherming voor mens en milieu biedt. De Generieke toepassingseisen zijn aangegeven op de Generieke Toepassingskaart-S (zie bijlage 5E). De Generieke Toepassingskaart geldt alleen voor grond die afkomstig is van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied. Let op: Sommige Gebiedsspecieke beleidsregels zijn soepeler dan de landelijk geldende regels en zijn alleen van toepassing op grond afkomstig uit het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied. Dat wordt per thema aangegeven onder het kopje “Toepassingsbereik”. Voor grond afkomstig uit grond- depots en grondbanken geldt het volgende: Wanneer grond afkomstig is van een gronddepot of een grondbank, moet de toepasseraantonen waar de grond oorspronkelijk vandaan komt. Dit is leidend voor de toetsing. 5.2.Niet-zone gerelateerde beleidsregels voor standaardstoffen In deze paragraaf worden de niet zone-gerelateerde Gebiedsspecifieke beleidsregels beschreven voor het toepassen, uitwisselen, ontgraven en tijdelijk opslaan van grond binnen het bodembeheergebied ODRU. Het gaat hierbij om algemene toepassingen die in principe in alle op de Bodemzoneringskaart onderscheiden zones en binnen alle bodemfuncties voor kunnen komen. Voor de onderstaande thema’s zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels opgesteld: Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal (par. 5.2.1) Toepassen van grond op risicogevoelige bodemfuncties (par. 5.2.2) Toepassen van loodhoudende grond in tuinen (par. 5.2.3) Toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen (par. 5.2.4) Uitwisselen van grond tussen (spoor)wegbermen (par. 5.2.5) Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen in het buitengebied (par. 5.2.6) Tijdelijke opslag van grond en bagger (par. 5.2.7). Het toepassen van grond is alleen toegestaan als de toepassing op grond van artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit aangemerkt kan worden als een “nuttige toepassing” (zie voor de definitie van dit begrip bijl. 2). Daarnaast moet een toepassing functioneel zijn (zie art. 5 van het Besluit bodemkwaliteit). Dat wil zeggen dat de hoogte, breedte of dikte van de toe te passen partij grond niet groter mag zijn dan doelmatig is om het geplande werk te realiseren. In deze paragraaf worden alleen de toepassingseisen vermeld die gelden voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket. Voor de toepassingseisen die voor PFAS gelden, wordt verwezen naar par. 6.2. 5.2.1.Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal Generieke kader Volgens het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit mag er in toe te passen grond maximaal 20 gewichtsprocenten aan bodemvreemd materiaal zitten. 10 Onder bodemvreemd materiaal wordt, sinds de wijziging van de Regeling bodemkwaliteit van november 2018, alleen nog maar steenachtige materialen en hout begrepen. Overige bodemvreemde materialen (zoals plastics), mogen slechts sporadisch in de toe te passen grond aanwezig zijn als deze er niet redelijkerwijs uit zijn te halen vóór de toepassing (zie artikel 1.1 lid 2 van de Regeling bodemkwaliteit). Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid het maximaal toegestane percentage bodemvreemd materiaal naar beneden toe bijstellen, als zij dit wenselijk vinden. Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat het maximaal toegestane gewichtspercentage bodemvreemd materiaal gedifferentieerd wordt naar de risicogevoeligheid van de bodemfunctie. In onderstaande tabel is weergegeven voor welke toepassingen een Gebiedsspecifieke eis geldt. Onder het kopje “Toepassingsbereik” wordt aangegeven welke gemeenten voor dit thema voor Gebiedsspecifiek beleid hebben gekozen. Tabel 7: differentiatie bodemvreemd materiaal naar bodemgebruiksfuncties Bodemfunctie Maximaal toegestaan gewichtspercentage bodemvreemd materiaal Agrarisch, natuur, recreatie 5 % (Gebiedsspecifieke eis) Moes- en volkstuinen, plaatsen waar kinderen spelen en particuliere tuinen (incl. tuinen bij bedrijfs- en recreatiewoningen) 5 % en visueel geen scherpe voorwerpen (zoals bijv. glas) en geen asbest *) (Gebiedsspecifieke eis) Overig bodemgebruik (niet-risicogevoelig) 20 % (Generiek) *) Asbest mag niet zichtbaar in de grond aanwezig zijn, maar ook mag de grond analytisch geen asbest bevatten. Voor de definitie van “risicogevoelige bodemfuncties” die de gemeenten in het werkgebied van de ODRU voor dit thema hanteren, wordt verwezen naar de lijst van begrippen en definities in bijlage 2. Toepassingsbereik De in de bovenstaande tabel aangegeven Gebiedsspecifieke toepassingseisen voor grond met bodemvreemd materiaal gelden voor toepassing van grond in: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, ongeacht of de toe te passen grond van binnen of van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied afkomstig is. Tip: Als het gaat om nieuw te ontwikkelen woongebieden, kan het misschien gewenst zijn om voor alle toepassingen binnen een bepaald plangebied maximaal 5% bodemvreemd materiaal in de toe te passen grond aan te houden, ook buiten de risicogevoelige bodemgebruiksfuncties. Dat kan dan het beste geregeld worden in een bestek of in een exploitatieovereenkomst. 5.2.2.Toepassen van grond op risicogevoelige bodemfuncties In principe mag klasse Landbouw/Natuur-grond (afgekort L/N-grond) 11 Klasse L/N-grond is niet per definitie hetzelfde als schone grond. Zie uitleg van de verschillen tussen deze begrippen in bijlage 2. voor alle doeleinden gebruikt worden zolang de toepassing aangemerkt kan worden als een nuttige toepassing in de zin van art. 35 van het Bbk. Er zijn echter ook bodemfuncties waar uitsluitend klasse L/N-grond toegepast mag worden. Dit thema gaat over die toepassingen. Generieke kader Volgens het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit, mag op percelen die ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur alleen klasse L/N-grond toegepast worden. In de Provinciale milieuverordening Utrecht is daarnaast opgenomen dat ook in waterwingebieden alleen klasse L/N-grond toegepast mag worden, ongeacht de bodemfunctieklasse waarin het perceel is ingedeeld. Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid de bodemfuncties waar alleen klasse L/N-grond toegepast mag worden (m.u.v. waterwingebieden), verder uitbreiden als zij dit wenselijk vinden. Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat de bodemfuncties waar volgens het Generieke kader alleen klasse L/N-grond mag worden toegepast, worden uitgebreid met de volgende bodemfunctie: “plaatsen waar kinderen spelen (0 – 6 jaar)”. In de onderstaande tabel wordt samengevat op welke bodemfuncties uitsluitend klasse L/N-grond toegepast mag worden en is weergegeven welke toepassingseis Gebiedsspecifiek is, dus geldt voor alle toepassingen van grond in het bodembeheergebied ODRU. Tabel 8: Toepassingseisen voor “standaardstoffen” 12 Onder “standaardstoffen” worden in deze Nota alle stoffen uit het standaardstoffenpakket grond + Chroom en Arseen begrepen. Bodemgebruik Toepassingseis (uitgedrukt in bodemkwaliteitsklasse) Moestuinen en volkstuinen Klasse L/N-grond (Generiek) Ecologische beschermingsgebieden Klasse L/N-grond (Generiek) Plaatsen waar kinderen spelen (0 – 6 jaar) Klasse L/N-grond (Gebiedsspecifieke eis) *) Waterwingebieden Klasse L/N-grond (deze eis is vastgelegd in de Omgevingsverordening provincie Utrecht) *) Voor het uitwisselen van grond tussen speelplaatsen binnen de gemeente IJsselstein geldt een uitzondering. Zie onder “Toepassingsbereik” Moes- en volkstuinen: De eis dat op moes- en volkstuinen alleen klasse L/N-grond mag worden toegepast vloeit voort uit het Generieke Kader (zie tabel 10). Het is niet wenselijk om hier middels lokaal beleid van af te wijken. Voor PFAS houdt dat in dat de gemeten gehalten aan PFOS en Overige PFAS voor grond die wordt toegepast op moestuin en volkstuinen, niet meer mogen bedragen dan 1,4 µg/kg en aan PFOA niet meer dan 1,9 µg/kg. Ecologische beschermingsgebieden: De eis dat in gebieden die in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur ingedeeld alleen klasse L/N-grond mag worden toegepast vloeit voort uit het Generieke Kader. Het wordt niet wenselijk geacht om hier middels lokaal beleid van af te wijken, omdat dit gebieden zijn waarvoor een hoog ecologisch beschermingsniveau vereist is. Onder ecologische beschermingsgebieden wordt in het kader van deze Nota, verstaan: Gebieden die onderdeel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) Natura-2000 gebieden Overige gebieden met Natuur als hoofdfunctie Alle overige gebieden die deel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland (NNN-gebieden). Voorafgaand aan toepassingen van grond en bagger in ecologische beschermingsgebieden moet de initiatiefnemer contact opnemen met de provincie Utrecht. Voor de ligging van de bovengenoemde ecologische beschermingsgebieden wordt verwezen naar de website van de provincie Utrecht. Naar de webkaart van de provincie Utrecht via: https://webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer/app/Webkaart. Voor de kwaliteitseisen die gelden voor PFAS bij toepassing van grond in een ecologisch beschermingsgebied, wordt verwezen naar hoofdstuk 6 (Gebiedsspecifiek beleid voor PFAS). Plaatsen waar kinderen spelen (0 – 6 jaar): Van alle stoffen die in de bovengrond van gebieden waar gewoond wordt voorkomt, geeft lood de meeste kans op gezondheidsrisico’s bij kinderen in de leeftijd tot 6 jaar. Kinderen kunnen via hand-mond gedrag (ingestie) lood binnenkrijgen bij het spelen op plekken met loodhoudende grond. Zo kan lood in het lichaam opgenomen worden. Deze loodbelasting kan boven bepaalde gehalten een nadelig effect hebben op het leervermogen van kinderen en kan leiden tot verlies aan IQ-punten. Volgens de laatste inzichten kunnen al gezondheidseffecten aan de orde zijn bij kleine kinderen bij een loodconcentratie boven 100 mg/kg d.s. in de bodem. Voor het toepassen van grond op “plaatsen waar kinderen spelen” wordt een Lokale Maximale Waarde (LMW) vastgesteld die gelijk is aan de Maximale Waarde (MW) voor de klasse Landbouw/Natuur. 13 Voor de parameter lood betekent dit dat het loodgehalte in de toe te passen grond niet meer mag bedragen dan 50 mg/kg (omgerekend naar een standaardbodem). Voor de definitie van “plaatsen waar kinderen spelen” wordt aangesloten bij de definitie die gebruikt wordt in het “Handelingskader voor diffuus lood in de bodem”, dat vastgesteld is door de provincie Utrecht en op 19 november 2019 in werking is getreden. Dit handelingskader heeft tot doel de blootstelling aan lood, met name voor kinderen tot 6 jaar, sterk te verminderen, om IQ-puntenverlies zo veel mogelijk te voorkomen. 14 Zie ook Lit. 14 en bijl. 14 Het gaat om die plaatsen waar kinderen in contact komen met de onverharde bodem. Voorbeelden van plaatsen waar kinderen spelen zijn: Openbare speelplaatsen (meestal in woonwijken) Speelplaatsen bij scholen Speelplaatsen bij kindercentra Trapveldjes Overige locaties, die bij de gemeente bekend staan als speelplek voor jonge kinderen, delen) van openbaar toegankelijke parken. Sport-, recreatieterreinen en stadsparken worden niet als gevoelige functie in de zin van dit thema, aangemerkt. Aangenomen wordt dat kinderen hier niet dagelijks spelen en dat daarmee sprake is van een beperkte blootstelling. Ook rondhangplekken worden niet onder het begrip “gevoelige functie” begrepen, omdat ervan uitgegaan wordt dat hier geen kleine kinderen (0 – 6 jaar) spelen. Toepassingsbereik De aangegeven Gebiedsspecifieke toepassingseis voor grond op de bodemfunctie “plaatsenwaar kinderen spelen” geldt voor toepassingen in: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, ongeacht of de toe te passen grond van binnen of van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheer- gebied afkomstig is. In fig. 3 is het “Bodembeheergebied ODRU” weergegeven. Fig. 3: Geografische weergave van de reikwijdte van deze beleidsregel ☆ (uitzondering): Uitwisseling van grond tussen speelplaatsen in de gemeente IJsselstein is, aanvullend op de Gebiedsspecifieke toepassingseis, ook mogelijk als uit een partij- keuring, uitgevoerd volgens de geldende normen, blijkt dat de grond in klasse Wonen wordt ingedeeld, maar het gemeten loodgehalte in de toe te passen grond niet hoger is dan 100 mg/kg (zie Nota bodembeheer IJsselstein). Deze uitzondering is in juli 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van IJsselstein. Op het Geoportaal van de ODRU is de “Loodverwachtingskaart” te raadplegen. Hierop is voor de hele provincie Utrecht te zien, in welke gebieden verhoogde loodgehalten in de bovengrond verwacht kunnen worden. Voor sommige gebieden gelden gebruiksadviezen om blootstelling aan lood te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Via de link https://odru-test.gispubliek.nl/extra/Lood/Flyer_LetopLood.pdf is de flyer “Let op lood” te downloaden. 5.2.3.Toepassen van loodhoudende grond in tuinen Generieke kader Volgens het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit, mag op percelen die ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen, naast klasse L/N-grond ook klasse Wonen-grond toegepast worden. Dus ook in tuinen bij woningen. Tuinen worden in het Besluit bodemkwaliteit niet per definitie als een risicogevoelige bodemgebruiksfunctie beschouwd. Dat betekent dat er naast klasse L/N-grond in het Generieke kader van het Bbk, ook klasse Wonen-grond toegepast mag worden. De Maximale Waarde van klasse Wonen-grond bedraagt voor de parameter lood echter 210 mg/kg (voor een standaardbodem). Deze waarde ligt aanzienlijk hoger dan de door de GGD aanbevolen maximale norm van 100 mg/kg. Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid de loodeis voor het toepassen van grond in tuinen, aanscherpen om blootstellingsrisico’s voor met name jonge kinderen (0 – 6 jaar) te beperken. Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat het loodgehalte in grond die in tuinen wordt toegepast, begrensd wordt op 100 mg/kg. Dat betekent dat het alleen toegestaan is om in tuinen klasse Wonen-grond toe te passen als het loodgehalte onder deze Gebiedsspecifieke toepassingseis voor lood ligt. De Gebiedsspecifieke eisen voor het toepassen van grond ter plaatse van tuinen, zijn in de onderstaande tabel visueel gemaakt. Tabel 9: Gebiedsspecifieke toepassingseisen (LMW) voor lood in “tuinen” Toepassingseis voor grond in “tuinen” Lood Overige standaardstoffen Max. 100 mg/kg (Gebiedsspecifieke eis) *) Klasse Wonen (Generiek) *) deze waarde ligt tussen de MW lood van klasse Landbouw/Natuur (50 mg/
- kg)en de MW lood van klasse Wonen (210 mg/
- kg)en wordt gezien als grenswaarde waarboven effecten voor lood op het IQ van kinderen kunnen optreden Onder tuinen wordt voor dit thema begrepen: Onverharde tuinen bij particuliere woningen; Onverharde tuinen bij (bedrijfs)woningen. Onder het begrip “tuinen” worden voor dit thema niet begrepen: Moes- of volkstuinen (zie toepassingseisen in par. 5.2.2); Tuinen die verhard zijn met tegels, klinkers o.i.d. De toepasser kan op de volgende manieren aantonen dat de toe te passen grond aan de aangescherpte toepassingseis voor de parameter lood voldoet: Voor grond afkomstig van binnen het bodembeheergebied ODRU: Met de Ontgravingskaart-S. In de tabellen met statistische kengetallen van de onderscheiden bodemkwaliteitszones (bijl. 3 van deze Nota), worden de gemeten stofgehalten weergegeven. Het rekenkundig gemiddelde voor de parameter lood moet in de zone waar de grond vandaan komt (de ontgravingslocatie), lager zijn dan 100 mg/kg. Dit is zowel voor de boven- als voor de ondergrond het geval in de volgende bk-zones (met de tabelaanduiding in bijl.3): 8-1, 8-2, 8-3, 8-24, 6A en 8A (beleidszone Bebouwing 1/1); 8-4, 8-5, 8-6, 6B en 8B (beleidszone Bebouwing 2/1); 6C (beleidszone Bebouwing 2/2). Door middel van een partijkeuring. Het gemeten loodgehalte van de onderzochte grond moet lager zijn dan 100 mg/kg. Voor grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied ODRU: Met een door de gemeente geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart). Het rekenkundig gemiddelde voor de parameter lood moet in de zone waar de grond vandaan komt (op de ontgravingslocatie), lager zijn dan 100 mg/kg. 15 Besluiten over acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van gemeenten buiten het bodembeheergebied ODRU, worden door de raad aan het college van burgemeester en wethouders gedelegeerd (zie par. 11.2.3). De toepasser dient bij de melding te verwijzen naar de vindplaats van het rekenkundig gemiddelde van de betreffende zone in het bkk-rapport; D.m.v. van een partijkeuring. Het gemeten loodgehalte moet lager zijn dan 100 mg/kg. Toepassingsbereik De Gebiedsspecifieke toepassingseis (aangescherpte toepassingseis voor lood) voor grond die toegepast wordt in onverharde particuliere tuinen, geldt voor toepassingen in: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, ongeacht of de toe te passen grond van binnen of buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied afkomstig is. 5.2.4.Toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen Generieke kader In het Generieke kader is het toepassen van klasse Industrie grond op bedrijfs- en industrieterreinen alleen toegestaan als de ontvangende bodem een kwaliteit heeft die gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse Industrie. Gemeenten kunnen van deze eis afwijken door Gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Op de Bodemfunctiekaart (bijlage 4), is weergegeven welke gebieden in de bodemfunctieklasse Industrie zijn ingedeeld. Het betreft vaak de grotere bedrijfs- en industrieterreinen (> 2,5 ha). Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat de bodemfunctieklasse waarin een perceel op de Bodemfunctiekaart is ingedeeld (in dit geval klasse “Industrie”), leidend is bij de gekozen lokale kwaliteitseis (LMW), die geldt voor het toepassen van grond. Het toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen wordt uitsluitend toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De toepassing vindt plaats op een bedrijfs- of industrieterrein dat op de Bodemfunctiekaart is ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie (zie bijlage 4). De toepassing vindt integraal en aaneengesloten plaats en is nuttig en functioneel, d.w.z. heeft geen grotere omvang dan voor het doel van het werk noodzakelijk is; De toepassing vindt niet plaats op risicogevoelige bodemfuncties, zoals genoemd in par. 5.2.2 van deze Nota; De toe te passen grond voldoet ook aan eventueel overige van toepassing zijnde gebiedsspecifieke eisen die in deze Nota beschreven zijn. Op de Gebiedsspecifieke Toepassingskaart (zie bijlage 5D) is voor alle 15 ODRU-gemeenten aangegeven op welke bedrijfs- en industrieterreinen klasse Industrie-grond toegepast mag worden, mits aan de bovengenoemde voorwaarden voldaan wordt. In het Gebiedsspecifieke beleid voor het toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen, is uiteraard ook rekening gehouden met risicogevoelige functies die binnen een bedrijfs- of industrieterrein voor kunnen komen (zoals moes- en volkstuinen, plaatsen waar kinderen spelen en waterwingebieden). Daar mag alleen klasse Landbouw/Natuur-grond toegepast worden (zie par. 5.2.2). In par. 5.2.3 wordt aangegeven dat voor het toepassen van grond in tuinen aangescherpte toepassingseisen voor lood gelden om jonge kinderen extra te beschermen. Dat geldt ook voor het toepassen van grond in tuinen van bedrijfswoningen. Toepassingsbereik De aangegeven Gebiedsspecifieke toepassingseisen voor grond die toegepast wordt op bedrijfs- en industrieterreinen, geldt voor toepassingen in: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied (zie par. 11.2.4 van deze Nota); Voor grond afkomstig van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied, gelden de Generieke toepassingseisen. Die zijn afhankelijk van de uitkomst van de (dubbele toets). De strengste van deze twee toetsingen bepaald de geldende toepassingseis. Let op: Besluiten over uitbreiding van het Bodembeheergebied ODRU met het grondgebied van een andere gemeente, gelegen buiten het werkgebied van de ODRU, worden door de raad aan het college van burgemeester en wethouders gedelegeerd (zie par. 11.2.4). Fig. 4: Geografische weergavevan “Bodembeheergebied ODRU” voor de standaardstoffen. 5.2.5.Uitwisselen van grond tussen (spoor)wegbermen Generieke kader In het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit wordt de mogelijkheid tot grondverzet bij wegbermen bepaald op basis van de bodemfunctie én de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. De strengste van deze twee bepaalt de toepassingseis. De bodemfunctie wordt vastgelegd op een Bodemfunctiekaart. Wegbermen vallen doorgaans onder de bodemgebruikscategorie “anders groen, infrastructuur en industrie” en kunnen daarom in de meeste gevallen worden ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. Dat is niet in alle gevallen wenselijk, bijvoorbeeld als het gaat om een weg met weinig verkeersbelasting gelegen in een woongebied of in een ecologisch beschermingsgebied. In relatief onbelaste bermen mag in het Generieke kader alleen klasse L/N-grond toegepast worden en in bermen van wegen die gelegen zijn in woongebieden mag alleen klasse Wonen- grond toegepast worden, mits de ontvangende bodem ook kwaliteitsklasse Wonen heeft. In bermen van doorgaande wegen buiten de bebouwde kom mag in het Generieke kader vaak alleen klasse L/N-grond toegepast worden, omdat het buitengebied doorgaans ingedeeld wordt in de bodemfunctieklasse Natuur/Landbouw. Ook al zouden alle wegbermen in het buitengebied ingedeeld worden in de bodemfunctieklasse Industrie, dan zou het toepassen van klasse Industrie-grond in het Generieke kader nog niet mogelijk zijn, omdat het buitengebied meestal in bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur ingedeeld wordt. In het Generieke kader moet in dat geval namelijk getoetst worden aan de functie-eis (voldoet wel) en aan de kwaliteitseis (voldoet niet), omdat door de toepassing de heersende bodemkwaliteit verslechterd. Gemeenten kunnen van de regels uit het Generieke kader van het Bbk afwijken door Gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Gebiedsspecifiek beleid Kwaliteit van bermgrond kent in werkelijkheid veel variaties en wordt veelal gekenmerkt door verhoogde gehalten aan zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Dit als gevolg van uitlaatgassen van het wegverkeer, afstromend regenwater, toepassing van teerhoudend asfalt in de naastgelegen weg of uitloging van metalen vangrails. De bodemkwaliteit van wegbermen varieert daardoor van schoon tot sterk verontreinigd. Als een gemeente bermgrond, waar dit nuttig en milieuverantwoord is, op een eenvoudige wijze wil hergebruiken in dezelfde of een andere wegberm kan zij voor dit thema kiezen voor Gebiedsspecifiek beleid. De uitwisseling van bermgrond kan betrekking hebben op bermen binnen de eigen gemeente of, als een wegberm zich uitstrekt over het grondgebied van meerdere gemeenten, tussen de bermen aan weerskanten van die weg. De Gebiedsspecifieke toepassingseisen die gelden voor de toe te passen grond, verschillen per onderscheiden bermcategorie en per activiteit (hergebruik tussen bermen of toepassen van grond in een berm). Er worden 3 categorieën wegbermen onderscheiden: Bermen van provinciale- en rijkswegen (incl. spoorbermen) buiten de bebouwde kom *) Bermen van gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom Bermen van gemeentelijke wegen buiten de bebouwde kom. *) voor bermen van provinciale en rijkswegen binnen de bebouwde kom, gelden dezelfde eisen als voor de bermen van gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom. Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat: Grond uit onverdachte wegbermen zonder bodemonderzoek of partijkeuring mag worden hergebruikt in dezelfde of in een andere wegberm van dezelfde of een zwaardere categorie, binnen het bodembeheergebied ODRU; In bermen van provinciale- en rijkswegen (incl. spoorwegbermen) buiten de bebouwde kom, naast klasse L/N-grond en klasse Wonen-grond ook klasse Industrie grond mag worden toegepast. Bermen van provinciale wegen en rijkswegen buiten de bebouwde kom zijn daarvoor “administratief” ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. 16 Let op: Dit is op de Gebiedsspecifieke toepassingskaart (bijlage 5D) niet zichtbaar, omdat bermen op de Bodemfunctiekaart niet apart ingedeeld zijn in een bodemfunctieklasse. Bermen van provinciale en rijks- wegen zijn administratief ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. Door voor dit thema Gebiedsspecifiek beleid op te stellen, wordt het mogelijk gemaakt om op een eenvoudige en kostenefficiënte wijze, grond tussen wegbermen uit te wisselen. Onder het kopje “Toepassingsbereik” wordt aangegeven welke gemeenten voor dit thema voor Gebiedsspecifiek beleid hebben gekozen en op welke grond dit van toepassing is. A.Bermen van provinciale wegen en rijkswegen (incl. spoorwegbermen) buiten de bebouwde kom Uitwisseling van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat uitwisseling van grond tussen bermen uit deze categorie, kan plaatsvinden, zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De berm waaruit de grond vrijkomt mag niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming of anderszins verdacht zijn op een ernstige bodemverontreiniging; De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de Maximale Waarde (MW) van bodemkwaliteitsklasse Industrie (zie bijlage 10). Dit moet aangetoond worden met de Ontgravingskaart-S (zie bijlagen 5B en 5C). De bodemkwaliteit van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie ligt, moet voldoen aan kwaliteitsklasse Industrie (of een betere kwaliteit hebben); Toepassing van klasse Industrie-grond in bermen van deze categorie: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat in bermen die in deze categorie vallen, naast klasse L/N- grond en klasse Wonen-grond, ook klasse Industrie-grond mag worden toegepast, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de Maximale Waarde (MW) van bodemkwaliteitsklasse Industrie (zie bijlage 10). Dit moet aangetoond worden met één van de volgende bewijsmiddelen: de Ontgravingskaart-S. De bodemkwaliteit van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie ligt, moet voldoen aan kwaliteitsklasse Industrie (of een betere kwaliteit hebben); of Een partijkeuring, uitgevoerd conform de geldende richtlijnen; of Een door de gemeente geaccepteerde bodemkwaliteitskaart. 17 Besluiten over acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van gemeenten buiten het bodembeheergebied ODRU, worden door de raad aan het college van burgemeester en wethouders gedelegeerd (zie par. 11.2.3). De bodemkwaliteit van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie ligt, moet voldoen aan kwaliteitsklasse Industrie (of een betere kwaliteit hebben); Grond die wordt uitgewisseld tussen of wordt toegepast in bermen die gelegen zijn in een gebied met een risicogevoelige bodemfunctie moet voldoen aan de MW van klasse Landbouw/Natuur. Zie par. 5.2.2. B.Bermen van gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom Uitwisseling van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat uitwisseling van grond tussen bermen uit deze categorie, kan plaatsvinden, zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De berm waaruit de grond vrijkomt mag niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming of anderszins verdacht zijn op een ernstige bodemverontreiniging; De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de Maximale Waarde (MW) van bodemkwaliteitsklasse Wonen (zie bijlage 10). Dit moet aangetoond worden met de Ontgravingskaart-S (zie bijlage 5B en 5C). De bodemkwaliteit van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie ligt, moet voldoen aan kwaliteitsklasse Wonen (of een betere kwaliteit hebben); De berm waaruit de grond afkomstig is, is onverdacht. Zie definitie van “verdachte wegberm” in de lijst van begrippen en definities in bijlage 2. Toepassing van klasse Wonen-grond in bermen van deze categorie: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat in bermen die in deze categorie vallen, naast klasse L/N- grond ook klasse Wonen-grond mag worden toegepast, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de Maximale Waarde (MW) van bodemkwaliteitsklasse Wonen (zie bijlage 10). Dit moet aangetoond worden met één van de volgende bewijsmiddelen: de Ontgravingskaart-S. De bodemkwaliteit van de zone waarbinnen de ontgravings- locatie ligt, moet voldoen aan kwaliteitsklasse Wonen (of een betere kwaliteit hebben); of Een partijkeuring, uitgevoerd conform de geldende richtlijnen. Grond die wordt uitgewisseld tussen of wordt toegepast in bermen die gelegen zijn in een gebied met een risicogevoelige bodemfunctie moet voldoen aan de MW van klasse Landbouw/Natuur. Zie par. 5.2.2. C.Bermen van gemeentelijke wegen buiten de bebouwde kom. Uitwisseling van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat uitwisseling van grond tussen bermen uit deze categorie, kan plaatsvinden, zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: Het betreft een berm van een verharde weg; 18 Er wordt vanuit gegaan dat de grond in een wegberm langs een onverharde weg in het buitengebied voldoet aan de MW van klasse Landbouw/Natuur. Voor sommige bk-zones gelden gebiedsspecifieke toepassingseisen voor hergebruik van grond binnen dezelfde zone (zie par. 5.3) De berm waaruit de grond vrijkomt mag niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming of anderszins verdacht zijn op een ernstige bodemverontreiniging; De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de “gebiedskwaliteit” van de zone waar de berm in ligt. Dit moet aangetoond worden met de tabellen waarin de statistische kengetallen zijn weergegeven (bijlage 3). De kwaliteit van de toe te passen grond mag voor deze toepassing getoetst worden aan de P80 (80 percentielwaarde) van de zone waarin de grond wordt toegepast, als de P80 hoger is dan de MW van de betreffende stof voor de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur; De berm waaruit de grond afkomstig is, is onverdacht. Zie definitie van “verdachte wegberm” in de lijst van begrippen en definities in bijlage 2. Grond die wordt uitgewisseld tussen bermen die gelegen zijn in een gebied met een risicogevoelige bodemfunctie moet voldoen aan de MW van klasse Landbouw/Natuur. Zie par. 5.2.2. Toepassingsbereik Het toepassingsbereik verschilt per categorie berm. Hieronder is daarom het toepassingsbereik voor elke categorie berm apart aangegeven. Voor de aangegeven Gebiedsspecifieke beleidsregel voor bermen uit categorie A (provinciale wegen en rijkswegen buiten de bebouwde kom) is het toepassingsbereik: Voor het uitwisselen van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die uitgewisseld wordt tussen (spoor)wegbermen die binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied gelegen zijn; Voor het toepassen van klasse Industrie-grond in deze categorie bermen: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU. Omdat bermen van provinciale en rijkswegen op de Bodemfunctiekaart administratief zijn ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie, geldt deze beleidsregel zowel voor grond afkomstig van binnen als van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied. Voor de aangegeven Gebiedsspecifieke beleidsregel voor bermen uit categorie B (gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom) is het toepassingsbereik: Voor het uitwisselen van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die uitgewisseld wordt tussen (spoor)wegbermen die binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied gelegen zijn. Voor het toepassen van klasse Wonen-grond in deze categorie bermen: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die afkomstig is uit het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied; Voor grond afkomstig van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied, gelden de Generieke toepassingseisen. Die zijn afhankelijk van de uitkomst van de toets aan functie en heersende bodemkwaliteit (dubbele toets). De strengste van deze twee toetsingen bepaald de geldende toepassingseis. Voor de aangegeven Gebiedsspecifieke beleidsregel voor bermen uit categorie C (gemeentelijke wegen buiten de bebouwde kom) is het toepassingsbereik: Voor het uitwisselen van grond tussen bermen van deze categorie zonder onderzoek: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die uitgewisseld wordt tussen (spoor)wegbermen die binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied gelegen zijn. 5.2.6.Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen In het werkgebied van de ODRU zijn veel (voormalige) boomgaardpercelen gelegen (zie bijlage 7 van deze Nota). Alle (voormalige) boomgaardpercelen zijn ingetekend op basis van oude topografische kaarten uit de periode 1940 – 1980). Deze kaartlaag is ook digitaal voor iedereen toegankelijk via het GeoPortaal van de ODRU (www.odru.nl). Op (voormalige) boomgaardpercelen zijn veelvuldig bestrijdingsmiddelen gebruikt. Uit onderzoek is gebleken dat vooral de stoffen DDT/DDD/DDE, Drins en HCH verhoogd kunnen voorkomen op deze percelen. De concentraties van bestrijdingsmiddelen kan worden vastgesteld door de bodem te onderzoeken op de zogeheten organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB’s). In het begin van de jaren ’40 van de vorige eeuw werd het zeer persistente DDT ontwikkeld. DDT is, net als de andere OCB’s, zeer moeilijk afbreekbaar waardoor de concentraties van deze stof hoger worden naarmate er meer op de bodem terecht komt. Tot begin van de jaren ’70 werd DDT nog op grote schaal toegepast in de land- en tuinbouw. In Nederland is het gebruik van DDT sinds 1973 verboden. Ook het gebruik van de meeste andere OCB’s is inmiddels verboden. De OCB’s hopen zich op in de toplaag van de bodem, daarom wordt standaard, in eerste instantie, alleen de toplaag van de bodem op OCB’s onderzocht (tot een diepte van maximaal 0,3 meter beneden het maaiveld). De mate van verontreiniging van de toplaag met OCB’s kan variëren van licht tot sterk verontreinigd. Generieke kader Omdat bestrijdingsmiddelen zich vaak in de toplaag van (voormalige) boomgaardpercelen ophopen, wordt deze laag (0 – 0,3 m -
- mv)aangemerkt als bodemverdacht. Deze laag zal dan ook altijd eerst onderzocht moeten worden op bestrijdingsmiddelen (OCB’
- s)om de mate van verontreiniging vast te stellen. Vaak blijkt dat de bovengrond op (voormalige) boomgaardpercelen, vanwege de gemeten concentraties aan bestrijdingsmiddelen, gekwalificeerd moet worden als klasse Industrie-grond of Niet toepasbare grond. Dat betekent dat vrijkomende grond in het Generieke kader bijna nooit hergebruikt kan worden en dan afgevoerd moet worden naar een erkend verwerker. De kwalificatie klasse Industrie-grond of Niet Toepasbare grond is voor bestrijdingsmiddelen in grond hoofdzakelijk gebaseerd op het toetsingsresultaat van ecologische risico’s. Bestrijdingsmiddelen in de grond vormen alleen bij hele hoge gehalten een risico voor de mens. De grenswaarden waarbij er sprake is van humane risico’s liggen vele malen hoger dan de grenswaarden waarbij sprake is van ecologische risico’s. Ook de verspreidingsrisico’s voor bestrijdingsmiddelen in de grond zijn laag, omdat de bestrijdingsmiddelen zich goed aan de grond binden. Deze constateringen bieden mogelijkheden voor een gemeente om middels Gebiedsspeciek beleid uitwisseling van OCB-verdachte grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen toe te staan door gebruik te maken van het stand-still principe. Dat houdt in dat de bodemkwaliteit op het niveau van het bodembeheergebied niet verslechtert. Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor dit thema in dat het uitwisselen van OCB-verdachte grond van een (voormalig) boomgaardperceel naar een huidig boomgaardperceel in het buitengebied, is toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan is: De toplaag (tot maximaal 0,3 m -
- mv)op het perceel waar de grond vandaan komt (herkomstperceel), is conform de NEN 5740 (onderzoeksstrategie VED-HE) onderzocht op OCB’s en de gemeten gehalten zijn liggen voor de individuele OCB’s: DDT, DDD, DDE, chloordaan, som-drins, beta-HCH, gamma-HCH, heptachloor en heptaepoxide 19 Alleen voor deze OCB’s is onderbouwd dat gekozen LMW ruim onder de humaan toxicologische waarde ligt en daarmee nog steeds een matig ecologisch beschermingsniveau wordt bereikt., onder de interventiewaarde; Voor de overige onderzochte OCB’s geldt dat ze moeten voldoen aan de MW die hoort bij de betreffende bodemfunctieklasse; De ontgravingslocatie mag niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Er vindt regelmatig grondverzet plaats tussen bestaande boomgaardpercelen in de regio. Door het opstellen van Gebiedsspecifieke beleidsregels kan de gemeente uitwisseling van OCB-verdachte grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen in het buitengebied op een milieuverantwoorde mogelijk maken zonder dat daarmee de heersende bodemkwaliteit verslechterd en/of humane risico’s optreden. Toepassingsbereik De aangegeven Gebiedsspecifieke beleidsregel voor het uitwisselen van grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen geldt voor: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die uitgewisseld wordt tussen (voormalige) boomgaardpercelen die in het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied gelegen zijn; Voor grond afkomstig van buiten dit bodembeheergebied, gelden de Generieke toepassingseisen. Die zijn afhankelijk van de uitkomst van de toets aan functie en heersende bodemkwaliteit (dubbele toets). De strengste van deze twee toetsingen bepaald de geldende toepassingseis. Tip: Gemeenten kunnen bij vaststelling van een Gebiedsspecifieke beleidsregel besluiten dat deze beleidsregel, onder dezelfde voorwaarden, ook geldt voor grond afkomstig van een gemeente die gelegen is buiten het bodembeheergebied ODRU. Daarvoor is het nodig dat het bodembeheergebied uitgebreid wordt met het grondgebied van deze gemeente20 Besluiten over uitbreiding van het bodembeheergebied, worden door de raad aan het college van burgemeester en wethouders gedelegeerd (zie par. 11.2.4) 5.2.7.Tijdelijke opslag van grond Generieke kader Grond kan vaak niet direct worden toegepast op de definitieve eindbestemming en wordt dan tijdelijk opgeslagen. Het Besluit bodemkwaliteit stelt ook regels aan tijdelijke opslag van grond en baggerspecie. Het Besluit onderscheidt een aantal vormen van tijdelijke opslag. Dit is tabel 10 weergegeven. Tabel 10: Vormen van tijdelijke opslag van grond en bagger op de landbodem (in het Generieke kader) Vorm opslag Max. toegestane duur opslag Kwaliteitseisen Meldingsplicht Kortdurende opslag 6 maanden Geen (wel zorgplicht bodem) Ja Opslag bij Tijdelijke uitname Looptijd van het werk Geen (wel zorgplicht bodem) Nee Tijdelijke opslag grond 3 jaar Generieke kwaliteitseisen voor de ontvangende bodem Ja**) Tijdelijke opslag bagger in een weilanddepot *) 3 jaar Generieke verspreidingsnormen voor bagger Ja **) *) een weilanddepot is een depot voor de tijdelijke opslag van bagger op een perceel dat direct grenst aan (één van) de gebaggerde watergang(
- en)en daar ook verspreid wordt. **) met vermelding van voorziene duur van de opslag en de eindbestemming. Aan een aantal vormen van tijdelijke opslag zijn ook voorwaarden verbonden (kwaliteitseisen). Deze voorwaarden passen prima binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende Generieke toepassingskader. Echter, bij grondverzet volgens het Gebiedsspecifieke beleid dat in dit hoofdstuk beschreven is, kunnen de kwaliteitseisen uit het Generieke kader tot problemen leiden. Dan kan zich namelijk de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie wel partijen grond mogen worden toegepast, maar dat deze zelfde partijen daar niet tijdelijk mogen worden opgeslagen, voorafgaande aan de toepassing. Om deze discrepantie weg te nemen, kan een gemeente ervoor kiezen om de Gebiedsspecifieke beleidsregels die gelden voor het toepassen van grond, ook van toepassing te verklaren op een tijdelijke opslag, voorafgaand aan de definitieve toepassing. Let op: Voor de tijdelijke opslag van baggerspecie in een weilanddepot, gelden de Generieke verspreidingsnormen. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de huidige landelijke geldende verspreidingsnormen voor baggerspecie op de landbodem worden aangepast. In het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) zal het verspreiding van baggerspecie over het aangrenzende perceel of op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van waar de baggerspecie is vrijgekomen, worden aangewezen als een functionele toepassing. Ook het tijdelijk opslaan van baggerspecie in een weilanddepot valt onder het begrip “verspreiden van baggerspecie”. De nieuwe kwaliteitseisen voor het verspreiden van bagger staan in tabel 3B van Bijlage B van de nieuwe aangepaste Regeling bodemkwaliteit 2021. Gebiedsspecifiek beleid Het Gebiedsspecifieke beleid voor dit thema houdt in dat de kwaliteitseis die in het Generieke kader verbonden is aan de tijdelijke opslag van grond (zie tabel 10), vervangen wordt door de Gebiedsspecifieke eisen die voor de toepassing van grond gelden, voorafgaand aan die bepaalde toepassing. In tabel 11 is dit visueel gemaakt (alleen de afwijkingen t.o.v. het Generieke kader zijn aangegeven). Onder grond wordt ook gerijpte baggerspecie verstaan. Tabel 11: Gebiedsspecifieke kader voor de tijdelijke opslag van grond op de landbodem Vorm opslag Max. toegestane duur opslag Kwaliteitseisen Meldingsplicht Tijdelijke opslag grond 3 jaar Eisen zijn gelijk aan de Gebiedsspecifieke eisen die gelden voor de bijbehorende toepassing op de eindbestemming én gelden alleen als de tijdelijke opslag plaatsvindt binnen dezelfde bk-zone als waar de grond definitief wordt toepast. Ja *) *) met vermelding van voorziene duur van de opslag en de eindbestemming. De overige eisen en voorwaarden voor tijdelijke opslag, uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit (maximale duur van de opslag en wel/niet melden), uit tabel 10, blijven onveranderd van kracht. Toepassingsbereik De Gebiedsspecifieke beleidsregels voor de tijdelijke opslag van grond gelden voor: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied; Voor grond afkomstig van buiten dit bodembeheergebied, gelden de Generieke kwaliteitseisen die aangegeven zijn in tabel 10. 5.3.Zone-gerelateerde beleidsregels voor standaardstoffen In deze paragraaf worden de keuzes van het Gebiedsspecifieke beleid die gelden voor bepaalde bk-zones of gebieden toegelicht. Onderstaand is aangegeven voor welke bk- zones of gebieden de Gebiedsspecifieke beleidsregels gelden én wat er hierdoor mogelijk gemaakt wordt: Bebouwde gebieden (zie par. 5.3.2); Om toepassing van klasse Wonen-grond mogelijk te maken in relatief onbelaste woongebieden (ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur); Om de resultaten van een partijkeuringsrapport te kunnen toetsen aan de “gebiedskwaliteit” van de bk-zone; Buitengebieden (zie par. 5.3.3); Om hergebruik van gebiedseigen grond binnen een bk-zone of beleidszone mogelijk te maken zonder onderzoek; Om bij hergebruik van grond binnen dezelfde bk-zone, niet te snel partijkeuringen af te hoeven keuren als aangetoond kan worden dat het gaat om grond die aan de “gebiedskwaliteit” van de betreffende zone voldoet én geen risico’s geeft bij toepassing op de beoogde toepassingslocatie; Aangepaste toetsingsregel voor minerale olie in de “zandgemeenten”(zie par. 5.3.4). Om grond die in deze gebieden vrijkomt binnen deze gebieden of elders binnen het bodembeheergebied ODRU te kunnen hergebruiken, mits aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt. Het gaat om grond die binnen de “zandgemeenten” Zeist, Utrechtse Heuvelrug, Renswoude, Veenendaal of Rhenen vrijkomt. 5.3.1.Beleidszones In het werkgebied van de ODRU worden voor de “standaardstoffen” in totaal 34 bodemkwaliteitszones (bk-zones) onderscheiden op basis van bebouwingsgeschiedenis, bodemkwaliteit en gebiedskenmerken (zie par. 4.2.1). Om de werkbaarheid van de bodemkwaliteitskaart voor het uitvoeren van grondverzet te vergroten, zijn deze bk-zones samengevoegd tot 10 beleidszones. De volgende beleidszones worden onderscheiden. Tabel 12: Overzicht onderscheiden beleidszones beleidszone kwaliteitsklasse bovengrond(0 – 0,5 m -
- mv)kwaliteitsklasse ondergrond (0,5 – 2 m -
- mv)Bebouwing 1/1 *) Klasse Landbouw/Natuur Klasse Landbouw/Natuur Bebouwing 2/1 Klasse Wonen Klasse Landbouw/Natuur Bebouwing 2/2 Klasse Wonen Klasse Wonen Bebouwing 3/1 Klasse Industrie Klasse Landbouw/Natuur Bebouwing 3/2 Klasse Industrie Klasse Wonen Bebouwing 3/3 Klasse Industrie Klasse Industrie Buitengebied 1/1 Klasse Landbouw/Natuur Klasse Landbouw/Natuur Buitengebied 2/1 Klasse Wonen Klasse Landbouw/Natuur Buitengebied 3/1 Klasse Industrie Klasse Landbouw/Natuur Buitengebied 3/2 Klasse Industrie Klasse Wonen *) ./. Het cijfer geeft de bodemkwaliteitsklasse aan voor resp. de boven- en de ondergrond. 1 is kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur, 2 is kwaliteitsklasse Wonen, 3 is kwaliteitsklasse Industrie Sommige zone-gerelateerde Gebiedsspecifieke beleidsregels gelden alleen voor een bepaalde bk-zone en sommige beleidsregels gelden voor de hele beleidszone. Dit wordt per beleidszone aangegeven. Er wordt onderscheid gemaakt in beleidsregels voor: Bebouwde gebieden (par. 5.3.2); Buitengebieden (par. 5.3.3). 5.3.2.Bebouwde gebieden De bebouwde gebieden zijn op de Bodemfunctiekaart ingedeeld in de bodemfunctieklasse Wonen 21 M.u.v. de grotere bedrijfs- en industrieterreinen maar dat wil niet zeggen dat de heersende bodemkwaliteit in deze gebieden hier altijd mee in overeenstemming is. Soms is de heersende bodemkwaliteit in een woongebied beter dan de kwaliteit die voor een woonfunctie gewenst is en soms is de heersende bodemkwaliteit in een woongebied slechter dan voor een woonfunctie gewenst is. In bebouwde gebieden worden de volgende beleidszones onderscheiden: Bebouwing 1/1 Bebouwing 2/1 Bebouwing 2/2 Bebouwing 3/1 (komt alleen voor in bebouwd gebied in De Bilt aan de rand van het Noorderpark en in sommige bebouwde gebieden van voor 1960 op zandgrond) Bebouwing 3/2 (komt voor in de gebieden die voornamelijk voor 1940 bebouwd zijn en in bebouwde gebied in het noordelijk deel van het Toemaakdekgebied De Venen) Bebouwing 3/3 (komt voor in de oude binnensteden van o.a. Wijk bij Duurstede en Oudewater. Het gaat vaak om bebouwing van voor 1900). De ligging van de onderscheiden bodembeleidszones is weergegeven op de kaart van bijlage 5A van deze Nota (Beleidszones bodemkwaliteitskaart werkgebied ODRU, 15 gemeenten). Toetsing vrijkomende grond aan het “saneringscriterium” In sommige bk-zones is een partijkeuring verplicht is om de kwaliteit van de grond op een ontgravingslocatie aan te kunnen tonen. In de Regeling bodemkwaliteit is opgenomen dat de 95-percentielwaarde van een bk-zone getoetst moet worden aan de interventiewaarde, om te kunnen bepalen of de Ontgravingskaart als bewijsmiddel gebruikt mag worden om de ontgravingskwaliteit aan te tonen van de betreffende bk-zone. Als de P95 van een zone de interventiewaarde overschrijdt is er altijd een partijkeuring nodig om de ontgravingskwaliteit aan te tonen. Toelichting 95-percentielwaarde: P95: 95 % van alle gebruikte meetwaarden zijn lager dan deze meetwaarde. Er is dus een kans van 5 % dat bij een partijkeuring voor de betreffende stof een waarde wordt gemeten die hoger is dan de aangegeven waarde. Theoretisch zou dus 1 op de 20 partijkeuringen afgekeurd worden als de P95 gebruikt wordt bij de toetsing of de grond hergebruikt mag worden. In de volgende bk-zones overschrijdt de P95 voor één of meerdere stoffen de interventiewaarde en is dus altijd een partijkeuring nodig als er grond ontgraven wordt: Bebouwing 2/2 (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-7) vanwege het gehalte aan Barium, zowel in de boven- als de ondergrondzone. De sterk verhoogde gehalten Barium in deze bk-zone zijn alleen aanwezig in het deel van de zone dat in de gemeente Woerden ligt (Zegveld, Kamerik); Bebouwing 3/2 NWU (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-10) vanwege het gehalte aan Lood in de bovengrondzone; Bebouwing 3/2 Noorderpark (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-12) vanwege het gehalte aan Koper in de bovengrondzone; Bebouwing 3/2 Toemaakdek de Venen I Overig (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-17) vanwege het gehalte aan Koper, Lood en Zink in de bovengrondzone. Bebouwing 3/3 (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-14) vanwege het gehalte aan Lood en Zink, zowel in de boven- als in de ondergrondzone; Bebouwing 3/3 Toemaakdek De Venen I (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-16) vanwege het gehalte aan Koper, Lood en Zink in de bovengrondzone en Koper en Lood in de ondergrondzone; Bebouwing 3/3 VHL (zie bijlage 3, bkk VHL, tabelaanduiding: 6D) vanwege het gehalte aan Lood en PAK
(10)in de bovengrondzone; Bebouwing 3/3 IJS (zie bijlage 3, bkk IJS, tabelaanduiding: 8C) vanwege het gehalte aan Lood en PAK
(10)in de bovengrondzone. A.Toepassen van klasse Wonen-grond in beleidszones Bebouwing met de Ontgravingskaart-S als bewijsmiddel Generieke kader voor het toepassen van grond Volgens het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit, mag op percelen die op de Bodemfunctiekaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen, naast klasse L/N-grond, ook klasse Wonen-grond worden toegepast, tenzij de ontvangende bodemzone22 Onder bodemzone wordt verstaan: de bovengrondzone tot 0,5 -mv of de ondergrondzone van 0,5 – 2 m -mv in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur valt (dus van betere kwaliteit is). Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid hiervan afwijken door de kwaliteit van de ontvangende bodemzone ondergeschikt te maken aan de bodemfunctieklasse (Wonen), als de risicogevoeligheid van de bodemgebruiksfunctie dit toelaat. Niet voor alle bodemzones, is het opstellen van Gebiedsspecifieke toepassingseisen nuttig of nodig. Dat is het geval als de bodemzone al in kwaliteitsklasse Wonen of Industrie valt. In dat geval biedt het hanteren van de landelijk geldende toepassingseisen (klasse Wonen-grond) al voldoende waarborgen om blootstellingsrisico’s bij het toepassen van grond te voorkomen én bovendien al genoeg mogelijkheden om klasse Wonen-grond toe te passen. Dat geldt voor de beleidszones: Bebouwing 2/1 (bovengrondzone) Bebouwing 2/2 (boven- en ondergrondzone) Bebouwing 3/1 (bovengrondzone) Bebouwing 3/2 (boven- en ondergrondzone) Bebouwing 3/3 (boven- en ondergrondzone). Gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond Om het toepassen van klasse Wonen-grond ook in de bodemzones die in klasse Landbouw/Natuur vallen, mogelijk te maken is voor de bodemzones in de volgende beleidszones Gebiedsspecifiek beleid opgesteld: Bebouwing 1/1 (voor de boven- en ondergrondzone) Bebouwing 2/1 (voor de ondergrondzone) Bebouwing 3/1 (voor de ondergrondzone). Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor toepassing van grond in deze bodemzones in dat de bodemfunctieklasse waarin een perceel op de Bodemfunctiekaart is ingedeeld (in dit geval “Wonen”), leidend is bij de gekozen toepassingseis. Hierbij wordt, in de meeste gevallen, geen rekening gehouden met de bodemkwaliteit van de ontvangende bodemzone op het perceel waar de grond toegepast wordt. Hierdoor is het mogelijk om ook in bodemzones die in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur zijn ingedeeld, ook de toepassing van klasse Wonen-grond toe te staan, wanneer de Ontgravingskaart-S als bewijsmiddel gebruikt wordt, mits aan alle Gebiedsspecifieke toepassingsesien uit par. 5.2 wordt voldaan. In tabel 13 zijn de (gebiedsspecifieke) toepassingseisen voor de beleidszone Bebouwing weergegeven. Tabel 13: Toepassingseisen beleidszone Bebouwing met de Ontgravingskaart als bewijsmiddel Beleidszone bovengrond (0 – 0,5 m -
- mv)Ondergrond (0,5 – 2 m -
- mv)Bebouwing 1/1 Klasse Wonen (LMW) Klasse Wonen (LMW) Bebouwing 2/1 Klasse Wonen Klasse Wonen (LMW) Bebouwing 2/2 Klasse Wonen Klasse Wonen Bebouwing 3/1 Klasse Wonen Klasse Wonen (LMW) Bebouwing 3/2 Klasse Wonen Klasse Wonen Bebouwing 3/3 Klasse Wonen Klasse Wonen In de Grondstromenmatrix (tabel 14) wordt aangegeven welke mogelijkheden door het vaststellen van Gebiedsspecifiek beleid gecreëerd worden voor het uitwisselen van grond tussen de onderscheiden beleidszones Bebouwing. Bovendien wordt hierin aangegeven of hiervoor de Ontgravingskaart-S gebruikt kan worden of dat er eerst een partijkeuring nodig is. Toepassingsbereik De Gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden voor toepassingen in de volgende gemeenten: Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied. Als de grond afkomstig is van buiten het werkgebied van de ODRU, geldt het volgende: Bij gebruik van een partijkeuring: de resultaten worden getoetst a.d.h. van de toetswaarden die aangegeven zijn in de tabellen van bijlage 13; Bij gebruik van een ontgravingskaart: het rekenkundig gemiddelde van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie is gelegen, wordt getoetst aan de in de tabellen van bijlage 13 aangegeven toetswaarden; Voor grond die afkomstig is van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied, gelden de Generieke toepassingseisen. Die zijn afhankelijk van de uitkomst van de toets aan functie (Wonen) en heersende bodemkwaliteit (dubbele toets). De strengste van deze twee toetsingen bepaald de geldende toepassingseis. In de bodemzone (boven- of ondergrond) die in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur valt, mag dan alleen klasse L/N-grond23 In de volksmond wordt dit ook wel “schone grond” genoemd toegepast worden. Wanneer de uitkomst is dat klasse Wonen-grond toegepast mag worden, kan dat alleen met een partijkeuring. De resultaten worden getoetst a.d.h. van de toetswaarden van de tabellen in bijlage 13. De Gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden voor toepassingen van grond in: Alle gebieden die op de Bodemfunctiekaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen én waar de boven- en/of ondergrond is ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur. Het gaat om de gebieden die in de volgende beleidszones zijn ingedeeld: Bebouwing 1/1 (voor zowel boven- als ondergrond) Bebouwing 2/1 (voor alleen ondergrond) Bebouwing 3/1 (voor alleen ondergrond) Let op: Op risicogevoelige functies mag alleen klasse Landbouw/Natuur-grond toegepast worden (zie par. 5.2.2). In paragraaf 5.2.3 wordt aangegeven dat voor het toepassen van grond in tuinen een aangescherpte toepassingseis voor lood geldt (max. 100 mg/kg), om jonge kinderen extra te beschermen. Tabel 14: Grondstromenmatrix voor de beleidszone Bebouwing met Ontgravingskaart als bewijsmiddel toepassing zonder partijkeuring is alleen toegestaan onder duurzaam aaneengesloten verhardingen en funde- ringen binnen de eigen zone onderzoek op Lood en PAK
(10)is voldoende onderzoek op Barium is voldoende Verklaring van de symbolen in de tabel B.Toepassingen van grond toetsen met een partijkeuring als bewijsmiddel De indeling van een bk-zone is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van alle meetwaarden van de “standaardstoffen”24Dat zijn alle stoffen uit het “standaardstoffenpakket grond” + Arseen en Chroom. die gebruikt zijn om de BKK-S op te stellen. Dat geeft de “gebiedskwaliteit” van de bodemzone25 Onder bodemzone wordt verstaan: de bovengrondzone tot 0,5 -mv of de ondergrondzone van 0,5 – 2 m -mv in de betreffende bk-zone aan. Plaatselijk kan de grondkwaliteit beter of slechter zijn dat dit gemiddelde. Bij toepassing en hergebruik van de grond kan, in de meeste gevallen, de Ontgravingskaart (boven- of ondergrond), gebruikt worden als bewijsmiddel om de kwaliteit van de toe te passen grond aan te tonen en is geen partijkeuring nodig. Het kan echter zijn dat een partijkeuring verplicht is (omdat de P95 de interventiewaarde overschrijdt) of dat er om een andere reden al een partijkeuringsresultaat beschikbaar is. Een partijkeuring gaat in hiërarchie boven een ontgravingskaart. De kwaliteit van de grond die de partijkeuring aangeeft is dan maatgevend voor de kwaliteit van de toe te passen partij grond. Om te voorkomen dat een partijkeuring te snel wordt afgekeurd is gekeken naar de statistische kengetallen van de bk-zone (zie bijl. 3). Op basis hiervan worden partijkeuringsresultaten in sommige bk-zones in beleidszone Bebouwing, niet getoetst aan het rekenkundig gemiddelde van de bk-zone, maar aan een vervangende toetswaarde. Dit kan zijn: De 80-percentielwaarde (P80) van de zone waar de grond wordt toegepast Het rekenkundig gemiddelde van de zone waar de grond wordt toegepast Hieronder wordt een toelichting gegeven op de genoemde (percentiel)waarden. Toelichting percentielwaarden en rekenkundig gemiddelde: P80: 80 % van alle gebruikte meetwaarden zijn lager dan het getal dat in de kolom “P80” is weergegeven (zie tabellen in bijlage 3 van deze Nota). Er is dus een kans van 20 % dat bij een partijkeuring voor de betreffende stof een waarde wordt gemeten die hoger is dan de aangegeven waarde. Theoretisch zou dus 1 op de 5 partijkeuringen afgekeurd worden als de P80 gebruikt wordt bij de toetsing of de grond toegepast mag worden. Om de P80 als Gebiedsspecifieke toetsingsregel te mogen gebruiken is per stof, d.m.v. een risicoberekening, vastgesteld of dit niet leidt tot onaanvaardbare humane risico’s. Er is, gelet op de functie van het gebied (Wonen), bij de berekening van de ecologische risico’s, uitgegaan van een gemiddeld ecologisch beschermingsniveau. Rekenkundig gemiddelde: het rekenkundig gemiddelde geeft de bodemkwaliteit aan van een bepaalde bk-zone en wordt gebruikt om, middels een “toetsingsregel”26 Voor de toetsingsregels wordt verwezen naar de Regeling bodemkwaliteit. de kwaliteit van de grond uit te drukken in een kwaliteitsklasse (Landbouw/Natuur, Wonen of Industrie). Aan deze waarde worden partijkeuringsresultaten getoetst als vastgesteld is dat het hanteren van de P80 potentiële humane risico’s met zich mee kan brengen. De (percentiel)waarden waaraan getoetst wordt, kunnen per bk-zone verschillen. In de tabellen in bijlage 13 wordt per bk-zone (of beleidszone) aangegeven aan welke percentielwaarde de resultaten van een partijkeuring getoetst worden. Hieronder is hiervan een samenvatting opgenomen. Let op: Bij het toetsen van partijkeuringsresultaten gelden onverkort de Gebiedsspecifieke toepassingseisen die in par. 5.2 zijn genoemd. Dat betekent o.a. dat op risicogevoelige functies alleen grond mag worden toegepast als de partijkeuring aantoont dat de grond in klasse landbouw/Natuur valt (par. 5.2.2) en dat bij toepassing van grond in tuinen voor lood getoetst wordt aan 100 mg/kg (par. 5.2.3). Samenvatting gebruik “vervangende toetswaarden” bij hergebruik grond met partijkeuring binnen de beleidszone Bebouwing (zie tabellen van bijlage 13): Toetsing aan de P80 van de ontvangende bk-zone is aan de orde voor: Beleidszone Bebouwing 1/1, beleidszone Bebouwing 2/1 en beleidszone 2/2 (voor uitzonderingen en details, zie de tabellen van bijlage 13. Toetsing aan het rekenkundig gemiddelde van de ontvangende bk-zone is aan de orde voor: Bk-zone Bebouwing 3/1, Bebouwing 3/2, Bebouwing 3/3 (voor uitzonderingen en details, zie de tabellen van bijlage 13) Om een partijkeuringsresultaat te kunnen toetsen aan de kwaliteitseisen die gelden bij hergebruik van grond binnen de onderscheiden bk-zone of beleidszone, moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn: De grond moet onderzocht zijn in een partijkeuringsrapport dat niet ouder is dan 3 jaar en uitgevoerd is conform de daarvoor geldende regels en richtlijnen. De in de tabellen van bijlage 13 aangegeven toetswaarden mogen gehanteerd worden, omdat middels risicoberekeningen, met behu