/akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR756003 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1884/2025/Regeling0922716de7e1439297c3ddfc7908e2e3 /join/id/stop/work_019 2026-01-29 2026-01-29 /akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR756003/nld@2026-01-30 /join/id/proces/gm1884/2025/procedure4283685520cb4b9d993525fce134c68d 2026-01-30 2026-01-30 /akn/nl/act/gm1884/2025/Regeling0922716de7e1439297c3ddfc7908e2e3/nld@2026-01-26;18532032 /akn/nl/act/gm1884/2025/Regeling0922716de7e1439297c3ddfc7908e2e3 /akn/nl/act/gm1884/2025/Regeling0922716de7e1439297c3ddfc7908e2e3/nld@2026-01-26;18532032 /join/id/stop/work_019 1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem 1 Inleiding 1.1 De veranderende context De eerste zin uit de vorige herziening van de Omgevingsvisie (februari, 2024) luidt: "De samenleving verandert”. Nu, bijna twee jaar later, verandert Kaag en Braassem nog steeds, en is het de verwachting dat de gemeente zich blijft ontwikkelen. Twee jaar terug concludeerden we: een samenleving die volop in ontwikkeling is, vraagt om een gemeente die mee verandert. Deze conclusie staat nog overeind, zij het met een voetnoot: een constante, betrouwbare gemeente is minstens zo belangrijk, zeker wanneer er tijden aanbreken waarin meer en meer op losse schroeven komt te staan. De huidige herziening van de Omgevingsvisie is in dit licht te zien en te lezen. In deze versie is gezocht naar een balans tussen het opleveren van een ‘levend document’ en het behouden van een aantal kernwaarden en basisprincipes. Ook de ingezette koers op een aantal bewegingen blijft bewust onveranderd. 1.2 Wat is een omgevingsvisie? De Omgevingsvisie is voor gemeenten een verplicht beleidsdocument en is het resultaat van landelijke wetgeving. De ‘Omgevingswet’ schrijft voor dat elke overheid een integrale visie ontwikkelt op de fysieke leefomgeving, én van onze eigen koers als gemeente. In Kaag en Braassem ligt de basis in de eerder opgestelde Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV), waarin we al vroeg de koppeling maakten tussen het fysieke en sociaal-maatschappelijke domein. Met het fysieke domein bedoelen we alles rondom woningen, infrastructuur en de buitenruimte. Met het sociaal-maatschappelijke domein bedoelen we alles dat draait om het welzijn van inwoners. Dus van zorg tot onderwijs en van werk tot sociale samenhang. Wij merken dat de ruimtelijke en sociale opgaven buiten de muren van het gemeentehuis door elkaar lopen en verbonden zijn. Die verbinding tussen fysiek en sociaal maken we in deze Omgevingsvisie dus ook. Samenvattend geeft de Omgevingsvisie weer wat voor gemeente Kaag en Braassem is, wat we met elkaar belangrijk vinden en waar we naartoe bewegen op ruimtelijk en sociaal-maatschappelijk vlak. Dit betekent dat de ambities en doelstellingen van vrijwel alle beleidsthema's zoals wonen, mobiliteit, natuur, zorg en gezondheid in deze visie staan. Hierdoor vormt de Omgevingsvisie naast leidraad ook de basis voor een toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven. De Omgevingsvisie bestaat uit acht thematische hoofdstukken en één gebiedsgericht hoofdstuk. Deze thema’s staan niet op zichzelf. We blijven toewerken naar meer samenhang tussen de thema’s, zodat zichtbaar is hoe ze met elkaar verbonden zijn en dat ze elkaar versterken in plaats van tegenspreken. Zo ontstaat een brede, praktijkgerichte kijk op de vraagstukken waar we als gemeente voor staan, van wonen en duurzaamheid tot gezondheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze Omgevingsvisie geeft richting aan de keuzes die we maken en vormt het vertrekpunt voor verdere uitwerking. Het ruimtelijke deel werken we uit in het omgevingsplan, waarin de regels voor de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Het gaat dan om regels over onderwerpen zoals bouwen, milieu, water en gebruik van ruimte. Het omgevingsplan vervangt het ‘oude’ bestemmingsplan en is het juridische instrument waarmee we ruimte voor ontwikkelingen kunnen maken of juist beperken. Daarnaast zijn andere onderwerpen uit te werken in programma’s. Naast de bestaande gebiedsgerichte programma’s zijn ook bestaande beleidsstukken en visiedocumenten – waar mogelijk – als programma onder deze Omgevingsvisie te plaatsen. 1.3 Waarom hebben we een omgevingsvisie? De Omgevingsvisie is er zogezegd vooral om de richting te bepalen en houvast te bieden. De visie van de gemeente, wat vinden we belangrijk en waar gaan we heen, komt erin terug en dat geeft duidelijkheid voor inwoners en ondernemers. Die sturing helpt zodat de politiek het juiste gesprek kan voeren en we in het gemeentehuis beter in staat zijn beleidskeuzes te maken die logisch zijn en niet uit de lucht komen vallen. Die houvast willen we ook graag bieden voor mensen en organisaties buiten het gemeentehuis: de inwoners, ondernemers, samenwerkingsorganisaties en initiatiefnemers. Zodat op die manier duidelijk is wanneer de gemeente (wettelijk) verantwoordelijk is, wanneer de gemeente welke rol pakt en waar de gemeente ruimte kan en wil bieden voor initiatieven vanuit de omgeving. Deze visie is daarmee ondersteunend aan het belangrijkste doel van de gemeente Kaag en Braassem: bijdragen aan vitale gemeenschappen in een leefbare, mooie woon-, werk- en leefomgeving. 1.4 De toekomst van deze visie De Omgevingsvisie is een levend document. Iedere vier jaar vindt er een volledige herziening plaats. Want hoewel de Omgevingsvisie ver vooruit probeert te kijken, is bijsturen in deze snel veranderende tijden noodzakelijk. Naast bijsturing op de inhoudelijke thema’s, ontwikkelen we de Omgevingsvisie daarnaast ook als instrument. Daarbij liggen er nog kansen in het verder versterken en verduidelijken van de verbindingen tussen thema’s. Ook het achterhalen waar thema’s of ambities botsen, en de verbinding met andere gemeentelijke stukken, zoals het raadsakkoord, kan worden verbeterd. Waar we nu nog vooral binnen onze thema’s werken, is het belangrijk om in de nabije toekomst dwarsverbanden en conflicten explicieter zichtbaar te maken – tussen gezondheid en mobiliteit, tussen landbouw en biodiversiteit, tussen economie en leefbaarheid. Het verbeteren van de koppeling met andere gemeentelijke stukken gaat helpen om inwoners en organisaties buiten het gemeentehuis beter inzicht te geven in de samenhang tussen verschillende documenten, en daardoor inzicht in wat mensen wel of niet van de gemeente kunnen verwachten. 1.5 Kaag en Braassem in cijfers Het rad hiernaast geeft een beeld van hoe Kaag en Braassem ervoor staat op de acht hoofdthema’s van deze Omgevingsvisie. Elk thema is weergegeven op een schaal van 0 tot
- Het rad geeft vereenvoudigd weer op welke thema’s we sterk staan en waar nog werk te verrichten is. De blauwe lijn is het landelijk of regionaal gemiddelde en de beoordeling is gebaseerd op landelijke trends, regionale ontwikkelingen en onze eigen gemeentelijke situatie. In de afzonderlijke hoofdstukken staat bij elk thema een eigen rad met meer verdieping. Ook hier is er een blauwe lijn zichtbaar die correspondeert met het landelijk of regionaal gemiddelde. Voor dit rad – en de grafische overzichten verderop in deze visie – geldt: hoe dichter bij de 5, hoe beter of positiever de score; hoe dichter bij de 0, hoe meer het een aandachtspunt vormt. 1.6 Onze organisatie als onderdeel van de samenleving Kaag en Braassem is een gemeente die wil bijdragen aan de samenleving waar leefbaarheid en geluk centraal staan. Om dit voor elkaar te krijgen is een organisatie wenselijk die zich bewust is van haar positie in de samenleving en van de verschillende rollen die zij hierin vervult. Een gezonde, ontwikkelgerichte en dienstverlenende organisatie die grip heeft op haar bedrijfsvoering en waarin leren vanzelfsprekend is. We willen samenwerking tussen organisaties, inwoners en de gemeente verder uitdragen en stimuleren. Dit gebeurt vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder doet dat vanuit diens eigen rol. Deze inzet ligt vast in het ontwikkelprogramma ‘participatie’. Onderstaand overzicht geeft een beeld van de verschillende rollen die de gemeente in de samenleving heeft, en wat dit, vanuit het oogpunt van de gemeente betekent voor partners waarmee we samenwerken. De verschillende rollen vragen een andere houding van de gemeente en zijn daarom van belang om bij elk vraagstuk scherp te krijgen: Inwonersparticipatie (gemeente is bepalend) De rechtmatige overheid: Vanuit deze overheidsrol garanderen wij orde en veiligheid voor onze inwoners. In deze 'rode rol’ handhaven we, innen we belastingen, verstrekken we efficiënt uitkeringen en leveren we diverse producten waar inwoners weinig directe invloed op hebben. Zo gaan we niet in onderhandeling met inwoners over de hoogte van een dwangsom of de kleur van het paspoort. In de rechtmatige rol geven we als gemeente bewust geen ruimte voor participatie. De overheid maakt zelf wetgeving en voert deze uit; inwoners kunnen hierop alleen via de verkiezingen invloed uitoefenen. In deze rol moeten we als gemeente wel helder uitleggen waarom we dingen doen en zorgen voor een efficiënte dienstverlening. De presterende & samenwerkende overheid: Bij deze ‘blauwe’ rol zijn waarden als gelijkheid en rechtvaardigheid leidend. Veel lokale regels die we als gemeente maken vallen binnen deze rol. Denk aan ruimtelijke ordening, het beheren en onderhouden van de openbare ruimte en het uitvoeren van de taken in het sociaal domein. De overheid verwacht dat inwoners zich aan die regels houden. Daarom betrekken we inwoners nadrukkelijk bij het opstellen van deze overheidsregels. De gemeente neemt uiteindelijk de beslissing, maar inwonersparticipatie reikt verder dan alleen communiceren. De kennis en kunde die in Kaag en Braassem woont en werkt wordt in deze rol benut. Zodat de kwaliteit van het beleid toeneemt en er draagvlak is voor beleid. Overheidsparticipatie (Inwoners en organisaties zijn bepalend) De participerende en reactieve overheid: In Kaag en Braassem wonen en werken agrariërs, onderwijzers, topsporters, juristen groenspecialisten en rijksambtenaren. Alle beroepen zijn vertegenwoordigd. Mensen dus met unieke vaardigheden, met uiteenlopende ervaring en specifieke kennis. Mensen die op verschillende manieren willen bijdragen aan hun eigen omgeving, die verantwoordelijkheid nemen en eigenaarschap wensen en die initiatieven laten ontstaan. Zo worden er steeds meer ideeën en projecten uitgevoerd waar de gemeente (bewust) een (zeer) beperkte rol heeft. Deze beweging komt bovenop de initiatieven die onafhankelijk van de gemeente tot stand komen. In deze participerende en reactieve, ‘groene’ rol leveren wij een bijdrage in de leefwereld van de inwoners, verenigingen en ondernemers die met elkaar samenwerken aan waardevolle activiteiten. In deze rol is de overheid niet (als eerste) aan zet. In de ‘groene’ rol geven de inwoners het tempo aan en is de gemeente, als wij al een rol hebben, een waarderende en betrouwbare partner. 1.7 Samenwerking vanuit de rollen In Kaag en Braassem vinden wij het belangrijk dat de samenwerking tussen gemeente, markt (commerciële organisaties) en samenleving positief verloopt. Dit betekent niet dat er altijd een door breed gedragen besluit volgt op een samenwerking. Wel werken we aan een samenwerking waarbij helder is wat iedereen van de gemeente (en de gemeente van de partners buiten het gemeentehuis) kan en mag verwachten. In deze samenwerking komt de politiek (daar waar nodig) in positie, aan de voorkant om kaders te stellen of later in het proces om conflicterende belangen af te wegen. Zo zetten wij participatie in om iedereen vanuit diens eigen rol te laten meedenken, meebeslissen, meedoen en te leren over de toekomst van onze gemeente. Participatie is het proces om alle betrokkenen gelegenheid te geven inbreng te leveren op plannen, projecten en initiatieven. Het is ook belangrijk dat al deze informatie en meningen beschikbaar zijn in de bestuurlijke besluitvorming. Participatie is echter niet de optelsom van meningen. Het is een weging van alle belangen in het proces van besluitvorming, waarbij de inbreng vanuit de omgeving uiteraard een belangrijke rol heeft. Participatie vraagt flexibiliteit, durf, geduld en ook het besef dat het niet altijd gemakkelijk zal gaan. Daarbij is er bij de samenwerking ook meestal sprake van maatwerk en is de rol van de gemeente afhankelijk van de rol die inwoners en/of samenwerkingspartners (willen) pakken. Participatie is dynamisch en verschilt logischerwijs per dorp, per buurt, per samenwerkingspartner, per opgave en per project. Onafhankelijk van welke rol houden wij in de samenwerking de volgende algemene uitgangspunten aan: De gemeente is van de inwoners en organisaties. Samenwerking is geen doel op zich (zie rode rol). We betrekken inwoners/belanghebbenden (volgens het principe van participatief werken) in een zo vroeg mogelijk stadium bij beleidsvorming en -uitvoering om zo mee te beslissen of mee uit te voeren (blauwe rol). We staan open voor initiatieven uit de samenleving en we zijn duidelijk naar initiatiefnemers wat zij van ons kunnen verwachten (groene rol). Kaag en Braassem wil een actieve en vernieuwende koers op het gebied van participatie inzetten (blauwe en groene rol). Verder houden we de volgende specifieke uitgangspunten in het achterhoofd: Hoe meer mensen hoe meer meningen. En dus hoe meer deelnemers hoe meer tegenstrijdige ideeën en soms ook belangen. Samenwerking werkt alleen als je elkaar weet te vinden. Eigenaarschap ligt daar waar het hoort. 1.8 Leeswijzer De Omgevingsvisie is opgedeeld in een aantal grote thema’s. Binnen die thema’s is een aantal opgaven geformuleerd. Die lichten we toe en daarbij benoemen we (eventuele) doelen. Bij elk thema staat een rad. Dit visuele overzicht brengt per onderwerp in beeld hoe we er als gemeente in relatieve zin voor staan. Het rad biedt een korte indicatie van de actuele situatie of prestaties binnen een thema op bepaalde onderwerpen. We hebben onze gemeente in vijf gebiedstypen ingedeeld: het buitengebied, het water, de glastuinbouwgebieden, de bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. Deze lichten we in hoofdstuk 10 toe met een beschrijving van het gebied en de doelen en specifieke uitgangspunten voor het bereiken van deze doelen. Zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruitziet en wat het beeld voor de toekomst is. Onze gemeente bestaat verder uit elf kernen die allemaal een eigen identiteit met eigen karakteristieken kent. Van elk kern in onze gemeente is een dorpsperspectief gemaakt in samenwerking met de inwoners. Zij hebben tijdens bijeenkomsten in de dorpen, of online, input geleverd die de basis vormt van de dorpsperspectieven. Bij ieder dorpsperspectief noemen we een voorbeeld van een initiatief vanuit de gemeenschap. 2 Energie & grondstoffen 2.1 Inleiding De gemeente Kaag en Braassem heeft zich, via de Regionale Energie Strategie (RES) Holland-Rijnland, verbonden aan de doelstelling om in 2050 een energie neutrale regio te zijn. Het is ook de doelstelling in het Klimaatakkoord om in 2050 aardgasvrij te zijn. Dit betekent dat we alle elektriciteit, warmte en brandstoffen die we in de regio gebruiken, lokaal en duurzaam opwekken. Een flinke opgave dus. Het energiesysteem is volop in ontwikkeling en ook in Kaag en Braassem houden we daardoor in ruimtelijke ontwikkelingen rekening met de ruimteclaims die opslag in de toekomst kan veroorzaken. Om naar deze 2050-doelstelling toe te werken wil Kaag en Braassem de doelstelling van de RES Holland Rijnland voor 2030 volgen. Die doelstelling van de RES Holland-Rijnland is om samen met de andere RES-regio’s in Nederland in 2030, 55% minder CO2 uit te stoten. Ook wil de gemeente zelf duurzame elektriciteit opwekken (0,09 TWh in 2030), wat ongeveer 40% van het totale elektriciteitsverbruik in 2030 is. Door deze doelen verandert het bovengrondse en ondergrondse energiesysteem. Hoe de gemeente Kaag en Braassem hier naartoe werkt, is opgenomen in de Lokale Energie Strategie (hierna: LES). De LES is een integraal sturingsdocument voor de energietransitie als geheel en bouwt verder op de gezette stappen in de Transitievisie Warmte (TVW) en Regionale Energie Strategie (RES). Eind 2026 wordt de opvolger van de TVW van begin 2022 vastgesteld. Onder de nieuwe Omgevingswet wordt dit een Warmteprogramma. Naast de energieopgave beoogt de gemeente tevens een circulaire economie te worden waardoor een begrip als afval uiteindelijk tot het verleden zal behoren. 2.2 Achtergrond 2.2.1 Meeste energieverbruik door de agrarische sector, woningen en onze voertuigen Bij het wonen, werken en rijden binnen Kaag en Braassem verbruiken we allemaal energie. Daarbij heeft elke sector een eigen energievraag. In Kaag en Braassem komt de energievraag vooral uit de gebouwde omgeving (26%), mobiliteit (19%) en land- en tuinbouw (26%). De industrie speelt geen noemenswaardige rol: slechts 2% van de energievraag in de gemeente komt hier vandaan. Verder veroorzaakt de A4 die door Kaag en Braassem loopt een belangrijk deel van het energieverbruik (namelijk 27%). Hier heeft de gemeente geen invloed op en daarom nemen we deze activiteit niet mee in de Lokale Energie Strategie en de Omgevingsvisie . 2.2.2 Duurzaamheid is in beweging Steeds meer inwoners zijn bezig met duurzaamheid of gaan daar bewust mee aan de slag. Hierbij gaat het vooral om energiebesparende maatregelen, het opwekken van duurzame energie via zonnepanelen en het bewuster omgaan met afval: Jaarlijks ontvangen meer dan 100 huishoudens energieadvies van onze energiecoaches, dat is inclusief het werk van Leimuiden Duurzaam. In 2023 t/m 2025 zijn er 1.400 huishoudens bezocht door het fix team van Kaag en Braasem en Regionaal Energieloket. In 2023 hadden 5.720 woningen in Kaag en Braassem zonnepanelen. Dat is 56,1% van alle eengezinswoningen en een stijging van 18,1% ten opzichte van eind 2022 (CBS, 2024). In 2023 waren de inwoners van Kaag en Braassem koploper in de Cyclus-regio met gemiddeld maar 121,5 kilo restafval per inwoner, een stuk minder dan het landelijk gemiddelde van 177 kilogram (CBS, 2023). Verschillende uitgevoerde projecten van de Coöperatieve energiecoöperatie KB Energie, te weten de panelen op het gemeentehuis, de panelen ten behoeve van de Voedselbank op het dak van Dobbe transport en de panelen op de Herenboerderij aan de Drecht. 2.2.3 Afval en recycling Op dit moment zijn er alleen gegevens beschikbaar over het huishoudelijk afval. Zo weten we dat bijna al onze inwoners (88%) aan afvalscheiding doen en dat 45% vaak probeert zoveel mogelijk voorwerpen en producten te hergebruiken. De komende tijd moeten er meer gegevens komen om inzichtelijk te maken hoeveel en welke materialen, grondstoffen en producten mensen gebruiken en hoeveel ‘afval’ bedrijven bijvoorbeeld produceren. We verwachten, op basis van gegevens van de inwoners zelf, dat zij in de nabije toekomst (binnen nu en 5 jaar) meer belangstelling hebben voor het duurzaam omgaan met materialen en grondstoffen. 2.2.4 Duurzaamheid in cijfers Het rad toont hoe Kaag en Braassem scoort op verschillende duurzaamheidscijfers, afgezet tegen het landelijk gemiddelde (schaal 3). De gemeente heeft meer woningen met zonnepanelen dan gemiddeld, en ook meer woningen met een hoog energielabel (A t/m A++++). Ook het energieverbruik van woningen per inwoner is lager dan het landelijk gemiddelde. Voor wat betreft restafval per inwoner en het scheidingspercentage scoort de gemeente ook beter dan het gemiddelde. Radardiagram Energie & Grondstoffen 2.3 Samen naar een duurzame toekomst 2.3.1 Inleiding In de Lokale Energie Strategie (LES) is een voorkeursscenario opgesteld voor het plaatsen van zonne- en windenergie als vormen van grootschalige duurzame opwek. Het voorkeursscenario is gebaseerd op onderzoek en gesprekken met inwoners, deskundigen en belanghebbenden. Gezien de veranderende omstandigheden en de weerstand onder de bevolking ziet Kaag en Braassem af van zoekgebieden van zon en wind. Bovendien wensen de regiogemeenten de RES-doelstellingen te herijken. De gemeente stimuleert verder lokale initiatieven die gericht zijn op het plaatsen van zonnepanelen op daken en parkeerplaatsen. Ook wordt er ingezet op het ontwikkelen van kleine zonneparken langs wegen en restgronden bij bedrijventerreinen. Een succesvolle energietransitie waarin de gemeente Kaag en Braassem haar doelen uit de LES bereikt, of het nu gaat om energie besparen of het opwekken van duurzame energie, vraagt om samenwerking. Niet alleen nu, maar ook in de eerstvolgende fasen waarin we met elkaar de energieopgave verder zullen uitwerken. 2.3.2 Wat willen we bereiken? Om de doelstelling van 2030 te halen en 11% energie te besparen dient ongeveer 15% van het vervoer in Kaag en Braassem over te gaan op elektrische voertuigen. In Kaag en Braassem had eind 2022 2,6% van alle voertuigbezitters een elektrische auto. Om het energieverbruik in woningen te verlagen en de bespaardoelstelling te behalen, moeten er in de periode tot 2030 zo’n 2.000 woningen (of 20% van alle woningen) volledig geïsoleerd worden (van label G/F naar label A/B). In 2030 willen we dat er in Kaag en Braassem 2294 aardgasvrije woningen staan. Nieuwbouw vanaf 2019 telt hierbij niet mee. Dit is een doorrekening van de doelen in het landelijk Klimaatakkoord. De doelstelling uit de in 2024 vastgestelde LES ging ervan uit dat – wanneer de gemeente Kaag en Braassem haar evenredige deel van de nu nog geldende regionale opwekgave levert - er maximaal 1 tot 2 windturbines (5,6 MW) en 30 tot 40 hectare zonnepanelen geplaatst zullen worden. Gezien de veranderende omstandigheden en de weerstand onder de bevolking ziet Kaag en Braassem af van zoekgebieden van zon en wind. 2.3.3 Energie besparen In de gemeente Kaag en Braassem helpen energiecoaches huiseigenaren en huurders met gratis energieadvies. Om energieverbruik in woningen te besparen, werken we met isolatiemaatregelen. Daarnaast heeft het fix team meer dan 500 acties uitgevoerd om kleine energiebesparingen door te voeren en is de gemeente gestart met een lokale subsidie, het Nationaal Isolatie Programma. Het is belangrijk dat in de komende jaren nog veel meer huiseigenaren en huurders hulp krijgen bij onder andere het isoleren van hun woning. Het is aannemelijk dat veel inwoners voor individuele opties kiezen om hun huis te verduurzamen, zoals hybride warmtepompen. Dit komt door de lage warmtedichtheid in Kaag en Braassem. Om die verduurzaming in goede banen te leiden is het van belang dat de gemeente de transitie blijft ondersteunen, wat het onder andere kan doen door de Wijkuitvoeringsplannen op te stellen. Deze geven per wijk een beter beeld wat logische verduurzamingsroutes kunnen zijn. Het besparen van energie bij vervoer en mobiliteit is vooral mogelijk door over te stappen naar elektrische auto’s, want die zijn een stuk zuiniger dan auto’s met een verbrandingsmotor. 2.3.4 Energie opwekken Het opwekken van meer duurzame elektriciteit is noodzakelijk om de duurzaamheidsdoelstellingen te behalen. Landelijk gebeurt dat met kernenergie en wind op zee. Maar ook lokaal is het opwekken van duurzame elektriciteit belangrijk. Dit kan via zonnepanelen op daken, en zou ook kunnen door zonneparken en windturbines, maar hier is totdat het RES-bod herijkt is nog geen sprake van. Voor wat betreft windturbines neemt de gemeente de zorgen en onrust die er in de samenleving leven serieus. De gemeente blijft daarom samen oplopen met inwoners, deskundigen en belanghebbenden. Ook tijdens de volgende fase waarin verder wordt onderzocht hoe Kaag en Braassem in haar zoekgebieden schone energie op kan opwekken, veilig en verantwoord. Concreet moet hierbij gedacht worden aan onder meer het in kaart brengen van de gezondheidsrisico’s, het uitwerken van afstandsnormen en het exact bepalen wat de landschappelijke impact is van de opwekopgave. Op dit moment is deze volgende fase gepauzeerd omdat het proces van de provincie Zuid-Holland parallel loopt en de gemeente eerst meer duidelijkheid wenst over de keuzes van de provincie. Zodat verdere onrust en verwarring onder de inwoners van Kaag en Braassem wordt voorkomen. Voor wat betreft zonneparken wordt er in de komende periode – naast de eerdergenoemde restgronden bij bedrijventerreinen – specifiek gekeken of het mogelijk is om zonnepanelen te plaatsen op geluidsschermen en/of reststroken langs de A4 en/of het spoor. In de toekomst gaat ook de opslag van energie een belangrijke rol spelen. Als het energiesysteem niet altijd energie produceert als er vraag is, dan is opslag van belang. Opslag is volop in ontwikkeling en ook in Kaag en Braassem houden we daardoor in ruimtelijke ontwikkelingen rekening met de ruimteclaims die opslag in de toekomst kan veroorzaken. 2.3.5 Grootste opgaven voor een duurzaam Kaag en Braassem Ons energiesysteem verandert, zowel bovengronds als ondergronds. Er is meer energie-infrastructuur nodig zoals transformatorstations, transformatorhuisjes en kabels en leidingen voor het transport van elektriciteit en warmte. De verduurzaming van mobiliteit en transport loopt vertraging op door netcongestie, overbelasting van het elektriciteitsnet. Daardoor zijn er op dit moment geen aansluitingen mogelijk. Het werken richting een circulaire economie waarin er geen sprake meer is van afval en we steeds meer duurzaam geproduceerde, hernieuwbare grondstoffen en materialen gebruiken. 2.3.6 Nationaal, regionaal en lokaal Een van de grotere doelstellingen van de rijksoverheid in het klimaatakkoord, is om in 2030, 35 TWh aan duurzame elektriciteit op te wekken op land. Om dit te voor elkaar te krijgen heeft de rijksoverheid Nederland opgedeeld in energieregio’s die samen in 2030 de 35 TWh op dienen te wekken. Om tot goede plannen te komen heeft elke regio een Regionale Energie Strategie (RES) opgesteld. De gemeente Kaag en Braassem is onderdeel van de RES Holland-Rijnland. De Lokale Energie Strategie (LES) van Kaag en Braassem sluit aan bij deze regionale doelen. In deze LES kijken we naar de mogelijkheden voor duurzame energieopwekking in de gemeente en stemmen we deze af met de andere gemeenten in de regio. Het is niet alleen de gemeente die bepaalt waar duurzame energie is op te wekken. De rijksoverheid, de provincie en Schiphol hebben ook invloed en maken beleid dat eisen kan opleggen. We toetsen alle plannen in de LES zoveel mogelijk aan het bestaande beleid van de rijksoverheid en de provincie, maar dit beleid kan veranderen. 2.3.7 Na 2030 De ontwikkelingen tot 2030 zijn een voorbode voor wat er na 2030 nodig is. Zo is de verwachting dat de verduurzaming van de maatschappij verder doorzet, wat leidt tot een verder groeiende vraag naar duurzame elektriciteit, warmte en mobiliteit. Technologische ontwikkelingen zullen verder doorzetten, waardoor technieken die nu nog economisch gezien niet rendabel zijn, dan wel concurrerend worden. Denk bijvoorbeeld aan waterstof, kleine modulaire kernreactoren (SMRs) of langdurige opslag van elektriciteit en warmte. Dit betekent dat er voor een aantal sectoren transitiepaden ontstaan, die eerder nog onduidelijk waren. De gemeente blijft deze ontwikkelingen volgen en past haar doelstellingen en plannen voor 2050 hierop aan. 2.4 Grondstoffen: Op termijn naar een circulaire economie 2.4.1 Inleiding De rijksoverheid streeft naar een circulaire economie in
- Een circulaire economie is een gesloten economie waarin er geen afval bestaat. Het is ook een economie waarin we alleen nog maar herbruikbare en duurzaam geproduceerde grondstoffen gebruiken. Een belangrijke tussenstap om dat doel te halen, is het streven om 50 % minder primaire grondstoffen (mineralen, metalen en fossiele brandstoffen) te gebruiken in
- De overgang van onze huidige economie naar een circulaire economie is hieronder schematisch weergegeven. Het laat zien dat we in de toekomst zuiniger, slimmer en efficiënter om moeten gaan met materialen en grondstoffen. Dit willen we beter verankeren in het inkoopbeleid van de gemeente. Dit betekent dat: We in onze woningen, het gemeentehuis en onze (sport) verenigingen efficiënter gebruik moeten maken van grondstoffen (onder andere het delen van producten en diensten), zodat er minder grondstoffen nodig zijn. Wanneer we nieuwe grondstoffen en materialen gebruiken, voor bijvoorbeeld het bouwen van een school of van een nieuwe woning, dit zoveel mogelijk duurzaam geproduceerde, hernieuwbare (onuitputtelijke) en algemeen beschikbare grondstoffen zijn. Onze ondernemers en agrariërs tegelijkertijd gaan nadenken over en bouwen aan een circulaire bedrijfsvoering en een productieproces waarin, op den duur, geen afval meer ontstaat. Hoe we dat verstandig en betaalbaar gaan doen, daar willen we ons met elkaar de komende jaren op gaan richten. Want ondanks dat er al een aantal creatieve en intelligente oplossingen zichtbaar zijn voor deze opgave, staan we als Kaag en Braassem, maar ook als Nederland en wereldwijd gezien, pas aan het begin van de gewenste omslag. Duidelijk is wel dat we allemaal, in onze woningen, in onze bedrijven, op het gemeentehuis en op onze agrarische erven, de schouders onder deze overgang moeten zetten. Proces van de circulaire economie 2.4.2 Wat willen we bereiken? De komende jaren willen we ons huishoudelijk restafval blijven verminderen door: Het beter scheiden van het restafval én het verbeteren van de kwaliteit van de deelstromen van afvalscheiding. Inzicht krijgen en verbeteringen aanbrengen in de afvalstromen en het gebruik van materialen binnen het gemeentehuis en op de gemeentewerf. Vanuit de gemeente inzetten op duurzaam inkopen en aanbesteden. Ondernemers, waar mogelijk, stimuleren om afval te verminderen en te hergebruiken. 2.4.3 Nationaal, regionaal en lokaal De gemeente Kaag en Braassem heeft het Manifest Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen ondertekend, wat een initiatief is van de rijksoverheid. Dit manifest richt zich op het stimuleren van ambitieus maatschappelijk verantwoord opdrachtgeven en inkopen, en is ondertekend door ruim 70 bestuurders van zo'n 90 (semi-) overheidsorganisaties. Dit draagt bij aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. In het manifest komen deze thema’s aan bod: milieu en biodiversiteit, klimaat, circulair (inclusief biobased), internationale sociale voorwaarden (ISV of ketenverantwoordelijkheid), diversiteit en inclusie en social return. Dit manifest is nog niet omgezet in een uitvoeringsagenda. Regionaal is de gemeente Kaag en Braassem aangesloten bij Cyclus NV, dat in afstemming met de deelnemende gemeenten een regionaal demontagebedrijf opricht voor grof huishoudelijk afval. Door demontage, het uit elkaar halen, van grof huishoudelijk restafval is te voorkomen dat 60% tot 80% van dit afval wordt verbrand. Het grofvuil is na demontage te scheiden in onder andere hout, ijzer, plastics en schuimrubber. Dit gaat vervolgens naar gespecialiseerde recyclebedrijven. Het streven van Cyclus NV en de aangesloten gemeenten is om het grof huishoudelijk afval dat op de milieustraten komt zoveel mogelijk te gaan demonteren. Ook gaat het demontagebedrijf zich inzetten om al het grof huishoudelijk afval zo hoogwaardig mogelijk te verwerken. Dat betekent dat zij samenwerking zoeken met maakbedrijven, zoals ateliers en meubelmakers. Op deze manier sluit het demontagebedrijf goed aan op onze duurzaamheidsambities. 2.5 Specifieke uitgangspunten Als gemeente stimuleren we duurzaamheidsinitiatieven die inwoners in de wijken en dorpen opzetten. De gemeente stuurt waar nodig op een dorpsgerichte aanpak, waardoor de aanpak van opgaven als de energietransitie en het voor elkaar krijgen van een circulaire economie, per dorp en per initiatief kunnen verschillen. Als gemeente gaan we, mede ook op basis van de uitkomsten van het inwonerspanel, uit van een breed gedragen verantwoordelijkheid bij de aanpak van de duurzaamheidsopgaven. We zoeken daarom, wanneer dit wenselijk is, verbinding tussen inwoners, het bedrijfsleven, de agrariërs in een dorp en eventuele andere overheidsinstanties. Circulair bouwen vraagt om een andere manier van denken. Hoe kunnen we materialen hergebruiken? Wat is de meest duurzame keuze? Daarbij moeten we niet alleen kijken naar de kosten van vandaag, maar ook naar de gevolgen in de toekomst. Circulair bouwen is daarbij een belangrijk uitgangspunt: de vraag naar nieuwe grondstoffen verminderen en bijdragen aan een kleinere CO2-voetafdruk. Zo houden we onze mooie gemeente leefbaar voor de generaties na ons. 3 Klimaat, biodiversiteit, water en bodem 3.1 Inleiding Groen en blauw vormen de kern van Kaag en Braassem. De uitgestrekte weilanden met sloten en vaarten, de karakteristieke polders, de rietrijke oevers van de Kagerplassen en het Braassemermeer en het veenweidelandschap maken onze gemeente een bijzonder deel van het Groene Hart. Dit landschap is rijk aan planten en dieren in diverse ecosystemen, van grote waarde voor natuur, landbouw, recreatie en leefkwaliteit. De natuurlijke dynamiek van water en bodem vormt de basis van dit landschap, dat niet alleen onze gemeente karakter geeft, maar ook onze mogelijkheden en grenzen bepaalt bij het inrichten van de ruimte. Tegelijkertijd staat onze leefomgeving onder druk. Steeds vaker vallen er hevige buien, waardoor straten onderlopen en het riool het water niet meer aankan. Bij het uitblijven van regen verdroogt het landschap en raken natuur en landbouw in de knel. Tropische zomerdagen zorgen voor hittestress in onze dorpen, vooral op plekken waar weinig groen of schaduw is. Het risico op overstromingen groeit, doordat de zeespiegel stijgt en het poldersysteem steeds meer water moet verwerken. Ook de biodiversiteit neemt af. Steeds minder insecten, vogels en planten vinden geschikte leefgebieden in bermen, oevers, tuinen en groenvakken. Terwijl juist een grote verscheidenheid aan soorten het ecosysteem sterk en veerkrachtig maakt. Hoe gevarieerder het systeem, hoe beter het kan omgaan met verstoringen zoals droogte, extreme regen of hitte. In een tijd van klimaatverandering is dat belangrijker dan ooit. Biodiversiteit ondersteunt daarnaast noodzakelijke processen als bestuiving, natuurlijke plaagbestrijding en bodemgezondheid, en vormt zo de stille motor achter voedsel, natuur, gezondheid en leefkwaliteit. Het samenspel tussen water en bodem is kwetsbaar, zeker in een laaggelegen gemeente als de onze. Bij zware regenval raakt het watersysteem sneller overbelast. In droge tijden zakt het grondwaterpeil en droogt de bodem uit, waardoor natuur verdroogt en bodemdaling toeneemt. Wat we aan de oppervlakte doen, werkt door in de ondergrond. Een toekomstbestendige inrichting begint daarom met het begrijpen én versterken van dit systeem. Deze ontwikkelingen vragen om bewuste keuzes. Hoe we omgaan met water, bodem, groen en ruimte is bepalend voor de toekomst van onze leefomgeving. Sommige plekken vragen om bescherming, andere juist om aanpassing. Dat vraagt om inzicht in de samenhang van deze systemen én de bereidheid om samen te werken aan slimme, toekomstbestendige oplossingen. 3.2 Achtergrond Het rad toont hoe Kaag en Braassem scoort op diverse indicatoren voor klimaat, natuur, en water en bodem, afgezet tegen het landelijke of regionale gemiddelde (blauwe stippellijn - schaal 3). De gemeente heeft na een hevige regenbui minder water op straat dan het landelijk gemiddelde, is even gevoelig voor hitte, maar heeft juist meer last van droogte en een grotere kans op overstroming. Kaag en Braassem heeft daarnaast minder groen in de leefomgeving dan omliggende gemeenten en scoort erg slecht op de 3+30+300 vergroeningsvuistregel
- Voorbiodiversiteit zijn over Kaag en Braassem geen gegevens beschikbaar, maar het landelijke beeld laat zien dat soorten herstellen in zoetwater- en moerasgebieden, terwijl het aantal dieren op land juist sterk achteruitgaat. Tot slot is de gemeente minder kwetsbaar voor lage grondwaterstanden dan gemiddeld, maar juist gevoeliger voor hoge grondwaterstanden en zeer kwetsbaar voor bodemdaling. Uit dit profiel blijkt dat een integrale aanpak nodig is waarin klimaatadaptatie, het behoud en de bevordering van biodiversiteit, en water en bodem leidend zijn.
- De 3+30+300-regel is ontwikkeld door stedelijk groenonderzoeker Cecil Konijnendijk. Hij adviseert dat iedereen vanuit huis drie bomen moet kunnen zien, dat iedere buurt ongeveer 30 procent bladerdek of schaduwgevend groen heeft, en dat er binnen 300 meter een park of groengebied van ten minste 1 hectare beschikbaar is. Radardiagram klimaat, biodiversiteit, water en bodem 3.3 Aanpassen aan het veranderende klimaat: Klimaatadaptief Kaag en Braassem 3.3.1 Inleiding Het klimaat verandert. Wereldwijd, in Nederland en ook in Kaag en Braassem krijgen we steeds vaker te maken met weersextremen. Die nemen verschillende vormen aan en hebben elk hun eigen gevolgen voor onze leefomgeving. Hevige regenval zorgt ervoor dat het water niet snel genoeg weg kan. Het riool raakt overbelast, de grond is al doordrenkt en sloten staan vol. Daardoor ontstaan er plassen op straten, pleinen en in tuinen. In wijken met veel tegels en weinig groen blijft het water liggen en kunnen straten tijdelijk vollopen. Ook hittegolven en aanhoudend hoge temperaturen komen vaker voor. In dorpskernen met veel steen en weinig groen blijft de warmte hangen: overdag loopt de temperatuur op, en ’s nachts koelt het nauwelijks af. Dit leidt tot hittestress, vooral bij ouderen en andere kwetsbare groepen. Ook planten, bomen en dieren in de openbare ruimte hebben het zwaar tijdens langdurige hitte. Daarnaast komt langdurige droogte steeds vaker voor. Regen blijft uit, terwijl het vocht uit de bodem verdampt. Dit maakt de grond steeds droger en harder, waardoor die later minder makkelijk water opneemt. Als het dan eindelijk regent, stroomt het water vaak weg in plaats van in de bodem te trekken. Vooral planten, gras en gewassen hebben daar last van en groeien minder goed. Ten slotte groeit het risico op overstromingen. Door zeespiegelstijging en hoge rivierafvoeren komt het hoofdwatersysteem, het netwerk van rivieren, watergangen en dijken, vaker onder druk te staan. Als water niet snel genoeg naar zee kan worden afgevoerd, neemt de druk op dijken toe. Een dijkdoorbraak is zeldzaam, maar de gevolgen kunnen groot zijn, zeker voor een laaggelegen gemeente als Kaag en Braassem. Deze veranderingen zijn geen tijdelijke uitschieters, maar structurele trends.Ze raken direct aan hoe we wonen, bewegen, bouwen en omgaan met onze omgeving. Daarom is aanpassen geen keuze voor later, maar een opgave voor nu. 3.3.2 Kansen en maatregelen: samen klimaatadaptief worden Klimaatverandering vraagt om slimme, samenhangende keuzes in de inrichting van onze leefomgeving. Met klimaatadaptatie bereiden we ons voor op extremer weer en de gevolgen daarvan. In Kaag en Braassem zetten we daarom in op een toekomstbestendige omgeving die beter bestand is tegen hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen. We leggen hiervoor klimaatadaptatierichtlijnen vast in onze Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR), gebaseerd op de landelijke maatlat voor een groene, klimaatbestendige gebouwde omgeving. Deze richtlijnen passen we al toe bij lopende projecten en onderhoud. Om wateroverlast te voorkomen, willen we regenwater beter opvangen, vasthouden en vertraagd afvoeren. Dat vraagt om slimme combinaties van verharding, afwatering, waterberging en vergroening. Denk aan gescheiden afvoer van regenwater, waterdoorlatende bestrating en ondergrondse berging, maar ook aan groene oplossingen zoals plantvakken die infiltratie in de bodem bevorderen, bomen die water opnemen, en sloten of greppels waar water kan samenkomen. Door de openbare ruimte strategisch in te richten, kunnen we het regenwater gericht afvoeren naar plekken waar het geen schade veroorzaakt, maar juist bijdraagt aan het functioneren van het watersysteem. Tegen hittestress willen we onze dorpskernen groener, schaduwrijker en koeler maken. Vooral grote bomen spelen hierbij een sleutelrol. Groene daken en gevels, schaduwrijke plantsoenen en bomen met een brede kroon dragen bij aan verkoeling van de omgeving én het vasthouden van water. Binnen de gemeente zetten we zoveel mogelijk in op vergroening: als we bij nieuwe ontwikkelingen bomen kappen, zorgen we ten minste voor nieuwe aanplant in gelijke aantallen. Om droogte beter te doorstaan, streven we naar een bodem die water beter vasthoudt. Dat vraagt om minder verharding, meer ruimte voor infiltratie en gebruik van de natuurlijke sponswerking. Ook op particulier terrein liggen kansen, bijvoorbeeld met regentonnen of infiltratievoorzieningen. Tegelijk vraagt droogte om zuiniger watergebruik, zeker van partijen die afhankelijk zijn van grondwater. Bij het toenemende overstromingsrisico draait het om ruimtelijke afwegingen en goede voorbereiding. In een laaggelegen gemeente als Kaag en Braassem is samenwerking met het hoogheemraadschap en de veiligheidsregio essentieel. Bijvoorbeeld bij het vernieuwen van calamiteitenplannen of het slim inrichten van kwetsbare gebieden zodat de schade tijdens overstromingen beperkt blijft. Klimaatadaptatie vraagt om samenwerking tussen alle partijen: van overheid tot inwoners, agrariërs, ontwikkelaars en bedrijven. Door samen te werken aan een groenere, klimaatadaptieve omgeving: in de openbare ruimte, in tuinen, op daken en in het buitengebied, bouwen we aan dorpen die ook in een veranderend klimaat gezond, veilig en leefbaar blijven. 3.3.3 Wat willen we bereiken? De openbare ruimte van Kaag en Braassem klimaatadaptief inrichten, zodat we beter voorbereid zijn op piekbuien, langdurige droogte, hittegolven en overstromingen. Samen met inwoners, ondernemers, agrariërs en gebiedspartners bouwen aan een klimaatbestendige leefomgeving, door kennis te delen, bewustwording te vergroten en actie op eigen terrein te stimuleren. 3.4 Biodiversiteit behouden en bevorderen 3.4.1 Inleiding Biodiversiteit is kortweg de verscheidenheid aan leven. Hieronder vallen alle soorten planten, dieren en micro-organismen (onder andere algen en schimmels), de genetische variatie binnen die soorten en de verschillende ecosystemen waarvan ze deel uitmaken, dus van weiland tot sloot tot woonwijk. Het gaat daarom niet alleen over bloemen, bomen en dieren, maar omvat het totaalpakket aan levende organismen en systemen – en de interacties daartussen. Biodiversiteit is belangrijk voor onze leefomgeving. Sterker nog: we zijn er onderdeel van. De biodiversiteit staat wereldwijd onder druk door verstedelijking, intensivering van de landbouw en andere economische ontwikkelingen. Als de biodiversiteit om ons heen afneemt, komen natuurlijke processen, waarvan we ons vaak niet eens bewust zijn, vanzelf onder druk te staan. Zo zijn de bestuiving van planten (ook landbouwgewassen), schoon water, een vruchtbare bodem en fluitende vogels namelijk niet vanzelfsprekend. Zonder voldoende biologische diversiteit houdt dit vanzelf op er ’te zijn’. We zien dit nu al in Kaag en Braassem gebeuren: plaagvorming, zoals de eikenprocessierups, ziektes als essentaksterfte en troebele sloten zijn het directe gevolg van verminderde biodiversiteit in de buitenruimte. Biodiversiteit is dus niet alleen belangrijk voor productieve landbouw: het verhoogt de (be)leefbaarheid van onze directe omgeving en kan ons onnodige uitgaven besparen. Het is van belang dat de verschillende partijen die werken aan biodiversiteit en waterkwaliteit – van inwoners tot overheid – hetzelfde doel voor ogen hebben. Want het gericht samenwerken door agrariërs, het hoogheemraadschap en de gemeente maakt de kans op succes groter dan als we afzonderlijke doelen nastreven. 3.4.2 Biodiversiteit versterken en vergroten Achteruitgang van biodiversiteit is een wereldwijde trend en daarom zien we het als opgave om de biodiversiteit te beschermen en te bevorderen. Een doelstelling kan zijn de biodiversiteit te versterken óf te vergroten. Het versterken van de biodiversiteit betekent niet vanzelfsprekend een toename van verschillende dier- en plantensoorten in een gebied en dus vergroting van de biodiversiteit. Een methode om de biodiversiteit te versterken is om in een aantal landelijke ‘groengebieden’ gericht te kiezen voor bepaalde icoonsoorten. Denk hierbij aan plant- en diersoorten die kenmerkend zijn voor de landschappen van Zuid-Holland. Deze icoonsoorten, zoals de weidehommel, argusvlinder, merel en dotterbloem vertegenwoordigen samen de verschillende leefgebieden in de provincie. Als het leefgebied voor deze dieren en planten op orde is, kan een gezonde natuur bestaan die in balans is. Ook wij als mens zijn hier afhankelijk van. Het specifiek inzetten op het vergroten van de biodiversiteit houdt in dat er meer verschillende dier- en plantensoorten in een gebied aanwezig gaan zijn. Deze aanpak vraagt maatwerk omdat in sommige wijken en dorpen soorten voorkomen die gebruik maken van oude gebouwen (vleermuizen, mussen en zwaluwen), terwijl in andere delen van onze bebouwde omgeving, zoals de nieuwbouwwijken in Roelofarendsveen, dit duidelijk niet het geval is. Zo moeten we bij nieuwbouw en renovatie rekening houden met soorten die er al zijn, maar ook keuzes maken om nieuwe soorten mogelijkheden te bieden. Zo ontstaat er onder andere door natuurinclusief te bouwen een aantrekkelijk leefmilieu. De kennis is er, we moeten het alleen nu en in de toekomst bij bestaande dorpskernen, nieuwbouwwijken, bedrijventerreinen en waterwegen toepassen. 3.4.3 Biodiversiteit bij stedelijke ontwikkelingen De provincie Zuid-Holland heeft een aantal concrete doelstellingen geformuleerd om de biodiversiteit bij stedelijke ontwikkelingen te bevorderen. Deze zijn ook voor Kaag en Braassem van belang. a. Allereerst is dat het behoud en de bescherming van bestaande natuur. Want het is niet alleen belangrijk om voor nieuwe natuur te zorgen, maar juist ook om bestaande waardevolle natuur te behouden. Denk hierbij aan een volwassen boom die meer voordelen biedt dan nieuw aangeplante bomen, zoals schaduw, luchtzuivering en wateropvang. b. Een andere doelstelling is om te zorgen voor basiskwaliteit natuur (BKN). BKN is een set condities – milieuomstandigheden, inrichting en beheer – die nodig is voor het voortbestaan van algemene soorten. Om voor een kansrijke leefomgeving te zorgen, wordt er rekening gehouden met ‘de vijf V’s’: verblijfplaatsen, voedsel, verbinding, variatie en veiligheid. c. Naast aandacht voor het type inrichting moet er voldoende ruimte komen voor natuur. Hierbij is te denken aan een groennorm in vierkante meters. Met dubbelgebruik en koppelkansen is de groene ruimte nog meer te benutten. Denk hierbij aan de aanleg van groene daken (dubbelgebruik) of de combinatie van groen met recreatieve doeleinden (een koppelkans). d. Ten slotte is het van belang groenblauwe structuren te behouden en versterken. Groenblauwe hoofdstructuren en fijnmazige dooradering door landschappen en de gebouwde omgeving verrijken de kwaliteit van de leefomgeving en zorgen voor voldoende aangesloten leefgebieden voor dieren. Naast dieren, profiteren ook wij mensen daarvan omdat we die groene zones kunnen gebruiken om te wandelen, fietsen en tot rust te komen. Plagen, invasieve exoten, vervuiling en klimaatverandering kunnen een gebied onder druk zetten. Een goede biodiversiteit heeft hierop een dempende werking. Want, hoe diverser een gebied, hoe stabieler. Bij het aanplanten van bomen en groen in de openbare ruimte zorgen wij daarom voor gevarieerde beplanting. Hierbij staat ecologische compatibiliteit voorop. Aan de ene kant kiezen we voor inheemse soorten die van nature voorkomen in Nederland. Die soorten zijn optimaal aangepast aan de omgeving en trekken veel insecten en vogels aan. Daarnaast houden we rekening met het veranderende klimaat en gebruiken we soorten die beter bestand zijn tegen temperatuurschommelingen en/of langdurige droge of natte periodes. Deze soorten dienen ook interessant te zijn voor dieren die hier van nature voorkomen. Deze gevarieerde beplanting en robuuste natuur waarin allerlei plant- en diersoorten voorkomen draagt in onze gemeente bij aan een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving. 3.4.4 Biodiversiteit in het buitengebied Bij de opgave rondom biodiversiteit liggen kansen in de ontwikkeling van het buitengebied. Zo vormen onze bermen een grote oppervlakte. Als we die bermen ecologisch beheren en de inrichting aanpassen stimuleert dit de biodiversiteit. Ook dienen de bermen als verbindingszones voor bestuivers en andere dieren. Het netwerk via Groene Cirkel Bijenlandschap kan bijdragen aan het aanleggen van bijvriendelijke gebieden. Daarnaast hebben agrariërs in Kaag en Braassem een grote invloed op veel uitdagingen van vandaag en morgen, zo ook op het gebied van biodiversiteit. Agrariërs kunnen een waardevolle rol spelen in het landschapsbeheer. Het beheer van bermen, houtwallen en slootkanten kan de biodiversiteit versterken en overlast, zoals Jacobskruiskruid, beperken. Boeren beschikken over de nodige kennis en machines, maar kunnen deze diensten niet kosteloos aanbieden. Hoe kunnen agrariërs een goede boterham verdienen met hun polders, terwijl zij tegelijkertijd een belangrijke bijdrage leveren aan bijvoorbeeld het verbeteren van de waterkwaliteit en de bescherming van plant- en diersoorten die het zwaar hebben, zoals de rietorchis en weidevogels? Het vraagt om bewuste keuzes en maatwerk. Dit kan zijn het verbouwen van alternatieve gewassen, zoals natte teelten, een aangepast maairegime of het benutten van reststroken landbouwgrond, zodat dier- en plantensoorten zich kunnen blijven handhaven. Schoon en gezond water is onmisbaar voor biodiversiteit. Het biedt leefruimte aan planten, vissen, insecten, vogels en andere soorten, en speelt bovendien een sleutelrol in landbouw, recreatie en drinkwatervoorziening. Daarom geldt in Europa de Kaderrichtlijn Water (KRW), die lidstaten verplicht om uiterlijk in 2027 een goede ecologische en chemische toestand van hun wateren voor elkaar te krijgen. In Nederland is deze richtlijn vertaald in landelijke kaders en instrumenten. Binnen Kaag en Braassem gaat het om wateren als het Braassemermeer, de Wijde Aa, de Kagerplassen en de Does. Het behalen van de KRW-doelen vraagt samenwerking: de provincie het hoogheemraadschap, agrariërs, de gemeente en inwoners dragen hierin ieder hun deel van de verantwoordelijkheid. 3.4.5 Wat willen we bereiken? Werken aan versterking en vergroting van de biodiversiteit in Kaag en Braassem door het behouden van bestaande natuur, het zorgen voor leefgebieden voor (icoon)soorten , voldoende ruimte voor natuur en het bevorderen van groenblauwe structuren. Samen met inwoners, agrariërs en gebiedspartners werken aan het bevorderen van de biodiversiteit, door kennis te delen, de bewustwording te vergroten en actie op eigen terrein te stimuleren. 3.5 Water en bodem 3.5.1 Inleiding Water en bodem vormen de ruggengraat van onze gemeente. Ze bepalen waar het mogelijk is om te wonen, te boeren of te ontspannen, maar leggen ook grenzen op. In het laaggelegen poldergebied van Kaag en Braassem zijn deze systemen al eeuwenlang met elkaar verweven. Een toekomstbestendige leefomgeving begint bij het begrijpen en versterken van dit samenspel. 3.5.2 Watersysteem Het watersysteem van Kaag en Braassem bestaat uit een netwerk van sloten, vaarten, plassen en meren. Dat netwerk voert water af, biedt ruimte voor berging, ondersteunt landbouw, natuur en recreatie, en draagt bij aan het open, waterrijke karakter van het landschap. In deze laaggelegen polder is de balans tussen aanvoer, doorstroming en afvoer echter kwetsbaar. Door verstedelijking en verharding stroomt regenwater sneller af en raken watergangen sneller vol, terwijl langdurige droogte juist leidt tot lage waterstanden en verminderde waterkwaliteit. Dat maakt het systeem steeds gevoeliger. Om het watersysteem goed te laten functioneren, moeten ruimtelijke keuzes hier beter op aansluiten: met voldoende ruimte voor watergangen en tijdelijke berging, en een inrichting van infrastructuur, percelen en groen die inspeelt op de natuurlijke waterdynamiek. De kenmerkende sloten, vaarten en verkavelingslijnen vertellen het verhaal van eeuwen waterbeheer, en geven structuur aan het landschap. Door deze historische lijnen te behouden én mee te nemen in onze ruimtelijke keuzes, blijft het systeem niet alleen veerkrachtig, maar ook herkenbaar en verbonden met de identiteit van Kaag en Braassem. Het functioneren van dit watersysteem werkt bovendien direct door in het grondwater en daarmee in de bodem. Water- en bodemopgaven zijn steeds meer met elkaar verweven. 3.5.3 Interactie water en bodem Tussen het water dat we zien en de bodem waar we op leven, ligt een minder zichtbare maar zeer belangrijke laag: het grondwater. Dit is het water dat zich onder het maaiveld bevindt, opgeslagen tussen lagen in de ondergrond. De hoogte van het grondwaterpeil hangt af van meerdere factoren: de doorlaatbaarheid van het maaiveld, het soort ondergrond, de nabijheid van sloten en de manier waarop we het landschap inrichten. Een gezonde bodem laat regenwater geleidelijk in de ondergrond zakken en houdt het daar tijdelijk vast. Maar bij een dichte of verharde bodem stroomt het water sneller weg en komt er minder in de bodem terecht. Daarnaast heeft het peil in watergangen invloed op het grondwaterpeil: grond- en oppervlaktewater vormen samen één systeem. Veranderingen in het watersysteem werken dus door onder de grond. Een te hoge grondwaterstand (grondwateroverlast) kan leiden tot bijvoorbeeld verzopen groen of vochtproblemen in woningen met oudere funderingen, terwijl een te lage grondwaterstand (grondwateronderlast) onder meer kan zorgen voor paalrot bij houten funderingen die te lang droogstaan, of voor verdroging van groen en gewassen. We kunnen dit systeem versterken als we daar in onze ruimtelijke inrichting rekening mee houden. Bijvoorbeeld door ruimte te maken waar regenwater in de bodem kan infiltreren, door overgangen tussen land en water natuurlijker te maken, of door zones in te richten waarin we het waterpeil actief kunnen sturen. Zo houden we het grondwatersysteem veerkrachtig en in balans met zijn omgeving. Door bodemdaling, bemaling en de stijgende zeespiegel neemt daarnaast het risico op verzilting toe: zouter water uit diepere lagen in de bodem of vanuit zee kan oprukken door de bodem via het grondwater naar gebieden die nu nog zoet zijn. Hoewel dit in Kaag en Braassem op dit moment beperkt speelt, is het belangrijk om deze ontwikkelingen te blijven volgen en tijdig maatregelen te verkennen om schade aan bodemgebruik, biodiversiteit en waterkwaliteit te voorkomen. 3.5.4 Bodemsysteem Ongeveer 40% van het landoppervlak in Kaag en Braassem bestaat uit veengrond. Deze bodem bepaalt het karakter van het landschap en is gevoelig voor verandering. Want dit veen bestaat grotendeels uit plantaardig materiaal dat zich onder natte omstandigheden heeft opgebouwd. Als de bodem te droog is, bijvoorbeeld door lage grondwaterstanden of bemaling, komt het veen in contact met zuurstof en begint het langzaam af te breken. Daardoor klinkt de bodem in: een geleidelijk proces van bodemdaling dat grote gevolgen kan hebben voor gebouwen, wegen en het watersysteem. In de bebouwde omgeving kunnen hierdoor bijvoorbeeld huizen, wegen en rioleringen verzakken en beschadigd raken. Ook fysieke belasting, door bijvoorbeeld zware voertuigen of intensieve bebouwing, versnelt dit proces. De bodemdaling kan plaatselijk aanzienlijk toenemen bij het gebruik van zwaar ophoogmateriaal zoals zand of beton. Daarom is het steeds opnieuw ophogen met zware materialen op termijn geen houdbare oplossing; lichtere of drijvende bouwwerken bieden hier duurzamere alternatieven. In polder- en kustgebieden vergroot dat bovendien de kans op verzilting, waarbij zouter water uit diepere lagen of vanuit zee de zoetwaterbalans verstoort. Tegelijkertijd komt bij de afbraak van veen veel CO₂ vrij, wat bijdraagt aan de opwarming van het klimaat. Om bodemdaling te beperken, moeten we de oorzaken aanpakken. Dat begint bij het tegengaan van veenoxidatie. Een hogere grondwaterstand kan daarbij helpen, omdat zo minder veen met zuurstof in aanraking komt en de afbraak van veen wordt vertraagd. Per locatie wordt bekeken of dit noodzakelijk is om de bodemdaling af te remmen. In samenwerking met Rijnland worden peilbesluiten opgesteld die aansluiten bij de huidige bovengrondse functies en tegelijkertijd rekening houden met de toekomst. Zo blijft het veenweidelandschap op de lange termijn een aantrekkelijk gebied om te wonen, werken en recreëren. Ook het voorkomen van extra belasting is belangrijk: door lichtere materialen te gebruiken bij ophoging of bewust te kiezen voor minder intensieve bebouwing op kwetsbare bodems. Tegelijk moeten we ook beter omgaan met bodemdaling die al plaatsvindt. Dat vraagt om innovatieve bouwmethoden die rekening houden met een dalende ondergrond, zoals flexibel bouwen. Verder is het mogelijk om infrastructuur zo te ontwerpen dat die kan meebewegen met de bodem of minder gevoelig is voor verzakking. Ten slotte vraagt de bodem ook om slimme ruimtelijke keuzes. Door functies beter af te stemmen op wat de bodem aankan, infrastructuur op de juiste plekken aan te leggen en actief te werken aan het behoud van bodemkwaliteit, geven we de bodem opnieuw een centrale plek in onze ruimtelijke keuzes. Oplossingen vragen daarbij om maatwerk en gebiedskennis: kennis van het landschap, het bodemtype en de historie van waterbeheer. Daarom is het belangrijk dat partijen zoals het hoogheemraadschap van Rijnland, de provincie Zuid-Holland, de Omgevingsdienst West-Holland en de agrarische sector samenwerken. De keuzes die we maken voor water en bodem zijn niet altijd direct zichtbaar, maar zijn op de lange termijn bepalend. Als we deze systemen als vertrekpunt nemen in ons ruimtelijk beleid, ontstaat er ruimte voor oplossingen die werken voor mens, natuur en economie tegelijk. Zo zorgen we ervoor dat we ook in de toekomst kunnen blijven wonen, werken en genieten in Kaag en Braassem. 3.5.5 Wat willen we bereiken? Samen werken aan een watersysteem dat goed blijft functioneren bij droogte en piekbuien, dat ruimte biedt voor natuur en recreatie, en bijdraagt aan het karakter van onze open, waterrijke omgeving. Een gezonde samenhang tussen water en bodem, waarbij de water- en bodemkwaliteit past bij de beoogde functie. Samen werken aan een toekomstbestendige aanpak van bodemdaling, verzilting en belasting, met slimme oplossingen die passen bij het veenlandschap en bijdragen aan duurzaam gebruik van de bodem. 3.6 Specifieke uitgangspunten 3.6.1 Klimaatadaptieve leefomgeving We richten de leefomgeving klimaatbestendig in om extreme weersomstandigheden op te vangen. Bij nieuwe projecten scheiden we het regenwater van het riool en creëren we extra capaciteit voor berging van water, bijvoorbeeld in waterdoorlatende parkeervakken, greppels en ondergrondse waterbuffers. We maken de openbare ruimte groener en schaduwrijker om hittestress te verminderen, met grote bomen, schaduwrijke verblijfsplekken en een rijkere, gelaagde beplanting. Tegelijk werken we aan een bodem die water beter vasthoudt, door minder verharding en meer ruimte voor het infiltratie in de bodem, ook op particulier terrein. Zuinig watergebruik is daarbij belangrijk, zeker in tijden van droogte. Omdat ons watersysteem kwetsbaar is bij piekbuien en hoge rivierafvoeren, nemen we tijdig maatregelen om schade door overstromingen te beperken. Dat doen we samen met het hoogheemraadschap en de Veiligheidsregio Hollands Midden. Klimaatadaptatie is een gedeelde verantwoordelijkheid: ook inwoners, bedrijven en agrariërs nemen maatregelen op hun eigen terrein, zodat we samen bouwen aan een toekomstbestendige en leefbare gemeente. 3.6.2 Biodiversiteit behouden en versterken We zetten in op het behouden, herstellen en waar mogelijk vergroten van de biodiversiteit, omdat deze de basis vormt voor een veerkrachtig ecosysteem en een gezonde leefomgeving. Een gevarieerde soortenrijkdom maakt ons gebied weerbaarder tegen droogte, hitte, extreme regen en draagt bij aan gezonde water- en bodemsystemen. Biodiversiteit ondersteunt essentiële processen zoals bestuiving, natuurlijke plaagbestrijding en bodemgezondheid, en is belangrijk voor voedselvoorziening, natuur en leefbaarheid. In het landelijk gebied stimuleren we natuurinclusieve landbouw, landbouw die rekening houdt met de natuur, en zorgvuldig landschapsbeheer om waardevolle ecosystemen en kenmerkende soorten te versterken. In dorpskernen bevorderen we natuurinclusief bouwen, ontstenen en ruimte voor inheemse beplanting waar planten en dieren kunnen leven. We zorgen voor groene verbindingen tussen natuurgebieden om dierbewegingen en ecosysteemverbindingen te versterken, wat ook de beleving voor inwoners vergroot. We werken intensief samen met agrariërs, inwoners en natuurorganisaties, en stimuleren actie op eigen terrein. Die gezamenlijke inzet versterkt de biodiversiteit en draagt bij aan een toekomstbestendige leefomgeving. 3.6.3 Toekomstbestendig water- en bodemsysteem Water en bodem zijn bepalend voor ons ruimtelijk beleid en geven richting aan de mogelijkheden en beperkingen van elke keuze. Het watersysteem is kwetsbaar door verstedelijking, verharding en klimaatverandering. In elke ontwikkeling reserveren we daarom ruimte voor watergangen, infiltratiegebieden en tijdelijke berging, en richten we functies en infrastructuur zo in dat ze de natuurlijke waterdynamiek kunnen volgen. Zo blijft het systeem veerkrachtig bij droogte en hevige regenval en blijft er ruimte voor natuur en recreatie. Grondwater verbindt oppervlaktewater en bodem. We houden bij ontwikkelingen rekening met de bodemdoorlaatbaarheid, de ligging van watergangen en de invloed van verharding. Waar mogelijk stimuleren we infiltratie van regenwater, waarbij regenwater geleidelijk aan in de bodem zakt, en richten we de ruimte zo in dat het grondwaterpeil stabiel blijft. Zo beperken we schade door verdroging, wateroverlast en verzilting. De bodem is gevoelig voor bodemdaling. Dit geldt voornamelijk voor het veenweidegebied. We beperken deze kwetsbaarheid zo veel mogelijk door voorbelasting toe te passen bij nieuwe ontwikkelingen, te zoeken naar mogelijkheden voor hogere grondwaterstanden en te bouwen met lichtere of flexibele bouwmethoden. Daarbij stemmen we bovengrondse functies af op de kwaliteit en gevoeligheid van de bodem. 4 Wonen 4.1 Inleiding Een dak boven je hoofd hebben is één van de basisbehoeften van de mens. Kaag en Braassem is een mooie woongemeente en dat willen we ook blijven. Een gemeente met aantrekkelijke kernen in het Groene Hart, die zich onderscheidt van andere gemeenten door haar unieke ligging en woonmilieus. Maar de druk op de woningmarkt is groot. Er is een grote wachtlijst voor de sociale huursector, er is behoefte aan meer huur- en koopwoningen in het (betaalbare) middensegment en we hebben te maken met specifieke huisvestingsvraagstukken voor doelgroepen. We zetten daarom in op het sneller zorgen voor meer woningen, met de focus op het sociale en betaalbare segment, maar kiezen ook voor het meer strategisch inzetten van nieuwbouw om de doorstroom te bevorderen zodat meer inwoners passend wonen. Met lokaal maatwerk kunnen we dit bereiken. We vinden dat alle doelgroepen op de woningmarkt aan bod moeten komen op een manier die past bij hun behoefte. Er is dan ook aandacht voor het zorgen voor diversiteit in woningtypes om betaalbaar en geschikt wonen mogelijk te maken voor iedereen. Daarbij is de leefbaarheid van de kernen van groot belang. Als er voldoende woningen beschikbaar zijn die aansluiten bij de specifieke behoeften van de kern, draagt dat bij aan het behoud van voorzieningen en een levendig verenigingsleven. Daarom zetten we in op woningbouwontwikkelingen in elke kern van de gemeente. Bij elke ontwikkeling wel rekening houdend met de ruimtelijke kwaliteit en met de focus op ‘passend in de omgeving’. Plannen die aan deze voorwaarden voldoen kunnen dan ook op de volle steun rekenen van de gemeente. Om de leefbaarheid en de voorzieningen op peil te houden willen Gedeputeerde Staten op bepaalde plekken de mogelijkheid bieden om extra woningen te bouwen aan de rand van de kernen (straatje erbij) of in bestaande linten (straatje ertussen). Zo is de provincie Zuid-Holland positief over het toevoegen van een straatje aan de westkant van Hoogmade. 4.2 Achtergrond 4.2.1 Samenstelling gemeente in relatie tot de woningmarkt Uit het rapport ‘Woningmarktonderzoek Kaag en Braassem’ van mei 2023 blijkt dat er in Kaag en Braassem 12.035 huishoudens zijn en dat de woningvoorraad bestaat uit ongeveer 12.142 (zelfstandige) woningen. Tegelijk geldt dat het woningtekort ondanks de bouwproductie in de afgelopen periode is opgelopen. Het actuele woningtekort in de regio werd in 2022 door onderzoeksinstituut ABF geraamd op 4%. Uit het woningmarktonderzoek blijkt verder dat het aantal huishoudens over de hele gemeente de komende jaren blijft groeien, naar verwachting met 1.090 huishoudens tot
- Hierin zien we ook een groei in de kleinere kernen. Van de gehele woningvoorraad in Kaag en Braassem bestaat 26% uit sociale huurwoningen. In Kaag en Braassem woont 64% van de huishoudens in een koopwoning. In de afgelopen jaren heeft de gemeente met het toevoegen van koopwoningen veel gezinnen aangetrokken uit Leiden, Amsterdam, Amstelveen en Haarlemmermeer. Het aantal ouderen neemt naar verwachting de komende jaren behoorlijk toe. 4.2.2 Woningbouwprogramma Het woningbouwprogramma in Kaag en Braassem biedt voldoende woningen om het actuele tekort te kunnen oplossen en aan de toekomstige huisvestingsopgave (vanuit de regio) te voldoen. De huidige plannen zijn volgens bovengenoemd woningmarktonderzoek echter niet in lijn met het beleid van de rijksoverheid en de lokaal gewenste kwaliteit van de woningen. Inmiddels staat er 33% sociale huur in de woningbouwprogrammering. Om te voldoen aan het rijksoverheids- en regionale beleid moet 30% van de programmering bestaan uit sociale huur en ook nog een aandeel van 40% uit betaalbare koop- of middenhuurwoningen. Daarbij vragen de Regionale woondeal en Regionale Woonagenda 2023 onze inzet bij het huisvesten van (kwetsbare) aandachtsgroepen. De toenemende groep ouderen heeft ook de wens voor meer gegroepeerde woonvormen. Daar komt bij dat we met het huidige woningbouwprogramma rekening moeten houden met planuitval door (externe) ontwikkelingen. 4.2.3 Huisvesting van specifieke doelgroepen Met ingang van 2023 kreeg de gemeente een nieuwe verantwoordelijkheid voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Omdat er sprake is van verschillende doelgroepen en wisselende aantallen is het lastig om hiervoor jaarlijks een concreet aantal woningen te reserveren. Met de woningcorporaties zijn daarom afspraken gemaakt om ons samen in te zetten voor het huisvesten van deze doelgroepen. Ook de huisvestingsopgaven voor andere doelgroepen, zoals asielzoekers, arbeidsmigranten en statushouders, zorgen voor de nodige uitdagingen. Per 1 januari 2026 ligt er een Woonzorgvisie voor de gemeente Kaag en Braassem. Dit document brengt de huidige en toekomstige woon- en zorgbehoefte van inwoners met een zorg- en ondersteuningsvraag in beeld. Hierbij gaat het om doelgroepen zoals ouderen, mensen met een verstandelijke beperking of psychische kwetsbaarheid. 4.2.4 ‘Passend in de omgeving’ bouwen Met de Regionale Realisatieagenda 2023 (RRA) zetten we binnen de kernen zoveel mogelijk in op verdichting, het bouwen van woningen in bestaande bebouwde gebieden. In de RRA is ook opgenomen dat enkele gemeenten aanlopen tegen de grenzen van het Bestaand Stads en Dorpsgebied (BSD). Ook in Kaag en Braassem zijn er enkele plannen die mogelijk niet doorgaan in verband met die BSD-contouren. Vanuit het woningmarktonderzoek blijkt verder dat de behoefte in de kleine kernen toeneemt in de komende jaren. Daar waar het passend is moeten we daarom denken aan hoogbouw. 4.2.5 Dit zijn de samenhangende woonopgaven: Woningbouwplannen richten op de behoefte. Doorstroming bevorderen. Huisvesting voor specifieke/bijzondere doelgroepen opleveren. Definiëren wat passend is in de omgeving. 4.2.6 Wonen in cijfers Het rad toont hoe Kaag en Braassem scoort op diverse wooncijfers, afgezet tegen het landelijk gemiddelde (schaal 3). De gemeente kent relatief hoge WOZ-waardes en de ruimte rondom woningen, wat duidt op een aantrekkelijke, niet-stedelijke woonomgeving. Tegelijkertijd liggen de verkoopprijzen hoog en is het aanbod in het middensegment en de sociale huur beperkt. Ook het woningtekort en de betaalbaarheid van wonen blijven aandachtspunten. Dit profiel vraagt om een evenwichtige nieuwbouwprogrammering met voldoende ruimte voor betaalbare woningen en sociale huur, in lijn met landelijke streefwaarden. Radardiagram wonen 4.3 Gewenste beweging Met de Omgevingsvisie zien we voor dit onderwerp de volgende beweging: De focus op kwantiteit en kwaliteit. Doorstroming mogelijk maken en daarmee inwoners meer passend laten wonen. Van algemene regelingen… naar het leveren van maatwerk. Van diverse bestemmingsplannen… naar één omgevingsplan. Van individuele initiatieven … naar breed gedragen woningbouwplannen. 4.4 Woningbouwplannen richten op de behoefte We zetten in op de behoefte van de inwoners en kernen van Kaag en Braassem, rekening houdend met de regionale afspraken. Nieuwbouwplannen in de kernen zijn in eerste instantie bedoeld voor de eigen inwoners. Daar zijn nu al verschillende vormen van maatwerk voor om dit te waarborgen. Hiervoor willen we de bestaande en eventuele toekomstige wettelijke mogelijkheden zo optimaal mogelijk inzetten. Het woningbouwproject Braassemerland voorziet daarbij ook gedeeltelijk in het huisvesten van mensen van buiten onze regio. De ambitie in Kaag en Braassem is: iedereen binnen een redelijke termijn een passende woning op de juiste plek. In de Regionale Woonagenda van Holland Rijnland en op basis van de meest recente schatting van de woningbehoefte (trendraming) zijn afspraken gemaakt over het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Elke te bouwen woning wordt afgestemd met Holland Rijnland en met name regio Oost (Alphen aan den Rijn, Nieuwkoop en Kaag en Braassem). Het aantal woningen dat we volgens deze raming en de provincie nog mogen bouwen in regio Oost is beperkt. In verband met de onzekerheden op de woningmarkt is het echter wel van belang om voldoende plannen op te voeren. We behouden zelf de regie over de volledige woningbouwplanning en zetten, vanwege het tekort, in op een versnelde oplevering van meer en betaalbare woningen. Bijvoorbeeld door: Het gericht toevoegen van woningtypen waar behoefte aan is in de gemeente en/of kern; zoals sociale- en middenhuurwoningen of betaalbare koop (€ 405.000,- in 2025). Het toevoegen van woningtypes voor specifieke doelgroepen, zoals zorg- en seniorenwoningen (levensloopbestendig), en woonvormen (bijvoorbeeld Knarrenhof) of jongerenhuisvesting. Het zoeken naar een oplossing voor onwenselijke activiteiten; bijvoorbeeld een bedrijf met een hoge milieucategorie binnen een dorpskern. Het zorgen voor ruimtelijke kwaliteitswinst; bijvoorbeeld in het kader van de ‘ruimte voor ruimte-regeling’ en/of door het slopen van vervallen bebouwing. Het meewerken aan functiewijzigingen van kantoor- , bedrijfs- of maatschappelijke bestemmingen naar een woonbestemming, als dit ruimtelijk en milieutechnisch gezien haalbaar is. Andere vormen van toevoegingen zoals splitsen, optoppen, aanbouwen en tijdelijke woningen. We hebben met de regio Holland Rijnland afspraken gemaakt over de sociale woningbouw. Van het totale woningbouwprogramma dient 30% te bestaan uit sociale huurwoningen. Onze inzet daarbij is om deze toe te voegen aan de voorraad van onze lokale woningcorporaties. Dit betekent dat we de betreffende corporatie in een zo vroeg mogelijk stadium bij de planvorming moeten betrekken. Mochten de ontwikkelende partij en de corporatie er onverhoopt niet uitkomen dan is de randvoorwaarde dat de (toekomstige) exploitant van de sociale huurwoningen de woningen verhuurt via het regionale woonruimteverdeelsysteem. Ook het middensegment vormt een belangrijk aandachtspunt binnen de Regionale Woonagenda. Dit betekent dat minimaal 35%, maar bij voorkeur 40%, van het programma bestaat uit middenhuur tot € 1.184,- (prijspeil 2025) of betaalbare koopwoningen (tot de betaalbaarheidsgrens). Vanwege de vele eisen en voorwaarden bij (de toewijzing van) sociale huurwoningen is het opleveren van deze woningen binnen kleine woningbouwontwikkelingen (11 woningen of minder) ruimtelijk niet in alle gevallen haalbaar. Daarom is het bij uitzondering mogelijk om bij dergelijke plannen het percentage sociale huur en mogelijk middensegment ‘af te kopen’ door de verschuldigde bijdrage te storten in het sociale vereveningsfonds. Deze regeling is aangescherpt en het opleveren van woningen in het middensegment is daaraan toegevoegd. Het geld uit het fonds maakt woningbouwprojecten met sociale huur en middenhuur mogelijk, door bijvoorbeeld grond te kopen of initiatiefnemers te helpen om de financiering rond te krijgen. Bij het afkopen moet er wel een deugdelijke onderbouwing zijn waarom de 30% sociale huur niet haalbaar is. We kunnen daarbij als voorwaarde stellen dat een onafhankelijke toets aantoont dat er geen overeenstemming is bereikt met de woningcorporatie. Bij woningbouwontwikkelingen van 12 woningen of meer is het percentage sociale huur en middensegment een harde eis en kan dit niet worden ‘afgekocht’. Het bouwen van sociale huurwoningen door ontwikkelende partijen gebeurt bij voorkeur in samenwerking met de woningcorporaties, tenzij zij aantonen dat dit niet mogelijk is. In de huidige prestatieafspraken is vastgelegd dat we periodiek met elkaar om de tafel gaan om de woningbouwmogelijkheden te bespreken. De gemeente en woningcorporaties zetten zich ook in om de middenhuurwoningen op te leveren. Dit biedt grote kansen in het kader van bijvoorbeeld doorstroming. Voor sociale en betaalbare woningen geldt de Doelgroepenverordening. Die geeft bijvoorbeeld aan dat de toewijzing van koop- en huurwoningen zoveel mogelijk gebeurt aan inwoners uit Kaag en Braassem, tot aan een bepaalde inkomensgrens. Daarnaast bepaalt de verordening hoe lang deze woningen voor de juiste doelgroep(en) beschikbaar moeten blijven. In de Regionale Woonagenda 2023 zijn de instandhoudingstermijnen verlengd (dit is de periode waarin een woning verplicht beschikbaar moet blijven voor de doelgroep waarvoor deze bedoeld is). Deze aanpassing moet in het omgevingsplan (voorheen doelgroepenverordening) komen, net als een aanpassing van de sociale koopprijsgrens. We sluiten geen enkel woningtype uit, omdat er altijd sprake kan zijn van onvoorziene uitzonderingen, maar we richten ons wel zoveel mogelijk op de lokale behoefte. Zo zien we dat de vraag naar levensloopbestendige woningen toeneemt. Dit zijn woningen die zo zijn aangepast dat ouderen die mogelijk minder mobiel zijn er kunnen wonen. Zodra er een aanvraag is voor de bouw van een levensloopbestendige woning nemen we hier voorwaarden over op in de vergunning (zoals drempelloos en brede deurkozijnen). Als gemeente zijn we positief over de komst van flexwoningen, omdat dit meer mogelijkheden biedt voor bebouwing buiten de bestaande grenzen van de kern. Wel blijkt het plaatsen van flexwoningen in de praktijk ingewikkeld in verband met geschikte locaties, het financiële plaatje en het draagvlak. Wat betreft woningtypen zijn we terughoudend bij nieuwe bedrijfswoningen en woonboten. Voor het eerste type geldt dat initiatiefnemers de noodzakelijkheid en doelmatigheid moeten aantonen en dat tweede bedrijfswoningen vrijwel helemaal zijn uitgesloten. Verder geldt er een uitsterfbeleid voor een select aantal afzonderlijk gelegen woonboten. Dit betekent niet dat we alle vormen van wonen op het water uitsluiten. Initiatieven die passen in de omgeving, met name binnen bestaand stedelijk gebied, beoordelen we per initiatief op haalbaarheid en wenselijkheid. Als het gaat om tijdelijke woningen dan is dat in elk gebiedstype mogelijk als dit geen belemmeringen oplevert (bijvoorbeeld voor omliggende bedrijven). Vrijkomende locaties in bijvoorbeeld glastuinbouwgebieden zetten we in eerste instantie in voor woningbouw, als blijkt dat die locaties niet langer zinvol zijn de inzet voor glastuinbouw. Pas daarna kijken we naar die locaties voor de inpassing van groen of voor duurzame energieopwekking. 4.5 Doorstroming bevorderen In Kaag en Braassem wonen relatief veel aankomende ouderen. We zullen nog meer rekening moeten houden met de ontwikkeling van vergrijzing. Ouderen blijven langer in hun eigen (grote) woning wonen, omdat een kleinere woning niet beschikbaar is of omdat de huurlasten van de nieuwe woning hoger en soms te hoog zijn. Daarnaast moet aan de senioren een goed alternatief geboden worden met voldoende ruimte en voorzieningen. Bij veel senioren ligt ook een wens om te wonen in een woonvorm. Starters op koopmarkt kunnen gelet op hun inkomen en de hoge woningprijzen niet of nauwelijks een woning kopen en worstelen met de betaalbaarheid van woningen. Deze doelgroep blijft daarom langer in een sociale (huur)woning zitten dan gewenst. In theorie is binnen Kaag en Braassem het aandeel sociale woningen in evenwicht met het aandeel huishoudens dat hier qua inkomen op aangewezen is. Een groot aandeel van de huishoudens woont echter in een sociale huurwoning terwijl zij een inkomen hebben boven de inkomensgrens voor een sociale huurwoning. Deze huishoudens noemen we ook wel ‘scheefwoners’. Het is van belang om dit scheefwonen te beperken. Een manier om doorstroming op de woningmarkt te stimuleren en doelgroepen van een geschikte woonruimte te kunnen voorzien, is het van belang om op korte termijn de juiste woningtypes te realiseren, zoals betaalbare koopwoningen en middeldure huurwoningen. Met de inzet van o.a. lokaal maatwerk, doorstroomadviseur en andere instrumenten kunnen inwoners gestimuleerd worden om te verhuizen. Daarnaast zullen we in samenwerking met de woningcorporaties nagaan hoe doorstroming gestimuleerd kan worden, bijvoorbeeld met inzet van lokaal maatwerk of de eventuele inzet van een zogenaamde doorstroommakelaar. 4.6 Huisvesting voor specifieke/bijzondere doelgroepen 4.6.1 Inleiding Wij krijgen als gemeente steeds meer verantwoordelijkheden en hebben daarom te maken met verschillende huisvestingsvraagstukken. Bijvoorbeeld van arbeidsmigranten die zich hier – al dan niet tijdelijk (als seizoenarbeiders) – willen vestigen. Onze ondernemers kunnen niet zonder deze medewerkers, en met elkaar willen we zorgen voor een goede, veilige en menswaardige huisvesting van arbeidsmigranten in de gemeente. Daarbij zien we het wel als een primaire taak voor bedrijven en uitzendorganisaties om deze huisvesting te organiseren. Deze vorm van huisvesting heeft dan in principe ook geen invloed op de reguliere woningvoorraad. In 2023 is hiervoor de herziene ‘Beleidsregel huisvesting arbeidsmigranten’ opgesteld. Deze beleidsregel is van toepassing op de logiesgewijze huisvesting, tijdelijke onderkomens voor arbeidsmigranten, op locaties binnen de verschillende gebiedstypen van de gemeente. Op deze basis kunnen we vanuit de gemeente medewerking verlenen aan particuliere initiatieven voor huisvesting van arbeidsmigranten. Daarnaast is op 15 april 2025 de ‘Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten’ ingegaan. De wet moet misstanden in de uitzendsector, zoals uitbuiting en slechte arbeidsomstandigheden, tegengaan. Onze gemeente heeft met de huisvestende partijen de taak om deze wet uit te voeren. Vanuit de spreidingswet en het daarbij behorende capaciteitsbesluit is er een wettelijke taakstelling van 179 plekken voor asielopvang in Kaag en Braassem. Hiervoor zoeken we naar een geschikte grotere locatie in samenwerking met de gemeente Nieuwkoop. Dit betreft een specifieke huisvestingsopgave en gaat niet ten koste van de reguliere woonvoorraad. Naast deze twee specifieke doelgroepen, onderscheiden we ook zes zogeheten ‘bijzondere doelgroepen’. Voor een aantal van deze doelgroepen zijn er in de woonregio Holland Rijnland al regelingen beschikbaar, waaronder de urgentie- en contingentenregeling. De contingentenregeling is bedoeld voor mensen die uitstromen naar een zelfstandige woning uit een instelling voor beschermd wonen, maatschappelijke opvang, jeugdzorg of voor mensen met een verstandelijke beperking. Dit zijn de zes doelgroepen: a. Inwoners met ernstige psychische problemen - Met ingang van 2023 hebben gemeenten een verantwoordelijkheid voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Met de hervorming van de zorg gaan steeds meer mensen zelfstandig of in groepen wonen, ook mensen met psychische problemen. Dit is vaak met begeleiding aan huis in plaats van in een instelling. Daarmee is er dus ook minder behoefte aan grote, dure zorginstellingen. b. Inwoners met een (licht) verstandelijke beperking - Mensen met een (lichte) verstandelijke beperking (lvb) hebben belemmeringen bij het leren, begrijpen en zelfstandig functioneren, en die beperkingen zijn ontstaan in de jeugdjaren. Een trainingswoning kan hier uitkomst bieden, waarbijzij in zekere mate zelfstandig wonen en ondersteuning krijgen van een zorgpartner, zodat zij uiteindelijk uitstromen naar een zelfstandige woning zonder ondersteuning (of ondersteuning op andere vlakken). c. De ‘tussen wal en schip groep’ - Er bestaat een groep inwoners die niet in aanmerking komt voor de huidige urgentieregeling of contingent-woningen. Voor deze groep zoeken we naar een flexibel aanbod van woningen. Naast deze situaties zijn er ook inwoners in sociaal kwetsbare situaties die niet bij bovengenoemde groepen horen en ook ‘tussen wal en schip’ vallen. d. Dak- en thuislozen - Inwoners die om welke reden dan ook dakloos raken en niet in staat zijn om zich op eigen kracht in de samenleving te redden kunnen een beroep doen op de maatschappelijke opvang. Vaak is bij deze mensen sprake van meervoudige problematiek. Denk hierbij aan (ernstige) psychische problemen in combinatie met bijvoorbeeld verslaving, een licht verstandelijke beperking en/of schulden. Sommigen van hen kunnen beter in een prikkelarme omgeving wonen. Daarnaast blijkt uit de ETHOS-telling2 van 2024 dat dakloosheid vaak onzichtbaar is en regelmatig voorkomt bij jongvolwassenen en mensen die tijdelijk bij familie of vrienden verblijven. Daarom zetten wij als gemeente, samen met regionale partners, actief in op het verbeteren van de maatschappelijke opvang en zoeken we naar aanvullende oplossingen op de korte en lange termijn. e. Ex-gedetineerden - Mensen die gevangen hebben gezeten en nu vrij zijn keren in principe terug naar de gemeente waar zij eerder woonden. In enkele situaties kunnen zij een beroep doen op een contingentwoning via de reclassering of via een van de zorgpartners zoals Exodus. Op te merken is dat het hier in Kaag en Braassem gaat om een relatief kleine groep. f. Statushouders - Twee keer per jaar legt de rijksoverheid een taakstelling op voor het aantal te huisvesten statushouders. De gemeente heeft afspraken gemaakt met de woningcorporaties over de verdeling van deze taakstelling. Daarnaast zoeken we ook samenwerking met de maatschappelijke partners voor de begeleiding van statushouders. De gemeente krijgt jaarlijks een groot aantal statushouders aangewezen, dit levert een constante druk op voor onze woningcorporaties en de lokale woningmarkt. Deze specifieke huisvestingsvraagstukken en de huidige tekorten in de woningvoorraad zorgen voor een oplopende druk. Er zijn te weinig (passende) woningen. Samen met de betrokken partijen kijken we dan ook naar alternatieve mogelijkheden om te zorgen voor extra woningen, zoals de inzet van flexwoningen, optoppen, splitsen, aanplakken en/of het verhuren van kamers, om verdringing van andere woningzoekenden in de reguliere woningvoorraad te beperken. 2 De ETHOS-telling (European Typology of Homelessness and Housing Exclusion) brengt verschillende vormen van dak- en thuisloosheid in kaart, waaronder ook verborgen dakloosheid, zoals mensen die tijdelijk bij anderen inwonen of geen vaste verblijfplaats hebben. 4.6.2 Wat willen we bereiken? Passend aanbod bieden voor al onze inwoners, ook rekening houdend met de huisvestingsvraagstukken voor specifieke doelgroepen, zodat zij in Kaag en Braassem kunnen blijven wonen, of binnen een redelijke termijn een woning kunnen vinden. Voor hen is voldoende woonruimte aanwezig, die past bij hun levensfase, inkomen en mogelijke ondersteuningsvraag. Daarom zetten we in op: Het (sneller) bouwen van betaalbare woningen voor ouderen, starters en jongeren om zo de doorstroming te stimuleren. Het sturen op voldoende sociale huurwoningen en woningen in het middensegment in de toekomstige woningbouwontwikkelingen. Het inzetten op gedragen plannen door de gemeente, initiatiefnemers en de gemeenschap. Het opleveren van geschikte woonvoorzieningen voor bijzondere doelgroepen. Het bieden van flexibele, tijdelijke woonconcepten om acute woonproblemen op te lossen. Het verzorgen van menswaardige huisvesting voor arbeidsmigranten. 4.7 Wat is passend in de omgeving? 4.7.1 Inleiding Bouwen in een tijd van schaarse mogelijkheden vraagt om duidelijke keuzes. Voor wie bouwen we, waar bouwen we en wat bouwen we? 4.7.2 Voor wie? We bouwen voor alle doelgroepen, maar hebben op basis van woononderzoeken een extra focus op jongeren, starters en senioren uit de eigen gemeente. Daarnaast proberen we scheefwoners en mensen die niet meer passend wonen door te laten stromen op de woningmarkt. Ook de mensen die tussen wal en schip dreigen te vallen zijn nadrukkelijk in beeld en proberen we te huisvesten. We gebruiken de mogelijkheden van lokaal maatwerk om inwoners van Kaag en Braassem voorrang te geven bij de toewijzing van nieuwe en bestaande woningen. In de prestatieafspraken met de woningcorporaties hebben we hier afspraken over gemaakt. 4.7.3 Waar? We zetten in op woningbouw in al onze dorpen. Grootschalige woningbouw concentreert zich voornamelijk in de kernen waar voorzieningen zijn (Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge). Maar ook voor de andere dorpen is (kleinschaliger) woningbouw van belang, om zo de dorpen leefbaar te houden en voorzieningen in stand te houden. We bouwen bij voorkeur binnen het bestaande stads- en dorpsgebied (‘inbreiden’) en in de nabijheid van openbaar vervoer. De definitie van bestaand stads- en dorpsgebied is: “Bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” Deze definitie van de provincie Zuid-Holland is leidend, de BSD-kaart is in principe een suggestie. Op de kaarten die als bijlagen zijn toegevoegd bij hoofdstuk 10 Gebiedstypen komen de ‘Dorpen’ overeen met die BSD-contour. Om deze locaties zo optimaal mogelijk te benutten kijken we naar de mogelijkheden om in bestaand bebouwd gebied goede en genoeg woningen toe te voegen, om te verdichten. Hoger bouwen dan tot nu toe gebruikelijk is in Kaag en Braassem (vier à vijf lagen) is daarbij zeker een optie, als dit op de betreffende locatie (ook in relatie tot de omgeving van de bouwlocatie) stedenbouwkundig aanvaardbaar is. De gebiedsontwikkeling Braassemerland krijgt de komende jaren verder vorm in het voormalige glastuinbouwgebied van Roelofarendsveen. De nieuwbouwwijk kent in totaal 11 fasen die gericht zijn op recreërend wonen in een waterrijke omgeving. Bij die gebiedsontwikkeling is er ruimte voor bepaalde voorzieningen zoals scholen. Braassemerland biedt ruimte aan inwoners van Kaag en Braassem en woningzoekenden uit de regio. Het aantal geschikte en overgebleven inbreidingslocaties (plekken binnen bestaand gebied die vrij komen voor (woning)bouw) is, zeker in de kleinere kernen, te beperkt. Bovendien zijn inbreidingslocaties relatief duur, en dat zet de doelstellingen van onze gemeente en van de rijksoverheid en de provincie om meer sociaal en betaalbaar te bouwen, onder druk. Wij zetten daarom ook in op het bouwen van woningen buiten de BSD-contour. Als voorschot daarop hebben we zelf een tweede contour opgenomen (de lichtere arcering ‘bestaand stedelijk gebied’ op de kaarten), dat wij aanmerken als bestaand stedelijk gebied. Daarnaast schetsen we bij de dorpsperspectieven door middel van een pijl de ‘logische’ uitbreidingsrichting per kern. Het gaat dan eigenlijk altijd om het bouwen aan de dorpsranden op zoek naar logische grenzen om dorpen ‘af te maken’, zodat het effect op het open landschap beperkt blijft. Het belang van een goede landschappelijke inpassing is groot. Bij een eventuele ontwikkeling aan een dorpsrand moeten we dan ook extra aandacht besteden aan de geleidelijke overgang tussen woonwijk en open landschap. We gaan geen ‘nieuwe dorpen stichten’ midden in de polder. Het uitgangspunt voor Kaag en Braassem is dan ook: ‘inbreiden waar het kan, uitbreiden waar het moet’. Wij blijven ons, samen met alle betrokkenen en de andere regiogemeenten, stevig inzetten om deze tweede contour vastgelegd te krijgen in het provinciale beleid. Als er in de tussentijd binnen deze tweede contour of logische uitbreidingsrichting initiatieven komen die én volledig passen binnen onze volkshuisvestelijke en ruimtelijke eisen, én (in voldoende mate) gedragen worden door de dorpsgemeenschap, dan ondersteunen wij deze als gemeente. Het is hierin van belang om samen (college, raad en initiatiefnemers) achter deze initiatieven te gaan staan en ons, ieder vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid, in te spannen om deze ontwikkelingen mogelijk te maken. Zie voor een gedetailleerde toelichting de beschrijving van de gebiedstypen en dorpsperspectieven in hoofdstuk
- In gebieden die gevoelig zijn voor bodemdaling houden we bij de bouw rekening met de ondergrond. Dat doen we bijvoorbeeld door het maaiveld op te hogen en de bodem voor te belasten, zodat we verzakkingen zoveel mogelijk beperken. Op die manier zorgen we ervoor dat ook in deze gebieden duurzaam is te wonen. 4.7.4 Wat (is passend in de omgeving)? Deze vraag bekijken we per initiatief en het antwoord kan dus ook per geval verschillen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn vaak maatwerk en voorop staat dat de ontwikkeling ruimtelijk gezien ‘passend is voor de locatie en in de omgeving’. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om bouw- en goothoogtes, woningtypen en de plek in de bestaande omgeving. Een stedenbouwkundige moet elk nieuwbouwvoorstel beoordelen en positief onderbouwen. In specifieke gevallen is een beeldkwaliteitsparagraaf vereist. Het is goed om te beseffen dat uitbreiding en hoogbouw (hoger dan vier lagen of hoger dan 12/13 meter) geen doelen op zich zijn, maar voortkomen uit het volkshuisvestingsvraagstuk. De beschikbare ruimte voor woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied is beperkt en dus sluiten we hoogbouw met name in het centrumgebied van de dorpse kernen Leimuiden, Oude Wetering, Roelofarendsveen en Woubrugge niet uit. De kleinere kernen, aangemerkt als landelijk dorps, zijn in de basis minder geschikt voor hoogbouw. In alle gevallen stellen we duidelijke voorwaarden bij hoogbouwinitiatieven en toetsen we aan zaken als schaduwwerking, alzijdigheid (architectuur) en de vormgeving van de openbare ruimte. Begin 2021 is de ‘Visie op hoogbouw en inbreiden/uitbreiden’ voor de hele gemeente vastgesteld, waarin we dieper ingegaan op wat wij als gemeente verstaan onder hoogbouw. Hierin komen ook alle zaken aan de orde die we toetsen. Ten slotte is het aantal woningen dat we tot 2030 mogen inplannen volgens de provincie beperkt. We zien echter dat door de onzekerheden in de markt het risico op planuitval groot is en het dus van belang is om toch de aantallen te verhogen en nieuwe plannen op te blijven voeren. Het is daarbij van groot belang om meer te sturen op de kwaliteit, met de focus op sociale- en betaalbare woningen. Met de kwaliteit van plannen bedoelen we ook het juiste woningtype voor de doelgroepen die we willen voorzien van een passende woning en toekomstbestendig/klimaatadaptief bouwen. 4.7.5 Wat willen we bereiken? Het (sneller) bouwen zodat er meer woningen beschikbaar komen in het sociale én betaalbare segment. Kansen vergroten op een woning voor inwoners van Kaag en Braassem door het, waar mogelijk, toepassen van lokaal maatwerk. Het behouden of bij voorkeur verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en het woonklimaat door op de juiste plek te bouwen. Het behouden van een gezond leefklimaat en voorzieningen binnen de kernen door op de juiste plek en voor de juiste doelgroep te bouwen. 4.8 Specifieke uitgangspunten 4.8.1 Wij zorgen voor een goed woon- en leefklimaat Bij de bouw van nieuwe woningen moet er op basis van de wet- en regelgeving altijd sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Zo is het van belang dat we een goede en verkeersveilige ontsluiting bij nieuw te ontwikkelen locaties inpassen. Ook moet er bij een nieuwe woningbouwontwikkeling voldoende ruimte zijn voor groen, water en biodiversiteit. Daarbij werkt de bouw met de landelijke maatlat voor een groene en klimaatadaptieve omgeving. In deze maatlat staan ontwerpeisen voor het tegengaan van wateroverlast, hittestress, bodemdaling, droogte en biodiversiteitsverlies. Naast klimaatadaptatie is het ook belangrijk dat de kwaliteit van de lucht en bodem geschikt is om te wonen. Verder mag er geen sprake zijn van (overmatige) geur-, geluid-, licht- en/of trillinghinder. Het behouden van de huidige geluidssituatie en waar mogelijk het verbeteren hiervan is het uitgangspunt in de gemeente. Met de komst van de ‘Omgevingswet’ gelden geen landelijke regels meer voor geluid. We kunnen zelf (gemotiveerd) geluidsnormen stellen. Deze geluidsnormen zijn daarbij ook gebiedsgericht toe te passen. Zo kunnen we bijvoorbeeld voor het onderdeel geluid in het centrumgebied of op een bedrijventerrein meer toestaan dan in het buitengebied of in een (rustige) woonwijk. We streven ernaar om bij het stellen van geluidsnormen rekening te houden met de gestelde uitgangspunten voor een type gebied. Ook is het noodzakelijk dat we bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen de toekomstige inwoners beschermen tegen geluidshinder. In het omgevingsplan staan verder nadere regels voor geluid door activiteiten en spoor- en wegverkeer. Vanuit het oogpunt van veiligheid zijn risicovolle activiteiten niet toegelaten op plaatsen waar ze de leefbaarheid aantasten. Daarbij letten we erop dat we de veiligheidsnormen niet overschrijden, bijvoorbeeld in de nabijheid van een LPG-tankstation of op een transportroute van gevaarlijke stoffen. Bij elk (bouw)plan is het belangrijk om de omgevingsveiligheidsrisico’s zoveel mogelijk te beperken. Dit doen we door het beschermen van kwetsbare groepen van mensen. Daarom willen we bij voorkeur geen nieuwe gebouwen en functies waarin kwetsbare groepen verblijven (zoals een kinderdagverblijf, verzorgingshuis of een ziekenhuis) in de omgeving van een risicobron. Voor deze groepen kijken we zoveel mogelijk naar alternatieve locaties. Ook houden we zoveel mogelijk afstand tussen een risicobron en woon- en werkgebieden. Het streven is om nieuwe zeer kwetsbare gebouwen bij voorkeur niet binnen explosie- en brandaandachtsgebieden van risicobronnen toe te laten. In het omgevingsplan stellen we hierover regels op. In het kader van een gezonde en veilige leefomgeving zijn we daarnaast kritisch op het gebruik van houtkachels, drones en het hobbymatig houden van dieren. Daarbij houden we rekening met de beperkingenzones (onder andere de contouren vanuit het Luchthavenindelingbesluit Schiphol) die van toepassing zijn voor onze gemeente. 4.8.2 Nieuwe ontwikkelingen passen bij de aard en schaal van een gebied De gemeente Kaag en Braassem is een welstandsluwe gemeente, een gemeente die ervoor kiest om minder streng of beperkt te toetsen op welstandseisen bij bouwprojecten. Maar dat betekent niet dat alles mogelijk is. Ontwikkelingen moeten passen bij de aard en schaal van een gebied. Bovendien zijn we extra zuinig op het beperkte lijstje van karakteristieke panden (voorheen gemeentelijke monumenten) en de linten die aangemerkt zijn als karakteristiek gebied (voorheen beschermd dorpsgezicht) in onze gemeente. Het onderhouden van dergelijke panden gaat de gemeente Kaag en Braassem meer geld kosten want voor particulieren is het steeds lastiger om dit op te brengen. Het splitsen van rijksmonumenten of karakteristieke panden naar meer woningen kan een bijdrage leveren aan het behoud van deze panden. Verder moet er bij nieuwe ontwikkelingen voldoende parkeergelegenheid zijn volgens de gemeentelijke Nota Parkeernormen. Daarbij mag parkeren niet ten koste gaan van openbaar groen en proberen we duurzame mobiliteit (zoals wandelen, fietsen, deelsystemen en openbaar vervoer) zoveel mogelijk te stimuleren. Als blijkt dat bepaalde onderdelen niet geschikt zijn voor de uiteindelijke uitvoering, dan is er maatwerk toe te passen. 4.8.3 Ruimte voor recreatie en bedrijvigheid Bij woningen is er ruimte voor andere activiteiten dan wonen, zoals recreatie (bijvoorbeeld een bed and breakfast) of bedrijvigheid (bedrijf of beroep aan huis). De mate waarin dat mogelijk is, verschilt per gebied. In alle gevallen moet er een evenwichtige spreiding van dergelijke activiteiten zijn op de locatie en wegen we de verkeersaantrekkende werking van dergelijke activiteiten goed mee. Daarnaast mag de bouw van nieuwe woningen de omliggende bedrijven niet beperken in hun bedrijfsactiviteiten en (uitbreidings)mogelijkheden. Aan de andere kant mogen diezelfde bedrijven geen belemmering vormen voor het woon- en leefklimaat van de nieuwe woning(en). Ook zien we het belang van voldoende mogelijkheden om te recreëren in de eigen woonomgeving. Daarvoor is een goede invulling van het openbaar groen of de aanleg van nieuwe en/of de aansluiting op bestaande wandel- en fietspaden gewenst. 4.8.4 Een prettige leefomgeving die schoon, heel en veilig is Hoe de openbare ruimte eruit ziet is van invloed op hoe inwoners hun leefomgeving ervaren, op hun welzijn en veiligheidsgevoel. Hier houden we rekening mee bij woningbouwplannen en woningtoewijzing. Aan de hand van de LIOR (Leidraad Inrichting Openbare Ruimte) sturen we bijvoorbeeld op de vormgeving van de openbare ruimte. Zo zorgen we onder meer voor voldoende openbaar groen, toegankelijkheid van de kernen en de verkeersveiligheid. We hechten daarbij veel waarde aan goed bereikbare en verkeersveilige kernen. We stimuleren het langer thuis blijven wonen, mede door het aanleggen van veilige en schaduwrijke loop- en fietsroutes naar bijvoorbeeld de winkels of de huisarts. Ten slotte proberen we sluipverkeer zo veel mogelijk tegen te gaan. Dit zijn belangrijke voorwaarden voor een prettige leefomgeving. Maar door het vasthouden aan deze normen kan de betaalbaarheid van woningen soms onder druk komen te staan. Dit vraagt om het maken van keuzes, waarbij we (indien noodzakelijk) samen via maatwerk deze normen invullen, om op die manier voldoende betaalbare woningen op te leveren. Kaag en Braassem ligt vlakbij de luchthaven Schiphol en onder de start- en aanvliegroutes van de Kaagbaan. De luchthaven heeft een grote invloed op de lokale omgeving en samenleving. Het is voor de gemeente een belangrijk doel om de leefbaarheid te verbeteren door een reductie van de waarneembare geluidhinder en het voorkomen van slaapverstoring door vliegtuigen. We sluiten daarbij aan bij de doelstelling ‘Minder hinder voor iedereen’ van de bestuurlijke regio Schiphol. Dat betekent een betere luchtkwaliteit en minder geluidsoverlast. De gemeente is van mening dat bij weging van belangen, de economische belangen niet meer zoals in het verleden voorop staan, maar er een goede balans met de overige belangen moet zijn. De gemeente vindt het belangrijk dat er een brede discussie wordt gevoerd over een voor Nederland passende omvang van de luchtvaart. Het is van belang dat er geen aanpassingen van het baangebruik komen die nadelig uitpakken voor de inwoners in Kaag en Braassem. De Kaagbaan is één van de voorkeursbanen en de meest ingezette startbaan van Schiphol. De gemeente zet zich in voor het beperken hiervan. Het verplaatsen van vluchten naar de Kaagbaan moet niet als oplossingsrichting worden gezien voor het verminderen van hinder elders. Daarbij is de huidige norm, het aantal ernstig gehinderden, geen goede maatstaf. De gemeente pleit voor een eerlijke verdeling van overlast op basis van een nieuw normenstelsel, gericht op individuele rechtsbescherming. De gemeente neemt dit standpunt in bij de diverse projecten en procedures die vanuit de rijksoverheid, Schiphol en LVNL zijn gestart, zoals de Luchtruimherziening, het Luchthavenverkeersbesluit en ‘Minder hinder Schiphol”. 4.8.5 Aandacht voor duurzaamheid in de fysieke omgeving Wat betreft de opwekking van duurzame energie zetten we in op het zo efficiënt mogelijk benutten van alle daken voor zonnepanelen. Daarnaast krijgen nieuw te bouwen woningen geen gasaansluiting. Verder voldoen nieuwbouwontwikkelingen aan de ontwerprichtlijnen van de landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Waar groennormen in het gedrang komen kijken we naar alternatieven, zoals groene daken en gevels. Wat betreft de uitbreiding aan de dorpsranden, gaat de voorkeur uit naar woningbouw. En als we dan nieuwe woningen bouwen, dan is er in voldoende mate ruimte voor groen, water en de biodiversiteit. Dit maakt een woongebied ook aantrekkelijker. 4.8.6 Kostenverhaal en Programma vereveningsfonds De gemeente Kaag en Braassem heeft een wettelijke verplichting om gemeentelijke kosten ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen op deze ruimtelijke ontwikkelingen te verhalen. Dit wordt kostenverhaal genoemd. Het wettelijke stelsel voor kostenverhaal onder de Omgevingswet biedt hiervoor de basis. Te verhalen kosten hebben betrekking op de kosten van de gemeentelijke inzet, maar ook bovenwijkse voorzieningen zoals de aanpassingen van infrastructuur ten gevolge van de ontwikkeling. Om dit verder te versterken is de gemeente voornemens een Nota Kostenverhaal op te stellen. Deze nota biedt een beleidsmatig kader om op een consistente wijze kosten te verhalen, aansluitend bij de gemeentelijke ontwikkelambities. Daarmee wordt gewaarborgd dat maatschappelijke investeringen transparant, evenredig en toekomstbestendig worden bekostigd. De Nota Kostenverhaal zal in de komende periode worden opgesteld en separaat ter vaststelling aan de raad worden aangeboden. Daarnaast zet de gemeente in op het Programma Vereveningsfonds sociale woningbouw. Dit fonds maakt het mogelijk om de realisatie van sociale woningen beter te borgen. Ontwikkelingen met een hogere financiële draagkracht leveren een bijdrage aan het fonds, waardoor in andere projecten sociale woningbouw kan worden gerealiseerd, ook als de financiële haalbaarheid daar onder druk staat. Zo kan de gemeente sturen op een evenwichtige woningbouwprogrammering en bijdragen aan betaalbaarheid en inclusiviteit in de woningmarkt. 5 Gezonde economische ontwikkelingen 5.1 Inleiding 5.1.1 Ondernemend klimaat Kaag en Braassem is een bedrijvige gemeente. Dat komt mede door de strategische ligging aan de rijksweg A4, in het waterrijke deel van het Groene Hart tussen de Noord en Zuidvleugel van de Randstad, en door de nabijheid van Schiphol. Hoewel de gemeente oorspronkelijk een sterke agrarische ondernemersgeest had, zien we tegenwoordig steeds meer maakbedrijven en dienstverleners die dezelfde passie delen. Daarnaast is de gemeente een aantrekkelijke vestigingslocatie voor groeiende en nieuwe bedrijven. Naast verschillende bedrijventerreinen heeft onze gemeente diverse duurzame glastuinbouwgebieden en een groot aanbod aan recreatieve voorzieningen. De komende jaren willen we met de ontwikkeling van bedrijventerreinen, glastuinbouwgebieden en de recreatieve sector kansen benutten en onze economie gezond houden. Daarbij zijn er verschillende uitdagingen. Zo is het naast de ruimtelijke inpassing van belang om het onderwijs aan te laten sluiten op de vraag vanuit de arbeidsmarkt en is de inburgering van nieuwkomers vanuit het buitenland een belangrijke opgave. Voor onze ondernemers is het verder belangrijk om samen in te zetten op (de gevolgen van) onder andere de energietransitie en klimaatadaptatie. Voldoende ruimte voor ondernemers is belangrijk voor bedrijven en voor de inwoners van Kaag een Braassem. Want een ondernemende gemeente bruist en daagt uit. Daarbij draagt het stimuleren van een ondernemend klimaat bij aan het beperken van veel maatschappelijke problemen. 5.1.2 Samenwerkingsverband De gemeente hecht veel waarde aan samenwerkingsverbanden met verschillende partijen, dus ook met het bedrijfsleven. Zo werken we nauw samen met het Economisch Overleg Platform (EOP), dat bestaat uit vertegenwoordigers van de gemeente en de ondernemersvereniging (OVKB). Een goede relatie tussen de gemeente en de lokale ondernemers is van levensbelang voor het lokale bedrijfsleven, waarbij communicatie cruciaal is. Open communicatie, gebaseerd op wederzijds vertrouwen en waardering, is noodzakelijk om randvoorwaarden te scheppen voor een vitaal en duurzaam bedrijfsleven. Deze randvoorwaarden, die bij de thema’s in de economische visie van het OVKB zijn benoemd, zijn nodig om ruimte te geven aan ondernemers en aan het ondernemerschap waar onze gemeente al zoveel jaren trots op is. 5.2 Achtergrond De economie binnen onze gemeente scoort op een aantal punten gelijk aan, of zelfs beter dan, het landelijk gemiddelde. Dit is bijvoorbeeld het geval op het vlak van werkgelegenheid, economische zelfredzaamheid, gemiddeld inkomen per inwoner en kennis en innovatie. Zo telt Kaag en Braassem 135 banen per 1.000 inwoners, vergeleken met 100 banen per 1.000 inwoners landelijk. Ook op het gebied van economische zelfredzaamheid, de mate waarin een inwoner zelfstandig zonder hulp kan rondkomen, scoort Kaag en Braassem hoger dan het landelijk gemiddelde. De bijstandsdichtheid, het aantal inwoners dat bijstand krijgt, binnen onze gemeente is bijvoorbeeld 1 op 1.000 inwoners, terwijl dit landelijk 34 op 1.000 inwoners is. Op het gebied van kennis en innovatie, bestaande uit de gegevens over opleidingen (wo, hbo, mbo of laag opgeleid) en het aantal innovatieve bedrijven, is er voor de gemeente nog winst te behalen. Kaag en Braassem scoort echter wel gelijk aan het landelijk gemiddelde. Al met al wijzen deze resultaten op een gezonde en sterke economie binnen Kaag en Braassem. Het is van belang om deze positieve ontwikkeling ook in de toekomst te blijven volgen en hierop in te spelen. Radardiagram Gezonde economische ontwikkelingen 5.3 Aantrekkelijk vestigingsgebied voor bedrijven 5.3.1 Inleiding We willen dit doen door ondernemers te stimuleren en nieuwe bedrijven de kans te geven. Specifiek is daarbij aandacht voor: 5.3.2 Bedrijventerreinen De bedrijventerreinen in onze gemeente zijn van groot belang voor onze lokale ondernemers. Bij lokale bedrijven is behoefte aan zogenoemde ‘doorschuiflocaties’, waarbij zij kunnen uitbreiden of verplaatsen naar een nieuw bedrijventerrein. Bij (uitbreiding van) onze bedrijventerreinen willen we ruimte bieden aan (het doorgroeien van) lokale ondernemers. Daarvoor nemen we als gemeente een actievere rol in het grondbeleid, om zo te proberen de uitbreidingen van bedrijven mogelijk te maken. In het omgevingsplan stellen we regels op die hierop gericht zijn, binnen de grenzen van wat mogelijk is. Bedrijventerreinen dragen onder andere bij aan meer werkgelegenheid binnen de gemeentegrenzen. De huidige bedrijventerreinen Veenderveld, de Lasso en Drechthoek zijn over het algemeen goed bereikbaar en hebben een aantrekkelijk vestigingsmilieu. Er is alleen geen ruimte om uit te breiden of te ontwikkelen in het ondernemen, terwijl ondernemers daar wel behoefte aan hebben. We streven naar optimaal ruimtegebruik van bestaande terreinen, stimuleren nieuwe vestiging van arbeidsintensieve bedrijven en zetten ook in op het zoeken naar geschikte locaties voor bijvoorbeeld enkele hectares nieuw bedrijventerrein. Zo is de ontwikkeling van Drechthoek II een volgende fase ingegaan. Dit bedrijventerrein biedt ruimte aan kleinschalige bedrijven tot middelgrote ondernemingen. Naar verwachting geven we de eerste kavels uit in
- Deze uitbreiding zorgt voor een netto toename van 8 hectare aan ruimte voor ondernemers. Aan de Boskade in Hoogmade komen 14 hoogwaardige bedrijfsunits en twee kantoor-opslaggebouwen. Daarnaast blijven we in gesprek met betrokken partijen over de mogelijke ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein ten westen van de N445 nabij Nieuwe Wetering. Dit geldt ook voor de mogelijke ontwikkellocatie van Veenderveld II, die de gemeente verder onderzoekt als het bedrijventerrein ten westen van de N445 geen optie blijkt te zijn. Het niet meenemen van deze locatie kan namelijk betekenen dat de gemeente vanuit de provincie geen ontwikkellocatie meer toegewezen krijgt. Dit wil de gemeente voorkomen. Zo zorgen we voor ruimte voor grote bedrijven, maar bieden we ook een plek voor het mkb dat behoefte heeft aan bedrijfsunits. Om (bestaande) bedrijventerreinen tot een succes te maken, is het wenselijk om bedrijven zoveel mogelijk op deze terreinen samen te brengen en ze dus te laten verdwijnen uit de kernen, het glastuinbouwgebied en het buitengebied. Daarom hanteert de gemeente een proactieve houding bij het handhaven van de bestemmingsplannen, zodat we de terreinen blijven gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld. Daarnaast stimuleert de gemeente Bedrijfinvesteringszones (BIZ), KVO (Keurmerk Veilig Ondernemen)-keurmerken en actieve vormen van parkmanagement. Zo hebben Bedrijvenpark de Lasso en Bedrijvenpark Veenderveld een actief parkmanagement en hebben ze beiden een KVO-keurmerk. Dit zorgt voor verhoogde veiligheid op onze bedrijventerreinen en korte lijnen met de gemeente, waardoor we snel actie kunnen nemen. Dit succes ziet de gemeente graag ook bij andere bedrijventerreinen, waaronder Drechthoek II, en daarom ondersteunen we waar nodig het parkmanagement om dit voor elkaar te krijgen. In de toekomst zijn bereikbaarheid, duurzaamheid en energie belangrijke voorwaarden om een aantrekkelijk vestigingsgebied voor bedrijven te blijven. Goede ontsluitingen op het hoofdnet zijn essentieel voor de bedrijventerreinen en hun medewerkers om de bedrijfsvoering soepel te laten verlopen. Ook digitale bereikbaarheid is van belang, waarbij glasvezelinternet op alle bedrijventerreinen beschikbaar moet zijn. De gemeente zet zich daarnaast in voor de veiligheid van weggebruikers binnen de bedrijventerreinen en zorgt voor veilige voetgangersplaatsen en oversteekplaatsen voor fietsers. Verder stimuleert de gemeente energiebesparende maatregelen en investeert zij samen met partners in duurzame kansen. Omdat we steeds meer elektriciteit gebruiken, is er meer energiecapaciteit nodig. Daardoor moet het energienet flink worden uitgebreid. Om deze uitbreiding goed te kunnen faciliteren kan er bij de ontwikkeling van toekomstige bedrijventerreinen extra rekening gehouden worden met de ruimtevraag voor energie-infrastructuur, dit in overleg met de betrokken stakeholders. De gemeente ondersteunt en stimuleert het opzetten van energiehubs en andere voorzieningen om piekbelasting op te vangen. Verder heeft de gemeente een ondersteunende rol bij de aanleg van laadpunten en faciliteiten voor deelvervoer, wat bijdraagt aan een duurzamere toekomst. 5.3.3 Detailhandel De gemeente ondersteunt de versterking van de detailhandel in de hoofdwinkelgebieden en gaat de vestiging van winkelbedrijven buiten de winkelconcentratiegebieden in de verschillende kernen juist tegen. Detailhandel op bedrijventerreinen, in het glastuinbouwgebied of in het buitengebied is niet toegestaan. Hierbij maken we een uitzondering voor ruimte-intensieve detailhandel zoals bouwmarkten en meubelzaken, die niet passen in de winkelstraten, detailhandel op bedrijventerreinen en de verkoop van streekproducten in het glastuinbouwgebied of het buitengebied. Dit regelen we in de bestemmingsplannen, waarbij we aansluiten bij het regionale en provinciale beleid. Daarnaast streven we naar minder stenen en meer groen in de winkelgebieden, wat bijdraagt aan betere afwatering, verkoeling en een fraaier beeld. Een compleet aanbod van voorzieningen maakt dorpscentra aantrekkelijk, waarbij goede bereikbaarheid en voldoende parkeergelegenheid essentieel zijn. Dit is voor alle partijen interessant: ondernemers profiteren van een concentratie van winkelbedrijven door de extra toestroom van koopkracht naar die gebieden, en het voordeel voor inwoners is dat zij een compleet aanbod van voorzieningen hebben in een verzorgd winkelgebied. In Roelofarendsveen ligt het hoofdwinkelgebied rondom het Winkelhart, bestaande uit Noordhoek, Noordeinde, Noordplein en Zuidplein. Daarnaast is het aanbod van winkels voor niet-dagelijkse goederen toegenomen en hebben veel ondernemers geïnvesteerd in hun bedrijven, waarmee zij bezoekers uit de regio aantrekken. In de komende tijd onderzoeken we mogelijkheden om het aanbod te versterken of te verbreden en bekijken we of een standplaatsenbeleid voor ambulante handel (markt) hierbij kan helpen. De gemeente houdt parkeren gratis zodat het winkelgebied aantrekkelijk blijft voor bezoekers. In Leimuiden is het dorpshart opnieuw ontwikkeld, met aandacht voor een verzorgd winkel- en woongebied. De gemeente richt zich nu op de optimalisatie van het parkeerterrein en de verkeersdoorstroming. Bij de Meerkreuk in Oude Wetering is het buurtwinkelcentrum met de supermarkt de trekker, waarbij handhaving van het huidige winkelbestand belangrijk is. In Hoogmade en Woubrugge vervullen buurtwinkels, waaronder supermarkten, een sociale spilfunctie. Zoals eerder al is aangegeven, is verbetering van de infrastructuur belangrijk voor een goede verbinding met winkelgebieden in de diverse kernen. Aandachtspunten daarbij zijn het zorgen voor voldoende mogelijkheden voor laden en lossen en genoeg fietsenrekken. Voor de totale detailhandel in Kaag en Braassem zijn de toekomstige woningbouw- en recreatieplannen van groot belang voor het behouden en mogelijk uitbreiden van het winkelbestand. 5.3.4 Horeca en verblijfsrecreatie Kaag en Braassem zet zich neer als recreatiegemeente en is onderdeel van de Hollandse Plassen en het Groene Hart. Het is de verwachting dat het aantal binnenlandse bezoekers uit de regio en uit omringende landen de komende jaren toeneemt. De horeca en de verblijfsrecreatiesector spelen een belangrijke rol in onze gemeente, als visitekaartje voor bezoekers en als werkgever. Vanuit de gemeente erkennen wij de essentiële rol die horeca speelt in onze gemeenschap. Een goed ondernemingsklimaat vereist duidelijke prioriteiten en samenwerking. Zo vinden we het belangrijk om onder andere de opbrengsten van de logiesbelasting te investeren in sectorgerichte projecten, zoals het verbeteren van de infrastructuur, waaronder fietspaden en wandelroutes, vaarroutes en recreatieve voorzieningen. Daarbij is het voor ons van belang dat we duidelijk zijn richting ondernemers en dat zij direct betrokken zijn. De horeca- en de verblijfsrecreatie hebben ook een belangrijk aandeel in het mogelijk maken van evenementen. Daarnaast bevorderen dergelijke evenementen de economische en sociale verbinding binnen onze gemeente. In het vernieuwde evenementenbeleid is de gemeente partner en zijn er drie aanspreekpunten voor organisatoren vanuit de horeca en de vele vrijwilligersorganisaties die de dorpen van Kaag en Braassem kleur geven met hun evenementen. Hierbij letten we op een eerlijk speelveld voor alle partijen, waarbij de gemeente horecaondernemers stimuleert om te blijven verduurzamen en innoveren. Het doel is om gezamenlijk het ondernemingsklimaat te versterken en ruimte te maken voor nieuwe ideeën en groei. Een bloeiend ondernemingsklimaat ontstaat alleen wanneer er een gedeelde visie is voor de horeca, waarin ondernemerschap, innovatie en samenwerking centraal staan. 5.3.5 Glastuinbouw Kaag en Braassem maakt deel uit van Greenport Aalsmeer en werkt aan nieuwe mogelijkheden om de glastuinbouw een kansrijke toekomst te geven. Gemeente, ondernemers en belangenorganisaties zetten samen in op thema’s als duurzaamheid, kennis, intensivering, huisvesting, innovatie, onderwijs en specialisatie. Een brede groep van ondernemers biedt meerwaarde door het telen van onderscheidende producten, wat belangrijk is voor de toekomst van de tuinbouw in de gemeente. Deze samenwerking tussen kwekers en de brede groep ondernemers daaromheen die de kennis hebben om onderscheidend te blijven, is belangrijk voor een goede economische positie. In onze gemeente bedrijven vier gebieden tuinbouw: Woubrugge, Nieuwe Wetering, Geestweg/Floraweg (Roelofarendsveen) en Baan/Sotaweg (Oude Wetering/Roelofarendsveen). Elk van deze gebieden heeft zijn eigen kenmerken. Voor de positie en ontwikkeling van de tuinbouw is het essentieel dat er op de lange termijn planologische duidelijkheid is en dat we de huidige oppervlakte in vitale en toekomstbestendige gebieden behouden. Op dit moment heeft de glastuinbouw in Kaag en Braassem te maken met enkele zorgen en uitdagingen. De vier glastuinbouwgebieden zijn verschillend in grootte en toekomstbestendigheid, waarbij slechts voor drie van de vier gebieden het uitgangspunt tuinbouw overeind blijft. Zo zijn er voor de tuinbouwgebieden Nieuwe Wetering en Woubrugge geen zorgen over de toekomstbestendigheid. Het uitgangspunt voor deze twee duurzame glastuinbouwgebieden is dat de gemeente deze gebieden niet beperkt in hun bedrijfsvoering en potentiële uitbreidingsmogelijkheden. Voor het glastuinbouwgebied De Baan-Sotaweg heeft Greenport Aalsmeer een gebiedsvisie opgesteld
(2025). Deze visie richt zich vooral op herstructurering van het gebied om te ontwikkelen naar een toekomstbestendige en duurzame glastuinbouwstructuur. Binnen die visie krijgen moderne bedrijven die uitbreiden de ruimte, terwijl stoppende bedrijven kunnen uitfaseren. Daarnaast heeft de gemeente haar eigen visie bepaald, waarin het gebied voor een periode van 20 jaar is aangewezen als glastuinbouwgebied. Uitgangspunt daarbij is dat ontwikkelingen geen beperkingen mogen opleveren voor bestaande bedrijven of hun toekomstige planologische mogelijkheden. Dit betekent dat we, waar mogelijk, geen ontwikkelingen toestaan die niet bijdragen aan de glastuinbouw. Verder is het toegestaan om bedrijfswoningen om te zetten naar plattelandswoningen (en in uitzonderlijke gevallen naar woningen voor inwoners), als dit de tuinbouwactiviteiten niet beperkt. Het toevoegen van een nieuwe tweede bedrijfswoning is uitgesloten. Voor tuinbouwgebied Geestweg-Floraweg zijn er uitdagingen voor wat betreft de toekomstbestendigheid. Na een algemene inventarisatie van het gebied is een toekomstvisie gemaakt. Op basis van de uitkomsten van deze inventarisatie heeft het college uitgangspunten geformuleerd, wat uiteindelijk heeft geleid tot een onderzoek naar de toekomstbestendigheid van het tuinbouwgebied. Dit onderzoek, uitgevoerd door Greenport Aalsmeer, is in september 2025 aan de Raad aangeboden. Mocht de uitkomst van dit onderzoek aangeven dat het gebied niet toekomstbestendig is voor tuinbouw, dan moeten we kijken naar alternatieve mogelijkheden voor de toekomst van dit gebied. In samenspraak met organisaties zoals Greenport Aalsmeer, provincie Zuid-Holland, Stichting Platform Tuinbouw Veenstreek, het EOP (Economisch