PROVINCIALE STATEN VAN GELDERLAND Gezien het voorstel van Gedeputeerde Staten PS2015-005265; Gelet op de artikelen 105, 143 en 145 van de Provinciewet; Overwegende dat verordening (EU) 1305/2013 van toepassing is op de uitvoering van deze verordening; Overwegende dat verordening (EU) 1306/2013 van toepassing is op de uitvoering van deze verordening; Overwegende dat verordening (EU) 1307/2013 van toepassing is op de uitvoering van deze verordening; Overwegende dat Provinciale Staten het vanwege het grote aantal noodzakelijke wijzigingen in het onderdeel agrarisch natuurbeheer van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2009 wenselijk achten een geheel nieuwe verordening vast te stellen; BESLUITEN Vast te stellen de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 § 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: Awb: Algemene wet bestuursrecht; baseline: maatregelen bedoeld in de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB die wettelijk verplicht zijn om landbouwpercelen in goede milieuconditie te houden; beheeractiviteit: activiteit uit de Catalogus groen blauwe diensten; beheerfunctie: functie van een cluster van beheeractiviteiten; certificaat: certificaat waarmee wordt gewaarborgd dat een natuurbeheerder of agrarisch collectief voldoet aan bepaalde beheereisen en het beheer op de afgesproken manier uitvoert; Catalogus groen blauwe diensten: onderdeel van de Catalogus groen blauwe diensten, zoals dat is opgenomen als onderdeel van maatregelfiche 28 van het Plattelands Ontwikkelingsprogramma 2014-2020; gescheperde schaapskudde: rondtrekkende schaapskudde die niet permanent op een plaats graast en die gehoed wordt door een herder met een of meer honden; knooppuntennetwerk: bij de stichting landelijk Fietsplatform of stichting Wandelnetwerk geregistreerd routenetwerk voor fietsen of wandelen bestaande uit genummerde knooppunten en bewegwijzering tussen de knooppunten; landbouwactiviteit: landbouwactiviteit als bedoeld en omschreven in de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB; landbouwer: natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan wel een groep van natuurlijke personen of rechtspersonen, die een landbouwactiviteit uitoefent op landbouwgrond; landbouwgrond: landbouwareaal als bedoeld en omschreven in verordening (EU) nr. 1307/2013; landelijke fietsroutes: bij de stichting landelijk Fietsplatform geregistreerde landelijke fietsroutes en ANWB-bewegwijzerde routes als onderdeel van een landelijk fietsroutenetwerk; landelijke wandelroutes: bij de stichting Wandelnetwerk geregistreerde Lange Afstand Wandelpaden en Streekpaden als onderdeel van een landelijk wandelroutenetwerk; landschapsbeheertype: in bijlage 1 opgenomen en nader beschreven soort landschap; landschapselement: in bijlage 1 opgenomen en nader beschreven element; leefgebied: in het natuurbeheerplan begrensde landbouwgronden waarop planten of dieren voorkomen die bepaalde eisen stellen aan de inrichting en het gebruik van hun omgeving of waarop het voorkomen van zulke planten of dieren wordt nagestreefd; monitoring: uitvoeren van metingen en het vastleggen van de ontwikkelingen op het natuurterrein of de landbouwgrond met uitzondering van metingen in het kader van natuur- en landschapsbeheer; monitoringsprogramma: door Gedeputeerde Staten vastgesteld meerjarig programma van metingen om de effecten van maatregelen en ingrepen te kunnen volgen vanuit vastgestelde beleidsdoelen en beleidstaken; natuurbeheerplan: een door Gedeputeerde Staten vast te stellen plan als bedoeld in artikel 1.3, waarin op basis van een afgestemde ambitie de overeengekomen doelen op het gebied van natuur- en landschapsbeheer en agrarisch natuurbeheer zijn vastgelegd; natuurbeheertype: in bijlage 2 opgenomen en nader beschreven soort natuur; natuurterrein: binnen de provincie gelegen grond met als hoofdfunctie natuur die in het natuurbeheerplan is begrensd met een natuurbeheertype, alsmede gronden waarvoor een subsidiefunctieverandering is verstrekt als bedoeld in de provinciale Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap; opslag voor de prijsstijging: op de consumentenprijsindex gebaseerde opslag van de subsidie om de kostenstijging gedurende de looptijd van de beschikking te compenseren; recreatietoeslag: extra vergoeding voor het recreatief gebruik van een natuurterrein; schapentoeslag: extra vergoeding voor het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen ten behoeve van de inzet van gescheperde schaapskuddes; tarief: subsidie per natuurbeheertype vermeerderd met de opslag voor de prijsstijging; transactiekosten: kosten die niet direct met de uitvoering van de dienst te maken hebben, maar kosten verbonden aan het vervullen van de randvoorwaarden zodat de dienst daadwerkelijk uitgevoerd kan worden; vaartoeslag: extra vergoeding voor het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt; verordening (EU) nr. 1305/2013: verordening van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) (Pb EU L 347/487); verordening (EU) 1306/2013 en 1307/2013: verordening van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake financiering, beheer en monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Pb EU L 347/549); verordening (EU) nr. 1307/2013: verordening van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betaling aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Pb EU L 347/608). Artikel 1.2 Openstelling 1 Gedeputeerde Staten stellen een subsidieplafond vast. Daarbij stellen Gedeputeerde Staten vast voor welke onderdelen van het natuurbeheerplan subsidie kan worden aangevraagd en de wijze van verdeling. 2 Gedeputeerde Staten kunnen een of meerdere keren per jaar een openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van subsidies op grond van deze verordening. 3 Gedeputeerde Staten kunnen in nadere regels tarieven en normbedragen vaststellen. Artikel 1.3 Natuurbeheerplan 1 Gedeputeerde Staten stellen het natuurbeheerplan vast. 2 Als onderdeel van het natuurbeheerplan stellen Gedeputeerde Staten in ieder geval een kaart met topografische ondergrond vast, waarop is aangeduid: voor welke natuurterreinen een subsidie natuur- en landschapsbeheer kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding: welk natuurbeheertype in stand kan worden gehouden; welke landschapselementen in stand kunnen worden gehouden; of het natuurterrein in aanmerking komt voor een vaar- of schapentoeslag; voor welk leefgebied of onderdeel van een leefgebied een subsidie agrarisch natuur- en landschapsbeheer kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding: open akkerland; open grasland; droge dooradering; natte dooradering; categorie water. Artikel 1.4 Vereisten subsidieaanvraag Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten: een subsidieaanvraag wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten, en een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door GedeputeerdeStaten vastgestelde aanvraagformulier. Artikel 1.5 Beslistermijn subsidieverlening 1 Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om subsidie binnen dertien weken na afloop van de aanvraagperiode. 2 De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste dertien weken worden verdaagd. Artikel 1.6 Verplichtingen algemeen De subsidieontvanger is verplicht de administratie en de daartoe behorende bescheiden die betrekking hebben op de verstrekte subsidie ten minste gedurende een periode van vijf jaar na vaststelling van de desbetreffende subsidie worden bewaard. Artikel 1.7 Toezicht 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van Gedeputeerde Staten aan te wijzen personen. 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad. Artikel 1.8 Verhouding provinciaal subsidiekader Bij het verstrekken van subsidies op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998 niet van toepassing. Artikel 1.9 Subsidieverlening Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om subsidies te verstrekken op grond van deze verordening. Artikel 1.10 Wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde Staten Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot wijziging van deze verordening. Artikel 1.11 Certificering 1 Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag besluiten tot afgifte van certificaten: natuurbeheer; samenwerkingsverband natuurbeheer; collectief agrarisch natuurbeheer. 2 Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot het afgeven en intrekken van certificaten. § 2 Natuur- en landschapsbeheer Artikel 2.1 Doelgroep 1 Subsidie kan worden aangevraagd door: natuurlijke personen, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; privaatrechtelijke rechtspersonen en Staatsbosbeheer, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b. 2 Onverminderd het eerste lid en in afwijking van artikel 2.3 kan subsidie worden aangevraagd door gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen, voor zover deze voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd, subsidie ontvangen op basis van de Subsidieverordening natuurbeheer Gelderland of de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland, waarbij: de periode waarvoor de subsidie overeenkomstig de Subsidieverordening natuurbeheer Gelderland of de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2009 wordt verstrekt op of na 31 december 2015 eindigt; en de subsidie natuurbeheer die op grond van de onderhavige regeling kan worden verstrekt niet later ingaat dan 1 januari van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin de in onderdeel a bedoelde subsidie eindigt. Artikel 2.2. Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor: het beheer van natuurbeheertypen; het beheer van landschapsbeheertypen. Artikel 2.3 Weigeringsgronden 1 Subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien: de subsidieaanvrager een rechtspersoon is die waterwinning als doelstelling heeft; de subsidieaanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is die is opgericht ten behoeve van het beheer van grond of water, waarvan de eigendom geheel of gedeeltelijk berust bij de rechtspersoon, bedoeld onder a of een publiekrechtelijke rechtspersoon; de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings-en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014, C 249/01); het natuurterrein aan de subsidieontvanger om niet of tegen betaling is overgedragen door: een gemeente; een samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen; het Rijksvastgoed- en ontwikkelbedrijf van het ministerie van Financiën; een waterschap; of, een waterleidingmaatschappij. 2 In afwijking van het eerste lid, onder d, kan subsidie worden verstrekt, indien het natuurterrein waarop de subsidieaanvraag ziet is aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan worden aangevraagd in het natuurbeheerplan. Artikel 2.4 Subsidievereisten 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten: de activiteiten vinden plaats op een natuurterrein dat is aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan worden aangevraagd in het natuurbeheerplan, en de activiteiten zijn gericht op de instandhouding van het natuurbeheertype of landschapsbeheertype. 2 De subsidieaanvrager die in totaal voor 75 hectare of meer subsidie natuurbeheer ontvangt of aanvraagt op grond van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2009 en de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016 dient te beschikken over een certificaat natuurbeheer of een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer en dient te voldoen aan het vereiste dat de subsidieaanvraag vergezeld gaat van een kaart waarop de buitengrenzen van de natuurterreinen zijn aangegeven. 3 De subsidieaanvrager die voor minder dan 75 hectare subsidie natuurbeheer ontvangt of aanvraagt op grond van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2009 en de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016 dient te voldoen aan het vereiste dat de subsidieaanvraag vergezeld gaat van een kaart met topografische ondergrond waarop per natuurbeheertype of per landschapsbeheertype de grenzen zijn aangegeven. Artikel 2.5 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor het beheer van een natuurterrein. 2 In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten toeslagen verstrekken voor: monitoring, indien de subsidieaanvrager over een certificaat beschikt; recreatief gebruik van een natuurterrein; het alleen varend kunnen bereiken van een natuurterrein; de inzet van gescheperde schaapskuddes op een natuurterrein. 3 De toeslag, bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt slechts verleend voor zover het natuurterrein niet ingevolge het natuurbeheerplan of artikel 2.9, vierde lid vrijgesteld is van de openstellingsplicht. 4 Gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen komen niet in aanmerking voor de toeslag, bedoeld in het tweede lid, onder b. Artikel 2.6 Subsidiehoogte 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.2, wordt bepaald door het aantal hectares van het desbetreffende natuurbeheertype te vermenigvuldigen met het tarief vermenigvuldigd met zes jaar. 2 Indien van toepassing wordt het tarief, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met de volgende toeslagen: het normbedrag voor monitoring per natuurbeheertype, vermenigvuldigd met het aantal hectares vermenigvuldigd met zes jaar; het normbedrag voor de recreatietoeslag, vermenigvuldigd met het aantal hectares vermenigvuldigd met zes jaar; het normbedrag voor de vaartoeslag, vermenigvuldigd met het aantal hectares vermenigvuldigd met zes jaar; het normbedrag voor de schapentoeslag, vermenigvuldigd met het aantal hectares vermenigvuldigd met zes jaar. Artikel 2.7 Verdeelcriteria 1 Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen. 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst. 3 Indien het subsidieplafond op enige dag wordt bereikt, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting. Artikel 2.8 Subsidieverlening 1 De subsidie, bedoeld in artikel 2.2, wordt verleend voor een periode van zes aaneengesloten jaren, welke periode steeds begint op 1 januari. 2 Indien de subsidieontvanger over een certificaat natuurbeheer of een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer beschikt, kan de subsidie worden verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen drie maanden na de datum van bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening tussen de subsidieontvanger en de provincie Gelderland een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb tot stand komt. Artikel 2.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger 1 Onverminderd artikel 1.6 is de subsidieontvanger verplicht: na te laten om handelingen te verrichten of te gedogen die afbreuk doen aan de instandhouding van het natuurterrein, er voor zorg te dragen dat door of vanwege Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd op het desbetreffende natuurterrein, indien de subsidieontvanger een vergoeding ontvangt als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder b, monitoring te verrichten overeenkomstig het monitoringsprogramma van de provincie, en het van zonsopgang tot zonsondergang kosteloos openstellen en toegankelijk houden van het desbetreffende natuurterrein op ten minste 358 dagen per jaar. 2 Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger die een vergoeding ontvangt als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder c, de volgende verplichtingen: het natuurterrein is voldoende toegankelijk en bevat voldoende wegen, vaarwegen en paden, die recreatief gebruik mogelijk maken, de wegen, vaarwegen en paden als bedoeld onder a, worden onderhouden, en de subsidieontvanger verleent medewerking aan de markering en beheer van routes voor wandelen en fietsen in het kader van de landelijke wandelroutes, landelijke fietsroutes en knooppuntennetwerken voor wandelen en fietsen. 3 Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger die een vergoeding ontvangt als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder e, de volgende verplichtingen: bij het in standhouden van het op het natuurterrein aanwezig natuurbeheertype wordt gebruik gemaakt van een of meerdere gescheperde schaapskuddes, en het gebruik van een of meerdere gescheperde schaapskuddes strekt zich uit over de gehele oppervlakte waarvoor de toeslag door Gedeputeerde Staten wordt verstrekt. 4 De subsidieontvanger is vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, onderd, indien: sluiting nodig is vanwege de Flora- en faunawet of de Natuurbeschermingswet 1998, het terrein naar zijn aard buiten machte van de subsidieontvanger niet toegankelijk is, er bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk is tot een maximum van een hectare, of het terrein vrijgesteld is op grond van het natuurbeheerplan. Artikel 2.10 Verplichtingen van de niet-gecertificeerde subsidieontvanger 1 Onverminderd de artikelen 1.6 en 2.9, voldoet een niet-gecertificeerde subsidieontvanger aan de volgende verplichtingen: het op verzoek van Gedeputeerde Staten geven van inzage in het uitgevoerde dan wel uit te voeren beheer ten behoeve van de instandhouding van het natuurterrein, en het verlenen van medewerking aan een toezichthouder als bedoeld in artikel 1.7 om toezicht te houden op de naleving van de subsidieverplichtingen. 2 Indien de niet-gecertificeerde subsidieontvanger niet kan voldoen aan een of meerdere verplichtingen als bedoeld in het eerste lid of in artikel 2.9, doet hij daarvan melding binnen tien werkdagen nadat hij op de hoogte is van de omstandigheden waardoor hij niet aan deze verplichtingen kan voldoen. 3 De niet-gecertificeerde subsidieontvanger meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan de subsidieverplichtingen wordt voldaan en doet dit binnen tien werkdagen na de desbetreffende datum. Artikel 2.11 Verplichtingen van de gecertificeerde subsidieontvanger 1 Onverminderd de artikelen 1.6 en 2.9, voldoet een gecertificeerde subsidieontvanger aan de volgende verplichtingen: hij beschikt voor de gehele duur van de subsidie over een certificaat, en hij draagt er zorg voor dat er door of vanwege Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorwaarden. 2 Indien een gecertificeerde subsidieontvanger niet kan voldoen aan een of meerdere verplichtingen als bedoeld in het eerste lid of in artikel 2.9, eerste tot en met derde lid, doet hij daar een keer per jaar en uiterlijk op 1 november melding van. Artikel 2.12 Bevoorschotting en betaling Gedeputeerde Staten kunnen een voorschot van maximaal 100% op het verleende subsidiebedrag verstrekken. Artikel 2.13 Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting areaal 1 In verband met vergroting van het areaal kunnen Gedeputeerde Staten een maal per kalenderjaar op aanvraag van de subsidieontvanger besluiten om de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen met ingang van het volgend kalenderjaar, indien die wijziging leidt tot een verhoging van het subsidiebedrag van minimaal € 1.200,-. 2 De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van het tarief dat van toepassing was ten tijde van het nemen van de beschikking tot subsidieverlening. Artikel 2.14 Subsidievaststelling Gedeputeerde Staten stellen binnen dertien weken na afloop van de zes aaneengesloten beheerjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, de subsidie ambtshalve vast. § 3 Agrarisch natuur- en landschapsbeheer Artikel 3.1 Doelgroep Subsidie kan worden aangevraagd door een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere gebruikers van landbouwgrond. Artikel 3.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor een project gericht op behoud en versterking van een leefgebied. Artikel 3.3 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd voor zover voor het gedeelte van het leefgebied waarvoor subsidie is aangevraagd al een subsidie natuurbeheer op grond van deze verordening of de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland is verstrekt. Artikel 3.4 Subsidievereisten 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de aanvrager beschikt over een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, het project voldoet aan de beoordelingscriteria voor gebiedsaanvragen zoals die in het natuurbeheerplan in paragraaf 4.5 zijn opgenomen, inclusief de daarbij aangeduide kaarten, en aan het project ligt een gebiedsaanvraag ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: het minimum en maximum aantal hectares waarvoor per leefgebied, of onderdeel van het leefgebied beheeractiviteiten worden uitgevoerd, waarbij het maximum aantal hectares niet meer dan15% meer mag zijn dan het minimum aantal hectares, per leefgebied of onderdeel van het leefgebied een projectomschrijving op het niveau van beheerfunctie of cluster van beheeractiviteiten, een en ander afhankelijk van het gekozen abstractieniveau voor de beoordelingscriteria voor gebiedscriteria in het natuurbeheerplan, de te realiseren doelen, een berekening van de kosten voor het uit voeren van het project, gesplitst naar leefgebied of onderdeel van het leefgebied, en een of meer topografische kaarten met een schaal van 1:5.000 waarop de buitengrenzen van de leefgebieden of onderdelen van de leefgebieden waarvoor subsidie wordt aangevraagd zijn aangegeven. 2 Indien een aanvrager niet beschikt over een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, kan hij in afwijking van het eerste lid, onder a, in de aanvraagperiode 2015 voor beheerjaar 2016 voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking komen, indien de aanvrager een aanvraag tot een certificaat heeft ingediend. Artikel 3.5 Subsidiabele kosten De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: kosten voor het uitvoeren van het project, overeenkomstig de verordening (EU) nummer 1305/2013; gederfde inkomsten, overeenkomstig de verordening (EU) nummer 1305/2013; transactiekosten, overeenkomstig de verordening (EU) nummer 1305/2013. Artikel 3.6 Niet subsidiabele kosten In afwijking van artikel 3.5 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: kosten om te voldoen aan de baseline; inkomsten die met het project worden gegenereerd, overeenkomstig de verordening (EU) nummer1305/2013. Artikel 3.7 Subsidiehoogte 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt bepaald door het aangevraagde maximum aantal hectares per leefgebied te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, vermenigvuldigd met zes. 2 De gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald door de begrote kosten per leefgebied, bedoeld in artikel 3.4, onder c, vijfde onderdeel te delen door het maximum aantal hectares dat voor dat leefgebied is aangevraagd. 3 Subsidie wordt slechts verstrekt indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat de subsidie minimaal € 100.000,- bedraagt. Artikel 3.8 Verdeelcriteria 1 Een aanvraag kan betrekking hebben op één of meer leefgebieden. 2 Voor de kwaliteit van het ecologisch effect van de activiteiten in een leefgebied kunnen maximaal 130 punten worden behaald. 3 De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, worden beoordeeld op de mate waarin zij voldoen aan de volgende criteria: de dekkingsgraad, zijnde de verhouding van het aantal hectares beheer dat is aangevraagd tot het totaal aantal hectares leefgebied waarop dat gedeelte van de aanvraag ziet, waarbij maximaal 50 punten kunnen worden toegekend en de kwaliteit van beheer, zijnde variatie in beheer, waarbij maximaal 40 punten kunnen worden toegekend en intensiteit van beheer, te onderscheiden in: het aantal verschillende vormen van beheer dat is aangevraagd, waarbij maximaal 20 punten kunnen worden toegekend en de zwaarte van het aangevraagde beheer, waarbij maximaal 20 punten kunnen worden toegekend. 4 Indien aan de activiteiten in een leefgebied minder dan 20 punten worden toegekend, wordt voor dat onderdeel van de aanvraag de subsidie geweigerd. 5 Gedeputeerde staten plaatsen de aanvragen in een prioriteitsvolgorde, die wordt bepaald door het toegekende puntenaantal per aanvraag. 6 Indien met de verstrekking van een subsidie aan twee of meer aanvragen waaraan hetzelfde puntenaantal is toegekend, het plafond dreigt te worden overschreven, worden deze aanvragen gerangschikt op de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, waarbij per aanvraag maximaal 20 punten worden toegekend. 7 Bij deze rangschikking worden aan de aanvraag waarbij de gemiddelde kosten het laagst zijn de meeste punten en aan de aanvraag of aanvragen waarbij gemiddelde kosten hoger zijn minder punten toegekend. 8 Gedeputeerde staten verstrekken subsidie in volgorde van de vastgestelde prioriteit. Artikel 3.9 Gereserveerd Artikel 3.10 Subsidieverlening De subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt verleend voor een periode van zes aaneengesloten kalenderjaren, welke periode steeds begint op 1 januari. Artikel 3.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen: uitvoering vindt plaats op landbouwgrond of in, aan, op landschapselementen of watergangen direct grenzend aan landbouwgrond, waarbij er sprake mag zijn van een scheiding van die landbouwgrond door een kavelpad of watergang; de subsidieontvanger doet uiterlijk voor 1 januari van ieder kalenderjaar per leefgebied of onderdeel van een leefgebied waarvoor is beschikt een opgave van de beheeractiviteiten op perceelsniveau in het daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen systeem; de gekozen beheeractiviteit of combinatie van beheeractiviteiten mag enkel bestaan uit beheeractiviteiten zoals opgenomen in de koppeltabel als onderdeel van maatregelfiche 28 behorend bij het Plattelands Ontwikkelingsprogramma 2014-2020 en past bij de beheerfunctie of het cluster van beheeractiviteiten zoals beschikt en het bijhorende leefgebied zoals aangewezen in het natuurbeheerplan; wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden worden door de subsidieontvanger uiterlijk 1 week voorafgaand aan het ingaan van de wijziging gemeld aan Gedeputeerde Staten, door de wijziging op perceelsniveau door te voeren via het daartoe onder b bedoelde systeem en kunnen tot uiterlijk 30 september van het lopende beheerjaar worden doorgevoerd; wijzigingen bestaande uit het toevoegen van percelen met de daarbij horende beheeractiviteit zijn mogelijk tot en met 15 mei; wijzigingen bestaande uit het terug trekken van percelen met de daarbij horende beheeractiviteit zijn mogelijk tot en met 30 september van het lopende beheerjaar, tenzij op deze percelen een controle is uitgevoerd; wijzigingen die betrekking hebben op percelen waarvoor een controle is aangekondigd zijn niet toegestaan; wijzigingen die betrekking hebben op percelen waar tijdens een controle fouten zijn geconstateerd in het uitgevoerde beheer zijn niet toegestaan; de subsidieontvanger dient tussen 1 april en 15 mei van ieder kalenderjaar een aanvraag in tot betaling van de jaarvergoeding voor dat kalenderjaar via de Gecombineerde data inwinning; de subsidieontvanger dient uiterlijk 1 oktober van ieder kalenderjaar een verantwoording in waarin is beschreven: welke activiteiten als bedoeld onder b, daadwerkelijk zijn uitgevoerd, en welke wijzigingen als bedoeld onder d, e en f hebben plaatsgevonden en waarom; de subsidieontvanger dient uiterlijk 1 december van ieder kalenderjaar een voortgangsverslag in; de subsidieontvanger beschikt voor de gehele duur van de subsidie over een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, en Artikel 3.12 Bevoorschotting en betaling 1 Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot op het verleende subsidiebedrag, naar aanleiding van het ingediende betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onder i. 2 Gedeputeerde Staten nemen binnen tien weken na afloop van ieder kalenderjaar een beslissing tot voorschotverlening. 3 De beslissing, bedoeld in het tweede lid, kan eenmaal met ten hoogste tien weken worden verdaagd. 4 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in vijf termijnen betaald, steeds binnen zes weken na afloop van de beslissing, bedoeld in het tweede of derde lid. 5 De hoogte van het voorschot wordt bepaald door het totaal aantal hectares opgegeven in het betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onder i, en waarvoor daadwerkelijk beheeractiviteiten zijn uitgevoerd, per leefgebied te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid. 6 Als het bedrag, bedoeld in het vijfde lid, hoger is dan het totaal bedrag dat voor de uitgevoerde beheeractiviteiten op grond van de Catalogus groen blauwe diensten maximaal mag worden vergoed, geldt voor de berekening van het voorschot dit maximum bedrag. Artikel 3.13 Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting areaal 1 De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar, gericht op vergroting van het areaal. 2 Onder vergroting van het areaal, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan: vergroting van de minimum en maximum oppervlakte van het leefgebied of onderdeel van het leefgebied waarvoor reeds een beschikking is afgegeven, of uitbreiding van de bestaande beschikking met een nieuw leefgebied of een onderdeel daarvan. 3 Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om, overeenkomstig de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen voor de resterende looptijd van de subsidie indien: de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 3.4, en die wijziging leidt tot een verhoging van minimaal € 1.200. 4 De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, dat van toepassing was ten tijde van het nemen van de beschikking tot subsidieverlening. Artikel 3.14 Subsidievaststelling 1 Gedeputeerde Staten stellen binnen dertien weken na afloop van de zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, de subsidie ambtshalve vast, naar aanleiding van het door de subsidieontvanger in het zesde en laatste kalenderjaar ingediende betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onder i. 2 De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste dertien weken worden verdaagd. Artikel 3.15 Sancties 1 Gedeputeerde Staten stellen het sanctiebeleid in de vorm van een beleidsregel vast. 2 In de beleidsregel, bedoeld in het eerste lid, worden conform verordening (EU) nummer 640/2014 bepalingen opgenomen met betrekking tot de gevolgen van het niet voldoen door de subsidieontvanger aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. § 4 Slotbepalingen Artikel 4.1 Bijlagen De volgende bijlage maakt onderdeel uit van deze verordening: Bijlage 1 Index Natuur en Landschap Artikel 4.2 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het ProvinciaalBlad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4.3 Overgangsbepaling De Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2009 wordt ingetrokken met ingang 4 juni 2015, met dien verstande dat die verordening van kracht blijft voor subsidies die voor die datum zijn aangevraagd. Artikel 4.4 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016. Provinciale Staten van Gelderland Toelichting behorende bij de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016 Aanleiding Per 1 januari 2016 gaat het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) 2016 in. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het huidige SNL hebben betrekking op het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer 2016 gaat uit van een collectieve aanpak en de inzet van agrarisch natuur- en landschapsbeheer op de meest kansrijke gebieden. Agrarische collectieven vragende subsidie aan; boeren vragen dus niet meer individueel subsidie aan voor agrarisch natuur- enlandschapsbeheer. Beleidskader Het Rijk zet zich in voor versterking van de natuur en een effectieve invulling van de internationale natuurdoelen. Uitgangspunt daarbij is het instandhouden en bevorderen van plant- en diersoorten, van natuurlijke habitats met internationale betekenis, van ecologisch gezonde watersystemen en een schoon milieu. Provinciaal beleid natuur en landschap De provincie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid. Zij treedt op als gebiedsregisseur in het landelijk gebied en brengt de partijen bij elkaar die zorgen voor de uitvoering van het natuur- en landschapsbeheer. De provincie bepaalt ook waar zij welke doelen wil realiseren en welke financiële middelen zij hiervoor inzet. Zij legt deze doelen en middelen onder andere vast in het provinciale Natuurbeheerplan. Hierin staat in welke gebieden natuur-, agromilieu- en klimaatdiensten ingezet kunnen worden. De provincie houdt bij de uitvoering van het natuurbeleid rekening met beleidsdoelen van andere overheden en activiteiten in het landelijk gebied, zoals het waterbeleid, recreatiebeleid, economisch en milieubeleid, zodat synergie kan worden bereikt. Via het SNL 2016 verleent de provincie subsidie voor het behoud en de ontwikkeling van (agrarische) natuurgebieden en landschappen. De natuurkwaliteit staat hierbij centraal. Algemene uitgangspunten SNL In de Strategische Visie SNL die is vastgesteld tussen overheden en beheerders van gronden, zijn de volgende uitgangspunten bepaald: 1. Uniformiteit in twaalf provincies (het is een landelijk stelsel met provinciale specificaties). 2. De provincies stellen doelen en kaders en regisseren overleg (sturing op hoofdlijnen). 3. Alle partijen die landschap en (agrarische) natuurgebieden beheren en kunnen bijdragen aan natuurkwaliteitsdoelstellingen stemmen met elkaar af en werken met elkaar samen. 4. Uitgangspunt is een gebiedsgerichte benadering. Dat betekent dat rekening wordt gehouden met regionale verschillen in het landschap, wat leidt tot regionaal maatwerk. 5. Er wordt afgestemd met waterschappen over de realisatie en financiering van kwalitatieve en kwantitatieve waterdoelen. 6. De beheerders van gronden worden afgerekend op uitgevoerd beheer. 7. Het stelsel is robuust: beleidswijzigingen zijn eenvoudig in te passen. 8. Met het SNL krijgen beheerders van gronden meer verantwoordelijkheid voor en vertrouwen in de uitvoering. 9. Het SNL past binnen de regels van staatssteun en POP. Europa stelt regels voor staatssteun en controleert op de inzet van POP-gelden. In het SNL zijn de regels zoveel mogelijk beperkt tot het voldoen aan de Europese eisen. Uitgangspunten van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer (SVNL) zijn: 1. De juridische basis voor subsidieverlening is zo simpel mogelijk; 2. Er zijn geen dubbelingen met de Algemene wet bestuursrecht (Awb); 3. Subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (agrarische collectieven) en voor natuurbeheer (natuurbeheerders); 4. Onderscheid tussen gecertificeerde en niet-gecertificeerde natuurbeheerders voor natuurbeheer; 5. Uniformiteit in de twaalf provincies. Index Natuur en Landschap De Index Natuur en Landschap is een gemeenschappelijke, landelijk uniforme “natuurtaal” die de typen natuur, landschap en agrarische natuur in Nederland beschrijft. De Index onderscheidt twee niveaus: natuurtypen (voor de sturing en verantwoording op landelijk niveau), en beheertypen (voor de operationele aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau). Voor het natuurbeheer vormen de beheertypen de basis voor afspraken over doelen en middelen tussen provincie en natuurbeheerder. Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer kunnen zowel afspraken worden gemaakt op het niveau van natuurtypen als op het niveau van beheertypen. Catalogus groen blauwe diensten De Catalogus groen blauwe diensten is een overzicht van de maximale vergoedingen die Nederlandse overheden mogen geven aan grondeigenaren of beheerders van gronden die een Groenblauwe dienst (agrarische natuur en landschap, cultuurhistorie, recreatie of waterbeheer) leveren. In de Catalogus zijn alle beheeractiviteiten beschreven waarvoor provincies in het SNL subsidie verstrekken. Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn de beheeractiviteiten samengevat in een koppeltabel die aangeeft welke beheeractiviteiten binnen een leefgebied of onderdeel daarvan kunnen worden vergoed met medefinanciering vanuit Europa. Natuurbeheerplan Het Natuurbeheerplan beschrijft de beleidsdoelen en subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. De provincie geeft subsidie voor een aanzienlijk deel van de kosten voor ontwikkeling en beheer van natuur en landschap. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor de aanvraag van deze subsidies; het geeft de kaders aan waaraan een aanvraag moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Voor het agrarisch natuurbeheer zijn de beleidsdoelen biodiversiteit en water gekoppeld aan de agrarische leefgebieden. Begrenzing op de kaart in het Natuurbeheerplan gebeurt op basis van natuurtypen (=leefgebied) met daaronder een of meerdere beheertypen. In de tekst van het Natuurbeheerplan bepaalt de provincie welke doelsoorten waar beschermd moeten worden en welk beheer daarvoor ingezet kan worden. Ook kunnen er instapeisen worden geformuleerd per beheertype. Beheertypenkaart en ambitiekaart kern van het Natuurbeheerplan De beheertypenkaart geeft alle bestaande, beheerwaardige (agrarische) natuur en landschap weer. Deze kaart vormt ook de basis voor het verlenen van beheersubsidies. Voor een deel van de natuurgebieden en agrarische gebieden met specifieke natuurwaarden bestaat een ambitie om het huidige gebruik of het beheer te veranderen. Dit ligt vast op de ambitiekaart. Openstellingsbesluit: subsidiemogelijkheden en –budget De provincie geeft de subsidiemogelijkheden jaarlijks aan op de kaarten in het Natuurbeheerplan. Bij het vaststellen van het subsidieplafond stellen Gedeputeerde Staten vast voor welke onderdelen van het natuurbeheerplan subsidie kan worden aangevraagd en de wijze van verdeling. Certificering Natuurbeheerders en agrarische collectieven kunnen een verklaring krijgen waarmee wordt ingestemd met de manier waarop deze beheerders de kwaliteitseisen voor het uitvoeren van beheer, de organisatie en de administratie garanderen. Dit wordt een (natuur)certificaat genoemd. Vertrouwen in de beheerder staat hierbij centraal. Om voor een certificaat in aanmerking te komen, stelt de natuurbeheerder respectievelijk het agrarisch collectief een Kwaliteitshandboek op dat gebaseerd is op een Programma van Eisen. Gedeputeerde Staten verstrekken de certificaten na beoordeling van het kwaliteitshandboek en voert audits uit bij de gecertificeerden om de kwaliteitsbewaking in de praktijk te toetsen. GedeputeerdeStaten zullen kwaliteitseisen vastleggen in nadere regels. Monitoring Natuurkwaliteit Er wordt jaarlijks veel geïnvesteerd in (agrarisch) natuurbeheer. Om vast te stellen of de afgesproken doelen voor in stand houden van soorten worden gehaald of dat de uitvoering bijgesteld moeten worden, hebben Rijk, provincies en beheerders van gronden een uniforme werkwijze ontwikkeld, de Werkwijze Monitoring Beoordeling Natuurnetwerk – Natura 2000/PAS. Hiermee kan worden gestuurd op de ambities voor het Natuurnetwerk Nederland en een vitaal platteland, op beheerprestaties en op een effectieve inzet van middelen. Voor het agrarisch natuurbeheer is deze werkwijze nog in ontwikkeling. Artikelsgewijs Artikel 1.1 Definities, onderdeel d Binnen een beheerfunctie zijn diverse beheeractiviteiten samengevoegd, waarna wordt gesproken vaneen cluster. Die clustering heeft plaatsgevonden vanuit het achterliggende doel van die beheerfunctie. In de koppeltabel (zie daarvoor artikel 3.11 onder
- c)is terug te vinden dat clustering heeft plaatsgevonden vanuit de volgende beheerfuncties: 1. Creëren foerageergebied 2. Creëren nat biotoop 3. Verschralen 4. Optimaliseren broed- en opgroeimogelijkheden 5. Optimaliseren nestbescherming 6. Optimaliseren voortplantingsmogelijkheden 7. Waterberging 8. Bufferzone 9. Verbeteren waterkwaliteit 10. Vernatting 11. Water vasthouden Artikel 1.2 Openstelling In de openstelling worden de subsidieplafonds vastgesteld en bekendgemaakt. Daarbij is het mogelijk om een deelplafond vast te stellen, specifiek voor bepaalde doelgroepen, onderdelen van het natuurbeheerplan of leefgebied. Artikel 2.1 Doelgroep Een eigenaar die de grond in erfpacht heeft gegeven, zal geen subsidie meer kunnen aanvragen omdat hij slechts het bloot eigendom heeft en geen zeggenschap meer heeft over het grondgebruik en het beheer. Wel kunnen de genoemde gerechtigden die hun grond in pacht uitgeven subsidie aanvragenen ontvangen zolang ze de pacht zo hebben vorm gegeven dat de zeggenschap over het beheer nog bij hen ligt. Pachters komen niet in aanmerking voor een subsidie natuurbeheer. Artikel 2.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger Tweede lid, onderdeel a en c, Toegankelijkheid Er wordt belang gehecht aan de recreatieve openstelling van natuurterreinen. Daarom bevat het tweede lid verplichtingen ten behoeve van landelijke wandelpaden, fietsroutes en knooppuntennetwerken. Van subsidieontvangers wordt niet alleen gevraagd om het natuurterrein open te stellen voor publiek, maar ook om desgevraagd medewerking te verlenen aan bewegwijzering van wandel- en fietsroutes. Als een natuurterrein om de in het vierde lid genoemde redenen niet kan worden opengesteld, dan is dat gedeelte vrijgesteld van openstelling. Een terrein is toegankelijk (oftewel begaanbaar) als er in het terrein gelopen, gefietst of gevaren kan worden zonder dat er gevaarlijke situaties (bijvoorbeeld bij moerassen en trilvenen) ontstaan. Een terrein is bereikbaar als het te bereiken is vanaf de openbare weg, of via een aangrenzend opengesteld terrein. Algemeen agrarisch natuur- en landschapsbeheer De agrarische gebieden rondom de natuurgebieden vormen een belangrijke schakel in het realiseren van de natuurdoelen vanwege de bufferfunctie die zij vervullen. Daarnaast zijn er veel soorten die hu nleefgebied in het agrarisch gebied hebben. Om dit beter op elkaar aan te sluiten, is een effectiever en efficiënter agrarisch natuur- en landschapsbeheer nodig. Het agrarisch natuur- en landschapsbeheer is gericht op het creëren van positieve omstandigheden voor biodiversiteit, waterkwaliteit en -kwantiteit. Bovendien heeft het beheer een duidelijke meerwaarde voor natuur, landschap, water en agrarisch ondernemerschap. Het nieuwe agrarisch natuurbeheer is het resultaat van een integrale toepassing in de streek. Het maatschappelijk draagvlak en de beleefbaarheid en leefbaarheid van het platteland wordt vergroot, mede door aan te sluiten bij praktijk, omstandigheden en ervaring van ondernemers. Artikelsgewijs Artikel 3.1 Doelgroep Vanaf 2016 vragen gecertificeerde agrarische collectieven subsidie aan voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer, zij zijn de begunstigde van de subsidie. Een agrarisch collectief is een samenwerkingsverband in een bepaald gebied dat bestaat uit agrariërs en andere grondgebruikers in dat gebied die zich vrijwillig hebben verenigd voor het uitvoeren van agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Voor deze subsidie komen alleen agrarische collectieven in aanmerking, die een SNL-certificaat bezitten. Bepaald is dat enkel een vereniging subsidie kan aanvragen. Een coöperatie is op grond van het Burgerlijk Wetboek een bijzondere vorm van een vereniging en wordt op grond van de verordening derhalve ook als een vereniging aangemerkt. De keuze voor een vereniging vloeit voort uit de Brusselse eis dat subsidie alleen mogelijk is aan landbouwers en groepen van landbouwers of andere grondgebruikers. Uit die eis volgt dat er een directe relatie moet zijn tussen de “groep” die aanvraagt en landbouwers of grondgebruikers daarachter. De vereniging is de enige rechtsvorm die deze relatie zichtbaar maakt. Vanuit controleerbaarheid is volledige rechtsbevoegdheid nodig. Artikel 3.2 Subsidiabele activiteiten Uitgangspunt van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb2016) is een leefgebiedenbenadering: het creëren en in stand houden van een leefgebied voor een soort of groep van soorten die vergelijkbare beheeractiviteiten vragen in een bepaald gebied. Er zijn vier agrarische leefgebieden en één categorie voor water. De vier leefgebieden komen overeenmet de agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap: open grasland, open akkerland, natte dooradering en droge dooradering. De beheeractiviteiten die samen nodig zijn voor het behoud of de versterking van een leefgebied zijn gebundeld in ‘clusters van beheeractiviteiten’. Per cluster worden ook de beheerfuncties aangegeven, bijvoorbeeld het creëren van foerageergebieden, of het verschralen of optimaliseren van voortplantingsmogelijkheden. Voor de categorie water gelden andere beheerfuncties, zoals waterberging of bufferzones. In afspraken met haar leden clustert het agrarisch collectief de beheeractiviteiten tot beheerpakketten. Artikel 3.3 Weigeringsgronden Indien voor een gedeelte van het leefgebied waarvoor een subsidie wordt aangevraagd reeds een subsidie is verstrekt, dan wordt dat gedeelte van de aanvraag geweigerd. Het restant van de aanvraag kan dan gehonoreerd worden, als dat resterende gedeelte aan de gestelde eisen voldoet. Artikel 3.4 Subsidievereisten Vanaf 2016 is bij het agrarisch natuur- en landschapsbeheer sprake van een projectsubsidie voor het beheer gedurende zes jaar. Een gebiedsaanvraag moet voldoen aan alle opgesomde vereisten. Een agrarisch collectief kan bijvoorbeeld een gebiedsaanvraag doen voor drie verschillende leefgebieden of drie onderdelen van een leefgebied. De gebiedsaanvraag wordt dan voor ieder van die drie leefgebieden apart getoetst aan de subsidievereisten. Daarmee kan het voorkomen, dat de gebiedsaanvraag enkel voor twee leefgebieden of onderdelen voldoet en voor een leefgebied of onderdeel niet. Het onderdeel van de gebiedsaanvraag dat dan op dat ene leefgebied ziet wordt afgewezen en het agrarischcollectief ontvangt enkel voor de twee leefgebieden die wel voldoen aan de vereisten een subsidie. De zesjarige subsidie wordt in de aanvraagperiode voor het SNL aangevraagd via een gebiedsaanvraag. Deze aanvraag is gebaseerd op een samenhangend ecologisch effectief en efficiënt beheerplan. In aanloop naar het insturen van de gebiedsaanvraag bespreekt het agrarisch collectief de concept-gebiedsaanvraag met de provincie om eventuele knelpunten of provinciale afwegingen af te stemmen. Eerste lid, onder c, eerste onderdeel, Minimum en maximum aantal hectares per leefgebied Bij de gebiedsaanvraag is het noodzakelijk het minimum aantal hectares (bijv. per leefgebied) te benoemen, waaronder de uiteindelijke betaalaanvragen niet uit mogen komen. Het maximum aantal hectares mag 15% hoger zijn dan het minimum. De begroting van de subsidiabele kosten is voor het maximum aantal hectares, want bij de betaalaanvraag wordt getoetst hoeveel hectares daadwerkelijk zijn beheerd en of de vergoeding van het gevoerde beheer niet het maximum bedrag in de Catalogus GroenblauweDiensten overschrijdt (staatssteuntoets). Eerste lid, onder c, tweede onderdeel, Projectomschrijving De beheeractiviteiten die nodig zijn voor het behoud of de versterking van een leefgebied zijn gebundeld in ‘clusters van beheeractiviteiten’. Per cluster van beheeractiviteiten wordt ook de beheerfunctie aangegeven, bijvoorbeeld: broedmogelijkheden, opgroeimogelijkheden, foerageren en nat biotoop. Voor de categorie water gelden aanvullende beheerfuncties. Binnen elk cluster van beheeractiviteiten dragen beheerpakketten, combinaties van beheeractiviteiten en eventueel aanvullende voorwaarden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer op een bepaald perceel, bij aan de realisatie van de beheerfunctie van het cluster van beheeractiviteiten. Tweede lid, uitzondering certificaatsvereiste Duidelijk is dat voor de eerste aanvraagperiode onder deze regeling in 2015, voor start op 1 januari2016, het niet mogelijk is om voor alle collectieven voor 1 juni al een certificaat af te geven. Daarom is in het tweede lid op het vereiste uit het eerste lid een uitzondering gemaakt. Voor de eerste aanvraagperiode is het voldoende dat op het moment van aanvragen van subsidie, tevens een aanvraag voor een certificaat is ingediend. In artikel 3.11 onder l is vastgelegd dat het collectief als subsidieontvanger voor de gehele subsidieperiode moet beschikken over een certificaat. De subsidieperiode begint conform artikel 3.10 op 1 januari. Hieruit volgt dat het collectief voor de eerste aanvraagperiode daarom tot 1 januari de tijd heeft om het certificaat uiteindelijk te verkrijgen. Artikel 3.5 Subsidiabele kosten Onderdeel a en b zijn de kosten die rechtstreeks met het verrichten respectievelijk leveren van de dienst te maken hebben. Onderdeel c benoemt transactiekosten. Dit zijn kosten die niet direct met de uitvoering van de dienst te maken hebben, maar kosten verbonden aan het vervullen van de randvoorwaarden zodat de dienst daadwerkelijk uitgevoerd kan worden. Denk aan kosten voor administratie, ureninzet om de aanvraag te kunnen doen etc. Hierbij wordt uitgegaan van maximaal 20% transactiekosten en streefpercentage van 15%. Artikel 3.6 Niet subsidiabele kosten Kosten die voortvloeien uit het voldoen aan de basis, vanuit de goede landbouwpraktijk, vallen buitende subsidie. Hierbij kan worden gedacht aan: 1. de vastgestelde toepasselijke dwingende normen krachtens titel VI, hoofdstuk I, van Verordening(EU) nr. 1306/2013; 2. de vastgestelde toepasselijke criteria krachtens artikel 4, lid 1, onder c), tweede en derde streepje, van de RB-verordening; 3. de minimumactiviteiten en toepasselijke minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen; 4. andere toepasselijke dwingende voorschriften die bij nationale wetgeving zijn vastgesteld. Artikel 3.7 Subsidiehoogte Derde lid Ondergrens In dit lid wordt de ondergrens voor het te subsidiëren bedrag geregeld. Elke provincie kan hier een eigen ondergrens bepalen. SCAN adviseert daarvoor een minimaal bedrag van € 50.000,-. Artikel 3.8 Verdeelcriteria In dit artikel is geregeld hoe het beschikbare geld verdeeld wordt over de ingekomen aanvragen die volledig zijn en aan de vereisten van artikel 3.4 voldoen. Artikel 3.11 Subsidieverplichtingen Onder d Wijziging van activiteiten op perceelsniveau Tijdens het beheerjaar kan blijken dat het beheerplan voor dat jaar niet helemaal uitvoerbaar blijkt of niet klopt. Bij het beheer dat gericht is op specifieke doelsoorten is het bijvoorbeeld van belang de beheeractiviteiten (zoals uitgesteld maaien) aan te passen aan de aanwezigheid van jonge dieren. Ook kunnen vogels op een ander perceel gaan zitten dan dat in het beheerplan is opgenomen, waardoorhet beheer verlegd moet worden. Deze wijzigingen zijn toegestaan en moeten direct in het systeem vastgelegd worden. Tot het indienen van het jaarlijks betaalverzoek uiterlijk op 15 mei kan, als hiervoor een ecologische reden is, de locatie van het beheer verplaatst worden naar meer effectieve percelen. Nadat het betaalverzoek is ingediend, kunnen beheerlocaties niet meer wijzigen. Wel kan tot 30 september het beheer op een perceel wijzigen, bijvoorbeeld vanwege het uitvliegen van kuikens. Onder i Aanvraag tot betaling De subsidieontvanger vraagt in de zesjarige subsidieperiode jaarlijks tussen 1 april en 15 mei uitbetaling aan voor alle percelen waarop zij beheer uitvoert volgens de subsidiebeschikking. Hiermee wordt hetmaximaal te betalen subsidiebedrag vastgelegd (het aantal hectares uit de gebiedsaanvraag vermenigvuldigd met het gemiddelde bedrag per hectare). Voor beheerjaar 2016 doet de subsidieontvanger dus uiterlijk op 15 mei 2016 een betaalverzoek voor het beheer dat in 2016 plaatsvindt. Onder j Verantwoording Uiterlijk 1 oktober dient de subsidieontvanger jaarlijks de verantwoording van het betaalverzoek in. In de verantwoording wordt op perceelsniveau vastgelegd welk beheer is uitgevoerd (de locatie en de beheeractiviteit per oppervlakte). Samen met de actuele veldgegevens wordt dit gebruikt als basis voorhet jaarlijkse evaluatiegesprek met de provincie. De verantwoording van het betaalverzoek is de basis voor de hoogte van de betaling die steeds na afloop van een beheerjaar wordt uitgekeerd. Bij het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer 2016 hoeft dus niet jaarlijks een kostenoverzicht te worden ingediend. Bepaald wordt of de beheeractiviteiten in het beheerplan volgens de Catalogus Groenblauwe Diensten, eventueel na correcties en sancties, gelijk of hoger zijn dan het maximaal uit te betalen bedrag. De subsidieontvanger krijgt het bedrag dat vermeld is in de betaalaanvraag uitbetaald als aan de subsidiebeschikking wordt voldaan en het maximumbedrag dat volgt uit de eerdergenoemde berekening niet wordt overschreden. Artikel 3.13 Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting areaal Een uitbreidingsaanvraag is een verzoek tot uitbreiding van de zesjarige subsidiebeschikking. Als hiervoor budget wordt opengesteld, kan het agrarisch collectief jaarlijks een uitbreidingsaanvraag indienen voor de resterende looptijd van de oorspronkelijke zesjarige subsidiebeschikking. De uitbreidingsaanvraag moet de oorspronkelijke aanvraag versterken en passen binnen het natuurbeheerplan dat op het moment van het indienen van de uitbreidingsaanvraag geldt. De uitbreidingsaanvraag doorloopt dezelfde beoordelingsprocedure als nieuwe aanvragen. Artikel 3.14 Subsidievaststelling Aan het einde van de zesjarige subsidieperiode wordt de afrondende subsidiebeschikking vastgesteld op basis van de jaarlijkse beschikkingen op het betaalverzoek, uitgebreid met de laatste beoordeling van het betaalverzoek. De vaststelling wordt getoetst aan de subsidiebeschikking. Artikel 3.15 Sancties Artikel 35 van verordening (EU) nummer 640/14 bepaalt dat het bevoegd gezag een sanctiebeleid moet opstellen. Daarin wordt aangegeven hoe de provincie omgaat met de situatie dat de subsidieontvanger niet aan haar verplichtingen voldoet. Bijlage 1 Index natuur en landschap L01 Groenblauwe landschapselementen 9 Leeswijzer Systematiek In het kader van de vereenvoudiging en transparantie van het Stelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) is een systematiek ontwikkeld die aansluit op de systematiek van de onderdelen Natuur en Agrarisch: L = Landschap L01 = landschapselemententypen L01.01 = landschapsbeheertypen L01.01.01 = pakket L01.01.01a = pakketvariant Binnen het onderdeel Landschap zijn er 4 natuurtypen vastgesteld met daaronder 20 beheertypen. De beheertypen zijn vervolgens verder uitgesplitst in verschillende pakketten die het mogelijk maakt om ook op agrarische grond beheersubsidie aan te kunnen vragen voor landschapsbeheer. Uitgangspunten van de typologie zijn: • Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en regionaal niveau. • Natuurtypen zijn bruikbaar om afspraken op het gebied van landschapsbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu op elkaar af te stemmen zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden. • Natuurbeheertypen zijn bruikbaar voor het typeren van een doelstelling van grote gebieden. • Zowel natuurlijke landschappen als groene cultuurhistorische elementen zijn geïntegreerd in de natuurtypen. • De indeling in natuurtypen zowel gebaseerd op abiotische als op biotische condities en op cultuurhistorie. • Beheertypen zijn bedoeld voor de classificering en indeling van het beheer. • Beheertypen kunnen (op regionaal niveau) beschouwd worden als eenheden met een kleine variatie in natuurwaarde en abiotische randvoorwaarden. • Beheertypen zijn geschikt om zowel actuele situaties als doelen mee te beschrijven. • Binnen een beheertype is sprake van een vergelijkbaar beheer en vergelijkbare kosten (koppeling doelen en middelen). • Pakketten zijn bedoeld voor de aansturing van het agrarisch natuurbeheer. • Pakketten zijn bruikbaar voor het typeren van de doelstelling op perceelsniveau. • De indeling in pakketten is met name gebaseerd op een plaatsing in het ruimtelijk kader (als rand of vlak), beheercyclus, variatie in dichtheden en hydrologische toestand. Van alle landschapselemententypen is een algemene beschrijving opgenomen. De algemene beschrijving geeft een indruk van het voorkomen en geografische verspreiding van de beheertypen, de kenmerkende natuurwaarden en belangrijkste abiotische en ruimtelijke condities. Ook van alle landschapsbeheertypen is een algemene beschrijving opgenomen die samen met de afbakening de basis vormt voor de classificering van de beheertypen. Daarnaast zijn de afbakeningen met name gebaseerd op de minimale oppervlakte en/of afmeting in het kader van ecologische en financiële haalbaarheid van de vergoedingen. In de landschapsbeheertypen staat ook aangegeven dat vanwege de cofinanciering bij agrarisch landschapsbeheer aan bepaalde (beheer)eisen voldaan moet worden wil men in aanmerking komen voor een vergoeding voor het beheer. De algemene beheereisen vormen de basis van het (agrarisch landschaps)beheer, die verder aangevuld wordt met de onder de pakketten weergegeven specifieke beheereisen. L01 Groenblauwe landschapselementen Algemene beschrijving In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse landschapselementen verschenen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie was vaak meerledig: zo dienden dergelijke landschapselementen als perceelsscheiding, veekering of drinkwatervoorziening voor het vee maar ze leverden ook gebruikshout op. Door de komst van prikkeldraad, de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers en hectares van deze elementen verdwenen. Deze landschapselementen vertegenwoordigen vaak een hoge natuurwaarde, doordat veel dieren en planten er beschutting, dekking en voedsel vinden. De lijnvormige landschapelementen worden gebruikt als migratieroute door veel zoogdieren als vleermuizen en das. De blauwe landschapselementen dienen als voortplantingsplaats van amfibieën en insecten. Veel vogels vinden nestgelegenheid in de dichtte begroeiing of juist in de ontstane holtes als gevolg van het intensieve beheer dat bij deze landschapelementen plaatsvindt. Planten en insecten profiteren optimaal van de vele microklimaten die de landschapelementen bieden. Beheertypen Dit natuurtype omvat de volgende beheertypen: • L01.01 Poel en klein historisch water • L01.02 Houtwal en houtsingel • L01.03 Elzensingel • L01.04 Bossingel en bosje • L01.05 Knip- en scheerheg • L01.06 Struweelhaag • L01.07 Laan • L01.08 Knotboom • L01.09 Hoogstamboomgaard • L01.10 Struweelrand • L01.11 Hakhoutbosje • L01.12 Griendje • L01.13 Bomenrij en solitaire boom • L01.14 Rietzoom en klein rietperceel • L01.15 Natuurvriendelijke oever L01.01 Poel en klein historisch water Algemene beschrijving Poelen zijn natuurlijke of gegraven laagtes, gemaakt om over water voor vee te kunnen beschikken. Andere al dan niet gegraven kleine wateren met een historische betekenis zijn bijvoorbeeld voorraadbassins voor bluswater, visvijvers, schapenwasplaatsen, pingoruïnes en veenputten. Vaak vervulden poelen meerdere functies. De mens heeft altijd water nodig gehad en daarvoor zijn zowel bestaande natuurlijke wateren als zelf gegraven laagtes gebruikt. Ook uit de middeleeuwen zijn putten en kuilen bekend. Tot op de dag van vandaag worden poelen gegraven en gebruikt. Poelen en kleine wateren in het landschap kunnen dus al eeuwen oud zijn, alhoewel sommige van zeer recente datum zijn, denk aan nieuw gegraven amfibieënpoelen. Het beheertype Poel en klein historisch water is te vinden in heel Nederland. Er zijn diverse vormen bekend. In het waterrijke West-Nederland dienden de sloten veelal als veedrinkplek en waren poelen dan ook minder noodzakelijk. In dit gebied vinden we de veenputten die door het kleinschalig afgraven van veen zijn ontstaan. Als drinkplaats voor vee zijn poelen daar te vinden waar ander drinkwater niet voorhanden was. Voora lin Oost- en Zuid-Nederland zijn poelen veel voorkomende landschapselementen. In de kustgebieden zijn poelen aangelegd om in zoet water te voorzien in een zilte omgeving. Deze poelen werden dan in een kunstmatige verhoging gegraven. Dit zijn de zogenaamde hollestelles. Deze zijn vooral in Zeeland te vinden en liggen vaak buitendijks. Wateren die als bluswater dienden zijn veel nabij boerderijen en nederzettingen te vinden. Visvijvers komen vooral veel in Brabant en Zuid-Limburg voor. Het is belangrijk de historische contouren/vormen te behouden, zeker bij de visvijvers. Openheid rondom (een deel van) de poel kan de zichtbaarheid en beleefbaarheid vergroten en is van belang om een goed voortplantingsbiotoop voor amfibieën te behouden. In het verleden was zeker bij veedrinkpoelen het element bereikbaar voor vee en dus in ieder geval deels onbegroeid. Vaak stonden er wel enkele bomen bij een poel voor schaduw voor de dieren en tegen verdamping. Soms kennen poelen gemetselde randen, zoals uit Zuid-Limburg bekend is. Poelen zijn van groot belang als voortplantingsbiotoop voor amfibieën en libellen in het cultuurlandschap. Afbakening • Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied. • Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are. • In Zuid-Limburg heeft een voortplantingspoel voor amfibieën een oppervlakte van minimaal 0,2 are. • Vijvers die een onderdeel zijn van een park- of tuinaanleg vallen niet onder dit beheertype, maar onder beheertype Historische tuin. • Wateren die onder N06.05 ‘Zuur ven of Hoogveenven’ of N06.06 ‘Zwakgebufferd ven’ vallen horen niet tot dit beheertype. • Sloten behoren niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • Minimaal de helft van het natte oppervlakte van de poel bestaat in de lente uit open water. Voor behoud van voldoende open water wordt het element periodiek opgeschoond. Incidenteel mag het element in de zomerperiode droogvallen; • Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als veedrinkpoel wordt voorkomen. Bij het gebruik als veedrinkpoel is minimaal de helft van de oeverlengte uitgerasterd; • Maximaal 25% van de oeverlengte is begroeid met inheemse bomen en/of struiken; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden; • Er mogen geen vissen of andere dieren (zoals eenden en ganzen) worden uitgezet of gekweekt; • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; • Maai- en schoningswerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 september en 15 oktober. Beheerpakketten L01.01.00 Poel en klein historisch water - gemiddeld L01.01.01a Oppervlakte poel L01.01.01b Oppervlakte poel > 175 m2 L01.02 Houtwal en houtsingel Algemene beschrijving Houtwallen en houtsingels komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten zoals; graften, grubben, dykswâlen, schurvelingen of houtkaden. Houtwallen komen vooral voor in cultuurlandschappen in het Zandgebied, Heuvelland en het Duingebied. Lijnvormige landschapselementen met wallichaam in het laagveengebied worden houtkade genoemd. Ook de begroeiing op graften en holle wegen in Zuid-Limburg valt onder dit type. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en alsverbindingszone voor fauna. Afbakening • Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd. • De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. • Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.03 Elzensingel. • Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • Tenminste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet; • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; • Het wallichaam wordt in stand gehouden als het element daarvan is voorzien; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; • Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid. Beheerpakketten L01.02.00 Houtwal en houtsingel – gemiddeld L01.02.01 Houtsingel en houtwal. Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van eenmaal per 6-15jaar. L01.02.02 Hoge houtwal • Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 21-25 jaar. Tussentijds mogen overhangende takken gesnoeid worden; • Het wallichaam is minimaal 0,8 meter hoog en de kruidachtige vegetatie van de steile walkanten mag gemaaid worden; • Aan de voet van het wallichaam ligt een greppel die in stand wordt gehouden. L01.02.03 Holle weg en graft • Element is gelegen op talud van holle weg of graft in Zuid-Limburg. • Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van minimaal eenmaal per 15 jaar. L01.03 Elzensingel Algemene beschrijving Elzensingels zijn lijnvormige landschapselementen die bestaan uit een enkele rij zwarte elzen, en vaak langs slootkanten staan. Deze elzensingels komen vooral voor in het laagveen-, zand- of rivierengebied en zijn zeer kenmerkend voor de Friese Wouden en komen in verscheidene andere delen van Nederland voor, zoals het Groninger Westerkwartier, de Gelderse Vallei, Midden-Brabant en de gebieden rond Staphorst en Vriezeveen. Elzensingels zijn van belang voor schuilmogelijkheden voor fauna in het cultuurlandschap. Afbakening • Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten éénrijig landschapselement dat grotendeels bestaat uit Zwarte els en als hakhout wordt beheerd. • Een elzensingel is minimaal 25 meter lang. • Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.13 Bomenrij/solitaire boom. • Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • 75% van lengte van het element wordt als hakhout beheerd; • Het hakhout wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-21 jaar. Tussentijds mogen overhangende takken worden gesnoeid; • Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; • Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Beheerpakketten L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld L01.03.01a Bedekking elzensingel 30-50% L01.03.01b Bedekking elzensingel 50%-75% L01.03.01c Bedekking elzensingel > 75% L01.04 Bossingel en bosje Algemene beschrijving Een bossingel of een bosje zijn houtopstanden die vroeger vaak aangeplant en beheerd werden als hakhout, maar doorgeschoten zijn. Ze komen in veel gebieden in Nederland voor. Ook de meer recentere landinrichtingsbosjes en kleine bosjes die geen hakhoutbeheer gekend hebben behoren tot dit type. Afbakening • Een bossingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken. • Een bossingel heeft een breedte van minimaal 2 en maximaal 20 meter en een minimale oppervlakte van 1,0 are. • Een bosje is een vrijliggend vlakvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken. • Een bosje is minimaal 2,0 are en maximaal 1 hectare groot. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • Het element wordt als bos met hoog opgaande bomen beheerd; • Het element wordt periodiek gedund en overhangende takken kunnen het gehele jaar worden gesnoeid; • Randen van het element kunnen als hakhout beheerd worden; • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; • Dunningswerkzaamheden en het eventueel terugzetten van hakhout worden alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Beheerpakket L01.04.01 Bossingel en bosje L01.05 Knip- of scheerheg Algemene beschrijving Heggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Waar in natte delen van Nederland sloten als eigendoms- of perceelscheiding dienden, werden in drogere delen veelal heggen gebruikt. De doornige meidoorn kon daarnaast ook nog een veekerende functie hebben. Ook op landgoederen en forten is het gebruik van meidoornhagen bekend. De introductie van het prikkeldraad rond 1900 heeft gezorgd voor het verdwijnen van veel heggen. Heggen komen in heel Nederland voor, maar zijn vooral te vinden rondom dorpen en boerderijen. In Zuid-Limburg is de knip- en scheerheg ook een karakteristiek landschapselement in het landelijke gebied. Door het regelmatig knippen heeft de heg een strak en recht uiterlijk. Heggen zijn van belang als leefgebied en migratieroute. Daarnaast bieden heggen schuilmogelijkheden voor de fauna in het cultuurlandschap. Afbakening • Een knip- of scheerheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren. • Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang. • Een knip- of scheerheg kan periodiek gevlochten worden. • Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • Snoeimateriaal mag blijven liggen voor zover dat het element of de ondergroei niet schaadt; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; • Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart. Beheerpakketten L01.05.00 Knip- of scheerheg – gemiddeld L01.05.01a Knip- en scheerheg; jaarlijks scheren of knippen •De heg wordt eenmaal per jaar op minimaal 0,8 meter hoogte aan alle zijden geknipt of geschoren. L01.05.01b Knip- en scheerheg; eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen •De heg bestaat voor meer dan 50% uit meidoorn en wordt om de 2-3 jaar aan alle zijden geknipt of geschoren. Na het knippen/scheren heeft de heg een hoogte van tenminste 1 meter en een breedte van minimaal 0,8 meter. L01.06 Struweelhaag Algemene beschrijving In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse lijnvormige landschapselementen verschenen met houtige gewassen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie van dergelijke landschapselementen was perceelsscheiding en veekering. Door de komst van prikkeldraad en de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers van deze elementen verdwenen. Struweelhagen komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten. Karakteristieke heggenlandschappen zijn terug te vinden langs de grote rivieren Maas en IJssel, in Zuid-Beveland en op Walcheren. Deze landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Het verschil met een knip- of scheerheg is dat een struweelhaag minder frequent wordt gesnoeid en daardoor meer en breder uitgroeit. Soms is er sprake van speciale beheervormen zoals bij vlechtheggen. Struweelhagen vormen een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Afbakening • Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. • Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang. • Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het beheertype L01.05 Knip- of scheerheg. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • Het snoeien kan gecombineerd worden met het vlechten van de haag; • Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden, behoudens bij het vlechten van de haag; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; • Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid; • Indien snoeiwerkzaamheden machinaal worden uitgevoerd, wordt geen klepelmaaier gebruikt. Beheerpakketten L01.06.00 Struweelhaag – gemiddeld L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar • Het element kan vrij uitgroeien en wordt 1 maal per 5 tot 7 jaar aan drie zijden gesnoeid. Na het snoeien heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,8 meter; L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus > 12 jaar • Het element kan vrij uitgroeien en wordt 1 maal per 12 tot 25 jaar afgezet; L01.07 Laan Algemene beschrijving Lanen zijn wegen die aan beide zijde met een of meerdere rijen bomen zijn beplant. Lanen vormen sinds de 17e eeuw belangrijke dragers van landgoederen en buitenplaatsen. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen weersinvloeden en voor de houtproductie. Lanen blijven populair in de diverse tuinstijlen. Nog altijd worden nieuwe lanen aangelegd. Lanen komen voor in heel Nederland, vaak op en rond landgoederen. Soms herinneren lanen aan vroegere landgoederen op die locatie. Lanen zijn belangrijke onderdelen van landgoederen en geven vaak de structuur aan. Niet zelden bevindt zich het landhuis aan het eind van een laan, of biedt een laan een ver zicht naar een markant punt in de omgeving. Zeker oudere lanen met markante bomen kunnen zeer indrukwekkende landschapselementen zijn. Lanen zijn van belang voor aan oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen. Verder zijn ze van belang voor op bomen groeiende mossen en korstmossen en oude lanen waar jaarlijks weinig strooisel blijft liggen zijn van groot belang voor zeldzame mycorhizapaddestoelen. Afbakening • Een laan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen bomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als laan. • Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig plantverband. • Onder dit beheertype vallen ook dijken met een weg, bovenop de kruin van de dijk, die aan beide zijden met bomen is beplant. • Een laan is minimaal 50 meter lang. • Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.13 Bomenrij/solitaire boom. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • De bomen worden periodiek gesnoeid; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; • De bomen mogen niet beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; • Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart. Beheerpakketten L01.07.00 Laan- gemiddeld L01.07.01a Gemiddelde stamdiameter bomen L01.07.01b Gemiddelde stamdiameter bomen 20-60 cm L01.07.01c Gemiddelde stamdiameter bomen > 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en element wordt alsgeheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomenvan het element. L01.08 Knotboom Algemene beschrijving Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam, waarbij periodiek de boven op die stam groeiende takken (of pruik) worden geoogst. Door die oogst ontstaat er op deze hoogte een vergroeiing van destam: de knot. De knotboom levert gemakkelijk oogstbaar hout op dat op een plaats groeit waar het vee er niet bij kan. Knoteiken worden traditioneel een keer in de zeven tot acht jaar geknot. Bij knotessen gebeurde dat eens in de vijf tot zes jaar en knotwilgen en knotpopulieren worden meestal eens in de vier jaar geknot. Al van voor het begin van onze jaartelling zijn er vermeldingen bekend van knotbomen. Het gaat dan om de soorten wilg, populier, es, els, eik en haagbeuk. Knotessen, knothaagbeuken en knoteiken kunnen bijzonder oud worden. Ook wilgen en bijvoorbeeld populieren worden als knotboom veel ouder dan wanneer ze vrijuit groeien. Voor grote delen van vooral Laag Nederland is de knotwilg een zeer kenmerkend landschapselement. Utrecht en Zuid-Holland zijn de provincies met de meeste knotbomen, geschat wordt dat het alleen daar al om honderdduizenden exemplaren gaat. Andere knotboomrijke gebieden zijn Zuid-Limburg, de Achterhoek, de Liemers, het gebied van de grote rivieren en Zeeuws-Vlaanderen. Het silhouet van knotbomen is uit veel regio's bekend. Per gebied verschillen echter wel de boomsoorten die ervoor worden gebruikt. In het oosten van het land staan knoteiken, essen en wilgen in houtwallenen als overstaanders in heggen. Maar ze zijn daar en in het zuiden ook te vinden in graften, langs hollewegen en terras- en bosranden. Ze komen zelfs midden in bossen voor als markering van vroegere hakhoutpercelen. Knotelzen staan vaak op armere gronden, ze zijn vooral kenmerkend voor akkerrandenin landschappen met kampontginningen, slagenlandschappen en esdorpenlandschappen. Ze kwamen vroeger op veel plaatsen in Nederland voor, langs slootkanten als geknotte elzenhagen, maar ook in rijen tussen akkers en weilanden. In laagveengebieden en langs rivieren en dijken staan verschillende wilgen- en populierensoorten, maar daar en vooral in het laagveengebied worden ook gewone essen gebruikt. De bodem heeft daar weinig draagkracht en essen kunnen geknot veel ouder worden dan doorgroeiende essen. Knotbomen bieden broedgelegenheid aan diverse vogels, waaronder de Steenuil en Wilde eend. Vooral oude knotbomen kunnen zeldzame hierop groeiende mossen en korstmossen herbergen. Afbakening • Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot). • Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepen. Een kleine groep bestaat uit maximaal 20 bomen. • Vlakvormige elementen met knotbomen, behoudens kleine groepen, horen niet tot dit beheertype maar kunnen mogelijk gerangschikt worden onder het beheertype L01.12 Hakhoutbosje of L01.13 Griendje mits voldaan wordt aan de eisen van deze beheertypen. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • Knotwilgen, -elzen, -essen en -populieren worden in een cyclus van éénmaal per 3-8 jaar geknot. Knoteiken en -haagbeuken worden geknot in een cyclus van minimaal eenmaal per 15 jaar; • Er mag geen snoeihout verbrandt worden in de directe omgeving van de knotboom; • De boom mag niet beschadigd worden door vee; • Knotwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Beheerpakketten L01.08.00 Knotboom - gemiddeld L01.08.01a Gemiddelde stamdiameter knotboom L01.08.01b Gemiddelde stamdiameter knotboom 20-60 cm L01.08.01c Gemiddelde stamdiameter knotboom > 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit meerdere knotbomen bestaat wordt het element als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element. L01.09 Hoogstamboomgaard Algemene beschrijving Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruitrassen of notenbomen. Hoogstamboomgaarden zijn al bekend uit de middeleeuwen bij kloosters en kastelen, zowel voor eigen gebruik als handel. Ook bij boerderijen komen boomgaarden dan ook al eeuwen voor en sommige locaties kunnen heel oud zijn. De bomen zelf worden vaak niet ouder dan honderd jaar. De stijgende prijzen voor fruit zorgden voor een ware explosie van het aantal boomgaarden tussen 1850 en 1900. Na deTweede Wereldoorlog verdwenen veel hoogstammen voor de efficiëntere teelt in eerst half- en vervolgens laagstammen. Rooipremies hebben in het hele land veel hoogstamboomgaarden doen verdwijnen. In Zeeland speelde de overstromingen tijdens de Tweede Wereldoorlog en in 1953 een belangrijke rol in het afnemen van de hoogstammen in deze provincie. Inmiddels worden er uit landschappelijke en ecologische motieven weer hoogstambomen aangeplant, maar de oppervlakte is nog maar een fractie van de oppervlakte die kort na de Tweede Wereldoorlog bestond. Overal in Nederland komen hoogstamboomgaarden voor, vooral als onderdeel van het boerenerf. Ook bij landgoederen en buitenplaatsen waren vaak (grootschalige) boomgaarden te vinden. Niet overal in Nederland komen hoogstamboomgaarden evenveel voor. Vooral in de traditionele fruitgebieden, zoals Zuid-Limburg en het rivierengebied liggen nu nog veel restanten van oude boomgaarden. In het Hollands-Utrechtse veenweidegebied komen nog veel boomgaarden bij boerderijen voor. Hier is door afzetting van rivierklei een geschikte groeiplaats ontstaan. In noord- en oost Nederland op het zand zijn hoogstamboomgaarden relatief schaars. Boomgaarden zijn dikwijls verbonden aan boerderijen. Enkele grotere complexen horen bij landgoederen en buitenplaatsen of dateren uit de tijd van de grote groei (1850-1900). Boomgaarden worden vaak door een heg, haag of sloot afgescheiden van de omgeving. De ondergrond van de hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland: de hoogte van de stammen zorgden er immers voor dat het vee geen fruit kon eten! In het rivierengebied komen oude boomgaarden op de kleigronden voor, in Zuid-Limburg is er vaak een relatie met de dorpen. Naast hun functie voor fruitproductie hebben hoogstamboomgaarden ook een belangrijke landschappelijke betekenis en vormen ze het leefgebied voor diverse diersoorten zoals bijvoorbeeld steenuil. In oude boomgaarden groeien vaak ook bijzondere zeldzame fruitrassen en in de ondergroei van de hoogstammen handhaaft zich vaak een soortenrijke kruidenvegetatie. Afbakening • Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,5 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. • Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per hectare. • Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten. • Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • Indien het appel of peer betreft wordt de boom tenminste éénmaal per 2 jaar gesnoeid. Andere soorten enkel vormsnoei indien nodig; • De grasvegetatie wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd of de grasvegetatie wordt beweid; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van de bomen of versnipperd hout verwerkt worden in de boomgaard; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en Brandnetel in het element gebruikt worden; • De hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Jonge bomen zijn voorzien van een boomkorf; • Bemesten en bekalken van de boomgaard is toegestaan. Bij bemesten van de boomgaard worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd; • Snoeiwerkzaamheden kunnen gedurende het gehele jaar worden verricht. Beheerpakket L01.09.01 Hoogstamboomgaard L01.10 Struweelrand Algemene beschrijving Struweelranden kunnen zich ontwikkelen vanuit een extensief beheerde situatie, of aangeplant worden. Afhankelijk van het beheer kunnen randen ontstaan die gedomineerd worden door ruigtekruiden, struiken of een combinatie van beide. Kenmerk van een struweelrand is dat deze zowel vrijliggend, als aansluitend aan een ander element kan liggen. Struweelranden kunnen daarmee dienen als overgangsgebied tussen agrarisch gebruikte percelen en bossen, en zijn in die vorm vooral te beschouwen als een naar voren geschoven bosrand. Met een gunstige ligging kunnen struweelranden bijdragen aan een warmer microklimaat, en zijn dan vooral van belang voor insecten, amfibieën en reptielen. Wanneer dat microklimaat ontbreekt, kunnen struweelraden vooral van belang zijn voor broedvogels en planten van een meer extensief beheer. Afbakening • Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen. • De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. • Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door inheemse bomen en/of struiken. • De struweelrand kan langs een bosrand of een landschapselement liggen maar ook vrij in het veld, bijvoorbeeld langs een perceelsrand. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • Periodiek wordt de begroeiing gemaaid en/of afgezet; • 50% van de oppervlakte van de rand bestaande uit een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden mag periodiek gemaaid worden met een cyclus van maximaal éénmaal per5 jaar. Het maaisel wordt afgevoerd; • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling en de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en Brandnetel, en meststoffen in het element gebruikt worden. • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee; • Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 15 juli en 15 maart en het afzetten van struweel wordt alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart. Beheerpakketten L01.10.01 Struweelrand L01.11 Hakhoutbosje Algemene beschrijving Boeren hebben al eeuwenlang behoefte aan hout voor allerlei doeleinden. Het kan hierbij gaan om brandhout, staken voor de groentetuin of hout voor gereedschapsstelen. Dit soort bosjes wordt in de volksmond ook wel geriefhoutbosje genoemd. In de loop der tijd zijn deze bosjes vaak in onbruik geraakt omdat er steeds minder behoefte aan het hout kwam. Ook werden in sommige regio’s deze bosjes gebruikt om aan ziekten doodgegaan vee te dumpen. Afbakening • Een hakhoutbos(
- je)is een vrijliggend vlakvormig landschapselement, met inheemse bomen en/of struiken dat als hakhout wordt beheerd. • Een hakhoutbosje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot. • Kleine vrijliggende bosjes zonder hakhoutbeheer of met een zeer beperkte vorm van hakhoutbehee rbehoren tot het beheertype L01.04 Bossingel en Bosje Subsidievoorwaarden Binnen natuurterreinen dient de beheerder het landschapstype in stand te houden om voor beheersubsidie SNL in aanmerking te komen. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. In agrarisch gebied hebben landschapselementen een aantal verplichte beheereisen, die de basis voor de vergoeding vormen. Deze moeten dus uitgevoerd worden. Beheereisen • Minimaal 80% van de oppervlakte van het bosje wordt als hakhout beheerd; • Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6 - 25 jaar; • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element. • Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid. Beheerpakketten L01.11.01a Droog hakhoutbosje (zomereik, wintereik, berk en haagbeuk dominant) L01.11.01b Vochtig en nat hakhoutbosje (zwarte els en/of gewone es dominant) L01.12 Griendje Algemene beschrijving In bepaalde delen van het land, was het verbouwen van wilgen lange tijd vrij gebruikelijk in vooral moerassige streken. Deze wilgen werden op enige tientallen centimeters boven de grond afgezet in een 4-6 jarige cyclus. Het hier vanaf komend hout (vaak wilgentenen genoemd) werd o.a. gebruikt als rijshout ter bescherming van waterkeringen. Deze wilgengrienden zijn ook nu nog in het landschap terug te vinden en het eraf komend hout wordt nog steeds gebruikt voor rijshout, maar kent inmiddels ook moderner toepassingen als tuinschermen etc. Vooral de oude wilgengrienden hebben vaak een rijke ondergroei van hogere planten, varens en mossen. Faunistisch zijn ze van belang als schuilplaats voor kleine zoogdieren en broedgebied voor zangvogels. Ook reeën vinden een geschikte schuilgelegenheid in wilgengrienden. Afbakening •Een griendje is een vrijliggend vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten dat als hakhout wordt beheerd. • Het griendje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot. • Grienden die machinaal gemaaid worden behoren niet tot dit type. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • Het element bestaat uit inheemse wilgensoorten en wordt geheel als hakhout beheerd en afgezet in een cyclus van tenminste éénmaal per 5 jaar; • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als noeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen; • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; • Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid. Beheerpakket L01.12.01 Griendje L01.13 Bomenrij en solitaire boom Algemene beschrijving Bomenrijen komen in heel Nederland voor en zijn vaak zeer bepalende elementen in het landschap, met een grote verscheidenheid aan vormen. Op de zandgronden komen bomenrijen voor langs perceelsgrenzen en langs paden. In het zeekleigebied zijn bomenrijen vaak terug te vinden op de slapende dijken. Ze kunnen bestaan uit één of meerdere boomsoorten, vrij in het veld staan of langs een watergang, schouwpad, weg of anderszins. In deze vorm hebben bomenrijen niet alleen een landschappelijke waarde maar ook waarde als broedgebied voor vogels, of als ecologische corridor, bijvoorbeeld voor vleermuizen. Solitaire bomen zijn eveneens zeer kenmerkend voor het landschap, en vanuit die optiek waardevol om te behouden. Afbakening • Een bomenrij/solitaire boom is een vrijliggend landschapselement van inheemse loofbomen dat niet kan worden gerangschikt onder andere beheertypes van deze index. • Bedoeld worden solitaire bomen of bomen in een groep of rij staande op of langs landbouwgrond. • Bomen die een onderdeel vormen van een ander beheertype van deze index of deel uitmaken van een bomenrij als bedoeld in dit beheertype kunnen niet als solitaire boom of verzameling van solitaire bomen aangevraagd worden. • De bomenrij is minimaal 50 meter lang en bestaat uit minimaal 8 bomen per 100 meter. • Vlakvormige boomweides behoren niet tot dit beheertype. • Solitaire knotbomen of een rij knotbomen behoren tot het beheertype L01.08 Knotboom. • Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • De bomen worden periodiek gesnoeid. Jonge bomen gemiddeld eenmaal per 5 jaar en oudere bomen gemiddeld eenmaal per 10 jaar. Bij oudere bomen kan het snoeien zich beperken tot het verwijderen van dood hout; • Na het snoeien beslaat de blijvende kroon altijd minimaal tweederde deel van de totale lengte van de boom; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van het element; • Ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) in het element mogen middels een stobbenbehandeling bestreden worden; • De bomen mogen niet beschadigd worden door vee. Jonge bomen in een weiland (boomdijk) zijn voorzien van een boomkorf of zijn uitgerasterd; • Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart. Beheerpakketten L01.13.01 Bomenrij en solitaire boom De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit meerdere bomen bestaat wordt het element als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element. L01.14 Rietzoom en klein rietperceel Algemene beschrijving Rietzomen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan agrarisch gebruikte percelen. Deze rietstroken kunnen zowel individueel als in samenhang met elkaar voorkomen, en in de laatste vorm soms vele kilometers lengte beslaan. Vanwege een extensief gebruik van deze rietzomen, zijn ze een belangrijk broedgebied voor rietvogels, en eveneens van belang voor amfibieën, ringslang, libellen en moerasvegetaties. Afbakening • Een rietzoom bevindt zich langs een waterloop en bestaat uit riet-, biezen en/of zeggevegetaties, waarvan riet meer dan 50% van de oppervlakte inneemt. • De rietzoom heeft een breedte van minimaal 2 meter en is minimaal 25 meter lang. • Een klein rietperceel is een vlakvormig element met een vegetatie die overwegend uit riet bestaat. Het rietperceel heeft een maaibare oppervlakte van maximaal 0,5 ha. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • Maximaal 20% van de oppervlakte van het element bestaat uit struweel; • Het element wordt periodiek gemaaid in een cyclus van éénmaal per 2-4 jaar en het maaisel wordt afgevoerd; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee; • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; • Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 oktober en 1 maart. Beheerpakketten L01.14.01a Smalle rietzoom ( L01.14.01b Brede rietzoom (> 5 meter) en klein rietperceel L01.15 Natuurvriendelijke oever Algemene beschrijving Natuurvriendelijke oevers komen in heel Nederland voor langs waterlopen maar het meest karakteristiek zijn de natuurvriendelijke oevers voor Laag Nederland. Natuurvriendelijke oevers zijn door de mens aangebracht in de vorm van een plas- of dras berm of een flauw talud langs een bestaande waterloop. De begroeiing bestaat uit plantensoorten van natte ruigten en natte graslanden. Door de kenmerkende flora en fauna hebben deze oevers een hoge ecologische waarde. Zij zijn gebonden aan typische terreinomstandigheden. Afbakening • Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm of flauw talud (minimaal 1:3) met een begroeiing van inheemse planten. • De oever heeft een breedte van tenminste 3 meter en maximaal 10 meter en heeft een minimale lengte van 25 meter. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen • Het element wordt periodiek gemaaid in een cyclus van minimaal éénmaal per 2 jaar en maximaal éénmaal per jaar. Het maaisel wordt afgevoerd; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee; • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; • Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 15 juli en 1 maart. Beheerpakket L01.15.01 Natuurvriendelijke oever L02 Historische gebouwen en omgeving Algemene beschrijving Vanaf de (late) middeleeuwen nam de bouw van grote, ruim opgezette bouwwerken een grote sprong voorwaarts. Er werd veel geïnvesteerd in grote verdedigingwerken die het land en haar inwoners diende te beschermen. Maar daarnaast nam ook het aantal luxueuze buitenverblijven toe. De adel en andere welvarende burgers vestigden zich in het buitengebied in een veelal ruim opgezette indeling van gebouwen en bijbehorende gronden. Ook het aantal kloosters nam toe sinds de middeleeuwen sterk toe. De nog resterende gebouwen van die tijd kennen naast hun cultuurhistorische waarde vaak ook een grote natuurwaarde. Kenmerkend voor deze landschappen zijn de muurplanten die op de, met kalkrijke mortel aangelegde, muren groeien en de vleermuizen die in de kelders en de vele holtes die vaak in een dergelijke omgeving aanwezig zijn, zeer geschikte verblijfplaatsen vinden. Beheertypen Dit natuurtype omvat de volgende drie beheertypen: • L02.01 Fortterrein • L02.02 Historisch bouwwerk en erf • L02.03 Historische tuin L02.01 Fortterrein Algemene beschrijving In Nederland zijn sinds de 16e eeuw vele forten gebouwd ter bescherming van strategische locaties zoals steden, doorgaande wegen of belangrijke wateren. De bekende waterlinies zoals de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam waren gebaseerd op stelsels van inundatievlakten en forten, die strategische plekken tussen de onderwaterzettingen moesten verdedigen. Forten zijn vaak uitgebreide complexen bestaande uit gebouwen, wallen en grachten. De Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie kennen tientallen van dergelijke forten, maar ook losse forten komen voor. Fortterreinen hadden diverse functies: wallen dienden ter verdediging, maar er waren ook vlakke gedeelten voor exercitie, beplanting voor de aanwezigheid van gebruikshout en camouflage. Voornaamste onderdeel van fortterreinen vormen de vaak complexe stelsels van wallen, waarin de gebouwen vaak liggen ingebed. Ook opstelplaatsen voor geschut zijn in de wallen te vinden. Beplanting vormt vaak een belangrijk onderdeel van fortterreinen. Van de forten van de grote waterlinies is bekend, dat deze forten een planmatige beplanting kenden: deels als camouflage, maar vooral ook om gebruikshout beschikbaar te hebben. Restanten van deze beplantingen zijn nog op diverse fortente vinden. Concentraties van fortterreinen zijn te vinden rondom de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, maar verspreid door het land komen ook elders forten voor, soms geïsoleerd, soms deel uit makend van een linie. Voorbeelden zijn Fort Sint Pieter op de Sint Pietersberg bij Maastricht of Fort Rammekens bij Vlissingen. Belangrijkste beheermaatregelen bestaan uit het onderhouden van de wallen en bijbehorende graslanden en de (al dan niet historische) beplanting. Maaien en afvoeren van het maaisel van de wallen is één van de belangrijkste beheermaatregelen. De schuine taluds van de wallen maken maaien vaak moeilijk. Fortterreinen hangen sterk samen met de fortgebouwen, de fortgracht en het buitenfort. Forten kennen meestal een sterke relatie met het omliggende landschap, zoals bijvoorbeeld de strategische ligging en nabijheid van het te verdedigen object, zoals een weg, dijk of stad. Fortterreinen hebben meestal een belangrijke functie als rustgebied voor fauna in het cultuurlandschap. De erop aanwezige gebouwen vormen belangrijke voortplantings- en overwinteringsplekken voor vleermuizen. Afbakening • Tot het beheertype Fortterrein behoren de stelsels van wallen, beplanting en terreinen inclusief de gracht, met uitzondering van de gebouwen van het fort. Het gaat hierbij vrijwel altijd om 19e en vroeg 20e eeuwse complexen. • De aanwezige historische beplanting, vaak knotbomen en meidoornhagen, worden periodiek afgezet. Deze maken onderdeel van fortterrein en vallen niet apart als landschapselement onder de beheertypen Houtwal, Struweelhaag, Knotboom, Elzensingel of Knip- en scheerheg. • Het grazige gedeelte van het fortterrein wordt niet apart als beheertype Kruiden- en faunarijk grasland onderscheiden, maar is onderdeel van het beheertype Fortterrein. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. L02.02 Historisch bouwwerk en erf Algemene beschrijving Historisch bouwwerk en erf bestaat uit bouwwerken die van belang zijn in de geschiedenis van de architectuur, die belangrijke architectonische elementen bevatten of die een belangrijke historische rol hebben gespeeld in de plaatselijke culturele of sociale ontwikkeling. Hierbij gaat het om het bouwwerk inclusief de bijbehorende directe omgeving zoals bijvoorbeeld erven en omgrachting. Het gaat hierbij om de buitenruimte met een utilitair gebruik die een functionele samenhang heeft met het gebouw. Het geheel kan al of niet officieel als monument zijn aangewezen. Er zijn verschillende bouwwerken te onderscheiden: 1. Landhuizen en bijgebouwen en omgrachting (stallen, dienstwoningen, poortgebouwen, oranjerie, duiventil, tuinhuisje, ijskelders, etc.); 2. Boerderijen en bijgebouwen met bijbehorend historische erfindeling en omgrachting (stallen, etc.); 3. Bouwwerken met een religieuze functie (of verleden) inclusief begraafplaatsen; 4. Bouwwerken met een industriële of technische functie (of verleden) (zoals; molens, sluizen + bijgebouwen, (steen-) fabrieken); 5. Woonhuizen; 6. Bouwwerken met een militaire functie en eventuele omgrachting ( of verleden) (zoals fortgebouwen, bunkers, betonnen en stenen verdedigingswerken. Van de verschillende bouwwerken zijn regionale types (bijv. boerderijen) en/of specifieke relaties met de vestigingsplek (bijv. steenfabrieken). Verschillende bouwwerken dienen als broed- of overwinteringplaats van vogels en insecten. Afbakening •Onder dit beheertype vallen het bouwwerk inclusief de bijbehorende directe omgeving zoals bijvoorbeeld erven. Het gaat hierbij om de buitenruimten die een functionele samenhang hebben met het gebouw. Beheer Er zijn drie beheeropties: Consolidatie door regulier beheer, restauratie of reconstructie. De kern van het beheer is dat het bouwwerk in de huidige toestand blijft. Men kan ook kiezen om tot restauratie of reconstructie over te gaan wat na de ingreep tot een instandhoudingbeheer zal leiden. L02.03 Historische tuin Algemene beschrijving Het beheertype Historische tuin beslaat oude tuinen of tuinonderdelen bij buitenplaatsen, landgoederen, kastelen of kloosters die onderhouden moeten worden volgens een bepaald historisch ontwerp. Hierbijhoren o.a. gazons, (rozen)perken, fonteinen, sier- en fruitbomen, paden, heggen, bij het ontwerp horende vijvers/waterpartijen etc. Buitenplaatsen ontstonden in de Nederlanden eind 16e eeuw. Sommige buitenplaatsen ontwikkelden zich uit de bestaande kastelen en kloosters, andere werden nieuw gesticht, veelal door de nieuwe stedelijke elite die genoeg geld hadden verdiend om naar 'buiten' te trekken en op een landschappelijk aantrekkelijke plaats te gaan wonen. Buitenplaatsen nabij steden werden lang niet altijd permanent bewoond, vaak werd het huis in de stad aangehouden en woonde de eigenaaralleen in het zomerseizoen op de buitenplaats. Buitenplaatsen waren in Nederland populair vanaf de17e eeuw. Er zijn diverse stijlvormen bekend: • Geometrische tuinstijl 17e/18e eeuw • Landschappelijke stijl eind 18e en 19e eeuw • Gemengde en neostijlen 20e eeuw. In praktijk is op de meeste buitenplaatsen een mengvorm van deze tuinstijlen te vinden. De ontwikkeling van tuinstijlen begint in de zeventiende eeuw met de geometrische tuinen met veel symmetrie, water, lanen en zichtassen (denk aan Het Loo), naar de landschappelijke tuinen vanaf eind 18e eeuw naar allerlei meng- en neostijlen in de 20e eeuw. Historische tuinen zijn te vinden op landgoederen en buitenplaatsen in heel Nederland. Er zijn enkele bekende zones met vele buitenplaatsen bij elkaar in Nederland te vinden zoals langs de Vecht of de ’s Gravelandse Buitenplaatsen. Tuinen in de geometrische tuinstijl zijn zeldzaam: Het Loo is een bekend voorbeeld. In de landschappelijke tuinstijl zijn vele parken bij landgoederen en buitenplaatsen aangelegd, maar lang niet altijd is daar een historische tuin in deze stijl bij te vinden. Veel historische tuinen komen toch uit de categorie gemengde en neostijlen vanaf begin 20e eeuw. Ook hierbij geldt, dat vele mengvormen voorkomen en vaak elementen uit vroegere stijlperiodes in de tuin werden opgenomen. Ook rondom kloosters kunnen historische tuinen te vinden zijn. De tuin werd vaak ingericht met een mengeling van recreatieve en nuttige functies, waarbij het representatieve aspect dominant was. De tuin was een onderdeel van een groter geheel waar ook lanen, singels, leibomen, solitaire bomen, begroeide slangenmuren, grachten, kanalen, een duiventil, follys en allerlei bijgebouwen bijhoren. Deze verschillende delen worden bijeengehouden doordat ze bij het ontwerp van één buitenplaats horen. De tuinen hebben een relatie met het bijbehorende huis. Vaak waren de intensief onderhouden tuinen in de directe omgeving van het huis te vinden. In een enkel geval is het huis verdwenen maar de tuin nog aanwezig. Daarnaast hebben de tuinen een duidelijke relatie met andere onderdelen van het landgoed of de buitenplaats, zoals de lanen en parkbossen of landerijen. Soms hebben deze een sterke regionale inslag, vaak ook niet. Afbakening • Het beheertype historische tuinen beslaat oude tuinen of tuinonderdelen bij buitenplaatsen, landgoederen, kastelen of kloosters die onderhouden moeten worden volgens een bepaald histo- risch ontwerp. Belangrijkste onderdelen zijn in dit type gazons, (rozen)perken en borders, (uitheemse) bomen en struiken, kleinschalig padenpatroon, fonteinen, sier- en fruitbomen, paden, heggen en bij het ontwerp horende vijvers/waterpartijen. Ook bijzondere tuinelementen als berceaus (loofgangen) of doolhoven vallen onder dit type. Deze onderdelen worden intensief onder- houden volgens een bepaald ontwerp. • Niet tot het beheertype behoren landschapselementen die horen bij Park- en stinzenbossen (beheertype N17.03) en lanen LN 1.7. • Gebouwde elementen van de tuin zoals tuinmuren en ijskelders vallen onder beheertype LN 2.2. • Een landgoed of buitenplaats bezit niet per definitie een historische tuin, zoals in dit beheertype bedoeld is. Ook kloosters kunnen een historische tuin kennen. Stadstuinen vallen buiten dit type. Beheer Er zijn drie beheeropties: Consolidatie door regulier beheer of restauratie of reconstructie. De kern van het beheer is dat de tuin in de huidige toestand blijft. Bij het beheer is kennis van de oorspronkelijke vorm en betekenis van de verschillende groene elementen van belang. Het beheer is dus gericht op behoud van de oorspronkelijke structuren. Is de structuur van een tuin verloren gegaan door sterke verwaarlozing, dan zijn er vaak nog wel resten te vinden van de oude aanleg. In dat geval kan gekozen worden voor een restauratie of reconstructie. De eerste vraag die daarbij gesteld wordt is: kies je voor een specifiek tijdsbeeld (bijvoorbeeld begin 19e eeuw), of moet de nieuwe situatie een beeld geven van de ontwikkeling van de tuin door de jaren heen? Beide keuzen vereisen een grondige studie van historische bronnen, zoals oude kaarten, beschrijvingen en mogelijk zelfs ontwerptekeningen van de tuin. Op grond daarvan zal gekozen moeten worden voor een van de twee hierboven genoemde mogelijkheden. Consolidatie betekent het behouden van nog aanwezige tuinelementen in de huidige situatie. L03 Aardwerken Algemene beschrijving Door de eeuwen heen heeft de mens haar sporen achtergelaten in het Nederlandse landschap. Er werden nederzettingen opgericht in het buitengebied waarbij de omgeving gebruikt werd om in de levensbehoeften van de inwoners te voorzien. Zo werden er verhogingen in het landschap aangelegd die de inwoners moesten beschermen tegen aanvallers maar ook tegen het water. Daarnaast werd het landschap zo ingericht dat het mogelijk werd om vee te houden en gewassen te telen. Om de achterliggende gronden bereikbaar te maken werden paden aangelegd die als gevolg van vele jaren intensief gebruik vaak insleten in het landschap. Deze sporen zijn tot op de dag van vandaag zichtbaar in het landschap en geven het landschap een historische dimensie. Beheertypen Dit natuurtype omvat het volgende beheertype: • L03.01 Aardwerk en groeve L03.01 Aardwerk en groeve Algemene beschrijving Binnen dit beheertype valt een diverse verzameling van landschapselementen van door de mens gemaakte verhogingen of ophogingen van aarde/grond of door de mens gemaakte kuilen, laagtes of gaten. Grofweg is deze verzameling in 4 groepen in te delen: 1. Aarden schansen of ander verdedigingswerken: o.a. schansen, landweren, kogelvangers, tankgrachten en loopgraven); 2. Wallen en dijken: tuunwallen, aarden wallen, terpen, wierden, dijken (slaper-, binnen-, ban-, overlaat-, peel-, rivier, schaar-, schenkel-, stuif-, zomer-, zeedijk etc) en dammen (incl. Spekdam (spiek, paap); 3. Groeves en putten: steengroeven, zand-(grind-)putten en –groeves, kuilen (ijzer-, boeren- en zaagkuilen), daliegaten en leemputten; 4. Microreliëf en steilranden; kades (tiendwegen), esranden, bolle akkers en akkerbergen. Vooral wallen en dijken zijn opvallende elementen in het landschap en een belangrijk onderdeel van veel landschappen in het lage deel van Nederland. Van de verschillende landschapselementen zijn regionale types en/ of specifieke relaties met de locatie van voorkomen. Afbakening • Alle landschapselementen die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) staan, zoals bijvoorbeeld motte’s, grafheuvels en vlietbergen vallen buiten dit beheertype maar vallen onder het type archeologisch waardevol terrein. • Alleen elementen dia als zodanig worden beheerd vallen onder dit beheertype. • Elementen die al onder een ander beheertype kunnen worden gerekend vallen buiten dit beheertype. Beheer Binnen natuurterreinen en in agrarisch gebied geldt een instandhoudingsverplichting. Het beheer dient er op gericht te zijn dat het landschapselement in de huidige toestand blijft. L04 Recreatieve landschapselementen Algemene beschrijving Mensen gebruiken het