← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiden 2026 (Leiden)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Leiden de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning beoordeelt voor inwoners die niet zelfredzaam zijn of niet kunnen participeren, en hoe maatwerkvoorzieningen worden verstrekt. Het doel is een samenhangend systeem te creëren waarbij eigen verantwoordelijkheid, resultaten en maatwerk centraal staan.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiden 2026Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Leiden, gelet op: titel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Verordening maatschappelijke ondersteuning Leiden 2020, en de verordening tot derde wijziging van de verordening maatschappelijke ondersteuning Leiden 2020; overwegende dat: het college het wenselijk vindt om tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en/of participatie; het college inzichtelijk wil maken op welke verschillende terreinen maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld; de kernbegrippen bij het verstrekken van maatwerkvoorzieningen worden gevormd door de eigen verantwoordelijkheid, te bereiken resultaten en het leveren van maatwerk; het daarom wenselijk is om beleidsregels op te stellen waarin bovenstaande uitgangspunten zijn weergegeven. Besluit vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiden 2026. Hoofdstuk1Begripsbepalingen Artikel1Begripsbepalingen In de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiden 2024 wordt verstaan onder: Belanghebbende: de persoon op wie het onderzoek naar de behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, participatie en zelfredzaamheid, betrekking heeft. Financieel besluit: het vigerend Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Leiden. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de belanghebbende een sociale relatie onderhoudt. Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning Leiden 2020, geconsolideerde versie na derde wijziging De wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Arrangement: een op een cliënt gericht aanbod van maatschappelijke ondersteuning binnen één of meer resultaatsgebieden; Alle begrippen die in deze beleidsregels genoemd worden en die niet nader worden omschreven, zijn in de Wmo 2015 (de wet) en in de Verordening opgenomen en daarmee bindend voor deze beleidsregels. Hoofdstuk2Melding en behandeling hulpvraag Artikel2Melding Een melding is het verzoek om onderzoek naar de behoefte van een inwoner op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, participatie en zelfredzaamheid (artikel 2.3.2 Wmo). De toegangsprocedure start met een melding, die wordt geregistreerd. Een informatie- of adviesvraag of een vraag om ondersteuning die door het sociaal wijkteam zelf geleverd wordt hoeft geen melding te zijn. Een melding kan worden gedaan bij het sociaal wijkteam. Dit kan op verschillende manieren (telefonisch, persoonlijk, schriftelijk, digitaal) en kan worden gedaan door de belanghebbende zelf of namens en met instemming van de belanghebbende. Ook toeleiders, zoals huisartsen of praktijkondersteuners, kunnen een melding doen. Melding voor Wonen met Ondersteuning Een melding voor Wonen met Ondersteuning kan alleen door inwoners van Leiden worden gedaan. Inwoners van buiten de regio met een mogelijke hulpvraag op het vlak van Wonen met Ondersteuning en een wens om zich in Leiden te vestigen, dienen zich te melden bij hun woongemeente of bijbehorende centrumgemeente. De gemeente Leiden zal - mede op basis van de informatie van de woongemeente - de toelating tot Wonen met Ondersteuning in Leiden zorginhoudelijk toetsen aan het gestelde in bijlage 8van deze beleidsregels. Indien op inhoudelijke gronden in principe toelating gegeven zou kunnen worden, is daadwerkelijke plaatsing van buiten de Holland Rijnland regio in Leiden mogelijk indien de woongemeente de kosten van het eerste jaar van het wonen met ondersteuning traject op zich neemt. Melding voor regionale specialistische wonen met ondersteuning voorzieningen Voor de regionale specialistische wonen met ondersteuning voorzieningen geldt een vergelijkbaar beleid. Een melding voor een regionale specialistische wonen met ondersteuning voorziening kan alleen door inwoners uit Holland Rijnland worden gedaan. Inwoners van buiten de regio met een mogelijke hulpvraag op het vlak van specialistische voorzieningen Holland Rijnland, dienen zich te melden bij hun woongemeente of bijbehorende centrumgemeente. De gemeente Leiden zal - mede op basis van de informatie van de woongemeente - de toelating tot regionale specialistische wonen met ondersteuning voorziening toetsen aan haar plaatsingsregels. Vrouwenopvang In afwijking van bovenstaande geldt voor slachtoffers huiselijk geweld dat de door de gemeente aangewezen organisatie voor vrouwenopvang zelf volgens landelijke criteria toetst op toegang en opvang. De vrouwenopvang toetst aan de hand van toelatingscriteria zoals beschreven in het beleidskader landelijke in-, door- en uitstroom crisisopvang & opvang in acute crisissituaties van slachtoffers huiselijk geweld in de vrouwenopvang (vanaf nu: Beleidskader landelijke in-, door- en uitstroom crisisopvang). Artikel3Behandeling melding Naar aanleiding van de melding wordt contact opgenomen met de belanghebbende. In dit eerste contact komen in ieder geval de procedureregels, de mogelijkheden van (gratis) onafhankelijke cliëntondersteuning en het persoonlijk plan aan de orde. Dit eerste contact kan leiden tot of uitlopen in een gesprek. Na dit eerste contact kan een vervolggesprek plaatsvinden waarin de hulpvraag wordt onderzocht. Dit gesprek wordt bij voorkeur bij iemand thuis gevoerd en is een open gesprek waarbij bij voorkeur iemand uit het netwerk van de belanghebbende wordt betrokken. Artikel4Onafhankelijke cliëntondersteuning Naast de ondersteuning van de belanghebbende die door de gemeente of het sociaal wijkteam wordt geboden, bestaat de onafhankelijke cliëntondersteuning. Onafhankelijke cliëntenondersteuning is onafhankelijke ondersteuning door middel van informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van belanghebbende. De ondersteuning is gericht op het verkrijgen van een zo integraal mogelijk beeld van de ondersteuningsmogelijkheden op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Inwoners van Leiden kunnen kosteloos een beroep doen op onafhankelijke cliëntondersteuning. Bij het eerste contactmoment met het sociaal wijkteam wordt de inwoner gewezen op de mogelijkheid om een onafhankelijk cliëntondersteuner in te schakelen. De onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner wordt gewaarborgd via de wettelijke plicht ervoor te zorgen dat het belang van de inwoner het uitgangspunt is en door middel van de professionele autonomie van de onafhankelijk cliëntondersteuner. In de praktijk zal dit betekenen dat de onafhankelijkheid gewaarborgd wordt, doordat de onafhankelijk cliëntondersteuner niet verbonden is aan een sociaal wijkteam of Jeugdteam uit Leiden of aan een aanbieder van een maatwerkvoorziening Wmo of Jeugd. Artikel5Gesprek en onderzoek De medewerker die de melding in behandeling heeft, bespreekt samen met de belanghebbende, dan wel diens vertegenwoordiger en de cliëntondersteuner en/of met de mantelzorger(

  1. s)en desgewenst familie of iemand uit het sociale netwerk, wat de hulpvraag inhoudt en waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat. Ook de mate van zelfredzaamheid van de belanghebbende en oplossingen vanuit de eigen kracht worden besproken. De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de belanghebbende wordt nadrukkelijk ook meegenomen in het gesprek. Dit gesprek kan gezien worden als het gesprek zoals vermeld in artikel 5 van de Verordening. In het gesprek worden belanghebbenden ook gewezen op hun rechten en plichten op het gebied van privacy. Dit gesprek vormt de basis voor een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet. De medewerker verzamelt de benodigde informatie. Daarbij is de medewerking van de belanghebbende onontbeerlijk. De betreffende medewerker onderzoekt aan de hand van onderliggende stukken en in speciale gevallen aangevuld met een medisch advies of er sprake is van behoefte aan ondersteuning. Als iemand al voldoende bekend is en er zijn geen nieuwe omstandigheden die op de melding van invloed zijn, kan met instemming van de belanghebbende worden afgezien van (delen van) het onderzoek. De onderzoeksfase is een waarborg voor belanghebbenden om gehoord te worden en in gezamenlijk overleg tot een kwalitatief goed Plan te komen. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de eigen mogelijkheden van de belanghebbende. Bovendien is het van belang na te gaan of de voorziening/ondersteuning die de belanghebbende voor ogen heeft geen surrogaat is voor mogelijk onderliggende problematiek (vraag achter de vraag). Indien er sprake is van een spoedeisende situatie, dan is het college, na de melding, verplicht om onmiddellijk een vorm van noodzakelijk ondersteuning, aan te bieden. Afhankelijk van de spoedeisendheid kan beoordeeld worden of de uitkomst van het onderzoek wel of niet kan worden afgewacht. Het persoonlijk Plan is een plan waarin de belanghebbende de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de belanghebbende op de hoogte van de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk Plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het Plan te overhandigen. Wanneer deze termijn te kort is voor de belanghebbende, zal het college de onderzoekstermijn opschorten, zodat de belanghebbende meer tijd heeft om het persoonlijk Plan op te stellen. Wanneer tijdens het intakegesprek of het onderzoek blijkt dat belanghebbende mogelijk recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of andere (voorliggende) voorzieningen, wordt het aanvragen hiervan opgenomen in het Plan. De mate van zelfredzaamheid van belanghebbende bepaalt of belanghebbende dit zelf doet, of dat iemand uit zijn omgeving dan wel het sociaal wijkteam daarbij ondersteuning biedt. Artikel6Verslag/Plan Na de melding heeft het college zes weken de tijd om een onderzoek te doen naar de hulpvraag. Binnen deze zes weken vindt het gesprek plaats, wordt (zo nodig) verder onderzoek gedaan en de resultaten geformuleerd en moet het college een verslag van het onderzoek maken. Na afhandeling van het onderzoek kan door middel van een Plan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 lid 9 van de wet). Voor belanghebbenden die al bekend zijn en bij wie er geen nieuwe feiten en omstandigheden aan de orde zijn, kan met instemming van belanghebbende de meldingsprocedure worden overgeslagen. Het verslag wordt tevens aangemerkt als het Plan. In het Plan staan de afspraken en acties die volgen uit het gesprek. Het Plan is de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de belanghebbende zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, evenals de beoogde resultaten en de toekomstige evaluatie daarvan. Zodra het Plan is ondertekend door de hulpvrager (of namens) de melder (de belanghebbende of diens vertegenwoordiger) en de medewerker van het sociaal wijkteam, kan deze worden gezien als een formele aanvraag voor een Wmo maatwerkvoorziening. In het geval dat uit het Plan volgt dat er geen aanleiding bestaat om een maatwerkvoorziening te verstrekken, kan gemotiveerd worden afgezien van het ondertekenen van het Plan. In uitzonderlijke gevallen en in het belang van de aanvrager kan ook een niet-ondertekend Plan als aanvraag worden aangemerkt. Daarnaast kan dit gebeuren als door het verplicht ondertekenen van het Plan een situatie ontstaat waarbij het beoogde resultaat juist wordt belemmerd. Indien de hulpvrager het niet eens is met de inhoud van het verslag/Plan wordt dit met de hulpvrager besproken. Opmerkingen/aanvullingen zullen worden toegevoegd en indien aan de orde zal een nieuw gesprek worden gevoerd en indien aan de orde zullen de resultaten worden aangepast. Het verslag/Plan met aanpassingen naar aanleiding van de opmerkingen en aanvullingen van de hulpvrager dient ondertekend te worden door de hulpvrager. Tijdens het wachten op een handtekening van de hulpvrager wordt de periode van zes weken voor het onderzoek opgeschort. Indien de hulpvrager het niet eens is met de conclusie dat er geen maatwerkvoorziening aan de orde is, zal in overleg met de hulpvrager op basis van het Plan, de hulpvraag als een aanvraag voor een maatwerkvoorziening verder worden behandeld. Op deze aangepaste aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal een beschikking worden afgegeven waarop de bezwaar- en beroepsmogelijkheden van toepassing zijn. Als de hulpvrager de aanpassing van het plan onvoldoende acht, dan is hij te wijzen op de mogelijkheid om bezwaar in te dienen in verband met de uitkomst van het onderzoek en de daarop te nemen beschikking. Hoofdstuk3Terreinen beperkingen, gebruikelijke hulp en mantelzorg, algemeen gebruikelijke voorzieningen en afstemming Wlz Gedurende het gesprek, als bedoeld in artikel 5, wordt gesproken over de terreinen van beperkingen, gebruikelijke hulp en mantelzorg, algemeen gebruikelijke voorzieningen en de afstemming met de Wlz, indien dit aan de orde is. Artikel7Terreinen beperkingen Iemand kan beperkingen hebben op een of meer van de volgende vijf terreinen. Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening heeft iemand matige tot zware beperkingen op een of meer van de volgende terreinen: sociale redzaamheid; bewegen en verplaatsen; gedragsproblemen; psychisch functioneren; geheugen- en oriëntatiestoornissen. Ad 1 Sociale redzaamheid Lichte beperkingen houden in dat iemand lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen: vanuit huishouden, het sociale netwerk en/of school. De belanghebbende kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken. Matige beperkingen houden in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor iemand niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de belanghebbende afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat belanghebbende soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van Begeleiding kan leiden tot verwaarlozing/opname. Zware beperkingen houden in dat complexe taken voor belanghebbende moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. Belanghebbende kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren, of is hierin stabiel en zwaar beperkt. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is belanghebbende afhankelijk van de hulp van anderen. Ad 2 Bewegen en verplaatsen Lichte beperkingen houden in dat belanghebbende niet meer zelf kan fietsen of autorijden en zich buitenshuis niet meer zonder hulpmiddel (bijvoorbeeld een rollator) kan voortbewegen. Met het gebruik van hulpmiddelen kan er nog veel, maar niet alles. Daarnaast kan belanghebbende geen zware voorwerpen tillen. Het optillen van lichte voorwerpen levert soms problemen op, maar met wat hulp en eenvoudige aanpassingen lukt dit nog wel. Belanghebbende kan de genoemde beperkingen in voldoende mate compenseren door hulp uit de omgeving. Matige beperkingen houden in dat het zelfstandig opstaan uit een stoel en gaan zitten soms problemen oplevert. Fijne handbewegingen worden minder vanzelfsprekend, maar ook de grove hand- en armbewegingen beginnen problemen te geven. Belanghebbende kan zich, ook met behulp van een rollator of rolstoel, moeilijker zelfstandig verplaatsen. Openbaar vervoer is eigenlijk ontoegankelijk voor belanghebbende geworden. Zware beperkingen houden in dat bij het opstaan uit een stoel, het gaan zitten en het in- en uit bed komen belanghebbende volledig moet worden geholpen. Binnenshuis is belanghebbende voor zijn verplaatsingen zowel naar een andere verdieping of gelijkvloers volledig afhankelijk van hulpmiddelen. Voor het oppakken of vasthouden van lichte voorwerpen is hulp nodig. Ondanks het gebruik van hulpmiddelen kan belanghebbende de beperkingen onvoldoende compenseren in het dagelijks leven. Ad 3 Gedragsproblemen Lichte beperkingen houden in dat belanghebbende lichte gedragsproblemen vertoont die bijsturing vereisen, maar geen directe of acute belemmering vormen voor de zelfredzaamheid. Het vertoonde gedrag kan relatief eenvoudig worden bijgestuurd door de omgeving van belanghebbende, het huishouden en/of de school. Bijsturing is voldoende zonder dat de overname noodzakelijk is. Matige beperkingen houden in dat belanghebbende gedrag vertoont dat bijsturing en soms (gedeeltelijke) overname van taken vereist. Het cliëntsysteem kan slechts gedeeltelijk in de bijsturing van belanghebbende voorzien. Het vertoonde gedrag vereist bijsturing door een deskundige professional. Als er geen deskundige bijsturing wordt geboden, verslechtert de situatie van belanghebbende. Zware beperkingen houden in dat belanghebbende ernstig probleemgedrag vertoont en hierdoor zelfredzaamheidproblemen ontstaan. Er is deskundige professionele sturing nodig om het gedrag in goede banen te leiden. Omdat er risico’s zijn voor de veiligheid van belanghebbende of zijn omgeving is er continu hulp of begeleiding nodig. Ad 4 Psychisch functioneren Lichte beperkingen houden in dat belanghebbende lichte problemen heeft met concentreren, geheugen en denken. De oorzaak kan in verschillende problemen liggen, zoals lichte sociaal-emotionele instabiliteit, stemmingsproblemen, of prikkelgevoeligheid. De concentratie en/of capaciteit tot informatieverwerking laat af en toe te wensen over. Met hulpmiddelen en enige aansturing is de zelfredzaamheid van belanghebbende voldoende te ondersteunen. Er is geen noodzaak tot het overnemen van taken. Matige beperkingen houden in dat belanghebbende vaak zodanige problemen heeft met de concentratie en informatieverwerking dat hiervoor hulp noodzakelijk is. Als er niet met regelmaat deskundige hulp wordt geboden, ervaart belanghebbende in het dagelijks leven problemen bij de zelfredzaamheid. Zware beperkingen houden in dat belanghebbende ernstige problemen heeft met de concentratie, het geheugen en denken en ook de waarneming van de omgeving. Hierdoor is volledige overname van taken door een deskundige professional noodzakelijk. Ad 5 Oriëntatiestoornissen Lichte beperkingen houden in dat belanghebbende lichte problemen heeft met het besef van tijd en/of plaats. Het herkennen van personen en de omgeving levert geen problemen op. De problemen doen zich af en toe voor en belanghebbende kan zich zelfstandig redden met hulp vanuit zijn netwerk. De beperkingen vormen geen bedreiging voor zijn zelfredzaamheid, want belanghebbende kan veel taken op basis van ‘gewoonte’ zelfstandig uitvoeren. Matige beperkingen houden in dat belanghebbende problemen heeft met het herkennen van personen en zijn omgeving. De zelfredzaamheid van belanghebbende staat onder druk. Belanghebbende heeft vaak hulp nodig van anderen bij het uitvoeren van taken en het vasthouden van een normaal dagritme. Als er geen deskundige begeleiding wordt geboden, verslechtert de situatie van belanghebbende. Zware beperkingen houden in dat belanghebbende ernstige problemen vertoont in het herkennen van personen en van zijn omgeving. Hij is gedesoriënteerd en zijn zelfredzaamheid is aangetast. Ondersteuning bij dagstructurering en bij het uitvoeren van taken is noodzakelijk. Ook is het overnemen van taken aan de orde. Artikel8Gebruikelijke hulp en mantelzorg Gebruikelijke hulp (zie ook bijlage 1) is per definitie zorg waarop geen aanspraak bestaat vanuit de Wmo. Het is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders, inwonende kinderen en huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die een gezamenlijk huishouden voert. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten. Kortom als er in een huishouden sprake is van een (gezonde) partner of huisgenoot dan wordt gebruikelijke hulp aanwezig geacht. In gesprek met het wijkteam of jeugdteam zal gekeken worden of hiervan moet worden afgeweken. Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Onder een leefeenheid wordt verstaan alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van belanghebbende behoort. Bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie worden volwassen huisgenoten geacht geen deel uit te maken van de leefeenheid. Afwegingskader gebruikelijke hulp Begeleiding en overnemen huishoudelijke werkzaamheden Het college houdt, bij de beoordeling of van de huisgenoot gebruikelijke hulp kan worden gevergd, in ieder geval rekening met: De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van belanghebbende. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met belanghebbende. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De mogelijkheid om de gebruikelijke hulp aan te leren. Daarbij kan onderscheid bestaan tussen gebruikelijke hulp ingeval van begeleiding en/of het overnemen van huishoudelijke taken door huisgenoten. Mantelzorg is zorg die wordt gegeven aan een zorgvrager door iemand uit diens directe, sociale omgeving. Het gaat dan om onbetaalde: ondersteuning die huisgenoten, familie, vrienden, kennissen, collega’s en buren verlenen en die voortkomt uit onderlinge relaties; het gaat dus niet om hulp als gevolg van een beroep of georganiseerd vrijwilligerswerk; ondersteuning die mensen geven vanwege gezondheidsproblemen of beperkingen tot in een terminale fase; ondersteuning die varieert van huishoudelijke ondersteuning, persoonlijke verzorging tot begeleiding; ondersteuning die in principe langer dan 3 maanden en meer dan 8 uur per week wordt verleend en die boven de gebruikelijke hulp uitstijgt in zwaarte, duur en/of intensiteit. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze zorg te leveren. Het college kan en mag mantelzorg niet afdwingen. Artikel9Algemeen gebruikelijke voorziening Van een algemeen gebruikelijke voorziening is sprake indien aan alle onderstaande eisen wordt voldaan: de voorziening niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, de voorziening daadwerkelijk beschikbaar is, de voorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is de voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau Of een voorziening algemeen gebruikelijk is hangt af van de specifieke situatie van belanghebbende en van de tijdgeest en jurisprudentie. Dit dient dan ook in elke situatie opnieuw te worden afgewogen. In bijlage 3 is een niet limitatieve lijst met voorzieningen opgenomen die in de regel worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk. Artikel10Afstemming met de Wlz (zie ook bijlage 6) Het college is verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning van burgers tot aan het moment dat iemand een indicatie heeft voor zorg op grond van de Wlz. Wanneer iemand een indicatie heeft op grond van de Wlz is vastgesteld dat iemand vanwege beperkingen als gevolg van bijvoorbeeld ziekte of handicap, blijvend permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid nodig heeft. De zorgplicht behorend bij een indicatie Wlz blijft belegd bij de aan zorgverzekeraars verbonden zorgkantoren. Indien iemand een indicatie heeft op grond van de Wlz of daarvoor in aanmerking zou kunnen komen, is het college, met uitzondering van het bepaalde in artikel 8.6a van de Wmo 2015, niet verplicht een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te treffen. Het college kan deze maatwerkvoorziening in dat geval weigeren of beëindigen. Bij het beëindigen van een Wmo voorziening wordt rekening gehouden met een overgangstermijn naar het zorgkantoor van maximaal 5 dagen na ingang van de Wlz-indicatie. Enkele afwijkingen t.a.v. bovenstaand beleid zijn de volgende: Vervoersvoorzieningen (als bedoeld in artikel 17) worden voor inwoners met een Wlz-indicatie wel vanuit de Wmo verstrekt. Ook woningaanpassingen voor inwoners die met een Wlz-indicatie thuis wonen vallen onder de Wmo. Hulpmiddelen (zoals een rolstoel, scootmobiel of aangepaste fiets) worden vanaf 1 januari 2020 voor Wlz-geïndiceerden die verblijven in een instelling, vanuit de Wlz verstrekt. Uitzondering daarop is de situatie waarin mensen in een Wlz instelling wonen en al een hulpmiddel via de Wmo hebben. In dat geval blijft de gemeente nog verantwoordelijk voor de huur en het onderhoud ervan totdat het middel om technische redenen moet worden vervangen. Na die termijn vervalt de verstrekking via de Wmo en neemt het zorgkantoor de zorg voor het hulpmiddel over. Huishoudelijke ondersteuning kan nog wel vanuit de Wmo ingezet worden als bij een meerpersoonshuishouden blijkt dat er meer hulp nodig is dan ingezet wordt voor de persoon met een Wlz indicatie’ Hoofdstuk4Algemene voorzieningen Het college treft algemene voorzieningen die naar zijn oordeel bijdragen aan de zelfredzaamheid en de participatie van inwoners en aan de inzet van mantelzorg en vrijwilligerswerk. Een algemene voorziening is voorliggend op de maatwerkvoorzieningen. Zo is de individuele ondersteuning die vanuit het Sociaal Wijkteam zelf aan de cliënten geboden wordt, voorliggend op het afgeven van een maatwerkarrangement, zoals bedoeld in artikel 21. Artikel11Algemene voorziening ‘daginvulling’ De algemene voorziening daginvulling, uitgevoerd door Incluzio, is gericht op het bieden van dagstructuur en/of het ontlasten van mantelzorgers. De algemene voorziening richt zich op: mensen met een matige ouderdomsproblematiek, waaronder somatische klachten, of bijvoorbeeld een overbelaste mantelzorger mensen met een verstandelijk beperking mensen met een psychiatrische aandoening Kenmerken van de algemene voorziening zijn: Wijkgericht en laagdrempelig Bedoeld voor de doelgroep 18+ Primair recreatief van aard Zowel bestemd voor doelgroepgebonden (ouderen, GGZ, etc.) als gemixte groepen Voorwaarden voor deelname aan Daginvulling zijn: 18 jaar of ouder. Deelnemer kan zelfstandig gebruik maken van toilet en zelfstandig eten en drinken. Begeleiding naar het toilet of (helpen in het) klaarzetten van de maaltijden is wel mogelijk. Deelnemer is geen gevaar voor zichzelf of anderen. Deelnemer vertoont geen structureel dwaalgedrag. De deelnemer is in staat om mee te doen aan groepsactiviteiten. Indien de algemene voorziening om persoonlijke redenen niet passend is voor de hulpvraag van de cliënt, beoordeelt de toegang wat het passende alternatief is. Hoofdstuk5Maatwerkvoorzieningen Artikel12Aanvraag maatwerkvoorziening Als in het ondertekende Plan, zoals bedoeld in artikel 6, maatwerkvoorzieningen worden voorgesteld, kan het Plan worden aangemerkt als een aanvraag. De aanvraag moet binnen twee weken tot een beschikking leiden. Bij de totstandkoming van de aanvraag moet belanghebbende in de gelegenheid worden gesteld om te kiezen voor een pgb en/of zorg in natura. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking vastgelegd: de te verstrekken voorziening en het beoogde resultaat; de ingangsdatum en duur van de verstrekking; de zorgaanbieder die de maatwerkvoorziening zal leveren; indien van toepassing: welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; welke verplichtingen zijn verbonden aan het verstrekken van de maatwerkvoorziening. Voor zover het college voor de beoordeling van de aanvraag maatwerkvoorziening extern advies nodig heeft, wordt dat in de regel gevraagd nadat de aanvraag is ingediend. Het college schort dan de beslistermijn van de aanvraag op en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Uit de wet vloeit eveneens de mogelijkheid voort om de beslistermijn op te schorten indien belanghebbende niet de benodigde gegevens, bescheiden of medewerking heeft verleend aan het gesprek (onderzoek als bedoeld in art. 2.3.2 lid 4 van de wet). Verder kan het voorkomen dat geruime tijd verstrijkt tussen het beschikbaar zijn van het verslag en het feitelijk indienen van een aanvraag. Dit kan tot gevolg hebben dat het verslag verouderde informatie bevat waardoor het college niet (meer) binnen de wettelijke kaders kan beslissen op de aanvraag. In voorkomende gevallen zal het college belanghebbende (opnieuw) uitnodigen voor een gesprek, voordat op de aanvraag wordt beslist. Dit is analoog aan artikel 2.3.2 lid 9 van de wet. Deze situatie dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. Zodra het verslag/Plan met belanghebbende is besproken, kan ook, met eventuele begeleiding de aanvraag worden ingediend. In de wet is aangegeven op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Alvorens wordt overgegaan tot de verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt eerst gekeken naar andere mogelijkheden om belanghebbende te ondersteunen in de ondervonden beperkingen. Dat kan bijvoorbeeld een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van het eigen netwerk, het bieden van (kortdurende) ondersteuning door het sociaal wijkteam en een verwijzing naar een algemene voorziening. Dit dient in het gespreksverslag/Plan gemotiveerd naar voren te komen. Artikel13Resultaten bij maatwerkvoorzieningen Bij het toekennen van een maatwerkvoorziening moeten één of meer van de volgende resultaten bereikt kunnen worden: ondersteuning bij het aanbrengen van regie en structuur in huishouden en leven (of gestructureerd huishouden en in staat zijn de dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren); mogelijkheid voor een ingevulde dag en het aangaan en onderhouden van sociale contacten; wonen in een geschikt huis; mogelijkheid om te verplaatsen en vervoeren; mogelijkheid om begeleid, beschut of beschermd te wonen en opvang te krijgen. Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college de in de Verordening onder artikel 8 genoemde criteria. Indien er aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat, moet deze een passende bijdrage leveren aan de (noodzakelijk gebleken) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Een aanspraak op een algemene of andere voorziening, waaronder onder meer (aanvullende) ziektekostenverzekeringen, is voorliggend op een aanspraak op een maatwerkvoorziening. Als er sprake is van regresrecht (aansprakelijkheid: beperkingen die zijn veroorzaakt door derden (ongeval, geweld, medische fout etc.) kan in voorkomende gevallen de gemeente de kosten verhalen op de verzekeraar van de veroorzaker van de schade. Dit kan alleen bij zaken die hebben plaatsgevonden na 01-01-2019. Deze aanspraak is dus niet voorliggend. Afgeleide aanspraak Als er een maatwerkvoorziening wordt verstrekt om de mantelzorger te ontlasten of hem in staat te stellen de mantelzorg te leveren, gebeurt dat altijd als afgeleide van de verzorgde op zijn of haar naam. Deze maatwerkvoorziening kan niet - als het een pgb betreft - door de mantelzorger worden ingevuld; het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Artikel14Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit taken die er op gericht zijn personen een schoon, gestructureerd en leefbaar huishouden te kunnen laten voeren. Deze taken hebben niet alleen betrekking op het (zware en lichte) huishoudelijke werk, maar hebben ook betrekking op het “in staat stellen tot” het voeren van het huishouden. Eigen verantwoordelijkheid inwoner Hulp bij het voeren van een huishouden wordt in het kader van de Wmo alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door de inwoner wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van de inwoner mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het zo mogelijk voorbereiden van de was en het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Uit deze eigen verantwoordelijkheid vloeit ook voort dat, in het algemeen, het type en de grootte van de woning niet van invloed zijn op de hoeveelheid te verstrekken hulp. Dit zijn keuzes waarop inwoners zelf invloed kunnen uitoefenen en keuzes in kunnen maken. Dit geldt ook voor het verzorgen van huisdieren (niet zijnde hulphonden/dieren). De gevolgen hiervan op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort in de eerste plaats tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Was men al gewend om voor eigen rekening een schoonmaakhulp in te huren, dan is in het principe het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen geen reden om een toekenning te krijgen voor ondersteuning in het kader van de Wmo. Een inwoner had deze situatie kunnen voorzien. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van beperkingen financiële mogelijkheden wegvallen of de ondersteuning door de ‘gebruikelijk aanwezige’ schoonmaak niet meer toereikend is. Het realiseren van een schoon en leefbaar huis De gemeente legt niet vooraf in uren vast hoeveel hulp iemand krijgt. Samen met de aanbieder kijkt belanghebbende hoe het resultaat “Schoon en leefbaar huis” het beste bereikt kan worden. Deze afspraken worden schriftelijk vastgelegd in een ondersteuningsplan (van de aanbieder). Er wordt ook rekening gehouden met wat iemand zelf of een huisgenoot kan doen in het huishouden (gebruikelijke hulp, bijlage 1). Dit wordt in de beschikking en in de afspraken met de aanbieder opgenomen. Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basis hygiëne-eisen. Hiermee worden vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s voorkomen. De bewoner moet gebruik kunnen maken van de ruimtes die frequent (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik zijn, zoals de woonkamer, slaapkamers die in gebruik zijn, keuken, badkamer, toilet en gang/trap. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. Buitenruimtes bij het huis (tuin, balkon etc.) of buitenzijde van het huis (ramen) en overige kamers/ruimtes in het huis worden niet door de huishoudelijk ondersteuner schoongemaakt. Het schoon en leefbaar huis kan bereikt worden door het inzetten van licht en zwaar huishoudelijk werk. Licht huishoudelijk werk kan bijvoorbeeld bestaan uit opruimen of stof afnemen. Zwaar huishoudelijk werk is bijvoorbeeld stofzuigen, dweilen of het sanitair reinigen. Als de bewoner regie kan voeren over het eigen leven, mag van hem/haar worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en keuzes worden gemaakt. Bij sommige bewoners zijn er aanvullende activiteiten benodigd om een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden te voeren. Deze activiteiten zijn: wasverzorging regie voeren over het huishouden Wasverzorging Het te behalen resultaat is de beschikking hebben over schoon linnen- en beddengoed en/of over schone kleding. Wasverzorging kan bestaan uit: het sorteren van de was, eventueel behandelen van vlekken, machinaal wassen, laten drogen, opvouwen en opbergen van kleding en linnen- en beddengoed. Het strijken van kleding en/of linnen- en beddengoed valt hier niet onder. Voor de inzet van het resultaat wasverzorging wordt van een bewoner verwacht: Inwoner beschikt over een wasmachine. Inwoner zorgt dat de benodigde extra ondersteuning zoveel mogelijk wordt beperkt, zoals door de inzet van een wasdroger. Inwoner zorgt dat redelijkerwijs al het mogelijke is gedaan om het ontstaan van extra zware was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten. Regie voeren over het huishouden Ondersteuning bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer belanghebbende niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. Het doel van het voeren van de regie over het huishouden is het schoonhouden van het huis, en/of ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van belanghebbende verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt of als disfunctioneren dreigt. Specifiek gaat het om het plannen van en overzicht houden op de huishoudelijke activiteiten en eventueel afstemmen met het netwerk van de cliënt hierover, advies over het kopen van levensmiddelen en/of het beheer van de levensmiddelenvoorraad en producten voor het uitvoeren van de huishoudelijke ondersteuning. Het opstellen van een boodschappenlijstje valt daar ook onder, maar het daadwerkelijk doen van de boodschappen is géén onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning. Intensiteiten huishoudelijke ondersteuning HO kent het onderscheid tussen de intensiteiten Licht, Midden en Zwaar. De benodigde intensiteit wordt bepaald aan de hand van de ondersteuningsbehoefte van een inwoner. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning, maken we gebruik van het HHM-normenkader (Bijlage 5). In dit normenkader wordt onderscheid gemaakt tussen basis en incidentele werkzaamheden. Huishoudelijke ondersteuning Licht De te behalen resultaten zijn het schoon en leefbaar houden van de primaire leefruimten van de woning. Inwoners hebben een lichtere ondersteuningsbehoefte dan de gemiddelde cliëntsituatie uit het normenkader Huishoudelijke ondersteuning (Bijlage 5). Inwoners hebben door beperkingen ondersteuning nodig bij sommige (zwaardere) huishoudelijke taken. Wel kunnen ze zelf en/of met behulp van hun netwerk nog in bepaalde mate en langdurig bijdragen aan de huishoudelijke werkzaamheden. Bij de volgende situaties kan de intensiteit Licht worden ingezet: Inwoner kan nog in voldoende mate bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken om bepaalde lichte en zware huishoudelijke taken zelf te doen, inclusief wasverzorging, eventueel in etappes. Bovendien kan inwoner nog overzien welke taken er uitgevoerd moeten worden om een schoon huis te kunnen bereiken en kan zelf tot actie komen. Waardoor er voor enkele zwaardere werkzaamheden professionele ondersteuning nodig is. Inwoner kan momenteel bepaalde activiteiten nog niet of niet meer uitvoeren, maar is hier wel leerbaar op. Mogelijk door het aanleren van de activiteiten op een andere manier, passend bij de beperkingen van de cliënt. Het netwerk van de cliënt draagt bij aan meerdere (lichte en zware) huishoudelijke taken (inclusief wasverzorging). Hierdoor is er voor enkele zwaardere werkzaamheden professionele ondersteuning nodig. Huishoudelijke ondersteuning Midden De te behalen resultaten bij het inzetten zijn het schoon en leefbaar houden van de primaire leefruimten van de woning en het optioneel verzorgen van de was en/of regie voeren over het huishouden. Huishoudelijke ondersteuning Zwaar De te behalen resultaten zijn het schoon en leefbaar houden van de primaire leefruimten van de woning en het optioneel verzorgen van de was en/of regie voeren over het huishouden. Inwoners hebben door beperkingen van de cliënt of de samenstelling van het huishouden een veel grotere ondersteuningsbehoefte. Er is sprake van verzwarende omstandigheden die leiden tot extra vervuiling of vragen om een hoger hygiëneniveau, waardoor meer inzet nodig is. Ook de inzet van wasverzorging kan intensiever zijn dan bij het product Midden. Inwoners zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk om de factoren die leiden tot een hogere frequentie weg te nemen. Het kan daarbij gaan om roken door inwoner of eventuele huisgenoten, het aantal en de grootte van de meubels, de aanwezigheid van veel kleine spullen of het hebben van huisdieren. Als de aanwezigheid van huisdieren tot vervuiling van de woning leidt zal het Sociaal wijkteam het gesprek met belanghebbende aangaan. De huishoudelijk ondersteuner heeft de taak alert te zijn op verwaarlozing van huisdieren. In deze situaties is er (in principe) geen sprake van verzwarende omstandigheden. Per inwoner zal echter beoordeeld worden of er in die specifieke situatie sprake is van verzwarende omstandigheden en daarmee een toekenning voor de intensiteit Zwaar nodig is. Soms is het nodig dat schoonmaakwerkzaamheden met een hogere frequentie of intensiever plaatsvinden. Voorbeelden van verzwarende omstandigheden kunnen zijn (niet limitatief): Als door rolstoelgebruik, bedlegerigheid, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren of besmet wasgoed (bijv. bij chemokuur), een hogere frequentie van schoonmaken en/of wassen nodig is om vervuiling te voorkomen. Als door ernstige klachten als gevolg van huisstofmijtallergie, astma, longemfyseem of COPD een hoger hygiëneniveau en hogere frequentie van schoonmaken nodig is. Als inwoner door ernstige beperkingen door reuma, spasticiteit, verlamming of amputatie niet in staat is om de woning dagelijks op orde te houden (aanrecht schoonmaken, algemeen opruimen, etc.) en dit een hogere frequentie van schoonmaken noodzakelijk maakt. Als vanwege de aanwezigheid van drie of meer kinderen onder de 12 jaar een hogere frequentie van schoonmaken nodig is. Eenmalige aanpak schoonmaakwerkzaamheden bij ernstige vervuiling Bij sommige cliënten moet er vanwege een ernstig vervuild huis een eenmalige schoonmaak worden ingezet om een huis weer bewoonbaar te kunnen maken. Het product wordt ingezet voor cliënten die niet op eigen kracht of met hulp van het netwerk het huis weer bewoonbaar kunnen maken of waarbij er geen oplossing in het voorliggend veld kan worden gevonden. Door de woning eenmalig volledig op te ruimen en schoon te maken, wordt (samen met de inwoner) de situatie tot een beheersbaar niveau teruggebracht, zodat de inwoner kan beschikken over een leefbare woning. De incidentele werkzaamheden die behoren bij een zogenoemde grote schoonmaak/voorjaarsschoonmaak vallen niet onder dit product, maar horen bij het resultaat Schoon en leefbaar huis. Ook een ontruiming van de woning valt hier niet onder. Artikel15Maatwerkvoorziening woonvoorzieningen Onder een woonvoorziening wordt verstaan een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning. Iemand komt in aanmerking voor een woonvoorziening wanneer hij een woning heeft en er problemen zijn met het normale gebruik van de woning die niet zelf of met behulp van het eigen (sociale) netwerk kunnen worden opgelost. Deze maatwerkvoorziening moet er zorg voor dragen dat belanghebbende zich in, om en nabij zijn woning zodanig kan redden dat normaal of in ieder geval acceptabel functioneren mogelijk is. Het gaat hierbij dus om alle verplaatsingen die nodig zijn voor een normaal gebruik van de woning. Voor alle andere verplaatsingen, die verder gaan dan de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij een buurman of het maken van een korte wandeling) kan een maatwerkvoorziening in de vorm van bijvoorbeeld een rolstoel of een scootmobiel worden ingezet. Bij het normale gebruik van de woning horen wel verplaatsingen naar een centrale hal in een flat, waar veelal de brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin. Wat de tuin en het balkon betreft moet het mogelijk zijn daar te komen, de inrichting van de tuin en/of balkon is een eigen verantwoordelijkheid. De maatwerkvoorzieningen kunnen nieuw of gebruikt zijn. Het uitgangspunt is dat de voorziening de zelfredzaamheid en participatie bevordert en mede daardoor bijdraagt aan het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Bij het normale gebruik van de woning moeten de gebruikelijke woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken, het toilet en de douche. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen worden, als belanghebbende deze noodzakelijk en regelmatig gebruikt. In principe worden aanpassingen aan een zolder niet als maatwerkvoorziening aangemerkt. In principe worden in een huis geen twee trapliften aangebracht. In aanvulling op de onder artikel 12 genoemde algemene criteria voor individuele maatwerkvoorzieningen gelden voor woningaanpassingen nog een aantal specifieke criteria: In aanvulling op algemene criteria voor een maatwerkvoorziening kan een belanghebbende in aanmerking komen voor een woonvoorziening als hij: aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en redelijkerwijs alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen, of een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis, met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen. Een persoon met beperkingen kan alleen voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of niet in beginsel de goedkoopst adequate voorziening is. Met langdurig noodzakelijk of “duurzaam” wordt over het algemeen verstaan langer dan 6 maanden waarop de cliënt, vanwege de aard van de beperkingen, een beroep zou moeten doen op de voorziening. Op grond van individuele omstandigheden kan hiervan afgeweken worden. Ook de woning zelf wordt geacht langdurig bewoonbaar te zijn en niet bijvoorbeeld op de lijst te staan om binnen afzienbare tijd te worden gesloopt. Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het logeerbaar of bezoekbaar maken van één andere woonruimte dan waar belanghebbende met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft als het hoofdverblijf van belanghebbende in een erkende zorginstelling is. Onder bezoekbaar wordt verstaan dat belanghebbende de woning kan betreden en het toilet kan bezoeken. Onder logeerbaar wordt hetzelfde verstaan, plus voorzieningen die het voor die persoon mogelijk maken om een of meerdere nachten in de woning te verblijven, met eventueel de mogelijkheid om te douchen. Indien belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in een erkende instelling kan in de regel uitsluitend de woonruimte van het huishouden waar de betrokkene deel van uit maakte, logeerbaar of bezoekbaar worden gemaakt. In het geval van co-ouderschap is het mogelijk om de woning van de ouder waar het kind niet in de BRP ingeschreven staat en het kind daarmee niet zijn hoofdverblijf bij deze ouder heeft, bezoekbaar of logeerbaar te maken. De omvang van de te treffen voorzieningen worden begrensd tot het meest noodzakelijke en de hoogte van het grensbedrag bij primaat van verhuizen. Voorwaarde is wel dat het co-ouderschap door de rechter is uitgesproken of bekrachtigd. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op: het treffen van woonvoorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; het treffen van woonvoorzieningen in, specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel woonvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen. De aanvraag voor een woonvoorziening kan in ieder geval worden geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; belanghebbende niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het gebouw te bereiken zijn met een rolstoel; het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders; het aanbrengen van een trapleuning bij een portiekwoning; het plaatsen van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het gebouw. belanghebbende verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld. Bij grotere bouwkundige aanpassingen moet worden gewerkt met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden conform gemeentelijk inkoopbeleid. De kosten van een maatwerkvoorziening in de vorm van een bouwkundige aanpassing worden uitbetaald aan de eigenaar van de woning. In overleg met de woningbouwvereniging of eigenaar van de woning kan hiervan worden afgeweken. Het besluit wordt verstuurd aan de aanvrager/belanghebbende met een afschrift aan de eigenaar. Bij het bepalen van een maatwerkvoorziening in de vorm van bouwkundige woonvoorzieningen moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Er kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt in de vorm van een vergoeding voor het verwijderen van een ingrijpende woningaanpassing, waarvoor op grond van de Wmo een maatwerkvoorziening is verstrekt, als de woonruimte in de huidige staat niet opnieuw verhuurbaar of verkoopbaar is. De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de werkelijk gemaakte reële kosten. In overleg met de woningbouwvereniging of eigenaar van de woning kan het verwijderen van woningaanpassingen in natura in opdracht en voor rekening van de gemeente worden uitgevoerd. Er kan eenmalig een maatwerkvoorziening voor een woningsanering worden verstrekt. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden: Er is een acute noodzaak voor woningsanering, vanwege COPD/astmaklachten in verband met een allergie voor huisstof of huisstofmijt, vastgesteld. Deze noodzaak dient door middel van een rapport van een deskundige te worden aangetoond. De aanvraag voor woningsanering is aangevraagd binnen één jaar nadat voor de eerste maal allergie voor huisstofmijt is vastgesteld. Bij de aanschaf van de huidige vloer- en raambedekking is geen sprake geweest van een (verwachte) noodzaak tot woningsanering en de huidige woning is niet eerder door de aanvrager op grond van de Wet of andere wet- en regelgeving gesaneerd. Bij het verstrekken van een woonvoorziening kan de gemeente rekening houden met de leeftijd van de huidige materialen in de woning. Immers, bij een bepaalde leeftijd zijn de materialen aan vervanging toe. De inwoner heeft dan kunnen sparen voor vervanging van deze materialen. Ook geldt dat een woning niet aangepast wordt wanneer deze in zeer slechte staat verkeert. Het is mogelijk een maatwerkvoorziening te verstrekken voor de keuring en het onderhoud als deze kosten niet in de met de leverancier overeengekomen prijs zijn opgenomen. Bij het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van keuring en onderhoud/ reparatie aan voorzieningen, die door de gemeente zijn verstrekt, kunnen alleen de werkelijk gemaakte reële kosten van keuring en onderhoud/reparatie voor vergoeding in aanmerking komen. Het mag hierbij niet gaan om gebruikelijke onderhoudskosten. Hierbij wordt een afweging gemaakt of het verwijtbare/te voorkomen kosten betreft. Primaat van verhuizen Het primaat van verhuizen kan worden toegepast indien de kosten van een noodzakelijke woningaanpassing hoger zijn dan € 10.000,00. Als het primaat van toepassing is, kan zonder aparte aanvraag een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuiskosten worden verstrekt. Belanghebbende kan voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing in aanmerking komen indien blijkt dat het primaat van de verhuizing niet binnen een redelijke en/of medische aanvaardbare termijn realiseerbaar is, dan wel als er in de persoon gelegen factoren zijn die maken dat het primaat van verhuizing niet toegepast kan worden. Hierbij dient een belangenafweging gemaakt te worden. Woonwagen, woonschip, binnenschip Voor woonwagens met een vaste standplaats, voor woonschepen met een officiële ligplaats en voor het woonverblijf van binnenschepen gelden dezelfde voorwaarden als voor zelfstandige woningen. Als het gaat om het wonen in een geschikte woning worden zowel bouwkundige als niet-bouwkundige- en zowel losse als nagelvaste voorzieningen bedoeld. Uitgangspunt is daarbij dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. De gemeente zorgt niet voor een woning: dat is een eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen altijd zoekt naar een voor hem op dat moment meest geschikte beschikbare woning, uiteraard passend bij het bestedingspatroon. Uitraasruimte Een uitraasruimte is een ruimte waarin een persoon die ten gevolge van een beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Dit is een zeer specifieke voorziening, die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte. Artikel16Maatwerkvoorziening rolstoelen/hulpmiddelen Een maatvoorziening in de vorm van een rolstoelvoorziening is bedoeld om iemand in staat te stellen zich in en om de woning zittend te verplaatsen. Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning en om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Onder het verplaatsen in de woning wordt verstaan dat belanghebbende in staat moet zijn de woonkamer, het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de douche, de berging indien daar noodzakelijk en regelmatig gebruik van wordt gemaakt, de tuin of het balkon te bereiken en er zich zodanig te kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk is. De verstrekte maatwerkvoorzieningen (in natura) kunnen nieuw of gebruikt zijn. Bij kortdurend en incidenteel gebruik kan een groter beroep op eigen mogelijkheden of de inzet van voorliggende of algemene voorzieningen worden gedaan. Afhankelijk van de aard van het gebruik wordt eerst beoordeeld of gebruik gemaakt kan worden van een rolstoel van de uitleen (thuiszorgwinkel) of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn. Dat laatste is vaak het geval in bijvoorbeeld winkelcentrum, ziekenhuizen, pretparken en dergelijke. Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop belanghebbende is aangewezen om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Eerst moet er gekeken worden of het mogelijk is om gebruik te maken van een rolstoel/hulpmiddel van de uitleen (thuiszorgwinkel). Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal zo nodig via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. In de regel wordt gebruik gemaakt van de expertise van de leveranciers. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen ten opzichte van de te verstrekken rolstoel. Hierbij is bepalend dat de verleende mantelzorg relevant en substantieel is. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verstrekt kan worden. In principe zal een voorziening voor verplaatsing in, om en nabij het huis (meestal de rolstoel) verstrekt worden als men een dergelijke voorziening voor dagelijks zittend gebruik nodig heeft. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan een rolstoel voor incidenteel gebruik (transportrolstoel) worden verleend indien een belanghebbende zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de korte vervoersafstanden. Het gaat dan om belanghebbenden die rolstoelafhankelijk zijn. Dat wil zeggen dat er sprake is van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. Indien voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoel een pgb wordt verstrekt geldt het volgende: Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een pgb. Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking. Bij een verstrekking als pgb wordt de rolstoel die belanghebbende zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen. De gemeente hanteert een gebruiksduur van 7 jaar voor een rolstoel. Belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur de via het pgb aangeschafte rolstoel voldoende te laten onderhouden. Belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur voor de via het pgb aangeschafte (elektrische) rolstoel een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten. De gemeente vergoedt alleen de werkelijk gemaakte kosten van de aanschaf van de rolstoel op basis van aankoopbewijs of vooruitbetaald op basis van een offerte. Hierbij gelden als maximum de in het vigerende financieel besluit maatschappelijke ondersteuning opgenomen bedragen. De meerkosten die verband houden met noodzakelijke individuele aanpassingen aan de rolstoel worden voor 100% vergoed. Sportrolstoel/sporthulpmiddel De sportrolstoel of sporthulpmiddel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. Deze wordt gezien als een maatwerkvoorziening bedoeld om deel te nemen aan recreatieve activiteiten. Deze dienen bij te dragen aan de participatie in de maatschappij. Uitgangspunt is dat iedereen met een beperking moet kunnen sporten in de sport van zijn/haar keuze. Bij de toekenning moet worden gekeken of deelname aan de sport bijdraagt aan de participatie. In beginsel is deelname aan 1 sport dan ook voldoende. Toekenning van een sportrolstoel kan alleen maar wanneer de rolstoel noodzakelijk is voor de beoefening van deze sport en wanneer aangetoond is dat de sport daadwerkelijk beoefend gaat worden (bijvoorbeeld door een lidmaatschap). Wanneer men de sport professioneel gaat beoefenen zijn de sportvereniging, bond en fondsen voorliggend. Indien voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportrolstoel een pgb wordt verstrekt geldt het volgende: Voor de sportrolstoel geldt een eigen bijdrage; De minimale gebruiksduur is drie jaar; Belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur de via het pgb aangeschafte rolstoel voldoende te laten onderhouden; Belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur voor de via het pgb aangeschafte rolstoel een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten; De gemeente vergoedt alleen de werkelijk gemaakte kosten van de aanschaf van de rolstoel op basis van aankoopbewijs of vooruitbetaald op basis van een offerte. Artikel17Maatwerkvoorziening vervoer De maatwerkvoorziening vervoer zal ingezet worden wanneer een persoon met beperkingen in overwegende mate en langdurig geen gebruik kan maken van het regulier- en het aanvullend openbaar vervoer. Met ‘langdurig’ wordt over het algemeen verstaan dat de situatie langer duurt dan zes maanden. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk het openbaar vervoer in te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking. Ook de afstand van de bushalte waar men aankomt naar de plaats van bestemming wordt in de beoordeling meegenomen. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, is afhankelijk van de individuele situatie. Bij maatwerkvoorzieningen voor vervoer moet worden gedacht aan scootmobielen, driewielfietsen en de Regiotaxi. Ook de voorziening voor de reguliere individuele (rolstoel)taxi of eigen auto, die kan worden vergoed als de Regiotaxi geen of onvoldoende compensatie kan bieden, behoort tot deze categorie. Deze vergoeding wordt op declaratiebasis verstrekt. Andere voorbeelden van mogelijke voorzieningen zijn: een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de eigen auto of ander verplaatsingsmiddel en in uitzonderlijke gevallen een (bruikleen)auto of een gesloten buitenwagen. Het primaat ligt altijd bij collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV of Regiotaxi). Een uitzondering op dit primaat geldt voor de vergoeding voor het gebruik van de eigen auto. Een maatwerkvoorziening vervoer is bedoeld voor het verplaatsen met een vervoermiddel in de directe woon- of leefomgeving. Dit betreft een breed scala van verplaatsingen. Een vervoersvoorziening heeft betrekking op verplaatsingen, die nodig zijn voor het doen van boodschappen, om naar artsen, paramedici of specialisten te gaan en voor ziekenhuisonderzoek. Verder kan de vervoersvoorziening worden toegekend om betrokkene de mogelijkheid te bieden bestemmingen te bereiken waar men contact heeft met medemensen en/of deel kan nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken van kerkdiensten, het deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het volgen van cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen. Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een vervoermiddel gemaakt moeten worden in verband met betaalde arbeid en regulier onderwijs. Heeft men voor dat soort verplaatsingen een aparte voorziening nodig, die verder gaat dan de normale voorziening voor het verplaatsen in het kader van het leven van alledag, dan kan deze voorziening vergoed worden vanuit de voorzieningen ten behoeve van werken. Vervoer naar en van dagbesteding is opgenomen in de maatwerkarrangementen. Ook het zogenaamde zittend ziekenvervoer is voorliggend op een voorziening via de Wmo. Dit is taxivervoer van en naar het ziekenhuis wanneer dit nodig is voor een behandeling. Zittend ziekenvervoer wordt gefinancierd vanuit de Zvw. Alleen bij dreigend sociaal isolement kan de vervoersvoorziening worden afgegeven voor reizen buiten de directe woon- en leefomgeving. De omvang van de maatwerkvoorziening voor vervoer bedraagt op grond van jurisprudentie tenminste 1500 kilometer per jaar. Het college hanteert 2000 km per jaar als uitgangspunt. Het kan voorkomen dat er een grotere of kleinere vervoersbehoefte bestaat. Van belang is allereerst vast te stellen of er een realistische vervoersbehoefte is, gezien de medische, maar ook gezien de financiële situatie van de aanvrager. Een aanpassing van de omvang van de maatwerkvoorziening voor vervoer kan bijvoorbeeld plaatsvinden in situaties waarbij het vervoer noodzakelijk zo frequent is (bijvoorbeeld bij intensieve medische behandeling of een partner die in een verpleeghuis verblijft) dat het beschikbaar gestelde vervoer bijna geheel voor dit vervoer gebruikt zou worden. In deze situatie kan een aanvullende maatwerkvoorziening worden geboden in de vorm van extra vervoer. Ook als gebruik wordt gemaakt van een andere, verstrekte maatwerkvoorziening voor vervoer zoals een scootmobiel, dan wel van een eigen verplaatsingsmiddel kan een aanpassing plaatsvinden. Het aantal kilometers wordt, in principe met 50%, verlaagd. Dit percentage is afhankelijk van de mate waarin het andere verplaatsingsmiddel in de vervoersbehoefte voorziet. Indien een partner aanwezig is met eenzelfde vervoersvoorziening of ander individueel vervoer, kan het aantal kilometers met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd worden, afhankelijk van de gezamenlijke vervoersbehoefte. Dit geldt niet voor de Regiotaxi. Immers beide partners betalen ook bij gezamenlijke ritten zelf de kilometers. Tenslotte kan het aantal kilometers met 25%, 50%, 75% dan wel 100% verlaagd worden indien het gaat om kinderen. Kinderen hebben een andere vervoersbehoefte dan volwassenen en hebben geen volledige zelfstandige vervoersbehoefte. De percentages hiervoor zijn opgenomen in het Financieel Besluit. De beschikking wordt in principe voor onbepaalde tijd afgegeven. Bij wijzigingen in het soort vervoer, in de hoogte van tegemoetkomingen of de gezinssituatie moet mogelijk tussentijds een nieuwe beschikking worden afgegeven. De voorziening gaat in per de eerste van de maand waarin de voorziening is aangevraagd. In geval van overlijden eindigt de voorziening op de datum van overlijden. Bij een verhuizing van een andere gemeente naar Leiden of vanuit Leiden naar een andere gemeente, worden de start- en stopmomenten zoveel mogelijk met de andere gemeente afgestemd. Er vindt soms toekenning van een vergoeding plaats voor een tijdelijke periode. Dit is bijvoorbeeld het geval als in het medisch advies een herkeuring wordt aangegeven. In dat geval vindt er een nieuw medisch onderzoek plaats om te kijken of de vergoeding verlengd kan worden. Regiotaxi In de Leidse regio, de Duin- en Bollenstreek en de Rijnstreek is het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) beschikbaar middels de Regiotaxi Holland Rijnland. De Regiotaxi is een vorm van aanvullend openbaar vervoer. Deze taxi rijdt van deur tot deur. Het vervoerssysteem is toegankelijk voor eenieder die, met of zonder rolstoel, zelfstandig of met begeleiding kan reizen. De Regiotaxi kent een aantal vaste opstapplaatsen bij belangrijke drukke locaties (station, winkelcentrum) om zo mogelijk misverstanden over de exacte ophaalplaats te voorkomen. Personen met beperkingen die geen gebruik kunnen maken van het reguliere openbaar vervoer, kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding voor dit collectieve vervoersysteem vanuit de Wmo. Met de Regiotaxi kan ook buiten de regio (meer dan 25 kilometer) worden gereisd. Hiervoor geldt de genoemde vergoeding vanuit de Wmo niet en is het volledige tarief van toepassing. Verder zijn ook vakanties en ander verblijf/bewegingen buiten de directe woon- en leefomgeving uitgesloten. Hiervoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys regelt het vervoer wanneer de pashouder een vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 25 kilometer vanaf het woonadres van de pashouder of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 25 kilometer vanaf het woonadres van de pashouder. Valys is aanvullend op de deze maatwerkvoorziening en valt buiten de verantwoordelijkheid van het college. Vorm van verstrekken De standaardvergoeding betreft een vergoeding voor het gebruik van de Regiotaxi, waarbij een tegemoetkoming wordt gegeven voor de meerkosten van het CVV ten opzichte van het reguliere openbaar vervoer voor een maximaal aantal kilometers per jaar. Dit aantal is opgenomen in het vigerende Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning. De meerkosten worden door de gemeente rechtstreeks afgerekend met de vervoerder. De persoon met beperkingen heeft een Wmo-pasje en betaalt in de Regiotaxi een tarief per kilometer. Daarnaast wordt een vrij besteedbaar bedrag toegekend. Met dit bedrag kan overig vervoer, bijvoorbeeld eigen auto, (rolstoel)taxi of vervoer door derden betaald worden. Uitbetaling van het vrij besteedbare bedrag vindt op basis van declaratie in twee termijnen plaats, in de maanden juli en januari. Het vrij besteedbaar bedrag kan geheel maar ook deels worden omgezet in extra kilometers voor de Regiotaxi. De gemeente kan een aantal specificaties aangeven bij de vervoerder. Bijvoorbeeld of medische begeleiding noodzakelijk is (wanneer iemand niet alleen kan reizen). Met een indicatie voor medische begeleiding moet de persoon met beperkingen altijd één begeleider mee laten reizen in de Regiotaxi. Een medische begeleider reist gratis mee. Afwijken van het primaat van Collectief vervoer: individueel vervoer Indien reizen met het collectief vervoer niet mogelijk is, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van bijvoorbeeld een individuele (rolstoel)taxi of het gebruik van de eigen auto (of een combinatie hiervan) verstrekken. Om redenen van medische, psychische en/of sociale aard kan het collectief vervoer voor bepaalde mensen geen adequate oplossing voor het vervoersprobleem bieden. Hierbij kan worden gedacht aan: personen die tijdens de rit noodzakelijk gebruik moeten maken van bepaalde hulpmiddelen en deze hulpmiddelen niet mee kunnen nemen in de Regiotaxi; personen die vanwege ernstige maag-darm-blaasstoornissen te kampen hebben met niet op te vangen incontinentie voor ontlasting; personen die ernstige benauwdheid ondervinden als gevolg van bijvoorbeeld allergie, COPD/astma waardoor reizen met anderen onmogelijk is; situaties in verband met privacygevoelige zaken die naar algemeen aanvaarde maatschaven een extreme schaamte of gêne tot gevolg kunnen hebben voor belanghebbende; personen die ernstige overlast voor medepassagiers veroorzaken. Andere maatwerkvoorzieningen Bij personen met een loopafstand van minder dan 800 meter zal het college nagaan of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening voor de zeer korte afstand nodig is, zoals een scootmobiel of driewielfiets. Een dergelijk individueel vervoermiddel kan alleen worden verstrekt indien belanghebbende geen gebruik kan maken van algemeen gebruikelijke vervoersmiddelen zoals een reguliere (elektrische) fiets of een brommer. Daarnaast moet belanghebbende verantwoord met het middel overweg kunnen en over een adequate stalling beschikken. Indien deze niet aanwezig is kan de gemeente het realiseren van een stalling opnemen in de maatwerkvoorziening. De kosten van deze stalling moeten in redelijke verhouding staan tot de huur- of aanschafkosten én van de verwachte gebruiksduur van de betreffende voorziening. Financiële tegemoetkoming gebruik eigen auto (Auto Kosten Vergoeding) Een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto is bedoeld voor inwoners die in aanmerking zouden komen voor een vergoeding voor de Regiotaxi en beschikken over een eigen auto. Voor deze groep inwoners is de mogelijkheid gecreëerd om te kiezen tussen de Regiotaxi inclusief het bijbehorende vrij besteedbare budget of een bedrag voor het gebruik van de eigen auto. Uit cijfers en enquêtes blijkt immers dat zij zelden of nooit gebruik (zullen) maken van de Regiotaxi. Deze keuze is niet toegestaan als men in de auto van anderen meereist (met uitzondering van gezamenlijke huishoudingen en minderjarige kinderen). Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto, wordt beoordeeld of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Vergoeding voor aanpassingen aan de eigen auto Wanneer mensen een eigen auto hebben en geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, een ander vervoermiddel op twee wielen dan wel de Regiotaxi of wanneer mensen de auto veelal in gezinsverband gebruiken, kunnen zij mogelijk in aanmerking komen voor een vergoeding in de meerkosten van autoaanpassingen. Deze aanpassingen kunnen betreffen: de bediening en besturing van de auto; het in en uit de auto komen; de zithouding; het mee kunnen nemen van hulpmiddelen. Gebruikelijke voorzieningen zoals stuurbekrachtiging zijn uitgesloten (zie bijlage 4). Voorwaarden De kosten voor de autoaanpassing worden voor een periode van zeven jaar toegekend. Een nieuwe aanvraag voor eenzelfde aanpassing binnen deze periode wordt slechts naar rato van de verstreken termijn vergoed. Dit geldt niet bij een calamiteit. De meerkosten worden alleen toegekend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: er kan géén gebruik gemaakt worden van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het (aanvullend)openbaar vervoer of de taxi; óf belanghebbende maakt deel uit van een huishouden bestaande uit meer dan 2 personen, én kan geen gebruik maken van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het openbaar vervoer, én de gezinssituatie speelt een substantiële rol in de vervoersbehoefte van belanghebbende. Dat wil zeggen: men kan aannemelijk maken dat er veelal in gezinsverband wordt gereisd. de eigen auto kan niet worden gebruikt als de auto niet is aangepast aan de beperkingen van belanghebbende; er is geen (medische) contra-indicatie om in een auto te kunnen rijden; de bestuurder is de aanvrager of lid van het huishouden van de aanvrager; de bestuurder heeft een geldig rijbewijs en is of komt in het bezit (eigenaar) van een auto, gelijktijdig met de autoaanpassing; er treedt naar alle waarschijnlijkheid geen ingrijpende wijziging op in de rijbevoegdheid van de bestuurder. Ook aan de eigen auto worden randvoorwaarden gesteld. Hij moet: redelijk aan te passen en in goede staat zijn; het goedkoopst aan te passen model zijn; in principe niet ouder dan drie jaar zijn of nog minimaal zeven jaar mee kunnen. Dit hoeft niet te gelden bij overplaatsbare aanpassingen. Tenslotte dienen de aanpassingen aan de auto door de eigenaar verzekerd te worden. Meerkosten van onderhoud en verzekering van uitsluitend de aanpassingen komen voor compensatie in aanmerking. Artikel18Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf is het logeren van een belanghebbende, met als doel het overnemen van het (permanente) toezicht ter ontlasting van de gebruikelijke zorger of mantelzorger. Er is geen sprake van (medische) opname in het kader van de Zvw, dan is er sprake van Eerstelijns zorg, of de Wlz. Er is geen sprake van spoed of crisis. Bij kortdurend verblijf logeert iemand in een instelling. Hierdoor wordt degene die thuis die persoon ondersteunt of verzorgt, tijdelijk ontlast. Kortdurend verblijf is bedoeld voor mensen die (permanent) toezicht nodig hebben. Bij de uitvoering van deze maatwerkvoorziening is altijd iemand in de buurt aanwezig en meerdere malen per dag zal een medewerker langsgaan bij belanghebbende. Het kortdurend verblijf zal maximaal 52 etmalen per kalenderjaar bedragen. Het zwaartepunt van de zorg ligt bij kortdurend verblijf vooral op logeren, met als doel het overnemen van het permanente toezicht ter ontlasting van de gebruikelijke zorger of mantelzorger. Het verblijf is te karakteriseren als logeren ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en niet als wonen in een instelling voor het grootste deel van de week. Iemand komt in aanmerking voor kortdurend verblijf, wanneer: hij of zij een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking heeft, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap; Of hij of zij zowel een maatwerkarrangement ontvangt als een indicatie heeft voor persoonlijke verzorging. En hij of zij is aangewezen op zorg gepaard gaand met (permanent) toezicht; en de ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de belanghebbende levert, noodzakelijk is. Kortdurend verblijf wordt geleverd in drie varianten; te weten basis, speciaal (inclusief verzorging) en speciaal plus (inclusief begeleiding). Kortdurend verblijf basis: De basis zorg wordt doorgeleverd zoals thuis. Er is toezicht, maar niet permanent. Ruimtes worden niet afgesloten. Dit product is gebaseerd op een kamer inclusief bijbehorende verblijfskosten (waaronder schoonmaak en maaltijden). Kortdurend verblijf speciaal: Hier is hetzelfde beschikbaar als bij kortdurend verblijf basis, aangevuld met lijfelijke verzorging adl en wassen. Medische verzorging valt hier niet onder. Kortdurend verblijf speciaal plus: Hier is hetzelfde beschikbaar als bij kortdurend verblijf speciaal, aangevuld met individuele begeleiding. Wanneer Kortdurend Verblijf in pgb vorm wordt verstrekt vervalt het verschil in varianten. De hoogte van een pgb voor Kortdurend Verblijf is gebaseerd op het zorg in natura tarief voor Kortdurend verblijf speciaal. Bij de noodzaak tot Kortdurend verblijf speciaal plus wordt er in het geval van een pgb vanuit gegaan dat er een combinatie is met een pgb voor ambulante ondersteuning. De eventuele begeleidingskosten tijdens het kortdurend verblijf worden geacht gedekt te worden vanuit het pgb voor ambulante ondersteuning. Artikel19Maatwerkvoorziening maaltijdvoorziening Indien een inwoner een probleem heeft bij het bereiden en/of het nuttigen van de maaltijden wordt in eerste instantie gekeken of er mogelijk via het sociale netwerk of via voorliggende voorzieningen (kant-en-klaarmaaltijden, maaltijd-aan-huis) of algemene voorzieningen (welzijns- en vrijwilligerswerk) een oplossing kan worden gevonden voor de maaltijdvoorziening. Indien al deze mogelijkheden niet tot een oplossing leiden kan een maatwerkvoorziening voor maaltijdvoorziening worden ingezet. Deze maatwerkvoorziening wordt ingezet bij kwetsbare inwoners die om uiteenlopende redenen niet in staat zijn om de maaltijd te bereiden, om deze op te warmen met behulp van (bijvoorbeeld) een magnetron en eventueel toezicht te houden op het nuttigen van de maaltijd. Wanneer toezicht op de maaltijd aan de orde is, ziet de medewerker erop toe dat de cliënt het eten en drinken daadwerkelijk tot zich neemt. Het betreft hier veelal mensen die anders vergeten dat ze zouden moeten eten. Hieronder wordt niet het toedienen van de maaltijd verstaan. De hoeveelheid benodigde ondersteuning wordt bepaald aan de hand van de volgende activiteiten, waarbij rekening wordt gehouden met maximaal drie maaltijden per dag: Broodmaaltijden bereiden (1 maaltijd klaarzetten, 1 maaltijd indien nodig in koelkast).; Warme maaltijd opwarmen (max. 1 keer per dag); Toezicht bij het nuttigen van de maaltijd: maximaal 3 keer per dag, aanvullend per maaltijd. Voor de onderbouwing van de normtijden voor het klaarzetten en opwarmen van de maaltijden, maken we gebruik van het HHM-normenkader. Indien belanghebbende wijkverpleegkundige zorg ontvangt én vanuit de Wmo maaltijdverzorging dient te krijgen, kan de gemeente besluiten om in plaats van de hiervoor gecontracteerde aanbieder, de aanbieder van de wijkverpleging in te schakelen. Artikel20Maatwerkvoorziening kindverzorging Deze maatwerkvoorziening wordt ingezet bij (kwetsbare) inwoners die tijdelijk de zorg voor een minderjarig kind niet op zich kunnen nemen. Het gaat hier om het overnemen van de dagelijkse zorg voor een kind die door de beperking van de ouders tijdelijk moet worden overgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan het overnemen van de zorg voor een kind na een operatie van de ouder, of na een ziekenhuisopname, wanneer een of beide ouders de zorg tijdelijk niet zelf kunnen geven. Er wordt in eerste instantie gekeken of er mogelijk via het sociale netwerk of via voorliggende voorzieningen of algemene voorzieningen (welzijns- en vrijwilligerswerk) een oplossing kan worden gevonden voor de verzorging van de kinderen. De Wmo heeft hier vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een oplossing te zoeken; acute problemen worden tijdelijk opgelost zodat gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Wanneer voor langere tijd een beroep wordt gedaan op deze voorziening zal gezocht moeten worden naar een andere oplossing. Artikel21Maatwerkarrangement ambulante ondersteuning en wonen met ondersteuning Inleiding Het college kan maatwerkvoorzieningen toekennen ten aanzien van het uitvoeren van algemene dagelijkse activiteiten en het hebben van een ingevulde dag. Deze vorm van ondersteuning heet een maatwerkarrangement. Een maatwerkarrangement (verder Arrangement genoemd) bestaat uit een op de cliënt individueel afgestemd pakket aan ondersteuning op één of meerdere resultaatgebieden. Een resultaatgebied is een leefgebied waarop een verandering beoogd wordt met de ondersteuning. Zie bijlage 2 voor de uitwerking van de maatwerkarrangementen. In het geval van Zorg in Natura (ZIN) wordt de uitvoering van de maatwerkarrangementen in principe belegd bij één gecontracteerde aanbieder. Deze aanbieder organiseert voor de cliënt alle benodigde ondersteuning op de afgegeven resultaatgebieden. Zo kan de aanbieder de regie voeren op de onderdelen van het ondersteuningstraject en de te behalen doelen. Met als doel dat de cliënt de doelen eerder kan bereiken en kan doorstromen in het ondersteuningstraject. Wanneer een Wonen met ondersteuning plek niet direct beschikbaar is, wordt de inwoner op een wachtlijst geplaatst. In de tussentijd kan de inwoner aanspraak maken op overbruggingszorg in de vorm van ambulante ondersteuning. Als een cliënt de ondersteuning zelf wil inkopen via een persoonsgebonden budget, ontvangt cliënt een budget om de benodigde ondersteuning in te kopen. Vanwege de regieverantwoordelijkheid van een ZIN-aanbieder, is het uitgangspunt dat een cliënt de volledige ondersteuning ofwel via ZIN, ofwel via PGB ontvangt. Mocht uit het onderzoek van het sociaal wijkteam blijken dat er in een individuele situatie onvoldoende passende ondersteuning kan worden geboden (via de constructie van één hoofdaanbieder dan wel volledig via PGB), dan zal door het Sociaal Wijkteam namens het college met cliënt en de betreffende aanbieder(
  2. s)gezocht worden naar een passende oplossing. Eigen verantwoordelijkheid Het Sociaal wijkteam onderzoekt of iemand activiteiten kan aanleren en of er hulpmiddelen zijn waarmee iemand de dagelijkse activiteiten zelf kan uitvoeren. Ook wordt onderzocht of een inwoner in staat is zelf voor een daginvulling te zorgen, bijvoorbeeld door het doen van vrijwilligerswerk, het zoeken van een passende hobby of het bezoeken van (welzijns)activiteiten. Algemene doelen van maatwerkarrangementen Het college kan ondersteuning bieden om de volgende doelen te bereiken: zelf zorgdragen voor een schoon en leefbaar huis; opbouwen van het sociaal netwerk; ondersteuning richting onderwijs, en bij arbeidsparticipatie, dagbesteding; mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning; ondersteuning bij zelfzorg. het bieden van woonbegeleiding en een beschutte woonomgeving Soorten maatwerkarrangementen De volgende soorten maatwerkarrangementen zijn beschikbaar: 1. ambulante ondersteuning: ambulant: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner zelfstandig woont en de ondersteuning plaatsvindt op vaste contactmomenten. Er is geen sprake van de structurele behoefte aan en noodzaak tot oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht. ambulant plus: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner zelfstandig woont en de ondersteuning plaatsvindt op vaste contactmomenten. Vanwege de persoonlijke omstandigheden, is tevens sprake van een structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht. 2. wonen met ondersteuning: Begeleid wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning vindt veelal plaats op vaste contactmomenten. Vanwege de persoonlijke omstandigheden, is er sprake van een structurele behoefte aan en noodzaak tot oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht. Beschut wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning door individuele ondersteuning vindt plaats op vaste contactmomenten én door een vaste aanwezigheid van begeleiders op de groepswonenlocatie op bepaalde tijden van de dag. Vanwege de persoonlijke omstandigheden en de mogelijke dynamiek tussen de bewoners van de groepswonenlocatie, is er minimaal sprake van een structurele behoefte aan en noodzaak tot oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht, eventueel aangevuld met aanwezigheid op de woonlocatie in de nacht in het weekend. Beschermd wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning vindt plaats door individuele ondersteuning op vaste contactmomenten én door een vaste aanwezigheid van begeleiders gedurende (bijna) de (hele) dag op de groepswonenlocatie. Vanwege de persoonlijke omstandigheden en de mogelijke dynamiek tussen de bewoners van de groepswonenlocatie, is er sprake van aanwezigheid in de nacht op de groepswonenlocatie. In de regel (en bij PGB altijd) gaat de gemeente bij de bovenstaande drie vormen van Wonen met Ondersteuning uit van scheiden wonen en zorg. Dat betekent dat de cliënt zelf de huur betaalt en het maatwerkarrangement alleen de ondersteuning en de 24/7 bereikbaarheid omvat. Indien er sprake is van scheiden wonen en zorg, betaalt de cliënt als eigen bijdrage het abonnementstarief. In sommige situaties is het zelf betalen van de huur (tijdelijk nog) geen optie, dan is een zogenoemde intramurale indicatie een mogelijkheid. De cliënt betaalt bij een intramurale indicatie geen huur, maar wel een hoge eigen bijdrage tot aan zak- en kleedgeldnorm. Op dit moment heeft nog een gedeelte van de bestaande cliënten met zorg in natura een intramurale indicatie. Gemeenten gaan met de aanbieders van Wonen met Ondersteuning in overleg om een deel van het intramuraal wonen in de komende jaren om te zetten in scheiden van wonen en zorg. De opbouw van de maatwerkarrangementen 1. De resultaatgebieden De ondersteuning vindt plaats in de vorm van een modulair opgebouwd arrangement, bestaande uit één of meer van de volgende resultaatgebieden, zoals genoemd in bijlage 2: Sociaal en persoonlijk functioneren: richt zich op ondersteuning aangaande familie, relaties, netwerk; sociale vaardigheden; financiën, wonen, participatie; gedrag en organisatie van het leven. De ondersteuning is erop gericht om met fysieke, emotionele en sociale levensuitdagingen om te gaan en zo veel mogelijk eigen regie te voeren. Zelfzorg en Gezondheid: draagt ertoe bij dat de cliënt aandacht heeft voor zijn/haar gezondheid en het onderhouden en/of verbeteren daarvan. Deze ondersteuning is aanvullend op het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren en is in de regel tijdelijk van aard (bij ambulant is 1 jaar het uitgangspunt, bij wonen met ondersteuning de duur van het woontraject). Geldzaken: draagt er aan bij dat cliënten een geordende en gebalanceerde financiële huishouding verkrijgen en/of behouden. Deze ondersteuning is aanvullend op het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren en is in de regel tijdelijk van aard (bij ambulant is 1 jaar het uitgangspunt, bij wonen met ondersteuning de duur van het woontraject). Daginvulling en vervoer (van en naar): draagt ertoe bij dat cliënt op zinvolle wijze de dagen kan invullen onder toezicht of met ondersteuning. Van daginvulling bestaan er twee typen: regulier en plus. Daginvulling regulier is voor inwoners met een matige begeleidingsbehoefte en voor wie de algemene voorziening voor daginvulling niet passend is. De inwoner kan met lichte aansporing meedoen met groepsactiviteiten. De plus variant is voor cliënten die vanwege een grotere begeleidingsbehoefte niet kunnen deelnemen aan daginvulling met een reguliere groepsgrootte. In de plusvariant is een kleinere hoeveelheid cliënten op één groepsbegeleider noodzakelijk. Als onderdeel van daginvulling kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding. Veiligheid: richt zich op 24 uurs oproepbaarheid of aanwezigheid wanneer cliënten ’s avonds/'s nachts ondersteuning van een begeleider nodig kunnen hebben. Sociaal Beheer: Ondersteuning die wordt geboden afwijkend van geplande contactmomenten overdag en eventueel ook de kosten van gezamenlijk wonen (gemeenschappelijke ruimtes) bij wonen met ondersteuning. Indien er sprake is van Beschut of Beschermd Wonen valt onder Sociaal Beheer ook de (vaste) aanwezigheid van een begeleider op de groep in de woonlocatie, bovenop de individuele ondersteuning op de resultaatgebieden sociaal en persoonlijk functioneren, zelfzorg en geldzaken. Deze vaste aanwezigheid overdag op de woonlocatie dient onder meer voor de ondersteuning van de gezamenlijke momenten met mede cliënten en/of het reguleren van het sociale verkeer tussen cliënten. 2. De intensiteiten De resultaatgebieden bestaan uit verschillende intensiteiten, zoals genoemd in bijlage 2 en de onderstaande tabel. De intensiteiten staan voor de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en de noodzakelijke zorgzwaarte. Bij de keuze van een intensiteit wordt rekening gehouden met: de persoonlijke situatie van de cliënt; de directe en indirecte cliëntgebonden tijd die nodig is om de resultaten te behalen; de mate van onplanbaarheid van de ondersteuning. Indien (na het realiseren van de doelen) een toegekend maatwerkarrangement wordt beëindigd, kan er (tijdelijk) nog een noodzaak zijn om niet meer structureel maar incidenteel ondersteuning op het vlak van sociaal en persoonlijk functioneren te ontvangen. Het College kan dan de voorziening waakvlam instellen (maximaal 40 uur per jaar), waarbij de cliënt nog enige tijd wordt gemonitord. Tabel 1: overzicht arrangementen model Resultaatgebied Intensiteiten Sociaal en persoonlijk functioneren Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Intensiteit 5 Zelfzorg en gezondheid *Inbegrepen bij sociaal en persoonlijk functioneren Intensiteit 2 Intensiteit 3 Niet beschikbaar Niet beschikbaar Geldzaken * Inbegrepen bij sociaal en persoonlijk functioneren Intensiteit 2 Intensiteit 3 Niet beschikbaar Niet beschikbaar Daginvulling en vervoer Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Intensiteit 5 Veiligheid Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Niet beschikbaar Sociaal Beheer Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Niet beschikbaar Het modulair opgebouwde arrangement kan in het geval van wonen met ondersteuning uitgebreid worden met Huisvestingskosten Intramuraal. Het gaat om de uitzonderingssituaties dat cliënt niet in staat is om huur te betalen voor het wonen in een groepswonenlocatie voor begeleid, beschut of beschermd wonen. De cliënt betaalt in dit geval een intramurale eigen bijdrage, zoals bedoeld in Hoofdstuk 3 van het landelijke uitvoeringsbesluit Wmo. 3. Wonen met Ondersteuning in het bijzonder: ondergrens en inschaling Veiligheid en Sociaal Beheer Voor cliënten met Wonen met Ondersteuning binnen dezelfde woonlocatie geldt dat de gekozen intensiteit van de resultaatgebieden Veiligheid en Sociaal Beheer hetzelfde is, dus locatiegebonden. De inzet op de Resultaatgebieden Sociaal en Persoonlijk Functioneren, Zelfzorg en Geldzaken kan wel per cliënt verschillen binnen dezelfde woonlocatie. Ten aanzien van Begeleid, Beschut en Beschermd Wonen geldt hierbij wel dat de inzet op het Resultaatgebied Sociaal en Persoonlijk Functioneren aan een minimum verbonden is 1 Dit zijn nadrukkelijk ondergrenzen. In de regel zal de optelling van de gekozen intensiteiten op de drie individuele Resultaatgebieden doorgaans hoger liggen. , zoals weergegeven in onderstaande tabel. De ondergrens is bedoeld om het arrangement bij Wonen met Ondersteuning voldoende zwaarte te geven. Het geeft zekerheid aan cliënt en aanbieder dat zolang een bepaalde vorm van Wonen met Ondersteuning nodig wordt geacht, de indicatie ten minste de zwaarte heeft zoals aangegeven in de onderstaande tabel. Tabel 2: Ondergrens inzet op de Resultaatgebieden Sociaal en Persoonlijk Functioneren, Zelfzorg en Geldzaken bij Wonen met Ondersteuning Ondergrens SPF (indien alleen geïndiceerd)2 Indien qua ontwikkeling door- of uitstroom van een cliënt aan de orde is, maar deze stap na een gerede tijd uitblijft als gevolg van te weinig inspanning van de aanbieder om dit te realiseren, kan de Toegang bij een herbeoordeling besluiten Sociaal en Persoonlijk Functioneren lager af te geven dan de minimale ondergrens en op deze manier in overeenstemming brengen met de actuele behoefte aan individuele begeleiding. Ondergrens indien er ook op zelfzorg of geldzaken een intensiteit wordt afgegeven Begeleid Wonen Intensiteit 3 Equivalent van SPF intensiteit 33 Inhoudelijk meest logische equivalent van SPF3 is SPF2 met ZZ2 of GZ2 en meest logische equivalent van SPF4 is SPF3 met ZZ2 of GZ2. Andere combinaties, waarbij intensiteit SPF twee stappen lager ligt en gecombineerd zijn met de zwaarste intensiteit op ZZ of GZ zijn minder waarschijnlijk. Beschut en Beschermd Wonen Intensiteit 4 Equivalent van SPF intensiteit 4 4. Cliëntgroepen maatwerkarrangementen Voor de maatwerkarrangementen is van belang te kunnen bepalen onder welke cliëntgroep deze valt. Enerzijds is dat van belang om te kunnen bepalen op welk soort ondersteuning een cliënt aanspraak kan maken. Anderzijds is dit van belang om vast te kunnen stellen welke aanbieder deze ondersteuning kan leveren. Er worden de volgende cliëntgroepen bij Ambulante Ondersteuning onderscheiden: Ouderdom gerelateerd; Verstandelijk en Lichamelijk beperkten (waaronder Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH)); GGZ (waaronder Jongvolwassenen afkomstig uit de Jeugdhulp) Bij Wonen met Ondersteuning wordt er een onderscheid gemaakt tussen: Verstandelijk en Lichamelijk beperkten (waaronder Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH)); GGZ (waaronder Jongvolwassenen afkomstig uit de Jeugdhulp) Artikel22Lijfgebonden ondersteuning Als een inwoner ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren van de algemene dagelijkse levensverrichtingen, is er vaak ondersteuning nodig vanuit de Zorgverzekeringswet (wijkverpleging). Als een inwoner de handelingen fysiek gezien wel kan verrichten, maar er ondersteuning nodig is in de vorm van aansporing of aanleren, wordt er een maatwerkarrangement ingezet. In uitzonderingsgevallen is het mogelijk om lijfgebonden ondersteuning in te zetten. Deze voorziening wordt alleen ingezet als aansporing en/of aanleren onvoldoende is en er fysieke verzorgende handelingen voor een langere tijd overgenomen moeten worden. Bovendien kan er geen aanspraak gedaan worden op persoonlijke verzorging op basis van de Zorgverzekeringswet. Er is dus geen sprake van geneeskundige zorg of een hoog medisch risico. Hoofdstuk6Specialistische Maatschappelijke Zorg Artikel23Specialistische maatwerkvoorzieningen wonen met ondersteuning De gemeenten in Holland Rijnland* hebben besloten om Wonen met ondersteuning zo veel mogelijk lokaal te organiseren. Uitgezonderd zijn de voorzieningen voor inwoners met meervoudig complexe problematiek die aangewezen zijn op specialistische ondersteuning met wonen. Vanwege de complexe zorgbehoefte, het kleine aantal inwoners dat hierop aangewezen is en de benodigde specialistische inzet zijn deze voorzieningen niet zelfstandig lokaal te organiseren. Aanmelding voor specialistisch Wonen met ondersteuning kan op dezelfde manier als bij lokaal Wonen met ondersteuning, zoals beschreven in artikel 2, bij de lokale toegang van het Sociaal Wijkteam van de gemeente Leiden. Indien een inwoner (mogelijk) in aanmerking komt voor specialistisch Wonen met ondersteuning, wordt de aanvraag voorgelegd aan het regionaal team Maatschappelijke Zorg, welke de aanvraag verder behandelt volgens het proces zoals beschreven in Hoofdstuk 2. Wanneer een specialistisch Wonen met ondersteuning plek niet direct beschikbaar is, wordt de inwoner op een wachtlijst geplaatst. In de tussentijd kan de inwoner aanspraak maken op overbruggingszorg in de vorm van ambulante ondersteuning. Deze ambulante ondersteuning wordt georganiseerd door de lokale gemeente en staat voor de gemeente Leiden beschreven in artikel 21. Er zijn verschillende specialistische ondersteuningsvormen, ook wel voorzieningen genoemd, te onderscheiden: Specialistische woonvoorzieningen Traject woonbegeleiding ouder-kind Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling * De regio Holland Rijnland bestaat uit de volgende gemeentes: Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. Lid 1 Specialistische woonvoorzieningen Een inwoner komt in aanmerking voor een specialistische woonvoorziening als: De inwoner vanwege de ernst of grilligheid van de problematiek in de regel aangewezen is op 24/7 aanwezigheid van ondersteuning en/of toezicht, maar minimaal aangewezen is op 24/7 oproepbaarheid. Er een ernstig vermoeden van een psychische aandoening of diagnostiek rondom een psychische aandoening aanwezig is. De diagnose en/of psychosociale problemen zijn vastgesteld door een specialist (BIG geregistreerd) op het gebied van GGZ. Naast GGZ-problematiek is er sprake van één of meerdere bijkomende problematiek, namelijk: verslaving; gedrag (agressie, grensoverschrijdend gedrag); (licht)verstandelijke beperking; somatiek. Inwoners die aangewezen zijn op specialistische woonvoorzieningen verblijven hier naar verwachting 1 of meerdere jaren. Ervaring leert dat zij hierna uitstromen naar: Een lichtere vorm van wonen met ondersteuning of ambulante ondersteuning op lokaal niveau; Ondersteuning met wonen op basis van een WLZ GGZ indicatie. Specialistische woonvoorzieningen kunnen zowel op basis van scheiden wonen en zorg als intramuraal worden bekostigd. Woonvoorzieningen voor éénouder gezinnen, waarbij bij de ouder sprake is van GGZ-problematiek al dan niet in combinatie met een licht verstandelijke beperking, vallen ook onder de specialistische woonvoorzieningen. De duur van de toekenning De duur van de toekenning is afhankelijk van de volgende factoren: De leerbaarheid en het ontwikkelingsperspectief van belanghebbende, alsmede de inzetbaarheid van het sociaal netwerk. Bij herindicatie kan geconstateerd worden dat (specialistisch) Wonen met ondersteuning niet meer nodig is. Hierdoor kan een kortere indicatie afgegeven worden, zodat er tijd is om te zoeken naar een vervolgwoonplek en er daarna (gespecialiseerde) Begeleiding afgegeven kan worden. Lid 2 Traject woonbegeleiding ouder-kind Het traject woonbegeleiding ouder-kind omvat kortdurende trajectondersteuning met wonen aan (jong)volwassen die zwanger zijn of jonge kinderen hebben en bij wie sprake is van problematiek op het gebied van GGZ, al dan niet in combinatie met een licht verstandelijke beperking en die vanwege hun persoonlijke problematiek niet in staat zijn zelfstandig te wonen. Afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte is er 24-uurs oproepbare of 24-uurs aanwezige ondersteuning. Traject woonbegeleiding ouder-kind heeft een duur van minimaal 3 maanden en maximaal 1,5 jaar, waarna uitstroom naar zelfstandig wonen met ambulante begeleiding of naar een meer langdurige vorm van wonen met ondersteuning (specialistische of subregionaal/lokaal) mogelijk is. Traject woonbegeleiding ouder kind kan zowel op basis van scheiden wonen en zorg als intramuraal worden bekostigd. Lid 3 Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling Het traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling omvat kortdurende trajectbegeleiding aan inwoners met problematiek op het gebied van GGZ al dan niet in combinatie met een licht verstandelijke beperking, die na het volgen van een detox-traject in een verslavingskliniek, niet in staat zijn zelfstandig te gaan wonen met ambulante begeleiding. Zij zijn aangewezen op een nazorgtraject in geclusterde setting gericht op het omgaan met hun verslavingsgevoeligheid. Er is altijd sprake van meer problematiek dan enkel verslaving. Cliënten verblijven in dit type woonvoorziening met het doel weer zelfstandig te kunnen functioneren in de samenleving. Zij stromen uit naar zelfstandig wonen of een reguliere vorm van wonen met ondersteuning. Na een half jaar vindt er een evaluatie plaats, onder andere om te bespreken of er al is nagedacht over vervolghuisvesting. Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling wordt primair in de vorm van scheiden wonen en zorg bekostigd Het traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling is altijd tijdelijk (bij voorkeur niet langer dan 1 jaar). De noodzakelijke indicatieduur wordt door het regionaal team Maatschappelijke Zorg vastgesteld. Indicaties voor dit traject worden niet met terugwerkende kracht verstrekt. Artikel24Pgb Specialistisch Wonen met ondersteuning De gemeenten van Holland Rijnland hebben er voor gekozen om de specialistisch Wonen met ondersteuning gezamenlijk in te kopen. Een van de redenen hiervoor is het specialistische karakter van deze vorm van zorg, waardoor deze zorg moeilijk op kleine schaal te organiseren is. Toch is het in principe mogelijk voor een inwoner om gebruik maken van een pgb voor specialistisch Wonen met ondersteuning. Cliënt moet echter kunnen motiveren waarom een pgb een meer passende vorm van ondersteuning is dan zorgaanbieders die gecontracteerd zijn door de gemeente. In de regel kan belanghebbende het pgb alleen inzetten als het wooninitiatief binnen de grenzen van de regio Holland Rijnland is. Bij toekenning van een PGB voor specialistisch Wonen met ondersteuning gelden de kwaliteitseisen zoals beschreven in bijlage 7. Artikel25Aanvullende criteria (Specialistische) Maatschappelijke Opvang De gemeenten in Holland Rijnland hebben gekozen om de Maatschappelijke opvang zo veel mogelijk lokaal te organiseren. In aanvulling op de criteria gesteld in artikel 8 Verordening maatschappelijke ondersteuning Leiden, kan een inwoner in aanmerking komen voor Maatschappelijke opvang als deze: Feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorafgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en Niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen. Niet zelfredzaam is. De inwoner heeft onvoldoende vermogen om zichzelf te redden op alle levensterreinen met zo min mogelijk professionele ondersteuning en zorg. Dit blijkt uit het ondersteuningsplan van de inwoner. Geen voldoende steunend netwerk heeft. De inwoner heeft geen familieleden, vrienden, kennissen, collega’s en/of buren die praktische, sociale of emotionele steun kunnen bieden. Toch zal dit voor een aantal inwoners geen geschikte optie zijn. In aanvulling op de criteria hierboven, kan een inwoner in aanmerking komen voor Specialistische Maatschappelijke Opvang als: De inwoner vanwege de ernst of grilligheid van de problematiek in de regel aangewezen is op 24/7 aanwezigheid van ondersteuning en/of toezicht. Er een ernstig vermoeden van een psychische aandoening of diagnostiek rondom een psychische aandoening aanwezig is. De diagnose en/of psychosociale problemen zijn vastgesteld door een specialist (BIG geregistreerd) op het gebied van GGZ. Middelengebruik leidt tot ernstig orde verstorend gedrag op de lokale opvanglocatie. Artikel26Aanvullende criteria vrouwenopvang De gemeente Leiden is namens Holland Rijnland de centrumgemeente voor de vrouwenopvang. In aanvulling op criteria gesteld in artikel 8 Verordening maatschappelijke ondersteuning Leiden kan: een slachtoffer van huiselijk geweld in aanmerking komen voor opvang inclusief bescherming en bijbehorende ondersteuning als deze: slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de woonsituatie moet verlaten, en 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige woonsituatie te creëren. een slachtoffer van huiselijk geweld, waartoe ook alle leden van het gezin met hun onderlinge gezinsrelaties en patronen behoren, in aanmerking komen voor ambulante hulpverlening als: het slachtoffer of de ouder met gezag of verzorger 18 jaar of ouder is, en het slachtoffer en de leden van het gezin niet in staat zijn om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, en opvang niet of niet meer nodig is. Hoofdstuk7Beschikking Artikel27Beschikking maatwerkvoorziening In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening is in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Ook zal worden opgenomen of er sprake is van een te betalen bijdrage en welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is en hoe dat te bereiken. De beschikkingsduur wordt afgestemd op de situatie van de cliënt en de aard van de voorziening. Op het moment van indicatiestelling wordt in overleg met de inwoner afgestemd of en hoe vaak tussentijds contact opgenomen wordt met de inwoner om de periodieke evaluatie te bespreken. Dit gebeurt minimaal eens per 5 jaar. Bij een beschikking voor bepaalde tijd vindt tegen het einde van de beschikkingstermijn een herindicatie plaats conform artikel 2.3.9. van de wet. Afhankelijk van de situatie van de cliënt en de aard van de voorziening kan een indicatie ook voor onbepaalde tijd worden afgegeven wanneer: de aard van de beperkingen en de leerbaarheid van de cliënt dusdanig zijn dat de verwachting is dat zich hier geen veranderingen in zullen voordoen; de woonomstandigheden en de samenstelling van het huishouden van de cliënt naar verwachting stabiel zijn; de aard van de aangevraagde voorziening zich leent voor een langere indicatieduur (in principe niet mogelijk bij Wonen met ondersteuning). De beschikking wordt eerder dan de benoemde einddatum voor Wmo ondersteuning beëindigd als: Het resultaat van de ondersteuning is bereikt. Bij overlijden, verhuizing buiten Leiden of verblijf van 3 maanden of meer in het buitenland. Er sprake is van een opname van drie maanden of langer in een ziekenhuis, revalidatiecentrum of zorginstelling. De inwoner is vastgezet in de gevangenis. Bij een opname tussen de vier weken en drie maanden wordt een voorziening niet beëindigd, maar wordt er ook geen Wmo ondersteuning geleverd. De uitvoerende instelling voor de vrouwenopvang is voor onbepaalde tijd gemandateerd tot het afgeven van beschikkingen voor Vrouwenopvang. Dit is het gevolg van de landelijke afspraken over toetsingscriteria en eventuele plaatsing in een andere regio indien dat vanwege veiligheid noodzakelijk is, zoals beschreven in het Beleidskader landelijke in-, door- en uitstroom crisisopvang. Artikel28Beschikking bij pgb Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt dit bij beschikking bekend gemaakt aan de aanvrager. In artikel 10, lid 3 van de Verordening is beschreven wat bij het verstrekken van een pgb in ieder geval dient te worden vastgelegd. Aanvullende daarop en op artikel 27 wordt in de beschikking tevens vastgelegd: de ‘aard’ van de zorgverlener die de verstrekte maatwerkvoorziening zal leveren (professional instelling, professional ZZP of non-professional); indien van toepassing: welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; welke verplichtingen zijn verbonden aan het verstrekken van een pgb. In de beschikking wordt de verplichting gesteld dat het pgb besteed moet worden aan het resultaat, doel of de activiteit waarvoor het budget is toegekend. De geldigheidsduur van de beschikking is in principe maximaal 5 jaar. Met inachtneming van de beperkingen van belanghebbende en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen binnen de periode van 5 jaar bestaat de mogelijkheid om een kortere geldigheidsduur vast te stellen. De voorziening die belanghebbende met het pgb verwerft, hoeft niet exact dezelfde voorziening te zijn als de voorziening die is beschreven in het programma van eisen, maar het mag geen algemeen gebruikelijke voorziening zijn. Wordt een voorziening aangeschaft die niet aan het programma van eisen voldoet, dan bestaat de mogelijkheid dat belanghebbende met beperkingen zijn probleem niet volledig compenseert. Voor de daaruit voortvloeiende consequenties is belanghebbende zelf verantwoordelijk. Belanghebbende dient een zorgovereenkomst overeen te komen met de zorgverlener. De zorgovereenkomst is een verplicht onderdeel van de verantwoording. Er dient gebruik te worden gemaakt van de standaardovereenkomst van de SVB. Het college controleert de zorgovereenkomst die de inwoner heeft gesloten. De zorgovereenkomst wordt afgesloten voor een bepaalde tijd en voor maximaal de duur van de indicatie. Een zorgovereenkomst voor onbepaalde tijd zal worden afgekeurd. In de beschikking staan een aantal extra eisen die van belang zijn voor een budgetbeheerder. Deze eisen volgen onder andere uit bijlage 7. De specifieke eisen zijn afhankelijk van de voorziening die de inwoner heeft aangevraagd. Hoofdstuk8Maatwerkvoorziening via pgb Artikel29Maatwerkvoorziening via pgb De Wmo 2015 (en de Jeugdwet) geeft gemeenten de verplichting en de mogelijkheid tot het verstrekken van een pgb. Een persoon die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening heeft in principe de keuze voor een voorziening in natura of een pgb. Met het pgb kan ondersteuning op maat geleverd worden en kan innovatie in het ondersteuningsaanbod worden gestimuleerd. Het betreft hier hulp die wordt ingekocht bij een professionele zorgaanbieder of ZZP-er. Deze is als uitvoerende een professionele hulpverlener of heeft als instelling professioneel personeel in dienst. Een professional is in het bezit van branche-specifiek diploma’s voor het verlenen van de benodigde ondersteuning. Een gemeente kan een pgb weigeren als deze twijfelt aan de professionaliteit/kwaliteit van de hulpverlener. Een familielid kan niet ingezet worden als professional. In sommige gevallen kan een familielid de hulp verlenen. Dit wordt informele hulp genoemd (zie artikel 30). Het pgb sluit goed aan bij de wensen van belanghebbenden voor het verkrijgen en behouden van een grotere mate van zelfstandigheid. Belanghebbende moet een budgetformulier aanleveren. De gemeente levert een format aan om daarbij te helpen. Voor de Wmo geldt dat de aanvrager gemotiveerd kan aangeven dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen. Het kan daarbij ook gaan om de aard van de hulpvraag, waarbij godsdienstig, levensbeschouwelijke of culturele overwegingen een rol kunnen spelen. Een gecontracteerde aanbieder biedt als uitgangspunt alleen diensten in Zorg in natura (ZIN), alleen in uitzonderlijke (noodzakelijke) gevallen kan hiervan worden afgeweken. De keuze voor een pgb dient altijd een bewuste (en vrijwillige) keuze van de aanvrager te zijn. Belanghebbende moet de keuze voor het pgb onderbouwen en motiveren. Onvoldoende onderbouwing is aanleiding tot gesprek en kan leiden tot afwijzing. Gemeenten zorgen ervoor dat de aanvrager (en bij minderjarigen ook de ouders) wordt geïnformeerd over de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb en de gevolgen van deze keuze. Bij een pgb hoort ook het beheren van het budget. Er dient een scheiding te zijn tussen de budgetbeheerder en de uitvoerende zorgverlener. De zorginstelling of uitvoerende zorgverlener mag niet de financiën rond het pgb beheren om belangenverstrengeling te voorkomen. De budgethouder, of als er een budgetbeheerder is die de pgb zaken regelt, is financieel verantwoordelijk. Om de maatwerkvoorziening toegewezen te kunnen krijgen vanuit een pgb, moet de inwoner of zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig zijn. Het oordeel van het college is hierin leidend. Gekeken wordt naar de vaardigheden om de volgende taken uit te voeren: Het overzien van de eigen situatie en een duidelijk beeld hebben van de zorgvraag. Weten welke regels er horen bij een pgb of weten waar deze te vinden. Een overzichtelijke pgb-administratie bijhouden. Beschikken over voldoende financieel inzicht om de eigen pgb situatie te begrijpen Communiceren met de gemeente, de SVB en zorgverleners. Zelfstandig handelen, zelfstandig zorgverleners kiezen en zelfstandig het budgetformulier invullen. Zelf afspraken maken en deze afspraken vastleggen. Beoordelen of de zorg uit het pgb passend en kwalitatief goed is. Zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners. Het aansturen van de zorgverlener(
  3. s)en deze aanspreken op hun functioneren. Het hebben van voldoende (juridische) kennis over werk- en opdrachtgeverschap of weten waar deze kennis te vinden. Om bovenstaande vaardigheden te toetsen kan het Sociaal Wijkteam ervoor kiezen de inwoner een pgb-zelftest te laten invullen. De zelftest vormt een middel om in gesprek te gaan over de wenselijkheid van het pgb als financieringsvorm en de plichten die hieraan verbonden zijn. Wanneer de budgethouder zelf niet in staat wordt geacht de regie over het pgb te voeren, kan het beheer bij een bekwaam ander persoon (bijvoorbeeld via het sociale netwerk dan wel via een bewindvoerder, mentor of gemachtigde), worden ondergebracht. Oftewel een budgetbeheerder. De budgetbeheerder (in de vorm van een bewindvoerder, mentor of gemachtigde) en de zorgverlener dienen in het geval van een pgb te allen tijde een Verklaring omtrent Gedrag te kunnen overleggen. De kosten voor het aanvragen van deze VOG worden niet door de Wmo vergoed. In artikel 2.3.6. lid 2 van de Wmo 2015 wordt o.a. aangegeven dat wanneer belanghebbende zelf niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, het pgb kan worden geweigerd. Budgethouder moet dus wel in staat zijn om een betrouwbare budgetbeheerder te kiezen. De budgetbeheerder moet op zijn beurt goede intenties hebben en handelen in het belang van de budgethouder. Wanneer er geen bekwame budgetbeheerder is, kan het verstrekken van de voorziening in pgb worden geweigerd. Belanghebbende kan dan de maatwerkvoorziening in natura (blijven) ontvangen. Artikel30Het pgb voor niet-professionele hulp Het pgb kan worden ingezet om niet-professionele zorgverleners mee te betalen. Dit kan bijvoorbeeld iemand uit het sociale netwerk van de aanvrager zijn. Er dient altijd rekening gehouden te worden met mogelijke gebruikelijke hulp. Het betalen van ondersteuning of hulp die gewoonlijk geleverd zou worden uit het sociale netwerk van belanghebbende komt in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Er zijn situaties die hierop een uitzondering kunnen zijn. Aan de hand van de volgende criteria wordt bepaald of dit het geval is: 1.Er moet sprake zijn van zorg die de algemeen gebruikelijke hulp (zie bijlage 1) overstijgt. Als iemand vanuit het netwerk de ondersteuning gaat bieden, moet dat gepaard gaan met een wijziging in de bestaande situatie, omdat tijdens het gesprek blijkt dat vanuit de bestaande situatie de inzet van het sociale netwerk ontoereikend is. Er is dus extra inzet nodig buiten de inzet die al door het sociale netwerk geleverd wordt. 2.De inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter en flexibeler dan professionele ondersteuning. Het uitgangspunt is dat het pgb voor niet-professionele zorgverleners beperkt moet blijven tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt. Het belang van belanghebbende staat hierbij centraal. Het gaat om argumenten zoals: zorgcontinuïteit: partner of ouder kan zorgen voor flexibelere inzet of permanent beschikbaarheid of toezicht. Een professional kan dit niet. emotionele binding: partner, ouder of andere familie/kennis heeft een emotionele band. Dit draagt bij aan de effectiviteit van de ondersteuning/hulp. veiligheid: hulp of zorg in de eigen leefomgeving door ouder, partner of andere familie/kennis is vertrouwd en veilig en draagt daarmee bij aan de resultaten in het arrangement of de beschikking. praktische reden: partner of ouder kan taken flexibel combineren die anders door meerdere professionals op verschillende tijdstippen/locaties worden uitgevoerd. 3.De ondersteuning moet passend, adequaat en veilig zijn. Als iemand vanuit het sociale netwerk de ondersteuning gaat bieden, moet diegene wel de juiste vaardigheden hebben. Tijdens het gesprek wordt besproken of een persoon in staat is om de ondersteuning te bieden. Vanwege het (specialistische) karakter van de resultaatgebieden daginvulling en veiligheid, sociaal beheer en kortdurend verblijf is niet professionele zorg hierin in principe niet passend. 4.Het netwerk moet zich bewust zijn van de consequenties. De persoon die vanuit het netwerk de ondersteuning biedt moet zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid die hij, mogelijk langdurig, op zich neemt. Vraag die daarbij gesteld moet worden is, kan de degene die de hulp levert een keer overslaan als hij ziek is of op vakantie gaat, en hoe wordt de hulp dan geleverd? 5.Geen pgb bij dreigende overbelasting. Wanneer ondersteuning wordt ingezet in situaties waarin sprake is van (dreigende) overbelasting, zal zorgvuldig gekeken worden of het inzetten van pgb de juiste oplossing is. Wanneer sprake is van inzet vanuit het sociale netwerk kan in zeer uitzonderlijke gevallen het budgetbeheer in handen zijn van de zorgverlener zelf. Bijvoorbeeld wanneer ouders (intensieve) zorg leveren voor een kind én er geen andere redelijke mogelijkheden zijn én kan worden vastgesteld dat de ouders in staat zijn het beheer belangeloos uit te voeren. Artikel31Omvang van het pgb Het pgb voor maatwerkvoorzieningen dient in beginsel toereikend en vergelijkbaar te zijn met een voorziening in natura. Het pgb voor de maatwerkvoorziening in de vorm van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en hulpmiddelen wordt vastgesteld op maximaal het niveau van de kosten van de maatwerkvoorziening als de maatwerkvoorziening in natura zou worden verstrekt. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld aan de hand van de kostprijs van de goedkoopst adequate individuele voorziening in natura. Indien dit een tweedehands voorziening betreft, dan kan het college de hoogte daar dus op baseren, mits de cliënt met dit bedrag dan ook daadwerkelijk de voorziening kan aanschaffen. De kosten van de maatwerkvoorziening bij verstrekking in natura worden bepaald op basis van contracten die met leveranciers zijn af

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.