Toezichtbeleid erkenninghouders RDW 2017 Toezichtbeleidsbrief erkenninghouders RDW 2017 De directie van de Dienst Wegverkeer, Gelet op de Wegenverkeerswet 1994, het Kentekenreglement, de Arbeidstijdenwet, het Arbeidstijdenbesluit vervoer, het Besluit Personenvervoer 2000 en artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht; Besluit: Artikel 1 1 Het toezichtbeleid erkenninghouders RDW wordt vastgesteld volgens Bijlage I. 2 Bijlage I bestaat uit: Algemeen Deel Bijlage Erkenninghouder APK 2017; Bijlage Erkenninghouder Tachografen 2017; Bijlage Erkenninghouder Gasinstallatie 2017; Bijlage erkenninghouder Boordcomputer Taxi 2017; Bijlage Erkenning Tenaamstelling 2017; Bijlage Export Dienstverlening 2017; Bijlage Bedrijfsvoorraad & Handelaarskentekenbewijzen 2017; Bijlage Bevoegdheid Versnelde inschrijving 2017; Bijlage Erkenning Kentekenplaatfabrikanten en/of Lamineerder (GAIK) 2017; Bijlage APK Keurmeester 2017. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 april 2017. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Toezichtbeleidsbrief erkenninghouders RDW 2017. Deze beleidsregel wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst. De directie van de Dienst Wegverkeer, A. van Ravestein Algemeen Directeur Bijlage I Algemeen Deel Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW 2017 Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Toezichtbeleidsbrief 2 1.1 Toelichting 2 1.2 Indeling 2 1.3 Titel 3 1.4 Erkenningen en bevoegdheden 3 1.5 Meerdere erkenningen en bevoegdheden 3 Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 3 2.1 Basis van het toezicht 3 2.2 Wijze van toezicht houden 4 2.3 Frequentie van het toezicht 4 Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder 4 3.1 Verplichtingen voor de erkenninghouder 4 3.1.1 Meewerken aan het toezicht 4 3.1.2 Documentatie 4 3.1.3 Voeren van en inleveren erkenningsschild/verwijderen sticker(
- s)4 3.1.4 Financiële verplichting 5 3.1.5 Instrueren van uw personeel 5 3.1.6 Bewaarplicht stukken, bewaartermijn en -plaats 5 3.1.7 Verplichting verstrekken tellerstand 5 3.2 Maatregelen 5 3.2.1 Schorsing 5 3.2.2 Verscherpt toezicht 5 3.2.3 Wachttijd bij intrekking 5 Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 6 4.1 Vaststellen van een overtreding 5 4.2 Zienswijze 6 4.3 Ingangsdatum 6 4.4 Verjaringstermijn 6 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema 6 4.6 Soorten sancties 7 Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 7 5.1 Bezwaar 7 5.1.1 Hoorzitting 7 5.1.2 Waarschuwing 7 5.1.3 Opschorten 7 5.2 Beroep 8 5.3 Voorlopige voorziening 8 Stroomschema sancties overtreding erkenning/bevoegdheid 9 Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Toezichtbeleidsbrief 1.1 Toelichting Dit is het Algemeen Deel van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. Als erkenninghouder bent u gerechtigd een aantal taken uit te voeren namens de RDW. Het uitvoeren van deze taken kent een grote verantwoordelijkheid. De RDW houdt hier toezicht op. Hoe en waarom de RDW toezicht houdt, is vastgelegd in het toezichtbeleid. U vindt hier de regels die voor iedere erkenning gelden. 1.2 Indeling Het Algemeen Deel van de Toezichtbeleidsbrief bevat algemene informatie voor iedere erkenninghouder, terwijl de bijlagen specifieke informatie bevatten over de afzonderlijke erkenningen. Voor het toezichtbeleid dat bij uw erkenning(
- en)hoort, leest u het Algemeen Deel van de Toezichtbeleidsbrief én de bijlage(
- n)bij uw erkenning(en). Het Algemeen Deel is niet van toepassing op APK-keurmeesters en op deelnemers aan de handelaarskentekenregeling. Voor het toezichtbeleid met betrekking tot de APK-keurmeester hoeft u alleen de Bijlage APK Keurmeester te lezen. Voor deelnemers aan de handelaarskentekenregeling is de Bijlage Bedrijfsvoorraad en Handelaarskentekenbewijzen van toepassing. Samenvattend een illustratie van de samenstelling van de Toezichtbeleidsbrief: 1.3 Titel Dit deel is getiteld: Algemeen Deel Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. 1.4 Erkenningen en bevoegdheden Bij de RDW kunnen de volgende erkenningen en bevoegdheden worden aangevraagd: − erkenning APK; − erkenning tachografen; − erkenning gasinstallaties; − erkenningsregeling boordcomputer taxi's (BCT); − de erkenningsregeling tenaamstelling − erkenning Export Dienstverlening; − erkenning bedrijfsvoorraad (met als mogelijke onderdelen): ○ bevoegdheid Online Registratie Export Handelaren (OREH); ○ bevoegdheid Online Registratie Auto Demontage (ORAD); ○ bevoegdheid Tenaamstelling Voertuigbedrijf (TV); ○ deelnemer handelaarskentekenregeling; − bevoegdheid Aanvraag tot het versneld inschrijven van voertuigen zonder/met afzonderlijk onderzoek (Versnelde Inschrijving (VI)); − erkenning kentekenplaatfabrikant en/of lamineerder (GAIK); − bevoegdheid APK-keurmeester. 1.5 Meerdere erkenningen en bevoegdheden Het is mogelijk dat u in het bezit bent van meerdere erkenningen en bevoegdheden. De bevoegdheden die voor een natuurlijk persoon of rechtspersoon kunnen worden aangevraagd bij een erkenning bedrijfsvoorraad, zijn onderdeel van de erkenning bedrijfsvoorraad. Bent u erkenninghouder bedrijfsvoorraad met één of meerdere aanvullende bevoegdheden, dan geldt voor u dat u op de hoogte moet zijn van het Algemeen Deel, de Bijlage Erkenning Bedrijfsvoorraad en handelaarskentekenbewijzen en de bijlage Bevoegdheid tot het versneld aanvragen van de inschrijving van voertuigen (Versnelde Inschrijving). Indien u zowel de erkenninghouder APK als de APK-keurmeester bent, leest u voor de erkenning APK het Algemeen Deel + de Bijlage Erkenninghouder APK. Voor de keuringsbevoegdheid richt u zich alleen op de Bijlage APK Keurmeester. Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 2.1 Basis van het toezicht De RDW houdt toezicht op de verleende erkenningen en bevoegdheden. Dit gebeurt op basis van de Wegenverkeerswet 1994, de Arbeidstijdenwet en het Besluit personenvervoer 2000. De bepalingen die voor uw erkenning van toepassing zijn staan o.a. beschreven in de erkenningsregelingen. De geldende wet- en regelgeving kunt u vinden op www.overheid.nl. 2.2 Wijze van toezicht houden De RDW houdt toezicht door middel van het uitvoeren van administratieve / registercontroles en bezoeken. In beginsel kondigt de RDW deze bezoeken aan. Daarnaast heeft de RDW het recht erkenninghouders onaangekondigd te bezoeken om toezicht uit te oefenen. De RDW brengt de erkenninghouder een bezoek naar aanleiding van: – een steekproef na een melding door middel van datacommunicatie tussen de RDW en de erkenninghouder, of een steekproef op andere wijze; – een periodiek controlebezoek (de frequentie van het periodieke toezicht is per erkenning verschillend en wordt per bijlage aangegeven); – administratieve / registercontrole; – een externe melding van bijvoorbeeld de Belastingdienst, een voertuigeigenaar of de politie. 2.3 Frequentie van het toezicht In iedere bijlage is aangegeven wat de frequentie is van het toezicht dat u van de RDW kunt verwachten. Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder Als erkenninghouder bent u bevoegd om namens de RDW bepaalde taken uit te voeren. Dit kan uiteenlopen tot het tenaamstellen van voertuigen of het keuren van voertuigen. Door deze taken kunt u een breed pakket aan diensten aanbieden aan uw klanten. Naast het profijt dat u van de erkenning kunt hebben, brengt deze ook een grote verantwoordelijkheid voor u met zich mee. De RDW vertrouwt erop dat u op de juiste wijze gebruik maakt van de erkenning(
- en)en bevoegdheden en de verplichtingen uit de regelgeving naleeft. De RDW houdt toezicht op de correcte naleving van de eisen en voorschriften die uit de regelgeving voortvloeien en het juiste gebruik van de verantwoordelijkheden die u op eigen verzoek heeft ontvangen. 3.1 Verplichtingen voor de erkenninghouder Een erkenning van de RDW brengt een aantal verplichtingen met zich mee. In dit hoofdstuk kunt u lezen aan welke verplichtingen u als erkenninghouder (blijvend) moet voldoen. Per bijlage worden deze, indien van toepassing, aangevuld met specifieke verplichtingen voor uw erkenning. 3.1.1 Meewerken aan het toezicht U en uw medewerkers moeten alle medewerking verlenen aan de uitoefening van het toezicht door de RDW. Het niet meewerken aan toezicht leidt tot een sanctie. Indien men zijn of haar emoties richt op de persoon van de RDW-medewerker d.m.v. verbale agressie (uitschelden), discriminatie, intimidatie of seksuele intimidatie in uw bedrijf door daar aanwezige personen dan is dit een categorie IV overtreding en volgt een intrekking voor onbepaalde tijd van de erkenning en, indien van toepassing, een wachttijd van 30 maanden. Ook bij fysiek geweld of dreiging daarmee tegen een RDW-medewerker in uw bedrijf door daar aanwezige personen volgt een intrekking voor onbepaalde tijd van de erkenning en wordt aangifte gedaan door de RDW ten behoeve van strafrechtelijke vervolging. Ook bij agressie, discriminatie, intimidatie of seksuele intimidatie dan wel dreiging daarmee ongeacht in welke vorm deze geuit wordt tegen een RDW-medewerker buiten uw bedrijf geldt dat dit een categorie IV overtreding is en volgt een intrekking voor onbepaalde tijd van de erkenning en, indien van toepassing, een wachttijd van 30 maanden. Tevens geldt dat dit aanleiding kan zijn om aangifte te doen. 3.1.2 Documentatie U moet beschikken over de algemeen verplicht gestelde documentatie. Per erkenning of bevoegdheid kan de documentatie verschillen. Per bijlage is weergegeven over welke documentatie u moet beschikken voor de betreffende erkenning of bevoegdheid. 3.1.3 Voeren van en inleveren erkenningsschild/verwijderen sticker(
- s)U mag het RDW-erkenningsschild alleen voeren als u over een geldige erkenning of bevoegdheid beschikt. Wanneer u, om welke reden dan ook, geen gebruik meer kunt of mag maken van uw erkenning, dient u per direct de zaken die u voor het uitvoeren van de erkenning of bevoegdheid heeft verkregen, in te leveren bij de RDW. Het gaat hier in ieder geval om het erkenningsschild. Heeft u meerdere erkenningen op één locatie, dan moet u alleen de goederen inleveren die bij de erkenning of bevoegdheid horen waarvoor de intrekking voor onbepaalde tijd is opgelegd. Heeft u meerdere erkenningen verspreid over meerdere locaties, dan hoeft u alleen de zaken in te leveren van de locatie waarvoor de intrekking voor onbepaalde tijd van toepassing is. Per bijlage is aangegeven welke zaken nog meer moeten worden ingeleverd. Tevens dient u na intrekking voor onbepaalde tijd alle stickers, die op de ingetrokken erkenningen en/of bevoegdheden betrekking hebben, te verwijderen. 3.1.4 Financiële verplichting Als erkenninghouder moet u aan uw financiële verplichting voldoen. Dit geldt voor alle kosten die u als erkenninghouder moet voldoen. Voldoet u niet aan uw financiële verplichting, dan wordt de erkenning in eerste instantie voor de duur van zes weken geschorst. De ingangsdatum is dan 1 week na dagtekening van de verzending van dit besluit. Heeft u na deze periode nog steeds niet aan de financiële verplichting voldaan, dan wordt een intrekking voor onbepaalde tijd opgelegd. 3.1.5 Instrueren van uw personeel Voor een goed gebruik van uw erkenning is het van groot belang dat u uw personeel voldoende instrueert. Hoe u dit invult is uw eigen verantwoordelijkheid. De gevolgen van het niet (voldoende) instrueren van uw personeel komen voor uw rekening en risico. Naast de gevolgen van het niet (voldoende) instrueren van uw personeel, komen ook fouten gemaakt door uw personeel, voor uw rekening en risico. 3.1.6 Bewaarplicht stukken, bewaartermijn en -plaats Met betrekking tot verschillende stukken en zaken is er sprake van een bewaarplicht. De betreffende stukken en zaken dient u ten minste twee jaar in een afsluitbare voorziening, zoals een kast of kluis, te bewaren. Kijkt u in de bijlage van uw erkenning welke stukken en zaken u voor welke termijn moet bewaren, op welke manier u deze moet bewaren en of u de stukken ook moet vernietigen. 3.1.7 Verplichting verstrekken tellerstand In het kader van erkenningen en bevoegdheden is de erkenninghouder verplicht de tellerstand aan de RDW te verstrekken. In de bijlage van uw erkenning kunt u lezen hoe hiermee om wordt gegaan. De verplichting bestaat echter ook bij reparatie en onderhoud boven een bedrag van € 150,–. Bandenwissel wordt als een bijzondere vorm van onderhoud gezien. In dat geval geldt de bijlage van de erkenning en/of bevoegdheid die aan u verstrekt is. 3.2 Maatregelen 3.2.1 Schorsing Als een schorsing is opgelegd, betekent dit dat u uw erkenning of bevoegdheid niet mag gebruiken, omdat u niet meer aan alle eisen of (algemene) voorschriften voldoet. Een schorsing geldt voor 6 of 12 weken en duurt tot het moment waarop u hebt aangetoond weer te voldoen aan de betreffende eisen of voorschriften. U moet zelf aantonen dat de reden voor de schorsing is verholpen. Een schorsing kan leiden tot een herschouwing. Dit is afhankelijk van de reden waarvoor de schorsing is opgelegd. De herschouwing vindt plaats tegen geldend tarief (u vindt dit op www.rdw.nl). De schorsing gaat per direct in. In verband met de vereiste spoed wordt afgezien van het horen. Als u binnen de termijn van de schorsing de tekortkoming niet heeft verholpen, volgt een intrekking voor onbepaalde tijd van de erkenning. De geldigheid van handelaarskentekens wordt niet geschorst. 3.2.2 Verscherpt toezicht De RDW kan verscherpt toezicht opleggen in combinatie met een sanctie. Dit is een maatregel waardoor de frequentie van het toezicht op uw erkenning hoger wordt. Ook behoudt de RDW zich het recht voor om op andere momenten verscherpt toezicht op te leggen. In hoofdstuk 4 leest u hier meer over. 3.2.3 Wachttijd bij intrekking Bij een overtreding van de categorie IV, ondermijning van het toezicht of fraude, of voor een vierde keer binnen dertig maanden een intrekking is opgelegd, wordt een wachttijd van 30 maanden voor het indienen van een aanvraag opgelegd. Zie verder ook de bijlage(
- n)bij uw erkenning(en). Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 4.1 Vaststellen van een overtreding Een overtreding kan onder andere worden vastgesteld: – tijdens een controlebezoek; – tijdens een steekproefcontrole; – door een administratieve / registercontrole; – door de politie; – door een klacht; – door de douane; – door de Belastingdienst. 4.2 Zienswijze Als een overtreding is geconstateerd, krijgt u van de RDW in beginsel de gelegenheid uw zienswijze te uiten voordat wordt besloten u een sanctie op te leggen. In verband met de vereiste spoed zal uw zienswijze niet worden gevraagd in geval sprake is van agressie, intimidatie, seksuele intimidatie of discriminatie dan wel dreiging daarmee ongeacht in welke vorm deze geuit wordt tegen een RDW medewerker in uw bedrijf door daar aanwezige personen. Dit geldt ook indien agressie, intimidatie, seksuele intimidatie of discriminatie dan wel dreiging daarmee ongeacht in welke vorm deze geuit wordt tegen een RDW medewerker buiten uw bedrijf plaatsvindt. In uw zienswijze kunt u alle feiten en omstandigheden weergeven, met name ook specifiek voor u geldende en aantoonbare bijzondere feiten of omstandigheden. Niet als bijzonder feit of omstandigheid geldt het gestelde onder 4.4. Ook het naleven van de regelgeving of specifieke onderdelen daarvan geldt niet als bijzonder feit of omstandigheid. De RDW neemt uw zienswijze mee bij het al dan niet opleggen van een sanctie en de zwaarte van de sanctie. Per bijlage staat beschreven hoe u uw zienswijze kunt uiten. 4.3 Ingangsdatum Een sanctie treedt in beginsel direct in werking. Uitzondering hierop vormt een besluit met als sanctie een intrekking voor bepaalde tijd. Deze treedt in beginsel 1 week na dagtekening van het besluit in werking. Deze termijn is gesteld, zodat u uw eerstkomende afspraken met klanten kunt nakomen. De RDW zal bij meer dan één intrekking voor bepaalde tijd, de sanctie opvolgend ten uitvoer leggen. 4.4 Verjaringstermijn Voor sancties en attenties over tellerstanden wordt een verjaringstermijn van 30 maanden gehanteerd. Dit betekent dat bij het opleggen van een vervolgsanctie eerdere overtredingen worden meegewogen. De verjaringstermijn geldt in alle gevallen. Dit betekent dat zowel uw goede historie als overtredingen niet meer dan 30 maanden meetellen. Dat u voor de verjaringstermijn de regelgeving heeft nageleefd, geen overtredingen heeft begaan of sancties zijn opgelegd, geldt dus niet als bijzonder feit of omstandigheid. 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema De RDW heeft mogelijke overtredingen ondergebracht in vier categorieën, te weten: I tot en met IV, waarbij categorie I de lichtere overtredingen betreft en categorie IV de zwaarst mogelijke overtredingen betreft. De hoogte van een sanctie wordt in beginsel bepaald door de categorie waarin een overtreding is ingedeeld. In het stroomschema op de laatste pagina worden de sancties schematisch weergegeven. In dit stroomschema is rekening gehouden met de zwaarte van overtredingen en het vaker begaan van overtredingen. U kunt op basis van dit schema zelf nagaan welke sanctie naar verwachting wordt opgelegd. Meervoudige overtreding In het stroomschema is uitgegaan van een enkelvoudige overtreding. Het kan voorkomen dat er bij u, bij één bedrijfsbezoek of steekproefcontrole verschillende overtredingen worden geconstateerd. Wanneer tijdens één bedrijfsbezoek of controle meerdere overtredingen worden geconstateerd, dan wordt dit beschouwd als een meervoudige overtreding. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de categorieën van de verschillende overtredingen bij elkaar worden opgeteld. Is echter sprake van maximaal twee overtredingen, beide van de categorie I en/of II, dan worden de categorieën niet opgeteld, maar wordt een sanctie opgelegd in overeenstemming met de categorie behorend bij de zwaarste van de twee overtredingen. In alle gevallen wordt uw historie meegeteld bij het bepalen van de sanctiezwaarte. Als u na een meervoudige overtreding een volgende overtreding begaat wordt slechts de zwaarste overtreding van de meervoudige overtreding als historie aangemerkt. Of dit voor uw erkenning en/of bevoegdheden van toepassing is, zie de bijlage(
- n)bij uw erkenning(en). 4.6 Soorten sancties De RDW kent de volgende sancties: Schriftelijke waarschuwing De waarschuwingen worden schriftelijk aan u bekend gemaakt. Dit kan in combinatie met verscherpt toezicht. Uit het stroomschema is te herleiden wanneer een waarschuwing met verscherpt toezicht wordt opgelegd. De schriftelijke waarschuwing heeft een geldigheidsduur van 30 maanden. Intrekking voor bepaalde tijd Een intrekking voor bepaalde tijd houdt in dat u gedurende de aan u gemelde periode geen gebruik mag maken van de erkenning. Een intrekking voor bepaalde tijd wordt altijd gevolgd door een herschouwing tegen het geldende tarief (zie www.rdw.nl). In beginsel vindt de herschouwing plaats voordat u de erkenning weer mag gebruiken. Zie verder ook de bijlage(
- n)bij uw erkenning(en). Een intrekking voor bepaalde tijd kan voor de periode van zes, negen, twaalf weken of zes maanden zijn. Dit is afhankelijk van uw historie en/of de categorie waarin de overtreding(
- en)valt of vallen. Ook gedurende de periode dat uw erkenning tijdelijk is ingetrokken, dient u aan alle voorschriften te voldoen. Intrekking voor onbepaalde tijd Een intrekking voor onbepaalde tijd betekent dat uw erkenning is ingetrokken. Om weer in aanmerking te komen voor een erkenning moet u een nieuwe aanvraag indienen bij de RDW. Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 5.1 Bezwaar Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kunt u tegen een sanctiebesluit bezwaar indienen bij de RDW. U dient dit te doen binnen zes weken na de dag van verzending van het sanctiebesluit. U moet uw bezwaarschrift indienen bij de directie van de RDW, Postbus 777, 2700 AT Zoetermeer. Voor nadere informatie verwijs ik u naar www.rdw.nl 5.1.1 Hoorzitting Als u bezwaar aantekent tegen een besluit van de RDW krijgt u in de regel de gelegenheid uw bezwaarschrift mondeling toe te lichten. Dit is op het kantoor van de RDW. U ontvangt hiervoor een uitnodiging na ontvangst van uw bezwaarschrift. Stelt u prijs op een telefonische hoorzitting dan kunt u dit aangeven. Hoe u dit doet, kunt u lezen in de uitnodigingsbrief. U mag zich altijd laten vertegenwoordigen door een raadsman of advocaat. Als u iemand die geen advocaat is, machtigt om namens u het woord te doen en u komt zelf niet naar de hoorzitting moet u een schriftelijke verklaring meegeven. Hierin geeft u aan dat deze persoon gemachtigd is om u te vertegenwoordigen. Als u zelf ook naar de hoorzitting komt is dit niet nodig. 5.1.2 Waarschuwing Tegen een schriftelijke waarschuwing kan geen bezwaar worden gemaakt. Wanneer deze waarschuwing binnen de verjaringstermijn leidt tot een vervolgsanctie in de vorm van een op rechtsgevolg gericht besluit, dan kunt u bezwaren tegen de waarschuwing in de bezwaarprocedure van dat sanctiebesluit kenbaar maken. 5.1.3 Opschorten Als u bezwaar, dat dient te voldoen aan alle wettelijke vereisten die aan een bezwaar worden gesteld, aantekent tegen een besluit met als sanctie een intrekking voor bepaalde tijd van maximaal 12 weken of een ongeldigverklaring van een handelaarskenteken, die wordt opgelegd naar aanleiding van een geconstateerde overtreding van (een van) uw handelaarskenteken(s), wordt de inwerkingtreding van het besluit opgeschort totdat het bezwaarschrift is afgehandeld. De beslissing op bezwaar treedt in beginsel in werking twee weken nadat deze is verstuurd. De RDW behoudt zich het recht voor om in bovenstaande gevallen geen opschortende werking te verlenen of deze te beëindigen. In dat geval wordt u hierover geïnformeerd. 5.2 Beroep Als de RDW een beslissing heeft genomen op uw bezwaarschrift, kunt u ongeacht het resultaat daartegen in beroep gaan bij de rechtbank. Onderaan de beslissing op uw bezwaar vindt u de clausule waarin beschreven staat hoe u in beroep kunt gaan. Indien u in beroep gaat wordt de werking van de beslissing op uw bezwaar niet opgeschort. 5.3 Voorlopige voorziening Als u een intrekking voor onbepaalde tijd wordt opgelegd of een intrekking voor 6 maanden, verleent de RDW bij een bezwaarprocedure geen opschortende werking van de sanctie. Hiervoor kunt u een voorlopige voorziening bij de Rechtbank aanvragen. Bij een voorlopige voorziening geldt als vereiste dat de zaak een spoedeisend karakter heeft. Als u een verzoek om een voorlopige voorziening wilt indienen bij de rechtbank, kunt u hiervoor contact opnemen met de griffier. De contactgegevens van de rechtbank kunt u vinden op www.overheid.nl/ via ‘overheidsinformatie’ > ‘overheidsorganisaties’ > ‘rechterlijke macht’. Stroomschema sancties overtreding erkenning/bevoegdheid Bijlage Erkenninghouder APK 2017 Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Bijlage Erkenninghouder APK 10 1.1 Toelichting 10 1.2 Indeling 11 1.3 Titel 11 1.4 Erkenningen en bevoegdheden 11 1.5 Meerdere keuringsplaatsen 11 Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 11 2.1 Basis van het toezicht 11 2.2 Wijze van toezicht houden 11 2.3 Frequentie van het toezicht 12 Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder 12 3.1 Voorschriften voor de APK-keuring / Het keuringsproces 12 3.1.1 Toezicht door middel van steekproeven 12 3.1.2 Documentatie 13 3.1.3 Beëindiging erkenning 13 3.1.4 Financiële verplichting 13 3.1.5 Instrueren van uw personeel 14 3.1.6 Bewaarplicht stukken 14 3.1.7 Keuringsplaats 14 3.1.8 Datacommunicatie met de RDW 14 3.2 Maatregelen 14 3.3 Voertuigen 14 3.4 Handhaving APK 14 Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 14 4.1 Vaststellen van een overtreding 15 4.2 Zienswijze 15 4.3 Ingangsdatum 15 4.4 Verjaringstermijn 15 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema 15 4.6 Soorten sancties 16 Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 16 5.1 Beroep tegen het resultaat van de steekproefherkeuring of een vermeend onterechte goed- of afkeur 16 5.1.1 Hoorzitting 16 5.1.2 Opschorten 16 5.2 Beroep 16 5.3 Voorlopige voorziening 16 Hoofdstuk 6 – Erkenningseisen 16 6.1 Eisen aan de keuringsinstantie 16 6.2 Beoordeling erkenningseisen van de keuringsruimte en de apparatuur 17 Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Bijlage Erkenninghouder APK 1.1 Toelichting De Bijlage Erkenninghouder APK is een bijlage bij het Algemeen Deel Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. In deze bijlage vindt u de specifieke bepalingen voor de erkenninghouder APK. Voor een volledig beeld van het toezichtbeleid van de RDW dient u eerst het Algemeen Deel te lezen. Zoekt u een specifiek onderwerp in deze bijlage, dan raden wij u aan het hele hoofdstuk te lezen waarin het onderwerp wordt behandeld. 1.2 Indeling (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. Het zwart gearceerde onderdeel van de Toezichtbeleidsbrief is van toepassing voor u als erkenninghouder APK. 1.3 Titel Deze bijlage is getiteld: Bijlage Erkenninghouder APK van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. 1.4 Erkenningen en bevoegdheden (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 1.5 Meerdere keuringsplaatsen Geldt uw erkenning APK voor meerdere keuringsplaatsen? Dan wordt in de regel de kwaliteit per keuringsplaats beoordeeld. Een eventuele sanctie wordt hierop afgestemd. In beginsel wordt steeds per keuringsplaats gesanctioneerd. Uitbreiding of wijziging van een erkenning is als gevolg van artikel 19, vijfde lid van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK niet mogelijk indien een overtreding is geconstateerd waarvoor een sanctie wordt opgelegd. Dit geldt eveneens als de sanctie is opgelegd en ten tijde van de effectuering van de sanctie. Voor mobiele keuringseenheden geldt dat er aantoonbaar afwisselend keuringen moeten worden verricht in de op bijlage van de erkenning vermelde inrichtingen. Uitbreiding van een erkenning voor mobiele keuringseenheden is sinds 1 juli 2014 niet meer mogelijk. Verder geldt dat uitbreidingen of wijzigingen van de erkenning zoals in uw uittreksel van de Kamer van Koophandel moeten worden gemeld aan de RDW ten behoeve van de aanpassing van het erkenningsbesluit. Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 2.1 Basis van het toezicht De RDW houdt toezicht op de verleende erkenning APK. De basis van het toezicht is vastgelegd in de Wegenverkeerswet 1994 en de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK. 2.2 Wijze van toezicht houden ( zie Algemeen deel) Bij een herkeuring (steekproef) beoordeelt de RDW primair de kwaliteit van de uitgevoerde APK-keuring. Bij een periodiek controlebezoek wordt vooral getoetst of u zich aan de erkenningseisen en de voorschriften houdt. 2.3 Frequentie van het toezicht De frequentie van het toezicht is met name afhankelijk van het aantal door u uitgevoerde APK-keuringen en de resultaten van de herkeuringen (steekproeven). Dit wordt bijgehouden in het cusumsysteem. U leest hier meer over in de Regelgeving APK, Cusumsysteem ErkenninghouderAPK 2017. De RDW brengt u daarnaast in beginsel één keer per twee jaar een periodiek controlebezoek. Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder Als u in bezit bent van de erkenning APK, moet u een keuringsplaats hebben waarin een door de RDW erkend keurmeester voertuigen APK mag keuren. Hiermee levert u een bijdrage aan de kwaliteit van het Nederlandse wagenpark. Deze erkenning brengt dus een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Daarom houdt de RDW toezicht op uw erkenning APK. De erkenning APK kan nog op twee manieren worden uitgevoerd: met een vaste keuringsplaats en met mobiele keuringseenheden. Indien er onderscheid gemaakt moet worden tussen de mobiele erkenninghouder en de niet-mobiele erkenninghouder, is dit in de tekst aangegeven. Het raadplegen en afmelden van voertuigen mag uitsluitend plaatsvinden op de in het handboek regelgeving APK aangegeven tijden. 3.1 Voorschriften voor de APK-keuring / Het keuringsproces In de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK staat het keuringsproces beschreven. U wordt er met nadruk op gewezen dat u uw bedrijfsvoering zodanig inricht dat aan alle verplichtingen wordt voldaan. De volledige keuring van het voertuig wordt door de keurmeester uitgevoerd. Kort gezegd houdt dit het volgende in: a. Voorafgaand aan het technische deel van de keuring van het voertuig wordt gecontroleerd of het voertuig overeenstemt met de voertuiggegevens (kenteken, VIN, en datum eerste toelating) in het kentekenregister. Indien het VIN van het voertuig niet leesbaar is of niet overeenstemt met het VIN in het kentekenregister, dan mag geen keuring worden verricht en moet de klant doorverwezen worden naar de RDW. Let op! Bij taxi’s en OV-auto’s moet het goedkeuringsdocument die bij het kentekenbewijs hoort aanwezig zijn bij het voertuig. Bij voertuigen met een GN-, BN-, CD- of CDJ-of ZZ kenteken, moet het kentekenbewijs aanwezig zijn. b. De technische keuring van het voertuig wordt door de keurmeester uitgevoerd, zo nodig met roetmeting. c. Na afloop van het technische deel van de keuring wordt, overgegaan tot het afmelden van het resultaat van de keuring van dat voertuig (check kenteken) 1. de afkeurmelding, of 2. goedkeur na reparatie, of; 3. de goedkeurmelding met de eventuele adviespunten en reparatieadviespunten. d. In alle gevallen, dus ook bij afkeur, wordt het keuringsrapport ingevuld. e. Na controle van de juistheid en volledigheid van het keuringsrapport wordt dit door de keurmeester zelf handmatig ondertekend. Bij al deze handelingen moeten zowel het voertuig als de keurmeester in de keuringsruimte aanwezig zijn. De aan de keurmeesters verstrekte pincodes ten behoeve van het afmelden zijn persoonsgebonden. Deze mogen niet door iemand anders worden gebruikt. Ook u als erkenninghouder moet er zorg voor dragen dat het gebruik van de pincode van een keurmeester persoonsgebonden is en blijft. 3.1.1 Toezicht door middel van steekproeven Sleutelen in quarantainetijd Het is ten strengste verboden om tussen het afmelden van het voertuig en de komst van de steekproefcontroleur aan het afgemelde voertuig te sleutelen of metingen te verrichten. Alleen dan kan de RDW tijdens de steekproefherkeuring een goed beeld krijgen van de kwaliteit van de keuring. Het (laten) aanbrengen van wijzigingen of metingen (laten) verrichten aan een afgemeld voertuig door een in de keuringsplaats aanwezig persoon, of dit nu uw personeel, klant of andere relatie betreft, vóór aankomst van de steekproefcontroleur, wordt ‘sleutelen in quarantainetijd’ genoemd. Dit is een overtreding en wordt gesanctioneerd. Het verlenen van medewerking tijdens de steekproef Uw medewerking aan een steekproef wordt op onderstaande wijze van u verwacht. U bent ervoor verantwoordelijk dat het voertuig, de keurmeester en het keuringsrapport aanwezig zijn en blijven, zodat de steekproefcontroleur van de RDW de steekproef kan uitvoeren. Dit houdt onder meer in dat na de melding dat het voertuig in een steekproef valt: a. de desbetreffende keurmeester verplicht in de keuringsplaats aanwezig moet zijn en blijven. Ook het keuringsrapport moet u onder u houden. Het kentekenbewijs hoeft, met uitzondering van de gevallen vermeld onder 3.1. onder a niet aanwezig te zijn bij de keuring en steekproef. Naast de aanwezigheid van de keurmeester die het voertuig heeft gekeurd en het keuringsrapport heeft ondertekend, betekent dit dat deze keurmeester meteen assistentie verleent. De steekproefcontroleur moet uiterlijk binnen 15 minuten na aankomst met de uitvoering van het technische gedeelte van de steekproef kunnen beginnen. Deze periode van 15 minuten is uitdrukkelijk niet bedoeld om de keurmeester van elders, buiten de keuringsplaats, te (laten) komen. b. het voertuig, ongeacht wiens eigendom het is, aanwezig moet zijn en blijven in de keuringsplaats. Heeft u een mobiele erkenning APK, dan geldt dat ook de mobiele keuringseenheid bij de steekproef aanwezig moet zijn en blijven. U moet al het mogelijke doen om te voorkomen dat het gekeurde voertuig de keuringsplaats verlaat. U doet dit bijvoorbeeld door uw klanten goed te informeren over de steekproef, hen niet op de keuring te laten wachten, hen vervangend vervoer aan te bieden of hen weg te laten brengen. In ieder geval moet u de aanvrager voorafgaand aan de keuring duidelijk maken dat de mogelijkheid bestaat dat zijn voertuig in de steekproef valt. c. u de keuringsruimte en deugdelijk functionerende apparatuur ter beschikking moet stellen. Let er bij het afmelden goed op dat de herkeuring volledig kan worden uitgevoerd: als de weersomstandigheden al bij het afmelden zodanig slecht zijn dat een volledige herkeuring niet (meer) mogelijk is geldt dit als een overtreding die wordt gesanctioneerd Als u of anderen tijdens de uitvoering van de steekproef, inclusief een eventuele herkeuring in beroep, zonder toestemming van de RDW medewerker aan het voertuig wijzigingen aanbrengt of aan laat brengen is dit een overtreding van de categorie III, Als een voertuig de keuringsplaats verlaat, voordat de steekproef kon worden uitgevoerd, dan gelden voor u de volgende, in artikel 32 van de Regeling opgenomen verplichtingen: – geef geen keuringsrapport af; – wijs de klant er op dat de goedkeuring vervalt, en – meldt dit dan direct telefonisch bij het ACN kantoor te Zwolle van de RDW en niet pas bij aankomst van de steekproefcontroleur. Het nakomen van deze verplichtingen maakt de overtreding niet ongedaan en is om deze reden dan ook niet als bijzonder feit of omstandigheid aan te merken. Ook de aanwezigheid van het kentekenbewijs bij aankomst van de steekproefcontroleur, bijvoorbeeld omdat het voertuig uw eigendom is of in uw bedrijfsvoorraad is opgenomen, vormt een aanwijzing dat het voertuig aanwezig is geweest, maar maakt de overtreding van artikel 31 van de Regeling niet ongedaan en is om die reden dan ook geen bijzonder feit of omstandigheid. Is de steekproefcontroleur niet binnen 90 minuten aanwezig, dan mag u het keuringsrapport alsnog afgeven. Het voertuig hoeft dan ook niet meer beschikbaar te zijn voor de RDW. 3.1.2 Documentatie Als erkenninghouder APK moet u over de volgende documentatie op papier of digitaal beschikken: – Boekwerk Regelgeving APK; – Nederlandstalige handleidingen en certificaten van de vereiste meetmiddelen; – het meest recente erkenningsbesluit. De documentatie moet u ook aan uw keurmeesters ter beschikking stellen ten behoeve van de APK-keuringen. 3.1.3 Beëindiging erkenning Als aan u een intrekking voor onbepaalde tijd wordt opgelegd of u beëindigt de erkenning op eigen verzoek dan moet u de in het Algemeen Deel genoemde stukken, per direct inleveren bij de RDW. Bent u een mobiele erkenninghouder APK, dan voert u geen erkenningsschild of raamstickers. U kunt deze dus ook niet inleveren bij de RDW. Bij een verzoek om beëindiging van een erkenning, waarbij daaraan voorafgaand sancties zijn opgelegd, wordt aan dit verzoek voldaan na effectuering van de sancties. 3.1.4 Financiële verplichting (zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 3.1.5 Instrueren van uw personeel (zie Algemeen deel) Als erkenninghouder APK moet u uw personeel in ieder geval over de volgende zaken instrueren: – de pincode van de keurmeester is persoonlijk; – de APK-keuring moet door een bevoegd keurmeester worden gedaan; – de keurmeester is degene die de APK-keuring afmeldt; – zowel de APK-goedkeur als de APK-afkeur moet worden afgemeld; – er mag niet worden gesleuteld in quarantainetijd; – de aanwijzingen van de RDW medewerker moeten worden opgevolgd; – het voertuig, de keurmeester en het keuringsrapport moeten aanwezig zijn tijdens een steekproefcontrole; – bij een mobiele erkenning moet ook de mobiele keuringseenheid aanwezig zijn. 3.1.6 Bewaarplicht stukken De steekproefcontrolerapporten die u ontvangt moeten 30 maanden worden bewaard. 3.1.7 Keuringsplaats Als erkenninghouder APK moet u beschikken over een werkplaats die voldoet aan de Arbo-eisen, goed verwarmd, behoorlijk af te sluiten en goed verlicht is. Goed verwarmd houdt in dat de gemiddelde temperatuur in de werkplaats minimaal 10 graden Celsius is. De verwarming moet een dusdanige capaciteit hebben dat de ruimte ook met geopende deuren voldoende verwarmd is en blijft. De apparatuur moet gebruikt worden binnen het door de fabrikanten opgegeven temperatuurbereik van deze apparatuur. De keuringsplaats moet ook voorzien zijn van een deugdelijke hefinrichting of een inspectieput. Wat de RDW verstaat onder deugdelijkheid met betrekking tot deze voorzieningen vindt u in hoofdstuk 6 van deze bijlage. Voor de erkenninghouder van een mobiele keuringseenheid geldt dat bovenstaande verplichtingen ook van toepassing zijn op de inrichtingen. 3.1.8 Datacommunicatie met de RDW Om uw erkenning goed te kunnen gebruiken, heeft u toegangscodes en certificaten ontvangen van de RDW. Deze heeft u nodig voor de datacommunicatie met de RDW zodat u het register kunt inzien en een keuring kunt afmelden. De toegangscodes en certificaten mogen uitsluitend voor de aan u verstrekte erkenning en de daaraan gekoppelde keuringsplaats worden gebruikt. 3.2 Maatregelen (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 3.3 Voertuigen U mag in uw keuringsplaats alleen die voertuigen keuren waarvoor uw erkenning van toepassing is. Let hierbij vooral op brandstofsoort, de afmetingen (let daarbij op de minimaal vereiste hefhoogte van de hefinrichting en het blijvend functioneren van de afrijbeveiliging) en de toegestane maximum massa van de voertuigen die naar uw keuringsinstantie komen. Het keuren van een voertuig buiten de erkenning, is een overtreding en wordt gesanctioneerd. 3.4 Handhaving APK Als blijkt dat een voertuig niet in het zogenaamde APK-register van de RDW voorkomt, maar er voor dat voertuig wel een keuringsrapport door u afgegeven, is dit fraude. U kunt zelf controleren of een afgemeld voertuig ook daadwerkelijk is geaccepteerd door de RDW en dus in het keuringsregister is opgenomen. U kunt dit doen aan de hand van: – de transactiecode die u krijgt direct na de afmelding; – directe of dagelijkse controle van het register; – het zogenaamde raadpleegscherm voor afmeldingen; of – de maandelijkse controle van de rekening van de provider waarbij u afmeldt. Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 4.1 Vaststellen van een overtreding (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 4.2 Zienswijze In aanvulling op het Algemeen Deel geldt dat in de regel de medewerker van de RDW een afspraak met u maakt over het in persoon naar voren brengen van uw zienswijze en uw bedrijf hiervoor zal bezoeken. Indien u uw zienswijze schriftelijk kenbaar wil maken dan heeft u hiervoor één week de tijd nadat u bent benaderd door de RDW medewerker voor een afspraak. 4.3 Ingangsdatum Als u een erkenning heeft ten behoeve van het eigen wagenpark treedt iedere sanctie onmiddellijk in werking. Voor de andere erkenningen geldt dat de sanctie in beginsel direct in werking treedt. Uitzondering hierop vormt een besluit met als sanctie een intrekking voor bepaalde tijd van 6, 9 of 12 weken. Deze treedt in beginsel na 1 week na het versturen ervan in werking. Deze termijn is gesteld om uw eerstkomende afspraken met klanten na te kunnen komen. 4.4 Verjaringstermijn (zie Algemeen Deel) Als grondslag voor de verjaringstermijn geldt de datum van constatering van de overtreding. 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema Zie Algemeen Deel Voorbeelden van categorie I overtredingen: – goedkeuringsdocument van Taxi / OV auto of kentekenbewijs, BN-, GN-, CD-, CDJ-of ZZ voertuig ontbreekt – ingeslagen VIN in het voertuig komt niet overeen met het VIN in het kentekenregister – niet vooraf doorgeven van wijzigingen ten aanzien van de erkenning – tijdens de steekproef defecte apparatuur – niet ondertekenen steekproefcontrolerapport - Voorbeelden van categorie II overtredingen: – geen Voorbeelden van categorie III overtredingen: – keuren en afmelden van een voertuig buiten de erkenning – keuren en afmelden van een voertuig, terwijl de minimaal vereiste hefhoogte van de hefinrichting niet wordt bereikt – sleutelen in quarantainetijd – geen of onvoldoende medewerking verlenen, zoals: • voertuig en/of mobiele eenheid niet aanwezig; • keurmeester niet aanwezig; • het niet ter beschikking stellen van de vereiste apparatuur; • zonder toestemming van de RDW medewerker wijzigingen aanbrengen of aan laten brengen aan het voertuig. – onbevoegd gebruik van pincode – gebruik maken van niet-geijkte apparatuur – onbevoegde ondertekening van een keuringsrapport – kwaliteit toepassing keuringseisen op basis van de Regeling Cusumsysteem Erkenninghouder APK 2017: • cusumstand 12 wordt bereikt of overschreden; • één afzonderlijke cusumbijdrage van 10 of hoger; • apert onveilig voertuig – het niet volledig uitvoeren van een keuring Voorbeelden van categorie IV overtredingen: – fraude – kwaliteit toepassing keuringseisen op basis van de Regeling Cusumsysteem Erkenninghouder APK 2017: • één afzonderlijke cusumbijdrage van 25 of hoger – ondermijning van het toezicht, zoals: • verbaal en/of fysiek geweld of dreiging daarmee • niet verlenen van toegang tot de keuringsruimte • intimidatie Het is mogelijk dat u een overtreding begaat, die niet specifiek als voorbeeld benoemd is. De RDW heeft het recht deze overtreding te categoriseren en te sanctioneren. Meervoudige overtredingen Indien de som van een meervoudige overtreding hoger is dan III wordt een sanctie van tijdelijke intrekking voor de duur van 6 maanden opgelegd. 4.6 Soorten sancties (zie Algemeen Deel) Bij een overtreding van de categorie IV of een vierde overtreding binnen 30 maanden wordt een sanctie van intrekking voor onbepaalde tijd en een wachttijd van 30 maanden voor het doen van een nieuwe aanvraag opgelegd. Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 5.1 Beroep tegen het resultaat van de steekproefherkeuring of een vermeend onterechte goed- of afkeur Zowel op het keuringsrapport als het steekproefcontrolerapport staan deze procedures vermeld. Voor meer informatie over artikel 90 en 91 procedure van de Wegenverkeerswet 1994 wordt u verwezen naar de Administratieve procedures van de Regelgeving APK. 5.1.1 Hoorzitting (zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 5.1.2 Opschorten (zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 5.2 Beroep (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 5.3 Voorlopige voorziening (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. Hoofdstuk 6 – Erkenningseisen 6.1 Eisen aan de keuringsinstantie In dit hoofdstuk leest u hoe een aantal erkenningseisen bij het toezicht van de RDW wordt beoordeeld. Bij de aanvraag van een erkenning wordt onderzocht of u voldoet aan de erkenningseisen. Hiervoor geldt dat u onder meer de beschikking moet hebben over ruimte en apparatuur. U moet permanent aan deze eisen voldoen. De periodieke controlebezoeken door de RDW zijn primair bedoeld om te beoordelen of u nog aan deze eisen voldoet, maar dit kan eveneens ten tijde van steekproeven plaatsvinden. 6.2 Beoordeling erkenningseisen van de keuringsruimte en de apparatuur Verlichting Onder goede verlichting in de keuringsruimte wordt verstaan dat de gemiddelde lichtopbrengst minimaal 300 lux bedraagt. De lichtopbrengst wordt bepaald door visuele controle. Bij twijfel wordt de lichtopbrengst in de keuringsruimte vastgesteld aan de hand van een lichtmeting. De lichtmeting wordt uitgevoerd met een luxmeter. Dit gebeurt als volgt: 1. onder de hefinrichting of in de inspectieput, met daarop een voertuig, wordt op 1 meter afstand van het voertuig aan alle zijden van het voertuig de lichtsterkte gemeten (hierbij wordt de lichtcel naar de lichtbron gehouden); 2. aan beide zijden van de voor- en achterzijde van het voertuig wordt de lichtsterkte gemeten op 1 meter afstand (hierbij wordt de luxmeter op 1 meter hoogte gehouden en wordt de lichtcel van de luxmeter naar het voertuig gericht); 3. de gemiddelde waarde van deze vier metingen moet minimaal 300 lux bedragen. Verwarming De keuringsruimte moet voldoende verwarmd zijn. Dit houdt in dat de gemiddelde temperatuur in de keuringsruimte minimaal 10 graden Celsius is. De verwarming moet van een dusdanige capaciteit zijn dat de ruimte na het openen van de deuren voldoende verwarmd is en blijft. De apparatuur moet gebruikt worden binnen het door de fabrikanten opgegeven temperatuurbereik van deze apparatuur. De verwarming van de keuringsruimte moet op een veilige manier zijn uitgevoerd. Dit houdt in dat de verwarmingsapparaten waarin een brander is gemonteerd, deze brander niet direct van buitenaf te benaderen mag zijn. Het zogenaamde open vuur is niet toegestaan. Hefinrichting Onder een doelmatige hefinrichting wordt verstaan: – De afrijbeveiliging werkt volledig als een voertuig op de hefinrichting staat. Dit geldt voor zowel de voorzijde als de achterzijde van het voertuig. De afrijbeveiliging mag niet zijn verwijderd. – De hefinrichting moet zijn voorzien van een goed werkende valbeveiliging. – De bediening en beveiliging van de hefinrichting verkeren in goede staat en werken op de correcte wijze. – De elektrische installatie aan de hefinrichting vertoont geen gebreken. – De hefkabels zijn onbeschadigd. – De hydraulische onderdelen lekken niet. – De hefinrichting is aan alle zijden toegankelijk. De vrije ruimte rondom de hefinrichting is minimaal 0,5 meter. De eventueel aanwezige oprijplaten worden bij de beoordeling van de vrije ruimte buiten beschouwing gelaten. – De hefinrichting is voorzien van voldoende verlichting. De verlichting van de hefinrichting moet voldoen aan onderstaande eisen: ○ De verlichtingsarmaturen mogen niet beschadigd zijn en moeten zijn voorzien van beschermkappen. ○ De hefinrichting is gelijkmatig verlicht waarbij de gemiddelde lichtopbrengst onder de inrichting minimaal 200 lux bedraagt. De lichtopbrengst wordt bepaald door visuele controle. In geval van twijfel wordt de lichtopbrengst vastgesteld door het uitvoeren van een lichtmeting. De lichtmeting wordt uitgevoerd met een luxmeter. Dit gebeurt als volgt: 1. midden op de hefinrichting wordt een voertuig geplaatst; 2. bij ieder wiel wordt de lichtsterkte gemeten, daarbij wordt de lichtcel van de luxmeter naar het midden van de hefinrichting gericht; 3. de gemiddelde waarde van deze metingen dient minimaal 200 lux te bedragen. De deugdelijkheid en goede staat van onderhoud van de hefinrichting blijkt uit een minimaal eenmaal per jaar, door een bij de RDW aangemelde en geaccepteerde voor hefinrichtingen gecertificeerd bedrijf of persoon, afgegeven certificaat en geldige goedkeursticker hiervoor heeft afgegeven aan de erkenninghouder. Inspectieput Onder een doelmatige inspectieput wordt het volgende verstaan: − De inspectieput is vrij toegankelijk: ○ Voor voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer is dan 3.500 kg moet, indien een voertuig op de inspectieput staat, minimaal één uitgang vrij toegankelijk zijn. Er moet minimaal 1 meter vrije ruimte aanwezig zijn. ○ Voor voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer is dan 3.500 kg moet, indien een voertuig op de inspectieput staat, een vrije ruimte aan de voor- of achterzijde van het voertuig van minimaal 1 meter aanwezig zijn. (dit betekent voertuiglengte plus 1 meter) ○ De uitgangen dienen te allen tijde vrij van obstakels en toegankelijk te zijn. ○ De inspectieput is toegankelijk door middel van een vaste trap of een vast klimijzer. − In de inspectieput is geen water en/of andere vloeistof aanwezig. − De elektrische installatie in de inspectieput vertoont geen gebreken. Deze is zodanig uitgevoerd dat de afzuiginstallatie minstens 30 seconden in werking is voordat de verlichting kan worden ingeschakeld of een ander punt onder spanning wordt gebracht. − De inspectieput is voorzien van een mechanische afzuiginstallatie waarmee dampen (bijvoorbeeld LPG of benzine) doeltreffend worden afgezogen. Daartoe dient: • aan beide zijden van de inspectieput afzuigkanalen te zijn aangebracht waarin gelijkmatig verdeeld over de lengte, afzuigopeningen aanwezig zijn; • de capaciteit van de afzuiginstallatie per minuut ten minste één kubieke meter lucht per vierkante meter inspectieput te bedragen; • de verbinding met de buitenlucht te bestaan uit een onbrandbare buisleiding met een inwendige diameter van minimaal 150 mm; • de ventilatormotor van de afzuiginstallatie zich buiten de luchtstroom te bevinden of explosieveilig uitgevoerd te worden; • de afvoergassen minstens 1 meter boven het dak van de keuringsinrichting te worden afgevoerd, buiten de nabijheid van ramen en deuren. Toelichting: indien aantoonbaar op een andere wijze aan de eisen met betrekking tot afzuiging kan worden voldaan, dan kan dit door de RDW worden geaccepteerd. Het aantoonbaar maken dient te gebeuren aan de hand van een verklaring van de fabrikant/leverancier en in overleg met de RDW. − De inspectieput is voorzien van voldoende verlichting. De verlichting van de inspectieput moet voldoen aan onderstaande eisen: ○ De verlichtingsarmaturen mogen niet beschadigd zijn en moeten zijn voorzien van beschermkappen. ○ De inspectieput is gelijkmatig verlicht waarbij de gemiddelde lichtopbrengst onder de inrichting minimaal 200 lux bedraagt. De lichtopbrengst wordt bepaald door visuele controle. Bij twijfel wordt de lichtopbrengst vastgesteld door middel van een lichtmeting. De lichtmeting wordt uitgevoerd met een luxmeter, op de volgende wijze: 1. midden op de inspectieput wordt een voertuig geplaatst; 2. bij ieder wiel wordt de lichtsterkte gemeten; daarbij wordt de lichtcel van de luxmeter naar het midden van de inspectieput gericht; 3. de gemiddelde waarde van deze metingen dient minimaal 200 lux te bedragen. Koplamptester Een koplamptestapparaat wordt geacht deugdelijk te zijn indien: a. de voet, de zuil, het vizier, de verstelinrichtingen en de optiekkast waaronder de lens en het projectievlak niet dusdanig zijn beschadigd dat de werking van het apparaat beïnvloed wordt; b. de verstelinrichtingen spelingvrij zijn en werken zoals oorspronkelijk bedoeld is; c. de koplamptester op rails is gemaakt, moeten de rails aanwezig zijn en niet dusdanig beschadigd zijn dat de werking van het apparaat beïnvloed wordt; d. de optiekkast waterpas gemonteerd is ten opzichte van de voet, dan wel de optiekkast waterpas te stellen is ten opzichte van de voet. Krik Als gebruik wordt gemaakt van een putkrik, moet deze doelmatig zijn. Hieronder wordt verstaan dat deze is voorzien van een beveiligingsvoorziening waarbij het voertuig niet kan zakken in geval van problemen met de krik (bijvoorbeeld lekkage). De krik moet minimaal voorzien zijn van een terugstroombeveiliging. Bijlage Erkenninghouder Tachografen 2017 Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Bijlage Tachografen 19 1.1 Toelichting 19 1.2 Indeling 20 1.3 Titel 20 1.4 Erkenningen en bevoegdheden 20 1.5 Meerdere werkplaatsen 20 Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 20 2.1 Basis van het toezicht 20 2.2 Wijze van toezicht houden 20 2.3 Frequentie van het toezicht 21 Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder 21 3.1 Voorschriften 22 3.1.1 Het verlenen van medewerking tijdens de steekproef 22 3.1.1.1 Aanwezigheid tijdens de steekproef 22 3.1.2 Documentatie 22 3.1.3 Erkenningsschild 22 3.1.4 Financiële verplichting 22 3.1.5 Instrueren van uw personeel 23 3.1.6 Bewaarplicht stukken 23 3.1.7 Werkplaats 23 3.1.8 Datacommunicatie met de RDW 23 3.1.9 Apparatuur 23 3.1.10 Registerkaart 24 3.2 Maatregelen 24 3.3 Typen controleapparaten 24 3.4 Handhaving controleapparaten 24 Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 24 4.1 Vaststellen van een overtreding 24 4.2 Zienswijze 24 4.3 Ingangsdatum 24 4.4 Verjaringstermijn 24 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema 25 4.6 Soorten sancties 25 Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 25 5.1.a klacht 26 5.1 Second opinion over het resultaat van een steekproefcontrole 26 5.1.1 Hoorzitting 26 5.1.2 Opschorten 26 5.2 Beroep 26 5.3 Voorlopige voorziening 26 Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Bijlage Tachografen 1.1 Toelichting De Bijlage Erkenninghouder Tachografen is een bijlage bij het Algemeen Deel Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. In deze bijlage vindt u de specifieke bepalingen voor de erkenninghouder controleapparaten. Voor een volledig beeld van het toezichtbeleid van de RDW dient u eerst het Algemeen Deel te lezen. De erkenning controleapparaten kan gelden als installateur controleapparaten of als reparateur controleapparaten. In het algemeen spreken we van de erkenninghouder controleapparaten. Daarmee bedoelen we zowel de installateur als de reparateur. Als er onderscheid gemaakt moet worden, wordt dit aangegeven. Zoekt u een specifiek onderwerp in deze bijlage, dan raden wij u aan het hele hoofdstuk te lezen waarin het onderwerp wordt behandeld. 1.2 Indeling (Zie Algemeen Deel) Het zwart gearceerde onderdeel van de Toezichtbeleidsbrief is van toepassing voor u als erkenninghouder Tachografen. 1.3 Titel Deze bijlage is getiteld: Bijlage Erkenninghouder Tachografen van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. 1.4 Erkenningen en bevoegdheden (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 1.5 Meerdere werkplaatsen Uitbreiding of wijziging van een erkenning met een mobiele installatie eenheid of werkplaats is niet mogelijk indien een overtreding is geconstateerd waarvoor een sanctie wordt opgelegd. Dit geldt eveneens als de sanctie is opgelegd en ten tijde van de effectuering van de sanctie. Voor mobiele activeringseenheden geldt dat er aantoonbaar afwisselend activeringen moeten worden verricht in de op de bijlage van de erkenning vermeldde inrichtingen In beginsel wordt een sanctie per mobiele installatie eenheid dan wel werkplaats van een erkenninghouder opgelegd. Indien een erkenninghouder meerdere werkplaatsen dan wel mobiele installatie eenheden met inrichtingen heeft geldt dat indien in, al dan niet verschillende, werkplaatsen of met mobiele activeringseenheden in inrichtingen, drie overtredingen van de categorie III zijn geconstateerd de gehele erkenning wordt ingetrokken voor een periode van 12 weken. Dit houdt in dat u als erkenninghouder gedurende die 12 weken geen activeringen kunt verrichten, Indien een erkenninghouder meerdere werkplaatsen dan wel mobiele installatie eenheden met inrichtingen heeft geldt dat indien in, al dan niet verschillende werkplaatsen of met mobiele installatie eenheden in inrichtingen, een categorie IV overtreding wordt geconstateerd de gehele erkenning wordt ingetrokken. Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 2.1 Basis van het toezicht De RDW houdt toezicht op de verleende erkenning controleapparaten. De basis van het toezicht is vastgelegd in de Arbeidstijdenwet Vervoer, het Arbeidstijdenbesluit, de Regeling controleapparaten 2005 en de Regeling tachograafkaarten. 2.2 Wijze van toezicht houden (Zie Algemeen deel). Bij een herkeuring (steekproef) beoordeelt de RDW primair de kwaliteit van de inbouw of het onderzoek van het controleapparaat. Bij een periodiek controlebezoek wordt vooral getoetst of u zich aan de erkenningseisen en -voorschriften houdt. 2.3 Frequentie van het toezicht De frequentie van het toezicht door middel van herkeuringen (steekproeven) is afhankelijk van het aantal door u uitgevoerde onderzoeken c.q. reparaties en de resultaten van de herkeuringen (steekproeven). Dit wordt bijgehouden in een cusumsysteem. U leest hier meer over in de regeling Cusumsysteem tachografen 2017. De RDW brengt u daarnaast in beginsel één keer per twee jaar een periodiek controlebezoek. Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder Als erkenninghouder controleapparaten mag u digitale en analoge controleapparaten installeren, onderzoeken, kalibreren en/of repareren. Dit moet gebeuren in de door u opgegeven werkplaats, door een tachograaftechnicus. Dit is iemand die is opgeleid om te werken met de typen controleapparaten waarvoor uw erkenning geldig is. Voor digitale tachografen geldt dat de tachograaftechnicus niet alleen met succes een opleiding hebben afgerond, maar ook moet beschikken over een bevoegdheidspas en werkplaatskaart. Deze werkplaatskaart wordt afgegeven door de KIWA. Nadere informatie over het aanvragen en verkrijgen van een werkplaatskaart kunt u vinden op www.kiwa.nl Deze bevoegdheid kan u in uw dienstverlening naar de klant grote voordelen opleveren. U kunt zo een volledig pakket aan diensten verlenen. De erkenning brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Door uw handelen, kan het toezicht op de arbeidstijden van uw klanten worden beïnvloed. In de Regeling controleapparaten 2005 is beschreven aan welke eisen u permanent moet voldoen en hoe u uw erkenning moet gebruiken. In de Regeling tachograafkaarten is beschreven welke rechten en plichten er aan het houden van een tachograafkaart zijn verbonden. U kunt deze Regelingen vinden op www.wetten.nl en in het Handboek Tachograaf De erkenning controleapparaten kan op twee manieren worden uitgevoerd: mobiel en niet-mobiel (vaste werkplaats). Indien er onderscheid gemaakt moet worden tussen een erkenninghouder met een vaste werkplaats en een erkenninghouder met een mobiele installatie-eenheid, is dit in de tekst aangegeven. Het raadplegen en afmelden van voertuigen mag uitsluitend plaatsvinden tijdens de in het Handboek Tachograaf opgegeven tijden. 3.1 Voorschriften Op 4 februari 2014 is de Verordening nr. 165/2014 vastgesteld, ter vervanging van de 3821/85. Deze Verordening, nr. 165/2014 geldt vanaf 2 maart 2016. In de Regeling controleapparaten 2005 staan aanvullende nationale voorschriften beschreven voor het installeren, het onderzoeken en het repareren van controleapparaten. Om uw erkenning naar behoren te kunnen gebruiken heeft u naast de verplicht gestelde documentatie de verordening nodig. Samengevat moet u bij elke installatie of onderzoek in ieder geval aan de volgende voorschriften voldoen: a. Voorafgaand aan het onderzoek moet eerst een manipulatiecheck worden uitgevoerd. Bij vaststelling van manipulatie moet dit bij de Dienst Wegverkeer gemeld worden door middel van het manipulatiemeldingsformulier. De installatie, de onderzoekkalibratie worden uitgevoerd door een tachograaftechnicus met gebruik van de vereiste apparatuur en gereedschappen. Daarna verzegelt de tachograaftechnicus het controleapparaat en onderwerpt hij het voertuig waar deze is geïnstalleerd aan een korte rijproef. b. Van iedere inbouw en onderzoek worden de gegevens vastgelegd op een registerkaart. c. Na installatie of onderzoek wordt het voertuig door de tachograaftechnicus met pas en pin via datacommunicatie afgemeld bij de RDW. d. Na installatie of onderzoek wordt een installatieplaatje met onuitwisbare gegevens op het voertuig aangebracht. Dit moet in de nabijheid van het controleapparaat worden bevestigd op een vast voertuigonderdeel, op een goed waarneembare plek in de bestuurdersruimte. Het bedoelde installatieplaatje wordt niet eerder aangebracht dan nadat is vastgesteld dat het controleapparaat goed is afgesteld en verzegeld en door de Dienst Wegverkeer is medegedeeld dat: • de in artikel 36 bedoelde melding niet leidt tot een steekproefsgewijze controle van de installatie of het onderzoek door de Dienst Wegverkeer; of • de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de installatie of het onderzoek, maar dat deze controle niet binnen 90 minuten na de melding wordt begonnen; dan wel • de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de installatie of het onderzoek en deze controle heeft geleid tot een goedkeuring van de betreffende werkzaamheden. Ik wijs u er met nadruk op dat ook installaties en onderzoeken ( inclusief de manipulatiecheck) van voertuigen met een niet Nederlands kenteken moeten worden afgemeld. In artikel 36, tweede lid, is geregeld in dat geval moet het volledige identificatienummer worden gebruikt bij de melding. Sleutelen in quarantainetijd Het is ten strengste verboden om tussen het afmelden van het voertuig en de komst van de steekproefcontroleur aan het afgemelde voertuig te sleutelen of metingen te verrichten. Alleen dan kan de RDW tijdens de steekproefcontrole een goed beeld krijgen van de kwaliteit van de installatie. Het (laten) aanbrengen van wijzigingen of metingen (laten) verrichten aan een afgemeld voertuig door een in de werkplaats aanwezig persoon, of dit nu uw personeel, klant of andere relatie betreft, vóór aankomst van de steekproefcontroleur, wordt ‘sleutelen in quarantainetijd’ genoemd. Dit is een overtreding en wordt gesanctioneerd. 3.1.1 Het verlenen van medewerking tijdens de steekproef Uw medewerking aan een steekproef wordt op onderstaande wijze van u verwacht. Als een voertuig in de steekproef valt, is de tachograaftechnicus die het voertuig heeft afgemeld verplicht aanwezig. Aan de steekproef moet alle medewerking worden verleend. Naast de aanwezigheid van de tachograaftechnicus betekent dit dat hij ook meteen feitelijke assistentie verleent, door onder meer zijn werkplaatskaart ter beschikking te stellen. Ook moet u de ruimte en deugdelijk functionerende apparatuur ter beschikking stellen. De steekproefcontroleur moet uiterlijk binnen 15 minuten na aankomst aan de steekproef kunnen beginnen. Deze periode van 15 minuten is uitdrukkelijk niet bedoeld om de tachograaftechnicus of het voertuig van elders (buiten de werkplaats) te laten komen. Bij een overtreding van deze voorschriften wordt een intrekkingsprocedure gestart. Als er tijdens de uitvoering van de steekproefcontrole, inclusief de second opinion zonder toestemming van de RDW-medewerker aan het voertuig of het controleapparaat wijzigingen worden aangebracht, wordt dit aangemerkt als een overtreding van de categorie III. 3.1.1.1 Aanwezigheid tijdens de steekproef U als erkenninghouder bent ervoor verantwoordelijk dat het voertuig en de tachograaftechnicus aanwezig zijn en blijven zodat de steekproefcontroleur van de RDW de steekproef kan uitvoeren. Heeft u een erkenning voor een mobiele installatie-eenheid controleapparaten, dan geldt dat ook de mobiele installatie-eenheid, bij de steekproef aanwezig moet zijn. Is de steekproefcontroleur niet binnen 90 minuten in uw werkplaats aanwezig, dan mag u het voertuig vrijgeven. Het voertuig hoeft dan ook niet meer beschikbaar te zijn voor de RDW. Als een voertuig in de steekproef valt moet u al het mogelijke doen om te voorkomen dat het voertuig de werkplaats verlaat. U doet dit bijvoorbeeld door uw klanten goed te informeren over de steekproef, hen niet op de installatie, onderzoek of kalibratie te laten wachten, hun vervangend vervoer aan te bieden of hen weg te laten brengen. In ieder geval moet u uw klant voorafgaand aan de installatie duidelijk maken dat de mogelijkheid bestaat dat zijn voertuig in de steekproef valt en dat hij verplicht is hieraan mee te werken. Als een voertuig de werkplaats verlaat, voordat de steekproef kon worden uitgevoerd, dan meldt u dit direct telefonisch bij het ACN kantoor te Zwolle van de RDW en niet pas bij aankomst van de steekproefcontroleur. De aanwezigheid van het kentekenbewijs bij aankomst van de steekproefcontroleur, bijvoorbeeld omdat het voertuig uw eigendom is of in uw bedrijfsvoorraad is opgenomen, vormt een aanwijzing dat het voertuig aanwezig is geweest, maar maakt de overtreding niet ongedaan en is om die reden dan ook geen bijzonder feit of omstandigheid. 3.1.2 Documentatie Als erkenninghouder controleapparaten moet u beschikken over de werkplaatshandboeken en documentatie die door de fabrikant of importeur van de controleapparaten wordt voorgeschreven. Uw personeel moet hier ook over kunnen beschikken. Daarnaast moet u gebruik maken van het Handboek Tachograaf. 3.1.3 Erkenningsschild Bent u een erkenninghouder met een mobiele installatie-eenheid, dan hoeft u geen erkenningsschild of raamstickers te voeren. Bij beëindiging van uw bedrijf moet u de aan u uitgereikte zegeltang inleveren bij de RDW. 3.1.4 Financiële verplichting (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 3.1.5 Instrueren van uw personeel (zie Algemeen deel) Bevoegd personeel Voor de erkenninghouder van digitale tachografen geldt dat de tachograaftechnicus per erkende werkplaats over maximaal één werkplaatskaart mag beschikken. Deze heeft hij nodig om als installateur of reparateur controleapparaten te onderzoeken en te kalibreren. Verricht de tachograaftechnicus deze werkzaamheden in meerdere erkende werkplaatsen, dan heeft hij voor iedere erkende werkplaats een werkplaatskaart nodig. Naast de opleiding door de fabrikanten of importeurs moeten deze personen worden getoetst door de RDW. Dit is gemandateerd aan het IBKI. De tachograaftechnicus ontvangt na diplomering een bevoegdheidspas en pincode van de RDW die 4 jaar geldig is. Voor verlenging van die pas en pincode moet de tachograaftechnicus opnieuw met goed gevolg een toets afleggen. De bevoegdheidspas en pincode moet worden gebruikt voor het afmelden van de tachografen in het RDW register. Deze verstrekte pas en pincodes zijn persoonsgebonden en mogen niet door iemand anders worden gebruikt. Ook u als erkenninghouder moet er zorg voor dragen dat het gebruik van de pincode persoonsgebonden is en blijft. Overig personeel Om de regelgeving goed te kunnen naleven en de erkenning in stand te houden, moet het personeel in ieder geval over de volgende zaken zijn geïnformeerd: − het gebruik van de werkplaatskaarten en pincodes is persoonsgebonden; − alleen de tachograaftechnicus mag een controleapparaat installeren, onderzoeken, repareren of kalibreren; − afmelden mag alleen door de tachograaftechnicus worden gedaan; − het voertuig, het diploma of scholingsbewijs en de werkplaatskaart moeten aanwezig zijn bij een steekproef; − de tachograaftechnicus moet aan de steekproef feitelijk assistentie verlenen. 3.1.6 Bewaarplicht stukken U moet de gegevens op de registerkaart tot ten minste drie jaar na installatie, onderzoek of reparatie bewaren zoals aangegeven in de Regeling controleapparaten 2005. Daarnaast mogen de verzegelinrichting, de werkplaatskaarten en de toegangscodes alleen toegankelijk zijn voor bevoegd personeel. 3.1.7 Werkplaats Als erkenninghouder controleapparaten moet u beschikken over een werkplaats die goed verwarmd, behoorlijk af te sluiten en goed verlicht is. Goed verwarmd houdt in dat de gemiddelde temperatuur in de werkplaats minimaal 10 graden Celsius is. De verwarming moet van een dusdanige capaciteit zijn dat de ruimte ook met geopende deuren voldoende verwarmd is en blijft. De apparatuur moet gebruikt worden binnen het door de fabrikanten opgegeven temperatuurbereik. De verwarming van de werkplaats moet op een veilige manier zijn uitgevoerd. Dit houdt in dat de verwarmingsapparaten waarin een brander is gemonteerd, deze brander niet direct van buitenaf te benaderen mag zijn. Het zogenaamde open vuur is niet toegestaan. 3.1.8 Datacommunicatie met de RDW Om uw erkenning goed te kunnen gebruiken, heeft u toegangscodes en certificaten ontvangen van de RDW. Deze heeft u nodig voor de datacommunicatie met de RDW zodat u een tachograafonderzoek kunt afmelden. De toegangscodes en certificaten mogen uitsluitend voor de aan u verstrekte erkenning en de daaraan gekoppelde werkplaats worden gebruikt. 3.1.9 Apparatuur In de Regeling controleapparaten 2005 staat beschreven over welke apparatuur en gereedschap de bevoegde installateur en reparateur moet beschikken. Dit kan door de fabrikant of importeur voorgeschreven apparatuur zijn of door de RDW daaraan gelijkwaardig geachte apparatuur. Het gaat hierbij veelal om specifieke meetapparatuur en gereedschap. Alle apparatuur en gereedschap moeten deugdelijk zijn en in goede staat verkeren. 3.1.10 Registerkaart Na installatie, onderzoek of reparatie, inclusief de manipulatiecheck van het controleapparaat moeten de gegevens op uw eigen registerkaart worden vastgelegd. Daarna moet het voertuig via datacommunicatie worden afgemeld bij de RDW. Bij een analoog controleapparaat moeten de gegevens worden genoteerd op zogenaamde registerkaarten. Voor digitale controleapparaten mogen deze gegevens zowel op papier als digitaal worden opgeslagen. Als u de gegevens geheel of gedeeltelijk geautomatiseerd vastlegt, bewaart, raadpleegt of verstrekt is de Wet bescherming persoonsgegevens(WBP) van toepassing. Dit houdt onder meer in, dat u een verwerking van persoonsgegevens moet aanmelden bij het College bescherming persoonsgegevens. Dit kan eenvoudig door middel van een formulier dat u kunt downloaden van het internet. Voor meer informatie kijkt u op www.cbpweb.nl. Als een digitaal controleapparaat defect is en vervangen moet worden door een nieuw digitaal controleapparaat, moeten de voertuiggegevens in het defecte apparaat worden veiliggesteld. Dit blijkt in de praktijk niet altijd mogelijk. In dat geval moet u een zogenaamd ‘certificate of undownloadability’ of een ‘certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht’ afgeven aan de transportondernemer (werkgever of zelfstandige). In Nederland kunnen alle erkenninghouders een dergelijk document afgeven. Dit document moet worden voorzien van een certificaatnummer die u bij de RDW kunt aanvragen; u wordt hier apart over geïnformeerd. Van de uitgegeven certificaten moet u een eigen administratie bijhouden. U moet de afgegeven certificaten en de veiliggestelde data ongewijzigd ten minste één jaar bewaren. Is het niet mogelijk de gegevens digitaal over te brengen, maar kan er wel een afdruk uit het apparaat worden gegenereerd? Dan moet die afdruk worden gemaakt en aan het certificaat worden gehecht. 3.2 Maatregelen (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 3.3 Typen controleapparaten Als erkenninghouder bent u ervoor verantwoordelijk dat alleen die typen controleapparaten in uw werkplaats worden geïnstalleerd, onderzocht en gekalibreerd, waarvoor uw erkenning van toepassing is. Indien uw erkenning geldig is voor een digitaal controleapparaat dan geldt dit voor alle merken en typen digitale controleapparaten. 3.4 Handhaving controleapparaten Als blijkt dat een voertuig niet is afgemeld bij de RDW, maar er wel een installatieplaatje is aangebracht, of de instellingen van het apparaat worden gewijzigd zonder dit bij de RDW af te melden, wordt dit aangemerkt als een overtreding. Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 4.1 Vaststellen van een overtreding (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 4.2 Zienswijze In aanvulling op het Algemeen Deel geldt dat in de regel de medewerker van de RDW een afspraak met u maakt over het in persoon naar voren brengen van uw zienswijze en uw bedrijf hiervoor zal bezoeken. Indien u uw zienswijze schriftelijk kenbaar wil maken dan heeft u hiervoor één week de tijd nadat u bent benaderd door de RDW medewerker voor een afspraak. 4.3 Ingangsdatum Als u een erkenning heeft ten behoeve van uw eigen wagenpark, treedt iedere sanctie onmiddellijk in werking. 4.4 Verjaringstermijn (Zie Algemeen Deel) Als grondslag voor de verjaringstermijn geldt de datum van constatering van de overtreding. 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema (Zie Algemeen Deel) Voorbeelden van categorie I overtredingen: – tijdens de steekproef defecte apparatuur – gegevens in het register of op registerkaart niet volledig of juist vastgelegd – niet vooraf doorgeven van wijzigingen ten aanzien van de erkenning – niet kunnen tonen certificaat van undownloadability of manipulatiemeldingsformulier – niet aanwezig zijn van de testschijf bij de registerkaart – beheer werkplaatskaarten niet op orde – voorgeschreven apparatuur niet gebruikt Voorbeelden van categorie II overtredingen: signaalsnelheid snelheidsbegrenzer onjuist ingesteld Voorbeelden van categorie III overtredingen: – kwaliteit ten aanzien van de installatie eisen op basis van de Regeling Cusumsysteem tachografen 2017: • cusumstand van 12 wordt bereikt of overschreden; • één afzonderlijke cusumbijdrage van 10 of hoger • een apert onjuiste inbouw of onderzoek – sleutelen in quarantainetijd – geen of onvoldoende medewerking verlenen tijdens een steekproef: • voertuig en/of mobiele installatie-eenheid niet aanwezig; • tachograaftechnicus niet aanwezig bij de steekproefcontrole; • vereiste apparatuur niet ter beschikking gesteld – voertuig / kalibratie niet afgemeld – werkplaatskaart niet aanwezig – installatie door onbevoegde persoon – onbevoegd gebruik van de werkplaatskaart, bevoegdheidspas en/of pincode – onterecht of niet afgeven certificate van undownloadability – onvolledige installatie, onderzoek of reparatie uitgevoerd (niet conform 165/2014) – niet downloaden massageheugen van een DTCO – vastgestelde manipulatie niet gemeld. Voorbeelden van categorie IV overtredingen: fraude – kwaliteit ten aanzien van de installatie eisen op basis van de Regeling Cusumsyteem tachografen 2017: één afzonderlijke cusumbijdrage van 25 of hoger – ondermijning van het toezicht, zoals: • verbaal en/of fysiek geweld of dreiging daarmee; • niet verlenen van toegang tot de werkplaats; • intimidatie. Het is mogelijk dat een overtreding geconstateerd wordt die niet specifiek als voorbeeld benoemd is. De RDW heeft het recht deze overtreding te categoriseren en te sanctioneren. Meervoudige overtredingen Indien de som van de een meervoudige overtreding hoger is dan III wordt een sanctie van tijdelijke intrekking voor de duur van 6 maanden opgelegd. 4.6 Soorten sancties ( zie Algemeen deel) Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 5.1 Second opinion over het resultaat van een steekproefcontrole Als u het niet eens bent met het resultaat van de steekproefcontrole, kunt u hiertegen in beroep gaan. U moet dit direct aangeven aan de steekproefcontroleur en vermelden op het steekproefcontrolerapport. De RDW-medewerker belt dit dan door. De RDW zal vervolgens een nieuw onderzoek instellen naar het besluit van de steekproefcontroleur. Voorwaarde is wel dat het voertuig in ongewijzigde staat beschikbaar blijft. De steekproefcontroleur zal aanwezig blijven. 5.1.a Klacht Bij klachten van belanghebbenden of constateringen van de politie of IL&T zal door een deskundige van de RDW onderzocht worden of het installatieplaatje ten onrechte is aangebracht. Indien bij het onderzoek vast komt te staan dat, gelet op het tijdsbestek, het installatieplaatje ten onrechte is aangebracht op de datum van afmelding, zal dit meetellen in het voornoemde cusumsysteem. 5.1.1 Hoorzitting (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 5.1.2 Opschorten (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 5.2 Beroep (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 5.3 Voorlopige voorziening (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. Bijlage Erkenninghouder Gasinstallaties 2017 Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Bijlage Erkenninghouder GASINSTALLATIES 27 1.1 Toelichting 27 1.2 Indeling 28 1.3 Titel 28 1.4 Erkenningen en bevoegdheden 28 1.5 Meerdere werkplaatsen 28 Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 28 2.1 Basis van het toezicht 28 2.2 Wijze van toezicht houden 28 2.3 Frequentie van het toezicht 28 Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder 29 3.1 Voorschriften voor de keuring van LPG-gasinstallaties 29 3.1.1. Toezicht door middel van steekproef 29 3.1.2 Documentatie 30 3.1.3 Erkenningsschild 30 3.1.4 Financiële verplichting 30 3.1.5 Instrueren van uw personeel 30 3.1.6 Bewaarplicht stukken 30 3.1.7 Werkplaats 31 3.1.8 Datacommunicatie met de RDW 31 3.2 Maatregelen 31 3.3 Handhaving gasinstallatie 31 Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 31 4.1 Vaststellen van een overtreding 31 4.2 Zienswijze 31 4.3 Ingangsdatum 31 4.4 Verjaringstermijn 31 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema 32 4.6 Soorten sancties 32 Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 32 5.1 Second opinion over het resultaat van een steekproefherkeuring 32 5.1.1 Hoorzitting 32 5.1.2 Opschorten 32 5.2 Beroep 33 5.3 Voorlopige voorziening 33 Hoofdstuk 6 – Erkenningseisen 33 6.1 Eisen aan de hefinrichting 33 6.2 Eisen aan de inspectieput 33 Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Bijlage Erkenninghouder GASINSTALLATIES 1.1 Toelichting De Bijlage Erkenninghouder Gasinstallaties is een bijlage bij het Algemeen Deel van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. In deze bijlage vindt u de specifieke bepalingen voor de erkenninghouder gasinstallaties. Voor een volledig beeld van het toezichtbeleid van de RDW dient u eerst het Algemeen Deel te lezen. Zoekt u een specifiek onderwerp in deze bijlage, dan raden wij u aan het hele hoofdstuk te lezen waarin het onderwerp wordt behandeld. 1.2 Indeling Bij de erkenning gasinstallaties wordt onderscheid gemaakt tussen de erkenninghouder en de LPG-technicus. De erkenninghouder gasinstallaties beheert de werkplaats en de LPG-technicus keurt de LPG-installaties. Voor de LPG-technicus is er geen aparte bijlage in de Toezichtbeleidsbrief. Het toezicht op de erkenning wordt onder andere gehouden op basis van het cusumsysteem. Dit betekent dat wanneer de LPG-technicus een fout begaat, u daar als erkenninghouder voor kunt worden gesanctioneerd. De LPG-technicus wordt in onderdeel 3.1.5 apart besproken. Het zwart gearceerde onderdeel van de Toezichtbeleidsbrief is van toepassing voor u als Erkenninghouder gasinstallaties. 1.3 Titel Deze bijlage is getiteld: Bijlage Erkenninghouder gasinstallaties van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. 1.4 Erkenningen en bevoegdheden (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 1.5 Meerdere werkplaatsen Geldt uw erkenning voor meerdere werkplaatsen? Dan wordt in de regel de kwaliteit per werkplaats beoordeeld. Een eventuele sanctie wordt hierop afgestemd. In beginsel wordt steeds per werkplaats gesanctioneerd. Uitbreiding of wijziging van een erkenning is niet mogelijk indien een overtreding is geconstateerd waarvoor een sanctie wordt opgelegd. Dit geldt eveneens als de sanctie is opgelegd en ten tijde van de effectuering van de sanctie. Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 2.1 Basis van het toezicht De RDW houdt toezicht op de verleende erkenning gasinstallaties. De basis van het toezicht is vastgelegd in de Wegenverkeerswet 1994 en de Regeling aanpassing voertuigen. 2.2 Wijze van toezicht houden De RDW houdt toezicht op de erkenninghouder gasinstallaties door middel van herkeuringen (steekproeven) en periodieke controlebezoeken. Bij een herkeuring (steekproef) beoordeelt de RDW primair de kwaliteit van de keuring van de LPG-gasinstallatie. Bij een periodiek controlebezoek wordt vooral getoetst of u zich aan de erkenningseisen en -voorschriften houdt. 2.3 Frequentie van het toezicht De frequentie van het toezicht door middel van herkeuringen (steekproeven) is afhankelijk van het aantal door u uitgevoerde keuringen van LPG-gasinstallaties en de resultaten van de herkeuringen (steekproeven). De RDW hanteert een percentage van gemiddeld 5% steekproeven. Dit wordt bijgehouden in een cusumsysteem. U leest hier meer over in het Cusumsysteem Erkenninghouders Gasinstallaties 2017. De RDW brengt u in beginsel één keer per twee jaar een periodiek controlebezoek. Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder Als u in het bezit bent van een erkenning gasinstallaties mag u LPG-gasinstallaties keuren in voertuigen die in Nederland zijn geregistreerd. Dit moet gebeuren in de erkende werkplaats. Dit houdt in dat de werkplaats aan een aantal eisen moet voldoen. Het raadplegen en afmelden van keuringen van gasinstallaties in voertuigen mag uitsluitend plaatsvinden tijdens de in het handboek keuring gasinstallaties opgegeven tijden. 3.1 Voorschriften voor de keuring van LPG-gasinstallaties In de Regeling aanpassing voertuigen staat het keuringsproces beschreven. U wordt er met nadruk op gewezen dat u uw bedrijfsvoering zodanig inricht dat aan de verplichtingen in deze regeling wordt voldaan. Dit houdt het volgende in: a. Voorafgaand aan het technische deel van de keuring van het voertuig wordt gecontroleerd of het voertuig overeenstemt met de voertuiggegevens (kenteken, VIN, en datum eerste toelating) in het kentekenregister. Indien het VIN van het voertuig niet leesbaar is of niet overeenstemt met het VIN in het kentekenregister, dan mag geen keuring worden verricht en moet de klant doorverwezen worden naar de RDW; b. Controle op lekkage; c. De LPG- technicus keurt de LPG-gasinstallaties met behulp van de voorgeschreven apparatuur; d. Na afloop van het van de keuring wordt overgegaan tot het afmelden van de goedkeuring van de LPG-gasinstallatie; e. de LPG-technicus vult de opnamekaart gasinstallatie in en ondertekent deze. Als er in uw werkplaats een G3-installatie dan wel een R115-installatie wordt gekeurd, moet de inbouw uitgevoerd zijn aan de hand van de bij de installatie geleverde documentatie. Ook moet worden gecontroleerd of de betreffende gasinstallatie voor het specifieke merk en type voertuig is toegestaan. Bij al deze handelingen moeten zowel het voertuig als de LPG technicus in de werkplaats aanwezig zijn. Per 1 januari 2015 geldt dat de aan de LPG technicus verstrekte bevoegdheidspas en pincodes ten behoeve van het afmelden persoonsgebonden zijn. Deze mogen niet door iemand anders worden gebruikt. Ook u als erkenninghouder moet er zorg voor dragen dat het gebruik van de pincode van een LPG technicus persoonsgebonden is en blijft. 3.1.1 Toezicht door middel van steekproeven Sleutelen in quarantainetijd Het is ten strengste verboden om tussen het afmelden van een voertuig en de komst van een steekproefcontroleur aan een afgemeld voertuig te sleutelen of metingen te verrichten. Alleen dan kan de RDW tijdens de steekproefcontrole een zo duidelijk mogelijk beeld krijgen van de kwaliteit van de keuring van de LPG-gasinstallatie. Het (laten) aanbrengen van wijzigingen of metingen (laten) verrichten aan een afgemeld voertuig door een in de werkplaats aanwezig persoon, of dit nu uw personeel, klant of andere relatie betreft, vóór aankomst van de steekproefcontroleur, wordt ‘sleutelen in quarantainetijd’ genoemd. Dit is een overtreding en wordt gesanctioneerd. Het verlenen van medewerking tijdens de steekproef Uw medewerking aan een steekproef wordt op onderstaande wijze van u verwacht. U bent ervoor verantwoordelijk dat het voertuig, de LPG- technicus en de opnamekaart gasinstallatie aanwezig zijn en blijven, zodat de steekproefcontroleur van de RDW de steekproef kan uitvoeren Dit houdt onder meer in dat na de mededeling dat het voertuig in een steekproef valt: d. de desbetreffende LPG technicus verplicht in de werkplaats aanwezig moet zijn en blijven. Naast de aanwezigheid van de desbetreffende LPG technicus die het voertuig heeft gekeurd en de opnamekaart gasinstallaties heeft ondertekend, betekent dit dat deze LPG-technicus meteen feitelijke assistentie verleent. De steekproefcontroleur moet uiterlijk binnen 15 minuten na aankomst met de uitvoering van de steekproef kunnen beginnen. Deze periode van 15 minuten is uitdrukkelijk niet bedoeld om de LPG- technicus van elders, buiten de werkplaats, te (laten) komen. e. het voertuig aanwezig moet zijn en blijven in de werkplaats. U moet al het mogelijke doen om te voorkomen dat het voertuig met de gekeurde gasinstallatie de werkplaats verlaat. U doet dit bijvoorbeeld door uw klanten goed te informeren over de steekproef, hen niet op de keuring te laten wachten, hen vervangend vervoer aan te bieden of hen weg te laten brengen. In ieder geval moet u de aanvrager voorafgaand aan de keuring duidelijk maken dat de mogelijkheid bestaat dat zijn voertuig in de steekproef valt. f. Na de mededeling dat het voertuig in de steekproef valt moet u de werkplaats en deugdelijk functionerende apparatuur ter beschikking stellen. Als er tijdens de steekproefcontrole, inclusief de eventuele second opinion, zonder toestemming van de steekproefcontroleur aan het voertuig wijzigingen worden aangebracht, wordt dit aangemerkt als een categorie III overtreding. Indien een voertuig de werkplaats verlaat, voordat de steekproef kon worden uitgevoerd, dan gelden de volgende verplichtingen: – geef geen opnamekaart gasinstallatie af; – wijs de klant er op dat de goedkeuring vervalt, en – meldt dit dan direct telefonisch bij het ACN kantoor te Zwolle van de RDW en niet pas bij aankomst van de steekproefcontroleur – De eventuele aanwezigheid van het kentekenbewijs vormt een aanwijzing dat het voertuig aanwezig is geweest in de werkplaats, maar maakt de overtreding niet ongedaan en vormt evenmin een bijzonder feit of omstandigheid. Is de steekproefcontroleur niet binnen 90 minuten aanwezig, dan mag u de opnamekaart gasinstallatie alsnog afgeven. Het voertuig hoeft dan ook niet meer beschikbaar te zijn voor de RDW. 3.1.2 Documentatie Als erkenninghouder moet u over de volgende documentatie op papier of digitaal beschikken: – Boekwerk Regelgeving keuring gasinstallatie; – Nederlandstalige handleidingen en certificaten van de vereiste meetmiddelen; – het meest recente erkenningsbesluit. De documentatie moet u ook aan uw LPG-technicus ter beschikking stellen ten behoeve van de keuringen van de LPG gasinstallaties. 3.1.3 Erkenningsschild Als erkenninghouder gasinstallatie moet u een erkenningsschild en raamsticker voeren. 3.1.4 Financiële verplichting (zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 3.1.5 Instrueren van uw personeel (zie Algemeen deel) Als erkenninghouder gasinstallaties moet u uw personeel in ieder geval over de volgende zaken instrueren: – de pincode van de LPG technicus is persoonlijk; – de keuring van de gasinstallatie moet door een bevoegd LPG technicus worden gedaan; – de LPG technicus is degene die de keuring afmeldt; – er mag niet worden gesleuteld in quarantainetijd; – de aanwijzingen van de RDW medewerker moeten worden opgevolgd; – het voertuig, de LPG technicus en de opnamekaart gasinstallatie moeten aanwezig zijn tijdens een steekproefcontrole. De LPG-technicus Iemand is LPG-technicus, als hij beschikt over het diploma LPG-technicus van de stichting VAM. De LPG-technicus is bevoegd om LPG-gasinstallaties te keuren. Om de kwaliteit van keuren van gasinstallaties te onderhouden en bevorderen is een verplichte toets om de 4 jaar ingevoerd. Indien de toets met goed gevolg is afgelegd ontvangt de LPG technicus een bevoegdheidspas en pincode die moet worden gebruikt bij het afmelden van gasinstallaties. Voor nadere informatie over de toets kunt u zich wenden tot het IBKI. 3.1.6 Bewaarplicht stukken In de Regeling aanpassing voertuigen vindt u een lijst met stukken die u moet archiveren. U moet deze stukken 3 jaar bewaren. Het betreft hier onder andere: – de afschriften van de opnamekaarten gasinstallaties; – de steekproefcontrolerapporten; – als het een keuring van een VN/ECE-reglement 115-installatie betreft, de inbouwhandleiding of de verwijzing ernaar. 3.1.7 Werkplaats Als erkenninghouder gasinstallatiemoet u beschikken over een werkplaats die goed verwarmd, behoorlijk af te sluiten en goed verlicht is. Goed verwarmd houdt in dat de gemiddelde temperatuur in de werkplaats minimaal 10 graden Celsius is. De verwarming moet een dusdanige capaciteit hebben dat de ruimte ook met geopende deuren voldoende verwarmd is en blijft. De apparatuur moet gebruikt worden binnen het door de fabrikanten opgegeven temperatuurbereik van deze apparatuur. De verwarming van de werkplaats moet op een veilige manier zijn uitgevoerd. Dit houdt in dat de verwarmingsapparaten waarin een brander is gemonteerd, deze brander niet direct van buitenaf te benaderen mag zijn. Het zogenaamde open vuur is niet toegestaan. De werkplaats moet ook voorzien zijn van een deugdelijke hefinrichting of een inspectieput. Wat de RDW verstaat onder deugdelijkheid met betrekking tot deze voorzieningen vindt u in hoofdstuk 6 van deze bijlage. 3.1.8 Datacommunicatie met de RDW Om uw erkenning te kunnen gebruiken, heeft u toegangscodes en certificaten ontvangen van de RDW. Deze heeft u nodig voor de datacommunicatie met de RDW zodat u keuringen van LPG-gasinstallaties kunt afmelden. De toegangscodes en certificaten mogen uitsluitend voor de aan u verstrekte erkenning en de daaraan gekoppelde werkplaats worden gebruikt. 3.2 Maatregelen (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 3.3 Handhaving gasinstallatie Als blijkt dat een wijziging van de brandstof in het voertuig niet in het kentekenregister van de RDW voorkomt, maar er voor dat voertuig wel een opnamekaart gasinstallatie door u is afgegeven, is dit fraude. U kunt zelf controleren of een afgemeld voertuig ook daadwerkelijk is geaccepteerd door de RDW en dus in het register is opgenomen. U kunt dit doen aan de hand van: – de transactiecode die u krijgt direct na de afmelding; – directe of dagelijkse controle van het register; – het zogenaamde raadpleegscherm voor afmeldingen Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 4.1 Vaststellen van een overtreding (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 4.2 Zienswijze In aanvulling op het Algemeen Deel geldt dat in de regel de medewerker van de RDW een afspraak met u maakt over het in persoon naar voren brengen van uw zienswijze en uw bedrijf hiervoor zal bezoeken. Indien u uw zienswijze schriftelijk kenbaar wil maken dan heeft u hiervoor één week de tijd nadat u bent benaderd door de RDW medewerker voor een afspraak. 4.3 Ingangsdatum ( Zie Algemeen Deel) 4.4 Verjaringstermijn (zie Algemeen Deel) Als grondslag voor de verjaringstermijn geldt de datum van constatering van de overtreding. 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema (Zie Algemeen Deel) Voorbeelden van categorie I overtredingen: – niet vooraf doorgeven van wijzigingen met betrekking tot de erkenning; – tijdens de steekproef defecte apparatuur. Voorbeelden van categorie II overtredingen: Voorbeelden van categorie III overtredingen: sleutelen in quarantainetijd – geen of onvoldoende medewerking verlenen, zoals: • voertuig niet aanwezig; • LPG technicus niet aanwezig; • het niet ter beschikking stellen van de vereiste apparatuur – onbevoegd gebruik van pincode – gebruik maken van niet-geijkte apparatuur – onbevoegde ondertekening van een opnamekaart gasinstallatie – kwaliteit toepassing keuringseisen op basis van de Regeling Cusumsysteem Erkenninghouder Gasinstallaties 2017: • cusumstand 12 wordt bereikt of overschreden; • één afzonderlijke cusumbijdrage van 10 of hoger • apert onveilig voertuig – het niet volledig uitvoeren van een keuring – keuren en afmelden van een gasinstallatie in een voertuig terwijl de minimaal vereiste hefhoogte van de hefinrichting niet wordt bereikt Voorbeelden van categorie IV overtredingen: – fraude – kwaliteit toepassing keuringseisen op basis van de Regeling Cusumsysteem Erkenninghouder Gasinstallaties 2017: éen afzonderlijke cusumbijdrage van 25 of hoger – ondermijning van het toezicht, zoals: • verbaal en/of fysiek geweld of dreiging daarmee • niet verlenen van toegang tot de werkplaats • intimidatie Het is mogelijk dat u een overtreding begaat, die niet specifiek als voorbeeld benoemd is. De RDW heeft het recht deze overtreding te categoriseren en te sanctioneren. Meervoudige overtredingen Indien de som van de een meervoudige overtreding hoger is dan III wordt een sanctie van tijdelijke intrekking voor de duur van 6 maanden opgelegd. 4.6 Soorten sancties (zie Algemeen Deel) Bij een overtreding van de categorie IV of een vierde overtreding binnen 30 maanden wordt een sanctie van intrekking voor onbepaalde tijd en een wachttijd van 30 maanden voor het doen van een nieuwe aanvraag opgelegd. Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 5.1 Second opinion over het resultaat van een steekproefherkeuring Als u het niet eens bent met het resultaat van de steekproefherkeuring, kunt u hiertegen in beroep gaan. Meer hierover leest u in het boekwerk Regelgeving keuring gasinstallatie onder ‘administratieve procedures’. 5.1.1 Hoorzitting (zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 5.1.2 Opschorten (zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 5.2 Beroep (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 5.3 Voorlopige voorziening (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. Hoofdstuk 6 – Erkenningseisen 6.1 Eisen aan de hefinrichting Onder een doelmatige hefinrichting wordt verstaan: − De afrijbeveiliging werkt volledig als een voertuig op de hefinrichting staat. Dit geldt voor zowel de voorzijde als de achterzijde van het voertuig. De afrijbeveiliging mag niet zijn verwijderd. Deze eis geldt niet indien gebruik wordt gemaakt van een hefinrichting zonder rijplaten. − De hefinrichting is voorzien van een goed werkende valbeveiliging. − Bediening en beveiliging van de hefinrichting verkeren in goede staat en werken op de correcte wijze. − De elektrische installatie aan de hefinrichting vertoont geen gebreken. − De hefkabels zijn onbeschadigd. − Hydraulische onderdelen lekken niet. − De hefinrichting is aan alle zijden toegankelijk. De vrije ruimte rondom de hefinrichting is minimaal 0,5 meter. De eventueel aanwezige oprijplaten worden bij de beoordeling van de vrije ruimte buiten beschouwing gelaten. − De hefinrichting is voorzien van voldoende verlichting. De verlichting van de hefinrichting moet voldoen aan onderstaande eisen: ○ De verlichtingsarmaturen mogen niet beschadigd zijn en moeten zijn voorzien van beschermkappen. ○ De hefinrichting is gelijkmatig verlicht waarbij de gemiddelde lichtopbrengst onder de inrichting minimaal 200 lux bedraagt. De lichtopbrengst wordt bepaald door visuele controle. In geval van twijfel wordt de lichtopbrengst vastgesteld door een lichtmeting uitgevoerd met een luxmeter. Dit gebeurt als volgt: 1. midden op de hefinrichting wordt een voertuig geplaatst; 2. bij ieder wiel wordt de lichtsterkte gemeten, waarbij de lichtcel van de luxmeter naar het midden van de hefinrichting wordt gericht; 3. de gemiddelde waarde van deze metingen dient minimaal 200 lux te bedragen. De deugdelijkheid en goede staat van onderhoud van de hefinrichting blijkt uit een minimaal eenmaal per jaar, door een bij de RDW aangemelde en geaccepteerde voor hefinrichtingen gecertificeerd bedrijf of persoon, afgegeven certificaat en een geldige goedkeursticker hiervoor heeft afgegeven aan de erkenninghouder. 6.2 Eisen aan de inspectieput Onder een doelmatige inspectieput wordt het volgende verstaan: − De inspectieput is vrij toegankelijk: • Voor voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3.500 kg moet, indien een voertuig op de inspectieput staat, minimaal één uitgang vrij toegankelijk zijn. Er moet minimaal 1 meter vrije ruimte aanwezig zijn. − Voor voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer is dan 3.500 kg moet, indien een voertuig op de inspectieput staat, een vrije ruimte aan de voor- of achterzijde van het voertuig van minimaal 1 meter aanwezig zijn. (dit betekent voertuiglengte plus 1 meter) • De uitgangen dienen te allen tijde vrij van obstakels en toegankelijk te zijn. • De toegang tot de inspectieput moet mogelijk zijn door middel van een vaste trap of een vast klimijzer. − In de inspectieput is geen water en/of andere vloeistof aanwezig. − De elektrische installatie in de inspectieput vertoont geen gebreken. Deze is zodanig uitgevoerd dat de afzuiginstallatie minstens 30 seconden in werking is voordat de verlichting kan worden ingeschakeld of een ander punt onder spanning wordt gebracht. − De inspectieput is voorzien van een mechanische afzuiginstallatie waarmee dampen (bijvoorbeeld LPG of benzine) doeltreffend worden afgezogen. Daartoe dient: • aan beide zijden van de inspectieput afzuigkanalen te zijn aangebracht waarin gelijkmatig verdeeld over de lengte, afzuigopeningen aanwezig zijn; • de capaciteit van de afzuiginstallatie per minuut ten minste 1 kubieke meter lucht per vierkante meter inspectieput te bedragen; • de verbinding met de buitenlucht te bestaan uit een onbrandbare buisleiding met een inwendige diameter van minimaal 150 mm; • de ventilatormotor van de afzuiginstallatie zich buiten de luchtstroom te bevinden of explosieveilig uitgevoerd te worden; • de afvoergassen minstens 1 meter boven het dak van de keuringsinrichting te worden afgevoerd, buiten de nabijheid van ramen en deuren. Toelichting: indien aantoonbaar op een andere wijze aan de eisen met betrekking tot afzuiging kan worden voldaan, dan kan dit door de RDW worden geaccepteerd. Het aantoonbaar maken dient te gebeuren aan de hand van een verklaring van de fabrikant/leverancier en in overleg met de RDW. − De inspectieput is voorzien van voldoende verlichting. De verlichting van de inspectieput moet voldoen aan onderstaande eisen: ○ De verlichtingsarmaturen mogen niet beschadigd zijn en moeten zijn voorzien van beschermkappen. ○ De inspectieput is gelijkmatig verlicht waarbij de gemiddelde lichtopbrengst onder de inrichting minimaal 200 lux bedraagt. De lichtopbrengst wordt bepaald door visuele controle. In geval van twijfel wordt de lichtopbrengst vastgesteld door een lichtmeting uitgevoerd met een luxmeter. Dit gebeurt op de volgende wijze: 1. midden op de inspectieput wordt een voertuig geplaatst; 2. bij ieder wiel wordt de lichtsterkte gemeten, waarbij de lichtcel van de luxmeter naar het midden van de inspectieput wordt gericht; 3. de gemiddelde waarde van deze metingen dient minimaal 200 lux te bedragen. Bijlage Erkenninghouder Boordcomputer Taxi 2017 Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Bijlage Boordcomputer taxi 35 1.1 Toelichting 35 1.2 Indeling 35 1.3 Titel 36 1.4 Erkenningen en bevoegdheden 36 1.5 Meerdere werkplaatsen 36 Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 36 2.1 Basis van het toezicht 36 2.2 Wijze van toezicht houden 36 2.3 Frequentie van het toezicht 36 Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder 36 3.1 Voorschriften 37 3.1.1 Documentatie 37 3.1.2 Erkenningsschild 37 3.1.3 Financiële verplichting 37 3.1.4 Instrueren van uw personeel 37 3.1.5 Bewaarplicht stukken 37 3.1.6 Werkplaats of inrichting 37 3.1.7 Datacommunicatie met de RDW 38 3.1.8 Apparatuur 38 3.1.9 Certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht 38 3.2 Maatregelen 38 Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 38 4.1 Vaststellen van een overtreding 38 4.2 Zienswijze 38 4.3 Ingangsdatum 38 4.4 Verjaringstermijn 38 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema 38 4.6 Soorten sancties 39 Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 39 5.1.1 Hoorzitting 39 5.1.2 Opschorten 39 5.2 Beroep 39 5.3 Voorlopige voorziening 39 Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Bijlage Boordcomputer taxi 1.1 Toelichting De Bijlage Erkenninghouder Boordcomputer taxi is een bijlage bij het Algemeen Deel Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. In deze bijlage vindt u de specifieke bepalingen voor de erkenninghouder boordcomputer taxi. Voor een volledig beeld van het toezichtbeleid van de RDW dient u eerst het Algemeen Deel te lezen. Zoekt u een specifiek onderwerp in deze bijlage, dan raden wij u aan het hele hoofdstuk te lezen waarin het onderwerp wordt behandeld. 1.2 Indeling (Zie Algemeen Deel) Het zwart gearceerde onderdeel van de Toezichtbeleidsbrief is van toepassing voor u als Erkenninghouder boordcomputer taxi. 1.3 Titel Deze bijlage is getiteld: Bijlage Erkenninghouder Boordcomputer taxi van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. 1.4 Erkenningen en bevoegdheden (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 1.5 Meerdere werkplaatsen Uitbreiding of wijziging van een erkenning met een mobiele activeringseenheid of werkplaats is niet mogelijk indien een overtreding is geconstateerd waarvoor een sanctie wordt opgelegd. Dit geldt eveneens als de sanctie is opgelegd en ten tijde van de effectuering van de sanctie. Voor mobiele activeringseenheden geldt dat er aantoonbaar afwisselend activeringen moeten worden verricht in de op de bijlage van de erkenning vermeldde inrichtingen In beginsel wordt een sanctie per mobiele activeringseenheid dan wel werkplaats van een erkenninghouder opgelegd. Indien een erkenninghouder meerdere werkplaatsen dan wel mobiele activeringseenheden met inrichtingen heeft geldt dat indien in, al dan niet verschillende, werkplaatsen of met mobiele activeringseenheden in inrichtingen, drie overtredingen van de categorie III zijn geconstateerd de gehele erkenning wordt ingetrokken voor een periode van 12 weken. Dit houdt in dat u als erkenninghouder gedurende die 12 weken geen activeringen kunt verrichten, Indien een erkenninghouder meerdere werkplaatsen dan wel mobiele activeringseenheden met inrichtingen heeft geldt dat indien in, al dan niet verschillende werkplaatsen of met mobiele activeringseenheden in inrichtingen, een categorie IV overtreding wordt geconstateerd de gehele erkenning wordt ingetrokken. Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 2.1 Basis van het toezicht De RDW houdt toezicht op de verleende erkenning boordcomputer taxi. De basis van het toezicht is vastgelegd in de Besluit Personenvervoer 2000, de Regeling erkenning werkplaatsen boordcomputer taxi, Regeling specificaties en typegoedkeuring boordcomputer taxi en de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten. 2.2 Wijze van toezicht houden De RDW houdt toezicht op de erkenninghouder boordcomputer taxi naar aanleiding van een externe melding. 2.3 Frequentie van het toezicht De frequentie van het toezicht wordt bepaald door de externe meldingen. Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder Als erkenninghouder boordcomputer taxi mag u een boordcomputer taxi activeren en onderzoeken. Dit moet gebeuren in de door u opgegeven werkplaats of met de mobiele activeringseenheid in de door u opgeven inrichting. Per werkplaats of mobiele activeringseenheid beschikt u over maximaal 2 keuringskaarten. Deze keuringskaart wordt afgegeven door de KIWA. Nadere informatie over het aanvragen en verkrijgen van een keuringskaart kunt u vinden op www.kiwa.nl. Deze erkenning kan u in uw dienstverlening naar de klant grote voordelen opleveren. U kunt zo een volledig pakket aan diensten verlenen. De erkenning brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Door uw handelen kan het toezicht op de arbeidstijden van uw klanten worden beïnvloed. In de Regeling erkenning werkplaatsen boordcomputer taxi is beschreven aan welke eisen u permanent moet voldoen en hoe u uw erkenning moet gebruiken. In de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten is beschreven welke rechten en plichten er aan het houden van een keuringskaart zijn verbonden. U kunt deze Regelingen vinden op www.wetten.nl en op www.rdw.nl. De erkenning boordcomputer taxi kan op twee manieren worden uitgevoerd: mobiel en niet-mobiel (vaste werkplaats). Indien er onderscheid gemaakt moet worden tussen een erkenninghouder met een vaste werkplaats en een erkenninghouder met een mobiele installatie-eenheid, is dit in de tekst aangegeven. 3.1 Voorschriften In hoofdstuk 3, paragraaf 2, van de Regeling erkenning werkplaatsen boordcomputer taxi staan de voorschriften die bij elke activering of onderzoek moeten worden uitgevoerd. Samengevat betreft dit:
- a)De controle op het overeenstemmen van het voertuigidentificatienummer en kenteken van de auto met het kentekenregister van de RDW;
- b)De keuringskaart in de boordcomputer invoeren voor aanvang van de werkzaamheden.
- c)Controle of de inbouw van de boordcomputer deugdelijk is;
- d)De omstandigheden van de auto waarin de boordcomputer wordt geactiveerd controleren
- e)(artikel 12), zoals de onbelaste rijklare toestand (het voldoen aan de APK eisen van de banden), de bandenmaat en -spanning;
- e)Handelingen ten behoeve van de activering en de-activering van de boordcomputer. Nadat de werkzaamheden aan de boordcomputer zijn afgerond worden de relevante gegevens vastgelegd op een registerkaart. U dient nog wel de kilometerstand door te geven aan de RDW. 3.1.1 Documentatie Als erkenninghouder boordcomputer taxi moet u beschikken over handboeken en documentatie die voor de werkzaamheden aan de boordcomputer noodzakelijk zijn. Uw personeel moet hier ook over kunnen beschikken. 3.1.2 Erkenningsschild Bent u een erkenninghouder met een mobiele activeringseenheid, dan hoeft u geen erkenningsschild of raamstickers te voeren. 3.1.3 Financiële verplichting (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 3.1.4 Instrueren van uw personeel (zie Algemeen deel) Onder ter zake kundig personeel wordt personeel verstaan die voldoende kennis en vaardigheden heeft om boordcomputers taxi te activeren en onderzoeken. Om de regelgeving goed te kunnen naleven en de erkenning in stand te houden, moet het personeel in ieder geval zijn geïnformeerd: − over het gebruik van de keuringskaarten; − dat alleen ter zake kundige personen werkzaamheden aan een boordcomputer mogen verrichten; − over de procedure voor het opmaken en archiveren van de registerkaart; 3.1.5 Bewaarplicht stukken U moet de gegevens op de registerkaart tot ten minste twee jaar bewaren. Als u de gegevens geheel of gedeeltelijk geautomatiseerd vastlegt, bewaart, raadpleegt of verstrekt is de Wet bescherming persoonsgegevens(WBP) van toepassing. Dit houdt onder meer in, dat u een verwerking van persoonsgegevens moet aanmelden bij het College bescherming persoonsgegevens. Dit kan eenvoudig door middel van een formulier dat u kunt downloaden van het internet. Voor meer informatie kijkt u op www.cbpweb.nl. Indien er sprake is van de-activering van een boordcomputer taxi geldt een bewaartermijn van 6 maanden na overdracht van de gegevens op de externe gegevensdrager. 3.1.6 Werkplaats of inrichting Als erkenninghouder boordcomputer taxi moet u beschikken over een werkplaats of, bij een mobiele activeringseenheid en een inrichting, die voldoet aan de Arbo- eisen, goed verwarmd, behoorlijk af te sluiten en goed verlicht is. Goed verwarmd houdt in dat de gemiddelde temperatuur in de werkplaats minimaal 10 graden Celsius is. De verwarming moet van een dusdanige capaciteit zijn dat de ruimte ook met geopende deuren voldoende verwarmd is en blijft. De apparatuur moet gebruikt worden binnen het door de fabrikanten opgegeven temperatuurbereik. De verwarming moet op een veilige manier zijn uitgevoerd. Dit houdt in dat bij verwarmingsapparaten waarin een brander is gemonteerd, deze brander niet direct van buitenaf te benaderen mag zijn. Het zogenaamde open vuur is niet toegestaan. 3.1.7 Datacommunicatie met de RDW Om uw erkenning goed te kunnen gebruiken, heeft u toegangscodes en certificaten ontvangen van de RDW. Deze heeft u nodig voor de datacommunicatie met de RDW zodat u bij werkzaamheden aan de boordcomputer de kilometerstand kunt melden. 3.1.8 Apparatuur In de Regeling erkenning werkplaatsen boordcomputer taxi staat beschreven over welke apparatuur en gereedschap de erkenninghouder voor elke werkplaats of mobiele activeringseenheid permanent moet beschikken. Dit kan ook door de fabrikant of importeur voorgeschreven apparatuur zijn of door de RDW daaraan gelijkwaardig geachte apparatuur. Het gaat hierbij veelal om specifieke meetapparatuur en gereedschap. Alle apparatuur en gereedschap moeten deugdelijk zijn en in goede staat verkeren. 3.1.9 Certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht Als een boordcomputer defect is en vervangen moet worden, moeten de in het geheugen van het defecte apparaat opgeslagen gegevens worden veiliggesteld. Dit zal in de praktijk niet altijd mogelijk zijn. In dat geval moet u een ‘certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht’ afgeven. Een model certificaat is te downloaden op www.rdw.nl. Dit document moet worden voorzien van een certificaatnummer die u bij de RDW kunt aanvragen. Van de uitgegeven certificaten moet u een eigen administratie bijhouden. U moet de afgegeven certificaten en de veiliggestelde data ongewijzigd ten minste één jaar bewaren. Is het niet mogelijk de gegevens digitaal over te brengen, maar kan er wel een afdruk uit het apparaat worden gegenereerd? Dan moet die afdruk worden gemaakt en aan het certificaat worden gehecht. 3.2 Maatregelen (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 4.1 Vaststellen van een overtreding (Zie Algemeen Deel) De constateringen gedaan door de politie, de ILT, de RDW of -schriftelijke- klachten van belanghebbenden, kunnen worden gesanctioneerd. 4.2 Zienswijze In aanvulling op het Algemeen Deel geldt dat in de regel de medewerker van de RDW een afspraak met u maakt over het in persoon naar voren brengen van uw zienswijze en uw bedrijf hiervoor zal bezoeken. Indien u uw zienswijze schriftelijk kenbaar wil maken dan heeft u hiervoor één week de tijd nadat u bent benaderd door de RDW medewerker voor een afspraak. 4.3 Ingangsdatum (Zie Algemeen Deel) 4.4 Verjaringstermijn (Zie Algemeen Deel) Als grondslag voor de verjaringstermijn geldt de datum van constatering van de overtreding. 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema (Zie Algemeen Deel) Voorbeelden van categorie I overtredingen: gegevens in het register niet volledig vastgelegd niet vooraf doorgeven van wijzigingen ten aanzien van de erkenning Voorbeelden van categorie II overtredingen: Er zijn geen voorbeelden van overtredingen in categorie II. Voorbeelden van categorie III overtredingen: − geen of onvoldoende medewerking verlenen − keuringskaart niet aanwezig − onterecht (niet) afgeven van een certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht. Voorbeelden van categorie IV overtredingen: − fraude − ondermijning van het toezicht, zoals: • verbaal en/of fysiek geweld of dreiging daarmee; • niet verlenen van toegang tot de werkplaats of inrichting; • intimidatie. Het is mogelijk dat een overtreding geconstateerd wordt die niet specifiek als voorbeeld benoemd is. De RDW heeft het recht deze overtreding te categoriseren en te sanctioneren. Meervoudige overtredingen Indien de som van de een meervoudige overtreding hoger is dan III wordt een sanctie van tijdelijke intrekking voor de duur van 6 maanden opgelegd. 4.6 Soorten sancties (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 5.1.1 Hoorzitting (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 5.1.2 Opschorten (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor dit onderdeel geen bijzonderheden. 5.2 Beroep (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 5.3 Voorlopige voorziening (Zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. Bijlage Erkenning Tenaamstelling 2017 (dienstverlening aan het loket) Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Bijlage Erkenning Tenaamstelling 40 1.1 Toelichting 40 1.2 Indeling 41 1.3 Titel 41 1.4 Erkenningen en bevoegdheden 41 1.5 Meerdere loketten 41 Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 41 2.1 Basis van het toezicht 41 2.2 Wijze van toezicht houden 41 2.3 Frequentie van het toezicht 42 Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder 42 3.1 Eisen en voorschriften voor de erkenninghouder 42 3.1.1 Meewerken aan toezicht door de RDW 43 3.1.2 Documentatie 44 3.1.3 Voeren en verwijderen erkenningsticker(
- s)44 3.1.4 Financiële verplichting 44 3.1.5 Instrueren van de medewerkers 44 3.1.6 Bewaarplicht stukken 44 3.1.7 Verplichting verstrekken tellerstand 44 3.2 Maatregelen 44 Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 44 4.1 Vaststellen van een overtreding 44 4.2 Zienswijze 44 4.3 Ingangsdatum 45 4.4 Verjaringstermijn 45 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema 45 4.5.1 Voorbeelden van overtredingen: 45 4.5.2 Voorbeelden van categorie IV overtredingen: 45 4.6 Soorten sancties 46 4.6.1 Waarschuwing 46 4.6.2 Intrekking van de erkenning 46 Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 46 5.1 Bezwaar 46 5.1.1 Hoorzitting 46 5.1.2 Waarschuwing 46 5.1.3 Opschorten 46 5.2 Beroep 47 Stroomschema sancties overtredingen erkenning tenaamstelling 47 Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Bijlage Erkenning Tenaamstelling 1.1 Toelichting De Bijlage Erkenning Tenaamstelling (dienstverlening aan het loket) is een bijlage bij het Algemeen Deel Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. In deze bijlage vindt u de specifieke bepalingen voor de erkenninghouder tenaamstelling en diens loketten. Voor een volledig beeld van het toezichtbeleid van de RDW dient u eerst het Algemeen Deel te lezen. Zoekt u een specifiek onderwerp in deze bijlage, dan raden wij u aan het hele hoofdstuk te lezen waarin het onderwerp wordt behandeld. Als erkenninghouder tenaamstelling kunt u met uw landelijk dekkend netwerk van loketten, diensten voor derden aanbieden. Hierbij vervult u een loketfunctie voor burgers en bedrijven voor de volgende RDW diensten: – Het tenaamstellen van kentekens – Het schorsen van voertuigverplichtingen – Het opheffen van de schorsing van voertuigverplichtingen U bent verplicht om alle bovengenoemde diensten aan te bieden wanneer u erkenninghouder tenaamstelling bent. U bent verantwoordelijk voor de uitvoering van de dienstverlening. Dit betekent dat u de dienst uitvoert voor eigen rekening en risico. Let op! Voor deze erkenning geldt een opzegtermijn van 1 jaar. 1.2 Indeling (zie Algemeen Deel) Deze bijlage heeft betrekking op het zwart gearceerde onderdeel van het onderstaande schema. 1.3 Titel Deze bijlage is getiteld: Bijlage Erkenninghouder Tenaamstelling (dienstverlening aan het loket) van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. 1.4 Erkenningen en bevoegdheden (zie Algemeen Deel) Er zijn voor deze paragraaf geen bijzonderheden. 1.5 Meerdere loketten De erkenning tenaamstelling wordt verleend aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon. Deze natuurlijk of rechtspersoon wordt aangeduid als de ‘erkenninghouder’. De erkenninghouder staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Alleen de erkenninghouder tenaamstelling krijgt een bedrijfsnummer toegekend, de afzonderlijke loketten niet. De loketten die onderdeel uitmaken van het landelijk dekkend netwerk van loketten van deze erkenninghouder, voeren de dienstverlening uit onder de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de erkenninghouder tenaamstelling. Bij overtredingen wordt de erkenninghouder gesanctioneerd. Omdat ook de kwaliteit per loket wordt beoordeeld, kan een eventuele sanctie inhouden dat de erkenninghouder aan een bepaald loket of door bepaalde medewerkers de handelingen behorend bij de erkenning niet meer mag uitvoeren. Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 2.1 Basis van het toezicht De RDW houdt toezicht op de verleende erkenning tenaamstelling. De basis van het toezicht is vastgelegd in de Wegenverkeerswet 1994, het Kentekenreglement en de Regeling erkenning tenaamstelling. 2.2 Wijze van toezicht houden Zie Algemeen deel. Daarnaast houdt de RDW toezicht op de erkenning tenaamstelling en de bijbehorende loketten door middel van een accountantscontrole, administratieve controles en indien nodig fysieke controles. Bovendien wordt bij het toezicht gebruik gemaakt van onder andere signaleringen van andere instanties zoals de Belastingdienst en Douane ten behoeve van Risico Gestuurd Toezicht. Risico Gestuurd Toezicht houdt kortgezegd in dat erkende bedrijven waar overtredingen geconstateerd zijn vaker het onderwerp van toezicht zullen zijn. Bedrijven die minder goed of slecht presteren op het gebied van naleving van de regels zullen vaker gecontroleerd worden dan bedrijven die aantoonbaar de regels en instructies goed naleven. Ingeval u niet voldoet aan de gestelde voorwaarden dan heeft de RDW de mogelijkheid om te interveniëren. Met nadruk wordt gesteld dat overtredingen die worden geconstateerd bij de loketten aan u worden toegerekend. U heeft na constatering de verplichting om de noodzakelijke maatregelen te treffen om structureel verbeteringen door te voeren. 2.3 Frequentie van het toezicht – Jaarlijks, binnen 2 maanden na afronding van het kalenderjaar, laat u een door u aangewezen registeraccountant (RA) een verklaring verstrekken aan de RDW waarin staat aangegeven of u voldoet aan de eisen en voorschriften zoals vermeld in deze bijlage. Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder Als u in bezit bent van de erkenning tenaamstelling heeft u de mogelijkheid om de registratie ten aanzien van voertuigverplichtingen te wijzigen. Deze erkenning brengt dus een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Daarom houdt de RDW toezicht op uw erkenning. 3.1 Eisen en voorschriften voor de erkenninghouder Naast de in het Algemeen Deel genoemde verplichtingen, moet u permanent aan een aantal andere voorwaarden voldoen. Deze zijn weergegeven in onderdeel 3.1 A t/m D en 3.1.1 t/m 3.1.7. U moet blijvend voldoen aan de volgende vereisten: A Loket vereisten 1. Bij de aanvraag van de erkenning voorziet u in ten minste 80% van de gemeenten met meer dan 10.000 inwoners in een loket. In gemeenten waar u geen loket heeft, voorziet u in een loket in de naastgelegen gemeente. Binnen 2 jaar na verlening van de erkenning voorziet u in alle gemeenten met meer dan 10.000 inwoners in een loket. Bij gemeenten met minder dan 10.000 inwoners, moet in de naastgelegen gemeente een loket zijn. 2. Een loket moet ten minste 5 dagen in de week, 3 uur aaneengesloten geopend zijn, met uitzondering van nationale feestdagen. 3. U beschikt over een uitwijkplan in het geval een loket langer dan 24 uur uitvalt. In het uitwijkplan staat beschreven hoe u voor dat loket binnen 48 uur na de (tijdelijke) sluiting, in dezelfde of aangrenzende gemeente de dienst hervat. Bij uitval van een loket, bent u verplicht het uitwijkplan uit te voeren. 4. Ten behoeve van de herkenbaarheid van een loket als een locatie waar men terecht kan voor voertuigtenaamstellingen, schorsingen en opheffen van schorsingen van de voertuigverplichtingen ontvangt u een erkenningsticker van de RDW. U dient deze zichtbaar vanaf de buitenzijde van het loket te bevestigen. 5. U garandeert goede toegankelijkheid van uw loketten. U heeft hiertoe aantoonbare voorzieningen of maatregelen getroffen waardoor uw loketten toegankelijk zijn voor mindervaliden. B ICT- en beveiligingseisen 6. De gegevens en informatie die u in het kader van de uitvoering van de diensten van deze erkenning verwerkt dan wel waar u inzage in heeft, mogen uitsluitend worden gebruikt voor de verlening van de desbetreffende dienst. Dit geldt voor de erkenninghouder, diens loketten en andere, onder verantwoordelijkheid van de erkenninghouder, door hem ingezette partijen. 7. U sluit op een uniforme en door de RDW voorgeschreven wijze, aan op de RDW ICT infrastructuur met geschikte datacommunicatieapparatuur, waarbij voldaan wordt aan de eisen en voorwaarden die de RDW daaraan stelt. Deze zijn d