← Nederland

Verordening fysieke leefomgeving (Deventer)

Kort samengevat

Deze verordening van de gemeente Deventer regelt de fysieke leefomgeving, met een focus op ambulante handel, zoals standplaatsen op markten. Het doel is om regels voor de fysieke leefomgeving samen te voegen in één verordening, vooruitlopend op de Omgevingswet.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

lege van …, nr. …, overwegende dat op 1 janauri 2021 de Omgevingswet in werking treedt, overwegende dat de gemeenteraad op 25 oktober 2017 de Nota van uitgangspunten bestemmingsplan 'Deventer, stad en

Afdeling 2

.3 en Afdeling 2.4 neemt het college bij het nemen van besluiten omtrent het verlenen van standplaatsvergunningen voor een markt het geldende inrichtingsplan in acht. Afdeling2.2 Inrichtingsplan markt Artikel2.2.1Inrichtingsplan 1.Het college stelt voor elke markt een inrichtingsplan vast. 2.Het inrichtingsplan bevat in elk geval: een aanduiding van de dagen en de uren waarop, en eventueel de periode waarin de markt wordt gehouden (markttijd) en een aanduiding van de omstandigheden waaronder de markt wordt afgelast; een kaart van de markt; een lijst met artikelgroepen of branches, bevattende de maximum aantallen standplaatsvergunningen die voor één of meer branches of artikelgroepen of combinaties daarvan kunnen worden afgegeven; welk type vergunning kan worden verstrekt. 3.Op de kaart van de markt zijn aangegeven: de grenzen van de markt; de plattegrond en opstelling van de markt; de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor standplaatsvergunning; de plaatsen of gebieden die bij voorrang zijn bestemd voor één of meer branches of artikelgroepen; de plaatsen of gebieden die bij voorrang zijn bestemd voor standwerkers; de plaatsen die bestemd zijn als seizoensplaats. 4.Het inrichtingsplan bevat marktspecifieke nadere eisen op uitvoeringsniveau zoals over luidsprekers, meet- en weegwerktuigen, elektriciteit, gasinstallaties, bakken en braden en afvoer van verbrandingsgassen en dampen. Artikel2.2.2Mandaatverboden 1.De bevoegdheid tot het vaststellen van inrichtingsplannen kan niet worden gemandateerd. 2.De bevoegdheid tot het wijzigen van inrichtingsplannen kan niet aan de marktmeester worden gemandateerd. Afdeling2.3 Vaste standplaatsvergunningen en seizoensplaatsvergunningen Artikel2.3.1Selectiestelsel 1.Voor de toekenning van een vaste standplaatsvergunning wordt het selectiestelsel gehanteerd. 2.Het college maakt ten minste een keer per jaar en zoveel vaker als gewenst bekend dat voor de markt één of meer vaste standplaatsvergunningen kunnen worden verleend, voor welke branche of artikelgroep dit geldt en dat gegadigden voor een vergunning binnen een daartoe gestelde termijn daarvoor een aanvraag kunnen indienen. Indien een aanvraag buiten de daarvoor gestelde termijn binnenkomt, wordt de aanvraag meegenomen bij de reacties op de eerstvolgende bekendmaking. 3.De bekendmaking geschiedt door openbare kennisgeving in de vakbladen en op de websites van de markt en de gemeente. 4.Het college legt de aanvragen om advies voor aan een selectiecommissie van drie personen, bestaande uit een marktmeester en twee afgevaardigden van de marktondernemers. De afvaardiging van de marktondernemers wordt per selectieronde via loting uit een pool van gekozen marktondernemers vastgesteld. De pool van tien marktondernemers (zowel CVAH-leden als niet CVAH-leden) wordt een keer per jaar gekozen tijdens een standplaatshoudersvergadering. 5.Bij de beoordeling van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende aspecten: het assortiment van de gegadigde vormt een gewenste toevoeging aan het marktassortiment; de uitstraling van de uitstalling; het marktverleden van de gegadigde (ook in andere gemeenten); bij de gegadigde is sprake van maatschappelijk verantwoord ondernemen; het aantal jaren dat de aanvrager in loondienst is (minimaal twee jaar) of functioneert als (mede-) eigenaar (minimaal twee jaar) bij een vergunninghouder die op grond van Artikel 2.3.5 zijn vergunning wil overschrijven; de mate waarin de marktondernemer klanten trekt. Per aspect worden maximaal 20 punten toegekend. Aanvragers komen in aanmerking in de volgorde van het aantal toegekende punten. Indien in totaal niet meer dan 60 punten worden toegekend wordt de aanvraag niet verder behandeld. Als meerdere aanvragers hetzelfde aantal punten toegekend hebben gekregen wordt de uitslag volgens loting vastgesteld. 6.De beslistermijn als bedoeld in Artikel 9.2.1 vangt in afwijking van dat artikel aan op de dag na het verlopen van de termijn bedoeld in het tweede lid, waarbinnen aanvragen voor vaste standplaatsvergunningen kunnen worden ingediend. 7.

Artikel 2

.1.4 blijven het vierde en vijfde lid buiten toepassing indien er slechts één aanvraag binnenkomt. 8.Indien er geen gegadigde is voor een vrijgekomen standplaats kan de vaste vergunninghouder van een aangrenzende vaste standplaats, die te kennen heeft gegeven uitbreiding van zijn standplaats te willen, in aanmerking komen voor toewijzing. Artikel2.3.2Inhoud vaste standplaatsvergunning Een vaste standplaatsvergunning vermeldt in ieder geval: de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats van vergunninghouder dan wel, in geval van een rechtspersoon, van de persoon die hem vertegenwoordigt; een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste standplaats met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan; de kraam of andere materialen die de vergunninghouder bij het innemen van de standplaats mag gebruiken; het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe de vergunninghouder behoort; de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst vergunning is verleend; welke kook-, bak- en verwarmingsapparaten zijn toegestaan. Artikel2.3.3Persoonlijk innemen standplaats; vervanging 1.De houder van een vaste standplaatsvergunning kan de hem toegewezen standplaats laten innemen door een vervanger. Een aanvraag hiertoe vermeldt de verwachte duur van zijn afwezigheid en de naam van de beoogde vervanger. Tevens wordt een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de vervanger overgelegd. 2.De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten – behalve die tot vervanging ingevolge het vorige lid – en verplichtingen die bij of krachtens dit hoofdstuk gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger. 3.De vergunninghouder en de aangewezen vervanger ontvangen een schriftelijke bevestiging van de vervanging. 4.Het college kan een vervanger weigeren op de gronden genoemd in Artikel 2.1.4, eerste, tweede en derde lid. Artikel2.3.4Geldingsduur vaste standplaatsvergunning Een vaste standplaatsvergunning geldt voor een termijn van maximaal vijf jaar. Artikel2.3.5Overschrijven vaste standplaatsvergunning 1.Wanneer de vergunninghouder niet langer zelf van de vergunning gebruikt wenst te maken is het selectiestel van Artikel 2.3.1 van toepassing, behoudens het gestelde in het tweede lid. 2.Is de houder van een vaste standplaatsvergunning overleden of onder curatele gesteld, dan kan het college op aanvraag van zijn erven of zijn curator de vergunning overschrijven op naam van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of zijn kind, of op een persoon die aantoonbaar twee jaar of langer de houder heeft bijgestaan. De aanvraag tot overschrijving wordt binnen twee maanden na het overlijden of de onder curatelestelling ingediend. 3.Het college kan van het vorenstaande afwijken voor zover de toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen. 4.De aanvraag tot overschrijving wordt geweigerd als niet wordt voldaan aan de uit dit artikel voortvloeiende eisen of aan de eisen waaraan een houder van een vaste standplaatsvergunning volgens Hoofdstuk 2 moet voldoen. 5.Als de nieuwe vergunninghouder reeds over een vaste standplaatsvergunning voor de betrokken markt beschikt, wordt deze ingetrokken. Artikel2.3.6Intrekken en vervallen vaste standplaatsvergunning 1.

Artikel 9

.3.1 trekt het college een vaste standplaatsvergunning in: na twee maanden na het overlijden of de ondercuratelestelling van de vergunninghouder, tenzij een aanvraag tot overschrijving overeenkomstig Artikel 2.3.5, tweede lid, is ingediend en nog niet onherroepelijk is afgewezen; bij een uitgesproken faillissement van de vergunninghouder. 2.

Artikel 9

.3.1 kan het college een vaste standplaatsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd intrekken: indien de vergunninghouder, degene die hem vervangt of vertegenwoordigt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden; indien de vergunninghouder of zijn vervanger zijn standplaats niet ten minste tien maal per dertien weken heeft ingenomen. Dit met inachtneming van Artikel 2.6.3; indien de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 228 van de Gemeentewet; indien de vergunninghouder of zijn vervanger of vertegenwoordiger de marktmeester belemmert in het uitoefenen van zijn functie dan wel de door de marktmeester gegeven aanwijzingen niet opvolgt. 3. Als de vergunninghouder of zijn overeenkomstig Artikel 2.3.3 aangewezen vervanger zijn standplaats niet uiterlijk bij aanvang van de markt heeft ingenomen, vervalt de vergunning voor de rest van de dag. Artikel2.3.7Mandaatverbod De bevoegdheid tot het verlenen of het intrekken van een vaste standplaatsvergunning kan niet aan de marktmeester worden gemandateerd. Artikel2.3.8Seizoensplaatsvergunning Afdeling 2.3 is van overeenkomstige toepassing op seizoensplaatsvergunningen, met dien verstande dat de termijn bedoeld in Artikel 2.3.4 maximaal zes maanden bedraagt. Afdeling2.4 Dagplaatsvergunningen en standwerkvergunningen Artikel2.4.1Dagplaatsvergunning 1.Een dagplaatsvergunning kan worden verleend voor het innemen van een standplaats op plaatsen die niet zijn of worden ingenomen door de houder van een vaste standplaatsvergunning of op andere vrije plaatsen. De vergunning vermeldt het artikel waarvoor zij geldt. 2.Dagplaatsvergunningen worden uitsluitend verleend voor de Centrumwarenmarkt (Brink) en de jaarmarkten. 3.

Artikel 2

.1.4 komen voor een dagplaatsvergunning in aanmerking degenen die niet zijn uitgesloten omdat zij gedurende een of meer van de voorafgaande vier marktdagen: zich op een markt schuldig hebben gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling hebben overtreden; de marktmeester hebben belemmerd in het uitoefenen van zijn functie dan wel de door de marktmeester gegeven aanwijzingen niet hebben opgevolgd; niet tijdig het verschuldigde marktgeld hebben voldaan dat wordt geheven op grondslag van artikel 228 van de Gemeentewet.

  1. Aanvragers voor een dagplaatsvergunning met een artikel of artikelsoort dat nog niet op de markt is vertegenwoordigd, hebben voorrang op de aanvragers met artikelen of artikelsoorten die wel op de markt vertegenwoordigd zijn.
  2. De overgebleven dagplaatsenvergunningen worden door middel van loting bij aanvang van de markt toegekend aan de overige aanvragers. Daarbij geldt dat per artikelsoort niet meer vergunningen kunnen worden verleend dan volgens de branchelijst het maximum is. Loting vindt plaats door middel van een willekeurig gekozen getal.
  3. Het college kan ten aanzien van een aanvrager gemotiveerd bepalen dat een uitsluitinggrond als bedoeld in het derde lid niet geldt of dat voor de toepassing van de in dat lid genoemde termijn van vier marktdagen een langere termijn in aanmerking wordt genomen.
  4. Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen. Artikel2.4.2Standwerkvergunning 1.Standwerkvergunningen worden uitsluitend verleend voor de Centrumwarenmarkt (Brink) en de jaarmarkten. 2.Er wordt maximaal één vergunning verleend voor één artikel. 3.Vergunningverlening vindt plaats door middel van loting op de dinsdag voorafgaand aan de markt tussen 12.00 en 16.00 uur. Loting vindt plaats door middel van een willekeurig gekozen getal. De aanvragers krijgen uiterlijk een dag later voor 17.00 bericht wie de vergunning toegekend krijgt. 4.De vergunning geldt voor de in de vergunning vermelde dag en plaats en voor het in de vergunning omschreven artikel. Afdeling2.5 Individuele standplaatsvergunning Artikel2.5.1Weigeringsgronden individuele standplaatsvergunning 1.Het college weigert een individuele standplaatsvergunning in geval van strijd met het bestemmingsplan. 2.

Artikel 9

.2.2 kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Artikel2.5.2Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college als bedoeld in Artikel 2.1.1 een standplaats wordt of is ingenomen. Artikel2.5.3Foodtrucks Het college kan voorzien in een van Hoofdstuk 2 afwijkende regeling voor foodtruckstandplaatsen. Artikel2.5.4Afbakeningsbepaling 1.Het verbod van Artikel 2.1.1, geldt ten aanzien van individuele standplaatsen niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 2.De weigeringgrond van Artikel 2.5.1, tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. Afdeling2.6 Algemene bepalingen ten aanzien van standplaatsen Artikel2.6.1Bijstand De houder van een vaste standplaatsvergunning of van een dagplaatsvergunning of standwerkvergunning kan zich doen bijstaan door een of meer andere personen. Artikel2.6.2Markttijden 1.Het is een houder van een standplaatsvergunning op een markt verboden meer dan 3 uur voor de aanvang en meer dan 2 uur na afloop van de markt ruimte in te nemen of te doen innemen op het marktterrein met een voertuig, met goederen of anderszins, of goederen aan- of af te voeren of te laten aan- of afvoeren. 2.Een vergunninghouder neemt zijn standplaats in tot de sluitingstijd van de markt. 3.Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid. 4.Het college kan nadere eisen stellen aan de tijden van inneming van een standplaats op een markt en aan de aan- en afvoer van goederen. Artikel2.6.3Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden 1.De houder van een vaste standplaatsvergunning die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste standplaats in te nemen en geen vervanger heeft aangesteld, deelt dit schriftelijk mee aan het college. Bij vakantie geeft de houder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt. De mededeling wordt uiterlijk 24 uur voor de betreffende marktdag gedaan. 2.Plotselinge verhindering wordt zo spoedig mogelijk aan de marktmeester gemeld. 3.Naar aanleiding van de mededeling of de melding als bedoeld in de voorafgaande leden ontvangt de houder een schriftelijke bevestiging, waarin met inachtneming van het bepaalde in het vierde lid tevens ontheffing wordt verleend van de verplichting tot inname van de standplaats. 4.De ontheffing van de verplichting tot inname van de standplaats geldt in geval van ziekte en/of bijzondere omstandigheden voor maximaal een half jaar, te rekenen vanaf de dag van ziekmelding of vanaf het ontstaan van de bijzondere omstandigheden en in geval van vakantie voor maximaal 6 weken per jaar. 5.Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in dit artikel. Artikel2.6.4Verontreiniging 1.Een vergunninghouder is verplicht er voor te zorgen dat zijn standplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan gedurende de markttijden dan wel gedurende het innemen van de standplaats schoon wordt gehouden en een goed verzorgd aanzien biedt, een en ander ter beoordeling van de toezichthouder. 2.Een vergunninghouder is verplicht afval, waaronder verpakkingsmateriaal, dat tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats vrij komt, zodanig te bewaren dat het marktterrein dan wel de omgeving van de standplaats daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden meegenomen. Hij voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt of na afloop van het innemen van de standplaats af, of laat het afvoeren. 3.Een vergunninghouder is verplicht de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt of na afloop van het innemen van de standplaats veegschoon en vetvrij achter te laten. 4.Het college kan nadere eisen stellen aan het vrijgekomen afval, de hygiëne en reiniging van een standplaats. Artikel2.6.5Informatieplicht Degene die een standplaats inneemt is op eerste verzoek van de toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is. Artikel2.6.6Nadere eisen Het college kan aan het gebruik van de standplaats nadere eisen stellen. Artikel2.6.7Onmiddellijke verwijdering Het college kan een vergunninghouder of iemand die hem bijstaat, vertegenwoordigt of vervangt gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens Hoofdstuk 2 gestelde bepaling heeft overtreden. Hoofdstuk3Bodem Afdeling3.1. Omgevingsvergunning voor het bouwen Artikel3.1.1Status Het bepaalde in Afdeling 3.1 wordt mede aangemerkt als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet. Artikel3.1.2Bodemonderzoek 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent en actueel milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740; Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3. 3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van Artikel 3.1.3 bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.24 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen. 5.Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel3.1.3Verbod op bouwen op verontreinigde grond Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een dergelijke vergunning niet is vereist, en dat de grond raakt, of ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel3.1.4Voorwaarden omgevingsvergunning In afwijking van het bepaalde in Artikel 3.1.3 en

artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig artikel 39, tweede lid, Wbb goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, Wbb van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel3.1.5Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in Afdeling 3.1 wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Afdeling3.2 Bodembescherming Artikel3.2.1Inhoud saneringsplan 1.Aanvullend op de eisen gesteld in artikel 39, eerste lid, Wbb worden in het saneringsplan de volgende gegevens vermeld: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, waarop door middel van de interventiewaardencontour voor grond het geval van verontreiniging is aangegeven; de huidige en toekomstige bestemming van het perceel in het kader van de Wet ruimtelijke ordening; de naam en het adres van de eigenaar dan wel van degene die een beperkt recht heeft op het grondgebied zoals bedoeld onder a en de feitelijk gebruikers hiervan voor zover het een grondverontreiniging betreft; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering, nazorg of handeling ten gevolge waarvan de verontreiniging wordt verminderd of verplaatst zal plaatsvinden; indien van toepassing een machtigingsformulier waaruit de bevoegdheid blijkt om namens de opdrachtgever een aanvraag te doen; het tijdsschema van het verloop van de sanering, waarbij in ieder geval de datum van aanvang van de sanering wordt vermeld; in het geval van een gefaseerde sanering: de voorgenomen fasering en het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 38, derde lid, Wbb; in het geval van een deelsanering: een tekening of beschrijving waaruit blijkt welk deel er gesaneerd zal worden en het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 40, tweede lid, Wbb; een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten; een beschrijving van de te treffen hydrologische voorzieningen met de voorzienbare eindresultaten en effecten daarvan op de omgeving; een beschrijving van de maatregelen die overlast en/of schade als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken; gegevens over de kwaliteit van de te gebruiken aanvulgrond; een beschrijving van de te hanteren protocollen en richtlijnen voor (uit)keuring en monstername en eventueel de uitvoering; gegevens over de bestemming van overige verontreinigde stoffen die naast de verontreinigde grond vrijkomen bij de sanering; indien verontreinigde grond zal worden afgegraven een indicatie van de hoeveelheid af te graven grond indien verontreinigd grondwater onttrokken wordt een indicatie van de te verwachten hoeveelheid grondwater; een motivering indien de grond of het grondwater niet geheel gereinigd wordt. 2.Onverminderd de eisen gesteld in het eerste lid leidt het ontbreken van enkele of meerdere van bovenstaande gegevens niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid als de gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het ingediende saneringsplan. Artikel3.2.2Melding start, diepste punt en feitelijke sanering 1.Degene die op grond van artikel 39, tweede lid, Wbb toestemming heeft verkregen om conform saneringsplan te saneren, stelt tenminste vijf werkdagen voor de feitelijke aanvang van de sanering het college hiervan in kennis via het meldingsformulier start bodemsanering. 2.Degene die saneert meldt schriftelijk tenminste 24 uur van tevoren het bereiken van de einddiepte bij een ontgraving. 3.Degene die heeft gesaneerd doet uiterlijk vijf werkdagen na beëindiging van de saneringswerkzaamheden schriftelijk mededeling bij het college van de datum waarop de werkzaamheden zijn beëindigd middels het meldingsformulier einde sanering. Artikel3.2.3Melding wijzigingen saneringsplan 1.Iedere afwijking van het saneringsplan wordt aan het college gemeld. 2.In aanvulling op artikel 39, vierde lid, Wbb wordt onder een wijziging van het saneringsplan een wijziging verstaan die gevolgen heeft voor de saneringsdoelstelling of die de belangen van derden schaadt of kan schaden. 3.Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt: naam en adres van de feitelijk saneerder; de locatie van de sanering; de motivering van de afwijking van het saneringsplan; de consequenties van de wijzigingen voor het te behalen saneringsdoel; de eventuele consequenties voor de nazorg en/of gebruiksbeperkingen. Artikel3.2.4Het saneringsverslag 1.Degene die de bodem heeft gesaneerd, dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, dient daarvan binnen 13 weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden bij het college een verslag in. 2.Het verslag wordt vergezeld van een verzoek om in te stemmen met de resultaten van de uitgevoerde sanering. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het meldingsformulier saneringsverslag. Het verslag dient in aanvulling op artikel 39c, eerste lid, Wbb de volgende gegevens te bevatten: Algemeen het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevond; naam en adres van de opdrachtgever, directievoerder, aannemer en milieukundig begeleider. Grondsanering de start en einddatum van de periode waarop het verslag betrekking heeft en waarbinnen de grondsanering uitgevoerd is; een overzicht van de hoeveelheid vrijgekomen grond (uitgedrukt in kilogrammen en m³) en de bestemming daarvan, inclusief de wijze van verwerking en afvalstroomnummers; een overzicht van de hoeveelheden overig vrijgekomen saneringsafval (zoals eventueel vrijkomende verontreinigde klinkers en aangetroffen ondergrondse tanks) en hun bestemmingen; de afmeting van de ontgravingen; de inrichting van eventuele gronddepots; een beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen en wijzigingen ten opzichte van de in het saneringsplan beschreven situatie; een beschrijving van het eventueel aangelegde onttrekkingssysteem voor een nog uit te voeren grondwatersanering. Grondwatersanering/ bodemluchtonttrekking de start en einddatum van de periode waarop het verslag betrekking heeft en waarbinnen de grondwatersanering uitgevoerd is; de wijze van injecteren, onttrekken en zuiveren van water en lucht bij in- situ technieken (bijvoorbeeld filterstelling, debieten en vrachten verontreiniging) en/ of andere media; een beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen en wijzigingen ten opzichte van de in het saneringsplan beschreven situatie of prognose. Bemonstering bij grondsanering een bespreking van analyseresultaten van de controlemonsters en de consequenties daarvan; een bespreking van analyseresultaten van de depotmonsters, de monsters van de afgevoerde grond en de consequenties daarvan; een bespreking van de analyseresultaten van de effluentmonsters (bouwputbemaling) in relatie tot de verleende vergunning(en); de certificaten van kwaliteitsgegevens van de aanvulgrond/zand en steenachtige bouwmaterialen. Bemonstering bij grondwatersanering een bespreking van de analyseresultaten van de influentmonsters voor het volgen van het verloop van de sanering; een bespreking van de analyseresultaten van de effluentmonsters in relatie tot de verleende vergunning(en); een bespreking van de analyseresultaten van de monsters uit peilbuizen. Bijlagen bij het saneringsverslag een locatiekaart; een locatiekaart; een begrenzing van het te saneren perceel m.b.v. een kadastraal uittreksel; een kaart met de locatie van bemaling en lozingspunten tijdens de grondsanering; een overzicht van de verrichtte grondwateronttrekking (met o.m. de debieten en de totaal onttrokken hoeveelheid grondwater); de grondbalans; een afvoerbewijs van alle vrijgekomen afvalstromen (grond en overige stromen zoals puin), onder vermelding van de afvalstroomnummers en bestemming; de analysecertificaten en -resultaten van grond- en grondwatermonsters en toetsing. een ontgravingskaart met daarop: de ontgravingsgrenzen (diepten en de locatie van de genomen grondmonsters van de putwand en –bodem); de ontgravingsvoorzieningen (damwanden etc.); de ligging van tijdelijke voorzieningen, inclusief depots; een kaart met daarop: de aard en omvang van de restverontreinigingen in grond en grondwater; een kadastrale kaart van de restverontreiniging(en); de plaats van toepassing van herschikt/hergebruikte grond; een grondwateronttrekkingskaart met daarop: de ligging van de voorzieningen (zoals drains en pompen); de locatie van het onttrekkingssysteem en de peilbuizen met filterstelling; een kaart met aangebrachte voorzieningen voor eventueel aanvullende saneringsmaatregelen. 3.

artikel 39c, eerste lid, Wbb, kan het vermelden in het saneringsverslag van gegevens als bedoeld in het tweede lid achterwege blijven indien die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsverslag. Artikel3.2.5Het nazorgplan 1.Degene die nazorgsmaatregelen uit gaat voeren, dient daarvan bij het college een nazorgplan in. 2.Het nazorgplan gaat vergezeld van een verzoek om in te stemmen met de invulling van de nazorg. 3.Het nazorgplan dient in aanvulling op artikel 39d, eerste lid, Wbb de volgende gegevens te bevatten: een beschrijving van de wijze waarop de restverontreiniging wordt beheerst (isolerende maatregelen/kadastrale registratie/monitoring/actieve nazorg); een omschrijving van de te treffen maatregelen in het kader van de nazorg (hydraulische scheidingen, drains etc.); een omschrijving van het te treffen onderhoud en de investeringen; indien er sprake is van isolerende voorzieningen hoort er bij de omschrijving bedoeld onder a: de wijze waarop de instandhouding van de isolerende voorzieningen wordt gewaarborgd en gecontroleerd de wijze waarop het betrokken grondgebied in verband met het isoleren van de verontreiniging wordt beheerd de verwachte ontwikkelingen in het ruimtegebruik. Indien er sprake is van actieve nazorg/monitoring van de restverontreiniging hoort er bij de omschrijving bedoeld onder a: een monitoringsplan met de bemonsteringsfrequentie, actiewaarden, ijkmomenten en verwachtte tijdsduur; een onderbouwing van het monitoringsplan middels een inschatting van de te verwachten mobiliteit/verspreiding; de plaats en filterstelling van de monitoringspeilbuizen. de actiewaarden indien verspreiding van de verontreiniging wordt vastgesteld; een beschrijving van het terugvalscenario. Artikel3.2.6Saneringen en nazorgmaatregelen uitgevoerd door het college Op saneringen en nazorgmaatregelen uitgevoerd door de gemeente is Afdeling 3.2 van toepassing. Hoofdstuk4Erfgoed Afdeling4.1 Bevoegdheden Artikel4.1.1De aanwijzing als gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument 1.Het college kan een monument aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument, vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. 2.De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet of op grond van een provinciale verordening. 3.Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid wijzigen. 4.Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid intrekken. Artikel4.1.2De aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2.De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op grond van een provinciale verordening. 3.Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid wijzigen. 4.Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid intrekken. Afdeling4.2 Procedures Artikel4.2.1Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op de besluiten bedoeld in Artikel 4.1.1, eerste, derde en vierde lid, en Artikel 4.1.2, eerste, derde en vierde lid. Artikel4.2.2Advisering door de adviesraad Monumenten 1.Voordat het college het besluit neemt, vraagt het college advies aan de Planadviesraad. 2.lndien de Planadviesraad niet tijdig adviseert, wordt de Planadviesraad geacht geadviseerd te hebben. Artikel4.2.3Voorbescherming Wanneer het college voornemens is een aanwijzing te doen als bedoeld in Artikel 4.1.1, eerste lid, is Afdeling 4.3 van overeenkomstige toepassing vanaf het moment waarop het college op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht een belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, tot het moment waarop hetzij het besluit tot aanwijzing in werking is getreden, hetzij het voornemen is ingetrokken. Artikel4.2.4Kennisgeving zakelijk gerechtigden Van de besluiten bedoeld in Artikel 4.1.1 wordt kennis gegeven aan degenen die een zakelijk recht hebben op het monument. Artikel4.2.5Gemeentelijk erfgoedregister 1.Het besluit wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Het erfgoedregister vermeldt van gemeentelijke monumenten en gemeentelijke archeologische monumenten de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving. 3.Het erfgoedregister vermeldt van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing en een beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden. Afdeling4.3 Instandhouding gemeentelijke monumentale zaken en beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Artikel4.3.1Verbod en vergunningplicht 1.Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften: een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4.Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt niet ten aanzien van: gewoon onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van dat bouwwerk niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. 5.De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. 6.Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn. Artikel4.3.2Advisering door Planadviesraad 1.Voordat het college het besluit neemt bedoeld in Artikel 4.3.1, tweede lid, vraagt het college advies aan de Planadviesraad. 2.Indien de Planadviesraad niet tijdig adviseert, dan staat dit het nemen van het besluit niet in de weg. Artikel4.3.3Beschermend bestemmingsplan De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Afdeling4.4 Instandhouding van archeologische terreinen Artikel4.4.1Verbod 1.Het is verboden om in een gemeentelijk archeologisch monument of een archeologisch beleidsgebied de bodem te verstoren, als in het bestemmingsplan niet is voorzien in een regeling van de bescherming van archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden. 2.Het verbod is niet van toepassing als: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; de activiteit geen strijd oplevert met het gemeentelijke archeologiebeleid; met vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel4.4.2Booronderzoek, opgraving en begeleiding 1.

de Erfgoedwet worden bij het verrichten van handelingen met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, de volgende regels in acht genomen: het college stelt voor opgraving en begeleiding een programma van eisen vast, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van die handelingen. De nadere regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het programma van eisen; de archeologische uitvoerder legt, voorafgaand aan de handelingen bedoeld in de aanhef van dit artikel, een plan van aanpak ter goedkeuring over aan het college. 2.Tijdens het onderzoek neemt de archeologische uitvoerder de nadere regels en aanwijzingen door of namens het college in acht. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. Artikel4.4.3Advisering Bij de toepassing van Artikel 4.4.2 vraagt het college advies aan een ter zake deskundige. Afdeling4.5 Financiële bepalingen Artikel4.5.1Tegemoetkoming Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in Artikel 4.3.1 te verlenen; de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in Artikel 4.3.1; de door het college nader te stellen regels als bedoeld in Artikel 4.3.1, vierde lid; nadere regels en aanwijzingen als bedoeld in Artikel 4.4.2, tweede lid. Hoofdstuk5Houtopstanden Afdeling5.1Afdeling 5.1 Vellen van houtopstanden Artikel5.1.1Verbod en omgevingsvergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een houtopstand te vellen met een stamomtrek van 75 cm of meer, gemeten op 130 cm boven het maaiveld; een houtopstand te vellen die is aangelegd ter uitvoering van een herplant- en instandhoudingsplicht; een houtopstand te vellen die is aangelegd ter uitvoering van een overeenkomst met een bestuursorgaan of een publiekrechtelijke rechtspersoon. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college; iepen aangetast door de iepziekte; het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud; dunning in een aaneengesloten houtopstand met een oppervlakte van ten minste 100 m²; houtopstanden die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd; houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van toepassing is. Artikel5.1.2Criteria Vergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, wordt geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden: natuur-, milieu- en ecologische waarden; landschappelijke waarden; beeldbepalende waarden; cultuurhistorische waarden; stads- en dorpsschoon; recreatie en leefbaarheid; leeftijd; verschijningsvorm; zeldzaamheid en dendrologie; beplantingsvorm/structuur; toekomstverwachting. Artikel5.1.3Advisering 1.Voordat het bevoegd gezag een besluit neemt omtrent een vergunning voor het vellen van houtopstanden als bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, vraagt het bevoegd gezag advies aan het bestuursorgaan of de publiekrechtelijke rechtspersoon waarmee de betreffende overeenkomst gesloten is. 2.Als het bestuursorgaan of de publiekrechtelijke rechtspersoon niet tijdig adviseert, dan staat dit het nemen van het besluit niet in de weg. Artikel5.1.4Bijzondere vergunningvoorschriften 1.

Artikel 9

.2.3 kan bij de vergunning bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, worden voorgeschreven dat binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn en overeenkomstig door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2.In het voorschrift wordt in ieder geval bepaald: hoeveel houtopstanden er moeten worden herplant; de soort en afmeting van de te herplanten houtopstanden; de locatie waarop moet worden herplant; binnen welke termijn moet worden herplant; binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 3.Als herplanting niet mogelijk is, kan bij de vergunning worden voorgeschreven dat een geldelijke bijdrage, maximaal gelijk aan de boomwaarde van de te vellen houtopstand, gestort moet worden in het gemeentelijke groencompensatiefonds. 4.Bij de vergunning kan worden voorgeschreven dat pas tot vellen van houtopstanden op en bij bouw- en aanlegwerken of een andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan als andere vergunningen of ruimtelijke besluiten onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is. Artikel5.1.5Beperking geldigheidsduur In afwijking van het bepaalde in Artikel 9.2.5 vervalt de vergunning als bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, als daarvan niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning gebruik is gemaakt. Afdeling5.2 Instandhouding en herplant van houtopstanden Artikel5.2.1Instandhoudingsplicht 1.Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, door voorgenomen of in uitvoering zijnde bouw-, aanleg- of sloopwerkzaamheden in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de rechthebbende de verplichting opleggen om een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het college. 2.Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, vanwege zijn toestand in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de rechthebbende de verplichting opleggen om een Boomveiligheidscontrole op te stellen en aan te bieden aan het college. 3.Als de Bomen Effect Analyse of de Boomveiligheidscontrole daar aanleiding toe geeft, kan het college de rechthebbende de verplichting opleggen om overeenkomstig door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor de bedreiging wordt weggenomen. 4.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel5.2.2Herplantplicht 1.Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, of op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de rechthebbende, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig door hem te geven aanwijzingen, binnen een door hem te stellen termijn. 2.In de beschikking als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval bepaald: hoeveel houtopstanden er moeten worden herplant; de soort en afmeting van de te herplanten houtopstanden; de locatie waarop moet worden herplant; binnen welke termijn moet worden herplant; binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 3.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Afdeling5.3 Overige regels Artikel5.3.1Noodkap 1.Artikel 5.1.1, eerste lid, is niet van toepassing indien de burgemeester, op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer of een andere hem toekomende bevoegdheid, in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of veiligheid het bevel heeft gegeven de houtopstand onmiddellijk te vellen. 2.Artikel 5.2.2 is van overeenkomstige toepassing op houtopstanden: waar Artikel 5.1.1 op van toepassing is, en die met toepassing van het vorige lid zijn geveld. Artikel5.3.2Bestrijding van bomenziekten 1.Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het college gevaar oplevert voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: de houtopstand te vellen; conform richtlijnen van het college de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde houtopstanden of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die een boomziekte kan verspreiden. Artikel5.3.3Afstand tot de erfgrens De afstand als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bedraagt 0,50 m voor bomen en nihil voor heggen en heesters. Hoofdstuk6Omgevingshinder Afdeling6.1 Geluidhinder Artikel6.1.1Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidwaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn niet van toepassing tijdens door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.Tijdens de festiviteit moeten ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen. 3.De verlichtingsuren ten behoeve van sportbeoefening bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn niet van toepassing tijdens door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 4.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en derde lid, kan het college, gespecificeerd naar de bedrijfstakken horeca, sport en overig, bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer van de volgende delen van de gemeente of zoals nader overeen te komen: de evenementenpleinen de Brink, Grote Kerkhof, Nieuwe Markt en de Welle; de binnenstad van Deventer exclusief de evenementenpleinen; de dorpskernen van Diepenveen, Schalkhaar, Bathmen, Okkenbroek en Lettele; de overige gedeelten van de gemeente. 5.Het college maakt de aanwijzingen ten minste vier weken voor het begin van de eerste collectieve festiviteit van een nieuw kalenderjaar bekend. 6.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit aanwijzen. 7.De aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op een bijzondere inrichting. Artikel6.1.2Aanwijzing incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal vier incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidwaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college en de direct omwonenden daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld. 2.Tijdens de festiviteit moeten ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen. 3.In afwijking van het gestelde bij lid 1 dient tijdens de nachtperiode vanaf 01.00 uur het geluidniveau van de festiviteit weer te voldoen aan de gangbare geluidwaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer. 4.Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de verlichtingsuren bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college en de direct omwonenden daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld. 5.De kennisgeving als bedoeld in het eerste en vierde lid wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het daarvoor vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 6.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 7.Een bijzondere inrichting is het toegestaan om in afwijking van het eerste lid, maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidwaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college en de omwonenden daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld. Artikel6.1.3Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Milieuverordening Overijssel. Afdeling6.2 Diverse hinder Artikel6.2.1Aanlichten van gebouwen en objecten 1.Het is binnen het als beschermd stadsgezicht aangewezen gebied verboden om toestellen of apparaten in werking te hebben met als doel het aanlichten van (delen van) gebouwen of objecten. 2.Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen en daaraan nadere voorschriften verbinden ter bescherming van het milieu en de belangen als bedoeld in het derde lid. 3.Het college weigert de ontheffing indien: hetzij het toestel of apparaat zelf hetzij de aanlichting van het gebouw of object niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de eisen zoals gesteld in de welstandsnota; hetzij het toestel of apparaat zelf hetzij de aanlichting in verband met de voorkoming van lichthinder niet voldoet aan: de grenswaarde voor lichtemissie; de gemiddelde luminantie en de goede wijze van plaatsing (van onderaf dicht op de gevel), volgens de Algemene Richtlijn betreffende lichthinder' deel 3 aanstraling van gebouwen en objecten uit 2004 van de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde, Commissie lichthinder, een en ander

Artikel 9.2.2.

4. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing voor zover het Activiteitenbesluit milieubeheer in dat onderwerp voorziet. Artikel6.2.2Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel6.2.3Eisen aan niet vergunningplichtige reclame Het is óók indien geen vergunning is vereist verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding, de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor het verkeer te veroorzaken. Artikel6.2.4Verstrooiing van as 1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2.Het college kan voor een bepaalde tijd verbieden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 4.Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Hoofdstuk7Ondergrondse infrastructuur Afdeling7.1 Inleidende bepalingen Artikel7.1.1Toepasselijkheid Dit hoofdstuk is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. Afdeling7.2 Instemmingsbesluit en vergunning Artikel7.2.1Vereiste van instemming of vergunning 1.Het is verboden om zonder of in afwijking van een door het college verleend instemmingsbesluit of verleende vergunning werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. 2.In afwijking van het eerste lid kan voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard worden volstaan met een melding aan het college. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard. 3.Het college kan één of meer gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding, maar altijd een instemmingsbesluit of vergunning moet worden aangevraagd. 4.Spoedeisende werkzaamheden dienen onverwijld te worden gemeld aan het college. Na ontvangst van de melding door het college kunnen, in afwijking van het eerste lid, de werkzaamheden plaatsvinden, tenzij de burgemeester, op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer of een andere hem toekomende bevoegdheid, in verband met de openbare orde of gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar de uitvoering van de werkzaamheden verbiedt. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van melding en uitvoering van deze werkzaamheden. 5.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak of op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening. Artikel7.2.2De aanvraag en de melding 1.Een aanvraag wordt ingediend bij het college. 2.Een melding wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het college gedaan. 3.Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de bij een aanvraag of melding te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. Artikel7.2.3De aanvraag, aanvullende bepalingen 1.Indien voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen zowel een aanvraag op grond van deze verordening als een aanvraag op grond van een andere wet is ingediend, al dan niet bij een ander bestuursorgaan, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte. 2.Op schriftelijk verzoek van de aanvrager stelt het college een aanvraag buiten behandeling. Artikel7.2.4Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden 1.In afwijking van Artikel 9.2.2 en Artikel 9.2.3 kan het college aan een instemmingsbesluit, vergunning of melding voorschriften en beperkingen verbinden, dan wel een vergunning weigeren, in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud en het belang van nader aan te geven lokale evenementen; de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt de bescherming van reeds in de grond aanwezige werken; de bescherming van eventuele archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen; het uiterlijk aanzien van de omgeving; 2.De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in het instemmingsbesluit of de vergunning anders is bepaald. 3.De aanvrager draagt er zorg voor dat de voorschriften die aan het instemmingsbesluit of de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. 4.Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels of leidingen. Artikel7.2.5Wijziging en intrekking 1.In afwijking van Artikel 9.3.1 kan college het instemmingsbesluit of de vergunning wijzigen of intrekken, indien: de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het instemmingsbesluit of de vergunning, of de in het instemmingsbesluit of de vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden als omschreven in het instemmingsbesluit of de vergunning is begonnen; de in het instemmingsbesluit of de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; het instemmingsbesluit of de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens; de netbeheerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening niet naleeft; 2.Het college kan de vergunning wijzigen of intrekken, indien: de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld; dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. 3.Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van het instemmingsbesluit of de vergunning dan nadat het college de houder van het instemmingsbesluit of de vergunning heeft gehoord. 4.Aan het besluit tot wijziging of intrekking van het instemmingsbesluit of de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels of leidingen aan te passen of deze te verwijderen. 5.Het college trekt het instemmingsbesluit of de vergunning in indien de houder schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer daarvan te willen maken. 6.Een instemmingsbesluit of een vergunning geldt voor een specifieke kabel of leiding en is overdraagbaar, tenzij in de vergunning of het instemmingsbesluit anders is bepaald. Het college kan het instemmingsbesluit of de vergunning op schriftelijk verzoek van de houder op naam stellen van een andere netbeheerder. Afdeling7.3 Overleg, afstemming en overige verplichtingen Artikel7.3.1Overleg en afstemming tijdens planvorming 1.De gemeente initieert en faciliteert nader overleg tussen alle betrokken partijen over alle projecten in openbare gronden. Dit overleg vindt periodiek, doch tenminste eenmaal per jaar plaats. 2.Het college initieert in de planfase van een door of vanwege de gemeente uit te voeren project overleg met de desbetreffende netbeheerder(

  1. s)ten einde de gevolgen van dat project voor de ligging en het onderhoud van kabels en leidingen te analyseren. De gemeente doet per bedoeld project een voorstel ten aanzien van het aantal overleggen en de regelmaat daarvan. 3.Op initiatief van het college wisselen alle betrokken partijen voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit. Artikel7.3.2Verplichtingen netbeheerder 1.De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van kabels en leidingen. 2.Indien de eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van kabels of leidingen wijzigt, stelt de netbeheerder het college onverwijld schriftelijk van deze wijziging in kennis. 3.De netbeheerder levert op verzoek van het college informatie over een kabel of leiding. Artikel7.3.3Medegebruik van voorzieningen 1.Een aanbieder is verplicht om bij de aanleg van telecomkabels in openbare gronden zoveel mogelijk medegebruik te maken van bestaande, hetzij door andere netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels. 2.Het eerste lid vindt geen toepassing indien de aanbieder aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is. 3.Indien het gekozen tracé niet kan worden uitgevoerd, is het aan de aanbieder om een alternatief tracé te kiezen. Ook kan het college een alternatief tracé aanwijzen. Artikel7.3.4Verontreiniging, gevaar en hinder 1.De netbeheerder is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden, onmiddellijk te melden aan het college en alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen. 2.Het college kan bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar of hinder in of nabij het tracé van kabels en leidingen opschorting gelasten van de aanleg of de exploitatie van de betreffende kabels en leidingen. Afdeling7.4 Financiële bepalingen Artikel7.4.1Nadeelcompensatie 1.Het college kent een netbeheerder, niet zijnde aanbieder, die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit van het college als bedoeld in Artikel 7.2.5, tweede lid, onder b, dan wel als gevolg van de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, wanneer de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en hem in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. 2.Het college stelt een nadeelcompensatieregeling vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid. Artikel7.4.2Herstraat- en degeneratiekosten 1.Indien door de netbeheerder werkzaamheden aan kabels of leidingen in of op openbare gronden worden uitgevoerd, brengt het college de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van openbare gronden die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de netbeheerder in rekening. 2.Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat. 3.Het college stelt nadere regels vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid. Hoofdstuk8Wegen en water Afdeling81 Wegen Artikel8.1.1Wegen 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; door het college in de overige gevallen. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 4.Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door Hoofdstuk 7, het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur of de Telecommunicatiewet. Artikel8.1.2Uitwegen 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.De omgevingsvergunning kan worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend: in het belang van de bruikbaarheid van de weg; indien de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of anderszins in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg; ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; ter bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente; indien er al sprake is van een andere uitweg van het betreffende perceel; ter bescherming van de waterhuishouding. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Rijkswegenreglement, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement Provincie Overijssel. Artikel8.1.3Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Afdeling8.2 Water Artikel8.2.1Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Artikel 8.2.2 Lozingsverbod hemelwater en grondwater op het drukriool 1.Het is verboden een hemelwaterafvoerleiding en leiding ten behoeve van de afvoer van vrijkomend grondwater bij drainage, pompen of andere vormen van onttrekkingen, aan te sluiten of aangesloten te houden en daardoor te lozen op het drukriool; 2. Het verbod als bedoeld in 8.2.2 onder lid 1 geldt tevens voor het lozen van, middels een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering, gezuiverd hemelwater of grondwater en het lozen van restanten uit ontijzeringsinstallaties, ten behoeve van het opwerken van grondwater, op het drukriool; Artikel 8.2.3 Lozingsverbod hemelwater en grondwater op openbaar riool 1. Het is verboden een hemelwater- en/of grondwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden en daardoor te lozen op het openbaar riool indien er sprake is van transformatie, verbouw of (vervangende) nieuwbouw van bouwwerken; 2. Het verbod als bedoeld in 8.2.3 onder lid 1 geldt tevens voor het lozen, middels een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering, van gezuiverd hemelwater of grondwater en het lozen van restanten uit ontijzeringsinstallaties, ten behoeve van het zuiveren van grondwater, op het vuilwaterriool of het gemengd openbaar riool; Artikel 8.2.4 Verplichting tot waterberging op eigen terrein 1. De eigenaar van het perceel waar sprake is van transformatie, verbouw of (vervangende) nieuwbouw van bouwwerken met een oppervlakte van minimaal 20 m², is verplicht op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen waarbij het volgende geldt: De hemelwaterberging als bedoeld in lid 1 dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het bouwwerk gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand gehouden worden. Het geborgen hemelwater wordt hergebruikt en/of geïnfiltreerd in de ondergrond. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 mm per m2 bebouwd oppervlak. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 24 uur na een regenbui weer volledig beschikbaar is. 2. Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor ook voor bestaande gebouwen geldt dat het verplicht is om op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen en blijvend in stand te houden waarbij het volgende geldt: Het geborgen hemelwater wordt hergebruikt en/of geïnfiltreerd in de ondergrond. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 mm per m2 bebouwd oppervlak. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 24 uur na een regenbui weer volledig beschikbaar is. 3. De hoeveelheid hemelwater die na toepassing van het eerste lid niet kan worden geborgen, kan via een bovengrondse overloopvoorziening worden geloosd in de openbare ruimte. 4. Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor een andere capaciteit van de hemelwaterberging wordt bepaald. 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verplichting om op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen en in stand te houden. 6. De ontheffing wordt slechts verleend indien: het realiseren van een hemelwaterberging op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is en er geen alternatieven voor het verwerken van het hemelwater en grondwater op eigen terrein mogelijk zijn, of; er sprake is van verdroging van groen in de openbare ruimte. Artikel 8.2.5 Maatwerkvoorschrift 1. Het college kan maatwerkvoorschriften stellen over de inrichting en het beheer van een hemelwaterberging. Artikel 8.2.6 Omgevingsvergunning 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college afvloeiend hemelwater en grondwater via een ondergrondse afvoerleiding rechtstreeks aan te sluiten op respectievelijk het openbaar hemelwaterstelsel of het openbaar ontwateringsstelsel. 2. De vergunning wordt slechts verleend indien: het realiseren van een hemelwaterberging op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is en er geen bovengrondse alternatieven voor het afvoeren van het hemelwater en grondwater van eigen terrein naar de openbare ruimte mogelijk zijn, of; het functioneren van het openbaar rioolsysteem dit vereist; 3. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Een voorschrift kan zijn het gescheiden aanbieden van de waterstromen op de erfgrens. Hoofdstuk9Procedureregels Afdeling9.1 Aanvraag Artikel9.1.1Indiening aanvraag, melding etc. 1.Indien krachtens artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht of bij of krachtens enige wettelijke bepaling een formulier is vastgesteld voor het doen van een aanvraag of melding of voor het indienen van enig document of het doen van enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening, is het gebruik van dat formulier verplicht. 2.Een aanvraag, melding of enig document of enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening kan in enkelvoud worden ingediend, tenzij bij of krachtens enige wettelijke bepaling anders is bepaald. 3.Een aanvraag, melding of enig document of enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening kan langs elektronische weg worden ingediend, indien de elektronische weg daarvoor is opengesteld. Afdeling 9.2 Besluit Artikel9.2.1Beslistermijn 1.Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing, instemmingsbesluit of andere toestemming binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan de termijn met ten hoogste acht weken verlengen. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vergunning of ontheffing die ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als een omgevingsvergunning wordt aangemerkt. 4.Op de vergunning of ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel9.2.2Weigeringsgronden 1.De vergunning of ontheffing kan worden geweigerd in het belang van: de volksgezondheid; de bescherming van het milieu; het woon- en leefklimaat; het uiterlijk aanzien van de gemeente; het doelmatig beheer, gebruik of onderhoud van openbare plaatsen; 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel9.2.3Voorschriften, voorwaarden en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel9.2.4Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op vergunningen of ontheffingen waar artikel 2.25, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op van toepassing is. Artikel9.2.5Geldingsduur 1.De vergunning of ontheffing wordt verleend voor onbepaalde tijd. 2.In afwijking van het eerste lid kan of moet de vergunning voor bepaalde tijd worden verleend, als de aard van de vergunning of ontheffing zich tegen verlening voor onbepaalde tijd verzet. 3.Het tweede lid is in ieder geval van toepassing op de vergunning of ontheffing, als de Dienstenwet zich tegen verlening voor onbepaalde tijd verzet. Afdeling9.3 Intrekking of wijziging Artikel9.3.1Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt. Hoofdstuk10Straf-, overgangs- en slotregels Afdeling10.1 Strafregels, toezicht en handhaving Artikel10.1.1Strafregels 1.Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, met uitzondering van Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 7, en de op grond van Artikel 9.2.3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet op de ecomische delicten voorziet in strafbaarstelling. 3.Overtreding van Artikel 7.2.1, eerste en tweede lid, Artikel 7.2.4, derde lid en Artikel 7.3.2, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel10.1.2Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: de toezichthouders van het team Toezicht en Handhaving van de gemeente Deventer. 2.Het college kan daarnaast andere personen belasten met dit toezicht. 3.Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften opgenomen in: Hoofdstuk 2 ten aanzien van individuele standplaatsen, Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 8. 4.Onverminderd het eerste, tweede en derde lid is de marktmeester van de gemeente Deventer eveneens belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk 2. Artikel10.1.3Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Afdeling10.2 Overgangs- en slotregels Artikel10.2.1Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordeningen 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2.Op de dag bedoeld in het eerste lid worden ingetrokken: De Verordening Bodembescherming Deventer 2006, vastgesteld op 27 oktober 2010; De Bouwverordening Deventer 1992 - 2013, wijziging 14.1, vastgesteld op 16 oktober 2013; De Erfgoedverordening 2010 Gemeente Deventer, vastgesteld op 15 september 2010; De Marktverordening gemeente Deventer 2014, vastgesteld op 10 september 2014; De Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2015, vastgesteld op 12 november 2014. Artikel10.2.2Overgangsrecht 1.Besluiten, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in Artikel 10.2.1, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten, genomen krachtens artikelen 2:11, 2:12, 2:21, 4:1 tot en met 4:6, 4:9, 4:10 tot en met 4:12, 4:15, 4:16, 5:17 tot en met 5:20 en 5:32 van de Algemene plaatselijke verordening Deventer, vastgesteld op 16 december 2009 en laatst gewijzigd bij besluit van 27 oktober 2017. 3.Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing op: de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend, de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, indien voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is. 4.In gevallen als bedoeld in het derde lid wordt: een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening; een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening, op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden. 5.Beperkingen waaronder een beschikking als bedoeld in het eerste of vierde lid is verleend, worden gelijkgesteld met aan voorschriften als bedoeld in Artikel 9.2.3. 6.Hoofdstuk 9 en bijlage 9 van de Bouwverordening bedoeld in Artikel 10.2.1, tweede lid, onder b, blijven van toepassing tot de vaststelling van een nieuwe verordening inzake de welstandscommissie. Artikel10.2.3Overgangsrecht ondergrondse infrastructuur 1.Voor kabels en leidingen die op de datum van inwerkingtreding van Hoofdstuk 7 rechtmatig aanwezig en in gebruik zijn geldt de door de gemeente verleende toestemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning respectievelijk instemmingsbesluit krachtens Hoofdstuk 7. 2.Voor zover er sprake is van privaatrechtelijke overeenkomsten tussen de gemeente en netbeheerders en tot het moment waarop deze zijn beëindigd, zijn de bepalingen in Hoofdstuk 7, voor zover strijdig met de bepalingen in deze overeenkomsten, niet van toepassing. 3.Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een instemmingsbesluit is aangevraagd op grond van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente 2015, waarop nog niet is beslist, wordt deze aanvraag beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente 2015. Artikel 10.2.3a Overgangsrecht hemelwatervoorziening Artikelen 8.2.2 tot en met 8.2.6 zijn niet van toepassing op: bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van de Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer reeds bestonden; bouwwerken waarvoor vóór inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd en; ruimtelijke activiteiten waarvoor vóór inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer een (ontwerp) bestemmingsplan is vastgesteld waarin bepalingen over hemelwatervoorzieningen zijn opgenomen; ruimtelijke activiteiten waarvoor uiterlijk zes weken na inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer door het college een ontwikkelovereenkomst, samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst is afgesloten. Artikel10.2.4Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Bijlage1Begrippen Artikel 1.1 Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: bevoegd gezag: het bevoegd gezag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; college: het college van burgemeester en wethouders; openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan. Artikel 1.2 Voor de toepassing van dit artikel, Hoofdstuk 2 en de daarop rustende bepalingen en Artikel 10.1.2 wordt verstaan onder: markt: de door het college ingestelde week- en jaarmarkten, niet zijnde door derden georganiseerde themamarkten; standplaats: een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats, een markt daaronder begrepen, vanaf waar goederen worden aangeboden, verkocht of afgeleverd of anderszins goederen en diensten worden aangeboden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel, met uitzondering van vaste standplaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer; standwerker: een persoon die publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel; marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college; vervanger: een natuurlijk persoon die tijdelijk in de rechten van een vergunninghouder treedt; ideële standplaats: een standplaats voor maatschappelijk, sociaal-culturele, charitatieve activiteiten of activiteiten op het gebied van volksgezondheid, met een niet-commercieel karakter; foodtruckstandplaats: een standplaats waarop met een verkoopwagen, zijnde een voertuig of aanhangwagen, als bedoeld in het RVV 1990, bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was een innovatief aanbod van etenswaren of (alcoholvrije) dranken te koop wordt aangeboden. Artikel 1.3 Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 3 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Wbb: de Wet bodembescherming zoals die geldt per 01-01-2006; Recent: niet ouder dan vijf jaren. Overige in Afdeling 3.2 gebruikte begrippen hebben de betekenis, die zij in de Wbb hebben. Artikel 1.4 Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 4 en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: gemeentelijk monument: een overeenkomstig de als beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde; terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde; gemeentelijk archeologisch monument: een overeenkomstig de als beschermd gemeentelijk archeologisch monument aangewezen terrein dat van algemeen belang is wegens de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; gemeentelijk erfgoedregister: register als bedoeld in artikel 3.16 van de Erfgoedwet, bestaande uit een gemeentelijke monumentenlijst en een lijst van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten; gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de Verordening fysieke leefomgeving als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen; stads- en dorpsgezicht: groep van onroerende zaken die van algemeen belang is wegens haar schoonheid, de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel haar wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde; beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht: stads- en dorpsgezicht dat door het college van burgemeester en wethouders als zodanig ingevolge de Verordening fysieke leefomgeving is aangewezen; lijst van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de Verordening fysieke leefomgeving als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aangewezen gebieden; Planadviesraad: De Planadviesraad welstand, monumenten en beschermd Stadsgezicht, als vastgelegd in de Verordening planadviesraad welstand, monumenten en beschermd stadsgezicht, zijnde de commissie bedoeld in artikel 15 van de Monumentenwet 1988, met als taak het college van burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren omtrent aanvragen voor vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b en c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Artikelen 4.1.1, 4.1.2 en 4.3.1 van de Verordening fysieke leefomgeving en artikel 3.1 van de Erfgoedwet; archeologisch beleidsgebied: gebied, op de archeologische beleidskaart voorzien van een waarde tussen 0 en 8; archeologische beleidskaart: door de gemeenteraad vastgestelde kaart van de gemeente met een aanduiding van archeologische beleidswaarden; plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden; programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek; archeologische uitvoerder: degene die archeologisch onderzoek doet, bureau-onderzoek en booronderzoek daaronder begrepen. Artikel 1.5 Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 5 en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: houtopstand: één of meer bomen of struiken; vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom ten gevolge kunnen hebben; een nalaten, zowel boven- als ondergronds, dat de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom ten gevolge kan hebben, door de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevindt of degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is; dunning: velling ter bevordering van de ontwikkeling van de verblijvende houtopstand, uitgevoerd conform bosbouwkundige inzichten; boomwaarde: de monetaire waarde van een houtopstand zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstanden, op basis van landelijke richtlijnen van het Norminstituut Bomen; Boomveiligheidscontrole: een beoordeling van de veiligheid van een houtopstand, op basis van visueel waargenomen afwijkingen en boomgebreken en de daaruit voortvloeiende noodzakelijke veiligheidsmaatregelen en urgentie in relatie tot de directe omgeving, op basis van landelijke richtlijnen van het Norminstituut Bomen; rechthebbende: de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich een houtopstand bevindt of bevond dan wel degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is. Artikel 1.6 Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 6 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; bijzondere inrichting: een inrichting type B, als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijnde eveneens een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 2:27 van de APV Deventer, waar uitsluitend of in hoofdzaak culturele activiteiten worden georganiseerd in de vorm van muziek-, dans-, theater- of toneelvoorstellingen; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; direct omwonenden: de bewoners van woningen binnen een straal van 10 meter rond de inrichting. Indien binnen deze straal geen woningen aanwezig zijn geldt de eerstelijns bebouwing; incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(
  2. n)gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 1.7 Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 7 en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: aanbieder: de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in de Telecommunicatiewet; aanvraag: de aanvraag van een instemmingsbesluit of vergunning; instemmingsbesluit: besluit van het college als bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet; kabels en leidingen: één of meer kabels of leidingen, daaronder in ieder geval begrepen telecomkabels alsmede lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie; melding: een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard, waarvoor geen instemmingsbesluit of vergunning noodzakelijk is. netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelende in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon een net beheert. Onder netbeheerder wordt tevens verstaan een aanbieder; openbaar elektronisch communicatienetwerk: netwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet; openbare gronden: openbare gronden zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet; spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden waarvan uitstel niet mogelijk is ten gevolge van een calamiteit of ten gevolge van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening; telecomkabel: een kabel als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet; vergunning: een vergunning voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden, niet zijnde telecomkabels. Artikel 1.8: Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 8 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: hemelwater: verzamelnaam voor water dat uit de hemel valt, zoals regen, sneeuw en hagel; regenwater: vloeibare vorm van water dat uit de hemel valt; grondwater: al het water dat zich in de ondergrond, in bodems en gesteenten bevindt; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; infiltratie: het indringen van water in de onverzadigde zone van de bodem; transformatie: functiewijziging van een bestaand pand, waarbij een planologische wijziging noodzakelijk is; verbouw: het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bestaand bouwwerk; vervangende nieuwbouw: nieuwbouw op een perceel waarbij het bestaande pand gesloopt wordt; nieuwbouw: het realiseren van een nieuw bouwwerk; openbaar riool: Het openbaar riool is het gedeelte van het rioolstelsel dat in eigendom en in beheer is bij de gemeente of bij een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast en omvat tevens de perceelaansluitleiding vanaf het hoofdriool tot aan de erfgrens en de ontstoppingsvoorziening. Verder bestaat het uit diverse onderdelen als rioolgemalen, persleidingen en werken en installaties. Het openbaar riool bestaat uit het openbaar gemengd stelsel, openbaar hemelwaterstelsel, openbaar vuilwaterriool en als specificatie hiervan het drukriool en het openbaar ontwateringsstelsel samen. openbaar gemengd stelsel: het gedeelte van het openbaar riool dat bestemd is voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater; openbaar vuilwaterriool: het gedeelte van het openbaar riool dat bestemd is voor de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater met uitzondering van grond- en hemelwater, in beheer bij een gemeente of bij een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast; drukriool: het gedeelte van het openbaar riool van het type mechanische riool: bestemd voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater, exclusief hemelwater en grondwater, waarbij het transport plaatsvindt met overdruk, in deze verordening wordt hieronder ook inbegrepen de vacuümriolering welke functioneert met onderdruk; openbaar hemelwaterstelsel: het gedeelte van de openbare riolering en/of een voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar gemengd riool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast; openbaar ontwateringsstelsel: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van grondwater, niet zijnde een openbaar gemengd riool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast; overloopvoorziening: voorziening voor het uitlaten van een overschot aan regenwater na berging en infiltratie op particulier terrein. Hemelwaterberging: een voorziening op particulier terrein waar hemelwater in kan worden opgeslagen en hergebruikt of geïnfiltreerd in de bodem, zowel ondergrondse als bovengrondse voorzieningen. Toelichting Hoofdstuk 1Algemene toelichting 1.1Inleiding In 2021 treedt de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet biedt vooral kansen om nog beter, efficiënter en sneller op alle nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving te kunnen inspelen. Om de opgaven nu al beter te kunnen uitvoeren en om de implementatie van de Omgevingswet goed te laten verlopen anticipeert Deventer op de instrumenten van deze wet. Dit doen we met de Verordening fysieke leefomgeving en het bestemmingsplan "Deventer, Stad en Dorpen" (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte, op grond van de Crisis- en herstelwet). De afgelopen jaren zijn de bestemmingsplannen geactualiseerd en daarmee zo veel mogelijk gestandaardiseerd. Deze standaardisatie is bij veel van de verordeningen voor de fysieke leefomgeving nog niet doorgevoerd. De verordeningen laten nog veel verschillen in opbouw en formulering zien. Ook op landelijk niveau wordt nog nagedacht hoe de regels van verordeningen zouden kunnen worden opgenomen in het Omgevingsplan. Hierdoor werken wij toe naar één verordening voor de fysieke leefomgeving en worden deze regels nog niet geïntegreerd met het bestemmingsplan. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in 2021, komt er één Omgevingsplan voor het hele grondgebied van de gemeente Deventer. Het Omgevingsplan vervangt alle bestaande bestemmingsplannen. Na een transitieperiode zullen ook de meeste regels over de fysieke leefomgeving, die nu in verschillende verordeningen zijn opgenomen, in het Omgevingsplan opgenomen moeten worden. Met de Verordening fysieke leefomgeving en het bestemmingsplan "Deventer, Stad en Dorpen" loopt de gemeente Deventer vooruit op die ontwikkeling. Het bestemmingsplan is een experiment onder de Crisis- en herstelwet. In het besluit Crisis- en herstelwet is dit eind 2014 voor Deventer en zes andere gemeenten mogelijk gemaakt. De Verordening fysieke leefomgeving en het bestemmingsplan "Deventer, Stad en Dorpen" zijn parallel aan elkaar opgesteld. Hierdoor konden deze documenten optimaal op elkaar afgestemd worden. De Verordening fysieke leefomgeving ligt nu voor u. In dit eerste hoofdstuk van deze toelichting wordt verder ingegaan op de uitgangspunten bij het opstellen van de Verordening fysieke leefomgeving en de gehanteerde werkwijze. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de afzonderlijke hoofdstukken van de Verordening fysieke leefomgeving. Waar regels als gevolg van de integratie in de Verordening fysieke leefomgeving veranderen, wordt dat in het tweede hoofdstuk toegelicht. In de bijlagen bij de toelichting is per hoofdstuk van de Verordening een artikelsgewijze toelichting opgenomen. In die bijlagen wordt, voor zover nodig, ook ingegaan op de begrippen in bijlage 1 bij de Verordening, die bij het betreffende hoofdstuk horen. Ook zijn enkele transponeringstabellen als bijlagen opgenomen. Hiermee kan aan de hand van de artikelnummers in de geïntegreerde verordeningen de nieuwe vindplaats van regels gevonden worden. Ten slotte wordt in het derde hoofdstuk een doorkijkje gemaakt naar het moment waarop de Omgevingswet in werking treedt, en wat dit voor gevolgen heeft voor de regels uit de Verordening fysieke leefomgeving. 1.2Integratie van verordeningen De Verordening fysieke leefomgeving is een integratie van een aantal verordeningen en afzonderlijke regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit is immers ook het criterium dat de Omgevingswet hanteert voor het opnemen van verordenende bepalingen in het omgevingsplan. Verordeningen en regels die een ander motief hadden, zoals openbare orde en veiligheid, kwamen daarom niet voor integratie in aanmerking. Omdat de Omgevingswet aan de burgemeester als bestuursorgaan geen bevoegdheden toekent, zijn ook regels die de burgemeester bevoegdheden geeft (bijvoorbeeld omtrent evenementen) niet in de Verordening fysieke leefomgeving opgenomen. Dit zijn vaak ook regels met het motief openbare orde en veiligheid, en deze regels kwamen daardoor al niet voor integratie in aanmerking. In de Verordening fysieke leefomgeving zijn de volgende verordeningen of onderdelen daarvan opgenomen: De Algemene Plaatselijke Verordening, onder andere de onderdelen houtopstanden, standplaatsen en geluidhinder; De Algemene verordening ondergrondse infrastructuur; De Bouwverordening; De Erfgoedverordening; De Marktverordening; De Verordening bodembescherming. In afwijking van de Nota van uitgangspunten is ervan afgezien om de volgende verordeningen te integreren: Afvalstoffenverordening. Dit is een verordening met een zeer specifiek onderwerp, die zowel regels over de fysieke leefomgeving bevat, als andere regels (financiële regels en regels omtrent het aanwijzen van de vuilophaaldienst). Het is bij nader inzien niet wenselijk geacht om deze regels uit elkaar te halen. Huisvestingsverordening. Deze verordening is gebaseerd op de Huisvestingswet. De Huisvestingswet gaat niet op in de Omgevingswet, en het is onder de Omgevingswet dan ook niet toegestaan om de betreffende regels op te nemen in het omgevingsplan. Dit betekent dat regels over huisvesting ook geen plaats hebben in de Verordening fysieke leefomgeving, die immers vooruit loopt op het omgevingsplan. Kermisverordening. Deze verordening heeft een hybride karakter. Er zijn zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke aspecten van kermissen in opgenomen. Overigens betreft dit alleen twee door de gemeente georganiseerde kermissen: de Paaskermis en de Zomerkermis. Andere kermissen, zoals de Bathmense Kermis, vielen er niet onder. De Kermisverordening mist daarmee een algemeen, duidelijk publiekrechtelijk karakter. Het is daarom niet wenselijk geacht deze op te nemen in de Verordening fysieke leefomgeving. Algemeen aanwijzingsbesluit APV. Dit is strikt genomen geen verordening, maar een bundeling van nadere regels en aanwijzingen van gebieden op grond van diverse bepalingen uit de APV. Dit betreft voornamelijk aanwijzingen en nadere regels op het gebied van openbare orde en veiligheid. Deze aspecten horen niet in de Verordening fysieke leefomgeving thuis. Doel van de integratie is geweest om te komen tot een eenduidige opzet, een goede onderlinge samenhang en een goede samenhang met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Uitgangspunt daarbij was om verordeningen beleidsneutraal te integreren, behalve op het punt van: Begripsbepalingen en procedureregels. Deze regels van de opgenomen verordeningen zijn zo veel mogelijk op elkaar afgestemd en vereenvoudigd. Dit heeft hier en daar tot gevolg gehad dat procedurebepalingen niet beleidsneutraal zijn overgenomen; Quick wins: het doorvoeren van wijzigingen die de leesbaarheid en toepasbaarheid van de verordeningen ten goede komen. Dit omvat het schrappen van overbodige regels, het herschrijven van slecht leesbare regels en het logisch ordenen van regels. Her en der zijn (ondergeschikte) inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Deze worden verder op in deze toelichting besproken. Verder is steeds gekeken of regels nog wel in de Verordening fysieke leefomgeving moesten worden opgenomen, of nu al doorgeschoven konden worden naar het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Dit is gebeurd voor regels die alleen maar betrekking hadden op eisen aan locaties. Aangezien het bestemmingsplan alleen het bebouwde gebied bestrijkt, was dit niet mogelijk voor regels die ook nog voor het buitengebied moesten blijven gelden. De meeste verordeningen en afzonderlijke regels zijn nog goed te herkennen in de Verordening fysieke leefomgeving. Een belangrijke uitzondering daarop is de Bouwverordening. Als gevolg van wetswijzigingen de afgelopen jaren bevatte de Bouwverordening alleen nog regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond en regels over de welstandscommissie. De welstandscommissie wordt echter al geregeld door de Verordening planadviesraad welstand, monumenten en beschermd stadsgezicht 2015. Bovendien paste een regeling van een commissie niet in een verordening die beoogt regels te stellen over de fysieke leefomgeving. Daardoor bleven van de Bouwverordening alleen de regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond over. Deze leenden zich bij uitstek voor samenvoeging met de Verordening bodembescherming in een hoofdstuk met regels over de bodem. Om deze reden bevat de Verordening fysieke leefomgeving geen hoofdstuk getiteld 'Bouwen'. Om zeker te stellen dat aan wettelijke vereisten wordt voldaan, is in Hoofdstuk 3 Bodem een regel opgenomen die bepaalt dat Afdeling 3.1 moet worden aangemerkt als bouwverordening. 1.3Opzet De Verordening fysieke leefomgeving is ingedeeld in tien hoofdstukken, met daarbij één bijlage. Elk hoofdstuk is onderverdeeld in een of meer afdelingen. Elke afdeling bevat een of meer artikelen. Het eerste hoofdstuk bevat inleidende bepalingen. Dit betreft vooralsnog alleen een regeling van de begripsbepalingen, in samenhang met bijlage 1 bij de verordening. De daarop volgende hoofdstukken bevatten regelingen voor diverse onderwerpen. Dit varieert van specifieke onderwerpen, zoals erfgoed, tot meer algemene regelingen, bijvoorbeeld voor 'omgevingshinder' in brede zin. De laatste twee hoofdstukken zijn algemeen en gelden in samenhang met elk afzonderlijke hoofdstuk. Deze hoofdstukken bevatten procedureregels en straf-, overgangs- en slotregels. Uitgangspunt bij het opstellen van de verordening was om de regels die de te integreren verordeningen gemeen hebben (bijvoorbeeld regels over beslistermijnen en toezicht), te bundelen in één van de algemene hoofdstukken. In hoofdstukken 9 en 10 is daarom zo veel mogelijk de algemene lijn uit de verschillende verordeningen gedestilleerd. Toch was het niet mogelijk om alle procedurele bepalingen bij elkaar te zetten. Sommige verordeningen bevatten regelingen die zo specifiek waren (bijvoorbeeld het kunnen intrekken van een standplaatsvergunning bij het niet opvolgen van aanwijzingen van de marktmeester) dat ze zich niet leenden voor opname in de algemene regel. In die gevallen is de specifieke procedurele regel gehandhaafd in het inhoudelijke hoofdstuk, onder verwijzing naar de betreffende algemene procedureregel. Hoofdstuk 2Toelichting per hoofdstuk 2.1Inleidende regels (hoofdstuk 1) De meeste verordeningen en ook bestemmingsplannen beginnen met een opsomming van begripsbepalingen. In de Verordening fysieke leefomgeving is er echter voor gekozen om in het eerste artikel te verwijzen naar een bijlage, waarin de begrippen zijn opgenomen. Hiermee wordt aangesloten bij de structuur van de Omgevingswet, waarin begrippen ook in een bijlage zijn ondergebracht. De gebruikte begrippen zijn over het algemeen niet gewijzigd ten opzichte van eerdere verordeningen. Waar dat wel het geval is, wordt dit in dit hoofdstuk verder toegelicht. Het aantal dubbele of overlappende begripsbepalingen was beperkt. Er waren geen begripsbepalingen die gemist konden worden. Zo waren er de begripsbepalingen 'openbare plaats' en 'openbare ruimte'. Deze begripsbepalingen waren inhoudelijk niet hetzelfde en samenvoeging had dan ook gevolgen gehad voor de reikwijdte van de bepalingen waar deze begrippen in voorkomen. In gevallen als deze is er dan ook van afgezien om de begripsbepalingen samen te voegen. 2.2Ambulante handel (hoofdstuk 2) In Hoofdstuk 2 zijn de Marktverordening en regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening over standplaatsen samengevoegd onder de titel 'Ambulante handel'. Dit hoofdstuk is een goed voorbeeld van vergaande integratie tussen verordeningen: de betrokken verordeningen zijn als het ware in elkaar geschoven tot één regeling, binnen het algemene systeem van de Verordening fysieke leefomgeving. Het hoofdstuk begint met een afdeling (2.1) met algemene regels ten aanzien van vergunningen voor standplaatsen, waaronder het verbod om zonder vergunning van burgemeester en wethouders een standplaats in te nemen, of dat nu op een markt is of elders. Standplaatsvergunningen kunnen worden verleend voor de vier soorten standplaatsen die voorkomen op markten (vaste standplaats, seizoensstandplaats, dagstandplaats en standwerkerstandplaats) en de standplaatsen ergens anders dan op markten. Deze laatste standplaats is in deze verordening omgedoopt tot 'individuele standplaats'. Hiermee wordt het onderscheid uitgedrukt met marktstandplaatsen, waar er altijd meer van zijn. Het toepassingsbereik van de regels voor standplaatsen op markten blijft ongewijzigd ten opzichte van de Marktverordening (namelijk alle door het college van burgemeester en wethouders ingestelde week- en jaarmarkten die op gezette tijden worden gehouden, met uitzondering van themamarkten, georganiseerd door derden), maar dit is in de Verordening fysieke leefomgeving verwerkt in de begripsbepaling van 'markt'. Afdeling 2.1 bevat verder enkele algemene vereisten aan vergunningaanvragen (bijvoorbeeld hoe en wanneer een aanvraag ingediend kan worden) en algemene toetsingscriteria. De algemene toetsingscriteria zijn iets verruimd ten opzichte van de Marktverordening. Het is nu ook mogelijk om standplaatsvergunningen op markten te verlenen aan rechtspersonen. Verder is het inrichtingsplan (zie Afdeling 2.2) toegevoegd als toetsingscriterium. Dit was in de Marktverordening niet het geval, waardoor strikt genomen niet aan het inrichtingsplan getoetst kon worden. Inhoudelijk is aan de regels voor het inrichtingsplan niet gewijzigd. Voor verschillende soorten standplaatsen gelden verschillende regels. Deze regels zijn opgenomen in afdelingen 2.3, 2.4 en 2.5. Afdeling 2.3 regelt de vaste standplaatsvergunning en seizoensplaatsvergunning (beide zijn vergunningen voor standplaatsen op een markt). Vanwege de sterke gelijkenis tussen deze soorten vergunningen zijn deze in één afdeling samengevoegd. In hoofdlijn is hier de regeling uit de Marktverordening overgenomen, aangepast aan het systeem van de Verordening fysieke leefomgeving. Hetzelfde geldt voor Afdeling 2.4. Deze afdeling regelt de dagplaatsvergunning en de standwerkvergunning. Ook hier geldt een gezamenlijke regeling wegens de sterke onderlinge gelijkenis. Afdeling 2.5 regelt de individuele standplaatsvergunning. Een belangrijke wijziging ten opzichte van de eerdere regeling in de Algemene Plaatselijke Verordening is dat locatieaspecten geen weigeringsgrond (meer) zijn. De locatieaspecten worden geregeld in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte "Deventer, Stad en Dorpen". Strijd met het bestemmingsplan is daarom nog wel een toetsingscriterium. De laatste afdeling van het hoofdstuk, Afdeling 2.6, bevat ten slotte een aantal algemene bepalingen waar bij het innemen van standplaatsen aan voldaan moet worden. Deze regels gelden in aanvulling op eventuele voorwaarden bij een standplaatsvergunning. Eén algemene regel is bijvoorbeeld dat de standplaats na gebruik gereinigd moet worden. Voor marktstandplaatsen was dit een vereiste vanuit de Marktverordening, voor individuele standplaatsen werd dit standaard als voorschrift bij de vergunning opgenomen. Dit laatste kan nu ook achterwege blijven. 2.3Bodem (hoofdstuk 3) In Hoofdstuk 3 zijn de Verordening bodembescherming en de regels uit de Bouwverordening over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond, samengevoegd onder de titel 'Bodem'. Afdeling 3.1 bevat de regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond, afkomstig uit de Bouwverordening. Deze regels zijn ongewijzigd overgenomen, met uitzondering van een verduidelijking van de term 'recent bodemonderzoek'. In de begripsbepalingen in Bijlage 1 is opgenomen dat met 'recent' wordt bedoeld 'niet ouder dan vijf jaar'. Deze wijziging is aangebracht omdat er in de praktijk regelmatig discussie is over de vraag of een bodemonderzoek nog voldoende recent is. Aanvullend geldt nog de eis dat een bodemonderzoek actueel is. Het moet derhalve een goed beeld van de bodemgesteldheid geven, zelfs als het bodemonderzoek voldoende recent is. In Afdeling 3.2 zijn de regels uit de Verordening bodembescherming opgenomen. Deze regeling heeft een sterk technisch karakter. In grote lijnen zijn de regels uit de verordening ongewijzigd overgenomen, maar op punten heeft een verbeterslag plaatsgevonden. Zo zijn enkele vereisten aan saneringsplannen en dergelijke geschrapt die in de praktijk niet meer toegepast werden. Verder zijn overbodige regels en regels die in strijd leken met de Algemene wet besuursrecht geschrapt. 2.4Erfgoed (hoofdstuk 4) De Erfgoedverordening 2010 gemeente Deventer is in zijn geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. Hierbij zijn de bepalingen herschikt en logisch geördend. De eerste afdeling (4.1) geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om gemeentelijke monumenten, gemeentelijke archeologische monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten aan te wijzen. De bevoegdheid omvat ook het aanpassen en intrekken van deze aanwijzingen. In de formulering van deze bevoegdheden is de zinsnede "al dan niet op aanvraag van een belanghebbende" geschrapt. Hier is geen inhoudelijk wijziging mee beoogd; de tekst is geschrapt omdat deze overbodig is. Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt al dat een belanghebbende (inclusief rechtspersonen die bepaalde algemene belangen behartigen) een verzoek kan indienen om een besluit te nemen. Het is niet nodig dit apart in een verordening te vermelden. In de tweede afdeling (4.2) zijn de procedures geregeld die van toepassing zijn op de aanwijzingsbevoegdheden uit Afdeling 4.1. De Erfgoedverordening bevatte hier nog veel termijnen voor advisering. Het is echter wenselijk om het regelen van termijnen in de verordening te beperken tot beslistermijnen en andere belangrijke termijnen. Termijnen voor advisering kunnen geregeld worden in werkafspraken en hoeven geen plaats te hebben in de Verordening fysieke leefomgeving. Bovendien zijn al veel van deze termijnen voor advisering opgenomen in de verordening die de betreffende adviescommissies regelt. Afdeling 4.3 bevat vervolgens de regels voor het omgaan met gemeentelijke (archeologische) monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Het verbod op het vernielen en beschadigen van gemeentelijke monumenten is uitgebreid met een verbod op het onthouden van het onderhoud dat voor de instandhouding van het monument nodig is. Dit is een absoluut verbod; het is niet mogelijk om hier een vergunning of ontheffing voor te verlenen. Voor wijzigen van gemeentelijke monumenten geldt wel een vergunningstelsel. De regels hiervan zijn aangepast aan de meest recente modelverordening van de VNG. Concreet betekent dit dat een uitzondering voor vergunningplicht is ingevoerd in gevallen waarin het gewoon onderhoud betreft of activiteiten die het monument niet wijzigen. Afdeling 4.4 regelt specifiek de instandhouding van gemeentelijke archeologische monumenten en archeologische terreinen. De regels over dit onderwerp zijn afgeslankt ten opzichte van de Erfgoedverordening, onder andere door het schrappen van zich niet meer voordoende uitzonderingen. Afdeling 4.5 bevat ten slotte enkele financiële bepalingen. Deze zijn ongewijzigd overgenomen uit de Erfgoedverordening, met dien verstande dat deze zijn aangepast voor zover artikelen zijn vervallen. 2.5Houtopstanden (hoofdstuk 5) 2.5.1Algemeen In Hoofdstuk 5 is afdeling 4.3, "Het bewaren van houtopstanden", uit de Algemene Plaatselijke Verordening geïntegreerd. Dit betreft onder andere de vergunningplicht voor het vellen van houtopstanden. Bij de integratie van dit onderwerp zijn de regels geactualiseerd naar aanleiding van de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden (deze wet vervangt onder meer de Boswet) en is het palet aan bevoegdheden ten aanzien van houtopstanden gecompleteerd. De begripsbepalingen ten aanzien van dit onderwerp zijn ondergebracht in bijlage 1 bij de verordening. Enkele belangrijke wijzigingen worden hier toegelicht. De definitie van 'houtopstand' is teruggebracht tot "een of meer bomen of struiken". De minimale stamomtrek van 0,75 meter is uit de begripsbepaling geschrapt en opgenomen in het artikel dat de vergunningplicht regelt. Dit was nodig omdat er ook regels gelden voor houtopstanden die een kleinere stamomtrek hebben (bijvoorbeeld die naar aanleiding van een herplantplicht zijn geplant). Verder zijn er bepalingen van de begrippen "boomveiligheidscontrole" en "rechthebbende" opgenomen. 2.5.2Vellen van houtopstanden De vergunningplicht voor het vellen van houtopstanden is geregeld in Afdeling 5.1. Dit omvat allereerst de eigenlijke vergunningplicht en de uitzonderingen daarop (Artikel 5.1.1, eerste en tweede lid). In het eerste lid, onderdeel a, komt de stamomtrek van 0,75 m terug. Daarnaast geldt de vergunningplicht voor bomen die op grond van een herplant- of instandhoudingsplicht zijn aangeplant (onderde

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.