Deze regeling beschrijft de procedures en voorwaarden voor het aanvragen en ontvangen van subsidies voor activiteiten die vallen onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Ziekenfondswet. Het College zorgverzekeringen is verantwoordelijk voor het verstrekken van deze subsidies.
.2.1.3 Vervallen Artikel 2.2.1.4 Vervallen Artikel 2.2.1.5 Vervallen Artikel 2.2.1.6 Vervallen Artikel 2.2.1.7 Vervallen Artikel 2.2.1.8 Vervallen Paragraaf 2.2.2 Artikel 2.2.2.1 Vervallen Artikel 2.2.2.
.2.2.3 Vervallen Artikel 2.2.2.4 Vervallen Artikel 2.2.2.5 Vervallen Artikel 2.2.2.6 Vervallen Artikel 2.2.2.7 Vervallen Artikel 2.2.2.8 Vervallen Artikel 2.2.2.9 Vervallen Artikel 2.2.2.10 Vervallen Paragraaf 2.2.3 kosten blindengeleidehonden Artikel 2.2.3.1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: school: een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in verband met de uitvoering van deze paragraaf aangewezen opleidingsinstituut voor blindengeleidehonden; bruikleenovereenkomst: de overeenkomst tussen een verzekerde en een school overeenkomstig een door het College zorgverzekeringen vast te stellen model; opleidingskosten: de kosten van de school voor de opleiding, nazorg en eventuele hertraining van de blindengeleidehond, instructie aan de verzekerde, en het aan de verzekerde in bruikleen geven van de blindengeleidehond inclusief een tuig, riem, halsband, kam, borstel, voederbak, drinkbak en een mand of stretcher; gebruikskosten: de kosten van de verzekerde voor het levensonderhoud, voor de verzorging en voor de ziektekostenverzekeringspremie van de blindengeleidehond. Artikel 2.2.3.2 1 Aan een school wordt op aanvraag per opgeleide hond een subsidie verstrekt voor opleidingskosten. 2 Aan een verzekerde wordt op aanvraag subsidie verstrekt voor een tegemoetkoming in de gebruikskosten. Artikel 2.2.3.3 1 Het subsidieplafond voor de kosten, bedoeld in artikel 2.2.3.2, bedraagt voor het jaar 2005 € 3 414
.2.4.3 Vervallen Artikel 2.2.4.4 Vervallen Artikel 2.2.4.5 Vervallen Artikel 2.2.4.6 Vervallen Paragraaf 2.2.5 Methadon voor ambulante verslaafdenzorg Artikel 2.2.5.1 1 De volgende zorgkantoren komen in aanmerking voor een projectsubsidie die is bestemd voor de kosten verbonden aan de aflevering van het geneesmiddel methadon aan verzekerden in het kader van de ambulante verslavingszorg in het voor hen aangegeven werkgebied: OWM RZG Zorgkantoor u.a. te Groningen voor het werkgebied: Groningen; OWM De Friesland Zorgverzekeraar U.A. te Leeuwarden voor het werkgebied: Friesland; Groene Land Verzekeringen te Meppel voor het werkgebied: Drenthe; Groene Land Verzekeringen te Zwolle voor het werkgebied: Zwolle en Flevoland; Amicon zorgverzekeraar te Enschede voor het werkgebied: Twente en Arnhem; OWM Salland zorgverzekeringen U.A. te Deventer voor het werkgebied: Stedendriehoek; Stichting Ziekenfonds VGZ te Nijmegen voor het werkgebied: Nijmegen; ANOVA Verzekeringen te Amersfoort voor het werkgebied: Utrecht; OVM Univé Zorgverzekeraar u.a. te Alkmaar voor het werkgebied: Alkmaar; OWM ZAO zorgverzekeringen te Amsterdam voor het werkgebied: Amsterdam; ANOZ Verzekeringen te Amersfoort voor het werkgebied: Het Gooi; OWM Ziekenfonds PWZ u.a. Purmerend voor het werkgebied: Kennemerland; OWM Zorgverzekeraar TRIAS U.A. te Gouda voor het werkgebied: Dordrecht enMidden-Holland; OWM Nuts Zorgverzekering U.A. te Den Haag voor het werkgebied: Leiden, Den Haag en Delft; OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A. te Rotterdam voor het werkgebied: Rotterdam; CZ Groep, Ziekenfonds te Goes voor het werkgebied: Zeeland; OWM OZ zorgverzekeringen U.A. te Breda voor het werkgebied: Breda en Tilburg; Stichting Ziekenfonds VGZ te Den Bosch voor het werkgebied: Den Bosch en Eindhoven; Stichting Ziekenfonds VGZ te Venlo voor het werkgebied: Noord-Limburg; CZ Groep, Ziekenfonds te Sittard voor het werkgebied: Zuid-Limburg; 2 Artikel 1.1.3, eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing. Artikel 2.2.5.2 Bij het verlenen van subsidie aan het zorgkantoor wordt slechts de aflevering aan verzekerden van methadon in aanmerking genomen die voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de aflevering heeft plaats in het kader van regionaal georganiseerde ambulante verslavingszorg die een voortzetting is van de verslavingszorg die tot en met 1996 werd gefinancierd ingevolge de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing; b. de aflevering is verricht door een rechtspersoon die de regionaal georganiseerde ambulante verslavingszorg uitvoert op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen het zorgkantoor en die rechtspersoon; en c. de aflevering heeft plaats op voorschrift van een arts verbonden aan de rechtspersoon die de verslavingszorg verleent. Artikel 2.2.5.3 De in artikel 2.2.5.2, onder b, bedoelde overeenkomst voldoet aan de volgende voorwaarden: de overeenkomst is gesloten na overleg met de gemeente die als centrumgemeente ingevolge de Tijdelijke Wet Stimulering Sociale Vernieuwing voor de regio is aangewezen; in de overeenkomst is in ieder geval geregeld: de wijze waarop de voor betaling in aanmerking komende afleveringen plaatsvinden, de bij de onderscheiden wijzen van aflevering behorende tarieven, het opzetten en onderhouden van een registratiesysteem waarmee het zorgkantoor de nodige gegevens beschikbaar krijgt voor controle op de in artikel 2.2.5.2 bedoelde voorwaarden, de wijze en het tijdstip waarop de rechtspersoon declareert bij het zorgkantoor en de wijze waarop het zorgkantoor de declaraties controleert, en de informatieplicht van de in aanmerking komende rechtspersoon jegens het zorgkantoor ten behoeve van een goede uitvoering van de overeenkomst tussen het zorgkantoor en die rechtspersoon. Artikel 2.2.5.4 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 2 600 963. Artikel 2.2.5.5 In afwijking van artikel 1.3.1 bestaat de subsidie uit het totaal van de lasten, berekend volgens artikel 2.2.5.6, en bedraagt de subsidie maximaal het bedrag, berekend overeenkomstig de volgende formule: A x het in artikel 2.2.5.4 vermelde bedrag, B waarbij wordt verstaan onder A: de volgens artikel 2.2.5.6 in aanmerking komende lasten van de subsidieontvanger; B: de volgens artikel 2.2.5.6 in aanmerking komende laten van alle subsidieontvangers tezamen. Artikel 2.2.5.6 1 Bij het verlenen van de subsidie worden slechts de volgende betalingen van het zorgkantoor in aanmerking genomen: a. de betaling is gedaan aan een rechtspersoon die de regionaal georganiseerde ambulante verslavingszorg verricht, op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.2.5.2, onder b; b. de betaling die bestemd is voor de kosten van de grondstof methadon, de kosten van het toedieningsmateriaal en de kosten voor de bereiding en etikettering, tot maximaal de volgende bedragen per dag per verzekerde: 1° bij bulkaflevering door een apotheek aan de rechtspersoon die de verslavingszorg verleent: € 0,61; 2° bij aflevering geëtiketteerd op naam van de cliënt door de apotheker aan de rechtspersoon die de verslavingszorg verleent: € 0,82; 3° bij individuele aflevering door de apotheker aan de cliënt: € 1,01. 2 Indien BTW verschuldigd is over een bij het zorgkantoor gedeclareerde aflevering, wordt het maximumbedrag voor die aflevering, bedoeld in het eerste lid, onder b, vermeerderd met die BTW. Artikel 2.2.5.7 1 De aanvraag van een subsidie gaat vergezeld van de in artikel 2.2.5.2, onder b, bedoelde overeenkomst. 2 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, gaat de aanvraag niet vergezeld van de begroting en projectplan. Paragraaf 2.2.6 Diagnostiek beroepsziekte organopsychosyndroom Artikel 2.2.6.1 Vervallen Artikel 2.2.6.
.2.6.3 Vervallen Artikel 2.2.6.4 Vervallen Paragraaf 2.2.7 Drempelvrije poliklinieken voor geslachtsziektebestrijding Artikel 2.2.7.1 Voor een projectsubsidie voor diagnostiek en behandeling in de polikliniek van patiënten met seksueel overdraagbare aandoeningen en de in het kader van die behandeling noodzakelijke geneesmiddelen komen in aanmerking de beherende rechtspersonen van: a. gemeentelijke geneeskundige en gezondheidsdienst te Amsterdam; b. Medisch Centrum Haaglanden, locatie Westeinde te Den Haag; c. Ziekenhuis Leyenburg te Den Haag; d. Havenziekenhuis te Rotterdam; e. het Academisch Ziekenhuis Rotterdam (Erasmus Medisch Centrum), polikliniek venereologie te Rotterdam; f. het Academisch Ziekenhuis Utrecht (Universitair Medisch Centrum Utrecht), afdeling dermatologie te Utrecht; g. GGD Den Haag; h. GGD Groningen; i. GGD Hart voor Brabant; j. GGD Nijmegen; k. GGD Rotterdam; l. GGD Utrecht; m. GGD Zuidelijk Zuid Limburg. Artikel 2.2.7.2 1 De gesubsidieerde activiteiten bestaan uit: a. diagnostiek van de volgende aandoeningen: 1°. urethritis veroorzaakt door Mycoplasma hominis, Ureaplasma urealyticum, niet specifieke urethritis; 2°. vaginitis en fluor veroorzaakt door Candidiasis; 3°. proctitis veroorzaakt door niet specifieke proctitis; 4°. balanopothitis veroorzaakt door Candida albicans, Candida glabrata, overige Candida species, Anaëroben, Aëroben, HPV; 5°. wratten en pukkels veroorzaakt door Condyloma acuminatum, Molluscen, Condylomata lata in het kader van syfilis; 6°. jeuk veroorzaakt door schurft; 7°. geelzucht veroorzaakt door Hepatitis A, Hepatitis B, Hepatitis C. b. diagnostiek en behandeling van de volgende aandoeningen: 1°. ulceratieve klachten veroorzaakt door primaire syfilis, herpes genitalis, chancroïd, lymfogranuloma venereum, granuloma inguinale; 2°. urethritis veroorzaakt door Chlamydia trachomatis, Neisseria gonorrhoeae; 3°. vaginitis en fluor veroorzaakt door Trichomonas vaginalis, bacteriële vaginose; 4°. proctitis veroorzaakt door Chlamydia trachomatis, Lymfogranuloma Venereum, Neisseria gonorrhoeae, Herpes proctitis; 5°. balanoposthitis veroorzaakt door Trichomonas vaginalis, Chlamydia trachomatis. 6°. jeuk veroorzaakt door schaamluis; 7°. buikpijn bij de vrouw veroorzaakt door Pelvic Inflammatory Disease (PID); 8°. pijnlijk scrotum veroorzaakt door Epididymitis. 2 Bij de aandoeningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de patiënt naar de huisarts verwezen nadat de diagnose door de polikliniek is gesteld, waarbij de polikliniek, indien noodzakelijk, met de behandeling kan starten. Artikel 2.2.7.3 Subsidie wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de patiënt heeft onoverkomelijke bezwaren om zich voor de behandeling van seksueel overdraagbare aandoeningen tot de eigen huisarts te wenden; b. er worden geen betalingen van patiënten gevraagd voor de gesubsidieerde activiteiten. Artikel 2.2.7.4 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 7 800
.2.8.3 Vervallen Artikel 2.2.8.4 Vervallen Artikel 2.2.8.5 Vervallen Artikel 2.2.8.6 Vervallen Paragraaf 2.2.9 Regionale hersenletselteams Artikel 2.2.9.1 Vervallen Artikel 2.2.9.
.2.9.3 Vervallen Artikel 2.2.9.4 Vervallen Artikel 2.2.9.5 Vervallen Artikel 2.2.9.6 Vervallen Paragraaf 2.2.10 Integrale vroeghulp Artikel 2.2.10.1 Vervallen Artikel 2.2.10.
.2.10.3 Vervallen Artikel 2.2.10.4 Vervallen Artikel 2.2.10.5 Vervallen Artikel 2.2.10.6 Vervallen Paragraaf 2.2.11 Agalsidase Artikel 2.2.11.1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: agalsidase: de geregistreerde geneesmiddelen Fabrazyme en Replagal; protocol: een door het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam ontwikkelde en door het College zorgverzekeringen goedgekeurde verzameling van richtlijnen voor de behandeling met en het onderzoek naar agalsidase bij verzekerden met de ziekte van Fabry. Artikel 2.2.11.2 1 Aan het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend voor de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 voor het volgens protocol behandelen van maximaal vijfenveertig verzekerden met een matig tot ernstig ziektebeeld van de ziekte van Fabry. 2 De subsidie heeft mede als doel de therapeutische waarde en de doelmatigheid van de behandelingen te kunnen vaststellen. Artikel 2.2.11.3 1 De subsidie wordt verleend voor de volgende activiteiten: het stellen van de diagnose ziekte van Fabry en het beoordelen van de mate van ernst van het ziektebeeld; het volgens protocol behandelen van de verzekerden met de ziekte van Fabry; de coördinatie van de behandeling van de verzekerden met de ziekte van Fabry indien de behandeling wordt verricht door een medisch specialist die werkzaam is buiten het Academisch Medisch Centrum. 2 De vergoeding van de kosten van agalsidase is beperkt tot de werkelijke inkoopprijs van de toegediende agalsidase met een maximum van de voor de betreffende middelen geregistreerde doseringen. 3 Slechts voor de kosten van de behandeling van verzekerden die toestemming hebben gegeven voor het gebruiken van hun behandelgegevens voor het vaststellen van de therapeutische waarde en de doelmatigheid van de behandeling met agalsidase wordt op grond van het eerste lid subsidie verstrekt. Artikel 2.2.11.4 Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2005 voor: de kosten voor agalsidase € 8 100 000; andere dan de onder a bedoelde kosten € 200
.3.1.3 Vervallen Artikel 2.3.1.4 Vervallen Artikel 2.3.1.5 Vervallen Artikel 2.3.1.6 Vervallen Artikel 2.3.1.7 Vervallen Paragraaf 2.3.2 Gezinsbegeleiding Artikel 2.3.2.1 Voor begeleiding van gezinnen met gezinsleden die een spierziekte hebben, wordt een projectsubsidie verleend aan de Vereniging Spierziekten Nederland te Baarn. Artikel 2.3.2.2 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 371
.3.5.3 Vervallen Artikel 2.3.5.4 Vervallen Artikel 2.3.5.5 Vervallen Artikel 2.3.5.6 Vervallen Artikel 2.3.5.7 Vervallen Artikel 2.3.5.8 Vervallen Paragraaf 2.3.6 Diensten bij wonen met zorg Artikel 2.3.6.1 1 Aan zorgkantoren wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend voor dienstverleningsprojecten door een instelling bestaande uit activiteiten die mogelijk maken dat: a. verzekerden die opgenomen zijn in een ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten instelling zelfstandig kunnen gaan wonen, dan wel b. verzekerden die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak hebben op zorg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder g, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ hun zelfstandigheid kunnen behouden. 2 Aan zorgkantoren wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend voor een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan te wijzen experiment. Voor projecten die binnen de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen experimenten worden uitgevoerd zijn artikel 2.3.6.1, eerste lid, alsmede artikel 2.3.6.2, eerste lid, niet van toepassing. 3 Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, geeft het zorgkantoor gemotiveerd aan met welke activiteiten naar zijn oordeel de in het eerste lid bedoelde doelen in zijn regio het beste kunnen worden bereikt. 4 Artikel 1.1.3, eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing. 5 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, gaat de aanvraag niet vergezeld van een begroting en een projectplan. Artikel 2.3.6.2 1 Bij het verlenen van subsidie wordt voor een verzekerde per dienstverleningsprojectmaximaal een bedrag van € 2000 per jaar na aftrek van eigen betalingenin aanmerking genomen. 2 Voor een dienstverleningsproject als bedoeld in artikel 2.3.6.1, eerste lid, onder a, wordt slechts subsidie verleend voor zover de instelling aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van de gesubsidieerde activiteiten verminderd met de eigen betaling samen met de kosten van extramurale zorg lager zijn dan de kosten van opname in een ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten instelling, exclusief kapitaallasten en voeding. 3 Voor voortzetting van bestaande activiteiten wordt slechts subsidie verleend voorzover die in het jaar 2003 reeds werden gesubsidieerd op grond van paragraaf 2.3.6 zoals die tot 1 januari 2004 luidde. 4 In afwijking van artikel 2.3.6.1 kan in het jaar 2005 voor voortzetting van de activiteiten, bedoeld in het derde lid, ook subsidie worden verleend indien onmiddellijke beëindiging naar het oordeel van het zorgkantoor aanleiding geeft tot onverantwoorde situaties voor verzekerden waarop de activiteiten reeds in 2003 betrekking hadden. Artikel 2.3.6.3 1 Subsidie wordt slechts verleend voor uitgevoerde activiteiten in de regio van het zorgkantoor. 2 In afwijking van het eerste lid worden ook bestedingen door het zorgkantoor in een andere regio in aanmerking genomen voor zover het College zorgverzekeringen daarvoor vooraf toestemming heeft verleend. Deze toestemming wordt slechts verleend indien de besteding van de subsidie door het zorgkantoor overeenkomstig deze paragraaf in de eigen regio niet mogelijk is en dit in redelijkheid niet aan het zorgkantoor is toe te rekenen en het andere zorgkantoor zich schriftelijk ten opzichte van het zorgkantoor verplicht heeft de overgehevelde middelen in het subsidiejaar te besteden overeenkomstig deze paragraaf. Het College zorgverzekeringen kan voorwaarden aan de toestemming verbinden. Artikel 2.3.6.4 1 Het zorgkantoor verleent slechts subsidie aan een instelling indien: a. er sprake is van een door het zorgkantoor aanvaard projectplan met een aanvaarde begroting waarin: 1°. inzichtelijk is gemaakt uit welke activiteiten het dienstverleningsproject bestaat en hoeveel verzekerden gebruik kunnen maken van deze activiteiten, 2°. inzichtelijk is gemaakt hoe de instelling een adequate betaling door verzekerden per aangeboden activiteit heeft geregeld, 3°. inzicht wordt geboden in de georganiseerde activiteiten, het soort instelling dat de activiteiten uitvoert, de opbouw van de kostprijzen van de uit te voeren activiteiten en de wijze waarop registratie van de verzekerden en de verantwoording van de activiteiten zijn georganiseerd, 4°. is vastgelegd dat bij de afrekening van het dienstverleningsproject over de onder 1°, 2° en 3°, bedoelde onderdelen wordt gerapporteerd; b. de instelling schriftelijk verklaart alle medewerking te zullen verlenen aan de uitvoering van een evaluatie van de ingevolge deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten. 2 Het zorgkantoor geeft bij het verlenenvan subsidie voorrang aan projectplannen die eeninstellingin overleg metde lokale overheid, zorginstellingen, woningcorporaties of lokale welzijnsinstellingen heeft ingediend. Artikel 2.3.6.5 1 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in artikel 2.3.6.1, eerste lid, voor het jaar 2005 bedraagt € 56 805 000. 2 Het subsidieplafond voor experimenten, zoals bedoeld in artikel 2.3.6.1, tweede lid, bedraagt € 5 000 000. Artikel 2.3.6.6 De maximale subsidie voor een zorgkantoor, bedoeld in artikel 2.3.6.5, eerste lid, wordt berekend overeenkomstig de volgende formule: (A / B) x € 56 805 000 waarbij wordt verstaan onder: A: het aantal 75-plussers in de regio van het zorgkantoor op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar; B: het totaal aantal 75-plussers in Nederland op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. Artikel 2.3.6.7 1 Het zorgkantoor meldt een subsidieverlening aan een instelling binnen twee weken na de verlening bij het College zorgverzekeringen. 2 Bij de melding wordt in ieder geval gerapporteerd over de wijze waarop aan de in artikel 2.3.6.4, bedoelde voorwaarden is voldaan. Artikel 2.3.6.8 1 Het zorgkantoor verleent medewerking aan de uitvoering van een evaluatie van de ingevolge deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten. 2 Het zorgkantoor geeft na afloop van het subsidiejaar aan welk effect de gesubsidieerde activiteiten hebben gehad op: a. de verschuiving van intramurale naar extramurale zorg; b. het aantal wachtenden op verblijf in een AWBZ-instelling. 3 Het zorgkantoor registreert op zorgvuldige wijze alle gegevens die door het College zorgverzekeringen noodzakelijk worden geacht voor het verkrijgen van inzicht in het effect van de gesubsidieerde activiteiten. Paragraaf 2.3.7 Artikel 2.3.7.1 Vervallen Artikel 2.3.7.
.3.7.3 Vervallen Artikel 2.3.7.4 Vervallen Artikel 2.3.7.5 Vervallen Artikel 2.3.7.6 Vervallen Artikel 2.3.7.7 Vervallen Artikel 2.3.7.8 Vervallen Artikel 2.3.7.9 Vervallen Paragraaf 2.3.8 Artikel 2.3.8.1 Vervallen Artikel 2.3.8.
.3.8.3 Vervallen Artikel 2.3.8.4 Vervallen Artikel 2.3.8.5 Vervallen Artikel 2.3.8.6 Vervallen Artikel 2.3.8.7 Vervallen Artikel 2.3.8.8 Vervallen Artikel 2.3.8.9 Vervallen Artikel 2.3.8.10 Vervallen. Afdeling 2.4 Subsidies ten laste van het algemeen fonds, op grond van artikel 1p, eerste lid, onder c, Ziekenfondswet Paragraaf 2.4.1 Initiatieven op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg Artikel 2.4.1.1 In deze paragraaf wordt onder `initiatieven op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg' of `initiatief' verstaan: activiteiten die niet op geleide van een vrijwillige of individuele hulpvraag worden uitgevoerd en die zich richten op risicogroepen, individuen of groepen met een dreigende psychische stoornis of een verhoogd risico daarop. Artikel 2.4.1.2 1 Zorgkantoren komen in aanmerking voor een projectsubsidie die bestemd is voor het verlenen van subsidies voor initiatieven op het gebied van openbare geestelijke gezondheidszorg. 2 Artikel 1.1.3, eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing. Artikel 2.4.1.2a 1 Subsidie wordt slechts verleend voor uitgevoerde activiteiten in de regio van het zorgkantoor. 2 In afwijking van het eerste lid worden ook bestedingen door het zorgkantoor in een andere regio in aanmerking genomen voor zover het College zorgverzekeringen daarvoor vooraf toestemming heeft verleend. Deze toestemming wordt slechts verleend indien de besteding van de subsidie door het zorgkantoor overeenkomstig deze afdeling in de regio niet mogelijk is en dit in redelijkheid niet aan het zorgkantoor is toe te rekenen en het andere zorgkantoor zich schriftelijk jegens het zorgkantoor verplicht heeft de overgehevelde middelen in het subsidiejaar te besteden overeenkomstig deze paragraaf. Het College zorgverzekeringen kan voorwaarden aan de toestemming verbinden. Artikel 2.4.1.3 Het zorgkantoor verleent slechts subsidie indien: het initiatief in elk geval omvat het actief zoeken van personen uit een risicogroep of het bieden van bemoeizorg aan personen uit die risicogroep; het initiatief de schriftelijke instemming heeft van de lokale overheid; het initiatief wordt uitgevoerd door ten minste twee instellingen van verschillende rechtspersonen; een rechtspersoon die een niet krachtens de wet toegelaten Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geestelijke gezondheidszorginstelling exploiteert, bijdraagt aan de uitvoering van het initiatief; er sprake is van een initiatief in de ontwikkelingsfase; het initiatief bijdraagt aan de totstandkoming of de implementatie van convenanten op lokaal niveau overeenkomstig het landelijk convenant OGGZ; en het zorgkantoor het initiatief subsidieert op basis van een projectplan, waarin in elk geval zijn opgenomen het doel, de looptijd, de wijze en het moment van evalueren van het initiatief en de inspanningen om te komen tot een financiering na de subsidieperiode voor het initiatief. Artikel 2.4.1.4 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 6 521
.4.5.3 Vervallen Paragraaf 2.4.7 Kwaliteitsbeoordeling in de sector verpleging en verzorging Artikel 2.4.7.1 Vervallen Artikel 2.4.7.
.4.7.3 Vervallen Artikel 2.4.7.4 Vervallen Artikel 2.4.7.5 Vervallen Paragraaf 2.4.8 Kwaliteitsontwikkeling beroepsgroepen verpleging en verzorging Artikel 2.4.8.1 Voor de implementatie en borging van de resultaten van de projecten en van het kwaliteitsbeleid van de beroepsgroepen Verpleging en Verzorging wordt op aanvraag voor het jaar 2003, voor het jaar 2004 en voor het jaar 2005 een projectsubsidie verleend aan: de Landelijke beroepsvereniging STING; de Algemene Vergadering Verplegenden en Verzorgenden/het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging; de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen. Artikel 2.4.8.2 De subsidie wordt verleend voor de volgende projecten: van de Landelijke beroepsvereniging STING: Visie en doelen, Instrumenten en criteria, Infrastructuur, Effectmeting; van de Algemene Vergadering Verplegenden en Verzorgenden/het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging: Coördinatiepunt Kwaliteitsbeleid Verpleging en Verzorging, waaronder Patiëntenperspectief in richtlijnen en Kwaliteitsbeleid, Tripartiete zorginhoudelijke richtlijnen; van de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen: Multidisciplinaire tripartiete richtlijnen, waaronder Verkenning decentrale structuren kwaliteitsbeleid, Patiëntenperspectief, Communicatiehulpmiddelen. Artikel 2.4.8.3 1 Het subsidieplafond voor de te subsidiëren projecten bedraagt voor het jaar 2005 € 835 332. 2 De subsidie bedraagt maximaal: voor de Landelijke beroepsvereniging STING 45% van het in het eerste lid genoemde bedrag; voor de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen 35 % van het in het eerste lid genoemde bedrag; voor de Algemene Vergadering Verplegenden en Verzorgenden/het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging 20 % van het in het eerste lid genoemde bedrag. 3 Indien een project betrekking heeft op verscheidene beroepsgroepen, wordt het project evenredig naar deelname aan de verschillende beroepsgroepen toegerekend. 4 Bij niet volledige aanwending van de subsidie door een subsidieontvanger als bedoeld in het tweede lid, kunnen de subsidies aan de overige subsidieontvangers worden verhoogd met maximaal het bedrag dat niet is aangewend. 5 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, dient de aanvraag van een projectsubsidie voor 1 maart 2005 ingediend te worden. 6 Indien het totaalbedrag van de voor subsidie in aanmerking komende aanvragen voor een beroepsgroep hoger is dan het subsidieplafond, wordt bij de subsidieverlening voorrang verleend aan de projecten die in vergelijking met andere projecten naar het oordeel van het College zorgverzekeringen meer bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel 2.4.8.4 Subsidie wordt slechts verleend onder de voorwaarde dat de projecten leiden tot: de implementatie en borging van de resultaten van de afzonderlijke gedurende de subsidieperiode 2000-2002 ontwikkelde projecten; de implementatie en borging van het kwaliteitsbeleid als permanente activiteit. Artikel 2.4.8.5 De subsidieontvanger verleent alle medewerking aan de uitvoering van een evaluatie van de volgens deze paragraaf gesubsidieerde projecten. Paragraaf 2.4.6 Artikel 2.4.6.1 Vervallen Artikel 2.4.6.
.4.6.3 Vervallen Artikel 2.4.6.4 Vervallen Artikel 2.4.6.5 Vervallen Artikel 2.4.6.6 Vervallen Artikel 2.4.6.7 Vervallen Artikel 2.4.6.8 Vervallen Afdeling 2.5 Subsidies ten laste van het algemeen fonds, op grond van artikel 1p, eerste lid, onder d, Ziekenfondswet Paragraaf 2.5.1 Persoonsgebonden budget voor verpleging en verzorging Artikel 2.5.1.1 1 Aan zorgkantoren wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend die is bestemd voor het verlenen van subsidies aan verzekerden in de vorm van persoonsgebonden budgetten ten behoeve van verpleging en verzorging. 2 Artikel 1.1.3, eerste lid, onderdelen b en c, is niet van toepassing. 3 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, gaat de aanvraag niet vergezeld van een begroting en een projectplan. Artikel 2.5.1.
.5.1.3 Vervallen Artikel 2.5.1.4 1 Subsidie wordt aan het zorgkantoor slechts verleend indien het zorgkantoor bij de subsidieaanvraag schriftelijk instemt met uitbetaling van de persoonsgebonden budgetten namens hem door de Sociale verzekeringsbank, overeenkomstig deze paragraaf. 2 Bij het verlenen van subsidie aan het zorgkantoor worden slechts persoonsgebonden budgetten in aanmerking genomen die zijn toegekend met inachtneming van deze paragraaf. Artikel 2.5.1.5 Het zorgkantoor verleent slechts subsidie voor persoonsgebonden budgetten voor verzekerden in zijn regio. Artikel 2.5.1.6 Vervallen Artikel 2.5.1.7 1 De persoonsgebonden budgetten zijn uitsluitend bestemd voor de betaling van: a. de kosten van door de in aanmerking komende verzekerden ingekochte zorg als omschreven in artikel 15, eerste lid, onder a en b, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 32, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ ; b. de kosten verband houdende met secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals deze zijn opgenomen in de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten. 2 Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verzekerde ten aanzien van wie op grond van het Zorgindicatiebesluit zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 31, onderdelen A, B, E, G en K van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is afgegeven, waaruit volgt dat de verzekerde voorzienbaar langer dan drie maanden is aangewezen op hulp in de vorm van verpleging of verzorging in de thuissituatie, en aan wie op 31 december 2003 reeds een persoonsgebonden budget was toegekend. 3 Voor een persoonsgebonden budget komt niet in aanmerking de verzekerde die verblijft in een instelling waarin aan personen duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft. 4 Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verzekerde die voor de uitvoering van de regeling door het zorgkantoor als zodanig is aangemeld bij de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe zendt het zorgkantoor een door hem ondertekende toekenningsbeschikking naar de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe hanteert de subsidieontvanger de door het College zorgverzekeringen vastgestelde modellen. 5 De verzekerde komt slechts voor een persoonsgebonden budget in aanmerking voor zover het zorgonderdelen betreft die niet op andere wijze worden vergoed. 6 Het zorgkantoor stelt voor de toekenning van persoonsgebonden budgetten slechts voorwaarden die voldoen aan deze paragraaf. 7 De periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend, vangt niet eerder aan dan op de dag van verzending aan de verzekerde van de toekenningsbeschikking en uiterlijk zes maanden na de datum van de toekenningsbeschikking. 8 De verzekerde komt niet in aanmerking voor een persoonsgebonden budget indien de kosten van het persoonsgebonden budget ten opzichte van de kosten van opname in een instelling naar het oordeel van het zorgkantoor niet verantwoord zijn. De eerste volzin is niet van toepassing indien de opneming blijkens een verklaring van een onafhankelijk medicus niet tot de mogelijkheden behoort. 9 Toekenning en verlenging van het persoonsgebonden budget hebben plaats op aanvraag van de verzekerde. Artikel 2.5.1.8 1 De zorgbehoefte van de verzekerde is in uren hulpverlening vastgesteld en vastgelegd. Daarbij wordt de volgende onderverdeling gehanteerd: a. alphahulp; b. huishoudelijke verzorging; c. verpleging; d. verzorging; e. gespecialiseerde verpleging; f. gespecialiseerde verzorging. 2 Omtrent de toekenning van het persoonsgebonden budget beslist het zorgkantoor na overleg met de verzekerde. De toekenning heeft plaats rekening houdend met de in het indicatiebesluit vastgestelde en schriftelijk vastgelegde zorgbehoefte. 3 De verzekerde kan de indicatie realiseren door een combinatie van zorgproducten in natura en een persoonsgebonden budget. Voor een zorgproduct dat tevens in natura wordt geleverd, wordt geen persoonsgebonden budget toegekend. 4 Het toe te kennen persoonsgebonden budget bedraagt per verzekerde per week maximaal het product van het voor die periode vastgestelde aantal uren hulpverlening en de in het zevende lid genoemde uurtarieven verminderd met een bijdrage, waarvan de hoogte wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van paragraaf 2 van hoofdstuk III van het Bijdragebesluit zorg zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 28 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. 5 Indien in de periode tot 1 maart van het subsidiejaar geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 16e, eerste en tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 28 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ , omdat het zorgkantoor niet beschikt over de inkomensgegevens van het peiljaar, wordt voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen voor de periode van 1 januari tot uiterlijk 1 maart van het subsidiejaar uitgegaan van het inkomen in het kalenderjaar dat aan het peiljaar is voorafgegaan. 6 Indien de verzekerde langer dan 6 weken aaneengesloten per jaar in het buitenland verblijft, en hier hulpverleners contracteert die niet vallen onder de Nederlandse fiscale en sociale zekerheidswetgeving, wordt het toe te kennen bedrag berekend overeenkomstig de volgende formule: waarbij wordt verstaan onder: A: het aantal weken dat de verzekerde in Nederland verblijft; B: het getal 52; C: het budget waarvoor de verzekerde op grond van zijn zorgbehoefte in aanmerking komt; D: het aantal weken dat de verzekerde in het buitenland verblijft; E: het voor het betreffende land door het College zorgverzekeringen vastgestelde aanvaardbaarheidspercentage. 7 De uurtarieven voor in het eerste lid bedoelde zorgvormen bedragen: a. alfahulp: € 13,04; b. huishoudelijke verzorging: € 20,39; c. verpleging: € 44,90; d. verzorging: € 26,02; e. gespecialiseerde verpleging: € 50,03; f. gespecialiseerde verzorging: € 32,69. 8 Het zorgkantoor kent aan een verzekerde een lager budget toe dan voortvloeit uit de berekeningen volgens het tweede, vierde en vijfde lid indien: a. de verzekerde een lager budget vraagt; of b. de verzekerde in de periode voorafgaande aan de nieuwe toekenningsperiode minimaal 10% van zijn persoonsgebonden budget niet heeft besteed, tenzij uit een herindicatie blijkt dat de zorgvraag is toegenomen. Artikel 2.5.1.9 1 De toekenning van het budget heeft plaats met inachtneming van het indicatiebesluit en rekening houdend met de termijn waarvoor dit indicatiebesluit geldt. Indien volgens het indicatiebesluit bij de verzekerde sprake is van een urgente situatie, wordt daarmee bij toekenning van de persoonsgebonden budgetten zoveel mogelijk rekening gehouden, met inachtneming van de reeds toegekende budgetten. 2 Op verzoek van de verzekerde of het zorgkantoor heeft herindicatie plaats. 3 Het zorgkantoor bericht de verzekerde uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de indicatieperiode over de einddatum van die periode. Artikel 2.5.1.10 1 Het College zorgverzekeringen draagt op aan de Sociale verzekeringsbank de in het tweede tot en met het vierde lid omschreven taken uit te voeren. 2 Van het toegekende persoonsgebonden budget wordt een bedrag van € 1.089,07 op jaarbasis door de Sociale verzekeringsbank rechtstreeks aan de verzekerde betaald. 3 Het resterende deel van het toegekende persoonsgebonden budget wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld voor betaling van door verzekerden gecontracteerde hulpverleners door de Sociale verzekeringsbank, waarbij de verzekerde is aangemeld. De Sociale verzekeringsbank draagt er zorg voor dat: het budget op correcte wijze wordt aangewend voor de betaling van aan de verzekerde verleende zorg volgens de subsidieregeling; de administratie, waarin begrepen die voor de werkgeversfunctie, in verband met de namens verzekerde verrichte betalingen ten laste van dit deel van het budget en de administratie van de werkgeversfunctie in verband met verrichte betalingen ten laste van de eigen middelen van verzekerde, op behoorlijke wijze plaatsheeft; een collectieve verzekering geldt voor kosten die samenhangen met loondoorbetaling bij ziekte, wettelijke aansprakelijkheid en het arbo-contract en een collectieve verzekering geldt voor kosten die samenhangen met juridische bijstand en schadevergoedingen in het kader van de afwikkeling van arbeidsconflicten; budgethouders, desgevraagd, informatie kunnen inwinnen met betrekking tot vraagstukken over de bestedingsvrijheid en arbeidsrechtelijke aspecten. 4 Betalingen ten laste van het resterende deel, bedoeld in het derde lid, kunnen slechts plaatsvinden tot maximaal de omvang van dit resterende deel op basis van werkelijke kosten. 5 Het zorgkantoor controleert steekproefsgewijs of aan de bestedingsvoorwaarden wordt voldaan. Artikel 2.5.1.11 1 Het zorgkantoor kent pas een persoonsgebonden budget aan de verzekerde toe indien het volgende schriftelijk is vastgelegd tussen het zorgkantoor en de verzekerde: de verplichting van het zorgkantoor de verzekerde te informeren over de voorwaarden waaraan deze moet voldoen om in aanmerking te blijven komen voor een persoonsgebonden budget; de hoogte van het toe te kennen persoonsgebonden budget en de periode waarvoor de toekenning geldt; de wijze waarop het forfaitaire deel van het budget beschikbaar wordt gesteld; de wijze waarop de overige betalingen zullen plaatshebben; de verplichting van verzekerde om: kwalitatief verantwoorde hulp in te kopen, zorg te dragen voor een schriftelijke overeenkomst met de hulpverlener of hulpverleningsinstantie waarin de aard van de te verlenen hulp staat vermeld op basis waarvan de hulpverlener of hulpverleningsinstantie kan worden betaald, de schriftelijke overeenkomst, bedoeld onder 2°, en het Sofi-nummer van de door hem betaalde hulpverlener, voorzover van toepassing, over te leggen aan de Sociale verzekeringsbank, wijzigingen in de omstandigheden, die hebben geleid tot het toekennen van een persoonsgebonden budget, tijdig te melden aan het zorgkantoor, desgevraagd aan het zorgkantoor verantwoording af te leggen over de ten laste van het zorgbudget verrichte betalingen, met de gecontracteerde hulpverlener overeen te komen dat deze de declaratie voor de hulpverlening bij de verzekerde indient binnen zes weken na de maand waarin de hulp is verleend op straffe van niet betaling, met de gecontracteerde hulpverlener overeen te komen dat deze zijn declaratie voor de hulpverlening over enige maand, ineens en in zijn geheel indient, een contract of een wijziging in het zorgcontract niet te laten ingaan voor de eerste van de maand waarin het zorgcontract door de Sociale verzekeringsbank is ontvangen, en de declaratie voor de hulpverlening binnen acht weken na de maand waarin de hulp is verleend bij de Sociale verzekeringsbank in te dienen. 2 Onverminderd het eerste lid wordt een persoonsgebonden budget slechts toegekend indien de verzekerde met de hulpverlener is overeengekomen dat de vakantietoeslag maandelijks, tegelijk met het door de Sociale verzekeringsbank aan de hulpverlener te betalen honorarium, wordt uitbetaald. 3 De ingangsdatum van een budgetovereenkomst of een wijziging op een budgetovereenkomst mag niet liggen voor de eerste van de maand waarin de budgetovereenkomst voor de eerste maal door de Sociale verzekeringsbank is ontvangen. 4 Voorzover strikte handhaving van het eerste lid, onderdelen e, onder 6°, 8° en 9°, en het derde lid leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de verzekerde, kan daarvan worden afgeweken. Artikel 2.5.1.12 Indien een verzekerde die beschikt over een persoonsgebonden budget op grond van deze regeling verhuist naar een andere regio, draagt het zorgkantoor van de oude woonregio zorg voor continuering van het persoonsgebonden budget tot en met 31 december van het subsidiejaar. Artikel 2.5.1.13 1 De periode, waarvoor een persoonsgebonden budget wordt toegekend, bedraagt maximaal de termijn waarvoor het in artikel 2.5.1.7 bedoelde indicatiebesluit geldt, met dien verstande dat zij in ieder geval eindigt op 31 december van het subsidiejaar. Bij ongewijzigde omstandigheden wordt de toekenning ambtshalve verlengd tot het einde van de periode waarvoor het indicatiebesluit geldt. De in de tweede volzin bedoelde verlenging heeft niet plaats indien de resterende periode waarvoor het indicatiebesluit geldt korter is dan een maand. De tweede en derde volzin zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een persoonsgebonden budget, ingevolge artikel 1p van de Ziekenfondswet, dat op 31 december 2000 eindigde. Bij de melding van de verlenging van een toegekend persoonsgebonden budget aan de Sociale verzekeringsbank hanteert het zorgkantoor de door het College zorgverzekeringen vastgestelde modellen. 2 Een wijziging van een reeds toegekend persoonsgebonden budget gaat steeds in op de eerste dag van een maand. Een persoonsgebonden budget eindigt op de laatste dag van een maand. 3 De toekenningsperiode van het persoonsgebonden budget blijft ongewijzigd bij tussentijdse herindicatie en overige wijzigingen van het budget. 4 De periode waarvoor budget is toegekend, eindigt in ieder geval indien de verzekerde: schriftelijk te kennen geeft niet langer prijs te stellen op de toekenning van een persoonsgebonden budget; langer dan twee maanden aaneengesloten is opgenomen in een gezondheidszorginstelling; gebruik maakt van krachtens de Ziekenfondswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of enigerlei andere regeling of verzekering voor verstrekking of vergoeding in aanmerking komende verzorging of verpleging ten huize van de verzekerde; binnen twee maanden na aanvang van de budgetperiode nog geen trekkingsrechten heeft geëffectueerd; of overlijdt. 5 De periode waarvoor het budget is toegekend, eindigt voorts met ingang van de dag waarop een subsidieperiode als bedoeld in artikel 2.5.6.4 begint. 6 Bij toepassing van het vierde lid en bij een substantiële verlaging van het budget bij toepassing van artikel 2.5.1.8 juncto artikel 2.5.1.9 wordt rekening gehouden met de onvermijdbare kosten voor de verzekerde in verband met beëindiging of wijziging van de verplichtingen die de verzekerde aanging in het kader van de besteding van het toegekende budget. 7 Indien de budgetperiode eindigt op 31 december van het subsidiejaar, kan maximaal 10% van de toegekende budgetten in dat subsidiejaar, niet meegerekend een overheveling van niet bestede persoonsgebonden budgetten uit een eerder jaar, worden besteed in daarop aansluitende budgetperioden in het volgende subsidiejaar. Het met toepassing van de eerste volzin overgehevelde bedrag bedraagt niet meer dan het op 31 december van dat subsidiejaar resterende niet bestede persoonsgebonden budget. Artikel 2.5.1.14 Het College zorgverzekeringen kan bij het vaststellen van de subsidie op aanvraag een aanvullende subsidie aan het zorgkantoor verlenen voor extra kosten die voortvloeien uit geschillen over de toekenning of de hoogte van het persoonsgebonden budget, voor zover het ontstaan van deze extra kosten in redelijkheid niet is toe te rekenen aan het zorgkantoor. Artikel 2.5.1.15 1 De subsidieontvanger registreert op zorgvuldige wijze de toegekende persoonsgebonden budgetten en de bestedingsomvang hiervan. 2 De subsidieontvanger bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens gedurende minimaal vijf jaren. Artikel 2.5.1.16 Vervallen Paragraaf 2.5.2 Persoonsgebonden budget voor zorg voor verstandelijk gehandicapten Artikel 2.5.2.1 1 Aan zorgkantoren wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend die is bestemd voor het verlenen van subsidies aan verzekerden in de vorm van persoonsgebonden budgetten ten behoeve van zorg voor verstandelijk gehandicapten. 2 Artikel 1.1.3, eerste lid, onderdelen b en c, is niet van toepassing. 3 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, gaat de aanvraag niet vergezeld van een begroting en een projectplan. Artikel 2.5.2.
.5.2.3 Vervallen Artikel 2.5.2.4 1 Subsidie voor toegekende persoonsgebonden budgetten wordt slechts verleend indien het zorgkantoor bij de subsidieaanvraag schriftelijk instemt met uitbetaling van de persoonsgebonden budgetten namens hem door de Sociale verzekeringsbank, overeenkomstig deze paragraaf. 2 Bij het verlenen van subsidie worden slechts persoonsgebonden budgetten in aanmerking genomen die zijn toegekend met inachtneming van deze paragraaf. Artikel 2.5.2.5 Het zorgkantoor verleent slechts subsidie voor persoonsgebonden budgetten voor verzekerden in zijn regio. Artikel 2.5.2.6 Vervallen Artikel 2.5.2.7 1 De persoonsgebonden budgetten zijn uitsluitend bestemd voor de betaling van: kosten van door de in aanmerking komende verzekerden ingekochte navolgende zorgonderdelen, te weten: begeleiding, verzorging, verpleging, behandeling, geneeskundig onderzoek, advisering en ondersteuning, of verblijf; de kosten verband houdende met secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals deze zijn opgenomen in de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten. 2 Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verzekerde die voor de uitvoering van deze regeling door het zorgkantoor als zodanig is aangemeld bij de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe zendt het zorgkantoor een door hem ondertekende toekenningsbeschikking naar de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe hanteert de subsidieontvanger de door het College zorgverzekeringen vastgestelde modellen. 3 De periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend, vangt niet eerder aan dan op de dag van verzending aan de verzekerde van de toekenningsbeschikking en uiterlijk zes maanden na de verzenddatum van de toekenningsbeschikking. 4 Het zorgkantoor stelt voor de toekenning van persoonsgebonden budgetten slechts voorwaarden die voldoen aan deze paragraaf. Artikel 2.5.2.8 Voor het toekennen van een persoonsgebonden budget gelden de volgende budgetcategorieën, bedragen en indicatievereisten: Budgetcategorie Bedrag op jaarbasis Indicatievereiste I € 2 763; A II € 5 476; B III € 8 188; C IV € 13 663; D IV a € 16 376; D en A IV b € 19 088; D en B V € 21 851; D en C, F, E V a € 24 513; E en A V b € 27 275; E en B VI € 30 040; E en C VII € 35 464; D en F VIII € 40 888 G waarbij wordt verstaan onder: A: het aangewezen zijn op een zeer lichte vorm van begeleid zelfstandig wonen of een zeer incidentele begeleiding in de thuissituatie gedurende maximaal 5 uren per week; B: het aangewezen zijn op een lichte vorm van begeleid zelfstandig wonen of een incidentele begeleiding in de thuissituatie gedurende maximaal 10 uren per week; C: het aangewezen zijn op een zware vorm van begeleid zelfstandig wonen, begeleiding in de thuissituatie in combinatie met begeleiding op een logeeradres of begeleiding in een dependance gedurende minimaal 11 uren en maximaal 25 uren per week; D: het aangewezen zijn van een volwassene op begeleiding buitenshuis, die voornamelijk overdag nodig is, gedurende meer dan 25 uur per week ; E: het aangewezen zijn van een kind op begeleiding buitenshuis, die voornamelijk overdag nodig is, gedurende meer dan 25 uur per week; F: het aangewezen zijn van een volwassene verblijf en begeleiding gedurende meer dan 25 uren per week; G: het aangewezen zijn van een kind op verblijf en begeleiding gedurende meer dan 25 uren per week. Artikel 2.5.2.9 1 Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verstandelijk gehandicapte die op grond van het Zorgindicatiebesluit zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 31, onderdelen A, B, E, G en K van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, voldoet aan de indicatievereisten voor een van de in artikel 2.5.2.8 vermelde budgetcategorieën, en aan wie op 31 december 2003 reeds een persoonsgebonden budget was toegekend. 2 Onverminderd het derde lid wordt bij de toekenning het volgende in acht genomen: a. Indien de budgetperiode het gehele subsidiejaar betreft, wordt het in artikel 2.5.2.8 per budgetcategorie op jaarbasis vermelde bedrag als budget toegekend; b. Indien het budget voor een kortere periode dan een jaar wordt toegekend, wordt het toe te kennen bedrag berekend overeenkomstig de volgende formule: waarbij wordt verstaan onder: A. aantal maanden van de budgetperiode in het subsidiejaar; B. het budget op jaarbasis; c. Indien de verzekerde zorg in natura geniet in een dagverblijf voor gehandicapten wordt het jaarbudget overeenkomstig de volgende formule berekend: waarbij wordt verstaan onder: A: toe te kennen budget op grond van de totale zorgbehoefte; B: aantal dagdelen per week in dagverblijf; C: maximum aantal dagdelen per week in dagverblijf; D: budgetcategorie behorende bij indicatievereiste D of E; en d. Indien de verzekerde langer dan zes weken aaneengesloten per jaar in het buitenland verblijft, en hier hulpverleners contracteert die niet vallen onder de Nederlandse fiscale en sociale zekerheidswetgeving, wordt het toe te kennen bedrag berekend overeenkomstig de volgende formule: waarbij wordt verstaan onder: A: het aantal weken dat de verzekerde in Nederland verblijft; B: het getal 52; C: het budget waarvoor de verzekerde op grond van zijn zorgbehoefte in aanmerking komt; D: het aantal weken dat de verzekerde in het buitenland verblijft; E: het voor het betreffende land door het College zorgverzekeringen vastgestelde aanvaardbaarheidspercentage; 3 Het zorgkantoor kent aan een verzekerde een lager budget toe dan voortvloeit uit de berekeningen volgens het eerste en het tweede lid indien: a. de verzekerde een lager budget vraagt; of b. de verzekerde in de periode voorafgaande aan de nieuwe toekenningsperiode minimaal 10% van zijn persoonsgebonden budget niet heeft besteed, tenzij uit een herindicatie blijkt dat de zorgvraag is toegenomen. 4 In gevallen van kennelijke hardheid kan het zorgkantoor aan de verzekerde die wordt ingedeeld in de budgetcategorieën VII en VIII een hoger budget toekennen dan voortvloeit uit de berekeningen volgens het tweede lid. Toepassing van dit lid meldt het zorgkantoor onmiddellijk aan het College zorgverzekeringen. 5 Toekenning en verlenging van het persoonsgebonden budget hebben plaats op aanvraag van de verzekerde. Artikel 2.5.2.10 De personen die tot en met 31 december 2000 een persoonsgebonden budget ontvingen met toepassing van artikel 13 van de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring persoonsgebonden budget 1999 komen, in afwijking van artikel 2.5.2.8, voor een zelfde budget in aanmerking in 2001 indien zij de wens hiertoe kenbaar maken aan het zorgkantoor. Artikel 2.5.2.11 1 Het College zorgverzekeringen geeft opdracht aan de Sociale verzekeringsbank tot uitvoering van de in de leden twee tot en met vier omschreven taken. 2 Van het toegekende persoonsgebonden budget wordt een bedrag van € 1.089,07 op jaarbasis door de Sociale verzekeringsbank rechtstreeks aan de verzekerde betaald. 3 Het resterende deel van het toegekende persoonsgebonden budget wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld voor betaling van door verzekerden gecontracteerde hulpverleners door de Sociale verzekeringsbank, waarbij de verzekerde is aangemeld. De Sociale verzekeringsbank draagt er zorg voor dat: het budget op correcte wijze wordt aangewend voor de betaling van aan de verzekerde verleende zorg volgens de subsidieregeling; de administratie, waarin begrepen die voor de werkgeversfunctie, in verband met de namens verzekerde verrichte betalingen ten laste van dit deel van het budget en de administratie van de w
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.