← Nederland

Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet

Kort gezegd

Deze regeling beschrijft de procedures en voorwaarden voor het aanvragen en ontvangen van subsidies voor activiteiten die vallen onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Ziekenfondswet. Het College zorgverzekeringen is verantwoordelijk voor het verstrekken van deze subsidies.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

wet Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op artikel 1p, aanhef, eerste en tweede lid, van de Ziekenfondswet; Besluit: Hoofdstuk I Algemene

Artikel 2

.2.1.3 Vervallen Artikel 2.2.1.4 Vervallen Artikel 2.2.1.5 Vervallen Artikel 2.2.1.6 Vervallen Artikel 2.2.1.7 Vervallen Artikel 2.2.1.8 Vervallen Paragraaf 2.2.2 Artikel 2.2.2.1 Vervallen Artikel 2.2.2.

Artikel 2

.2.2.3 Vervallen Artikel 2.2.2.4 Vervallen Artikel 2.2.2.5 Vervallen Artikel 2.2.2.6 Vervallen Artikel 2.2.2.7 Vervallen Artikel 2.2.2.8 Vervallen Artikel 2.2.2.9 Vervallen Artikel 2.2.2.10 Vervallen Paragraaf 2.2.3 kosten blindengeleidehonden Artikel 2.2.3.1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: school: een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in verband met de uitvoering van deze paragraaf aangewezen opleidingsinstituut voor blindengeleidehonden; bruikleenovereenkomst: de overeenkomst tussen een verzekerde en een school overeenkomstig een door het College zorgverzekeringen vast te stellen model; opleidingskosten: de kosten van de school voor de opleiding, nazorg en eventuele hertraining van de blindengeleidehond, instructie aan de verzekerde, en het aan de verzekerde in bruikleen geven van de blindengeleidehond inclusief een tuig, riem, halsband, kam, borstel, voederbak, drinkbak en een mand of stretcher; gebruikskosten: de kosten van de verzekerde voor het levensonderhoud, voor de verzorging en voor de ziektekostenverzekeringspremie van de blindengeleidehond. Artikel 2.2.3.2 1 Aan een school wordt op aanvraag per opgeleide hond een subsidie verstrekt voor opleidingskosten. 2 Aan een verzekerde wordt op aanvraag subsidie verstrekt voor een tegemoetkoming in de gebruikskosten. Artikel 2.2.3.3 1 Het subsidieplafond voor de kosten, bedoeld in artikel 2.2.3.2, bedraagt voor het jaar 2005 € 3 414

  1. 2 De subsidie wordt verstrekt in volgorde van de datum van ontvangst van de volledige aanvraag. Artikel 2.2.3.4 Van hoofdstuk 1 zijn slechts de artikelen 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3, eerste lid, onderdeel a, 1.4.1, 1.8.1, eerste lid, onderdelen b en c, 1.8.2, 1.8.4, eerste en derde lid, 1.8.10 en 1.8.14, eerste tot en met derde lid, van toepassing. Artikel 2.2.3.5 1 De subsidie voor opleidingskosten aan de school bedraagt per blindengeleidehond € 17
  2. 2 De in het eerste lid genoemde subsidie wordt slechts eenmaal per blindengeleidehond verstrekt. Artikel 2.2.3.6 1 De subsidie voor de tegemoetkoming in de gebruikskosten aan de verzekerde bedraagt per blindengeleidehond op jaarbasis €
  3. 2 De in het eerste lid genoemde subsidie wordt verstrekt naar rato van het aantal weken in een subsidiejaar dat de hond als blindengeleidehond in gebruik is of is geweest bij de verzekerde. 3 Het College zorgverzekeringen kan tot een maximum van € 400 per jaar aanvullende subsidie verstrekken voor medische kosten voor de blindengeleidehond, voorzover deze kosten bestaan uit medicijnkosten voor artrose en extra kosten in verband met door een dierenarts voorgeschreven dieetvoer. De aanvullende subsidie wordt slechts verstrekt indien de gebruikskosten door hoge medische kosten voor de blindengeleidehond meer dan € 984 bedragen. Artikel 2.2.3.7 De school meldt een verzekerde die in aanmerking wenst te komen voor een bruikleenovereenkomst inzake een blindengeleidehond, aan bij het College zorgverzekeringen overeenkomstig het door het College zorgverzekeringen daartoe vastgestelde registratieformulier. Artikel 2.2.3.8 De school sluit een bruikleenovereenkomst af met een verzekerde die voldoet aan de volgende voorwaarden: de verzekerde is blind of slechtziend; de verzekerde is redelijkerwijs aangewezen op het gebruik van een blindengeleidehond; de blindengeleidehond is een passende voorziening voor de verzekerde; de verzekerde is bij het College zorgverzekeringen geregistreerd om in aanmerking te komen voor een bruikleenovereenkomst inzake een blindengeleidehond. Artikel 2.2.3.9 1 De school komt slechts in aanmerking voor subsidie voor opleidingskosten onder de volgende voorwaarden: a. de vaardigheden en de medische keuring van de blindengeleidehond voldoen aan door het College zorgverzekeringen bij nadere regeling te stellen eisen; b. er geldt een bruikleenovereenkomst tussen de school en de verzekerde; c. de blindengeleidehond is bij aflevering aan de verzekerde minimaal 16 maanden en maximaal vijf jaar oud; d. de school behandelt klachten van gebruikers overeenkomstig de in de branche geldende klachtenregeling; e. de school is volwaardig lid of heeft zich aangemeld als lid van de International Federation of Guide Dog Schools for the Blind en werkt volgens de richtlijnen van deze organisatie. 2 Indien de bruikleenovereenkomst inzake een blindengeleidehond eindigt voordat de blindengeleidehond de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt, zet de school deze voor een nieuwe bruikleenovereenkomst in, indien de blindengeleidehond als zodanig inzetbaar is. In afwijking van de vorige volzin kan een blindengeleidehond ouder dan vijf jaar worden herplaatst, mits zowel de school als de verzekerde hiermee instemmen en dit bij het College zorgverzekeringen wordt gemeld. Een blindengeleidehond mag tijdens zijn werkzame leven maximaal één keer worden herplaatst. 3 Indien de hond binnen twee jaar, te rekenen vanaf het moment waarop deze voor het eerst in bruikleen is verstrekt, niet geschikt blijkt te zijn als blindengeleidehond en de school dit bij het aangaan van de bruikleenovereenkomst wist of redelijkerwijs had kunnen weten, is de school verplicht de subsidie terug te betalen. Artikel 2.2.3.10 De subsidieaanvraag van de school gaat vergezeld van: een door de school en verzekerde ondertekende bruikleenovereenkomst; afschriften van de medische keuring van de hond op oogafwijkingen, heupdysplasie en elleboogdysplasie; een door een dierenarts opgestelde gezondheidsverklaring van de blindengeleidehond, waarbij de gezondheidsverklaring op het moment van de subsidieaanvraag niet ouder dan twee maanden is. Artikel 2.2.3.11 1 De verzekerde komt slechts in aanmerking voor subsidie voor een tegemoetkoming in de gebruikskosten van de blindengeleidehond onder de volgende voorwaarden: er geldt een bruikleenovereenkomst; de verzekerde heeft een blindengeleidehond als zodanig in gebruik; de verzekerde heeft een ziektekostenverzekering afgesloten ten behoeve van de in het gebruik zijnde blindengeleidehond; de verzekerde voldoet aan de premieverplichting die voortvloeit uit de in onderdeel c genoemde verzekering. 2 Het eerste lid, onderdeel a, geldt niet voor de verzekerde die krachtens artikel 57 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of krachtens de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring gebruik en bijzondere medische behandeling blindengeleidehonden 1998 gebruikskosten vergoed kreeg. Artikel 2.2.3.12 1 De subsidieaanvraag van de verzekerde wordt bij het College zorgverzekeringen ingediend: vóór 1 mei van het subsidiejaar, indien de blindengeleidehond op 1 januari van dat jaar in gebruik is, of; binnen drie maanden na ingang van een bruikleenovereenkomst, indien de blindengeleidehond gedurende het subsidiejaar in bruikleen wordt gegeven. 2 De subsidieaanvraag gaat vergezeld van: een kopie van de polis van de ziektekostenverzekering, bedoeld in artikel 2.2.3.11, eerste lid, onderdeel c, dan wel een betalingsbewijs dat betrekking heeft op het lopende subsidiejaar van een zodanige verzekering; een door een dierenarts opgestelde gezondheidsverklaring van de blindengeleidehond, waarbij de gezondheidsverklaring op het moment van de subsidieaanvraag niet ouder is dan twee maanden. Artikel 2.2.3.13 School en verzekerde dienen terstond schriftelijk het College zorgverzekeringen op de hoogte te stellen van: het aangaan van een bruikleenovereenkomst waarbij een blindengeleidehond wordt ingezet die reeds in het kader van een eerdere bruikleenovereenkomst werkzaam is geweest. Een afschrift van de bruikleenovereenkomst wordt bij de melding gevoegd; de beëindiging van een bruikleenovereenkomst, waarbij wordt ingegaan op de reden van de beëindiging van de bruikleenovereenkomst. Artikel 2.2.3.14 Binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag geeft het College zorgverzekeringen een beschikking tot vaststelling van de subsidie. Artikel 2.2.3.15 Vervallen Artikel 2.2.3.16 Vervallen Paragraaf 2.2.4 Voortzetting van vergoedingen voor huishoudelijke hulp Artikel 2.2.4.1 Vervallen Artikel 2.2.4.

Artikel 2

.2.4.3 Vervallen Artikel 2.2.4.4 Vervallen Artikel 2.2.4.5 Vervallen Artikel 2.2.4.6 Vervallen Paragraaf 2.2.5 Methadon voor ambulante verslaafdenzorg Artikel 2.2.5.1 1 De volgende zorgkantoren komen in aanmerking voor een projectsubsidie die is bestemd voor de kosten verbonden aan de aflevering van het geneesmiddel methadon aan verzekerden in het kader van de ambulante verslavingszorg in het voor hen aangegeven werkgebied: OWM RZG Zorgkantoor u.a. te Groningen voor het werkgebied: Groningen; OWM De Friesland Zorgverzekeraar U.A. te Leeuwarden voor het werkgebied: Friesland; Groene Land Verzekeringen te Meppel voor het werkgebied: Drenthe; Groene Land Verzekeringen te Zwolle voor het werkgebied: Zwolle en Flevoland; Amicon zorgverzekeraar te Enschede voor het werkgebied: Twente en Arnhem; OWM Salland zorgverzekeringen U.A. te Deventer voor het werkgebied: Stedendriehoek; Stichting Ziekenfonds VGZ te Nijmegen voor het werkgebied: Nijmegen; ANOVA Verzekeringen te Amersfoort voor het werkgebied: Utrecht; OVM Univé Zorgverzekeraar u.a. te Alkmaar voor het werkgebied: Alkmaar; OWM ZAO zorgverzekeringen te Amsterdam voor het werkgebied: Amsterdam; ANOZ Verzekeringen te Amersfoort voor het werkgebied: Het Gooi; OWM Ziekenfonds PWZ u.a. Purmerend voor het werkgebied: Kennemerland; OWM Zorgverzekeraar TRIAS U.A. te Gouda voor het werkgebied: Dordrecht enMidden-Holland; OWM Nuts Zorgverzekering U.A. te Den Haag voor het werkgebied: Leiden, Den Haag en Delft; OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A. te Rotterdam voor het werkgebied: Rotterdam; CZ Groep, Ziekenfonds te Goes voor het werkgebied: Zeeland; OWM OZ zorgverzekeringen U.A. te Breda voor het werkgebied: Breda en Tilburg; Stichting Ziekenfonds VGZ te Den Bosch voor het werkgebied: Den Bosch en Eindhoven; Stichting Ziekenfonds VGZ te Venlo voor het werkgebied: Noord-Limburg; CZ Groep, Ziekenfonds te Sittard voor het werkgebied: Zuid-Limburg; 2 Artikel 1.1.3, eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing. Artikel 2.2.5.2 Bij het verlenen van subsidie aan het zorgkantoor wordt slechts de aflevering aan verzekerden van methadon in aanmerking genomen die voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de aflevering heeft plaats in het kader van regionaal georganiseerde ambulante verslavingszorg die een voortzetting is van de verslavingszorg die tot en met 1996 werd gefinancierd ingevolge de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing; b. de aflevering is verricht door een rechtspersoon die de regionaal georganiseerde ambulante verslavingszorg uitvoert op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen het zorgkantoor en die rechtspersoon; en c. de aflevering heeft plaats op voorschrift van een arts verbonden aan de rechtspersoon die de verslavingszorg verleent. Artikel 2.2.5.3 De in artikel 2.2.5.2, onder b, bedoelde overeenkomst voldoet aan de volgende voorwaarden: de overeenkomst is gesloten na overleg met de gemeente die als centrumgemeente ingevolge de Tijdelijke Wet Stimulering Sociale Vernieuwing voor de regio is aangewezen; in de overeenkomst is in ieder geval geregeld: de wijze waarop de voor betaling in aanmerking komende afleveringen plaatsvinden, de bij de onderscheiden wijzen van aflevering behorende tarieven, het opzetten en onderhouden van een registratiesysteem waarmee het zorgkantoor de nodige gegevens beschikbaar krijgt voor controle op de in artikel 2.2.5.2 bedoelde voorwaarden, de wijze en het tijdstip waarop de rechtspersoon declareert bij het zorgkantoor en de wijze waarop het zorgkantoor de declaraties controleert, en de informatieplicht van de in aanmerking komende rechtspersoon jegens het zorgkantoor ten behoeve van een goede uitvoering van de overeenkomst tussen het zorgkantoor en die rechtspersoon. Artikel 2.2.5.4 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 2 600 963. Artikel 2.2.5.5 In afwijking van artikel 1.3.1 bestaat de subsidie uit het totaal van de lasten, berekend volgens artikel 2.2.5.6, en bedraagt de subsidie maximaal het bedrag, berekend overeenkomstig de volgende formule: A x het in artikel 2.2.5.4 vermelde bedrag, B waarbij wordt verstaan onder A: de volgens artikel 2.2.5.6 in aanmerking komende lasten van de subsidieontvanger; B: de volgens artikel 2.2.5.6 in aanmerking komende laten van alle subsidieontvangers tezamen. Artikel 2.2.5.6 1 Bij het verlenen van de subsidie worden slechts de volgende betalingen van het zorgkantoor in aanmerking genomen: a. de betaling is gedaan aan een rechtspersoon die de regionaal georganiseerde ambulante verslavingszorg verricht, op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.2.5.2, onder b; b. de betaling die bestemd is voor de kosten van de grondstof methadon, de kosten van het toedieningsmateriaal en de kosten voor de bereiding en etikettering, tot maximaal de volgende bedragen per dag per verzekerde: 1° bij bulkaflevering door een apotheek aan de rechtspersoon die de verslavingszorg verleent: € 0,61; 2° bij aflevering geëtiketteerd op naam van de cliënt door de apotheker aan de rechtspersoon die de verslavingszorg verleent: € 0,82; 3° bij individuele aflevering door de apotheker aan de cliënt: € 1,01. 2 Indien BTW verschuldigd is over een bij het zorgkantoor gedeclareerde aflevering, wordt het maximumbedrag voor die aflevering, bedoeld in het eerste lid, onder b, vermeerderd met die BTW. Artikel 2.2.5.7 1 De aanvraag van een subsidie gaat vergezeld van de in artikel 2.2.5.2, onder b, bedoelde overeenkomst. 2 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, gaat de aanvraag niet vergezeld van de begroting en projectplan. Paragraaf 2.2.6 Diagnostiek beroepsziekte organopsychosyndroom Artikel 2.2.6.1 Vervallen Artikel 2.2.6.

Artikel 2

.2.6.3 Vervallen Artikel 2.2.6.4 Vervallen Paragraaf 2.2.7 Drempelvrije poliklinieken voor geslachtsziektebestrijding Artikel 2.2.7.1 Voor een projectsubsidie voor diagnostiek en behandeling in de polikliniek van patiënten met seksueel overdraagbare aandoeningen en de in het kader van die behandeling noodzakelijke geneesmiddelen komen in aanmerking de beherende rechtspersonen van: a. gemeentelijke geneeskundige en gezondheidsdienst te Amsterdam; b. Medisch Centrum Haaglanden, locatie Westeinde te Den Haag; c. Ziekenhuis Leyenburg te Den Haag; d. Havenziekenhuis te Rotterdam; e. het Academisch Ziekenhuis Rotterdam (Erasmus Medisch Centrum), polikliniek venereologie te Rotterdam; f. het Academisch Ziekenhuis Utrecht (Universitair Medisch Centrum Utrecht), afdeling dermatologie te Utrecht; g. GGD Den Haag; h. GGD Groningen; i. GGD Hart voor Brabant; j. GGD Nijmegen; k. GGD Rotterdam; l. GGD Utrecht; m. GGD Zuidelijk Zuid Limburg. Artikel 2.2.7.2 1 De gesubsidieerde activiteiten bestaan uit: a. diagnostiek van de volgende aandoeningen: 1°. urethritis veroorzaakt door Mycoplasma hominis, Ureaplasma urealyticum, niet specifieke urethritis; 2°. vaginitis en fluor veroorzaakt door Candidiasis; 3°. proctitis veroorzaakt door niet specifieke proctitis; 4°. balanopothitis veroorzaakt door Candida albicans, Candida glabrata, overige Candida species, Anaëroben, Aëroben, HPV; 5°. wratten en pukkels veroorzaakt door Condyloma acuminatum, Molluscen, Condylomata lata in het kader van syfilis; 6°. jeuk veroorzaakt door schurft; 7°. geelzucht veroorzaakt door Hepatitis A, Hepatitis B, Hepatitis C. b. diagnostiek en behandeling van de volgende aandoeningen: 1°. ulceratieve klachten veroorzaakt door primaire syfilis, herpes genitalis, chancroïd, lymfogranuloma venereum, granuloma inguinale; 2°. urethritis veroorzaakt door Chlamydia trachomatis, Neisseria gonorrhoeae; 3°. vaginitis en fluor veroorzaakt door Trichomonas vaginalis, bacteriële vaginose; 4°. proctitis veroorzaakt door Chlamydia trachomatis, Lymfogranuloma Venereum, Neisseria gonorrhoeae, Herpes proctitis; 5°. balanoposthitis veroorzaakt door Trichomonas vaginalis, Chlamydia trachomatis. 6°. jeuk veroorzaakt door schaamluis; 7°. buikpijn bij de vrouw veroorzaakt door Pelvic Inflammatory Disease (PID); 8°. pijnlijk scrotum veroorzaakt door Epididymitis. 2 Bij de aandoeningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de patiënt naar de huisarts verwezen nadat de diagnose door de polikliniek is gesteld, waarbij de polikliniek, indien noodzakelijk, met de behandeling kan starten. Artikel 2.2.7.3 Subsidie wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de patiënt heeft onoverkomelijke bezwaren om zich voor de behandeling van seksueel overdraagbare aandoeningen tot de eigen huisarts te wenden; b. er worden geen betalingen van patiënten gevraagd voor de gesubsidieerde activiteiten. Artikel 2.2.7.4 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 7 800

  1. Artikel 2.2.7.5 1 De subsidie, bedoeld in artikel 2.2.7.1, bedraagt maximaal het laagste van de in de volgende onderdelen bedoelde bedragen: a. het bedrag van het saldo van de met inachtneming van deze paragraaf in aanmerking te nemen lasten en baten; b. het bedrag dat ontstaat door het totale aantal patiënten van de polikliniek van de subsidieontvanger die de polikliniek consulteert voor een bij hen nog niet eerder geconstateerde aandoening dan wel voor het opnieuw optreden van de aandoening waarvan de behandeling reeds in eerder stadium succesvol was beëindigd, te vermenigvuldigen met een bedrag van €
  2. 2 Indien de som van de subsidies verstrekt aan de in artikel 2.2.7.1 genoemde rechtspersonen berekend overeenkomstig het eerste lid, het subsidieplafond overschrijdt, wordt de subsidie vastgesteld overeenkomstig de volgende formule: (A : B) × C, waarbij wordt verstaan onder: A: het totaalbedrag volgens artikel 2.2.7.4; B: het totaal aantal van de patiënten van alle poliklinieken tezamen, die de polikliniek consulteren voor een bij hen nog niet eerder geconstateerde aandoening dan wel voor het opnieuw optreden van de aandoening waarvan de behandeling reeds in een eerder stadium succesvol was beëindigd; C: het totaal aantal van de patiënten van de polikliniek van de subsidieontvanger, die de polikliniek consulteren voor een bij hen nog niet eerder geconstateerde aandoening dan wel voor het opnieuw optreden van de aandoening waarvan de behandeling reeds in een eerder stadium succesvol was beëindigd. Artikel 2.2.7.6 In afwijking van artikel 1.3.1 worden slechts lasten die noodzakelijk zijn voor de behandeling in aanmerking genomen, met inachtneming van de beleidsregels voor ziekenhuizen van het College tarieven gezondheidszorg/Zorgautoriteit i.o. Artikel 2.2.7.7 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, gaat de aanvraag niet vergezeld van een activiteitenplan. Artikel 2.2.7.8 1 De subsidieontvanger registreert op zorgvuldige wijze de hulpverleningsgegevens en gegevens over de verzekeringsvorm van de patiënt. 2 De subsidieontvanger registreert gegevens overeenkomstig de aanwijzingen in het Gebruikersreglement SOA peilstation (versie 2003) en verstrekt deze desgevraagd aan de door het College zorgverzekeringen hiervoor aangewezen instelling. Paragraaf 2.2.8 Projecten Families First Artikel 2.2.8.1 Vervallen Artikel 2.2.8.

Artikel 2

.2.8.3 Vervallen Artikel 2.2.8.4 Vervallen Artikel 2.2.8.5 Vervallen Artikel 2.2.8.6 Vervallen Paragraaf 2.2.9 Regionale hersenletselteams Artikel 2.2.9.1 Vervallen Artikel 2.2.9.

Artikel 2

.2.9.3 Vervallen Artikel 2.2.9.4 Vervallen Artikel 2.2.9.5 Vervallen Artikel 2.2.9.6 Vervallen Paragraaf 2.2.10 Integrale vroeghulp Artikel 2.2.10.1 Vervallen Artikel 2.2.10.

Artikel 2

.2.10.3 Vervallen Artikel 2.2.10.4 Vervallen Artikel 2.2.10.5 Vervallen Artikel 2.2.10.6 Vervallen Paragraaf 2.2.11 Agalsidase Artikel 2.2.11.1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: agalsidase: de geregistreerde geneesmiddelen Fabrazyme en Replagal; protocol: een door het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam ontwikkelde en door het College zorgverzekeringen goedgekeurde verzameling van richtlijnen voor de behandeling met en het onderzoek naar agalsidase bij verzekerden met de ziekte van Fabry. Artikel 2.2.11.2 1 Aan het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend voor de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 voor het volgens protocol behandelen van maximaal vijfenveertig verzekerden met een matig tot ernstig ziektebeeld van de ziekte van Fabry. 2 De subsidie heeft mede als doel de therapeutische waarde en de doelmatigheid van de behandelingen te kunnen vaststellen. Artikel 2.2.11.3 1 De subsidie wordt verleend voor de volgende activiteiten: het stellen van de diagnose ziekte van Fabry en het beoordelen van de mate van ernst van het ziektebeeld; het volgens protocol behandelen van de verzekerden met de ziekte van Fabry; de coördinatie van de behandeling van de verzekerden met de ziekte van Fabry indien de behandeling wordt verricht door een medisch specialist die werkzaam is buiten het Academisch Medisch Centrum. 2 De vergoeding van de kosten van agalsidase is beperkt tot de werkelijke inkoopprijs van de toegediende agalsidase met een maximum van de voor de betreffende middelen geregistreerde doseringen. 3 Slechts voor de kosten van de behandeling van verzekerden die toestemming hebben gegeven voor het gebruiken van hun behandelgegevens voor het vaststellen van de therapeutische waarde en de doelmatigheid van de behandeling met agalsidase wordt op grond van het eerste lid subsidie verstrekt. Artikel 2.2.11.4 Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2005 voor: de kosten voor agalsidase € 8 100 000; andere dan de onder a bedoelde kosten € 200

  1. Artikel 2.2.11.5 1 De subsidie wordt slechts verleend onder de voorwaarde dat de subsidieontvanger volledige medewerking verleent aan het onderzoek naar het vaststellen van de therapeutische waarde en de doelmatigheid van agalsidase. De subsidieontvanger zal daartoe in ieder geval de gegevens over de behandeling en de resultaten van de behandeling van de verzekerden met de ziekte van Fabry verzamelen en op een zodanige wijze vastleggen, dat de therapeutische waarde en de doelmatigheid van de agalsidasebehandelingen kunnen worden bepaald. 2 De subsidie wordt slechts verleend indien de subsidieontvanger zich inzet om zowel voldoende verzekerden op Replagal met een dosering van 0,2 milligram per kilogram lichaamsgewicht als voldoende verzekerden op Fabrazyme met een dosering van een 1,0 milligram per kilogram lichaamsgewicht in te stellen om een uitspraak te doen over de therapeutische waarde en de doelmatigheid van deze middelen in het kader van het in het eerste lid bedoelde onderzoek. Artikel 2.2.11.6 Uiterlijk 1 juni van het subsidiejaar verstrekt de subsidieontvanger aan het College zorgverzekeringen een overzicht van het verwachte aantal verzekerden dat met agalsidase zal worden behandeld in het daar op volgende jaar. Paragraaf 2.2.12 Kosten hulphonden Artikel 2.2.12.1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. hulphond: een hond die een substantiële bijdrage levert aan de mobiliteit, de algemene dagelijkse levensverrichtingen of de huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen van mensen met een lichamelijke of auditieve handicap, waardoor hun zelfstandigheid wordt vergroot en het beroep op zorgondersteuning vermindert; b. bruikleenovereenkomst: de overeenkomst tussen een verzekerde die geen eigenaar is van de hulphond en een school als bedoeld in artikel 2.2.12.3, overeenkomstig een door het College zorgverzekeringen vast te stellen model; c. teamtrainingsovereenkomst: de overeenkomst tussen een verzekerde die eigenaar is van de hulphond en een school als bedoeld in artikel 2.2.12.3, overeenkomstig een door het College zorgverzekeringen vast te stellen model; d. opleidingskosten: de kosten van de school als bedoeld in artikel 2.2.12.3, voor de opleiding van de aspirant-hulphond, nazorg en eventuele hertraining van de hulphond, instructie aan de verzekerde, en het verschaffen van een tuig, riem, halsband, kam, borstel, voederbak, drinkbak en een mand of stretcher; e. gebruikskosten: de kosten van de verzekerde voor het levensonderhoud, voor de verzorging en voor de ziektekostenverzekeringspremie van een hulphond. Artikel 2.2.12.2 Het subsidieplafond voor de opleidingskosten en gebruikskosten bedraagt voor het jaar 2005 € 1 381
  2. Artikel 2.2.12.3 Voor de opleidingskosten wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend aan de volgende scholen: a. Stichting Hulphond Nederland te Herpen; b. Stichting De hond kan de was doen te Zwanenburg. Artikel 2.2.12.4 1 Van het bedrag genoemd in artikel 2.2.12.2, wordt maximaal € 1 092 671 verstrekt aan subsidie voor opleidingskosten. 2 Door het College zorgverzekeringen zal worden bepaald, op basis van de aanvraag en het gerealiseerde aantal bruikleenovereenkomsten dan wel teamtrainingsovereenkomsten in voorgaande subsidiejaren, welk bedrag maximaal per school voor opleidingskosten beschikbaar is. Artikel 2.2.12.5 1 De subsidie voor opleidingskosten bedraagt per hulphond waarvoor in het subsidiejaar een bruikleenovereenkomst of teamtrainingsovereenkomst is afgesloten € 17
  3. 2 De in het eerste lid genoemde subsidie wordt slechts eenmaal per hulphond verstrekt. Artikel 2.2.12.6 1 De subsidie voor opleidingskosten wordt slechts verstrekt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. er is een bruikleenovereenkomst of teamtrainingsovereenkomst gesloten met een verzekerde die volledig doof is of die als gevolg van blijvende, ernstige lichamelijke functiebeperkingen aangewezen is op hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen of huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen; b. de verzekerde dient redelijkerwijs te zijn aangewezen op het gebruik van een hulphond; c. de verzekerde is zelf in staat en bereid voor de hulphond te zorgen dan wel in geval van nood de zorg voor de hulphond te organiseren; d. de hulphond is een passende voorziening voor verzekerde; e. de hulphond voldoet aan de door het College zorgverzekeringen bij nadere regeling vast te stellen medische eisen; en f. de hulphond voldoet aan de kwaliteitseisen die de school stelt. 2 Bij de toepassing van onderdelen a tot en met d van het eerste lid baseert het College zorgverzekeringen zich onder meer op een schriftelijk indicatie-advies, gegeven door een persoon of organisatie waarmee het College zorgverzekeringen ten behoeve van de indicatiestelling een overeenkomst heeft gesloten. Artikel 2.2.12.7 Indien de bruikleenovereenkomst inzake een hulphond eindigt vóór diens zesde levensjaar, zet de school, voor zover de hulphond als zodanig inzetbaar is, deze in het kader van een nieuwe bruikleenovereenkomst in. Artikel 2.2.12.8 Indien een hond binnen twee jaar, te rekenen vanaf het moment waarop deze voor het eerst als hulphond functioneert, niet meer aan de eisen, bedoeld in artikel 2.2.12.6, onder e en f, voldoet en de school dit wist of redelijkerwijs had kunnen weten, wordt de school verplicht de subsidie terug te betalen. Artikel 2.2.12.9 De school stelt terstond schriftelijk het College zorgverzekeringen op de hoogte van: a. het feit dat een verzekerde in aanmerking wenst te komen voor een bruikleenovereenkomst of een teamtrainingsovereenkomst door middel van het door het College zorgverzekeringen daartoe vastgestelde registratieformulier; b. het aangaan van een bruikleenovereenkomst waarbij een hulphond wordt ingezet die reeds in het kader van een eerdere bruikleenovereenkomst werkzaam is geweest. Een afschrift van de eerdere bruikleenovereenkomst wordt bij de melding gevoegd; c. de beëindiging van een bruikleenovereenkomst of teamtrainingsovereenkomst, waarbij wordt ingegaan op de reden van de beëindiging; d. het overlijden van een hulphond; e. het niet meer voldoen aan de kwaliteitseisen van een bepaalde hulphond. Artikel 2.2.12.10 Aan een verzekerde wordt op aanvraag subsidie verstrekt voor een tegemoetkoming in de gebruikskosten. Artikel 2.2.12.11 Voor verstrekking van subsidie voor gebruikskosten zijn van hoofdstuk 1 slechts de artikelen 1.1.1, 1.1.2, 1.8.4, eerste en derde lid, 1.8.10 en 1.8.14, eerste tot en met derde lid van toepassing. Artikel 2.2.12.12 Van het bedrag, genoemd in artikel 2.2.12.2, wordt maximaal € 288 408 verstrekt aan subsidie voor gebruikskosten. Artikel 2.2.12.13 1 De subsidie voor de tegemoetkoming in de gebruikskosten aan de verzekerde bedraagt per hulphond op jaarbasis €
  4. 2 De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt naar rato van het aantal weken in een subsidiejaar dat de hond bij verzekerde als hulphond in gebruik is en tevens een ziektekostenverzekering ten behoeve van de hulphond geldt. 3 Het College zorgverzekeringen kan tot een maximum van € 400 per jaar aanvullende subsidie verstrekken voor medische kosten voor de hulphond, voorzover deze kosten bestaan uit medicijnkosten voor artrose en extra kosten in verband met door een dierenarts voorgeschreven dieetvoer. De aanvullende subsidie wordt slechts verstrekt indien de gebruikskosten door hoge medische kosten voor de hulphond meer dan € 984 bedragen. Artikel 2.2.12.14 1 De subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 2.2.12.13 wordt bij het College zorgverzekeringen ingediend: a. vóór 1 mei van het subsidiejaar, indien op 1 januari van dat jaar er een bruikleenovereenkomst was of een door de school, bedoeld in artikel 2.2.12.3, onderdeel b, ondertekende verklaring dat de hond aan de kwaliteitseisen voldoet; b. binnen drie maanden nadat de bruikleenovereenkomst is afgesloten of de school, bedoeld in artikel 2.2.12.3, onderdeel b, een ondertekende verklaring heeft afgegeven waaruit blijkt dat de hond aan de kwaliteitseisen voldoet. 2 De subsidieaanvraag gaat vergezeld van: a. een kopie van de polis van de ziektekostenverzekering, afgesloten ten behoeve van de in gebruik zijnde hulphond; b. een verklaring niet ouder dan twee maanden van een dierenarts omtrent de gezondheidstoestand van de hulphond, overeenkomstig een door het College zorgverzekeringen vastgesteld model; c. een kopie van de bruikleenovereenkomst of de ondertekende verklaring van de school, bedoeld in artikel 2.2.12.3, onderdeel b, dat de hond aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet. Artikel 2.2.12.15 Binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag geeft het College zorgverzekeringen een beschikking tot vaststelling van de subsidie voor gebruikskosten. Artikel 2.2.12.16 1 Het College zorgverzekeringen evalueert deze subsidieparagraaf uiterlijk drie jaar nadat deze in werking is getreden. 2 De school en de verzekerde verlenen hun medewerking aan de evaluatie van de regeling. Daartoe leveren zij op verzoek van het College zorgverzekeringen alle benodigde gegevens aan. Paragraaf 2.2.13 Laronidase Artikel 2.2.13.1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. MPS 1: mucopolysaccharidose type 1; b. laronidase: het geregistreerde geneesmiddel Aldurazyme™ voor de behandeling van de niet-neurologische manifestaties bij patiënten met een bevestigde diagnose van matig tot ernstig MPS 1; c. protocol: de door het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam, het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam en het Universitair Medisch Centrum te Utrecht gezamenlijk ontwikkelde en door het College zorgverzekeringen goedgekeurde richtlijnen voor de behandeling met laronidase gedurende het onderzoekstraject. Artikel 2.2.13.2 1 Aan het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend voor de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 voor het volgens protocol behandelen van niet-neurologische manifestaties van maximaal 17 verzekerden met een matig tot ernstig ziektebeeld MPS
  5. 2 Aan het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 voor het volgens protocol behandelen van niet-neurologische manifestaties van maximaal 28 verzekerden met een matig tot ernstig ziektebeeld MPS
  6. 3 De subsidie heeft mede als doel meer inzicht te verkrijgen in de effectiviteit van de behandelingen. Artikel 2.2.13.3 1 De subsidie wordt verleend voor de volgende activiteiten: a. het stellen van de diagnose MPS 1 en het beoordelen van de mate van ernst van het ziektebeeld door een medisch specialist die werkzaam is in het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam, het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam of het Universitair Medisch Centrum te Utrecht; b. het volgens protocol behandelen van de niet-neurologische manifestaties bij verzekerden met een matig tot ernstig MPS 1; c. de coördinatie van de behandeling van verzekerden met laronidase. 2 De subsidiëring is beperkt tot het behandelen van de niet-neurologische manifestaties van verzekerden met matig tot ernstig MPS 1 die toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun behandelgegevens voor het verkrijgen van meer inzicht in de effectiviteit van de behandeling met laronidase. 3 De vergoeding van de kosten van laronidase is beperkt tot de werkelijke inkoopprijs. Artikel 2.2.13.4 De subsidie wordt slechts verleend onder de volgende voorwaarden: a. de verzekerden worden behandeld onder verantwoordelijkheid van een medisch specialist die werkzaam is in één van de in artikel 2.2.13.3, eerste lid, onder a, genoemde academische ziekenhuizen; b. de subsidieontvanger coördineert en evalueert het onderzoek naar de effectiviteit van de behandeling met laronidase en zal daartoe in ieder geval de gegevens over en de resultaten van de behandeling van de verzekerden met matig tot ernstig MPS 1 verzamelen en op een zodanige wijze vastleggen dat meer inzicht wordt verkregen in de effectiviteit van de laronidasebehandeling. Artikel 2.2.13.5 Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2004 voor: a. de kosten voor laronidase € 4.400.000; b. andere dan de onder a bedoelde kosten € 295.
  7. Artikel 2.2.13.6 Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2005 voor: a. de kosten voor laronidase € 5.700.000; b. andere dan de onder a bedoelde kosten € 290.
  8. Artikel 2.2.13.7 Uiterlijk 31 oktober 2005 dient de subsidieontvanger een evaluatierapport voor het onderzoek over de effecten van de behandeling met laronidase aan het College zorgverzekeringen te overleggen. Paragraaf 2.2.14 Weesgeneesmiddelen extramuraal Artikel 2.2.14.1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. weesgeneesmiddel: het door de minister aangewezen voor subsidiëring in aanmerking komende geneesmiddel, waarvan de therapeutische waarde en de doelmatigheid nog niet is vastgesteld en dat niet onderdeel is van de verstrekking medisch-specialistische zorg door of vanwege het ziekenhuis; b. subsidieontvanger: de in de door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregel genoemde instelling, organisatie, vereniging van behandelaren, behandelaar of zorgverlener; c. protocol: richtlijnen voor de behandeling van de aandoening waarvoor aan de fabrikant van het weesgeneesmiddel een handelsvergunning is verleend, die zijn opgesteld door de vereniging van behandelaren of behandelaren en die door het College zorgverzekeringen zijn goedgekeurd. Artikel 2.2.14.2 1 Het College zorgverzekeringen neemt bij de subsidieverstrekking de voorwaarden die de minister bij de aanwijzing van weesgeneesmiddelen stelt in acht. 2 Het College zorgverzekeringen kan bij de subsidieverlening de voorwaarde stellen dat de subsidieontvanger een evaluatieonderzoek verricht. Artikel 2.2.14.3 1 Aan de subsidieontvanger wordt, met inachtneming van de door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregel per weesgeneesmiddel, op aanvraag een projectsubsidie verstrekt. 2 Bij de subsidieverstrekking worden slechts de volgende kosten in aanmerking genomen: a. De kosten van het afgeleverde geneesmiddel; b. De kosten van de geprotocolleerde extra zorgverlening; c. De kosten van coördinatie samenhangend met de behandeling met het weesgeneesmiddel. 3 Slechts voor de kosten van behandeling van verzekerden die toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun behandelgegevens voor het vaststellen van de therapeutische waarde en de doelmatigheid van de behandeling met het weesgeneesmiddel wordt op grond van het eerste lid subsidie verstrekt. Artikel 2.2.14.4 De minister stelt per weesgeneesmiddel het maximale subsidieplafond vast. Artikel 2.2.14.5 Subsidiëring heeft tot doel: a. meer gegevens te verzamelen over de therapeutische waarde en de doelmatigheid van het weesgeneesmiddelen; en b. behandeling met het weesgeneesmiddel van de verzekerde die volgens protocol hiervoor in aanmerking komt. Afdeling 2.3 Subsidies ten laste van het algemeen fonds, op grond van artikel 1p, eerste lid, onder b, Ziekenfondswet Paragraaf 2.3.1 Vergoedingen voor tijdelijk ziekenhuisverblijf Artikel 2.3.1.1 Vervallen Artikel 2.3.1.

Artikel 2

.3.1.3 Vervallen Artikel 2.3.1.4 Vervallen Artikel 2.3.1.5 Vervallen Artikel 2.3.1.6 Vervallen Artikel 2.3.1.7 Vervallen Paragraaf 2.3.2 Gezinsbegeleiding Artikel 2.3.2.1 Voor begeleiding van gezinnen met gezinsleden die een spierziekte hebben, wordt een projectsubsidie verleend aan de Vereniging Spierziekten Nederland te Baarn. Artikel 2.3.2.2 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 371

  1. Artikel 2.3.2.3 In 2005 wordt aan de Vereniging Spierziekten Nederland tevens een subsidie verstrekt van € 557.000 ten behoeve van de kosten van de afbouw van de in deze paragraaf bedoelde activiteiten in 2006 en volgende jaren. Paragraaf 2.3.3 Diabeteseducatie Artikel 2.3.3.1 Voor activiteiten op het gebied van diabeteseducatie wordt een projectsubsidie verleend aan de Diabetes Vereniging Nederland te Leusden. Artikel 2.3.3.2 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 253
  2. Paragraaf 2.3.4 Gezinsbegeleiding Cystic Fibrosis Artikel 2.3.4.1 Voor begeleiding van gezinnen met gezinsleden die Cystic Fibrosis hebben, wordt een projectsubsidie verleend aan de Nederlandse Cystic Fibrosis Stichting te Baarn. Artikel 2.3.4.2 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 24
  3. Paragraaf 2.3.5 Budgettair neutrale substitutie ten behoeve van winkeltaken sociaal pedagogische diensten Artikel 2.3.5.1 Vervallen Artikel 2.3.5.

Artikel 2

.3.5.3 Vervallen Artikel 2.3.5.4 Vervallen Artikel 2.3.5.5 Vervallen Artikel 2.3.5.6 Vervallen Artikel 2.3.5.7 Vervallen Artikel 2.3.5.8 Vervallen Paragraaf 2.3.6 Diensten bij wonen met zorg Artikel 2.3.6.1 1 Aan zorgkantoren wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend voor dienstverleningsprojecten door een instelling bestaande uit activiteiten die mogelijk maken dat: a. verzekerden die opgenomen zijn in een ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten instelling zelfstandig kunnen gaan wonen, dan wel b. verzekerden die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak hebben op zorg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder g, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ hun zelfstandigheid kunnen behouden. 2 Aan zorgkantoren wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend voor een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan te wijzen experiment. Voor projecten die binnen de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen experimenten worden uitgevoerd zijn artikel 2.3.6.1, eerste lid, alsmede artikel 2.3.6.2, eerste lid, niet van toepassing. 3 Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, geeft het zorgkantoor gemotiveerd aan met welke activiteiten naar zijn oordeel de in het eerste lid bedoelde doelen in zijn regio het beste kunnen worden bereikt. 4 Artikel 1.1.3, eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing. 5 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, gaat de aanvraag niet vergezeld van een begroting en een projectplan. Artikel 2.3.6.2 1 Bij het verlenen van subsidie wordt voor een verzekerde per dienstverleningsprojectmaximaal een bedrag van € 2000 per jaar na aftrek van eigen betalingenin aanmerking genomen. 2 Voor een dienstverleningsproject als bedoeld in artikel 2.3.6.1, eerste lid, onder a, wordt slechts subsidie verleend voor zover de instelling aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van de gesubsidieerde activiteiten verminderd met de eigen betaling samen met de kosten van extramurale zorg lager zijn dan de kosten van opname in een ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten instelling, exclusief kapitaallasten en voeding. 3 Voor voortzetting van bestaande activiteiten wordt slechts subsidie verleend voorzover die in het jaar 2003 reeds werden gesubsidieerd op grond van paragraaf 2.3.6 zoals die tot 1 januari 2004 luidde. 4 In afwijking van artikel 2.3.6.1 kan in het jaar 2005 voor voortzetting van de activiteiten, bedoeld in het derde lid, ook subsidie worden verleend indien onmiddellijke beëindiging naar het oordeel van het zorgkantoor aanleiding geeft tot onverantwoorde situaties voor verzekerden waarop de activiteiten reeds in 2003 betrekking hadden. Artikel 2.3.6.3 1 Subsidie wordt slechts verleend voor uitgevoerde activiteiten in de regio van het zorgkantoor. 2 In afwijking van het eerste lid worden ook bestedingen door het zorgkantoor in een andere regio in aanmerking genomen voor zover het College zorgverzekeringen daarvoor vooraf toestemming heeft verleend. Deze toestemming wordt slechts verleend indien de besteding van de subsidie door het zorgkantoor overeenkomstig deze paragraaf in de eigen regio niet mogelijk is en dit in redelijkheid niet aan het zorgkantoor is toe te rekenen en het andere zorgkantoor zich schriftelijk ten opzichte van het zorgkantoor verplicht heeft de overgehevelde middelen in het subsidiejaar te besteden overeenkomstig deze paragraaf. Het College zorgverzekeringen kan voorwaarden aan de toestemming verbinden. Artikel 2.3.6.4 1 Het zorgkantoor verleent slechts subsidie aan een instelling indien: a. er sprake is van een door het zorgkantoor aanvaard projectplan met een aanvaarde begroting waarin: 1°. inzichtelijk is gemaakt uit welke activiteiten het dienstverleningsproject bestaat en hoeveel verzekerden gebruik kunnen maken van deze activiteiten, 2°. inzichtelijk is gemaakt hoe de instelling een adequate betaling door verzekerden per aangeboden activiteit heeft geregeld, 3°. inzicht wordt geboden in de georganiseerde activiteiten, het soort instelling dat de activiteiten uitvoert, de opbouw van de kostprijzen van de uit te voeren activiteiten en de wijze waarop registratie van de verzekerden en de verantwoording van de activiteiten zijn georganiseerd, 4°. is vastgelegd dat bij de afrekening van het dienstverleningsproject over de onder 1°, 2° en 3°, bedoelde onderdelen wordt gerapporteerd; b. de instelling schriftelijk verklaart alle medewerking te zullen verlenen aan de uitvoering van een evaluatie van de ingevolge deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten. 2 Het zorgkantoor geeft bij het verlenenvan subsidie voorrang aan projectplannen die eeninstellingin overleg metde lokale overheid, zorginstellingen, woningcorporaties of lokale welzijnsinstellingen heeft ingediend. Artikel 2.3.6.5 1 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in artikel 2.3.6.1, eerste lid, voor het jaar 2005 bedraagt € 56 805 000. 2 Het subsidieplafond voor experimenten, zoals bedoeld in artikel 2.3.6.1, tweede lid, bedraagt € 5 000 000. Artikel 2.3.6.6 De maximale subsidie voor een zorgkantoor, bedoeld in artikel 2.3.6.5, eerste lid, wordt berekend overeenkomstig de volgende formule: (A / B) x € 56 805 000 waarbij wordt verstaan onder: A: het aantal 75-plussers in de regio van het zorgkantoor op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar; B: het totaal aantal 75-plussers in Nederland op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. Artikel 2.3.6.7 1 Het zorgkantoor meldt een subsidieverlening aan een instelling binnen twee weken na de verlening bij het College zorgverzekeringen. 2 Bij de melding wordt in ieder geval gerapporteerd over de wijze waarop aan de in artikel 2.3.6.4, bedoelde voorwaarden is voldaan. Artikel 2.3.6.8 1 Het zorgkantoor verleent medewerking aan de uitvoering van een evaluatie van de ingevolge deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten. 2 Het zorgkantoor geeft na afloop van het subsidiejaar aan welk effect de gesubsidieerde activiteiten hebben gehad op: a. de verschuiving van intramurale naar extramurale zorg; b. het aantal wachtenden op verblijf in een AWBZ-instelling. 3 Het zorgkantoor registreert op zorgvuldige wijze alle gegevens die door het College zorgverzekeringen noodzakelijk worden geacht voor het verkrijgen van inzicht in het effect van de gesubsidieerde activiteiten. Paragraaf 2.3.7 Artikel 2.3.7.1 Vervallen Artikel 2.3.7.

Artikel 2

.3.7.3 Vervallen Artikel 2.3.7.4 Vervallen Artikel 2.3.7.5 Vervallen Artikel 2.3.7.6 Vervallen Artikel 2.3.7.7 Vervallen Artikel 2.3.7.8 Vervallen Artikel 2.3.7.9 Vervallen Paragraaf 2.3.8 Artikel 2.3.8.1 Vervallen Artikel 2.3.8.

Artikel 2

.3.8.3 Vervallen Artikel 2.3.8.4 Vervallen Artikel 2.3.8.5 Vervallen Artikel 2.3.8.6 Vervallen Artikel 2.3.8.7 Vervallen Artikel 2.3.8.8 Vervallen Artikel 2.3.8.9 Vervallen Artikel 2.3.8.10 Vervallen. Afdeling 2.4 Subsidies ten laste van het algemeen fonds, op grond van artikel 1p, eerste lid, onder c, Ziekenfondswet Paragraaf 2.4.1 Initiatieven op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg Artikel 2.4.1.1 In deze paragraaf wordt onder `initiatieven op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg' of `initiatief' verstaan: activiteiten die niet op geleide van een vrijwillige of individuele hulpvraag worden uitgevoerd en die zich richten op risicogroepen, individuen of groepen met een dreigende psychische stoornis of een verhoogd risico daarop. Artikel 2.4.1.2 1 Zorgkantoren komen in aanmerking voor een projectsubsidie die bestemd is voor het verlenen van subsidies voor initiatieven op het gebied van openbare geestelijke gezondheidszorg. 2 Artikel 1.1.3, eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing. Artikel 2.4.1.2a 1 Subsidie wordt slechts verleend voor uitgevoerde activiteiten in de regio van het zorgkantoor. 2 In afwijking van het eerste lid worden ook bestedingen door het zorgkantoor in een andere regio in aanmerking genomen voor zover het College zorgverzekeringen daarvoor vooraf toestemming heeft verleend. Deze toestemming wordt slechts verleend indien de besteding van de subsidie door het zorgkantoor overeenkomstig deze afdeling in de regio niet mogelijk is en dit in redelijkheid niet aan het zorgkantoor is toe te rekenen en het andere zorgkantoor zich schriftelijk jegens het zorgkantoor verplicht heeft de overgehevelde middelen in het subsidiejaar te besteden overeenkomstig deze paragraaf. Het College zorgverzekeringen kan voorwaarden aan de toestemming verbinden. Artikel 2.4.1.3 Het zorgkantoor verleent slechts subsidie indien: het initiatief in elk geval omvat het actief zoeken van personen uit een risicogroep of het bieden van bemoeizorg aan personen uit die risicogroep; het initiatief de schriftelijke instemming heeft van de lokale overheid; het initiatief wordt uitgevoerd door ten minste twee instellingen van verschillende rechtspersonen; een rechtspersoon die een niet krachtens de wet toegelaten Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geestelijke gezondheidszorginstelling exploiteert, bijdraagt aan de uitvoering van het initiatief; er sprake is van een initiatief in de ontwikkelingsfase; het initiatief bijdraagt aan de totstandkoming of de implementatie van convenanten op lokaal niveau overeenkomstig het landelijk convenant OGGZ; en het zorgkantoor het initiatief subsidieert op basis van een projectplan, waarin in elk geval zijn opgenomen het doel, de looptijd, de wijze en het moment van evalueren van het initiatief en de inspanningen om te komen tot een financiering na de subsidieperiode voor het initiatief. Artikel 2.4.1.4 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 6 521

  1. Artikel 2.4.1.5 1 De maximale subsidies voor het jaar 2005 worden berekend overeenkomstig de maximale subsidies die het College zorgverzekeringen verleende voor de gesubsidieerde activiteiten in het jaar
  2. 2 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, gaat de aanvraag niet vergezeld van de begroting en het projectplan. Artikel 2.4.1.6 1 Het zorgkantoor meldt een subsidieverlening voor een initiatief binnen twee weken na de verlening bij het College zorgverzekeringen. 2 Bij de melding wordt in elk geval gerapporteerd over de wijze waarop aan de in artikel 2.4.1.3 bedoelde voorwaarden is voldaan. Paragraaf 2.4.2 Zorgvernieuwingsprojecten geestelijke gezondheidszorg Artikel 2.4.2.1 1 Zorgkantoren komen in aanmerking voor een projectsubsidie die bestemd is voor het verlenen van subsidies voor zorgvernieuwingsprojecten. 2 Artikel 1.1.3, eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing. Artikel 2.4.2.2 1 Subsidie wordt slechts verleend voor uitgevoerde activiteiten in de regio van het zorgkantoor. 2 In afwijking van het eerste lid worden ook bestedingen door het zorgkantoor in een andere regio in aanmerking genomen voor zover het College zorgverzekeringen daarvoor vooraf toestemming heeft verleend. Deze toestemming wordt slechts verleend indien de besteding van de subsidie door het zorgkantoor overeenkomstig deze afdeling in de eigen regio niet mogelijk is en dit in redelijkheid niet aan het zorgkantoor is toe te rekenen en het andere zorgkantoor zich schriftelijk jegens het zorgkantoor verplicht heeft de overgehevelde middelen in het subsidiejaar te besteden overeenkomstig deze paragraaf. Het College zorgverzekeringen kan voorwaarden aan de toestemming verbinden. Artikel 2.4.2.3 1 Het zorgkantoor verleent slechts subsidie voor een zorgvernieuwingsproject indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: het project wordt uitgevoerd voor rekening en verantwoordelijkheid van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid: die geen krachtens de Ziekenfondswet of Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten instelling exploiteert, die geen directe of indirecte organisatorische of financiële relatie heeft met een krachtens de Ziekenfondswet of Algemene WBZ toegelaten instelling op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg, en waarvan het merendeel van de bestuursleden personen zijn die een wettelijk geregelde psychiatrische zorgaanspraak ontvangt of ontving; het project wordt, uitgedrukt in uren te verlenen hulp, grotendeels door de in onderdeel a, subonderdeel 3° bedoelde personen uitgevoerd; de invloed van uitvoerende personen die een wettelijk geregelde psychiatrische zorgaanspraak ontvingen, is niet kleiner is dan die van professionele hulpverleners; het project omvat een of meer van de volgende psychiatrische zorgonderdelen: onderzoek, advisering en voorlichting, behandeling, begeleiding, verzorging; en de hulp wordt verleend aan verzekerden die geïndiceerd zijn voor een van de ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde psychiatrische zorgaanspraken, 2 Aan de in het eerste lid, onder b en c, gestelde voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan als het project wordt uitgevoerd door rechtspersonen aangesloten bij de Landelijke Federatie Ongebonden Schilvoorzieningen. 3 De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, geldt niet indien de cliëntenvertegenwoordiging van de rechtspersoon schriftelijk verklaart bij de uitvoering van het zorgvernieuwingsproject een op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten instelling op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg te willen betrekken. 4 De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3,geldt niet indien het project een steunpunt voor het persoonsgebonden budget voor geestelijke gezondheidszorg is en wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van een regionale cliëntenorganisatie. Artikel 2.4.2.3.a Artikel 2.4.2.3, eerste lid, onderdeel a, subonderdelen 1 en 2, is niet van toepassing op rechtspersonen die na 1 april 2003 ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten zijn toegelaten. Voor de zorg, waarvoor de rechtspersoon is toegelaten, wordt geen subsidie ingevolge deze paragraaf verleend. Artikel 2.4.2.4 Slechts de feitelijke hulpverlening die direct betrekking heeft op de uitvoering van de zorgonderdelen, bedoeld in artikel 2.4.2.3, eerste lid, onder d, behoort tot de gesubsidieerde activiteiten. Artikel 2.4.2.5 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 6 694
  3. Artikel 2.4.2.6 De maximale subsidies voor het jaar 2005 worden berekend overeenkomstig de maximale subsidies die het College zorgverzekeringen verleende voor de gesubsidieerde activiteiten in het jaar
  4. Artikel 2.4.2.7 1 Het zorgkantoor meldt een subsidieverlening aan een project binnen twee weken na de verlening bij het College zorgverzekeringen. 2 Bij de melding wordt in ieder geval gerapporteerd over de wijze waarop aan de in de artikelen 2.4.2.3 en 2.4.2.4 bedoelde voorwaarden is voldaan. Paragraaf 2.4.3 Consultatie, expertise en bijzondere zorgplannen Artikel 2.4.3.1 1 De zorgkantoren, genoemd in artikel 2.4.3.2, komen in aanmerking voor een projectsubsidie die is bestemd voor het verlenen van subsidies voor bijzondere zorgplannen en consultatie, expertise en bijzondere activiteiten door de Stichting Centra voor Consultatie en Expertise Nederland. 2 Artikel 1.1.3, eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing. Artikel 2.4.3.2 De zorgkantoren, bedoeld in artikel 2.4.3.1, en hun voor de toepassing van deze paragraaf geldende werkgebieden zijn: het Zorgkantoor Groningen voor het werkgebied: de provincies Groningen, Friesland, Drenthe; het Zorgkantoor Twente voor het werkgebied: de provincies Overijssel, Gelderland, Flevoland; het Zorgkantoor Utrecht voor het werkgebied: de provincies Utrecht, Noord-Holland; het Zorgkantoor Midden-Holland voor het werkgebied: de provincies Zuid-Holland, Zeeland; het Zorgkantoor Zuidoost Brabant voor het werkgebied: de provincies Noord Brabant en Limburg. Artikel 2.4.3.3 1 De subsidie wordt verleend voor het volgende: a. de organisatie van de Stichting Centra voor Consultatie en Expertise Nederland voor de in dit artikel bedoelde activiteiten alsmede de consultatie en expertise, bestaande uit de inzet van deskundigheid van de Stichting Centra voor Consultatie en Expertise Nederland, gericht op verzekerden met: 1° een verstandelijke handicap en ernstig probleemgedrag, ongeacht de ernst van de handicap, 2° niet aangeboren hersenletsel, 3° autisme, die gebruik maken van voorzieningen in de gehandicaptenzorg, 4° een lichamelijke handicap en probleemgedrag, 5° een ernstige meervoudige handicap, 6° doofblindheid. b. de uitvoering van een langdurig bijzonder zorgplan dat is gericht op de verzekerden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, met zeer tot extreem ernstig probleemgedrag; c. de uitvoering van een bijzonder zorgplan voor kortdurende ondersteuning dat is gericht op verzekerden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, met ernstig probleemgedrag ongeacht de ernst van de handicap; en d. de bijzondere activiteiten van de Stichting Centra voor Consultatie en Expertise Nederland die samenhangen met aanmelding, registratie en zorgtoeleiding van de voor verzekerde zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geïndiceerde licht verstandelijk gehandicapte jeugdige verzekerden met ernstige problemen en gedragsstoornissen, bij wie is gebleken dat de hulpvraag dusdanig complex of urgent is dat extra activiteiten nodig zijn om tot het juiste zorgaanbod te komen. 2 In afwijking van het eerste lid komen de onder b en c genoemde activiteiten niet voor subsidie in aanmerking indien het bijzondere zorgplan een verstandelijk gehandicapte verzekerde betreft die reeds ten behoeve van zijn of haar ernstige gedragsproblematiek aanvullende zorg ontvangt in een daartoe ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten instelling voor de functies bedoeld in de artikelen 4 tot en met 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, waarbij is bepaald dat de functie verblijf geldt voor verzekerden met een verstandelijke handicap; 3 Subsidie wordt slechts verleend voor de activiteiten binnen het werkgebied van het zorgkantoor. Artikel 2.4.3.4 1 De subsidieontvanger verleent voor de in artikel 2.4.3.3, eerste lid, onder a, bedoelde activiteiten en de in artikel 2.4.3.3, eerste lid, onder d, bedoelde bijzondere activiteiten pas subsidie aan de Stichting Centra voor Consultatie en Expertise Nederland, nadat hij de begrotingen met betrekking tot deze activiteiten heeft goedgekeurd. 2 De subsidieontvanger verleent pas subsidie voor de uitvoering van een bijzonder zorgplan als bedoeld in artikel 2.4.3.3, eerste lid, onder b en c, nadat de Stichting Centra voor Consultatie en Expertise Nederland het goedgekeurde zorgplan heeft gemeld en schriftelijk heeft meegedeeld de financiering van dit zorgplan aangewezen te achten. 3 De subsidieontvanger verleent voor de uitvoering van een bijzonder zorgplan maximaal subsidie tot het bedrag dat de Stichting Centra voor Consultatie en Expertise Nederland aangewezen acht. 4 De subsidieontvanger verleent niet eerder subsidie voor de uitvoering van een bijzonder zorgplan, dan nadat de uitvoerder van het zorgplan zich schriftelijk bereid heeft verklaard inzicht te verschaffen in de uitvoering van het zorgplan. Artikel 2.4.3.5 Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor het jaar 2005 € 24 257
  5. Artikel 2.4.3.6 1 In afwijking van artikel 1.3.1 wordt: a. voor de in artikel 2.4.3.3, eerste lid, onderdeel a en onderdeel d, bedoelde activiteiten, een bedrag van maximaal 53% van het subsidieplafond in aanmerking genomen; b. het maximaal per subsidieontvanger in aanmerking komende bedrag voor de in artikel 2.4.3.3, eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde activiteiten berekend overeenkomstig de volgende formule: A x € 24 257 236 B waarbij wordt verstaan onder: A: het aantal inwoners in het werkgebied van de subsidieontvanger op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar; B: het totale aantal inwoners in de werkgebieden van alle subsidieontvangers tezamen op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. Artikel 2.4.3.7 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat minimaal 47% van de subsidie wordt besteed aan de uitvoering van zorgplannen als bedoeld in artikel 2.4.3.3, onder b en c. Artikel 2.4.3.8 De subsidieontvanger houdt toezicht op een adequate uitvoering van het zorgplan. Paragraaf 2.4.4 MEE-organisaties Artikel 2.4.4.1 1 Aan de door het College zorgverzekeringen, op basis van door het College zorgverzekeringen vast te stellen nadere regels inzake spreiding en behoefte, aangewezen MEE-organisaties worden instellingssubsidies verleend voor laagdrempelige, onafhankelijke en betrouwbare cliëntondersteuning ten behoeve van verzekerden met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een beperking uit het autistisch spectrum. 2 Een MEE-organisatie komt niet voor subsidie in aanmerking indien zij zorg verleent op grond van de AWBZ. 3 Bij de subsidiëring van cliëntondersteuning wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende taken: a. collectieve cliëntondersteuning; b. individuele cliëntondersteuning; en c. de aansturing, coördinatie, ondersteuning en het faciliteren van projecten integrale vroeghulp. Artikel 2.4.4.2 1 Het subsidieplafond voor de taken, bedoeld in artikel 2.4.4.1, derde lid, onderdeel a en b, bedraagt voor het jaar 2005 € 158 227 435, waarvan € 76 587 voor arbeidsmarktbeleid is gereserveerd. 2 Het subsidieplafond voor de taak, bedoeld in artikel 2.4.4.1, derde lid, onderdeel c, bedraagt voor het jaar 2005 € 1 405
  6. Artikel 2.4.4.3 De subsidie wordt verdeeld met inachtneming van de door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregels. Artikel 2.4.4.4 Subsidie voor collectieve cliëntondersteuning, bedoeld in artikel 2.4.4.1, derde lid, onderdeel a, wordt slechts verleend indien de activiteiten van de MEE-organisatie op dit terrein bestaan uit: a. het vergaren en verstrekken van informatie en het geven van voorlichting aan verzekerden met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een beperking uit het autistisch spectrum, hun ouders, andere verwanten, verzorgers en/of vertegenwoordigers; b. signalering van relevante ontwikkelingen en belemmeringen; en c. het scheppen van voorwaarden voor maatschappelijke activering en integratie door middel van het opbouwen en onderhouden van de sociale kaart en relevante netwerken. Artikel 2.4.4.5 Subsidie voor individuele cliëntondersteuning, bedoeld in artikel 2.4.4.1, derde lid, onderdeel b, wordt slechts verleend indien de activiteiten van de MEE-organisatie op dit terrein bestaan uit: a. informatieverstrekking en advisering; b. trajectondersteuning en trajectevaluatie; c. volledige beeldvorming; d. kortdurende en kortcyclische ondersteuning; en e. aanbieding van cursussen in groepen. Artikel 2.4.4.6 Vervallen Artikel 2.4.4.7 Subsidie voor de aansturing, coördinatie, ondersteuning en het faciliteren van een project integrale vroeghulp, bedoeld in artikel 2.4.4.1, derde lid, onder c, wordt slechts verleend indien het project integrale vroeghulp: a. is gebaseerd op een samenwerkingsovereenkomst tussen ten minste de sector voor de kinderrevalidatie en de sector voor de zorg voor kinderen met een verstandelijke handicap; b. beschikt over een team integrale vroeghulp, bestaande uit vertegenwoordigers van een kinderrevalidatiecentrum of de revalidatieafdeling van een ziekenhuis, de subsidieontvanger en de kinderdagcentra voor kinderen met een verstandelijke handicap; c. een onafhankelijk aangestuurde coördinator heeft; d. een pool van deskundige casemanagers heeft; e. beschikt over een laagdrempelig aanmeldpunt; en f. beschikt over een projectplan dat de instemming heeft van de partijen die de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld onder a, zijn aangegaan. Artikel 2.4.4.8 Vervallen Artikel 2.4.4.9 Subsidie wordt slechts verleend voor zover tussen de subsidieontvanger en het voor hem aangewezen zorgkantoor schriftelijk overeenstemming is bereikt over de omvang van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4.4.1, derde lid, onderdeel a, b en c. Artikel 2.4.4.9a Vervallen Artikel 2.4.4.10 1 De artikelen 1.2.
  7. en 1.8.7 zijn niet van toepassing. 2 Toevoegingen aan voorzieningen vinden plaats in overeenstemming met de door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregel. 3 De subsidieontvanger vormt een egalisatiereserve in overeenstemming met de door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregel. Artikel 2.4.4.11 De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een verklaring waaruit blijkt dat er tussen de subsidieontvanger en het voor hem aangewezen zorgkantoor schriftelijk overeenstemming is bereikt als bedoeld in artikel 2.4.4.
  8. Artikel 2.4.4.12 In afwijking van artikel 1.5.1 wordt de aanvraag voor de subsidie van de in artikel 2.4.4.1, derde lid, onder a, b en c genoemde taken uiterlijk 15 maart van het subsidiejaar ingediend. Artikel 2.4.4.13 1 De subsidieontvanger registreert op zorgvuldige wijze alle gegevens die naar het oordeel van het College zorgverzekeringen noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van een goed inzicht in de gesubsidieerde taken. Bij de registratie wordt rekening gehouden met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het medisch beroepsgeheim. 2 De subsidieontvanger bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens gedurende minimaal vijf jaren. Paragraaf 2.4.5 Hulpverlening aan autistische kinderen binnen de hulpverlening voor auditief gehandicapten Artikel 2.4.5.1 Vervallen Artikel 2.4.5.

Artikel 2

.4.5.3 Vervallen Paragraaf 2.4.7 Kwaliteitsbeoordeling in de sector verpleging en verzorging Artikel 2.4.7.1 Vervallen Artikel 2.4.7.

Artikel 2

.4.7.3 Vervallen Artikel 2.4.7.4 Vervallen Artikel 2.4.7.5 Vervallen Paragraaf 2.4.8 Kwaliteitsontwikkeling beroepsgroepen verpleging en verzorging Artikel 2.4.8.1 Voor de implementatie en borging van de resultaten van de projecten en van het kwaliteitsbeleid van de beroepsgroepen Verpleging en Verzorging wordt op aanvraag voor het jaar 2003, voor het jaar 2004 en voor het jaar 2005 een projectsubsidie verleend aan: de Landelijke beroepsvereniging STING; de Algemene Vergadering Verplegenden en Verzorgenden/het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging; de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen. Artikel 2.4.8.2 De subsidie wordt verleend voor de volgende projecten: van de Landelijke beroepsvereniging STING: Visie en doelen, Instrumenten en criteria, Infrastructuur, Effectmeting; van de Algemene Vergadering Verplegenden en Verzorgenden/het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging: Coördinatiepunt Kwaliteitsbeleid Verpleging en Verzorging, waaronder Patiëntenperspectief in richtlijnen en Kwaliteitsbeleid, Tripartiete zorginhoudelijke richtlijnen; van de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen: Multidisciplinaire tripartiete richtlijnen, waaronder Verkenning decentrale structuren kwaliteitsbeleid, Patiëntenperspectief, Communicatiehulpmiddelen. Artikel 2.4.8.3 1 Het subsidieplafond voor de te subsidiëren projecten bedraagt voor het jaar 2005 € 835 332. 2 De subsidie bedraagt maximaal: voor de Landelijke beroepsvereniging STING 45% van het in het eerste lid genoemde bedrag; voor de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen 35 % van het in het eerste lid genoemde bedrag; voor de Algemene Vergadering Verplegenden en Verzorgenden/het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging 20 % van het in het eerste lid genoemde bedrag. 3 Indien een project betrekking heeft op verscheidene beroepsgroepen, wordt het project evenredig naar deelname aan de verschillende beroepsgroepen toegerekend. 4 Bij niet volledige aanwending van de subsidie door een subsidieontvanger als bedoeld in het tweede lid, kunnen de subsidies aan de overige subsidieontvangers worden verhoogd met maximaal het bedrag dat niet is aangewend. 5 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, dient de aanvraag van een projectsubsidie voor 1 maart 2005 ingediend te worden. 6 Indien het totaalbedrag van de voor subsidie in aanmerking komende aanvragen voor een beroepsgroep hoger is dan het subsidieplafond, wordt bij de subsidieverlening voorrang verleend aan de projecten die in vergelijking met andere projecten naar het oordeel van het College zorgverzekeringen meer bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel 2.4.8.4 Subsidie wordt slechts verleend onder de voorwaarde dat de projecten leiden tot: de implementatie en borging van de resultaten van de afzonderlijke gedurende de subsidieperiode 2000-2002 ontwikkelde projecten; de implementatie en borging van het kwaliteitsbeleid als permanente activiteit. Artikel 2.4.8.5 De subsidieontvanger verleent alle medewerking aan de uitvoering van een evaluatie van de volgens deze paragraaf gesubsidieerde projecten. Paragraaf 2.4.6 Artikel 2.4.6.1 Vervallen Artikel 2.4.6.

Artikel 2

.4.6.3 Vervallen Artikel 2.4.6.4 Vervallen Artikel 2.4.6.5 Vervallen Artikel 2.4.6.6 Vervallen Artikel 2.4.6.7 Vervallen Artikel 2.4.6.8 Vervallen Afdeling 2.5 Subsidies ten laste van het algemeen fonds, op grond van artikel 1p, eerste lid, onder d, Ziekenfondswet Paragraaf 2.5.1 Persoonsgebonden budget voor verpleging en verzorging Artikel 2.5.1.1 1 Aan zorgkantoren wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend die is bestemd voor het verlenen van subsidies aan verzekerden in de vorm van persoonsgebonden budgetten ten behoeve van verpleging en verzorging. 2 Artikel 1.1.3, eerste lid, onderdelen b en c, is niet van toepassing. 3 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, gaat de aanvraag niet vergezeld van een begroting en een projectplan. Artikel 2.5.1.

Artikel 2

.5.1.3 Vervallen Artikel 2.5.1.4 1 Subsidie wordt aan het zorgkantoor slechts verleend indien het zorgkantoor bij de subsidieaanvraag schriftelijk instemt met uitbetaling van de persoonsgebonden budgetten namens hem door de Sociale verzekeringsbank, overeenkomstig deze paragraaf. 2 Bij het verlenen van subsidie aan het zorgkantoor worden slechts persoonsgebonden budgetten in aanmerking genomen die zijn toegekend met inachtneming van deze paragraaf. Artikel 2.5.1.5 Het zorgkantoor verleent slechts subsidie voor persoonsgebonden budgetten voor verzekerden in zijn regio. Artikel 2.5.1.6 Vervallen Artikel 2.5.1.7 1 De persoonsgebonden budgetten zijn uitsluitend bestemd voor de betaling van: a. de kosten van door de in aanmerking komende verzekerden ingekochte zorg als omschreven in artikel 15, eerste lid, onder a en b, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 32, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ ; b. de kosten verband houdende met secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals deze zijn opgenomen in de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten. 2 Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verzekerde ten aanzien van wie op grond van het Zorgindicatiebesluit zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 31, onderdelen A, B, E, G en K van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is afgegeven, waaruit volgt dat de verzekerde voorzienbaar langer dan drie maanden is aangewezen op hulp in de vorm van verpleging of verzorging in de thuissituatie, en aan wie op 31 december 2003 reeds een persoonsgebonden budget was toegekend. 3 Voor een persoonsgebonden budget komt niet in aanmerking de verzekerde die verblijft in een instelling waarin aan personen duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft. 4 Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verzekerde die voor de uitvoering van de regeling door het zorgkantoor als zodanig is aangemeld bij de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe zendt het zorgkantoor een door hem ondertekende toekenningsbeschikking naar de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe hanteert de subsidieontvanger de door het College zorgverzekeringen vastgestelde modellen. 5 De verzekerde komt slechts voor een persoonsgebonden budget in aanmerking voor zover het zorgonderdelen betreft die niet op andere wijze worden vergoed. 6 Het zorgkantoor stelt voor de toekenning van persoonsgebonden budgetten slechts voorwaarden die voldoen aan deze paragraaf. 7 De periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend, vangt niet eerder aan dan op de dag van verzending aan de verzekerde van de toekenningsbeschikking en uiterlijk zes maanden na de datum van de toekenningsbeschikking. 8 De verzekerde komt niet in aanmerking voor een persoonsgebonden budget indien de kosten van het persoonsgebonden budget ten opzichte van de kosten van opname in een instelling naar het oordeel van het zorgkantoor niet verantwoord zijn. De eerste volzin is niet van toepassing indien de opneming blijkens een verklaring van een onafhankelijk medicus niet tot de mogelijkheden behoort. 9 Toekenning en verlenging van het persoonsgebonden budget hebben plaats op aanvraag van de verzekerde. Artikel 2.5.1.8 1 De zorgbehoefte van de verzekerde is in uren hulpverlening vastgesteld en vastgelegd. Daarbij wordt de volgende onderverdeling gehanteerd: a. alphahulp; b. huishoudelijke verzorging; c. verpleging; d. verzorging; e. gespecialiseerde verpleging; f. gespecialiseerde verzorging. 2 Omtrent de toekenning van het persoonsgebonden budget beslist het zorgkantoor na overleg met de verzekerde. De toekenning heeft plaats rekening houdend met de in het indicatiebesluit vastgestelde en schriftelijk vastgelegde zorgbehoefte. 3 De verzekerde kan de indicatie realiseren door een combinatie van zorgproducten in natura en een persoonsgebonden budget. Voor een zorgproduct dat tevens in natura wordt geleverd, wordt geen persoonsgebonden budget toegekend. 4 Het toe te kennen persoonsgebonden budget bedraagt per verzekerde per week maximaal het product van het voor die periode vastgestelde aantal uren hulpverlening en de in het zevende lid genoemde uurtarieven verminderd met een bijdrage, waarvan de hoogte wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van paragraaf 2 van hoofdstuk III van het Bijdragebesluit zorg zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 28 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. 5 Indien in de periode tot 1 maart van het subsidiejaar geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 16e, eerste en tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 28 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ , omdat het zorgkantoor niet beschikt over de inkomensgegevens van het peiljaar, wordt voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen voor de periode van 1 januari tot uiterlijk 1 maart van het subsidiejaar uitgegaan van het inkomen in het kalenderjaar dat aan het peiljaar is voorafgegaan. 6 Indien de verzekerde langer dan 6 weken aaneengesloten per jaar in het buitenland verblijft, en hier hulpverleners contracteert die niet vallen onder de Nederlandse fiscale en sociale zekerheidswetgeving, wordt het toe te kennen bedrag berekend overeenkomstig de volgende formule: waarbij wordt verstaan onder: A: het aantal weken dat de verzekerde in Nederland verblijft; B: het getal 52; C: het budget waarvoor de verzekerde op grond van zijn zorgbehoefte in aanmerking komt; D: het aantal weken dat de verzekerde in het buitenland verblijft; E: het voor het betreffende land door het College zorgverzekeringen vastgestelde aanvaardbaarheidspercentage. 7 De uurtarieven voor in het eerste lid bedoelde zorgvormen bedragen: a. alfahulp: € 13,04; b. huishoudelijke verzorging: € 20,39; c. verpleging: € 44,90; d. verzorging: € 26,02; e. gespecialiseerde verpleging: € 50,03; f. gespecialiseerde verzorging: € 32,69. 8 Het zorgkantoor kent aan een verzekerde een lager budget toe dan voortvloeit uit de berekeningen volgens het tweede, vierde en vijfde lid indien: a. de verzekerde een lager budget vraagt; of b. de verzekerde in de periode voorafgaande aan de nieuwe toekenningsperiode minimaal 10% van zijn persoonsgebonden budget niet heeft besteed, tenzij uit een herindicatie blijkt dat de zorgvraag is toegenomen. Artikel 2.5.1.9 1 De toekenning van het budget heeft plaats met inachtneming van het indicatiebesluit en rekening houdend met de termijn waarvoor dit indicatiebesluit geldt. Indien volgens het indicatiebesluit bij de verzekerde sprake is van een urgente situatie, wordt daarmee bij toekenning van de persoonsgebonden budgetten zoveel mogelijk rekening gehouden, met inachtneming van de reeds toegekende budgetten. 2 Op verzoek van de verzekerde of het zorgkantoor heeft herindicatie plaats. 3 Het zorgkantoor bericht de verzekerde uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de indicatieperiode over de einddatum van die periode. Artikel 2.5.1.10 1 Het College zorgverzekeringen draagt op aan de Sociale verzekeringsbank de in het tweede tot en met het vierde lid omschreven taken uit te voeren. 2 Van het toegekende persoonsgebonden budget wordt een bedrag van € 1.089,07 op jaarbasis door de Sociale verzekeringsbank rechtstreeks aan de verzekerde betaald. 3 Het resterende deel van het toegekende persoonsgebonden budget wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld voor betaling van door verzekerden gecontracteerde hulpverleners door de Sociale verzekeringsbank, waarbij de verzekerde is aangemeld. De Sociale verzekeringsbank draagt er zorg voor dat: het budget op correcte wijze wordt aangewend voor de betaling van aan de verzekerde verleende zorg volgens de subsidieregeling; de administratie, waarin begrepen die voor de werkgeversfunctie, in verband met de namens verzekerde verrichte betalingen ten laste van dit deel van het budget en de administratie van de werkgeversfunctie in verband met verrichte betalingen ten laste van de eigen middelen van verzekerde, op behoorlijke wijze plaatsheeft; een collectieve verzekering geldt voor kosten die samenhangen met loondoorbetaling bij ziekte, wettelijke aansprakelijkheid en het arbo-contract en een collectieve verzekering geldt voor kosten die samenhangen met juridische bijstand en schadevergoedingen in het kader van de afwikkeling van arbeidsconflicten; budgethouders, desgevraagd, informatie kunnen inwinnen met betrekking tot vraagstukken over de bestedingsvrijheid en arbeidsrechtelijke aspecten. 4 Betalingen ten laste van het resterende deel, bedoeld in het derde lid, kunnen slechts plaatsvinden tot maximaal de omvang van dit resterende deel op basis van werkelijke kosten. 5 Het zorgkantoor controleert steekproefsgewijs of aan de bestedingsvoorwaarden wordt voldaan. Artikel 2.5.1.11 1 Het zorgkantoor kent pas een persoonsgebonden budget aan de verzekerde toe indien het volgende schriftelijk is vastgelegd tussen het zorgkantoor en de verzekerde: de verplichting van het zorgkantoor de verzekerde te informeren over de voorwaarden waaraan deze moet voldoen om in aanmerking te blijven komen voor een persoonsgebonden budget; de hoogte van het toe te kennen persoonsgebonden budget en de periode waarvoor de toekenning geldt; de wijze waarop het forfaitaire deel van het budget beschikbaar wordt gesteld; de wijze waarop de overige betalingen zullen plaatshebben; de verplichting van verzekerde om: kwalitatief verantwoorde hulp in te kopen, zorg te dragen voor een schriftelijke overeenkomst met de hulpverlener of hulpverleningsinstantie waarin de aard van de te verlenen hulp staat vermeld op basis waarvan de hulpverlener of hulpverleningsinstantie kan worden betaald, de schriftelijke overeenkomst, bedoeld onder 2°, en het Sofi-nummer van de door hem betaalde hulpverlener, voorzover van toepassing, over te leggen aan de Sociale verzekeringsbank, wijzigingen in de omstandigheden, die hebben geleid tot het toekennen van een persoonsgebonden budget, tijdig te melden aan het zorgkantoor, desgevraagd aan het zorgkantoor verantwoording af te leggen over de ten laste van het zorgbudget verrichte betalingen, met de gecontracteerde hulpverlener overeen te komen dat deze de declaratie voor de hulpverlening bij de verzekerde indient binnen zes weken na de maand waarin de hulp is verleend op straffe van niet betaling, met de gecontracteerde hulpverlener overeen te komen dat deze zijn declaratie voor de hulpverlening over enige maand, ineens en in zijn geheel indient, een contract of een wijziging in het zorgcontract niet te laten ingaan voor de eerste van de maand waarin het zorgcontract door de Sociale verzekeringsbank is ontvangen, en de declaratie voor de hulpverlening binnen acht weken na de maand waarin de hulp is verleend bij de Sociale verzekeringsbank in te dienen. 2 Onverminderd het eerste lid wordt een persoonsgebonden budget slechts toegekend indien de verzekerde met de hulpverlener is overeengekomen dat de vakantietoeslag maandelijks, tegelijk met het door de Sociale verzekeringsbank aan de hulpverlener te betalen honorarium, wordt uitbetaald. 3 De ingangsdatum van een budgetovereenkomst of een wijziging op een budgetovereenkomst mag niet liggen voor de eerste van de maand waarin de budgetovereenkomst voor de eerste maal door de Sociale verzekeringsbank is ontvangen. 4 Voorzover strikte handhaving van het eerste lid, onderdelen e, onder 6°, 8° en 9°, en het derde lid leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de verzekerde, kan daarvan worden afgeweken. Artikel 2.5.1.12 Indien een verzekerde die beschikt over een persoonsgebonden budget op grond van deze regeling verhuist naar een andere regio, draagt het zorgkantoor van de oude woonregio zorg voor continuering van het persoonsgebonden budget tot en met 31 december van het subsidiejaar. Artikel 2.5.1.13 1 De periode, waarvoor een persoonsgebonden budget wordt toegekend, bedraagt maximaal de termijn waarvoor het in artikel 2.5.1.7 bedoelde indicatiebesluit geldt, met dien verstande dat zij in ieder geval eindigt op 31 december van het subsidiejaar. Bij ongewijzigde omstandigheden wordt de toekenning ambtshalve verlengd tot het einde van de periode waarvoor het indicatiebesluit geldt. De in de tweede volzin bedoelde verlenging heeft niet plaats indien de resterende periode waarvoor het indicatiebesluit geldt korter is dan een maand. De tweede en derde volzin zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een persoonsgebonden budget, ingevolge artikel 1p van de Ziekenfondswet, dat op 31 december 2000 eindigde. Bij de melding van de verlenging van een toegekend persoonsgebonden budget aan de Sociale verzekeringsbank hanteert het zorgkantoor de door het College zorgverzekeringen vastgestelde modellen. 2 Een wijziging van een reeds toegekend persoonsgebonden budget gaat steeds in op de eerste dag van een maand. Een persoonsgebonden budget eindigt op de laatste dag van een maand. 3 De toekenningsperiode van het persoonsgebonden budget blijft ongewijzigd bij tussentijdse herindicatie en overige wijzigingen van het budget. 4 De periode waarvoor budget is toegekend, eindigt in ieder geval indien de verzekerde: schriftelijk te kennen geeft niet langer prijs te stellen op de toekenning van een persoonsgebonden budget; langer dan twee maanden aaneengesloten is opgenomen in een gezondheidszorginstelling; gebruik maakt van krachtens de Ziekenfondswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of enigerlei andere regeling of verzekering voor verstrekking of vergoeding in aanmerking komende verzorging of verpleging ten huize van de verzekerde; binnen twee maanden na aanvang van de budgetperiode nog geen trekkingsrechten heeft geëffectueerd; of overlijdt. 5 De periode waarvoor het budget is toegekend, eindigt voorts met ingang van de dag waarop een subsidieperiode als bedoeld in artikel 2.5.6.4 begint. 6 Bij toepassing van het vierde lid en bij een substantiële verlaging van het budget bij toepassing van artikel 2.5.1.8 juncto artikel 2.5.1.9 wordt rekening gehouden met de onvermijdbare kosten voor de verzekerde in verband met beëindiging of wijziging van de verplichtingen die de verzekerde aanging in het kader van de besteding van het toegekende budget. 7 Indien de budgetperiode eindigt op 31 december van het subsidiejaar, kan maximaal 10% van de toegekende budgetten in dat subsidiejaar, niet meegerekend een overheveling van niet bestede persoonsgebonden budgetten uit een eerder jaar, worden besteed in daarop aansluitende budgetperioden in het volgende subsidiejaar. Het met toepassing van de eerste volzin overgehevelde bedrag bedraagt niet meer dan het op 31 december van dat subsidiejaar resterende niet bestede persoonsgebonden budget. Artikel 2.5.1.14 Het College zorgverzekeringen kan bij het vaststellen van de subsidie op aanvraag een aanvullende subsidie aan het zorgkantoor verlenen voor extra kosten die voortvloeien uit geschillen over de toekenning of de hoogte van het persoonsgebonden budget, voor zover het ontstaan van deze extra kosten in redelijkheid niet is toe te rekenen aan het zorgkantoor. Artikel 2.5.1.15 1 De subsidieontvanger registreert op zorgvuldige wijze de toegekende persoonsgebonden budgetten en de bestedingsomvang hiervan. 2 De subsidieontvanger bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens gedurende minimaal vijf jaren. Artikel 2.5.1.16 Vervallen Paragraaf 2.5.2 Persoonsgebonden budget voor zorg voor verstandelijk gehandicapten Artikel 2.5.2.1 1 Aan zorgkantoren wordt op aanvraag een projectsubsidie verleend die is bestemd voor het verlenen van subsidies aan verzekerden in de vorm van persoonsgebonden budgetten ten behoeve van zorg voor verstandelijk gehandicapten. 2 Artikel 1.1.3, eerste lid, onderdelen b en c, is niet van toepassing. 3 In afwijking van artikel 1.6.1, tweede lid, gaat de aanvraag niet vergezeld van een begroting en een projectplan. Artikel 2.5.2.

Artikel 2

.5.2.3 Vervallen Artikel 2.5.2.4 1 Subsidie voor toegekende persoonsgebonden budgetten wordt slechts verleend indien het zorgkantoor bij de subsidieaanvraag schriftelijk instemt met uitbetaling van de persoonsgebonden budgetten namens hem door de Sociale verzekeringsbank, overeenkomstig deze paragraaf. 2 Bij het verlenen van subsidie worden slechts persoonsgebonden budgetten in aanmerking genomen die zijn toegekend met inachtneming van deze paragraaf. Artikel 2.5.2.5 Het zorgkantoor verleent slechts subsidie voor persoonsgebonden budgetten voor verzekerden in zijn regio. Artikel 2.5.2.6 Vervallen Artikel 2.5.2.7 1 De persoonsgebonden budgetten zijn uitsluitend bestemd voor de betaling van: kosten van door de in aanmerking komende verzekerden ingekochte navolgende zorgonderdelen, te weten: begeleiding, verzorging, verpleging, behandeling, geneeskundig onderzoek, advisering en ondersteuning, of verblijf; de kosten verband houdende met secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals deze zijn opgenomen in de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten. 2 Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verzekerde die voor de uitvoering van deze regeling door het zorgkantoor als zodanig is aangemeld bij de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe zendt het zorgkantoor een door hem ondertekende toekenningsbeschikking naar de Sociale verzekeringsbank. Hiertoe hanteert de subsidieontvanger de door het College zorgverzekeringen vastgestelde modellen. 3 De periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend, vangt niet eerder aan dan op de dag van verzending aan de verzekerde van de toekenningsbeschikking en uiterlijk zes maanden na de verzenddatum van de toekenningsbeschikking. 4 Het zorgkantoor stelt voor de toekenning van persoonsgebonden budgetten slechts voorwaarden die voldoen aan deze paragraaf. Artikel 2.5.2.8 Voor het toekennen van een persoonsgebonden budget gelden de volgende budgetcategorieën, bedragen en indicatievereisten: Budgetcategorie Bedrag op jaarbasis Indicatievereiste I € 2 763; A II € 5 476; B III € 8 188; C IV € 13 663; D IV a € 16 376; D en A IV b € 19 088; D en B V € 21 851; D en C, F, E V a € 24 513; E en A V b € 27 275; E en B VI € 30 040; E en C VII € 35 464; D en F VIII € 40 888 G waarbij wordt verstaan onder: A: het aangewezen zijn op een zeer lichte vorm van begeleid zelfstandig wonen of een zeer incidentele begeleiding in de thuissituatie gedurende maximaal 5 uren per week; B: het aangewezen zijn op een lichte vorm van begeleid zelfstandig wonen of een incidentele begeleiding in de thuissituatie gedurende maximaal 10 uren per week; C: het aangewezen zijn op een zware vorm van begeleid zelfstandig wonen, begeleiding in de thuissituatie in combinatie met begeleiding op een logeeradres of begeleiding in een dependance gedurende minimaal 11 uren en maximaal 25 uren per week; D: het aangewezen zijn van een volwassene op begeleiding buitenshuis, die voornamelijk overdag nodig is, gedurende meer dan 25 uur per week ; E: het aangewezen zijn van een kind op begeleiding buitenshuis, die voornamelijk overdag nodig is, gedurende meer dan 25 uur per week; F: het aangewezen zijn van een volwassene verblijf en begeleiding gedurende meer dan 25 uren per week; G: het aangewezen zijn van een kind op verblijf en begeleiding gedurende meer dan 25 uren per week. Artikel 2.5.2.9 1 Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt uitsluitend in aanmerking de verstandelijk gehandicapte die op grond van het Zorgindicatiebesluit zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 31, onderdelen A, B, E, G en K van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, voldoet aan de indicatievereisten voor een van de in artikel 2.5.2.8 vermelde budgetcategorieën, en aan wie op 31 december 2003 reeds een persoonsgebonden budget was toegekend. 2 Onverminderd het derde lid wordt bij de toekenning het volgende in acht genomen: a. Indien de budgetperiode het gehele subsidiejaar betreft, wordt het in artikel 2.5.2.8 per budgetcategorie op jaarbasis vermelde bedrag als budget toegekend; b. Indien het budget voor een kortere periode dan een jaar wordt toegekend, wordt het toe te kennen bedrag berekend overeenkomstig de volgende formule: waarbij wordt verstaan onder: A. aantal maanden van de budgetperiode in het subsidiejaar; B. het budget op jaarbasis; c. Indien de verzekerde zorg in natura geniet in een dagverblijf voor gehandicapten wordt het jaarbudget overeenkomstig de volgende formule berekend: waarbij wordt verstaan onder: A: toe te kennen budget op grond van de totale zorgbehoefte; B: aantal dagdelen per week in dagverblijf; C: maximum aantal dagdelen per week in dagverblijf; D: budgetcategorie behorende bij indicatievereiste D of E; en d. Indien de verzekerde langer dan zes weken aaneengesloten per jaar in het buitenland verblijft, en hier hulpverleners contracteert die niet vallen onder de Nederlandse fiscale en sociale zekerheidswetgeving, wordt het toe te kennen bedrag berekend overeenkomstig de volgende formule: waarbij wordt verstaan onder: A: het aantal weken dat de verzekerde in Nederland verblijft; B: het getal 52; C: het budget waarvoor de verzekerde op grond van zijn zorgbehoefte in aanmerking komt; D: het aantal weken dat de verzekerde in het buitenland verblijft; E: het voor het betreffende land door het College zorgverzekeringen vastgestelde aanvaardbaarheidspercentage; 3 Het zorgkantoor kent aan een verzekerde een lager budget toe dan voortvloeit uit de berekeningen volgens het eerste en het tweede lid indien: a. de verzekerde een lager budget vraagt; of b. de verzekerde in de periode voorafgaande aan de nieuwe toekenningsperiode minimaal 10% van zijn persoonsgebonden budget niet heeft besteed, tenzij uit een herindicatie blijkt dat de zorgvraag is toegenomen. 4 In gevallen van kennelijke hardheid kan het zorgkantoor aan de verzekerde die wordt ingedeeld in de budgetcategorieën VII en VIII een hoger budget toekennen dan voortvloeit uit de berekeningen volgens het tweede lid. Toepassing van dit lid meldt het zorgkantoor onmiddellijk aan het College zorgverzekeringen. 5 Toekenning en verlenging van het persoonsgebonden budget hebben plaats op aanvraag van de verzekerde. Artikel 2.5.2.10 De personen die tot en met 31 december 2000 een persoonsgebonden budget ontvingen met toepassing van artikel 13 van de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring persoonsgebonden budget 1999 komen, in afwijking van artikel 2.5.2.8, voor een zelfde budget in aanmerking in 2001 indien zij de wens hiertoe kenbaar maken aan het zorgkantoor. Artikel 2.5.2.11 1 Het College zorgverzekeringen geeft opdracht aan de Sociale verzekeringsbank tot uitvoering van de in de leden twee tot en met vier omschreven taken. 2 Van het toegekende persoonsgebonden budget wordt een bedrag van € 1.089,07 op jaarbasis door de Sociale verzekeringsbank rechtstreeks aan de verzekerde betaald. 3 Het resterende deel van het toegekende persoonsgebonden budget wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld voor betaling van door verzekerden gecontracteerde hulpverleners door de Sociale verzekeringsbank, waarbij de verzekerde is aangemeld. De Sociale verzekeringsbank draagt er zorg voor dat: het budget op correcte wijze wordt aangewend voor de betaling van aan de verzekerde verleende zorg volgens de subsidieregeling; de administratie, waarin begrepen die voor de werkgeversfunctie, in verband met de namens verzekerde verrichte betalingen ten laste van dit deel van het budget en de administratie van de w

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.