← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 2011 (Zutphen)

Kort samengevat

Deze verordening regelt diverse aspecten van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en het milieu binnen de gemeente Zutphen. Het stelt regels vast voor activiteiten en gedragingen op openbare plaatsen en definieert procedures voor vergunningen en ontheffingen.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 2011De raad van de gemeente Zutphen, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouder van 22 november 2011 met nummer 68457; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet b e s l u i t : vast te stellen de volgende verordening: Algemene Plaatselijke Verordening 2011 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1:1Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwwerk: wat in artikel 1.1 van de Bouwverordening Zutphen daaronder wordt verstaan; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: wat in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: wat in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; weg: wat in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. 3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid. 4.[Vervallen] Artikel1:3Indiening aanvraag [Vervallen] Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt. Artikel1:7Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1:8Weigeringsgronden Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. Een vergunning of ontheffing kan voorts worden geweigerd als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat ter verkrijging daarvan in de aanvraag onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt óf als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming zal zijn met hetgeen in de aanvraag is vermeld. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Een vergunning voor een evenement als bedoeld in artikel 2:25 kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 12 weken voor de beoogde datum is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel1:9 Geen positieve beschikking bij te laat beslissen Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening: Artikel: 2:25 Vergunning evenementen; Artikel 2:28 Exploitatievergunning horeca; Artikel 2:39: Exploitatievergunning speelgelegenheid; Artikel 2:40a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Artikel 3:4: Vergunning seksinrichting. Hoofdstuk2Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling1Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel2:2Optochten [gereserveerd] Artikel2:3Kennisgeving openbare manifestatie 1.Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, een vergadering of een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging, vergadering of samenkomst wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging, de vergadering of de samenkomst houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging, de vergadering of de samenkomst houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel2:4Afwijking termijn (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3) Artikel2:5Te verstrekken gegevens (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3) Artikel2:6Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2.Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2:7Feest, muziek en wedstrijd e.d. [gereserveerd] Artikel2:8Dienstverlening [gereserveerd] Artikel2:9Vertoningen op openbare plaatsen. 1.Het is verboden voor publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2.De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Afdeling2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebuik van openbare plaatsen Artikel2:10Het plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan (Vervallen) Artikel2:11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg [Vervallen] Artikel2:12Maken, veranderen van een uitweg [Vervallen] Artikel2:13Veroorzaken van gladheid [gereserveerd] Artikel2:14Winkelwagentjes 1.De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel2:15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp [Vervallen] Artikel2:16Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2:17Kelderingangen e.d. [gereserveerd] Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden in bossen of binnen een afstand van dertig meter daarvan: te roken gedurende een door het college aangewezen periode; voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3.De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel2:19Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:20Vallende voorwerpen Het is verboden op een openbare plaats of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op een openbare plaats. Artikel2:20aGevaarlijke voorwerpen 1.Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behorend tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie en voorzover door het bij zich dragen van de voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting [Vervallen] Artikel2:22Objecten onder hoogspanningslijn [gereserveerd] Artikel2:23Veiligheid op het ijs [gereserveerd] Afdeling3Evenementen Artikel2:24Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover deze worden gehouden in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt; sportwedstrijden, voor zover deze worden gehouden op terreinen of in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt, activiteiten in openbare inrichtingen die in de uitoefening van het bedrijf gebruikelijk zijn; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op een openbare plaats; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op een openbare plaats; een vechtsportevenement in een gebouw dat voor sportwedstrijden is bestemd of overwegend wordt gebruikt; een voetbalwedstrijd, waarbij ten minste één betaald voetbal organisatie is betrokken. 3.Onder evenemententerrein wordt verstaan: de ruimte die in de evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daarnaar te kijken of er aan deel te nemen. Artikel2:25Evenement 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, heeft de houder van een vergunning voor het evenement, tijdens de duur van het evenement, geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het eerste lid. 3.Het is aan anderen dan de vergunninghouder verboden, op het evenemententerrein activiteiten te verrichten, waarvoor krachtens enige gemeentelijke verordening vergunning is vereist en welke activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het eerste lid, tenzij die anderen met de houder van de vergunning een overeenkomst hebben gesloten en zij zich jegens de vergunninghouder hebben verbonden de voorschriften en beperkingen, welke aan de vergunning zijn verbonden, in acht te nemen. 4.Indien derden met de vergunninghouder een overeenkomst hebben gesloten als in derde lid bedoeld, is het bepaalde in tweede lid op hen van overeenkomstige toepassing. 5.De burgemeester weigert een vergunning als de organisator van een evenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid onder e, van slecht levensgedrag is. 6.Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2.25aVrijstelling evenement 1.De burgemeester kan vrijstelling verlenen voor door hem aan te wijzen categorieën evenementen, mits de door de burgemeester te stellen algemene regels worden nageleefd. 2.De burgemeester kan een evenement als bedoeld in het eerste lid verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Artikel2:26Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren. [Vervallen] [Vervallen] Artikel2:26aGedrag bij evenementen (Vervallen) Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel2:27Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, (waterpijp)café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden; terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Artikel2:28Exploitatie openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting, als bedoeld in één van de door de burgemeester aangewezen categorieën, te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning indien de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 3.De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting. 4.Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting. 5.Bij de aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een verklaring omtrent gedrag overgelegd van de exploitant en de op de aanvraag vermelde leidinggevenden, die niet meer dan drie maanden voor de aanvraag van de vergunning is afgegeven. Deze verplichting geldt niet als de openbare inrichting tevens een horecabedrijf is als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet. 6.Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de ingebruikneming van een weg voor een of meer bij de openbare inrichting horende terrassen weigeren: als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; als dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 7.Het bepaalde in het zesde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement. Artikel 2:28a Beëindiging exploitatie openbare inrichting Binnen twee weken na beëindiging van de exploitatie van een openbare inrichting meldt de exploitant dit bij het bevoegde bestuursorgaan. Bij beëindiging van de exploitatie vervalt de vergunning, tenzij de rechtsopvolger van de vergunninghouder binnen vier weken na de overdracht van het bedrijf een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend. De vergunning van de rechtsvoorganger blijft in dat geval van kracht totdat een besluit is genomen op de aanvraag, tenzij zwaarwegende feiten of omstandigheden zich daartegen verzetten. Artikel2:29Sluitingstijd 1.Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven tussen 1.00 uur en 7.00 uur. 2.De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. Artikel2:30Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel2:31Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren; zich te bevinden gedurende de tijd dat de inrichting krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn. Artikel2:32Handel binnen openbare inrichtingen 1.In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht . 2.De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Artikel2:33Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet , treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel2:34Verbod verstrekking sterke drank 1.Het is verboden, bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting: die uitsluitend of in hoofdzaak voor het geven van onderwijs wordt gebruikt; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of -instellingen; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of -instellingen; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is voor het snel serveren en/of verstrekken van al dan niet in eigen onderneming bereide kleine maaltijden of kleine etenswaren, alcoholvrije dranken en/of ijs; die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoerbedrijf. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel2:34aBegripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank, horecabedrijf, horecalocaliteit, inrichting, paracommerciële rechtspersoon, sterke drank, slijtersbedrijf en zwak-alcoholische drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel2:34bRegulering paracommerciële rechtspersonen 1.Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: maandag tot en met vrijdag vanaf 16.00 uur tot 0.00 uur; en zaterdag vanaf 13.00 uur tot 0.00. zondag vanaf 12.00 uur tot 0.00 uur. 2.Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank op dagen dat geen activiteiten of bijeenkomsten worden gehouden die passen binnen de statutaire doelstelling van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. 3.Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Artikel 2:34c Beperking verstrekking drank Het is verboden, bedrijfsmatig of anders dan om niet, alcoholhoudende drank te verstrekken in een inrichting: die uitsluitend of in hoofdzaak voor het geven van onderwijs wordt gebruikt; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of -instellingen. Het is verboden, bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting: die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of -instellingen; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is voor het snel serveren en/of verstrekken van al dan niet in eigen onderneming bereide kleine maaltijden of kleine etenswaren, alcoholvrije dranken en/of ijs; die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoerbedrijf. Het is verboden om in een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waarin hoofdzakelijk gerede eetwaren voor gebruik ter plaatse en elders dan ter plaatse plegen te worden verkocht, niet zijnde een horecalokaliteit, na 22:00 uur zwak-alcoholhoudende drank bedrijfsmatig of anders dan om niet voor gebruik elders dan ter plaatste te verstrekken. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden. Artikel2:34dVerbod happy hours Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 75% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Afdeling6Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2:35Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel2:36Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel2:37Nachtregister [gereserveerd] Artikel2:38Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling7Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Speelgelegenheden In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. De burgemeester weigert de vergunning: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Artikel2:40Kansspelautomaten 1.In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen ; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2.In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal 2 kansspelautomaten toegestaan. 3.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling7ATegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Artikel2:40a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat In dit artikel wordt verstaan onder: exploitant: natuurlijke persoon of een bestuurder van een rechtspersoon of zijn gevolmachtigde, voor wiens rekening en risico een of meer bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke persoon die de algemene of onmiddellijke leiding heeft over een of meer bedrijfsmatige activiteiten; bedrijf: een of meer bedrijfsmatige activiteiten die plaatsvinden in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het in het vijfde lid bedoelde verbod van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als, naar het oordeel van de burgemeester, in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als, naar het oordeel van de burgemeester, de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door die bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: in een door de burgemeester op grond van het derde lid aangewezen gebouw of gebied voor de door de burgemeester vermelde bedrijfsmatige activiteiten, of als de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het vierde lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het vijfde lid weigeren: als ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende beheersverordening; als de en of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór het indienen van de aanvraag om vergunning een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. De burgemeester vraagt de gegevens en bescheiden op die hij voor de beoordeling nodig acht. Daaronder worden in ieder geval begrepen: de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, van de beheerder(s); het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend en waarop de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(

  1. s)kunnen worden bereikt; een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel voor de bedrijfsmatige activiteit(
  2. en)waarvoor vergunning wordt aangevraagd; indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s); een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(
  3. s)gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is om over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen, als: door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf; de exploitant of beheerder toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen als een bedrijf in strijd met het verbod uit het vijfde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. Het is iedereen verboden een overeenkomstig het negende lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. Bij verandering van omstandigheden, waardoor de vergunning gewijzigd moet worden, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Als deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verleende vergunning, die strekt tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. Het in het vijfde lid vermelde verbod treedt voor de exploitant, die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al onder de daarin genoemde bedrijfsmatige activiteiten valt of deze uitoefent in een in het aanwijzingsbesluit vermeld gebouw of gebied, drie maanden na de datum van bekendmaking van het aanwijzingsbesluit in werking. Het aanwijzingsbesluit treedt in een dergelijke situatie eerder in werking als een door de exploitant aangevraagde vergunning wordt geweigerd of ingetrokken. Afdeling 8Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel2:41Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen en betreden gesloten woning of lokaal De burgemeester kan de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar: is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend, of zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel, gelet op het bepaalde in het eerste lid, voortzetting van de sluiting niet langer wordt vereist. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf. De verboden die zijn opgenomen in het derde tot en met het zevende lid van dit artikel zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel2:42Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor bet aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel2:43Vervoer plakgereedschap e.d. 1.Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. 2.Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen of vermommingsmiddelen te vervoeren, bij zich te hebben of te dragen. 2.Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen, of herkenning bij het plegen voornoemde strafbare feiten te voorkomen Artikel2:44aVervoer van geprepareerde voorwerpen 1.Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel2:45Betreden van plantsoenen e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. Artikel2:46Rijden over bermen e.d. [gereserveerd] Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:47aVerplichte route 1.Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2:48Hinderlijk drankgebruik 1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt op grond van krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel2.48aGlaswerk 1.Het is verboden zich zonder redelijk doel buiten een openbare inrichting op of aan de weg te bevinden met een glas of open fles met of zonder alcoholhoudende drank. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een terras behorende bij een openbare inrichting. 3.De burgemeester kan het gebruik van milieuvriendelijke kunststofglazen voorschrijven bij door hem aan te wijzen evenementen. 4.De in het derde lid bedoelde verplichting geldt voor de terrassen van alle openbare inrichtingen die binnen het evenemententerrein, als bedoeld in artikel 2.2.1., gevestigd zijn. 5.De houder van een openbare inrichting als bedoeld in het vierde lid, is verplicht zodanig maatregelen te treffen dat bezoekers geen glaswerk vanuit zijn inrichting mee de openbare weg opnemen. Artikel 2:48b Lachgasverbod [Vervallen] Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen; zich zonder redelijk doel op te houden op een schoolterrein. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw. Artikel 2:49a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties [Vervallen] Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, ruimte waar een geldautomaat geplaatst is, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel2.50aGebiedsontzegging De burgemeester kan degene die, hetzij alleen, hetzij in groepsverband, de openbare orde ernstig verstoort door het plegen van strafbare feiten, of anderszins personen lastig valt of schade toebrengt uit het oogpunt van openbare orde een verbod opleggen om in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn gedurende de tijd in het verbod vermeld. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover de persoon tot wie het verbod is gericht: in het gebied blijkens opgave in het persoonsregister van de gemeente woonachtig is, of aannemelijk maakt dat hij op de plaats of in het gebied werkzaam is, of anderszins aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend belang heeft zich in dat gebied op te houden. De burgemeester bepaalt de plaats of het gebied waarvoor een gebiedsontzegging bij bevel opgelegd kan worden. Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste lid. Artikel2:51Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; daardoor die ingang versperd wordt. Artikel2:52Overlast van fiets of bromfiets op markt en evenemententerrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, evenement, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel2:53Bespieden van personen [gereserveerd] Artikel2:54Bewakingsapparatuur [gereserveerd] Artikel2:55Nodeloos alarmeren [gereserveerd] Artikel2:56Alarminstallaties [gereserveerd] Artikel2:57Loslopende honden 1.Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats: zonder dat die hond is aangelijnd; zonder voorzien te zijn van een halsband of ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het verbod in het eerste lid onder a is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.Het verbod genoemd in het eerste lid onder a is niet van toepassing op de eigenaar, houder of verzorger van een hond: die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel2:58Verontreiniging door honden 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op of aan de weg. 2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. 3.Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, is een ieder die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, verplicht een schepje, zakje of ander doeltreffend hulpmiddel ter onmiddellijke verwijdering van eventuele hondenuitwerpselen bij zich te hebben. 4.Degene die zich met hond op een openbare plaats bevindt, is verplicht de schep, het zakje of ander doeltreffend hulpmiddel op verzoek te laten zien aan de toezichthoudend ambtenaar. 5.De geboden genoemd onder lid 1, 3 en 4 zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. Artikel2:59Gevaarlijke honden 1.Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegt, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder b, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. Het in het eerste lid vermelde verbod geldt niet als: op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden, en het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel2:60Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer , bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. Artikel2:61Wilde dieren [gereserveerd] Artikel2:62Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel2:63Duiven [gereserveerd] Artikel2:64Bijen [gereserveerd] Artikel2:65Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden. Afdeling9Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2:66Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. Artikel2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel2:69Vervreemding van door opkoop verkregen goederen [gereserveerd] Artikel2:70Handel in horecabedrijven [gereserveerd] Afdeling10Consumentenvuurwerk en carbidschieten Artikel2:71Begripsomschrijvingen Deze afdeling verstaat onder consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Artikel2:72Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd. Artikel2:73Verbod afsteken consumentenvuurwerk 1.Het is verboden consumentenvuurwerk tot ontbranding te brengen. 2.Het verbod geldt niet voor fop- en schertsvuurwerk. 3.Het verbod is evenmin van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:73aCarbid schieten 1.Onder carbid schieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/ container- /opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water- of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. 2.Het is verboden zonder vergunning van het college in de openlucht met carbid te schieten. 3.Het verbod in het tweede lid geldt niet als het carbid schieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 18.00 uur, mits de door het college hiervoor vast te stellen nadere regels in acht worden genomen. 4.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet Milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. Afdeling11Drugsoverlast Artikel2:74Handel in en gebruik van verdovende middelen 1.Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. 2.Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een publiek toegankelijk gebouw middelen bedoeld als in artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben. Afdeling12Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel2:75Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:16, 2:19, 2:20a, 2:47, 2:47a, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 van de Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 2011 niet naleven. Artikel2:76Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:77 Cameratoezicht De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van parkeerterreinen en andere plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats vallen. Artikel 2:78 (Gereserveerd) Artikel 2:79 Aanpak woonoverlast Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Hoofdstuk3Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling1Begripsbepalingen Artikel3:1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel3:2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3:3Nadere regels Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Afdeling2Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke Artikel3:4Seksinrichtingen 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000; bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting. Artikel3:5Gedragseisen exploitant en beheerder De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele; zijn niet onherroepelijk veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of op grond van de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater het Wetboek van Strafrecht; artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikelem 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, vermeld in het tweede lid, onder b en c, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, vermeld in het tweede lid, onder b en c, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel3:6Sluitingstijden 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met vrijdag tussen 1.00 en 7.00 uur; op zaterdag en zondag tussen 2.30 en 7.00 uur. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn. 4.Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel3:7Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1.Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel3:8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3:9Straatprostitutie 1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. 2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel3:10Sekswinkels [gereserveerd] Artikel3:11Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Afdeling3Beslissingstermijn: weigeringsgronden Artikel3:12Beslissingstermijn 1.Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3:13Weigeringsgronden 1.De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Afdeling4Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel3:14Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel3:15Wijziging beheer 1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Afdeling5Overgangsbepaling Artikel3:16Overgangsbepaling [gereserveeerd] Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling1Geluidhinder en verlichting Artikel4:1Begripsbepalingen [Vervallen] Artikel4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten [Vervallen] Artikel4:3Kennisgeving incidentele festiviteiten [Vervallen] Artikel4:4Verboden incidentele festiviteiten [Vervallen] Artikel4:5Onversterkte muziek [Vervallen] Artikel4:6Overige geluidhinder [Vervallen] Afdeling2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel4:7Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel4:8Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats ziin natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel4:9Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen [Vervallen] Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen Het is verboden één of meer ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten. Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, thaise wensballon, papierballon, geluksballon, etc. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een heteluchtballon, zijnde een luchtvaartuig. Afdeling3Het bewaren van houtopstanden Artikel4:10Begripsbepalingen [gereserveerd] Artikel4:11Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden [gereserveerd] Artikel4:12Vergunning van rechtswege [gereserveerd] Afdeling4Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel4:13Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. [Vervallen] Artikel4:14Stankoverlast door gebruik van meststoffen [gereserveerd] Artikel4:15Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame [gereserveerd] Artikel4:16Vergunningsplicht lichtreclame [gereserveerd] Afdeling5Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel4:17Begripsbepaling [Vervallen] Artikel4:18Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen [Vervallen] Artikel4:19Aanwijzing kampeerplaatsen [Vervallen] Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling1Parkeerexcessen Artikel5:1Begripsomschrijvingen Deze afdeling verstaat onder: voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990). Artikel5:2Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 50 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel5:3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel5:4Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel5:5Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel5:6Kampeermiddelen e.a. 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg in de bebouwde komt te plaatsen of te hebben; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. Artikel5:7Parkeren van reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op de weg in de bebouwde kom. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Het verbod is voorts niet van toepassing op: campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden; voertuigen die gebruikt worden voor het vervoer van een gehandicapte in combinatie met een geldige gehandicaptenparkeerkaart voor een instelling. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod niet geldt. Artikel5:9Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel5:10Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen (gereserveerd) Artikel5:11Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2.Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel5:12Overlast van fiets of bromfiets 1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. Afdeling2Collecteren Artikel5:13Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2.Onder een inzameling als beodel in het eerste lid, wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die in besloten kring gehouden wordt. 4.Het college kan vrijstelling verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Afdeling3Venten Artikel5:14Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis; 2.Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 1:2 , onder c. van de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Zutphen. Artikel5:15Ventverbod 1.Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 2.Het is verboden te venten: op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 20.00 en 8.00 uur. op door het college aangewezen openbare plaatsen 3.Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 4.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het tweede lid. Artikel5:16Vrijheid van meningsuiting 1.Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet . 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet verboden: op door het college aangewezen openbare plaatsen; of op door het college aangewezen dagen en uren. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid. Afdeling4Standplaatsen Artikel5:17Begripsbepaling [Vervallen] Artikel5:18Standplaatsvergunning en weigeringsgronden [Vervallen] Artikel5:19Toestemming rechthebbende [Vervallen] Artikel5:20Afbakeningsbepalingen [Vervallen] Artikel5:21Aanhoudingsplicht [gereserveerd] Afdeling5Snuffelmarkten Artikel5:22Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. 2.Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; een evenement als bedoeld in artikel 2:24. Artikel5:23Organiseren van een snuffelmarkt 1.Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren: indien de burgemeester het organiseren van de snuffelmarkt verboden heeft in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. indien degene die voornemens is een snuffelmarkt te organiseren daarvan niet tevoren melding heeft gedaan. 2.De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid, onder b binnen drie weken voorafgaand aan de snuffelmarkt met vermelding van: naam en adres van de organisator; adres van het gebouw waar de snuffelmarkt gehouden wordt; de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt gehouden; de frequentie van het houden van de snuffelmarkt; het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden en verhandeld; het aantal standplaatsen; het te verwachten aantal bezoekers; 3.De snuffelmarkt kan worden gehouden indien de burgemeester niet binnen een week na ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen een week na ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van redenen bericht. 4.Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. Afdeling6Openbaar water Artikel5:24Voorwerpen op, in of boven openbaar water [Vervallen] Artikel5:25Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen [Vervallen] Artikel5:26Aanwijzingen ligplaats [Vervallen] Artikel5:27Verbod innemen ligplaats [Vervallen] Artikel5:28Beschadigen van waterstaatswerken [Vervallen] Artikel5:29Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel5:30Veiligheid op het water 1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening. Artikel5:31Overlast aan vaartuigen 1.Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Afdeling7Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel5:31A Begripsbepalingen [Vervallen] Artikel5:32Crossterreinen [Vervallen] Artikel5:33Beperking verkeer in natuurgebieden [Vervallen] Artikel5.33aVoorschriften natuurgebieden en andere terreinen [Vervallen] Afdeling8Verbod vuur te stoken Artikel5:34Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken [gereserveerd] Artikel5:34aVerbod op het gebruik van wensballonnen (Vervallen) Afdeling9Verstrooiing van as [gereserveerd] Hoofdstuk6Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel6:1Strafbepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2.[Vervallen] Artikel6:2Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van deze verordening zijn belast: ambtenaren van politie, als bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafvordering. 2.Met het toezicht op de naleving van deze verordening, behoudens hoofdstuk 3, zijn belast: de bijzondere opsporingsambtenaren, als bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering en werkzaam onder verantwoordelijkheid van de gemeente Zutphen. 3.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. Artikel6:3Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel6:4Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 1.De Algemene plaatselijke verordening Zutphen 2005 wordt ingetrokken 2.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012. Artikel6:5Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel6:6Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 2011. Aldus besloten in de openbare vergadering vande raad van de gemeente Zutphen,gehouden op:De voorzitter, de griffier,Transponeringstabellen De nummering van dit model wijkt op enkele plaatsen sterk af van de nummering van de vorige versie. Om de aansluiting tussen de versies gemakkelijker te maken, zijn hieronder transponeringstabellen opgenomen. Van deze versie naar vorige versie artikel huidige versie vorige versie Artikel 1:1 Begripsbepalingen 1.1 Artikel 1:2 Beslistermijn 1.2 Artikel 1:3 Indiening aanvraag 1.3 Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.4 Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.5 Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.6 Artikel 1:7 Termijnen 1.7 Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.8 Artikel 1:9 Geen positieve beschikking bij te laat beslissen Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 2.1.1.1 Artikel 2:2 Optochten 2.1.2.1 Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 2.1.2.2 Artikel 2:4 Afwijking termijn 2.1.2.3 Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens 2.1.2.4 Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 2.1.3.1 Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. 2.1.4.1 Artikel 2:8 Dienstverlening 2.1.4.2 Artikel 2:9 Straatartiest 2.1.4.3 Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan 2.1.5.1 Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 2.1.5.2 Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 2.1.5.3 Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid 2.1.6.1 Artikel 2:14 Winkelwagentjes 2.1.6.2 Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp 2.1.6.3 Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. 2.1.6.4 Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. 2.1.6.5 Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 2.1.6.6 Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 2.1.6.7 Artikel 2:20 Vallende voorwerpen 2.1.6.8 Artikel 2:20a Gevaarlijke voorwerpen 2.1.6.5.a Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 2.1.6.9 Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 2.1.6.10 Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 2.1.6.11 Artikel 2:24 Begripsbepaling 2.2.1 Artikel 2:25 Evenement 2.2.2 Artikel 2:25a Vrijstelling evenement 2.2.2.a Artikel 2:26 Ordeverstoring 2.2.3 Artikel 2:26a Gedrag bij evenementen 2.2.3.a Artikel 2:27 Begripsbepalingen 2.3.1.1 Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf 2.3.1.2 Artikel 2:29 Sluitingstijd 2.3.1.4 Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 2.3.1.5 Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf 2.3.1.6 Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven 2.5.5 Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan 2.3.1.8 Artikel 2:34 Verbod verstrekking sterke drank 2.3.1.a.1 Artikel 2:35 Begripsbepaling 2.3.2.1 Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie 2.3.2.2 Artikel 2:37 Nachtregister 2.3.2.3 Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister 2.3.2.4 Artikel 2:39 Speelgelegenheden 2.3.3.1 Artikel 2:40 Speelautomaten 2.3.3.2 Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 2.4.1 Artikel 2:42 Plakken en kladden 2.4.2 Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. 2.4.3 Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 2.4.4 Artikel 2:44a Vervoer van geprepareerde voorwerpen 2.4.4. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. 2.4.5 Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. 2.4.6 Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 2.4.7 Artikel 2:47a Verplichte route 2.4.5.a Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 2.4.8 Artikel 2:48a Glaswerk 2.4.8.a Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 2.4.9 Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten 2.4.10 Artikel 2:50a Gebiedsontzegging 2.4.10.a Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. 2.4.11 Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. 2.4.12 Artikel 2:53 Bespieden van personen 2.4.13 Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur 2.4.14 Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren 2.4.15 Artikel 2:56 Alarminstallaties 2.4.16 Artikel 2:57 Loslopende honden 2.4.17 Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 2.4.18 Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 2.4.19 Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 2.4.20 Artikel 2:61 Wilde dieren 2.4.21 Artikel 2:62 Loslopend vee 2.4.22 Artikel 2:63 Duiven 2.4.23 Artikel 2:64 Bijen 2.4.24 Artikel 2:65 Bedelarij Artikel 2:66 Begripsbepaling 2.5.1 Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 2.5.2 Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht 2.5.3 Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen 2.5.4 Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven 2.5.5 Artikel 2:71 Begripsbepalingen 2.6.1 Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 2.6.2 Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 2.6.3 Artikel 2:73a Carbid schieten Artikel 2:74 Drugshandel op straat 2.7.1 Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding 2.8.1 Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 3:1 Begripsbepalingen 3.1.1 Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan 3.1.2 Artikel 3:3 Nadere regels 3.1.3 Artikel 3:4 Seksinrichtingen 3.2.1 Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder 3.2.2 Artikel 3:6 Sluitingstijden 3.2.3 Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 3.2.4 Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 3.2.5 Artikel 3:9 Straatprostitutie 3.2.6 Artikel 3:10 Sekswinkels 3.2.7 Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 3.2.8 Artikel 3:12 Beslissingstermijn 3.3.1 Artikel 3:13 Weigeringsgronden 3.3.2 Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie 3.4.1 Artikel 3:15 Wijziging beheer 3.4.2 Artikel 4:1 Begripsbepalingen 4.1.1 Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 4.1.2 Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 4.1.3 Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten 4.1.4 Artikel 4:5 Onversterkte muziek 4.1.5 Artikel 4:6 Overige geluidhinder 4.1.6 Artikel 4:7 Straatvegen 4.4.5 Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen 4.4.6 Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen 4.4.8 Artikel 4:10 Begripsbepalingen Artikel 4:11 Kapvergunning Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 4.7.1 Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen 4.7.1a Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 4.7.2 Artikel 4:16 Vergunningsplicht lichtreclame Artikel 4:17 Begripsbepaling 4.5.1 Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 4.5.2 Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 4.5.3 Artikel 5:1 Begripsbepalingen 5.1.1 Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 5.1.2 Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 5.1.2a Artikel 5:4 Defecte voertuigen 5.1.3 Artikel 5:5 Voertuigwrakken 5.1.4 Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 5.1.5 Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 5.1.6 Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 5.1.7 Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 5.1.8 Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 5.1.9 Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 5.1.10 Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets 5.1.11 Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen 5.2.1 Artikel 5:14 Begripsbepaling 5.2.2 Artikel 5:15 Ventverbod 5.2.2 Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting 5.2.2 Artikel 5:17 Begripsbepaling 5.2.3.1 Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 5.2.3.2 Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende 5.2.3.3 Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 5.2.3.4 Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht 5.2.3.5 Artikel 5:22 Begripsbepaling 5.2.4 Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 5.2.4 Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 5.3.1 Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 5.3.2 Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats 5.3.3 Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats 5.3.4 Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken 5.3.5 Artikel 5:29 Reddingsmiddelen 5.3.6 Artikel 5:30 Veiligheid op het water 5.3.7 Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen 5.3.8 Artikel 5:32 Crossterreinen 5.4.1 Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 5.4.2 Artikel 5:33a Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen 5.4.3 Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 5.5.1 Artikel 6:1 Strafbepaling 6.1 Artikel 6:2 Toezichthouders 6.2 Artikel 6:3 Binnentreden woningen 6.3 Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 6.4 Artikel 6:5 Overgangsbepaling 6.5 Artikel 6:6 Citeertitel 6.6 Van vorige versie naar huidige versie vorige versie artikel huidige versie 1.1 Artikel 1:1 Begripsbepalingen 1.2 Artikel 1:2 Beslistermijn 1.3 Artikel 1:3 Indiening aanvraag 1.4 Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.5 Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.6 Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.7 Artikel 1:7 Termijnen 1.8 Artikel 1:8 Weigeringsgronden 2.1.1.1 Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 2.1.2.1 Artikel 2:2 Optochten 2.1.2.2 Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 2.1.2.3 Artikel 2:4 Afwijking termijn 2.1.2.4 Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens 2.1.3.1 Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 2.1.4.1 Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. 2.1.4.2 Artikel 2:8 Dienstverlening 2.1.4.3 Artikel 2:9 Straatartiest 2.1.5.1 Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan 2.1.5.2 Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 2.1.5.3 Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 2.1.6.1 Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid 2.1.6.2 Artikel 2:14 Winkelwagentjes 2.1.6.3 Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp 2.1.6.4 Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. 2.1.6.5 Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. 2.1.6.5a Artikel 2:20a Gevaarlijke voorwerpen 2.1.6.6 Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 2.1.6.7 Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 2.1.6.8 Artikel 2:20 Vallende voorwerpen 2.1.6.9 Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 2.1.6.10 Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 2.1.6.11 Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 2.2.1 Artikel 2:24 Begripsbepaling 2.2.2 Artikel 2:25 Evenement 2.2.2.a Artikel 2:25a Vrijstelling evenement 2.2.3 Artikel 2:26 Ordeverstoring 2.2.3.a Artikel 2:26a Gedrag bij evenementen 2.3.1.1 Artikel 2:27 Begripsbepalingen 2.3.1.2 Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf 2.3.1.2a 2.3.1.3 2.3.1.4 Artikel 2:29 Sluitingstijd 2.3.1.5 Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 2.3.1.6 Artikel 2:31 Verbodengedragingen 2.3.1.7 Artikel 2:31 Verboden gedragingen 2.3.1.8 Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan 2.3.1a.1 Artikel 2:34 Verbod verstrekking sterke drank 2.3.2.1 Artikel 2:35 Begripsbepaling 2.3.2.2 Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie 2.3.2.3 Artikel 2:37 Nachtregister 2.3.2.4 Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister 2.3.3.1 Artikel 2:39 Speelgelegenheden 2.3.3.2 Artikel 2:40 Speelautomaten 2.4.1 Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 2.4.2 Artikel 2:42 Plakken en kladden 2.4.3 Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. 2.4.4 Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2:44a Vervoer van geprepareerde voorwerpen 2.4.5 Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. 2.4.5a Artikel 2:47a Verplichte route 2.4.6 Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. 2.4.7 Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 2.4.8 Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 2.4.8a Artikel 2:48a Glaswerk 2.4.9 Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 2.4.9a 2.4.10 Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten 2.4.10a Artikel 2:50a Gebiedsontzeggingen 2.4.11 Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. 2.4.12 Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. 2.4.13 Artikel 2:53 Bespieden van personen 2.4.14 Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur 2.4.15 Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren 2.4.16 Artikel 2:56 Alarminstallaties 2.4.17 Artikel 2:57 Loslopende honden 2.4.18 Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 2.4.19 Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 2.4.20 Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 2.4.20a 2.4.21 Artikel 2:61 Wilde dieren 2.4.22 Artikel 2:62 Loslopend vee 2.4.23 Artikel 2:63 Duiven 2.4.24 Artikel 2:64 Bijen 2.5.1 Artikel 2:66 Begripsbepaling 2.5.2 Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 2.5.3 Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht 2.5.4 Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen 2.5.5 Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven 2.5.5 Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven 2.6.1 Artikel 2:71 Begripsbepalingen 2.6.2 Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 2.6.3 Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 2.7.1 Artikel 2:74 Drugshandel op straat 2.8.1 Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding 3.1.1 Artikel 3:1 Begripsbepalingen 3.1.2 Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan 3.1.3 Artikel 3:3 Nadere regels 3.2.1 Artikel 3:4 Seksinrichtingen 3.2.2 Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder 3.2.3 Artikel 3:6 Sluitingstijden 3.2.4 Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 3.2.5 Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 3.2.6 Artikel 3:9 Straatprostitutie 3.2.7 Artikel 3:10 Sekswinkels 3.2.8 Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 3.3.1 Artikel 3:12 Beslissingstermijn 3.3.2 Artikel 3:13 Weigeringsgronden 3.4.1 Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie 3.4.2 Artikel 3:15 Wijziging beheer 3.5.1 4.1.1 Artikel 4:1 Begripsbepalingen 4.1.2 Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 4.1.3 Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 4.1.4 Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten 4.1.5 Artikel 4:5 Onversterkte muziek 4.1.6 Artikel 4:6 Overige geluidhinder 4.4.1. 4.4.2 4.4.3 4.4.4 4.4.4a 4.4.5 Artikel 4:7 Straatvegen 4.4.6 Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen 4.4.7 4.4.8 Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen 4.4.1 4.4.1a 4.4.2 Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 4.4.3 Artikel 4:16 Vergunningsplicht lichtreclame 4.5.1 Artikel 4:17 Begripsbepaling 4.5.2 Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 4.5.3 Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 4.7.1 Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 4.7.1a Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen 4.7.2 5.1.1 Artikel 5:1 Begripsbepalingen 5.1.2 Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 5.1.2a Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 5.1.3 Artikel 5:4 Defecte voertuigen 5.1.4 Artikel 5:5 Voertuigwrakken 5.1.5 Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 5.1.6 Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 5.1.7 Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 5.1.8 Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 5.1.9 Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 5.1.10 Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 5.1.11 Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets 5.2.1 Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen 5.2.2. Artikel 5:14 Begripsomschrijving Artikel 5:15 Ventverbod 5.2.3.1 Artikel 5:17 Begripsbepaling 5.2.3.2 Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 5.2.3.3 Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende 5.2.3.4 Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 5.2.3.5 Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht 5.2.4 Artikel 5:22 Begripsbepaling Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 5.3.1 Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 5.3.2 Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 5.3.3 Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats 5.3.4 Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats 5.3.5 Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken 5.3.6 Artikel 5:29 Reddingsmiddelen 5.3.7 Artikel 5:30 Veiligheid op het water 5.3.8 Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen 5.4.1 Artikel 5:32 Crossterreinen 5.4.2 Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 5.4.3 Artikel 5:33a Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen 5.5.1 Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 5.6.1 5.6.2 5.6.3 6.1 Artikel 6:1 Strafbepaling 6.2 Artikel 6:2 Toezichthouders 6.3 Artikel 6:3 Binnentreden woningen 6.4 Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 6.5 Artikel 6:5 Overgangsbepaling 6.6 Artikel 6:6 Citeertitel Artikel 2:65 Bedelarij Artikel 2:73a Carbid schieten Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden TOELICHTINGHoofdstuk 1. Algemene bepalingenArtikel 1:1 BegripsomschrijvingenIn dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de definities kan het volgende worden opgemerkt. Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6). Weg Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg maakt daar onderdeel van uitmaakt. In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats. Openbaar water Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Het is daarom praktischer de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus mee gepubliceerd worden. Een alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”. Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d. Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel. Bevoegd gezag Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 2:11).De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Zie verder de toelichting bij artikel 2:10. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering. Artikel 1:2 BeslistermijnTijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn hebben we op acht weken gesteld (tweede lid). Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Artikel 1:3 Indiening aanvraag[vervallen] Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingenIn literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. In de algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingEen vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een ander terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffingDe in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb). Artikel 1:7 TermijnenVóór juni 2007 kende de APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor een krachtens het model verleende vergunning of ontheffing. Vergunningvoorwaarden konden bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek moest worden verlengd. Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn: “Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden, moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal.” (PB L 376/36, nr. 62) Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling. Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de toelichting onder artikel 1:8. Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt. Artikel 1:8 WeigeringsgrondenVergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels kenden tot 2007 vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. We hebben ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. In enkele gevallen is

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.