← Nederland

Verordening van de raad van de gemeente Dijk en Waard houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving gemeente Dijk

In het kort

Deze verordening van de gemeente Dijk en Waard regelt de fysieke leefomgeving en bundelt diverse regels over onder andere erfgoed, veiligheid, gezondheid en milieu in één document. Het doel is een goede leefomgeving te waarborgen door regels te stellen voor activiteiten die hierop van invloed zijn.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening van de raad van de gemeente Dijk en Waard houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving gemeente Dijk en Waard 2023)De raad van de gemeente Dijk en Waard; gelet op: De artikel(

  1. en)149 e.v. van de Gemeentewet en artikel 3.16 Erfgoedwet; Verordening Fysieke Leefomgeving 2022 Algemene Plaatselijke Verordening Heerhugowaard en de Algemene Plaatselijke Verordening Langedijk geldend in 2020 Erfgoedverordening Langedijk 2009 en de Erfgoedverordening Heerhugowaard 2010 besluit: De Verordening Fysieke Leefomgeving 2023 vast te stellen inclusief wijzigingen zoals opgenomen in bijlage 1. De Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard 2022 in te trekken. De raad van de gemeente Dijk en Waard, Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 januari 2023; Overwegende dat de Omgevingswet per 1 juli 2023 in werking treedt, en dat het gewenst is om vooruitlopend hierop de regels over de fysieke leefomgeving in de gemeente Dijk en Waard samen te voegen in één verordening; gelet op artikel(
  2. en)149, 154, 156, 160, eerste lid, aanhef en onder g. en 229 van de Gemeentewet, 96 van de Wet bodembescherming, 8 van de Woningwet en 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikel(
  3. en)12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht, en 4.1, aanhef en onder a. van de Wet natuurbescherming; Besluit: Vast te stellen de: Verordening van de raad van de gemeente Dijk en Waard houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard 2023) waarbij technische aanpassingen en omissies uit de vorige verordening fysieke leefomgeving 2022 worden hersteld. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen Bijlage 1 bij deze verordening bevat begrippen en definities voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Hoofdstuk2.Doelen Artikel2.1Doelen Deze verordening is, met het oog op een goede leefomgeving, gericht op: het waarborgen van de veiligheid; het beschermen van de gezondheid; het beschermen van het milieu; het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; het behoud van cultureel erfgoed; het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; de natuurbescherming; het tegengaan van klimaatverandering; de kwaliteit van bouwwerken; een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; het beheer van infrastructuur; het beheer van watersystemen; het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; het beheer van natuurlijke hulpbronnen; het beheer van natuurgebieden; het gebruik van bouwwerken; en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Hoofdstuk3.Programma’s -Gereserveerd- Hoofdstuk4.Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 4.1 Algemene aanwijzingen Artikel4.1.1Ambtsgebied De regels in deze verordening zijn, tenzij anders aangegeven, van toepassing op het grondgebied van de gemeente Dijk en Waard. Artikel4.1.2Bebouwde kom 1.Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: het gebied binnen de bebouwde kom; het gebied buiten de bebouwde kom. 2.Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, zoals bedoeld in bijlage 1, artikel 1.1. Afdeling 4.2 Aanwijzingen bij specifieke activiteiten Paragraaf4.2.1Inleidende bepalingen Artikel4.2.1.1Het gebruik van het monument Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument. Paragraaf4.2.2Cultureel erfgoed Artikel4.2.2.1.Gemeentelijke monumenten 1.Er zijn gemeentelijke monumenten, die op basis van artikel 1.1 van de Erfgoedwet vanwege hun schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde van bijzonder belang zijn voor de gemeente door burgemeester en wethouders kunnen worden aangewezen op een door eenieder te raadplegen erfgoedregister, waarvoor de regels gelden van paragraaf 5.2.1 over de bescherming van cultureel erfgoed. Het betreft hier geen zaken die zijn aangewezen als rijksmonument of provinciaal monument. 2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet. Artikel4.2.2.2Beschermde stads- en dorpsgezichten De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, beschermde stads- en/of dorpsgezichten aanwijzen waar de regels van paragraaf 5.2.2 gelden, over de bescherming van cultureel erfgoed. Deze gebieden staan vermeld in het erfgoedregister. Artikel4.2.2.3De aanwijzing tot beeldbepalend of karakteristiek pand 1.De gemeenteraad kan op voordracht van het college panden aanwijzen als beeldbepalend pand of karakteristiek pand. 2.Voordat de gemeenteraad over de aanwijzing een besluit neemt, dient het college het advies van de Erfgoedcommissie over deze aanwijzing aan de gemeenteraad te overleggen. Artikel4.2.2.4Termijnen advies en aanwijzingsbesluit De Erfgoedcommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na verzending van het adviesverzoek van het college. De gemeenteraad beslist binnen 16 weken na ontvangst van het advies van de Erfgoedcommissie, maar in ieder geval binnen 24 weken na de adviesaanvraag. Artikel4.2.2.5Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2.2.3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan. Artikel4.2.2.6Registratie op de gemeentelijke lijst beeldbepalende en karakteristieke panden De gemeenteraad registreert het beeldbepalende of karakteristieke pand op de gemeentelijke lijst beeldbepalende en karakteristieke panden. De gemeentelijke lijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het beeldbepalende of karakteristieke pand. Artikel4.2.2.7Intrekken van de aanwijzing De gemeenteraad trekt een aanwijzing van een beeldbepalend of karakteristiek pand pas in en voert een pand pas af van de lijst beeldbepalende en karakteristieke panden na het advies van de Erfgoedcommissie te hebben gehoord. Indien de gemeenteraad de aanwijzing intrekt, is artikel 4.2.2.4 van overeenkomstige toepassing. De intrekking wordt op de gemeentelijke lijst beeldbepalende en karakteristieke panden geregistreerd, onder vermelding van de datum van intrekking van de aanwijzing. Paragraaf4.2.3Geluid en evenementen -gereserveerd- Paragraaf4.2.4Verontreiniging -gereserveerd- Paragraaf4.2.5Aanwijzingen wegen en wateren Artikel4.2.5.1Landschapsreservaat Oosterdel 1.Er is een gebied aangeduid als Landschapreservaat Oosterdel waar de regels van artikel 5.6.4.1 van toepassing zijn. 2.Het gebied als bedoeld in het eerste lid wordt begrensd door Oosterdijk-Sluiskade-Havenplein-Dorpstraat - het west-oost lopende gedeelte van de Lepelaar - verder deze lijn doortrekkende in de richting west-oost tot de Oosterdijk. Paragraaf4.2.6Groenbeheer Artikel4.2.6.1Beschermde bomen Er zijn beschermde bomen en houtopstanden, die vanwege hun bijzondere waarden niet zonder omgevingsvergunning mogen worden geveld. Op deze bomen en houtopstanden zijn de regels van paragraaf 5.7.1 van toepassing. Het college stelt een lijst van beschermde bomen en houtopstanden op. Artikel4.2.6.2Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het college kan kampeerplaatsen aanwijzen waar het verbod, bedoeld in artikel 5.7.2.1, eerste lid, niet van toepassing is. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 5.7.2.1, vijfde lid. Paragraaf4.2.7Bouwen -gereserveerd- Hoofdstuk5.Activiteiten Afdeling 5.1 Inleidende bepalingen Artikel5.1Verantwoordelijkheid naleving Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel5.2Specifieke zorgplicht 1.Degene die een activiteit verricht als bedoeld in dit hoofdstuk en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, met het oog waarop de regels in de betreffende afdeling zijn gesteld, is verplicht: Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; Voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel5.3Algemene aanvraag- en meldingsvereisten 1.Bij een aanvraag of melding zoals bedoeld in dit hoofdstuk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan wel van welke activiteit melding wordt gedaan; het telefoonnummer van de aanvrager of melder; het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; als de aanvraag of melding wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; als de aanvraag of melding elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager c.q. melder of de gemachtigde; en als de aanvrager of melder het voornemen heeft om in plaats van een maatregel die is voorgeschreven in regels als bedoeld in deze verordening, een gelijkwaardige maatregel te treffen voor het beoogde doel van de voorgeschreven maatregel: gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. 2.Waar in deze verordening wordt gevraagd om de volgende gegevens of bescheiden bij de indiening van een aanvraag of melding dienen de volgende kwaliteitscriteria in acht te worden genomen: Een tekening bestaat uit een planologische of bouwtechnische schets, blauwdruk of plattegrond waarin de aan te brengen wijzigingen duidelijk zijn aangegeven; de te hanteren afmetingen duidelijk zijn weergegeven; en de te gebruiken materialen duidelijk zijn weergegeven. Een foto dient Een kleurenfoto te zijn; Scherp te zijn; en Alle onderdelen van de omgeving die nodig zijn om de aanvraag of melding te beoordelen duidelijk, overzichtelijk en onbelemmerd weer te geven. Een vermelding van een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijf bestaat uit De naam van het bedrijf; en Het Kamer van Koophandel-nummer van het bedrijf. 3.Deze indieningsvereisten zijn niet van toepassing voor zover daarin is voorzien in de Wabo. Afdeling 5.2 Cultureel erfgoed Artikel5.2.1Activiteiten Deze paragraaf gaat over omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten, voorbeschermde gemeentelijke monumenten, archeologische monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder deze activiteiten worden in ieder geval verstaan het slopen, wijzigen, verstoren, verplaatsen, onderhouden, verbouwen, herstellen en gebruiken van gemeentelijk erfgoed. Artikel5.2.2Oogmerken 1.De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed die van belang zijn vanwege onder andere: Bijzondere schoonheid, Cultuurhistorische waarde, of Wetenschappelijke waarde Artikel5.2.3Verantwoordelijkheid naleving Aan deze paragraaf wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Ook de zakelijk gerechtigden van een als gemeentelijk erfgoed aangewezen onroerende zaak waaraan of waarbij een activiteit wordt verricht, dragen zorg voor de naleving van de regels over die activiteit. Artikel5.2.4Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 5.2 houdt voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed in ieder geval in dat het cultureel erfgoed niet wordt vernield, beschadigd of in gevaar gebracht. Paragraaf5.2.1Gemeentelijke Monumenten Artikel5.2.1.1Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument: Te slopen, Te verstoren, Te verplaatsen, In enig opzicht te wijzigen 2.Het is ook verboden om zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 4.Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid. 5.De omgevingsvergunning kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken: als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. Artikel5.2.1.2Beoordelingsregels 1.De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2.Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel5.2.1.3Gegevens en bescheiden In aanvulling op de gegevens en bescheiden die moeten worden aangeleverd voor de activiteit die aangevraagd wordt, wordt voor activiteiten met betrekking tot erfgoed een toelichting gegeven waarom de activiteit bijdraagt aan de erfgoedwaarde of deze in ieder geval niet schaadt. Paragraaf5.2.2Beschermd stads-of dorpsgezicht Artikel5.2.2.1Omgevingsvergunning beschermd stads- of dorpsgezicht 1.Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. 2.De omgevingsvergunning kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken: als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. Artikel5.2.2.2beoordelingsregels 1.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 2.De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 3.Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel5.2.2.3Verbodsbepalingen beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1.Het is verboden bouwwerken die gelegen zijn in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht te beschadigen of vernielen. 2.Het is verboden in een beschermd stads- of dorpsgezicht zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met de bij zodanige vergunning gestelde voorschriften: bouwwerken te verstoren, te plaatsen, op te richten, af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; bouwwerken te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het stads- of dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht; onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen straten, wegen, pleinen, wateren, bomen, erfafscheidingen – niet zijnde een bouwwerk – en straatmeubilair te wijzigen. Artikel5.2.2.4Weigeringsgronden 1.De vergunning als bedoeld in artikel 5.2.2.1 eerste lid en artikel 5.2.2.3, tweede lid kan slechts worden verleend indien het belang van de bescherming van het dorpsgezicht zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het betreffende bouwwerk. 2.De vergunning als bedoeld in artikel 5.2.2.3, tweede lid kan, in geval van afbraak, voorts worden geweigerd indien: in plaats van het af te breken bouwwerk een nieuw bouwwerk zal worden opgericht waarvoor een omgevingsvergunning is vereist maar die nog niet is aangevraagd, of; het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het af te breken bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Artikel5.2.2.5Procedure De bepalingen uit artikel 5.2.1.3, artikel 8.3.1.3 en artikel 8.3.1.4 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepaling uit artikel 5.2.2.1. eerste lid. Paragraaf5.2.3Vangnet archeologie Artikel5.2.3.1Vangnet archeologie 1.Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek Afdeling 5.3 Geluid en evenementen Artikel5.3.1Activiteiten Deze paragraaf gaat over activiteiten die een bron zijn van harde, storende of anderszins overlastgevende geluiden. Onder deze activiteiten horen in ieder geval het laten horen van al dan niet versterkte muziek, het gebruik van gemotoriseerde apparaten en vervoersmiddelen. Deze paragraaf gaat ook over activiteiten die ingrijpen in de fysieke leefomgeving die verband houden met geluidsproducerende activiteiten. Hieronder vallen in ieder geval activiteiten die uitgevoerd worden voor het organiseren van een evenement of festiviteit. Artikel5.3.2Oogmerken 1.De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen van geluidsoverlast en geluidshinder en de zorg voor natuur en milieu. Artikel5.3.3Verantwoordelijkheid naleving 1.Aan deze paragraaf wordt voldaan door degene die de geluidsproducerende activiteit uitvoert of organiseert, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel5.3.4Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 5.2 houdt voor geluidsproducerende activiteiten in ieder geval in dat geluidsoverlast redelijkerwijs zoveel mogelijk wordt voorkomen. Hier wordt mede onder verstaan dat activiteiten die redelijkerwijs geacht kunnen worden geluidsoverlast te veroorzaken, zo min mogelijk in de nacht worden uitgevoerd, zo kort mogelijk worden uitgevoerd, en zo sporadisch mogelijk worden uitgevoerd. Paragraaf5.4.1Evenementen Artikel5.4.1.1Evenementen 1.Voor het produceren van geluid ten behoeve van een evenement als bedoeld in artikel 2.24 van de APV is toegestaan als: het evenement, inclusief op- en afbouw, plaatsvindt tussen 07:00 – 24:00, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een wettelijke vrije dag tussen 07:00 – 01:00 uur en zondag tussen 13:00 – 24:00 uur; geen muziek ten gehore wordt gebracht voor aanvangstijd van het evenement en een half uur voor beëindiging van het evenement de muziek wordt gestaakt; het maximale geluidsniveau op een afstand van maximaal 7 meter van de opgestelde luidsprekers niet meer bedraagt dan 65 dB(A) en op de gevel van de dichtstbijzijnde woningen het invallend geluid niet hoger is dan 50 dB(A). In situaties dat de woningen zich op kortere afstand dan 15 meter bevinden, mag het invallend geluid maximaal 55 dB(A) bedragen; Tenzij een evenementenvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.25 van de APV, dat uitdrukkelijk toestaat, is het verboden een evenement, inclusief op- en afbouw, te organiseren voor 07.00 en na 24.00 uur, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een wettelijke vrije dag voor 07.00 uur en na 01.00 uur en zondag voor 13.00 en na 24.00 uur. 2.Tenzij een evenementenvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.25 van de APV, dat uitdrukkelijk toestaat, is het verboden geluid te produceren in afwijking van de in het eerste lid gestelde regels. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin is voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland. Artikel5.4.1.2Beoordelingsregels -gereserveerd- Paragraaf5.4.2Festiviteiten Artikel5.4.2.1Collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een deel van de gemeente. 4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 65dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid, is inclusief onversterkte muziek en stemgeluid en exclusief 10dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 00.00 uur beëindigd, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een wettelijke vrije dag uiterlijk om 01.00 uur. Artikel5.4.2.2Incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan op maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 65dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 00.00 uur beëindigd, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een wettelijke vrije dag uiterlijk om 01.00 uur. 9.De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Paragraaf5.4.3Overige geluidsregels Artikel5.4.3.1Onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder; bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2.Tabel 07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-07.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.Voor de duur van twee uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4.Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. 5.Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 5.4.2.1 en 5.4.2.2. Artikel5.4.3.2Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen, te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland of Omgevingsverordening Noord-Holland aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel5.4.3.3Geluidhinder door dieren Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Artikel5.4.3.4Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland. Afdeling 5.5 Verontreiniging Artikel5.5.1.Activiteiten 1.Deze paragraaf gaat over activiteiten die verontreiniging van het milieu of de openbare ruimte tot gevolg hebben of kunnen hebben. Hieronder valt in ieder geval het brengen of achterlaten van afval en voorwerpen buiten daarvoor bestemde inzamelpunten. Artikel5.5.2.Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn opgesteld met het oog op de bescherming van het milieu, het voorkomen van schade aan de gezondheid, het voorkomen van overlast en het beschermen van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte. Artikel5.5.3.Verantwoordelijkheid naleving Aan deze paragraaf wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel5.5.4.Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 5.2 houdt voor activiteiten die verontreiniging kunnen veroorzaken in ieder geval in dat afvalstoffen niet in het milieu worden gebracht, of wanneer er toch afvalstoffen in het milieu worden gebracht, dit tot een minimale hoeveelheid wordt beperkt. Paragraaf5.5.1Zwerfafval Artikel5.5.1.1Dumpingsverbod 1.Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. 3.Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel5.5.1.2Zwerfafval in de openbare ruimte 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2.Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3.Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. Artikel5.5.1.3Zwerfafval rondom inrichtingen 1.Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2.Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. 3.De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel5.5.1.4Afval en verontreiniging op de weg 1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, of diens opdrachtgever, zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel5.5.1.5Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van de Afvalstoffenverordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Paragraaf5.5.2Overige verontreiniging Artikel5.5.2.1Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken. Artikel5.5.2.2Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke. 1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 van de APV of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 1.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening. Artikel5.5.2.3Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden. 3.Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 8.2.6 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht, de provinciale milieuverordening of de Omgevingsverordening Noord-Holland. Artikel5.5.2.5Verbod oplaten ballonnen 1.Het is verboden ballonnen vrij op te laten stijgen in de open lucht. 2.Onder een ballon als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: elke onbemande ballon die opstijgt door middel van open vuur of door middel van helium of andere gassen en waarvan de richting en/of hoogte niet door menselijk ingrijpen wordt bepaald. Hiermee wordt in ieder geval bedoeld: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon of andere daarmee vergelijkbare ballon. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een heteluchtballon, zijnde een luchtvaartuig. Artikel5.5.2.6Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Afdeling 5.6 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer van de gemeente Artikel5.6.1Activiteiten Deze afdeling gaat over het gebruiken, wijzigen, aanleggen of verwijderen van wegen en wateren in beheer van de gemeente. Artikel5.6.2Oogmerken 1.De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: Het behoeden van de staat en werking van de openbare weg en het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg of dat water; Het bevorderen van de verkeersveiligheid; Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; Het beperken van hinder; en Het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte. 2.De regels over inritten in paragraaf 5.5.4 zijn ook gesteld met het oog op de bescherming van het openbaar groen en de waterhuishouding. Artikel5.6.3Verantwoordelijkheid voor naleving Aan deze paragraaf wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel5.6.4Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht, zoals bedoeld in artikel 5.2, houdt voor deze afdeling in ieder geval in dat de openbare wegen en wateren zo min mogelijk: worden beschadigd; het gebruik ervan wordt gehinderd; niet worden verontreinigd. Paragraaf5.6.5Voorwerpen op of aan de weg Artikel5.6.5.1Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel5.6.5.2Voorwerpen bij evenementen 1.Het ten behoeve van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening Dijk en Waard afsluiten van wegen of weggedeelten, of plaatsen van voorwerpen is toegestaan als: er geen weg(
  4. en)of gedeelte(n)en langer dan 80 meter wordt afgesloten; er geen (gedeelte van een) gebiedsontsluitingsweg wordt afgezet, zoals aangegeven op de plattegrond behorende bij de door de burgemeester krachtens de APV vastgestelde algemene voorschriften voor evenementen; slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 50 m2 per object, met een maximum van vier objecten per evenement 2.Als aan de voorwaarden in het eerste lid niet is voldaan is het afsluiten van wegen of weggedeelten, en het plaatsen van voorwerpen ten behoeve van een evenement slechts toegestaan indien dit in de evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2:25 van de APV is bepaald. Paragraaf5.6.2Uitweg aanleggen Artikel5.6.2.1Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf gaat over het aanleggen van een uitweg naar de openbare weg in beheer bij de gemeente. Artikel5.6.2.2Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 5.2, houdt voor het aanleggen van een uitweg naar de openbare weg in ieder geval in dat: Verkeersonveilige situaties worden voorkomen; De uitweg niet onnodig ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of andere voorziening op of aan de weg; De uitweg niet onnodig ten koste gaat van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; Het openbaar groen door de uitweg niet onevenredig wordt aangetast; en De uitweg gaat niet ten koste van de waterhuishouding. Artikel5.6.2.3Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg aan te leggen naar de openbare weg of een bestaande uitweg te veranderen. Artikel5.6.2.4Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: Een tekening met daarop de gewenste ligging van de uitweg; en Een foto van de bestaande situatie. Een vermelding van een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven bestratingsaannemer of grond-, weg-, en waterbouwaannemer die de werkzaamheden gaat uitvoeren. Een toelichting waarin wordt gemotiveerd waarom de uitweg aangelegd zou moeten worden en waaruit blijkt hoe bij de aanleg van de uitweg rekening gehouden wordt met de oogmerken als bedoeld in artikel 5.6.2. Artikel5.6.2.5Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan alleen worden geweigerd als: Door de uitweg een verkeersonveilige situatie kan ontstaan; De aanleg van de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of andere voorziening op of aan de weg; Het openbaar groen door de uitweg op onaanvaardbare wijze wordt aangetast De uitweg ten koste gaat van de waterhuishouding; of Het perceel al door een andere uitweg wordt ontsloten. Artikel5.6.2.6Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de artikelen 5.3, 5.6.4.2 en 5.6.4.3 Paragraaf5.6.3Aanleggen of veranderen van een weg Artikel5.6.3.1(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Wegenverordening Noord-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Langedijk 2014. 5.Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Paragraaf5.6.4Ligplaatsen Artikel5.6.4.1Ligplaats vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht , de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, of de Waterverordening provincie Noord-Holland. 4.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Paragraaf5.6.5Overige bepalingen over wegen en wateren in beheer bij de gemeente Artikel5.6.5.1Mechanische vaartuigen Oosterdel 1.Het is verboden zonder vergunning van het college te varen met een mechanisch voortbewogen vaartuig in het gebied in artikel 4.2.5.1 aangeduid als Landschapsreservaat Oosterdel. 2.Dit verbod geldt niet voor de als zodanig aangegeven vaarroute door dit gebied. Afdeling 5.7 Groenbeheer 5.7.1Activiteiten Deze afdeling gaat over het gebruiken, wijzigen, aanleggen of verwijderen van openbare groenvoorzieningen. Hieronder valt in ieder geval het vellen van houtopstanden. Artikel5.7.2Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: bescherming van natuurwaarden; bescherming van een leefbare omgeving; en behoud van cultuurhistorische waarden. Artikel5.7.3Verantwoordelijkheid naleving Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorgt voor de naleving van de regels over die activiteit. Artikel5.7.4Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 5.2 houdt voor de afdeling in ieder geval in dat het openbaar groen zoveel mogelijk in stand wordt gehouden. Paragraaf5.7.1Bomenkap Artikel5.7.1.1Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf gaat over het kappen, vellen en snoeien van bomen en andere houtopstanden waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is. Artikel5.7.1.2Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1.Het is verboden zonder een omgevingsvergunning een in artikel 4.2.6.1 aangewezen beschermde boom of houtopstand te vellen of te doen vellen. 2.Het verbod is niet van toepassing op: Het vellen krachtens de Plantenziektenwet; het knotten, kandelaberen of dunnen als noodzakelijke beheermaatregel ter uitvoering van regulier onderhoud; en het vellen krachtens APV artikel 4:11 in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde, de bestrijding van boomziekten of de verspreiders hiervan of in verband met een direct gevaar voor personen of goederen, mits de burgemeester hiervoor toestemming verleent. Artikel5.7.1.3Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: Een vermelding van de exacte boom of houtopstand waar de aanvraag over gaat, middels een kaart, foto of tekening. De reden voor het vellen van de boom of houtopstand. Een toelichting hoe de waarden die verloren gaan bij het vellen van de boom zoveel mogelijk gecompenseerd worden. Artikel5.7.1.4Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden geweigerd in verband met: De natuurwaarde van de houtopstand; De landschappelijke waarde van de houtopstand; De waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; De beeldbepalende waarde van de houtopstand; De cultuurhistorische waarde van de houtopstand; De waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid; De dendrologische waarde van de houtopstand. Artikel5.7.1.5Kapplicht krachtens de Plantenziektenwet Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar oplevert voor verspreiding van een plantenziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: de houtopstand te vellen; en conform richtlijnen de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de plantenziekte wordt voorkomen. Artikel5.7.1.6Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over artikel 5.7.1.2. Deze maatwerkvoorschriften kunnen in ieder geval een herplantplicht inhouden. Paragraaf5.7.2Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel5.7.2.1Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het verbod geldt niet op door het college krachtens artikel 4.2.7.2 aangewezen plaatsen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 8.2.6 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van van natuur en landschap; of van een stadsgezicht. Afdeling 5.8 Bouwen Artikel5.8.1Activiteiten Deze afdeling gaat over het bouwen van bouwwerken en het voorbereiden van de bodem op het bouwen. Artikel5.8.2Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: Het waarborgen van de veiligheid; het beschermen van de gezondheid; het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; de kwaliteit van bouwwerken; het gebruik van bouwwerken. Artikel5.8.3Verantwoordelijkheid naleving Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorgt voor de naleving van de regels over die activiteit. Artikel5.8.4Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 5.2 houdt voor de afdeling in ieder geval in dat: de veiligheid van mensen wordt gewaarborgd bij het uitvoeren van bouwactiviteiten; het gebruik van bouwwerken niet leidt tot onveilige of ongezonde situaties; en verontreiniging van de bodem zoveel mogelijk wordt voorkomen of tegengegaan. Paragraaf5.8.1Bouwen op verontreinigde bodem Artikel5.8.1.1Bodemonderzoek 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. 3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toe als voor toepassing van artikel 5.8.1.2 van deze verordening bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen. 5.Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel5.8.1.2Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel5.8.1.3Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 5.8.1.2 van deze verordening en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Hoofdstuk6.Beheer en onderhoud Afdeling 6.1 Onderhouds- en instandhoudingsverplichtingen Artikel6.1.1Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel6.1.2Instandhoudingsplicht straatkolken en dergelijke Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel6.1.3Instandhoudingplicht wateren en riolen 1.Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de wateren, riolen of putten of voor anderen. 2.Onder het in gevaar brengen voor de veiligheid op openbaar water wordt in ieder geval verstaan: Het plaatsen, aanbrengen of hebben van een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. het plaatsen of hebben van een vaartuigwrak in het openbaar water, aan de walkant of op de weg, dan wel het zodanig plaatsen van een vaartuigwrak dat dit vanaf een openbare plaats zichtbaar is dan wel hinder, gevaar of verontreiniging veroorzaakt. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Waterverordening provincie Noord-Holland of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuurgemeente Langedijk 2014. Artikel6.1.4Instandhoudingsplicht waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen en of gemeentelijke eigendommen die bij de gemeente in beheer zijn. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Waterverordening provincie Noord-Holland. Artikel6.1.5Verbod plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5.Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Afdeling 6.2 Gedoogplichten Artikel6.2.1Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel6.2.2Namen en nummerduidingen aanbrengen 1.De door het college toegekende namen, zoals vervat in artikel 2 van de Verordening naamgeving en nummering (adressering), worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 2.Aan objecten, zoals aangegeven in artikel 3 van de Verordening naamgeving en nummering (adressering), waarvoor een nummer is vastgesteld moet dat nummer op een doeltreffende wijze zijn aangebracht. 3.Het is eenieder die daartoe niet is bevoegd, verboden namen aan de openbare ruimte en woonplaatsen, wijken en buurten toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen. 4.Het is een ieder die daartoe niet is bevoegd, verboden aan een pand of verblijfsobject, stand- of ligplaats of afgebakend terrein nummers toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen. Artikel6.2.3Gedoogplicht naamborden 1.Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met namen van de openbare ruimte, naamverwijsborden, nummerborden, nummerverzamelborden en andere (verwijs)aanduidingen aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, draagt de rechthebbende er zorg voor dat de hier bedoelde borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Indien het college het noodzakelijk acht om een naambord, waarop de vervallen naam is doorgehaald, tijdelijk naast het naambord met de nieuwe naam te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten als daaraan door het college een termijn van niet langer dan 2 maanden is verbonden. 3.De rechthebbende zorgt er voor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde borden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven. Artikel6.2.4Verplichting tot aanbrengen van nummerborden 1.Tenzij het college anders heeft besloten, zorgt de rechthebbende van een object er voor dat de nummers, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) worden aangebracht op een wijze zoals krachtens artikel 7 van die verordening is bepaald. 2.De rechthebbende draagt er zorg voor dat de in het eerste lid genoemde nummers binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van het college zijn aangebracht. 3.Indien een verblijfsobject, ligplaats, standplaats of afgebakend terrein nog niet is voltooid, wordt het nummer binnen vier weken na voltooiing aangebracht. 4.Indien het college heeft besloten om een nummerbord, waarop het vervallen nummer is doorgehaald, naast het nummerbord met het nieuwe nummer te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten of daar uitvoering aan geven als daaraan door het college een termijn van niet langer dan twee maanden is verbonden. 5.Het college kan de in het tweede en derde lid genoemde termijn verlengen. Hoofdstuk7.Financiële bepalingen -gereserveerd- Hoofdstuk8.Procesregels Afdeling 8.1 Voorbereiding van besluiten Paragraaf8.1.1Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel8.1.1.1.Voornemen tot aanwijzing 1.Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.2.2.1 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel8.1.1.2Voorbescherming 1.De bescherming van paragraaf 5.2.1 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 8.1.1.1 is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel8.1.1.3.Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.Op een aanvraag om aanwijzing als gemeentelijk erfgoed in het omgevingsplan dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel8.1.1.4.Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel8.1.1.5.Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8.3.1 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5. 3.Paragraaf 8.1.1 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel8.1.1.6.Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 8.1.1 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Paragraaf8.1.2Beschermde stads- en dorpsgezichten Artikel8.1.2.1Aanwijzing beschermd stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2.Burgemeester en wethouders zenden het voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8.3.1, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4.Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6.Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. 7.Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen. 8.Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel8.1.2.2.Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 8.1.2.1, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 8.1.2.1, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Afdeling 8.2 Vergunningen, ontheffingen en meldingen Artikel8.2.1Beslistermijn 1.Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 5.6.3.1, tweede lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 5.7.1.3. Artikel8.2.2Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken zich slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel8.2.3Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel8.2.4Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of als de houder dit verzoekt. Artikel8.2.5Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbeperkte tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel8.2.6Weigeringsgronden 1.De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Afdeling 8.3 Advies Paragraaf8.3.1Gemeentelijke Adviescommissie erfgoed Artikel8.3.1.1Advies gemeentelijke adviescommissie over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten en beschermd stads- of dorpsgezichten 1.Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.2.2.1 advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur. 2.De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3.De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel8.3.1.2Advies gemeentelijke adviescommissie over een omgevingsvergunning Rijksmonument Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8.3.1, eerste lid. Artikel 8.3.1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel8.3.1.3Termijnen advies en vergunningverlening 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de Erfgoedcommissie voor advies. 2.Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de Erfgoedcommissie schriftelijk advies uit aan het college. Artikel8.3.1.4Vergunning voor beschermd monument 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de Erfgoedcommissie. 2.De Erfgoedcommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift. 3.Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn, wordt de Erfgoedcommissie geacht geadviseerd te hebben. Paragraaf8.3.2Gemeentelijke Adviescommissie welstand Artikel8.3.2.1De advisering door de welstandscommissie 1.De advisering over redelijke eisen voor welstand is opgedragen aan de Stichting MOOI Noord-Holland adviescommissies voor ruimtelijke kwaliteit die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. 2.De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 3.De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Artikel8.3.2.2Samenstelling van de welstandscommissie 1.De welstandscommissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden, waarvan ten minste één lid deskundig is op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. 2.Voor de voorzitter en leden kunnen bij structurele afwezigheid plaatsvervangers worden aangewezen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. 3.De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste twee leden aanwezig zijn die beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. 4.De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. 5.De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens plaatsvervanger. Artikel8.3.2.3Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel8.3.2.4Termijn van advisering 1.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 2.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 3.Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel8.3.2.5Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1.De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2.Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. 3.In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie voorziet in een procedurele opzet. Artikel8.3.2.6Afdoening onder verantwoordelijkheid 1.De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden (inclusief de voorzitter). Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. 2.In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Artikel8.3.2.7Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1.De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 2.Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Afdeling 8.4 Technische wijzigingen aan deze verordening Artikel8.4.1Bevoegdheden overdragen aan college 1.Het college is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening indien het wijzigingen betreft die: van zuiver redactionele aard zijn; technisch van aard zijn en een noodzakelijk gevolg van zijn van nieuwe of gewijzigde wet- of regelgeving. 2.Alvorens het college definitief besluit tot een wijziging, legt zij de voorgenomen wijziging voor aan de relevante raadscommissie of het forum. Deze kan adviseren de voorgenomen wijziging aan de gemeenteraad voor te leggen ter goedkeuring, welk advies in dat geval door het college wordt opgevolgd. Artikel8.4.2Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Hoofdstuk9.Handhaving Artikel9.1Strafbepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 8.2.2 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2.In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.5.1.1 tot en met 5.5.1.5, 5.5.2.1, , 5.6.3.1, tweede lid, 5.6.2.4, eerste lid, en 5.7.1.3, eerste lid. 3.In afwijking van het eerste lid wordt een overtreding van, of het niet voldoen aan de bepalingen in artikelen 6.2.2, tweede en derde lid, 6.2.3 en 6.2.4 bestraft met een geldboete van de eerste categorie. 4.In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s. Artikel9.2Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: de handhavingsambtenaar alsmede de medewerkers van de Nationale Politie. 2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten Artikel9.3Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Hoofdstuk10.Monitoring en informatie -gereserveerd- Hoofdstuk11.Overgangsrecht Artikel11.1Intrekking oude verordeningen Ingetrokken worden de: Bouwverordening Heerhugowaard, zoals vastgesteld bij besluit van 24 april 2012, Bouwverordening Langedijk 2012, zoals vastgesteld bij besluit van 3 april 2012, Brandbeveiligingsverordening Langedijk 2012, zoals vastgesteld bij besluit van 3 april 2012, Erfgoedverordening Heerhugowaard 2010, zoals vastgesteld bij besluit van 23 november 2010 en Erfgoedverordening Langedijk 2012, zoals vastgesteld bij besluit van 3 april 2012. Artikel11.2Wijziging andere verordeningen 1.De artikelen 2:11, 2:12, 2:15, 2:16 2:21, 2:42, 2:58, 2:60, 4:2, 4:3, 4:5, 4:6, 4:9, 4:9A, 4:11, 4:12, 4:12a, 4:13, 4:18, 4:19, 5:25, 5:28, 5:32, 5:33 en 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening Heerhugowaard 2020, inclusief de daarbij behorende artikelsgewijze toelichting komen te vervallen. 2.De artikelen 2:11, 2:12, 2:15, 2:16 2:21, 2:42, 2:58, 2:60, 4:2, 4:3, 4:5, 4:5b, 4:6, 4:9, 4:9A, 4:11, 4:12, 4:12a, 4:13, 4:18, 4:19, 5:25, 5:28, 5:24, 5:30, derde lid, 5:32, 5:33 en 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening Langedijk 2019, inclusief de daarbij behorende artikelsgewijze toelichting komen te vervallen. 3.De artikelen 4, 5 en 6 van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) Heerhugowaard 2013 komen te vervallen. 4.De artikelen 4, 5 en 6 van de Verordening nummering en adressering Langedijk 2007 komen te vervallen. 5.De artikelen 14 t/m 19 van de Afvalstoffenverordening Heerhugowaard 2018 komen te vervallen. 6.De artikelen 16, 17, 19, 21, 22 en 23 van de Afvalstoffenverordening Langedijk 2016 komen te vervallen. Artikel11.3Overgangsbepaling 1.Besluiten, genomen krachtens de verordeningen, bedoeld in artikel 11.1, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten, genomen krachtens de artikelen bedoeld in artikel 11.2. 3.Het recht, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, blijft van toepassing op: de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent, of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, als voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend; de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent, als voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is. 4.In gevallen als bedoeld in het derde lid wordt: een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening; een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening, op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden. Hoofdstuk12.Slotbepalingen Artikel12.1Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag nadat zij op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Artikel12.2Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2023 Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Dijk en Waard in zijn openbare vergadering van 23 mei 2023.De griffier (a.i.),E. van der VoordDe voorzitter,M.F. PoorterBijlage1:Begripsbepalingen Artikel 1.1 Algemene begrippen Voor de toepassing van de deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat terzake bevoegd is; Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; College: het college van burgemeester en wethouders; Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Woningwet; Gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; Gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; Gemeente: gemeente Dijk en Waard; Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; Inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; Motorvoertuig: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; Weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b. van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan; Artikel 1.2 Cultureel erfgoed Voor de toepassing van afdelingen 4.2, 5.2, 8.1, 8.3 en artikel 6.1.1 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. Gemeentelijke Adviescommissie: Commissie die belast is met het adviseren van gemeenteraad en het college over besluiten die krachtens deze verordening worden genomen. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: de commissie als bedoeld in artikel 15 van de Monumentenwet 1988; de commissie als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet. Artikel 1.3 Dieren -gereserveerd- Artikel 1.4 Geluid en evenementen Voor de toepassing van afdeling 5.4 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 1.5 Verontreiniging -gereserveerd- Artikel 1.6 Wegen en wateren -gereserveerd- Artikel 1.7 Groenbeheer Voor de toepassing van paragraaf 4.2.7 en afdeling 5.7 en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Beschermde houtopstand: houtopstand die geplaatst is op de lijst als bedoeld in artikel 4:12; Boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven; Dunnen: vellen dat uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd; Hakhout: boomvormers of andere houtachtige gewassen, die na te zijn geknot tot bij de grond opnieuw op de stronk uitlopen; Houtopstand: één of meer bomen, hakhout, boomvormers of andere houtachtige gewassen die onderdeel uitmaken van een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken of een beplanting van bosplantsoen; Kandelaberen: het voor meer dan 20% gelijkmatig weghalen van de takken die de kroon van een boom vormen; Knotten: periodiek geheel of gedeeltelijk verwijderen van uitgelopen takhout tot op de oude snoeiplaats; Vellen: rooien, kappen, verplanten, het voor de eerste maal kandelaberen of snoeien van meer dan 20% van de kroon of het wortelgestel, het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben. Artikel 1.8 Bouw Voor de toepassing van afdeling 5.8 en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; Omgevingsvergunning voor het bouwen: dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In deze afdeling van deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw. Algemene toelichting Op 1 juli 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving en de regels over onderwerpen die te maken hebben met de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen de regels over ruimte, bouwen, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Tot de doelen van de Omgevingswet horen het verminderen van (overbodige) regels, het bundelen en toegankelijk maken van regelgeving, en het vereenvoudigen van regelgeving. Daarnaast heeft de wet als doel het bereiken en in stand houden van een gezonde en veilige leefomgeving. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet moeten de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving samengebracht worden in één omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dit omgevingsplan bevat regels uit bestemmingsplannen, verschillende verordeningen en rijksregels die bij inwerkingtreding van de wet gedecentraliseerd worden. De gemeente heeft tijdens een overgangsfase, die loopt vanaf inwerkingtreding van de wet tot en met 2029, de tijd om al deze regels definitief in het omgevingsplan te integreren. Om voor te sorteren op deze overgang, is deze Verordening Fysieke Leefomgeving ontwikkeld om de regels uit de verschillende verordeningen eenvoudig in het omgevingsplan te kunnen integreren. Gelijktijdig met het voorbereiden op de Omgevingswet loopt het traject van de gemeentelijke herindeling van de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard naar de nieuwe gemeente Dijk en Waard. Deze herindeling geeft een extra dimensie aan de voorbereiding van de gemeentelijke regelgeving op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Naast de vernieuwing in structuur en het uitwerken van de doelen van de wet moeten de verordeningen van Langedijk en Heerhugowaard ook geharmoniseerd worden, zodat de gemeente Dijk en Waard gelijke regels heeft voor al zijn ingezetenen. De Verordening Fysieke Leefomgeving is zodanig opgesteld dat er in de eerste plaats voor is gezorgd dat alle regels geharmoniseerd zijn. In dit kader is ervoor gekozen om de regels beleidsarm om te zetten. Daar waar regels hetzelfde zijn in beide gemeenten is inhoudelijk niets gewijzigd. Bij verschillen tussen de gemeenten is gekozen voor een variant van de regelgeving binnen de bandbreedte van de bestaande regels in beide gemeenten. De keuze voor de variant is door werkgroepen die het beleid harmoniseren in samenspraak met de relevante portefeuillehouders bepaald. In geval van de Erfgoedverordening is ervoor gekozen om de modelverordening van de VNG uit 2016 als uitgangspunt te nemen, omdat in zowel Langedijk als Heerhugowaard de Erfgoedverordening nog niet was geactualiseerd na inwerkingtreding van de Erfgoedwet. De Verordening Fysieke Leefomgeving is een tussenstap, waarin de regels die in Langedijk en Heerhugowaard in uiteenlopende verordeningen stonden, gebundeld en geharmoniseerd zijn, eenvoudig raadpleegbaar zijn gemaakt en in een structuur zijn gezet die integratie in het omgevingsplan vereenvoudigen. Met de Verordening Fysieke Leefomgeving wordt de regelgeving voor inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en ambtenaren overzichtelijker. De regels zijn eenvoudiger te raadplegen. In deze algemene toelichting wordt ingegaan op de uitgangspunten bij het opstellen van de Verordening Fysieke Leefomgeving. Ook wordt een toelichting gegeven op de verschillende verordeningen en regels die op gaan in deze verordening. Voor het overzicht is een transponeringstabel opgenomen en een artikelsgewijze toelichting. Uitgangspunten Verordening Fysieke Leefomgeving In de Verordening Fysieke Leefomgeving is een aantal verordeningen en delen van verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Hierbij is hetzelfde criterium gehanteerd dat de Omgevingswet heeft voor de opname van gemeentelijke algemeen verbindende voorschriften in het omgevingsplan. Alleen verordeningen en regels die primair de fysieke leefomgeving als oogmerk hebben komen in aanmerking voor integratie in deze verordeing. Regels met andere primaire motieven, zoals openbare orde, komen niet in aanmerking. Regels die aan de burgemeester bevoegdheden toekennen zijn ook niet opgenomen. De Omgevingswet kent aan de burgemeester geen bevoegdheden toe, en daarom zijn deze regels uitgesloten. Deze regels gaan bovendien meestal niet over de fysieke leefomgeving, maar over openbare orde. Een aantal verordeningen en regels die wel in aanmerking komen voor opname in de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn niet opgenomen omdat eerst andere processen voltooid moeten worden voordat deze gereed zijn om ze op te nemen. Van deze verordeningen en regels is het uigangspunt dat deze zullen worden opgenomen zodra deze gereed zijn. In de Verordening fysieke leefomgeving worden de volgende verordeningen of onderdelen van verordeningen opgenomen: De Algemene Plaatselijke Verordening Langedijk en de Algemene Plaatselijke Verordening Heerhugowaard, onder andere de onderdelen het wijzigen van wegen en uitritten, het vellen van houtopstanden, geluidshinder en verontreiniging en het innemen van ligplaatsen; De Afvalstoffenverordening Langedijk en de Afvalstoffenverordening Heerhugowaard, de onderdelen over afvaldumping en zwerfafval; De Erfgoedverordening Langedijk en de Erfgoedverordening Heerhugowaard; De Bouwverordening Langedijk en de Bouwverordening Heerhugowaard; De Verordening Naamgeving en adressering Langedijk en de Verordening Naamgeving en nummering (adressering) Heerhugowaard, de onderdelen plaatsen van straatnaamborden en nummeringplaten. De volgende verordeningen of onderdelen van verordeningen worden later in de Verordening Fysieke Leefomgeving opgenomen of worden afhankelijk van een besluit van de rijksoverheid al dan niet opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving: De Algemene Plaatselijke Verordening Langedijk en de Algemene Plaatselijke Verordening Heerhugowaard, de onderdelen standplaatsen en minimale afstand tot de erfgrens van een houtopstand. Om de regels voor standplaatsen goed voor te bereiden voor het omgevingsplan is eerst een integratie van de regels over standplaatsen uit de APV en de Marktverordening noodzakelijk. Zodra deze integratie is voltooid worden deze regels opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Voor de minimale afstand tot de erfgrens van een houtopstand is eerst een besluit nodig van de rijksoverheid dat deze regel in het rechtsfiguur omgevingsplan mag worden opgenomen. De Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Langedijk en de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Heerhugowaard. De regels uit deze verordeningen moeten voor 2029 in het omgevingsplan worden opgenomen voorzover het kabels en leidingen van nutsvoorzieningen betreft. Voor kabels en leidingen van telecommunicatienetwerken geldt dat eerst een besluit van de rijksoverheid genomen moet worden om dit in het rechtsfiguur omgevingsplan te regelen. Zolang dat besluit niet is genomen is het onwenselijk om de regels voor telecommunicatienetwerken en andere ondergrondse infrastructuren te scheiden. Marktverordening Heerhugowaard, de onderdelen over de ruimtelijke aspecten van de markt en van standplaatsen. Om deze regels goed voor te bereiden voor het omgevingsplan is eerst een integratie van de regels uit de Marktverordening en de regels over standplaatsen uit de APV noodzakelijk. Zodra deze integratie is voltooid worden deze regels opgenomen. Havenverordening Langedijk, de onderdelen over de aspecten over ruimtelijk gebruik, bescherming van het water en het plaatsen en gebruiken van bouwwerken. De Havenverordening moet geactualiseerd worden aan nieuwere wetgeving en de regels over de fysieke leefomgeving moeten goed gescheiden worden van de andere regels in de Havenverordening. Zodra dit is gebeurd worden deze regels in de Verordening Fysieke Leefomgeving opgenomen. De Brandbeveiligingverordening en de Exploitatieverordening maken ook onderdeel uit van regels over de fysieke leefomgeving. Met ingang van 1 juli 2008 is de Grondexploitatiewet, als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening, in werking getreden, waarbij landelijke regels dezelfde kaders scheppen die in de Exploitieverordening zijn opgenomen. Met ingang van 1 januari 2018 gelden de landelijke regels voor de brandveiligheid van ‘overige plaatsen’ waarbij de Brandbeveiligingsverordening van rechtswege is komen te vervallen. Om geen overbodige regels te behouden worden deze verordeningen ingetrokken. Uitgangspunt bij het opstellen van de Verordening Fysieke Leefomgeving is om de regels waar mogelijk beleidsneutraal over te nemen, en waar nodig deze beleidsarm te harmoniseren. De onderdelen die niet volledig beleidsneutraal zijn overgenomen worden later specifiek toegelicht. Bij het samenvoegen zijn de regels verder geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst. Hierbij zijn redactionele en technische wijzigingen die de leesbaarheid en toepasbaarheid ten goede komen doorgevoerd. Opbouw Verordening Fysieke Leefomgeving In de verordening wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen hoofdstukken die elk een ander type regels bevat. Deze hoofdstukken zijn onderverdeeld in afdelingen die elk over een bepaald aspect van de fysieke leefomgeving gaan. De afdelingen zijn vervolgens onderverdeeld in paragrafen die over een specifiek onderwerp of activiteit gaan. Deze afdelingen zijn in elk hoofdstuk op dezelfde wijze ingedeeld, zodat verschillende typen regels over dezelfde onderwerpen gemakkelijk te vinden zijn. Deze structuur is in hoofdlijn vergelijkbaar met de structuur die het omgevingsplan zal krijgen. De regelgeving is hierdoor al zo optimaal mogelijk voorbereid op opname in het omgevingsplan. Het eerste hoofdstuk bevat inleidende bepalingen. Dit zijn alleen de begripsbepalingen die in een bijlage zijn opgenomen. Deze bijlage kent een structuur van eerst begrippen die op meerdere plaatsen in de verordening voorkomen en vervolgens artikelsgewijs begripsbepalingen die in één afdeling voorkomen. Het tweede hoofdstuk bevat de oogmerken van de verordening. Hierin staat wat de gemeente met deze regels beoogt te bereiken. Deze oogmerken zijn dezelfde als de oogmerken die de gemeente in het omgevingsplan moet opnoemen. Onder de Omgevingwet wordt het gemakkelijker om een initiatief toe te staan als van de letter van de regelgeving wordt afgeweken maar aan de oogmerken wordt voldaan. De oogmerken staan al in de Verordening fysieke leefomgeving om op de structuur van het omgevingsplan voor te bereiden. Het derde hoofdstuk is gereserveerd voor programma's die de gemeente onder de Omgevingswet opstelt. Dit is een hoofdstuk dat onder huidig recht nog niet gebruikt wordt, maar van toepassing kan worden als in programma's gebruik gemaakt wordt van de Verordening fysieke leefomgeving. Ook staat het op deze manier al in de structuur van het omgevingsplan. Het vierde hoofdstuk bevat alle geografische aanwijzingen op grond van de Verordening Fysieke Leefomgeving. In het omgevingsplan worden alle geografische aanwijzingen gedefinieerd en verzameld als werkingsgebieden. Dit hoofdstuk geeft daarmee ook duidelijk weer welke gebieden er zijn aangewezen waar bepaalde regels gelden en maakt wijziging van deze gebieden overzichtelijk. Op een aantal onderwerpen is het college bevoegd om gebieden aan te wijzen maar heeft van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Om ruimte te maken voor eventuele toekomstige aanwijzingen zijn deze onderdelen gereserveerd. Het vijfde hoofdstuk bevat de inhoudelijke regels voor het uitvoeren van activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Dit zijn de regels die voor initiatiefnemers het meest van belang zullen zijn en daarom is het fijn dat deze gemakkelijk vindbaar zijn en niet tussen regels staan die wel met het onderwerp te maken hebben maar voor de gebruiker niet relevant zijn. In dit hoofdstuk wordt bepaald of activiteiten vergunningplichtig zijn en wat de beoordelingrsregels zijn, of welke algemene regels er voor een activiteit gelden. Voor elke afdeling zijn de oogmerken zoals bepaald in hoofdstuk twee nader gespecificeerd om duidelijker te maken wat er van initiatiefnemers verwacht wordt. Waar mogelijk is zoveel mogelijk voorgesorteerd op de nieuwe wijze van regels schrijven in het omgevingsplan. Dat betekent dat telkens de activiteit wordt beschreven waar regels over gelden, wie er aan moet voldoen en wat de algemene regels voor die activiteit zijn. Als er een vergunningplicht geldt is daarbij aangegeven welke gevallen vergunningplichtig zijn en wat de beoordelingsregels ervoor zijn. Hoofdstuk 6 bevat instandhoudingsbepalingen en gedoogplichten. Dit zijn alle verboden en verplichtingen die noodzakelijk zijn om de fysieke leefomgeving in stand te houden en het gebruik ervan goed te laten functioneren. Dit zijn over het algemeen redelijk vanzelfsprekende regels, die toch noodzakelijk zijn om op te kunnen treden tegen gebruik dat schade aan de omgeving toebrengt of het gebruik ervan verstoort. Hoofdstuk 7 is gereserveerd voor financiële bepalingen. Van dit hoofdstuk zal in de Verordening fysieke leefomgeving geen gebruik worden gemaakt, maar in het omgevingsplan kunnen deze wel opgenomen worden. Door het hoofdstuk te reserveren komt de hoofdtukindeling overeen met die van het omgevingsplan. Hoofdstuk 8 bevat procedureregels. Daarbij gaat het met name om regels over adviescommissies en beslistermijnen. Deze regels zijn inhoudelijk niet relevant om te weten of iets mag of om aanvragen te beoordelen. Ze zijn vooral belangrijk om ervoor te zorgen dat de juiste procedures worden gevolgd door zowel de initiatiefnemer als de gemeente. Door deze regels te bundelen kunnen gebruikers gemakkelijker hun procedure begrijpen. In hoofdstuk 9 staan de handhavings- en strafbepalingen. Deze zijn overgenomen uit de bronverordeningen. Waar voor verschillende regels verschillende strafbepalingen stonden zijn deze neutraal overgenomen voor dezelfde regels in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Hoofdstuk 10 is gereserveerd voor monitorings- en informatiebepalingen in het omgevingsplan. In de Verordening fysieke leefomgeving komen deze nog niet voor. Hoofdstuk 11 bevat de overgangsbepalingen. Deze zien erop toe dat besluiten genomen krachtens de bronverordeningen worden gezien als besluiten genomen krachtens de Verordening fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 12 bevat de slotbepalingen die bepalen wanneer de verordening in werking treedt en hoe deze moet worden aangehaald. Door de structurele wijzigingen van de verordeningsregels is de opbouw van hoe een aantal onderwerpen is geregeld sterk veranderd. Waar eerst bepaalde onderdelen in hetzelfde artikel of zelfs in hetzelfde lid stonden is dit nu uitgewerkt in meerdere artikelen die elk een deel van het onderwerp regelen. Deze artikelen kunnen verspreid staan over meerdere hoofdstukken. Dit verbetert de begrijpelijkheid van de regels omdat de onderdelen van de regels die relevant zijn bij elkaar in hetzelfde hoofdstuk staan en je niet hoeft te zoeken binnen alle bepalingen over een onderwerp. Beleidsluwe keuzes harmonisatie Bij het opstellen van deze verordening is op een aantal onderwerpen geharmoniseerd. Zoals eerder genoemd is het uitgangspunt geweest om dit beleidsluw te doen. Waar mogelijk is gekozen voor regels die binnen de huidige bandbreedte vallen van de regels in de bronverordeningen uit Langedijk en Heerhugowaard. In dit overzicht worden de keuzes die gemaakt zijn nader toegelicht. Over het algemeen wordt aangesloten bij de beleidsharmonisaties van gerelateerde onderwerpen. APV: Hoofdstuk 2: Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg In de APV's van Langedijk en Heerhugowaard waren de weigeringsgronden voor het aanleggen van uitwegen verschillend geformuleerd. In de APV Langedijk was een uitputtende lijst van weigeringsgronden opgenomen. In de APV Heerhugowaard was deze lijst niet uitputtend. In de praktijk was dit verschil niet relevant aangezien in Heerhugowaard niet geweigerd werd op afwijkende gronden. De weigeringsgronden zelf verschilden ook. In de APV Langedijk was het al ontsloten zijn van een perceel door een uitweg opgenomen als weigeringsgrond, indien aanleg van een tweede uitweg ten koste zou gaan van openbaar groen. Deze weigeringsgrond was in de APV Heerhugowaard niet opgenomen. In de APV Heerhugowaard was het zonder noodzaak ten koste gaan van de bruikbaarheid van de weg opgenomen als weigeringsgrond. Deze weigeringsgrond was in de APV Langedijk niet opgenomen. In de Verordening Fysieke Leefomgeving is het al ontsloten zijn van een perceel door een uitweg opgenomen als weigeringsgrond. In beginsel is één uitweg per perceel voldoende en de aanleg van extra uitwegen kan nadelinge gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het is daarom een redelijke weigeringsgrond. In de VFL is de weigeringsgrond wegens het ten koste gaan van de bruikbaarheid van de weg in een specifiekere vorm opgenomen. In de VFL is het ten koste gaan van een openbare parkeerplaats of andere voorzieing op of aan de weg als weigeringsgrond opgenomen, aangezien dit in de praktijk hetgeen is wat de nadelige gevolgen voor de bruikbaarheid van de weg is. Door dit expliciet te benoemen is de regelgeving duidelijker. Verder is in de VFL als weigeringsgrond het ten koste gaan van de waterhuishouding opgenomen. Deze weigeringsgrond was in de APV's van Langedijk en Heerhugowaard niet opgenomen. Deze weigeringsgrond beschermt putten, goten en straatkolken tegen demping wegens het aanleggen van een uitweg. Afdeling 3. Evenementen Bij de harmonisatie van het evenementenbeleid is ervoor gekozen aan te sluiten bij de APV Heerhugowaard voor de regelgeving in Dijk en Waard. Voor de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn de regels omtrent geluid en het plaatsen van voorwerpen op de weg relevant. Deze strekken zich tot bepalingen waarin evenementen vergunningsvrij of meldingsplichtig zijn. De voor de fysieke leefomgeving relevante onderdelen zijn voor vergunningsvrije en meldingsplichtige evenementen identiek. In de Verordening Fysieke Leefomgeving is er daarom voor gekozen om de gevallen die vergunningvrij of meldingsplichtig waren in de APV Heerhugowaard vergunningvrij te maken voor de voor de fysieke leefomgeving relevante onderdelen. Bij afwijking van deze gevallen is een vergunningplicht ingesteld. Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:2 Collectieve festiviteiten De regels voor collectieve festiviteiten verschillen in de APV's van Langedijk en Heerhugowaard. In Langedijk zijn naast de gebruikelijke geluidsnormen in dB(
  5. a)ook geluidsnormen voor laagfrequent geluid (dB(C)) opgenomen. Bovendien zijn de festiviteiten in de APV Heerhugowaard tot latere tijdstippen toegestaan dan in de APV Langedijk. In de APV Heerhugowaard op dagen voorafgaand aan een werkdag tot uiterlijk 0:00 uur en op dagen voorafgaand aan vrije dagen tot uiterlijk 01:00 uur. In Langedijk op dagen voorafgaand aan een werkdag tot uiterlijk 23:00 uur en op dagen voorafgaand aan een vrije dag tot uiterlijk 00:30 uur. Artikel 4:3 Incidentele festiviteiten De regels voor incidenctele festiviteiten verschillen in de APV's van Langedijk en Heerhugowaard. In Langedijk is het ten behoeve van sportevenementen maximaal 4 keer toegestaan om de verlichting langer aan te houden per kalenderjaar per inrichting toegestaan, tegenover 6 in Heerhugowaard. In Langedijk is een extra normering opgenomen voor laagfrequent geluid (db(C)), en er is een regel opgenomen voor een maximale geluidsnorm in binnen- en aanpandige woningen. Voor incidentele festiviteiten gelden dezelfde uiterlijke tijdstippen in beide gemeenten als voor collectieve festiviteiten. Artikel 4:5 Onversterkte muziek In de APV Langedijk is het laten horen van onversterkte muziek twee uur per week toegestaan. In de APV Heerhugowaard is dat tien uur per week. Artikel 4:5b Geluidhinder door dieren In de APV Langedijk is een artikel opgenomen dat bepaalt dat degene die buiten een inrichting zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat dit dier geluidhinder voor omwonenden veroorzaakt. Dit artikel is niet opgenomen in de APV Heerhugowaard. Omdat het hierbij vooral zal gaan om dieren die buiten gehouden worden, zoals hanen, en deze dieren eerder in het voormalige grondgebied van Langedijk dan dat van Heerhugowaard gehouden zullen worden, is deze regel relevant voor de gemeente Dijk en Waard. Deze regel is daarom opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen De teksten van de artikelen wijken van elkaar af, maar komen inhoudelijk op hetzelfde neer. In de Verordening Fysieke Leefomgeving is ervoor gekozen de tekst van de APV Heerhugowaard over te nemen, omdat deze een aantal veelvoorkomende typen ballonnen specificeert die onder dit verbod vallen. Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden De APV's van Langedijk en Heerhugowaard wijken voor wat betreft het bewaren van houtopstanden van elkaar af. De begripsbepalingen zoals gedefinieerd in de APV Heerhugowaard zijn vollediger en daarom zijn deze begrippen overgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Beide gemeenten hebben een verschillend systeem om beschermde houtopstanden aan te wijzen. Deze zijn in de VFL beide als mogelijkheid voor aanwijzing opgenomen, zodat gedurende het harmonisatietraject van het bomenbeleid alle bestaande beschermde houtopstanden beschermd blijven en er ook nieuwe aanwijzingen kunnen plaatsvinden. Ook zijn de weigeringsgronden voor de kapvergunning samengevoegd. Zo blijven alle bestaande weigeringsgronden uit de APV Langedijk en uit de APV Heerhugowaard bestaan. Verder zijn de artikelen die in de Verordening Fysieke Leefomgeving worden opgenomen identiek. Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven het water In de APV Langedijk is een artikel opgenomen over het plaatsen van voorwerpen in, op of boven het water. Dit artikel is niet opgenomen in de APV van Heerhugowaard. Omdat dit artikel relevantie heeft voor de waterrijke gebieden in Langedijk en daarmee Dijk en Waard is dit artikel opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard. Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen In de APV Heerhugowaard is ten opzichte van de APV een drietal leden toegevoegd, dat het college de bevoegdheid geeft om de rechthebbende van een ligplaats instructies te geven, dat de rechthebbende deze instructies moet opvolgen, en dat het artikel niet van toepassing is als in een situatie is voorzien door andere wet- of regelgeving. Deze bepalingen zijn relevant voor Dijk en Waard en worden opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Artikel 5:30 Veiligheid op het water, derde lid In de APV Langedijk is de bepaling opgenomen dat in Landschapsreservaat Oosterdel niet met mechanisch voortbewogen vaartuigen mag worden gevaren. Dit gebied komt in Dijk en Waard te liggen en wordt daarom opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Bouwverordening: Artikel 5.1.2 Bodemonderzoek De Bouwverordening Heerhugowaard hanteert recentere NEN-normeringen. In de Verordening Fysieke Leefomgeving wordt aangesloten bij deze recente normeringen. Paragraaf 5. Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen In de Bouwverordening Langedijk is deze paragraaf opgenomen. In de Bouwverordening Heerhugowaard is deze paragraaf ingetrokken. Deze voorschriften zijn ten gevolge van de Reparatiewet BZK komen te vervallen en staan nu in bestemmingsplannen. Omdat de voorschriften geen rechtswaarde meer hebben worden ze niet opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf In de Bouwverordening is een artikel opgenomen dat het toegestane aantal personen in een nachtverblijf regelt. Hiermee kan worden afgeweken van het aantal dat is opgenomen in het Besluit omgevingsrecht. In de Bouwverordening Langedijk is deze bepaling niet opgenomen. Het aantal dat in Heerhugowaard is vastgesteld is gelijk aan het aantal dat is vastgesteld in het Besluit omgevingsrecht en heeft dus geen feitelijke wijziging van dit Besluit ten gevolg. Om onnodige regelgeving te voorkomen is deze regel niet opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Hoofdstuk 9. Welstand De advisering over welstand is in Langedijk en Heerhugowaard overgedragen aan dezelfde commissie van Stichting MOOI Noord-Holland. Deze commissie adviseert over welstand voor zowel Langedijk als Heerhugowaard. De regelgeving over deze commissie is niet gelijk in beide gemeenten wegens veroudering van de regels. Dit is in beide verordeningen het geval. De regels over de samenstelling van de commissie verschilt. Deze is in Langedijk kleiner dan in Heerhugowaard. Bovendien is in de verordening in Heerhugowaard een ruimere mogelijkheid voor vervanging bij afwezigheid van commissieleden opgenomen. In Langedijk hebben belanghebbenden toelichtend spreekrecht. In Heerhugowaard hebben belanghebbenden geen spreekrecht. Om recht te doen aan de huidige werkwijze van de commissie wordt van deze verschillen de ruimste bepaling genomen. Dat betekent dat de commissie minimaal een voorzitter en twee leden heeft, waarbij minimaal een is gespecialiseerd in architectuur, ruimtelijke kwaliteit, dan wel cultuurhistorie. Bij langdurige afwezigheid van een van de commissieleden kan een plaatsvervanger worden aangewezen. In de praktijk hebben belanghebbenden altijd toelichtend spreekrecht. Dit toelichtend spreekrecht wordt expliciet toegestaan in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Erfgoedverordening: De Erfgoedverordeningen van Langedijk en Heerhugowaard zijn laatstelijk gewijzigd vóór inwerkingtreding van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet is in 2016 van kracht geworden. De gedachte was destijds om de Erfgoedverordeningen gelijktijdig met inwerkingtreding van de Omgevingswet aan te passen, zodat de verordeningen niet twee keer vlak na elkaar gewijzigd hoefden te worden. De consequentie van die keuze is dat de bepalingen over erfgoed in de Verordening Fysieke Leefomgeving ook aan de Erfgoedwet moeten worden aangepast. In de basis is voor het stellen van regels over erfgoed in de Verordening Fysieke Leefomgeving daarom uitgegaan van de model-Erfgoedverordening van de VNG. Deze is op inhoudelijke beleidsverschillen met de bestaande verordeningen vergeleken. De verschillen tussen de Erfgoedverordeningen van Langedijk en Heerhugowaard strekken zich tot archeologie, de opname van de mogelijkheid tot het aanwijzen en beschermen van stads- en dorpsgezichten en karakteristieke panden, en een metaaldetectorverbod. De verschillen in regels over archeologie zijn technisch van aard en komen inhoudelijk overeen. Deze technische verschillen zijn door invoering van de Erfgoedwet bovendien achterhaald. Deze regels staan nu in bestemmingsplannen. In de Verordening Fysieke Leefomgeving wordt, naar de model-Erfgoedverordening een vangnetbepaling voor archeologie opgenomen. De mogelijkheid tot het aanwijzen en beschermen van stads- en dorpsgezichten is overgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Dit is een mogelijkheid die voor Dijk en Waard relevant is. De mogelijkheid tot het aanwijzen van karakteristieke panden is niet overgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Karakteristieke panden worden aangewezen en beschermd in het bestemmingsplan. Opname van de regels in de Verordening Fysieke Leefomgeving is daarom overbodig. Het metaaldetectorverbod is niet opgenomen. Dit verbod wordt in de praktijk niet gehanteerd, en er zijn goede afspraken gemaakt met amateur-archeologen en hobbyisten, waardoor de regel overbodig is. Afvalstoffenverordening: De Afvalstoffenverordening Langedijk en de Afvalstoffenverordening Heerhugowaard kennen een verschillende opzet. De belangrij

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.