← Nederland

Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning ISD Bollenstreek 2022 (Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek)

In het kort

Deze uitvoeringsregels beschrijven hoe de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) toepast, met als doel mensen met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen en deelnemen aan de samenleving. Ze vormen een kader voor een zorgvuldig proces bij het vinden van oplossingen voor ondersteuningsvragen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning ISD Bollenstreek 2022INLEIDING De ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo 2015) is erop gericht dat mensen met een beperking en personen met psychische of psychosociale problemen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving en deel kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer. Aanvragers krijgen meer dan voorheen de regie over hun eigen leven en dragen ook bij aan het leven van anderen omdat de gemeente ervan overtuigd is dat de samenleving daar sterker van wordt. De aanvrager vormt samen met zijn omgeving het uitgangspunt bij het zoeken naar een oplossing van een ondersteuningsvraag. De eigen kracht en mogelijkheden om zelf oplossingen te vinden voor problemen vormt het uitgangspunt en wordt door de gemeente gefaciliteerd en gestimuleerd. De gemeente onderzoekt wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de aanvrager en zijn sociaal netwerk. Indien dit ontoereikend blijkt en het gebruik van algemene voorziening onvoldoende oplossing biedt, zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop de aanvrager in staat stellen gebruik te maken van een maatwerkvoorziening. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die kunnen bijdragen aan het verbeteren of het in stand houden van zelfredzaamheid, participatie of het bieden van beschermd wonen of opvang aan de aanvrager. Ook datgene dat nodig is om de mantelzorger van de aanvrager te ondersteunen bij het verlenen van mantelzorg of om deze (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. De nadruk op te bereiken resultaten in plaats van voorzieningen. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Wmo is een uitwerking van de Wmo 2015 en wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Het Dagelijks Bestuur stelt het Uitvoeringsbesluit en de Uitvoeringsregels vast. Deze Uitvoeringsregels vormen een toetsingskader om in de uitvoering van de verordening en het uitvoeringsbesluit een stuk uniformiteit aan te brengen hoe het proces om tot een oplossing te komen zo zorgvuldig mogelijk wordt doorlopen. Deze uitvoeringsregels zijn daarom een verlengstuk van de Verordening en het Uitvoeringsbesluit. De Uitvoeringsregels passen zowel inhoudelijk als financieel binnen de kaders van de Verordening. HOOFDSTUK1KERNBEGRIPPEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING In dit hoofdstuk worden de begrippen die een rol spelen bij de maatschappelijke ondersteuning verder uitgewerkt. Zelfredzaamheid De omschrijving van zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden. Reikwijdte algemene dagelijkse levensverrichtingen Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die personen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging (deze verzorging wordt als het ware gegeven in het verlengde van overige benodigde begeleiding, zoals een aansporing om onder de douche te gaan of zich aan te kleden). De ondersteuning is gericht op het behoud of verbeteren van zelfredzaamheid voor aanvragers die, al naar gelang de zwaarte van hun beperking, hulp nodig hebben bij diverse activiteiten in hun dagelijkse leven. Het gaat meestal om de ondersteuning en begeleiding bij het laten uitvoeren van deze ‘algemene dagelijkse levensverrichting’ door de aanvrager zelf. Reikwijdte gestructureerd huishouden Ondersteuning met het oog op het voeren van een gestructureerd huishouden omvat bijvoorbeeld hulp bij contacten met officiële instanties, hulp bij het aanbrengen van structuur in het huishouden, hulp bij het leren om zelfstandig te wonen, hulp bij het omgaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur doorbreken Zelfredzaamheid wil niet persé zeggen dat de aanvrager zélf overal toe in staat is. De zelfredzaamheid van een aanvrager kan ook versterkt worden door de inzet van huisgenoten, het sociaal netwerk en gebruikelijke voorzieningen bijdragen aan de zelfredzaamheid. Participatie Bij participatie gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat de aanvrager, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen. Aanvaardbaar niveau Vanuit de Wmo is het streven om de aanvrager op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Hierbij zal er rekening worden gehouden met de situatie van de aanvrager voordat hij geconfronteerd werd met zijn beperkingen, alsmede de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en leeftijdscategorie zonder beperkingen. De te bieden ondersteuning beperkt zich tot wat noodzakelijk is in het licht van de versterking of het behoud van zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zover dat er rekening wordt gehouden met alle wensen en persoonlijke voorkeuren. Aanvaardbaar wil van de andere kant zeggen dat de aanvrager zich er soms bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven. Algemeen gebruikelijk Het begrip ’algemeen gebruikelijk’ ziet enerzijds op de voorziening en anderzijds op de kosten. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking. Met andere woorden: een voorziening die ook mensen zonder beperkingen worden gekocht; in de reguliere handel verkrijgbaar is; niet duurder is dan soortgelijke producten met eenzelfde doel voor iemand in een vergelijkbare situatie. Algemeen gebruikelijk zijn goederen en producten die een persoon in vergelijkbare sociale en financiële omstandigheden tot zijn uitgavenpatroon kan rekenen. Of een voorziening algemeen gebruikelijk is, hangt af van de specifieke situatie van de aanvrager, en van de tijdgeest en jurisprudentie. Dit wordt per situatie afgewogen. De individuele afweging kan leiden tot een uitzondering op het principe dat een voorziening voor de aanvrager als aanvrager algemeen gebruikelijk is. Bij deze afweging kan leeftijd, inkomenspositie en persoonskenmerken een rol spelen. In bijlage 8 is een lijst opgenomen van voorzieningen die in principe als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Algemene voorziening Algemene voorzieningen omvat het aanbod van diensten of activiteiten welke, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de deelnemers, toegankelijk is voor alle aanvragers of bepaalde doelgroepen, en gericht is op maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen zijn voorliggend aan de maatwerkvoorziening. Dit betekent dat er eerst beoordeeld wordt of de ervaren beperkingen dan wel hulpvraag opgelost kan worden door middel van een algemene voorziening. Bemoeizorg Bemoeizorg is een vorm van ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening of Maatwerkvoorziening. Bemoeizorg is bedoeld voor aanvragers die op grond van hun beperking ofaandoening, al dan niet in combinatie met verslavings- en/of sociale problemen niet zelf om hulp vragen of overlast geven aan hun omgeving. Het kan zijn dat zij in de war zijn, geïsoleerd zijn geraakt, zich vereenzamen of verwaarlozen. In veel gevallen zijn zij niet in staat gebruik te maken van de reguliere hulpverlening en zijn er te weinig mensen op wie zij kunnen terugvallen voor ondersteuning. De bemoeizorg heeft tot doel aanvragers toe te leiden naar reguliere ondersteuning. Om dit bereiken, kan er voor deze groep ambtshalve worden besloten tot indicatiestelling voor een maatwerkvoorziening. Eigen kracht Primair stimuleert de gemeente aanvragers zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. De eigen kracht heeft betrekking op de mogelijkheden van aanvrager om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie of opvang. De eigen kracht komt niet alleen tot uitdrukking op het moment dat er al belemmeringen zijn maar ook daarvoor, door bijvoorbeeld te anticiperen op een levensfase waarin de belemmeringen niet ongebruikelijk meer zijn. Een jong stel bereidt zich voor op een levensfase waarin het kinderen krijgt en hiervoor kosten moeten maken in verband met de aanschaf van de benodigde babyartikelen of een verhuizing naar een grotere woning. Op diezelfde wijze zal een ieder zich ook moeten voorbereiden op wat veelal hoort bij het ouder worden: de behoefte aan een kleinere woning in verband met het vertrek van kinderen, de nabijheid van winkels en gemaksdiensten, een gelijkvloerse woning in verband met verminderde mobiliteit. Het gebruik maken van de eigen kracht betekent ook dat de aanvrager zelf voorziet in de kosten/voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. Een aanvrager wordt geacht hiervoor op eigen kracht zorg te dragen. Gebruik maken van de eigen kracht veronderstelt daarnaast dat de aanvrager zich voldoende verzekert, bijvoorbeeld door een passende aanvullende ziektekostenverzekering af te sluiten die aansluit bij zijn situatie. Eigen bijdrage In de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de vormgeving van de gemeentelijke eigen bijdrageregeling. Gemeenten kunnen binnen de door het Rijk gestelde kaders een eigen bijdrage heffen. De kaders zijn vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Gebruikelijke hulp (zie bijlage 1) Gebruikelijke hulp wordt in de wet als volgt gedefinieerd: “Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten”. Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde ondersteuning bieden, is een aanvrager niet aangewezen op ondersteuning in de vorm van dienstverlening vanuit de gemeente. Voor gebruikelijke hulp is dus geen indicatie mogelijk. De ondersteuning die deze gebruikelijke hulp in omvang en intensiteit overstijgt, wordt als mantelzorg gezien en deze hulp is in principe wel indiceerbaar. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. Goedkoopst adequaat Met het begrip goedkoopst adequaat wordt bedoeld ‘wat volgens objectieve maatstaven verantwoord en toereikend is’. Hiervan is sprake als een oplossing, mogelijk bestaand uit een combinatie van voorzieningen, de beperkingen van aanvrager wegneemt dan wel vermindert. Hierbij hoeft een oplossing niet aan alle wensen van de aanvrager tegemoet te komen. In het geval dat meerdere voorzieningen als adequaat kunnen worden aangemerkt, wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening. Ingezetene Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 Wmo 2015) en de gemeente beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5). De aanvraag voor opvang / beschermd wonen, kan door iedere ingezetene van Nederland worden gedaan. Het begrip "ingezetene" is echter niet gedefinieerd in artikel 1.1.1 Wmo 2015. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' wordt echter niet verder uitgelegd. De VNG geeft aan dat een ingezetene iemand is die in de Basisregistratie personen (BRP) is ingeschreven. Als er twijfel bestaat over de vraag of een persoon het hele jaar op een bepaald adres, dan kan het feitelijk woonadres elders zijn, in een andere gemeente. Als iemand dan een beroep doet op de gemeente waar hij is ingeschreven, kan die gemeente stellen dat het hoofdverblijf elders is en dat de aanvrager zich dan daar zou moeten inschrijven. Een persoon kan maar op één adres ingeschreven staan (artikel 2.66, tweede lid, Wet BRP). Indien een aanvrager gaat verhuizen en een Wmo maatwerkvoorziening nodig heeft, kan de aanvrager zich melden bij de gemeente waar hij gaat wonen. Maatwerkvoorziening Een maatwerkvoorziening wordt in de Wmo 2015 als volgt gedefinieerd: “Op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; ten behoeve van beschermd wonen en opvang”. Een maatwerkvoorziening is gericht op de persoon met beperkingen. Hiermee wordt het volgende bedoeld: Er is altijd één individuele aanvrager die de maatwerkvoorziening aanvraagt, c.q. voor wie de maatwerkvoorziening aangevraagd wordt. De maatwerkvoorziening moet voor deze aanvrager noodzakelijk zijn in het kader van de Wmo; de maatwerkvoorziening moet op die aanvrager gericht zijn. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt ten behoeve van de aanvrager met beperkingen zelf. Medegebruik van maatwerkvoorzieningen is mogelijk. Voorbeelden daarvan zijn: aangepaste auto waarin anderen mee kunnen rijden; automatische deuropener aan de gemeenschappelijke toegangsdeur van een flat waar ook andere bewoners dan de persoon met beperkingen gebruik van maken. Bij co-ouderschap waarbij het kind verdeeld over de tijd bij beide ouders verblijft, wordt in beginsel slechts één voorziening verstrekt. Van ouders wordt verwacht dat zij over roerende voorzieningen onderling afspraken maken. Mantelzorg (zie bijlage 5) Mantelzorg wordt in de Wmo 2015 gedefinieerd als: “Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie beschermd wonen of opvang, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep”. Mantelzorg is langdurige zorg die niet in het kader van hulpverlening wordt aangeboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg overstijgt. In de Wmo 2015 is mantelzorg in principe vrijwillig. Wel wordt nagegaan of het probleem van de aanvrager met inzet van eigen netwerk kan worden opgelost. Dat zou kunnen inhouden dat met de mantelzorger wordt afgesproken dat deze boven-gebruikelijke zorg levert. Bij de beoordeling van bovengebruikelijke zorg wordt gebruik gemaakt van de richtlijn die opgenomen is in bijlage Gebruikelijke zorg. Bij deze afweging worden de belangen en de draagkracht van de mantelzorger meegewogen. Mantelzorg is, in tegenstelling tot gebruikelijke zorg, in principe wel indiceerbaar. Dit impliceert dat die zorg alsnog wordt verstrekt als de mantelzorg zou wegvallen. De mate waarin mantelzorgers bereid en in staat zijn een deel van de benodigde ondersteuning te bieden, is bepalend voor de inzet van professionele ondersteuning vanuit de Wmo. Hierbij speelt de draagkracht van mantelzorgers een rol. Deze is niet voor iedereen gelijk. De individuele verschillen worden in belangrijke mate bepaald door de persoonlijke omstandigheden van de mantelzorger (leeftijd, gezinssituatie, eigen gezondheid et cetera). Mantelzorg kan niet worden gezien als vorm van voorliggende voorziening. Een mantelzorger heeft onder de Wmo 2015 geen eigenstandig recht op een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend aan de aanvrager met de beperking. In het onderzoek zal wel worden nagegaan of er behoefte bestaat aan ondersteuning. Noodzakelijk Noodzakelijk wil zeggen dat de aanvrager met beperkingen uitsluitend met behulp van de voorziening in staat blijft zelfredzaam te zijn en participeren. De voorziening moet om die reden nodig zijn; niet gewenst of gemakkelijk. Deze voorwaarde geldt voor alle maatwerkvoorzieningen. De noodzakelijkheid kan zowel leiden tot een kortdurende als een langdurige verstrekking. Voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen is langdurig noodzakelijk een voorwaarde. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de aanvrager met beperkingen niet alleen aangewezen moet zijn op een Wmo voorziening maar dat dit tevens voor langere tijd geldt. De grens wordt bepaald door de vraag: gaat de beperking over of is het blijvend. Als de aanvrager een probleem heeft dat acht of tien maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal ziek is. Er wordt dan uitgegaan van langdurige noodzaak. Persoonskenmerken, behoeften van de aanvrager en de financiële mogelijkheden Bij het vaststellen van de noodzaak van een maatwerkvoorziening wordt gekeken naar de persoonskenmerken, de behoeften en de financiële mogelijkheden van de aanvrager. Relevante persoonskenmerken kunnen, afhankelijk van de belemmeringen die de aanvrager ervaart, , bijvoorbeeld zijn: de leeftijd; de gezondheidssituatie; de zelfstandigheid van de aanvrager; de mate waarin de aanvrager in staat is om zelf - eventueel met hulp van zijn huisgenoten en sociale netwerk - zaken te organiseren. Behoeften van de aanvrager De behoeften van de aanvrager spelen op twee manieren een rol. Allereerst wordt bekeken op welke terreinen hij belemmeringen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Onderzocht wordt wat de aanvrager wil met betrekking tot zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en op welke manier hij daarin belemmerd wordt. Vervolgens wordt beoordeeld in hoeverre deze wensen redelijk zijn en gecompenseerd moeten en kunnen worden. Voor het compenseren van de belemmeringen wordt gekeken welke oplossingen mogelijk zijn. Hierbij speelt opnieuw de behoefte van de aanvrager een rol en ook de achtergrond van de behoefte. Met deze behoeften wordt rekening gehouden, voor zover dat mogelijk is. Uiteindelijk wordt voor de goedkoopst adequate oplossing gekozen. Financiële mogelijkheden In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 is bepaald dat gemeenten rekening houden met de mogelijkheden die aanvrager heeft om zelf in financiële zin kosten van een voorziening geheel of gedeeltelijk voor eigen rekening te nemen. De discussie loopt of gemeenten ook rekening mogen houden met het vermogen. Dus niet alleen met het inkomen uit vermogen. Uit de Wmo 2015 en uit de jurisprudentie kan nog geen heldere lijn worden gehaald. Aan de ene kant heeft de Centrale Raad van Beroep in meerdere uitspraken duidelijk gemaakt dat gemeenten geen absolute inkomensgrenzen mogen hanteren om aanvragers buiten de Wmo te sluiten. Aan de andere kant is er jurisprudentie waarbij de Raad wel rekening hield met het financiële vermogen van aanvragers om zelf in een oplossing te voorzien. In de Wmo 2015 wordt gesteld dat gemeenten burgers niet vanwege hun inkomen en vermogen mogen uitsluiten van de Wmo. Bij het gesprek zal de gemeente nagaan of de aanvrager zelf in een oplossing kan voorzien. Het kan niet anders of de financiële zelfredzaamheid zal daarbij aan de orde komen. Er ligt nu eenmaal een verband tussen de zelfredzaamheid van een persoon en diens financiële omstandigheden. Zoals het er nu uitziet, kan de gemeente daar alleen op vrijwillige basis een beroep op doen. De verwachting is dat ook met de Wmo 2015 de juridische discussie over financiële zelfredzaamheid door zal gaan. Sociaal-recreatief vervoer Het gaat bij sociaal-recreatief vervoer om vervoer dat bestemd is ten behoeve van de participatie en zelfredzaamheid van een aanvrager. Het gaat om vervoer naar bijvoorbeeld een buurtactiviteit, vrienden en familie, een theater, winkels of gewoon een ritje in de buitenlucht met de scootmobiel. Een voorziening voor sociaal-recreatief vervoer stelt de aanvrager in staat zijn zelfredzaamheid te verbeteren of te handhaven, danwel te participeren in de samenleving. Sociaal-recreatief vervoer onderscheid zich van: vervoer van en naar de dagbesteding: dit vervoer maakt onderdeel uit van het arrangement dagbesteding; vervoer naar werk of in het kader van een traject naar werk of activering op grond van bijvoorbeeld de Werkloosheidswet of Participatiewet. Ziekenvervoer welke vergoed wordt uit het basispakket van de zorgverzekering. Het moet gaan om medisch noodzakelijk vervoer. Uitrustingsniveau sociale woningbouw Bij de verstrekking van voorzieningen is het uitgangspunt het niveau van de sociale woningbouw. Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het bouwbesluit 2012. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau. Vertegenwoordiger Een vertegenwoordiger is op grond van de definitie in de Wmo 2015 de persoon of rechtspersoon die een aanvrager vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Op grond van de wet kunnen als vertegenwoordiger optreden de curator, mentor of gevolmachtigde van de aanvrager. De bewindvoerder staat hier niet bij. De bewindvoerder kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze is gevolmachtigd door de aanvrager. Curatele, bewind en mentorschap zijn verschillende maatregelen om mensen te beschermen die zelf geen goede beslissingen kunnen nemen. Bijvoorbeeld door een verstandelijke beperking, verslaving of dementie. Bewind is bedoeld voor wie zijn financiële zaken niet zelf kan regelen. Mentorschap gaat over het nemen van beslissingen over de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van de betrokkene. Curatele is bedoeld voor mensen die hun financiële en persoonlijke zaken niet zelf kunnen regelen. Die mensen zijn handelingsonbekwaam. Curatele, bewind en mentorschap kunnen worden aangevraagd bij de kantonrechter. Als een curator, mentor of gevolmachtigde ontbreekt, kunnen ook als vertegenwoordiger optreden: echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel van de aanvrager; dan wel (als deze ontbreekt); diens ouder, kind, broer of zus. Deze personen kunnen echter niet als vertegenwoordiger optreden als de aanvrager dat niet wenst. Om die reden zal geprobeerd moeten worden om zoveel mogelijk een schriftelijke machtiging te vragen van de aanvrager. Een buurvrouw, vriend of kennis, kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze expliciet door de aanvrager is gevolmachtigd. Voorzienbaarheid De Wmo 2015 biedt, evenals de oude Wmo deed, ruimte om van burgers te eisen dat zij bij het doen van een aanschaf of bij een verhuizing rekening houden met de al aanwezige beperkingen en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling hiervan. Hierbij kan gedacht worden aan het tijdig zoeken van andere woonruimte of het sparen voor de nodige aanpassingen, maar ook aan het tijdig regelen van tijdelijke hulp na een operatie. De voorzienbaarheid van een voorziening kan daarom meespelen bij het toekennen of afwijzen van een aanvraag voor de maatwerkvoorziening. De Wmo 2015 laat echter geen ruimte voor generieke uitsluiting van groepen voor een maatwerkvoorziening. Ook mag niet van de aanvrager vereist worden dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op maatschappelijke ondersteuning.4 Voorliggende voorziening (ledenbrief vng art 2.3.2 lid 4 wmo) Een voorliggende voorzieningen is een voorziening waar de aanvrager wettelijk aanspraak op kan maken voor zijn belemmering. Een beroep op ondersteuning op grond van de Wmo 2015 is hiervoor dan niet mogelijk. In de Wmo 2015 komt de term voorliggende voorziening niet meer voor maar is dit vervat in artikel 2.3.2 lid 4. Een voorbeeld is dat voor zover iemand een indicatie heeft voor ondersteuning met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), er geen recht bestaat op ondersteuning via de Wmo 2015, tenzij het gaat om een voorziening voor sociaal recreatief vervoer of een algemene voorziening. HOOFDSTUK2MELDING EN ONDERZOEK (Toegang) Burgers zijn zelf primair verantwoordelijk voor hun zelfredzaamheid en participatie. De eigen verantwoordelijkheid van de burger is een belangrijke pijler van de Wmo 2015. Tot die eigen verantwoordelijkheid van de burger behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden – zijn eigen sociale netwerk – alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. De overheid is van mening dat het immers heel normaal is dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. De regering wil het automatisme doorbreken dat burgers zich bij elke hulpvraag tot de overheid wenden. In de omslag die met de Wmo 2015 in gang is gezet, is het niet meer vanzelfsprekend dat de overheid bij iedere hulpvraag bijspringt. Uitgangspunt is dat iedere burger eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Hiermee wordt niet uit het oog verloren dat iedereen een beroep mag doen op de gemeente. Geen enkele aanvrager wordt op voorhand, bijvoorbeeld op grond van inkomen, uitgezonderd van de toegang tot ondersteuning door de gemeente. Eenieder kan zich melden bij de gemeente met een hulpvraag. In het onderzoek dat de gemeente na de melding uitvoert, zullen eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de sociale omgeving worden betrokken en meegewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen over het al dan niet bieden van ondersteuning vanuit de gemeente. De Wmo 2015 beoogt immers niet dat burgers aan hun lot worden overgelaten. Integendeel, er zullen burgers zijn, die ondanks al hun inspanningen of die van hun netwerk, al dan niet tijdelijk, niet buiten hulp van de gemeente kunnen. Het Dagelijks Bestuur beoordeelt in dit soort gevallen welke maatschappelijke ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin een aanvrager in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Daar waar mogelijk, zal de maatschappelijke ondersteuning «ontwikkelingsgericht» worden ingezet; mensen met beperkingen kunnen zich met een daartoe afgestemde ondersteuning positief ontwikkelen in hun mate van zelfredzaamheid in de samenleving. In de Wmo 2015 is een uitvoerige beschrijving van een zorgvuldige toegangsprocedure opgenomen. Het recht op compensatie van de domeinen is in zekere zin vervangen door het recht op een zorgvuldige toegangsprocedure. Burgers moeten zich eerst ‘melden’ bij de gemeente met de hulpvraag. Een formele schriftelijke aanvraag mag niet direct worden ingediend. Dan gaat de gemeente onderzoek doen naar wat de aanvrager precies vraagt en nodig heeft. De vorm waarin dit geregeld wordt, is vrij. Dit onderzoek moet echter uiterst zorgvuldig gebeuren. Het komt er op neer dat het verzoek van de aanvrager al behandeld wordt zonder dat er een formele aanvraag aan ten grondslag ligt. In de praktijk gebeurde dit onder de oude Wmo ook. Dit is een uitvloeisel van het ‘keukentafelgesprek’ en de ‘Kantelingsgedachte’. Nu wordt deze werkwijze in de nieuwe wet expliciet benoemd. De bevoegdheid tot de inrichting van het proces “toegang” is niet overgedragen aan het Dagelijks Bestuur. De colleges zullen afzonderlijk nadere regels stellen omtrent de (rand)voorwaarden die van toepassing zijn op het toegangsproces. HOOFDSTUK3AANVRAAG Aanvraag schriftelijk De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet schriftelijk worden ingediend. Hiervoor wordt een passage gereserveerd in het gespreksverslag. Als de aanvrager een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indient, is hij verplicht ook het gespreksverslag voor gezien of akkoord te ondertekenen. Een aanvraag kan pas worden ingediend als het onderzoek is afgerond. Is het onderzoek niet binnen zes weken afgerond, dan mag de aanvrager wel een aanvraag indienen. Aangezien erop dat moment nog geen gespreksverslag is, kan hij de aanvraag indienen met een daarvoor vastgesteld formulier. Zie 3.5 voor de situatie dat de aanvrager een aanvraag indient zonder dat er een melding heeft plaatsgevonden. Ingezetene Een persoon heeft slechts recht op een maatwerkvoorziening voor zover hij ingezetene is van de ISD Bollenstreekgemeenten. Dat wil zeggen dat hij zijn woonplaats moet hebben in de ISD Bollenstreekgemeenten. Artikel 1:10 BW bepaalt dat de woonplaats van iemand zich bevindt te zijner woonstede, en bij gebrek van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Het gaat om waar iemand werkelijk woont, de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en tevens met het plan om, als dat doel is bereikt, terug te keren. Artikel 1:11 BW bepaalt dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Iemand wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze kennis heeft gegeven aan de gemeentebesturen. Normaal gesproken komen woonplaats, inschrijving in het BPR en feitelijke verblijfplaats overeen. Als een persoon twee adressen heeft, bijvoorbeeld een woning en een vakantieadres, of een woning en een revalidatiecentrum, is van belang waar de persoon staat ingeschreven en of hij de intentie heeft terug te keren naar zijn woning. Door een tijdelijk verblijf in een instelling of een tijdelijk verblijf op een vakantieadres verliest de persoon derhalve niet zijn woonplaats/ingezetenschap. Als bij de persoon iemand staat ingeschreven die daar feitelijk niet woont, komt dat voor rekening en risico van de aanvrager: Als er in het BPR medebewoners staan ingeschreven die als huisgenoot kunnen worden aangemerkt, wordt hiermee rekening gehouden in het onderzoek. Het is aan de persoon om er zorg voor te dragen dat personen die feitelijk niet bij hem wonen, worden uitgeschreven. Als uit onderzoek blijkt dat er bij een persoon iemand inwoont die kan worden aangemerkt als huisgenoot, wordt hiermee bij de vaststelling van het recht op huishoudelijke verzorging en begeleiding rekening gehouden, ook al staat de medebewoner in het BPR niet ingeschreven op het betreffende adres. Voor ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en opvang geldt niet dat de aanvrager ingezetene moet zijn van de Bollenstreek gemeenten. De gemeente is gehouden deze ondersteuning te leveren aan iedere burger die zich tot de gemeente wendt en die daarvoor in aanmerking komt. Aanvraag persoonsgebonden budget Als een aanvrager de ondersteuning door middel van een persoonsgebonden budget zelf wenst in te kopen, moet hij bij zijn aanvraag een ondersteuningsplan overleggen. Daarnaast overlegt hij de conceptovereenkomst die hij met de aanbieder(

  1. s)wil afsluiten (bij dienstverlening). Hiervoor stelt de Sociale Verzekeringsbank modellen ter beschikking. Voor andere vormen van ondersteuning, bijvoorbeeld voor een woningaanpassing of een hulpmiddel, wordt geen plan gevraagd, maar gelden afwijkende voorwaarden (programma van eisen). Afhandelingstermijn aanvraag De afhandelingstermijn voor de aanvraag bedraagt 2 weken. Als de aanvrager voor de afhandeling van zijn aanvraag nog gegevens moet overleggen, dan wordt hem dat schriftelijk gevraagd, met vermelding van de termijn waarbinnen hij die gegevens moet overleggen. De afhandelingstermijn wordt opgeschort zolang de aanvrager de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Als de gegevens niet binnen de termijn zijn verstrekt, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld als deze gegevens wezenlijk zijn voor de afhandeling van de aanvraag. Als meer tijd nodig is om tot een besluit te komen, dan kan de afhandelingstermijn met een redelijke termijn worden verlengd. Wat een redelijke termijn is, is afhankelijk van de reden waarom meer tijd nodig is, maximaal 8 weken wordt in de jurisprudentie als redelijk geacht. De aanvrager wordt op de hoogte gesteld dat zijn aanvraag niet binnen 2 weken zal worden afgehandeld. In de brief wordt tevens vermeld wanneer hij het besluit wel kan verwachten. Aanvraag zonder meldingsprocedure Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door een aanvrager alleen worden gedaan als het volledige onderzoek is afgerond, tenzij: het onderzoek niet is uitgevoerd binnen 6 weken; er naar het oordeel van de consulent sprake is van een spoedeisende situatie. In de Wmo 2015 staat geen termijn genoemd waarbinnen een aanvraag moet zijn gedaan na afronding van het onderzoek. Als er naar de inschatting van de consulent een dusdanig lange termijn zit tussen afronding onderzoek en indiening aanvraag, dat er twijfels zijn of het onderzoeksverslag nog actueel genoeg is, zal dit met de aanvrager worden besproken. Daarbij wordt ook de reden gevraagd waarom de aanvrager zo lang heeft gewacht met het indienen van zijn aanvraag en hoe hij de situatie in de tussentijd heeft opgelost. De consulent kan er, afhankelijk van zijn bevindingen, voor kiezen het onderzoek volledig opnieuw te doen, dan wel het verslag met de aanvrager door te lopen om te bezien in hoeverre er nog wijzigingen zijn. Dit (aanvullende) verslag wordt aan de aanvrager verstrekt. Als een aanvrager een aanvraag indient terwijl er geen sprake is geweest van een melding én er ook geen sprake is van een spoedeisende situatie, dan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen, maar wordt eerst een onderzoek ingesteld. De aanvraag kan worden aangemerkt als een melding. De aanvrager wordt ervan op de hoogte gesteld dat de aanvraag te vroeg is ingediend en (voorlopig) niet in behandeling wordt genomen totdat het onderzoek is afgerond en de aanvrager de aanvraag wil handhaven. Spoedprocedures Het kan soms gebeuren dat een aanvrager spoedzorg nodig heeft. Bijvoorbeeld: De aanvrager kan alleen uit het ziekenhuis worden ontslagen als er thuis hulp bij het huishouden, begeleiding of een voorziening is geregeld. Een voorziening is noodzakelijk omdat de aanvrager zeer ernstig ziek is en een korte levensverwachting heeft Als een dergelijke situatie van toepassing is, dan moet de aanvrager binnen 24 uur zorg (HbH, begeleiding) en/of binnen 24 uur een passing voor een voorziening krijgen zonder dat er een indicatie is vastgesteld. Binnen 14 dagen stelt de ISD Bollenstreek de indicatie dan alsnog vast. HOOFDSTUK4BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK In artikel 1.2.1 van de wet is in algemene zin verankerd dat burgers, afhankelijk van de aard van hun problematiek, in aanmerking komen voor maatschappelijke ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening. Het recht op een maatwerkvoorziening bestaat slechts, voor zover het gemeentelijke beleidsplan en verordening voorziet in het bieden van die maatwerkvoorziening en het Dagelijks Bestuur op basis van artikel 2.3.2 en 2.3.5 heeft vastgesteld dat betrokkene op die voorziening is aangewezen. Het verschil tussen maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen wordt als volgt uitgelegd in de Wmo 2015: “het begrip ‘maatwerkvoorziening’ duidt beter dan het voorheen gebruikelijke begrip ‘individuele voorziening’ aan dat het niet gaat om één of meer concrete en herhaalbaar in te zetten aanbod van activiteiten en voorzieningen, maar op een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen”. Een maatwerkvoorziening is dus een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van: zelfredzaamheid en participatie beschermd wonen en opvang. A. Zelfredzaamheid en participatie De gemeente beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de aanvrager ondervindt, voor zover de aanvrager deze beperkingen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De aanvrager kan ook geen aanspraak maken op grond van andere wetgeving. Te bereiken resultaat De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de aanvrager in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven. B. Opvang en beschermd wonen De gemeente beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de aanvrager met psychische of psychosociale problemen en de aanvrager die de thuissituatie heeft verlaten (al dan niet in verband met risico’s voor veiligheid) voor zover de aanvrager deze problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. Te bereiken resultaat De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de aanvrager aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de aanvrager in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Afwegingskader voor alle maatwerkvoorzieningen: Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de aanvrager te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk of een verwijzing naar een algemene voorziening. De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als dit soort opties niet voldoende zijn. Als het Dagelijks Bestuur vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het Dagelijks Bestuur kiezen voor de goedkoopst doelmatige voorziening. Voorop staat dat de voorziening adequaat (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere varianten mogelijk zijn, kiest het Dagelijks Bestuur voor de goedkoopste variant. Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Wijze van verstrekking van voorzieningen Bij een maatwerkvoorziening kan het gaan om ondersteuning in natura, om ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna Pgb) of om een financiële tegemoetkoming in de meerkosten. Bij de verstrekking van een voorziening in natura aan de aanvrager kan de voorziening in twee vormen geleverd worden, namelijk: de voorziening in natura wordt in eigendom aan de aanvrager verstrekt, of; de voorziening wordt in bruikleen aan de aanvrager verstrekt. Bij een bruikleenverstrekking wordt de aanvrager geen eigenaar van de verleende voorziening, maar blijft de voorziening in eigendom van de ISD Bollenstreek of de leverancier. Afhankelijk van de eigenaar van de betreffende in bruikleen verstrekte naturavoorziening kan er sprake zijn van een tweetal soorten bruikleenovereenkomsten: een bruikleenovereenkomst tussen de aanvrager en de leverancier, indien de leverancier de eigenaar van de voorziening blijft, of; een bruikleenovereenkomst tussen de aanvrager en de ISD Bollenstreek, indien de ISD Bollenstreek de eigenaar van de voorziening is. Om aanvragers de mogelijkheid te bieden om zelf regie te voeren en ondersteuning in te kopen die in inhoud en/of vorm (nog) niet door de gemeente is ingekocht, wordt een Pgb geboden als alternatief. Een Pgb is mogelijk als de aanvrager kan motiveren waarom dit gewenst is en duidelijk kan aangeven hoe het Pgb bijdraagt aan het oplossen van de ondersteuningsvraag (zie ook Hoofdstuk 5). De Wmo geeft gemeenten tevens de bevoegdheid om burgers financieel tegemoet te komen als zij als gevolg van een chronische ziekte of een beperking aannemelijke meerkosten moeten maken. Het gaat onder andere om: een financiële tegemoetkoming voor gebruik van een taxi of een rolstoeltaxi, verhuis- en inrichtingskosten, bezoekbaar- en logeerbaar maken van een woning, tijdelijke huisvesting. Medische Advisering De indicatiestelling van een maatwerkvoorziening wordt gedaan door de ISD Bollenstreek. Uitgangspunt bij het onderzoek moet zijn, dat alleen die informatie wordt gevraagd en die onderzoeken worden gedaan, die voor de in behandeling zijnde aanvraag relevant zijn. Een extern medisch advies (bijv GGD) moet worden gevraagd in die gevallen waarbij: Het medisch beeld en de prognose van de aandoening en stoornis voor de consulent onvoldoende duidelijk zijn; Er mogelijk een afwijzing op medische grond moet plaatsvinden; De beperkingen wel duidelijk zijn, maar de consulent zich onvoldoende deskundig acht om tot een goede selectie te komen; In alle gevallen waarbij het verhaal van de aanvrager en de eigen waarneming van de Wmo-consulent niet met elkaar in overeenstemming is Van de deskundig medisch adviseur wordt daarbij verwacht dat hij/zij in staat is de stoornis te vertalen in beperkingen en belemmeringen. Op deze wijze is er geen inzicht nodig in de medische dossiers van aanvragers. Het medisch dossier van de aanvrager wordt niet overgedragen aan de ISD Bollenstreek noch wordt inzage gegeven in het medische dossier. HOOFDSTUK5MAATWERKVOORZIENING GERICHT OP VOEREN VAN EEN HUISHOUDEN VOEREN VAN NOODZAKELIJKE ALGEMENE DAGELIJKSE LEVENSVERRICHTINGEN Het kunnen voeren van een huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Wat dit betekent is een subjectief begrip waarop een ieder eigen normen en waarden hanteert. Daarom wordt gebruik gemaakt van een objectief normenkader om te bepalen welke hulp nodig is, waarbij (tot op zekere hoogte) rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de klant. Het gaat hierbij om zaken als het schoonhouden van het huis en – waar voorliggende oplossingsmogelijkheden niet afdoende zijn - het doen van de was- of strijk, de zorg voor kinderen, het doen van boodschappen en/of het bereiden van een maaltijd. De klant en zijn omgeving (leefeenheid) zijn zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden. Voor die taken die de klant en zijn huisgenoten niet kunnen doen en ook niet op andere wijze (familie, vrijwilligers, particuliere hulp) kunnen oplossen kan er hulp bij het huishouden geboden worden. Motto is ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’: eigen regie en verantwoordelijkheid van de klant staan centraal. 5.1Modules Algemeen Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, wordt gebruik gemaakt van het Normenkader HHM. Dit normenkader bestaat uit 6 modules: Schoon en leefbaar huis Wasverzorging Boodschappen Maaltijden Regie/organisatie, AIV Kindzorg Wanneer klanten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de module schoon en leefbaar huis (module 1), kunnen aanvullende modules (2 tot en met 6) ingezet worden. In principe wordt altijd de module schoon en leefbaar huis geïndiceerd, aangevuld met de andere modules wanneer noodzakelijk. In uitzonderinggevallen kan ook een losstaande module zonder de module ‘schoon en leefbaar huis’ geïndiceerd worden. Module 1 Een schoon en leefbaar huis Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Niet alle vertrekken dienen wekelijks schoongemaakt te worden en niet alle taken dienen wekelijks uitgevoerd te worden. De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), de keuken, sanitaire ruimte(
  2. s)en gang/trap. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van deze module, evenals het schoonmaken van de schuur (buitenruimte) en zolder. De klant zorgt ervoor dat het huis functioneel leefbaar is ingericht om het risico op bijvoorbeeld vallen te verkleinen maar ook om ervoor te zorgen dat de hulp efficiënt te werk kan gaan. Module 2 Wasverzorging1 Indien er een algemene- of collectieve voorziening wordt opgericht in de vorm van een Was- en Strijkservice, zal hier naar worden doorverwezen. Uitzondering hierop zijn bedlegerige patiënten, patiënten die chemotherapie ondergaan en extra bewassing i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie en speekselverlies (allen medisch aantoonbaar). Resultaat is het beschikken over schone en draagbare kleding voor alledag en linnengoed. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Wat betreft het strijken van kleding worden er geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken. Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken2De gemeente/ISD Bollenstreek heeft een taak in het voorlichten van de burgers op deze onderdelen. Men moet kunnen weten wat verwacht wordt als men ooit een beroep op dit resultaat binnen de Wmo wil gaan doen.. Strijken is daarmee eerder een uitzondering en/of tijdelijke situatie dan een reguliere activiteit. Module 3 Boodschappen Resultaat is het kunnen beschikken over boodschappen voor de dagelijkse activiteiten. In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse activiteiten nodig. De dagelijkse benodigdheden kunnen op vele manieren in huis komen. Compensatie houdt niet perse in dat de burger altijd zelf de boodschappen moet kunnen doen. In redelijkheid moet worden gezocht naar een oplossing waarmee het resultaat wordt bereikt. Indien mogelijk wordt daarbij gebruik gemaakt van boodschappendiensten, zoals geboden door supermarkten, online bezorgdiensten, een door de gemeente opgezette boodschappendienst of de inzet door vrijwilligers. Hierbij moet wel worden opgelet dat de betreffende dienst qua artikelen en prijsbeleid bij de betreffende burger past. Module 4 Maaltijden Resultaat is het kunnen beschikken over de broodmaaltijd en/of de warme maaltijd. Doelgroep zijn klanten die niet zelf in hun brood en/of warme maaltijd kunnen voorzien en waar andere voorzieningen zoals het zelf opwarmen van kant en klare/magnetronmaaltijden en maaltijddiensten en hulp van naasten of vrijwilligers niet volledig tot een oplossing leiden. Ook andere domeinen zijn niet van toepassing. Vanuit de wijkverpleging is het bijvoorbeeld mogelijk om hulp te ontvangen bij het bereiden en eten van de maaltijd wanneer de klant ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft, bijvoorbeeld wanneer hulp nodig is om het eten in de mond te brengen of wanneer er een grote kans is dat de klant zich verslikt. Module 5 Regie/organisatie/AIV Resultaat is het ondersteunen van de klant bij de organisatie van de huishoudelijke activiteiten (eventueel in ontregelde huishoudens) en/of het aanleren van vaardigheden met betrekking tot deze huishoudelijke activiteiten. Module 6 Kindzorg Resultaat is de opvang en/of verzorging van kinderen in gezinnen waar de ouder tijdelijk niet in staat is om de ouderrol op zich te nemen. Hierbij gelden de gebruikelijke protocollen voor gebruikelijke zorg. De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is namelijk in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppas, naasten, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. Dit resultaat richt zich dus op ouders die mede door hun beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen en dus niet op het kind met beperkingen. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Opvoedingsondersteuning valt onder een andere voorliggende voorziening. 5.2Taken en activiteiten De volgende taken en activiteiten vallen onder de voorziening: Module Taken en activiteiten Afbakening Schoon en leefbaar huis Afnemen nat en droog Stofzuigen en dweilen Ramen en gordijnen Bed verschonen Keuken schoonmaken Sanitair schoonmaken Opruimen Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen buiten, tuin, balkon, schuur, stoep, etc.) maken geen onderdeel uit van de module. Ook de zolder valt niet onder deze module. Wasverzorging Wasgoed sorteren Behandelen van vlekken Was in de wasmachine stoppen, aanzetten en leeghalen Sorteren naar droger of waslijn Was in de droger stoppen, aanzetten en leeghalen Was ophangen, afhalen en opvouwen Was opbergen Was strijken (Bij uitzondering en bij voorkeur tijdelijk totdat strijkvrije kleding is aangeschaft) Er worden geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken. Er wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken. Boodschappen Opstellen van de boodschappenlijst, doen van boodschappen en opruimen van de boodschappen. Het betreft de levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Onder boodschappen vallen niet de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten. Maaltijden Broodmaaltijden: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten (1 maaltijd op tafel, 1 in de koelkast), afruimen, afwassen off vaatwasser inruimen/uitruimen Opwarmen maaltijd: maaltijd opwarmen, tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser in/uitruimen Er kan een combinatie van oplossingen gemaakt worden om tot maatwerk te komen. Ter illustratie: familie verzorgt 3 keer per week warme maaltijd. De overige 4 dagen worden geïndiceerd. Er wordt in principe niet gekookt met losse ingrediënten, het gaat om het opwarmen van de maaltijd. Regie/organisatie, AIV Regie/organisatie Organisatie huishoudelijke activiteiten Administratieve werkzaamheden, organiseren, plannen en beheren van middelen Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen. Hieronder kan ook observeren vallen, evenals formuleren doelen met betrekking tot huishouding, helpen verkrijgen, handhaven structuur in het huishouden, helpen verkrijgen/handhaven zelfredzaamheid t.a.v. budget. AIV: Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van activiteiten gericht op boodschappen en maaltijden Budgetbeheer, schuldhulpbeheer en permanent beheer van financiële middelen vallen niet onder de module. Kindzorg Was verzorgen Kamers opruimen Eten maken Tasjes school Aankleden Wassen Eten geven Structuur bieden Meer tijd huishoudelijke taken Brengen naar school/crèche Naar bed brengen Afstemming met andere hulp/informele zorg Afstemming/sociaal contact (aankomst, vertrek, administratie, contact met cliënt) 5.3Categorieën en wijze van indicatiestelling Per gemeente gelden de volgende categorieën: Categorie Gemeenten Basismodule Aanvullende modules Indicatiestelling ZIN/PGB HbH1 Hillegom 1 Indien nodig module 2 Minuten ZIN EN PGB HBH 1 Lisse, Noordwijk en Teylingen 1 Indien nodig module 2 Minuten PGB Schoon en leefbaar huis Lisse, Noordwijk en Teylingen 1 Indien nodig module 2 Taken en frequenties ZIN HbH2 Hillegom, Lisse, Noordwijk en Teylingen 1 Indien nodig module 2 Minuten ZIN EN PGB HbH3 Hillegom, Lisse, Noordwijk en Teylingen 1 Indien nodig module 2 + minimaal 1 van de volgende modules: 3 tot en met 6. Minuten ZIN EN PGB Categorie HbH2 is bedoeld voor klanten met een psychiatrische en/of psychogeriatrische aandoening die vanwege deze aandoening een hulp met kennis van deze aandoeningen nodig heeft, bijvoorbeeld ook ter preventie van verslechtering van de situatie van de klant. Het uitsluitend hebben van bijvoorbeeld een diagnose Alzheimer of een psychische stoornis is niet voldoende voor een indicatie HbH2. Er wordt onderzocht of op dat moment in de specifieke situatie van de klant sprake is van bovenstaande kenmerken waardoor een indicatie gespecialiseerde begeleiding gerechtvaardigd is. Wijzigt de situatie van de klant gedurende de indicatieperiode? Dan kan een herindicatie aangevraagd worden. Categorie HbH3 is bedoeld voor klanten die minimaal 1 van de volgende aanvullende modules nodig heeft: 3 tot en met 6. 5.4Beoordeling Bij de beoordeling van de noodzaak, de modules en het aantal uren hulp bij het huishouden wordt uitgegaan van de specifieke persoonskenmerken van de klant, zijn situatie met huisgenoten en sociale omgeving. Er wordt gekeken naar (o.a.) het: Beschikbaar zijn van eigen kracht (wat kan de klant zelf en wat kan de klant samen met de hulp?) Beschikbaar zijn van gebruikelijke hulp Beschikbaar zijn van ondersteuning vanuit het sociale netwerk Beschikbaar zijn van voorliggende voorzieningen Reeds aanwezig zijn van betaalde hulp Deze onderdelen worden opgenomen in het verslag en teruggekoppeld aan de aanbieder. Het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen is geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning als men reeds een betaalde hulp inhuurde om de benodigde taken uit te voeren. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van beperkingen financiële mogelijkheden3Het is aan de klant om dit aan te tonen omdat de ISD Bollenstreek geen inzage heeft in de financiële gegevens van klanten. wegvallen of de ondersteuning door de ‘gebruikelijk aanwezige’ schoonmaak (lees: reeds betaalde hulp) niet meer toereikend is. 5.5Indicatiestelling In deze paragraaf worden de uitgangspunten van de basisnormen en de inzet van meer of minder hulp besproken. In de bijlage van dit addendum wordt de norm per basismodule toegelicht en worden de invloedsfactoren per norm besproken. a.Basisnorm Elke module kent een basisnorm: een norm in minuten gebaseerd op de gemiddelde klantsituatie zoals berekend door Bureau HHM op basis van de honderden casussen die zij onderzocht hebben. Deze gemiddelde klantsituatie waarop de basisnorm per module is gebaseerd is als volgt: 1 of 2 volwassen zonder thuiswonende kinderen Zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap Geen huisdieren die extra inzet van ondersteuning vragen De klant kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld zelf aanrecht afnemen, opruimen) zodat deze gereed is voor schoonmaak De klant heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde die bij de klant maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn. De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk Een groot deel van de klanten zal tot deze gemiddelde klantsituatie behoren. Per module zijn er factoren voor meer of minder inzet van hulp geformuleerd. b.Meer of minder inzet van hulp Of een klant in aanmerking komt voor meer of minder inzet van hulp per module hangt af van de invloedsfactoren die van toepassing zijn op deze klantsituatie. De aanwezigheid van een of meerdere van deze invloedsfactoren leidt niet automatisch tot meer of minder inzet. Het is steeds de vraag of er kenmerken zijn die leiden tot extra vervuiling of vragen om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. Als dit zo is kan er aanvullende minuten geïndiceerd worden. Bij een aantal modules zijn er ook invloedsfactoren die juist zorgen voor aftrek van minuten van de basisnorm, omdat de klant juist zelf of met naasten e.e.a. kan oplossen. De invloedsfactoren staan in bijlage 2 genoemd. c.Totale indicatie Per module wordt het totaal aantal minuten berekend. De optelsom van de verschillende modules bepaalt de hoogte van de indicatie. De professionele hulp verdeelt zelf de uit te voeren werkzaamheden en de beschikbaar gestelde uren in de tijd, in overleg met de klant. Zo worden alle activiteiten uitgevoerd, ook de activiteiten die niet elke week gedaan hoeven worden. In het normenkader is naast directe tijd ook indirecte tijd opgenomen. Dit is tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de klant en bijvoorbeeld het pakken/opruimen van schoonmaakspullen. 5.6Aanvullende afwegingen indiceren maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden De volgende elementen worden meegenomen in de afweging voor het al dan niet indiceren van een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. De algemene omschrijving van deze afweging staat in hoofdstuk 1, in deze paragraaf wordt een algemene toelichting gegeven specifiek voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. Voorliggende voorzieningen In geval van vragen op het gebied van het voeren van een huishouden kan worden gedacht aan wat algemene technische hulpmiddelen zijn: afwasmachine, aangepast bestek, wasmachine, wasdroger, verhoging voor wasmachine of wasdroger en stofzuiger. Voorbeelden van voorliggende algemene voorzieningen zijn: boodschappenbezorgdienst, vriesversmaaltijden, alarmering, glazenwasser, hondenuitlaatservice, klussendienst, kinderopvang. Er wordt hierbij rekening gehouden met individuele omstandigheden van klant zoals: beschikbare ruimte in geval van technische hulpmiddelen in de woning en financiële mogelijkheden bij zowel aanschaf van technische hulpmiddelen als bij gebruik van voorliggende voorzieningen. Gebruikelijke zorg Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Bij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. In situaties korter dan 3 maanden moet alle zorg door de gebruikelijke zorger worden geboden. Hierbij kan maatwerk geleverd worden. Overbelasting Wanneer een huisgenoot overbelast blijkt te zijn door de zorg voor klant, kan tijdelijk hulp bij het huishouden worden ingezet. De overbelasting moet worden vastgesteld door de medisch adviseur. Van klant en huisgenoot wordt dan verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning van de mantelzorgconsulent of andere klantondersteuner ) onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te verminderen, zodat op den duur de huishoudelijke taken weer door de huisgenoot kunnen worden overgenomen. Alleen wanneer blijkt dat -na een tijdelijke indicatie- ondanks pogingen van betrokkenen om tot oplossingen te komen het echt niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan langdurig hulp bij het huishouden worden ingezet. Voorzetten hulp na overlijden huisgenoot Wanneer klant overlijdt en een huisgenoot die beperkingen heeft achterblijft zal de hulp bij het huishouden gedurende 4 weken worden voortgezet. Zo heeft de achterblijvende huisgenoot 4 weken de tijd om de hulp op een andere manier te organiseren of de (veranderende) indicatie op zijn/haar naam te kunnen laten zetten. Voorzieningenniveau Een ieder moet kunnen wonen in een huis dat volgens de algemeen gebruikelijke normen schoon is. Voor het aantal ruimten in huis / vierkante meters van het huis geldt als norm dat iedereen gebruik moet kunnen maken van een schone huiskamer, slaapvertrek, keuken en douche/toilet. Een voor de bewoner geschikt huis dient zodanig functioneel te zijn ingericht dat de bewoner normaal gebruik kan maken van de genoemde ruimten. Een algemene uitsluiting van hulp bij het huishouden voor het gedeelte van de woning dat een bepaalde omvang overstijgt (zoals ‘een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw’) is strijdig met de Wmo. Uitrustingsniveau heeft als het uitgangspunt omvang van een (nieuwe) woning binnen de sociale woningbouw dit is iets anders dan een uitsluiting. Ook bij hulp bij het huishouden speelt de bepaling “uitrustingsniveau sociale woningbouw” een rol en wordt een duidelijke grens aangegeven. Er kan geen extra hulp bij het huishouden worden toegekend, vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont of voor bijvoorbeeld het schoonhouden van een inpandig zwembad. Incidentele overname door professionals bij plotselinge uitval mantelzorger. Bij plotsklaps uitval van de mantelzorger kan direct, zonder indicatie 120 minuten, hulp bij het huishouden worden ingezet gedurende 4-6 weken. Indien blijkt dat de mantelzorger langer tijd is uitgeschakeld kan er in die periode een indicatie worden gesteld. Afwegingskader voor maatwerkvoorzieningen gericht op zelfredzaamheid Allereerst beoordeelt het Dagelijks Bestuur aan de hand van het verslag van het onderzoek of alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Vervolgens beoordeelt het Dagelijks Bestuur of er andere eigen mogelijkheden zijn bijvoorbeeld sociaal netwerk. Daarna beoordeelt het Dagelijks Bestuur of er sprake is van gebruikelijke zorg. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, zal het Dagelijks bestuur compenseren met een maatwerkvoorziening Hulp bij het Huishouden. De hulp bij het huishouden is onderverdeeld in categorieën met bijbehorende modules. De klant ontvangt voor uitsluitend de modules waar geen andere oplossing mogelijk is om de taken uit te voeren een indicatie. Er wordt een indicatie in minuten afgegeven. Bij dit compenseren wordt als norm aangehouden de systematiek zoals die onder de Wmo 2007 werd gehanteerd, tenzij de feitelijke situatie tot een andere norm leidt . Deze systematiek bestaat uit normen uitgedrukt in uren en is indertijd tot stand gekomen in overleg met de toenmalige koepel van zorgaanbieders en is door de Centrale Raad van Beroep als niet-onredelijk aangemerkt. De voorziening kan door het Dagelijks Bestuur worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het Dagelijks Bestuur houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Dit is een afgeleid recht van de verzorgde, zodat geen zelfstandig recht ontstaat. Zo kan in geval van dreigende overbelasting een individuele voorziening aan de verzorgde worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet – als het een pgb betreft – door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Ook hier gaat het om een afgeleid recht. Het Dagelijks Bestuur kan ook op voorhand rekening houden met periodes van afwezigheid van de mantelzorger voor vakantie of anderszins. Wordt ter ondersteuning tijdelijk hulp geboden om thuis te kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren dan gaat het om die tijden dat de partner vanwege werkzaamheden niet thuis is. Bij de toekenning stelt het Dagelijks Bestuur bij beschikking vast om welke tijdelijke periode het gaat en op welke wijze gezocht dient te worden naar een definitieve oplossing HOOFDSTUK6MAATWERKVOORZIENING BEGELEIDING Soms hebben mensen met beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen moeite met het houden van de regie over hun leven. Ze hebben geen inzicht of overzicht. Het is moeilijk voor hen om een planning te maken en zich daaraan te houden. Ook kan er een probleem zijn met het vinden van een zinvolle daginvulling. Ondersteuning vanuit de Wmo 2015 kan dan noodzakelijk zijn. Bijvoorbeeld in de vorm van begeleiding. Onder begeleiding wordt verstaan: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Begeleiding is gericht op: Het begeleiden van de aanvrager bij zijn verslechterende zelfredzaamheid en/of participatie Het stabiliseren van de zelfredzaamheid en/of participatie van de aanvrager of Het verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie van de aanvrager Bij zelfredzaamheid in relatie tot de maatwerkvoorziening Begeleiding gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de aanvrager in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. 6.1Categorie-indeling De AWBZ kende onder de voorziening Begeleiding een trits aan categorieën. Omwille van de administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging zijn deze samengevoegd en zijn nieuwe categorieën gemaakt. Begeleiding bestaat uit de volgende categorieën (uitleg zie bijlage 6) met een daarbij behorend vast tarief en eventueel vervoer: Individuele begeleiding: regulier en gespecialiseerd Dagbesteding: regulier en gespecialiseerd + vervoer Kortdurend verblijf Tijdelijk kortdurend verblijf LVB 18+ Begeleiding specialistische zorg 6.2Indicatiestelling Tijdens het onderzoek wordt geïnventariseerd welke dagelijkse activiteiten een probleem opleveren voor de aanvrager. De beperkingen en mogelijkheden van de aanvrager staan centraal bij het onderzoek: wat ervaart hij voor problemen bij zijn zelfredzaamheid? Welke problemen komt hij tegen in het dagelijks leven? En wat kan de aanvrager zelf? Onderzocht wordt of de aanvrager in staat is om op eigen kracht zijn probleem geheel of gedeeltelijk op te lossen en ook of hij kan leren het zelf te doen. En of er andere mogelijkheden zijn om het probleem op te lossen, bijvoorbeeld middels gebruikelijke hulp, mantelzorg, voorliggende voorzieningen en voorzieningen uit voorliggende wetten. Begeleiding maakt vaak deel uit van een heel pakket van zorg van Behandeling en Persoonlijke verzorging. De omvang van de hulp wordt hierdoor sterk bepaald. De indicaties voor Behandeling en Persoonlijke verzorging worden meegewogen bij de indicatiestelling voor Begeleiding en de hulp zal indien nodig met behandelaars en thuiszorg (persoonlijke verzorging) worden afgestemd. In de Wmo zal tevens worden gezocht naar mogelijke combinaties van maatwerkvoorziening Begeleiding en voorliggende voorzieningen op het gebied van Welzijnswerk. In bijlage 6 wordt het handvatten voor de indicatiestelling begeleiding en dagbesteding gegeven. Hierin worden ook de verschillende aandachtsgebieden weergegeven. Omvang Begeleiding De omvang van de Begeleiding wordt vastgesteld in klassen, met daarin een bandbreedte in uren (begeleiding individueel en Tijdelijk beschermd wonen LVB18+) of een exact aantal dagdelen of etmalen (dagbesteding en kortdurend verblijf). De omvang van de indicatie is de optelsom van de duur van de verschillende activiteiten. In bijlage 6 is een normtijdenoverzicht opgenomen. De klassen zijn als volgt: Begeleiding individueel en Tijdelijk beschermd wonen LVB 18+ (regulier en gespecialiseerd) Klasse Bandbreedte Waakvlam Maximaal 90 minuten per 4 weken 1 0 – 1,9 uur per week 2 2 – 3,9 uur per week 3 4 – 6,9 uur per week 4 7 – 9,9 uur per week 5 10 – 12,9 uur per week 6 13 – 15,9 uur per week 7 16 – 19,9 uur per week 8 20 – 24,9 uur per week Dagbesteding (regulier en gespecialiseerd) Klasse Dagdelen 1 1 2 2 3 3 4 4 5 5 6 6 7 7 8 8 9 9 Kortdurend verblijf Klasse Etmalen 1 1 2 2 3 3 Aandachtsgebieden De volgende aandachtsgebieden kunnen geïndiceerd worden: Overzicht aandachtsgebieden Resultaten van het aandachtsgebied (niet limitatief) 1. Ondersteunen bij en opbouwen van Sociaal netwerk Inwoner Inwoner heeft gezond Sociaal netwerk en vervult daar- binnen een passende sociale rol Inwoner is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar Sociaal netwerk Inwoner kan eigen problematiek in relatie tot Sociale netwerk hanteren Bij bemoeizorg: Inwoner staat open voor opbouw sociaal netwerk 2. Ondersteunen van de thuisadministratie Overzicht van de administratie/administratie op orde Tijdige betaling van rekeningen Inkomsten en uitgaven in balans Indien aanwezig beheersbaar maken van de schuldenproblematiek (en indien mogelijk in relatie tot de inkomsten: vermindering van de schuldenlast) 3. Ondersteuning bij arbeidsparticipatie/dagbesteding (zie 4.2.2b) Inwoner heeft een zinvolle dagbesteding Inwoner heeft onbetaald werk met ondersteuning Inwoner heeft onbetaald werk zonder ondersteuning Inwoner heeft betaald werk met ondersteuning Inwoner heeft betaald werk zonder ondersteuning Mantelzorg is niet overbelast 4. Ondersteuning bij zelfzorg Inwoner is in staat zichzelf te verzorgen Inwoner draagt schone kleding Inwoner ziet er verzorgd uit Inwoner komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na 5. Persoonlijk functioneren, gezondheid en welzijn Inwoner brengt structuur aan en voert regie over de dagelijkse bezigheden, regelt zelf en neemt besluiten, plant en voert taken uit, Inwoner kan met zijn beperkingen omgaan Inwoner maakt gebruik van het eigen probleemoplossend vermogen Inwoner is trouw aan behandeling. 6. Mantelzorg-ondersteuning N.B. Mantelzorgondersteuning is een gemeentelijke taak en valt onder de algemene voorziening. In het kader van de maatwerkvoorziening wordt alleen mantelzorgondersteuning geboden in relatie tot de aanvrager. Mantelzorger is niet overbelast. Mantelzorger kan omgaan met de gevolgen van aandoening, stoornis of beperking van Inwoner. Mantelzorger kent eigen competenties en mogelijkheden en de grenzen daaraan. 7. Tijdelijk beschermd wonen LVB18+ Inwoner woont in een beschermende veilige woonomgeving Inwoner ontvangt geplande en ongeplande zorg, zowel gevraagd als ongevraagd. Inwoner ontvangt 24 uur per dag toezicht en begeleiding. Het betreft een vorm van beschikbaarheid van zorg die hoofdzakelijk bestaat uit passief toezicht. Er is geen noodzaak tot permanente actieve observatie. 8 Waakvlam De begeleider kan tijdig signaleren of sprake is van terugval en een grotere hulpbehoefte bij de inwoners; De inwoner kan bij korte vragen of kortdurende terugval een beroep doen op ondersteuning of maatregelingen zonder dat er een nieuw hulpverleningstraject opgestart hoeft te worden; De inwoner wordt voorbereid op overdracht aan een voorliggende voorziening/partij. Keuzevrijheid aanbieders De aanvrager bepaalt van welke aanbieder hij de maatwerkvoorziening begeleiding wil ontvangen, mits deze aanbieder voor de betreffende categorie gecontracteerd is. De ISD Bollenstreek kan de aanvrager hierbij ondersteunen als de aanvrager dat wenst. Ondersteuning bij het bepalen van het aanbod kan ook geboden worden door een cliëntondersteuner. Er kan gekozen worden om eerst een kennismakings- of afstemmingsgesprek te houden tussen de aanvrager, aanbieder, en ISD Bollenstreek voordat de aanbieder de opdracht krijgt de maatwerkvoorziening Begeleiding te bieden. De aanvrager en aanbieder kunnen na het gesprek besluiten of wel of niet moet worden overgegaan tot het leveren van de maatwerkvoorziening Begeleiding door de aanbieder. Als de aanvrager besluit dat de maatwerkvoorziening Begeleiding niet door de aanbieder geleverd moet worden dan coördineert de ISD Bollenstreek de keuze voor een andere aanbieder. Als de aanbieder besluit dat hij de maatwerkvoorziening Begeleiding niet kan of moet bieden dan moet de aanbieder dit gemotiveerd melden bij de ISD Bollenstreek. De ISD Bollenstreek besluit of de aanbieder op basis van deze motivatie kan afzien van het leveren van de maatwerkvoorziening Begeleiding. Wordt door de ISD Bollenstreek besloten dat dit zo is, dan, afhankelijk van de motivatie van de aanbieder, coördineert de ISD Bollenstreek de keuze van de aanvrager voor een andere aanbieder of wordt een aangepast besluit op basis van een aangepast Arrangement genomen. 6.3Aanvullende afwegingen bij indicatiestelling De volgende elementen worden meegenomen in de afweging voor het al dan niet indiceren van een maatwerkvoorziening begeleiding. De algemene omschrijving van deze afwegingen staan in hoofdstuk 1, in deze paragraaf wordt een algemene toelichting gegeven specifiek voor de maatwerkvoorziening begeleiding. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Er zijn veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen voorhanden die mensen met een beperking kunnen ondersteunen bij de dagelijks noodzakelijke activiteiten. Deze voorzieningen moeten mensen zonder beperking ook zelf regelen of betalen. Voorbeelden zijn: Activiteiten zoals computercursus of taalles Persoonsalarmering Pictogrammenbord of domotica in huis Gezelschap of ondersteuning door vrijwilliger Computer of mobiele telefoon/smartphone Kinderopvang (In principe) Coaching Voorliggende voorzieningen Niet wettelijk voorliggende voorzieningen kunnen zijn: Budgetbeheer Budgetbegeleiding Vrijwillige schuldhulp en/of vrijwillige schuldhulpverlening Zogenaamde formulierenbrigades, hulp via vakverenigingen en ouderenorganisaties. Gebruikelijke hulp Onder gebruikelijke begeleiding valt o.a.: Het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke participatie. Het geven van begeleiding binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals familiebezoek, huisarts et cetera; Het bieden van hulp bij/overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de aanvrager. Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan kinderen is tenminste tot en met een leeftijd van 17 jaar zowel in kortdurende als langdurige situaties gebruikelijk. Voor de beoordeling van gebruikelijke begeleiding wordt o.a. aangesloten het reeds onder de Awbz bestaande protocol gebruikelijke begeleiding ( indicatiewijzer CIZ) Behandeling Voordat begeleiding geïndiceerd wordt, wordt indien nodig onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/ stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld: ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde of in een revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reuma-centrum). De stelregel is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Om dit te bepalen kan een medisch adviseur (onafhankelijk arts) ingeschakeld worden. Is de aanvrager reeds onder behandeling? Dan kan het inzetten van begeleiding contra-productief zijn, wat reden kan zijn om geen begeleiding te indiceren. Begeleiding kan wel worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Soms kan begeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet; dan neemt de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden. Hulp bij het Huishouden Bij Hulp bij het Huishouden gaat het om het overnemen van huishoudelijke taken al dan niet in combinatie met het overnemen van de organisatie van deze taken. Wanneer de aanvrager deze huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet toezien/stimuleren en de hulpverlener moet tijdens het uitvoeren van deze huishoudelijke taken aanwezig zijn, dan behoort deze ondersteuning tot de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. Dit ook wanneer de aanvrager deze huishoudelijke taken soms wel of soms niet zelf kan uitvoeren. Als de hulp bij de regie/structuur van het huishouden zich richt op het plannen, stimuleren en voorbespreken van deze huishoudelijke taken, waarna de aanvrager die taken zelf uitvoert, dan kan deze hulp een aanspraak zijn op Begeleiding. (Wettelijk) voorliggende voorzieningen: Zorgverzekeringswet Het grootste raakvlak tussen Zorgverzekeringswet en Wmo maatwerkvoorziening binnen de begeleiding ligt op het gebied van de persoonlijke verzorging. De Wmo 2015 kent geen onderscheid in begeleiding of persoonlijke verzorging. Alles wat mensen gebruikelijk aan zelfzorg uitvoeren is persoonlijke verzorging. Verzorging is bijvoorbeeld: hulp bij het opstaan, aankleden, douchen, naar het toilet gaan, wondverzorging of helpen met injecties Hulp bij de persoonlijke verzorging vanwege een niet-medische oorzaak onder begeleiding in het kader van de Wmo 2015. Het gaat hierbij om het ondersteunen of overnemen van zelfzorg bij mensen met een aandoening of beperking. Het gaat om persoonlijke verzorging die in het verlengde ligt van begeleiding. Dus waar het gaat om aansturing en het niet gaat om persoonlijke verzorging die is ingegeven door een lichamelijke beperking. De persoonlijke verzorging die thuishoort bij de Wmo 2015 is dus feitelijk ondersteuning bij de zelfredzaamheid. Verzorging die wordt geleverd aan aanvragers met lichamelijke aandoeningen bij wie in de regel sprake is van medische problematiek valt onder de wijkverpleging (Zvw). Dit geldt ook voor de verzorging voor mensen met dementie. Hulp bij het eten en drinken (inclusief het klaarmaken van het eten) kan worden vergoed vanuit de zorgverzekering als de aanvrager ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om aanvragers die zich kunnen verslikken tijdens het eten of door dementie het klaargemaakte eten “ vergeten” op te eten. Is er geen behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop? Dan kan de maaltijdverzorging vanuit de Wmo geboden worden. Dit wordt gedaan vanuit de Hulp bij het Huishouden. Eventueel toezicht kan vanuit de begeleiding geboden worden, al is de inschatting dat bij aanvragers waar toezicht nodig is er reeds sprake is van Wlz gerechtigdheid. (Wettelijk) voorliggende voorzieningen: Wet langdurige zorg Begeleiding individueel, dagbesteding en kortdurend verblijf kunnen uit zowel de Wmo als de Wlz geboden worden. Afweging is of de aanvrager in aanmerking komt voor de Wlz. Het gaat om aanvragers die naar verwachting een blijvend intensieve zorgbehoefte hebben. En 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig hebben. In de Wmo 2015 is in artikel 2.3.5 punt 6 de volgende bepaling opgenomen: “Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande”. De ISD Bollenstreek geeft uitvoering aan de wet en verwijst daarom aanvragers die in aanmerking lijken te komen voor de Wlz door naar het CIZ voor indicatiestelling. Als de aanvrager na aanvraag bij het CIZ niet in aanmerking komt voor de Wlz kan de aanvrager alsnog geïndiceerd worden voor de Wmo. Er wordt in principe geen aanvulling gegeven vanuit de Wmo op de Wlz voor die taken die vallen onder de Wlz. Tot slot geldt dat wanneer de aanvrager naar verwachting aan de indicatiecriteria voor de Wlz voldoet maar geen aanvraag wil doen, hij de gevolgen daarvan niet op de gemeente kan afwentelen. De gemeente kan daarmee in principe een indicatie weigeren, waardoor de aanvrager geen hulp (meer) krijgt vanuit de Wmo. (Wettelijk) voorliggende voorzieningen: Participatiewet Gemeenten zijn op 1 januari 2015 met het in werking treden van de Participatiewet en het uitbreiden van de Wmo verantwoordelijk geworden voor een brede groep aanvragers, die problematiek kunnen ervaren op verschillende leefgebieden, waaronder arbeid. Iedereen die kan werken maar het op de arbeidsmarkt zonder ondersteuning niet redt, valt onder de Participatiewet. De wet moet ervoor zorgen dat meer mensen werk vinden, ook mensen met een arbeidsbeperking. De Wmo 2015 biedt geen ondersteuning gericht op het vinden/behouden van werk of opleiding of het volgen van een loopbaantraject. Beide wetten kunnen echter wel aanvullend op elkaar zijn: als iemand in een reïntegratietraject gericht op arbeid ook problemen op persoonlijk vlak ervaart kan een indicatie begeleiding individueel voor deze problematiek een goede aanvulling op het reïntegratietraject zijn. Wanneer er sprake is van arbeidsvermogen bij aanvragers onder de pensioengerechtigde leeftijd is in principe een indicatie Wmo dagbesteding niet mogelijk. Deze voorziening is immers gericht op personen die vanwege hun beperkingen geen arbeidsvermogen hebben en daardoor aangewezen zijn op dagbesteding. (Wettelijk) voorliggende voorzieningen: Jeugdwet Ouders en jeugdigen met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen kunnen op grond van de Jeugdwet diverse voorzieningen ontvangen. Voor ouders gaat het dan veelal om ondersteuning of begeleiding bij de opvoeding van hun kind. Voor jeugdigen kan het een scala aan hulp betreffen; van laagdrempelige begeleiding tot intensieve behandeling of verblijf in een instelling. Jeugdhulp op grond van de Jeugdwet stopt meestal bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. De meeste vormen van jeugdhulp vallen na het 18e levensjaar namelijk onder een andere wet. Zoals bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet voor geestelijke gezondheidszorg of de Wmo voor begeleiding. In uitzonderingsgevallen is het mogelijk dat jeugdhulp ook na het 18e jaar blijft doorlopen op grond van de Jeugdwet. Dit wordt verlengde jeugdzorg genoemd. Er zijn 2 situaties mogelijk: Het gaat dan om jeugdhulp die niet wordt geboden door een ander wettelijk systeem (zoals de Wmo, Zvw of Wlz) én er is sprake van één van onderstaande situaties: De jeugdige ontving al jeugdhulp voor zijn 18e jaar en voortzetting van deze hulp is Noodzakelijk voordat de jeugdige 18 jaar werd, is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd, wordt binnen een termijn van een half jaar vastgesteld dat hervatting van de jeugd¬hulp nodig is. Jeugdhulp in het kader van het jeugdstrafrecht. Als de aanvrager 18 wordt en er is geen sprake van verlengde jeugdhulp kan hulp geboden worden vanuit de Wmo 2015. Het gaat dan om alle hulp of ondersteuning die de betreffende jongere in staat stelt tot zelfred¬zaamheid of participatie. De Wmo 2015 kent een ander afwegingskader dan de Jeugdwet. Het kan dus voorkomen dat de indicatie Wmo 2015 anders is dan die van de Jeugdwet. (Wettelijk) voorliggende voorzieningen: Onderwijs Binnen de Wmo 2007 is door middel van diverse jurisprudentie vastgesteld dat het volgen van onderwijs en de begeleiding daarbij niet valt onder de taakvelden van de Wmo 2007. Het ging daarbij om taken als huiswerkplanning, structureren van het huiswerk, het bijhouden van een agenda, het aanbieden van leertechnieken, betrokkene geconcentreerd en gericht bezig te laten zijn met zijn huiswerk en het onderhouden van contact met de school. In de Wmo 2015 is niet specifiek geregeld dat de Wmo 2015 niet over onderwijs gaat. Maar juist omdat dit niet specifiek geregeld is en gezien de eerdere jurisprudentie, is duidelijk dat begeleiding bij onderwijs niet valt onder de Wmo 2015. Immers, als de wetgever bedoeld had dat onderwijs nu wel tot het terrein van de Wmo 2015 zou gaan behoren, zou dat wel duidelijk zijn vermeld. Alle (extra) activiteiten gericht op het met succes volgen van de lessen en het voltooien van een schoolcarrière vallen daardoor automatisch onder de taken van het onderwijs. Voor huiswerkbegeleiding betekent dit dat per definitie naar het passend onderwijs moet worden gekeken. De wetgever heeft in de Memorie van Toelichting op de Wmo 2015 wel nadrukkelijk benoemd dat het college moet zorgen voor cliëntondersteuning cliënten die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein, bijvoorbeeld op het gebied van wonen, onderwijs of schuldenproblematiek. Bovendien is het college in het kader van de maatschappelijke ondersteuning verplicht de problematiek van betrokkene in het sociale domein (zorg, wonen, welzijn, jeugdzorg, onderwijs, schulden etc.) in onderlinge samenhang in kaart te brengen en te bevorderen dat de dienstverlening in dat sociale domein zo goed mogelijk op elkaar wordt afgestemd. 6.4Individuele begeleiding Een maatwerkvoorziening Wmo individuele begeleiding kan bestaan uit bijvoorbeeld: het ondersteunen bij of het overnemen van de dagelijks noodzakelijke activiteiten het oefenen met of het aanbrengen van structuur in de dagelijkse activiteiten het ondersteunen van het voeren van regie rond de dagelijkse activiteiten waaronder het beheren van geld en het voeren van de administratie die daar bij hoort het ondersteunen bij beperkingen op het vlak van zelfregie over het dagelijks leven, waaronder begeleiding bij tekortschietende vaardigheden in zelfregelend vermogen Uitgangspunt is: alle dagelijkse zaken die nodig zijn om zelfstandig in een zelfstandige woonsituatie te kunnen functioneren, kunnen er onder vallen, mits zij niet onder een andere wettelijke regeling vallen. Het kan hierbij dus gaan om het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de aanvrager maar ook om het bieden van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren of het eventueel ondersteunen bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. De dagelijkse activiteiten vinden over het algemeen in de woning van betrokkene plaats. Het gaat daarbij om gangbare activiteiten. Als het gaat om specifieke dagelijkse activiteiten die niet gangbaar zijn en alleen voor deze persoon gelden, dan zal beoordeeld moeten worden of desondanks ondersteuning vanuit de Wmo 2015 nodig is. De activiteiten bestaan uit: Het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen. Het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie. Het overnemen van toezicht. Aansturen van gedrag. Regulier of gespecialiseerd In principe wordt een indicatie begeleiding regulier afgegeven, tenzij de aanvrager voldoet aan alle onderstaande kenmerken: De aanvrager heeft een chronische vorm van niet-aangeboren hersenletsel die gepaard gaat met matig of zwaar regieverlies of met een matige of zware, invaliderende aandoening of beperking (fysieke, cognitieve, sociaal-emotionele beperkingen). En/Of De aanvrager heeft een langdurige psychische stoornis en daarmee samenhangende beperkingen in “sociale redzaamheid” (beide vastgesteld op grond van psychiatrische diagnostiek) gepaard gaand met matig of zwaar regieverlies of met een matige of zware, invaliderende aandoening of beperking. EN: Er is regelmatig sprake van een terugval. Een keer per jaar is ook regelmatig. EN: Het gedrag is onvoorspelbaar. Het gedrag is grillig. Uitsluitend de aanwezigheid van een chronische vorm van NAH of een langdurige psychische stoornis is niet voldoende om te kwalificeren voor gespecialiseerde begeleiding. Ter illustratie: een diagnose Alzheimer alleen is geen reden om gespecialiseerde begeleiding te indiceren, ook al gaat deze ziekte vaak gepaard met regieverlies en kan het gedrag naar mate de ziekte vordert grillig worden. Er wordt onderzocht of op dat moment in de specifieke situatie van de aanvrager sprake is van bovenstaande kenmerken waardoor een indicatie gespecialiseerde begeleiding gerechtvaardigd is. Wijzigt de situatie van de aanvrager gedurende de indicatieperiode? Dan kan een herindicatie aangevraagd worden. Verschil in de uitvoering van de begeleiding tussen reguliere en gespecialiseerde begeleiding is dat verwacht wordt dat de professional die de aanvrager ondersteunt een hoger kennisniveau heeft om met de specifieke aandoening om met de aanvrager om te kunnen gaan. Te denken valt aan HBO geschoolde professionals of professionals met bijscholing op specifieke thema’s. Inhoudelijk ligt bij gespecialiseerde begeleiding ook meer nadruk, naast de algemene doelen rondom begeleiding, op het begeleiden in verband met ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen, het begeleiden bij sociaal-emotionele problematiek die samenhangt met de stoornis en het begeleiden bij mogelijke integratie in de samenleving, met extra aandacht voor ontwikkeltrajecten op het vlak van wonen, werken, sociaal netwerk. 6.5Categorie waakvlam Waakvlam begeleiding is een laagfrequente en niet-intensieve vorm van professionele ondersteuning, die kan worden ingezet bij wijze van preventieve nazorg en gericht is op het voorkomen van terugval en het uiteindelijk overdragen van de aanvrager aan een voorliggende voorziening zoals de huisarts. De nazorg kan bijvoorbeeld bestaan uit het op gezette tijden actief contact zoeken met de aanvrager, het voeren van korte gesprekken, observeren van gedrag of het op orde zijn van huishouden en administratie. Ondersteuning is dus gericht op ‘de vinger aan de pols’ houden om zelfredzaamheid te verbeteren, te stabiliseren dan wel terugval in de zelfredzaamheid te voorkomen. Zodat voor de aanvrager en het sociaal netwerk duidelijk is waar men terecht kan bij risico op terugval. De aanvrager heeft een traject van ondersteuning uit het maatwerkvoorziening Wmo afgerond omdat de aanvrager weer voldoende zelfredzaam is. Wel is er behoefte aan preventieve nazorg. Het is op dat moment nog niet mogelijk of gewenst dat de aanvrager volledig wordt losgelaten of overgedragen aan een andere partij, zoals de huisarts of POH’er GGZ. Er is sprake van een ‘nee, tenzij…’ principe: er wordt in principe geen indicatie waakvlam afgegeven, tenzij betrokkenen (aanvrager, begeleider, consulent en eventueel voorliggende partij) het erover eens zijn dat volledige overdracht richting de voorliggende partij nog niet mogelijk is. De klasse waakvlam kan ook via een PGB geboden worden, het gaat dan uitsluitend om zorg zoals geleverd door een zorginstelling of ZZP’er. Het informele netwerk is uitgesloten van deze klasse omdat het juist gaat om een ‘vinger aan de pols’ door een professional. De waakvlamindicatie wordt afgegeven voor een periode van 6 tot 9 maanden met een éénmalige verlenging van maximaal 3 maanden (van 6 naar 9 en 9 naar 12 maanden). Afwegingskader Begeleiding (individueel) Allereerst beoordeelt het Dagelijks Bestuur of de noodzakelijke compensatie op het terrein van de Wmo 2015 ligt. Daarbij wordt nagegaan of er andere voorliggende wetgeving is of dat er overlap is met andere wetgeving Daarna beoordeelt het Dagelijks Bestuur of de beperking van de aanvrager gecompenseerd kan worden door gebruik te maken van wettelijke voorliggende voorzieningen zoals regulier en speciaal onderwijs, opleiding, reguliere betaalde arbeid of arbeid op grond van de participatiewet. Het Dagelijks Bestuur beoordeelt tevens de eigen kracht, of er sprake is van gebruikelijke zorg, de inzet van het sociaal netwerk en de mogelijkheid van een algemene voorziening. Het Dagelijks Bestuur houdt rekening met de draagkracht van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting van de mantelzorger een maatwerkvoorziening aan de verzorgde aanvrager worden toegekend. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot het bereiken van het resultaat zal het Dagelijks Bestuur een maatwerkvoorziening toekennen. Vervolgens bepaalt het Dagelijks Bestuur wat noodzakelijk is om: te voorkomen dat de zelfredzaamheid / participatie van de aanvrager verslechterd en/of de zelfredzaamheid / participatie van de aanvrager te stabiliseren en/of te verbeteren Hierbij bepaalt het Dagelijks Bestuur tevens de omvang van de noodzakelijke maatwerkvoorziening. Bij het bepalen van de omvang neemt het Dagelijks Bestuur de normtijden in uren en minuten zoals vastgelegd in bijlage 6 als uitgangpunt. Per activiteit bepaalt het Dagelijks Bestuur het aantal minuten. Het totaal aantal noodzakelijke uren ondersteuning wordt bepaald door de normtijden van de verschillende activiteiten bij elkaar op te tellen. De omvang van de Begeleiding wordt vastgesteld in klassen, met daarin een bandbreedte in uren. Tot slot bepaalt het Dagelijks Bestuur of de aanvrager in aanmerking komt voor reguliere of gespecialiseerde begeleiding. Voor het vaststellen van de normtijden sluiten we aan bij de CIZ indicatiewijzer. Op basis van individueel maatwerk kan het Dagelijks Bestuur afwijken van deze normtijden. 6.6Dagbesteding Naast individuele begeleiding is ook begeleiding in groepsverband mogelijk, ook wel dagbesteding genoemd. Er wordt dan een dagprogramma geboden met als doel zinvolle dagbesteding, participatie en het behoud van (sociale) vaardigheden. De aanvrager wordt daarmee begeleid bij het stabiliseren en/of verbeteren van zijn zelfredzaamheid en/of participatie door het bieden van: Structuur in de dag en week Sociale contacten Zingeving Ondersteuning bij het reguleren of handhaven van zelfredzaamheid, cognitieve vaardigheden en gedragsproblematiek Een situatie die vergelijkbaar is met de werkomgeving van niet-beperkte mensen voor mensen onder de pensioengerechtigde leeftijd Daarnaast wordt ook de mantelzorger ontlast bij de intensieve zorgvraag thuis. Onder dagbesteding wordt niet verstaan een reguliere dagstructurering zoals die in de woon-/verblijfsituatie wordt geboden. Het is ook nadrukkelijk anders dan welzijnsactiviteiten, ook al bevatten welzijnsactiviteiten wel elementen die in Dagbesteding voorkomen. Voor veel aanvragers zal deelname aan activiteiten in bijvoorbeeld een inloophuis, buurthuis voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en medemensen te ontmoeten. Alleen voor aanvragers die door hun beperkingen (cognitieve, ernstig fysieke of gedragsproblematiek) een dergelijke dagstructurering, gericht op het verbeteren of behouden van capaciteiten en/of het reguleren van gedragsproblemen nodig hebben is Dagbesteding nodig. Bij dagbesteding is er daarnaast een op de aanvrager gericht begeleidingsplan waarin duidelijk wordt hoe de activiteiten bij zullen dragen aan het te bereiken doel en zijn de welzijnsactiviteiten die onderdeel uitmaken van de dagbesteding geen doel op zich maar een middel om het doel te bereiken Is de ondersteuningsbehoefte gelegen in het bijvoorbeeld een of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van dagstructuur, dan is Begeleiding individueel de aangewezen vorm. Begeleiding groep wordt in een groep aangeboden en vindt dan in principe ook niet thuis op individuele basis plaats. Inhoud dagprogramma De dagbesteding: Is programmatisch: met een vast dag en/of weekprogramma en met een welomschreven doel. Is methodisch: volgens een voor de doelgroep ontwikkelde methode. Het kan gaan om een methode die door de aanbieder zelf is ontwikkeld en omschreven of een methode die door meerdere aanbieders wordt gebruikt. De methode is gebaseerd op de best beschikbare informatie over doelmatigheid en doeltreffendheid (evidence based) of zelfs bewezen effectief (proven practice). Vraagt actieve betrokkenheid van de aanvrager: de aanvrager wordt betrokken bij het invullen van en/of het uitvoeren van het programma. Is gericht op het structureren van de dag en het oefenen met vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen. Biedt indien nodig lichte assistentie bij persoonlijke zorg Movisie noemt4Movisie

(2017)Dagbesteding in ontwikkeling: vraagstukken voor gemeenten en 16 vernieuwende voorbeelden voor mensen met dementie en GGZ-problematiek” 3 types dagbesteding: Type Omschrijving Recreatieve, belevingsgerichte dagbesteding Belevingsgerichte activiteiten op een eenvoudig niveau met extra aandacht voor sfeer, geborgenheid, veiligheid, ritme en regelmaat + activiteiten gericht op zinvol besteden van de dag, aangepast aan mogelijkheden en interesse van de aanvrager, waar onder handvaardigheid, expressie, beweging, belevingsactiviteiten Ontwikkelingsgerichte dagbesteding, gericht op leren Activiteiten gericht op het vergroten van de zelfstandigheid, versterking van het sociaal-emotioneel functioneren en op behoud en uitbreiding van verworven vaardigheden Arbeidsmatige dagbesteding Activiteiten met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst, afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de aanvrager In de praktijk bieden aanbieders vaak een combinatie van deze types aan en wordt in samenspraak met de aanvrager bepaald waar de focus van de dagbesteding op zal liggen. Een dagdeel duurt in principe 4 uur, exclusief vervoer van de aanvrager en voorbereidingen van de aanbieder. Bij doelgroepen waar een dagdeel van 4 uur te intensief is kan ervoor gekozen worden om de tijd enigszins te verkorten. Regulier of gespecialiseerd In principe wordt een indicatie begeleiding groep regulier afgegeven, tenzij de aanvrager behoort tot een van de onderstaande doelgroepen: Oudere aanvragers met uitgebreide beperkingen bij het dagelijks functioneren (persoonlijke zorg, mobiliteit, zelfredzaamheid), veelal samenhangend met chronische aandoeningen. Een multidisciplinaire benadering is noodzakelijk. Zelfstandig wonende oudere cliënten met een intensieve begeleidings- en verzorgingsbehoefte (waar onder een sterk verminderde zelfregie door dementie, verstandelijke handicap of een stabiele psychische stoornis. Zoals ook onder begeleiding individueel is omschreven is uitsluitend het hebben van bijvoorbeeld een diagnose Alzheimer, een verstandelijke beperking of een psychische stoornis niet voldoende voor een indicatie gespecialiseerde begeleiding groep. Het gaat om een combinatie van een beperking met daarmee samenhangend een intensieve begeleidings- en verzorgingsbehoefte of uitgebreide beperkingen bij het dagelijks functioneren. Er wordt onderzocht of op dat moment in de specifieke situatie van de aanvrager sprake is van bovenstaande kenmerken waardoor een indicatie gespecialiseerde begeleiding gerechtvaardigd is. Wijzigt de situatie van de aanvrager gedurende de indicatieperiode? Dan kan een herindicatie aangevraagd worden. Verschil in de uitvoering van de begeleiding tussen reguliere en gespecialiseerde begeleiding groep is dat verwacht wordt dat de professional die de aanvrager ondersteunt een hoger kennisniveau heeft om met de specifieke aandoening om met de aanvrager om te kunnen gaan. Te denken valt aan HBO geschoolde professionals of professionals met bijscholing op specifieke thema’s. Daarnaast zal de groepsgrootte per professional kleiner zijn. Afwegingskader Dagbesteding De inhoud van reguliere of gespecialiseerde dagbesteding (aandachtsgebied Ondersteuning bij arbeidsparticipatie/dagbesteding) bestaat uit het bieden van activiteiten die in de plaats komen van (betaald) werk en ter ondersteuning van de mantelzorger (zie ook mantelzorger ontlast) Het Dagelijks Bestuur bepaalt allereerst of de beperking van de aanvrager gecompenseerd kan worden door gebruik te maken van wettelijk voorliggende voorzieningen, zoals regulier en speciaal onderwijs, opleiding, reguliere betaalde arbeid, of arbeid op grond van de Participatiewet. Het Dagelijks bestuur beoordeelt vervolgens in hoeverre de mantelzorger, het steunsysteem van de aanvrager of algemene voorzieningen zoals bijvoorbeeld sociaal cultureel werk of vrijwilligerswerk een oplossing kunnen bieden; Is dat niet of onvoldoende het geval dan beoordeelt het Dagelijks Bestuur of er compensatie plaats moet vinden in de vorm van een individuele voorziening. Deze kan in een collectieve vorm worden geboden of in een individuele vorm, waarbij collectief indien passend en beschikbaar, de voorrang heeft boven de individuele vorm. Het Dagelijks Bestuur houdt bij de beoordeling collectief of individueel rekening met in de persoon van de aanvrager gelegen factoren zoals diens (medische) situatie en zijn belastbaarheid. Als er medische contra-indicaties zijn voor collectief, kunnen de activiteiten in de vorm van de aanspraak Begeleiding worden geindiceerd. Waarbij opgemerkt wordt dat een dagdeel in collectief verband in die situatie niet gelijk is aan vier uur Begeleiding individueel, maar is afhankelijk van het resultaat. Het gaat dan om personen waarvoor op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep geboden door een instelling, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen. Het Dagelijks Bestuur houdt rekening met de draagkracht van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting van de mantelzorger een individuele voorziening aan de verzorgde aanvrager worden toegekend. Vervolgens bepaalt het Dagelijks Bestuur de omvang van de compensatie waarbij een maximum van 9 dagdelen collectieve dagbesteding het uitgangspunt is . De omvang wordt mede afgestemd op de behoefte van aanvrager en zijn mantelzorger(s). Vervolgens bepaalt het Dagelijks Bestuur of de aanvrager in aanmerking komt voor reguliere of gespecialiseerde begeleiding. Tenslotte beoordeelt het Dagelijks Bestuur of de aanvrager in aanmerking komt voor een individuele voorziening voor vervoer van en naar de activiteiten ten behoeve van de dagbesteding. Indien de aanvrager om medische redenen niet in staat is zelf te locatie van de activiteiten te bereiken, wordt eerst gekeken of de mantelzorger, het steunsysteem of een vrijwillig vervoersinitiatief een oplossing kan bieden. Is dit niet het geval dan kan het Dagelijks Bestuur een individuele voorziening voor vervoer naar de locatie van de activiteiten verstrekken. Uitgangspunt, indien vervoer nodig is, is dat de locatie die zich het dichtst bij het adres van de aanvrager bevindt en die adequate compensatie biedt voor de beperking van de aanvrager, voorliggend is aan locaties die verder weg liggen. Indien de aanvrager toch de activiteiten af wil nemen bij een verder weg gelegen locatie is de aanvrager zelf verantwoordelijk voor het vervoer. Bij de keuze voor een vervoerder betrekt het Dagelijks Bestuur de mogelijkheden die het collectief vervoer en ander aanwezig doelgroepenvervoer biedt Er wordt geen toezicht tijdens het vervoer naar de dagbesteding geïndiceerd. Er mag namelijk worden aangenomen dat het niveau van het vervoer (inclusief het toezicht) naar deze zorg is aangepast aan de aanvrager die worden vervoerd. 6.7Kortdurend verblijf Soms doen zich situaties voor waarin de huisgenoot, partner of ouder de mantelzorg voor de aanvrager op zich wil en in zekere zin ook moet nemen maar daartoe niet, of maar beperkt, of niet meer toe in staat is wegens (dreigende) overbelasting en waarvoor ook het eigen steunsysteem geen oplossing kan bieden. Er kan dan een indicatie kortdurend verblijf worden gegeven, waarbij iemand maximaal 3 etmalen dus 72 uur per week in een instelling logeert. Bijvoorbeeld in een gehandicapteninstelling, verpleeghuis of verzorgingshuis. Hierdoor wordt de mantelzorger ontlast, zodat deze de zorg langer kan volhouden. In de instelling waar de aanvrager kortdurend verblijft ontvangt wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging nodig is moet hiervoor apart een indicatie op grond van de Zvw worden geïndiceerd. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden: dat de aanvrager beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen heeft; dat ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de aanvrager levert, noodzakelijk is dat andere voorzieningen niet voldoende passend zijn om de mantelzorger te ontlasten. Te denken valt aan: vervangende mantelzorg via de ziektekostenverzekeraar5Een voorbeeld van een aanvullende verzekering is mantelzorgvervanging, bijvoorbeeld Handen-in-Huis, hulp door andere naasten, een vrijwilliger, dagbesteding etc. Een aanvrager die is aangewezen op zorg met permanent toezicht en/of 24 uur per dag zorg in de nabijheid komt in aanmerking voor een indicatie voor de Wlz. Deze aanvragers komen niet in aanmerking voor kortdurend verblijf vanuit de maatwerkvoorziening Wmo. Immers: het kortdurend verblijf kan afgenomen worden vanuit de Wlz. Afwegingskader Kortdurend verblijf De inhoud van dit resultaat bestaat uit het tijdelijk overnemen van de dagelijkse zorg voor de aanvrager bij overbelasting van de mantelzorger. Dit kan in de vorm van een groepsvoorziening (dagbesteding of logeervoorziening of andere vormen van respijtzorg) of in de vorm van een individuele voorziening. Het Dagelijks Bestuur stelt vast dat aanvrager een zodanige beperking heeft dat hij een mantelzorger nodig heeft om de handelingen en activiteiten die hij zelf niet (meer) kan doen, voor hem te verrichten, dan wel om toezicht te houden in verband met gedrags- en of gezondheidsproblematiek. Als het Dagelijks Bestuur heeft vastgesteld dat de ouder(s) en/of andere huisgenoten in de thuissituatie overbelast is/zijn, of dit door het bieden van mantelzorg dreigt/dreigen te raken en daardoor niet meer in staat is/zijn de mantelzorg (volledig) te leveren, beoordeelt het Dagelijks Bestuur eerst of binnen het eigen steunsysteem van de mantelzorger een oplossing voor de overbelasting kan worden gevonden. Te denken valt aan een familielid die een middag of weekend de zorg overneemt. Is dat niet of niet voldoende het geval dan beoordeelt het Dagelijks Bestuur of voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden. Hierbij kan gedacht worden aan een steunpunt mantelzorg dat informatie kan verstrekken over voorzieningen, of een vrijwilligerssteunpunt dat kan bemiddelen voor een vrijwilliger. De belastbaarheid met het oog op de gezondheid van de ouder, partner of huisgenoot moet worden beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een arts. Bij het zoeken naar eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen kan gedacht worden aan het verminderen van het aantal (vrijwilligers)activiteiten van de mantelzorger in de vrije tijd (zodat in elk geval de gebruikelijke zorg geleverd kan worden), het stellen van prioriteiten en het gebruik maken van voorliggende voorzieningen die in de naaste omgeving beschikbaar zijn. Als het Dagelijks Bestuur heeft vastgesteld dat inzet van het eigen steunsysteem en de voorliggende voorzieningen het probleem van de (dreigende) overbelasting niet in voldoende mate vermindert, kan het Dagelijks Bestuur een individuele of groepsvoorziening (logeervoorziening(kortdurend verblijf), dagopvang, dagbesteding) treffen die de noodzakelijke zorgtaken periodiek of tijdelijk overneemt. Het Dagelijks Bestuur gaat ook na of aanvrager een indicatie voor Zvw-persoonlijke verzorging en verpleging heeft. Wanneer deze zorg door de partner, ouder, volwassen kind en/of andere huisgenoot zelf wordt geleverd via een PGB, kan dit een reden zijn voor (dreigende) overbelasting. De overbelasting kan in dit geval worden verminderd wanneer de mantelzorger in plaats van zelf de persoonlijke verzorging te leveren, deze inkoopt in de vorm van zorg in natura door een thuiszorgaanbieder. Deze oplossing is voorliggend aan een maatwerkvoorziening. Het Dagelijks Bestuur houdt ook de afbakening met de Zvw en Wlz goed in de gaten. 6.8Begeleiding specialistische zorg Gemeenten zijn vanaf 1 januari 2015 ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking (visueel, auditief). Van de totale groep mensen met een zintuiglijke beperking heeft een gering aantal aanvragers behoefte aan specialistische begeleiding. Deze behoefte is er omdat deze mensen vaak, naast de zintuiglijke beperking, te maken hebben andere (vaak verstandelijke en/of psychiatrische) beperkingen. Reguliere begeleiding is voor deze mensen niet voldoende, waardoor het vaak nodig is om specialistische begeleiding in te zetten. Het gaat hier om mensen die vroegdoof zijn (laat- en plotsdoven vallen onder de Zorgverzekeringswet; hun begeleiding valt onder behandeling), visueel beperkt zijn of doofblind zijn. Gering aantal aanbieders die specialistische ondersteuning kunnen bieden De specialistische begeleiding moet worden ingezet door zorgaanbieders die gespecialiseerd zijn in het werken voor en met mensen met een zintuiglijke beperking. Er is in Nederland slechts een gering aantal zorgaanbieders, dat deze specialistische begeleiding kan bieden. Voor onze regio zijn dit de volgende landelijk opererende aanbieders: Specialistische ondersteuning Aanbieders Ondersteuning vroegdoven Kentalis, GGMD, Noorderbrug en Gelderhorst alleen dagactiviteiten) Ondersteuning visueel Bartimeus, Robbert Coppes Stichting, Visio Ondersteuning doofblinden Kalorama, Kentalis, GGMD Landelijke afspraken voor continuïteit specialistische ondersteuning Om de continuïteit van ondersteuning te kunnen borgen hebben het Ministerie van VWS en de VNG besloten om landelijke inkoopafspraken voor de specialistische begeleiding van deze doelgroep.VNG heeft raamovereenkomsten met landelijk opererende aanbieders van specialistische begeleiding afgesloten. In deze raamovereenkomsten, die een looptijd van in principe drie jaar hebben, zijn landelijke afspraken met deze aanbieders gemaakt. Gemeenten kunnen gebruik maken van deze landelijke afspraken door inwoners naar één van de landelijk gecontracteerde aanbieders toe te leiden. Als de gemeente hierbij verwijst (schriftelijk of digitaal) naar de landelijke inkoopafspraken is daarmee de raamovereenkomst tussen gemeente en aanbieder “ingeroepen”. Dit geldt dan automatisch ook voor de navolgende aanvragers. Elke volgende aanvrager kan naar de aanbieder worden toegeleid zonder vermelding van de landelijke afspraken. Proces Nieuwe aanvragers melden zich bij het lokaal loket of bij de aanbieder. Melding houdt in dat ze ondersteuning nodig hebben. Bij melding lokaal loket (gemeente): de ISD Bollenstreek leidt de aanvrager toe naar aanbieder (bij eerste keer met vermelding van beroep op landelijke afspraken) en aanbieder bepaalt de benodigde zorgomvang Bij melding aanbieder: Aanbieder meldt bij de ISD Bollenstreek dat aanvrager zich gemeld heeft en bepaalt de benodigde zorgomvang De aanbieder stelt een ondersteuningsplan op en biedt de ISD Bollenstreek inzicht in: de Prestatie die in rekening wordt gebracht; verwachte duur van ondersteuning; het tarief, behorend bij de Prestatie, wat in rekening wordt gebracht. Besluit De ISD Bollenstreek moet het besluit nemen over de in te zetten ondersteuning. Dit besluit gaat in de vorm van een beschikking naar de aanvrager en als opdracht naar de aanbieder. Dit moet binnen vijf werkdagen na ontvangst van de informatie vanuit de aanbieder plaatsvinden. De opdracht van de ISD Bollenstreek aan de aanbieder bevat ten minste: de NAW-gegevens van de aanvrager; de aard van de ondersteuningsvraag en indien aanwezig de indicatierapportage; het beoogde resultaat /doel; de beoogde duur van ondersteuning en de evaluatiemomenten. 6.9Tijdelijk beschermd wonen LVB 18+ De maatwerkvoorziening Tijdelijk Beschermd Wonen LVB 18+ bestaat uit intensieve, ontwikkelingsgerichte individuele (en groeps-) begeleiding voor de doelgroep LVB 18+. Doel van het geboden traject is het ontwikkelingsgericht begeleiden van de aanvrager naar een zo zelfstandig mogelijk bestaan, passend bij het ontwikkelperspectief van de aanvrager en de doelstellingen die bij indicatiestellingzijn onderzocht en vastgelegd. Afhankelijk van het IQ en de sociaal emotionele ontwikkeling varieert de begeleiding van meer ondersteunend en op afstand tot meer sturend overnemend. De maatwerkvoorziening Tijdelijk Beschermd Wonen LVB 18+ wordt in een veilige woonomgeving geboden waarin de situatie van de aanvrager wordt gestabiliseerd en vervolgens wordt gewerkt aan het beheersbaar houden van en leren omgaan met gedragsproblematiek door de aanvrager. Er is 24 uur per dag of in de nabijheid toezicht en begeleiding aanwezig zodat zowel geplande als ongeplande begeleiding geboden kan worden, ook op initiatief van de zorgverlener wanneer de aanvrager zelf niet of niet tijdig om hulp vraagt. Het betreft een vorm van beschikbaarheid van zorg die hoofdzakelijk bestaat uit passief toezicht. Met een veilige woonomgeving wordt een omgeving bedoeld zoals geboden door een zorgaanbieder. De doelgroep voor Tijdelijk Beschermd Wonen LVB 18+ heeft de volgende kenmerken: Meerderjarig (18+), eventueel met minderjarige kinderen. Een (vermoeden van) licht verstandelijke beperking: IQ tussen 50 en 85 met een beperkt sociaal aanpassingsvermogen en bijbehorende problematiek. Behoefte aan een beschermende woonomgeving om verslechtering van de situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken. Ambulante begeleiding en/of dagbesteding zijn onvoldoende. Zorg in de nabijheid is noodzakelijk: iemand kan zelf niet voldoende risico’s inschatten en adequaat en op tijd om hulp vragen met als gevolg risico op (zelf)verwaarlozing of overlast. Heeft de wens/behoefte om te verblijven en is gemotiveerd om deel te nemen aan het traject. De beschermende woonomgeving is tijdelijk nodig of er kan op dat moment niet worden vastgesteld dat de behoefte aan toezicht blijvend is. De aanvrager komt niet in aanmerking voor verblijf vanuit de Zorgverzekeringswet, (verlengde) Jeugdzorg, Wet Langdurige Zorg of het beschermd wonen vanuit de Wmo. De maatwerkvoorziening Tijdelijk beschermd wonen LVB 18+ wordt volgens het principe van scheiden van wonen en zorg aangeboden. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het betalen van de woonruimte en alle overige kosten voor levensonderhoud, de inrichting van de kamer, verzekeringen etc. Slechts in bijzondere situaties kan er een intramurale indicatie afgegeven worden voor maximaal 6 maanden. Te denken valt aan situaties waarbij verblijf direct noodzakelijk is maar de aanvrager ondanks zijn inspanningen niet op korte termijn over inkomsten kan beschikken om de kosten te kunnen voldoen6De volgende kosten zijn inbegrepen in een intramurale indicatie:- Voeding: ontbijt, lunch en avondeten, koffie, thee, melk, fruit en tussendoortjes. Indien medisch noodzakelijk valt eenspeciaal dieet ook onder de kosten.- Radio/televisie algemeen gebruik- Eenvoudige inrichting van de kamer indien de klant zelf niet voor de inrichting kan zorgen.. De duur van de Maatwerkvoorziening Tijdelijk Beschermd Wonen LVB 18+ is in principe 1.5 jaar. De duur hangt af van onder andere de leerbaarheid en het ontwikkelingsperspectief van Inwoner en het sociaal netwerk. Indien noodzakelijk kan de Maatwerkvoorziening Tijdelijk Beschermd Wonen LVB 18+ met een half jaar (dus naar 2 jaar) worden verlengd. De indicatie kan verzilverd worden vanaf het moment dat de aanvrager gaat verblijven in de beschermende woonomgeving. Tot die tijd kan zorg geboden worden vanuit de overige categorieën begeleiding. De aanvrager staat dan op de wachtlijst. Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van het Tijdelijk beschermd wonen LVB 18+ en kan apart geïndiceerd worden. Afwegingskader Tijdelijk beschermd wonen LVB 18+ Allereerst beoordeelt het Dagelijks Bestuur of de noodzakelijke compensatie op het terrein van de Wmo 2015 ligt. Daarbij wordt nagegaan of er andere voorliggende wetgeving is of dat er overlap is met andere wetgeving Daarna beoordeelt het Dagelijks Bestuur of de beperking van de aanvrager gecompenseerd kan worden door gebruik te maken van wettelijke voorliggende voorzieningen zoals regulier en speciaal onderwijs, opleiding, reguliere betaalde arbeid of arbeid op grond van de participatiewet. Daarna beoordeelt het Dagelijks Bestuur, de eigen kracht, of er sprake is van gebruikelijke zorg, de inzet van het sociaal netwerk en de mogelijkheid van een algemene voorziening. Het Dagelijks Bestuur houdt rekening met de draagkracht van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting van de mantelzorger een maatwerkvoorziening aan de verzorgde aanvrager worden toegekend. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot het bereiken van het resultaat zal het Dagelijks Bestuur een maatwerkvoorziening toekennen. Vervolgens bepaalt het Dagelijks Bestuur wat noodzakelijk is om: te voorkomen dat de zelfredzaamheid / participatie van de aanvrager verslechterd en/of de zelfredzaamheid / participatie van de aanvrager te stabiliseren en/of te verbeteren Hierbij bepaalt het Dagelijks Bestuur tevens de omvang van de noodzakelijke maatwerkvoorziening. Bij het bepalen van de omvang neemt het Dagelijks Bestuur de normtijden in uren en minuten zoals vastgelegd in bijlage 4 als uitgangpunt. Per activiteit bepaalt het Dagelijks Bestuur het aantal minuten. Het totaal aantal noodzakelijke uren ondersteuning wordt bepaald door de normtijden van de verschillende activiteiten bij elkaar op te tellen. De omvang van de Begeleiding wordt vastgesteld in klassen, met daarin een bandbreedte in uren. Voor het vaststellen van de normtijden sluiten we aan bij de CIZ indicatiewijzer. Op basis van individueel maatwerk kan het Dagelijks Bestuur afwijken van deze normtijden. Voor Tijdelijk beschermd wonen LVB18+ geldt in het bijzonder dat er sprake moet zijn van een noodzaak tot een beschermende, veilige woonomgeving waar 24 uur per dag toezicht en begeleiding aanwezig is of in de nabijheid aanwezig is zodat zowel geplande als ongeplande begeleiding geboden kan worden, ook op initiatief van de zorgverlener wanneer de aanvrager zelf niet of niet tijdig om hulp vraagt. Het betreft een vorm van beschikbaarheid van zorg die hoofdzakelijk bestaat uit passief toezicht. Er is geen noodzaak tot permanente actieve observatie. Wanneer een aanvrager reeds intramuraal verblijft op basis van een indicatie uit de Jeugdwet, ZVw of WMO wordt eerst onderzocht of de aanvrager in aanmerking komt voor een verlenging van deze indicatie. Als dit niet het geval is en de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor Tijdelijk beschermd wonen LVB18+ kan een indicatie Tijdelijk beschermd wonen LVB18+ afgegeven worden. De duur van de indicatie wordt overlegd met de aanvrager en aanbieder: de aanvrager verblijft al en de duur van de indicatie Tijdelijk beschermd wonen LVB18+ kan dan mogelijk korter 6.10Pilot Beschermd Wonen (BW) light BW light is een combinatie van wonen en begeleiding voor jongeren met GGZ problematiek van 18 tot 27 jaar, voor maximaal 2 jaar. De jongere woont met een aantal andere jongeren in een eengezinswoning. Iedere jongere heeft een eigen kamer en deelt de voorzieningen zoals de badkamer en keuken. In de woning woont een beheerder. Hij of zij is het eerste aanspreekpunt voor de jongeren en voor de buurt. De beheerder is geen zorgverlener. Een zorgpartij huurt of is eigenaar van de woning en verhuurd de kamer onder aan de jongeren. Het doel is om op termijn te gaan werken op basis van scheiden van wonen en zorg. De jongere huurt de kamer direct van de huiseigenaar. De jongere ontvangt begeleiding en kan 24/7 beroep doen op begeleiding als dat nodig is. Buiten kantoortijden is de zorgorganisatie telefonisch bereikbaar en zo nodig inzetbaar. In de basis wonen er jongeren die hun zorgvraag kunnen uitstellen. De begeleiding is gericht op het leren van woonvaardigheden en ontwikkeling naar zelfstandigheid. Vanaf de start van de begeleiding is het uitstroomperspectief van de jongere een punt van aandacht. Inschrijven bij Huren in Holland Rijnland is verplicht. Er wordt ook gekeken of de jongere in aanmerking komt voor een contingent woning. Een zorgpartij wordt aangesteld als hoofdverantwoordelijke. Wat inhoudt dat deze partij het aa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.