← Nederland

Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) (Meierijstad)

Kort samengevat

Deze verordening, genaamd de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL), bundelt regels over de fysieke leefomgeving in Meierijstad, vooruitlopend op de Omgevingswet. Het doel is een veilige en gezonde leefomgeving te waarborgen en het beheer ervan te stroomlijnen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL)De raad van Meierijstad, Overwegende, dat de Omgevingswet voorschrijft dat bepalingen betreffende de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk opgenomen worden in een omgevingsplan; dat het, vooruitlopend op de inwerkingtreding van die wet, wenselijk is bepalingen betreffende de fysieke leefomgeving nu alvast onder te brengen in een verordening; gelet op artikel 149, 149a en 154 van de Gemeentewet, artikel 10.32a van de Wet milieubeheer artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.18, eerste lid onder f. en g. en vijfde lid artikel 2.21 en artikel 3.148, tweede lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, juncto artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet, artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, artikel 38 van de Monumentenwet, artikel 8 van de Woningwet, artikel 1 van de Belemmeringenwet privaatrecht en artikel 5.67 t/m 5.73 Besluit kwaliteit leefomgeving; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 september 2022; besluit: Vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.1Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: APV: Algemene plaatselijke verordening Meierijstad; archeologisch monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; archeologisch onderzoek: werkzaamheden met betrekking tot het bodemarchief die ten behoeve van de archeologische monumentenzorg worden uitgevoerd volgens de eisen zoals gesteld door burgemeester en wethouders en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; archeologisch veldonderzoek: inventariserend veldonderzoek en archeologische opgraving conform de eisen van burgemeester en wethouders en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; beschrijving: een rapportage van de bouwhistorische, architectuurhistorische, stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of archeologische waarden; bevoegd gezag: het bevoegd gezag als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, het bevoegd gezag bedoeld in die wet; bouwwerk; elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; of, na de inwerkingtredding van de Omgevingswet, hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet bouwhistorisch onderzoek: rapportage waarin de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk of structuur wordt vastgesteld, dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoen aan de ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’ uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; cultureel erfgoed: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; fysieke leefomgeving: de fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; inrichting: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. (kerkelijk) monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; NEN: de Nederlandse norm voor een specifiek product, dienst of proces, zoals uitgegeven door de NEN; omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van die wet; openbare plaats: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties met uitzondering van de openbare gebouwen die krachtens functie of vast gebruik openstaan voor het publiek; programma van eisen (in relatie tot archeologie): programma waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek conform de eisen van burgemeester en wethouders en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie of voor de uitvoering van bovengronds cultuurhistorisch onderzoek een door burgemeester en wethouders goedgekeurd programma voor het ontwerp en de uitvoering van het cultuurhistorisch onderzoek; selectiebesluit: een gemotiveerd besluit van burgemeester en wethouders tot het al dan niet behouden van een bepaalde archeologische vindplaats. Het besluit leidt tot het al dan niet, of onder voorwaarden, vrijgeven van een terrein of het nemen van archeologische maatregelen; stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden; weg: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel1.2Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet, zoals aangegeven in artikel 1.2 en 1.3 van die wet, en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan. Artikel1.3Doel van de verordening Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. Deze regels zullen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) worden verwerkt in het omgevingsplan. Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel1.4Verwijzing naar Omgevingswet Waar in deze verordening (mede) wordt verwezen naar de Omgevingswet en de daarop gestoelde regelgeving is deze verwijzing van kracht na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Tot de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft de verwijzing naar de genoemde voordien geldende regelgeving van kracht. In afwijking van het eerste lid is een verwijzing naar de (Interim)Omgevingsverordening Noord-Brabant van kracht na inwerkingtreding van deze verordening. HOOFDSTUK2ALGEMENE REGELS TER INSTANDHOUDING, BESCHERMING, ONDERHOUD EN BEHEER FYSIEKE LEEFOMGEVING Artikel2.1Doel van de regels Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te stellen voor instandhouding, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving. Iedereen dient bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht te nemen en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden. Artikel2.2Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving Eenieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel2.3Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd. Artikel2.4Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Degene die een object heeft geplaatst op een openbare plaats, draagt er zorg voor dat het stabiel is geplaatst, geen gevaar oplevert voor de (verkeers-)veiligheid, de doorstroming van het verkeer niet belemmert en houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt. Artikel2.5Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed Het is verboden (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed, te beschadigen of te vernielen. De eigenaar en huurder van een (gemeentelijk) monument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Degene die een activiteit verricht aan of bij een (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen. Artikel2.6Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren De eigenaar van een perceel draagt er voldoende zorg voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor derden. Artikel2.7Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen De eigenaar van een gebouw draagt voldoende zorg voor de niet openbare riolen en putten buiten gebouwen. Deze mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden. Artikel2.8Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting De zakelijk of persoonlijk rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk objecten, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. De rechthebbende draagt er zorg voor dat de objecten, borden of voorzieningen niet in de werking belemmerd worden en vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar blijven Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht of Hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. Artikel2.8Zorgplicht voor kabels en leidingen De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat en onderhoud van kabels en leidingen. HOOFDSTUK3PROCES, PROCEDURE, WEIGERINGS- EN INTREKKINGSGRONDEN Artikel3.1Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Omgevingswet Als volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Omgevingswet niet burgemeester en wethouders maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘burgemeester en wethouders’ gelezen ‘het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ of de Omgevingswet. . De artikelen 3.2 tot en met 3.6 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Omgevingswet. Artikel3.2Indienen aanvraag vergunning, ontheffing of melding Een aanvraag voor een vergunning of beschikking, een melding of een verzoek om ontheffing en de daarbij behorende gegevens en bescheiden worden ingediend bij burgemeester en wethouders via de vastgestelde indieningsprocedure en het daarvoor bestemde digitale formulier of, indien de weg daartoe is opengesteld, via het Digitaal stelsel Omgevingswet. Er is pas sprake van een rechtsgeldige melding als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid en artikel 8.8, eerste lid wanneer de melding op de juiste wijze, volledig, naar waarheid en binnen de gestelde termijn is ingediend. Artikel3.3Beslistermijn Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, tenzij elders in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard. Burgemeester en wethouders kunnen de beslistermijnen eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Dit besluit wordt bekendgemaakt binnen de beslistermijn. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking delen burgemeester en wethouders het besluit mee op dezelfde wijze als het heeft kennisgenomen van de aanvraag. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel3.4Voorschriften Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel3.5Algemene weigeringsgronden Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning of ontheffing in ieder geval: Indien de activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling; in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren indien: dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving, de bescherming van het milieu of het genoemde doel in de van toepassing zijnde paragraaf; dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gesteld vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen; de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel3.6Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien: de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd; de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie, of; de vergunninghouder dit verzoekt. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. HOOFDSTUK4GEMEENTELIJK MONUMENT, GEMEENTELIJK BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT EN EISEN AAN ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK Paragraaf1Erfgoedregister Artikel4.1Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed Het doel van de regels in dit hoofdstuk is het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en dat onvervangbaar is. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht krijgt het betreffende erfgoed een beschermde status. Dit hoofdstuk berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet. Artikel4.2Gemeentelijk erfgoedregister Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen gemeentelijke monumenten en gemeentelijke stads- en dorpsgezichten, inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en kadastergegevens ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk monument, archeologische monument en beschermde stads- of dorpsgezicht; door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het gemeentelijk erfgoed wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. Op de wijziging bedoeld in het derde lid zijn de artikelen 4.4 tot en met 4.9 van overeenkomstige toepassing, tenzij de wijziging naar het oordeel van het burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is of het erfgoed waarop de aanwijzing betrekking heeft al teniet is gegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel4.3(Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument Burgemeester en wethouders kunnen een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk monument. Burgemeester en wethouders maken een voornemen tot aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet. Onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid wordt bij een kerkelijk monument over het voornemen tot aanwijzing overleg gevoerd met de eigenaar. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende beschrijving van het gemeentelijke monument. Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet; en provinciale monumenten en provinciale archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Artikel4.4Voorbescherming De artikelen 2.5 en 4.11 tot en met 4.16 zijn van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.3 is bekendgemaakt. De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel4.5Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Op een aanvraag om aanwijzing wordt besloten binnen zesentwintig weken na ontvangst van de aanvraag. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel4.6Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet. Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel4.7Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de definitieve aanwijzing. De artikelen 4.3 tot en met 4.6 zijn van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 2.5 en paragraaf 2 van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld over de voorlopige aanwijzing. Artikel4.8Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing als bedoeld in de artikelen 4.3 en 4.7 wijzigen. Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken indien het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan. Artikel 4.3 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging naar het oordeel van het burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als rijks-of provinciaal monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen. Artikel4.9Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht De gemeenteraad kan op voorstel van burgemeester en wethouders een stads- en dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, wanneer een groep van onroerende zaken van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en zich in deze groep één of meer monumenten bevinden. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening of een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij de aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan daarvoor een termijn worden gesteld Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre een geldend bestemmingsplan of het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt of dat een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening moet worden vastgesteld. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel4.10Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht De gemeenteraad kan de aanwijzing als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid wijzigen of intrekken. Artikel 4.9, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig teniet is gegaan. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt direct verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Paragraaf2Bescherming gemeentelijk monument Artikel4.11Wijzigen of slopen gemeentelijk monument Het is verboden zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders, een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud waarbij detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument of de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigen; of alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; doen van begravingen of asbijzettingen, of; ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager van de omgevingsvergunning nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Als de omgevingsvergunning betrekking heeft op een kerkelijk monument en wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, wordt de omgevingsvergunning niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel4.12Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen voor zover in een gebied dat is aangewezen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht nog geen bestemmingsplan of omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.9, vijfde lid van kracht is. Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of een archeologisch onderzoek. Op de behandeling van aanvragen om een omgevingsvergunning is artikel 4.11 van overeenkomstige toepassing. Geen vergunning is vereist voor bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Omgevingswet of een op grond van die wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur geen omgevingsvergunning is vereist. Artikel4.13Slopen in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Artikel 4.11, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen op grond van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf3.Archeologie Artikel4.14Eisen archeologisch onderzoek. Burgemeester en wethouders nemen het selectiebesluit. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van archeologisch onderzoek. Indien archeologisch veldonderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 van de Erfgoedwet stellen burgemeester en wethouders een programma van eisen vast, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van de kwaliteit van het archeologisch onderzoek; In het programma van eisen nemen burgemeester en wethouders bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het archeologisch veldonderzoek. Tijdens het archeologisch veldonderzoek worden aanwijzingen van burgemeester en wethouders in acht genomen. Artikel4.15Vangnet archeologie Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar geldende bestemmingsplan of omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, of artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving behalve als: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend; het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op het archeologische deel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met de door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek. HOOFDSTUK5BOMEN EN HOUTOPSTANDEN Gereserveerd HOOFDSTUK6AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER Artikel6.1Doel van de regels in dit hoofdstuk Het doel van de regels in dit hoofdstuk is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daartoe worden regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. Dit hoofdstuk berust op artikel 10.32a van de Wet milieubeheer. Artikel6.2Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: drainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig laag houden van de grondwaterstand welke vrij afstroomt waarbij niet direct of indirect gebruik gemaakt wordt van een pomp(constructie); drukriolering: systeem van druk- of vacuümleidingen waarbij (afval)water wordt verpompt door middel van druk- of vacuümpompen; eigenaar: degene op wiens terrein het hemelwater valt of onder wiens terrein zich het grondwater bevindt; gemeentelijk rioleringsplan: het verbreed gemeentelijk rioleringsplan bedoeld in artikel 4.22 van de Wet milieubeheer, artikel 3.5 en 3.6 van de Waterwet en de Gemeentewet (VGRP); gemengd riool: een riool bedoeld voor afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater; groen dak: een doelbewust met planten begroeid dak; grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen; hemelwatervoorziening: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater; infiltratie: het proces waarbij hemelwater wegzakt in de bodem; nieuw bouwwerk: bouwwerk dat wordt opgericht na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief herbouw na sloop van een bestaand bouwwerk; nieuw verhard oppervlak: verhard oppervlak dat wordt aangelegd na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief aanleg na verwijdering van bestaand verhard oppervlak; riolering: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast; stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater; verhard oppervlak: alle oppervlakken die gemaakt zijn van steenachtig of ander materiaal, waaronder daken, tegels, bestratingen, asfaltoppervlakken, etc.; vuilwaterriool: een riool niet bedoeld voor afvoer van hemelwater maar wel bedoeld voor huishoudelijk afvalwater; VGS: verbeterd gescheiden stelsel; hemelwaterriolering met enige berging ten behoeve van verwerking vuil in hemelwater. Artikel6.3Reikwijdte van dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en op de openbare weg. Dit hoofdstuk is, voor wat betreft het lozen van hemelwater, niet van toepassing op bouwwerken en verharde oppervlakken die ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening reeds bestonden, tenzij hierna anders bepaald. Artikel6.4Verbod op het lozen van hemelwater op de riolering Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: de te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m2 verhard oppervlak) te kunnen verwerken; voor het oppervlak aan groen dak (in m2) wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist; de benodigde voorziening(

  1. en)dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand worden gehouden; bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel van de eigenaar niet afnemen. Burgemeester en wethouders kunnen een gebied aanwijzen waarbinnen het verbod zoals genoemd in het eerste lid ook geldt voor alle reeds bestaande bouwwerken en verharde oppervlakken, en/of een andere dan de in het vorige lid onder a genoemde verwerkingseis geldt. Bij het vaststellen van een dergelijke gebiedsaanwijzing geldt het volgende: burgemeester en wethouders houden rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en eventuele geldende voorschriften uit vigerende (bestemmings)plannen of het omgevingsplan; de gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de 3e dag na de dag waarop zij bekend is gemaakt en bevat een termijn waarop aan de aanwijzing moet worden voldaan. Deze termijn bedraagt tenminste 6 weken; op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod. De aanvraag van een ontheffing als bedoeld in het vierde lid wordt tegelijk met de aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, ingediend. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het gebod, bedoeld in het tweede lid onder a, indien op het perceel om technische of praktische redenen een berging van 60 mm onhaalbaar is, mits dan een bergingscapaciteit wordt gerealiseerd van blijkens een overgelegde tekening en ontwerp ten minste 20 mm (per m2 verhard oppervlak). Artikel6.5Melding Degene die een nieuw bouwwerk, niet zijnde een erfafscheiding, opricht of nieuw verhard oppervlak aanbrengt meldt dit vooraf bij burgemeester en wethouders. Bij een melding wordt een ontwerptekening van en revisietekening met toelichting op het hemelwatersysteem ter goedkeuring aan burgemeester en wethouders overgelegd. Een aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, wordt gelijkgesteld met een melding. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het doen van een melding als in dit artikel bedoeld. Die regels kunnen betrekking hebben op het achterwege laten van een melding bij ondergeschikte bouwwerken of verhardingen of op het achterwege laten van tekeningen met toelichting bij het doen van meldingen voor dergelijke bouwwerken en verhardingen. Artikel6.6Vrijstelling bij extreme neerslag (noodoverloop) Het verbod, bedoeld in artikel 6.4 eerste lid, geldt niet als de te verwerken hoeveelheid hemelwater, als gevolg van extreme neerslag, groter is dan de hoeveelheid zoals genoemd in art 6.4 tweede lid of zoals blijkt uit een vastgestelde gebiedsaanwijzing ex artikel 6.4, derde lid. Het afvoeren van de overtollige, extreme neerslag middels een verbinding tussen de hemelwatervoorzieningen op eigen terrein en gemeentelijke voorzieningen is alleen toegestaan na afstemming en met instemming van burgemeester en wethouders. Artikel6.7Kwaliteit af te voeren hemelwater Het afstromende hemelwater, als bedoeld in artikel 6.4 en 6.6, mag niet verontreinigd zijn als gevolg van afspoelen of uitlogen van de gebruikte bouwmaterialen of geloosde stoffen. Artikel6.8Verbod op lozen van grondwater op de riolering of gemeentelijke hemelwatervoorziening Het is verboden grondwater af te voeren naar de gemeentelijke riolering of een gemeentelijke hemelwatervoorziening op openbaar gebied. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, als infiltratie van het grondwater op het eigen perceel niet mogelijk is en van de perceeleigenaar redelijkerwijs geen andere wijze van lozen van het grondwater kan worden gevergd. Artikel6.9Aansluiting Aansluitingen van hemelwaterleidingen op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, worden volgens de eisen van burgemeester en wethouders uitgevoerd. Artikel6.10Onderhoud en beheer De eigenaar is verantwoordelijk voor het onderhoud, beheer en instandhouding van zijn hemelwatervoorzieningen en grondwatervoorzieningen. HOOFDSTUK7ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUUR (AVOI- Excl telecom) Paragraaf1:Inleidende bepalingen Artikel7.1Doel van de regels in dit hoofdstuk Het doel van dit hoofdstuk is om regels vast te stellen met het oog op de minimalisatie van overlast en maatschappelijke kosten, alsmede een efficiënt gebruik van de openbare ruimte met betrekking tot werkzaamheden aan kabels en/of leidingen. Artikel7.2Definities In dit hoofdstuk wordt in aanvulling op de definities in artikel 1.1 verstaan onder: Belanghebbenden: de omwonenden en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en/of leidingen; Bovengrondse voorzieningen: transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations die onderdeel uitmaken van een netwerk en bovengronds worden geplaatst; Breek- en graafverbod: tijdelijk verbod voor het uitvoeren van werkzaamheden; Gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in een publiekrechtelijke vergunning of een privaatrechtelijke overeenkomst; Kabels en/of leidingen: een of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, en tevens omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken; Marktconforme kosten: kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt; Netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een al dan niet openbaar netwerk; Netwerk: samenstel van kabels of leidingen bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie; Openbaar netwerk: een netwerk van een netbeheerder die krachtens een wet is aangewezen om een netwerk aan te leggen en te onderhouden; Openbare gronden: openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken. Tevens wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn; Spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het betreffende netwerk is opgetreden; Werkzaamheden: handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleufloze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen; Werkzaamheden van niet ingrijpende aard: werkzaamheden met een gezamenlijke tracélengte tot 25 meter, tenzij: wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist; bovengrondse voorzieningen worden geplaatst; distributie- en mutatiepunten met een afmeting groter dan 30x30x30 cm lxbxh) worden geplaatst; het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen; het vervangen van bestaande bovengrondse voorzieningen en/of distributie- en mutatiepunten met dezelfde of kleinere afmetingen; d. het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m²; e. het realiseren van maximaal 5 aansluitingen. Artikel7.3Toepasselijkheid Dit hoofdstuk is van toepassing op werkzaamheden die door of namens een netbeheerder plaatsvinden binnen de gemeente Meierijstad. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle kabels en leidingen in openbare gronden, uitgezonderd die welke onder de Telecommunicatiewet vallen. Het bepaalde in dit hoofdstuk geldt niet voor zover hierin reeds is voorzien in privaatrechtelijke overeenkomsten. Artikel7.4Nadere regels en beleidsregels Burgemeester en wethouders kunnen ter uitvoering van dit hoofdstuk nadere regels of, voor wat betreft nadeelcompensatie, beleidsregels vaststellen. Deze (nadere) regels hebben betrekking op: openbare orde en veiligheid; het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van werkzaamheden; het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; ondergrondse ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden; nadeelcompensatie in geval van het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen (beleidsregels); de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die moeten worden verstrekt; de verrekening van herstel-, beheer- en degeneratiekosten; het al dan niet toestaan van de aanleg van een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk. Paragraaf2:Aanvragen en melden van werkzaamheden Artikel7.5Omgevingsvergunningsvereiste. Breek- en graafverbod Het is verboden werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.2 te verrichten zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verstrekte omgevingsvergunning. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 7.2, is geen omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een door burgemeester en wethouders goedgekeurde melding. De raad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is. De werkzaamheden worden binnen een jaar na de datum waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden voltooid. De werkzaamheden van niet ingrijpende aard worden binnen het in de goedgekeurde melding bepaalde tijdvak voltooid. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente. Behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden zijn bij weersomstandigheden, waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor de bewoners en/of schade voor de gemeente kan leiden, burgemeester en wethouders bevoegd een breek- en graafverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van deze weersomstandigheden is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Tijdens door de gemeente vergunde evenementen geldt op het voor het evenement benodigde terrein altijd een breek- en graafverbod. De termijnen zoals bedoeld in het derde en vierde lid worden automatisch verlengd met de periode van het breek- en graafverbod. Uiterlijk een dag voor beëindiging van het breek- en graafverbod, informeren burgemeester en wethouders de betrokken uitvoerende partij(
  2. en)hierover. Artikel7.6Aanvragen en melden Voor het uitvoeren van de werkzaamheden wordt een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.5, bij burgemeester en wethouders aangevraagd. In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met burgemeester en wethouders om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige of grondeigenaar dan de gemeente en/of als er een aanvraag voor een omgevingsvergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager burgemeester en wethouders hiervan op de hoogte. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard of de aanvang van werkzaamheden worden/wordt vijf werkdagen voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld bij burgemeester en wethouders. Spoedeisende werkzaamheden worden voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld bij burgemeester en wethouders of bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, wordt de melding uiterlijk binnen een werkdag na de aanvang van de uitvoering gemotiveerd gedaan. Artikel7.7Gegevensverstrekking Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, wordt in afwijking van art. 3.2, eerste lid, uitsluitend gebruik gemaakt van het door burgemeester en wethouders gehanteerde digitale formulier. De volgende gegevens worden daarbij in ieder geval verstrekt: naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder en contactgegevens waarop de projectleider van de netbeheerder te bereiken is; als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen, waarbij aangegeven wordt hoeveel kabels er daadwerkelijk direct in gebruik genomen worden; vereiste vergunning(en), ontheffing(
  3. en)of toestemming(
  4. en)op grond van overige wetgeving, alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen, grondeigenaren, beheerders van openbare gronden en/of belanghebbenden; een tekening (PDF- en DWG-formaat) op basis van een BGT-ondergrond met legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven: een weergave van het gewenste tracé; een weergave van de tijdelijke en permanente voorzieningen; een weergave van de te plaatsen bovengrondse voorzieningen; een weergave van de te plaatsen distributie- en mutatiepunten groter dan 30x30x30 cm (lxbxh). overtuigende gegevens en inzicht omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden waaruit blijkt: binnen de beschikbare ruimte aangelegd wordt; dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd; dat de vereisten voor het passeren van groenvoorzieningen gewaarborgd blijven. de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; indien de gemeente de coördinaten van de zich in het tracé bevindende (monumentale) bomen aanlevert, dan moet de netbeheerder deze (inclusief de kroonprojectie) op de omgevingsvergunningstekening weergeven. Voor een melding, als bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, wordt in afwijking van art. 3.2, eerste lid, uitsluitend gebruik gemaakt van het door burgemeester en wethouders gehanteerde digitale formulier. De volgende gegevens worden daarbij in ieder geval verstrekt: naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder en contactgegevens waarop de projectleider van de netbeheerder te bereiken is; als het een melding betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een beschrijving van de werkzaamheden en een werktekening; de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; de datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; In geval van spoedeisende werkzaamheden worden tevens verstrekt: de aanduiding van de spoedeisende aard van de werkzaamheden; de omschrijving van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd. Artikel7.8Voorschriften en weigeringsgronden Burgemeester en wethouders kunnen, in aanvulling op artikel 3.4 en 3.5, in de omgevingsvergunning voorschriften opnemen, dan wel een omgevingsvergunning weigeren, in het belang van: de openbare orde; veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid; het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen; de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten. De voorschriften en weigeringsgronden, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden; het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld; afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken. De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden worden door de netbeheerder schriftelijk geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. De netbeheerder is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en groenvoorzieningen terug te brengen in de oude staat, tenzij burgemeester en wethouders vooraf hebben aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen. Artikel7.9(Mede)gebruik van voorzieningen Op verzoek van burgemeester en wethouders wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van burgemeester en wethouders aangelegde, voorzieningen voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. Indien de voorziening in eigendom is van de gemeente dan is voor het medegebruik schriftelijk toestemming van de gemeente vereist. In het vooroverleg als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, wordt mede bepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. Artikel7.10Termijnen In aanvulling op artikel 3.3 wordt de goedkeuring op een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard genomen binnen vijf werkdagen. De goedkeuring op een melding voor spoedeisende werkzaamheden volgt, met in acht name van het bepaalde in artikel 3.5, tweede lid, uiterlijk vijf werkdagen nadat de melding is gedaan. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Paragraaf3:Overige bepalingen Artikel7.11Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie Voor verleggingen van kabels of leidingen van een netwerk van een netbeheerder in of op openbare gronden op verzoek van burgemeester en wethouders, gelden de volgende bepalingen: De netbeheerder is verplicht op verzoek van burgemeester en wethouders over te gaan tot het nemen van maatregelen voor kabels en leidingen ten dienste van zijn net, waaronder het verleggen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege de gemeente in het algemeen belang; De gemeente en de netbeheerder zullen bij verwijdering, verlegging of aanpassing van kabels of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken; Burgemeester en wethouders nemen het besluit tot een schriftelijke aanwijzing voor het verleggen van een leiding zo mogelijk op basis van overeenstemming; Na een schriftelijk verzoek van burgemeester en wethouders tot het nemen van maatregelen gaat de netbeheerder zo spoedig mogelijk over tot de uitvoering, doch niet later dan dertien weken na de datum van ontvangst van het verzoek. Als ten gevolge van werkzaamheden, niet zijnde gemeentelijke werkzaamheden, verlegging wijziging of verwijdering van enig eigendom van de gemeente noodzakelijk is, dan wel ten behoeve van werkzaamheden speciale voorzieningen moeten worden getroffen, komen de kosten ervan voor rekening van de opdrachtgever, tenzij er redelijkerwijs aanleiding bestaat om de kosten over meerdere partijen te verdelen, dan wel om geen kosten in rekening te brengen. Burgemeester en wethouders geven van hun voornemen van een werk, zijnde de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door de gemeente, waarvan de verlegging van kabels en leidingen van netbeheerders het gevolg kan zijn, zo spoedig mogelijk een schriftelijke mededeling aan de netbeheerder. Deze mededeling bevat ten minste: de omschrijving van de voorgenomen werkzaamheden; de vermelding van de mogelijk te verleggen leidingen; een tekening van het plangebied met daarop aangegeven de plangrenzen; een tekening met daarop aangegeven de bestaande situatie; een tekening met daarop aangegeven de nieuwe situatie; een tekening met daarop aangegeven het tracé voor de te verleggen leidingen; een uitnodiging voor een overleg met burgemeester en wethouders binnen 2 weken na dagtekening, waarvoor alle betrokken netbeheerders worden uitgenodigd. Burgemeester en wethouders streven naar overeenstemming met de netbeheerder over de verlegging, uitvoering en planning met als doel een technisch adequate oplossing tegen de maatschappelijk laagste kosten. Als tijdens het vooroverleg blijkt dat er sprake is van kabels of leidingen die niet noodzakelijk verlegd moeten worden krijgt de netbeheerder de gelegenheid om op eigen kosten die leidingen te rijzen, te vervangen of te verwijderen of andere voldoende aanpassingen te verrichten. De in het vijfde lid bedoelde werkzaamheden worden zodanig ingepland en uitgevoerd dat de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken geen vertraging oplopen. Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het tweede lid wordt verleend op basis van, door burgemeester en wethouders vast te stellen, regels (Beleidsregels nadeelcompensatie). Artikel7.12Overleg Burgemeester en wethouders organiseren periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd. In dit overleg worden de plannen van de gemeente en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en afgestemd in het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk. Burgemeester en wethouders stemmen af met de betrokken netbeheerders indien gronden verkocht, verpacht of verhuurd worden waar (mogelijk) kabels en leidingen in liggen. Artikel7.13Niet openbaar netwerk Dit hoofdstuk houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente met betrekking tot een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk. Bij werkzaamheden aan een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk, is het bepaalde in dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing. Artikel7.14Informatieplicht De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding. Dit geldt ook als een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen. De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert. Artikel7.15Wijziging, intrekking vergunning en stillegging werkzaamheden In aanvulling op artikel 3.6 zijn burgemeester en wethouders bevoegd, met kennisgeving vooraf aan de netbeheerder, de omgevingsvergunning te wijzigen of in te trekken of de werkzaamheden stil te leggen als: er wordt gewerkt zonder omgevingsvergunning of goedgekeurde melding; de omgevingsvergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is verleend; er wordt gewerkt in afwijking van de nadere regels; er wordt gewerkt in strijd met het geldende breek- en graafverbod. HOOFDSTUK8REGELS VOOR OVERIGE ACTIVITEITEN (niet zijnde weekmarkt en havenbeheer) Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikel8.1Op wie van toepassing Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald. Afdeling 2 Verontreinigde bodem Artikel8.2Doel van de regels over bodem Het doel van de artikelen 8.2 tot en met 8.5 is het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Woningwet. Het bepaalde in deze artikelen is gelijk aan de artikelen 2.1.5, 2.4.1 en 2.4.2 van de (voormalige) Bouwverordening Artikel8.3Bodemonderzoek Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toe als voor toepassing van artikel 8.4 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen. Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel8.4Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel8.5Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 8.4 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht , kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Afdeling 3 Regels over geluid en verlichting Paragraaf3.1Regels voor inrichtingen Activiteitenbesluit milieubeheer Artikel8.6Definities In deze paragraaf wordt verstaan onder: Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 8.7 tot en met 8.9 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel8.7Aanwijzing collectieve festiviteiten De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9 gelden niet gedurende de volgende dagen of dagdelen: op het grondgebied van de hele gemeente: Carnaval van vrijdag t/m dinsdag) (5 dagen); Koningsnacht en -dag (2 dagen); Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag (2 dagen); op het grondgebied van de betreffende kern: de dagen waarop aldaar de jaarlijkse kermis wordt gevierd (4/5 dagen). De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet tijdens de door de betreffende sportclubs georganiseerde toernooien. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet voorzien was, kunnen burgemeester en wethouders een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Het gemeten equivalente geluidsniveau (LAeq,T) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan: 75 dB(A) en 90dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; 50 dB(A) en 65 dB(C), gemeten in in- of aanpandige geluidsgevoelige gebouwen. De geluidsnorm, bedoeld in het vierde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie (Cb) en de meteocorrectieterm (Cm) buiten beschouwing gelaten. Als binnen 2 meter van een achterliggende gevel is gemeten dan wordt de geluidwaarde in het zesde lid met 3 dB verhoogd. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9 uiterlijk een half uur voor de in artikel 2:29 of 2:30 van de APV Meierijstad voorgeschreven sluitingstijd beëindigd. Artikel8.8Melding incidentele festiviteiten Het is een inrichting toegestaan: op maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2,17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders; om maximaal 3 van de onder a bedoelde dagen of dagdelen per kalenderjaar op het buitenterrein binnen de grens van de inrichting incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2,17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders Burgemeester en wethouders stellen een formulier vast voor het doen van de melding. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer burgemeester en wethouders op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Het gemeten equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan: 70 dB(A) en 80 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter voor festiviteiten als bedoeld onder lid 1a; 75 dB(A) en 90 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter voor festiviteiten als bedoeld onder lid 1b; 50 dB(A) en 65 dB(C), gemeten in in- of aanpandige gevoelige gebouwen. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie (Cb) en de meteocorrectieterm (Cm) buiten beschouwing gelaten. Als binnen 2 meter van een achterliggende gevel is gemeten dan wordt de geluidwaarde in het zesde lid met 3 dB verhoogd. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid onder a, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9, op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur en op de dag volgend op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen in het gebouw van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel8.9Onversterkte muziek Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel 7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Voor maximaal 2 keer per week, met een duur van maximaal 3 uur per keer aaneengesloten is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting tussen 10.00 uur en 19.00 uur (dagperiode) en tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avondperiode) uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel van toepassing. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 8.7 en 8.8. Paragraaf3.2Geluidhinder buiten een inrichting Artikel8.10Geluidhinder door dieren Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Artikel8.11Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel8.12Overige geluidhinder Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. Het verbod is niet van toepassing op wegonderhoud onder voorwaarden dat: deze werkzaamheden niet langer dan vijf dagen duren; de omwonenden tijdig op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke geluidhinder; en de geluidimmissie op de gevel van het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gebouw tussen 19 en 7 uur niet meer bedraagt dan 75 LAr,LT in dB(A). Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant, de Omgevingswet, of artikel 2:25 van de APV Meierijstad. Afdeling 4 Activiteiten op een openbare plaats Artikel8.13Voorwerpen op of aan openbare plaatsen Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, gevaar oplevert of kan opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg, of niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, of het uitzicht van bewoners of gebruikers van een gebouw op hinderlijke wijze belemmert of hen door dat gebruik anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer: niet ten minste een vrije doorgang van 1,5 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer en niet ten minste een vrij onderrijdbare hoogte van 4 meter wordt gelaten. Burgemeester en wethouders kunnen kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, reclameborden, bouwobjecten en nader door hen aan te wijzen voorwerpen. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; standplaatsen als bedoeld in artikel 9.18 van deze verordening. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de wet beheer rijkswaterstaatwerken of op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel8.14Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Het is verboden zonder, of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, de aard of breedte van de wegverharding te veranderen, of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord Brabant, de Waterschapsverordening, Hoofdstuk 7 van deze verordening (AVOI), of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet en de Telecommunicatieverordening. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel8.15Maken of veranderen van een uitweg Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. In afwijking van artikel 3.5 wordt een vergunning slechts geweigerd: in het belang van een veilig en doelmatig gebruik van de weg; in het belang van de doorstroming van het verkeer op de openbare weg; in het belang van het uiterlijk aanzien van de omgeving; als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen, of; wegens strijd met het bestemmingsplan of omgevingsplan. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant en op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel8.16Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Artikel8:16aHinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (artikel 2.15 APV) Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd, of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. 8.16bRookverbod in bossen en natuurterreinen (artikel 2.18 APV) Het is verboden in bossen of op heide: te roken; voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. De verboden in het eerste lid gelden gedurende een door burgemeester en wethouders vast te stellen periode tevens binnen een afstand van 30 meter van bossen en heide. De verboden in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. De rookverboden in het eerste lid, onder a, en het tweede lid zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken betreft dat plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven Afdeling 5 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel8.17Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 8.18 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel, of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. Burgemeester en wethouders kunnen bij de aanwijzing nadere regels stellen. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening, de Omgevingswet of de (Interim)Omgevingsverordening Noord-Brabant. Afdeling 6 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel8.18Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel8.19Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan of omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. Onverminderd het bepaalde in 3.5 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap, of een stadsgezicht. Artikel8.19aSlapen op een openbare plaats Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, keetwagen, tent, aanhangwagen of (vracht)auto als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast, het aanzien van de woon- en werkomgeving, verontreiniging, voorkoming van besmettelijke ziekten en brandgevaar. Het verbod geldt niet op de door burgemeester en wethouders daartoe aangewezen plaatsen. Artikel8.19bAanwijzing kampeerplaatsen Artikel 8.19, eerste lid en 8.19a, eerste lid is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 8.19, vierde lid en artikel 8.19a, tweede lid. Afdeling 7. Openbaar water en waterstaatswerken Artikel8.20Voorwerpen op, in of boven openbaar water Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. De verboden zijn niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening of op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, hoofdstuk 7 en 10 van deze verordening of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel8.21Ligplaats vaartuigen Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van openbaar water. Burgemeester en wethouders kunnen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant en op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de (Interim)Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van deze verordening het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet. Burgemeester en wethouders kunnen aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door burgemeester en wethouders gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel8.22Beschadigen van waterstaatswerken Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant of hoofdstuk 10 van deze verordening. Artikel8.23Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel8.24Veiligheid op het water Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant, hoofdstuk 10 van deze verordening (Havenbeheer) of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel8.25Overlast aan vaartuigen Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Afdeling 8. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel8.26Crossterreinen Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. Het verbod is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen terreinen. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel8.27Beperking verkeer in natuurgebieden Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. Het verbod is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen terreinen. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. Het verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. Afdeling 9 Kabels en leidingen Artikel8.28Verbod objecten onder hoogspanningslijn Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaand houtgewas of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor ontheffing wordt overleg gevoerd met de netbeheerder. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het bestemmingsplan of omgevingsplan. HOOFDSTUK9WEEKMARKTEN EN STANDPLAATSEN Afdeling 1 Weekmarkten Paragraaf1Algemene bepalingen Artikel9.1.Toepassingsgebied Dit hoofdstuk is van toepassing op alle door burgemeester en wethouders ingestelde warenmarkten die op gezette tijden worden gehouden. Artikel9.2Doel van de regels in dit hoofdstuk Het doel van dit hoofdstuk is tweeledig. Ten eerste worden hiermee de kaders gecreëerd om markten zodanig te (her)organiseren dat de gemeentelijke belangen beschermd worden en dat de markten tegelijkertijd aantrekkelijk blijven voor zowel consumenten als marktkooplieden en – voor zover gemeenten daar invloed op kunnen uitoefenen – dat er een divers aanbod is dat van goede kwaliteit is. Ten tweede heeft dit hoofdstuk tot doel dit alles op een overzichtelijke, duidelijke manier te regelen, ontdaan van overbodige regels en administratieve lasten.. Artikel9.3.Inrichtingsplan Voor elke markt stellen burgemeester en wethouders een inrichtingsplan vast, dat in elk geval bevat: aanduiding van de dagen en de uren waarop en eventueel de periode waarin de markt wordt gehouden (markttijd); een kaart van de markt; aanduiding van de wijze waarop nieuwe vaste-standplaatsvergunningen en dagplaats- vergunningen kunnen worden verstrekt; Op de kaart zijn aangegeven: de grenzen van de markt; de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor houders van een vaste-standplaatsvergunning; voor zover van toepassing, de plaatsen of gebieden die bij voorrang zijn bestemd voor een of meer branches of artikelgroepen alsmede, indien van toepassing, de maximum aantallen vaste-standplaatsvergunningen die voor een of meer branches of artikelgroepen of combinaties daarvan kunnen worden afgegeven; indien van toepassing, de plaatsen of gebieden die bij voorrang zijn bestemd voor houders van een dagplaatsvergunning; Als een standplaats, bestemd voor de houder van een vaste-standplaatsvergunning bij aanvang van de markt nog niet door de vergunninghouder of diens plaatsvervanger is ingenomen, kan daarvoor een dagplaatsvergunning worden afgegeven. Het inrichtingsplan is gedurende de markttijd op de markt aanwezig en in te zien. Artikel9.4Vergunningen Het is verboden, op een markt zonder vaste-standplaatsvergunning of dagplaatsvergunning van burgemeester of wethouders een standplaats voor het uitoefenen van markthandel in te nemen. Een vaste-standplaatsvergunning geldt voor een periode van maximaal 12 jaar en voor de op de vergunning vermelde standplaats. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen een andere standplaats aanwijzen. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de looptijd van de vergunning. Daarbij kan de in het tweede lid genoemde periode worden verlengd of bekort als blijkt dat dit noodzakelijk is in verband met hogere regelgeving (Europees of landelijk) of rechterlijke uitspraken. Een dagplaatsvergunning geldt voor één dag en voor de op de vergunning vermelde standplaats. Vergunning kan enkel worden verleend aan een handelingsbekwame natuurlijke persoon die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten. Een vaste-standplaatsvergunning is niet overdraagbaar. Artikel9.5.Mandaatverboden De bevoegdheid tot het vaststellen van inrichtingsplannen kan niet worden gemandateerd. De bevoegdheid tot wijzigen daarvan en die tot het verlenen of het intrekken van een vaste-standplaatsvergunning kan niet aan de marktmeester of een andere toezichthouder worden gemandateerd. Paragraaf2Vaste-standplaatsvergunningen Artikel9.6.Selectiestelsel Voor de toekenning van een vaste standplaatsvergunning wordt het selectiestelsel zoals hierna beschreven gehanteerd. Burgemeester en wethouders maken bij het vrijkomen van een vaste standplaats bekend dat voor de markt een of meer vaste-standplaatsvergunningen kunnen worden verleend, voor welke branche of artikelgroep dit geldt en dat gegadigden voor een vergunning vóór de daarbij genoemde datum daarvoor een aanvraag kunnen indienen. De bekendmaking geschiedt door openbare kennisgeving in het Gemeenteblad Meierijstad en op de gemeentelijke website. Als een aanvraag vóór de indieningsdatum is ingediend maar onvolledig is, krijgt de aanvrager een termijn van 5 werkdagen om zijn aanvraag aan te vullen. Als er meer onvolledige aanvragen zijn, wordt de betreffende aanvragers op dezelfde dag mededeling gedaan van de gelegenheid om hun aanvraag aan te vullen. Uitsluitend volledige aanvragen die tijdig zijn ingediend en waarbij is voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde, komen voor beoordeling als bedoeld in het zevende lid in aanmerking. Burgemeester en wethouders leggen de aanvragen om advies voor aan een door hen te benoemen vaste marktcommissie van ten minste 3 personen, in te vullen door personen met een directe relatie met een van de marktkramen. Een lid van de commissie vermijdt op elk moment (de schijn van) belangenverstrengeling bij de advisering. Advisering dient volledig onafhankelijk plaats te vinden. Het college kan ter zake nadere regels stellen. Bij de beoordeling van de aanvragen kennen burgemeester en wethouders punten toe aan de hand van de volgende aspecten en tot het daarbij vermelde maximumaantal: of het assortiment van de gegadigde een gewenste toevoeging aan het marktassortiment vormt

(20); de uitstraling van de uitstalling
(20); het marktverleden van de gegadigde en de indruk die hij maakt
(20); of bij de gegadigde sprake is van maatschappelijk verantwoord ondernemen
(20). Aanvragers komen in aanmerking in de volgorde van het aantal toegekende punten. Voorwaarde daarbij is dat de aanvraag passend moet zijn op de vrijgekomen plaats.
  1. Burgemeester en wethouders verlenen de vaste-standplaatsvergunning aan de gegadigde met het op basis van de beoordeling hoogste aantal punten.
  2. Als meer gegadigden hetzelfde aantal punten krijgen toegekend, vindt de verdeling van de vergunning tussen hen plaats via loting door middel van een trekking, waarvoor zij worden uitgenodigd. Artikel9.7.Verlenging vergunning na afroep Bij het beschikbaar komen van een vaste-standplaatsvergunning vanwege het einde van de vergunningsduur kunnen burgemeester en wethouders de procedure van verlenging na afroep toepassen, als voldoende aannemelijk is dat er naast de betreffende vergunninghouder geen andere gegadigden voor deze vergunning zijn. Bij de verlenging na afroep maken burgemeester en wethouders 8 weken voor het einde van de duur van de vaste-standplaatsvergunning door een openbare kennisgeving in het Gemeenteblad Meierijstad en op de gemeentelijke website bekend dat deze vergunning beschikbaar komt voor de termijn van maximaal 12 jaar. Bij deze openbare kennisgeving worden gegadigden uitgenodigd om hun belangstelling voor de vaste-standplaatsvergunning binnen 2 weken, tenzij anders vermeld, na de kennisgeving kenbaar te maken op de door burgemeester en wethouders aangegeven wijze. In de kennisgeving wordt tevens aangegeven voor welke branche of artikelgroep dit geldt. Als binnen de gestelde termijn alleen de betreffende vergunninghouder belangstelling kenbaar heeft gemaakt en is voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde, verlengen burgemeester en wethouders zijn vaste-standplaatsvergunning met de in het tweede lid genoemde duur. Als binnen de gestelde termijn naast de betreffende vergunninghouder ook een of meer andere gegadigden belangstelling kenbaar hebben gemaakt, wordt de vergunning niet verlengd. In dat geval passen burgemeester en wethouders de vastgestelde procedure van artikel 9.6 toe. In het in het vijfde lid bedoelde geval stellen burgemeester en wethouders de gegadigden ervan in kennis dat de procedure van artikel 9.6 wordt toegepast en dat zij vóór de door burgemeester en wethouders genoemde datum een aanvraag kunnen indienen. Artikel9.8Overschrijven vaste-standplaatsvergunning Als de vergunninghouder niet langer zelf van de vaste-standplaatsvergunning wil gebruikmaken, overleden is of onder curatele gesteld is, kunnen burgemeester en wethouders op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of curator de vergunning overschrijven op naam van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of andere persoon met wie hij duurzaam samenwoont of samenwoonde, of zijn kind. Als de over te schrijven vergunning is verleend met inachtneming van het selectiestelstel van artikel 9.6 kan overschrijving alleen gebeuren als in dezelfde mate wordt voldaan aan de criteria, genoemd in artikel 9.6, zevende e lid. Als de over te schrijven vergunning is verleend voor een branche of artikelgroep, kan overschrijving alleen gebeuren voor die branche of artikelgroep. Als de in het eerste lid bedoelde overschrijving niet kan worden gedaan, kunnen burgemeester en wethouders de vaste-standplaatsvergunning op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of curator overschrijven op naam van een medewerker van de vergunninghouder of een mede-eigenaar van diens bedrijf als deze ten minste 3 jaren in loondienst heeft gewerkt bij de vergunninghouder of 3 jaren heeft gefunctioneerd als mede-eigenaar. Als de over te schrijven vergunning is verleend met inachtneming van de verdeelprocedure van artikel 9.6, kan overschrijving alleen gebeuren als in dezelfde mate wordt voldaan aan de criteria genoemd in artikel 9.6 zevende lid. Als de over te schrijven vergunning is verleend voor een branche of artikelgroep, kan overschrijving alleen gebeuren voor die branche of artikelgroep. De looptijd van een overgeschreven vergunning voor een vaste-standplaatsvergunning is: bij vergunningen verleend voor een bepaalde termijn gelijk aan de resterende looptijd van de vergunning die wordt overgeschreven; bij vergunningen verleend voor een onbepaalde termijn gelijk aan de termijn van 12 jaar, verminderd met het aantal jaren dat na de inwerkingtreding van deze verordening is verstreken op het moment van overschrijving van de vergunning. In geval van overlijden of ondercuratelestelling van de vergunninghouder wordt de aanvraag tot overschrijving binnen twee maanden nadien ingediend. Burgemeester en wethouders wijzen de aanvraag tot overschrijving af als niet wordt voldaan aan het bij of krachtens dit hoofdstuk en de daarop betrekking hebbende bepalingen van deze verordening bepaalde. Als de nieuwe vergunninghouder al over een vaste-standplaatsvergunning voor de desbetreffende markt beschikt, kunnen burgemeester en wethouders deze intrekken. Artikel9.9Intrekking en vervallen vaste-standplaatsvergunning Burgemeester en wethouders trekken een vaste-standplaatsvergunning in aanvulling op het bepaalde in artikel 3.6 in twee maanden na diens overlijden of ondercuratelestelling, tenzij een aanvraag tot overschrijving is ingediend overeenkomstig artikel 9.
  3. Burgemeester en wethouders kunnen een vaste-standplaatsvergunning in aanvulling op het bepaalde in artikel 3.6 voor bepaalde of onbepaalde tijd intrekken: als de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden; als van de vergunning gedurende ten minste 8 van de 13 weken geen gebruik is gemaakt; of als de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.
  4. In geval van intrekking voor bepaalde tijd kan tevens worden bepaald dat de toegewezen standplaats vervalt.
  5. Als de vergunninghouder of zijn overeenkomstig artikel 9.10 aangewezen vervanger zijn standplaats niet uiterlijk bij aanvang van de markt heeft ingenomen, vervalt de vergunning voor de rest van de dag. Artikel9.10Persoonlijk innemen standplaats; vervanging De houder van een vaste-standplaatsvergunning kan de hem toegewezen standplaats laten innemen door een vervanger voor in totaal ten hoogste 50% procent van het aantal marktdagen per jaar. Daarvan doet hij zo mogelijk tevoren mededeling aan de marktmeester. De houder van de vergunning blijft persoonlijk verantwoordelijk voor zijn standplaats. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten – behalve die tot vervanging ingevolge het vorige lid – en verplichtingen die bij of krachtens deze verordening gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger. Paragraaf3.Dagplaatsen Artikel9.11Dagplaatsvergunning Een dagplaatsvergunning kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt op plaatsen die daarvoor ingevolge het inrichtingsplan in aanmerking komen en op plaatsen die niet zullen worden ingenomen door de houder van een vaste-standplaatsvergunning omdat voor de plaats geen vergunning geldt, de vergunning is vervallen of omdat de vergunninghouder niet in staat is de plaats in te nemen en niet is voorzien in vervanging overeenkomstig artikel 9.
  6. Voor een dagplaatsvergunning komen in aanmerking degenen die daarvoor die dag vóór de aanvang van de markttijd bij de marktmeester een aanvraag hebben ingediend, voldoen aan een eventueel van toepassing zijnde branche- of artikelgroepvereiste en die niet zijn uitgesloten omdat zij gedurende een of meer van de voorafgaande vier marktdagen: zich op de markt schuldig hebben gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling hebben overtreden, of niet tijdig het verschuldigde marktgeld hebben voldaan dat wordt geheven op de grondslag van artikel 229 van de Gemeentewet.
  7. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van een gegadigde bepalen dat een uitsluitingsgrond niet geldt of dat voor de toepassing van het vorige lid een langere termijn in aanmerking wordt genomen. Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruik gemaakt wanneer strikte toepassing van deze bepaling leidt tot onredelijke gevolgen in relatie tot de hiermee te dienen doelen.
  8. De dagplaatsvergunningen worden verstrekt aan de in aanmerking komende gegadigden op volgorde van ontvangst van de aanvragen. Gegadigden die een artikel of artikelsoort wensen te verkopen dat nog niet op de markt verkrijgbaar is, hebben daarbij voorrang.
  9. Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen.
  10. Burgemeester en wethouders kunnen een dagplaatsvergunning weigeren wanneer de aanvrager eerder een vaste-standplaatsvergunning had die niet langer dan 1 jaar geleden is ingetrokken.
  11. De vergunninghouder kan zich laten bijstaan door een of meer personen. Paragraaf4.Algemene bepalingen voor vergunninghouders Artikel9.12Bijstand De houder van een vaste-standplaatsvergunning of van een dagplaatsvergunning kan zich doen bijstaan door een of meer andere personen. Artikel9.13Legitimatieplicht Degene die een standplaats wenst in te nemen of inneemt op een markt, is op eerste verzoek van een toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is. Artikel9.14Markttijden in acht nemen Het is een vergunninghouder verboden meer dan 3 uur voor de aanvang en meer dan 2 uur na afloop van de markt ruimte in te nemen of te doen innemen op het marktterrein met een voertuig, met goederen of anderszins, of goederen aan- of af te voeren of te laten aan- of afvoeren. Een vergunninghouder neemt zijn standplaats in tot de sluitingstijd van de markt, behoudens op aanvraag door burgemeester en wethouders verleende ontheffing. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Burgemeester en wethouders kunnen aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de ontheffing is vereist. De houder van de ontheffing is verplicht de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen na te leven. Artikel9.15Markt schoonhouden Een vergunninghouder is verplicht afval, waaronder verpakkingsmateriaal, dat tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats vrij komt zodanig te bewaren dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. Hij voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af of laat het afvoeren. Een vergunninghouder is verplicht de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt veegschoon achter te laten. Paragraaf5Handhaving Artikel9.16Onmiddellijke verwijdering Burgemeester en wethouders kunnen een vergunninghouder of iemand die hem bijstaat of vervangt gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden. Afdeling 2 Standplaatsen buiten de weekmarkt Artikel9:17Definitie In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening Meierijstad. Artikel9:18Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een standplaats in te nemen of te hebben. Burgemeester en wethouders weigeren de vergunning wegens strijd met het een geldend bestemmingsplan of het omgevingsplan. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:5 kan de vergunning worden geweigerd als: de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang
  12. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel9:19Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van burgemeester en wethouders standplaats wordt of is ingenomen. Artikel9:20Afbakeningsbepalingen Artikel 9:18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant. De weigeringsgrond van artikel 9:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. HOOFDSTUK10HAVENBEHEER Paragraaf1Algemene bepalingen Artikel10.1Doel van de regels van dit hoofdstuk Het doel van de regels in dit hoofdstuk is het bevorderen van de veiligheid, het ordelijk gebruik en de bescherming van het milieu en de eigendommen in en om de haven. Artikel10.2Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: binnenschip: schip, niet zijnde een zeeschip; exploitant: eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip; gevaarlijke stoffen: stoffen die gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling kunnen opleveren, zoals vermeld in de IMO Code voor het vervoer van verpakte gevaarlijke stoffen over zee (International Maritime Dangerous Goods Code), de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (International Bulk Chemical Code), de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren (International Gas Carrier Code) en het in de bijlage bij het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over binnenwateren opgenomen Reglement (ADN), met uitzondering van eetbare oliën; haven: wateren die in het beheer zijn van de gemeente en die voor de scheepvaart openstaan, alsmede alle daartoe behorende kaden, kunstwerken, meergelegenheden, trappen, scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven en los- en laadplaatsen, zoals aangegeven op de als zodanig aangeduide kaart in bijlage bij deze verordening; b de kaden aan de Zuid-Willemsvaart zoals aangegeven op de als zodanig aangeduide kaart in bijlage bij deze verordening ladingresiduen: de restanten van lading in ruimen of tanks aan boord die na het lossen en schoonmaken achterblijven, met inbegrip van restanten na lading of lossing en morsingen; ontvangstvoorziening: voorziening geschikt voor de ontvangst van scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen; pleziervaartuig : een vaartuig dat is bestemd of wordt gebruikt voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding. scheepsafval: afval, met inbegrip van residuen, niet zijnde ladingresiduen, en sanitair afval, dat ontstaat tijdens de bedrijfsvoering van een schip en dat valt onder de reikwijdte van bijlagen I, IV, V en VI van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels, en met het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels, alsmede ladinggebonden afval, zijnde al het materiaal dat aan boord bij de stuwage en verwerking van de lading als afval overblijft, met inbegrip van stuwmateriaal, schoorpalen, laadborden, verpakkingsmateriaal, houten platen, papier, karton, draad en stalen banden;] schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting; schipper: degene die de feitelijke leiding over een binnenschip voert; tankschip: schip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten; woonschip: Een schip dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt als, of te oordelen naar de constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd als hoofdverblijf ten behoeve van het dag-en/of nachtverblijf door een of meerdere personen; Artikel10.3Toepassingsgebied Dit hoofdstuk is van toepassing in de haven. Het bepaalde in paragraaf 3 is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien in paragraaf 3.9.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel10.4` Mondelinge beslissing De verlening van een vergunning of ontheffing kan uitsluitend in spoedeisende gevallen voor een eenmalige gedraging of handeling van korte duur mondeling geschieden. Artikel10.5Geldigheidsduur Tenzij bij of krachtens dit hoofdstuk anders is bepaald, wordt een vergunning of ontheffng verleend voor de duur van één jaar. Een ontheffing voor een eenmalige gedraging of handeling wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling, met dien verstande dat de ontheffing voor maximaal zes maanden wordt verleend. Artikel10.6Weigerings-, wijzigings- en intrekkingsgronden Burgemeester en wethouders kunnen in aanvulling op het bepaalde in artikel 3.5 en 3.6 een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren, wijzigen of intrekken als dit in het belang van de orde, de veiligheid en het milieu in of in de omgeving van de haven, of de kwaliteit van de dienstverlening in de haven noodzakelijk is; Artikel10.7Verplichtingen van houders van toestemmingen Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend houdt deze, of een kopie hiervan, aan boord van het schip waarop deze betrekking heeft, tenzij het een schip zonder bemanningsverblijf betreft. Artikel10.8Normadressaat Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, is de schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Bij afwezigheid van een schipper, is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Artikel10.9Aanwijzing havenmeester Burgemeester en wethouders wijzen een havenmeester aan. Artikel10.10Nadere regels Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen in het kader van de orde, de veiligheid, de bescherming van het milieu, de kwaliteit van de dienstverlening in of in de omgeving van de haven of ter voorkoming van gevaar, schade of hinder, over: de gegevens die aan de havenmeester moeten worden gemeld voordat met een schip een haven wordt aangedaan, voordat ligplaats wordt ingenomen of voordat bepaalde activiteiten worden ondernomen; de wijze waarop de melding, bedoeld onder a, dient plaats te vinden; de wijze waarop een aanvraag om een vergunning of ontheffing dient plaats te vinden; de voorwaarden waaronder schepen zich in een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied mogen bevinden, welke betrekking kunnen hebben op daar te ondernemen activiteiten, de openstellingsperiode, de toegestane duur van verblijf in de haven en op eisen waaraan schepen of bemanning moeten voldoen om deze activiteiten te mogen ondernemen; de wijze van afmeren van schepen en het innemen van een ligplaats. Paragraaf2Orde in en gebruik van de haven Artikel10.11Verkeerstekens Burgemeester en wethouders kunnen in de haven verkeerstekens plaatsen die zijn vermeld in het Binnenvaartpolitiereglement en deze voorzien van nadere aanduidingen. Het is verboden te handelen in strijd met verkeerstekens of de daarbij behorende nadere aanduidingen. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel10.12Ligplaatsenoverzicht en aanwijzing gebieden Burgemeester en wethouders kunnen een ligplaatsenoverzicht vaststellen, dat in elk geval bevat een kaart van de haven met daarop aangegeven de plaatsen of gebieden die bestemd zijn om ligplaats te nemen. Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen of gebieden aanwijzen waar schepen of categorieën van schepen zich niet dan wel uitsluitend mogen bevinden onder de door hen nader te bepalen voorwaarden, bedoeld in artikel 10.10 Artikel10.13Verbod innemen ligplaats en verbod zich te bevinden op niet daartoe bestemde plaats Het is verboden in de haven met een woonschip een ligplaats in te nemen. Het is verboden met een schip ligplaats te doen nemen of met een schip zich te bevinden op een plaats of gebied die of dat daartoe blijkens het ligplaatsenoverzicht of aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 8.12 niet is bestemd of toegankelijk is, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen en met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel10.14Duur verblijf in haven Het is in de haven verboden met een schip langer te verblijven dan de periode zoals gemeld aan de havenmeester, bij nadere regel als bedoeld in artikel 8.
  13. Als een schip terugkeert in de haven zonder dat er sprake is geweest van bedrijfsmatig vervoer als bedoeld in artikel 1 van de Binnenvaartwet, wordt de looptijd dan wel overschrijding van de periode, bedoeld in het eerste lid, geacht niet te zijn onderbroken dan wel beëindigd. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel10.15Voorzieningen en voorwerpen Het is eenieder verboden voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben, te plaatsen of aan te brengen, als daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het hebben, plaatsen of aanbrengen van scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen, en als zodanig in gebruik zijn, voor het laden en lossen van schepen. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel10.16Verhalen van schepen Burgemeester en wethouders kunnen een exploitant , of schipper schriftelijk opdragen een schip te verhalen of te doen verhalen naar een andere ligplaats, als dit in het kader van de doorstroming van het scheepvaartverkeer, de bescherming van de orde, de veiligheid of het milieu in of in de omgeving van de haven noodzakelijk is. Als geen gevolg wordt gegeven aan de opdracht een schip te verhalen kunnen burgemeester en wethouders het schip voor rekening en risico van de exploitant verhalen of doen verhalen. In spoedeisende gevallen of als de exploitant onbekend is, kunnen burgemeester en wethouders het schip voor rekening en risico van de exploitant direct verhalen of doen verhalen. Artikel10.17Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven Het is verboden voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven te gebruiken als het schip: aan de grond zit; gemeerd, ten anker of op spudpalen ligt; of ter hoogte van de kade of oever wordt gaande gehouden of tegen de kade of oever wordt gedrukt, anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren. Tijdens het gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven is een persoon die bekend is met de bediening van het schip in de stuurhut aanwezig. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het een aan een ander schip gemeerd bunker- of bevoorradingsschip betreft, dat moet bij- of afdraaien ter voorkoming van schade. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen. Artikel10.18Plezier- en zeilvaart in de haven Onverminderd het bepaalde in de artikel 10.13 is het verboden zich met een pleziervaartuig, waarmee al dan niet eveneens bedrijfsmatig wordt gevaren, in de haven te bevinden, tenzij: het schip ligplaats heeft genomen in de passantenhaven in de periode tussen 1 april en 1 november. het schip zich naar de passantenhaven begeeft om aldaar een ligplaats in te nemen in de periode tussen 1 april en 1 november. Het is verboden met een schip dat uitsluitend door middel van zeilen wordt voortbewogen te varen in de haven. Burgemeester en wethouders kunnen in geval van een evenement vrijstelling verlenen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden. Burgemeester en wethouders kunnen in geval geen sprake is van een evenement ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden. Artikel10.19Winterligplaats Het is verboden, behoudens in geval zich een situatie als bedoeld in het vierde lid voordoet, buiten de passantenhaven een winterligplaats in te nemen. In afwijking van het bepaalde in artikel 10.18, eerste li

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.